Gepubliceerd: 8 mei 2012
Indiener(s): Frans Weekers (staatssecretaris financiƫn) (VVD), Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD)
Onderwerpen: gezin en kinderen onderwijs en wetenschap organisatie en beleid sociale zekerheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33212-5.html
ID: 33212-5

Nr. 5 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 8 mei 2012

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de vragen die de fracties hebben gesteld. In deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering in op de vragen en opmerkingen van de verschillende fracties. Bij de beantwoording is op hoofdlijnen de volgorde van het verslag aangehouden.

1. Algemeen

Aanpassing grondslagen in de wet

De leden van de VVD-, PvdA-, CDA-, D66- en ChristenUnie-fractie hebben een aantal vragen gesteld omtrent de achtergrond van het creëren van grondslagen in de vorm van delegatiebepalingen voor de bezuinigingen op basis van dit wetsvoorstel en over de inhoud van die lagere regelgeving.

In de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (verder: Wko) zijn onder meer de hoofdelementen van de regeling van de kinderopvangtoeslag opgenomen. Het betreft voorschriften over het bestaan van een aanspraak op kinderopvangtoeslag jegens de overheid, de kring van personen die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking komt en de verschillende elementen die van invloed zijn op de hoogte van de kinderopvangtoeslag.

Naast de hoofdelementen van de regeling van de kinderopvangtoeslag, zijn in de Wko ook delegatiebepalingen opgenomen. Op grond van het huidige artikel 1.7 van de Wko kunnen bij algemene maatregel van bestuur: (a) de maximum uurprijs worden bepaald; (b) het maximum aantal uren kinderopvang waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden ontvangen, worden vastgelegd; (c) een koppeling worden aangebracht tussen het aantal uren waarin wordt gewerkt en het aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden aangevraagd; en kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (d) nadere regels worden gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag. Daarnaast kunnen de maximum uurprijs en het toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner jaarlijks worden geïndexeerd bij ministeriële regeling. Met het wetsvoorstel worden sommige van deze delegatiebepalingen verplaatst naar artikel 1.8, eerste lid, en 1.9 van de Wko, zonder dat daarbij sprake is van een inhoudelijke wijziging (zie memorie van toelichting blz. 7).

Verder wordt met het onderhavige wetsvoorstel voorgesteld de bovenstaande delegatiebepalingen aldus uit te breiden dat bij algemene maatregel van bestuur ook: (1) een koppeling kan worden aangebracht tussen het aantal uren waarin gebruik wordt gemaakt van een traject naar werk of scholing, of een opleiding of cursus wordt gevolgd en het aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden aangevraagd (het voorgestelde artikel 1.7, derde lid, van de Wko); en (2) de hoogte kan worden vastgesteld van de vaste eigen bijdrage van de ouder die in mindering wordt gebracht op de kinderopvangtoeslag (het voorgestelde artikel 1.8, tweede lid, van de Wko). Daarnaast wordt voorgesteld dat de vaste eigen bijdrage jaarlijks bij ministeriële regeling kan worden geïndexeerd (het voorgestelde artikel 1.9). De bestaande delegatiebepalingen worden derhalve niet inhoudelijk gewijzigd, maar alleen in beperkte mate, op de hiervoor vermelde wijze, uitgebreid.

De bestaande en voorgestelde delegatiebepalingen hebben derhalve betrekking op een nadere uitwerking van de hoofdelementen van de regeling van de kinderopvangtoeslag die in de Wko zijn opgenomen. De uitwerking betreft elementen van de kinderopvangtoeslag die over het algemeen jaarlijks worden herzien, zoals de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tabellen worden vastgesteld waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen. Op grond van artikel 1.89 van de Wko wordt een ontwerpbesluit met betrekking tot kinderopvangtoeslag bij de Eerste en Tweede Kamer voorgehangen voor een periode van vier weken. De Eerste en Tweede Kamer hebben dus, naast de mogelijkheid om het beleid achteraf te controleren, ook de mogelijkheid om daar vooraf invloed op uit te oefenen.

De onderwerpen die zijn genoemd in deze delegatiebepalingen met betrekking tot de kinderopvangtoeslag, zijn, althans worden, uitgewerkt in het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang (verder: Besluit kinderopvangtoeslag). Er is een ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag in voorbereiding. De regering is voornemens dit ontwerpbesluit begin juni 2012 voor te hangen bij de Eerste en Tweede Kamer en gelijktijdig met het onderhavige wetsvoorstel in werking te laten treden. Uitgangspunt daarbij is dat publicatie uiterlijk medio oktober 2012 plaatsvindt en dat inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2013 gebeurt.

Aanpassing grondslagen in relatie tot de bezuinigingen

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat via dit wetsvoorstel alleen de technische voorbereidingen voor de bezuiniging worden getroffen en dat de daadwerkelijke cijfermatige invulling van de maatregelen later zal geschieden door wijziging van het Besluit Kinderopvang.

Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk gemaakt om de vaste voet af te bouwen en een vaste eigen bijdrage vast te stellen in het Besluit Kinderopvangtoeslag. Zonder in de Wko hiervoor een grondslag te creëren kan dit niet in het Besluit worden uitgewerkt. Bij deze wetswijziging wordt nog geen invulling gegeven aan de afbouw van de vaste voet en de eigen bijdrage. Dit zal gebeuren in het eerder genoemde Besluit.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de omvang van de bezuiniging is, die beoogd wordt met deze wetswijziging te worden gecreëerd en wat met de maatregel van een vaste eigen bijdrage van € 15 per huishouden binnengehaald dient te worden.

Structureel staat er nog een taakstelling van € 250 miljoen voor kinderopvang in de boeken. Deze wetswijziging regelt de grondslag die nodig is om via het Besluit Kinderopvangtoeslag de bezuinigingen te realiseren op basis van de voorgestelde vormgeving. Een vaste eigen bijdrage van 15 euro per huishouden levert een besparing van € 125 miljoen in 2015 op. Via deze wetswijziging wordt niet de omvang van de vaste eigen bijdrage bepaald, maar wordt daarvoor een grondslag gecreëerd.

2. Voorgestelde maatregelen

2.1 Koppeling kinderopvangtoeslag aan participatietraject voor doelgroepouders

De leden van de VVD-, PvdA-, CDA-, D66- en ChristenUniefractie hebben vragen gesteld over de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag aan een traject naar werk voor doelgroepouders.

De leden van de VVD-fractie ondersteunen het voornemen om ook bij doelgroepouders de kinderopvangtoeslag te koppelen aan het aantal uren dat men besteedt aan een traject naar werk. In de eerste fase bestaat alleen in de maanden waarin daadwerkelijk een traject naar werk wordt gevolgd recht op kinderopvangtoeslag. De leden van de VVD-fractie vragen of dit betekent dat een doelgroepouder die één uur een traject volgt meteen recht krijgt op kinderopvangtoeslag, of dat doelgroepouders elk uur moeten opgeven, als de AMvB er is? Zij vragen ook hoe doelgroepouders het aantal uren dat ze spenderen aan het traject aannemelijk maken en in hoeverre dit leidt tot extra administratieve lasten.

Het recht op kinderopvangtoeslag voor werkenden is in 2012 gekoppeld aan het aantal uur dat de minst werkende ouder werkt. Analoog hieraan wordt een dergelijke maatregel ingevoerd voor doelgroepouders. Daarvoor wordt in deze wetswijziging een grondslag gecreëerd. Vanwege de forse ingreep in de uitvoeringssystematiek wordt de koppeling gefaseerd ingevoerd. In 2013 zal via het Besluit kinderopvangtoeslag de omvang van het recht van doelgroepouders beperkt worden tot de maanden waarin daadwerkelijk een traject naar werk of een opleiding, scholing of inburgeringscursus wordt gevolgd. Dit is een beperking ten opzichte van de omvang van het huidige recht van doelgroepouders. Momenteel bestaat er een geheel jaar recht op kinderopvangtoeslag voor 230 uur per maand wanneer men op enig moment heeft deelgenomen aan een dergelijk traject. In het Besluit kinderopvangtoeslag wordt de koppeling voor doelgroepouders verder uitgewerkt en worden ook de consequenties voor de uitvoering en administratieve lasten geschetst.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag voor doelgroepouders aan het traject naar werk een niet eerder aangekondigde maatregel is en wat de financiële consequenties hiervan zijn.

Bij de invoering van de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag aan gewerkte uren is reeds aangekondigd dat er voor doelgroepouders een wetswijziging werd voorbereid op basis waarvan de omvang van het recht op kinderopvangtoeslag kan worden gerelateerd aan de omvang van het traject naar werk. Voor deze maatregel zijn geen budgettaire effecten ingeboekt.

De leden van de CDA-fractie vragen per categorie doelgroepouders aan te geven welke uren er recht geven op kinderopvangtoeslag in 2013 en in latere jaren.

Zoals aangegeven in de memorie van toelichting wordt in 2013 via het Besluit kinderopvangtoeslag de omvang van het recht op kinderopvangtoeslag voor doelgroepouders ingeperkt tot de maanden waarin een traject naar werk wordt gevolgd.

De leden van de CDA-fractie willen graag weten hoe de administratie plaatsvindt van de uren waarvoor doelgroepouders recht hebben op kinderopvangtoeslag.

De uitwerking van de urenkoppeling voor doelgroepouders vindt plaats in het Besluit kinderopvangtoeslag. Hierbij worden ook de consequenties voor de uitvoering en administratieve lasten vermeld. De grondslag die in deze wetswijziging is opgenomen creëert alleen de mogelijkheid om de omvang van het recht op kinderopvangtoeslag te koppelen aan het aantal uren van een traject naar werk. In het Besluit wordt deze koppeling daadwerkelijk geregeld.

De leden van de CDA-fractie signaleren dat kinderopvanginstellingen meer uren in rekening brengen dan het aantal uren waar ouders behoefte aan hebben. Zij vragen of de regering in overleg met kinderopvanginstellingen een oplossing hiervoor kan zoeken.

Zoals aangekondigd in de marktwerkingsbrief van eind 2011 (Kamerstukken II 2011/12, 31 322, nr. 147) is het kabinet voornemens om contracten waarin ouders verplicht worden uren af te nemen waar zij geen gebruik van kunnen maken, zoals uren tijdens feestdagen, vernietigbaar te maken. De wetswijziging die hiervoor nodig is, wordt momenteel voorbereid. Daarnaast vindt in samenwerking met de Brancheorganisatie Kinderopvang een onderzoek plaats naar de uren die kinderopvanginstellingen in rekening brengen en hoe deze gerelateerd kunnen worden aan de wensen van de ouders. Tevens wordt hierbij onderzocht wat het effect zal zijn van meer flexibiliteit in de uren die kinderopvanginstelling aanbieden.

De leden van de D66-fractie vragen naar de verhouding tussen deze wetswijziging en ZZP’ers.

In deze wetswijziging zijn geen specifieke maatregelen opgenomen die van belang zijn voor de urenregistratie van ZZP’ers. Bij de invulling van de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag aan het aantal gewerkte uren in 2012 is hier al rekening mee gehouden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering inzicht kan geven wanneer de regering verwacht dat de koppeling aan het aantal uren zal worden gerealiseerd. Zij vragen ook of er rekening mee wordt gehouden dat naast het volgen van werktrajecten tussendoor ook werk gezocht moet worden.

De grondslag die in dit wetsvoorstel wordt gecreëerd, zorgt ervoor dat in het Besluit kinderopvangtoeslag een koppeling van de omvang van het recht op kinderopvangtoeslag aan het aantal uur van een traject naar werk kan worden gerealiseerd. In 2013 zal via het Besluit kinderopvangtoeslag de omvang van het recht worden beperkt tot de maanden waarin een traject wordt gevolgd, waarbij voor ieder van die maanden maximaal 230 uur wordt gerekend. Het streven is om de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag aan het aantal uur van een traject naar werk van doelgroepouders per 1 januari 2014 in te laten gaan.

2.2 Vaste eigen bijdrage per maand

De leden van de VVD-fractie vragen of de vaste eigen bijdrage per maand meteen verrekend wordt met de te ontvangen kinderopvangtoeslag.

Het antwoord daarop is ja. De vaste eigen bijdrage van de ouder wordt namelijk in mindering gebracht op de kinderopvangtoeslag.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering naar de effecten van een inkomensonafhankelijke eigen bijdrage voor kinderopvang op de arbeidsparticipatie en de inkomenseffecten.

Via het wetsvoorstel wordt de mogelijkheid gecreëerd om een vaste eigen bijdrage te gaan heffen. Bij het Besluit kinderopvangtoeslag zullen de inkomenseffecten worden bijgevoegd. Uitgaande van de invulling in de brief van 6 juni 2011 («Kinderopvangtoeslag vanaf 2012», Kamerstukken II 2010/11, 31 322, nr. 138) zijn de inkomenseffecten als weergegeven in tabel 1 (hierbij is uitgegaan van een vaste eigen bijdrage van € 15 per maand per huishouden). Hieruit blijkt dat het inkomenseffect relatief beperkt is. Doordat de vaste eigen bijdrage onafhankelijk is van het inkomen, heeft deze relatief een (iets) groter effect voor lagere inkomens. Het voordeel van het instellen van een vaste eigen bijdrage, onafhankelijk van het inkomen of het gebruik van kinderopvang, ten opzichte van het aanpassen van de toeslagentabel, is dat mensen die veel kinderopvang afnemen, zoals alleenstaande ouders met een grote baan, relatief worden ontzien. Er zijn geen effecten op de arbeidsparticipatie berekend. Zoals aangegeven in voornoemde brief is ingeschat dat het totale pakket een negatief effect op het arbeidsaanbod heeft van ongeveer 0,1%.

Tabel 1: Inkomenseffect van invoering van vaste eigen bijdrage voor huishoudens die kinderopvang gebruiken
 

<-5%

– 5 tot – 2%

– 2 tot– 1%

-1 tot 0%

Geen effect

Totaal

Mediaan

Minimum-modaal

   

15%

85%

 

100%

– ¾%

1×–1,5× modaal

   

2%

99%

 

100%

– ½%

1,5×–2× modaal

     

100%

 

100%

– ½%

2×–3× modaal

     

100%

 

100%

– ½%

>3× modaal

     

100%

 

100%

– ¼%

               

Alleenst. ouders

   

10%

90%

 

100%

– ¾%

Paren

   

1%

99%

 

100%

– ½%

               

Alle huish. met ko

   

2%

99%

 

100%

– ½%

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nog steeds voornemens is om de eigen bijdrage vast te stellen op € 15 per huishouden per maand.

De regering is nog steeds voornemens om de vaste eigen bijdrage vast te stellen op € 15 per huishouden per maand.

De leden van de CDA-fractie vragen een toelichting waarom met de inkomensonafhankelijke eigen bijdrage de formele opvang minder interessant wordt gemaakt voor huishoudens waarvan één van de partners heel weinig werkt.

Een neerwaartse aanpassing van de toeslagpercentages verhoogt de eigen bijdrage van ouders per uur. (Alleenstaande) ouders met grote banen, worden daarmee sterker geraakt omdat ze relatief veel kinderopvanguren afnemen. Om deze groep enigszins te ontzien wordt een deel van de bezuiniging, conform het advies van de Commissie van Rijn (Eindrapport Commissie Kinderopvang, april 2009) gerealiseerd via een vaste eigen bijdrage, ongeacht het aantal uren kinderopvang.

Het voordeel van het instellen van een vaste eigen bijdrage, onafhankelijk van het inkomen of het gebruik van kinderopvang, ten opzichte van het aanpassen van de toeslagentabel, is dat mensen die veel kinderopvang afnemen, zoals alleenstaande ouders met een grote baan, relatief worden ontzien.

Hier merken huishoudens met één weinig werkende partner relatief meer van, dan van een aanpassing van de toeslagpercentages.

De leden van de D66-fractie constateren dat de regering met het invoeren van een mogelijke inkomensafhankelijke eigen bijdrage en het inkomensafhankelijk maken van de vaste voet kiest voor nivellerende maatregelen.

Het kabinet bevestigt dat de maatregel ter afbouw van de vaste voet een nivellerend effect heeft. Deze maatregel biedt de mogelijkheid de kinderopvangtoeslag voor hoge inkomens te beperken, zodat ook deze mensen een bijdrage leveren aan het opvangen van de gestegen kosten van kinderopvang De vaste eigen bijdrage zal echter inkomensonafhankelijk worden vormgegeven en heeft in deze zin geen nivellerend effect.

Daarnaast willen de leden van de D66-fractie weten of er ook rekening zal worden gehouden met het vermogen van de ouders.

Er wordt bij het bepalen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag geen rekening gehouden met het vermogen van de ouders. Reden is dat een vermogenstoets niet past bij een participatie-instrument zoals de kinderopvangtoeslag is. Een vermogenstoets zal het bijvoorbeeld voor minstverdienende partners in vermogende huishoudens onaantrekkelijk maken om te werken.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten welke voor- en nadelen de regering ziet voor de verschillende wijzen waarop de vaste eigen bijdrage vormgegeven kan worden. Deze leden willen daarbij ook weten op basis van welke criteria de regering de keuze voor de vormgeving van de vaste eigen bijdrage zal maken.

Zoals in de brief «Kinderopvangtoeslag vanaf 2012» (Kamerstukken II 2010/11, 31 322, nr. 138) is aangegeven, is het kabinet voornemens een vaste eigen bijdrage van € 15 per maand per huishouden in te voeren. Het kabinet wil de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag, die noodzakelijk zijn om de kosten van deze regeling beheersbaar te houden, vormgeven op een manier die het effect op de arbeidsparticipatie beperkt houdt. De vaste eigen bijdrage past in deze benadering. Door de vaste eigen bijdrage worden huishoudens met grote banen relatief ontzien.

2.3 Afbouw vaste voet

De leden van de VVD- en CDA-fractie zijn benieuwd of de regering ook andere alternatieven heeft overwogen om het bezuinigingsbedrag te behalen.

In het Regeerakkoord van CDA en VVD is ook het verlagen van de maximumuurprijs als bezuinigingsmaatregel opgenomen. Het huidige pakket is hier een alternatief voor. Dit pakket aan maatregelen kinderopvangtoeslag is gebaseerd op de aangekondigde maatregelen in de brief «Kinderopvangtoeslag vanaf 2012» (Kamerstukken II 2010/11, 31 322, nr. 138). Uitgangspunt bij het vormgeven van het pakket aan maatregelen was het beperken van de negatieve effecten op de participatie en armoedeval. Gezien het geraamde participatie-effect van 0,1% is het kabinet van mening dat het pakket bij deze uitgangspunten aansluit. Op basis van de reeds beschikbare informatie heeft de vormgeving van bezuinigingen op de kinderopvang plaatsgevonden. De rapporten van de commissie van Rijn (Eindrapport Commissie Kinderopvang, april 2009) en de Brede heroverweging kindregelingen vormen daarvoor de basis.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering te verduidelijken aan welke eerder aangekondigde maatregel wordt gerefereerd ten aanzien van de afbouw vaste voet en wat de omvang van de bezuiniging is die hiermee wordt beoogd.

In het Regeerakkoord van VVD en CDA is aangekondigd dat in de eerste kindtabel de vaste voet lineair wordt afgebouwd van 33,3% naar 0, conform de Brede Heroverweging Kindregelingen (Brede Heroverweging Kindregelingen, p. 78 nr. 7). Aangezien de vaste voet op dit moment inkomensonafhankelijk is en in de Wko is geregeld dat dit een vast percentage is, dient voor een afbouw deze wet gewijzigd te worden. Met dit wetsvoorstel wordt de vaste voet uit de wet gehaald en overgeheveld naar de inkomensafhankelijke kinderopvangtoeslagtabel. De afbouw van de vaste voet wordt via deze wetswijziging niet geregeld. Dat gebeurt via een wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag, waarin de kinderopvangtoeslagtabel is opgenomen. Structureel staat er een taakstelling van € 250 miljoen ingeboekt voor deze wijzigingen.

De leden van de CDA-fractie plaatsen vraagtekens bij het afbouwen van de vaste voet in de kinderopvangtoeslag. Er wordt verwezen naar de afspraak dat werknemer, werkgever en overheden allen een derde betalen van de kosten van kinderopvang. De afbouw van de vaste voet wordt door de leden gekoppeld aan de doorgifte van de werkgeversbijdrage. Vanuit die hoek vinden de leden van de CDA-fractie het principieel geen goede keuze om het uitgangspunt te verlaten dat de werkgevers 33% bijdragen van de kosten van de kinderopvang. De leden willen ook graag weten hoe deze maatregel zich verhoudt tot het Regeerakkoord en of het klopt dat er andere inkomensgrenzen bij de afbouw gehanteerd worden en de toeslag nog inkomensafhankelijker wordt.

Ten aanzien van de werkgeversbijdrage in de vorm van premieopslag kan de regering de leden van de CDA-fractie het volgende melden. Werkgevers blijven door middel van premieopslag bijdragen aan de kosten van kinderopvang. Deze werkgeversbijdrage heeft echter betrekking op een bijdrage in de totale kosten die de overheid en ouders maken voor kinderopvang; het is dus geen individueel recht. Ouders ontvangen afhankelijk van hun inkomen kinderopvangtoeslag om de kosten kinderopvang te kunnen dekken. In het Regeerakkoord is deze maatregel ook aangekondigd (Regeerakkoord VVD-CDA: Bijlage F, punt 5) en deze wordt dan ook zodanig tot uitvoer gebracht. Met dien verstande dat het Regeerakkoord is geschreven op basis van de Brede heroverweging kindregelingen, die nog uitging van de toeslagtabel zoals die in 2009 gold. Op basis van de huidige informatie start de lineaire afbouw van de vaste voet dan ook niet bij een inkomen van € 115 000, maar reeds bij € 88 995 in 2013.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering naar de inkomenseffecten en de effecten op de arbeidsparticipatie van de afbouw van de vaste voet. Verder vragen de leden van de CDA-fractie op welke wijze de regering rekening heeft gehouden met de effecten voor een gezin waarin een partner een hoog inkomen heeft en een partner een laag of middeninkomen.

Via het wetsvoorstel wordt de mogelijkheid gecreëerd om de vaste voet af te bouwen. Bij het Besluit kinderopvangtoeslag zullen inkomenseffecten worden aangegeven. Uitgaande van de invulling in de brief «Kinderopvangtoeslag vanaf 2012» (Kamerstukken II 2010/11, 31 322, nr. 138) zijn de inkomenseffecten als weergegeven in tabel 2. Hieruit blijkt dat het inkomenseffect beperkt is tot de hogere inkomens. Er zijn geen effecten op de arbeidsparticipatie berekend. Zoals aangegeven in voornoemde brief is ingeschat dat het totale pakket een negatief effect op het arbeidsaanbod heeft van 0,1%.

De afbouw van de vaste voet betekent dat de kinderopvangtoeslag voor huishoudens met hoge inkomens minder tot niets zal worden. In tabel 3 is weergegeven wat de deeltijdval wordt inclusief de wetswijziging, vergeleken met de situatie in 2012. Het blijkt dat de deeltijdval weliswaar verslechtert, maar nog niet zodanig groot wordt dat de minstverdienende partner niets overhoudt van een dag extra werken.

Tabel 2: Inkomenseffect van afbouw vaste voet voor huishoudens die kinderopvang gebruiken
 

<– 5%

– 5 tot – 2%

– 2 tot – 1%

– 1 tot 0%

Geen effect

Totaal

Mediaan

Minimum-modaal

       

100%

100%

0%

1×–1,5× modaal

       

100%

100%

0%

1,5×–2× modaal

       

100%

100%

0%

2×–3× modaal

     

1%

99%

100%

0%

>3× modaal

1%

23%

19%

30%

27%

100%

– ¾%

               

Alleenst. ouders

       

100%

100%

0%

Paren

 

5%

4%

7%

84%

100%

0%

               

Alle huish. met ko

 

5%

4%

6%

85%

100%

0%

Tabel 3: Effect voorstel op de deeltijdval van minstverdienende paren, inkomensvooruitgang bij 1 dag extra werkendoor partner (van 2 naar 3 dagen) bij verschillende inkomens, met twee kinderen in BSO
 

2013 excl. voorstel

2013 incl. voorstel

Hoofd modaal, partner WML

+6¾%

+6¾%

Hoofd modaal, partner modaal

+12%

+12%

Hoofd 3× modaal, partner WML

+2½%

+1½%

Hoofd 3× modaal, partner modaal

+5½%

+4½%

Hoofd 4× modaal, partner WML

+2%

+1¼%

Hoofd 4× modaal, partner modaal

+4¼%

+3½%

De leden van de CDA-fractie willen graag weten of de afbouw van de vaste voet met de sociale partners is besproken en of de afbouw nog effect kan hebben voor de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden.

Er is eerder overleg gepleegd met de sociale partners over de rol van de werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang in cao onderhandelingen. In het gesprek hebben werkgevers aangegeven dat zij het niet herkennen dat er in de cao-praktijk afspraken worden gemaakt die het uitgangspunt van een evenredige verdeling van de kosten van kinderopvang weer loslaten. Wel is in een beperkt aantal gevallen aangegeven dat een (incidentele) loonsverhoging is toegekend ten behoeve van de gestegen kosten, waaronder de kosten van kinderopvang. Ook de vakbeweging geeft aan dat het uitgangspunt hetzelfde blijft, namelijk op macroniveau een evenredige verdeling van de kosten van kinderopvang.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de reden van de koerswijziging ten aanzien van de verplichte bijdrage van werkgevers en de afbouw van de vaste voet.

Er is geen sprake van een koerswijziging ten aanzien van de verplichte bijdrage van werkgevers. Het doel van de tripartiete financiering is een evenwichtige verdeling van de totale uitgaven die niet op individuele basis is bezien. Met de afbouw van de vaste voet wordt weliswaar afgestapt van het idee dat iedere ouder onafhankelijk van het inkomen minimaal recht heeft op een bepaalde bijdrage in de kosten van kinderopvang, maar hierbij is geen verband met de verplichte bijdrage die voor werkgevers geldt.

Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich af hoe ervoor gezorgd wordt dat de bij werkgevers geïnde premies voor kinderopvang ook daadwerkelijk aan de kinderopvang besteed worden.

Hierop kan het kabinet antwoorden dat conform de begrotingsregels inkomsten en uitgaven van elkaar zijn gescheiden. Hogere premie-inkomsten als gevolg van een hogere loonontwikkeling dan geraamd, betekenen dan ook niet meer budget voor uitgaven kinderopvang. Hetzelfde geldt voor lagere premie-inkomsten. Dat leidt ook niet tot lagere uitgaven aan kinderopvangtoeslag.

2.4 Uitvoering vaste voet doelgroepouders naar Belastingdienst/Toeslagen

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat doelgroepouders zich in de toekomst enkel tot één loket kunnen richten. De leden horen graag van de regering hoe de doelgroepouders worden geïnformeerd over deze wijziging.

Doelgroepouders worden hiervan tijdig en zo gericht mogelijk op de hoogte gesteld. In ieder geval zal de informatie via de gebruikelijke kanalen van Belastingdienst/Toeslagen worden verstrekt en zullen de wijzigingen bekend worden gemaakt op de websites van de rijksoverheid.

De leden van de D66-fractie willen graag weten van de regering hoe de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag aan het aantal uren van het traject naar werk voor doelgroepouders uitpakt, als één van hen niet werkt vanwege arbeidsongeschiktheid.

Als één van de ouders niet werkt en ook niet deelneemt aan een traject naar werk, bestaat er geen recht op kinderopvangtoeslag. Heeft een arbeidsongeschikte ouder recht op een uitkering als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel i, van de Wko en neemt die ouder deel aan een traject naar werk, dan bestaat dit recht wel. Bovendien is het voor gemeenten mogelijk om op basis van een sociaal-medische indicatie een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang te verstrekken. De koppeling van de omvang van het recht op kinderopvangtoeslag aan het aantal uur van een traject naar werk voor doelgroepouders wordt verder uitgewerkt in het Besluit Kinderopvangtoeslag.

De leden van de CDA-, D66-, GroenLinks- en de ChristenUnie-fractie stellen vragen ten aanzien van de overheveling van de uitvoering van de werkgeversbijdrage voor doelgroepouders om een nadere toelichting.

In 2005 is bij de inwerkingtreding van de Wet Kinderopvang besloten dat de uitvoering van de uitkering van de vaste voet voor doelgroepouders bij de gemeente en UWV zouden blijven. Reden hiervoor was dat de vaste voet inkomensonafhankelijk was en de uitvoering daarvan daarom niet bij de Belastingdienst/Toeslagen hoefde te liggen. Voor dit doel heeft UWV destijds geen bijdrage gekregen. Voor gemeenten is een bedrag van € 24,3 miljoen achtergebleven. In 2007 is een extra bijdrage gedaan voor de inburgeraars van € 7,7 miljoen. In 2007 kwam het budget voor doelgroepouders, inclusief inburgeraars, daarmee op € 32 miljoen. Jaarlijks wordt het gemeentefonds geïndexeerd met het zogenoemde accres, waardoor het budget inmiddels is gestegen tot € 40 miljoen. Dit bedrag wordt overgeheveld naar de Belastingdienst/Toeslagen. De uitgaven kinderopvang van de gemeente dalen door de overheveling met € 40 miljoen en voor het Rijk stijgen deze uitgaven met € 40 miljoen. Het is dus een budgettair neutrale overheveling. Op basis van de huidige informatie is de verwachting dat de uitgaven voor doelgroepouders de komende jaren constant blijven. Deze overheveling heeft dan ook geen effecten op de eerder vermelde opbrengst van de maatregelen die in de brief kinderopvangtoeslag vanaf 2012» (Kamerstukken II 2010/11, 31 322, nr. 138) zijn gepresenteerd.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wat er precies wordt overgeheveld van gemeenten en UWV naar Belastingdienst/Toeslagen.

De overheveling betreft alleen de uitvoering van het vaste voet van de kinderopvangtoeslag. Het zogenoemde koa-kopje en de sociaal-medische indicatie blijven bevoegdheden van gemeenten. Gemeenten krijgen de beleidsvrijheid om te beslissen of iemand voor het koa-kopje in aanmerking komt, en houden de bevoegdheid om te beslissen of iemand voor een sociaal-medische indicatie in aanmerking komt. Gemeenten dragen zodoende bij in de kosten van kinderopvang voor gezinnen.

De leden van de D66-fractie vragen zich af in hoeverre de efficiëntiewinst die verwacht wordt te behalen bij gemeenten door de uitvoering van de vaste voet voor doelgroepouders over te hevelen, financieel is uit te drukken, en zo ja, aan welk bedrag dan gedacht moet worden?

De overheveling van de uitvoering van de vaste voet voor doelgroepouders betekent niet dat gemeenten helemaal geen uitvoeringskosten meer zullen hebben voor deze groep ten aanzien van de kinderopvangtoeslag. Met de kinderopvangtoeslag voor studenten en inburgeraars zullen gemeenten in 2013 niets meer te maken hebben. Ook vervalt het betalingsverkeer voor gemeenten. Wel zullen gemeenten, voor de koppeling van de kinderopvangtoeslag aan het traject naar werk, Belastingdienst/Toeslagen moeten leveren. Per saldo wordt er dan ook een beperkte efficiencywinst verwacht.

2.5 Koa-kopje

De leden van de VVD-fractie vragen naar het aantal personen dat gebruik maakt van het koa-kopje.

Het verstrekken van de aanvulling op de kinderopvangtoeslag (het zogenoemde koa-kopje) is een taak van gemeenten. Gemeenten zijn momenteel verplicht om de kinderopvangtoeslag voor alleenstaande ouders in een traject naar werk aan te vullen. Om hoeveel ouders het gaat is niet bekend. Gemeenten zijn niet verplicht zich te verantwoorden ten aanzien van dit budget. Daarom bestaat er op rijksniveau geen beeld van het aantal personen dat gebruikt maakt van het koa-kopje.

De leden van de VVD-fractie stellen vragen over de uitvoering en de hoogte van het koa-kopje na onderhavige wetswijziging.

Het koa-kopje voor doelgroepouders in de zin van artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c,e en j tot en met l, van de Wko blijft bestaan. Wat verandert, is dat het college van burgemeester en wethouders niet langer verplicht is om het koa-kopje te verstrekken aan deze doelgroep. Voorstel is om het college de beleidsvrijheid te geven tot het verstrekken van het koa-kopje. Verder zal de hoogte van het koa-kopje niet langer door het Rijk worden bepaald. Het college moet dus zelf beleid ontwikkelen. Doordat de hoogte van het koa-kopje niet langer door het Rijk wordt vastgelegd, kunnen gemeenten meer van de kosten van kinderopvang voor doelgroepouders vergoeden dan nu het geval is. Als doelgroepouders voor het koa-kopje in aanmerking komen, worden zij meer gecompenseerd in de kosten van kinderopvang dan werkenden. De kinderopvangtoeslag en het koa-kopje tezamen komen tegemoet in de kosten van kinderopvang. De vaste eigen bijdrage maakt deel uit van de kosten van kinderopvang. Het kan dus zijn, dat de vaste eigen bijdrage vergoed wordt uit het koa-kopje.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de motivatie van de regering is om de regels omtrent het koa-kopje te veranderen.

Het vervangen van de verplichting voor gemeenten door een bevoegdheid van gemeenten om een koa-kopje te verstrekken, past binnen de decentralisatiegedachte van de regering. Op deze manier zijn gemeenten beter in staat om individueel maatwerk te leveren. Met voorliggend wetsvoorstel legt de regering het juridisch kader voor het verstrekken van een koa-kopje vast in de wet. Binnen dit juridisch kader voeren gemeenten lokaal beleid. Het is inherent aan de keuze voor decentralisatie dat tussen gemeenten verschillen in beleid kunnen ontstaan. Controle op het gemeentelijk beleid wordt uitgeoefend door de gemeenteraad. Omdat iedere gemeente zijn eigen beleid hieromtrent zal maken, is het ook niet mogelijk om in algemene zin de inkomenseffecten van de maatregel in kaart te brengen. De regering acht het echter wenselijk dat gemeenten beleidsvrijheid ter zake van het verstrekken van het koa-kopje en de hoogte daarvan krijgen. Van belang hierbij is de wetenschap, dat voor de laagste inkomens circa 90% van de kosten tot de maximumuurprijs vergoed wordt door middel van de kinderopvangtoeslag. De regering blijft hetzelfde budget beschikbaar stellen voor het aanvullen van de kinderopvangtoeslag omdat zij van mening is dat gemeenten het beste kunnen inschatten voor welke groep personen het hoogste percentage van de kinderopvangtoeslag nog niet genoeg is om kinderopvang te kunnen betalen.

De CDA-fractie vraagt of gemeenten hetzelfde budget voor het koa-kopje houden.

De regering kan deze vraag bevestigend beantwoorden.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de verhouding tussen het koa-kopje en de eigen bijdrage. Daarnaast vragen zij naar signalen van gemeenten over inkomenseffecten voor doelgroepouders in verband met het loslaten van de vastgestelde percentages voor het koa-kopje.

De kinderopvangtoeslag en het koa-kopje tezamen komen tegemoet in de kosten van kinderopvang. De vaste eigen bijdrage maakt deel uit van de kosten van kinderopvang. Het is mogelijk dat de vaste eigen bijdrage vergoed wordt uit het koa-kopje. Het staat gemeenten vrij hieraan invulling te geven. De regering heeft geen signalen van gemeenten ontvangen over de inkomenseffecten voor doelgroepouders in verband met de voorgestelde beleidsvrijheid van gemeenten bij de bepaling van het koa-kopje.

De leden van de D66-fractie maken zich zorgen dat gemeenten hun beleidsvrijheid bij het verstrekken van het koa-kopje gebruiken om te snijden in deze extra bijdrage en dat dit een averechts effect oplevert voor de arbeidsdeelname van, in het bijzonder, alleenstaande ouders.

De regering deelt deze zorgen niet. Door de beleidsvrijheid kunnen gemeenten maatwerk leveren aan diegene die dat nodig heeft. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen, dat gemeenten hun beleidsvrijheid op het gebied van het koa-kopje zodanig zullen inrichten dat hun eigen budgettaire situatie hierop van invloed zal zijn. Gemeenten gebruiken het koa-kopje ter compensatie van kosten van de kinderopvang en zullen het doel van kinderopvang- het mogelijk maken van de combinatie van arbeid en zorg- daarbij niet uit het oog verliezen. Specifiek kan niet worden voorzien welk effect deze maatregel zal hebben op de arbeidsdeelname van, in het bijzonder, alleenstaande ouders omdat gemeenten individueel de beleidsvrijheid hebben de inzet van de middelen vorm te geven.

3. Budgettaire gevolgen

De leden van het CDA-fractie vragen hoe de budgettaire consequenties genoemd in het wetsvoorstel zich verhouden tot de eerder genoemde opbrengst van de maatregelen die waren aangekondigd in de brief van 6 juni.

Deze wetswijziging creëert alleen een grondslag om de financiering van de kinderopvangtoeslag op een later moment via het Besluit kinderopvangtoeslag anders vorm te kunnen geven.

De leden van de GroenLinks-fractie willen graag weten wat het financiële gevolg gaat zijn van de afzonderlijke maatregelen in dit wetsvoorstel.

Dit wetsvoorstel maakt de voorgenomen maatregelen mogelijk. Dit wetsvoorstel heeft zelf geen financiële gevolgen. Conform de informatie in de brief «kinderopvangtoeslag vanaf 2012» (Kamerstukken 2010/11, 31 322, nr. 138) verwacht de regering dat de onderliggende voorstellen «vaste eigen bijdrage per maand» en «afbouw vaste voet» ieder structureel € 125 mln. zullen besparen.

4. Uitvoeringstoetsen

Uitvoeringspanel SZW

De leden van de PvdA-fractie en D66-fractie vragen naar het advies van het Uitvoeringspanel over de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag voor doelgroepers aan een traject naar werk en de risico’s voor doelgroepouders die met deze maatregel samenhangen.

Het Uitvoeringspanel wijst op administratieve problemen met registratie van doelgroepouders en de noodzaak van harmonisatie van ICT-systemen als er een koppeling aan een traject naar werk wordt ingevoerd. De grondslag die in deze wetswijziging is opgenomen maakt het mogelijk om de omvang van het recht op kinderopvangtoeslag te koppelen aan het aantal uren van een traject naar werk. Mede vanwege de forse wijziging in de uitvoeringssystematiek, die een urenkoppeling voor doelgroepouders met zich meebrengt, wordt deze gefaseerd ingevoerd. In het Besluit kinderopvangtoeslag wordt de koppeling voor doelgroepouders ingevuld en worden ook de consequenties voor de uitvoering en administratieve lasten vermeld.

Belastingdienst/Toeslagen

De leden van de D66-fractie delen de wens van de Belastingdienst/Toeslagen om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen over aanvullende regelgeving.

Voorhang van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag in de Eerste en Tweede Kamer staat gepland voor begin juni.

5. Administratieve lasten

De leden van de D66-fractie constateren dat bij het inschatten van de gevolgen voor de administratieve lasten geen inschatting is gemaakt van de gevolgen van de mogelijke urenregistratie voor doelgroepers die gemeenten moeten gaan maken. Graag zouden de leden van de regering horen waarom hier niet in is voorzien.

Via dit wetsvoorstel wordt slechts de grondslag gecreëerd om een urenkoppeling voor doelgroepouders te realiseren. De exacte invulling hiervan is bij wijziging van het Besluit Kinderopvangtoeslag voorzien, waarbij ook zal worden ingegaan op de gevolgen voor de administratieve lasten.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp