Kamerstuk 30048-2

Wijziging IOAW, i.v.m. opnemen vermogenstoets, waarbij waarbij eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, t.a.v. personen die werkloos worden tussen 50 en 55 jaar; Voorstel van wet

Dossier: Wijziging IOAW, i.v.m. opnemen vermogenstoets, waarbij waarbij eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, t.a.v. personen die werkloos worden tussen 50 en 55 jaar

Gepubliceerd: 4 april 2005
Indiener(s):
Onderwerpen: organisatie en beleid ouderen werk zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30048-2.html
ID: 30048-2

30 048
Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met het opnemen in deze wet van een vermogenstoets, waarbij het eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, ten aanzien van personen die werkloos worden tussen het 50ste en 55ste levensjaar

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers een vermogenstoets, waarbij het eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, op te nemen ten aanzien van personen die werkloos worden tussen het 50ste en 55ste levensjaar;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip.

B

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

1. Geen recht op uitkering heeft de werkloze werknemer, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, die:

a. voor het bereiken van de leeftijd van 55 jaar werkloos is geworden,

b. geen recht heeft op uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Liquidatiewet ongevallenwetten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, en

c. ten tijde van de aanvraag van de uitkering, niet zijnde een aanvraag met betrekking tot een herleving van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 7, over een vermogen beschikt of redelijkerwijs kan beschikken dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in artikel 8a, derde lid, te boven gaat.

2. Geen recht op uitkering heeft de echtgenoot van de werkloze werknemer, bedoeld in het eerste lid.

C

Na artikel 8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8a

1. Onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de werkloze werknemer, bedoeld in artikel 6a, aanhef en onderdelen a en b, zijn echtgenoot of zijn kind ten tijde van de aanvraag van de uitkering beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.

2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:

a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de werkloze werknemer, bedoeld in artikel 6a, aanhef en onderdelen a en b, zijn echtgenoot of zijn kind, noodzakelijk zijn;

b. het ten tijde van de aanvraag van de uitkering aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;

c. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf die de werkloze werknemer, bedoeld in artikel 6a, aanhef en onderdelen a en b, zijn echtgenoot of zijn kind in eigendom heeft en door hemzelf, zijn echtgenoot, of zijn kind wordt bewoond;

d. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m, van de Wet werk en bijstand;

e. het tegoed in geld op de rekening van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel de verzekerde som van een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van die wet.

3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:

a. voor de alleenstaande werkloze werknemer en de thuiswonende werkloze werknemer zonder kinderen: € 5065,00;

b. voor de alleenstaande werkloze werknemer en de thuiswonende werkloze werknemer met een of meer kinderen: € 10 130,00;

c. voor de werkloze werknemer en zijn echtgenoot met of zonder kinderen: € 10 130,00.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en in gevallen waarin toepassing van het eerste en tweede lid tot onbillijkheden zou kunnen leiden zonodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

5. Met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar worden de in het derde lid genoemde bedragen herzien met de procentuele stijging van de consumentenprijsindex.

6. Van de herziene bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

D

Artikel 25, derde lid, komt te luiden:

3. De uitkering wordt van de belanghebbende teruggevorderd indien blijkt dat belanghebbende:

a. over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend, later inkomsten ontvangt waarmee met de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden, of

b. naderhand vermogen verwerft waarop al aanspraak bestond ten tijde van de aanvraag van de uitkering en indien op dat tijdstip tegeldemaking van die aanspraak in redelijkheid mogelijk zou zijn geweest, die tegeldemaking ertoe zou hebben geleid dat de op belanghebbende van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in artikel 8a, derde lid, werd overschreden.

E

Na artikel 63 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 63a

Artikel 6a is niet van toepassing op de werkloze werknemer wiens recht op uitkering is ontstaan voor de dag van inwerkingtreding van de Wet van ... tot wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met het opnemen in deze wet van een vermogenstoets, waarbij het eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, ten aanzien van personen die werkloos worden tussen hun 50ste en 55ste levensjaar (Stb. ...).

Artikel 63b

Artikel 6a is niet van toepassing op de persoon wiens recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet:

a. in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van ... tot wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met het opnemen in deze wet van een vermogenstoets, waarbij het eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, ten aanzien van personen die werkloos worden tussen hun 50ste en 55ste levensjaar (Stb. ...) op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, of artikel 20, eerste lid, onderdeel b, juncto artikel 20, derde lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet geheel is geëindigd, en

b. zonder eindiging als bedoeld in onderdeel a, in de in dat onderdeel bedoelde periode zou zijn geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel e, van de Werkloosheidswet, mits de eindiging op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel e, van de Werkloosheidswet plaatsvindt in de periode van twaalf maanden onmiddellijk na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van ... tot wijziging van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers in verband met het opnemen in deze wet van een vermogenstoets, waarbij het eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, ten aanzien van personen die werkloos worden tussen hun 50ste en 55ste levensjaar (Stb. ...).

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,