Kamerstuk 30048-3

Wijziging IOAW, i.v.m. opnemen vermogenstoets, waarbij waarbij eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, t.a.v. personen die werkloos worden tussen 50 en 55 jaar; Memorie van toelichting

Dossier: Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met het opnemen in deze wet van een vermogenstoets, waarbij het eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, ten aanzien van personen die werkloos worden tussen het 50ste en 55ste levensjaar

Gepubliceerd: 4 april 2005
Indiener(s):
Onderwerpen: organisatie en beleid ouderen werk zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30048-3.html
ID: 30048-3

30 048
Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met het opnemen in deze wet van een vermogenstoets, waarbij het eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, ten aanzien van personen die werkloos worden tussen het 50ste en 55ste levensjaar

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

1. Aanleiding

Het beleid van de regering is gericht op verbetering van de werking van het sociale zekerheidsstelsel en verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen. Onderdeel van dit beleid is de normalisering van de positie van oudere werknemers.

In verband hiermee heeft het kabinet bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het wetsvoorstel om de leeftijdsgrens in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) te verhogen van 50 jaar naar 55 jaar. Naar aanleiding van de bij de Algemeen Politieke Beschouwingen ingediende motie Verhagen c.s.1 heeft het kabinet afgezien van vorenbedoeld voorstel 2.

In de motie Verhagen c.s. wordt de regering verzocht de vermogenstoets in de IOAW op 50 jaar te handhaven. Voorts vermeldt de motie dat het eigen huis buiten die vermogenstoets moet blijven. Zoals vermeld in de brief d.d. 4 oktober 20043 aan de voorzitter van de Tweede Kamer over de uitvoering van de motie interpreteert het kabinet het coalitievoorstel dusdanig dat voor de groep 50 tot 55-jarigen het eigen huis buiten de vermogenstoets wordt gehouden. Daarbij wordt verondersteld dat dit geregeld wordt via de IOAW. Met andere woorden binnen de IOAW zal een aparte vermogenstoets worden geïntroduceerd voor de categorie werkloze werknemers die werkloos zijn geworden tussen 50 jaar en 55 jaar.

Met het thans voorliggende wetsvoorstel geeft de regering uitvoering aan de eerdergenoemde op dat onderdeel betrekking hebbende motie Verhagen c.s.

De regering verwacht dat het introduceren van de vermogenstoets exclusief het eigen huis in de IOAW – evenals het ingetrokken wetsvoorstel – voor de betrokken werknemers zal leiden tot een normalisering van hun positie bij ontslag en een stimulans zal zijn om langer aan het werk te blijven dan wel eerder weer aan het werk te gaan.

De IOAW is destijds ingevoerd om oudere werkloze werknemers een inkomensvoorziening te bieden op niveau van het sociaal minimum waarbij, anders dan bij de bijstand, geen rekening wordt gehouden met vermogensbezit. De IOAW kent thans dus geen vermogenstoets. Door het introduceren van de vermogenstoets in de IOAW kan (tijdelijk) geen recht op IOAW ontstaan en moet eerst op aanwezig vermogen worden ingeteerd. Dit geldt niet indien het vermogen gebonden is in het eigen huis. Bij de uitwerking van het systeem heeft de regering als uitgangspunt dat de uitvoering van de vermogenstoets tot zo weinig mogelijk extra administratieve lasten bij gemeenten leidt.

2. Onderscheiden groepen in de IOAW

De IOAW kent thans vier groepen uitkeringsgerechtigden, te weten:

a. werkloze werknemers die na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos zijn geworden en nadien de volledige uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) hebben bereikt. Het betreft dus de werkloze werknemers die zowel voldoen aan de wekeneis als aan de arbeidsverledeneis van de WW;

b. werkloze werknemers die na het bereiken van de leeftijd van 57,5 jaar werkloos zijn geworden en nadien de volledige uitkeringsduur van de kortdurende WW-uitkering hebben bereikt. Het betreft dus de werkloze werknemers die wel voldoen aan de wekeneis, maar niet aan de arbeidsverledeneis van de WW;

c. werkloze werknemers die voor het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos zijn geworden, nadien de volledige uitkeringsduur van de loongerelateerde WW-uitkering hebben bereikt en een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) of op grond van de Liquidatiewet Ongevallenwet (OW) of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;

d. werkloze werknemers die een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ontvangen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.

Het bestaande onderscheid tussen de onder a en b genoemde groepen is gebaseerd op het verschil in duur van WW-rechten. Anders dan tot de afschaffing van de vervolguitkering bij de loongerelateerde WW-uitkering het geval was, bestaat bij de kortdurende WW-uitkering voor werkloze werknemers die de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt, geen uitkeringsrecht tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Om te voorkomen dat zij een beroep moeten doen op de algemene bijstand zijn aan de betreffende werkloze werknemers destijds uitkeringsrechten op grond van de IOAW toegekend. Omdat de vermogenstoets exclusief eigen huis conform de motie gaat gelden voor werkloze werknemers die werkloos zijn geworden tussen het 50ste en 55ste jaar, heeft het onderhavige wetsvoorstel geen gevolgen voor de onder b genoemde groep.

De IOAW geldt voor de onder c genoemde gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als een gesloten systeem. De gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer die werkloos is geworden voor het bereiken van de leeftijd van 50 jaar en nadien de loongerelateerde WW heeft doorlopen, voldoet aan het gestelde onder c. Indien de werkloosheid is ingetreden na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar en nadien de loongerelateerde WW is doorlopen, wordt voldaan aan het gestelde onder a. Om in aanmerking te komen voor een IOAW-uitkering geldt voor de bedoelde gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer met een gedeeltelijke WAO-, OW- of Wamil-uitkering per saldo geen leeftijdsgrens waarvoor of waarop deze werkloze werknemer werkloos moet zijn geworden. Voorwaarde is dat zij na het intreden van de werkloosheid de volledige uitkeringsduur van de loongerelateerde WW moeten hebben bereikt en een uitkering ontvangen op grond van de WAO, OW of Wamil naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 80%. Om deze reden ziet de regering geen aanleiding de vermogenstoets exclusief eigen woning te laten gelden voor alleen de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers die werkloos zijn geworden tussen het 50ste en 55ste jaar. Het onderhavige wetsvoorstel heeft derhalve voor de groep gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers geen gevolgen. Om diezelfde reden geldt dit ook voor de onder d bedoelde groep (gedeeltelijk arbeidsongeschikte jonggehandicapten), waar in het geheel geen leeftijdseis wordt gesteld.

Conform de eerdergenoemde motie Verhagen c.s. wordt met het onderhavige wetsvoorstel in de IOAW een vermogenstoets exclusief eigen woning opgenomen voor de werkloze werknemers genoemd onder a. Het gaat hierbij om de werkloze werknemers die na het bereiken van de 50-jarige leeftijd en voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd werkloos zijn geworden en nadien de volledige uitkeringsduur van de loongerelateerde WW-uitkering hebben bereikt. Zoals hiervoor aangegeven zijn de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers met een WAO-, OW- , Wamil- of Wajong-uitkering hiervan uitgezonderd.

Gemiddeld genomen heeft deze groep een opgebouwd WW-recht van 3 of 4 jaar (exclusief vervolguitkering op basis van overgangsrecht). Omdat recht op IOAW ontstaat na het bereiken van de volledige uitkeringsduur van de loongerelateerde WW-uitkering vindt instroom in de IOAW gemiddeld genomen dus plaats tussen het 53ste en 59ste jaar. Bepalend voor het recht op IOAW is immers de leeftijd waarop men werkloos is geworden en niet de leeftijd waarop men een beroep op de IOAW doet.

De regering verwacht dat het introduceren van de vermogenstoets exclusief het eigen huis in de IOAW voor de betrokken werknemers zal leiden tot een normalisering van hun positie bij ontslag en een stimulans zal zijn om langer aan het werk te blijven dan wel eerder weer aan het werk te gaan. Uit in het verleden gehouden onderzoek is gebleken dat werklozen anticiperen op een eventuele verlaging van hun uitkering in die zin dat werklozen die een verlaging van hun uitkering of geen uitkering te wachten staat, sneller uitstromen dan andere werklozen1. Het introduceren van een vermogenstoets exclusief het eigen huis leidt naar de mening van de regering tot een financiële prikkel voor ouderen die aan het eind van de WW-periode zitten en werk zoeken, omdat zij bij voortdurende werkloosheid een beroep op de IOAW moeten doen en dan geconfronteerd worden met een vermogenstoets. Werkloze werknemers zullen als gevolg hiervan hun zoekgedrag intensiveren en sneller een vervangende baan accepteren.

Bij de keuze voor een leeftijdsgrens tot aan 55 jaar wordt aangesloten bij andere maatregelen die ouderen moeten stimuleren aan het werk te blijven of te gaan. Zo wordt de leeftijdgrens van 55 jaar ook gehanteerd in de dagloonregeling bij loopbaanombuiging in de WW en de WAO. De leeftijdgrens sluit tevens aan bij de Wet premievrijstelling bij in dienst nemen en in dienst houden van oudere werknemers op grond waarvan de werkgever een vrijstelling krijgt van de WAO-basispremie voor 55-jarige werknemers die hij in dienst heeft. Voorts is recentelijk de leeftijdsgrens in de dagloongarantieregeling van de WW verlaagd van 57,5 jaar naar 55 jaar.

3. Vermogensdefinitie, vermogensvrijlating en uitzonderingen

Bij de invoering van de vermogenstoets in de IOAW is door de regering aansluiting gezocht bij de vermogenstoets in de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij is rekening gehouden met relevante verschillen tussen IOAW en WWB alsmede met het gestelde in de motie Verhagen c.s.. Dit laatste heeft ertoe geleid dat het vermogen in de eigen bewoonde woning in eigendom, anders dan bij de WWB, niet in aanmerking wordt genomen.

Een voor de vermogenstoets relevant verschil tussen IOAW en WWB is de inkomenstoets. De WWB neemt in beginsel alle inkomsten in aanmerking, de IOAW alleen inkomsten uit of in verband met arbeid. In de WWB wordt een gesloten middelenbegrip gehanteerd waarbij middelen of inkomsten zijn of tot het vermogen moeten worden gerekend. Volledige invoering van de vermogenstoets uit de WWB in de IOAW zou ertoe leiden dat inkomsten die bij de IOAW niet in aanmerking zijn genomen omdat het geen inkomsten uit of in verband met arbeid betreft, wel tot het vermogen worden gerekend. Op die manier zou het bestaande inkomensbegrip in de IOAW worden ondergraven. Dit wordt noch door de regering, noch door de motie Verhagen c.s. beoogd. In verband hiermee geldt de vermogenstoets in de IOAW, anders dan bij de WWB, alleen bij de aanvraag van de uitkering. Een vermogenstoets gedurende de uitkeringsverlening met instandhouding van de huidige inkomenstoets, zou er in concreto toe leiden dat slechts vermogensbestanddelen uit erfenis of kansspel die gedurende de uitkeringsverlening worden ontvangen in aanmerking kunnen worden genomen. Mede uit oogpunt van deregulering en vermindering van de administratieve lastendruk bij gemeenten ziet de regering geen aanleiding voor een vermogenstoets gedurende de uitkeringsverlening.

De in dit wetsvoorstel gehanteerde vermogensdefinitie, de vermogensvrijlating en uitzonderingen komen overeen met die van de WWB, met dien verstande dat in tegenstelling tot de WWB het vermogen gebonden in de eigen bewoonde woning in eigendom is uitgezonderd. In lijn met de motie Verhagen c.s. acht de regering het gerechtvaardigd de eigen woning uit te zonderen van het vermogensbegrip. Het betreft hier de oudere werkloze werknemer met een langer arbeidsverleden op grond waarvan recht ontstaat op loongerelateerde WW. Het niet in aanmerking nemen van het vermogen in de eigen woning komt overeen met het beoogde karakter van de IOAW als inkomensvoorziening voor oudere (en gedeeltelijk arbeidsongeschikte) werkloze werknemers. Onder woning wordt verstaan de woning met bijbehorend erf waarvan de belanghebbende eigenaar is en die door hem en zijn gezin wordt bewoond. Onder woning wordt mede verstaan een woonschip of woonwagen. De zogenoemde «tweede huizen», caravans, recreatiewoningen in binnen- en buitenland vallen niet onder de gegeven definitie van woning en worden dus niet uitgezonderd van het vermogensbegrip. Voorzover de waarde hiervan het bescheiden vrij te laten vermogen overschrijdt, staat dit een beroep op de IOAW in de weg.

Onder vermogen wordt verstaan het saldo van de waarde van de bezittingen en de schulden. De bezittingen kunnen zowel uit geldswaarden bestaan als uit op geld waardeerbare goederen. Evenals in de WWB wordt rekening gehouden met schulden. Er dient een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling te bestaan, voordat sprake is van een feitelijk aanwezige schuld.

In dit wetsvoorstel wordt overeenkomstig de WWB een bescheiden vermogen vrijgelaten. Ook de hoogte van dit bescheiden vrij te laten vermogen komt overeen met de hoogte van het bescheiden vrij te laten vermogen in de WWB. Gelet op het karakter van de IOAW als inkomensvoorziening op minimumniveau is er naar het oordeel van de regering geen aanleiding om in de IOAW een groter gedeelte van het vermogen vrij te laten dan in de WWB. Het minimumkarakter brengt bovendien met zich mee dat niet alleen rekening wordt gehouden met vermogen waarover bij aanvraag van de uitkering feitelijk wordt beschikt maar ook met vermogen waarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Bij de beoordeling of de belanghebbende een aanspraak in redelijkheid te gelde kan maken, moet rekening worden gehouden met de omstandigheden in het individuele geval. Gemeenten kunnen bij deze beoordeling de jurisprudentie, die thans met name is gevormd onder de Algemene bijstandswet, mede als richtlijn hanteren.

Van enkele vermogensbestanddelen is het ongewenst of onbillijk om deze als vermogen in aanmerking te nemen en om te vergen dat ze voor het levensonderhoud worden ingezet als deze het vrijgelaten vermogen te boven gaan.

Evenals in de WWB worden bezittingen in natura die, wat hun aard en waarde betreft, algemeen gebruikelijk zijn buiten beschouwing gelaten. Ten aanzien van uitkeringen in verband met geleden immateriële schade kan het onbillijk zijn om deze als vermogen in aanmerking te nemen. Gelet op de wijze waarop dergelijke uitkeringen, indien deze de vorm hebben van een bedrag ineens, tot uitbetaling komen, is het bovendien zeer wel mogelijk om het aanwezige vermogen te herleiden tot zo'n uitkering, voorzover deze niet kan worden geacht te zijn besteed. Hetzelfde geldt voor het tegoed in geld op de rekening van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel de verzekerde som van een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van die wet.

Voor de doelgroep betekent de maatregel in concreto dat de betreffende werkloze werknemer die ten tijde van de aanvraag over een in aanmerking te nemen vermogen beschikt of redelijkerwijs kan beschikken dat de van toepassing zijnde vermogensvrijlating overschrijdt, (tijdelijk) geen recht heeft op een IOAW-uitkering. Indien het in aanmerking te nemen vermogen nadien is ingeteerd tot op of onder de grens van de vermogensvrijlating ontstaat recht op IOAW-uitkering, uiteraard voorzover aan de overige voorwaarden eveneens wordt voldaan.

4. Overgangsbepaling

Rekening houdend met het Toetsingskader overgangsrecht1 is de regering tot het volgende overgangsrecht gekomen.

Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel heeft de regering besloten dat de invoering van de vermogenstoets niet geldt voor degenen die voor de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel recht op een uitkering op grond van de IOAW hebben. Voor hen voorziet het wetsvoorstel in een volledig eerbiedigende werking. De eerbiedigende werking heeft uitsluitend betrekking op dat recht en niet op een eventueel nieuw recht dat na eindiging van een eerder recht op IOAW-uitkering ontstaat na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel. Een recht op IOAW-uitkering dat op grond van artikel 7 herleeft na werkaanvaarding is geen nieuw recht. Daarop is derhalve wel de eerbiedigende werking van toepassing.

Voor degenen die op of na de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de volledige uitkeringsduur van de WW bereiken, heeft het onderhavige wetsvoorstel onmiddellijke werking. De regering heeft hierbij overwogen dat de IOAW een uit de algemene middelen gefinancierde sociale voorziening is. Bij een dergelijke regeling is naar het oordeel van de regering geen aanleiding voor een uitgestelde werking op grond van opgewekt vertrouwen.

Om een onbedoeld effect te voorkomen wordt een uitzondering op de hierboven genoemde onmiddellijke werking gemaakt voor de personen wier WW-uitkering vóór de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zou zijn geëindigd wegens het bereiken van de volledige uitkeringsduur indien die niet tijdelijk was onderbroken door het verrichten van werkzaamheden. Voor deze groep geldt een uitgestelde werking tot één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Het gaat dan om personen die na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar, maar voor het bereiken van de leeftijd van 55 jaar werkloos zijn geworden en in het afgelopen jaar recht op een WW-uitkering hebben waarvan de datum waarop de volledige uitkeringsduur zou zijn bereikt uiterlijk voor de dag voor inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zou liggen, ware de uitkering niet onderbroken door het verrichten van werkzaamheden, maar deze door de onderbreking na die dag is komen te liggen. Deze personen ontvangen, na het doorlopen van de volledige uitkeringsduur WW, alsnog een IOAW-uitkering zonder vermogenstoets, mits de datum waarop de volledige uitkeringsduur WW is bereikt is gelegen binnen een tijdsbestek van twaalf maanden na inwerkingtreding van deze wijzigingswet. De duur van dit overgangsrecht is beperkt totéén jaar omdat naar verwachting het overgrote gedeelte van de doelgroep binnen die termijn de volledige WW-uitkeringsduur zal hebben bereikt en voorts om budgettaire reden.

5. Adviezen

De Inspectie Werk en Inkomen heeft het onderhavige wetsvoorstel op toezichtbaarheid beoordeeld1 en daarbij de volgende kanttekening geplaatst. In artikel 6a, eerste lid, onder c, wordt het tijdstip van de aanvraag van de uitkering als uitgangspunt genomen. De inspectie vraagt zich af of in dit verband niet het tijdstip van de aanvang van de uitkering maatgevend zou moeten zijn.

De inspectie verwacht verder geen toezichtsproblemen bij de aanvullende rechtmatigheidsvereisten in verband met de voorgestelde wijzigingen in de IOAW.

Met betrekking tot de door de Inspectie Werk en Inkomen opgeworpen vraag zij erop gewezen dat uit artikel 15 van de IOAW blijkt dat het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag wordt vastgesteld. Uit artikel 16a, eerste lid, van de IOAW, komt naar voren dat ingeval door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat er daadwerkelijk recht op uitkering bestaat, de uitkering wordt toegekend («aanvangt») vanaf de dag waarop het recht op uitkering is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om uitkering aan te vragen. De aanvang van de uitkering kan derhalve op een later tijdstip gelegen zijn dan het tijdstip van de aanvraag. Koppeling van de vermogenstoets aan het moment van aanvang van de uitkering kan dus – de Inspectie Werk en Inkomen duidt daar impliciet op – met zich brengen dat die toets op een ander (later) tijdstip plaatsvindt dan de beoordeling van de aanvraag.

Indien belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over een vermogen dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in artikel 8a, derde lid, te boven gaat, is er, zo blijkt uit het voorgestelde artikel 6a, geen recht op uitkering. Bij overschrijding van de vermogensgrens is er feitelijk dan ook geen moment van «aanvang van de uitkering». Gelet hierop, daarbij in aanmerking nemende dat de aanwezigheid van vermogen een van de aspecten is die bij de beoordeling van het recht op uitkering zonder meer van belang is, is ervoor gekozen om de toets op vermogen te koppelen aan de aanvraag en niet aan de aanvang van de uitkering.

6. Financiële gevolgen

De verwachting is dat de beperkte vermogenstoets tot besparingen leidt van € 4 miljoen in 2005 oplopend naar € 18 miljoen in 2007. Structureel bedragen de besparingen € 31 miljoen per jaar.

Tabel. Besparingen vanwege beperkte vermogenstoets

JaarBesparing ( x mln)
2005 4
2006 8
200718
200822
200923
201026
Structureel31

Uitgangspunt bij de raming is dat de maatregel ingaat op 1 juli 2005 en ook geldt voor personen die op dat moment al werkloos zijn (behoudens het overgangsrecht).

Onderbouwing

De raming van de besparingen is gebaseerd op de verwachte instroom en leeftijdsopbouw in de IOAW. Op basis van CBS informatie kan ingeschat worden dat de beperkte toets zal gelden voor ongeveer 40% van de totale instroom vanuit de WW in de IOAW (het WW-deel van de IOAW). Als gevolg van de beperkte vermogenstoets zal de instroom van dit deel minder worden. De inschatting is dat de instroom met 30% zal afnemen. De inschatting is afgeleid uit informatie over vermogens bij huishoudens van het CBS.

De kosten van het overgangsrecht vallen weg in de marges van de ramingen.

Artikelsgewijs

Artikel 1, onderdeel A

Het onderhavige voorstel strekt ertoe om in het kader van de IOAW ten aanzien van een bepaalde categorie werkloze werknemers een vermogenstoets te introduceren, met uitzondering van de woning die de werkloze werknemer, zijn echtgenoot, en/of zijn kind in eigendom heeft en die door hem, zijn echtgenoot, en/of zijn kind wordt bewoond. Met de voorgestelde wijziging van artikel 3 wordt, in verband met het vermogen dat gebonden is in deze woning, aangesloten op de in de WWB vervatte definiëring van het begrip woning.

Artikel 1, onderdeel B

De vermogenstoets is van toepassing op de persoon, die:

• werkloos is en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt;

• na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar, maar voor het bereiken van de leeftijd van 55 jaar werkloos is geworden;

• nadien de volledige uitkeringsduur bedoeld in hoofdstuk IIa van de Werkloosheidswet, inclusief een eventuele verlenging van deze duur op grond van artikel 76 van die wet, heeft bereikt, tenzij op dat tijdstip een maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering op grond 27, eerste lid of tweede lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is; en

• geen recht heeft op uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Liquidatiewet ongevallenwetten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.

Indien deze persoon bij de aanvraag van de uitkering over een vermogen beschikt of redelijkerwijs kan beschikken dat de op hem van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het voorgestelde artikel 8a, derde lid, te boven gaat, heeft hij, onverminderd artikel 6, geen recht op IOAW-uitkering. Alsdan heeft ook zijn echtgenoot geen recht op uitkering.

Indien het recht op een IOAW-uitkering als gevolg van werkaanvaarding van de werkloze werknemer of zijn echtgenoot is geëindigd, en vervolgens opnieuw werkloosheid ontstaat, herleeft op grond van artikel 7 IOAW het recht op IOAW-uitkering. Aangezien deze herleving betrekking heeft op een eerder bestaand «oud» recht waarbij ten aanzien van de werkloze werknemer, bedoeld in artikel 6a, aanhef en onderdelen a en b, de vermogenstoets reeds bij de eerste aanvraag heeft plaatsgevonden, wordt bij de aanvraag tot het herleefde recht van de IOAW de vermogenstoets niet (opnieuw) toegepast.

Artikel 1, onderdeel C

De vermogenstoets in de IOAW stemt, rekening houdende met het karakter van de IOAW, zoveel mogelijk overeen met die van de WWB. Een belangrijk verschil tussen de WWB en de IOAW is dat de WWB, voor wat het vervangende inkomensaspect daarvan betreft, gecentreerd is rondom het begrip middelen [«bijstand verlenen aan personen hier te lande die niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien» (artikel 7, eerste lid, onderdeel b) / «Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken» (art. 31, eerste lid) / enzovoort) en dat in de IOAW het begrip «inkomen» centraal staat. Dit verschil brengt met zich mee dat artikel 32 WWB niet «een-op-een» getransformeerd kan worden naar de IOAW. Het voorgestelde artikel 8a volgt op hoofdlijnen voormeld artikel van de WWB, met dien verstande dat daar waar in de WWB melding wordt gemaakt van middelen, dit begrip in het kader van het voorgestelde artikel in de IOAW niet is opgenomen . Het tweede belangrijke verschil tussen de vermogenstoets in het voorgestelde artikel 8a en de vermogenstoets in de WWB is dat alleen bij de aanvraag van de IOAW-uitkering wordt getoetst of het vermogen waarover de werkloze werknemer, zijn echtgenoot en/of zijn kind beschikt of redelijkerwijs kan beschikken de in artikel 8a, derde lid, genoemde vermogensgrens overschrijdt. Bij overschrijding van die vermogensgrens bestaat geen recht op IOAW-uitkering en dient eerst op het vermogen te worden ingeteerd. Naderhand ontvangen vermogen of naderhand ontstane aanspraken op vermogen worden niet in aanmerking genomen. Het onderhavige voorstel brengt geen wijziging in de inkomenstoets van de IOAW. In WWB worden middelen, zijnde òf inkomen òf vermogen, die worden ontvangen tijdens de bijstandsverlening wel bij de middelentoets in aanmerking genomen.

De voor de IOAW voorgestelde vermogenstoets wijkt voorts van de vermogenstoets in de WWB af ten aanzien van het vermogen gebonden in de eigen woning; in tegenstelling tot de WWB wordt in de IOAW bij het bepalen van het vermogen geen rekening gehouden met het vermogen gebonden in het eigen huis, dat door de werkloze werknemer, zijn echtgenoot en/of zijn kind wordt bewoond.

Evenals in de WWB is het van enkele vermogensbestanddelen ongewenst of onbillijk om deze als vermogen in aanmerking te nemen en om te vergen dat ze voor het levensonderhoud worden ingezet als deze het vrijgelaten vermogen te boven gaan. Met betrekking tot die vermogensbestanddelen is dan ook in artikel 8a, tweede lid, uitdrukkelijk bepaald dat deze niet als vermogen in aanmerking worden genomen.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de toepassing van het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld. Gelet op de diversiteit van praktijksituatie is het daarnaast wenselijk de mogelijkheid te openen om afwijkende regels te stellen indien de toepassing van het eerste en tweede lid tot onbillijkheden leidt.

De voorgestelde vermogensgrens in de IOAW bedraagt hetzelfde als in de WWB en wordt ook met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar geïndexeerd aan de hand van de procentuele stijging van de consumentenprijsindex.

Artikel 1, onderdeel D

Artikel 25, derde lid, onderdeel a, komt overeen met het huidige artikel 25, derde lid van de IOAW. Artikel 25, derde lid, onderdelen a en b, komen overeen met de strekking van artikel 58, eerste lid, onderdeel f, sub 1 WWB. De omstandigheid dat ten aanzien van een bepaalde categorie (potentiële) IOAW-belanghebbenden rekening wordt gehouden met vermogen, brengt met zich mee dat ingeval de werkloze werknemer naderhand in aanmerking te nemen vermogen ontvangt waarop bij de aanvraag van de uitkering wel aanspraak bestond maar waarover in redelijkheid nog niet of niet volledig kon worden beschikt, de verstrekte uitkering vanaf dat moment wordt teruggevorderd, indien en voor zover het totale vermogen de van toepassing zijnde vermogensgrens overschrijdt. Het betreft hier onder meer een aandeel in een onverdeelde boedel, bijvoorbeeld als gevolg van een erfenis of bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed, of een lijfrentepolis. Of het vermogen dat de werkloze werknemer op het tijdstip van de aanvraag heeft op dat moment in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard van het vermogen en van de rechtsmiddelen die de werkloze werknemer ter zake heeft. Hiermee komt deze belanghebbende alsnog in dezelfde positie als de IOAW-belanghebbende die zijn vermogen wel bij de aanvang van de uitkering onmiddellijk te gelde kan maken en wiens recht op uitkering wegens het overschrijden van de vermogensgrens wordt afgewezen.

Artikel 1, onderdeel E

In artikel 63a komt tot uitdrukking dat de vermogentoets niet van toepassing is voor degenen die voor de datum van inwerkingtreding van dit voorstel recht hebben op een uitkering op grond van de IOAW.

In artikel 63b wordt voorts een uitzondering op de onmiddellijke werking van het voorstel gemaakt voor de personen wier WW-uitkering vóór de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zou zijn geëindigd wegens het bereiken van de volledige uitkeringsduur indien die niet tijdelijk was onderbroken door het verrichten van werkzaamheden. Voor deze groep geldt een uitgestelde werking tot één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit voorstel.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof


XNoot
1

Kamerstukken II 2004/05, 29 800, nr. 4.

XNoot
2

Kamerstukken II 2004/05, 29 850, nr. 4.

XNoot
3

Kamerstukken II 2004/05, 29 800, nr. 29.

XNoot
1

«Riant aan de kant: Een analyse van de invloed van uitkeringsvoorwaarden op werkloosheidsduur». Rapport Statistiek en Onderzoek GAK, juli 1991; Carling, K., Holmlund B., Altin, V., 2000, Do Benefits Cuts Boost Job Finding? Swedish Evidence from the 1990s; Van den Berg, 1990, Search behaviour, transitions to non-participation and the duration of unemployment, Economic Journal, vol. 100 no. 402, p. 842–865; Knut Roed, Peter Jensen and Anna Thoursie, Unemployment Duration, Incentives and Institutions – A micro-Econometric Analysis Based on Scandinavian Data, Memorandum nr. 9/2002, Department of Economics, University of Oslo.

XNoot
1

Kamerstukken I 25 900, nr. 87 en nr. 87b.

XNoot
1

Toezichtbaarheidstoets wetsvoorstel Wijziging IOAW in verband met invoering vermogenstoets; kenmerk 2005/367.