Kamerstuk 31829-4

Wijziging van o.a. Leerplichtwet 1969 i.v.m. o.a. vereenvoudigen procedure voor verzuimmelding

Dossier: Wijziging van o.a. Leerplichtwet 1969 i.v.m. o.a. vereenvoudigen procedure voor verzuimmelding


nr. 4
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 14 november 2008 en het nader rapport d.d. 22 december 2008, aangeboden aan de Koningin door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 15 september 2008, no. 08.002640, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw M. van Bijsterveldt-Vliegenthart, mede namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met onder meer het vereenvoudigen van de procedure voor verzuimmelding, met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel voorziet in een uniforme procedure voor het melden van leerlingen die verzuimen via de Informatie Beheer Groep (IB Groep). Thans melden scholen en instellingen spijbelaars (relatief verzuim) rechtstreeks aan de gemeente waar de betrokken leerling woonachtig is. Nu gebleken is dat het melden op verschillende manieren gebeurt, en dat niet altijd of niet tijdig wordt gemeld, verplicht het voorstel scholen en instellingen de meldingen te doen bij de IB Groep. De IB Groep stuurt vervolgens de gegevens weer door naar de gemeenten.

De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over de context en effectiviteit van het voorstel, het ontbreken van een wettelijke grondslag en de ruime delegatiebepalingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 15 september 2008, nr. 08.002640, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 14 november 2008, nr. W05.08.0405/I, bied ik U hierbij aan.

De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal inhoudelijke opmerkingen. De Raad is van mening dat enige aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is. Daarnaast plaatst de Raad enkele redactionele kanttekeningen. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer nadat met zijn opmerkingen rekening is gehouden.

In het navolgende wordt puntsgewijs ingegaan op de opmerkingen van de Raad van State.

1. Context

Bestrijding van het voortijdig schoolverlaten is een van de speerpunten van het kabinet. De oorzaken van voortijdig schoolverlaten zijn divers en het tegengaan van dit verschijnsel gebeurt dan ook langs verschillende wegen; scholen, ouders en leerplichtambtenaren hebben ter zake een eerste verantwoordelijkheid. Volgens de toelichting maakt de voorgestelde meldprocedure een slagvaardige aanpak van het voortijdig schoolverlaten door gemeenten mogelijk.1

De Raad onderschrijft dat het voortijdig schoolverlaten een probleem is. Het wetsvoorstel beoogt echter slechts de meldprocedure te uniformeren en om zo bij te dragen aan de doelmatigheid van de procedure. Dat levert naar de mening van de Raad echter niet – per definitie – een effectieve bijdrage aan het oplossen van schooluitval door scholen, ouders en leerplichtambtenaren.

De Raad adviseert hier in de toelichting nader op in te gaan.

1. Context

De voorgestelde procedure voor verzuimmelding via één loket bij de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) leidt, anders dan de Raad meent, niet enkel tot uniformering van de meldprocedure, maar ook – en in samenhang daarmee – tot aanmerkelijke vereenvoudiging daarvan. Voor de scholen en instellingen wordt het melden eenvoudiger, omdat zij daarvoor steeds dezelfde procedure kunnen volgen, gericht aan hetzelfde adres, waarbij zij deels gebruik kunnen maken van gegevens die al bij dat adres (namelijk in het basisregister onderwijs) aanwezig zijn. Tevens vindt via de IB-Groep automatisch doorgeleiding naar de juiste woongemeente plaats. Gemeenten krijgen vervolgens de meldingen van relatief verzuim op uniforme wijze aangeleverd. Dit betekent voor beide partijen een vermindering van de aan de melding verbonden administratie, terwijl er meer eenduidige en complete meldingsinformatie beschikbaar komt. De Raad van State wordt toegegeven dat de aldus te realiseren wezenlijke verbetering van de informatie bij gemeenten over het relatief verzuim niet automatisch leidt tot vermindering van de schooluitval. Deze verbetering is echter wel een noodzakelijke voorwaarde voor een slagvaardiger aanpak van het relatief verzuim en daarmee uiteindelijk voor de preventie van de uitval. In de memorie van toelichting is op dit punt een passage toegevoegd.

2. Effectiviteit

Blijkens de memorie van toelichting is het doel van het wetsvoorstel het uniformeren van de informatieverstrekking over relatief verzuim en in- en uitschrijvingen tussen scholen en instellingen enerzijds en gemeenten anderzijds. Hierdoor worden gemeenten beter in staat gesteld adequaat in te spelen op (relatief) verzuim en uitschrijvingen en kan het voortijdig schoolverlaten beter worden aangepakt, aldus de toelichting.1

De wijze van melden is nu sterk verschillend, per school en per gemeente. Omdat veel scholen en instellingen verzuimgevallen aan een groot aantal gemeenten moeten melden, is de school per verzuimgeval genoodzaakt de melding aan te passen aan de eisen van de desbetreffende gemeente. De gemeenten ontvangen van hun kant op uiteenlopende manieren de meldingen van de scholen. De toelichting geeft aan dat dit voor zowel scholen als gemeenten een aanzienlijke administratieve last met zich brengt. Voorts komt uit twee recente onderzoeken het beeld naar voren van een gebrekkig meldgedrag van scholen; het melden van relatief verzuim door scholen aan gemeenten geschiedt niet altijd tijdig en volledig.2

Voorgesteld wordt om een digitaal loket in te richten bij de IB Groep. Dit loket verzamelt alle meldingen van scholen over relatief verzuim en stuurt deze meldingen vervolgens door naar de gemeenten. In de toelichting wordt gesteld dat deze extra schakel noodzakelijk is om de problemen van het gebrek aan uniformiteit en het gebrekkige meldgedrag op te lossen.2

De toelichting geeft echter geen antwoord op de vraag of deze problemen niet ook op een andere manier zouden kunnen worden opgelost, zonder inschakeling van de IB Groep als derde actor. Zo wijst de Raad op de initiatieven die in gang zijn gezet om de leerplichtfunctie te regionaliseren. Ook de staatssecretaris geeft in een brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 5 juni 2008 aan voorstander te zijn van regionalisering.1 Een effectieve en uniforme meldprocedure zou wellicht ook langs die weg kunnen worden georganiseerd. Een bijkomend voordeel van een regionale uitvoering is dat het contact tussen de scholen en gemeente gewaarborgd blijft.2

Voor wat betreft primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs wordt in de toelichting aangegeven dat de problemen bij het melden van relatief verzuim in mindere mate voor dit onderwijs gelden. Zo hebben de meeste basisscholen maar met één gemeente te maken, aldus de toelichting.3 Het is dan ook de vraag wat de meerwaarde is voor deze scholen van de tussenkomst van de IB Groep.

De Raad adviseert alsnog in te gaan op deze vragen.

2. Effectiviteit

In een brief aan de Tweede Kamer van 5 juni 2008 heb ik aangegeven voorstander te zijn van regionalisering van de leerplichtfunctie (Kamerstukken II 2007/08, 26 695, nr. 53).

Regionalisering en de uniforme meldprocedure voor relatief verzuim zie ik naast elkaar als maatregelen die onderdeel zijn van de aanpak van het bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Ook in een situatie waarin sprake zou zijn van een volledig geregionaliseerde leerplichtfunctie levert de meldprocedure via de IB-Groep een grote doelmatigheidswinst op. De voordelen van vereenvoudiging en uniformering zoals hierboven onder punt 1 uiteengezet, gelden immers ook dan.

Het digitale loket bij de IB-Groep dient uitsluitend voor de verzuimmelding en is niet bedoeld als volgsysteem tijdens de verdere behandeling van het verzuim. Het contact over de leerling/deelnemer en diens relatief verzuim verloopt na de melding, precies zoals dat nu gebeurt, rechtstreeks tussen de leerplichtambtenaar/rmc-functionaris en de school of instelling. De uniforme meldprocedure wijzigt dus niets in negatieve zin aan het contact tussen school of instelling en gemeente, maar ondersteunt juist een snel en adequaat contact.

Voor de sector primair onderwijs (po) en (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so) zijn de voordelen van de uniforme meldprocedure voor de scholen verhoudingsgewijs minder groot, omdat deze scholen, anders dan de scholen voor voortgezet onderwijs (vo) en de instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), in het algemeen met een beperkt aantal woongemeenten van leerlingen te maken hebben en dus op dit moment met minder uiteenlopende meldprocedures worden geconfronteerd. Ook hier geldt echter dat elke individuele melding door de facilitering van het digitale loket een kleinere administratieve inspanning vergt. Voor de leerplichtambtenaar van de gemeente is ook in deze sector het aangeleverd krijgen van de gegevens over relatief verzuim op uniforme wijze langs één route inzichtelijk en eenvoudig. De gebruiksvriendelijkheid van de uniforme meldprocedure wordt juist bereikt door gebruikmaking van de infrastructuur van de IB-Groep, die naar mijn mening ook voor het po en (v)so een beslissende meerwaarde heeft.

Overigens heb ik het voornemen om in het po en het (v)so, zoals eerder is gebeurd voor het vo en mbo, voorafgaand aan de invoering in die sector van de uniforme meldprocedure – dit gebeurt pas nadat de registratie in het basisregister onderwijs van de betrokken leerlingen is voltooid, naar verwachting niet vóór 2011 – een pilot uit te voeren, om ook daar tot de meest optimale organisatie van het digitale loket te komen.

Op dit laatste punt is in de memorie van toelichting een passage toegevoegd. Voor het overige hebben de opmerkingen van de Raad van State onder punt 2 mij geen aanleiding gegeven de memorie van toelichting aan te passen.

3. Wettelijke grondslag

Blijkens de toelichting is het streven om het wetsvoorstel met ingang van het schooljaar 2009–2010, dat wil zeggen per 1 augustus 2009, in werking te laten treden. Vooruitlopend hierop wordt in de loop van het schooljaar 2008–2009 het digitale loket bij de IB Groep gefaseerd landelijk ingevoerd.4 In een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 juli 2008 licht de staatssecretaris toe dat het in de rede ligt dat op 1 september 2009 alle VO-scholen, bve-instellingen en gemeenten op het digitale loket zijn aangesloten. «Dit betekent wel dat de uniforme meldprocedure aanvankelijk geen wettelijke grondslag heeft», aldus de staatssecretaris.1

De Raad merkt op dat op grond van dit wetsvoorstel bijzondere persoonsgegevens kunnen worden verwerkt. Zonder grondslag in de wet mogen ingevolge artikel 24 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) deze gegevens niet worden uitgewisseld. De Raad is dan ook van oordeel dat voorzien moet worden in een wettelijke grondslag voordat de uniforme meldprocedure gefaseerd wordt ingevoerd.

De Raad adviseert pas over te gaan op het aansluiten van de betrokkenen op het digitale loket nadat daarvoor een wettelijke grondslag is geschapen.

3. Wettelijke grondslag

De positieve uitkomst van de in de periode november 2007–april 2008 voor het vo en mbo uitgevoerde pilot met de uniforme meldprocedure heeft mij aanleiding gegeven om, vooruitlopend op inwerkingtreding van het wetsvoorstel, met ingang van 1 augustus 2008 te starten met de landelijke invoering van de uniforme meldprocedure via het digitale loket. Vanuit individuele scholen/instellingen en gemeenten en vanuit de onderwijskoepels, Ingrado en de VNG is een dringend beroep gedaan op het Ministerie van OCW om het melden van relatief verzuim door scholen/instellingen aan gemeenten op korte termijn beter mogelijk te maken. Ook de Tweede Kamer heeft een snelle invoering bij herhaling breed gesteund. Bij de keuze voor de start van de implementatie per 1 augustus 2008 is in aanmerking genomen dat gegevens over het relatief verzuim van een leerling/deelnemer persoonsgegevens zijn als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en dat ten aanzien van deze gegevens uitvoering dient te worden gegeven aan de algemene norm van artikel 6 van de Wbp, dat persoonsgegevens in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze worden verwerkt. De Raad van State merkt terecht op dat op grond van het wetsvoorstel bijzondere persoonsgegevens kunnen worden verwerkt en dat hiervoor, op grond van artikel 23, eerste lid, onder e, van de Wbp, een wettelijke grondslag nodig is. Ik realiseer mij ter dege dat de uniforme meldprocedure in de periode vooruitlopend op inwerkingtreding van het wetsvoorstel geen wettelijke grondslag heeft. Dit heb ik ook gemeld in mijn brief aan de Tweede Kamer van 9 juli 2008 (Kamerstukken II 2007/08, 26 695, nr. 55). De privacy-nadelen voor de betrokken leerlingen/deelnemers zijn mijns inziens echter beperkt en beheersbaar. Ten opzichte van de huidige situatie komen met de route via de IB-Groep niet meer of andere gegevens over de spijbelaar bij de gemeente terecht. Het enige wat verandert is de weg waarlangs deze gegevens voor de gemeente beschikbaar komen: niet rechtstreeks van de scholen/instellingen, maar via de IB-Groep. De beveiligingsmaatregelen van de IB-Groep zijn zodanig dat het risico van het «op straat belanden» van de persoonsgegevens vele malen minder is dan in de huidige situatie, waarin gegevens via de mail of op papier door scholen/instellingen aan gemeenten worden verstrekt. Daarnaast hebben scholen/instellingen via het digitale loket uitsluitend toegang tot de gegevens van de eigen leerlingen/deelnemers, en gemeenten alleen tot gegevens van de eigen inwoners over wie een verzuimmelding is ontvangen.

Gelet op enerzijds de verhoudingsgewijs geringe risico’s, vanuit privacy-oogpunt, voor de betrokken leerlingen/deelnemers en anderzijds het belang van snelle invoering van het digitale loket ter ondersteuning van de aanpak van het voortijdig schoolverlaten, en het brede draagvlak hiervoor, heb ik gekozen en kies ik nog steeds voor een zo snel mogelijke invoering van het digitale loket, derhalve in het studiejaar 2008–2009. Het advies van de Raad van State om pas over te gaan tot aansluiting op het digitale loket na inwerkingtreding van het wetsvoorstel neem ik dan ook niet over.

4. Verwerking bijzondere persoonsgegevens

Op grond van het wetsvoorstel kan de school informatie verstrekken over de achtergronden van het verzuim. Daarbij kan het gaan om bijzondere persoonsgegevens. Dit zijn persoonsgegevens die in de Wbp en de privacyrichtlijn2 bijzondere bescherming genieten. De grondslag voor verwerking van deze gegevens is artikel 23, eerste lid, aanhef en onder e, Wbp. Dit artikel regelt dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens slechts is toegestaan indien dat noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, mits passende waarborgen worden geboden en dit alles bij wet is bepaald.

In de toelichting wordt hierover opgemerkt dat het zwaarwegende belang te vinden is in de bestrijding van verzuim en voortijdig schoolverlaten. De passende waarborgen worden geboden door de zorgvuldige vormgeving van het meldingsregister relatief verzuim.1

De Raad meent dat de noodzaak van de verwerking van bijzondere persoonsgegevens met het oog op een zwaarwegend algemeen belang onvoldoende is aangetoond. Voor iedere verwerking van bijzondere persoonsgegevens dient naar het oordeel van de Raad aannemelijk te zijn dat dat noodzakelijk is met het oog op de bestrijding van verzuim en voortijdig schoolverlaten.2 Daar komt bij dat in de toelichting wordt gesteld dat verzuimachtergronden geen feiten betreffen die voor correctie vatbaar zijn, omdat het gaat om door de school gemaakte inschattingen.3 De Raad leidt hieruit af dat het meldingsregister onbewezen en soms onjuiste gegevens kan bevatten.

De Raad adviseert de toelichting in het licht van vorenstaande aan te vullen en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

4. Verwerking bijzondere persoonsgegevens

Ik deel het oordeel van de Raad van State dat voor iedere verwerking van bijzondere persoonsgegevens in het kader van de uniforme meldprocedure de noodzakelijkheid met het oog op de bestrijding van verzuim en voortijdig schoolverlaten aannemelijk dient te zijn. Anders dan de Raad ben ik van mening dat deze noodzaak ook voldoende is aangetoond. Voor gemeenten is de eenduidige en complete meldingsinformatie die beschikbaar komt via het digitale loket een noodzakelijke voorwaarde om adequaat het verzuim te kunnen aanpakken en preventief te kunnen optreden tegen voortijdig schoolverlaten. In overeenstemming met artikel 23, eerste lid, onder e, van de Wbp voorziet het wetsvoorstel in een uitdrukkelijke grondslag voor de verwerking van bijzondere persoonsgegeven in het kader van de uniforme meldprocedure, met een beperking tot uitsluitend die categorieën bijzondere persoonsgegevens die relevant zijn in het kader van de verzuimmelding: gegevens met betrekking tot godsdienst of levensovertuiging, gezondheid en – kort gezegd – strafrechtelijke persoonsgegevens. Eveneens in overeenstemming met de genoemde Wbp-bepaling is voorzien in passende waarborgen rond de inrichting van het verzuimregister. Helder is dat de door de school/instelling opgegeven reden van verzuim niet het karakter van een feitelijke vaststelling heeft: die gebeurt immers pas in het kader van het onderzoek door de leerplichtambtenaar/rmc-functionaris (zie ook onder 5b). Helder is dat het register een beperkte functionaliteit heeft: het is een register van meldingen en niet een centrale landelijke verzuimregistratie. De beperkte bewaartermijn van de meldingsgegevens is op een en ander afgestemd (gedurende het lopende studiejaar en het daarop volgende studiejaar). De opmerkingen van de Raad van State op dit punt geven mij dan ook geen aanleiding het wetsvoorstel of de memorie van toelichting aan te passen.

5. Delegatie

a. Op meerdere plaatsen in het wetsvoorstel wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de uitvoering van deze bepalingen. Deze regelgevende bevoegdheid verdraagt zich niet goed met het uitgangspunt dat elke delegatie van regelgevende bevoegdheid zo concreet en nauwkeurig mogelijk dient te worden begrensd.4

De Raad adviseert de artikelen zodanig aan te passen, dat duidelijk wordt welke concrete regels ter uitvoering van deze bepalingen bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld.

b. Het hoofd van de school moet onverwijld kennis geven van ongeoorloofd verzuim aan de IB Groep. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een nadere specificatie gegeven van de gegevens die de school aan het meldingsregister toevoegt.5 Volgens de toelichting wordt bij scholen thans gedacht aan de volgende gegevens: het vermoedelijke soort verzuim, de vermoedelijke reden, de begin- en einddatum en, indien de school aangeeft dat de gemeente actie behoeft te nemen, een toelichting daarop.6

De Raad is echter van mening dat het wetsvoorstel geen grondslag geeft voor de registratie van de vermoedelijke reden van verzuim noch van de vraag of de gemeente actie moet ondernemen; de bepaling spreekt slechts van kennisgeving van ongeoorloofd verzuim.

De Raad adviseert het artikel aan te passen.

5. Delegatie

a. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State over de bepalingen in het wetsvoorstel die het stellen van nadere regels bij algemene maatregel van bestuur mogelijk maken – de Raad acht deze bepalingen onvoldoende concreet of nauwkeurig begrensd – heb ik deze delegatiebepalingen nader ingekaderd. De delegatie is beperkt tot het – bij algemene maatregel van bestuur – kunnen stellen van nadere regels omtrent de wijze van de verstrekking van gegevens in het kader van het digitale loket door de school/instelling dan wel burgemeester en wethouders, en tot het geven van een nadere specificatie van die gegevens. Ook de toelichting is hierop aangepast.

b. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State is in het voorgestelde artikel 21a van de Lpw 1969 aan het eerste en tweede lid toegevoegd dat het hoofd van de school bij de kennisgeving van het verzuim zo mogelijk opgave doet van de reden die naar zijn oordeel ten grondslag ligt aan het verzuim. Aldus is buiten twijfel gesteld dat de wet een grondslag biedt voor het verstrekken van de reden van het verzuim in het kader van de kennisgeving. De toevoeging «zo mogelijk» is opgenomen, omdat het hoofd niet altijd zal weten wat de reden is van de ongeoorloofde afwezigheid. Met de woorden «naar het oordeel van» wordt uitgedrukt dat de reden van het verzuim die door het hoofd wordt opgegeven niet meer is dan een inschatting of beoordeling van zijn kant. Feitelijke vaststelling kan eerst plaatsvinden in het onderzoek door de leerplichtambtenaar. Het aangeven door het hoofd in de melding of al dan niet actie door de leerplichtambtenaar is gewenst betreft een optionele markering van de urgentie van de melding, die – pro-actief – is gericht op optimale inzet van tijd en middelen van de leerplichtambtenaar. Anders dan de Raad meen ik dat deze gegevensverstrekking al zonder een meer expliciete wettelijke basis is geoorloofd in de uitwisseling tussen het hoofd en de leerplichtambtenaar over een geval van relatief verzuim.

In de rmc-regelgeving is niet sprake van het begrip kennisgeving, maar van het begrip melding (artikel II, onderdeel G, artikel III, onderdeel C, artikel V, onderdeel C). Dit gebeurt door het doen van opgave van de gegevens van de betrokkene. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze – bij dit wetsvoorstel aan te passen – bepalingen (Kamerstukken II 1999/2000, 27 206, nr. 3, blz. 6) kan wat betreft het soort gegevens dat wordt opgegeven worden gedacht aan naam, adres, geboortedatum, klas, geslacht, etniciteit en aan gegevens die in directe relatie staan tot het voortijdig schoolverlaten (eerder verzuim van de leerling en door de school ondernomen pogingen om te voorkomen dat de leerling de school voortijdig verlaat). Mijns inziens biedt het begrip melding van relatief verzuim op grond van de rmc-regelgeving voldoende ruimte om als grondslag te kunnen dienen voor de gegevensverstrekking zoals voorzien in het digitale loket. Op dit punt acht ik aanpassing van het wetsvoorstel niet nodig.

6. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.

6. Redactionele kanttekeningen

De redactionele kanttekeningen van de Raad van State zijn overgenomen, met uitzondering van de kanttekeningen bij het eerste en tweede streepje.

Eerste streepje.

Artikel I, onderdeel E, vierde lid, artikel II, onderdeel G, derde lid, en artikel III, onderdeel C, derde lid, kunnen naar mijn oordeel niet worden gemist. Anders dan de Raad van State meent, vormen de daarop volgende leden mijns inziens niet een overlap met de genoemde bepalingen. Deze immers bevatten de verplichting voor de IB-Groep om burgemeester en wethouders van de woongemeente van de betrokken leerling/deelnemer onverwijld op de hoogte te brengen van een ontvangen verzuimmelding. De opvolgende leden bevatten telkens de grondslag voor de verstrekking door de IB-Groep aan zowel de betrokken school/instelling als de betrokken gemeente van de ter zake van de betrokkene geregistreerde gegevens.

Tweede streepje.

Artikel I, onderdeel E, negende lid, artikel II, onderdeel G, achtste lid, en artikel III, onderdeel C, achtste lid, kunnen naar mijn oordeel niet worden gemist. Anders dan de Raad van State meent, gaat het hier niet om verstrekking van gegevens aan een orgaan dat de gegevens al heeft. De genoemde bepalingen maken dat de melding via de IB-Groep niet in de weg staat aan gegevensuitwisseling direct tussen school/instelling en gemeente, hetgeen noodzakelijk is ten behoeve van het onderzoek naar en de behandeling van het gemelde verzuim.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening gehouden zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W05.08.0405/I met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

– Artikel I, onderdeel E, vierde lid, Artikel II, onderdeel G, derde lid, en Artikel III, onderdeel C, derde lid schrappen, nu dit voldoende wordt geregeld in het daaropvolgende lid.

– Artikel I, onderdeel E, negende lid, Artikel II, onderdeel G, achtste lid, en Artikel III, onderdeel C, achtste lid schrappen, nu het gaat om verstrekking van gegevens aan een orgaan die de gegevens al heeft.

– In Artikel II, onderdeel B, «onderdeel k» vervangen door: onderdeel j. Voorts «onderdeel l» vervangen door: onderdeel k. Ten slotte «m. indien van toepassing» vervangen door: l. indien van toepassing.

– In Artikel III, onderdeel D, na «In artikel 162b» toevoegen: , eerste lid,.

– In Artikel IV, onderdeel E, in het bestaande artikel 9a, eerste lid, onderdeel c, «; en» schrappen.