Kamerstuk 30846-14

Verslag van een algemeen overleg

Evaluatie Vreemdelingenwet 2000; Verslag van een Algemeen Overleg

Gepubliceerd: 19 januari 2009
Indiener(s):
Onderwerpen: immigratie migratie en integratie recht staatsrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30846-14.html
ID: 30846-14

30 846
Evaluatie Vreemdelingenwet 2000

nr. 14
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 15 januari 2009

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 11 december 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Albayrak van Justitie over:

– de brief van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie d.d. 13 oktober 2006 inzake de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Evaluatie Vreemdelingenwet (CEV) en de deelrapporten uitgebracht op 29 augustus 2006 (30 846, nr. 1);

– de brief van de minister van Justitie d.d. 24 juni 2008 inzake de kabinetsplannen voor een zorgvuldige en snellere asielprocedure (29 344, nr. 67);

– de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 7 oktober 2008 over de rapportage vreemdelingenketen januari–juni 2008 (19 637, nr. 1223).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: De Wit Griffier: Nava

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter: Ik open de vergadering van de vaste commissie voor Justitie. Wij hebben een algemeen overleg over de evaluatie van de Vreemdelingenwet 2000 en over een aantal verbeteringsvoorstellen van het kabinet. Ik heet de staatssecretaris, de ambtenaren die haar vergezellen, de aanwezigen op de publieke tribune en de collega-Kamerleden van harte welkom. Wij hebben voor dit overleg 3 uur uitgetrokken. De spreektijd is 7 minuten per fractie. Als eerste geef ik het woord aan de heer Kamp van de VVD-fractie.

De heer Kamp (VVD): Voorzitter. De evaluatie die wij nu behandelen is 2,5 jaar oud. Het is uniek dat zo’n oude evaluatie nog besproken wordt, maar dit komt ook door de kabinetswisseling. De reactie van het kabinet op de evaluatie is echter nog van het vorige kabinet en is dus ook al weer ruim 26 maanden oud. Ik heb een beetje ongemakkelijk gevoel bij de basis voor dit overleg. Ik zal toch proberen, aan de hand van de oude stukken en wat later aan de agenda is toegevoegd, de hoofdpunten door te nemen.

Ik ben het enige lid van de Kamer dat eind jaren negentig nog deel heeft genomen aan de onderhandelingen die hebben geleid tot de Vreemdelingenwet 2000. Het doel was toen om de veel te grote toestroom van asielzoekers effectief terug te dringen. Wij kunnen nu vaststellen dat dit gelukt is tijdens de kabinetten Balkenende I, II en III. Uiteindelijk liep het aantal eerste asielaanvragen tot zo’n 7000 per jaar terug. Dit blijkt echter geheel gelegen te hebben aan de uitvoering van die wet, want tijdens het huidige kabinet is de uitvoering van dezelfde wet zodanig geworden dat de instroom weer snel toeneemt; twee, drie keer zo veel. Het zou mij niet verbazen als er volgend jaar tegen de 20 000 asielzoekers in Nederland worden genoteerd.

Er is nog steeds een reële mogelijkheid voor economische migranten om via asiel een verblijfsvergunning voor Nederland te bemachtigen. Als je over land naar Nederland komt, dan heb je eerder in andere, veilige landen verbleven, waar je asiel had kunnen vragen. Desondanks en wat mij betreft ten onrechte, worden al die asielaanvragen toch in behandeling genomen en worden al die procedures gevolgd. Ik vind dat betrokkenen moeten worden terugverwezen naar een van de landen waar zij eerder verbleven.

Komen de asielzoekers op Schiphol aan, dan weten wij dat zij allemaal een paspoort en een ticket hebben gehad om in het vliegtuig te komen. Wie dat niet meer heeft bij het aanvragen van asiel, werkt dus gewoon bewust tegen. De enige juiste reactie is dan, de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en de verblijfsvergunning te weigeren. Nu is de enige reactie dat er geen duidelijke tekortkomingen in het vluchtverhaal mogen zitten. Wat mij betreft, mogen die er sowieso niet in zitten, wil je voor een verblijfsvergunning in aanmerking komen. Maar als dit de enige reactie is op het bewust weg houden van je documenten om controle van je vluchtverhaal in de weg te staan, dan vind ik dat absoluut onvoldoende.

De wet die wij destijds tot stand hebben laten komen, bevatte de mogelijkheid van categoriale bescherming. Dat is fout geweest. Die mogelijkheid had er niet in mogen komen, want de uitvoering daarvan heeft er in de praktijk toe geleid dat eerder dit jaar twee derde van alle asielzoekers zich bij voorbaat verzekerd wist van een verblijfsvergunning, omdat zij onder de categoriale bescherming vielen. Wat de VVD betreft, moet deze mogelijkheid van categoriale bescherming bij de herziening van de wet komen te vervallen.

De mogelijkheid bestaat dat na afwijzing door de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) en de rechter, opnieuw asiel wordt aangevraagd. Die mogelijkheid moet geschrapt worden. De overheid wordt voortdurend verweten dat de procedures eindeloos zijn, maar dat komt omdat de enige beslissing die men accepteert een «ja» is. Meestal lukt dat ook. Is het niet de eerste keer, dan wel de tweede of de derde keer, of de verblijfsvergunning wordt vervolgens regulier aangevraagd. Een derde van alle asielzoekers komt met een reguliere verblijfsvergunning het land binnen. Wordt die ook nog eens afgewezen en volgt uiteindelijk uitzetting, dan weet men dat het roepen van «ik wil asiel» op de vliegtuigtrap genoeg is om weer in procedure genomen te worden. Als dat allemaal niet lukt, dan komt er een generaal pardon. Uiteindelijk is het wel heel bijzonder als je geen verblijfsvergunning op basis van asiel of regulier krijgt. Die gehele procedure zit dus principieel verkeerd in elkaar. Dat moet veranderd worden door de procedure tot één aanvraag te beperken.

Het niet terugsturen van kinderen die naar Nederland werden gestuurd, de ama’s (alleenstaande minderjarige asielzoekers), later amv’s (alleenstaande minderjarige vreemdelingen) genoemd, heeft een heleboel ellende veroorzaakt. Ik heb dat al vaak in detail aan de orde gesteld. Ik ben blij dat het inmiddels is gelukt om de toestroom met zo’n 90% terug te dringen. Ik hoop dat wij dat zo kunnen houden. Ik ben ervan overtuigd dat de beste oplossing voor dit probleem uiteindelijk is om iedereen linea recta terug te sturen, want de verantwoordelijkheid voor kinderen mag niet worden afgewenteld via het kopen van een vliegticket naar Nederland. Dat moeten wij niet accepteren. De mensen die het vliegticket hebben gekocht, moeten de verantwoordelijkheid voor het kind op een andere manier nemen.

Volgens onze Vreemdelingenwet moet de noodzaak tot bescherming aannemelijk worden gemaakt. Ik denk dat de staatssecretaris het met mij eens kan zijn dat het in de praktijk voldoende is als je geloofwaardig bent. Je moet niet de noodzaak tot bescherming duidelijk maken, je moet een geloofwaardig vluchtverhaal hebben. Dat moet veranderen. Wij moeten weer terug naar de basis. Het vluchtrelaas is vaak een verzonnen verhaal dat men aangereikt heeft gekregen door organisatoren, hulpverleners, bekenden of familie. Het is vaak gecomponeerd op basis van de informatie uit algemeen toegankelijke bronnen, zoals ambtsberichten, en het wordt ook aangevuld met elementen uit de motiveringen van de afwijzingen door de IND en de rechters. Ik vond het onthutsend om wat dat betreft het boek van mevrouw Karimi van GroenLinks te lezen en wat zij heeft gedaan met de vluchtverhalen die gecomponeerd werden. Maar ik vond ook het promotieonderzoek naar asielzoekers uit Angola onthutsend. De verhalen werden daarin open en bloot toegelicht.

Op basis van de nieuwe Vreemdelingenwet zouden afgewezen asielzoekers net als illegalen vastgehouden moeten worden tot zij het land uitgezet kunnen worden. Nu zijn wij voortdurend aan het eind in conflict met gemeenten, met opvang en met hulpverleners en is er een heleboel gedraai omheen. Wij moeten een vaste lijn hebben. Ik heb al aan het begin gezegd: komt men over land, dan wijs je ze af, komt men via Schiphol en heeft men geen papieren, dan wijs je ze ook af. Heb je ze eenmaal in procedure moeten nemen en wijs je ze dan uiteindelijk af, dan houd je ze vast tot je ze het land uit kunt zetten. Als je de zaak zo in elkaar zet, krijg je een geheel ander verloop van de asielprocedure in Nederland.

Het invoeren van het hoger beroep, waarover wij destijds nog hebben getwijfeld, blijkt een prima maatregel te zijn. Het hoger beroep moet vooral ook bij de Raad van State blijven. Wij zouden zelfs kunnen overwegen om terug te gaan naar de situatie dat er maar één beroep mogelijk is, maar dan wel een beroep bij de Raad van State. Dat zou de zaken veel beter kunnen laten verlopen.

De voorzitter: U hebt nog één minuut.

De heer Kamp (VVD): Wij zouden moeten stoppen met het niet stellen van voorwaarden aan gezinsvorming en gezinshereniging in geval van een verblijfsvergunning asiel. Je ziet dat asieladvocaten en hulpverleners niet tevreden zijn met een verblijfsvergunning regulier vanwege de voorwaarden die dan gelden voor gezinsvorming en gezinshereniging. Het mag niet meer zo zijn dat er bij de verblijfsvergunning asiel geen voorwaarden worden gesteld aan gezinsvorming en -hereniging. De voorwaarden die wij daaraan regulier stellen, moeten ook voor asielzoekers gaan gelden.

Het risico is groot dat de gehele asielprocedure medicaliseert. Je merkt dat vanaf het begin. Iedereen probeert om een medisch probleem over het voetlicht te brengen. Dat gebeurt steeds vaker. Wij lopen een grote kans dat op die manier de aandacht helemaal afgaat van waar het om gaat, namelijk het bieden van bescherming aan vluchtelingen.

De staatssecretaris is voornemens om de rust- en voorbereidingstijd in te voeren. Dat is naar mijn overtuiging een grote verslechtering. De asielzoeker krijgt alle tijd om met VluchtelingenWerk en rechtsbijstand een vluchtrelaas te componeren. Het is de wereld op zijn kop om niet de IND, maar wel VluchtelingenWerk en rechtsbijstand bij de asielzoeker toe te laten en ermee te praten. Het is volgens mij veel beter om de asielzoeker direct en alleen met de IND te laten praten. Wie is hij? Waar zijn zijn papieren? Hoe kwam hij naar Nederland? Waarom wil hij asiel? Vervolgens een leeftijdsonderzoek, een taalanalyse, een documentenonderzoek en pas als alles is vastgelegd eventueel overleg met rechtsbijstand en VluchtelingenWerk. Ik vind het schrijnend dat het nu op deze manier wordt gedaan en dat vervolgens de enige reactie van rechtsbijstand op de verregaande versoepeling die hen wordt geboden, en waar ik dus tegen ben, is dat de kwaliteit van de rechtshulp niet meer gewaarborgd kan worden en dat de nieuwe procedure een verslechtering is voor de asielzoekers. Je moet maar durven.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Wij zien de immigratie op alle fronten toenemen. Dat geldt voor de asielinstroom en dat geldt ook voor de desastreuze partner- en gezinsmigratie. De laatste categorie vormt de motor achter de nog steeds voortdurende massa-immigratie. Alleen al dit jaar komen wij in het kader van gezinsvorming en gezinshereniging op meer dan 20 000 afgegeven verblijfsvergunningen uit.

Hoewel de asielinstroom zorgelijk is, valt die vrijwel in het niet bij de reguliere instroom, die wordt gevormd door vreemdelingen die om andere redenen dan asiel naar Nederland komen, bijvoorbeeld de partner- en gezinsmigranten. Ter illustratie: in 2007 waren er volgens de IND meer dan 100 000 reguliere verblijfsaanvragen en rond de 10 000 asielaanvragen. Slechts een tiende deel van alle verblijfsaanvragen vorig jaar betrof dus asiel. Met deze verhoudingen is ook meteen het manco van de Vreemdelingenwet 2000 aangetoond, waarvan wij nu de evaluatie bespreken. Die wet heeft namelijk vooral gevolgen gehad voor de asielprocedure. De nieuwe Vreemdelingenwet faalt in de ogen van de PVV, omdat juist de reguliere migratie, waaronder dus de gezinsmigratie, en de reguliere toelatingsprocedures, nog steeds niet in goede banen zijn geleid. Dat geldt ook voor de terugkeer. De wet schiet tekort in de aanpak van illegaliteit en in het op gang krijgen van het vertrek uit Nederland van uitgeprocedeerde vreemdelingen. Dit vertrek stagneert enorm. Graag de reactie van de staatssecretaris op deze bevindingen.

Voorzitter. De Evaluatiecommissie Vreemdelingenwet 2000 heeft de heel belangrijke conclusie getrokken dat de uitvoering van de nieuwe wet ernstig heeft geleden onder incidentele maatregelen zoals de eenmalige regeling witte illegalen, een van de pardonregelingen van paars. De commissie heeft aanbevolen, dit soort verstoringen in de toekomst te vermijden. Maar de inkt van het evaluatierapport was nog niet droog of er kwam alweer een nieuwe pardonregeling. Daarmee heeft dit kabinet de aanbevelingen van de evaluatiecommissie dus gelijk in de wind geslagen. Waarom is de duidelijke waarschuwing van de commissie gewoon genegeerd? Geeft de staatssecretaris toe dat dit een fout was?

Over de meest recente problemen rond het pardon praten wij dinsdag natuurlijk verder, maar één ding is duidelijk en dat is dat de Vreemdelingenwet en het vreemdelingenbeleid vreselijk zijn ondermijnd door dit nieuwe generaal pardon. Hiermee is het signaal gegeven dat je hier een verblijfsvergunning kunt krijgen, terwijl je niet aan de bij wet gestelde toelatingsvoorwaarden voldoet, dat het loont om hier eindeloos door te procederen en dat het loont om je vertrek uit Nederland gewoon te traineren. De werking van de Vreemdelingenwet, en daar gaat het hier om, is dus door dit kabinet zelf in de wielen gereden. Als de staatssecretaris dat anders ziet, hoor ik dat graag, maar dan moet zij wel uitleggen wat een wet waard is die voor tienduizenden mensen gewoon niet geldt. Ik vraag haar ook hoe zij ervoor gaat zorgen dat vreemdelingen en hun advocaten de wet wel serieus nemen, want dat gebeurt nu duidelijk vaak niet. Kijk maar naar het massaal negeren van aanzeggingen om Nederland te verlaten.

Voorzitter. De Vreemdelingenwet biedt nog steeds de mogelijkheid om eindeloos verblijfsprocedures te starten, waardoor vreemdelingen ook eindeloos hun verblijf in Nederland kunnen rekken. Dit moet nu echt eens worden aangepakt. Dan moet je je ook hierbij vooral richten op de reguliere verblijfsprocedures, want juist daarin kun je eindeloos stapelen en variëren.

De staatssecretaris wijst erop dat kansloze reguliere verblijfsaanvragen snel worden afgedaan door de IND en dat daar speciale loketten voor zijn, maar het is duidelijk dat je daarmee het probleem nog steeds niet oplost, want ook al heb je een snelle afwijzing op je aanvraag, dan kun je met een bezwaarschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening en later beroep, je verblijf in Nederland natuurlijk alsnog rekken. Kan de staatssecretaris in dit licht aangeven hoe lang een voorlopige-voorzieningprocedure precies duurt? Kan de staatssecretaris ook aangeven wat de gemiddelde beslisduur is op die kansloze reguliere aanvragen en hoeveel van die aanvragen precies door die M50-loketten worden afgedaan?

Als de IND-loketten zo goed werken, hoe kan het dan dat alleen al de mensen die zijn toegelaten in het kader van het generaal pardon maar liefst 20 000 verblijfsprocedures open hadden staan? Graag opheldering. Graag ook de toezegging dat het procedurestapelen wordt gestopt, al had dat al lang moeten gebeuren naar aanleiding van de door de Kamer aangenomen motie-Wilders, die daartoe opriep.

Voorzitter. Bij een evaluatie van de Vreemdelingenwet hoort natuurlijk ook het evalueren van de uitvoering van die wet. Juist op het gebied van de handhaving zijn de misstanden eindeloos. Neem de slechte controle van de IND op de inkomenseis, waarbij een opgegeven inkomen niet eens bij de Belastingdienst wordt geverifieerd. Neem de slechte controle op samenwoning en vestiging in Nederland. Neem de slechte controle op authenticiteit van documenten. Het is te veel om op te noemen, maar ik wil er één ding uitlichten: de adrescontroles. Deze controles zijn bittere noodzaak om schijnrelaties tegen te gaan en om te controleren of vreemdelingen wel feitelijk in Nederland verblijven. Hoe vaak hebben deze adrescontroles precies plaatsgevonden in de afgelopen jaren?

Wat de PVV betreft, kunnen adrescontroles niet vaak genoeg plaatsvinden. Omdat je dan veel ten onrechte verleende verblijfsvergunningen in kunt trekken, betalen die zichzelf ook wel weer terug. Ik wil de staatssecretaris in dit kader ook vragen of zij adrescontroles plaats wil laten vinden wanneer er geen fraude-indicaties zijn. Want de toelatingsprocedure is al een papieren exercitie. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat als je er maar voor zorgt dat op papier alles klopt, je geen enkele controle meer hoeft te vrezen. Nogmaals, het is belangrijk om te kijken of de feitelijke situatie in overeenstemming is met de papieren situatie.

Voorzitter. Over de asielprocedure het volgende.

De voorzitter: U hebt nog één minuut.

De heer Fritsma (PVV): Ik rond af.

De PVV vindt het een slecht voorstel om asielzoekers die net in Nederland zijn een rustperiode te geven om het asielverzoek voor te kunnen bereiden. Het snel vaststellen van identiteit, nationaliteit en reisroute van de vreemdeling is juist van groot belang om misbruik of oneigenlijk gebruik van de asielprocedure aan het licht te brengen. Als je extra tijd vooraf geeft, dan geef je ook extra tijd om een eventueel verzonnen verhaal geloofwaardig te maken. Dat is een slechte zaak.

Wat het asielbeleid betreft, moet de wet ook zodanig worden aangepast dat het categoriaal verlenen van verblijfsvergunningen onmogelijk wordt.

Ten slotte. Wanneer bijvoorbeeld bij een asielzoeker is geconstateerd dat met opzet onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan moet dat misbruik van de procedure, dan moeten die leugens er wat de PVV betreft toe leiden dat de betreffende vreemdeling nooit meer in aanmerking kan komen voor welke verblijfsvergunning dan ook.

De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. De brief van 24 juni die wij vandaag bespreken en die voor een gedeelte ook weer is gebaseerd op het rapport van de commissie-Scheltema is voor de CDA-Tweede Kamerfractie de helft van de paragraaf uit het regeerakkoord van 2007. Wij hebben in februari 2007 met de coalitiepartners PvdA en ChristenUnie als het ware twee grote hoofdstukken met betrekking tot het asiel- en vreemdelingenbeleid opgesteld. Dat was aan de ene kant het generaal pardon, waarvan wij deze week hebben kunnen constateren dat het wel loopt, en aan de andere kant de verbetering en versnelling van de asielprocedure en ook de verbetering van en de stappen naar een beter en effectief terugkeerbeleid. De verbetering van de asielprocedure willen wij met name om te voorkomen dat er weer zo iets nodig is als een generaal pardon, dat mensen eindeloos in Nederland zijn, zich vastklampen – vanuit hun positie begrijpelijk – aan allerlei regels en mogelijkheden en vervolgens of geen vergunning krijgen of Nederland niet verlaten.

Bij mijn fractie is zorg over het tempo van uitvoering van het tweede deel van het regeerakkoord. Ik ga daar bij de planning van het wetgevingstraject nog even op door. Mijn fractie zal het evenwicht tussen de twee delen uit het regeerakkoord de komende twee jaar nauwlettend in de gaten houden.

Om met de deur in huis te vallen: de duur van de algemene asielprocedure zoals die is voorgesteld. Als wij alle commentaren, rondetafelgesprekken en werkbezoeken naast elkaar zetten, dan brengt de voorgestelde algemene asielprocedure ons nog niet bij wat wij eigenlijk willen. Over met name de duur van 8 werkdagen – ik geloof 68 procesuren – zijn er naar de mening van mijn fractie te veel signalen dat dit niet de verbetering brengt die wij willen nastreven. Ik wil dit gezegd hebben om ook mijn overige drie opmerkingen op dit punt te kunnen illustreren.

Mijn fractie vraagt zich af of de verblijfsduur in de tijdelijke noodvoorziening niet beter benut kan worden om de asielaanvraag te starten. Wij denken met name aan de identiteitsvaststelling, de medische check, maar ook de kennismaking met de rechtshulpverlener. Wat is de verhouding tussen de TNV-tijd (tijdelijke noodvoorziening), door de ACVZ (Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken) als loze tijd aangemerkt, de rustperiode van 6 dagen, die wordt ingebracht, en de periode van 8 dagen? Kunnen wij met name aan de voorkant de tijd niet beter benutten? Ik weet dat wij bij de TNV soms uit moeten gaan van 6 weken. Dat wil ik niet tot reguliere tijdseenheid kwalificeren, maar ook een asielzoeker die tot rust komt, kan toch wel een uur per dag met zijn asielaanvraag aan de slag?

Ik weet dat de staatssecretaris nog bezig is met een soort implementatieverkenning met de rechtshulp in Nederland, een beetje als vervolg op de EA..., die moeilijke afkorting. Als je die aan een normale Nederlander laat lezen, dan denkt hij... Nou goed, daar zal ik verder niets over zeggen. Ik wil weten hoe het staat met het implementatieoverleg met de rechtshulp, ook in verhouding tot het uitbreiden van de procedure aan de voorkant. Ik heb begrepen dat wij vandaag nog weinig kunnen zeggen over de medische aspecten en de medische check, omdat wij daar nog een aparte brief over krijgen. Dat baart mij ook wel weer zorgen met het oog op het tempo.

Mijn derde opmerking gaat over de taak en de plaats van de rechtshulpverleners. Ik begin mij in toenemende mate te storen aan de hoge toon van een aantal rechtshulpverleners. Ik weet wel dat de staatssecretaris heeft uitgelegd waarom het tussen haar en de rechtshulporganisaties niet zo goed is gegaan. Dat vond ik verder een prima brief. Jammer dat het zo gelopen is. Maar als ik de brief lees van de VAJN (Vereniging Asieladvocaten en -juristen Nederland) en met name haar persbericht van 25 juni, dan denk ik: het lijkt wel of wij hier in een soort dictatoriale staat leven, waar de asielzoeker echt mensonwaardig wordt behandeld. Even geen misverstand: als één rechtshulpverlener mogelijk is in een procedure, dan graag, want dat begrijp ik, ook vanwege de vertrouwensband tussen de asielzoeker en de rechtshulpverlener. Maar om de keiharde eis te stellen: de asielzoeker heeft geen mogelijkheid, gebruik te maken van het recht op vrije advocaatkeuze, dan denk ik: wij moeten wel het boompje bij het beestje houden. Bovendien maak ik mij grote zorgen over onnodige juridisering door de rechtshulp. Ook de rechtshulp heeft een taak als het om een fatsoenlijke procedure gaat.

Ik wil graag een brief van de staatssecretaris waarin de rechtshulp in de andere Europese landen kort wordt beschreven. Ik heb begrepen dat andere Europese landen helemaal geen rechtshulp bieden bij aanvang van de procedure, maar slechts in de beroepsprocedure. Ik wil een onderlinge vergelijking kunnen maken.

Dan bevat de brief verschillende nieuwe elementen betreffende de uitbreiding van de opvang. De coalitiepartijen zijn het erover eens dat in de asielprocedure zo min mogelijk mensen op straat dienen te verblijven. Maar wij moeten ook op dit punt de realiteit in de gaten houden. Vandaar mijn concrete vraag. Je wordt afgewezen in de algemene asielprocedure. Dan krijg je opvang voor 4 weken, de vertrektermijn. Wat gebeurt er als het beroep niet is afgerond na die 4 weken? Ga je dan de straat op? Word je dan toch uitgezet zonder schorsende werking? Kortom, wat betekent dit in de praktijk?

De voorzitter: U hebt nog één minuut.

De heer Van de Camp (CDA): Daar was ik al bang voor.

Ik stel nog drie vragen. De intentie van de staatssecretaris om de herhaalde aanvraag te beperken, vind ik warm, maar niet gemotiveerd. Waarop baseert zij dat het haar lukt, de herhaalde aanvragen te beperken? Ik heb niet zo veel zin om weer drie, vier jaar met een nieuwe procedure te moeten werken en dan te moeten constateren dat het beperken van de herhaalde aanvragen niet lukt.

Wat de effectiviteit van het terugkeerbeleid betreft: de DT&V (Dienst terugkeer en vertrek) is bijna anderhalf jaar bezig. Zijn er successen te melden? Hoe functioneren de lokale terugkeeroverleggen? Als dat praatclubjes zijn en er wordt niemand uitgezet – sorry, dat ik het zo hard zeg, maar dat moet vanwege de tijd – dan vind ik dat jammer. Wat is de follow up van de terugkeerconferentie van 25 juni? Dat was een heel goede conferentie. Veel mensen en ook kerkelijke organisaties hebben gezegd: wij zetten de knop om, wij gaan niet eindeloos opvang bieden als die mensen hier toch niet mogen blijven. Maar ik hoor latente geluiden dat het verder niets oplevert.

Voorzitter. Tot slot. Waarom kan in de vreemdelingenrapportage geen uitsplitsing gemaakt worden tussen gezinshereniging en gezinsvorming? Waarom kan het Centraal Bureau voor de Statistiek dat wel? Met andere woorden: de cijfers die het departement van Justitie presenteert, zijn voor een normale Nederlander niet te volgen. De staatssecretaris wijzigt om de twee, drie jaar de ordening van de cijfers. Dat begint knap vervelend te worden.

Geheel tot slot: hoe gaan wij verder in de wetgeving? Wat is de planning? Is het doel van de staatssecretaris om deze wetswijzigingen per 1 januari 2010 in het Staatsblad te hebben? Hoe gaan wij dat doen?

Mevrouw Azough (GroenLinks): U hebt kritiek op de rechtsbijstand. Op uw toon ga ik verder niet in, maar ik neem aan dat u ook zijn oprechte zorgen ziet. Ik heb veel individuele rechtshulpverleners gesproken die oprechte zorgen hebben over de vertrouwenspositie die zij moeten kunnen opbouwen en over de continuïteit in de procedure. Ik neem aan dat u daar ook oog voor heeft.

De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. Mevrouw Azough stelt een heel goede vraag. Het gaat om het vinden van evenwicht. De rechtshulp bij asielaanvragen mag niet, zoals in de door de ACVZ voorgestelde procedure, weken gaan duren. In de algemene asielprocedure moet je fatsoenlijk met de asielzoeker omgaan. Je moet de man of vrouw rechtshulp verlenen. Maar om nu te zeggen dat je een vertrouwensband moet opbouwen, waarbij de man of vrouw zich geheel op zijn of haar gemakt voelt, dat het duidelijk is dat het een onafhankelijke rechtshulpverlener is en dat het niemand van de Staat is, dat de rechtshulpverlener geen bedreiging is – dat lees je ook wel in de stukken – dat gaat mij eerlijk gezegd te ver. Ik wil in dat opzicht een vrij strakke, juridische rechtshulpverlening, beperkt tot de feiten en niet zo zeer tot vertrouwensrelaties.

Mevrouw Azough (GroenLinks): U schetst nu een behoorlijke karikatuur. Het gaat om een verruiming van 5 naar 8 uur. Het grootste probleem is vooral het feit dat het op vaste beslismomenten moet gebeuren. Dat betekent dat de planbaarheid wel vooruitgaat, zoals in de EAUT (ex ante uitvoeringstoets) staat, maar dat de continuïteit in gevaar dreigt te komen of in ieder geval nog sterker onder druk komt te staan dan nu al het geval is. Daar gaat het vooral om.

De heer Van de Camp (CDA): Mevrouw Azough, daar ben ik het mee eens. Ik heb gezegd dat de algemene asielprocedure die wordt voorgesteld in de brief van de staatssecretaris ons nog niet brengt bij wat wij nastreven. Daarnaast heb ik een meer kritische algemene opmerking gemaakt over de toon van met name de VAJN in de trant van: jullie moeten dit, jullie moeten dat, ze hebben dit, ze hebben dat. Dat vind ik een beetje overmatig.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Er wordt ook in deze Kamer vaak gezegd dat er niet over de toon moet worden gediscussieerd, maar ik wil dan van de CDA-fractie horen wat zij voorstelt. Hoe wil zij de voorstellen van de staatssecretaris amenderen om ervoor te zorgen dat die procedure meer voldoet aan haar eigen wensen?

De heer Van de Camp (CDA): Deze gelegenheid om te herhalen wat ik in eerste termijn heb gezegd, wil ik natuurlijk graag...

De voorzitter: U zou er ook naar kunnen verwijzen.

De heer Van de Camp (CDA): U bent nog slimmer dan ik, voorzitter.

Nee, mevrouw Azough, mijn huidige inschatting is dat wat nu is voorgesteld met de 8 dagen, te kort is, ook voor de rechtshulp en ook voor de asielzoeker. Wij hebben ook te maken met processturing door de IND – daar wil ik ook best een kritische opmerking over maken – die overigens sterk verbeterd is, daarover geen misverstand, maar het kan nog beter. Ik wil de rustperiode, maar ook het verblijf in de TNV gebruiken om de algemene asielprocedure beter in te leiden.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. De opmerking van de heer Van de Camp over fatsoenlijke rechtshulp triggerde mij. Bij re-integratie van werklozen hebben betrokkenen ook niet voortdurend met een andere persoon te maken die hen begeleidt naar een baan. Wij vinden dat zij niet van het kastje naar de muur gestuurd mogen worden. Wij vinden dat ze door één persoon geholpen moeten worden. Is fatsoenlijke rechtshulp ook niet dat je niet voortdurend met andere advocaten te maken hebt, maar dat je zo veel mogelijk naar één rechtshulpverlener gaat?

De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. Deze vraag heb ik beantwoord. In optima forma vind ik een een-op-eenrelatie gewenst, maar niet verplicht. Als in de algemene asielprocedure, die bijvoorbeeld 10 of 12 dagen wordt, de rechtshulpverlener niet kan komen omdat hij andere verplichtingen heeft, bijvoorbeeld omdat hij voor een civiele zaak naar de rechtbank moet, dan komt er wat mij betreft een andere rechtshulpverlener. Het proces wordt daardoor wat mij betreft niet vertraagd.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Een keer je collega vervangen, is niet het punt. Het punt is dat je voortdurend je dossier overdraagt aan een ander, die zich weer moet inlezen en vervolgens weer met de betreffende persoon moet praten en stappen moet zetten. Het gaat niet om vervanging, maar om de overdracht van een dossier. Dat kan de heer Van de Camp toch niet als zorgvuldig betitelen.

De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. Als wij in dit proces het telehoren en het teletolken kunnen invoeren, dan kunnen mevrouw Koşer Kaya en ik wellicht dichter bij elkaar komen.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Voor ons zijn bij asiel drie punten altijd belangrijk geweest. Zij komen ook in dit voorstel naar voren, omdat het eigenlijk over alles gaat. Het eerste punt betreft de vraag of wij mensen die hier komen een redelijke kans en goede rechten geven om aan te tonen dat zij daadwerkelijk vluchteling zijn en of de procedure goed en zorgvuldig is. Het tweede punt is de vraag wat wij met de mensen doen die op enig moment zijn uitgeprocedeerd. Vertrekken zij met onbekende bestemming of keren zij daadwerkelijk terug naar het land van herkomst? Wat doen wij met de mensen die hier nog legaal zijn, maar een andere procedure zijn ingegaan? Sommige collega’s zien dat niet graag, maar zij zijn er in onze rechtsstaat. Komen zij op straat terecht of kunnen zij procederen vanuit een opvanglocatie? Het derde punt betreft de vraag of wij ervoor zorgen dat mensen daadwerkelijk terugkeren naar het land van herkomst in plaats van dat zij ergens op straat verdwijnen met onbekende bestemming. Krijgen wij het met elkaar voor elkaar dat die mensen perspectief in Nederland hebben of perspectief in het land waar zij vandaan komen?

Ik dank de staatssecretaris voor de brief, de evaluatie en de uitwerking van de paragraaf in het regeerakkoord. Mijn collega is hier al op ingegaan. Wat de procedure betreft, is onze zorg met name of wij wel de doelstelling halen die in het regeerakkoord is afgesproken. De doelstelling was dat door de verandering van de procedure er minder herhaalde aanvragen zouden komen. Ook in de stukken staat dat dit minder zal voorkomen. Ik zie vooral termen staan zoals «minder vaak». Het wordt nooit omgezet in wat ongeveer de verwachting is. Om welk percentage gaat het? Ik vind dat de Kamer meer houvast nodig heeft om daarop te kunnen sturen. Dat is belangrijk, want zij moet uiteindelijk beoordelen of het wetsvoorstel voldoende is. De Kamer moet echt meer houvast hebben over wat «minder vaak» inhoudt en waar dat op wordt gebaseerd. In de begroting zal dit uiteindelijk ook terugkomen.

Ik noem onze zorgpunten. Een aantal zaken is al uitgesproken. Ik noem de 6plus 8-dagentermijn. Wij nemen de kritiek serieus, dat men betwijfelt of dit qua zorgvuldigheid voldoende is. Dat is de eerste zorg. Over de tijdelijke noodvoorziening sluit ik mij aan bij mijn collega Van de Camp.

Ik vind het zeer interessant om te bekijken of er ook niet aan de voorkant winst geboekt kan worden. In de suppletoire begroting is daarvoor een bedrag opgenomen, omdat de gemiddelde tijd naar 60 dagen is opgelopen. Ik vraag mij dan wel af waarom wij aan het prutsen in de marge zijn met de 6 + 8 dagen, als 60 dagen ervoor al verloren gaan in de tijdelijke noodvoorziening. Misschien valt daar wel veel winst te boeken. Dat heeft te maken met de werkprocessen van de IND. Graag een reactie. Een zorgvuldige procedure is ons een lief ding waard. De rechtsgang dient daarin op een goede manier te kunnen plaatsvinden, er dienen voldoende uren te zijn en men dient bij voorkeur te maken te hebben met één asieladvocaat.

Ik kom op mijn tweede punt. Komen er inhoudelijke criteria voor de overgang van de algemene asielprocedure naar de verlengde asielprocedure? Ik heb de indruk dat er voor de periode tussen de AC- en de OC-procedure geen sprake is van criteria, maar dat dit afhankelijk is van de aanwezige werkcapaciteit. Dat is mij weer iets te willekeurig. Dan kunnen wij regelen wat wij willen en een heel zorgvuldige procedure bedenken, maar als het elders vastloopt, hebben wij er nog niets aan. Ik wil dus weten wat het inhoudelijke criterium is voor de overgang van die twee procedures. Wanneer wordt een zaak doorgestuurd van de algemene asielprocedure naar de verlengde asielprocedure? Op dit moment is er volgens ons geen inhoudelijk criterium opgenomen. Wat is het bezwaar tegen het hanteren van een criterium? Welke bezwaren heeft de staatssecretaris tegen het op elk moment gedurende de algemene asielprocedure door kunnen sturen naar de verlengde asielprocedure?

De heer Van de Camp (CDA): Kunt u een voorbeeld daarvan geven? Wat moet ik mij voorstellen bij een inhoudelijk criterium om te bepalen of je overgaat van de algemene naar de verlengde procedure?

De heer Spekman (PvdA): Medische zaken worden nog in een aparte brief aan de orde gesteld. Ik kan mij echter voorstellen dat op enig moment wordt geconstateerd dat sprake is van dusdanige traumatische ervaringen dat wij meer tijd moeten hebben om dat verhaal boven water te halen. Dat heeft alles te maken het Istanbul-protocol. Ik kan mij voorstellen dat dit soort zaken een rol kan spelen.

De heer Van de Camp (CDA): U hebt het dan niet primair over het ontbreken van identiteitspapieren.

De heer Spekman (PvdA): Ik zoek naar een manier waarop de Kamer grip kan krijgen op de situatie wanneer het besluit wordt genomen of iemand van de AAP (algemene asielprocedure) naar de VAP (verlengde asielprocedure) wordt overgeheveld. Ik zie dat dit in de huidige praktijk samenhangt met de capaciteit van de IND en met de bulk van de instroom. Ik vind dat ongewenst, want de afspraak in het regeerakkoord was dat er een nieuwe procedure zal komen die korter is dan de huidige verlengde procedure en die zo veel mogelijk het herhalen van aanvragen zal voorkomen. Ik stuur op die doelstelling.

Voorzitter. Mijn tweede punt heeft te maken met de meer procedurele kant van dit verhaal. Wij hadden het idee dat er nog overleg is tussen de staatssecretaris en de asieladvocatuur over de invulling van de 8-dagenprocedure. Ik wil graag dat de Kamer een brief krijgt alvorens zij hierover verder debatteert, want dit krijgt nog een vervolg in de zin van wat het resultaat is en of er overeenstemming is bereikt.

Wij vinden het van wezenlijk belang dat de gezondheidscheck aan de voorkant plaatsvindt. Ook daarover komt een brief. Wij hebben een brief ontvangen van Pharos. Heeft er overleg plaatsgevonden tussen de staatssecretaris en Pharos? Zo ja, wordt dat betrokken bij de brief aan de Kamer?

Mijn tweede punt is de opvang. Wij vinden dat wij het «met onbekende bestemming vertrokken» zo veel mogelijk moeten voorkomen. Dit is ook een afspraak in het bestuursakkoord. Volgens mij vindt iedereen in de Kamer dat wenselijk. Ook daarbij wil ik iets meer houvast hebben van de staatssecretaris dan alleen de kwalificatie «wij gaan het meer voorkomen dan in het verleden». Wij kunnen het nooit helemaal voorkomen, want als iemand echt de kont tegen de krib gooit, dan houdt het op een gegeven moment een keer op, maar wij moeten wel verder komen dan de afgelopen jaren, waarin 70% met onbekende bestemming is vertrokken.

Een geheel ander punt is de opvang van de mensen die hier nog regulier zijn. Ook daarover is een afspraak gemaakt in het bestuursakkoord. Er zijn in het overleg met gemeenten allerlei verschillende groepen geïdentificeerd van mensen die nu regulier in de noodopvang verblijven. De grootste groep is op medische gronden, 35%, een kleine groep betreft verblijf bij kind. In het asieldebat gaat het constant om een evenwicht tussen het zoeken en het vinden van rechtvaardigheid en het voorkomen van misbruik. Dat is een wankel evenwicht waarin iedereen politiek gezien anders staat. Dat evenwicht is wel van belang, want als wij vinden dat wij een bepaalde groep die nog legaal in Nederland is, moeten opvangen, dan moeten wij ons altijd vergewissen of andere mensen daar misbruik van maken door bewust die procedure in te gaan, en opvang en uitstel krijgen op oneigenlijke gronden. Ik ben van opvatting dat de Kamer geen zieke mensen op straat moet willen. Er zijn te veel voorbeelden, die iedereen waarschijnlijk wel kent, van vreselijke crepeergevallen, zoals in Utrecht een meisje met aids, dat zich openlijk prostitueerde. Dat is niet goed voor de stad, niet goed voor het meisje, dat haar eigen leven kapot maakt, maar het is ook gevaarlijk en risicovol voor de samenleving, voor al die mannen die het met het meisje doen en daar weer de vriendinnen van. Dat willen wij niet. In de beantwoording van de vragen staat: wij kunnen geen filter bedenken om te voorkomen dat deze mensen opgevangen moeten worden zonder dat wij misbruik uitlokken. Ik vind dat wij wel een filter kunnen bedenken met elkaar, althans ik ben van opvatting dat dit filter er is.

De voorzitter: U heeft nog één minuut.

De heer Spekman (PvdA): Het filter is er in mijn ogen, als je als algemeen uitgangspunt neemt dat de bewijslast inzake de medische situatie bij de ex-asielzoeker ligt. Het is van belang dat de procedure zo wordt ingericht dat voordat de betrokkene een medische aanvraag indient, een volledig medisch dossier wordt aangeleverd en een verklaring omtrent de medische situatie, en dat er ook een toestemmingsverklaring door de asielzoeker wordt verstrekt. Er dus wel degelijk een filter te maken. Er kan ook nog een medische check plaatsvinden door de IND in geval van twijfel. Dat vinden wij terecht, maar zieke mensen horen niet op straat. Ik ben benieuwd naar de opvatting van de staatssecretaris over de andere reguliere groepen, maar onze bodem ligt bij: zieke mensen niet op straat. Ik zie ook graag dat de staatssecretaris contact opneemt met minister Klink, want een deel van de mensen die op straat belanden, behoort wellicht in de intramurale opvang zoals een ziekenhuis of in de ggz, alhoewel dat gisteren in Amsterdam niet bepaald een pretje leek, maar dat terzijde. Tot zo ver de reguliere opvang.

Mijn laatste onderwerp betreft de effectiviteit van de terugkeer. Ik noem daarbij een klein punt. Een goede club, de stichting Wereldwijd uit Maastricht, zorgt er met veel vrijwilligers voor dat asielzoekers worden voorbereid op de terugkeer naar de landen van herkomst. Zij doen dat overigens met veel succes. Het is een sympathieke club die wordt gedragen door vrijwilligers. De stichting dreigt om te vallen, omdat zij draaien met behulp van enkele professionals. Dat stelt overigens niet zo veel voor. Ik wil graag dat de staatssecretaris contact opneemt met de minister voor WWI om na te gaan of er een oplossing gevonden kan worden voor deze club. Wij hebben er uitgebreid over gesproken bij de begrotingsbehandeling. Wij moeten juist gebruikmaken van de krachten in de Nederlandse samenleving om de asielzoekers die echt terug moeten keren, perspectief te geven in het land van herkomst. Alle steun is dan welkom.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Zorgvuldigheid en snelheid, streng en rechtvaardig, zijn van die woorden die je telkens terughoort en terugleest in de stukken. Wij zijn het met al die trefwoorden van harte eens. Het is nodig dat wij zorgvuldigheid betrachten, dat beslissingen die worden genomen, deugen, maar ook dat dit snel gebeurt, dat het een streng, restrictief beleid is, maar ook rechtvaardig, dat mensen die in aanmerking komen voor hulp en opvang hier niet meer door allerlei procedurele belemmeringen er toch niet voor in aanmerking zouden komen. Het probleem is dat die zaken elkaar vaak bijten en dat zorgvuldigheid kan betekenen dat je voor de vraag komt te staan of je moet ingaan op het verzoek om toch nog een document naar voren te mogen brengen, wat eindeloos duurt, als het ooit komt. Ook streng en rechtvaardig kunnen elkaar bijten. Dat zijn de dilemma’s, want op het algemene niveau van de trefwoorden die ik noemde, is er wel brede overeenstemming.

Het is goed dat wij de discussie daarover kunnen versterken door terug te kijken naar de evaluatie van de Vreemdelingenwet en de plannen die daar vervolgens door dit kabinet aan verbonden worden, de beleidsvoorstellen voor de nieuwe procedure. Ik weet dat deze staatssecretaris ook de nieuwe Vreemdelingenwet van nabij kent, omdat zij destijds als woordvoerder daarbij betrokken was. De heer Kamp zei terecht dat hij de enige onderhandelaar was die nu nog als Kamerlid aanwezig is, maar er waren wel andere Kamerleden bij, zoals ikzelf, niet als onderhandelaar, maar als kritische waarnemer van wat er in de onderhandelingen tijdens de wetsbehandeling boven water kwam. Na de bekende woorden van staatssecretaris Cohen bij dat debat was het te ingewikkeld om de voorstellen in dualisme te behandelen. Er moest wel eens wat achter de schermen gebeuren. De heer Van de Camp weet ook nog wel dat het CDA toen tegen de nieuwe Vreemdelingenwet stemde, omdat het allemaal niet goed genoeg was. Zo hebben wij allemaal onze eigen herinneringen aan de nieuwe Vreemdelingenwet.

Ik heb destijds zelfs in de procedure het KISS-principe geleerd, keep it short and simple. Dat was vooral nodig op het terrein van het vreemdelingenrecht: kortere procedures, betere kwaliteit van beslissingen in eerste aanleg en verminderen van de mogelijkheden tot doorprocederen. Gegeven de doelstellingen van de Vreemdelingenwet zijn er, zeker vergeleken met de situatie ervoor, belangrijke verbeteringen tot stand gebracht, maar uit het rapport van de evaluatiecommissie en de reacties blijkt dat over de doelstellingen nog wel het nodige is te zeggen. Er gaan nog dingen mis. De zorgvuldigheid van beslissingen staat in de korte procedure onder druk. De normale procedure duurt vaak weer te lang. De positieve effecten van het volgtijdelijk statussysteem worden beperkt door het capaciteitsbeleid.

Wij staan, bezien in het licht van de evaluatie, positief tegenover de hoofdlijnen van het beleid zoals dit door de staatssecretaris in haar brief van 24 juni is gepresenteerd. In de eerste plaats moeten wij kijken naar verdere verkorting van de procedure, maar de zorgvuldigheid ervan in het aanmeldcentrum moeten wij juist verbeteren. In de tweede plaats moeten wij voorkomen dat asielzoekers met rechtmatig verblijf, maar ook andere ex-asielzoekers met welke achtergrond dan ook, op straat terechtkomen. Dat is en blijft altijd onwenselijk. In de derde plaats moet het aantal herhaalde aanvragen verminderen. Het lastige maar belangrijke sluitstuk van het vreemdelingenbeleid is dat degenen die hier niet mogen blijven, ook daadwerkelijk het land verlaten. Het is goed dat wij vandaag verder over de voorstellen kunnen spreken.

De rode draad is de vraag of de voorstellen helpen om dat te bereiken. Dat zal voor een deel in de toekomst kijken zijn, en afwachten of dat echt gaat lukken. Maar ik stel er wel een paar vragen over. Over het onderscheid tussen de algemene en de verlengde procedure wordt terecht door de UNHCR opgemerkt dat het onduidelijk is hoe het zit met het tijdpad van de verlengde procedure en dat een nadere uitwerking gewenst is, waarbij de flexibiliteit van termijnen in de verlengde procedure een belangrijk aandachtspunt vormt. Maar ook bij het spreken over tijden die ter beschikking staan, moet worden opgemerkt dat wachttijd vaak wordt veroorzaakt door werkvoorraden en capaciteitsvermindering. Daar ligt een kernpunt. Wij hebben het lang niet altijd alleen over het systeem van de wetgeving, maar ook puur over welke capaciteit beschikbaar is en de wijze waarop wordt omgegaan met de werkvoorraden. Gegeven de begrotingssystematiek blijft het probleem dat zij aan de instroom is gerelateerd en niet aan de snelle verwerking van de bestaande voorraden.

Het invoegen van extra rusttijd vinden wij op zichzelf een sympathieke gedachte, maar het blijft een reëel punt dat wordt tegengegaan dat ook voorbereiding «ten kwade» plaatsvindt, dan wel wordt gestimuleerd. Is rusttijd altijd nodig? Soms is juist directe behandeling beter. Welke uitzonderingen op de rusttermijn heeft de staatssecretaris in gedachte?

Het doorprocederen, de voorraden. De introductie van een volgtijdelijk statussysteem zou de mogelijkheden voor doorprocederen verminderen, maar de verwachte gunstige effecten worden te niet gedaan door capaciteitsbeleid. Ik zei zojuist al dat als gevolg van het begrotingsbeleid, de capaciteit is aangepast aan de instroom en niet aan de voorraad. Het is zaak om de verwerkingscapaciteit van de IND te flexibiliseren. Ik las in de stukken dat het COA meldde dat – het is al even geleden – het residu van niet-tijdig afgedane zaken groeit, zoals ook op veel grotere schaal het geval was onder de oude wet. Dat vinden wij een belangrijk punt. Wij hebben de discussie gehad rond het generaal pardon. Dat zou allemaal een gevolg zijn van wat er in het verleden mis is gegaan. Met de nieuwe Vreemdelingenwet zou het echter allemaal beter worden. In de toekomst hoeven wij niet meer bang te zijn dat wij weer voor zo’n dilemma komen te staan. Als dat werkelijk iets eenmaligs was en niet meer terug zou komen, dan zou met kracht voorkomen moeten worden dat er op termijn weer nieuwe voorraden ontstaan, dat residu zoals eerder genoemd door het COA.

De voorzitter: U hebt nog één minuut.

De heer Van der Staaij (SGP): Dan beperk ik mij nog tot een opmerking over de opvang. De essentiële vraag – ik stel deze onder andere bezien in het licht van de reactie van de VNG op dit punt – is of wij nu echt met dit beleid gaan voorkomen dat mensen op straat belanden. Het bestuursakkoord bevestigt de positieve betrokkenheid van de gemeenten, maar lost niet alle problemen op. Je blijft er toch mee zitten dat – ook particuliere organisaties of particulieren hebben hiermee te maken – het niet aan iemand te zien is of niet onmiddellijk is vast te stellen wat iemands status is en of hij wel of niet een rechtmatig verblijf hier heeft. Hoe dan ook moeten wij daarom te allen tijde voorkomen dat mensen die hier niet mogen blijven toch op straat rondzwerven. Wij kunnen van particulieren, van particuliere organisaties, van kerken, van wie dan ook, niet verwachten dat zij de gordijnen sluiten en de deur dicht houden voor mensen die op straat lopen, omdat zij hier niet zouden mogen verblijven. Het is een taak van de overheid om mensen ofwel opvang te bieden dan wel ervoor te zorgen dat zij daadwerkelijk uitgezet worden. Houden wij op dit punt toch niet een problematische restcategorie?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Ik neem het dossier van mijn collega Pechtold over. Ik moet u zeggen dat het niet meevalt, ook als invaller, om een dossier helemaal tot je te nemen en alle techniek te doorgronden. Van het KISS-principe had ik niet gehoord, maar het klonk in ieder geval interessant.

Voorzitter. Asielbeleid is een lastig onderwerp. De publieke discussie is scherp en wordt gekenmerkt door grote tegenstellingen. Individuele zaken zijn altijd uniek en moeilijk te beoordelen. Het opnemen van nieuwkomers brengt grote uitdagingen met zich voor de samenleving, maar bovenal heeft het asielbeleid een enorme impact op het leven van individuele personen, van zeer kwetsbare personen, kan ik wel zeggen. Het is met name daarom dat goede rechtsbescherming van asielzoekers en een zorgvuldige en snelle asielprocedure zo ontzettend belangrijk zijn. De Vreemdelingenwet 2000 is opgesteld juist om die zaken te verbeteren. De commissie-Scheltema constateert dat de Vreemdelingenwet 2000 beter is dan haar voorganger, met name wat betreft opzet en systematiek. Dat lijkt mij winst.

Toch is de afgelopen jaren gebleken dat er nog een en ander schort aan het asielbeleid. Dat ligt deels aan onvolkomenheden in de wet, maar vooral ook aan de interpretatie en uitvoering van de wet. Ik licht er drie punten uit. Het eerste is dat de beschikkingen genomen in het AC, dus de korte procedure, minder zorgvuldig zijn dan de beschikkingen genomen in de normale procedure, zo constateert de commissie. Dat lijkt mij een ernstige constatering, aangezien zorgvuldigheid van groot belang is. Het geeft ook nog maar eens aan dat wij zeer terughoudend moeten zijn met het afhandelen van asielaanvragen in de korte procedure. Alleen als met grote zekerheid is vast te stellen dat een aanvraag gegrond of juist niet gegrond is, mag een aanvraag in de AC-procedure worden afgehandeld.

De commissie-Scheltema – dit is mijn tweede punt – stelt ook dat de normale procedure te lang duurt. Deze moet worden ingekort. De lange procedures brengen grote onzekerheid en stress met zich voor de mensen die het betreft en kosten voor de samenleving. Ten slotte schrijft de commissie-Scheltema dat het veld de inperking van de rechterlijke toetsing ex-nunc door de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State als te groot beschouwt. De afdeling gaat met deze inperking verder dan de wetgever bedoeld heeft. Het doel van minder herhaalde aanvragen wordt daardoor mogelijk niet gehaald en de rechtsbescherming van asielzoekers wordt aangetast. Hier blijkt dat de wet op dit punt niet tekortschiet, maar dat door jurisprudentie een andere invulling is gegeven aan de rechterlijke toets dan door de wetgever is bedoeld. Mijn fractiegenoten Pechtold en Van der Ham hebben deze problemen onderkend en een wetsvoorstel ingediend, dat de rechterlijke toets weer in lijn brengt met de oorspronkelijke bedoeling. Het kabinet heeft naar aanleiding van het rapport van de commissie-Scheltema voorstellen gepresenteerd voor aanpassing van de asielprocedure. Een goede gelegenheid, lijkt mij, om een volgende grote slag te maken om de zorgvuldigheid en snelheid van de asielprocedure en de rechtsbescherming van de asielzoeker te vergroten. Maar helaas blijven de voorstellen van het kabinet achter bij onze verwachtingen.

Er zijn positieve elementen in de plannen, laat ik dat vooropstellen, bijvoorbeeld de verruiming van de mogelijkheden tot het inbrengen van nieuwe omstandigheden in het hoger beroep, dat het kabinet overneemt uit het wetsvoorstel-Pechtold/Van der Ham. Maar wat overheerst, zijn toch de gemiste kansen en zelfs verslechteringen. Ik noem een paar belangrijke punten.

Mijn eerste punt is de verkorte procedure als standaardprocedure. Het kabinet stelt dat zijn voorstellen zowel de snelheid als de zorgvuldigheid van de asielprocedure ten goede komt. Mijn fractie is er niet van overtuigd dat dit het geval zal zijn. De grootste zorg die wij hebben, is of met de voorgestelde aanpassingen de AC-procedure, die toch als uitzondering bedoeld was, niet in licht opgetuigde vorm nu de standaardprocedure wordt. Daarnaast weigert het kabinet om duidelijke criteria op te stellen voor welke zaken wel en welke niet in de AC-procedure afgehandeld kunnen worden. Collega Spekman sprak er ook over. Ik hoop dat de staatssecretaris hierover nog eens goed wil nadenken.

Een tweede punt van zorg is het vele wisselen van de advocaten. Door de strakke planning en de inroostering van juridische bijstand krijgt een asielzoeker gedurende de korte procedure te maken met verschillende advocaten. Dat lijkt mij overigens ook erg kostbaar. Ik vind dat moeilijk te rijmen met het streven naar zorgvuldigheid. Wat mij betreft, betekent zorgvuldigheid ook dat de asielzoeker wel degelijk een vertrouwensrelatie op kan bouwen met zijn advocaat en dat een asielzoeker zo veel mogelijk wordt bijgestaan door dezelfde advocaat. Kan de staatssecretaris aangeven wat zij gaat doen om dit probleem op te lossen?

Een derde kritische opmerking is dat mijn fractie teleurgesteld is dat het kabinet in zijn plannen nog niet het volledige wetsvoorstel-Pechtold/Van der Ham heeft omarmd. Het betreft een breed gedragen wetsvoorstel met concrete verbeteringen van de rechtsbescherming van de asielzoeker. Ik weet dat in het verleden in ieder geval collega’s van de PvdA het wetsvoorstel ook steunden. Ik hoop dat zij dat blijven doen. Als de voorstellen worden overgenomen, komt dat de zorgvuldigheid ten goede. De staatssecretaris zou dit moeten nastreven en het zou haar moeten aanspreken.

De voorzitter: U heeft nog één minuut. De heer Spekman heeft een vraag.

De heer Spekman (PvdA): Volgens mij heb ik al anderhalf jaar geleden bij het schriftelijk verslag op het wetsvoorstel positief gereageerd. Wij wachten volgens mij alleen nog op de uitwerking van het wetsvoorstel van uw eigen fractie.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Wij zijn met de nota naar aanleiding van het verslag bezig. Alleen wij krijgen tot op heden niet de gewenste ondersteuning van de kant van het kabinet. Ik geloof dat er inmiddels een toezegging is en dat wij de nota naar aanleiding van het verslag binnenkort kunnen maken. Ik ben heel blij met de toezegging van de PvdA-fractie dat zij het wetsvoorstel zeer sympathiek vindt en zal steunen.

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris op het hart drukken, haar oor nog eens goed te luisteren te leggen bij al die professionals en vrijwilligers die dagelijks zien, welke gevolgen de tekortkomingen hebben. Het huidige asielbeleid heeft namelijk tekortkomingen. Luisteren naar hun bezwaren zou daarin ook verandering kunnen brengen. Ik twijfel er niet aan dat de staatssecretaris de juiste intenties heeft op dit moeilijke dossier. Ik ben er echter nog niet van overtuigd dat ook de juiste keuzes worden gemaakt. Ik vraag haar om dat wel te doen.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Ik begin dit AO graag met de GroenLinks-visie op hoe de asielprocedure er uit zou moeten komen te zien, een procedure gebaseerd op de verschillende rapporten en adviezen van de commissie-Scheltema tot aan de ACVZ, maar helaas hebben wij weinig tijd, 3 uur, en heb ik heel veel vragen. Ik wil dan ook weinig tijd verliezen met onze opvattingen hierover kenbaar te maken.

Ik begin staccato met de rust- en voorbereidingstermijn. Wij zijn daar positief over. In zekere zin is dit een formalisering van de bestaande praktijk, maar er zijn nog wel enkele vragen. De rust- en voorbereidingstermijn is minimaal 6 dagen, maar in de praktijk, zoals volgens mij de heer Van de Camp al aangaf, loopt deze periode momenteel in de TNV op tot weken, soms maanden. Wanneer is er bijvoorbeeld contact met rechtsbijstand en met VluchtelingenWerk? Wanneer worden de onderzoeken precies uitgevoerd? Hoe worden advocaten hierin tegemoetgekomen? Is er een mogelijkheid tot contra-expertise, als er bijvoorbeeld onderzoeken worden gedaan? Deze vragen worden nu nog niet beantwoord, ook niet in de schriftelijke antwoorden. Ik ga ervan uit dat de uitwerking daarvan van belang is voor ons oordeel ook over wat nu precies de rust- en voorbereidingstermijn voorstelt.

Wat de procedure betreft: mijn fractie heeft grote zorgen over de termijnen, met name bij de algemene asielprocedure. De voorstellen zijn namelijk minder verreikend dan zij in eerste instantie leken. Het gaat in feite maar om 3 werkdagen meer, terwijl er volgens de schriftelijke antwoorden wel bijna twee keer zo veel zaken moeten worden behandeld. In de huidige AC-procedure wordt 22% van de zaken behandeld en straks moet dat 40% worden. Dat is een enorme toename. De vraag is hoe dat precies zal gaan. Rechtsbijstand lijkt meer tijd te krijgen, maar die tijden zijn nog steeds genormeerd. Ook in de EAUT werd duidelijk dat het om een toename van 3 uurtjes gaat, van 5 naar 8 uur. De vraag is hoe de rechtsbijstand precies ingevuld zal worden. Dat zal vooral afhangen van de logistiek, de wijze waarop de praktische organisatie er uit komt te zien, hoeveel zaken er binnen de algemene asielprocedure behandeld moeten worden en hoeveel mensen er überhaupt beschikbaar zijn. Gezien de discussie over de sociale advocatuur en de asieladvocatuur, is dat een zorgelijke ontwikkeling.

In de schriftelijke antwoorden wordt niet echt ingegaan op het probleem dat bijvoorbeeld de correcties en aanvullingen in alle gevallen binnen één dag, dag 4, moeten worden ingediend. Hoe ziet de staatssecretaris dat precies? Wat betekent dat voor de zorgvuldigheid? De staatssecretaris stelt in haar brief dat het vooral zal gaan over waarheidsvinding en dat die ook in deze procedure centraal moet staan. Dan is het van groot belang dat er een voldoende termijn is voor die correcties en aanvullingen. Het lijkt mij logisch dat er een vertrouwensband opgebouwd moet kunnen worden. Het is van cruciaal belang, niet alleen voor de asielzoeker, maar juist ook voor het systeem als zodanig, om ervoor te zorgen dat er niet meer herhaalde aanvragen komen, maar juist minder.

De zorgen die in het veld leven, heb ik heel goed begrepen. Het is van cruciaal belang dat er niet meer discontinuïteit komt zoals nu al het geval is, want laten wij wel zijn, er is nu al sprake van gebrek aan continuïteit. Maar dit moet minder het geval zijn in een nieuwe procedure. Het lijkt ernaar uit te zien dat dit helaas juist niet het geval zal zijn, en dat er meer advocaten op één cliënt komen.

De heer Van de Camp sprak over de toon. Ik kan mij daar veel bij voorstellen. Kamerleden vinden het prettig om een zekere continuïteit in de eigen portefeuilles te hebben om zo expertise, ervaring en kennis op te doen. Dat zal voor een advocaat net zo goed gelden. Hij heeft de professionele plicht, de beroepseer, om zijn cliënt zo goed mogelijk te kunnen helpen. Als je elke keer een dossier over moet nemen, je opnieuw moet inlezen, een cliënt moet leren kennen, betekent dit ook iets voor de wijze waarop je je eigen professionele plicht kunt invullen.

Veel zaken zullen nog steeds naar de verlengde asielprocedure gaan. Het vermoeden is dat het om 55% gaat. De staatssecretaris heeft het in de plannen over een tijdwinst van 8 weken. Dat is veel, 2 maanden. Het is de vraag waar zij dit precies vandaan haalt. Waar baseert zij dat precies op? Dit zijn concrete vragen waarop vooralsnog geen duidelijk onderbouwde reactie is gegeven. Ik hoop dat de staatssecretaris daar in de komende twee uur wel de tijd voor zal vinden. Ik ben benieuwd.

Een verzuchting die vooral in het rapport van de commissie-Scheltema naar voren komt, is dat de lange duur van de huidige OC-procedure – de heer Van der Staaij zei het al – niet alleen in het wetssysteem zit, maar ook in het werkproces, in de beschikbare capaciteit. Deze verlengde asielprocedure lijkt daar vooralsnog geen oplossing voor te bieden. Die zorg delen wij allen. Van links tot rechts is men van mening dat de verlengde asielprocedure niet alleen zorgvuldig moet zijn, maar ook zo snel mogelijk moet zijn afgerond, om op die manier duidelijkheid te geven aan de asielzoeker in kwestie. Gaat hier meer aan gebeuren dan op dit moment het geval is?

Ik wil ook graag weten wat de inschatting van de staatssecretaris is als het om de ernst van de zaken gaat die in de algemene asielprocedure, de korte procedure, wellicht straks de standaardprocedure, zullen worden behandeld. Wij krijgen veel signalen dat dit waarschijnlijk veel zwaardere zaken zullen worden en dat dit weer betekent dat de zorgvuldigheid van het proces, terwijl die zo bekritiseerd werd in de rapporten tot nu toe, niet verbeterd zal worden.

De voorzitter: U hebt nog één minuut.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Dat bedoel ik dus! Wij hebben veel te weinig tijd voor zo’n belangrijk onderwerp. Ik sluit mij kortheidshalve aan bij de kritiek van de heer Spekman op het punt van het inhoudelijke criterium dat nodig is voor het overhevelen van zaken van de AC-procedure naar de verlengde asielprocedure.

Over de opvang heb ik enkele specifieke vragen. Wat gaat de staatssecretaris doen om ervoor te zorgen dat mensen niet voortdurend van de ene naar de andere opvanglocatie moeten verhuizen? Onduidelijk is ook wat er zal gebeuren als er in beroep is gegaan tegen een negatieve beschikking en er geen uitspraak is gedaan door de rechter binnen 4 weken. De staatssecretaris stelt in de schriftelijke antwoorden wel dat dit altijd het geval zal zijn, maar die garantie kan zij hier niet geven, dus wat dan? Zeker gezien het feit dat er veel extra zwaardere zaken zullen worden behandeld door rechters, lijkt mij dat de staatssecretaris die garantie ook in dit AO niet zal kunnen geven. Dan moet er een oplossing worden gevonden voor deze mensen. Wat GroenLinks betreft, is dus ook in hoger beroep opvang noodzakelijk, zeker als het gaat om kwetsbare groepen, zoals mensen met medische problemen.

De VNG heeft grote zorgen over de sluitende aanpak. 100% sluitend is een illusie, maar de staatssecretaris noemt volstrekt geen kwantificeerbare doelstellingen, waardoor het voor de Kamer heel moeilijk is om aan te geven in hoeverre de voorstellen die zij nu doet, een serieuze verbetering zullen zijn.

Over marginale toetsing is de staatssecretaris in zekere zin marginaal. Zij komt in de brieven en de plannen nauwelijks aan bod. De staatssecretaris zegt dat er discussie is. Fijn dat dit zo is, maar ik verwacht van de overheid, van de staatssecretaris dat zij daarin stellingname neemt en ervoor zorgt dat die discussie tot een goed einde komt.

Over de medische check komen wij nog te spreken. Ik kan nu al zeggen dat het mij logisch lijkt dat de Kamer nu geen sluitend oordeel kan geven zo lang er geen uitgewerkt plan voor de medische check is.

De staatssecretaris heeft het over budgetneutraal. Ik ben benieuwd wat dit voor het rechterlijk systeem betekent.

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Wij zijn niet heel erg enthousiast.

De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Wij spreken vandaag gelukkig over de herziening van de asielprocedure. Het overleg is al eens uitgesteld en daar waren wij toen niet blij mee. Nu gooide de Kamer bijna zelf roet in het eten, omdat er een andere actualiteit is waarover zij wil praten, maar gelukkig hebben wij het er vandaag over. Dat is goed, want het is een belangrijk onderwerp.

Mijn fractie bekijkt de plannen van het kabinet voor het vreemdelingen- en asielbeleid voor deze periode als volgt. Allereerst hebben wij het generaal pardon gehad, waardoor er ruimte komt om zaken te verbeteren. Een heleboel dossiers worden opgeruimd en dat loopt goed. Het is nu bijna klaar zelfs, en dat is mooi. Daarna moet de asielprocedure verbeterd worden. Wij willen graag dat er een betere procedure komt, waar mensen sneller doorheen komen. Wij willen niet dat mensen gaan «wonen» in een procedure en dat wij ze er ook in kwijtraken. Dat moet beter worden.

Mijn volgende punt betreft de terugkeer. Wij zijn daar nog niet helemaal tevreden over. De terugkeer is de afgelopen jaren altijd slecht geweest. Er is nog weinig van terechtgekomen. Het op een goede wijze realiseren van terugkeer, zal wat ons betreft het sluitstuk worden.

Er is wel wat kritiek op de nieuwe asielprocedure. Het uitgangspunt van een zorgvuldige en een snelle procedure is goed. Wij zijn blij dat de oude 48-uursprocedure van de baan is. Daar was erg veel kritiek op, namelijk dat er zo veel fout ging en dat het zo snel moest dat de zorgvuldigheid eronder begon te lijden. Wat ons betreft, is de volgorde: zorgvuldigheid eerst, snelheid als tweede. Snelheid is belangrijk, maar zorgvuldigheid is het allerbelangrijkste, want wij hebben niets aan rommelige procedures waardoor mensen zich genoodzaakt voelen om het nog een keertje te proberen. Wij moeten proberen, zo veel mogelijk in één procedure te doen. Wij vinden 8 dagen een prima uitgangspunt om mee te werken, maar wij passen voor een symbolische discussie over één dag meer oféén dag minder. Als wij van een aantal maanden terug kunnen gaan naar een aantal dagen, dan is dat al fantastisch.

Wij sluiten ons aan bij alles wat er is gezegd over wat er precies wel en precies niet in de rusttijd gedaan kan worden. Die rusttijd moeten wij niet volledig vullen, maar als die rusttijd er komt en na 3 maanden een tijdelijke noodvoorziening, vinden wij dat de 6 dagen een prima inleiding kunnen zijn op de asielprocedure. Er wordt nu vooral gewerkt aan het vaststellen van de echtheid van de identiteitspapieren en eventueel andere documenten. Onze vraag is in hoeverre er enige voorbereiding in zit op de verhoren die eraan komen. Het gaat erom dat mensen het echte verhaal gaan vertellen en dat duidelijk is dat zij in Nederland juist verder van huis zijn als zij een slecht of een verzonnen verhaal ophangen. Dat gebeurt en daar moeten wij heel eerlijk over zijn. Wij willen een eerlijke procedure. Die mensen hebben daar uiteindelijk het meest aan.

Over de medische check komt nog een brief begin 2009. Mijn ervaring is inmiddels dat begin 2009 eindigt op 30 juni 2009. Wij hechten er toch wel aan dat dit in de eerste maanden van 2009 zal zijn. Misschien kan de staatssecretaris daar even iets over zeggen. Wij moeten niet pas halverwege 2009 hiermee verder gaan, te meer omdat er na dit gehele verhaal nog een stuk wetgeving komt. Wij willen dat er voort wordt gemaakt. Ik krijg al allerlei geruststellende knipogen van de staatssecretaris en dat is heel fijn, maar misschien is dat een beetje inlegkundig geweest. Mijn excuses. Wij vinden ook dat de medische check moet worden meegenomen in de gehele procedure. Wij vragen bijzondere aandacht voor wat het MAPP regelmatig heeft aangedragen over de wijze waarop moet worden omgegaan met de medisch-psychologische check.

Een andere vraag betreft de opvang. De mensen die in eerste aanleg zijn afgewezen, krijgen daarna 4 weken tijdelijke opvang. Daarin kunnen zij een eventueel beroep afwachten of zij kunnen vragen om een voorlopige voorziening, maar tegelijkertijd moet dat ook een periode zijn waarin zij zich gaan voorbereiden op hun terugkeer. Wat wij de afgelopen jaren horen, ook als wij zelf op werkbezoek zijn, is dat het zo ontzettend belangrijk is met welke mindset je daar bent. Gebruik je de laatste 4 of 12 weken om koste wat het kost nog te proberen, hier te blijven of ben je je daadwerkelijk aan het voorbereiden op je terugkeer. Dat mentale omslagpunt moet bereikt worden. Wij vragen ons af of dat elkaar in die 4 weken niet in de weg gaat zitten. Ik vraag de staatssecretaris om daarop te reageren.

De staatssecretaris geeft in haar brief over terugkeer een aantal algemene lijnen waar zij de komende tijd mee aan de gang wil gaan. Dat is nogal algemeen. Ik kan mij er alles bij voorstellen dat wij willen kijken naar strategische beïnvloeding van de overheden op zaken waarbij het nog erg moeilijk gaat en dat wij willen proberen, dingen via ontwikkelingsprojecten te doen. Dat is goed, maar dat zal toch verder gespecificeerd moeten worden. Heel specifiek vragen wij hoe het gaat met de DT&V. Wij hebben de dienst het afgelopen anderhalf jaar wel het voordeel van de twijfel gegeven.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Dat is nu afgelopen?

De heer Anker (ChristenUnie): Wij kunnen er niet eeuwig mee doorgaan. Heel specifiek vraag ik hoe de aansluiting is tussen bijvoorbeeld de IND en de DT&V. De resultaten van de DT&V waren niet zo best. Wij hebben behoefte aan goede resultaten. Wij willen weten of in het gehele proces rondom terugkeer specifiek punten zijn aan te wijzen die beter moeten. Misschien is dat de mindset of het perspectief richting terugkeer. Het gaat misschien ook wel heel organisatorisch over de vraag op welke wijze de IND en de DT&V op elkaar aansluiten. Misschien zijn er verbeterpunten. Dat hoeft niet per se in dit kader meegenomen te worden, want ik wil dat wij verder gaan met de wetsvoorstellen op dit onderwerp. Maar dit is wel een hoofdstuk dat er snel op moet volgen, te weten de vraag op welke wijze wij de terugkeer beter op poten gaan zetten.

Mijn laatste vraag betreft de planning van het gehele proces. Hoe ziet die er uit? Er komt in januari nog wat aan. Hoe moet ik dit AO nu zien? Als wij nu dingen willen veranderen, moeten wij dan heel snel ons verhaal rond hebben, zodat de Kamer een signaal kan geven aan de staatssecretaris? Of verwijst de staatssecretaris naar het verhaal over de medische check dat in januari verschijnt en gaat zij proberen, wat zij hier oppakt zo goed mogelijk te verwerken? Zij heeft ook nog een traject met de rechtsbijstand. Hoe ziet het er precies uit? Het is voor de fracties belangrijk, te weten op welke wijze dit AO een vervolg krijgt.

Voorzitter: Kamp

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Zorgvuldigheid in de asielprocedure is in feite de sleutel tot een effectieve en humane procedure. Snelheid is een bekend woord in de asielprocedure. Snelheid is natuurlijk ook van belang, maar mag niet ten koste gaan van de zorgvuldigheid. Mijn fractie vindt dat de staatssecretaris een aantal belangrijke verbeteringen heeft voorgesteld, maar zij heeft ook punten van kritiek. Ik stip die kort aan. Het is goed dat er een officiële rustperiode wordt ingesteld. Ik sluit mij aan bij de vragen over de onduidelijkheid van deze periode.

De medische check is voor mijn fractie buitengewoon belangrijk. Dit is al jaren een bekend probleem in asielkwesties. Mijn vraag is heel simpel wat er precies gaat gebeuren. Waaruit bestaat de medische check? Wie voert deze check uit? Over welke deskundigheid beschikken de betrokkenen? Mijn fractie is ervan overtuigd dat hiervoor mensen ingeschakeld moeten worden die ook thuis zijn in psychische problematieken. Kortom, dit onderzoek moet gedaan worden door gekwalificeerd personeel. Vanzelfsprekend moeten de resultaten van het onderzoek een rol spelen in de asielprocedure. Er komt een brief hierover, maar ik vraag of de staatssecretaris nu al meer duidelijkheid kan geven.

Ik ben zeer benieuwd naar de stand van zaken rond het MAPP, het meldpunt asielzoekers met psychische problemen. De staatssecretaris heeft een tijdje geleden in antwoord op vragen van de Kamer een aantal belangwekkende dingen hierover geschreven. Daar hebben wij ook over gesproken. Wanneer kan een beroep op deze deskundigen worden gedaan? Zij kunnen beoordelen of mensen een coherent verhaal vertellen of niet.

Door de voortdurende wisseling van advocaten kan de continuïteit van de rechtsbijstand in het geding komen. De nieuwe advocaat zal niet direct het vertrouwen van een asielzoeker kunnen winnen. Dit zijn problematische aspecten waarvoor een oplossing moet worden gevonden. Hoe denkt de staatssecretaris hierover?

De algemene asielprocedure, ook wel afgekort als AAP, wordt de standaard. In die procedure moeten zo veel mogelijk beslissingen genomen worden. Alle partijen die de Kamer hierover geadviseerd hebben, constateren echter dat het schema voor deze procedure veel te strak is. Door de complicaties die ongetwijfeld zullen optreden, zal de verlengde procedure wellicht de standaard worden. Dan zijn wij in de AAP gelogeerd, om een flauwe grap te maken.

Naar verwachting zal 55% van de aanvragen van de algemene procedure doorschuiven naar de verlengde procedure. Dat is wel erg veel. Wil de staatssecretaris nog eens ingaan op het advies van de ACVZ, die een veel langere periode voorstelt voor de eerste procedure? Hoe zorgvuldiger de procedure, hoe beter het is. Er valt winst te boeken als je meer tijd neemt voor de algemene procedure zodat je zorgvuldig naar het verhaal van betrokkenen kunt luisteren en je dit ook kunt onderzoeken. Op die manier kunnen herhaalde aanvragen voorkomen worden.

De heer Van de Camp (CDA): Wij hebben met grote belangstelling het advies van de ACVZ gelezen. De heer De Wit heeft ongetwijfeld ook gezien dat deze commissie een maximale beroepsperiode van 23 weken voorstelt. Ik kan mij niet voorstellen dat de SP van mening is dat een ieder daarvoor in aanmerking komt.

De heer De Wit (SP): Ik heb dit advies ten tonele gevoerd ter illustratie van het feit dat er suggesties zijn om de algemene asielprocedure op te rekken. Ik ben het met u eens. Dat hoeft wat mij betreft ook niet. Het zijn wel twee uitersten: 8 dagen of 23 weken. Ik vraag de staatssecretaris, te bezien of de procedure uitgebreid kan worden. U heeft bijvoorbeeld gesuggereerd om de voorafgaande procedure in te korten. Dat is allemaal bespreekbaar. De termijn van 8 dagen vraagt om problemen waardoor de verlengde procedure de standaard dreigt te worden.

Wij zijn verheugd dat toetsing ex-nunc mogelijk wordt. Net als iedereen die daarover gesproken heeft, betreuren ook wij het dat de staatssecretaris de marginale toetsing niet heeft aangepakt. Wij zijn een warm voorstander van het voorstel van de D66-collega’s Pechtold en Van der Ham om een volle rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Dan krijg je betere beslissingen en dat maakt verschil voor het appel en voor de stapeling van procedures.

Ik sluit mij aan bij de vragen van de heer Van de Camp en mevrouw Azough over de termijn van 4 weken voor de opvang. Ook ik betwijfel of het in die termijn lukt om een beslissing van de rechter te krijgen. Wat gebeurt er als de rechter geen beslissing heeft genomen? Moeten wij niet zo lang de bodemprocedure of de appelprocedure loopt, opvang verlenen?

Ik constateer dat er veelvuldig gebruik zal worden gemaakt van de vreemdelingenbewaring. In het rapport van de Europese Commissie dat een dezer dagen is uitgebracht, wordt herhaald dat alleen in het uiterste geval tot vreemdelingenbewaring kan worden overgegaan en dat dit dan van korte duur moet zijn. Ik denk niet dat wij wat dat betreft op de goede weg zijn. Graag het oordeel van de staatssecretaris daarover.

Voorzitter: De Wit

De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Door de problemen met de geluidsinstallatie ben ik een opmerking vergeten. Heb ik nog tijd voor een nabrander?

De voorzitter: Ja, maar houdt u het kort.

De heer Anker (ChristenUnie): Ik sluit mij van harte aan bij de woordvoerders die hebben gezegd dat mensen met medische problemen niet op straat mogen worden gezet. Ik roep de staatssecretaris op om in een oplossing voor deze mensen te voorzien. Het moet mogelijk zijn om een soort filter te ontwikkelen. Misbruik moet natuurlijk worden tegengegaan, maar degenen die opvang verdienen omdat zij rechtmatig in Nederland verblijven, moeten ook worden opgevangen.

Antwoord van de staatssecretaris

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Dit is een belangrijk debat. Dat kwam ook in de bijdragen van de woordvoerders tot uiting. Het is de eerste grote verbouwing van de Vreemdelingenwet 2000. Wij spreken over de toekomst van de asielprocedure en daarmee over de toekomst van het asielbeleid en het asielstelsel. Wij kijken met nadruk vooruit. Het gaat over de toekomst. Toen de heer Van der Staaij over het verleden sprak, besefte ik dat dit ook wel enigszins een nostalgisch debat is, in ieder geval voor mij persoonlijk. Voor de heer Kamp is dit het laatste algemeen overleg als Kamerlid. Ook de heren Van der Staaij en De Wit zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van de nieuwe Vreemdelingenwet. Er is dus genoeg collectief geheugen in de commissie om de voorgestelde wijzigingen te relateren aan het doel van de Vreemdelingenwet.

Ik heb inmiddels 10 jaar ervaring met de heer Kamp in asieldebatten. Ik heb 10 jaar kunnen luisteren naar zijn opvatting over het asielbeleid in Nederland, zij het met een onderbreking. In zijn eerste termijn beluisterde ik veel steun voor de plannen die nu op tafel liggen, een enkele uitzondering daargelaten. De heer Kamp heeft zijn inbreng gebruikt om een samenvatting te geven van zijn visie op het asielbeleid van de afgelopen 10 jaar. Hij heeft voorgesteld om een aantal maatregelen te nemen. Die maatregelen kunnen wij nemen als wij ons terugtrekken uit de Verenigde Naties, de Raad van Europa, de Europese Unie en als wij een aantal nationale wetten opzij zetten, waaronder de Algemene wet bestuursrecht. Ik noem de VN vanwege het vluchtelingenverdrag en het kinderrechtenverdrag. Het voorstel om alle minderjarige asielzoekers zonder meer terug te sturen, is in strijd met dit laatste verdrag. Ik noem de Raad van Europa omdat het voorstel dat maximaal één aanvraag per persoon gedaan mag worden, betekent dat iemand die asiel heeft gevraagd geen recht heeft op verblijf bij familie. Ik noem de Europese Unie omdat er richtlijnen zijn die verhinderen dat alle uitgeprocedeerden standaard worden opgesloten. De terugkeerrichtlijn maximeert de vreemdelingenbewaring op 6 maanden en dat alleen als er uitzicht is op vertrek. Ik noem de Algemene wet bestuursrecht in verband met het voorstel van de heer Kamp inzake het beroep. Ook andere procedurele voorstellen van de heer Kamp zijn in strijd met de rechtsstaat die Nederland is. Als de voorstellen van de heer Kamp mogelijk waren geweest, dan zou het vorige kabinet – waar de heer Kamp deel van uitmaakte – zeker het initiatief hiertoe genomen hebben, gelet op de uitgesproken mening van de heer Kamp op dit punt. Ik vind de voorstellen niet wenselijk, maar als het mogelijk was geweest, zouden degenen die ze wel wenselijk achtten op z’n minst het initiatief daartoe hebben genomen.

Dit gezegd hebbend, wijs ik erop dat er veel ruimte is voor verbetering. De handhaving van de regels kan zonder meer beter. Daar was overigens het generaal pardon voor nodig. Aanstaande dinsdag wordt daar verder over gesproken, dus ik sta er vandaag niet lang bij stil. Ik wil er echter toch op wijzen dat het wegwerken van het politieke, maatschappelijke en uitvoeringstechnische probleem voorwaarde is voor verbetering van de asielprocedure. Dit verband heeft de heer Van de Camp onder verwijzing naar het coalitieakkoord gelegd. Het generaal pardon geeft ruimte om de asielprocedure sneller en zorgvuldiger te maken. Beide doelen sluiten elkaar zeker niet uit. In de brief leg ik uit dat het ook sneller en zorgvuldiger kan. Daarbij hebben wij gebruikgemaakt van de adviezen van alle ketenpartners die wij hebben gesproken. Dit geldt ook voor het effectiever maken van de terugkeer. Natuurlijk hebben wij niet alle adviezen één op één overgenomen. Dat kan ook niet. Het is mijn verantwoordelijkheid om uit al die adviezen een evenwichtig geheel te distilleren dat werkbaar en uitvoerbaar is. Alle geconsulteerde partijen kunnen delen van adviezen terugvinden in de plannen die de Kamer uiteindelijk hebben bereikt.

Ofschoon ik de maatregelen die de heer Kamp voorstelt niet onderschrijf, stelt hij wel een zeer terechte vraag. In een eerder debat heb ik al gezegd dat die vraag mij ook langer bezighoudt, namelijk of wij in Nederland echt bescherming bieden aan degenen die wij het liefste bescherming willen bieden. Zijn de mensen die wij in Nederland opvangen echt degenen die het meest beschermwaardig zijn? Het vluchtelingenverdrag dateert uit 1951 en toen was er een andere werkelijkheid dan in 2008. Het verdrag is toegeschreven op de individuele asielzoeker die bescherming voor het leven zocht en kreeg. Anno 2008 zien wij steeds vaker groepen vluchten voor crises in hun land zonder dat zij door hun activiteiten persoonlijk gevaar lopen. Het is het waard om over die werkelijkheid na te denken. Ik heb al toegezegd dat ik eind volgend jaar een wat fundamenteler debat met de Kamer over dit onderwerp wil voorbereiden. Dat zal gaan over de vraag of wij de juiste mensen beschermen, over het categoriaal beschermingsbeleid en de uitwerking daarvan, maar ook over opvang in de regio en hervestiging. Eigenlijk is de vraag hoe wij het zouden doen als wij met een schone lei konden beginnen. Daarbij moet wel bedacht worden dat wij niet alleen over deze beslissingen gaan. Nederland kan niet zelfstandig besluiten om het gehele asielbeleid op zijn kop te zetten. Nederland is onderdeel van de Europese Unie, de Raad van Europa en de Verenigde Naties en wil dat ook blijven. Voor alles willen wij de rechtsstaat blijven die wij zijn. Binnen die kaders zal ik de discussie met de Kamer voorbereiden.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Het is altijd goed om fundamentele discussies te voeren. Nu zijn wij echter ook bezig met een fundamentele discussie over het asielbeleid. Heeft de discussie die de staatssecretaris eind volgend jaar – dus wellicht pas in 2010 – wil voeren ook enige invloed op het beleid?

Staatssecretaris Albayrak: Vandaag praten wij over de procedure, ongeacht de uitkomsten van de fundamentelere discussie. Het lijkt mij goed om met elkaar van gedachten te wisselen over de vraag wie wij in Nederland willen beschermen. Een staatssecretaris is niet alleen verantwoordelijk voor de 4 jaar dat zij toevallig in functie is. Alle besluiten en initiatieven die ik nu neem, hebben effect op de toekomst van Nederland in verband met het migratie-instrument. Alleen al daarom is het nodig om zo’n discussie te voeren. Dat staat het doorgaan met de wettelijke trajecten en de procedurele verbeteringen voor de korte termijn niet in de weg.

De voorzitter: Ik heb zojuist gehoord dat wij uiterlijk om vijf uur deze zaal dienen te verlaten. Ik sta slechts één vraag per interruptie toe. Zo nodig, moet ik misschien ook daarop beknibbelen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik wil wel even kort een principieel debat voeren. De staatssecretaris heeft het over de meest beschermwaardige groep asielzoekers. Daaraan moet een volle toetsingsprocedure ten grondslag liggen. De rechtsstaat wordt ondermijnd als de IND het eindoordeel geeft en niet de rechter.

Staatssecretaris Albayrak: U gaat een paar stappen te snel. Ik zal straks ingaan op deze vraag en op het initiatiefwetsvoorstel-Pechtold/Van der Ham.

Ik zal proberen, de vragen van de Kamer zo gestructureerd mogelijk te beantwoorden. Ik ben ervan overtuigd dat de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot een zorgvuldiger asielprocedure, anders had ik die maatregelen ook niet voorgesteld. Ik noem de rust- en voorbereidingstermijn, die niet alleen bedoeld is voor de asielzoeker, maar ook voor de IND. In die tijd vindt ook het onderzoek naar identiteit en nationaliteit plaats. De fysieke faciliteiten van de TNV zullen daarop worden aangepast. Ik noem ook de verlenging van de AC-procedure tot 8 dagen. Ik ga daar straks uitgebreider op in. Ik noem ook de verlenging van de termijn voor rechtsbijstand tot 3 dagen. De uren blijven genormeerd, maar worden wel verhoogd.

Onder anderen de heer Anker heeft gevraagd naar de plaats van dit debat. Ik vraag de Kamer in te stemmen met het voorliggende pakket maatregelen opdat er snel begonnen kan worden met het wetgevingstraject. Het heeft zo lang geduurd omdat ik het nodig vond om alle betrokken partijen te consulteren en daarna een uitgebreid ex ante uitvoeringstoets (EAUT) te doen. Wij wilden in de praktijk toetsen of de voorstellen tot versnelling en verbetering ook werkbaar waren. Dat heeft enige tijd genomen. Vervolgens is de Kamer zo zorgvuldig geweest om ook met betrokken partijen te gaan praten en zij heeft ook nog een schriftelijke ronde gehad.

Na ommekomst van dit debat kunnen wij met het wetgevingstraject beginnen. De wetten zijn de kaders. De concrete plannen worden in de volgende stappen ingevuld. In de eerste plaats is dat de nadere inrichting van de rust- en voorbereidingstermijn. In de tweede plaats is dat de uitwerking van de medische check aan het begin. In de derde plaats zijn dat de afspraken met de rechtsbijstand over de wijze waarop de rechtshulp aan de voorkant zo zorgvuldig mogelijk vorm gegeven kan worden. Over deze drie stappen zal ik de Kamer in het eerste kwartaal van 2009 berichten en dus niet medio 2009, zoals de heer Anker veronderstelde. Wij kunnen met de voorbereiding van het wetgevingstraject aan de gang en tegelijkertijd kan er met de Kamer gesproken worden over de nadere invulling. De inbreng van de Kamer zal ik meenemen, met name in de gesprekken met de vertegenwoordigers van de rechtsbijstand en van de medische wereld.

In het eerste en het tweede kwartaal van 2009 is de adviesronde van de wetsvoorstellen. Ik hoop de wetsvoorstellen voor het zomerreces aan de Kamer te kunnen doen toekomen. Daarna is de planning in handen van de Kamer.

De heer Anker (ChristenUnie): Wordt de procedure van 8 dagen vastgelegd in wetgeving of moet ik dat zien als flankerend beleid?

Staatssecretaris Albayrak: Die wordt niet in de wet opgenomen, maar in de onderliggende regelgeving, waarschijnlijk in het vreemdelingenbesluit. Volledigheidshalve had ik beter kunnen spreken over wet- en regelgeving. Als de Kamer de behandeling van de wetsvoorstellen spoedig ter hand neemt, kunnen wij de inwerkingtreding ervan medio 2010 tegemoet zien.

In verband met de zorgvuldigheid moet ik ook de toetsing ex-nunc noemen. Daar verwacht ik een grote verbetering van. Verder wijs ik er ook op dat de medische problemen helemaal aan het begin van de procedure worden beoordeeld. Bij een eventuele indicatie kan de behandeling dan in een vroeg stadium beginnen, maar dit wordt vooral gedaan om te bepalen of iemand gehoord kan worden. Dit betreft ook de MAPP-procedure, die wij een zo goed mogelijke plek in het geheel van de medische check proberen te geven.

De heer Fritsma wees op de tekortkomingen van de Vreemdelingenwet 2000, zowel bij de terugkeer als bij de reguliere opvang. Hij constateerde terecht dat deze wet een beperkte betekenis heeft gehad voor de terugkeer. Dat is een van de redenen waarom ik in de brief over de nieuwe asielprocedure een aantal belangrijke maatregelen heb aangekondigd. Sommige maatregelen voer ik uit samen met de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Wij hebben onlangs over de reguliere opvang gesproken, met name over de blauwdruk voor een modern migratiebeleid. De heer Fritsma heeft de vragen die hij toen heeft gesteld, vandaag herhaald. Met het oog op de tijd zal ik de antwoorden daarop, die ik al meerdere malen heb gegeven, niet herhalen.

De heer Van de Camp heeft gevraagd hoe de termijn voor de rust- en de voorbereidingstijd benut wordt. Ik heb al gezegd dat er nog een nadere uitwerking van de inrichting van deze termijn komt. Zij duurt minimaal 6 dagen. De huidige ervaringen met de TNV leren ons dat die termijn in de praktijk langer zal zijn. Voor de asielzoeker betekent die een periode van rust, zoals de naam al aangeeft. VluchtelingenWerk kan daarin voorlichting geven en de asielzoeker kan voorbereid worden door rechtsbijstand. Ook vindt in deze termijn de medische check plaats. De IND start het identiteitsonderzoek en het dactyloscopisch onderzoek. Ook het onderzoek naar de echtheid van documenten wordt gestart.

De heer Van de Camp heeft gevraagd naar de verhouding tussen de 6 dagen van de rusttermijn in de TNV en de 8 dagen van de algemene procedure. De rusten voorbereidingstermijn start op het moment dat de asielzoeker zich aanmeldt bij een AC. De IND zal daarna zo snel mogelijk de procedure inplannen. De rust- en voorbereidingstermijn maakt onderdeel uit van de periode dat de asielzoeker in de TNV nieuwe stijl wacht op indiening van de asielaanvraag. Ik heb zojuist uitgelegd waar die tijd voor benut wordt.

De heer De Wit heeft naar het medisch onderzoek gevraagd. Ik heb al gezegd dat de Kamer de nadere invulling daarvan nog tegemoet kan zien. Natuurlijk spreken wij daarover met het MAPP, VluchtelingenWerk, Pharos, het COA, de ggz en de Landelijke Huisartsenvereniging. De KNMG is schriftelijk benaderd. Ik had graag nog voor dit algemeen overleg duidelijkheid willen scheppen over de vormgeving van een en ander, maar het bleek wat ingewikkelder dan gedacht. Het overleg over het model en de invulling daarvan namen meer tijd dan gepland. De organisaties waarmee wij overleggen, moeten daarna terug naar hun achterban voor ruggespraak. Daar gaat helaas veel tijd in zitten. De zorgvuldigheid is echter gebaat bij een goede invulling van de medische check. Overigens lijkt er nu overeenstemming te zijn bereikt, maar de partijen moeten hun achterban hierover nog consulteren. Ik kan al wel zeggen dat het model een afgeleide is van de voorstellen van de ACVZ en Pharos.

De heren Kamp en Fritsma wijzen terecht op het risico van misbruik van de rust- en voorbereidingstijd. Dit risico is niet anders dan het risico dat er nu al is. Wij hebben helaas nogal wat ervaringen met de routes die de heer Kamp redelijk nauwkeurig omschreef. Ik doel op de gekochte verhalen. Het ingewikkelde is dat diezelfde verhalen ook worden gebruikt door vluchtelingen die echt voor bescherming in aanmerking komen. Dat is een nogal diffuse situatie. Je moet aan het begin de vluchteling identificeren die je niet mag terugsturen vanwege gevaar voor foltering of de dood, maar je moet ook de fraudeur er uitpikken. Ik denk dat met die 6 dagen aan het begin ook in dat opzicht de procedure zorgvuldiger kan worden.

In dit soort debatten heerst vaak een sfeer waarin VluchtelingenWerk en de rechtsbijstand worden gezien als samenzweerders met de frauderende asielzoeker en dat het fout is als deze mensen meer tijd krijgen om hun verhaal rond te krijgen. De mensen die ik tegenkom, blijken echter iets anders in elkaar te steken. Over de gehele linie proef ik bij alle organisaties, ook bij de rechtsbijstand, de bereidheid om mee te werken aan de terugkeer van degenen van wie de aanvraag is afgewezen. Men hamert echter wel op snelheid, naast zorgvuldigheid uiteraard. De bal ligt bij ons om ervoor te zorgen dat deze mensen in snelle, effectieve en zorgvuldige procedures hun werk kunnen doen. Ik verwacht ook van de medewerkers van VluchtelingenWerk en van de degenen die rechtsbijstand verlenen dat zij in de rust- en voorbereidingstijd de asielzoeker ervan bewust maken dat het noodzakelijk is om het echte verhaal te vertellen. Daar hebben VluchtelingenWerk en de rechtsbijstand ook belang bij.

De heer Kamp (VVD): De mensen waar u zo dol op bent en die graag snellere procedures willen, staan iedere keer weer klaar om een tweede en een derde procedure te beginnen. Lukt dat niet, dan proberen zij het regulier. Lukt dat ook niet, dan staan ze in de rij om te pleiten voor een generaal pardon. De praktijk is toch heel anders dan u nu schetst?

Staatssecretaris Albayrak: Het is helemaal niet belangrijk of ik dol ben op die mensen. Het gaat erom dat zij een functie vervullen in de rechtsstaat waar ik zojuist uitgebreid over heb gesproken.

Mevrouw Azough vraagt naar de mogelijkheid van een contra-expertise in de rust- en voorbereidingstijd. Als eventuele onderzoeksresultaten al tijdens de rust- en voorbereidingstijd beschikbaar komen, dan zal de IND ervoor zorgen dat deze zo snel mogelijk aan de asielzoeker en/of aan de rechtshulpverlener bekend worden gemaakt, ook als de 6 dagen nog niet verstreken zijn. Dat geeft de asielzoeker en de rechtsbijstandverlener de kans, een eventueel onderzoek in verband met een contra-expertise te starten.

Mevrouw Azough (GroenLinks): De resultaten van die onderzoeken worden dus al tijdens de rust- en voorbereidingsperiode bekend gemaakt.

Staatssecretaris Albayrak: Ja, als dat mogelijk is.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Als dat niet kan, moet in de algemene procedure een gelegenheid worden gezocht om een contra-expertise uit te voeren. Is daar wel voldoende tijd voor? Die periode is tamelijk kort.

Staatssecretaris Albayrak: Als het in het kader van de zorgvuldigheid nodig is, zullen er nadere onderzoeken worden gedaan. Als er nieuwe informatie is, is daar altijd ruimte voor. Ook als in de verlengde procedure nog nadere aanvulling en correcties nodig zijn, dan is daarvoor ruimte.

Mevrouw Azough (GroenLinks): De vierde dag is dus niet zo beslissend als tot nu toe leek. Spreekt u zichzelf niet tegen?

Staatssecretaris Albayrak: Dit is eigenlijk de vraag die ook de heer Spekman heeft gesteld. Hoe kun je bepalen of iemands aanvraag in de eerste algemene procedure al helemaal is afgehandeld? De IND’er bepaalt op grond van de ervaringen op dat moment of een onderzoek in de algemene procedure kan worden afgerond. Als dat niet zo is, dan gaat dit door naar de vervolgprocedure. Er is over nagedacht of er nadere criteria voor de algemene procedure gesteld moeten worden. Dat is echter niet nodig. Uitgangspunt is en blijft dat de zaak zorgvuldig kan worden afgedaan. Er wordt vooral nagegaan of de aanvraag in de algemene procedure zorgvuldig kan worden behandeld zonder dat nader onderzoek noodzakelijk is. Als je criteria invoert, ben je er zeker van dat er vervolgens discussie ontstaat over de vraag of er terecht bescherming is onthouden. Om te voorkomen dat je aan het begin een soort procedure rond de criteria krijgt, kiezen wij daar met nadruk niet voor. Dit zou de asielprocedure in het begin te zeer belasten.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik probeer de staatssecretaris te volgen, maar dat lukt niet. Misschien komt dit doordat ik mij nog niet zo lang met dit dossier bezighoud. Als je geen nauwkeurige criteria hebt geformuleerd, kun je de problemen die de commissie heeft gesignaleerd niet aanpakken. Je zult dus eerst criteria moeten hebben. Die kunnen heel goed geformuleerd worden samen met vertegenwoordigers van VluchtelingenWerk en van de rechtshulp. Met die criteria kun je duidelijk toetsen wanneer er wel of niet besloten moet worden tot verlenging. Nu is het vooral erg willekeurig. Het voorstel van de staatssecretaris leidt juist tot een langere procedure.

Staatssecretaris Albayrak: Als u het er zo uitlicht, dan begrijp ik dat u die algemene conclusie trekt. Het gaat om een onderdeel van een groter geheel. De 6 dagen rust- en voorbereidingstijd worden ook gebruikt om de rechtshulpverlener meer ruimte te geven. De rechtshulpverlener kan zelf een aantal zaken regelen, ook in de voorbereiding van de vervolgprocedure. Als die tijd maximaal wordt benut door de rechtshulpverlener, VluchtelingenWerk en de IND, wordt de planning voor de 8 dagen van de algemene procedure anders. In mijn ogen is die planning redelijk transparant ingekleurd. Wij zullen nog afspraken maken over de voorwaarden voor de rechtshulp om zorgvuldig te kunnen handelen. Als dit allemaal geregeld is, kan de IND een oordeel vellen over de vraag of er binnen 8 dagen een zorgvuldige conclusie is te trekken. Kan dit niet, dan gaat de zaak door naar de verlengde procedure.

De heer Spekman (PvdA): Ik probeer het even andersom. Hoe voorkomen wij dat bijvoorbeeld door capaciteitsproblemen bij de IND mensen onterecht in de verlengde procedure komen? Daar maak ik mij zorgen over. Als Jantje binnenkomt in de maand januari dan heeft hij pech of geluk – afhankelijk van hoe je erover denkt – en als hij in een maand binnenkomt waarin het minder druk is, dan is het andersom.

Staatssecretaris Albayrak: Mijn reactie is tweeledig. Aan de ene kant gaat het zwaartepunt voor de IND naar de algemene procedure. Dit geldt ook voor de inzet van de capaciteit van de IND. Je kunt niet zeggen dat de procedure al langer zal duren. Er vindt een verschuiving in de werkzaamheden van de IND plaats. Aan de andere kant bezien wij of een buffer voor de vreemdelingenketen opportuun is. Daarbij is gebleken dat het inrichten van een ketenconsistente buffer complex is, ook vanwege de hogere instroom. Het gaat daarbij om het derde land-AC en het COA. Wij zullen de behoefte aan een buffer voor de keten in beeld brengen. Dat lijkt mij, zeker voor een deel, het antwoord op uw vraag.

De heer Van der Staaij heeft naar uitzonderingen op de rust- en voorbereidingstijd gevraagd. Dit geldt voor de mensen die al eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel hebben ingediend. Bij een herhaalde aanvraag gaan niet opnieuw de 6 dagen rust- en voorbereidingstijd in. Dat zou ten koste gaan van de efficiency in de vervolgprocedures. Ik denk hierbij ook aan vreemdelingen die vanwege een vermoeden van gevaar voor de openbare orde meteen in procedure genomen moeten worden.

Meerdere woordvoerders hebben over de continuïteit van de rechtsbijstand gesproken. Dit is een van de zorgen die mij bekend zijn. De rechtsbijstandverleners vragen hier bij herhaling aandacht voor. Ik deel hun opvatting dat het niet kunnen waarborgen van de continuïteit zeker geen verbetering van dat deel van de procedure is. Op mijn verzoek is contact gezocht met de asieladvocatuur om te bezien of er toch een oplossing gevonden kan worden voor deze problematiek. Recent is er overleg geweest tussen vertegenwoordigers van de asieladvocatuur en mijn medewerkers. Daarbij zijn constructieve ideeën naar voren gebracht die een begin van een oplossing lijken te bieden. Er is onder andere gesproken over de mogelijkheid om asielzoekers tijdens de rust- en voorbereidingstijd naar het kantoor van een rechtshulpverlener of naar dat van de eventuele vervanger te laten reizen. Daarnaast is gesproken over de mogelijkheid om eventueel aanvullingen en correcties na de vierde dag in te dienen. De rechtshulpverleners hebben daar met nadruk om verzocht. Verder is er gesproken over enkele details. Met het oog op de tijd volsta ik met op te merken dat wij in gesprek zijn. Wij proberen om zo goed mogelijk te luisteren. Via de mogelijkheden die worden aangegeven, proberen wij de continuïteit te bewaken. De nadere uitwerking daarvan volgt in een van de brieven die ik voor het voorjaar heb toegezegd.

De heer Van de Camp heeft gevraagd hoe de gratis rechtsbijstand in andere Europese landen geregeld is. Ik neem aan dat hij in het Europees Parlement de eenheid op dat punt zal bewaken. Dat is heel hard nodig. Enig speurwerk heeft ons geleerd dat de onderscheiden regelingen zo sterk verschillen dat vergelijking nauwelijks mogelijk is. In EU-landen wordt in beginsel gratis rechtsbijstand aan asielzoekers verstrekt. De vorm waarin dat gebeurt, loopt uiteen. Oostenrijk, Frankrijk en Zweden hebben in het algemeen geen gratis rechtsbijstandvoorziening, maar alleen in uitzonderingsgevallen. Die landen hebben ngo’s daarin een grotere rol gegeven en die organisaties worden daartoe ook gefinancierd. Dat laatste doen wij niet. Het is dus niet zo eenvoudig om een vergelijking te maken. Wij streven wel uniformering na, bijvoorbeeld door de procedurerichtlijn. Op grond daarvan is het verlenen van rechtsbijstand verplicht. Deze bijstand dient enkel gratis te worden aangeboden wanneer er negatief is beslist op de asielaanvraag. Verder verplicht de procedurerichtlijn tot het geven van toegang van de rechtsbijstand tot het dossier van de asielzoeker. Die richtlijn is zo minimaal dat de praktijk in veel landen anders is. Dat sterkt mij in mijn oordeel dat wij in Nederland ook ons voordeel kunnen doen met het bieden van ruimte voor de rechtsbijstand aan het begin van de procedure.

Veel leden hebben gevraagd of de AC-procedure de standaard moet worden. Het belangrijkste verschil met de huidige procedure is dat in beginsel alle processtappen tot en met de aanvullingen en correcties worden doorlopen in de algemene fase, ook als de zaak verder in de verlengde procedure wordt behandeld. Dat maakt de algemene procedure nog niet tot de standaardprocedure, maar wel tot de procedure waar iedere aanvrager mee begint. Als tijdens de algemene procedure tot een zorgvuldig oordeel kan worden gekomen, dan is dat alleen maar goed, niet alleen voor ons, maar ook voor de asielzoeker. Door de jaren heen hebben wij geleerd welke effecten het in het algemeen op mensen heeft als zij steeds perspectief hebben op een lange procedure waardoor zij vooralsnog kunnen blijven en op de bereidheid om mee te werken aan terugkeer in het bijzonder. De prognose van de uitvoeringstoets (EAUT) is dat ongeveer 40% van de aanvragen in de algemene procedure afgedaan kan worden. Mede hierdoor kan de termijn van de verlengde procedure beperkt blijven. Er wordt voorkomen dat er in die fase moet worden gewacht omdat er nog formele stappen in het proces moeten worden doorlopen. Ik heb al gezegd dat relevante aanvullingen in de verlengde procedure kunnen worden meegenomen.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Meerdere woordvoerders hebben aangegeven dat niet alleen de procedure verbetering behoeft, maar vooral de capaciteit van en het werkproces bij de IND. Welke prikkels worden ingebouwd om ervoor te zorgen dat de IND de termijn niet overschrijdt?

Staatssecretaris Albayrak: Als de IND de termijnen overschrijdt, gaat de zaak automatisch door naar de verlengde procedure.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Dat is toch geen prikkel? Dat is een probleem dat zich nu al voordoet. Wij zoeken naar een soort sanctionerende prikkel waardoor de zaak niet automatisch naar de verlengde procedure wordt doorgeschoven.

Staatssecretaris Albayrak: Ik weet al waar u aan denkt. Als de IND er om welke reden dan ook niet in slaagt om de stappen van de algemene procedure tijdig af te werken, kan dat nooit voordeel voor de asielzoeker opleveren.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Het gaat er niet om waar ik aan denk. Ik vraag waar u aan denkt. Hoe wilt u de IND zover krijgen dat hij zich beter aan zijn eigen afspraken en normen houdt?

Staatssecretaris Albayrak: Voor een deel ligt dit in het strak toezien op het nakomen van de gemaakte afspraken. Voor een ander deel moet men niet op de rechter wachten. Dit is ook het antwoord op de vraag van mevrouw Koşer Kaya over het initiatiefwetsvoorstel-Pechtold/Van der Ham. In de werkprocessen moeten gewijzigde omstandigheden, gewijzigd beleid en nieuwe feiten worden meegenomen. In uitvoeringsrichtlijnen wordt de IND op de benodigde stappen gewezen. Het gaat te ver om er al op voorhand van uit te gaan dat de IND de termijnen niet zal halen. Ik heb al gezegd dat het zwaartepunt van het werk van de IND wordt verlegd naar de beginprocedure. Alles zal ingericht moeten worden op het halen van de termijnen, ook in personele zin.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik hoop niet dat dit het hele antwoord op mijn vraag is. De staatssecretaris zal hier ongetwijfeld nog op terugkomen. Daaraan voorafgaand heb ik een andere vraag. Er vindt geen volle toetsing bij de rechter plaats. In de beginfase wordt alles aan de IND voorgelegd en ook het oordeel wordt aan deze dienst overgelaten. Dan moet je ervoor zorgen dat er in de beginfase helemaal geen ruimte is voor willekeur. Dat kan alleen als er goede criteria zijn, maar die zijn er niet. Ik kan op geen enkele manier toetsen of alles goed gaat in de korte procedure. Dat is een rechtsstaat onwaardig.

Staatssecretaris Albayrak: U moet de consequenties van uw vraag goed doordenken. U wilt helemaal aan het begin van de asielprocedure een discussie starten over de vraag of op dat moment terecht bescherming onthouden werd. Deze discussie kan een rol spelen in de verdere procedures en ook bij de rechter. Ik wil juridisering voorkomen. Er is één instantie die toetst of terecht bescherming is onthouden en dat is de rechter.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dat is mijn vraag niet. Mijn vraag betreft de korte procedure. Als u daar de willekeur niet uithaalt, hebben wij een probleem.

De voorzitter: U heeft uw vraag al gesteld. Het woord is aan de heer Van der Staaij. Daarna zal ik, gelet op de tijd, een mededeling moeten doen.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik ben blij dat ik voor die mededeling nog een vraag mag stellen. Uit de evaluatie bleek dat er heel veel logistieke wachttijd is. Is de staatssecretaris van plan om daar iets aan te doen zodat de doorlooptijden bekort worden? Dat is minstens zo belangrijk als bekorting van de behandeltijd.

Staatssecretaris Albayrak: Voor het antwoord verwijs ik naar mijn plannen, met name naar de 6 dagen rust- en voorbereiding. In die tijd kan de planning van de procedure van 8 dagen maximaal voorbereid worden. De procedure wordt anders ingericht dan nu. Dat die eerste procedure nu te plannen is, is de grootste vooruitgang zowel voor de rechtshulpverlener als voor de IND. Afspraken kunnen beter worden nagekomen dan op dit moment.

De heer Van de Camp (CDA): Ook ik vrees uw mededeling, voorzitter. Ik heb een halfuur naar de staatssecretaris geluisterd, maar zij geeft geen krimp om het daadkrachtig te zeggen. Zij leest keurig voor wat wij weten over de rust- en voorbereidingstijd. Zij leest ook keurig voor wat wij al weten over de 8 dagen. Ik begrijp dat de rust- en voorbereidingstijd deel uitmaakt van het verblijf in de tijdelijke noodvoorziening. Waarom kan een aantal elementen uit de rust- en voorbereidingstijd niet naar de eerdere periode in de tijdelijke noodvoorziening? Waarom kan wellicht een element uit de periode van 8 dagen niet naar de rust- en voorbereidingstijd? Ik heb er onoverkomelijke bezwaren tegen dat er gereisd moet worden. Daar zie ik helemaal niets in. Ik voel er niet zo veel voor dat wij na uitwerking van de plannen weer hetzelfde verhaal krijgen als op 24 juni. Ik geef de staatssecretaris nog de volgende gedachte mee. In het beroemde schema zijn de zevende en de achtste dag ingeruimd voor de beschikking. Op mijn beurt zeg ik dan: nou IND, werk dan maar wat harder en neem één dag voor de beschikking, zodat er een extra dag kan komen tussen gehoor en nader gehoor. Misschien kunnen wij met iets meer tijd in de algemene asielprocedure het percentage van de mensen dat uiteindelijk toch door moet naar de VAP omhoog brengen van 40 naar 45. Voorzitter. U merkt hoe mild ik mij uitdruk.

Staatssecretaris Albayrak: U stelt eigenlijk voor om het advies van de ACVZ over te nemen.

De heer Van de Camp (CDA): Nee.

Staatssecretaris Albayrak: Dan moet u zich wat zorgvuldiger uitdrukken. Wij hebben geprobeerd om de eerste 8 dagen zo planbaar mogelijk te maken. Hierin worden alle processtappen doorlopen. Er wordt een periode van 6 dagen voor gezet waarin de asielzoeker en de betrokken instellingen hun voorbereidingen kunnen treffen en de planning kunnen maken. De Kamer wordt nog geïnformeerd over de precieze inrichting van deze periode en over de ruimte voor de rechtsbijstand. Als ik er niet van overtuigd was dat die procedure snel, strak en zorgvuldig doorlopen kan worden, dan had ik deze voorstellen niet gedaan. Ik heb daarvoor alle adviezen afgewogen. U zegt dat ik geen krimp geef. Als u een vraag stelt, hoeft mij antwoord daardoor niet anders te luiden. Ik luister heel goed naar uw zorgen. Ik zeg dat uw zorgen al maximaal geadresseerd zijn in het voorstel. Het alternatief dat u naar voren brengt, heeft consequenties voor het geheel. Daardoor dreigen wij de tijdwinst aan het begin en ook aan het eind kwijt te raken. U kunt niet zeggen dat door toevoeging van enkele dagen aan het begin van de procedure, er nog meer mensen door kunnen naar de verlengde procedure.

De heer Van de Camp (CDA): Minder! 6 plus 8 is 14, maar 10 plus 4 is ook 14.

De voorzitter: De heer Van de Camp heeft jarenlang de vaste commissie voor Onderwijs voorgezeten.

De heer Van de Camp (CDA): En daar liet hij geen tweede interruptie toe.

Staatssecretaris Albayrak: Je kunt niet de rust- en voorbereidingstijd voor lief nemen en tegelijkertijd zeggen dat de algemene procedure verder opgetuigd moet worden. De lucht zit in de rust- en de TNV-tijd.

De heer Van de Camp (CDA): Als men moet reizen tussen het eerste en tweede gehoor, valt uw hele termijn van 8 dagen in het water.

Staatssecretaris Albayrak: Daar is geen sprake van. U zet mij steeds op het verkeerde been. Wat bedoelt u met reizen?

De voorzitter: Ik probeer een discussie hierover te voorkomen. Ik vraag de staatssecretaris helder op deze vraag te antwoorden en dan vervolgt zij haar betoog.

Staatssecretaris Albayrak: Er is geen sprake van dat in de termijn van 8 dagen moet worden gereisd.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Er is gesuggereerd dat er wellicht naar het kantoor van de hulpverlener moet worden gereisd.

Staatssecretaris Albayrak: Op aangeven van de rechtshulpverleners wordt bezien of helemaal aan het begin, tijdens de rust en voorbereidingstijd, de rechtshulpverlener met cliënten verspreid over het land niet naar de cliënt hoeft te reizen, maar dat de asielzoeker naar de rechtshulpverlener gaat. Wellicht levert dit een bijdrage aan de door u en mij gewenste continuïteit van de rechtshulp. Dat is dus wat anders dan de heer Van de Camp voor ogen heeft.

De heer Van de Camp (CDA): Veronderstelde.

De voorzitter: De staatssecretaris heeft nog 15 minuten om te antwoorden als ik ervan uitga dat de commissie prijs stelt op een tweede termijn om ten minste een conclusie te kunnen trekken. Ik sta nu geen interrupties meer toe. Dat spijt mij reusachtig, maar gelet op de tijd kan het niet anders.

Staatssecretaris Albayrak: Ik probeer mij tot de hoofdpunten te beperken. Met zo veel vragen is het niet mogelijk om én volledig én kort te zijn.

De heer Van de Camp vraagt wat er wordt gedaan als een beroep tegen afwijzing in een aanmeldcentrum niet na 4 weken is afgerond. Hij vroeg zich af of mensen dan alsnog op straat komen te staan. Nu is er geen opvang meer na de AC-procedure. Wij willen daarna een opvang van 4 weken. Dat is tevens de vertrektermijn. Na gesprekken met de rechtspraak is hiertoe besloten. De rechtspraak heeft gezegd dat wanneer de opvang niet wordt gemaximeerd tot de vertrektermijn, er voor haar geen spoedeisend belang meer is waardoor zij de druk erop kan houden en snel kan beslissen. De beslistermijn van de betrokken rechtbanken is nu 3 weken. Die snelheid hebben wij echt nodig. Als de rechtbanken meer tijd nodig hebben, moet er ook langer opvang geboden worden en is er geen sprake meer van een verbetering op dit punt.

In de brieven van de VNG komt de vraag naar voren hoe voorkomen kan worden dat mensen die rechtmatig hier verblijven op straat belanden. Het belangrijkste is dat deze groep kleiner wordt. Mensen die in het aanmeldcentrum «nee» te horen krijgen, blijven gedurende de procedure bij de rechtbank opgevangen. Hiermee is een groot punt van irritatie van de gemeenten weggenomen. De mensen die nu nog «geklinkerd» worden, zijn tijdens de procedure van opvang verzekerd.

Er wordt ook gewerkt aan de terugkeer. Ik noem dat in dit verband omdat de inspanningen gericht op terugkeer belangrijk onderdeel zijn van het geheel. Alle betrokkenen zeggen dat mensen die uitgeprocedeerd zijn ook het land moeten verlaten. Niemand is erbij gebaat als deze mensen in Nederland opgevangen worden. Mijn inspanningen om de terugkeer effectiever te maken, zijn dan ook belangrijk.

Ik ga kort in op de aanpak van de DT&V, want ik heb daar eerder al heel veel over gezegd. Er is samenwerking met de gemeenten, inclusief het lokaal terugkeeroverleg. Bij elke beëindiging van de opvang wordt er maatwerk geleverd. De gemeente wordt geïnformeerd en er wordt naar alternatieven gekeken, zoals de vrijheidsbeperkende locatie. Als de DT&V in het laatste stadium constateert dat er mogelijk sprake is van «buiten schuld», wordt dit teruggekoppeld met de IND. Er zijn dus veel uitlaatkleppen.

Als de medische problemen helemaal aan het begin van de procedure worden onderzocht, is de prikkel voor het indienen van vervolgaanvragen minder. Helemaal aan het begin wordt nagegaan of er medische redenen tot verblijf in Nederland zijn. Dit kan gebeuren in de asielprocedure, maar het is ook mogelijk dat er parallel aan de asielprocedure een reguliere procedure wordt gestart. Het gaat erom dat er snel duidelijkheid wordt geboden. Een deel van degenen die nu een aanvraag op medische gronden indienen na een afwijzing van het asielverzoek, krijgt straks snel een inwilliging of een afwijzing van het verzoek. In het laatste geval kan ook snel de terugkeer ter hand worden genomen. Via deze maatregelen wordt de totale groep van rechtmatig verblijvenden in de toekomst kleiner.

De heer Spekman vroeg zich af waarom je zieke mensen op straat laat rondlopen. Ik bestrijd dat mensen die aantoonbaar ziek zijn op straat creperen. Ik sluit niet uit dat incidenteel iemand die ziek is op straat wordt aangetroffen. Voor de evident zieke mensen moet er altijd via maatwerk een oplossing voorhanden zijn, zeker als het gaat om infectieziekten. De DT&V houdt hier bij zijn werkwijze rekening mee.

De heer Spekman begrijpt dat niet iedereen die zegt medische klachten te hebben, wordt opgevangen. Ik zal dat ook nooit doen. Als het indienen van een aanvraag op medische gronden recht op opvang geeft, kun je verwachten dat het aantal mensen dat een dergelijke aanvraag indient, zal stijgen. In de uitvoeringstoets hebben wij lang stilgestaan bij de vraag of kansrijke aanvragen op medische gronden snel afgehandeld kunnen worden. Dat blijkt niet te kunnen. De duur van de advisering is 10 weken. Je kunt ook niet met het filter dat de heer Spekman voorstelt, een snelle, acceptabele medische check uitvoeren. Dat kan ook niet als er dossiers voorhanden zijn. Dat heeft te maken met zorgvuldigheid. Je vraagt nogal wat van artsen als zij op basis van dossiers dit soort oordelen moeten vellen. Vandaag staat bijvoorbeeld een artikel in de krant over tuchtzaken tegen artsen die te snel verklaringen afgeven.

De heer Spekman (PvdA): Dat was een artikel in de Volkskrant over 49 gevallen. Ik vind het prima dat de staatssecretaris nu alles kan zeggen omdat de Kamer niet mag interrumperen, maar dit gaat wel erg ver. Ik heb een voorstel van orde. Ik stel voor om de tweede termijn van dit overleg in januari te houden. Zoals het nu gaat, wordt de zaak afgeraffeld. Ik moet mij steeds inhouden als ik dingen hoor waarvan ik denk dat zij echt niet kloppen. Het is zeer onbevredigend.

Staatssecretaris Albayrak: Ik neem mijn laatste zin over het artikel in de krant terug. Dit laat onverlet dat wij hebben onderzocht of een soort filter mogelijk is. Wij hebben gezocht naar mogelijkheden om mensen met een medisch probleem op te vangen. Dat bleek echter niet werkbaar. Dat heeft de heer Spekman ook in de uitvoeringstoets kunnen lezen. Ik zal uiteraard de voorstellen in die richting goed bekijken, maar de paar zinnen die de heer Spekman hierover heeft gesproken, brengen mij niet direct tot de conclusie dat dit iets anders is dan wij hebben onderzocht.

De heer Van de Camp (CDA): Ik heb begrepen dat de brief over de medische check al in een vergevorderd stadium is. Kunnen wij die vóór de tweede termijn krijgen?

De voorzitter: De staatssecretaris heeft drie brieven toegezegd: een brief over de rustperiode, over de rechtsbijstand en over de medische check.

De heer Van de Camp (CDA): De staatssecretaris heeft gezegd dat die drie brieven grotendeels betrekking hebben op het vreemdelingenbesluit. Ik houd toch vast aan mijn brief. Voor de voorbereiding van de tweede termijn is het goed als wij in januari bijvoorbeeld over een of twee van die brieven kunnen beschikken.

Staatssecretaris Albayrak: Ik doe een beroep op de Kamer. Zij heeft zelf gevraagd om deze maatregelen snel in te voeren. Ik heb gewezen op het behoorlijk strakke wetgevingsschema waar wij mee te maken hebben. Daarbij zijn wij afhankelijk van het tempo waarmee de Kamer de wetsvoorstellen behandelt. Omdat deze maatregelen zo’n groot effect hebben op het kleiner maken van de groep rechtmatig verblijvenden die op straat belandt, omdat zij zo’n groot effect hebben op de terugkeer, voel ik er niet voor om de tweede termijn van dit debat op te schuiven en daarmee de behandeling van de brieven en het wetgevingstraject te verschuiven. Het heeft mijn voorkeur om de tweede termijn volgende week te houden. Ik veeg daar graag mijn agenda voor schoon. Dan kunnen wij het wetgevingstraject starten. Vervolgens kunnen wij volgend jaar afzonderlijk spreken over de drie toegezegde brieven. Voor de wettelijke kaders zijn die brieven nauwelijks van importantie.

De voorzitter: Wij komen hier in een procedurevergadering op terug. De staatssecretaris dringt aan op spoed, maar ik wijs erop dat de Kamer hecht aan een zorgvuldige behandeling van deze voorstellen. Kunnen wij uiterlijk 12 januari de brief over de medische check tegemoet zien? Dan weten wij voor de procedurevergadering waar wij aan toe zijn en kunnen wij een planning maken.

Staatssecretaris Albayrak: Als het alleen om de medische check gaat, dan kan ik de Kamer die brief morgen al sturen. Als zij dan in ruil daarvoor de tweede termijn volgende week wil houden, dan ...

De voorzitter: Het is hier niet marktplaats.nl!

Staatssecretaris Albayrak: Ik heb het niet over de informatie over de nadere uitwerking van de vormgeving en de afspraken, maar alleen over de medische check aan het begin van de procedure. Daarmee zijn wij al redelijk ver gevorderd. Daarover kan ik de Kamer heel snel een brief sturen.

De voorzitter: Als u ervoor zorgt dat deze brief uiterlijk aanstaande dinsdag om 12.00 uur bij de Kamer is, kunnen wij in de procedurevergadering mede aan de hand daarvan besluiten hoe wij verder gaan.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Mevrouw Azough heeft naar het tegengaan van verhuisbewegingen gevraagd. Onze ambitie is om de verhuisbewegingen tot een minimum te beperken, zeker als er minderjarigen bij betrokken zijn. Verkorting van de procedure helpt daar ook bij.

De heer Van de Camp vroeg of de herhaalde aanvragen nu zo veel mogelijk worden voorkomen. Dat is bevestigd in de ex ante uitvoeringstoets. Daarin staat dat deze maatregelen ertoe zullen leiden dat de prikkel tot het indienen van herhaalde aanvragen minder wordt, zowel reguliere aanvragen als vervolgaanvragen.

In de EAUT is ook te lezen dat het plausibel is dat toetsing ex-nunc leidt tot minder herhaalde aanvragen. Er is berekend dat deze maatregelen bij een stroom van 16 000 asielzoekers een besparing van 1 mln. oplevert.

De toetsing ex-nunc is onderdeel van het initiatiefwetsvoorstel-Pechtold/Van der Ham. Het is een verbetering dat de rechter bij toetsing kan kijken naar de stand van zaken op dat moment, inclusief eventuele nieuwe feiten of omstandigheden. Daarmee wordt niet alleen een bijdrage geleverd aan de zorgvuldigheid van de procedure, maar ook aan het voorkomen van herhaalde aanvragen. Ik blijf echter een volle in plaats van een marginale toetsing afraden. De maatregelen in de asielbrief leiden tot een substantiële verbetering van de procedure, waardoor er geen aanleiding meer is voor de volle toetsing. De discussie over de volle toetsing wordt vooral gevoed door ongewenste consequenties van de huidige procedure, die met deze brief ongedaan worden gemaakt. De rechter hoeft de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet meer vol te toetsen omdat een en ander in het voortraject beter wordt ingericht. De rechter moet ook niet op de stoel van het bestuur gaan zitten, al was het alleen maar omdat hij de beoordeling van het asielrelaas niet kan toetsen. Bij de IND doet men dit via langdurige interviews met asielzoekers. Je moet dat ook niet bij de rechter willen neerleggen. De rechter ziet sowieso minder zaken. Hij ziet ook geen zaken die zijn ingewilligd. Bovendien is met de introductie van de toetsing ex-nunc en de verbeteringen in de procedure de rechterlijke toetsing niet langer noodzakelijk.

De heer Anker heeft naar de resultaten van de Dienst terugkeer en vertrek gevraagd. Ik kan daar kort over zijn, omdat wij dat debat al een paar keer hebben gevoerd. In de toekomst is er gelegenheid om de evaluatie van de werkwijze van de DT&V te bespreken. De DT&V is een belangrijk instrument voor een effectievere terugkeer. De terugkeer is een van de hoofdzorgen van het asieldossier. Er wordt continu gezocht naar de medewerking van de vreemdeling. Helaas is terugkeer vaak alleen onder dwang mogelijk en dan is er de medewerking van de landen van herkomst nodig. De maatregelen in de brief zien vooral op het vlottrekken van vrijwillige terugkeer. Ik doel op de terugkeerregeling waar de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en ik samen verantwoordelijk voor zijn. Wij sluiten graag aan bij lokale terugkeerinitiatieven. Die terugkeerconferentie heeft goede resultaten opgeleverd. Er wordt een congresbundel gemaakt die onder de aandacht wordt gebracht van de vreemdelingen en degenen die hen bijstaan. De lokale initiatieven komen terug in het kader van het Platform Duurzame Terugkeer.

De heer Spekman wil een sluitender terugkeerbeleid. Het streven is natuurlijk om dit beleid maximaal sluitend te maken, maar dit zal nooit voor 100% lukken. Je kunt de afhankelijkheid van de medewerking van de asielzoeker niet uitbannen. In dergelijke gevallen is de consequentie dat de verantwoordelijkheid voor de opvang op enig moment ophoudt. Dit alles is erop gericht om die groep zo klein mogelijk te maken. Er is geen percentage te geven van de mate waarin het beleid sluitend gemaakt kan worden.

De stichting Wereldwijd is bij ons bekend. Zij heeft subsidie toegekend gekregen van het Europees Vluchtelingenfonds.

De heer Kamp heeft gevraagd naar de vergelijkbaarheid van de cijfers die de Kamer krijgt. Hij constateerde dat er in de rapportage vreemdelingenketen geen onderscheid wordt gemaakt tussen gezinsvorming en gezinshereniging. Het klopt niet dat de cijfers om de twee jaar wijzigen. Wel proberen wij op nadrukkelijk verzoek van de Kamer, de werkelijkheid achter de cijfers duidelijker te krijgen. Dit doen wij via een andere wijze van rapporteren. Onze inzet is het leveren van betrouwbare cijfers, maar tevens geven wij een beeld van de betekenis ervan. Door verslag te doen van cohortbewegingen is een meer kwalitatieve rapportage mogelijk. In dat kader gaan wij bijvoorbeeld na wat er na vijf jaar is gebeurd met een bepaalde groep die categoriaal beschermd wordt. Dat type informatie proberen wij steeds meer een plek te geven. De methodiek wordt nog steeds verbeterd. Hiertoe wordt de basisvoorziening vreemdelingen uitgebreid en neemt het aantal ketenpartners dat daarop is aangesloten toe. De informatie wordt steeds meer ketenbreed en daardoor ook betrouwbaarder.

In het IND-werkproces wordt geen onderscheid gemaakt tussen gezinsvorming en gezinshereniging. Ik rapporteer op basis van de feiten van werkprocessystemen van de IND. Het CBS maakt statistieken op basis van secundaire analyses achteraf. Dit verklaart de verschillen.

De heer Fritsma wijst op de noodzaak van adrescontroles. Het afgelopen jaar hebben 18 500 volledig afgeronde adrescontroles plaatsgevonden. Dit is inclusief aanhouden en identiteitsonderzoek. In totaal zijn er 40 000 controles uitgevoerd.

De heer Kamp vraagt waarom de nareizers niet aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen als reguliere migranten. Deze mensen moeten wel degelijk aan voorwaarden voordoen. Men moet feitelijk tot het gezin van de hoofdpersoon behoren. Men moet dezelfde nationaliteit hebben als de hoofdpersoon en men moet gelijktijdig met de hoofdpersoon zijn ingereisd, dan wel binnen 3 maanden nareizen. Er wordt streng getoetst of de betrokkenen inderdaad tot het gezin van de hoofdpersoon behoren. In voorkomende gevallen wordt verzocht om dit door middel van een DNA-test aan te tonen. Wordt niet aan de voorwaarden voor nareizers voldaan, dan gelden de voorwaarden voor het reguliere gezinsherenigingsbeleid.

De voorzitter: Uiterlijk aanstaande dinsdag om 12.00 uur ontvangen wij de brief van de staatssecretaris over de medische check. Daarna hebben wij een procedurevergadering over een eventuele tweede termijn van dit debat.

Alvorens de vergadering te sluiten, geef ik graag het woord aan de heer Kamp.

De heer Kamp (VVD): Ik dank de staatssecretaris voor haar reactie, voor haar vriendelijke woorden en voor onze prettige, constructieve, zakelijke relatie gedurende 10 jaar. Eenzelfde prettige relatie heb ik met mijn collega’s gehad en ik ben hen daar ook zeer dankbaar voor. Ik ben het overigens steeds zeer oneens geweest met de staatssecretaris. Ik ben ook erg dankbaar voor de periode 2002–2006, toen mij is gebleken dat het vechten tegen misbruik van de asielprocedure, tegen illegaal verblijf en tegen huwelijksimmigratie door kansarmen geen gevecht tegen de bierkaai hoeft te zijn.

De staatssecretaris is een vertegenwoordiger van de nieuwe generatie Nederlanders die de waardering van alle Nederlanders verdient. Ik ben haar dankbaar voor haar inzet en voor het werk dat ik samen met haar heb mogen doen.

(Applaus.)

De voorzitter: Namens u allen dank ik de heer Kamp. Er komt nog een afscheid in de plenaire zaal. De heer Kamp was een bevlogen en kundig Kamerlid. Hij heeft terecht opgemerkt dat wij het niet altijd met hem eens waren. Dat gold voor links en voor rechts. Desalniettemin hebben wij zeer interessante debatten over dit belangrijke onderwerp kunnen voeren. Namens u allen dank ik de heer Kamp voor zijn inzet en zijn bijdrage aan de ontwikkeling van het asielrecht.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Smeets (PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).