Gepubliceerd: 1 september 2010
Indiener(s): Jan Kees de Jager (minister financiƫn) (CDA)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32401-5.html
ID: 32401-5
Origineel: 32401-2

Nr. 5 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 1 september 2010

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a. Vóór onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

0A. In artikel 2.14 vervalt het vijfde lid.

b. Na onderdeel J worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Ja. Artikel 4.14, tiende lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt «het forfaitair voordeel» vervangen door: het forfaitaire voordeel.

2. Aan de tweede volzin wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, een zinsnede toegevoegd, luidende: dan wel geen toepassing vindt omdat die vennootschap een lichaam is als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Jb. Artikel 4.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Uitzondering bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden.

2. Voorts wordt «de ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt niet als vervreemding aangemerkt» vervangen door: de ontbinding van de huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden wordt niet als vervreemding aangemerkt.

Jc. Artikel 4.17a, achtste lid, komt te luiden:

8. Hetgeen binnen twee jaren na de ontbinding van een huwelijksgemeenschap door overlijden bij de verdeling van die gemeenschap meer aan tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen dan overeenkomt met de evenredige gerechtigdheid van de overledene in die aandelen wordt toebedeeld aan de nalatenschap, is een vervreemding van de langstlevende echtgenoot welke voor de toepassing van dit artikel en artikel 4.39a gelijk wordt gesteld met een overgang krachtens erfrecht en waarbij de langstlevende echtgenoot als erflater wordt aangemerkt.

c. Onderdeel O wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen 1 tot en met 3 worden genummerd 2 tot en met 4.

2. Voor onderdeel 2 (nieuw) wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

1. In het tweede lid, tweede volzin, wordt «of daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving» vervangen door: of uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving.

d. In het in onderdeel W opgenomen artikel 10a.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt «artikel 13 en hoofdstuk IIA» vervangen door: artikel 13, artikel 13a en hoofdstuk IIA.

2

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel B komt te luiden:

B. Artikel 13, derde lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. voorzieningen die geheel of gedeeltelijk gebruikt of verbruikt worden op een bij die ministeriële regeling aan te wijzen werkplek;.

b. Na onderdeel B wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba. Artikel 13a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid komt te luiden:

4. In afwijking van het eerste lid:

a. wordt loon dat ingevolge artikel 27bis is begrepen in de laatste aangifte van het kalenderjaar, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt;

b. worden vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, op andere wijze dan per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de werkgever, voor zover deze € 0,19 per kilometer te boven gaan en voor zover deze niet hoger zijn dan de werkelijke kosten, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of bij het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt, indien in het kalenderjaar ook vergoedingen ter zake van de hiervoor bedoelde wijze van vervoer zijn of naar verwachting zullen worden berekend naar een bedrag van minder dan € 0,19 per kilometer.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. Het vierde lid, onderdeel b, is niet van toepassing op vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, per openbaar vervoer indien deze vergoedingen zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten.

c. Na onderdeel C wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca. In artikel 19b, zesde lid, wordt «anders dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f» vervangen door: anders dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen e en f.

d. Na onderdeel D wordt een onderdeel ingevoegd, luidende

Da. Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het eerste en tweede lid tot tweede en derde lid wordt vóór het tweede lid (nieuw) een lid ingevoegd, luidende:

1. De heffingskorting voor de loonbelasting wordt slechts toegepast ingeval de werknemer daartoe een schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan. Het verzoek geldt tot het tijdstip waarop de werknemer het verzoek schriftelijk, gedagtekend en ondertekend intrekt.

2. Onder vernummering van het derde lid (nieuw) tot vierde lid, wordt na het tweede lid (nieuw) een lid ingevoegd, luidende:

3. In afwijking van het eerste lid wordt de belasting ingehouden:

a. met toepassing van de heffingskorting voor de loonbelasting:

1°. indien artikel 27, zesde lid, toepassing vindt, met betrekking tot het loon van het in dat lid bedoelde kind;

2°. met betrekking tot het loon in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel loon uit vroegere dienstbetrekking waarin zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dat een in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt geniet, tenzij de werknemer een schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan om de heffingskorting voor de loonbelasting niet toe te passen;

b. zonder toepassing van de heffingskorting voor de loonbelasting met betrekking tot:

1°. uitkeringen ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars;

2°. tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt «In afwijking van het eerste lid» vervangen door: In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De inhoudingsplichtige bewaart het in het eerste en derde lid bedoelde verzoek ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

e. Onderdeel H komt te luiden:

H. Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel f, wordt «aan te wijzen vergoedingen en verstrekkingen» vervangen door: aan te wijzen vergoedingen en verstrekkingen, daaronder begrepen door de inhoudingsplichtige aan te wijzen gedeelten van vergoedingen en verstrekkingen,.

2. In het vierde lid, aanhef, wordt «onderdeel f» vervangen door: onderdeel f en onderdeel g.

3. In het vierde lid, onderdeel b, wordt «een woning» vervangen door: een woning, behoudens voor zover:

1°. het voordeel daarvan toerekenbaar is aan buitengewone beveiligingsmaatregelen, of

2°. het huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking betreft.

4. In het negende lid wordt «in het eerste en tweede lid bedoelde» vervangen door: in het eerste lid bedoelde.

f. Onderdeel I komt te luiden:

I. Artikel 31a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, aanhef, wordt «alsmede met vergoedingen en verstrekkingen» vervangen door: alsmede met vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g,.

2. In het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, wordt «per openbaar vervoer, taxi, luchtvaartuig» vervangen door: per taxi, luchtvaartuig.

3. In het tweede lid, onderdeel a, wordt na onderdeel 1°, onder vernummering van onderdeel 2° tot onderdeel 3°, een onderdeel ingevoegd, luidende:

2°. indien het vervoer plaatsvindt per openbaar vervoer, anders dan in de vorm van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, en de vergoedingen hoger zijn dan € 0,19 per kilometer en zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten: tot de werkelijke kosten;.

4. In het tweede lid, onderdeel a, onder 3° (nieuw), wordt «indien het vervoer op andere wijze dan per openbaar vervoer, taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de werkgever plaatsvindt» vervangen door: in de overige situaties.

5. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «onderdeel e» vervangen door: onderdeel e, alsmede maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter.

6. In het derde lid wordt «onderdeel f» vervangen door: onderdeel f en onderdeel g.

7. In het vijfde lid wordt «1,5%» telkens vervangen door «1,4%». Voorts wordt «artikel 31, eerste lid, onderdeel f, verminderd met» vervangen door: artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, verminderd met.

8. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

6. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige verstaan:

1° . vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer;

2°. het reizen per openbaar vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen.

7. Voor de toepassing van dit artikel worden vergoedingen ter zake van vervoer als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 3°, geacht niet hoger te zijn dan € 0,19 per afgelegde kilometer voor zover deze vergoedingen in totaal niet meer hebben bedragen dan het aantal in het kalenderjaar in dit kader afgelegde kilometers vermenigvuldigd met € 0,19.

8. Bij de bepaling van het in het tweede lid bedoelde loon wordt buiten beschouwing gelaten:

a. loon uit vroegere dienstbetrekking indien de inhoudingsplichtige in meer dan bijkomstige mate loon uit vroegere dienstbetrekking verstrekt;

b. loon ter zake waarvan de inhoudingsplichtige uitsluitend ingevolge artikel 6, eerste lid, onderdeel c, inhoudingsplichtige is.

g. Na onderdeel I worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ia. In artikel 32, eerste lid, wordt «de artikelen 3 124, onderdeel b en 3 125, eerste lid, onderdelen a en c» vervangen door: de artikelen 3 124, eerste lid, onderdeel b, en 3 125, eerste lid, onderdelen a en c,.

Ib. In artikel 32a, eerste en tweede lid, wordt «artikel 31, derde en vierde lid» vervangen door: artikel 31, derde lid.

h. Na onderdeel L wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

La. In artikel 38j wordt «, en blijft artikel 19b, tweede lid, derde volzin, zoals dat artikel op de genoemde peildatum luidde, van toepassing» vervangen door: , en wordt onder een overgang als bedoeld in artikel 19b, tweede lid, eerste volzin, mede verstaan herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f.

i. Onderdeel M wordt als volgt gewijzigd:

1. In het onder 1 opgenomen artikel 39c, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt «artikel 13, hoofdstuk IIA en artikel 31» vervangen door: artikel 13, artikel 13a, hoofdstuk IIA, artikel 31 en artikel 32a.

2. In het onder 3 opgenomen artikel 39c, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt «vermelde bedragen» vervangen door: vermelde bedragen en percentages.

3

Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IIIA

Ingeval het bij koninklijke boodschap van 6 november 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (31 763) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel Ca, van die wet in werking is getreden of treedt, wordt aan artikel 3, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

i. de bestuurder van een vennootschap als bedoeld in artikel 132, derde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4

Artikel VI wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa. Aan artikel 21, tiende lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Met elkaar opvolgende vruchtgebruiken, beperkte rechten en periodieke uitkeringen wordt bij de waardebepaling van de daarmee bezwaarde goederen terstond rekening gehouden.

b. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

C. Artikel 35a, eerste lid, komt te luiden:

1. Met betrekking tot de in de artikelen 24, 32, eerste lid, onderdeel 4°, en tweede lid, 33, onderdelen 5°, 6° en 7°, en 35b, eerste lid, vermelde bedragen zijn de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.

5

In artikel X, onderdeel A, wordt voor de punt aan het slot ingevoegd: , dan wel bij een recht waaraan een onroerende zaak kan worden onderworpen.

6

Na artikel X worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XA

De Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 3, derde lid, aanhef, wordt «een motorrijtuig met een laadruimte» vervangen door: een motorrijtuig met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3 500 kg, voorzien van een laadruimte.

B. In artikel 9, twaalfde lid, wordt «voertuig dat onder richtlijn 2002/24/EEG valt en voertuig voor speciale doelen als omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a, tweede streepje, van richtlijn 70/156/EEG waarbij» vervangen door: een personenauto die valt onder richtlijn 2002/24/EEG, alsmede een personenauto die een voertuig voor speciale doeleinden is zoals omschreven in Bijlage II, onderdeel A, punt 5, van richtlijn 2007/46/EG, waarbij.

C. In artikel 13a, vijfde lid, wordt «zijn» vervangen door: zijn, in afwijking van het derde lid,.

ARTIKEL XB

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 2, onderdeel n, wordt «zware vrachtvoertuigen (PbEU L 187)» vervangen door: zware vrachtvoertuigen.

B. Artikel 25a, derde lid, komt te luiden:

3. Onder EURO 0-voertuig, EURO I-voertuig, EURO II-voertuig, EURO III-voertuig, EURO IV-voertuig, EURO V-voertuig en EEV-voertuig wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de richtlijn.

C. In artikel 30, eerste lid, wordt «een motorrijtuig» vervangen door «een personenauto. een bestelauto of een vrachtauto«. Voorts wordt «24b, 25 en 25a» vervangen door: 24b en 25a.

D. Artikel 70 komt te luiden:

Artikel 70

In het geval, bedoeld in artikel 69, is artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XC

De Wet belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 22, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

d. baggerspecie: materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktelichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Onder baggerspecie wordt mede verstaan: sediment en het residu van de reiniging van baggerspecie;.

B. In artikel 82, eerste lid, onderdeel b, wordt «van die verpakking ontdoet» vervangen door: van die verpakking ontdoet of laat ontdoen.

C. In artikel 85, onderdeel b, wordt «van de verpakking ontdoet» vervangen door: van de verpakking ontdoet of laat ontdoen.

D. Na artikel 88a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 88b

1. In afwijking van de artikelen 82, 83, 87 en 87a kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de heffing van de belasting van een vertegenwoordiger van een groep belastingplichtigen.

2. Bij toepassing van het voorgaande lid kan worden afgeweken van artikel 82, tweede lid, onderdeel b.

E. Artikel 89, derde lid, komt te luiden:

3. In afwijking van het tweede lid kan de inspecteur, bij toepassing van artikel 33, tweede lid, op verzoek toestemming verlenen om de verschuldigd geworden belasting in een door hem te bepalen tijdvak uiterlijk binnen één maand na het einde van dat tijdvak op aangifte te voldoen. Het door de inspecteur te bepalen tijdvak bedraagt maximaal één kwartaal.

7

Artikel XII komt te luiden:

ARTIKEL XII

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 4, derde lid, wordt «de Richtlijn 90/434/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten (PbEG L 225)» vervangen door: Richtlijn nr. 2009/133/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PbEU L 310).

B. In artikel 16, zesde lid, wordt «8.9, tweede lid» vervangen door: 8.9, eerste lid.

8

Na artikel XIII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIIIA

In de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt in artikel 33, tweede lid, «vierde lid» vervangen door: derde lid.

9

Artikel XV komt te luiden:

ARTIKEL XV

De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 8, tweede lid, wordt «artikel 31, eerste lid, onderdelen f en g» vervangen door: artikel 31, eerste lid, onderdelen d tot en met g.

B. Vóór hoofdstuk 8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 122k Overgangsrecht in verband met wijziging regime voor vergoedingen en verstrekkingen in de Wet op de loonbelasting 1964

1. Voor zover ter zake van het belastbare inkomen uit werk en woning artikel 10a.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt toegepast, wordt voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, eerste volzin, onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met inachtneming van artikel 10a.8 van die wet.

2. Ingeval ter zake van het belastbare loon artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt toegepast:

1°. wordt voor de toepassing van artikel 8, tweede lid, onder premie-inkomen verstaan het belastbare loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 met uitzondering van de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen e, onder 1°, f en g, van die wet, zoals dat op 31 december 2010 luidde;

2°. behoren voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel b, niet tot het loon eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat op 31 december 2010 luidde.

3. Dit artikel komt te vervallen met ingang van de dag waarop artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 komt te vervallen.

10

Na artikel XV worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XVA

In de Wet controle op rechtspersonen wordt in artikel 7, tweede lid, «artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen» vervangen door: artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 67, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel 10, eerste lid, van de Registratiewet 1970.

ARTIKEL XVB

In de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 wordt hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 van die wet geacht wordt te hebben gehad, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 246 856 gesteld.

2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid.

11

Na artikel XXIV wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXIVA

De termijn van vier jaar, genoemd in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt voor in de kalenderjaren 2006 tot en met 2009 op de voet van een spaarloonregeling als bedoeld in die bepaling gespaard loon vervangen door een termijn die eindigt op 15 september 2010.

12

Artikel XXV wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde tot en met het achtste lid tot zevende tot en met twaalfde lid worden na het tweede lid vier leden ingevoegd, luidende:

3. Artikel XC, onderdeel D, werkt terug tot en met 1 januari 2008.

4. Artikel I, onderdeel 0A, en artikel XII, onderdeel B, werken terug tot en met 1 januari 2009.

5. Artikel XIIIA werkt terug tot en met 1 juli 2009.

6. Artikel III, onderdelen Ca en La, werkt terug tot en met 15 september 2009.

2. In het tiende lid (nieuw) wordt «artikel VI, onderdeel A, artikel VII, artikel VIII, artikel X, onderdelen B, C en D, artikel XIII, onder 1» vervangen door: artikel VI, onderdelen A en Aa, artikel VII, artikel VIII, artikel X, onderdelen B, C en D, artikel XIII, onder 1, artikel XVB.

3. Onder vernummering van het twaalfde lid (nieuw) tot dertiende lid wordt na het elfde lid (nieuw) een lid ingevoegd, luidende:

12. Artikel XXIVA werkt terug tot en met 15 september 2010.

4. Na het dertiende lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:

14. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XVA, ingeval artikel II, onderdeel H, van de wet van 7 juli 2010 tot wijziging van onder meer Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet documentatie vennootschappen in verband met het vervallen van de verklaring van geen bezwaar en het verbeteren en uitbreiden van de controle op rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen (Stb. 280) na 31 december 2010 in werking treedt, in werking onmiddellijk nadat bedoeld onderdeel H in werking is getreden.

Toelichting

I. Algemeen

Inleiding

In deze nota van wijziging zijn wijzigingen opgenomen met betrekking tot spaarloontegoeden, de werkkostenregeling, bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen en het tijdvak voor de kolenbelasting. Daarnaast bevat deze nota van wijziging aanpassingen van technische en/of redactionele aard.

Deblokkering spaarloontegoeden 2006–2009

Op grond van deze nota van wijziging vervalt de blokkeringsverplichting voor spaarloontegoeden die zijn opgebouwd in de jaren 2006 tot en met 2009. Deze wijziging volgt op de in de Tweede Kamer met brede steun aangenomen motie van het lid Weekers c.s.1 De doelstelling van de maatregel is het stimuleren van de economie. Vanwege deze doelstelling is het van belang de mogelijkheid van deblokkering kort na de bekendmaking in werking te laten treden. Vooruitlopend op de wetswijziging is daarom bij beleidsbesluit2 goedgekeurd dat een werknemer met ingang van 15 september 2010 mag beschikken over het tegoed van zijn spaarloonrekening dat betrekking heeft op de jaren 2006 tot en met 2009. In lijn hiermee werkt de wettelijke maatregel terug tot en met 15 september 2010.

Werkkostenregeling

Deze nota van wijziging bevat een aanvulling op de in het kader van de motie Jurgens c.s.3 in het wetsvoorstel opgenomen technische aanpassingen in de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). De aanvulling betreft een regeling om onder- en bovenmatige reiskostenvergoedingen op jaarbasis te salderen. Deze regeling vervangt de huidige regeling in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, mede in het kader van de invoering van de werkkostenregeling per 1 januari 2011. Daarnaast is in deze nota van wijziging een bepaling opgenomen op grond waarvan tijdelijke huisvesting buiten de woonplaats in het kader van de dienstbetrekking (een «pied-a-terre») kan worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voorts zijn naar aanleiding van de invoering van de werkkostenregeling en de eveneens per 1 januari 2011 in te voeren Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 enige technische wijzigingen opgenomen. Deze aanpassingen worden nader toegelicht in de onderdeelsgewijze toelichting.

Bestuurders beursgenoteerde vennootschappen

Op het bij koninklijke boodschap van 6 november 2008 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (31 763) is door de Tweede Kamer een amendement van de leden Weekers en Van Vroonhoven-Kok4 aangenomen. De indieners van dit amendement beogen op te treden tegen de praktijk waarbij met een beroep op de arbeidsovereenkomst vertrekvergoedingen kunnen worden bepleit die hoger zijn dan de norm van de Nederlandse Corporate Governance Code. Het amendement tracht dit te bewerkstelligen door in het Burgerlijk Wetboek een bepaling toe te voegen waardoor de rechtsverhouding van de bestuurder met een beursgenoteerde vennootschap niet langer wordt aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Nu de Wet LB 1964 voor de belastingplicht verwijst naar de arbeidsovereenkomst uit het Burgerlijk Wetboek, raakt dit naast de arbeidsrechtelijke positie ook de fiscale positie van statutaire bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen. Dit is een onbedoelde doorwerking. Naar aanleiding van dit amendement wordt daarom voorgesteld om een fictieve dienstbetrekking voor statutaire bestuurders van beursvennootschappen in de Wet LB 1964 op te nemen. De huidige fiscale positie van desbetreffende bestuurders in de loon- en inkomstenbelasting wordt hiermee gecontinueerd. Tevens blijft hierdoor, in de geest van het amendement, de in de Wet LB 1964 opgenomen maatregel tegen excessieve vertrekvergoedingen van toepassing bij deze bestuurders.

Tijdvak kolenbelasting

De in de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) opgenomen kolenbelasting wordt onder meer verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het in Nederland voorhanden hebben van kolen waarvan de kolenbelasting niet is geheven. De belasting moet in dat geval uiterlijk op de dag na voornoemd tijdstip op aangifte worden voldaan. Hierdoor wordt bij het overschrijden van de Nederlandse grens bijvoorbeeld degene die de kolen vervoert (of laat vervoeren) belastingplichtig en is dagaangifte vereist. Op verzoek kan de inspecteur toestemming verlenen om weekaangifte in plaats van dagaangifte te doen. In de praktijk bestaat behoefte aan een meer flexibele regeling, waarbij onder omstandigheden ook een langer tijdvak kan worden gehanteerd. Daarom krijgt de inspecteur de bevoegdheid om op verzoek het tijdvak te bepalen. Het door de inspecteur te bepalen tijdvak mag maximaal één kwartaal bedragen. De in het tijdvak verschuldigd geworden belasting dient vervolgens binnen één maand na het einde van het tijdvak op aangifte te worden voldaan.

Budgettaire effecten

De maatregel inzake de deblokkering van de spaartegoeden voor de jaren 2006 tot en met 2009 levert in 2010 een budgettaire opbrengst op van € 4 mln. en in 2011 van € 7 mln.; in de jaren 2012 en 2013 is sprake van een budgettaire derving van € 2 mln. De structurele budgettaire gevolgen zijn nihil. De incidentele budgettaire gevolgen voor de jaren 2011, 2012 en 2013 worden meegenomen in het Belastingplan 2011 c.a. Aan de overige wijzigingen in deze nota van wijziging zijn geen budgettaire gevolgen verbonden.

Administratieve lasten

Spaarloon

De maatregel inzake de deblokkering van de in de jaren 2006 tot en met 2009 opgebouwde spaarloontegoeden betekent een toename van de administratieve lasten voor de uitvoerders van de spaarloonregelingen aangezien ze de spaarders dienen te benaderen of er wel of niet gedeblokkeerd wordt. Het besluit om deze spaarloontegoeden fiscaal vrij te geven, steunt echter op een brede politieke meerderheid in de Tweede Kamer. Bovendien behelst deze maatregel een stimulans voor de economie. Om de instellingen die de spaarloonrekening beheren de gelegenheid te bieden de deblokkering voor te bereiden is de invoeringsdatum van 15 september 2010 al begin juli bekend gemaakt5.

Tijdvak kolenbelasting

De mogelijkheid dat de inspecteur op verzoek toestemming kan verlenen om de in een door hem te bepalen tijdvak verschuldigd geworden kolenbelasting uiterlijk binnen één maand na dat tijdvak op aangifte te voldoen, pakt licht positief uit voor zowel de belastingplichtige als de Belastingdienst. Doordat het om een beperkt aantal gevallen gaat, zijn de effecten echter verwaarloosbaar.

Voor het overige heeft deze nota van wijziging geen noemenswaardige gevolgen voor de administratieve lasten van burgers of bedrijven.

II. Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1

Artikel I, onderdeel 0A (artikel 2.14 van de Wet inkomstenbelasting 2011)

In artikel 2.14, vijfde lid, van de Wet IB 2001 is een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de toerekening van de risicodekking, de overige kosten en het rendement bij lijfrenten of andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen uit een inkomensvoorziening die deels in box 1 en deels in box 3 vallen. Door de wijziging van de Wet IB 2001 bij het Belastingplan 2009, kunnen dergelijke situaties zich met ingang van 1 januari 2009 niet meer voordoen. Het vijfde lid van artikel 2.14 van de Wet IB 2001 kan daarom met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 vervallen. Na het vervallen van artikel 2.14, vijfde lid, van de Wet IB 2001, zal ook het daarop gebaseerde artikel 4 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 worden ingetrokken.

Artikel I, onderdeel Ja (artikel 4.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In de Wet IB 2001 is bepaald dat bij een als aanmerkelijk belang in de zin van die wet kwalificerend belang in een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969), een forfaitair voordeel van 4% als (regulier) voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking moet worden genomen (artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, in verbinding met artikel 4.14, eerste lid, van de Wet IB 2001). Dat geldt ook indien zo’n belang wordt gehouden via een in Nederland gevestigde vennootschap (de zogenaamde doorkijkregeling van artikel 4.14, negende lid, van de Wet IB 2001). Artikel 4.14, tiende lid, tweede volzin, van de Wet IB 2001 bepaalt vervolgens dat de doorkijkregeling van het negende lid niet van toepassing is op belangen waarvoor bij de Nederlandse tussenhoudster het waarderingsvoorschrift van artikel 3.29a van de Wet IB 2001 geldt.

In de praktijk is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de uitleg van artikel 4.14, tiende lid, van de Wet IB 2001 in de situatie van een natuurlijk persoon met een aanmerkelijk belang in een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a van de Wet Vpb 1969 (hierna VBI A), terwijl die instelling op haar beurt een belang heeft in een andere vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a van de Wet Vpb 1969 (hierna VBI B). Deze natuurlijk persoon is gehouden ter zake van het belang in VBI A een regulier voordeel van 4% aan te geven. Vervolgens is de vraag gerezen of hij daarnaast nog een regulier voordeel van 4% ter zake van het indirecte belang in VBI B moet aangegeven op grond van de doorkijkregeling, aangezien bij VBI A het waarderingsvoorschrift van artikel 3.29a van de Wet IB 2001 niet speelt. Dit laatste is uiteraard nooit beoogd, omdat dit zou leiden tot een dubbeltelling.

Om deze onduidelijkheid in de wettekst weg te nemen wordt in artikel 4.14, tiende lid, tweede volzin, van de Wet IB 2001 bepaald dat de doorkijkregeling van het negende lid van dat artikel ook buiten toepassing blijft op belangen waarvoor bij de Nederlandse tussenhoudster artikel 3.29a van de Wet IB 2001 niet geldt omdat de Nederlandse tussenhoudster een vrijgestelde beleggingsinstelling is als bedoeld in artikel 6a van de Wet Vpb 1969.

Artikel I, onderdelen Jb en Jc (artikelen 4.17 en 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijzigingen hebben betrekking op de situatie dat een huwelijksgemeenschap (mede) omvat tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (hierna: ab-aandelen).

Ingeval bij overlijden van een van de echtgenoten in het kader van de verdeling van die huwelijksgemeenschap meer dan 50% van de ab-aandelen worden toebedeeld aan de nalatenschap van de overledene, is bij de wijziging van het regime voor ab-aandelen per 1 januari 2010 beoogd dat op hetgeen boven de 50% wordt toebedeeld aan de nalatenschap, de generieke doorschuifregeling van artikel 4.17 van de Wet IB 2001 niet kan worden toegepast. Voorts is beoogd dat hetgeen boven de 50% wordt toebedeeld, hetgeen een vervreemding van de langstlevende echtgenoot is, in aanmerking kan komen voor de specifieke doorschuifregeling van artikel 4.17a voor zover de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben ondernemingsvermogen heeft. Beoogd is een en ander te regelen in het huidige achtste lid van artikel 4.17a van de Wet IB 2001.

In de praktijk is inmiddels gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de werking van dit achtste lid.

Om deze onduidelijkheid weg te nemen, worden de volgende wijzigingen aangebracht. In artikel 4.17 van de Wet IB 2001 wordt expliciet opgenomen dat de doorschuifregeling van dit artikel alleen van toepassing is op hetgeen bij de ontbinding van een huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden wordt verkregen. Tevens is artikel 4.17a, achtste lid, van de Wet IB 2001 opnieuw geformuleerd waarbij is aangesloten bij de gehanteerde terminologie in het eerste lid van dat artikel. De uitwerking van deze wijzigingen kan worden toegelicht aan de hand van de volgende twee voorbeelden.

Voorbeeld 1 (X-bv heeft alleen ondernemingsvermogen)

A en B zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Deze gemeenschap omvat onder meer alle aandelen in X-bv. X-bv heeft alleen maar ondernemingsvermogen. De waarde van de aandelen in X-bv bedraagt 1000. De verkrijgingsprijs bedraagt 100.

A overlijdt en echtgenoot B en kind C zijn de erfgenaam. B en C wonen beiden in Nederland en zijn krachtens testament in gelijke delen gerechtigd tot de nalatenschap en waarbij in het testament voorts is bepaald dat titel 3, afdeling 1, van Boek 4 BW geheel buiten toepassing blijft.

Het overlijden van A vormt ingevolge artikel 4.16 een fictieve vervreemding van zijn gerechtigdheid tot het onverdeeld aandeel in de aandelen in X-bv voor de waarde in het economische verkeer, zijnde 500 (de helft van 1000). Deze fictieve vervreemding wordt ingevolge artikel 4.17a op verzoek in het geheel niet als vervreemding aangemerkt. B en C verkrijgen ieder de helft van A’s gerechtigdheid tot het onverdeeld aandeel in de aandelen in X-bv. De verkrijgingsprijs van A’s gerechtigdheid tot het onverdeeld aandeel in de aandelen in X-bv die A krachtens huwelijksgemeenschap houdt ad 50 (zijnde de helft van 100) wordt dan ingevolge artikel 4.39a doorgeschoven naar B en C, ieder voor de helft (25).

De waarde van B’s gerechtigdheid tot de aandelen in X-bv bedraagt vervolgens totaal 750, zijnde B’s gerechtigdheid tot het onverdeeld aandeel in de aandelen in X-bv die B krachtens huwelijksgemeenschap houdt ad 500 (de helft van 1000) en B’s aandeel in de nalatenschap van A ad 250 (de helft van die andere 500). De verkrijgingsprijs voor B bedraagt in totaal 75, bestaande uit de verkrijgingsprijs voor B’s gerechtigdheid tot het onverdeeld aandeel in de aandelen in X-bv die B krachtens huwelijksgemeenschap houdt ad 50 (de helft van 100) plus de naar B doorgeschoven verkrijgingsprijs van A ad 25 (de helft van 50).

De waarde van C’s gerechtigdheid tot de aandelen in X-bv bedraagt dan in totaal 250, zijnde C’s aandeel in de nalatenschap van A. De verkrijgingsprijs voor C bedraagt 25, zijnde de naar C doorgeschoven verkrijgingsprijs van A (de helft van 50).

Indien vervolgens binnen twee jaar na het overlijden van A in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap/nalatenschap alle aandelen in X-bv worden toebedeeld aan C, werken de wijzigingen als volgt uit. Gemakshalve is daarbij geabstraheerd van een waarde-ontwikkeling van de aandelen in X-bv in de periode na het tijdstip van overlijden tot het tijdstip van verdeling.

De toedeling aan C van B’s aandeel in de gerechtigdheid tot de aandelen in X-bv die B krachtens huwelijksgemeenschap houdt, vormt voor B een vervreemding voor de waarde in het economische verkeer, zijnde 500. Omdat sprake is van een verdeling van een huwelijksgemeenschap na ontbinding van de huwelijksgemeenschap door overlijden kan de doorschuifregeling van artikel 4.17 niet worden toegepast. Ingevolge artikel 4.17a, achtste lid, kan de doorschuifregeling van dat artikel wel toepassing vinden. Omdat X-bv alleen ondernemingsvermogen heeft, wordt op verzoek de vervreemding geheel teruggenomen. Ingevolge artikel 4.39a wordt een evenredig deel van de verkrijgingsprijs van B, zijnde (500/750) x 75, doorgeschoven naar C, dus 50.

De toedeling aan C van B’s aandeel in de nalatenschap van A ad 250 wordt ingevolge artikel 4.17b, eerste lid, op verzoek niet als een vervreemding aangemerkt. Ingevolge artikel 4.39b wordt dan de verkrijgingsprijs van B van deze aandelen, zijnde (250/750) x 75, doorgeschoven naar C, dus 25. In totaal is derhalve van B naar C 75 doorgeschoven.

Na de verdeling bezit C alle aandelen in X-bv. De verkijgingsprijs voor C bedraagt dan in totaal 100, bestaande uit de doorgeschoven verkrijgingsprijs van A naar C (25) plus de doorgeschoven verkrijgingsprijs van B naar C (75).

Voorbeeld 2 (X-bv heeft ook beleggingsvermogen)

Dezelfde gegegevens als in voorbeeld 1, met als wijziging dat de waarde van de aandelen van X-bv – rekening houdende met de 5%-marge op grond van artikel 4.17a, zesde lid – voor 700 toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen en voor 300 aan het beleggingsvermogen.

Het overlijden van A vormt ingevolge artikel 4.16 een fictieve vervreemding van zijn gerechtigdheid tot het onverdeeld aandeel in de aandelen in X-bv voor de waarde in het economische verkeer, zijnde 500 (de helft van 1000). Het deel dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van X-bv (de helft van 700 is 350) wordt ingevolge artikel 4.17a op verzoek niet als vervreemding aangemerkt. Voor het deel dat toerekenbaar is aan het beleggingsvermogen (de helft van 300 is 150) wordt er wel een vervreemding door A geconstateerd. Ingevolge artikel 4.19 kan A op de overdrachtsprijs van 150 een verkrijgingsprijs van 50 (zijnde de helft van 100) in mindering brengen, waardoor per saldo een vervreemdingsvoordeel van 100 wordt geconstateerd.

B en C verkrijgen ieder de helft van A’s gerechtigdheid tot het onverdeeld aandeel in de aandelen in X-bv.

De waarde van B’s gerechtigdheid tot de aandelen in X-bv bedraagt dan in totaal 750, zijnde B’s gerechtigdheid tot het onverdeeld aandeel in de aandelen in X-bv die B krachtens huwelijksgemeenschap houdt ad 500 (de helft van 1000) en B’s aandeel in de nalatenschap van A ad 250 (de helft van die andere 500). De verkrijgingsprijs voor B bedraagt nu in totaal 125, bestaande uit de verkrijgingsprijs voor B’s gerechtigdheid tot het onverdeeld aandeel in de aandelen in X-bv die B krachtens huwelijksgemeenschap houdt ad 50 (de helft van 100) plus de helft van de overdrachtsprijs die bij A bij zijn overlijden in aanmerking is genomen (de helft van 150).

De waarde van C’s gerechtigdheid tot de aandelen in X-bv bedraagt 250, zijnde C’s aandeel in de nalatenschap van A. De verkrijgingsprijs voor C bedraagt 75, zijnde de helft van de overdrachtsprijs die bij A bij zijn overlijden in aanmerking is genomen.

Indien vervolgens binnen twee jaar na het overlijden van A in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap/nalatenschap alle aandelen in X-bv worden toebedeeld aan C werken de wijzigingen als volgt uit.

De toedeling aan C van B’s aandeel in de gerechtigdheid tot de aandelen in X-bv die B krachtens huwelijksgemeenschap houdt, vormt voor B een vervreemding voor de waarde in het economische verkeer, zijnde 500. Omdat sprake is van een verdeling van een huwelijksgemeenschap na ontbinding van de huwelijksgemeenschap door overlijden kan de doorschuifregeling van artikel 4.17 niet worden toegepast. Ingevolge artikel 4.17a, achtste lid, kan de doorschuifregeling van dat artikel wel toepassing vinden voor zover de waarde van de aandelen toerekenbaar is aan ondernemingsvermogen van X-bv. Het deel van de waarde van de aandelen dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van X-bv (de helft van 700) wordt niet als vervreemding in aanmerking genomen. Voor het deel dat toerekenbaar is aan het beleggingsvermogen (de helft van 300) wordt er wel een vervreemding door B geconstateerd; dit leidt tot een overdrachtsprijs van 150. Ingevolge artikel 4.19 kan op de overdrachtsprijs de (gemiddelde) verkrijgingsprijs van B ad 83,33 – zijnde (500/750) × 125 – in mindering worden gebracht, waardoor per saldo een vervreemdingsvoordeel van 66,67 wordt geconstateerd.

De toedeling aan C van B’s aandeel in de nalatenschap van A ad 250 aan C wordt ingevolge artikel 4.17b, eerste lid, op verzoek niet als vervreemding aangemerkt. Ingevolge artikel 4.39b wordt dan de (gemiddelde) verkrijgingsprijs van B van deze aandelen, zijnde (250/750)x125, doorgeschoven naar C, dus 41,67.

Na de verdeling bezit C alle aandelen in X-bv. De verkijgingsprijs voor C bedraagt dan in totaal 266,67. Dit is de optelsom van (a) de helft van de overdrachtsprijs die bij A in aanmerking is genomen (75), (b) de overdrachtsprijs die bij B in aanmerking is genomen (150) en (c) de verkrijgingsprijs die van B naar C is doorgeschoven (41,67).

Artikel I, onderdeel O (artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijziging strekt ertoe de tekst van artikel 5.3, tweede lid, tweede volzin, van de Wet IB 2001 en artikel 5.3, derde lid, eerste volzin, onderdeel b, van die wet met elkaar in overeenstemming te brengen.

Artikel I, onderdeel W (artikel 10a.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Ingevolge de wijziging van het in artikel I, onderdeel W, opgenomen artikel 10a.8 van de Wet IB 2001 blijft ingeval een belastingplichtige ervoor kiest het keuzeregime toe te passen, ook artikel 13a van de Wet LB 1964 zoals dit per 31 december 2010 luidde, van toepassing. Deze aanpassing hangt samen met de in deze nota van wijziging opgenomen wijziging van artikel 13a van de Wet LB 1964.

Onderdeel 2

Artikel III, onderdeel B (artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964)

Dit betreft een technische aanpassing van de in artikel III, onderdeel B, van het wetsvoorstel opgenomen wijziging van artikel 13, derde lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964.

Artikel III, onderdeel Ba (artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964)

Ter uitvoering van de in het algemeen deel reeds genoemde motie Jurgens c.s. wordt het vierde lid van artikel 13a van de Wet LB 1964 opgesplitst in onderdelen en wordt een vijfde lid aan dit artikel toegevoegd. In artikel 13a, vierde lid, onderdeel a, wordt geregeld wat thans reeds in genoemd vierde lid is geregeld.

De toevoeging van het vierde lid, onderdeel b, en het vijfde lid hangt samen met de werkkostenregeling, in samenhang met het – in het kader van de motie Jurgens c.s. – naar de wet overhevelen van de thans nog in artikel 10f van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 opgenomen regeling. Op grond van de laatstgenoemde bepaling is het mogelijk om de in een kalenderjaar verstrekte reiskostenvergoedingen ter zake van vervoer, waaronder woon-werkverkeer, te salderen ingeval dat vervoer niet plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip, of ter beschikking gesteld vervoermiddel en een deel van de reiskostenvergoedingen lager is dan € 0,19 per kilometer en een deel van die vergoedingen juist hoger dan € 0,19 is. Hiertoe is thans bepaald dat alleen het gedeelte van de reiskostenvergoedingen dat het aantal voor vergoeding in aanmerking gekomen kilometers vermenigvuldigd met € 0,19 te boven gaat als loon wordt aangemerkt. Het tweede lid van artikel 10f van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 bepaalt dat het als loon in aanmerking te nemen bedrag (de overschrijding van de onbelaste reiskostenvergoeding) wordt geacht te behoren tot het loon van het volgende kalenderjaar en geacht wordt te zijn betaald op de laatste werkdag van januari van dat volgende kalenderjaar. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een (voor verschillende reiskilometers) in hoogte variërende reiskostenvergoeding, betekent deze regeling een aanzienlijke lastenverlichting voor de werkgever. Ingevolge het voorgestelde artikel 31a, zevende lid (nieuw), van de Wet LB 1964 blijft de mogelijkheid tot het salderen van in hoogte verschillende reiskostenvergoedingen ook onder de werkkostenregeling gelden. Om ervoor te zorgen dat de saldering per kalenderjaar (en niet per tijdvak) mogelijk is en om de hiervoor genoemde bepaling niet ruimer te laten uitwerken dan noodzakelijk is, wordt daarbij het volgende geregeld:

  • Het bovenmatige gedeelte van de reiskostenvergoeding (dat wil zeggen het gedeelte boven € 0,19 per kilometer) wordt geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar (in plaats van in het desbetreffende loontijdvak); deze fictie is nodig om de gedurende het kalenderjaar (in verschillende loontijdvakken) verstrekte vergoedingen te kunnen salderen en de inhoudingsplichtige bij overschrijding van de maximale gericht vrijgestelde vergoeding (van € 0,19 per zakelijke kilometer) bij het einde van het kalenderjaar de mogelijkheid te bieden om op dat moment ervoor te kiezen om het meerdere tot het loon te rekenen dat bij de werknemer wordt belast of om ook dat meerdere aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel en zodoende eventueel (bij overschrijding van het forfait van 1,4%) de belastingheffing voor zijn rekening te nemen. Eventuele andersluidende arbeidsrechtelijke afspraken staan in fiscaal opzicht niet in de weg aan de keuze van de werkgever. Voor de vraag of sprake is van individueel loon of eindheffingsloon is de keuze van de werkgever doorslaggevend.

  • De fictie dat een deel van de reiskostenvergoeding bij het einde van het kalenderjaar geacht wordt te zijn genoten, geldt niet voor het gedeelte van de reiskostenvergoeding dat de werkelijke kosten van het vervoer te boven gaat. Dit dient ertoe oneigenlijk gebruik van de fictie te voorkomen door bepaalde vergoedingen als reiskostenvergoeding te etiketteren teneinde het genietingsmoment op te schuiven naar een later moment.

  • De eventuele overschrijding van de maximale gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding, ongeacht of de loonbelasting daarover ten laste komt van de werknemer of dat de werkgever die overschrijding als eindheffingsbestanddeel heeft aangewezen, wordt – zoals hiervoor is aangegeven – geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar, en niet over de jaargrens heen getild, zoals onder de regeling van artikel 10f van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wel het geval is. Indien het meerdere namelijk wel tot het loon van het volgende jaar zou behoren, zou de heffing bij toepassing van artikel 31a, vijfde lid, van de Wet LB 1964 onder omstandigheden in totaal bijna twee jaar kunnen worden uitgesteld.

  • Aan het slot van artikel 13a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964 wordt als voorwaarde voor de toepassing van de fictie gesteld dat ook reiskostenvergoedingen worden verstrekt die zijn berekend naar een bedrag van minder dan € 0,19 per kilometer. Indien immers geen «ondermatige» reisvergoedingen worden verstrekt is saldering niet mogelijk binnen de grenzen van de gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding en kan direct voor het bovenmatige gedeelte worden bepaald of dit wel of niet als eindheffingsbestanddeel wordt aangewezen. Om die reden hoeft in dat geval geen verschuiving van het genietingsmoment plaats te vinden.

  • De fictie is wel van toepassing op een reiskostenvergoeding voor vervoer per openbaar vervoer, maar niet ingeval deze vergoeding is vastgesteld op basis van de werkelijke kosten. In dat geval is immers het berekende bedrag reeds in zijn geheel gericht vrijgesteld en is saldering niet aan de orde. Dit wordt in het vijfde lid (nieuw) bepaald.

Door de bovengenoemde (aanvullende) voorwaarden wordt het fictieve genietingsmoment van de bovenmatige reiskostenvergoeding (namelijk bij het einde van het kalenderjaar) beperkt tot de gevallen waarin saldering wenselijk en mogelijk is aan het einde van het kalenderjaar, om de gerichte vrijstelling voor reiskostenvergoedingen optimaal te benutten.

Artikel III, onderdelen Ca en La (artikelen 19b en 38j van de Wet op de loonbelasting 1964)

De wijzigingen van de artikelen 19b en 38j van de Wet LB 1964 zijn van onderhoudstechnische aard. Zij houden verband met de ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 gerealiseerde uitbreiding van toegelaten pensioenverzekeraars met in het buitenland gevestigde eigen-beheerlichamen als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB 1964.

Artikel III onderdeel Da (artikel 23 van de Wet op de loonbelasting 1964)

In het in artikel III, onderdeel Da, onder 1, opgenomen artikel 23, eerste lid (nieuw), van de Wet LB 1964, wordt de bepaling overgenomen die thans in artikel 65, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (URLB 2001) is opgenomen. In dit lid wordt bepaald dat de heffingskorting voor de loonbelasting slechts wordt toegepast indien daartoe een schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige wordt gedaan. Inhoudelijk is de bepaling (behoudens een redactionele aanpassing) ongewijzigd gebleven, maar omdat de bepaling wat plaats en inhoud betreft meer op zijn plaats is in de wet, wordt deze verplaatst.

Ook de van de in artikel 23, eerste lid (nieuw), van de Wet LB 1964 opgenomen hoofdregel afwijkende bepalingen uit de URLB 2001 die zien op het al dan niet van toepassing zijn van de heffingskorting voor de loonbelasting in specifieke situaties worden overgeheveld naar de wet, namelijk naar artikel 23, derde lid (nieuw), van de Wet LB 1964. De bepalingen die in dat lid worden opgenomen staan thans in de artikelen 76, 78 en 79 van de URLB 2001. Met betrekking tot de in artikel 23, derde lid, onderdeel a (nieuw), van de Wet LB 1964 benoemde categorieën loon wordt belasting ingehouden met toepassing van de heffingskorting voor de loonbelasting, waarbij de in dat onderdeel, onder 2°, aangewezen werknemers (die loon ontvangen in de vorm van AOW-uitkeringen of in pensioenuitkeringen begrepen AOW-uitkeringen) de mogelijkheid hebben om een verzoek te doen om de heffingskorting voor de loonbelasting niet toe te passen. Dit kan bijvoorbeeld wenselijk zijn indien deze 65-plusser zijn heffingskorting reeds te gelde maakt met betrekking tot een andere inkomensbron.

Anderzijds wordt de belasting met betrekking tot de in artikel 23, derde lid, onderdeel b (nieuw), van de Wet LB 1964 benoemde categorieën ingehouden zonder toepassing van de heffingskorting voor de loonbelasting.

Voor de voorheen in artikel 79, eerste lid, onderdelen b en c, van de URLB 2001 opgenomen categorieën inkomen geldt voor wat betreft de toepasselijkheid van de heffingskorting voor de loonbelasting de hoofdregel: de heffingskorting voor de loonbelasting wordt niet toegepast, tenzij daartoe een schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige wordt gedaan. Om deze reden worden deze categorieën niet afzonderlijk in artikel 23, derde lid (nieuw), van de Wet LB 1964 opgenomen als afwijking van de hoofdregel.

In verband met de invoeging van artikel 23, eerste lid (nieuw), van de Wet LB 1964 wordt in het vierde lid (nieuw) de verwijzing naar het tweede lid (nieuw) uitgebreid naar het eerste en het tweede lid.

In artikel III, onderdeel Da, onder 4, wordt een lid aan artikel 23 van de Wet LB 1964 toegevoegd, waarin de bewaarplicht voor het in het eerste lid (nieuw) en het in het derde lid (nieuw) bedoelde verzoek wordt vastgesteld. Een voor wat betreft het eerste lid (nieuw) vergelijkbare bepaling is thans nog in artikel 65, derde lid, van de URLB 2001 opgenomen.

Artikel III, onderdeel H (artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel III, onderdeel H, onder 1, wordt naar aanleiding van in de praktijk levende vragen expliciet in de tekst van artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB 1964 – de bepaling dat voor zover sprake is van tegenwoordige arbeid de inhoudingsplichtige vergoedingen en verstrekkingen kan aanwijzen als onder de werkkostenregeling vallend eindheffingsbestanddeel – tot uitdrukking gebracht dat onder door de inhoudingsplichtige als eindheffingsbestanddelen aan te wijzen vergoedingen en verstrekkingen ook kunnen zijn begrepen door de inhoudingsplichtige als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen gedeelten van vergoedingen en verstrekkingen.

Met de formulering is bewerkstelligd dat een verwijzing naar een vergoeding of verstrekking als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, tevens een verwijzing naar een in dat onderdeel bedoeld gedeelte van een vergoeding of verstrekking omvat.

De in artikel III, onderdeel H, onder 2, opgenomen aanpassing van de verwijzing in artikel 31, vierde lid, van de Wet LB 1964 was – toen nog als enige wijziging van artikel 31 van de Wet LB 1964 – reeds opgenomen in het wetsvoorstel.

In artikel III, onderdeel H, onder 3, wordt naar aanleiding van in de praktijk levende vragen expliciet in de tekst van artikel 31, vierde lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964 – de bepaling dat een vergoeding of verstrekking ter zake of in de vorm van een woning niet als eindheffingsbestanddeel aangewezen kan worden – een tweetal beperkingen opgenomen.

In de eerste plaats wordt het mogelijk gemaakt dat een vergoeding of verstrekking ter zake of in de vorm van (het beschikken over) een woning als eindheffingsbestanddeel wordt aangewezen, voor zover het voordeel toerekenbaar is aan buitengewone beveiligingsmaatregelen. Deze bepaling is vergelijkbaar met de bepaling ter zake van het privégebruik auto, die is opgenomen in artikel 31, vierde lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964, zoals dat per 1 januari 2011 komt te luiden.

In de tweede plaats wordt het mogelijk gemaakt om een vergoeding of verstrekking ter zake of in de vorm van huisvesting buiten de woonplaats in het kader van de dienstbetrekking (ook wel pied-a-terre genoemd) aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel. Bij dergelijke dubbele huisvesting heeft het ervaren voordeel een geringere omvang dan bij enkelvoudige huisvesting.

In artikel III, onderdeel H, onder 4, wordt een verwijzing in artikel 31, negende lid, van de Wet LB 1964 naar de in het eerste en tweede lid van dat artikel bedoelde ministeriële regelingen aangepast, nu door de wijziging van het eerste en tweede lid in verband met de werkkostenregeling enkel nog in het eerste lid een aantal delegaties naar ministeriële regelingen is opgenomen.

Artikel III, onderdeel I (artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel III, onderdeel I, onder 1, wordt ter verduidelijking in artikel 31a, tweede lid, aanhef, van de Wet LB 1964 opgenomen dat het bij de vergoedingen en verstrekkingen die gericht zijn vrijgesteld, dat wil zeggen in aftrek komen op de grondslag voor de eindheffing over de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet LB 1964, moet gaan om vergoedingen en verstrekkingen die zelf ook vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet LB 1964 zijn.

In artikel III, onderdeel I, onder 2, wordt «openbaar vervoer» uit de in artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet LB 1964 opgenomen opsomming weggenomen.

Vervolgens wordt in artikel III, onderdeel I, onder 3, een subonderdeel ingevoegd in artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964, betrekking hebbend op een vergoeding voor vervoer in het kader van de dienstbetrekking, per openbaar vervoer (anders dan vervoer vanwege de inhoudingsplichtige), voor zover de vergoeding hoger is dan € 0,19 en is vastgesteld op basis van de werkelijke kosten.

Ingevolge artikel III, onderdeel I, onder 4, ziet het derde subonderdeel (nieuw) op alle overige situaties.

Met de bovengenoemde wijzigingen wordt het onderscheid tussen het bereik van de verschillende subonderdelen verduidelijkt; daarnaast hangen deze wijzigingen deels samen met de hierna toegelichte salderingsregeling van artikel 31a, zevende lid (nieuw), van de Wet LB 1964. Een door de inhoudingsplichtige als eindheffingsbestanddeel aangewezen reiskostenvergoeding voor vervoer per taxi, luchtvaartuig, schip of vanwege de werkgever is gericht vrijgesteld tot de werkelijke kosten. Bij vervoer vanwege de werkgever kan geen gericht vrijgestelde vergoeding worden verstrekt, om te voorkomen dat zowel vervoer als een reiskostenvergoeding gericht vrijgesteld wordt verstrekt. Thans is een vergoeding of verstrekking ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking per openbaar vervoer vrijgesteld tot € 0,19 per kilometer (artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964) dan wel – naar keuze van de inhoudingsplichtige – tot de werkelijke kosten (artikel 16a van de Wet LB 1964). Door de opgenomen wijzigingen wordt onder de werkkostenregeling dezelfde situatie bewerkstelligd: een door de inhoudingsplichtige als eindheffingsbestanddeel aangewezen vergoeding voor reizen per openbaar vervoer is gericht vrijgesteld tot de werkelijke kosten (op grond van subonderdeel 2°) of (indien de kosten niet hoger zijn dan € 0,19 per kilometer of indien de inhoudingsplichtige de vergoeding niet op de werkelijke kosten wil baseren) tot € 0,19 per kilometer (op grond van subonderdeel 3°). Alle overige door de inhoudingsplichtige als eindheffingsbestanddeel aangewezen vergoedingen ter zake van vervoer, zoals een kilometervergoeding voor iemand die met de auto, lopend of met de fiets naar het werk gaat, zijn gericht vrijgesteld tot € 0,19 per kilometer.

Ingevolge de in artikel III, onderdeel I, onder 5, opgenomen wijziging van artikel 31a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964 wordt de gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten aangevuld met maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter. Deze bepaling maakt het mogelijk om ook maaltijden tijdens overwerk of op koopavond onbelast te verstrekken of vergoeden. Als de werknemer door zijn werk ’s avonds niet op de gewone tijd (tussen 17.00 en 20.00 uur) thuis kan eten, is in elk geval sprake van een meer dan bijkomstig zakelijke maaltijd 6 Ook maaltijden tijdens dienstreizen, tijdens zakelijke besprekingen met klanten buiten de vaste werkplek of tijdens werkzaamheden op niet permanente locaties vallen onder de gerichte vrijstelling7.

De in artikel III, onderdeel I, onder 6 en 7, opgenomen wijzigingen van artikel 31a, derde en vijfde lid, van de Wet LB 1964 waren reeds opgenomen in het voorstel van wet.

In het in artikel III, onderdeel I, onder 8, opgenomen artikel 31a, zesde lid, van de Wet LB 1964 wordt nader bepaald wat voor de toepassing van het tweede lid van dat artikel onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige dient te worden verstaan. De definitie komt overeen met de thans in artikel 17a, tweede lid, van de Wet LB 1964 opgenomen definitie.

In het in artikel III, onderdeel I, onder 8, opgenomen artikel 31a, zevende lid, van de Wet LB 1964 wordt bepaald dat variabele reiskostenvergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, op andere wijze dan per taxi, luchtvaartuig of schip en niet zijnde vervoer vanwege de werkgever, gesaldeerd mogen worden. Dit wordt bewerkstelligd door middel van de fictie dat de in artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet LB 1964 bedoelde reiskostenvergoedingen geacht worden niet hoger te zijn dan € 0,19 per kilometer voor zover die vergoedingen in totaal niet meer bedragen dan het aantal zakelijk afgelegde kilometers vermenigvuldigd met € 0,19. Worden bijvoorbeeld 1 000 zakelijke kilometers vergoed tegen € 0,10 en 1 000 andere kilometers tegen € 0,30, dan worden de vergoedingen (van in totaal € 400) tot € 380, zijnde 2000 * € 0,19, geacht niet hoger te zijn dan € 0,19 per kilometer. Door deze bepaling kunnen de «bovenmatig» vergoede kilometers deels worden gesaldeerd met de laag vergoede kilometers (tegen € 0,10 per kilometer) en valt slechts € 20 buiten de gerichte vrijstelling in plaats van € 110, zijnde 1 000 * (€ 0,30 -/- € 0,19). De gerichte vrijstelling wordt op deze manier voor alle kilometers optimaal benut. Een vergelijkbare regeling is thans opgenomen in artikel 10f van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, met dien verstande dat de in artikel 13a, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid, en artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van Wet LB 1964 op te nemen regeling ten opzichte van de hiervoor genoemde regeling is aangepast aan de werkkostenregeling die per 1 januari 2011 wordt ingevoerd. In samenhang met deze aanpassing van artikel 31a van de Wet LB 1964 wordt, zoals hiervoor is toegelicht, ook artikel 13a van die wet aangepast.

Het in artikel III, onderdeel I, onder 8, opgenomen artikel 31a, achtste lid, van de Wet LB 1964 was reeds (als zesde lid) opgenomen in het voorstel van wet.

Artikel III, onderdeel Ia (artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964)

Per 1 januari 2008 is artikel 3 124 van de Wet IB 2001 opgedeeld in onderdelen. De verwijzing in artikel 32, eerste lid, van de Wet LB 1964 naar genoemd artikel 3 124 is destijds abusievelijk niet aangepast. Deze omissie wordt hierbij hersteld. Tevens worden daarbij nog enkele redactionele wijzigingen aangebracht.

Artikel III, onderdeel Ib (artikel 32a van de Wet op de loonbelasting 1964)

In verband met de wijzigingen in artikel 31 van de Wet LB 1964 in verband met de werkkostenregeling wordt de verwijzing in artikel 32a, eerste en tweede lid, van de Wet LB 1964 naar artikel 31, derde en vierde lid, gewijzigd in een verwijzing naar artikel 31, derde lid.

Artikel III, onderdeel M (artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964)

Ingevolge de wijziging van het in artikel III, onderdeel M, onder 1, opgenomen artikel 39c, eerste lid, van de Wet LB 1964 blijven ingeval een inhoudingsplichtige ervoor kiest het keuzeregime toe te passen, ook artikel 13a en artikel 32a van de Wet LB 1964 zoals deze per 31 december 2010 luidden, van toepassing. Deze aanpassing hangt samen met de in deze nota van wijziging opgenomen wijziging van artikel 13a en artikel 32a van de Wet LB 1964.

In het in onderdeel M, onder 3, opgenomen artikel 39c, derde lid, van de Wet LB 1964 wordt bepaald dat niet alleen de bedragen in de in dat lid opgesomde artikelen worden geïndexeerd voor zover dat thans het geval was, maar ook de in die artikelen genoemde percentages.

Onderdeel 3

Artikel IIIA (artikel 3 van de Wet op de loonbelasting 1964)

Ingevolge het amendement Weekers en Van Vroonhoven-Kok8 wordt aan artikel 2:132 Burgerlijk Wetboek (BW) een bepaling toegevoegd waardoor de rechtsverhouding tussen de bestuurder van een beursgenoteerde vennootschap en die vennootschap niet langer wordt aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Zie ook het algemeen deel van deze nota van wijziging. Nu artikel 1 van de Wet LB 1964, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van die wet, betreffende de belastingplicht voor de loonbelasting, verwijst naar de arbeidsovereenkomst uit het BW, raakt dit de fiscale positie van statutaire bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen. Met onderhavige wijziging wordt beoogd de huidige fiscale positie van de desbetreffende bestuurders in de loon- en inkomstenbelasting te continueren. Dat wordt bewerkstelligd door in artikel 3, eerste lid, van de Wet LB 1964 een fictieve dienstbetrekking voor de desbetreffende bestuurders van beursvennootschappen op te nemen. De fictie ziet – overeenkomstig het bereik van het amendement Weekers en Van Vroonhoven-Kok – alleen op bestuurders van vennootschappen als bedoeld in artikel 2:132, derde lid, BW.

Aangezien het wetsvoorstel waarvan het amendement onderdeel uitmaakt, ten tijde van het indienen van het onderhavige wetsvoorstel nog aanhangig is in de Eerste Kamer, wordt de inwerkingtreding van deze wijziging gekoppeld aan het tijdstip waarop de desbetreffende bepaling van dat wetsvoorstel in werking treedt.

Onderdeel 4

Artikel VI, onderdeel Aa (artikel 21 van de Successiewet 1956)

Per abuis is bij de wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564) de laatste volzin van artikel 21, tiende lid, van de Successiewet 1956 (tot 1 januari 2010 opgenomen in artikel 21, negende lid, van de Successiewet 1956) per 1 januari 2010 komen te vervallen.9 Deze volzin bepaalde dat opvolgende vruchtgebruiken of periodieke uitkeringen worden meegenomen bij de waardering van een bezwaard goed. Door het verdwijnen van de laatste volzin van het tot en met 31 december 2009 geldende artikel 21, negende lid, van de Successiewet 1956 zou bij het waarderen van een met opvolgende vruchtgebruiken of periodieke uitkeringen bezwaard goed als gevolg van artikel 53 van de Successiewet 1956 in eerste instantie alleen rekening worden gehouden met het eerste vruchtgebruik. Dit leidt in ieder geval in eerste instantie tot een hogere waardering van de blote eigendom en leidt bovendien tot extra administratieve lasten als bij het vervullen van de opschortende voorwaarde de oorspronkelijk geheven schenk- of erfbelasting moet worden herrekend. Het vervallen van deze volzin was nooit beoogd en zou in het nadeel van de belastingplichtige kunnen werken. Daarom wordt voorgesteld deze volzin alsnog weer op te nemen en deze reparatie terug te laten werken tot en met 1 januari 2010. Daarbij is de tekst gemoderniseerd en aangepast aan de eerste volzin van artikel 21, tiende lid, van de Successiewet 1956.

Artikel VI, onderdeel C (artikel 35a van de Successiewet 1956)

Op dit moment verwijst artikel 35a, eerste lid, van de Successiewet 1956 abusievelijk naar bepalingen die zijn vervallen per 1 januari 2010 of geen inflatiecorrectie meer behoeven. Bij de wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564) zijn met ingang van 1 januari 2010 de bepalingen van artikel 32, eerste lid, onderdelen 6° en 7°, van de Successiewet 1956 vervallen, is artikel 32, vierde lid, van de Successiewet 1956, dat geen bedragen bevat die een inflatiecorrectie behoeven, vernummerd tot derde lid en bestaat artikel 33 van de Successiewet 1956 niet meer uit leden. Hierbij is verzuimd om artikel 35a van de Successiewet 1956 met de gewijzigde artikelen in overeenstemming te brengen. Dit heeft tot op heden geen gevolgen gehad, omdat de indexering op grond van artikel XII, eerste lid, onderdeel a, van de hiervoor genoemde wijzigingswet heeft plaatsgevonden voordat de hiervoor genoemde wijzigingen in de artikelen 32 en 33 van de Successiewet 1956 zijn aangebracht. Met de voorgestelde wijziging wordt artikel 35a van de Successiewet 1956 in overeenstemming gebracht met de doorgevoerde wijzigingen in artikel 32 en 33 van de Successiewet 1956. Hierbij is verder geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Onderdeel 5

Artikel X, onderdeel A (artikel 2 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)

Met de wijziging van artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt beoogd geen eventuele onduidelijkheid te laten bestaan over het feit dat onder de verkrijging van economische eigendom ook de situatie wordt verstaan dat er in economische zin een beperkt recht op een onroerende zaak wordt verkregen, terwijl dat beperkte recht nog niet juridisch is gevestigd. Bij een dergelijke verkrijging wordt geheven over de waarde van het beperkte recht vermeerderd met de canon, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

Onderdeel 6

Artikel XA, onderdeel A (artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

In dit onderdeel wordt ter verduidelijking aan de in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM 1992) opgenomen definitie van het begrip bestelauto toegevoegd, dat dit motorrijtuigen betreft met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3 500 kg. Boven dit gewicht is – bij gelijke inrichting – sprake van een vrachtauto.

Artikel XA, onderdeel B (artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Het bestaande artikel 9, twaalfde lid, van de Wet BPM 1992 definieert via een verwijzing naar twee Europese richtlijnen welke personenauto’s zijn uitgesloten van het CO2-afhankelijke tarief. Hierbij wordt aangesloten bij de Europese CO2-normering, die uitsluitend geldt voor personenauto’s, met uitzondering van bepaalde voertuigen voor speciale doeleinden. In artikel X, onderdeel B, wordt artikel 9, twaalfde lid, geactualiseerd in verband met de vervanging van richtlijn 70/156/EEG door richtlijn 2007/46/EG. Daarbij wordt verduidelijkt dat de bepaling alleen ziet op personenauto’s.

Artikel XA, onderdeel C (artikel 13a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Wanneer binnen vijf jaar na eerste registratie niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling van BPM voor een bestelauto van een ondernemer, is ingevolge artikel 13a, derde lid, van de Wet BPM 1992 alsnog een gedeelte van de belasting waarvan vrijstelling is verleend, als belasting verschuldigd. Een bijzondere vorm van niet langer voldoen aan de voorwaarden van de vrijstelling is het ombouwen van de bestelauto tot personenauto. Anders dan in het derde lid, wordt in het vijfde lid van artikel 13a van de Wet BPM 1992 voor die situatie voorzien in een nieuw belastbaar feit, waarbij bovendien geen termijn wordt gesteld. Ook bij ombouw tot personenauto nadat sinds de registratie vijf jaar zijn verstreken, is dus sprake van een belastbaar feit. Bij de formulering van het vijfde lid is destijds niet expliciet aangegeven dat deze bepaling geldt in afwijking van de meer algemene regeling in het derde lid. Volledigheidshalve wordt in het onderhavige artikel XA, onderdeel C, artikel 13a, vijfde lid, van de Wet BPM 1992 op dit punt aangevuld.

Artikel XB, onderdeel A (artikel 2 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)

In artikel 2, onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB 1994) wordt verwezen naar Richtlijn1999/62/EG. Deze richtlijn is sinds de eerste publicatie verschillende malen gewijzigd. Naast twee aanpassingen in verband met de toetreding van nieuwe lidstaten betreft dit een meer inhoudelijke aanpassing bij richtlijn 2006/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 (PbEU L 157). De verwijzing naar – uitsluitend – het oorspronkelijke publicatienummer wordt gezien het voorgaande geschrapt.

Artikel XB, onderdeel B (artikel 25a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)

In dit onderdeel wordt de opsomming van de verschillende milieuklassen voor vrachtauto’s, opgenomen in artikel 25a, derde lid, van de Wet MRB 1994, aangevuld met de categorieën EURO V-voertuig en EEV-voertuig. Voor de definiëring verwijst deze bepaling naar richtlijn 1999/62/EG van 17 juni 1999, die bij richtlijn 2006/46/EG van 17 mei 2006 is aangevuld met deze (hogere) milieuklassen. De aanpassing heeft geen fiscale gevolgen, omdat het MRB-tarief voor vrachtauto’s vanaf Euronorm III niet is gedifferentieerd. In artikel 25a, derde lid, van de Wet MRB 1994 wordt voorts de expliciete vermelding van de uitbreiding tot lichtere vrachtauto’s van 3,5 tot 12 ton geschrapt, nu richtlijn 1999/62/EG bij bedoelde wijziging zelf al is uitgebreid tot deze lagere gewichtsklasse.

Artikel XB, onderdeel C (artikel 30 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)

In artikel 30 van de Wet MRB 1994 is geregeld dat voor bepaalde categorieën bijzondere motorrijtuigen onder voorwaarden een kwart van het normale tarief verschuldigd is. Gezien de plaatsing in hoofdstuk II van de Wet MRB 1994 geldt deze bepaling voor personenauto’s, bestelauto’s, motorrijwielen en vrachtauto’s. Medio 2008 is de mogelijkheid van toepassing van het kwarttarief geschrapt voor een aantal categorieën bijzondere motorrijtuigen, waaronder het kwarttarief voor reservevoertuigen.10 De resterende categorieën zien op motorrijtuigen voor het vervoer van kermis- en circusbenodigdheden, motorrijtuigen waarvan de laadruimte is ingericht als werkplaats en motorrijtuigen voor het vervoer van paarden. Daarmee heeft artikel 30 van de Wet MRB 1994 voor motorrijwielen zijn belang verloren. Houders van motorrijwielen maken dan ook geen gebruik meer van deze regeling. Ingevolge de onderhavige wijziging wordt artikel 30 van de Wet MRB 1994 daarom beperkt tot personenauto’s, bestelauto’s en vrachtauto’s.

Artikel XB, onderdeel D (artikel 70 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)

In de artikelen 37, 52 en 77 van de Wet MRB 1994 wordt, voor verschillende situaties dat de belasting niet of gedeeltelijk niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, rechtstreeks verwezen naar de verzuimboetebepaling opgenomen in artikel 67c van de AWR. In artikel XB, onderdeel D, wordt de tekst van de vergelijkbare, maar anders geformuleerde boetebepaling in artikel 70 van de Wet MRB 1994 overeenkomstig aangepast.

Artikel XC, onderdeel A (artikel 22 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

In artikel 22, eerste lid, onderdeel d, van de Wbm is bepaald wat wordt verstaan onder het begrip baggerspecie. De begripsbepaling bestaat uit twee delen: 1. de definitie van het begrip baggerspecie, en 2. een uitbreiding van die definitie waardoor in de Wbm ook sediment en het residu van de reiniging van baggerspecie onder het begrip baggerspecie vallen. Het eerste deel blijkt af te wijken van de definitie van het begrip baggerspecie in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Dit is niet de bedoeling, daarom wordt in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, van de Wbm de definitie overgenomen van het begrip baggerspecie die is opgenomen in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Deze wijziging is technisch van aard, er zijn geen inhoudelijke wijzigingen mee beoogd.

Artikel XC, onderdelen B en C (artikelen 82 en 85 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Artikel XC, onderdelen B en C, bewerkstelligt dat artikel 82, eerste lid, onderdeel b, en artikel 85, onderdeel b, van de Wbm worden gepreciseerd. In deze onderdelen wordt geregeld dat de verpakkingenbelasting wordt geheven ter zake van de verpakking van producten, ingeval de importeur van de verpakte producten zich van die verpakking ontdoet en dat de belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de importeur zich van de verpakking ontdoet. In de praktijk is gebleken dat in een aanzienlijk aantal gevallen verpakkingen van geïmporteerde producten worden verwijderd door andere ondernemers dan de importeur van de goederen. Daarbij kan worden gedacht aan ondernemers die (al dan niet) in opdracht van de importeur verpakkingen verwijderen van producten en deze (al dan niet) weer verpakt ter beschikking stellen aan de importeur. De vraag kan worden gesteld of met de huidige tekst in die gevallen aan heffing kan worden toegekomen. Onderhavige wijziging van artikel 82, eerste lid, onderdeel b, en artikel 85, onderdeel b, van de Wbm strekt er toe buiten twijfel te stellen dat deze stromen van verpakkingen in de heffing worden betrokken.

Artikel XC, onderdeel D (artikel 88b van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Artikel XC, onderdeel D, voegt een nieuw artikel 88b in in de Wbm. Dit nieuwe artikel 88b voorziet in een delegatiegrondslag om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de heffing van de belasting van een vertegenwoordiger van een groep belastingplichtigen. Hiertoe is besloten naar aanleiding van het advies van de Raad van State bij het besluit van 23 december 2009 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten en enkele andere besluiten, Stb. 615. Via dit zogenoemde verzamelbesluit is in het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag een hoofdstuk opgenomen met bepalingen inzake de verpakkingenbelasting. Het betreft uitwerking van afspraken die de Belastingdienst in de uitvoering heeft gemaakt met bepaalde groepen belastingplichtigen, in casu de sierteeltsector en groente- en fruitsector. Hierbij is geregeld dat in bepaalde gevallen de belastingplicht wordt verlegd en voorts dat bij aangifte al rekening mag worden gehouden met de exportstroom aan verpakkingen, waardoor binnen deze sectoren ook geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de exportvermindering. De Raad van State heeft opgemerkt dat de gebruikte delegatiegrondslag in artikel 88a niet toereikend is en om deze reden voorziet onderhavige wijziging in een specifieke wettelijke grondslag.

Een voorbeeld van een vertegenwoordiger van een groep belastingplichtigen kan een producentenorganisatie zijn. Producentenorganisaties zijn op basis van de huidige wettekst niet belastingplichtig. In sommige sectoren schrijven producentenorganisaties echter voor hoe producten verpakt dienen te worden en worden deze verpakkingsmaterialen al door de producentenorganisaties ingekocht en geleverd aan de leden. In dergelijke gevallen waarbij een ander dan de belastingplichtige een beter inzicht heeft in de verpakkingen, ligt het voor de hand de vertegenwoordiger als belastingplichtige aan te merken. Voor de vertegenwoordiger is het administratief eenvoudiger aan de verplichtingen van de verpakkingenbelasting te voldoen. Vertegenwoordigers van een groep belastingplichtigen van wie de belasting wordt geheven worden vermeld in de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag.

Artikel XC, onderdeel E (artikel 89 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

De achtergronden van deze wijziging zijn toegelicht in het algemene deel van de toelichting. Dit artikel geeft de inspecteur de bevoegdheid om het tijdvak te bepalen waarin de verschuldigd geworden belasting op aangifte dient te worden voldaan. Het op verzoek door de inspecteur te bepalen tijdvak mag maximaal één kwartaal bedragen. De inspecteur beslist bij beschikking op het verzoek. De in het tijdvak verschuldigd geworden belasting dient vervolgens binnen één maand na het einde van het tijdvak op aangifte te worden voldaan.

Onderdeel 7

Artikel XII, onderdelen A en B (artikelen 4 en 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)

Op grond van onderdeel 7 wordt de tekst van artikel XII vervangen door een nieuwe tekst.

In onderdeel A van de nieuwe tekst van dat artikel is de reeds in het voorstel van wet opgenomen wijziging van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgenomen.

Onderdeel B bevat een wijziging van artikel 16 van de AWR en ziet op het volgende. De Wet IB 2001 kent aan de niet of weinig verdienende partner een zelfstandig recht toe op een individueel uit te betalen heffingskorting. Indien daarbij het maximale bedrag van de gecombineerde heffingskorting is overschreden, geldt op grond van artikel 16, zesde lid, van de AWR een afwijkende navorderingstermijn. Met ingang van 1 januari 2009 is ingevolge het Belastingplan 2008 het recht op een individueel uit te betalen heffingskorting voor inwoners van Nederland overgeheveld van het tweede lid van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 naar het eerste lid van dat artikel. De verwijzing in artikel 16, zesde lid, van de AWR wordt daarop met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 aangepast.

Onderdeel 8

Artikel XIIIA (artikel 33 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

De voorgestelde wijziging betreft het terugdraaien van een bij de Aanpassingswet vierde tranche Awb abusievelijk aangebrachte wijziging van een in artikel 33, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) opgenomen verwijzing.

Onderdeel 9

Artikel XV, onderdelen A en B (artikel 8 en 122k van de Wet financiering sociale verzekeringen)

Op grond van onderdeel 9 wordt de tekst van artikel XV vervangen door een nieuwe tekst.

In onderdeel A van de nieuwe tekst van dat artikel is de reeds in het voorstel van wet opgenomen wijziging van artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) opgenomen.

In onderdeel B is het nieuwe artikel 122k van de Wfsv opgenomen. Ingevolge de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 worden per 1 januari 2011 in de artikelen 10a.8 van de Wet IB 2001 en 39c van de Wet LB 1964 overgangsbepalingen opgenomen in verband met de wijzigingen per die datum van het regime voor vergoedingen en verstrekkingen in de Wet LB 1964. Hierbij is een termijn van drie jaar gegeven om de overstap naar het nieuwe regime – de werkkostenregeling – te vergemakkelijken en werkgevers de tijd te bieden voor aanpassingen in de bedrijfsvoering dan wel nadere afspraken met werknemers te maken. In die drie jaar kan een werkgever ervoor kiezen de werkkostenregeling voor dat jaar buiten toepassing te laten. Het keuzeregime vervalt per 1 januari 2014.

Ingeval de werkgever kiest voor het buiten toepassing laten van de werkkostenregeling blijven de thans geldende artikelen ter zake van vrije vergoedingen en verstrekkingen in de Wet LB 1964 gelden, met inbegrip van de toepasselijke regels in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 en de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. De inhoudingsplichtige kan gedurende de overgangsperiode deze keuze ieder jaar opnieuw maken en is derhalve niet gehouden de voor het ene jaar gemaakte keuze ook voor het volgende jaar te laten gelden. Een mutatis mutandis vergelijkbaar keuzeregime is in de Wet IB 2001 opgenomen voor belastingplichtigen die loon genieten uit een dienstbetrekking ter zake van welke dienstbetrekking de werkgever geen inhoudingsplichtige is in de zin van artikel 6 van de Wet LB 1964.

In verband met voornoemd keuzeregime wordt voorgesteld in de Wfsv in artikel 122k een overgangsbepaling op te nemen, waarmee wordt bewerkstelligd dat ingeval gebruik wordt gemaakt van het in de Wet LB 1964 en de Wet IB 2001 opgenomen keuzeregime, de desbetreffende bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn voor de premieheffing.

In het eerste lid is het overgangsrecht opgenomen met betrekking tot de premieheffing voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag.

Het tweede lid, onder 1°, bevat het overgangsrecht met betrekking tot de premieheffing voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding. Hieraan is – ten opzichte van de tot en met 31 december 2010 geldende tekst van artikel 8 van de Wfsv – het eindheffingsbestanddeel, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, van de Wet LB 1964, zoals dat geldt op 31 december 2010, toegevoegd. Het gaat hierbij om loon ter zake van een voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde bestelauto indien in verband met de aard van het werk die bestelauto doorlopend afwisselend gebruikt wordt door twee of meer werknemers en in verband daarmee bezwaarlijk is vast te stellen of en aan wie die bestelauto voor privé-doeleinden ter beschikking is gesteld. In die situatie is uitsluitend het in artikel 31, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, van de Wet LB 1964, zoals dat geldt op 31 december 2010, genoemde bedrag aan belasting verschuldigd en geen premieheffing. Met de toevoeging van de verwijzing naar deze bepaling aan artikel 122k van de Wfsv wordt dit met ingang van 1 januari 2011 alsnog in de wettekst tot uitdrukking gebracht.

In het tweede lid, onder 2°, is het overgangsrecht voor het loonbegrip met betrekking tot de premieheffing werknemersverzekeringen opgenomen. Ingeval gebruik wordt gemaakt van het keuzeregime, behoren voor de premieheffing niet tot het loon de desbetreffende eindheffingsbestanddelen zoals die gelden op 31 december 2010.

In het derde lid is bepaald dat artikel 122k vervalt op het moment waarop artikel 39c van de Wet LB 1964 (en daarmee het keuzeregime) vervalt. Op grond van artikel Vbis van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is dit per 1 januari 2014 het geval.

Onderdeel 10

Artikel XVA (artikel 7 van de Wet controle op rechtspersonen)

Bij de nog bij koninklijk besluit in werking te treden wet van 7 juli 2010 tot wijziging van onder meer Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet documentatie vennootschappen in verband met het vervallen van de verklaring van geen bezwaar en het verbeteren en uitbreiden van de controle op rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen (Stb. 280), wordt de citeertitel van de Wet documentatie vennootschappen gewijzigd in «Wet controle op rechtspersonen». Voorts wordt artikel 7 van die wet daarbij gewijzigd ter zake van het doorleveren van gegevens uit enkele bronnen ten aanzien waarvan een geheimhoudingsplicht geldt.

De Belastingdienst is een belangrijke handhavingsorganisatie en beschikt over informatie die relevant is voor het toezicht op rechtspersonen. Vanwege het bijzondere karakter van fiscale gegevens, vergt (door)levering van fiscale gegevens een wettelijke grondslag. Deze grondslag is opgenomen in het tweede lid van genoemd artikel 7 van de Wet controle op rechtspersonen. Abusievelijk wordt daarin echter alleen verwezen naar artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en niet naar de daarmee samenhangende geheimhoudingsverplichtingen zoals opgenomen in artikel 67, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel 10, eerste lid, van de Registratiewet 1970. Bij deze wordt die omissie hersteld.

De voorgestelde aanvulling van artikel 7 van de Wet controle op rechtspersonen treedt in werking nadat de hiervoor genoemde wet van 7 juli 2010 (Stb. 280) in werking is getreden. De inwerkingtreding van de laatstgenoemde wet vindt zoals hiervoor is aangegeven plaats bij koninklijk besluit.

Artikel XVB (hoofdstuk 2, artikel I, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)

In hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 is een vrijstelling opgenomen voor op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekeringen. Tot een waarde van maximaal € 123 428 worden dergelijke kapitaalverzekeringen niet als box 3-bezitting aangemerkt. In de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is geregeld dat bij partners een gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt vastgesteld en dat zij vervolgens in plaats van elk afzonderlijk vermogensbestanddeel van de rendementsgrondslag de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen kunnen verdelen. Als gevolg van die wijziging in toerekening van box 3-inkomen, is de toepassing van diverse vrijstellingen in box 3 vereenvoudigd. In lijn met die aanpassingen wordt voorgesteld ook in genoemd onderdeel AN een vereenvoudiging aan te brengen. Binnen de huidige systematiek kan in partnerschapsituaties op verzoek de vrijstelling van de ene partner worden verhoogd met het bedrag van de vrijstelling van de andere partner en bij de andere partner met eenzelfde bedrag worden verminderd tot nihil. Met deze aanpassing kan van een gezamenlijke vrijstelling van € 246 856 worden uitgegaan. Hiermee wordt eenzelfde uitkomst bereikt als op basis van de huidige tekst het geval is, echter zonder dat belastingplichtige en zijn partner bij de aangifte hiertoe een verzoek moeten indienen, hetgeen tot een vereenvoudiging van de regeling leidt. Voorgesteld wordt de wijziging met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010 in te voeren, zodat per 2010 voor alle met box 3 samenhangende vrijstellingen eenzelfde systematiek geldt en bij de aangifte 2010 geen afzonderlijke verzoeken tot overheveling van deze vrijstellingen meer nodig zijn.

Onderdeel 11

Artikel XXIVA

Met deze bepaling wordt geregeld dat de fiscale voorwaarden die aan een spaarloonregeling worden gesteld voor spaarloontegoeden die in de kalenderjaren 2006 tot en met 2009 zijn opgebouwd ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, met terugwerkende kracht tot en met 15 september 2010 worden gewijzigd. Op dit moment geldt ook voor de in de jaren 2006 tot en met 2009 opgebouwde spaarloontegoeden een wettelijke blokkeringsverplichting gedurende een termijn van ten minste vier jaar. Door de thans voorgestelde bepaling mogen de in de jaren 2006 tot en met 2009 opgebouwde tegoeden met ingang van 15 september 2010, zonder dat hieraan fiscale consequenties worden verbonden, iworden gedeblokkeerd en ter vrije beschikking worden gesteld aan de werknemer. Met deze bepaling wordt de bij beleidsbesluit2 gegeven goedkeuring gecodificeerd.

Onderdeel 12

Artikel XXV

Dit onderdeel bevat enkele aanvullingen op de inwerkingtredingsbepaling.

Ingevolge het derde lid (nieuw) werkt het in artikel XC, onderdeel D, opgenomen nieuwe artikel 88b van de Wbm, waarin wordt voorzien in een delegatiegrondslag voor het stellen van regels over afspraken met de sector over de heffing van de verpakkingenbelasting, terug tot en met 1 januari 2008. De terugwerkende kracht van deze delegatiegrondslag komt overeen met het tijdstip waarop de verpakkingenbelasting in de Wbm is opgenomen.

Voor een toelichting op de in het vierde lid (nieuw) opgenomen terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel 0A (artikel 2.14 van de Wet IB 2001) tot en met 1 januari 2009 wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op dat onderdeel. De in artikel XII, onderdeel B, opgenomen aanpassing van een verwijzing in artikel 16 van de AWR werkt op grond van het vierde lid (nieuw) eveneens terug tot en met 1 januari 2009. Dit is de datum waarop de verwijzing onjuist is geworden.

Het op grond van artikel XIIIA terugdraaien van de aanpassing van de verwijzing in artikel 33, tweede lid, van de Awir werkt als gevolg van het vijfde lid (nieuw) terug tot en met 1 juli 2009, de datum waarop die verkeerde verwijzing abusievelijk was aangepast.

De in artikel III, onderdelen Ca en La, opgenomen wijzigingen van de artikelen 19b en 38j van de Wet LB 1964 werken op grond van het zesde lid (nieuw) terug tot en met 15 september 2009. Dat is het tijdstip waarop in het buitenland gevestigde eigen-beheerlichamen als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB 1964 als pensioenverzekeraar zijn toegelaten.

Het terugdraaien van de abusievelijk vervallen volzin in artikel 21 van de Successiewet 1956 op grond van artikel VI, onderdeel Aa, werkt op grond van het gewijzigde tiende lid (nieuw) terug tot en met 1 januari 2010. Op die datum is deze volzin ten onrechte vervallen. De in artikel XVB opgenomen wijziging van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 werkt eveneens terug tot en met 1 januari 2010 zodat deze wijziging al in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 kan worden toegepast.

De blokkeringsverplichting voor de in de jaren 2006 tot en met 2009 opgebouwde spaarloontegoeden vervalt op grond van het twaalfde lid (nieuw) met terugwerkende kracht tot en met 15 september 2010.

De voorgestelde aanvulling in artikel XVA van artikel 7 van de Wet controle op rechtspersonen treedt op grond van het veertiende lid in werking na de inwerkingtreding van de wet van 7 juli 2010 tot wijziging van onder meer Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet documentatie vennootschappen in verband met het vervallen van de verklaring van geen bezwaar en het verbeteren en uitbreiden van de controle op rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen (Stb. 280). De laatstgenoemde wet treedt bij koninklijk besluit in werking.

De Minister van Financiën,

J. C. de Jager