De onveilige situatie bij zorgcentrum Pelgromhof in Zevenaar |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Dochter krijgt telefoontje van zorgcentrum en ontdekt dat er maar één medewerker is voor 26 ouderen»1 en «Eigen personeel van zorgcentrum hoopt dat werkgever omvalt: «Dat is voor iedereen beter»»?2
Ja, ik heb de artikelen gelezen. Ze schetsen een ernstig beeld van de situatie bij deze zorgaanbieder. Ik ben geschrokken van de berichtgeving, want ik vind het belangrijk dat ouderen veilige en liefdevolle zorg en ondersteuning krijgen die voldoet aan het kwaliteitskader dat hiervoor geldt. De IGJ doet onafhankelijk onderzoek naar de meldingen die bij hen zijn gemaakt.
Klopt het dat bij zorgcentrum Pelgromhof één jonge medewerker alleen verantwoordelijk was voor 26 kwetsbare ouderen en dat er geen avond- en nachtdienst aanwezig was?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Deelt u de mening dat het volstrekt onverantwoord is dat één medewerker alleen wordt gelaten met 26 kwetsbare bewoners? Zo nee, waarom niet?
Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van de IGJ kan ik geen uitspraken doen over de kwaliteit en veiligheid van zorg op de locaties Maria Postel en Pelgromhof van Pecura Zorg. Meer in het algemeen moeten zorgaanbieders voldoen aan de normen en regels met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Klopt het dat er twaalf diensten openstonden, dat medewerkers zelf vervanging moesten regelen en dat aan familieleden werd gevraagd bij te springen? Hoe worden onder deze omstandigheden de continuïteit en veiligheid van de zorg gegarandeerd?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de meldingen over een bewoner die ’s nachts in het eigen braaksel lag, een bewoner die tijdens het lopen haar katheter verloor en een bewoner die ten val kwam? Zijn deze incidenten gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Klopt het dat zorgverleners in opleiding zelfstandig nachtdiensten draaien en dat diensten worden uitgevoerd door zzp’ers die niet altijd voldoende gekwalificeerd zijn? Vindt u dit verantwoord?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de signalen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk meermaals is overtreden en dat zieke medewerkers onder druk worden gezet om snel weer aan het werk te gaan? Welke stappen worden hiertegen genomen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding van een vakbond ontvangen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk is overtreden. Tevens is gemeld dat er sprake is van hoge werkdruk en onderbezetting en het ontbreken van een basiscontract. Gezien het faillissement van Percura Zorg zullen deze meldingen niet meer onderzocht worden.
Klopt het dat Percura Zorg sinds 13 mei jl. niet meer beschikt over een arbodienst en daardoor ook geen bedrijfsarts heeft, nadat de arbodienst de dienstverlening wegens wanbetaling heeft beëindigd? Welke gevolgen heeft dit voor de begeleiding en bescherming van medewerkers en welke maatregelen worden genomen om deze situatie zo snel mogelijk te herstellen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding hierover ontvangen. Gelet het faillissement van Percura zorg zal deze melding niet meer worden onderzocht.
Hoeveel meldingen hebben de IGJ en de Nederlandse Arbeidsinspectie ontvangen over Percura Zorg en welke maatregelen zijn tot nu toe genomen?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in de jaren 2024 en 2026 in totaal 9 meldingen over Percura Zorg ontvangen. In 2024 heeft onderzoek plaatsgevonden, waarin 3 meldingen zijn onderzocht, met als resultaat één overtreding waarvoor een waarschuwing is gegeven. Zoals ook is aangegeven bij vragen 7 en 8, zijn recent twee meldingen door een vakbond gedaan, die vanwege het faillissement van Percura zorg niet worden onderzocht. De overige meldingen lagen niet op het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie of kwamen niet in aanmerking voor onderzoek.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de financiële problemen van Percura Zorg, waaronder wanbetaling aan uitzendkrachten en andere dienstverleners, ten koste gaan van de veiligheid en continuïteit van de zorg voor de bewoners?
Percura Zorg B.V. is per 11 augustus 2026 failliet verklaard. De zorg die geleverd werd op de locatie Maria Postel is inmiddels overgenomen door een nieuwe partij. Voor de locatie Pelgromhof wordt nog gezocht naar een overnemende partij. De curator is verantwoordelijk voor de afwikkeling van het faillissement van Percura zorg B.V. De zorg voor de ruim 20 bewoners loopt ondertussen door, aldus de curator. Het toezicht van de IGJ richt zich de komende periode op de kwaliteit van de zorg die nog geleverd wordt en een zorgvuldige overgang van cliënten naar een nieuwe zorgaanbieder. IGJ is daarover in gesprek met de bestuurder en de curator. Het zorgkantoor is vanuit diens zorgplicht hard aan het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. De NZa houdt hier toezicht op.
Waarom is bij de locatie Pelgromhof nog niet ingegrepen, terwijl medewerkers al langere tijd waarschuwen voor ondermaatse zorg en de locatie Maria Postel inmiddels failliet is verklaard?
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van beide inspecties en over de maatregelen die worden genomen?
De recente meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie worden vanwege het faillissement van Percura zorg niet onderzocht.
De IGJ zal zodra het onderzoek afgerond is haar rapport publiceren op haar website.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Na zestig jaar moet mevrouw Rodijnen-Brands (96) tot haar verdriet noodgedwongen verhuizen: «Ik wil mijn laatste tijd het liefst hier doorbrengen»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een vrouw van 96 jaar, die afhankelijk is van mantelzorg en al zestig jaar in dezelfde woning woont, op zeer hoge leeftijd nog gedwongen wordt te verhuizen?
We snappen dat het erg ingrijpend kan zijn voor deze mevrouw. Het is een onwenselijke situatie om op deze leeftijd te moeten verhuizen uit de woning waar zij al 60 jaar in woont.
Deelt u de opvatting dat gedwongen verhuizingen op zeer hoge leeftijd grote gevolgen kunnen hebben voor het welzijn, de gezondheid en de zelfredzaamheid van ouderen?
Ja, wij delen de mening dat dit grote gevolgen kan hebben. Het is dan ook van belang dat met behulp van de betreffende corporatie wordt gezocht naar een nieuwe passende woning. Daarbij geldt evenwel dat een verhuizing naar een geclusterde woonvorm er ook voor kan zorgen dat mensen nieuwe contacten opdoen en mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Daarom is het zo van belang dat voldoende passende woningen voor ouderen worden gerealiseerd.
Beschikt u over cijfers hoeveel ouderen van 90 jaar en ouder de afgelopen vijf jaar vanwege sloop, herstructurering of renovatie van hun woning hebben moeten verhuizen? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Wij beschikken niet over deze cijfers.
Hoe verhoudt het gebrek aan passende woningen voor Nederlandse ouderen zich tot de prioriteit die in veel gemeenten wordt gegeven aan andere woningzoekenden, waaronder statushouders?
Het is niet behulpzaam om groepen tegenover elkaar te plaatsen, dus daar gaan wij niet in mee. De woningbouwopgave is één van de grootste prioriteiten van dit kabinet, en zo ook de huisvestingsopgave voor ouderen. Ook in gemeenten wordt hard gewerkt aan de woningbouw voor ouderen, zoals ook door het Aanjaagteam Wonen Welzijn en Zorg voor Ouderen is geconstateerd. Dat wil niet zeggen dat er geen knelpunten zijn, ook wij zien dat versnelling nodig is. De opgave voor passende woningen staat echter scherp op ons netvlies.
Welke mogelijkheden hebben woningcorporaties momenteel om maatwerk te bieden aan zeer kwetsbare ouderen die door sloop of herstructurering hun woning moeten verlaten?
Op grond van de Woningwet zijn woningcorporaties verplicht om een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpend renoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokken bewoners. De woningcorporaties zijn verplicht om een verhuiskostenvergoeding te verstrekken aan een huurder die zijn of haar woning moet verlaten wegens sloop. Verder moet de woningcorporatie ook een passende woning beschikbaar hebben. De wet stelt verder geen eisen aan de inhoud van het verplichte reglement, omdat de context waarbinnen sloop en renovatie plaatsvinden lokaal en regionaal kunnen verschillen. Met het opstellen van een Nationaal sloop- en renovatiestatuut is beoogd om een landelijke handreiking te bieden die als basis kan dienen voor woningcorporaties, huurdersvertegenwoordigingen en gemeenten om verdere afspraken op lokaal niveau vast te leggen in een verplicht reglement (ook wel een sociaal plan genoemd).
Bent u van mening dat bij ouderen op zeer hoge leeftijd het uitgangspunt zou moeten zijn dat een verhuizing zoveel mogelijk wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Dit kan zo niet in algemene zin worden gesteld. Zo kunnen woningen in complexen van corporaties sterk verouderd en van einde levensduur zijn. Na verloop van tijd zullen woningen moeten worden gerenoveerd. Dit gaat ook om de gezondheid van de huidige en toekomstige bewoners als het bijvoorbeeld gaat om isolatie en het binnenklimaat van woningen. Het is heel ingrijpend als dit betekent dat oudere bewoners moeten verhuizen, maar helaas ook soms onvermijdelijk.
Herkent u signalen dat ouderen of hun familie afzien van het aanvragen van een zorgindicatie uit angst dat zij verder van hun sociale netwerk of mantelzorgers worden geplaatst?
Nee, deze signalen herkennen wij niet. Ook als mensen een Wlz-indicatie hebben, betekent dit niet dat ze moeten verhuizen. Ze kunnen de zorg ook met een Modulair Pakket Thuis, een Volledig Pakket thuis of een persoonsgebonden budget in het huis krijgen waar ze al wonen.
Welke mogelijkheden ziet u om te bevorderen dat zeer kwetsbare ouderen die moeten verhuizen, voorrang krijgen op een passende woning in hun eigen woonomgeving?
Op basis van de Huisvestingswet 2014 hebben gemeenten al verschillende mogelijkheden om woningzoekenden voorrang te verlenen, onder mee op basis van passendheid2 of voorrang voor woningzoekenden met lokale binding3. In de huisvestingsverordening legt een gemeente deze voorrangsregels vast. Hiermee kunnen gemeenten bijvoorbeeld voorrang geven aan lokale ouderen op een nultredenwoning.
In het algemeen is het belangrijk dat er voldoende passende woningen zijn. Daarom zet ik onder meer via de Woondeals samen met provincies en gemeenten in op het bouwen van voldoende nultredenwoningen, geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en ouderenorganisaties om te bezien of aanvullende afspraken nodig zijn om gedwongen verhuizingen van zeer kwetsbare ouderen zoveel mogelijk te voorkomen?
Het kabinet is al volop bezig met het in samenspraak realiseren van voldoende woningen voor ouderen. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt met woningcorporaties over sloop en renovatie. Met het Nationaal sloop- en renovatiestatuut heeft het kabinet een landelijke handreiking gedaan, die als basis kan dienen om tot goede lokale afspraken te komen. Ik verwacht dat corporaties samen met de betrokken lokale partijen tot goede afspraken en oplossingen komen. Ik heb geen signalen ontvangen dat dit niet het geval is. Daarom vinden wij het niet nodig om nog aanvullend met deze organisaties in overleg te treden en aanvullende afspraken te maken.
Bent u bereid om in overleg met de betrokken woningcorporatie, gemeente en andere betrokken partijen te kijken of voor mevrouw Rodijnen-Brands alsnog een passende oplossing kan worden gevonden, zodat zij haar laatste levensfase zoveel mogelijk in haar vertrouwde omgeving kan doorbrengen? Zo nee, waarom niet?
Wij vinden het belangrijk dat dit gesprek lokaal wordt gevoerd en vinden het niet behulpzaam om vanuit Den Haag te bepalen wat het beste is voor deze specifieke situatie. Het is de verantwoordelijkheid van de corporatie om met de gemeente en de andere betrokken partijen om tot een passende oplossing te komen. Wij zien hierin geen rol voor onszelf.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De uitspraken van de minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Ik heb aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet Jetten van 2029 tot en met 2035 € 7 miljard beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland. Hier valt ouderenhuisvesting ook onder. Zoals ik ook eerder in debatten richting uw Kamer heb aangegeven, zijn er veel ambities en dient het bedrag van € 7 miljard verdeeld te worden. Hier ben ik op dit moment mee bezig. Ik verwacht uw Kamer daar in september over te informeren.
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Het klopt dat de € 7 miljard bedoeld is voor de woningbouwopgave, waar ouderenhuisvesting ook zeker onderdeel van is. Dat deel van de bouwopgave heeft mijn volle aandacht. Ik verwijs u terug naar mijn antwoord op vraag 1 voor een nadere toelichting.
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030? En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Daarbij is het van belang op te merken dat naast de middelen die vanaf 2029 beschikbaar komen (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029–2035), er ook nog woningbouwmiddelen resteren vanuit het kabinet Schoof in de periode tot en met 2030. Hiervan staat nog € 420 miljoen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen t/m 2030, onder de post «opslagen» binnen de Realisatiestimulans. Deze middelen zijn beschikbaar voor zowel ouderen als aandachtsgroepen. Ten aanzien van uw tweede vraag merk ik op dat de budgettaire bijlage zowel een overzicht tot en met 2030, als een meerjarig overzicht voor de periode 2031–2035 bevat. In dat laatste overzicht staat de reeks van € 1 miljard per jaar voor betaalbare woningen ook opgenomen.
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029 beschikbaar komen?
De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt. Zowel tot en met 2030 als voor de periode tot en met 2035 staan hier dus middelen voor gereserveerd. Dat zijn de middelen die dit kabinet extra beschikbaar stelt voor woningbouw (7 * € 1 miljard), aanvullend op de middelen die reeds beschikbaar zijn gesteld door het vorige kabinet.
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van «miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Ik zie geen aanleiding om mijn eerdere uitspraken te rectificeren of terug te nemen. De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt en wat mijn volle aandacht heeft.
Voor geclusterde en zorggeschikte woningen is € 420 miljoen beschikbaar in de periode 2027 tot en met 2030 binnen de post «opslagen» van de Realisatiestimulans. Dit bedrag is inzetbaar voor ouderen en andere aandachtsgroepen. Dit bedrag komt bovenop de reeds beschikbare gestelde middelen voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW). De middelen voor deze laatste regeling staan op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In 2026 staan nog tranches open voor deze regelingen voor respectievelijk € 40 en € 80 miljoen. Over het mogelijk beschikbaar stellen van middelen voor ouderenhuisvesting na 2030 dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Het Kabinet-Schoof heeft middelen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans voor de periode 2027–2030. Het resterende budget bedraagt € 420 miljoen euro. Daarnaast heeft het kabinet-Schoof structurele middelen gereserveerd voor de ouderenzorg op de aanvullende post, oplopend tot € 470 miljoen euro per jaar vanaf 20301. Het Kabinet-Jetten heeft deze enveloppe van € 470 miljoen geschrapt in het coalitieakkoord. In het coalitieakkoord is € 7 miljard gereserveerd voor woningbouw in de periode 2029–2035. Over het mogelijk beschikbaar stellen van deze middelen voor ouderenhuisvesting dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert het kabinet dit als reeds geregeld?
Voor het scheiden van wonen en zorg in de ouderenzorg zijn transitiemiddelen ter beschikking gesteld. Van deze transitiemiddelen is voor de periode 2023 t/m 2026 € 312 miljoen beschikbaar om subsidieaanvragen te kunnen honoreren. De feitelijke uitgaven vinden in latere jaren plaats. Deze uitgaven verlopen via de begroting van VWS. Voor de ronde 2026 is het budgetplafond vastgesteld op € 80 miljoen2.
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Met de € 40 miljoen verwees ik naar het budget voor de SOO in 2026. Aangevuld met het budget van € 80 miljoen voor de SZGW in 2026 verwacht ik dat dit voldoende financiële ondersteuning zal zijn om in de opgave voor ouderenhuisvesting te voorzien in 2026. Mijn opdracht vanuit het coalitieakkoord is om voldoende nieuwe woonvormen te realiseren en voor de financiële ondersteuning bij deze opgave maak ik gebruik van de beschikbare woningbouwmiddelen. Het gaat daarbij dus niet om de beschikbare gestelde € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten».
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting? En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de € 1 miljard is?
Het klopt dat het kabinet de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrij vallen. Het gaat daarbij om de volgende reeks:
2027
2028
2029
2030
Structureel
Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg1
– 8
– 321
– 320
– 470
– 470
bedragen in miljoen euro
De benodigde middelen voor de verzorgingshuizen zoals het vorige kabinet die had beoogd, hingen voor een belangrijk deel samen met het zorgconcept. Het scenario uit het onderzoek van PwC naar de moderne verzorgingshuizen ging uit van de situatie dat er zorg- en welzijnspakketten nodig zouden zijn die vergelijkbaar zouden zijn met de oude ZZP 2 en ZZP 3 pakketten. PwC gaf hierbij aan dat «Door te werken volgens de traditionele urennormen zou de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen aanzienlijk toenemen, vergeleken met de ondersteuning die zij momenteel ontvangen. De doelgroep heeft een latente zorgbehoefte, en het is dus ook aannemelijk dat zij meer zorg en ondersteuning nodig hebben dan zij nu ontvangen. Dit biedt echter ook een kans om delen van de zorgbehoefte op alternatieve manieren in te vullen, en goede voorbeelden van werkwijzen die in de tussentijd ontwikkeld zijn integraal mee te nemen in een «verzorgingshuis nieuwe stijl»». Omdat het vooral gaat om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd, is het de vraag of de zorgvraag per saldo zal toenemen. Een onderdeel van de plannen was daarnaast om in te zetten op gemeenschapsvorming in woonvormen. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft daarover al aangegeven dat ze onderzoekt of gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende HLO-afspraken op grond van het coalitieakkoord. Ten slotte, was een deel van de middelen bestemd voor de woningbouw. Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Er is reeds subsidie verschaft aan ontmoetingsruimten bij ca. 29.000 geclusterde woningen voor ouderen (hoofdzakelijk in het betaalbare segment) en voor ca. 7866 zorggeschikte woningen (in de sociale huur) subsidie aangevraagd. In 2026 zijn de regelingen SOO en SZGW opnieuw opengezet voor in totaal € 120 miljoen waarmee middelen beschikbaar zijn om geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen van subsidie te kunnen voorzien. Ik verwacht met de beschikbare middelen in 2027 tot en met 2030 een bijdrage te kunnen leveren aan een groot aantal extra geclusterde en zorggeschikte woningen voor ouderen en aandachtsgroepen, waarvan het grootste gedeelte voor ouderen zal worden ingezet. Een exacte raming kan ik in dit stadium niet geven, omdat ik nog uitwerk via welke regelingen deze middelen worden besteed. Ik verwacht uw Kamer hier verder over te informeren in september.
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Dit kabinet heeft, net als het vorige kabinet, geen structurele middelen beschikbaar gesteld voor de woningbouwopgave, maar heeft wel middelen ingezet om de woningbouw tot en met 2035 te ondersteunen. Het is aan een volgend kabinet om te bezien in welke mate financiële ondersteuning na 2035 nodig is. Voor het inzicht in de beschikbare middelen en de realisaties die hiermee ondersteund worden verwijs ik u verder naar de antwoorden op vraag 3 en 10.
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Ik heb uw Kamer een voortgangsbrief ouderenhuisvesting gestuurd, waar ik inga op de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen. Ook ga ik in deze brief in op de knelpunten die ik zie bij de realisatie van deze opgave, en geef ik een overzicht van hoe ik werk aan bijpassende financiële ondersteuning.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Ja, ik zal bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een dergelijke bijlage bijvoegen. De bijlage is in hoofdopzet reeds gereed, alleen het kasritme dient nog te worden afgestemd met de meest actuele begroting, zodat deze in lijn wordt gebracht met de geldende begrotingssystematiek en de uitwerking van de betreffende subsidieregelingen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Ja.
De discrepantie tussen de gestegen AOW-leeftijd en huidige berekening van seniorendagen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u het feit dat in diverse cao’s (waaronder Metaal en Techniek) de automatische berekening van seniorendagen (rekentool) stopt bij 65 jaar, terwijl de wettelijke AOW-leeftijd inmiddels 67 jaar of hoger is, en werknemers dus feitelijk twee jaar langer moeten doorwerken zonder deze extra verlofdagen?
Het is belangrijk dat werkenden gezond, vaardig en vitaal hun pensioen kunnen bereiken. Werkgevers en werknemers kunnen hierover arbeidsvoorwaardelijke afspraken maken in de cao, zoals extra verlof voor oudere werknemers. Het is mij bekend dat het vervallen van de seniorendagen voor werknemers vanaf 66-jarige leeftijd onderwerp van gesprek is geweest binnen de sector Metaal en Techniek. In de huidige cao van deze sector (looptijd 1 februari 2026 tot 1 februari 2028) is het betreffende artikel aangepast. Werknemers vanaf 55 jaar hebben op basis van de huidige cao-afspraak recht op extra vakantie-uren tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Ook de bijbehorende rekentool is hierop aangepast. Mijn ministerie heeft geen signalen ontvangen dat een vergelijkbare situatie ook speelt in andere sectoren.
Bent u van mening dat het laten vervallen van seniorendagen op 65-jarige leeftijd, terwijl de wettelijke pensioenleeftijd stijgt, in strijd is met het kabinetsdoel om mensen langer gezond aan het werk te houden?
Ik vind het belangrijk dat werkgevers en werknemers met elkaar het gesprek voeren over gezond langer doorwerken. Extra verlof voor oudere werknemers of werknemers met zwaar werk is één van de mogelijkheden om gezond en vitaal langer doorwerken te ondersteunen. Tegelijkertijd is duurzame inzetbaarheid breder dan dat. Duurzame inzetbaarheid vraagt om een inzet gericht op de hele loopbaan, niet alleen in de periode richting pensionering. Het is immers voor werknemers van alle leeftijden relevant om gezond en vaardig te kunnen blijven werken. Werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn het beste in staat om te bepalen welke afspraken passend zijn binnen de sector of het bedrijf.
Op welke wijze kunnen cao-partijen (werkgevers en vakbonden) worden gestimuleerd om de rekentools en de bepalingen in de cao direct in lijn te brengen met de actuele AOW-leeftijd, om onduidelijkheid en onrechtvaardigheid op de werkvloer te voorkomen?
Ik begrijp dat het tot onduidelijkheid kan leiden bij werknemers wanneer arbeidsvoorwaardelijke afspraken die door werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn beoogd door te lopen tot de AOW-leeftijd, eerder vervallen dan de wettelijke AOW-leeftijd. Ik ben bereid om dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken tussen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Het blijft aan cao-partijen voorbehouden om de arbeidsvoorwaardelijke afspraken in een cao te bepalen. Overigens kunnen werkgevers in de toepassingspraktijk, voor zover de cao dit toelaat, ruimhartiger arbeidsvoorwaarden toekennen aan hun werknemers dan de cao voorschrijft.
Ziet het kabinet een risico op leeftijdsdiscriminatie (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)) wanneer seniorendagen stoppen bij 65 jaar, maar de pensioenleeftijd voor iedereen gelijk is?
De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL) biedt ruimte voor leeftijdsgebonden regelingen wanneer daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Het vaststellen van een objectieve rechtvaardigingsgrond ligt bij cao-partijen. Dit moet namelijk blijken uit de specifieke omstandigheden van het geval en is niet af te leiden uit de tekst van de cao-bepaling. Hiervoor is het ook belangrijk om een afspraak binnen het bredere pakket van samenhangende maatregelen in de betreffende cao te bezien.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het meebewegen van (cao-)rekentools met de levensverwachting, zoals afgesproken in het pensioenakkoord?
Rekentools die horen bij cao-afspraken worden niet door het Ministerie van SZW bijgehouden. Wel voert het Ministerie van SZW breder cao-onderzoek uit naar maatregelen voor oudere werknemers. De meest recente onderzoeksrapportage met informatie over extra verlof is «Oudere werknemers 2025: Cao-afspraken over extra verlof, arbeidsduurverkorting, verlofsparen en RVU».1
Op welke termijn kunnen werknemers verwachten dat de berekening van extra vakantierechten voor oudere werknemers (zoals in artikel 51 cao’s) automatisch wordt aangepast aan de AOW-gerechtigde leeftijd?
Het is niet aan mij om daar een termijn aan te koppelen. De arbeidsvoorwaarden en in het bijzonder de cao’s waarin onderhavige afspraken staan, zijn immers de verantwoordelijkheid van sociale partners. Deze cao’s hebben veelal een looptijd van 1 tot 2 jaar. Het is aan sociale partners om af te wegen of aanpassing nodig is en of ze daarvoor de cao tussentijds willen wijzigen of dat ze deze wijzigingen laten meelopen in de reguliere cao-onderhandelingen.
Hoe rijmt u het verdwijnen van seniorendagen vanaf 65 jaar met de noodzaak om fysiek of mentaal zware beroepen werkbaar te houden tot de verhoogde pensioenleeftijd?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen gezond, vaardig en vitaal de eindstreep kunnen halen. Afspraken maken over extra verlof voor oudere werknemers met zwaar werk kan een manier zijn om gezond langer doorwerken te stimuleren. Hiermee wordt de werknemer met zwaar werk meer hersteltijd geboden. Maar gezond langer doorwerken vraagt een bredere aanpak. De gezamenlijke agenda voor duurzame inzetbaarheid van het kabinet en sociale partners, die voortkomt uit het akkoord «Gezond naar het pensioen» (2024), ondersteunt deze inspanningen. Met de agenda wordt ingezet op het zoveel mogelijk voorkomen of verlichten van belastende werkzaamheden bij de bron, en om waar mogelijk een tijdige overstap van zwaar naar lichter werk te stimuleren.
Hoewel arbeidsvoorwaarden primair een zaak zijn van sociale partners, draagt u systeemverantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt en volksgezondheid. Bent u daarom bereid om op zeer korte termijn in gesprek te gaan met de Stichting van de Arbeid om een landelijke richtlijn of handreiking op te stellen, die garandeert dat seniorendagen in cao’s organisch doorlopen tot aan de feitelijke, individuele AOW-datum van de werknemer? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard ben ik zoals gezegd bereid dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken met sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Het is de verantwoordelijkheid van sociale partners om er waar dat nodig is, voor te zorgen dat de arbeidsvoorwaarden goed aansluiten op wettelijke maatregelen of wijzigingen daarin. De vraag of naar aanleiding van dit signaal eventuele vervolgacties nodig zijn, zoals een handreiking vanuit sociale partners, is dan ook aan hen.
Mantelzorgers die op straat dreigen te belanden |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Eindhovens Dagblad waarin valt te lezen dat iemand die al jaren voor haar ongeneeslijk zieke moeder zorgt op straat dreigt te komen op het moment dat haar moeder komt te overlijden?1
Deelt u de mening, kijkende naar wat de betreffende persoon allemaal doet voor haar moeder met betrekking tot mantelzorg er onmiskenbaar sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onverklaarbaar is hoe de genoemde woningcorporatie zich heeft opgesteld met betrekking tot de vraag van de betreffende persoon om als medehuurder op het huurcontract te komen, kijkende naar al haar mantelzorgactiviteiten de afgelopen jaren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat mantelzorgers een onmisbare rol vervullen in de Nederlandse samenleving en dat dergelijke schrijnende casussen een negatieve invloed kunnen hebben op het aantal mensen dat mantelzorgactiviteiten wil ondernemen met alle gevolgen van dien? Zo nee, waarom niet?
Heeft u een beeld van hoe vaak schrijnende zaken zich voordoen in Nederland inzake naasten die op straat dreigen te komen na het overlijden van de hoofdhuurder en wat bent u bereid met relevante partners te ondernemen om dergelijke zaken zoveel mogelijk te voorkomen? Mocht u geen beeld hebben van de geschetste problematiek, bent u dan bereid zo snel mogelijk een diepgravend onderzoek in te stellen?
Deelt u de mening dat woningcorporaties en gemeenten zich altijd coulant dienen op te stellen in dergelijke casussen, niet alleen inzake de tijdsduur die mensen hebben om een nieuwe huurwoning te vinden, maar ook door het zo actief mogelijk begeleiden van mensen naar een nieuwe huurwoning (maatwerk) en mantelzorgers niet af te rekenen als zij niet in hun eigen huurwoning kunnen wonen door verblijf bij bijvoorbeeld ouders voor mantelzorgactiviteiten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening, in het verlengde van vraag zes, dat het uitgangspunt altijd zou moeten zijn, dat als naasten (die samenwoonden met een overleden hoofdhuurder) niet binnen de beschikbare termijn een nieuwe huurwoning weten te vinden, er nooit kan worden overgegaan in het op straat zetten van deze mensen?
Deelt u de mening dat het een ongelooflijke schande zou zijn en volslagen onverkoopbaar aan de samenleving als naasten die bijvoorbeeld jaren voor hun ongeneeslijk zieke ouders zorgen op straat komen te staan, terwijl statushouders voorrang krijgen op huurwoningen?
Het bericht ‘Al dagen dood in verpleeghuis’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Al dagen dood in verpleeghuis»?1
Wat vindt u ervan dat zorgmedewerkers twaalf dagen achter elkaar hebben gerapporteerd dat zij deze bewoonster niet hadden gezien, zonder dat iemand bij haar is gaan kijken?
Hoe kan het dat het dagenlang niet zien van een kwetsbare bewoner kennelijk geen aanleiding was om te controleren of het wel goed met haar ging?
Klopt het dat met deze bewoonster was afgesproken dat er dagelijks op twee momenten contact met haar zou zijn, onder meer voor haar medicatie en eten? Zo ja, hoe kan het dat het uitblijven van deze contactmomenten niet eerder tot actie heeft geleid?
Rivas Zorggroep stelt volgens het artikel dat medewerkers zo hebben gehandeld omdat mevrouw zorg meed. Welke verantwoordelijkheid heeft een zorginstelling wanneer een kwetsbare bewoner zorg mijdt? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot wat hier is gebeurd?
Zijn er landelijke regels of afspraken over wat medewerkers in een verpleeghuis moeten doen wanneer zij een bewoner meerdere dagen niet zien of geen contact met die bewoner kunnen krijgen? Zo ja, zijn die regels hier gevolgd?
Klopt het dat de kamer van mevrouw langere tijd niet was schoongemaakt als gevolg van gebrekkige communicatie tussen het schoonmaakbedrijf en de zorgorganisatie? Hoe kan zoiets binnen een verpleeghuis zo lang onopgemerkt blijven?
Hoe heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) deze melding beoordeeld en welke maatregelen heeft de IGJ naar aanleiding daarvan genomen?
Heeft de IGJ onderzocht of de problemen die hier naar voren komen, zoals het niet nakomen van afgesproken contactmomenten en gebrekkige overdracht en communicatie, ook bij andere bewoners van deze locatie spelen?
Heeft de IGJ de afgelopen jaren vaker meldingen ontvangen waarbij bewoners van een verpleeghuis pas dagen na hun overlijden werden aangetroffen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat het?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bevindingen van de IGJ in deze zaak en over eventuele maatregelen die naar aanleiding hiervan zijn of worden genomen?
Het bericht ‘Vrouw (83) uren na noodoproepen op vloer uitgedroogd gevonden tussen zakken ontlasting: ‘Iedereen moet op non-actief’' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw (83) uren na noodoproepen op vloer uitgedroogd gevonden tussen zakken ontlasting: «Iedereen moet op non-actief»»?1
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze mevrouw, die meerdere keren per week zorg en ondersteuning kreeg van verschillende organisaties, uitgedroogd en in een ernstig vervuilde woning werd gevonden?
Aangezien de vrouw rond 10.00 uur en rond 12.00 uur op haar alarmknop drukte en beide meldingen zijn doorgestuurd naar de thuiszorg, terwijl zij pas rond 13.30 uur op de vloer werd aangetroffen, vindt u dit een aanvaardbare opvolging van een noodoproep? Welke normen of afspraken gelden voor de tijd waarbinnen op een persoonsalarm moet worden gereageerd?
Is u bekend dat de vrouw in het ziekenhuis werd opgenomen met onder meer een vochttekort, vitaminetekort en ernstig oedeem en dat zij volgens de familie vooral snacks en kant-en-klaarmaaltijden at, terwijl zij ondersteuning kreeg bij boodschappen en maaltijden? Hoe beoordeelt u dit en wordt bij kwetsbare ouderen voldoende gecontroleerd of de geboden ondersteuning ook daadwerkelijk leidt tot voldoende en passende voeding, en vochtinname?
Bent u ermee bekend dat de familie heeft aangegeven dat zij vier weken na de ziekenhuisopname nog steeds geen duidelijk beeld heeft gekregen van wat er rond de twee alarmmeldingen is gebeurd? Vindt u ook dat cliënten en hun vertegenwoordigers na een ernstige gebeurtenis snel en volledig duidelijkheid moeten krijgen over de feitelijke gang van zaken? Welke regels gelden hiervoor?
Deelt u de mening dat bij ernstige signalen over de veiligheid of mogelijke verwaarlozing van een thuiswonende oudere ook de vaste contactpersoon of gemachtigde tijdig moet worden geïnformeerd, voor zover de privacyregels dat toestaan? Is volgens u voldoende duidelijk wanneer zorgverleners hiertoe moeten overgaan?
Kunt u aangeven of deze casus bekend is bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en of de inspectie hierin aanleiding ziet voor onderzoek? Ziet u daarnaast aanleiding om breder te laten onderzoeken hoe de opvolging van persoonsalarmering en de regie bij thuiswonende mensen met dementie in de praktijk zijn georganiseerd?
Hoe gaat u voorkomen dat dit soort hartverscheurende situaties in de toekomst weer gebeuren?
Waarom acht u het verantwoord om door te gaan met de plannen voor het schrappen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo en het invoeren van een eigen bijdrage in de wijkverpleging, wetende dat daardoor nog minder mensen achter de voordeur zullen komen met alle gevolgen van dien, zoals escalatie van problemen, verwaarlozing en vereenzaming?
Kwetsbare ouderen die maandenlang zonder verwarming zitten |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners bejaardenflat in de kou: zieke Jan (71) ligt elke nacht rillend in zijn bed»?1
Wat vindt u ervan dat bewoners van een seniorencomplex, onder wie zieke en slecht ter been zijnde ouderen, al maanden zonder werkende collectieve verwarming zitten en inmiddels aangeven daadwerkelijk kou te lijden?
Vindt u het vanuit het oogpunt van goede en veilige ouderenzorg verantwoord dat een 71-jarige man met de ziekte van Parkinson naar eigen zeggen ’s nachts rillend in bed ligt en uit bed moet om warm te worden? Zo ja, waarom?
Hoe verhoudt deze situatie zich volgens u tot het kabinetsbeleid om ouderen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen in een passende en veilige woonomgeving?
Vindt u dat bij langdurige uitval van een essentiële voorziening als verwarming in een seniorencomplex actief moet worden nagegaan welke bewoners vanwege ouderdom, ziekte of beperkte mobiliteit extra kwetsbaar zijn en onmiddellijk ondersteuning of een passende noodvoorziening nodig hebben?
Wat vindt u ervan dat bewoners volgens het artikel voor een elektrische noodkachel werden verwezen naar een vestiging van woningcorporatie Ymere in Weesp, ruim twintig kilometer verderop, terwijl het onder andere gaat om zieke en slecht ter been zijnde ouderen?
Vindt u het aanvaardbaar dat kwetsbare ouderen zelf achter een noodkachel moeten aangaan en vervolgens ook de extra elektriciteitskosten daarvan moeten dragen wanneer de collectieve verwarming langdurig buiten gebruik is?
Bent u bereid vanuit uw verantwoordelijkheid voor ouderenzorg en ouderenhuisvesting met uw collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te bezien wat in deze concrete situatie nodig is om te voorkomen dat kwetsbare ouderen in de kou blijven zitten?
Zijn er momenteel landelijke waarborgen die ervoor zorgen dat bij langdurige uitval van essentiële voorzieningen in seniorencomplexen kwetsbare bewoners tijdig in beeld komen en daadwerkelijk een bruikbare noodvoorziening krijgen? Zo ja, welke? Zo nee, acht u aanvullende afspraken noodzakelijk?
Het bericht ‘We zijn pa zélf maar gaan verschonen’; grote reorganisatie pakte dramatisch uit bij zorginstelling |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «We zijn pa zélf maar gaan verschonen»; grote reorganisatie pakte dramatisch uit bij zorginstelling?1
Wat is uw reactie op de beschreven situaties bij zorginstelling Valkenhof, waarbij bewoners met vergevorderde dementie onder meer geen hulp zouden hebben gekregen bij eten en drinken, in hun eigen ontlasting werden aangetroffen en vermoedelijk urenlang op de vloer hebben gelegen?
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is wanneer kwetsbare ouderen die volledig afhankelijk zijn van intensieve zorg niet de persoonlijke verzorging, voeding, medicatie en veiligheid krijgen waarop zij moeten kunnen rekenen?
Hoe beoordeelt u dat Valkenhof ervaren zzp'ers gedeeltelijk heeft vervangen door zogenoemde leefgroepondersteuners zonder zorgachtergrond, terwijl de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vervolgens constateerde dat deze medewerkers taken uitvoerden waarvoor wel degelijk scholing nodig was?
Welke eisen gelden voor zorginstellingen bij de inzet van medewerkers zonder zorgopleiding en hoe wordt voorkomen dat taken waarvoor professionele deskundigheid noodzakelijk is toch bij onvoldoende geschoolde medewerkers terechtkomen?
Hoe voorkomt u dat zorginstellingen vanuit de wens om personeelskosten terug te dringen de scheiding tussen welzijnstaken en professionele zorgtaken zodanig vormgeven dat de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor bewoners in het gedrang komen?
Wat vindt u ervan dat De Vlasgaard volgens het inspectierapport op zeven van de acht onderzochte kwaliteitsnormen onvoldoende scoorde en daarmee niet voldeed aan de basisnormen voor goede en veilige zorg?
Is u bekend dat de IGJ Valkenhof vier maanden de tijd heeft gegeven om de tekortkomingen te herstellen? Gaat de IGJ na afloop van deze termijn controleren of de tekortkomingen daadwerkelijk zijn opgelost en of de zorg voor bewoners inmiddels aantoonbaar veilig is? Zo ja, wanneer vindt deze controle plaats? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw reactie op de constatering van de IGJ dat incidenten onvoldoende werden geregistreerd en dat de medicatieveiligheid niet op orde was? Kunt u aangeven of deze tekortkomingen inmiddels volledig zijn hersteld?
Wat vindt u ervan dat familieleden naar eigen zeggen herhaaldelijk bij medewerkers, het management en uiteindelijk het zorgkantoor aan de bel hebben getrokken, maar zich niet serieus genomen voelden en niet direct verbetering zagen? Heeft het zorgkantoor in deze situatie naar uw oordeel voldoende en tijdig gehandeld?
Bent u bereid de Kamer na afloop van het verbetertraject te informeren over de bevindingen van de IGJ en duidelijk te maken of Valkenhof inmiddels weer volledig voldoet aan de normen voor goede en veilige zorg?
Het gezondheidsrisico van onduidelijkheid over spuitzones en onzorgvuldige toekenning van pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat de Staatssecretaris van LVVN heeft besloten om geen opdracht te geven voor de ontwikkeling van een rekenmethode voor spuitzonering, ondanks dat het RIVM en de WUR in hun rapport hierover concluderen dat dit haalbaar is, ondanks dat daartoe is opgeroepen door middel van de motie Vedder c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 659), ondanks dat gemeenten vragen om duidelijkheid, en ondanks dat de gezondheid van mensen, dieren en natuur op dit moment ernstig bedreigd worden door het gebruik van landbouwgif? Hoe rijmt u dit met een beleid dat de volksgezondheid op één wil zetten? Vindt u bedrijfsbelangen dan toch belangrijker?1 2 3
Bent u het eens dat een wetenschappelijk onderbouwde rekenmethode veel kan betekenen voor het draagvlak onder bedrijven en de bevolking en veel duidelijkheid kan scheppen bij gemeenten voor spuitzonering? Zo nee, waarom niet?
Welke zwaarwegende argumenten voor bescherming van volksgezondheid heeft u om het advies van het belangrijkste instituut voor volksgezondheid, het RIVM, niet op te volgen?
Als u niet verder gaat met het ontwikkelen van een rekenmethode, hoe verwacht u dan tegemoet te komen aan de zorg, die u zelf aanhaalt in uw brief, dat «uit jurisprudentie blijkt dat bestaande onderbouwingen voor maatwerk in lokale situaties regelmatig onvoldoende worden geacht»? Verwacht u dat de bestuurlijke afspraken in het Convenant «Gewasbeschermingsmiddelen» voldoende gaan zijn om stand te houden bij de rechter? Zo ja, waar baseert u zich dan precies op? Is dat een voorwaarde die u stelt aan de bestuurlijke afspraken?
Hoe bent u nu concreet van plan om de volksgezondheid te gaan waarborgen en gemeenten wetenschappelijke onderbouwde duidelijkheid te geven over spuitzonering?
Aangezien uit onderzoek bekend is dat landbouwgif zich kilometers kan verspreiden, bent u bereid om in lijn met het voorzorgsbeginsel, zo lang als er onduidelijkheid bestaat, en zolang u niet kunt onderbouwen dat een kleinere spuitzonering kan bestaan zonder aantasting van gezondheid van mens, dier en milieu, een spuitzonering van minstens 500 meter verplicht te stellen? Of op zijn minst 50 meter verplicht te stellen, in lijn met huidige jurisprudentie? Zo nee, waarom niet, en op welke recente wetenschappelijke inzichten baseert u zich?
Bent u bekend met de oproep van meer dan huisartsen om te stoppen met landbouwgif in de sierteelt?4
Wat vindt u ervan dat zoveel zorgprofessionals zich genoodzaakt voelden om een noodsignaal uit te zenden, bijvoorbeeld omdat er «overtuigende aanwijzingen voor verbanden met ernstige aandoeningen zoals Parkinson, ALS en leukemie bij kinderen» zijn? Wat is uw reactie op hun zorgen en oproep?5
Hoe gaat u de zorgen van de vele zorgprofessionals nu wegnemen, terwijl u doorwerkt aan een convenant waar maatschappelijke organisaties die opkomen voor de gezondheid hun handtekening niet onder willen zetten? Op welke manier vindt u zo’n convenant dan geloofwaardig voor de zorgprofessionals?
Bent u bekend met het feit dat het UMCG recent heeft besloten opnieuw onderzoek te gaan doen tussen het verband van pesticiden en de ziekte van Parkinson, omdat bij de hoogste mate van blootstelling aan een combinatie van verschillende middelen het risico op Parkinson met zo'n 50 procent stijgt?6
Wat vindt u van de zorg die onderzoekers en zorgprofessionals hebben dat bij beoordeling en maatregelen geen rekening wordt gehouden met het «cocktaileffect» van middelen? Vindt u dat deze zorg relevant is voor de gezondheid van Nederlanders? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich? Hoe gaat u deze zorg wegenemen en welke concrete maatregelen (met tijdlijn) horen daarbij?
Als er nog zoveel onduidelijk is, en er zulke grote risico’s zijn, waarom loopt u dan weg voor uw verantwoordelijkheid om een duidelijke lijn uit te zetten wat betreft spuitzones? Waarom is het beschermen van de gezondheid van mens, dier en milieu niet uw hoogste prioriteit?
Bent u ermee bekend dat uit onderzoek van Pointer bleek dat de pesticidenlobby mee heeft kunnen schrijven bij amendementen op EU-wetgeving, en wel 101 toegangspassen had tot het Europees Parlement?7
Kunt u (in het kader van artikel 68 van de Grondwet) aangeven op welke wijze en hoe vaak agrobedrijven, pesticidenbedrijven en hun lobbyisten in het afgelopen jaar contact met u hebben gezocht? Kunt u een overzicht geven met welke agrobedrijven en pesticidenproducenten u heeft gesproken in het afgelopen jaar en hoe vaak precies, mede gelet op artikel 68 van de Grondwet?
Bent u bereid een lobbyverbod in te stellen voor pesticidenproducenten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de rechterlijke uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin is besloten dat het pesticide-middel Pitcher zo snel mogelijk uit de handel genomen moet worden, omdat in Pitcher een werkzame stof (fludioxonil) zit die hormoonontregelende eigenschappen heeft? En bent u bekend met het nieuwsbericht van de Volkskrant hierover «PAN Nederland haalt het gif uit de markt, Achmea krijgt de volle laag van het noodweer»?8 9
Bent u ermee bekend dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) wel een toelating heeft gegeven voor Pitcher ondanks de vaststelling dat er fludioxonil in zit? Hoe verklaart u dat dit kon gebeuren? Acht u dit wenselijk?
Wat vindt u ervan dat het Ctgb ondanks een eerdere soortgelijke uitspraak wederom volgens de rechter onterecht toelating heeft verleend aan een middel met een werkzame stof waarvan de Europese voedselautoriteit EFSA heeft vastgesteld dat deze hormoonverstorend is voor mens en dier, en waarvan Ctgb wist dat deze niet leidde tot verwaarloosbare blootstelling omdat de toepassing niet in een gesloten systeem plaatsvindt of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluiten?10
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige lijn die wordt gevolgd bij het Ctgb niet standhoudt bij de rechter en schadelijk blijkt te zijn voor de volksgezondheid? Vindt u dat het beleid strenger moet om de volksgezondheid wel te waarborgen? Zo nee, waarom vindt u volksgezondheid niet het belangrijkste wat er is?
Hoe gaat het Ctgb haar toelatingsbeleid aanpassen om te voldoen aan de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven?
Welke andere toepassingen van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mensen en dieren uitsluit? Kunt u daar een overzicht van geven? Bent u het eens dat deze middelen ook zo snel mogelijk uit de markt genomen moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Welke andere bestrijdingsmiddelen met werkzame stoffen die door EFSA beoordeeld zijn als hormoonverstorend voor mens of niet doelwit-organismen (dieren) hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluit, zoals cyprodinil? Vindt u dat deze ook uit de markt genomen moeten worden omwille van de volksgezondheid? Zo nee, wat is uw wetenschappelijke onderbouwing daarvoor? Kunt u onderbouwd uitsluiten dat u daarmee mensen en dieren opzadelt met een hogere kans op gezondheidsschade?11 12
Welke van de in de vorige vraag betreffende bestrijdingsmiddelen hebben een toelating van het Ctgb waarvan het toelatingsbesluit dateert van nadat de EFSA de stof had beoordeeld als hormoonverstorend? Kunt u hier een overzicht van geven?
Bent u zich bewust van het feit dat hormoonverstorende stoffen al in hele lage concentraties schadelijk kunnen zijn voor met name jonge kinderen en de wet dan ook niet voor niets stelt dat deze pesticiden niet gebruikt mogen worden in situaties waar contact met de mens niet is uitgesloten? Hoe ziet u in dit licht het gebruik van hormoonverstorende pesticiden?
Hoeveel van deze werkzame stoffen hebben hun meest recente goedkeuring te danken aan een automatische verlenging van de Europese Commissie zonder inhoudelijke beoordeling van de risico’s voor mens of milieu?
Klopt het dat automatische verlengingen worden toegepast bij stoffen waarvan de EFSA een risico heeft vastgesteld, bijvoorbeeld dat deze hormoonverstorend is? Zo ja, klopt het dat dit gebeurt wegens economische belangen en dat deze voorrang krijgen boven gezondheidsbelangen? Klopt het dat het Food & Feed Omnibus voorstel van de Europese Commissie deze zorg niet wegneemt? Zo nee, op welke wetenschappelijke conclusies baseert u zich dan? Vindt u dat het compromisvoorstel van de lidstaten deze zorg wel zou moeten wegnemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe vaak worden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op levensmiddelen restanten fludioxonil aangetroffen die liggen boven de gangbare maximale residu limiet (MRL) van 0,01 mg/kg die als veiligheidsgrens geldt voor in Europa verboden pesticiden, bijvoorbeeld omdat zij als hormoonverstorend zijn geclassificeerd? Welke range van gehaltes betreft dit en welke producten betreft dit?
Hoeveel fludioxonil wordt gebruikt en afgezet in Nederland sinds 2010? Indien sprake is van een toename in gebruik van deze zorgwekkende stof, wat zijn de verklaringen hiervoor?
Zijn werkenden in de landbouw en hun partners in uw ogen voldoende bekend met de grote risico’s van (hormoonverstorende) pesticiden, met name de risico’s voor mensen met een kinderwens, zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven, zoals geschetst in het Informatieblad «Werken met bestrijdingsmiddelen» van het RIVM? Zo ja, waar baseert u zich dan op? Zo niet, wat bent u bereid te doen om die situatie te verbeteren?13
Hoe gaat het Ctgb invulling geven aan de opdracht van de rechter om de respijttermijnen (aflevertermijn en opgebruiktermijn) voor verkoop en gebruik van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil zo kort mogelijk te maken aangezien Pitcher niet toegelaten had mogen worden?
Wat is het concrete doel van LVVN in het convenant «gewasbeschermingsmiddelen» met betrekking tot hormoonverstorende pesticiden? Wat is het doel van VWS? Welke maatregelen horen daarbij en welke tijdlijn? Bent u bereid om bij de afwegingen gezondheidsexperts te betrekken?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
De onveilige situatie bij zorgcentrum Pelgromhof in Zevenaar |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Dochter krijgt telefoontje van zorgcentrum en ontdekt dat er maar één medewerker is voor 26 ouderen»1 en «Eigen personeel van zorgcentrum hoopt dat werkgever omvalt: «Dat is voor iedereen beter»»?2
Ja, ik heb de artikelen gelezen. Ze schetsen een ernstig beeld van de situatie bij deze zorgaanbieder. Ik ben geschrokken van de berichtgeving, want ik vind het belangrijk dat ouderen veilige en liefdevolle zorg en ondersteuning krijgen die voldoet aan het kwaliteitskader dat hiervoor geldt. De IGJ doet onafhankelijk onderzoek naar de meldingen die bij hen zijn gemaakt.
Klopt het dat bij zorgcentrum Pelgromhof één jonge medewerker alleen verantwoordelijk was voor 26 kwetsbare ouderen en dat er geen avond- en nachtdienst aanwezig was?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Deelt u de mening dat het volstrekt onverantwoord is dat één medewerker alleen wordt gelaten met 26 kwetsbare bewoners? Zo nee, waarom niet?
Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van de IGJ kan ik geen uitspraken doen over de kwaliteit en veiligheid van zorg op de locaties Maria Postel en Pelgromhof van Pecura Zorg. Meer in het algemeen moeten zorgaanbieders voldoen aan de normen en regels met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Klopt het dat er twaalf diensten openstonden, dat medewerkers zelf vervanging moesten regelen en dat aan familieleden werd gevraagd bij te springen? Hoe worden onder deze omstandigheden de continuïteit en veiligheid van de zorg gegarandeerd?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de meldingen over een bewoner die ’s nachts in het eigen braaksel lag, een bewoner die tijdens het lopen haar katheter verloor en een bewoner die ten val kwam? Zijn deze incidenten gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Klopt het dat zorgverleners in opleiding zelfstandig nachtdiensten draaien en dat diensten worden uitgevoerd door zzp’ers die niet altijd voldoende gekwalificeerd zijn? Vindt u dit verantwoord?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de signalen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk meermaals is overtreden en dat zieke medewerkers onder druk worden gezet om snel weer aan het werk te gaan? Welke stappen worden hiertegen genomen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding van een vakbond ontvangen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk is overtreden. Tevens is gemeld dat er sprake is van hoge werkdruk en onderbezetting en het ontbreken van een basiscontract. Gezien het faillissement van Percura Zorg zullen deze meldingen niet meer onderzocht worden.
Klopt het dat Percura Zorg sinds 13 mei jl. niet meer beschikt over een arbodienst en daardoor ook geen bedrijfsarts heeft, nadat de arbodienst de dienstverlening wegens wanbetaling heeft beëindigd? Welke gevolgen heeft dit voor de begeleiding en bescherming van medewerkers en welke maatregelen worden genomen om deze situatie zo snel mogelijk te herstellen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding hierover ontvangen. Gelet het faillissement van Percura zorg zal deze melding niet meer worden onderzocht.
Hoeveel meldingen hebben de IGJ en de Nederlandse Arbeidsinspectie ontvangen over Percura Zorg en welke maatregelen zijn tot nu toe genomen?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in de jaren 2024 en 2026 in totaal 9 meldingen over Percura Zorg ontvangen. In 2024 heeft onderzoek plaatsgevonden, waarin 3 meldingen zijn onderzocht, met als resultaat één overtreding waarvoor een waarschuwing is gegeven. Zoals ook is aangegeven bij vragen 7 en 8, zijn recent twee meldingen door een vakbond gedaan, die vanwege het faillissement van Percura zorg niet worden onderzocht. De overige meldingen lagen niet op het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie of kwamen niet in aanmerking voor onderzoek.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de financiële problemen van Percura Zorg, waaronder wanbetaling aan uitzendkrachten en andere dienstverleners, ten koste gaan van de veiligheid en continuïteit van de zorg voor de bewoners?
Percura Zorg B.V. is per 11 augustus 2026 failliet verklaard. De zorg die geleverd werd op de locatie Maria Postel is inmiddels overgenomen door een nieuwe partij. Voor de locatie Pelgromhof wordt nog gezocht naar een overnemende partij. De curator is verantwoordelijk voor de afwikkeling van het faillissement van Percura zorg B.V. De zorg voor de ruim 20 bewoners loopt ondertussen door, aldus de curator. Het toezicht van de IGJ richt zich de komende periode op de kwaliteit van de zorg die nog geleverd wordt en een zorgvuldige overgang van cliënten naar een nieuwe zorgaanbieder. IGJ is daarover in gesprek met de bestuurder en de curator. Het zorgkantoor is vanuit diens zorgplicht hard aan het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. De NZa houdt hier toezicht op.
Waarom is bij de locatie Pelgromhof nog niet ingegrepen, terwijl medewerkers al langere tijd waarschuwen voor ondermaatse zorg en de locatie Maria Postel inmiddels failliet is verklaard?
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van beide inspecties en over de maatregelen die worden genomen?
De recente meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie worden vanwege het faillissement van Percura zorg niet onderzocht.
De IGJ zal zodra het onderzoek afgerond is haar rapport publiceren op haar website.
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Na zestig jaar moet mevrouw Rodijnen-Brands (96) tot haar verdriet noodgedwongen verhuizen: «Ik wil mijn laatste tijd het liefst hier doorbrengen»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een vrouw van 96 jaar, die afhankelijk is van mantelzorg en al zestig jaar in dezelfde woning woont, op zeer hoge leeftijd nog gedwongen wordt te verhuizen?
We snappen dat het erg ingrijpend kan zijn voor deze mevrouw. Het is een onwenselijke situatie om op deze leeftijd te moeten verhuizen uit de woning waar zij al 60 jaar in woont.
Deelt u de opvatting dat gedwongen verhuizingen op zeer hoge leeftijd grote gevolgen kunnen hebben voor het welzijn, de gezondheid en de zelfredzaamheid van ouderen?
Ja, wij delen de mening dat dit grote gevolgen kan hebben. Het is dan ook van belang dat met behulp van de betreffende corporatie wordt gezocht naar een nieuwe passende woning. Daarbij geldt evenwel dat een verhuizing naar een geclusterde woonvorm er ook voor kan zorgen dat mensen nieuwe contacten opdoen en mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Daarom is het zo van belang dat voldoende passende woningen voor ouderen worden gerealiseerd.
Beschikt u over cijfers hoeveel ouderen van 90 jaar en ouder de afgelopen vijf jaar vanwege sloop, herstructurering of renovatie van hun woning hebben moeten verhuizen? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Wij beschikken niet over deze cijfers.
Hoe verhoudt het gebrek aan passende woningen voor Nederlandse ouderen zich tot de prioriteit die in veel gemeenten wordt gegeven aan andere woningzoekenden, waaronder statushouders?
Het is niet behulpzaam om groepen tegenover elkaar te plaatsen, dus daar gaan wij niet in mee. De woningbouwopgave is één van de grootste prioriteiten van dit kabinet, en zo ook de huisvestingsopgave voor ouderen. Ook in gemeenten wordt hard gewerkt aan de woningbouw voor ouderen, zoals ook door het Aanjaagteam Wonen Welzijn en Zorg voor Ouderen is geconstateerd. Dat wil niet zeggen dat er geen knelpunten zijn, ook wij zien dat versnelling nodig is. De opgave voor passende woningen staat echter scherp op ons netvlies.
Welke mogelijkheden hebben woningcorporaties momenteel om maatwerk te bieden aan zeer kwetsbare ouderen die door sloop of herstructurering hun woning moeten verlaten?
Op grond van de Woningwet zijn woningcorporaties verplicht om een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpend renoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokken bewoners. De woningcorporaties zijn verplicht om een verhuiskostenvergoeding te verstrekken aan een huurder die zijn of haar woning moet verlaten wegens sloop. Verder moet de woningcorporatie ook een passende woning beschikbaar hebben. De wet stelt verder geen eisen aan de inhoud van het verplichte reglement, omdat de context waarbinnen sloop en renovatie plaatsvinden lokaal en regionaal kunnen verschillen. Met het opstellen van een Nationaal sloop- en renovatiestatuut is beoogd om een landelijke handreiking te bieden die als basis kan dienen voor woningcorporaties, huurdersvertegenwoordigingen en gemeenten om verdere afspraken op lokaal niveau vast te leggen in een verplicht reglement (ook wel een sociaal plan genoemd).
Bent u van mening dat bij ouderen op zeer hoge leeftijd het uitgangspunt zou moeten zijn dat een verhuizing zoveel mogelijk wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Dit kan zo niet in algemene zin worden gesteld. Zo kunnen woningen in complexen van corporaties sterk verouderd en van einde levensduur zijn. Na verloop van tijd zullen woningen moeten worden gerenoveerd. Dit gaat ook om de gezondheid van de huidige en toekomstige bewoners als het bijvoorbeeld gaat om isolatie en het binnenklimaat van woningen. Het is heel ingrijpend als dit betekent dat oudere bewoners moeten verhuizen, maar helaas ook soms onvermijdelijk.
Herkent u signalen dat ouderen of hun familie afzien van het aanvragen van een zorgindicatie uit angst dat zij verder van hun sociale netwerk of mantelzorgers worden geplaatst?
Nee, deze signalen herkennen wij niet. Ook als mensen een Wlz-indicatie hebben, betekent dit niet dat ze moeten verhuizen. Ze kunnen de zorg ook met een Modulair Pakket Thuis, een Volledig Pakket thuis of een persoonsgebonden budget in het huis krijgen waar ze al wonen.
Welke mogelijkheden ziet u om te bevorderen dat zeer kwetsbare ouderen die moeten verhuizen, voorrang krijgen op een passende woning in hun eigen woonomgeving?
Op basis van de Huisvestingswet 2014 hebben gemeenten al verschillende mogelijkheden om woningzoekenden voorrang te verlenen, onder mee op basis van passendheid2 of voorrang voor woningzoekenden met lokale binding3. In de huisvestingsverordening legt een gemeente deze voorrangsregels vast. Hiermee kunnen gemeenten bijvoorbeeld voorrang geven aan lokale ouderen op een nultredenwoning.
In het algemeen is het belangrijk dat er voldoende passende woningen zijn. Daarom zet ik onder meer via de Woondeals samen met provincies en gemeenten in op het bouwen van voldoende nultredenwoningen, geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en ouderenorganisaties om te bezien of aanvullende afspraken nodig zijn om gedwongen verhuizingen van zeer kwetsbare ouderen zoveel mogelijk te voorkomen?
Het kabinet is al volop bezig met het in samenspraak realiseren van voldoende woningen voor ouderen. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt met woningcorporaties over sloop en renovatie. Met het Nationaal sloop- en renovatiestatuut heeft het kabinet een landelijke handreiking gedaan, die als basis kan dienen om tot goede lokale afspraken te komen. Ik verwacht dat corporaties samen met de betrokken lokale partijen tot goede afspraken en oplossingen komen. Ik heb geen signalen ontvangen dat dit niet het geval is. Daarom vinden wij het niet nodig om nog aanvullend met deze organisaties in overleg te treden en aanvullende afspraken te maken.
Bent u bereid om in overleg met de betrokken woningcorporatie, gemeente en andere betrokken partijen te kijken of voor mevrouw Rodijnen-Brands alsnog een passende oplossing kan worden gevonden, zodat zij haar laatste levensfase zoveel mogelijk in haar vertrouwde omgeving kan doorbrengen? Zo nee, waarom niet?
Wij vinden het belangrijk dat dit gesprek lokaal wordt gevoerd en vinden het niet behulpzaam om vanuit Den Haag te bepalen wat het beste is voor deze specifieke situatie. Het is de verantwoordelijkheid van de corporatie om met de gemeente en de andere betrokken partijen om tot een passende oplossing te komen. Wij zien hierin geen rol voor onszelf.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De uitspraken van de minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Ik heb aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet Jetten van 2029 tot en met 2035 € 7 miljard beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland. Hier valt ouderenhuisvesting ook onder. Zoals ik ook eerder in debatten richting uw Kamer heb aangegeven, zijn er veel ambities en dient het bedrag van € 7 miljard verdeeld te worden. Hier ben ik op dit moment mee bezig. Ik verwacht uw Kamer daar in september over te informeren.
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Het klopt dat de € 7 miljard bedoeld is voor de woningbouwopgave, waar ouderenhuisvesting ook zeker onderdeel van is. Dat deel van de bouwopgave heeft mijn volle aandacht. Ik verwijs u terug naar mijn antwoord op vraag 1 voor een nadere toelichting.
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030? En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Daarbij is het van belang op te merken dat naast de middelen die vanaf 2029 beschikbaar komen (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029–2035), er ook nog woningbouwmiddelen resteren vanuit het kabinet Schoof in de periode tot en met 2030. Hiervan staat nog € 420 miljoen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen t/m 2030, onder de post «opslagen» binnen de Realisatiestimulans. Deze middelen zijn beschikbaar voor zowel ouderen als aandachtsgroepen. Ten aanzien van uw tweede vraag merk ik op dat de budgettaire bijlage zowel een overzicht tot en met 2030, als een meerjarig overzicht voor de periode 2031–2035 bevat. In dat laatste overzicht staat de reeks van € 1 miljard per jaar voor betaalbare woningen ook opgenomen.
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029 beschikbaar komen?
De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt. Zowel tot en met 2030 als voor de periode tot en met 2035 staan hier dus middelen voor gereserveerd. Dat zijn de middelen die dit kabinet extra beschikbaar stelt voor woningbouw (7 * € 1 miljard), aanvullend op de middelen die reeds beschikbaar zijn gesteld door het vorige kabinet.
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van «miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Ik zie geen aanleiding om mijn eerdere uitspraken te rectificeren of terug te nemen. De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt en wat mijn volle aandacht heeft.
Voor geclusterde en zorggeschikte woningen is € 420 miljoen beschikbaar in de periode 2027 tot en met 2030 binnen de post «opslagen» van de Realisatiestimulans. Dit bedrag is inzetbaar voor ouderen en andere aandachtsgroepen. Dit bedrag komt bovenop de reeds beschikbare gestelde middelen voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW). De middelen voor deze laatste regeling staan op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In 2026 staan nog tranches open voor deze regelingen voor respectievelijk € 40 en € 80 miljoen. Over het mogelijk beschikbaar stellen van middelen voor ouderenhuisvesting na 2030 dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Het Kabinet-Schoof heeft middelen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans voor de periode 2027–2030. Het resterende budget bedraagt € 420 miljoen euro. Daarnaast heeft het kabinet-Schoof structurele middelen gereserveerd voor de ouderenzorg op de aanvullende post, oplopend tot € 470 miljoen euro per jaar vanaf 20301. Het Kabinet-Jetten heeft deze enveloppe van € 470 miljoen geschrapt in het coalitieakkoord. In het coalitieakkoord is € 7 miljard gereserveerd voor woningbouw in de periode 2029–2035. Over het mogelijk beschikbaar stellen van deze middelen voor ouderenhuisvesting dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert het kabinet dit als reeds geregeld?
Voor het scheiden van wonen en zorg in de ouderenzorg zijn transitiemiddelen ter beschikking gesteld. Van deze transitiemiddelen is voor de periode 2023 t/m 2026 € 312 miljoen beschikbaar om subsidieaanvragen te kunnen honoreren. De feitelijke uitgaven vinden in latere jaren plaats. Deze uitgaven verlopen via de begroting van VWS. Voor de ronde 2026 is het budgetplafond vastgesteld op € 80 miljoen2.
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Met de € 40 miljoen verwees ik naar het budget voor de SOO in 2026. Aangevuld met het budget van € 80 miljoen voor de SZGW in 2026 verwacht ik dat dit voldoende financiële ondersteuning zal zijn om in de opgave voor ouderenhuisvesting te voorzien in 2026. Mijn opdracht vanuit het coalitieakkoord is om voldoende nieuwe woonvormen te realiseren en voor de financiële ondersteuning bij deze opgave maak ik gebruik van de beschikbare woningbouwmiddelen. Het gaat daarbij dus niet om de beschikbare gestelde € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten».
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting? En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de € 1 miljard is?
Het klopt dat het kabinet de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrij vallen. Het gaat daarbij om de volgende reeks:
2027
2028
2029
2030
Structureel
Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg1
– 8
– 321
– 320
– 470
– 470
bedragen in miljoen euro
De benodigde middelen voor de verzorgingshuizen zoals het vorige kabinet die had beoogd, hingen voor een belangrijk deel samen met het zorgconcept. Het scenario uit het onderzoek van PwC naar de moderne verzorgingshuizen ging uit van de situatie dat er zorg- en welzijnspakketten nodig zouden zijn die vergelijkbaar zouden zijn met de oude ZZP 2 en ZZP 3 pakketten. PwC gaf hierbij aan dat «Door te werken volgens de traditionele urennormen zou de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen aanzienlijk toenemen, vergeleken met de ondersteuning die zij momenteel ontvangen. De doelgroep heeft een latente zorgbehoefte, en het is dus ook aannemelijk dat zij meer zorg en ondersteuning nodig hebben dan zij nu ontvangen. Dit biedt echter ook een kans om delen van de zorgbehoefte op alternatieve manieren in te vullen, en goede voorbeelden van werkwijzen die in de tussentijd ontwikkeld zijn integraal mee te nemen in een «verzorgingshuis nieuwe stijl»». Omdat het vooral gaat om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd, is het de vraag of de zorgvraag per saldo zal toenemen. Een onderdeel van de plannen was daarnaast om in te zetten op gemeenschapsvorming in woonvormen. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft daarover al aangegeven dat ze onderzoekt of gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende HLO-afspraken op grond van het coalitieakkoord. Ten slotte, was een deel van de middelen bestemd voor de woningbouw. Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Er is reeds subsidie verschaft aan ontmoetingsruimten bij ca. 29.000 geclusterde woningen voor ouderen (hoofdzakelijk in het betaalbare segment) en voor ca. 7866 zorggeschikte woningen (in de sociale huur) subsidie aangevraagd. In 2026 zijn de regelingen SOO en SZGW opnieuw opengezet voor in totaal € 120 miljoen waarmee middelen beschikbaar zijn om geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen van subsidie te kunnen voorzien. Ik verwacht met de beschikbare middelen in 2027 tot en met 2030 een bijdrage te kunnen leveren aan een groot aantal extra geclusterde en zorggeschikte woningen voor ouderen en aandachtsgroepen, waarvan het grootste gedeelte voor ouderen zal worden ingezet. Een exacte raming kan ik in dit stadium niet geven, omdat ik nog uitwerk via welke regelingen deze middelen worden besteed. Ik verwacht uw Kamer hier verder over te informeren in september.
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Dit kabinet heeft, net als het vorige kabinet, geen structurele middelen beschikbaar gesteld voor de woningbouwopgave, maar heeft wel middelen ingezet om de woningbouw tot en met 2035 te ondersteunen. Het is aan een volgend kabinet om te bezien in welke mate financiële ondersteuning na 2035 nodig is. Voor het inzicht in de beschikbare middelen en de realisaties die hiermee ondersteund worden verwijs ik u verder naar de antwoorden op vraag 3 en 10.
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Ik heb uw Kamer een voortgangsbrief ouderenhuisvesting gestuurd, waar ik inga op de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen. Ook ga ik in deze brief in op de knelpunten die ik zie bij de realisatie van deze opgave, en geef ik een overzicht van hoe ik werk aan bijpassende financiële ondersteuning.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Ja, ik zal bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een dergelijke bijlage bijvoegen. De bijlage is in hoofdopzet reeds gereed, alleen het kasritme dient nog te worden afgestemd met de meest actuele begroting, zodat deze in lijn wordt gebracht met de geldende begrotingssystematiek en de uitwerking van de betreffende subsidieregelingen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Ja.
De discrepantie tussen de gestegen AOW-leeftijd en huidige berekening van seniorendagen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u het feit dat in diverse cao’s (waaronder Metaal en Techniek) de automatische berekening van seniorendagen (rekentool) stopt bij 65 jaar, terwijl de wettelijke AOW-leeftijd inmiddels 67 jaar of hoger is, en werknemers dus feitelijk twee jaar langer moeten doorwerken zonder deze extra verlofdagen?
Het is belangrijk dat werkenden gezond, vaardig en vitaal hun pensioen kunnen bereiken. Werkgevers en werknemers kunnen hierover arbeidsvoorwaardelijke afspraken maken in de cao, zoals extra verlof voor oudere werknemers. Het is mij bekend dat het vervallen van de seniorendagen voor werknemers vanaf 66-jarige leeftijd onderwerp van gesprek is geweest binnen de sector Metaal en Techniek. In de huidige cao van deze sector (looptijd 1 februari 2026 tot 1 februari 2028) is het betreffende artikel aangepast. Werknemers vanaf 55 jaar hebben op basis van de huidige cao-afspraak recht op extra vakantie-uren tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Ook de bijbehorende rekentool is hierop aangepast. Mijn ministerie heeft geen signalen ontvangen dat een vergelijkbare situatie ook speelt in andere sectoren.
Bent u van mening dat het laten vervallen van seniorendagen op 65-jarige leeftijd, terwijl de wettelijke pensioenleeftijd stijgt, in strijd is met het kabinetsdoel om mensen langer gezond aan het werk te houden?
Ik vind het belangrijk dat werkgevers en werknemers met elkaar het gesprek voeren over gezond langer doorwerken. Extra verlof voor oudere werknemers of werknemers met zwaar werk is één van de mogelijkheden om gezond en vitaal langer doorwerken te ondersteunen. Tegelijkertijd is duurzame inzetbaarheid breder dan dat. Duurzame inzetbaarheid vraagt om een inzet gericht op de hele loopbaan, niet alleen in de periode richting pensionering. Het is immers voor werknemers van alle leeftijden relevant om gezond en vaardig te kunnen blijven werken. Werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn het beste in staat om te bepalen welke afspraken passend zijn binnen de sector of het bedrijf.
Op welke wijze kunnen cao-partijen (werkgevers en vakbonden) worden gestimuleerd om de rekentools en de bepalingen in de cao direct in lijn te brengen met de actuele AOW-leeftijd, om onduidelijkheid en onrechtvaardigheid op de werkvloer te voorkomen?
Ik begrijp dat het tot onduidelijkheid kan leiden bij werknemers wanneer arbeidsvoorwaardelijke afspraken die door werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn beoogd door te lopen tot de AOW-leeftijd, eerder vervallen dan de wettelijke AOW-leeftijd. Ik ben bereid om dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken tussen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Het blijft aan cao-partijen voorbehouden om de arbeidsvoorwaardelijke afspraken in een cao te bepalen. Overigens kunnen werkgevers in de toepassingspraktijk, voor zover de cao dit toelaat, ruimhartiger arbeidsvoorwaarden toekennen aan hun werknemers dan de cao voorschrijft.
Ziet het kabinet een risico op leeftijdsdiscriminatie (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)) wanneer seniorendagen stoppen bij 65 jaar, maar de pensioenleeftijd voor iedereen gelijk is?
De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL) biedt ruimte voor leeftijdsgebonden regelingen wanneer daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Het vaststellen van een objectieve rechtvaardigingsgrond ligt bij cao-partijen. Dit moet namelijk blijken uit de specifieke omstandigheden van het geval en is niet af te leiden uit de tekst van de cao-bepaling. Hiervoor is het ook belangrijk om een afspraak binnen het bredere pakket van samenhangende maatregelen in de betreffende cao te bezien.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het meebewegen van (cao-)rekentools met de levensverwachting, zoals afgesproken in het pensioenakkoord?
Rekentools die horen bij cao-afspraken worden niet door het Ministerie van SZW bijgehouden. Wel voert het Ministerie van SZW breder cao-onderzoek uit naar maatregelen voor oudere werknemers. De meest recente onderzoeksrapportage met informatie over extra verlof is «Oudere werknemers 2025: Cao-afspraken over extra verlof, arbeidsduurverkorting, verlofsparen en RVU».1
Op welke termijn kunnen werknemers verwachten dat de berekening van extra vakantierechten voor oudere werknemers (zoals in artikel 51 cao’s) automatisch wordt aangepast aan de AOW-gerechtigde leeftijd?
Het is niet aan mij om daar een termijn aan te koppelen. De arbeidsvoorwaarden en in het bijzonder de cao’s waarin onderhavige afspraken staan, zijn immers de verantwoordelijkheid van sociale partners. Deze cao’s hebben veelal een looptijd van 1 tot 2 jaar. Het is aan sociale partners om af te wegen of aanpassing nodig is en of ze daarvoor de cao tussentijds willen wijzigen of dat ze deze wijzigingen laten meelopen in de reguliere cao-onderhandelingen.
Hoe rijmt u het verdwijnen van seniorendagen vanaf 65 jaar met de noodzaak om fysiek of mentaal zware beroepen werkbaar te houden tot de verhoogde pensioenleeftijd?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen gezond, vaardig en vitaal de eindstreep kunnen halen. Afspraken maken over extra verlof voor oudere werknemers met zwaar werk kan een manier zijn om gezond langer doorwerken te stimuleren. Hiermee wordt de werknemer met zwaar werk meer hersteltijd geboden. Maar gezond langer doorwerken vraagt een bredere aanpak. De gezamenlijke agenda voor duurzame inzetbaarheid van het kabinet en sociale partners, die voortkomt uit het akkoord «Gezond naar het pensioen» (2024), ondersteunt deze inspanningen. Met de agenda wordt ingezet op het zoveel mogelijk voorkomen of verlichten van belastende werkzaamheden bij de bron, en om waar mogelijk een tijdige overstap van zwaar naar lichter werk te stimuleren.
Hoewel arbeidsvoorwaarden primair een zaak zijn van sociale partners, draagt u systeemverantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt en volksgezondheid. Bent u daarom bereid om op zeer korte termijn in gesprek te gaan met de Stichting van de Arbeid om een landelijke richtlijn of handreiking op te stellen, die garandeert dat seniorendagen in cao’s organisch doorlopen tot aan de feitelijke, individuele AOW-datum van de werknemer? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard ben ik zoals gezegd bereid dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken met sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Het is de verantwoordelijkheid van sociale partners om er waar dat nodig is, voor te zorgen dat de arbeidsvoorwaarden goed aansluiten op wettelijke maatregelen of wijzigingen daarin. De vraag of naar aanleiding van dit signaal eventuele vervolgacties nodig zijn, zoals een handreiking vanuit sociale partners, is dan ook aan hen.
Het bericht dat fondsen geraakt worden door de oorlog in Iran |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte met de inhoud van het artikel?1
Ja.
Was u al eerder bekend met de mogelijkheid dat de oorlog in Iran effect heeft op de pensioenen van Nederlanders? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u die onwetendheid?
Ik ben bekend met het feit dat gebeurtenissen in de wereld, waaronder oorlogen en economische crisissen, een effect kunnen hebben op de financiële markten en daarmee ook op de beleggingsresultaten van pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is dat hardwerkende Nederlanders, die keihard werken voor hun inkomen en pensioen, nu indirect financieel benadeeld worden door conflicten op duizenden kilometers verder weg? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de zorg die Nederlanders hebben over hoe de gebeurtenissen in de wereld een effect kunnen hebben op hun pensioenuitkeringen. Pensioenfondsen houden rekening met economische slechtweer-scenario’s bij de vorming van hun beleggingsbeleid. Onder het oude stelsel hebben pensioenfondsen buffers opgebouwd, waarmee tegenvallende resultaten opgevangen kunnen worden. Ook in het nieuwe stelsel hebben fondsen de mogelijkheid om tegenvallers op te vangen bijvoorbeeld door middel van de inzet van de solidariteitsreserve dan wel de risicodelingsreserve, of door spreiding van financiële mee- of tegenvallers over de tijd.
Hebt u inzichtelijk hoeveel pensioenvermogen van Nederlanders sinds de escalatie rond Iran verloren is gegaan bij pensioenfondsen? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u die informatie niet heeft?
Pensioenfondsen hebben de taak een goed, levenslang pensioen te bieden tegen aanvaardbare kosten en risico’s. Iedereen moet erop kunnen vertrouwen dat ze goed worden voorzien op hun oude dag en dat deze voorziening levenslang wordt gegeven. Om deze levenslange uitkering te kunnen bieden moet niet alleen worden gekeken naar het rendement dat pensioenfondsen maken op hun vermogenszijde van de balans, maar ook worden gekeken naar de verplichtingenzijde van de balans. Aan de verplichtingenzijde van de balans speelt het renterisico een grote rol. Een stijging van de rente bijvoorbeeld, zal vooral een gunstige invloed hebben op de hoogte van de verwachte en ingegane pensioenen, omdat toekomstige uitkeringen dan als het ware goedkoper worden. Tegelijk worden aan de vermogenszijde obligaties minder waard, waardoor minder rendement gehaald wordt. De verhouding tussen die twee effecten bepaalt de uiteindelijke uitkomst voor pensioenuitkeringen.
Beheersing van het renterisico is en blijft daarom belangrijk voor pensioenfondsen. In het nieuwe stelsel kan de bescherming tegen renterisico’s beter worden gericht op de groepen waarvoor dit het meest relevant is, namelijk de oudere deelnemers en pensioengerechtigden. Pensioenfondsen bieden daarom een beschermingsrendement tegen renterisico aan deze groepen. Voor jonge deelnemers ligt er meer nadruk op het behalen van rendement. Aan hen wordt relatief meer beleggingsrisico toegekend. Het is nog te vroeg om het gehele effect van de oorlog in Iran op de financiële markten en daarmee op de resultaten van pensioenfondsen te kunnen meten, waarbij ook geldt dat dit effect ook moeilijk te isoleren is van andere gebeurtenissen in de wereld.
Hoeveel pensioenvermogen kan nog verdampen door de situatie in Iran?
Behalve dat het effect van de oorlog niet precies te isoleren is, is het verder niet vooraf te bepalen hoe de beleggingsresultaten van pensioenfondsen door de oorlog in Iran verder beïnvloed zullen worden.
Zijn er meer conflicten die op dit moment spelen, of dreigen te ontstaan, die effect hebben op het pensioenvermogen van Nederlanders?
Ik verwijs voor mijn reactie naar de antwoorden op vraag 2 en 3.
Deelt u de zorg dat Nederlanders onder het nieuwe pensioenstelsel sneller geconfronteerd kunnen worden met schommelingen in hun pensioenvermogen in tijden van oorlog, crises en wereldwijde onrust? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Dit zijn belangrijke vragen waar ik graag duidelijkheid over wil geven. In het nieuwe pensioenstelsel zullen financiële ontwikkelingen sneller, zowel in positieve als negatieve zin tot uitdrukking kunnen komen in het pensioenvermogen en de pensioenuitkering. Daarbij geldt dat pensioenfondsen hierover hun deelnemers goed informeren, zodat zij realistische verwachtingen hebben. Zoals in voorgaande antwoorden is aangegeven, hebben pensioenfondsen voldoende instrumenten om ook in het nieuwe pensioenstelsel goed te kunnen omgaan met economische fluctuaties. Zo hebben pensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel bijvoorbeeld een solidariteits- of risicodelingsreserve waarmee schokken op de financiële markten tot op zekere hoogte opgevangen kunnen worden voor pensioenuitkeringen. Daarnaast hebben fondsen de mogelijkheid om resultaten te spreiden over de tijd, waarmee fluctuaties in uitkeringen tot op zekere hoogte kunnen worden gemitigeerd. Daarbij moeten fondsen een evenwichtige afweging maken tussen de belangen van de verschillende leeftijdsgroepen in het deelnemerscollectief en handelen binnen het prudent person-beginsel. Tenslotte geldt in het nieuwe pensioenstelsel dat pensioenfondsen het beleggingsrisico gerichter kunnen toedelen aan jongeren en ouderen. Zij kunnen daarbij beleggingsrisico’s terugnemen voor oudere deelnemers waardoor de invloed van fluctuaties op financiële markten op (verwachte) pensioenuitkeringen kleiner kan worden naarmate een deelnemer dichter tegen het moment van pensionering zit. Tegelijkertijd geldt voor jonge deelnemers dat zij meer beleggingsrisico toegedeeld kunnen krijgen omdat zij nog een langere periode tot de pensioendatum hebben en tussentijdse, grote fluctuaties beter kunnen opvangen dan ouderen.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om Nederlanders en hun pensioen te beschermen tegen invloeden van buitenaf, nu bekend is dat dit hen kan raken in de portemonnee?
Zie antwoord vraag 7.
Welk concreet effect heeft de oorlog in Iran op de uitkering die pensioengerechtigden dit jaar ontvangen? En op de komende tien jaar?
De hoogte van pensioenuitkeringen is een belangrijk onderwerp. Pensioenuitkeringen worden voor een kalenderjaar vastgesteld. Daarmee heeft de oorlog in Iran naar verwachting geen invloed op de reeds ingegane uitkeringen van pensioengerechtigden voor dit jaar. Voor pensioenuitkeringen in aankomende jaren kan dit wel effect hebben. Het is echter niet op voorhand te zeggen wat het effect van de oorlog zal zijn op de pensioenuitkeringen in de komende 10 jaar.
Het bericht ‘Mishandeling van ouderen onbelicht’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veilig Thuis is blij met meer meldingen, maar maakt zich om één groep zorgen: «Er gebeurt veel meer dan we nu zien»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Deelt u de zorgen dat ouderenmishandeling vermoedelijk veel vaker voorkomt dan uit de officiële meldcijfers blijkt?
Voor een verbeterd inzicht is representatief onderzoek naar de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling noodzakelijk. Op dit moment voert de Universiteit Maastricht grootschalig onderzoek uit naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten worden in de tweede helft van 2026 verwacht en zullen leiden tot een betrouwbare schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Het vermoeden van een discrepantie tussen de meldcijfers van Veilig Thuis en de werkelijke omvang is gebaseerd op een onderzoek van Regioplan (2018). Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling. Afgezet tegen de uitkomsten van Regioplan is het aantal meldingen van ouderenmishandeling bij Veilig Thuis laag. Er zijn tegelijkertijd geen actuelere onderzoeken bekend die wijzen op aanzienlijk hogere schattingen. Om die reden kan op dit moment niet met zekerheid worden vastgesteld hoe groot het verschil is tussen de officiële meldcijfers en de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Ik herken echter het vermoeden dat er sprake zou kunnen zijn van onderrapportage. Dat ouderenmishandeling moeilijk zichtbaar wordt hangt samen met verschillende factoren. Zo is er vaak sprake van schaamte en taboe, afhankelijkheid van de pleger, sociaal isolement en handelingsverlegenheid bij omstanders en professionals. Daarnaast zijn signalen van ouderenmishandeling in de praktijk vaak minder zichtbaar en minder eenduidig dan bij andere vormen van huiselijk geweld, waardoor herkenning lastiger kan zijn. Veranderingen in gedrag, gezondheid of zelfredzaamheid kunnen bijvoorbeeld ook het gevolg zijn van ouderdom, ziekte, dementie, eenzaamheid of medicatiegebruik. Hierdoor kan het lastiger zijn onderscheid te maken tussen kwetsbaarheid door veroudering en signalen van mishandeling.
Klopt het dat in 2025 bij Veilig Thuis slechts 4.800 meldingen van ouderenmishandeling zijn gedaan, terwijl wordt geschat dat jaarlijks meer dan 210.000 thuiswonende ouderen slachtoffer zijn van ouderenmishandeling?
Het meest recente grootschalige onderzoek van Regioplan (2018) geeft percentages van ouderenmishandeling. Op basis daarvan circuleren verschillende cijfers en schattingen over de omvang van het probleem. Het onderzoek van de Universiteit Maastricht zal bijdragen aan een actuelere schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Hoe verklaart u dit grote verschil tussen het aantal vermoedelijke slachtoffers en het aantal meldingen?
Dit verschil hangt samen met het feit dat adviezen en meldingen bij Veilig Thuis laten zien wat daadwerkelijk in beeld komt, terwijl de verwachting is dat ouderenmishandeling in de praktijk vaker verborgen blijft en niet altijd wordt herkend of gemeld.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als ouderen die afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten niet veilig zijn in hun eigen huis?
Ja, daar ben ik het mee eens. Kwetsbare ouderen moeten veilig kunnen zijn in hun eigen huis, ook wanneer zij afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ouderenmishandeling eerder te signaleren, met name bij thuiswonende 65-plussers die afhankelijk zijn van zorg, mantelzorg of financiële hulp?
Voor vroegsignalering is het belangrijk dat professionals toegerust zijn, signalen eerder herkennen, laagdrempelig advies inwinnen bij Veilig Thuis en er een goede samenwerking is tussen zorg, sociaal domein en veiligheidsketen.
Veilig Thuis biedt advies en ondersteuning aan zowel professionals als burgers, ook wanneer nog geen sprake is van acute onveiligheid of een formele melding. Steeds vaker weten professionals en burgers Veilig Thuis in een vroeg stadium te vinden voor advies, wat kan bijdragen aan het voorkomen van escalatie van situaties.
Daarnaast biedt Veilig Thuis informatie over ouderenmishandeling, de bijbehorende signalen en handelingsperspectief voor professionals en betrokkenen. Er zijn regionale voorbeelden waarbij men aansluit bij casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling, waarin professionals uit zorg, sociaal domein en veiligheidsketen samenwerken. In dit soort samenwerkingen zetten professionals steeds vaker signaleringsinstrumenten in die helpen om ouderenmishandeling eerder te herkennen en bespreekbaar te maken.
Daarnaast organiseren regionale netwerken en samenwerkingsverbanden activiteiten waarin kennisdeling en bewustwording centraal staan. Veilig Thuis Gelderland-Zuid neemt bijvoorbeeld deel aan casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling binnen regionale ziekenhuizen. Ook organiseren Veilig Thuis-organisaties bijeenkomsten, scholingen en andere activiteiten om het handelingsperspectief van professionals te versterken en de vroegsignalering van ouderenmishandeling te verbeteren. Daarnaast geven zij in onderwijs- en praktijkcontexten voorlichting en gastlessen om de kennis van (toekomstige) professionals over ouderenmishandeling te vergroten, zodat zij signalen herkennen en eerder kunnen ingrijpen.
Verder biedt Veilig Thuis telefonisch advies, gericht op het doorbreken van taboes en het bespreekbaar maken van ouderenmishandeling. Om drempels te verlagen is Veilig Thuis ook via de chat bereikbaar voor advies en ondersteuning. De chatfunctie wordt op dit moment verder doorontwikkeld met als doel deze 24/7 beschikbaar te maken, naar verwachting binnenkort.
Aanvullend is door het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) een signalenpagina over ouderenmishandeling gelanceerd. Deze pagina biedt informatie over het herkennen van signalen, mogelijke handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning en advisering.
Tot slot is er ook het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), bestaande uit medewerkers van Veilig Thuis-organisaties. Dit platform richt zich op kennisontwikkeling, deskundigheidsbevordering en het versterken van de aanpak van ouderenmishandeling.
In hoeverre worden huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en te melden?
Huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners vallen onder de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De wet verplicht deze beroepsgroepen om te werken met een vast stappenplan bij signalen van ouderenmishandeling.
Binnen dit kader worden professionals in de zorg toegerust om signalen te herkennen en te handelen. De meldcode bevat onder meer de stappen van signaleren, overleg met collega’s, en het inwinnen van advies. In het stappenplan is expliciet opgenomen dat professionals advies kunnen vragen bij of melding kunnen doen bij Veilig Thuis. Voor de wijkverpleging is de richtlijn «Vermoeden van ouderenmishandeling» beschikbaar. Deze richtlijn helpt zorgverleners om alert te zijn, tijdig misstanden te signaleren en adequate maatregelen te nemen. In deze richtlijn wordt ook verwezen naar de meldcode. Aanvullend zijn er ook sectorgerichte trainingen waarin ouderenmishandeling als onderdeel van de bredere meldcode-aanpak wordt behandeld. Door deze combinatie van wettelijke verplichting en de beschikbaarheid van advies- en meldstructuren zoals Veilig Thuis, zijn eerstelijnszorgverleners in beginsel voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en op te volgen.
Tot slot speelt de huisarts een grote rol in de signalering van ouderenmishandeling, omdat huisartsen regelmatig contact hebben met ouderen. Huisartsen zijn net zoals andere eerstelijnszorgverleners verplicht te werken volgens de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, waarin ouderenmishandeling nadrukkelijk wordt genoemd als een van de vormen van huiselijk geweld. Dat betekent dat zij de meldcode moeten kennen en handelen volgens de vijf stappen. Ook heeft de KNMG een podcast beschikbaar gesteld die specifiek ingaat op het herkennen en aanpakken van ouderenmishandeling. Verder is op de website van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) een themapagina ingericht waar informatie over ouderenmishandeling overzichtelijk is gebundeld. Ook heeft de LHV meegeschreven aan de vernieuwde Handreiking Kwetsbare Ouderen (februari 2025) waarin ouderenmishandeling eveneens aan bod komt.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis signalen van ouderenmishandeling vaak pas ontvangt nadat de politie al betrokken is geweest?
Veilig Thuis signaleert dat situaties van ouderenmishandeling regelmatig in beeld komen wanneer de problematiek al is geëscaleerd. In sommige gevallen is daarbij al sprake geweest van acute onveiligheid waarbij inzet van politie noodzakelijk was. Tegelijkertijd is een ontwikkeling zichtbaar waarbij professionals steeds vaker in een eerder stadium advies vragen om signalen te bespreken, wat kan bijdragen aan vroegtijdiger ingrijpen en het voorkomen van verdere escalatie.
Wat zegt dit volgens u over de vroegsignalering door zorgverleners, gemeenten en andere betrokken instanties?
Het herkennen van ouderenmishandeling is complex, mede doordat de problematiek vaak geleidelijk ontstaat, afhankelijkheidsrelaties ingewikkeld zijn, mantelzorgers soms overbelast raken en ouderen terughoudend kunnen zijn om hulp of ondersteuning te vragen. Dat maakt dat er blijvende inzet nodig is op deskundigheidsbevordering, het gebruik van de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, bewustzijn rondom de adviesfunctie van Veilig Thuis en het bevorderen van korte lijnen tussen zorg, sociaal domein en veiligheidspartners.
Tegelijkertijd zijn er ook positieve ontwikkelingen zichtbaar. Professionals en burgers weten Veilig Thuis steeds beter te vinden voor advies, er is meer aandacht voor de veiligheid van ouderen en de samenwerking tussen betrokken organisaties neemt toe. Dat draagt bij aan het eerder bespreekbaar maken van signalen.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat ouderenmishandeling pas zichtbaar wordt wanneer de situatie al is geëscaleerd?
Ik deel het belang dat ouderenmishandeling zo vroeg mogelijk moet worden herkend, zodat kan worden voorkomen dat situaties pas in beeld komen wanneer ze al zijn geëscaleerd. Daarom blijft de inzet gericht op het versterken van vroegsignalering zoals omschreven bij vraag 6.
Herkent u de signalen dat financiële uitbuiting van ouderen voorkomt, bijvoorbeeld doordat kinderen de pinpas van hun ouders afpakken of druk uitoefenen rond testamenten?
Ja, deze meldingen komen voor.
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en aan te pakken?
De huidige aanpak richt zich specifiek op bewustwording rondom financieel misbruik. Een goed voorbeeld hiervan is de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden», een samenwerking van notarissen, banken, ouderenmaatschappelijk werk en Veilig Thuis, gekenmerkt door korte lijnen en expertise. Vanuit VWS wordt samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gestimuleerd dat lokale allianties worden opgezet en versterkt. VWS neemt ook deel aan de Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden, waarin onder andere Veilig Thuis, ouderenbonden, diverse grootbanken, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan preventie en aanpak van financieel misbruik.
Daarnaast is er een samenwerking tussen de grootbanken en Veilig Thuis om anoniem te overleggen en vinden binnen de banken trainingen plaats om op dit thema vroegtijdig te signaleren. De banken en Veilig Thuis hebben korte lijnen en melden ook bij Veilig Thuis als zij misstanden tegenkomen en vermoedens hebben van financiële uitbuiting. Veilig Thuis geeft eveneens breder voorlichting aan medewerkers van gemeenten over veilig financieel ouder worden.
Verder is in opdracht van VWS en de VNG een onderzoek uitgevoerd naar de succesfactoren van Lokale Allianties. Dit heeft geleid tot een toolbox met verschillende praktische instrumenten die gratis beschikbaar zijn op de website van huiselijkgeweld.nl. De toolbox stelt gemeenten en lokale partners in staat hun eigen aanpak van financieel misbruik te versterken door lokale allianties op te zetten. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van een samenhangende aanpak van huiselijk geweld in hun lokale beleid, daar valt ook het vormgeven van een aanpak gericht op ouderenmishandeling onder.
Aanvullend stelt VWS de fysieke informatiebox «Financieel veilig ouder worden» beschikbaar, die kosteloos online kan worden aangevraagd en steeds beter vindbaar is. Het doel van de box is ouderen informeren en tijdig laten nadenken over de financiële kant van ouder worden, met vragen zoals: hoe regel ik mijn bankzaken goed en veilig? Wie geef ik inzage in mijn administratie als ik het zelf niet meer kan? Waar kan ik terecht als ik iets wil weten over financieel misbruik? De informatieboxen worden veel besteld door gemeenten die de boxen inzetten ter vergroting van het bewustzijn en eventuele vervolgstappen voor ouderen zelf.
Bent u bereid om samen met banken, notarissen, gemeenten, wijkteams en Veilig Thuis te bezien hoe financiële uitbuiting van ouderen sneller kan worden opgespoord?
Ja, wij werken hier al actief aan samen, onder meer binnen de Brede Alliantie Veilig Financieel Ouder Worden, waarin verschillende partijen kennis en signalen bundelen om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en tegen te gaan. Vanuit die bestaande samenwerking zijn wij bereid om met de Brede Alliantie verder te bezien hoe signalering, bewustwording en opvolging nog effectiever kan worden ingericht. Zo zijn er recente ontwikkelingen bij banken, waarbij het onderwerp onder de aandacht wordt gebracht bij medewerkers om het bewustzijn rondom financieel misbruik te vergroten. Ook werken we binnen de alliantie aan de versterking van de onderlinge samenwerking tussen partijen. Een voorbeeld hiervan is een betere bereikbaarheid en samenwerking tussen de banken en Veilig Thuis, zodat ze elkaar sneller weten te vinden bij zorgen over de veiligheid of financiële situatie van een oudere.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal potentiële mantelzorgers niet meegroeit, terwijl de druk op mantelzorgers toeneemt?
Als gevolg van de vergrijzing stijgt het aantal ouderen met een zorgvraag. Het aantal (potentiële) zorgverleners, evenals het aantal (potentiële) mantelzorgers groeit niet mee. Dit kan leiden tot een toenemende druk op mantelzorgers, wat ook betekent dat het risico op overbelasting toeneemt. Ik vind het belangrijk dat mantelzorgers ondersteund worden om zo het risico op overbelasting te verkleinen. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en, in aanvulling daarop, in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heb ik dan ook specifieke aandacht voor het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers.
Deelt u de zorg dat overbelasting van mantelzorgers kan bijdragen aan ontspoorde mantelzorg en daarmee aan ouderenmishandeling?
Overbelasting en onmacht bij mantelzorgers kan leiden tot het overschrijden van grenzen. Zonder dat dit opzettelijk is kunnen er dan situaties ontstaan waarin sprake is van «ontspoorde» mantelzorg. Om te voorkomen dat mantelzorgers overbelast raken vind ik het belangrijk dat er passende ondersteuning is voor mantelzorgers.
Welke concrete ondersteuning krijgen mantelzorgers om te voorkomen dat overbelasting leidt tot onveilige situaties voor kwetsbare ouderen?
Een belangrijk doel van mantelzorgondersteuning is het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger. Daarmee heeft dit ook een preventieve werking op het voorkomen van «ontspoorde» mantelzorg. Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 de taak om mantelzorgers te ondersteunen. Zij bieden verschillende vormen van mantelzorgondersteuning aan, omdat de ondersteuningsbehoefte van mantelzorgers verschilt per (mantelzorg)situatie. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg is deze diversiteit in het ondersteuningsaanbod, volgens de acht vraaggebieden van mantelzorgers, daarom ook het uitgangspunt.
Bent u van mening dat gemeenten voldoende zicht hebben op overbelaste mantelzorgers en kwetsbare ouderen die thuis wonen?
Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 een wettelijke taak in de ondersteuning van mantelzorgers en het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan kwetsbare inwoners, waaronder ouderen die thuis wonen. In de praktijk verschilt de mate waarin gemeenten hier zicht op hebben en de wijze waarop zij dit organiseren, bijvoorbeeld afhankelijk van lokale samenwerkingsstructuren en netwerken.
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat Ouderenzorg informeren over de ontwikkeling van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar aard van de mishandeling, zoals fysieke mishandeling, psychische mishandeling, verwaarlozing en financiële uitbuiting? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de CBS-cijfers zijn in 2025 circa 2.600 meldingen van ouderenmishandeling (65+) bij Veilig Thuis geregistreerd. Het CBS maakt daarbij onderscheid tussen meldingen enerzijds en een bredere categorie registraties en contactmomenten anderzijds, waarin ook adviesvragen en andere vormen van contact rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling zijn opgenomen.
Binnen deze meldingen is de volgende uitsplitsing naar aard van het geweld zichtbaar: 1.645 meldingen van psychische of emotionele mishandeling, 1.090 meldingen van fysieke mishandeling, 710 meldingen van financiële uitbuiting, 520 meldingen van verwaarlozing en 75 meldingen van seksueel misbruik.
Het hogere cijfer van circa 4.800 heeft betrekking op de bredere categorie registraties en contactmomenten rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling, waaronder ook adviesvragen. Daarbij kan één casus meerdere contactmomenten of registraties omvatten, bijvoorbeeld een adviesvraag gevolgd door een melding of meerdere signalen binnen één situatie.
Op basis van de CBS-cijfers vanaf 2019 is zichtbaar dat het aantal geregistreerde meldingen van ouderenmishandeling in de meest recente jaren (2024–2025) iets hoger ligt dan aan het begin van de periode. Het CBS spreekt daarbij niet van een sterke stijging, maar van een lichte toename in geregistreerde meldingen over de tijd.
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met ouderenorganisaties en met een concreet actieplan te komen om ouderenmishandeling beter zichtbaar te maken, sneller te signaleren en harder aan te pakken, en de Kamer vóór het commissiedebat Ouderenzorg te informeren over de eerste stappen die hierin worden gezet?
De aanpak van ouderenmishandeling maakt onderdeel uit van de bredere inzet op huiselijk geweld. Binnen die inzet wordt al actief samengewerkt met ouderenorganisaties, onder andere via de Brede Alliantie. Het contact met deze organisaties is structureel en gericht op het ophalen van signalen uit de praktijk en het tegengaan van ouderenmishandeling. Daarnaast neemt VWS deel aan het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), waar signalen en ervaringen uit de praktijk worden gedeeld.
Deze bestaande samenwerking en activiteiten worden onverminderd voortgezet, met blijvende aandacht voor het beter zichtbaar maken en eerder signaleren van ouderenmishandeling binnen de huidige structuren.
De sterk achterblijvende bouw van zorgwoningen voor ouderen |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw ouderenwoningen blijft fors achter»?1
Ja.
Begrijpt u de terughoudendheid van de zorgaanbieders vanwege risicovollere investeringen door de aangekondigde aanpassing van de volledig pakket thuis (vpt) vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat veranderingen in de zorg onzekerheid met zich kunnen meebrengen, maar ik verwacht dat er ook in de toekomst een grote vraag zal zijn naar geclusterde woonvoorzieningen voor mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, waarbij geldt dat de vergoeding voor de zorg redelijkerwijs kostendekkend moet zijn en blijven. Overigens worden ouderenwoningen niet alleen gerealiseerd door zorgorganisaties, maar ook door woningbouwcorporaties en private partijen.
Wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de aanpassing van de vpt-vergoeding?
De introductie van een nieuwe leveringsvorm in de ouderenzorg – waarover in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) afspraken zijn gemaakt – vergt een wetswijziging. Op dit moment wordt in overleg met alle betrokken HLO-partijen nagedacht over de vormgeving van die nieuwe leveringsvorm voor Wlz-zorg thuis. Ik verwacht dat in het voorjaar 2027 een eerste voorstel voor internetconsultatie gereed is.
Bent u bereid gezamenlijk met de woningcorporaties en zorgaanbieders tot een oplossing te komen om een structureel tekort aan passende woonzorgplekken voor ouderen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is van groot belang dat we de aankomende jaren doorgaan met het bouwen van voor ouderen geschikte woningen, en meer specifiek met geclusterde- en zorggeschikte woningen waar ouderen met een zorgvraag kunnen wonen. Dat kunnen ook kleinschaligere woonzorgvormen zijn. Ik onderken dat de bouw de afgelopen jaren is achtergebleven bij de opgave en daarom zet het kabinet op allerlei manieren in op het vergroten van de planvorming en realisatie van deze woonvormen. Hierover ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in nauw overleg met alle betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en zorgpartijen. Wij blijven in gesprek met de sector om knelpunten bij de realisatie van nieuwe woonvormen voor ouderen weg te nemen.
Belangrijke elementen van de aanpak van het kabinet om de realisatie van woningtypes geschikt voor ouderen te vergroten zijn het maken van programmatische afspraken in de woondeals over de huisvestingsopgave voor ouderen, het voeren van gesprekken met bestuurders in de woondealregio’s over de planvorming en realisatie van deze opgave én het reserveren van extra middelen voor de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook kan na invoering van de Wet Regie bijvoorbeeld sterker worden gestuurd op het bouwen voor ouderen. Gemeenten moeten in hun volkshuisvestingsprogramma’s aangeven hoe zij invulling gaan geven aan deze bouwopgave.
Voor de zomer zal nader op het voorgaande worden ingegaan in een voortgangsbrief ouderenhuisvesting aan uw Kamer, zoals ook toegezegd tijdens het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting van 11 maart jl.
Het bericht dat ouderen zich in toenemende mate onveilig voelen |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zorgen bij ouderen om oorlog en fatbikes: 40 procent houdt deur ’s avonds dicht, roep om meer politie op straat»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van ouderenbond ANBO-PCOB waaruit onder andere blijkt dat meer dan de helft van 65-plussers in Nederland van mening is dat hun gemeente onvoldoende doet om te zorgen voor hun veiligheid?
Iedereen moet zich in Nederland veilig kunnen voelen, ook ouderen. Het kabinet streeft ernaar iedereen een veilige en rechtvaardige samenleving te bieden. Ik vind het vervelend dat ouderen in Nederland zich volgens dit onderzoek onveilig voelen.
Ik zou de cijfers wel in een bredere context willen plaatsen. Begin maart verscheen namelijk ook de Veiligheidsmonitor, een grootschalig onderzoek vanuit het CBS waarin ook veiligheidsbeleving is meegenomen.2 Uit de Veiligheidsmonitor blijkt dat 65-plussers zich van alle leeftijdsgroepen juist het minst onveilig voelen.
De cijfers uit het onderzoek van de ouderenbond gaan wel wat breder dan de Veiligheidsmonitor. Zo worden de zorgen van ouderen over bijvoorbeeld financiële problemen, het niet meekunnen in de digitale maatschappij, vallen en autorijden niet meegenomen in de Veiligheidsmonitor.
Wat is uw mening over de bevinding uit het onderzoek dat 40 procent van de ouderen ’s avonds niet meer de deur wilt opendoen als er wordt aangebeld?
De Veiligheidsmonitor geeft hier een wat ander beeld dan het onderzoek van ANBO-PCOB. Uit de cijfers van het CBS blijkt namelijk dat 13% van de 65-plussers de deur ’s avonds niet opendoet.3 Dit percentage ligt echter wel hoger dan bij andere leeftijdsgroepen.
Dat gezegd hebbende, vind ik wel dat ouderen zich ’s avonds in hun eigen huis veilig zouden moeten voelen. In mijn beantwoording van vraag 5 ga ik verder in op acties die ik daarvoor onderneem.
Verder vind ik het in beginsel geen verkeerde zaak dat mensen zelf actie ondernemen om te voorkomen dat ze slachtoffer worden van criminaliteit. Verschillende preventiecampagnes vanuit de Rijksoverheid zijn hier ook op gericht.
Deelt u de bezorgdheid van veel ouderen dat zij zich onveiliger voelen dan vroeger, door onder andere oorlogsdreiging, sociale onrust, cybercriminaliteit en verkeersoverlast?
Ik begrijp die zorgen. Voor veel ouderen stapelen verschillende bronnen van onrust zich op: de internationale spanningen komen dichtbij via nieuws en sociale media, in de eigen omgeving is er soms meer sociale frictie, en criminaliteit verschuift deels naar het digitale domein. Ik kan me voorstellen dat dit gevoelens van onveiligheid oproept, ook als de statistieken niet overal en voor iedereen hetzelfde beeld laten zien.
Ik blijf hierover in gesprek met lokale partners. Zo zorgen we er gezamenlijk voor dat we ons niet alleen richten op het verbeteren van objectieve veiligheid, maar vooral op het dagelijkse gevoel van veiligheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid van ouderen te versterken?
Een van mijn prioriteiten is om veiligheid en gezag op straat te versterken. Daar wil ik voor alle Nederlanders op inzetten, dus ook voor ouderen.
Volgens het onderzoek van ANBO-PCOB ziet een groot deel van de ouderen het vergroten van zichtbaarheid en aanwezigheid van politie en wijkagenten als de meest effectieve manier om criminaliteit tegen te gaan. Dit kabinet wil meer wijkagenten opleiden en inzetten. Daarbij wil ik benadrukken dat niet alleen wijkagenten invulling geven aan de zichtbaarheid en aanwezigheid van de politie in de wijk: dat doen alle agenten in de gebiedsgebonden politie met elkaar. In toenemende mate beschikken agenten over de apparatuur om hun werk op straat of op locatie te kunnen doen. Zo kan ook maatwerk worden toegepast om bij bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld ouderen, op hun huisadres een aangifte op te nemen. Dit gebeurt met name bij online criminaliteit, zoals bijvoorbeeld bankhelpdeskfraude. Gezien de grote impact hiervan bezoeken agenten het slachtoffer inmiddels in alle politie-eenheden ook thuis. Verder verwijs ik graag naar de, naar het zich op dit moment laat aanzien, succesvolle campagne Game-over. OM en politie voeren die campagne met als doel om personen die verdacht worden van bankhelpdeskfraude, of het zich voordoen als nepagent, te identificeren en op te pakken. Dit zijn vormen van criminaliteit waarvan met name ook kwetsbare ouderen het slachtoffer worden.
Daarnaast wil ik doen wat ik kan ouderen zich veiliger te laten voelen. In de begeleidende brief aan de Tweede Kamer bij de aanbieding van de Veiligheidsmonitor, heb ik toegezegd dat ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en gemeenten zal verkennen waar mogelijkheden liggen om de veiligheidsbeleving te verbeteren, juist ook op lokaal niveau.4 Daarin zal ik specifiek aandacht hebben voor de oudere doelgroep.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ouderen beter te beschermen tegen digitale oplichting?
Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) biedt op de website algemene informatie en advies voor slachtoffers van identiteitsfraude en geeft naar aanleiding van incidenten ook gerichtere informatie middels nieuwsbrieven. Ook dit jaar werk ik gezamenlijk met ketenpartners aan goede voorlichting om ouderen weerbaarder te maken tegen digitale oplichting. Dit jaar staat, net als eerdere jaren, de maand april in het teken van senioren en veiligheid. Onder andere het CMI, de politie, de Nederlandse Vereniging van Banken, Slachtofferhulp Nederland en de Fraudehelpdesk informeerden recentelijk bezoekers van de Senioren Expo en de huishoudbeurs over verschillende fraudevormen, met speciale aandacht voor identiteitsfraude en preventieve maatregelen, waaronder het gebruik van de KopieID-app.
De uitspraak van geschillencommissie GIP in geschil 2024-0536 |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfonden (GIP) in geschil 2024-0536?1
Ja. De zaak ging in kort om het volgende. Hierbij is de samenvatting in de uitspraak geschillencommissie GIP aangehouden.
Wat vindt het kabinet ervan dat de ouderdomspensioenuitkering van de indiener in deze zaak door het ABP is verlaagd, omdat verzoeker is gaan samenwonen?
Het kabinet spreekt zich niet uit over de juistheid of de onderbouwing van individuele uitspraken van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen. De Geschilleninstantie Pensioenfondsen functioneert onafhankelijk en volgt haar eigen procedurele en inhoudelijke afwegingen. Tegen de uitspraak van 10 februari 2026 is bovendien door ABP beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep. Het is aan deze onafhankelijke beroepsinstantie om de uitspraak verder te beoordelen. Gelet hierop en in het belang van een zorgvuldige behandeling van dit lopende beroep past het kabinet terughoudendheid in de beantwoording van uw vragen.
Welke juridische grondslag is er voor pensioenfondsen om pensioenuitkeringen te verlagen, enkel en alleen omdat de pensioengerechtigde gaat samenwonen?
Zie antwoord op vraag 2.
In dit geschil ging het om een verlaging per 1 januari 2024 van het vóór 1 januari 1995 opgebouwde ouderdomspensioen omdat de verzoeker (in verband met samenwonen) vanaf 1 september 2022 het AOW-bedrag voor een gehuwde ontvangt.
ABP heeft zich op het standpunt gesteld dat het pensioenreglement leidend is. Het bevat(te) toen en nu de regel dat ABP het pensioen vermindert als een gepensioneerde is gaan samenwonen en dus een AOW voor samenwonenden geniet. De pensioenregeling bij ABP viel tot 1 januari 1996 onder de Algemene burgerlijke pensioenwet (Wet ABP). Op grond daarvan en van toepasselijke reglementen geldt bij een pensioenopbouw tot 1995 een onderscheid werd gemaakt tussen franchisebedragen, afhankelijk van de burgerlijke staat. In de uitkeringsfase werkt dit onderscheid door: het pensioen wordt vastgesteld met een correctiefactor en een gewijzigde franchise die aansluit bij de feitelijke AOW-situatie op het moment van uitbetaling. Per 1 januari 1995 zijn de aanspraken omgerekend naar het ABP-reglement. Deelnemers hebben een eindbeslissing gehad over de omrekening en konden kenbaar maken of ze het eens waren met de eindbeslissing. Destijds werd aangenomen dat iedereen de wet kende. ABP heeft ook gewezen op de toegezonden UPO’s die het verschil duidelijk maakte tussen gehuwd en alleenstaand.
In de uitspraak heeft de geschillencommissie GIP vooropgesteld dat voor het bepalen van de rechten van de deelnemer maatgevend is de tekst van het pensioenreglement dat geldt op het moment van de verlaging (in dit geval september 2022). De geschillencommissie heeft daarbij onder andere overgangsbepaling K1 van het pensioenreglement 2022 overwogen. Daarin is een bepaling opgenomen over omrekening van het tot 1 januari 1996 opgebouwde pensioen. De geschillencommissie heeft geconcludeerd dat de door ABP aangedragen grondslagen de toegepaste verlaging van ouderdomspensioen niet kunnen dragen.
Het ABP heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
Deelt het kabinet de conclusie alsmede de onderbouwing van de conclusie van de uitspraak van de geschillencommissie? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt het kabinet de waarneming, dat er hoogstwaarschijnlijk meer personen zijn getroffen door de interpretatie van de regels door het ABP? Zijn er indicaties die erop wijzen dat pensioenverlagingen op deze grondslag vaker zijn voorgekomen?
In dit geschil is een voor 1 januari 1996 opgebouwd ouderdomspensioen verlaagd omdat de gepensioneerde na ingang van het ouderdomspensioen is gaan samenwonen. Het kabinet deelt de waarneming dat er hoogstwaarschijnlijk vergelijkbare gevallen zijn. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 heeft ABP beroep ingesteld tegen de uitspraak van de geschillencommissie GIP.
Is het aannemelijk dat ook andere pensioenfondsen pensioenverlagingen hebben doorgevoerd op basis van dezelfde (afgewezen) grondslag en interpretatie van regels?
De uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen heeft uitsluitend betrekking op de pensioenregeling van Stichting Pensioenfonds ABP en op de toepassing daarvan in het voorliggende individuele geval. Pensioenfondsen beschikken ieder over een eigen pensioenregeling, met eigen bepalingen en systematiek. In hoeverre het aannemelijk is dat andere pensioenfondsen vergelijkbare bepalingen hanteren of op basis van eenzelfde interpretatie besluiten hebben genomen, is op dit moment niet in te schatten.
Is het mogelijk om te achterhalen hoeveel pensioendeelnemers precies zijn getroffen door pensioenverlagingen in dit verband?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 5 zijn er hoogstwaarschijnlijk wel vergelijkbare gevallen. Het kabinet beschikt echter niet over cijfers. Een verlaging van opgebouwd ouderdomspensioen in vergelijkbare gevallen hoeft niet te betekenen dat deze verlaging ten onrechte heeft plaatsgevonden. De uitspraak van de geschillencommissie GIP betrof een uitspraak in een individueel geval. ABP heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de geschillencommissie voor de deelnemers die met een vergelijkbare pensioenverlaging te maken hebben gehad?
Zie antwoord op vraag 7.
Wordt de uitspraak gecommuniceerd aan de deelnemers in kwestie en worden de verlagingen in dit verband dan automatisch en met terugwerkende kracht teruggedraaid of moeten zij zelf in actie komen? Kunt u een toelichting geven?
Zie antwoord op vraag 7.
Het artikel 'Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan'' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van bovengenoemd artikel?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nog nooit is ingegrepen bij de misstanden in genoemd huis?
De berichtgeving is verschrikkelijk om te lezen. De situatie die wordt beschreven is heftig en onacceptabel. Ik herken niet het beeld dat er nooit is ingegrepen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft in 2021 en 2022 meerdere keren reguliere toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg. Na maatregelen heeft de inspectie het bezoek afgesloten. De toezichtsrapporten hiervan zijn openbaar. Ook is Derman Thuiszorg is bezocht in september 2023 met een hertoets in maart 2024; dit toezichtstraject werd afgesloten nadat verbetermaatregelen werden doorgevoerd.
Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste bezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede zorg en veilige zorg.
Volgens het artikel voeren de Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd momenteel uitvoerig onderzoek uit. Gezien de ernst van de signalen, kan er op korte termijn resultaat worden verwacht?
Het rapport van het lopende toezicht door de IGJ zal naar verwachting in april openbaar worden. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid.
De Arbeidsinspectie heeft aangegeven niet vooruit te kunnen lopen op de datum van afronding van haar onderzoek.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige ouderenmishandeling?
Zie antwoord bij vraag 3.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige zorgfraude?
Dat is niet aan mij om hier een oordeel over te vellen. Gemeenten en zorgkantoren zijn gemachtigd om zelfstandig hun eigen onderzoeken naar (zorg)fraude te doen. Over eventuele (lopende) strafrechtelijke onderzoeken van de recherche zorgfraude door de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie kan ik geen uitspraken doen.
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er zijn dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze totaal onbevoegd personeel kan inzetten in verzorging en verpleging voor deze kwetsbare ouderen, met alle nare gevolgen van dien, en dat hier ondanks de signalen die er volgens het artikel al geweest zijn, niet op is ingegrepen?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. Vervolgens is in februari dit jaar nog een toezichtbezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze, kwetsbare ouderen kan laten verkeren in gevaarlijk onhygiënische omstandigheden, en dat dit ondanks signalen zo lang voortduurt?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag?
Ik vind het afschuwelijk voor bewoners en werknemers als sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Op basis van enkel de inhoud van het artikel kan ik niet beoordelen in hoeverre dit daadwerkelijk het geval is. Dit is onderwerp van onderzoek door de verschillende organisaties, daar waar dat binnen hun toezichtmandaat valt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er hier hoge sommen zorggeld worden ontvangen voor zorg die niet geleverd wordt?
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er is fraude geconstateerd. Ook zijn er dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe oordeelt u over het misbruik van de persoonsgegevens van de al dan niet bevoegde medewerkers?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe is het mogelijk dat met alle signalen dit huis überhaupt nog geopend is?
Zie antwoord bij vraag 2 en 6.
Worden alle andere verzorgingshuizen van dezelfde ondernemer ook onderzocht, en is het mogelijk deze ondernemer de mogelijkheden van werk verrichten in de zorg af te nemen?
Het toezicht van de IGJ beslaat alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg in De Steeg. Zie verder antwoord bij vraag 3.
Kunt u deze vragen gezien de ernst van de situatie binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is meteen ter hand genomen. Gezien de afstemming met de IGJ en de Arbeidsinspectie is de termijn van een week overschreden.
Het bericht ‘Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: «Mensen smeken erom dood te mogen gaan»»?1
Ja.
Hoeveel zorgbehoevende ouderen wonen er op dit moment nog in De Steeg?
Voor zover bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bekend, verblijven er op dit moment nog zes ouderen in De Steeg.
Vindt u het verantwoord dat zorgbehoevende ouderen daar op dit moment nog verblijven? Hoe garandeert u de veiligheid van en goede zorg aan deze bewoners?
Derman woonzorg is verantwoordelijk om de wet- en regelgeving na te leven en bewoners goed te verzorgen. Momenteel doen twee toezichthouders onderzoek, ik wacht de conclusies van de IGJ af voordat ik verdere maatregelen neem. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en de Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede en veilige zorg.
Hoe kan het dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nooit is ingegrepen? Is hier sprake van incidenteel falen of van systeemfalen? Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de rol van alle betrokken instanties en de uitkomsten met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer leveren de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hun onderzoek op?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Het rapport van het laatste toezichtbezoek zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd.
Onderzoeken de Arbeidsinspectie en de IGJ ook alle andere activiteiten van Derman Zorg? Zo nee, bent u bereid hen een aanwijzing te geven tot diepgaand onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht van de IGJ en de Arbeidsinspectie beslaat tezamen alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg van deze zorgaanbieder. Ik zie daarom geen aanleiding om een aanwijzing te geven.
Bent u bereid in te zetten op verscherpt toezicht op zorginstellingen en zorgorganisaties met een verhoogd risico op een zwijgcultuur? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De beslissing om in deze casus al dan niet verscherpt toezicht in te zetten is aan de IGJ als onafhankelijke toezichthouder. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Een verscherpt toezicht behoort daarbij tot de mogelijkheden. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid
Bent u bereid aan te sturen op het direct sluiten van die verpleeghuis en het elders onderbrengen van de zorgbehoevende ouderen? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is als onafhankelijk toezichthouder verantwoordelijk voor toezicht op de veiligheid en kwaliteit van zorg. Zij doen onderzoek naar Derman woonzorg en zetten op basis daarvan passende toezichtsmaatregelen in. Het rapport van het laatste toezichtbezoek door de IGJ zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd. Ik wacht de conclusies van de IGJ af.
De houdbaarheid van de AOW (Algemene Oudersdomswet) |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u onder elkaar zetten hoe groot de beroepsbevolking naar verwachting is ten opzichte van het aantal AOW’ers in 2033, 2040, 2050 en 2060, op basis van de huidige wetgeving en de meeste recente bevolkingsprognose? Hoeveel werkenden zijn er naar verwachting in die jaren per AOW’er?
Onderstaande figuur geeft de verwachte AOW-druk uit het afgelopen rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte weer.1 Die laat zien dat de AOW-druk per 2033 ongeveer 35% is. In 2040, 2050 en 2060 is dat respectievelijk ongeveer 37%, 35% en 34%. De AOW-druk wordt berekend op basis van de bevolkingsprognose. Dat is het aantal mensen in werkzame leeftijd (vanaf 20 tot AOW-leeftijd) ten opzichte van het aantal mensen boven de AOW-leeftijd in Nederland. De AOW-gerechtigden die in het buitenland wonen worden hierin dus niet meegerekend.
(x 1.000 personen, jaargemiddelde)
Aantal personen in Nederland boven AOW-leeftijd
3.870
4.135
4.064
4.032
Aantal personen in Nederland van 20 jaar tot AOW-leeftijd
11.147
11.222
11.576
12.013
Kunt u ook onder elkaar zetten wat de verwachtingen hierover waren in 2019, nadat het pensioenakkoord werd afgesloten, op basis van de afspraken in het pensioenakkoord en de bevolkingsprognoses uit die tijd?
Zie onderstaande figuren uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen»2 uit 2019. Daarin wordt ingegaan op de gevolgen van de vergrijzing voor onder meer de AOW. Er wordt ook stilgestaan bij de AOW-druk. Als u de figuur van vraag 1 met die hieronder vergelijkt kunt u zien dat de verwachting van de AOW-druk voor 2033 en 2060 is afgenomen.
Kunt u onder elkaar zetten hoeveel de verwachte uitgaven aan de AOW zijn als percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) in 2033, 2040, 2050 en 2060? Wat was de verwachting hierover in 2019, na het afsluiten van het pensioenakkoord?
In onderstaande tabel wordt weergegeven wat de verwachtingen waren ten aanzien van de ontwikkeling van de AOW-uitgaven als percentage van het BBP. De cijfers zijn afkomstig uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen» (2019) en het rapport van de 18e Studiegroep Begrotingsruimte (2025). De percentages voor 2033 en 2050 zijn niet beschikbaar.
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2019)
5,1%
6,5%
5,9%
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2025)
4,7%
5,7%
5,4%
In hoeverre zijn de verwachtingen over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW volgens u verbeterd of verslechterd sinds 2019, toen het pensioenakkoord werd afgesloten?
Zoals bij vraag 2 aangegeven is de verwachting dat in 2033 en 2060 de AOW-druk minder hoog uitvalt dan in 2019 verwacht werd. De AOW-uitgaven als percentage van het BBP vallen volgens de prognoses uit 2025 lager uit dan in 2019 verwacht werd, zoals uit de tabel bij vraag 3 is af te lezen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat hiervoor niet alleen de AOW-uitgaven zelf, maar ook de ontwikkeling van het BBP van belang is.
Op het gebied van de financiering van de AOW constateerde het CBS in 2024 dat voor het eerst meer dan 50% van de AOW-uitkeringen gefinancierd uit de algemene middelen oftewel belastinggeld. Dit betekent dat premie-inkomsten de AOW-uitkeringen steeds minder dekken. Sinds 2001 zijn de AOW-premies niet meer toereikend om de volledige uitkeringen te dekken, omdat de AOW-premie op 17,9% is gemaximeerd. Het aandeel van de AOW-uitkeringen dat het Rijk vanuit de algemene middelen aanvult, neemt een steeds groter deel van de overheidsuitgaven in beslag. De sneller stijgende AOW-uitgaven komen vooral door de vergrijzing. Daarnaast zijn de uitkeringen zelf verhoogd, omdat ze gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (Wml). De premie-inkomsten stijgen veel minder dan de uitgaven. De verwachting is dat het aandeel gefinancierd vanuit algemene middelen in de toekomst verder zal toenemen.
Wat is volgens u de reden dat het kabinet van plan is de AOW versneld te verhogen? In hoeverre is dit vanwege de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW, en hoe verhoudt dit zich tot de prognoses in 2019 en de onderbouwing van de afspraken over dit onderwerp in het pensioenakkoord?
De uitkeringslasten van de AOW stijgen vanwege de toename van het aantal AOW’ers door de vergrijzing. Daarnaast stagneert de groei van de beroepsbevolking. Het gevolg is dat premies in de toekomst door minder werkenden moeten worden opgebracht en de AOW een groter beslag op de Rijksbegroting legt, zoals bij vraag 4 is uitgelegd. Daarom adviseerde de Studiegroep Begrotingsruimte om maatregelen te nemen die gericht zijn op het verlagen van de vergrijzingsgevoelige uitgaven.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat er in 2033 maar twee werkenden per AOW’er zijn? Waar baseerde hij dat cijfer op?
In het debat over de regeringsverklaring is voor deze verhouding de grijze druk gebruikt. Grijze druk laat de verhouding tussen het aantal mensen van 65 jaar of ouder en het aantal personen van 20 tot 65 jaar zien. Deze cijfers komen terug in publicaties van de SVB en het UWV.3 Het is echter zorgvuldiger om bij deze verhouding de «AOW-druk» te gebruiken. Dit laat de verhouding tussen AOW-gerechtigden en de beroepsbevolking. De AOW-leeftijd ligt immers niet meer op 65 jaar.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat de reden om de AOW versneld te verhogen was dat het kabinet zich zorgen maakt over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW? Waarom heeft het kabinet die zorgen, gegeven de ontwikkeling van de prognoses hierover in de afgelopen tien jaar?
Zoals in de antwoorden op de vragen 1, 4 en 5 aangegeven ziet het kabinet een opgave om de AOW-uitgaven houdbaar te houden in de context van de grote opgaven waar we voor staan. Hierover gaat het kabinet graag de komende periode met uw Kamer en de sociale partners in gesprek.
Kunt u een tabel maken met de jaarlijkse kosten van de AOW tot en met 2060, zowel vóór als na de voorgenomen maatregel?
De uitgaven aan de AOW volgens de 2/3e koppeling en 1-op-1 koppeling is hieronder weergegeven. Dit bevat niet de weglek naar andere sociale zekerheid.
AOW uitgaven 2/3e koppeling
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
AOW uitgaven 1-op-1
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
Verschil
–
–
–
–
–
AOW uitgaven 2/3e koppeling
62.172
63.568
64.775
65.137
66.224
AOW uitgaven 1-op-1
62.172
63.568
63.705
64.080
65.170
Verschil
–
–
– 1.070
– 1.057
– 1.054
AOW uitgaven 2/3e koppeling
67.398
67.761
68.855
69.856
69.860
AOW uitgaven 1-op-1
65.268
66.648
66.661
67.724
67.776
Verschil
– 2.130
– 1.113
– 2.195
– 2.133
– 2.084
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.392
70.800
70.338
70.449
70.616
AOW uitgaven 1-op-1
68.397
68.017
68.537
68.713
68.014
Verschil
– 1.995
– 2.783
– 1.802
– 1.737
– 2.602
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.777
70.237
70.370
70.636
70.121
AOW uitgaven 1-op-1
68.185
67.620
67.731
67.053
67.394
Verschil
– 2.592
– 2.617
– 2.639
– 3.583
– 2.727
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.253
70.438
70.687
70.204
70.519
AOW uitgaven 1-op-1
66.652
66.879
67.099
66.540
66.779
Verschil
– 3.601
– 3.559
– 3.588
– 3.664
– 3.739
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.965
70.570
70.999
71.621
72.358
AOW uitgaven 1-op-1
66.191
66.696
66.134
66.699
67.291
Verschil
– 4.775
– 3.873
– 4.865
– 4.922
– 5.067
Welk deel van de mensen die langer door zouden moeten werken door het voorstel om de AOW-leeftijd versneld te verhogen houdt het volgens u vol om daadwerkelijk langer door te werken? Welk deel komt in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Werkloosheidswet (WW) of Participatiewet terecht?
Uit de meest recente «Monitor verhoging AOW-gerechtigde leeftijd» van SEO Economisch Onderzoek4 blijkt niet dat het actieve gebruik van de WW, WIA of bijstand toeneemt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. Er is geen actief substitutie-effect, waarbij ouderen eerder zouden stoppen met werken om in de periode tussen de oude en de verhoogde AOW-leeftijd een uitkering te gebruiken, zoals SEO dit omschrijft. Sinds 2013 is de AOW-leeftijd gestegen van 65 jaar naar 67 jaar in 2026. Door de verhoging blijven mensen die al een WW-, WIA- of bijstandsuitkering ontvangen langer in deze uitkering. Dit wordt het passieve substitutie-effect genoemd. Hoewel het risico op instroom in deze uitkeringen toeneemt zijn er geen aanwijzingen dat ouderen massaal rond hun 65ste of rond de nieuwe AOW-leeftijd bewust instromen in sociale zekerheid. Het Ministerie van SZW monitort de effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd jaarlijks.
Bent u zich ervan bewust dat het CPB uitgaat van een ombuiging op de AOW van € 4,9 miljard en een netto ombuiging van € 2,7 miljard in 2060 als gevolg van de voorgenomen versnelde verhoging van de AOW-leeftijd? Klopt het dat daarmee zo’n 45%, dat wil zeggen bijna de helft, van de groep die langer door zou moeten werken in plaats daarvan een andere uitkering krijgt?
De raming van het CPB over de budgettaire gevolgen van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting sluit aan op de raming zoals opgenomen in het Coalitieakkoord. De 1-op-1 koppeling leidt tot een besparing op de AOW-uitgaven in 2060. Tegelijkertijd leidt dit er toe dat mensen een langere periode een andere uitkering ontvangen of voor de periode dat zij later een AOW ontvangen een andere uitkering instromen.
Deze weglekeffecten naar andere sociale zekerheid zijn gebaseerd op een analyse over realisatiecijfers uit 2019 t/m 2021. Hierin is geanalyseerd wat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid is van de groep mensen die in een gegeven jaar de AOW instromen. Uit deze analyse blijkt dat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid voor de mensen die op het punt staan de AOW-leeftijd te bereiken ca. 45% is van de uitgaven aan AOW zodra zij zijn ingestroomd. Met andere woorden, de uitgaven aan overige sociale zekerheidsuitkeringen, als gevolg van een hogere AOW-leeftijd, bedragen 45% van het bedrag dat anders aan de AOW uitgegeven zou zijn. Indien de AOW-leeftijd omhoog gaat zit deze groep dus langer in de betreffende socialezekerheidsuitkering. Deze analyse ziet echter alleen op de totale Rijksuitgaven. Er kunnen geen conclusies verbonden worden over het aantal mensen om wie dit gaat aangezien de gemiddelde hoogte van de AOW niet gelijk is aan de gemiddelde hoogte van de andere uitkeringen. Circa 34 procentpunt van de 45% aan weglek gaat immers om Arbeidsongeschiktheids-, WW en Ziektewetuitkeringen. De gemiddelde uitkeringshoogte hiervan ligt aanzienlijk hoger dan de gemiddelde hoogte van een AOW-uitkering.
De 45% aan weglek zegt dus uitsluitend iets over de Rijksuitgaven, maar niet over het aantal mensen dat een uitkering ontvangen in plaats van inkomen uit werk voordat zij de AOW instromen.
Kunt u deze cijfers nader uitsplitsen? Hoeveel meer mensen komen respectievelijk terecht in de WIA, WW en Participatiewet, en met hoeveel nemen de kosten van deze regelingen respectievelijk toe?
Zoals toegelicht is uit de analyse niet op te maken hoeveel mensen terechtkomen in de WIA, WW of Participatiewet als gevolg van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting. Wel kan uiteengezet worden wat op basis van de analyse op basis van cijfers uit 2019 t/m 2021 de geraamde toename aan uitgaven aan deze regelingen is. Hieronder is de uitsplitsing van het weglekeffect naar andere sociale zekerheid weergegeven t/m 2035 en structureel.
Uitsplitsing weglekeffect (x € mln.)
Participatiewet
45
44
44
211
AO1
284
280
279
1344
IOAW/IOAZ2
56
56
56
267
Werkloosheidswet
72
72
71
343
Ziektewet
15
14
14
69
Algemene nabestaandenwet
14
13
13
65
Hieronder vallen de WAZ, WAO en WIA.
Hieronder vallen de IOAW, IOAZ, Wajong, BBZ en IOW.
Welke overlap ziet u tussen de plannen voor de AOW, WIA en WW? Hoeveel mensen hebben door de voorgenomen plannen dubbel of driedubbel pech, bijvoorbeeld omdat zij later AOW krijgen én korter WW, en daardoor in de bijstand terechtkomen?
Het kabinet heeft de sociale partners goed gehoord. Met betrekking tot de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting maakt het kabinet een pas op de plaats. We gaan samen met uw Kamer en met de sociale partners in de komende periode kijken of, en zo ja, welke alternatieven er mogelijk zijn. In de verkenning en uitwerking zal rekening gehouden worden met de mogelijke samenloop van regelingen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en de antwoorden vóór aanvang van de plenaire behandeling van de Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026 aan de Tweede Kamer doen toekomen?
Aan beide verzoeken is voldaan.