Nr. 5 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 15 februari 2013

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag dat de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu over het voorliggende wetsvoorstel heeft uitgebracht. Ik dank de leden van de verschillende fracties voor hun vragen en opmerkingen over het wetsvoorstel. Hieronder ga ik in op deze vragen, waarbij ik zoveel mogelijk de indeling van het voorlopig verslag zal aanhouden en een aantal vragen samen zal beantwoorden.

I. Algemeen

Aanleiding en doel van het wetsvoorstel

De leden van de SP-fractie vragen aan te geven waarom het beheer van de registratie niet meer is ondergebracht bij het RIVM.

De reden van het overbrengen van het beheer naar de beheersorganisatie van het IPO is gelegen in het feit dat deze beheersorganisatie reeds diverse werkzaamheden met betrekking tot het risicoregister verricht en het beheer van het register daaraan op een efficiënte manier kan toevoegen. Daarnaast is de beheersorganisatie van het IPO beter dan het RIVM toegerust zich toe te leggen op de ICT-aspecten van het beheer. In antwoord op deze vraag wil ik voorts verwijzen naar de brief van de voormalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 5 juli 2012 inzake het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Registratiebesluit externe veiligheid en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (aanpassing aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen en wegnemen van onvolkomenheden) (kamerstukken II 29 383, nr. 197).

De leden van de fractie van de SP vragen hoe de informatie over risico’s uit het register weer gedeeld gaat worden met het RIVM, nu het RIVM niet meer de beheerder van het register is.

Het RIVM behoudt de volledige en constante toegang tot de gegevens in het risicoregister, inclusief de informatie die vanwege mogelijk misbruik niet op de risicokaart voor burgers wordt getoond. Het RIVM is verder betrokken bij het risicoregister doordat zij de Leidraad Risico-Inventarisatie, deel Gevaarlijke Stoffen, regelmatig actualiseert en werkzaamheden uitvoert ten behoeve van de actualisatie en kwaliteitsverbetering van de gegevens in genoemd register, onder andere door op ad hoc basis controles uit te voeren. Tot slot voert het RIVM regelmatig monitoringonderzoek op het gebied van activiteiten met betrekking tot gevaarlijke stoffen uit, al dan niet op verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De rol van het RIVM is dus nog steeds relevant bij het beheer en onderhoud van het risicoregister.

In antwoord op een aantal vragen van de leden van de SP-fractie meld ik dat de gegevens ten aanzien van transport, inrichtingen en buisleidingen in één risicoregister zijn ondergebracht en dat er slechts één instantie is belast met het beheer van dat register. Er hoeft dus geen afstemming plaats te vinden ten aanzien van het delen van informatie en kennis tussen verschillende instanties die belast zijn met het beheer van onderdelen van het register.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering de mening deelt dat risicobeoordeling en -registratie om specialistische kennis vraagt en dat te veel geschuif van de beheerstaken tussen instanties een efficiënte inzet van die specialisten kan frustreren.

Voorop zou ik willen stellen dat risicobeoordeling andere specialistische kennis vergt dan risicoregistratie. Risicobeoordeling vraagt inhoudelijke kennis om de aanvaardbaarheid van risico’s te kunnen toetsen aan de wettelijke eisen en het vigerend beleid. Risicoregistratie daarentegen vraagt kennis van databeheer en presentatie van informatie. Doordat de beheersorganisatie van het IPO al eerder werkzaamheden met betrekking tot het risicoregister verrichtte, is juist sprake van een efficiënte inzet van specialisten. De beheersorganisatie van het IPO heeft overigens wel de nodige kennis van en ervaring met risico’s. De intentie is dat deze beheersorganisatie het werk voor langere tijd blijft uitvoeren.

Wijzigingen in verband met het beheer van het risicoregister

In antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie of er in de tijd van het overgaan van de beheerderstaak van het risicoregister van het RIVM naar het IPO nog wijzigingen in de systematiek zijn doorgevoerd, kan ik mededelen dat de beheerstaken één op één van het RIVM naar het IPO zijn overgedragen.

De leden van de fractie van de VVD vragen wie eindverantwoordelijk is voor de volledigheid en juistheid van de aangeleverde gegevens, nu officieel deze taak bij de Minister van Infrastructuur en Milieu komt te liggen, die vervolgens van de bevoegdheid gebruik maakt om een organisatie aan te wijzen die het beheer van het risicoregister daadwerkelijk uitvoert. En waar wordt vastgelegd welke bevoegde instantie door de minister is aangewezen voor het beheer van het risicoregister, zo vragen deze leden.

De Minister van Infrastructuur en Milieu krijgt in dit wetsvoorstel de opdracht om een instantie aan te wijzen die is belast met het beheer van het risicoregister. Die aanwijzing zal geschieden bij besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt. De eindverantwoordelijkheid voor de volledigheid en juistheid van de aangeleverde gegevens is en blijft liggen bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is in de Wet milieubeheer aangewezen en is per onderdeel verschillend. De minister is bijvoorbeeld bevoegd gezag voor buisleidingen en burgemeester en wethouders zijn bevoegd gezag voor openbare wegen en vaarwegen voor zover deze door de gemeente worden beheerd. Hierin verandert dit wetsvoorstel niets.

De leden van de D66-fractie vragen wat de verantwoordelijkheid van de beheerder van het risicoregister precies inhoudt. Waar ligt de verantwoordelijkheid voor het integrale totaal product van het register, zo vragen zij tevens in dit verband.

De verantwoordelijkheid van de instantie die belast is met het beheer van het register, is beperkt tot een adequaat beheer van het register. Dit houdt in dat zij er voor zorg draagt de door het bevoegd gezag aangeleverde gegevens te registreren, te beheren en voor eenieder toegankelijk te maken. Deze instantie beoordeelt de aangeleverde gegevens niet inhoudelijk. Ingeval van evidente fouten zal deze instantie uiteraard het betrokken bevoegd gezag wel om een nadere toelichting vragen, alvorens zij tot verwerking van de gegevens in het register overgaat.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de aanlevering van de gegevens voor het risicoregister. De beherende instantie is verplicht de door het bevoegde gezag aangeboden gegevens in het register op te nemen, waarbij de gegevens eerst in voorlopige vorm worden opgenomen. In deze vorm worden de gegevens voor het bevoegd gezag toegankelijk gemaakt, zodat kan worden nagegaan of naar de mening van het bevoegd gezag de weergave geschikt is voor publicatie.

De met het beheer van het risicoregister belaste instantie kan ook niet op eigen initiatief wijzigingen in het register doorvoeren. Dat kan slechts geschieden in opdracht van het bevoegd gezag. De beherende instantie is dus niet aan te spreken op mogelijk onjuiste informatie in het register.

Wijzigingen in verband met regels inzake buisleidingen

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de Minister van Infrastructuur en Milieu beheerder wordt voor alle buisleidingen. Aanvullend daarop hebben de leden van de fractie van D66 vragen inzake het bevoegd gezag voor buisleidingen.

Dit wetsvoorstel voorziet er in dat in de Wet milieubeheer de Minister van Infrastructuur en Milieu wordt aangewezen als bevoegd gezag voor de buisleidingen waarover het register gegevens bevat inzake de externe veiligheid. Dit betreft niet alle buisleidingen, maar de buisleidingen die behoren tot een krachtens artikel 12.12, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie. De categorieën buisleidingen zijn aangewezen in het Registratiebesluit externe veiligheid. Deze minister wordt als gevolg van dit wetsvoorstel geen beheerder voor buisleidingen.

De wijziging van het bevoegd gezag met betrekking tot buisleidingen in de Wet milieubeheer brengt overigens geen wijziging ten opzichte van de huidige praktijk met zich. Uit artikel 6, tweede lid, van het Registratiebesluit externe veiligheid vloeit thans al voort dat de Minister van Infrastructuur en Milieu tevens het bevoegd gezag is voor andere buisleidingen dan die welke door of namens het Rijk worden beheerd of en waarvoor door het Rijk concessie is verleend.

De hiervoor genoemde bepaling uit het Registratiebesluit externe veiligheid wordt als gevolg van dit wetsvoorstel overbodig en zal daarom worden geschrapt.

De leden van de PvdA-fractie vragen of alle buisleidingen aandacht krijgen in de Structuurvisie Ondergrond.

De drukte in de ondergrond is een belangrijke aanleiding voor het opstellen van de Structuurvisie Ondergrond. Hierin zal ook aandacht worden besteed aan de bijdrage aan deze drukte door kabels en leidingen. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft mede namens de toenmalige Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij brief van 29 oktober 2012 de Structuurvisie Buisleidingen 2012–2035 aan Uw kamer aangeboden (kamerstukken II 33 473, nr. 1). Hierin zijn de hoofdverbindingen vastgesteld voor toekomstige buisleidingen van nationaal belang voor gevaarlijke stoffen. In de Structuurvisie Ondergrond zal voor het gebruik van de ondergrond voor buisleidingen worden verwezen naar en worden afgestemd met deze Structuurvisie Buisleidingen.

Wat betreft de vraag van de leden van de D66-fractie om hoeveel buisleidingen het gaat, meld ik het volgende. Zoals reeds hiervoor is aangegeven, is in het Registratiebesluit externe veiligheid bepaald welke categorieën buisleidingen moeten worden opgenomen in het risicoregister. Het gaat om de hoofdtransportleidingen voor gevaarlijke stoffen, niet om de leidingen in het distributienet. In totaal betreft dit circa 18.000 kilometer buisleidingen van 43 exploitanten. Hiervan zullen de circa 2000 km buisleidingen voor de zogenaamde overige chemische stoffen, zoals ethyleen, propeen en kooldioxide nog in 2013 worden aangewezen.

Gevolgen voor burgers, bedrijven, overheid en milieu

De leden van de VVD-fractie vragen of aan de voorwaarde van het IPO is voldaan, dat de kosten voor het beheer van de gegevens in het risicoregister structureel worden vergoed door een voor inflatie geïndexeerde toevoeging aan het provinciefonds. De leden van de D66-fractie vragen in dat verband of er een definitief akkoord is gesloten met het IPO over de vergoeding van de kosten voor het beheren van het risicoregister.

De financiële bijdragen voor implementatie en ondersteuning van externe veiligheidsbeleid zijn voor 2013 en 2014 in het kader van de programmafinanciering reeds overgemaakt naar het Provinciefonds. Betaling van de beheerskosten voor het risicoregister zal voor dit en volgend jaar om deze reden plaatsvinden op de wijze zoals dat de afgelopen jaren reeds plaatsvond.

Voor de periode ná 2014 wordt in overleg met het IPO bezien welke financiële constructie het meest geschikt is. Hoe dan ook blijft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu voor langere tijd de kosten van het beheer van het risicoregister dragen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe het precies zit met de financiering van de kosten voor het beheer van de risicoregister door het IPO, en hoe een eventueel probleem dat het IPO daartoe niet de benodigde financiële middelen heeft, wordt opgelost.

De beheersorganisatie van het IPO wordt sinds 2008 jaarlijks direct betaald voor het beheer van het register. De beheersorganisatie van het IPO voert het beheer feitelijk dus al enkele jaren uit. Tot nu toe hebben zich geen uitvoeringsproblemen voorgedaan.

Overige

De leden van de fractie van D66 constateren dat het hoofdnetwerk buisleidingen is aangemerkt als nationaal belang. Zij vragen welke indicatoren hiervoor zijn opgesteld en welke er nog in ontwikkeling zijn.

In de Structuurvisie Buisleidingen is ruimte gereserveerd voor het aanleggen van hoofdtransportleidingen van nationaal belang. Dit nationaal belang is gerelateerd aan het kunnen voorzien in de gasbehoefte en de rol die Nederland wil spelen in het Europese gastransport, het verbinden van haven- en industriegebieden in Noordwest-Europa (Rotterdam-Antwerpen-Ruhrgebied) en het daarvoor benodigd provincie- en landsgrensoverschrijdend buisleidingentransport.

II De artikelen

In antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie met betrekking tot de aanpassing aan de departementale indeling meld ik dat ik gelijktijdig met deze memorie van antwoord aan Uw kamer een nota van wijziging stuur, waarin de tekst van het wetsvoorstel in overeenstemming wordt gebracht met de aanduiding van de ministers sinds het aantreden van het kabinet Rutte II.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld