Gepubliceerd: 13 juni 2012
Indiener(s): Jacques Monasch (PvdA), Kees Verhoeven (D66), Farshad Bashir (SP), Ineke van Gent (GL)
Onderwerpen: organisatie en beleid verkeer
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32845-11.html
ID: 32845-11
Origineel: 32845-2

Nr. 11 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 13 juni 2012

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

I

In artikel I, onderdeel A, wordt artikel 1, onderdeel q, als volgt gewijzigd:

1. «verordening 1370/2007/EG» wordt vervangen door: verordening (EG) 1370/2007.

2. «(PbEU L 315)» wordt vervangen door: (PbEU 2007, L 315).

II

In artikel I worden na onderdeel B drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Ba

Na artikel 14 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 14a

1. Het jaarlijks te publiceren overzichtsverslag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van verordening (EG) 1370/2007 is voor eenieder elektronisch toegankelijk.

2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde overzichtsverslag.

Artikel 14b

De concessieverleners, bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister gegevens voor zover hij die nodig heeft om te kunnen voldoen aan een verzoek van de Commissie van de Europese Gemeenschappen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening (EG) 1370/2007.

Bb

In artikel 19 komt het tweede lid als volgt te luiden:

2. In afwijking van het eerste lid kan, indien het openbaar vervoer uitvalt of dreigt uit te vallen, voor die situatie openbaar vervoer worden verricht zonder concessie overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, van verordening (EG) 1370/2007.

Bc

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Een concessiehouder verstrekt desgevraagd binnen een door de concessieverlener te bepalen termijn aan hem de gegevens voor zover die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de artikelen 6 en 7 van verordening (EG) 1370/2007.

III

In artikel I worden na onderdeel C drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Ca

Artikel 24 komt als volgt te luiden:

Artikel 24

De concessieverlener verleent overeenkomstig de artikelen 4, derde en vierde lid, en 5, zesde lid, van verordening (EG) 1370/2007, een concessie voor beperkte duur.

Cb

In artikel 25 komt het eerste lid als volgt te luiden:

1. Een concessie bevat, onverminderd artikel 4 van verordening (EG) 1370/2007, een omschrijving van het openbaar vervoer, van het gebied en de duur waarvoor de concessie is verleend, en, indien van toepassing, de prijs die de concessiehouder betaalt voor de concessie.

Cc

Na artikel 36 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 36a

1. Bij een overgang van openbaar vervoer met een concessie naar een situatie als bedoeld in artikel 19, tweede lid, in samenhang met artikel 5, vijfde lid, van verordening(EG) 1370/2007, is geen sprake van een overgang van een concessie.

2. Bij een overgang van openbaar vervoer zonder concessie als bedoeld in artikel 19, tweede lid, naar de situatie dat openbaar vervoer wordt verricht met een daartoe verleende concessie, zijn de artikelen 36 en 37 tot en met 40 van overeenkomstige toepassing.

IV

In artikel I wordt onderdeel D als volgt gewijzigd:

1. Na het eerste onderdeel wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

1a. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «eerste, tweede en vierde lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

2. In het tweede onderdeel wordt «een vervoerder aan wie» vervangen door: een vervoerder is aan wie.

V

In artikel I wordt na onderdeel D een onderdeel ingevoegd, luidende:

Da

In artikel 42 wordt «Onverminderd artikel 61, vijfde lid vervalt een concessie van rechtswege:» vervangen door: Een concessie vervalt van rechtswege:.

VI

In artikel I wordt na onderdeel H een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ha

Artikel 47 vervalt.

VII

In artikel I komt onderdeel K als volgt te luiden:

K

Artikel 61 komt als volgt te luiden:

Artikel 61

1. Concessies voor openbaar vervoer worden slechts verleend nadat daartoe een aanbesteding is gehouden, tenzij artikel 63a of artikel 64, eerste lid, van toepassing is.

2. In bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen kan het eerste lid buiten toepassing worden gelaten voor de verlening van een concessie voor regionaal openbaar vervoer per trein als bedoeld in artikel 20, derde lid.

3. Indien het openbaar vervoer uitvalt of dreigt uit te vallen kan, in afwijking van het eerste lid, een aanbesteding van dat openbaar vervoer achterwege blijven. Artikel 5, vijfde lid, van verordening (EG) 1370/2007 is van toepassing.

4. In afwijking van het eerste lid kan een concessie voor openbaar vervoer, anders dan per trein, worden verleend zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien die concessie voldoet aan een van de kenmerken, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van verordening (EG) 1370/2007.

VIII

In artikel I, onderdeel L, wordt in artikel 62 het vijfde lid vervangen door:

5. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 1370/2007.

6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijk vervoerbedrijf in de zin van artikel 69, eerste of zevende lid, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden.

IX

In artikel I, onderdeel M, wordt aan artikel 63a een volzin toegevoegd, luidende: Artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) 1370/2007 is van toepassing.

X

In artikel I, onderdeel M, komt in artikel 63b het tweede lid als volgt te luiden:

2. In afwijking van het eerste lid mag een vervoerder aan wie op grond van artikel 63a een concessie is verleend, meedoen aan een aanbesteding indien wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 1370/2007.

XI

In artikel I, onderdeel M, komt in artikel 63c, elfde lid, onderdeel b als volgt te luiden:

b. die vervoer verricht waarop bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, tweede of vierde lid, dit artikel of leden daarvan, van toepassing is verklaard, zonder dat voor het in de onderdelen a of b bedoelde vervoer een aanbesteding is gehouden en waarbij voor dat vervoer een subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, is verstrekt.

XII

In artikel I, onderdeel T, komt artikel 124a als volgt te luiden:

Artikel 124a

In de artikelen 124b tot en met 124e wordt verstaan onder:

een gemeentelijk vervoerbedrijf:

een vervoerbedrijf in de zin van artikel 69, eerste of zevende lid, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden.

XIII

In artikel I, onderdeel T, wordt na artikel 124a een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 124ab

Een ontheffing die voor de datum van inwerkingtreding van de Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden is verleend, op grond van artikel 24, tweede lid, of artikel 61, tweede lid, zoals die artikelen luidden voor de inwerkingtreding van genoemde wet, blijft van kracht voor de duur waarvoor deze ontheffing is verleend, onverminderd mogelijke wijziging, intrekking of het van rechtswege vervallen.

XIV

In artikel I, onderdeel T, komt artikel 124b als volgt te luiden:

Artikel 124b

Een concessie die voor de inwerkingtreding van de Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden aan een gemeentelijk vervoerbedrijf is verleend, blijft na de inwerkingtreding van die wet van kracht tot uiterlijk 31 december 2019, tenzij er reeds sprake is van een vervoerder aan wie op grond van artikel 63a een concessie is verleend.

XV

In artikel I, onderdeel T, komt het eerste lid van artikel 124d als volgt te luiden:

1. Op een gemeentelijk vervoerbedrijf is artikel 69, eerste, tweede, derde, en vijfde lid, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden van toepassing.

XVI

In artikel I, onderdeel T, wordt in artikel 124f «1 februari 2017» vervangen door: 31 december 2019.

XVII

In artikel IA wordt «Wet Aanbestedingsvrijheid OV grote steden» vervangen door: Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden.

Toelichting

Met deze nota van wijziging wordt een aantal redactionele wijzigingen voorgesteld. Ook wordt op een aantal plaatsen, mede op advies vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, een directe verwijzing opgenomen naar verordening (EG) 1370/2007 (de PSO-verordening, hierna: verordening) waarmee onduidelijkheden worden voorkomen.

I

De wijzigingen in onderdeel I van deze nota van wijziging zijn technisch van aard. Allereerst wordt aangegeven dat de verordening in het wetsvoorstel wordt aangehaald als «verordening (EG) 1370/2007». Ten tweede wordt de afkorting van het publicatieblad van de Europese Unie in orde gemaakt en veranderd in PbEU 2007, L 315.

II

Met onderdeel II van de nota van wijziging worden drie onderdelen in het wetsvoorstel ingevoegd, de onderdelen Ba, Bb en Bc.

Ba (artikelen 14a en 14b)

Met onderdeel Ba worden twee artikelen ingevoegd in de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de wet), namelijk de artikelen 14a en 14b.

Artikel 14a

Dit artikel neemt de verplichting op in de wet die voortvloeit uit artikel 7 van de verordening en op de bevoegde instanties rust. Vertaald naar de Nederlandse situatie betreft dit een verplichting die rust op de concessieverleners, bedoeld in artikel 20 van de wet. Het gaat met name om het dagelijks bestuur van een plusregio en gedeputeerde staten.

Artikel 7, eerste lid, van de verordening schrijft voor dat deze concessieverleners jaarlijks een overzichtsverslag publiceren van openbare dienstenverplichtingen die onder hun bevoegdheden vallen, de aangewezen exploitanten van openbare diensten en de compensaties en de exclusieve rechten die als vergoeding voor de dienstverlening aan die exploitanten zijn toegekend. Dit verslag maakt onderscheid tussen busvervoer en spoorvervoer (trein, tram en metro) en maakt het mogelijk de prestaties, de kwaliteit en de financiering van het openbaarvervoernet te toetsen en te beoordelen. Ook bevat het verslag informatie over de aard en de reikwijdte van eventuele toegekende exclusieve rechten.

Het verslag dient ervoor een bepaalde mate van openheid en transparantie te geven over de toegekende compensaties en de diensten die daarvoor geleverd worden. Om dit op een gemakkelijke wijze inzichtelijk te maken, is er voor gekozen om in de wet te verankeren dat dit elektronisch gebeurt door concessieverleners. Zo kan op de website van de desbetreffende concessieverlener het verslag worden teruggevonden. Daartoe strekt het nieuw voorgestelde artikel 14a, eerste lid. Het tweede lid maakt het mogelijk om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen met betrekking tot het overzichtsverslag. Zo zou op basis van het tweede lid een termijn bepaald kunnen worden waarbinnen dit overzichtsverslag gepubliceerd dient te worden. Zo kan geborgd worden dat de verschillende concessies op hetzelfde tijdstip te vergelijken zijn.

In artikel 14a zijn geen vormvereisten opgenomen waaraan het overzichtsverslag moet voldoen. De aanknopingspunten die de verordening daarvoor biedt, worden voldoende geacht. De verantwoordelijkheid om daar invulling aan te geven ligt bij de concessieverlener zelf.

Artikel 14b

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de verordening rust op de lidstaten de verplichting om de Europese Commissie, na een schriftelijk verzoek daartoe, informatie te verstrekken die de Commissie in staat stelt om na te gaan of compensaties die aan exploitanten van openbare personenvervoerdiensten worden verstrekt verenigbaar zijn met de verordening. Artikel 14b regelt dat op concessieverleners de verplichting rust om de minister die gegevens te verstrekken die nodig zijn om te kunnen voldoen aan een dergelijk verzoek van de Europese Commissie.

Bb (artikel 19)

Met onderdeel Bb wordt artikel 19, tweede lid, van het wetsvoorstel gewijzigd. Het eerste lid bevat het verbod om openbaar vervoer te verrichten zonder een daartoe verleende concessie. Het tweede lid bevatte tot nu toe een uitzondering op dat verbod voor die gevallen waarin de concessie ingevolge de artikelen 42 en 43 van de wet komt te vervallen of wordt ingetrokken. Dit voorstel van wet strekt ertoe die uitzondering te laten vervallen en samen te laten lopen met de mogelijkheden die artikel 5, vijfde lid, van de verordening biedt. Het bij dit wetsvoorstel gewijzigde tweede lid maakt mogelijk dat er openbaar vervoer kan worden verricht zonder concessie indien de dienstregeling uitvalt of dreigt uit te vallen. Zo’n situatie zou zich bijvoorbeeld voor kunnen doen indien de concessiehouder failliet gaat. De noodmaatregelen kunnen inhouden dat de bestaande concessie wordt verlengd of dat een onderhandse gunning plaatsvindt. De noodmaatregel mag niet langer duren dan twee jaar.

Bc (artikel 22)

Een concessiehouder dient mee te werken aan de informatieplicht die de concessieverlener jegens de Europese Commissie heeft op grond van de artikelen 6 en 7 van de verordening. In onderdeel Bc wordt daartoe een wijziging van artikel 22 van de wet voorgesteld. In artikel 14b (zie toelichting onderdeel Ba) is die informatieplicht aan de concessieverlener opgelegd; artikel 22 heeft betrekking tot de concessiehouder. Een concessieverlener heeft, om een concessie gedurende de looptijd goed te kunnen beheren en om vast te stellen dat er geen overcompensatie van de openbaar vervoersdiensten plaatsvindt, een bepaald (financieel) gegevensniveau nodig. Via het concessiebesluit valt in principe veel informatie te verkrijgen, maar dan moet dit wel zijn opgenomen in de concessie. Omdat de (financiële) gegevensverstrekking door de concessiehouder aan de concessieverlener vaak een moeilijk punt is gebleken, is er voor gekozen in het voorgestelde artikel 22, tweede lid, expliciet vast te leggen dat de gegevens die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de artikelen 6 en 7 van de verordening, op verzoek van de concessieverlener, door de concessiehouder dienen te worden verstrekt. De concessieverlener kan met bedoelde gegevens toezicht houden op de uitvoering van de concessie door de concessiehouder.

III

Met onderdeel III van de nota van wijziging worden drie onderdelen ingevoegd in het wetsvoorstel, namelijk de onderdelen Ca, Cb en Cc. De voorgestelde wijzigingen volgen uit de verordening.

Ca (artikel 24)

Het huidige artikel 24 van de wet behoeft aanpassing omdat de daarin geregelde systematiek van korte termijnen in combinatie met de mogelijkheid van een ministeriele ontheffing niet past binnen het stelsel van de PSO-verordening, waarin rechtstreeks werkende maximale termijnen worden vastgestel die decentrale overheden zonder nadere (ontheffings)voorwaarden kunnen toepassen. Daarnaast kan de ontheffing van de maximale concessieduur, zoals geregeld in het huidige tweede lid van artikel 24 van de wet, vervallen omdat de verordening de concessieverlener de mogelijkheid biedt de concessieduur zelf te verlengen zonder dat daar een ministerie ontheffing voor nodig is.

De aanpassing van artikel 24 is voor concessieverleners van groot belang, omdat zij bij een aanbesteding in het bestek al duidelijk aan moeten geven wat de duur van de concessie is en onder welke omstandigheden zij die duur zouden kunnen verlengen. Omdat de PSO-termijnen rechtstreeks werken zal een ongewijzigd artikel 24 interpretatieproblemen opleveren voor de uitvoerders.

Cb (artikel 25)

Dit onderdeel wijzigt artikel 25, eerste lid, van de wet, waar is opgenomen waaruit een concessie bestaat. Het nieuw voorgestelde eerste lid bepaalt evenals het huidige lid dat een concessie een omschrijving bevat van het openbaar vervoer en van het gebied waarvoor de concessie is verleend. Dit wetsvoorstel brengt op twee punten een beperkte wijziging aan. In het nieuw voorgestelde artikel is toegevoegd dat een concessie ook altijd de duur waarvoor de concessie is verleend bevat. In artikel 4, derde en vierde lid, van de verordening is aangegeven wat de maximale duur van concessies mag zijn.

Voorts is nu in het eerste lid opgenomen dat ook de prijs die de concessiehouder voor een concessie betaalt te allen tijde moet zijn opgenomen in de concessie. Omdat het in het regionale openbaar vervoer meestal niet gebruikelijk is dat een prijs voor een concessie wordt betaald, is deze eis los gekoppeld van de inhoud van de concessies. Er hoeft alleen een prijs opgenomen te worden als er ook daadwerkelijk een prijs betaald is. Veelal is dit niet het geval en ontvangt een concessiehouder juist een financiële bijdrage van de concessieverlener.

Overigens is de opsomming in artikel 25 niet limitatief. Ook de verordening schrijft in artikel 4 voor waaruit de verplichte inhoud van een concessie bestaat. Voor een totaalbeeld van verplichte inhoud van concessies zal dus zowel de verordening als de wet in ogenschouw moeten worden genomen.

Cc (artikel 36a)

In onderdeel Cc wordt voorgesteld artikel 36a in te voegen. Dit artikel maakt helder hoe de bedoelde bepalingen van toepassing zijn als er ingevolge het nieuwe artikel 19, tweede lid, openbaar vervoer wordt of is verricht zonder concessie. Het eerste lid betreft het geval waarin er sprake is van een overgang van een situatie waarin er vervoer wordt verricht met een concessie naar een situatie waarin er tijdelijk vervoer wordt verricht zonder concessie. In dat geval is er ingevolge het eerste lid geen sprake van een overgang van een concessie en derhalve is paragraaf 4 dan ook niet van toepassing. Het tweede lid betreft de situatie dat er een omslag plaatsvindt van het verrichten van openbaar vervoer zonder concessie naar een situatie dat er weer wel vervoer wordt verricht met een concessie. Het tweede lid bepaalt dat paragraaf 4 dan wel van toepassing is. Paragraaf 4 betreft de zogenaamde personeelsparagraaf en bevat een bijzondere regeling ter waarborging van de belangen van het personeel bij een overgang van een concessie.

IV

Onderdeel IV van de nota van wijziging bevat taaltechnische wijzigingen.

V

In onderdeel V van de nota van wijziging wordt in artikel 41 de onjuiste verwijzing naar artikel 61, vijfde lid, ongedaan gemaakt.

VI

In artikel VI van de nota van wijziging komt artikel 47 van de wet te vervallen. Artikel 47 dient te vervallen vanwege strijd met de verordening. In artikel 4 van de verordening worden de omstandigheden geschetst waaronder het mogelijk is een concessie te verlengen. Onder deze omstandigheden valt niet het mislukken van de aanbestedingsprocedure, zoals nu nog in artikel 47 is geregeld. Indien een aanbesteding mislukt dienen noodmaatregelen te worden getroffen ingevolge artikel 5, tweede lid, van de verordening, hetgeen ingevolge deze nota van wijziging in de artikelen 19, 36 en 61 van het wetsvoorstel wordt geregeld.

VII

In onderdeel VII van de nota van wijziging wordt artikel 61 opnieuw vastgesteld. Het nieuwe eerste lid van artikel 61 verschilt slechts van het oude eerste lid in die zin dat ook een verwijzing naar artikel 63a, eerste lid, is opgenomen. Deze uitzondering op de aanbestedingsplicht miste nog in het wetsvoorstel.

Binnen de systematiek van de verordening is geen ruimte voor de rechtsfiguur van een ministeriele ontheffing van de aanbestedingsplicht bij vervoersmodaliteiten anders dan per trein. Het tweede en derde lid van artikel 61 moeten daarom komen te vervallen. Het huidige vierde lid van artikel 61 is in het nieuw vastgestelde artikel opgenomen als het tweede lid.

In het nieuwe derde lid van artikel 61 wordt een voorziening getroffen voor noodvervoer. Gesteld wordt dat een aanbesteding van openbaar vervoer, in afwijking van het eerste lid van artikel 61, achterwege kan blijven indien het openbaar vervoer uitvalt of dreigt uit te vallen. Hiertoe is ook artikel 47 van de wet komen te vervallen (zie onderdeel VI van deze nota van wijziging). Artikel 5, vijfde lid, van de verordening (EG) 1370/2007 is van toepassing.

VIII

Met onderdeel VIII van de nota van wijziging wordt artikel 62 van het wetsvoorstel in technische zin aangepast. Het nieuwe vijfde lid is in redactionele zin aangepast ten aanzien van het huidige vijfde lid. Met het zesde lid wordt geregeld dat de uitzonderingssituatie als beschreven in het vijfde lid, ook van toepassing is op gemeentelijke vervoersbedrijven. Dit lid is dus slechts van toepassing tot 31 december 2019 (zie ook onderdelen XIV en XVI van deze nota van wijziging).

IX

Om interpretatieproblemen te voorkomen is aan artikel 63a een verwijzing opgenomen naar de voorwaarden die de verordening aan inbesteding stelt.

X

Dit is een redactionele aanpassing van artikel 63b, tweede lid.

XI

In artikel 63c is het elfde lid, onderdeel b, opnieuw vastgesteld in verband met redactionele wijzigingen.

XII

In het nieuw vastgestelde artikel 124a is de aanduiding van het wetsvoorstel aangepast. Aangezien een citeertitel in het leven is geroepen, volstaat verwijzing naar de citeertitel «Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden».

XIII

Artikel 124ab is in het leven geroepen ten aanzien van ontheffingen die zijn verleend op grond van de huidige artikelen 24, tweede lid, of 61, tweede lid, van de wet. De ontheffingen die zijn verleend op grond van deze artikelen blijven van kracht voor de duur waarvoor zij zijn verleend.

XIV

In onderdeel XIV van de nota van wijziging wordt artikel 124b ter verduidelijking opnieuw vastgesteld. Geregeld wordt dat een concessie die voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan een gemeentelijk vervoersbedrijf is verleend, na inwerkingtreding van de wet tot uiterlijk 31 december van kracht blijft, tenzij die concessie in de tussentijd is inbesteed volgens artikel 63a. Indien een concessie is aanbesteed of inbesteed, komt de term gemeentelijk vervoersbedrijf te vervallen. Als een plusregio na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel namelijk kiest voor inbesteding zal aan artikel 63a moeten worden voldaan en wordt het gemeentelijk vervoersbedrijf, al dan niet met een gewijzigde organisatiestructuur, interne exploitant. Na afloop van de concessie die is aanbesteed of inbesteed, kan altijd opnieuw de keuze worden gemaakt of de volgende concessie zal worden aanbesteed of inbesteed (indien artikel 63a van toepassing is, uiteraard). Indieners gaan er vanuit dat op 31 december 2019 alle concessies die op dit moment lopen, zullen zijn aanbesteed of inbesteed. Om deze reden kan het overgangsrecht per 31 december 2019 komen te vervallen (zie onderdeel XVI van deze nota van wijziging).

XV

In het eerste lid van artikel 124d wordt de aanduiding van het wetsvoorstel aangepast. Aangezien een citeertitel in het leven is geroepen, volstaat verwijzing naar de citeertitel «Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden».

XVI

Indieners gaan er vanuit dat op 31 december 2019 alle concessies die op dit moment lopen, zullen zijn aanbesteed of inbesteed. Na de aanbesteding of inbesteding van een concessie komt de term «gemeentelijk vervoersbedrijf» te vervallen en is het overgangsrecht niet langer nodig. Om deze reden kan het overgangsrecht per 31 december 2019 komen te vervallen (zie onderdeel XIV van deze nota van wijziging).

XVII

Onderdeel XVII bewerkstelligt een kleine tekstuele wijziging in de citeertitel.

Monasch Bashir Van Gent Verhoeven