Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan te vullen met bepalingen over de kwaliteitsbevordering en samenwerking in de uitoefening van taken en bevoegdheden inzake in het bijzonder de omgevingsvergunning en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens enkele wetten op het gebied van het omgevingsrecht;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1,1, eerste lid, wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

omgevingsdienst:

dienst als bedoeld in artikel 5.8, eerste lid;.

B

Het opschrift van hoofdstuk 5 komt te luiden:

Hoofdstuk 5. Uitvoering en handhaving

C

In artikel 5.1 wordt «met betrekking tot de handhaving» telkens vervangen door: op de uitvoering en handhaving.

D

In artikel 5.2a, tweede lid, wordt «zijn de artikelen» vervangen door: de artikelen.

E

Paragraaf 5.2 komt te luiden:

§ 5.2 Kwaliteitsbevordering en samenwerking

Artikel 5.3

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    • a. de kwaliteit van de uitvoering van taken en bevoegdheden door de betrokken bestuursorganen met betrekking tot de omgevingsvergunning en, voor zover dit in de betrokken wet is bepaald, met betrekking tot activiteiten waarvoor krachtens die wetten regels zijn gesteld,

    • b. de kwaliteit van de handhaving door de betrokken bestuursorganen van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten, voor zover dat in die wetten is bepaald, en

    • c. de vereiste bekwaamheid en beschikbare deskundigheid van de ambtenaren betrokken bij de uitvoering van taken en bevoegdheden, bedoeld onder a en b.

    Bij de maatregel kan worden bepaald dat de regels slechts gelden in daarbij aangewezen categorieën van gevallen. De regels kunnen voor verschillende bestuursorganen verschillend worden vastgesteld. De maatregel bevat geen regels over activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, nadere regels worden gesteld over het bepaalde bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.4

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van een doelmatige handhaving regels gesteld over:

    • a. een strategische en programmatische handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten door de betrokken bestuursorganen, waaronder in ieder geval wordt begrepen de prioriteitenstelling bij de handhaving voor zover die prioriteitenstelling van bovenregionaal belang is;

    • b. een onderling afgestemde uitoefening van bevoegdheden tot handhaving, bedoeld onder a, en de daarmee samenhangende werkzaamheden tussen de bij de handhaving betrokken bestuursorganen en de onder hun gezag werkzame toezichthouders alsmede over de afstemming van deze werkzaamheden op de werkzaamheden van de instanties die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, nadere regels worden gesteld over het bepaalde bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Onze Minister draagt zorg voor de afstemming van de uitvoering van het bepaalde krachtens het eerste en tweede lid en artikel 5.3, voor zover die afstemming naar zijn oordeel van bovenprovinciaal belang is.

Artikel 5.5

  • 1. Over de kwaliteit en doelmatigheid van de uitvoering en handhaving, bedoeld in de artikelen 5.3 en 5.4, en over de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten, vindt regelmatig overleg plaats tussen Onze Minister, Onze betrokken Ministers, instanties die representatief kunnen worden geacht voor de betrokken bestuursorganen, het openbaar ministerie en de omgevingsdiensten.

  • 2. Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister(s) die het mede aangaat, stelt voor dat overleg een of meer overlegorganen in, waarbij in elk van die gevallen de samenstelling van het overlegorgaan wordt bepaald. Op uitnodiging kunnen andere instanties, gelet op hun betrokkenheid bij de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten, deelnemen aan het overleg.

  • 3. In het overleg worden in ieder geval afspraken gemaakt over de onderwerpen waarover krachtens deze paragraaf en krachtens artikel 58a van de Wet op de economische delicten regels zijn gesteld.

Artikel 5.6

Gedeputeerde staten dragen binnen de provincie zorg voor de coördinatie van de uitvoering door de bevoegde bestuursorganen van het bepaalde krachtens de artikelen 5.3 en 5.4.

Artikel 5.7

  • 1. Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten, verrichten binnen de gemeente, onderscheidenlijk provincie, jaarlijks onderzoek naar de kwaliteit en de doelmatigheid van de uitvoering en handhaving, bedoeld in de artikelen 5. 3 en 5.4, door henzelf, de onder hun gezag staande ambtenaren en de omgevingsdienst. Zij rapporteren de resultaten van dat onderzoek aan de gemeenteraad, onderscheidenlijk provinciale staten.

  • 2. Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen over de te onderzoeken onderwerpen, alsmede over de te gebruiken onderzoeksmethode.

  • 3. Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten een prestatievergelijking uitvoeren ten aanzien van de kwaliteit en de doelmatigheid van de uitvoering en handhaving. De regeling kan regels bevatten over de te vergelijken onderwerpen, alsmede over de frequentie en de te gebruiken onderzoeksmethode.

Artikel 5.8

  • 1. Gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot een regio als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s of tot een kring van daartoe bij regeling van Onze Minister en van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen gemeenten, stellen voor die regio of kring, onderscheidenlijk voor meerdere regio’s, onderscheidenlijk kringen, een omgevingsdienst in als openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, juncto artikel 52, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 2. Gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten dragen er zorg voor dat de taken, bedoeld in de artikelen 5.3 en 5.4, in het verband van een omgevingsdienst worden uitgevoerd voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van die taken en bevoegdheden.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden taken als bedoeld in het tweede lid aangewezen die in ieder geval in het verband van een omgevingsdienst worden uitgevoerd. Daarbij kan worden bepaald dat bepaalde taken, gelet op de bijzondere deskundigheid die voor het uitvoeren van die taken is vereist, uitsluitend door bij die maatregel aangewezen omgevingsdiensten worden uitgevoerd.

  • 4. Bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het derde lid, kunnen regels worden gesteld over de instelling en organisatie van een omgevingsdienst.

Artikel 5.9

Burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, brengen jaarlijks verslag uit aan de gemeenteraad, onderscheidenlijk provinciale staten, over de gevallen waarin zij zijn afgeweken van een door de omgevingsdienst voorgesteld ontwerpbesluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning of een voorgesteld ontwerpbesluit tot bestuurlijk handhaving.

Artikel 5.9a

  • 1. Onze Minister, Onze betrokken Ministers, gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap, de krachtens deze wet door bedoelde bestuursorganen aangewezen toezichthouders en de omgevingsdiensten verstrekken aan elkaar en voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten, aan de instanties die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving van die wetten, de gegevens waarover zij beschikken.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere bestuursorganen en instanties dan die bedoeld in het eerste lid worden aangewezen, die bevoegd zijn uit eigen beweging en desgevraagd verplicht gegevens te verstrekken aan Onze Minister, Onze betrokken Ministers, gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap, de krachtens deze wet door genoemde bestuursorganen aangewezen toezichthouders, de omgevingsdiensten of de instanties die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de doelmatige bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens die wetten.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    • a. de gevallen waarin in ieder geval voldaan is aan de vereisten voor de verplichting, bedoeld in het eerste lid, tot het verstrekken van gegevens en de wijze waarop gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid, worden verstrekt;

    • b. het verwerken van persoonsgegevens, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet bescherming persoonsgegevens, door de bestuursorganen, toezichthouders, omgevingsdiensten en door de krachtens het tweede lid aangewezen andere organen en instanties, voor zover die gegevens noodzakeljk zijn voor de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij krachtens de betrokken wetten, en

    • c. de verdeling van de kosten die noodzakelijk verbonden zijn aan het uitvoeren van het bepaalde bij en krachtens dit artikel.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister kunnen, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, nadere regels worden gesteld over het bepaalde bij de maatregel, bedoeld in het derde lid.

F

Na artikel 5.10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.11

  • 1. De bij besluit van gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders of een ander bestuursorgaan aangewezen, bij een omgevingsdienst werkzame toezichthouders zijn bevoegd toezicht uit te oefenen op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten in de regio of kring, onderscheidenlijk regio’s of kringen, waarvoor die omgevingsdienst is ingesteld.

  • 2. Onze Minister kan besluiten dat voor door hem aan te wijzen categorieën van activiteiten de bij een omgevingsdienst werkzame toezichthouders mede bevoegd zijn buiten de regio of kring toezicht uit te oefenen op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten.

G

In artikel 7.4 wordt «of 5.3» vervangen door:, 5.3, 5.4, 5.7, tweede lid, 5.8, derde en vierde lid, of 5.9a, tweede en derde lid,.

ARTIKEL II

In de artikelen 113a, tweede lid van de Flora- en Faunawet en 57a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt «Met betrekking tot de handhaving» vervangen door: Met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering van taken en bevoegdheden en tot de handhaving.

ARTIKEL III

In de artikelen 63, derde lid, van de Monumentenwet 1988, 95, eerste lid, van de Wet bodembescherming, 148, eerste lid, van de Wet geluidhinder, 90, eerste lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging, 18.1a, eerste lid, Wet milieubeheer en 7.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt «Met betrekking tot de handhaving» vervangen door: Met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering van taken en bevoegdheden en tot de handhaving.

ARTIKEL IV

Artikel 8.6 van de Waterwet komt te luiden:

Artikel 8.6

Met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering van taken en bevoegdheden en tot de handhaving van het bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 6 of krachtens artikel 10.1 bepaalde zijn de artikelen 5.3, 5.4, 5.5 en 5.9a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.

ARTIKEL V

In de Wet op de economische delicten wordt na artikel 58 een titel ingevoegd, luidende:

Titel XIa Van de samenwerking

Artikel 58a

  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een doelmatige handhaving regels worden gesteld over de samenwerking van de personen en instanties die belast zijn met de opsporing van economische delicten onderling en met de bestuursorganen die belast zijn met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in de artikelen 1 en 1a genoemde wetten.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op het volgens een strategie en programma uitoefenen van bevoegdheden tot opsporing van overtredingen van nader aangeduide wettelijke voorschriften en de afstemming daarvan met de uitoefening van bevoegdheden ten behoeve van de bestuursrechtelijke handhaving.

  • 3. Over de uitoefening van de taken en bevoegdheden in het kader van de samenwerking, bedoeld in het eerste lid, overlegt Onze Minister van Veiligheid en Justitie regelmatig gezamenlijk met Onze Minister(s) die het mede aangaat, het openbaar ministerie en de bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid.

ARTIKEL VI

De Woningwet wordt gewijzigd als volgt.

A

In artikel 92, tweede lid, wordt «Met betrekking tot de handhaving» vervangen door: Met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering van taken en bevoegdheden en tot de handhaving.

B

Artikel 96 vervalt.

ARTIKEL VII

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 20 augustus 2012 ingediende voorstel van wet houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming, 33 348), tot wet is of wordt verheven, en artikel 7.3 van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als artikel II van deze wet, komt artikel II van deze wet te luiden:

ARTIKEL II

In artikel 7.3 van de Wet natuurbescherming wordt «met betrekking tot de handhaving» vervangen door: met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering van taken en bevoegdheden en tot de handhaving.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 20 augustus 2012 ingediende voorstel van wet houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming, 33 348), tot wet is of wordt verheven, en artikel 7.3 van die wet later in werking treedt dan artikel II van deze wet, wordt in artikel 7.3, eerste lid, van die wet «met betrekking tot de handhaving» vervangen door: met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering van taken en bevoegdheden en tot de handhaving.

ARTIKEL VIII

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

ARTIKEL IX

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

De Minister van Veiligheid en Justitie,