Kamerstuk 31571-18

Gewijzigd amendement van het lid Van Veldhoven c.s. ter vervanging van nr. 12 over het door middel van een door de minister te verlenen ontheffing toestaan van ritueel slachten zonder voorafgaande bedwelming, mits dat is aangetoond dat de slachtdieren niet meer leed wordt aangedaan dan bij de reguliere slacht

Dossier: Voorstel van wet van het lid Thieme tot wijziging van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in verband met het invoeren van een verplichte voorafgaande bedwelming bij ritueel slachten


Nr. 18 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID VAN VELDHOVEN C.S. TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 12

Ontvangen 28 juni 2011

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In de aanhef van artikel I, vervalt «Artikel 44 van» en wordt «de» vervangen door: De.

II

In artikel I, onderdeel 1, wordt in de aanhef «Het derde lid» vervangen door: Artikel 44, derde lid,.

III

In artikel I, onderdeel 1, wordt aan het derde lid van artikel 44 een volzin toegevoegd, luidende: Onze Minister verleent, op grond van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, op aanvraag, en voor een periode van niet meer dan vijf jaar, ontheffing van het bepaalde in de vorige volzin, mits op basis van onafhankelijk vastgesteld bewijs is aangetoond dat het welzijn van de slachtdieren bij de slacht volgens één van de in de vorige volzin genoemde ritussen niet in grotere mate wordt benadeeld dan de mate van benadeling waarvan sprake is bij het slachten volgens het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid.

IV

In artikel I, onderdeel 2, wordt «het achtste lid» vervangen door: artikel 44, achtste lid,.

V

Aan artikel I, worden na onderdeel 2, drie onderdelen toegevoegd, luidende:

3. Artikel 44, negende lid, komt te luiden:

  • 9. Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de bescherming van het slachtdier, telkens voor een periode van vijf jaar, regels gesteld omtrent het slachten volgens de israëlitische of de islamitische ritus. Deze regels bevatten in elk geval voorschriften met betrekking tot:

    • a. de bij het slachten te volgen handelswijze;

    • b. de wijze van bedwelming;

    • c. de procedure die wordt gevolgd voor de verlening van de ontheffing, en

    • d. de wijze waarop de aanvrager voldoet aan de in het derde lid bedoelde bewijsplicht.

4. Aan artikel 44 wordt na het tiende lid een lid toegevoegd, luidende:

  • 11. De voordracht voor een krachtens het derde of negende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

5. In artikel 110, eerste lid, wordt «44, eerste en negende lid» vervangen door: 44, eerste lid.

VI

Artikel IA komt te luiden:

ARTIKEL IA

A. Indien het bij koninklijke boodschap van 19 maart 2008 ingediende voorstel van wet houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren) (Kamerstukken II, 2008/09, 31 389) tot wet is of wordt verheven, en artikel 2.10 van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als, artikel I van deze wet, wordt die wet met ingang van de datum waarop deze wet in werking treedt als volgt te gewijzigd:

1. In artikel 2.10, vierde lid, komt de eerste volzin te luiden: Het doden van dieren volgens de israëlitische of islamitische ritus is slechts toegestaan, indien de slachtdieren voorafgaand zijn bedwelmd.

2. In artikel 2.10 wordt, onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, na het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Onze Minister verleent, op grond van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, op aanvraag, en voor een periode van niet meer dan vijf jaar, ontheffing van het bepaalde in het vierde lid, mits op basis van onafhankelijk vastgesteld bewijs is aangetoond dat het welzijn van het dier bij het doden volgens één van de in dat lid genoemde ritussen niet in grotere mate wordt benadeeld dan de mate van benadeling waarvan sprake is bij het doden volgens het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met het derde lid. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin, wordt telkens voor een periode van ten hoogste vijf jaar vastgesteld, en bevat in elk geval regels ten aanzien van:

    • a. de bij het slachten te volgens handelswijze;

    • b. de wijze van bedwelming;

    • c. de procedure die wordt gevolgd voor de verlening van de ontheffing, en

    • d. de wijze waarop de aanvrager voldoet aan de bewijsplicht.

3. Aan artikel 2.10 wordt na het zesde lid (nieuw) een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. De voordracht voor een krachtens het vierde of vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

4. In artikel 8.6, eerste lid, wordt «2.10, tweede, derde en vierde lid,» vervangen door: 2.10, tweede, derde, vierde, en vijfde lid,.

5. In artikel 10.10, wordt «2.10, eerste, derde en vierde lid,» vervangen door: 2.10, eerste en derde lid,.

B. Indien het bij koninklijke boodschap van 19 maart 2008 ingediende voorstel van wet houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren) (Kamerstukken II, 2008/09, 31 389) tot wet is of wordt verheven, en artikel 2.10 van die wet later in werking treedt dan artikel I van deze wet, wordt die wet met ingang van de datum waarop die wet in werking treedt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 2.10, vierde lid, komt de eerste volzin te luiden: Het doden van dieren volgens de israëlitische of islamitische ritus is slechts toegestaan, indien de slachtdieren voorafgaand zijn bedwelmd.

2. In artikel 2.10 wordt, onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, na het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Onze Minister verleent, op grond van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, op aanvraag, en voor een periode van niet meer dan vijf jaar, ontheffing van het bepaalde in het vierde lid, mits op basis van onafhankelijk vastgesteld bewijs is aangetoond dat het welzijn van het dier bij het doden volgens één van de in dat lid genoemde ritussen niet in grotere mate wordt benadeeld dan de mate van benadeling waarvan sprake is bij het doden volgens het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met het derde lid. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin, wordt telkens voor een periode van ten hoogste vijf jaar vastgesteld, en bevat in elk geval regels ten aanzien van:

    • a. de bij het slachten te volgens handelswijze;

    • b. de wijze van bedwelming;

    • c. de procedure die wordt gevolgd voor de verlening van de ontheffing, en

    • d. de wijze waarop de aanvrager voldoet aan de bewijsplicht.

3. Aan artikel 2.10 wordt na het zesde lid (nieuw) een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. De voordracht voor een krachtens het vierde of vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

4. In artikel 8.6, eerste lid, wordt «2.10, tweede, derde en vierde lid,» vervangen door: 2.10, tweede, derde, vierde, en vijfde lid,.

5. In artikel 10.10, wordt «2.10, eerste, derde en vierde lid,» vervangen door: 2.10, eerste en derde lid,.

VII

In artikel II wordt «derde kalendermaand» vervangen door: twaalfde kalendermaand.

Toelichting

Dit amendement beoogt de wet te verbeteren door niet alleen de plicht om voorafgaand te bedwelmen maar ook het daarmee beoogde doel in de wet vast te leggen. Het beoogde doel is dat dieren bij rituele slacht niet meer in het dierenwelzijn worden aangetast dan bij de reguliere slacht met voorafgaande bedwelming. Dit amendement regelt dat indien hetzelfde doel aantoonbaar ook op een andere manier kan worden bereikt, ontheffing kan worden verkregen van de algemene regel dat dieren voorafgaand bedwelmd dienen te worden. Te denken valt aan methoden waarbij de bedwelming strikt genomen niet voorafgaand plaatsvindt of waarbij helemaal geen bedwelming wordt gebruikt. Een ontheffing voor het gebruik van dergelijke methoden kan alleen dan verleend worden als de aanvrager met onafhankelijk vastgesteld bewijs kan aantonen dat de te slachten dieren bij gebruik van de methode niet meer in het dierenwelzijn worden aangetast dan bij de reguliere slacht met voorafgaande bedwelming De indieners tekenen daarbij aan dat dit bewijs voor elke stap in het slachtproces moet worden geleverd, dus zowel de voorbereidende handelingen als fixatie en kanteling, als de slacht zelf, alsook de snelheid waarmee het dier zijn bewustzijn verliest. Op al deze facetten mag het dier niet meer in zijn welzijn worden aangetast dan bij de reguliere slacht met voorafgaande bedwelming.

Het Europees Verdrag geeft in artikel 9 eenieder het recht zijn leven volgens eigen geloof of overtuiging vorm te geven, maar biedt in het tweede lid de ruimte aan staten beperkingen te stellen aan dit recht. Het recht is dus niet absoluut. De indieners zijn ervan overtuigd dat bescherming van het welzijn van dieren een geoorloofde beperking is. Een dergelijke beperking dient echter ook getoetst te worden op subsidiariteit en proportionaliteit. De indieners menen dat de wet met aanname van het amendement beter voldoet aan die voorwaarden. Immers, het recht om te slachten naar eigen (godsdienstige) overtuiging is vrij, mits daarmee dierenwelzijn niet meer wordt benadeeld dan bij slacht op basis van de normale wettelijke voorschriften die de wetgever hanteert om dieren onnodige aantasting van dierenwelzijn te besparen.

Door te stellen dat de slachtmethode waarvoor ontheffing wordt aangevraagd niet meer aantasting van het dierenwelzijn mag veroorzaken dan bij de reguliere slacht met voorafgaande bedwelming, wordt gelijkwaardig dierenwelzijn gegarandeerd maar wordt ook recht gedaan aan het bijzondere gewicht van het recht op vrijheid van godsdienst.

Het amendement neemt daartoe zowel in de Gezondheids- en Welzijnswet Dieren (GWWD) als in de nieuwe Wet Dieren, die de GWWD moet gaan vervangen, de bepaling op dat ontheffing kan worden verleend door de minister om op een andere wijze te slachten dan in de regels van de wet is voorgeschreven, mits de aanvrager met onafhankelijk vastgesteld bewijs kan aantonen dat het welzijn van dieren daardoor niet in grotere mate wordt benadeeld dan bij de reguliere slacht met voorafgaande bedwelming, verwaarloosbare verschillen daargelaten.

Het in het amendement genoemd onafhankelijk vastgestelde bewijs moet op dezelfde wijze als bij de beoordeling van methoden voor de reguliere slacht met voorafgaande bedwelming zijn, bijvoorbeeld door de European Food Safety Authority (EFSA). In de algemene maatregel van bestuur kan onderscheid gemaakt worden tussen verschillende diersoorten en kunnen nieuwe technologische ontwikkelingen en wetenschappelijke inzichten eenvoudig worden verwerkt.

Ook regelt dit amendement dat in de algemene maatregel van bestuur die regels stelt aan het ritueel slachten voorschriften kunnen worden opgenomen over de bij het slachten te volgen handelswijze.

Daaronder is voor de rituele slacht die niet onder een tot ontheffing plaatsvindt (artikel 2.10, vierde lid) in elk geval begrepen de wijze waarop dieren voorafgaand dienen te worden bedwelmd. Dat geeft geloofsgemeenschappen de ruimte om met het kabinet in overleg te gaan over verdovingsmethoden die voor hen passend zijn binnen de eigen geloofsovertuiging. Centraal staat daarbij uiteraard dat de verdovingsmethode wel effectief moet zijn gedurende het hele slachtproces totdat de dood is ingetreden.

Bij algemene maatregel van bestuur moeten regels worden gesteld op welke wijze en op basis van welke criteria een ontheffing kan worden aangevraagd en verleend.

In de AMvB kan daarnaast worden opgenomen dat indien op aanvraag ontheffing is verkregen voor de plicht tot voorafgaande bedwelming, in het besluit tot het verlenen van ontheffing wordt opgenomen op welke wijze het mogelijk is om zonder voorafgaande verdoving of zonder verdoving ritueel te slachten.

Samenvattend beoogt het amendement een actieve uitnodiging te doen aan geloofsgemeenschappen om te zoeken naar slacht- en verdovingsmethoden die voor hen passend zijn binnen de eigen geloofsovertuiging en die onnodig aantasting van dierenwelzijn vermijden. De bevoegde bewindspersoon krijgt middels dit amendement de bevoegdheid om die slacht- en verdovingsmethoden te beoordelen op basis van, bij algemene maatregel van bestuur, vooraf vastgestelde criteria voor het verlenen van een ontheffing op het verbod om te slachten zonder voorafgaande bedwelming. Onder die criteria valt in ieder geval de beoordeling van het wetenschappelijke gehalte van het bewijs door daartoe ook voor de reguliere slacht geëigende kanalen.

Daarmee ontstaat de mogelijkheid om in afwijking van het generieke verbod op slacht zonder voorafgaande bedwelming, per geval beoordeeld, recht te doen aan voortschrijdende technologische ontwikkelingen en religieuze inzichten alsmede aan het bijzondere gewicht van de vrijheid van godsdienst en uiteenlopende godsdienstige overtuigingen van groepen binnen onze samenleving, binnen het gegeven van dierenwelzijn dat gelijkwaardig is aan dat bij reguliere slacht met voorafgaande bedwelming.

Van Veldhoven

Van Dam

Snijder-Hazelhoff

Dibi