Gepubliceerd: 3 oktober 2014
Indiener(s): Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA)
Onderwerpen: organisatie en beleid recht staatsrecht zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/33990/kst-33990-5?resultIndex=114&sorttype=1&sortorder=4
ID: 33990-5

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 3 oktober 2014

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

     

1.

Algemeen

1

2.

Administratieve lasten en nalevingskosten

5

3.

Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal)

5

4.

Artikelsgewijs

6

1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie constateren dat het verdrag geen een ieder verbindende bepalingen kent. Kan de regering dit expliciet bevestigen?

Door de overheid zal in nauwe betrokkenheid van cliëntenorganisaties, maatschappelijk middenveld, gemeenten, de sociale partners en het bedrijfsleven een plan van aanpak worden opgesteld in aanvulling op reeds ingezet beleid. Kan de regering toelichten wat het doel van dit plan van aanpak is? Wat is de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende betrokken partijen bij dit plan van aanpak? Welk proces en tijdpad heeft de regering voor ogen ten aanzien van het plan van aanpak?

De regering zal twee jaar na inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel bezien of de aanname dat er geen hoge kosten voor aanbieders van goederen en diensten optreden, terecht is geweest. Echter, wanneer na twee jaar blijkt dat er sprake is van zeer hoge kosten, dan kan dit in de tussenliggende periode al ongewenste en onomkeerbare effecten gehad hebben op de betreffende aanbieders. Is het mogelijk om ook in de periode tot de evaluatie via monitoring een vinger aan de pols te houden, waardoor zo nodig snel kan worden ingegrepen als ongewenste effecten zich voordoen? Zo nee, waarom niet?

De regering geeft aan dat het verdrag niet verplicht tot het treffen van een algemene voorziening wanneer verschillende individuele personen op verschillende plaatsen om een vergelijkbare soort doeltreffende aanpassing verzoeken. Kan de regering toelichten met wat zij in dit kader bedoelt met een algemene voorziening? Welke partij zou, mocht daartoe worden overgegaan, die algemene voorziening moeten leveren en met welke financiering? Welke partij bepaalt of overgegaan wordt tot het treffen van een algemene voorziening? Welke prikkels heeft deze partij tot het treffen van een algemene voorziening, zelfs als dat op macro niveau tot de meest efficiënte oplossing leidt, als het niet treffen van de algemene voorziening inhoudt dat betrokken aanbieders van goederen en diensten dan degenen zijn die een doeltreffende aanpassing moeten leveren? Wat is de relatie van deze passage tot de Wet maatschappelijke ondersteuning?

De openbare ruimte valt onder de reikwijdte van het begrip goederen en diensten. Welke gevolgen heeft dit voor de overheid en welke doeltreffende aanpassingen zouden in dit kader aan de orde kunnen zijn? Hoe verhoudt dit zich tot het uitgangspunt dat uit voorliggend wetsvoorstel geen financiële onoverkomelijkheden volgen?

Sluit de regering uit dat een verplichting in een concreet geval een precedentwerking schept voor een volgend geval?

De regering kan niet aangeven of bewustwording zal leiden tot meer verzoeken tot aanpassingen. Kunnen zij een inschatting maken, vanuit emancipatoir oogpunt, wat de onbedoelde negatieve effecten zouden kunnen zijn en in welke mate deze te verwachten zijn bij een grotere bewustwording van de problematiek van mensen met een beperking? Is er kans op stigmatisering van de doelgroep? Wat ziet de regering als mogelijkheid om negatieve effecten te voorkomen?

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State spreekt de regering de verwachting uit dat verzekeraars in de dagelijkse praktijk uit de voeten kunnen met de mogelijkheid indirect onderscheid te maken, op basis van een objectieve rechtvaardiging. Waar is deze verwachting op gebaseerd? Is hierover gesproken met verzekeraars? Wat zouden de gevolgen zijn als deze verwachting niet uit blijkt te komen in de praktijk, zowel voor de betreffende verzekeraars, de verzekerden, personen met een handicap en overige betrokkenen?

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling het wetsvoorstel en het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het op 13 december 2006 in New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (verder verdrag) gelezen. In dit wetsvoorstel worden de wetswijzigingen aangegeven die nodig zijn om het verdrag te kunnen bekrachtigen, te weten de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) en van de Kieswet.

Genoemde leden streven naar een inclusieve samenleving. Een samenleving waarin er plek is voor iedereen. Voor mensen met een beperking en mensen zonder een beperking. Voor jong en oud. Het VN-verdrag biedt het perspectief op deze inclusieve samenleving en de veranderingen die daarvoor nodig zijn. Deze leden vinden het dan ook belangrijk dat dit verdrag wordt geratificeerd. Naast cliënt is een mens ook burger. Met eigen mogelijkheden en individuele ondersteuningsbehoeften. Er is volgens genoemde leden een cultuurverandering noodzakelijk om een inclusieve samenleving mogelijk te maken. Het vraagt om inzet van mensen zelf, een open en betrokken houding van de samenleving en maatwerk in zorg en ondersteuning vanuit de overheid als deze nodig is.

De leden van de PvdA-fractie willen dat mensen zo goed mogelijk zelfstandig deel kunnen nemen aan de maatschappij. Om mensen zoveel mogelijk te laten deelnemen aan onze maatschappij en zoveel mogelijk hun eigen kracht te laten gebruiken, moeten mensen ook in de gelegenheid gesteld worden om deel te kunnen nemen aan alle aspecten van het leven en onze samenleving. Volledige autonomie, de mogelijkheid om eigen keuzes te maken, is voor veel mensen met een handicap nog verre vanzelfsprekend, zo constateert ook het College voor de Rechten van de Mens. Deze leden vinden dat de regering zich hard moet maken om een ieder in onze samenleving autonomie te verwerven. Een toegankelijke samenleving in alle aspecten van het woord is hierbij onmisbaar. Met de uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is voor deze leden een stap in de goede richting door de regering. Zij zijn dan ook verheugd dat deze stap eindelijk gezet wordt.

De leden van de PvdA-fractie delen echter de visie van het College van de Rechten van de Mens, de Landelijke Cliëntenraad en de Alliantie van landelijke organisaties van mensen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking, psychische aandoening of chronische ziekte. Hoewel zowel dit wetsvoorstel als het samenhangende voorstel 33 992 prijzenswaardige wets- en beleidswijzigingen naar voren brengen, getuigen de voorstellen niet van een diep gevoelde ambitie om in Nederland een inclusieve samenleving tot stand te brengen. Deze leden delen de zorgen en vragen van het College en de betreffende cliënten- en patiëntenorganisaties. Genoemde leden zullen zorgen en vragen zowel in dit verslag stellen, als in het verslag over wetsvoorstel 33 992.

Het verdrag roept geen nieuwe rechten in het leven, zo lezen deze leden, maar geeft een verder toegepaste uitwerking van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit bestaande mensenrechtenverdragen. De leden van de PvdA-fractie snappen dat er met de ratificatie van het verdrag een balans gevonden moet worden tussen het goed organiseren van de rechten van personen met een handicap en een toename in regeldruk, zoals zij lezen in de memorie van toelichting. Ook deze leden willen, net als de regering, geen toename in regeldruk. Echter, zij benadrukken dat voorkomen moet worden dat er te vrijblijvend met de uitvoering van het verdrag omgegaan wordt. Het versterken van de rechten van personen met een handicap moet wat betreft deze leden voorop staan. Zij willen dan ook graag weten hoe voorkomen gaat worden dat de uitvoering van het verdrag te vrijblijvend wordt. Hoe wordt het normatieve karakter dat een ieder in onze samenleving mee moet kunnen doen gestimuleerd? Voor deze leden mag dat ook tot, aanscherping van, regels leiden.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot de Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake rechten van personen met een handicap (33 990). Genoemde leden hebben de meeste vragen gesteld in de rijkswet houdende goedkeuring van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169 en Trb. 2014, 113) 33 992. Echter, zij hebben nog enkele vragen met betrekking tot de uitvoering van het voorliggende verdrag.

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering nog met een plan van aanpak komt. De regering geeft echter in het voorliggende wetsvoorstel aan dat het plan van aanpak de bewustwording en de keuzemogelijkheden zal vergroten en het inclusief denken zal bevorderen. Dit zal volgens de regering leiden naar steeds meer algemene voorzieningen, hoewel het verdrag niet verplicht tot het treffen van algemene voorzieningen. Deze leden willen weten hoever deze algemene voorzieningen gaan en in hoeverre wordt er gekeken naar individuele situaties?

De leden van de S-fractie willen het plan van aanpak graag ontvangen voor de wetsbehandeling.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot de Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake rechten van personen met een handicap (33 990).

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor de Uitvoeringswet van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Zij zijn nog niet geheel overtuigd van de plannen tot uitvoer van de regering.

De leden van de D66-fractie constateren dat acht jaar na dato de ratificatie van het verdrag nog steeds niet is afgerond. Documentatie van de Verenigde Naties leert deze leden dat van de 182 landen die dit verdrag hebben getekend, er 151 zijn die het verdrag officieel hebben geaccepteerd dan wel geratificeerd. Genoemde leden vragen de regering uiteen te zetten waarom zij er nog niet eerder in is geslaagd tot ratificatie van dit verdrag te komen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van wetsvoorstel 33 990, Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169). De goedkeuring van het verdrag is naar de mening van deze leden van groot belang. Zij steunen ook de verbreding die dit wetsvoorstel aanbrengt in het verbod op het weigeren van redelijke aanpassingen ten behoeve van mensen met een beperking. Zij hebben nog wel enkele vragen, bij bepaalde onderdelen van deze uitvoeringswet.

Genoemde leden juichen zoals aangegeven toe dat het verbod op discriminatie door het weigeren van redelijke aanpassingen wordt uitgebreid. Zij vragen of straks voldoende duidelijk is voor betrokkenen wat van hen op grond van de wet mag worden verwacht. Deze leden vragen om een reactie op dit punt van de regering. Kan de regering daarbij ook aangeven wanneer sprake is van onevenredige belasting?

Ook vragen zij wat de regering zal ondernemen om adequate voorlichting te geven aan betrokken over rechten en plichten in het kader van deze nieuwe wetgeving.

Ten slotte vernemen deze leden graag hoe wordt voorkomen dat deze uitbreiding tot toename van juridische procedures zal leiden.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Genoemde leden zetten zich al geruime tijd in voor het verbreden van de Wet gelijke behandeling naar goederen en diensten zij steunen de uitbreiding die in dit wetsvoorstel geregeld wordt. Zij hebben daarbij nog enkele vragen en opmerkingen.

De GroenLinks-fractie hebben nog enkele vragen bij de wijze waarop de Wgbh/cz wordt uitgebreid. Zo is naar aanleiding van het advies van de Raad van State ook financiële dienstverlening opgenomen in de uitbreiding van de Wgbh/cz. Deze leden vinden dit een noodzakelijke uitbreiding. Echter, er worden een aantal andere uitzonderingen gemaakt waar zij nog vraagtekens bij hebben.

In de memorie van toelichting bij voorliggend wetsvoorstel wordt kort uiteengezet dat het ontwerpen en produceren van goederen en diensten niet onder de verruiming van de verplichting om doeltreffende aanpassingen te verrichten valt. Deze leden krijgen graag meer duidelijkheid waarop deze keuze gebaseerd is en wat deze keuze betekent. Is het niet juist belangrijk dat tijdens de fase van ontwerpen en produceren van diensten en goederen al aandacht wordt besteed aan de toepasbaarheid voor mensen met een handicap of chronische ziekte? Wat zouden de consequenties zijn wanneer de wet ook op die gronden wordt uitgebreid? Worden hierop, ongeacht het niet opnemen in de wet, hier wel nieuwe maatregelen op voorgesteld?

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Zij verwachten dat hiermee een belangrijke bijdrage wordt geleverd waarmee personen met een beperking zo weinig mogelijk gehinderd worden om te participeren, en zo een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving. Anderzijds hebben zij nog vragen over de maatschappelijke kosten die dit wetsvoorstel met zich meebrengt.

De leden van de SGP-fractie constateren met de regering dat de uitbreiding naar goederen en diensten een veelomvattend terrein beslaat: het bestrijkt onder meer de detailhandel, horeca, cultuur, sport, recreatie, zakelijke dienstverlening, zorg en internetdiensten. Kan de regering van elk van de genoemde terreinen mogelijke materiele aanpassingen noemen die dienstverleners moeten treffen als gevolg van dit wetsvoorstel?

2. Administratieve lasten en nalevingskosten

Het SEOR concludeert dat de kosten van de regeldruk die de uitvoering van het verdrag met zich meebrengt afhankelijk zijn van het aantal verzoeken dat wordt ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens. De leden van de SP-fractie vragen de regering hierop te reageren en de wijze waarom zij hiermee denken om te gaan. Wat gebeurt er bijvoorbeeld bij een overschrijding van het aantal kosten? Kan de regering dit toelichten?

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering inziet dat er op basis van de huidige situatie weliswaar geen bewijs is dat de uitbreiding leidt tot hoge kosten voor aanbieders van goederen en diensten, maar dat er mogelijk wel een groot risico daarop is. Is het, als dat risico zich daadwerkelijk voordoet, niet veel te laat om pas twee jaar na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel te bezien of de maatschappelijke kosten beperkt zijn geweest? De regering geeft aan dat, als naar voren komt dat de uitbreiding van de Wgbh/cz toch leidt tot (nalevings)kosten, deze worden meegenomen in het regeldrukprogramma van de regering en dat in overleg met bedrijfsleven wordt bezien welke maatregelen er genomen kunnen worden om de eventuele regeldrukgevolgen van onderhavig wetsvoorstel weg te nemen. Aan welke concrete maatregelen denkt de regering dan?

3. Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal)

Actal geeft aan dat het onbekend is of bewustwording leidt tot meer verzoeken tot aanpassingen. De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij dit gaat monitoren. Voorts zijn deze leden benieuwd waarom er geen keuze is gemaakt met betrekking tot scenario’s voor het bepalen van de omvang van structurele toename van regeldruk. Kan de regering uitleggen waarom deze scenario’s niet voorhanden zijn en hoe verhoudt dit zich tot de visie van de regering om regeldruk terug te dringen?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering de scenario’s uit het advies van Actal bij dit wetsvoorstel niet als uitgangspunt wil gebruiken voor de evaluatie. Op welke wijze zal de regering de regeldruk als gevolg van dit wetsvoorstel en de verplichtingen op grond van het verdrag dan wel monitoren?

4. Artikelsgewijs

Artikel I

Aangezien de specifieke bepalingen voor onderwijs kunnen komen te vervallen, vragen de leden van de VVD-fractie wat de consequenties van het vervallen van specifieke aanpassingsverplichtingen in het onderwijs zijn voor de gebouwen en de werkwijze van de scholen in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Welke consequenties hebben het verdrag en het uitvoeringsbesluit voor het leerlingenvervoer? Wordt daarbij altijd uitgegaan van wat de leerling wel kan?

Ten aanzien van de paragraaf openbaar vervoer vragen deze leden wat op dit moment de stand van zaken is ten aanzien van het toegankelijk maken van het openbaar vervoer voor mensen met een beperking. Daarnaast vragen genoemde leden of de regering een beschouwing kan geven op de werking van het verdrag op het openbaar vervoer in termen van toegankelijkheid voor mensen met een beperking, en de verwachte gevolgen die dat heeft dan wel zou moeten hebben op het huidige doelgroepenvervoer. In hoeverre en op welke termijn kan een verder aangepast openbaar vervoer (delen van) het huidige doelgroepenvervoer vervangen?

Ten aanzien van de genoemde voorbeelden op pagina 6 hebben de leden van de VVD-fractie de vraag in hoeverre ook de (lokale) overheid meewerkt aan het mogelijk maken van doeltreffende aanpassingen. Zo kan er een vergunning noodzakelijk zijn voor het neerleggen van een loopplank die geen steile helling heeft. In hoeverre krijgen ondernemers de ruimte om dergelijke aanpassingen te doen, mocht dit een doeltreffende aanpassing zijn?

Genoemde leden vragen of er meer voorbeelden van immateriële aanpassingen gegeven kunnen worden ten aanzien van personen met een beperking in het onderwijs. Hoe verhoudt dat zich tot de nieuwe systematiek van passend onderwijs? Voldoet Nederland daarmee al aan alle voorwaarden die uit het verdrag voortvloeien?

Ten aanzien van artikel I onder B, artikel 5b vragen de leden van de VVD-fractie of de regering vindt dat een leerling meer gebaat is bij een realistisch gesprek over de gevolgen van een beperking en de mogelijkheden tot aanpassing dan bij een verbod op onderscheid op grond van diezelfde beperking. Kunnen deze twee in de ogen van de regering wel samengaan?

Om volledig mee te kunnen doen in de samenleving vinden de leden van de PvdA- fractie het van wezenlijk belang dat een ieder zich naar zijn of haar vermogen kan ontwikkelen. Onderwijs is hierbij de kern van deze ontwikkeling. Deze leden lezen dat onderwijs wordt uitgezonderd (pagina 8). Deze leden vinden dat niet passen in de kern van het verdrag. Juist onderwijs leidt tot meer kansen en mogelijkheden voor mensen met een handicap in alle aspecten van het leven, maar vooral ook op de arbeidsmarkt. Kan een toelichting worden gegeven op het niet apart benoemen van onderwijs door de regering, maar het laten vallen van onderwijs onder «goederen en diensten»? Is juist onderwijs niet de plek waar mensen met een handicap of chronische aandoening toegang toe zouden moeten hebben en waar de emancipatie van mensen met een aandoening of handicap begint? Deze leden ontvangen graag een nadere reactie van de regering.

De leden van de PvdA-fractie hebben met grote tevredenheid gelezen dat na advies van de Raad van State de regering heeft besloten om financiële diensten niet uit te zonderen. Juist bij financiële diensten komt men ontoegankelijkheid voor mensen met een handicap of chronische aandoeningen tegen. Hypotheken, kredieten levensverzekeringen en andere verzekeringen zijn lastiger te verwerven voor mensen met een chronische ziekte of beperking. Zij lopen tegen grote problemen aan ook als zij ondanks hun beperkingen of chronische aandoening een gezonde levensstijl erop nahouden en in goede conditie zijn. Dit zijn vormen van risicoselectie en een ongelijkheid die deze leden onwenselijk achten. Kan de regering een toelichting geven op hoe zij deze ongelijkheid en risicoselectie gaan bestrijden? Welke doelstellingen worden hiervoor door de regering gesteld?

De regering geeft aan dat een persoon met een beperking zelf de noodzaak van een aanpassing dient aan te geven. Kan de regering aangeven hoe zij er zorg voor dragen dat mensen of diens vertegenwoordiger ook de weg weten te vinden bij het aanvragen van aanpassingen, zo vragen de leden van de SP-fractie. Kan de regering ingaan op de onderzoeksplicht die aanbieders krijgen, indien zij een verzoek krijgen tot een aanpassing? Wat houdt de onderzoeksplicht in, hoe bureaucratisch is dit en welke gevolgen heeft dit voor iemand die een aanpassing aanvraagt? Kan de regering toelichten waar mensen bezwaar kunnen aantekenen, indien zij het niet eens zijn met de uitkomsten van de onderzoeksplicht?

De leden van de D66-fractie stellen vast dat de uit te voeren ratificatie noopt tot een aanpassing van de Wet Wghb/cz. Met onderhavig wetsvoorstel stelt de regering dat ook het terrein van goederen en diensten onder de reikwijdte van Wghb/cz komt te vallen. Deze leden vragen de regering nader te motiveren waarom niet is gekozen voor de inclusie van alle goederen en diensten, waarbij ook gekeken wordt naar het ontwerpen en produceren van deze goederen en diensten?

De leden van de D66-fractie constateren dat het recht op bouwkundige- en woontechnische aanpassingen niet afdwingbaar is in de Wmo 2015. Ook stellen deze leden vast dat deze regelingen zijn uitgezonderd in de Wgbh/cz. Zij vragen de regering daarom uiteen te zetten hoe zij erop toeziet dat het recht op non-discriminatie van mensen met een functiebeperking niet wordt geschonden?

Genoemde leden constateren dat de overheid zelf ook actief is als aanbieder van goederen en diensten die vallen onder de Wgbh/cz. Deze leden vragen de regering uit te weiden over de manier waarop zij zelf zorgdraagt voor haar handelen in lijn met de Wghb/cz.

De leden van de D66-fractie constateren dat het VN-verdrag onderhevige staten wel degelijk verplicht tot het treffen van algemene voorzieningen. Deze leden vragen of de regering haar standpunt ten opzichte van algemene voorzieningen kan reflecteren?

Bouwkundige en woontechnische aanpassingen zijn niet opgenomen in de uitbreiding van de Wgbh/cz. De leden van de GroenLinks-fractie krijgen graag meer duidelijkheid hoe het uitzonderen van bouwkundige en woontechnische aanpassingen zich verhoudt tot het recht op non-discriminatie van mensen met een beperking, psychische aandoening of ziekte, aangezien het recht op bouwkundige en woontechnische aanpassingen door gemeenten in de Wmo 2015 niet afdwingbaar is. Wat zouden consequenties zijn van alsnog uitbreiden van voorliggend wetsvoorstel met bouwkundige en woontechnische aanpassingen?

De overheid zelf is natuurlijk ook een aanbieder van goederen en diensten. De leden van de GroenLinks-fractie krijgen graag meer duidelijkheid over de keuze om eenzijdig overheidshandelen niet in voorliggend wetsvoorstel op te nemen. Kan de regering aangeven op welke manier in de Wgbh/cz geborgd wordt wat de overheid zelf gaat doen om als aanbieder van goederen en diensten gedragsconform te handelen?

De verplichting bestaat volgens het wetsvoorstel niet als het een onevenredige belasting vormt. Hoewel de leden van de SGP-fractie begrijpen dat er dus niet in het algemeen kan worden aangegeven welke aanpassingen getroffen moeten worden, zouden zij op dit punt wel graag meer duidelijkheid van de regering ontvangen.

De leden van de SGP-fractie lezen dat het terrein goederen en diensten niet het ontwerpen en produceren van goederen en diensten omvat, zodat de verplichting om redelijke aanpassingen te treffen ook niet van toepassing is op het ontwerpen en produceren. De regering legt uit dat het bij doeltreffende aanpassingen gaat het om aanpassingen die in een concrete situatie nodig zijn. Kan een fabrikant als gevolg daarvan wel verplicht worden om een aanpassing van zijn goed of dienst te plegen?

De verplichting tot het doen van aanpassingen bestaat niet als het een onevenredige belasting vormt. Wanneer is er volgens de regering sprake van een onevenredige belasting? Kunnen hier concrete voorbeelden genoemd worden? Is, om een voorbeeld te noemen, elke aanbieder van een website verplicht om zijn website volledig toegankelijk te maken voor alle mensen met welke beperking dan ook?

Vanuit de samenleving kan volgens de regering de vraag komen om een algemene voorziening te treffen, waarmee de noodzaak van het verrichten van die doeltreffende aanpassing vervalt. Hoe ziet de regering dat concreet voor zich? Wie beslist in dat geval of er inderdaad een algemene voorziening komt?

Artikel II

De regering handhaaft het percentage van 25% van de stemlokalen dat toegankelijk moet zijn (blz. 11). De leden van PvdA-fractie vinden deze doelstelling beperkt. Kan de regering aangeven waarom er geen verbeterplan opgesteld wordt de komende jaren tot een hoger percentage te komen? Is de regering het met deze leden eens dat het voor een ieder mogelijk moet zijn om deel te nemen aan één van de belangrijkste waarden van de democratie: zijn of haar stem laten horen. Kan de regering haar antwoord toelichten?

Het College voor de Rechten van de Mens geeft aan dat de voorgestelde wijziging van de Kieswet tevens onvoldoende is om uitvoering te geven op het fundamentele recht op politieke participatie. Deze leden delen deze conclusie van het College. Kan de regering aangeven wat de overwegingen zijn geweest om de doelstelling niet naar boven bij te stellen? Kan de regering tevens aangeven wat zij gaat doen om het recht op politieke participatie te borgen naast fysieke toegankelijkheid mogelijk maken? Wat betreft deze leden moet de ambitie van de regering bijgesteld worden.

De leden van de SP-fractie willen weten waarom de regering het verplichte percentage van 25% voor toegankelijke stemlokalen niet wil verhogen. Welke drempels ziet de regering om dit niet te regelen en/of op te lossen?

De leden van de CDA-fractie lezen in de uitvoeringswet dat de Kieswet wordt gewijzigd en dat er wordt gestreefd naar 25% meer toegankelijkheid. Deelt de regering de mening dat politieke toegankelijkheid meer is dan alleen fysieke toegankelijkheid van stemlokalen?

Zijn er nog geen verdere aanpassingen nodig, bijvoorbeeld bij het oproepen van stemgerechtigden, de aanpassing van stembiljetten en de nu verboden begeleiding van kiezers tot in het stemhokje. Ook vragen deze leden of de aanname van de regering dat dit niet tot hogere kosten gaat leiden terecht is. Graag op beide onderdelen een uitgebreide toelichting op van de regering.

De leden van de D66-fractie constateren dat de Kieswet momenteel erin voorziet dat 25% van de stemlokalen zodanig is ingericht dat de kiezers met een lichamelijke beperking zo zelfstandig mogelijk hun stem kunnen uitbrengen. De regering houdt deze standaard aan met als reden dat op dit percentage op een correcte manier controle is uit te oefenen. De leden van de D66-fractie vragen de regering haar uiterste inzet te tonen om betere controle mogelijk te maken op een hoger percentage van de kieslokalen, om vervolgens er zorg voor te dragen dat een hoger percentage van de kieslokalen toegankelijk wordt voor kiezers met een lichamelijke beperking. Is de regering daartoe bereid? Ook vragen deze leden of de regering kan aangeven of zij een hoger percentage haalbaar acht en hoe hoog dat dan zou zijn.

De leden van de D66-fractie constateren daarbij dat de regering volgens de memorie van toelichting op dit moment niet kan toezien op bijstand voor kiezers met een verstandelijke beperking. De regering geeft als reden dat het stembureau geen autoriteit is die kan vaststellen dat er ondersteuning nodig is wegens verstandelijke onbekwaamheid. Deze leden vragen de regering om er zorg voor te dragen dat er onderzoek wordt gedaan naar welke (medische) instantie hier wel een bekwaam objectief oordeel over kan vellen, om zo kiezers met een verstandelijke beperking met een aanvullende (medische) verklaring in staat te stellen om alsnog hun stem uit te brengen. Is de regering daartoe bereid? Waarom wel of niet?

De leden van de ChristenUnie-fractie voorstander dat zoveel mogelijk stemlokalen toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, maar hebben vragen bij de aanpassing van de Kieswet. Zij constateren dat in de Kieswet de bepaling dat «tenminste» 25% van de stemlokalen toegankelijk moet zijn voor mensen met een beperking, uitgebreid wordt tot «zoveel mogelijk, maar tenminste» 25% van de stemlokalen. Deze leden willen weten wat de materiële juridische betekenis van deze wijziging is? Betekent deze verandering dat gemeenten hun beleid moeten wijzigen? Zo ja, op welke wijze? Waarom zou Nederland zonder deze wetswijziging in strijd komen te handelen met het verdrag? Voorts willen deze leden weten of de regering (geleidelijke) verhoging van het percentage van 25% of andere concrete alternatieven heeft overwogen voor de toevoeging van «zoveel mogelijk»?

De leden van de GroenLinks-fractie hebben vragen over de wijziging van de Kieswet met voorliggend wetsvoorstel. Zij krijgen graag meer onderbouwing waarop gekozen is voor het minimumpercentage van 25% toegankelijke stemlokalen. Hoeveel van de huidige stemlokalen is toegankelijk voor mensen met een beperking? Waarom is ervoor gekozen een minimumpercentage in de wet op te nemen? Deelt de regering de mening dat gestreefd moet worden naar een groter aandeel van voor mensen met een lichamelijke beperking toegankelijke stemlokalen? Heeft de regering een streefdoel als het gaat om het minimum aantal toegankelijke stemlokalen? Genoemde leden hopen dat dit substantieel hoger is dan 25%.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De adjunct-griffier van de commissie, Sjerp