Kamerstuk 29544-234

Verslag van een algemeen overleg

Arbeidsmarktbeleid; Verslag van een algemeen overleg; Verslag van een algemeen overleg gehouden op 11 februari 2010 inzake jeugdwerkloosheid

Gepubliceerd: 11 maart 2010
Indiener(s): Jetta Klijnsma (PvdA)
Onderwerpen: jongeren werk werkgelegenheid zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29544-234.html
ID: 29544-234

29 544
Arbeidsmarktbeleid

nr. 234
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 maart 2010

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, de algemene commissie van Jeugd en Gezin2 en de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap3 hebben 11 februari 2010 overleg gevoerd met staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin en staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

– de brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 3 december 2009 over de voortgang van het actieplan jeugdwerkloosheid (29 544, nr. 210).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Jonker

De voorzitter van de algemene commissie voor Jeugd en Gezin,

Heijnen

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van Bochove

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Esmeijer

Voorzitter: Jonker Griffier: Esmeijer

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Jonker, Van Hijum, Lempens, Van der Vlies, Koşer-Kaya, Meeuwis en Spekman,

en staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin en staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministeries.

De voorzitter: Ik heet de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister voor Jeugd en Gezin, de staatssecretaris van Onderwijs en de mensen op de publieke tribune van harte welkom bij dit overleg.

De heer Van Hijum (CDA): Voorzitter. Het is goed dat wij vandaag de tussenstand bespreken van het plan van aanpak van de jeugdwerkloosheid. Het is ongeveer een halfjaar geleden dat wij dat deden. Ik roep in herinnering dat dit een uitvloeisel is van het sociaal akkoord waarin wij met werkgevers en vakbonden de ambitie hebben neergelegd om geen enkele jongere langer dan drie maanden thuis te laten zitten. Dit om te voorkomen dat er een generatie ontstaat van jongeren die de aansluiting op de arbeidsmarkt niet vinden en een toekomst krijgen die wij niemand gunnen. Er is 250 mln. extra uitgetrokken om extra plekken, stageplekken en leerwerkplekken te creëren.

Het kabinet heeft ervoor gekozen om de gemeenten in stelling te brengen en de grotere gemeenten, de convenantsgemeenten, zouden de samenwerking moeten zoeken met sectoren zoals die van de zorg, de bouw en het metaal. Mijn fractie maakt zich zorgen over de uitvoeringstructuur. Die zorgen worden Kamerbreed gedeeld. Een halfjaar nadat wij die afspraak hebben gemaakt, zijn heel veel convenanten afgesloten met de 30 gemeenten en tussen Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de sectoren, staat heel veel in de steigers en zijn mensen aan het werk, maar er zijn relatief weinig echte plekken voor jongeren gerealiseerd. Kan de staatssecretaris aangeven in hoeverre die uitvoeringsstructuur echt werkt en perspectief en plekken biedt voor jongeren? In hoeverre wordt het resultaat dat wij voor ogen hadden bereikt? Uit de sectoren bereiken mij signalen dat het feit dat er een convenant is, niet betekent dat daarmee ook werkplekken zijn gerealiseerd. De sectoren maken mee dat het geld bij een centrumgemeente soms al op is of dat ze alsnog met alle individuele gemeenten moeten onderhandelen over het verkrijgen van geld.

Wij hebben afgesproken dat wij afrekenen op resultaat, op het aantal plekken dat gerealiseerd is. Dat werd Kamerbreed gedeeld. Dat willen wij maatgevend laten zijn voor het jaar 2010. Mijn voorstel is dat wij de hand op de knip houden tot wij weten welk resultaat is bereikt. Richt onze aanpak zich niet te eenzijdig op het in stelling brengen van gemeenten, van de overheid, om het geld weg te zetten? Moeten wij niet meer nadenken over de vraag wat werkgevers er in deze tijd van weerhoudt om een jongere een kans te geven? Wij hebben gisteravond het debat over de uitbreiding van de Flexwet gehad. Ik hoop dat die wet ongeschonden door de stemmingen komt omdat deze wet een mogelijkheid creëert voor een lagere drempel voor werkgevers om iemand in dienst te nemen. Dit is echter niet de enige factor die de onzekerheid van werkgevers beïnvloedt.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Is het dan niet zuur dat de grootste coalitiepartij de handtekening onder de motie heeft ingetrokken?

De heer Van Hijum (CDA): Het ging om een amendement met een grote strekking en daar heb ik in het debat duidelijk mijn mening over gegeven. Met het amendement wordt de intentie van het wetsvoorstel tenietgedaan en daarom is het niet verstandig om daar voor te stemmen. Ik vind het eindeloos uitbreiden van het aantal flexcontracten een paardenmiddel waar een grens aan moet zitten, maar in crisistijd is het verdedigbaar omdat tijdelijk werk nog altijd beter is dan geen werk. Daarom was er indertijd brede steun in de Kamer voor de motie van de heer Rutte en daarom hebben wij dit wetsvoorstel op dit moment nodig.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Door dat amendement is de handtekening onder die motie weggetrokken en daarmee is het hele plan min of meer in de prullenbak gegooid. Bent u dat met mij eens?

De heer Van Hijum (CDA): Die vraag moet u niet aan mij stellen, maar aan de vertegenwoordiger van de PvdA. Wij hebben onze handtekening onder die motie gezet en ik hoop dat die wet het haalt. Het heeft een raakvlak met het onderwerp waar wij het nu over hebben: lukt het om een perspectief te creëren?

Voorzitter. Naast flexibiliteit kan men zich ook op andere factoren richten die de risicoperceptie van werkgevers raken. Men kan denken aan een ontslagvergoeding, maar dat kan in alle eerlijkheid in de nieuwe kantonrechtersformule geen reden meer zijn om jongeren niet aan te nemen. Men kan ook denken aan loondoorbetaling bij ziekte; dat is altijd een drempel voor werkgevers om iemand in vaste dienst te nemen. Ik doe de suggestie om nog eens te kijken naar het instrument van de no-riskpolis voor werkloze jongeren. Wij hebben die discussie eerder gehad en ik blijf van mening dat die pilot indertijd om oneigenlijke redenen geen gevolg heeft gekregen. Men kan ook denken aan het vergoeden van de kosten voor de begeleiding van werkloze jongeren, want een werkgever die jongeren in dienst neemt en een kans wil geven, moet daar vaak kosten voor maken en er tijd en energie insteken. Wij hebben ook wel eens de suggestie gedaan om bij bedrijven met deeltijd-WW te bekijken of er mensen zijn die als praktijkbegeleider, werkmeester, ingezet kunnen worden om op die manier interessante combinaties te maken tussen ouderen en jongeren in het bedrijf.

Ik vraag nogmaals aandacht voor kwetsbare groepen, de jongerendrop-outs. Ook dat was een Kamerbreed thema. In de brief staat dat de betrokkenheid van de jeugdzorg nog niet voldoende is. Daar moet eerst een quickscan voor komen. Kan de minister iets zeggen over de redenen waarom dat beeld zo divers is? Waar ziet hij de belangrijkste aangrijpingspunten voor verbetering? Mijn indruk van het onderwijs is dat het wel goed gelukt is om jongeren langer op school te houden – dat is op zichzelf goed omdat die kwalificatie voordelen met zich brengt – maar dat er desondanks een groep is die niet op school zit en niet aan het werk is gegaan, en waarvan onduidelijk is wat die doet. Kan de staatssecretaris van Onderwijs aangeven hoe groot die groep is en hoe actief die wordt benaderd om te verkomen dat hij tussen wal en schip valt?

De heer Lempens (SP): Voorzitter. De gevolgen van de crisis worden duidelijk: het aantal jeugdwerklozen groeit enorm. In de brief staat dat het er nu 114 000 zijn. Dat is veel. Ik sluit aan bij wat mijn collega van het CDA vroeg: wat hebben al die convenanten en plannen nu precies opgeleverd? Kan de staatssecretaris daar uitputtend op ingaan zodat wij kunnen peilen hoe zij het doet? Mijn drie andere punten zijn: werkloze allochtone jongeren, de uitbreiding van het Regionaal Meld- en Coördinatiepunt (RMC) en de Wet investeren in jongeren (WIJ).

Allochtone jongeren zijn vaker werkloos dan autochtone jongeren en daar zijn wij van geschrokken. In 2009 was één op de vijf werkloos. De staatssecretaris geeft aan dat zij hieraan meer bekendheid wil geven via een website, stagemarkt.nl, en ondernemers uit migrantengroepen erbij wil betrekken, maar ze gaat pas in de zomer met deze partijen om de tafel zitten. Dat duurt te lang; het lijkt wel of het geen prioriteit heeft. Voor ons wel: wij willen graag meer aandacht voor deze groep. De staatssecretaris moet nu met hen om de tafel gaan zitten om te bekijken welke maatregelen zij kan nemen om werkgevers te verleiden.

In het vorige debat heeft mijn collega Paul Ulenbelt aandacht gevraagd voor een bijzonder kwetsbare groep jongeren die nu tussen wal en schip valt: alle jongeren uit het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en van de praktijkscholen. Ik ben blij dat naast de staatssecretaris twee andere bewindslieden aanwezig zijn, want mogelijk maakt dat het antwoorden makkelijker. Dat is in het vorige debat niet gelukt. Voor veel van deze jongeren geldt dat zij geen Wajong-uitkering hebben. Hopelijk melden zij zich dan bij het jongerenloket, maar wij weten dat na de eerste afspraak een heleboel niet meer op de tweede afspraak komen. Dan zitten zij thuis en zijn ze uit beeld. Scholen zijn verplicht om niet-leerplichtige jongeren die verzuimen te melden bij het RMC, maar deze jongeren zijn niet kwalificatieplichtig en daar geldt dit niet voor. Ons voorstel is – in de gemeente Amsterdam is dit unaniem aangenomen, dus wellicht kan dat de staatssecretaris inspireren – om die taken uit te breiden tot alle jongeren tot 23 jaar of zij nu wel of niet kwalificatieplichtig zijn. Dat zou deze jongeren vooruit kunnen helpen. Graag een reactie.

Wij krijgen signalen uit het land dat de WIJ niet werkt. Ik geef twee concrete voorbeelden. Nelleke uit Dongeradeel heeft een leerwerkaanbod gekregen voor een dienstverband bij een re-integratiebedrijf: vijf ochtenden in de week melden in Leeuwarden en geen werkzaamheden maar trainingen en workshops. Die hebben vervolgens geen toegevoegde waarde en dat is niet zoals het bedoeld was, gezien de uitspraak van de staatssecretaris. Nelleke draait nu twee van de vijf ochtenden mee op de administratie en voor de rest moet zij vooral solliciteren. Is dat nu een leerwerkaanbod? Patricia meldt zich bij het loket. Haar wordt verteld dat zij geen uitkering krijgt en bij haar ouders maar geld moet gaan lenen. Hoe meer medewerkers van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) zij spreekt, hoe meer verschillende antwoorden zij krijgt. Volgens één medewerker, dat was het toppunt, moet zij haar huisgenoten maar haar rekeningen laten betalen. Daarmee lijkt dit toch een bezuinigingsmaatregel die jongeren van het kastje naar de muur stuurt. Jongeren krijgen onvoldoende informatie, worden naar huis gestuurd of krijgen een inkomensvoorziening onder de genoemde norm. Hoe kan dit en wat gaat de staatssecretaris daaraan doen?

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Wij bespreken een serieus probleem: in Europa is de jeugdwerkloosheid 19,7% en in Nederland 6,3%. Zo bekeken valt het hier relatief mee, maar elke jeugdwerkloze is er een te veel. Wij kunnen niet in dit cijfer berusten. Temeer omdat de trend verkeerd is: de jeugdwerkloosheid neemt toe. Alle hens moeten aan dek. Het ontbreekt niet aan afspraken, er zijn een heleboel convenanten en initiatieven, maar hoe dalen die neer in de praktijk? Wat komt er werkelijk van terecht? Het ontgaat ook de SGP-fractie niet dat er stokken achter de deur staan, prikkels in het financieringssysteem zijn, maar wij zullen echt de vinger aan de pols moeten hebben en strak moeten managen opdat wij binnen kortere tijd en binnen dit kalenderjaar scoren.

Er zijn diverse actiepunten: de doelstellingen van het School Ex Programma zijn om 10 000 leerlingen te verleiden nog een jaar langer door te gaan en een samenwerking te bevorderen tussen mbo-scholen bij het vinden van werk. De conjunctuur dwingt al velen om langer door te studeren. Dat is op zichzelf positief. Wat is nu de toegevoegde waarde van het ingezette programma? Slechts 40% van de examenkandidaten heeft over zijn toekomstplannen een persoonlijk gesprek gevoerd. Dat is aan de lage kant. Als het resultaat kennelijk zo makkelijk wordt behaald, moeten de ambities dan niet wat hoger? Als de leerlingen die doorstromen voor het overgrote deel al een startkwalificatie hebben, wat gebeurt er dan met de leerlingen zonder startkwalificatie waarvan er slechts 1500 van niveau 1 naar niveau 2 doorstromen? Dat zijn allemaal cijfers die te denken geven. Hoe kijkt de staatssecretaris daar tegenaan? Gaat zij ze uitsplitsen naar opleidingsniveau? 1600 examenkandidaten twijfelen over verder doorleren of werken. De helft van hen gaf toestemming de gegevens bij het UWV WERKbedrijf aan te leveren. Dat is minder dan verwacht. De staatssecretaris van OCW geeft aan dat de samenwerking tussen werkpleinen en mbo-instellingen geïntensiveerd moet worden. Hoe wordt daaraan concreet handen en voeten gegeven?

De allochtone groep is een kwetsbare groep op de arbeidsmarkt. Velen hebben geen startkwalificatie en het percentage jeugdwerklozen ligt in deze groep twee keer zo hoog. Dat is een slecht cijfer. Er is een website in gang gezet etc., maar zijn er nog meer mogelijkheden om hier een tandje bij te zetten? Is het een idee om de migrantenondernemers te wijzen op de mogelijkheid tot kwalificatie als erkend leerbedrijf? Die suggestie diepte ik ergens op.

Ik heb net als de bewindslieden grote zorgen over de aanpak van kwetsbare jongeren. Ik ben benieuwd hoe het ermee staat. Er wordt een quickscan uitgevoerd bij jeugdzorg. De volgende voortgangsrapportage geeft daarin inzicht, maar is al een tipje van die sluier op te lichten? Mijn fractie ziet veel in de werkwijze van kleinschalige projecten, bijvoorbeeld de pilot bij Titan in Utrecht. Ik ken ook de organisatie NOHE-Overstap, actief op de Veluwe, die een jaar geleden al met een soortgelijk initiatief is gestart waarvan de eerste resultaten erg positief zijn. Jongeren krijgen direct een betaalde baan, dat scheelt een deel van de uitkering, en een interne opleiding aangeboden die moet resulteren in een startkwalificatie. Met de begeleiding die geboden wordt, krijgen de kwetsbare jongeren werknemersvaardigheden aangeleerd en als de startkwalificatie is behaald worden ze naar een reguliere werkgever begeleid. Dat is een sluitend traject. Het mooie van zulke initiatieven is dat jongeren weer perspectief krijgen in hun leven: ze worden sterker. De begeleiding is wel intensief, het gaat stapje voor stapje, maar heeft een hoog rendement. Van zulke kleinschalige initiatieven moeten wij het op dit dossier hebben en minder van de grote communicatiecampagnes. Wat vindt de minister van deze benadering, dit accent, en ziet hij mogelijkheden om dit soort initiatieven te promoten, te ondersteunen, te initiëren enzovoorts?

Ik vraag mij af wat de resultaten van de communicatiecampagnes voor de werkgevers zijn. Leiden die communicatiecampagnes met een promotiefilmpje voor een boomkweker die de hele dag in weer en wind in zijn boomgaard aan het snoeien is en een bouwbedrijf waar het in 2010 toch al niet goed mee gaat, niet tot «het zal wel», hoge administratieve rompslomp, enzovoorts? Werkt een persoonlijke benadering niet veel beter? Misschien kan die geïntensiveerd worden.

Het halen van de doelstellingen in het sociaal akkoord is een spannend traject. Wij moeten daar wel voor staan. De sectorale afspraken moeten in 2010 opgenomen worden in de regionale actieplannen. Dat is nog lang niet overal zo, lees ik in enkele ingekomen stukken, onder andere van de FNV. De FNV is niet mijn gids in het leven, maar ik let er altijd op wat van die kant gemeld wordt. De FNV constateert dat hier een probleem zit en ook, dat verontrust mij temeer, dat de regelgeving van verschillende ministeries onvoldoende zou zijn afgestemd op de uitvoering van die sectorale plannen. Als dat zo is, is er ook voor dit team bewindslieden werk aan de winkel.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Voorzitter. Ik zit al vijf jaar in de Kamer en dit is het derde actieplan jeugdwerkloosheid. Volgens mij heeft de heer Van der Vlies wel vaker actieplannen jeugdwerkloosheid over zich heen gekregen. Steeds is het resultaat van dit soort actieplannen niet wat wij hoopten. Elke keer zien wij dat de jeugdwerkloosheid hoger is dan vorig jaar. Deze is nu ook weer toegenomen met 5,6%. Dat geeft toch echt te denken. Het actieplan zou daar een oplossing voor geven en dat heeft het niet gedaan. Is dat omdat het actieplan onvoldoende body had of is het gewoon niet effectief geweest? Of zijn er andere fundamentele problemen die hieraan ten grondslag liggen? Ik praat vanuit het hart, want ik zie elke keer dat het probleem wordt gedempt als het goed gaat en dat het boven tafel komt als het slecht gaat. Dat is omdat wij geen fundamentele keuzes maken om die arbeidsmarkt open te trekken. Dat verwijt ik de vakbond, VNO-NCW, en het kabinet. Die arbeidsmarkt trekken wij open door een einde te maken aan het insiders-outsidersprobleem. De flexwerkers, degenen met een contract voor bepaalde tijd en de jongeren ervaren nu problemen en de allochtone jongeren ervaren die drie keer zo hard. Wij komen elke keer met actieplannen waar heel veel geld in zit en die geen zoden aan de dijk zetten. Ik had een mooie tekst en terwijl ik naar mijn collega’s zat te luisteren dacht ik: ja, ik kan weer specifiek op het actieplan ingaan, maar ik kan dit ook nog eens duidelijk neerleggen. Elke keer krijg ik weer «o, daar komt ze weer» te horen als ik over het ontslagrecht begin. Laat ik het ontslagrecht concreet invullen. Als een bedrijf tien werknemers heeft, van wie er twee een contract voor bepaalde tijd hebben en acht een contract voor onbepaalde tijd, dan worden degenen met een bepaald contract, ook al zijn die veel beter, er als eerste uit gegooid. Waarom erkennen wij dat niet? Er zijn jongeren die niet aangenomen worden omdat dit te kostbaar is. Waarom willen wij dat niet erkennen? Dan zegt men: laten we het mogelijk maken dat de contracten voor jongeren nog een jaar flex kunnen zijn, want dan kunnen ze in ieder geval in crisistijd onder dak gebracht worden. Dat is een pleister die op een heel groot probleem geplakt wordt, maar niet houdt. Waarom nemen wij daar niet eens concreet actie op?

Er zijn mbo-instellingen die stages flexibel inroosteren. Dat is heel effectief. Waarom gebeurt dit niet in alle mbo-instellingen? Waarom wordt dit niet overal opgepakt en ingezet? Er is sprake van verschraling van stages. Eén stageplaats wordt ingevuld door twee studenten. Ik vraag mij af of de kwaliteit daarmee gewaarborgd wordt. Colo en UWV WERKbedrijf werken samen aan een plan ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Ik heb dat vaker gehoord, volgens mij zijn ze daar al jaren mee bezig. Ik hoop dat het dit keer wel effect heeft. Wanneer kunnen wij dat verwachten?

De jeugdwerkloosheid onder allochtonen is 20,5%. Wij hebben jongeren met een Chinese, Arabische, Turkse en Russische achtergrond die tweetalig zijn en wij gebruiken dat goud dat wij in handen hebben niet. Nederland is sterk geworden door open te zijn in de samenleving, door een open economie te hebben. Wij kunnen die jongeren inzetten op de arbeidsmarkt en gebruiken in de handel die wij met al die landen bedrijven. 80% van onze welvaart komt van het buitenland. VNO-NCW, MKB-Nederland en de vakbond rollen over straat over kleine dingen in plaats van dit soort dingen werkelijk aan te pakken. Ik heb in de Kamer een aantal keer een netwerkbijeenkomst voor jongeren gehouden en heb daar ook de werkgevers bij betrokken. Dat was uitermate effectief. Ik kan dat in die vijf grote steden een paar keer organiseren, maar ik heb in de Kamer ook werk te doen. Waarom pakt het kabinet dat niet grootschalig op? Waarom haalt het kabinet die jongeren en die werkgevers niet bij elkaar? Laat ze direct met elkaar zaken doen. Waarom doet de overheid dit niet? Waarom is zij niet effectiever met dit soort dingen bezig? De staatssecretaris heeft mij de vorige keer gezegd dat er een congres is over allochtone jongeren en dat zij na dat congres komt met ideeën. Ik heb nog geen idee gezien.

De heer Meeuwis (VVD): Voorzitter. Ik ga de woorden van de voorgaande sprekers niet herhalen. We doen van alles, we zijn lekker bezig met elkaar, maar de jeugdwerkloosheid loopt het afgelopen jaar op met 40% en zit nu op 12%. Dat is gewoon slecht. Vooral voor de jongeren zelf, want alles wat zij nu niet doen, draagt niet bij aan het toekomstperspectief op een zinvolle maatschappelijke participatie. Wij hebben een actieplan jeugdwerkloosheid en vorig jaar hebben wij 60 mln. naar de gemeenten overgemaakt. Ik lees vol spanning de brief over de voortgang en dan blijkt feitelijk niks, want er staat niks in. Er staat wel in dat wij in mei wat meer weten, maar – de heer Van der Vlies gaf dat ook al aan– ik wil horen van de staatssecretaris waar wij nu eigenlijk staan. Zij moet er dan in haar beantwoording bij stilstaan of wij concreet meetbare doelstellingen hebben afgesproken met de uitvoerders van de convenanten. Dat is van belang omdat er dit jaar weer 30 mln. in het kader van deze regeling naar de gemeenten gaat. Ik wil erop wijzen dat wij nu kunnen voorkomen dat wij over een halfjaar of een jaar weer een discussie hebben zoals de discussie over het armoedebeleid die door de heer Spekman is aangezwengeld. Het is goed als de staatssecretaris het adagium omarmt dat wij betalen als wij de doelen halen. Dat rijmt, dat kan ook op een sticker of bovenop de rapporten of convenanten staan. Het gaat erom dat wij concreet meetbare dingen realiseren en niet dat wij leuk bezig zijn.

Wij zijn niet zo voor convenanten omdat ze duur zijn en wij niet zien wat ze uiteindelijk opleveren. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar de antwoorden van de staatssecretaris. Oplossingen zitten in het tegengaan van schooluitval, in het flexibiliseren van de arbeidsmarkt en in voorstellen om in tijden van crisis vaker tijdelijke contracten in te zetten, Dat is uitstekend in de motie-Rutte verwoord, die in wetgeving is omgezet en die wij gisteravond bespraken. Het valt mij zwaar tegen dat juist de PvdA deze tijdelijke maatregel voor flexibilisering in crisistijd de nek om wil draaien en de jongeren in de kou laat staan. Dan breekt mijn klomp. Er werd al aan de heer Van Hijum gevraagd hoe hij dit gedrag van zijn coalitiegenoot beziet, maar hoe taxeert de staatssecretaris dit? Is men constructief bezig?

In de evaluatiebrief staat dat er een witte vlek is ten aanzien van de werkgeversparticipatie, maar verder loopt het prima. Dat snap ik niet. Volgens mij is die werkgeversparticipatie misschien wel de allerbelangrijkste voorwaarde om tot werk te komen. Het woord zegt het al: werkgevers geven werk. Die werkgevers moeten de convenantspartner zijn om dit vraagstuk op te lossen. Hoe passen de sectorafspraken die door de VNG zijn opgestuurd en wat gaan die opleveren? Het is uiteraard van belang hoe de sectorafspraken passen op de gemeentelijke kaart van Nederland, maar daarvoor zijn de details op dit moment niet zo heel relevant. Ik ben benieuwd hoe dit uiteindelijk opgelost gaat worden, zeker met in het achterhoofd de hoeveelheid geld die wij hieraan hebben uitgegeven. Als die witte vlekken er nog steeds zijn, welke prikkelfuncties heeft de staatssecretaris dan voor ogen om de werkgevers bij dit belangrijke project te betrekken?

Het School Ex Programma behelst het streven van het kabinet om 10 000 mbo’ers met een slecht arbeidsmarktperspectief langer door te laten leren. Dat is goed en daar hebben wij 16 mln. voor beschikbaar gesteld. Ik kan niet helemaal goed zien of dit nou extra opleidingsprogramma’s tot gevolg heeft gehad. Leren die mbo-leerlingen die op die opleidingsinstituten blijven in dat jaar daadwerkelijk iets extra’s dat hun perspectief op de arbeidsmarkt verbetert? Is hier sprake van een succes? Ik heb zo hier en daar gehoord dat niet al het geld een-op-een in die programma’s terechtkomt. Dat is een punt van zorg, maar ik laat dat graag door de staatssecretaris wegnemen.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Allereerst de complimenten aan het kabinet voor het werk dat is geleverd. Er is niet niks gedaan. Het begon met het snappen van de urgentie, toen werd er veel geld voor uitgetrokken en nu wordt er door het hele land gelopen en gereden om te praten met gemeenten, sectoren en het onderwijs om te bekijken wat tot nu toe tot stand is gebracht en om ze scherp te houden. Er gebeurt enorm veel. Als wij naar de cijfers in Europees verband kijken, doen wij het helemaal niet beroerd, maar zelfs buitengewoon goed. Dat is geen reden om achterover te zitten en te denken dat het prima gaat en dat er geen reden is voor kritiek of verbetering. Er is nog heel veel te verbeteren en dat moeten wij ook zeker doen.

Een aantal dingen vind ik hoofdzaak. Allereerst de afspraken met de regio’s in verhouding tot de sectoren. Aan de ene kant zitten de afspraken, die nu worden gemaakt en die de VNG meldt, op het goede spoor. Aan de andere kant vind ik dat de ban nog niet doorbroken is. De gemeenten en de sectoren kijken elkaar wel erg lang aan zonder iets te doen. De sectoren proberen nog iets te gemakkelijk onder de afspraken uit te komen die eerder zijn gemaakt onder het sociaal akkoord. Die afspraken zijn toen gemaakt zonder voorwaarden en die komen er nu geleidelijk bij. Het is van belang dat de gemeenten die sectoren weten te vinden. Ik heb gesproken over meer initiatieven voor het bestrijden jeugdwerkloosheid in meer regio’s. Ik hoor heel wisselende verhalen over de ervaringen van de gemeenten en de sectoren. In Drenthe is er bijvoorbeeld enthousiasme over sommige projecten die lopen, maar ik hoor weer negatieve berichten als het gaat over het structureel bieden van kansen aan jongeren die kiezen voor het mbo en een werkervaringsplek nodig hebben. Ik zie dat er wel gebouwd wordt in Drenthe, dus daar is wel werk in de bouw. Hoe brengen wij dat op een betere manier bij elkaar? Hoe houden wij de fantasie bij de verhalen weg? Soms wordt ons iets heel wervend verteld, maar dan blijkt het vooral om een project te gaan en is het niet opgenomen in de structuur van het werken.

De heer Van Hijum (CDA): U wijst terecht op de verantwoordelijkheid die werkgevers en vakbonden hebben om te leveren. Wij hebben er echter zelf voor gekozen om 250 mln. beschikbaar te stellen. U hebt daar in het debat in augustus keihard van gezegd dat u wilt afrekenen op resultaat en als er geen resultaat is, gaat er geen extra geld naar die gemeenten. Staat u nog steeds op dat standpunt?

De heer Spekman (PvdA): Mijn standpunt is precies hetzelfde. Wij hebben die afspraak gemaakt omdat ik dat belangrijk vind.

Voorzitter. Ik heb ook een vraag aan de staatssecretaris. Hoe zit het met de resultaten en de afrekening voor de komende jaren? Als er niet geleverd wordt en het blijft alleen bij fantasie en kleine projecten, is dat niet voldoende.

De eerste echte resultaten kunnen wij pas bespreken als de Monitor Arbeidsmarkt naar de Kamer komt. Dat houdt verband met de afspraken die wij hebben gemaakt over de precieze afrekening en financiering. Wij hebben daar meer duidelijkheid voor nodig en moeten precies weten hoe die resterende 63 mln. verdeeld wordt. Die zou verdeeld worden op basis van een aantal prestaties, maar de staatssecretaris schrijft dat er nog overleg moet plaatsvinden met collega-bewindslieden over het meewegen van de prestaties en de verdeling. Er zitten heel veel collega-bewindslieden aan tafel, dus ik neem aan dat vandaag duidelijkheid wordt gegeven over de manier waarop naar de prestaties kan worden gekeken.

In de brief staat dat het School Ex Programma een succes is en ik denk dat dit ook zo is. Veel jongeren studeren, even los van het feit of ze ook een leraar Nederlands hebben, maar dat debat is gisteren aan de orde geweest. Het is toch wel heel raar als zij geen Nederlands krijgen. Dat soort roc’s moet zich schamen, maar dat vindt de staatssecretaris van Onderwijs waarschijnlijk ook. Ik heb begrepen dat de definitieve gegevens er nog niet zijn, maar er is wel wat meer bekend. Hoeveel jongeren zijn nu langer op school gebleven? Nog belangrijker: hoeveel van de jongeren die niet langer op school zijn gebleven, zijn actief door het UWV benaderd opdat ze niet tussen wal en schip vallen? Dit is een groep kwetsbare jongeren waarover ik mij zorgen maak en die ertussen dreigt te vallen. Ik heb jongeren gesproken die niet meer op het mbo zitten, niet werken en leven van wat hun familieleden hun toeschuiven. Ze melden zich niet bij de gemeente of hebben zich daar wel gemeld, maar worden terugverwezen naar hun appartement en het uitzendbureau. Er gebeurt weinig en het is mij een lief ding waard als er een concrete aanpak voor lang thuiszittende jongeren komt zodat zij echt worden aangeleverd bij de gemeenten. Ook moeten wij veel actiever ervoor zorgen dat de gemeenten op zoek gaan naar die niet-melders, dus degenen die zijn uitgevallen op het roc en worden geweigerd bij de gemeenten. Wij hebben daar onvoldoende zicht op. Het komt voor en die jongens gaan een voor een de vernieling in, want die draaien zich in grote schulden. Dat begint met het lenen van familie, met als gevolg familieruzies, en het eindigt in de goot.

Het programma School2Care houdt zich bezig met jongeren die door structureel schoolverzuim dreigen te ontsporen. Ze worden met een dagvullend programma en ritme weer op het goede pad richting school en werk gezet. Dat is een voorziening waar grote behoefte aan is, onder andere in Amsterdam, en waarvoor een goed uitgewerkt plan klaarligt. Het is ons een lief ding waard als wij daarmee aan de slag kunnen. Het is een waardevol programma en er zijn meer van dit soort initiatieven in het land. Ik hoor hier graag een reactie op van de minister. Dat geldt ook voor het initiatief van de stichting Cocon die zelfstandig ondernemerschap stimuleert voor doelgroepen. Die heeft heel goed werk geleverd in diverse steden, maar ondanks de massieve budgetten die naar de gemeenten gaan, beknibbelen de gemeenten op de meest kwetsbare jongeren en hebben ze voor hen steeds minder geld over. Daar maak ik mij zorgen over, want deze jongeren komen dan tussen wal en schip. De stichting Cocon heeft een succesvolle methode voor een succesvolle uitstroom en ik wil graag dat de staatssecretaris of de minister bekijkt of dit op een andere manier te financieren is als de gemeenten dat niet doen.

Staatssecretaris Klijnsma: Voorzitter. Eén ding is zeker: iedereen die hier sprak, heeft nog eens onderstreept dat jeugdwerkloosheid in Nederland bestreden moet worden en dat wij ervoor moeten zorgen dat onze jongeren niet tussen wal en schip vallen. Daar ben ik blij mee, want dat is wederom steun voor het feit dat dit kabinet zich daarvoor extra inzet. Wij zitten hier vanochtend niet voor niets met drie leden van kabinet, want in het kabinet is het iets wat zeer de aandacht heeft. Collega Van der Laan is hierbij betrokken op het gebied van de allochtone jongeren.

Ik wil in eerste instantie op de opmerking van mevrouw Koşer-Kaya reageren: ik zit hier vijf jaar, maar de heer Van der Vlies heeft pas echt een lange staat van dienst. Was de heer Van der Vlies er al begin jaren tachtig?

De heer Van der Vlies (SGP): Jazeker. Over jeugdwerkloosheid gesproken: ik heb daarover de heren Van Agt en Den Uyl samen met staatssecretaris mevrouw d’Ancona door de gangen zien rollen.

Staatssecretaris Klijnsma: Dat is een mooi beeld.

Voorzitter. Jeugdwerkloosheid is iets, zoals mevrouw Koşer-Kaya terecht opmerkt, wat van tijd tot tijd een zeer groot punt van aandacht is dat op de agenda terechtkomt. Ieder tijdsgewricht heeft ook weer zijn eigen plan van aanpak. Ik vind het mooi dat de heer Van der Vlies dat kan staven, want in het begin van de jaren tachtig was de jeugdwerkloosheid gigantisch. Er spreken zelfs mensen over verloren generaties. Desbetreffende kabinetten hebben er alles aan gedaan om dat te kenteren, maar wij moeten constateren dat die lichting nog steeds met de gebakken peren zit. Dat is een extra motivatie om nu nog veel enthousiaster de koe bij de horens te pakken. Ik spreek dan natuurlijk ook over het begin van deze eeuw, toen wederom de jeugdwerkloosheid op de agenda stond. Ook toen is er een actieplan geweest. Ik vrees dat iedere keer als er een economische crisis is, men bij uitstek moet kijken naar jongeren omdat jongeren het eerst buiten de boot worden gezet. Ik mag hopen dat iedere keer als een recessie aan de orde is, men dit weer op de Kameragenda terugvindt.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Dat is precies mijn punt. Iedere keer als het slecht gaat, als er een crisis is, komt het werkelijke probleem weer boven. Mijn punt is niet dat wij nu alle regels afschaffen en iedereen aan de goden overleveren, maar wanneer durven wij nu in alle openheid die fundamentele discussie aan om de arbeidsmarkt open te trekken vanwege die insiders-outsidersproblematiek? Daarin zijn de jongeren de grootste groep die zwak in de samenleving staat. Wanneer gaan wij dat nu doen? Wanneer gaat de PvdA mogelijk maken dat wij dat debat aangaan?

Staatssecretaris Klijnsma: Ik realiseer mij dat ik aan uitlokking heb gedaan, maar dat heb ik zo niet bedoeld. Tijdens een recessie moet er met veel meer inzet naar werkloosheid in de brede zin van het woord worden gekeken dan buiten de recessie. Als straks de economische crisis voorbij is, zal de krapte op de arbeidsmarkt weer aan de orde zijn. Ik vind, dat kunnen wij Europees staven, dat wij het hier in Nederland goed doen als wij vergelijken. Nederland staat helemaal onderaan als het gaat om de cijfers van de jeugdwerkloosheid en de werkloosheid. Het is terecht dat Nederland er zo veel aandacht aan besteedt. Daarom vind ik het ook plezierig dat wij er weer over spreken.

Voorzitter. Vorig jaar maart heeft het kabinet afgesproken om extra middelen beschikbaar te stellen en is er een akkoord tussen de sociale partners gesloten. In september zijn de regioconvenanten afgesloten en daarna is de implementatie van start gegaan. Het is belangrijk dat wij de resultaten van die implementatie kunnen turven. In de brief staat dat ik op 15 februari 2010 de eerste resultaten vanuit de regio’s verwacht en die in maart aan de Kamer wil presenteren. Dat zijn natuurlijk de allereerste resultaten die ongetwijfeld nog verdere aanscherping behoeven. Ik ga ervan uit dat wij na het eerste tertaal, de eerste vier maanden, van 2010 een goed en helder inzicht hebben in hoe de zaken zich ontwikkelen. Dat heb ik ook afgesproken met alle partners, zowel met de 30 gemeenten als met het UWV en Colo die ons altijd nauwgezet cijfers geven. Vanaf 1 januari is het UWV drukdoende om cijfers bij te houden die goed vergelijkbaar zijn in de regio’s onderling. Dat is natuurlijk een essentieel punt van aandacht. De arbeidsmarkt wordt regionaal ingekleurd: in iedere regio manifesteert de werkloosheid zich anders. Het is dus erg belangrijk dat binnen de regio’s de partners goed met elkaar worden verbonden en dat tussen de regio’s vergelijkbaar cijfermateriaal wordt ontwikkeld. Daar zijn wij druk mee doende. Ik vind, net als de leden, dat wij inzicht moeten bieden in de resultaten van deze inspanningen.

De heer Van Hijum (CDA): U geeft aan dat u deze gegevens in maart kunt presenteren. U zei echter in het debat dat wij hier eerder over hadden, dat het belangrijk is dat er een uniforme set van kengetallen komt op basis waarvan de regio’s rapporteren en die vergelijkbaar zijn. Wat zijn die kengetallen, die indicatoren? Op basis waarvan moeten de regio’s rapporteren?

Staatssecretaris Klijnsma: Wij hebben met de regio’s afgesproken dat zij op basis van een aantal kengetallen rapporteren. Dat zijn kengetallen als: om hoeveel jongeren gaat het, hebben ze een startkwalificatie of niet, welke plekken hebben ze nodig? Het gaat natuurlijk om stageplekken, leerwerkplekken en plekken op de arbeidsmarkt. Het mooie is dat Colo ons inzicht biedt in hoe het gaat met de leerwerkplekken en de stageplekken in de verschillende sectoren. Nogmaals, het is belangrijk dat wij dit onderling goed vergelijkbaar weten te maken zodat dit uiteindelijk een-op-een kan worden gepresenteerd. Dat is nog nooit vertoond. Het is niet alleen voor de jeugdwerkloosheidsbestrijding tijdens de crisis, maar ook om het instrument verder te benutten op de arbeidsmarkt en voor de onderlinge verwevenheid tussen onderwijs, arbeidsmarkt en jeugdzorg als er geen crisis aan de orde is. Het gaat er vooral om dat wij kwetsbare jongeren met dit instrumentarium een steun in de rug geven. Dat moet ook buiten de crisis. Ik constateer op basis van wat ik de laatste maanden in de regio’s heb aangetroffen dat het nog geen schering en inslag is dat die verwevenheid tussen de arbeidsmarkt, het onderwijs en de jeugdzorg goed is verankerd. Daar kan nog een tandje bij. De minister voor Jeugd en Gezin zal daar straks op ingaan. De meerwaarde is dus dat als de crisis voorbij is, die infrastructuur veel steviger staat dan ooit tevoren. De staatssecretaris van Onderwijs en ik hebben ons de afgelopen maanden daarvoor sterk ingezet. Het vergt aan de voorkant nauwgezette eenduidigheid in het uitvragen van de gegevens. Dat is lastig. Dat zal op 15 februari echt nog niet in alle toonaarden keurig zijn, maar wij zitten bovenop het eerste tertaal van 2010, zodat na 30 april die cijfers steeds beter vergelijkbaar zijn. Dat is essentieel.

De heer Meeuwis (VVD): Het gaat niet alleen om de presentatie van de cijfers, maar ook om wat ze ons leren en of ze bijdragen aan de doelstellingen. Kunt u in de rapportage aangeven waar de lat wordt gelegd?

Staatssecretaris Klijnsma: Een precies percentage hebben wij niet afgesproken omdat dit enorm afhankelijk is van hoe de economische crisis zich ontwikkelt. Ik zou het een prachtig vinden als wij de lat zo leggen dat wij in de allerlaagste regionen van Europa blijven zitten. Wij zitten nu op 6,3% jeugdwerkloosheid, maar bijvoorbeeld in Spanje is de jeugdwerkloosheid 39,2%. Iedere jongere is er een te veel, maar 39,2% van de jongeren zonder een plek is een ramp. Dat moeten wij in Nederland niet nastreven, dus ik leg de lat zo dat wij in die allerlaagste regionen blijven. Er is wel een economische crisis en het is dus logisch dat er minder plekken zijn, zowel voor volwassenen als voor jongeren. Ik merk ook dat de werkgevers enorm constructief meedenken over de manier waarop wij de jongeren bij ons kunnen houden.

De heer Meeuwis (VVD): U zegt dus eigenlijk: het maakt niet uit wat er uit de rapportage komt, het is altijd goed, in Spanje is het namelijk nog slechter, dus wij doen het prima. Nederland heeft traditioneel al een lagere werkloosheid. Wij vinden jeugdwerkloosheid een serieus probleem en wij zetten er serieus geld tegenover, dus wij moeten ook serieuze targets stellen wanneer wij vinden dat die 153 mln. in het kader van het actieplan nuttig besteed is.

Staatssecretaris Klijnsma: Mijn antwoord was: de target kan nooit een bepaald percentage zijn, maar wel een aantal plekken. De afgelopen maanden zijn wij enorm in de weer geweest met de arrangementen. De sociale partners en de VNG hebben in de metaal en in de bouw – heel belangrijke sectoren tijdens de werkloosheid – in de luchtvaart en bij de uitzendbranche sectorarrangementen gesloten waarbij werkgevers zich verplichten om een groot aantal plekken overeind te houden. Dat vind ik dapper. In de metaal gaat het om 6000 plekken. Dat is een resultaat om op te bogen. Werkgevers geven daarmee aan dat ze gaande de crisis toch stageplekken en leerwerkplekken voor jongeren overeind willen houden opdat ze na de crisis die jongeren onmiddellijk kunnen benutten en niet weer hoeven op te leiden. De meerwaarde van dit actieplan is dus dat wij daar de klemtoon op leggen. De heer Van Hijum zei terecht dat het heel wezenlijk is dat de sociale partners dat onderling goed afstemmen. Ik merk dat dit meer en meer gebeurt. De werkgevers moeten zich echt inspannen voor de vertaling van wat men in de arrangementen afspreekt met de regio’s. Dat is de vertaalslag tussen de 30 gemeenten en de werkgeversorganisaties.

De heer Van Hijum (CDA): Daar zit mijn grootste punt van zorg. Ik doe niets af aan het belang van die sectorconvenanten, maar het feit dat daar duizenden plekken zijn toegezegd, betekent nog niet dat ze er ook echt zijn. Wat zit daaronder? Moeten eerst de afspraken met de gemeenten gemaakt worden? Worden daar middelen van onderzoek en ontwikkeling (O&O) voor ingezet? Hoe vindt die vertaling plaats? Mijn indruk is dat dit een heel moeizaam proces is.

Staatssecretaris Klijnsma: Het is natuurlijk een proces dat spiksplinternieuw is. U zegt terecht dat de werkgevers en de 30 regio’s dit nog nooit eerder op deze manier hebben vertoond. Het mooie is dat de gemeenten en het UWV op het Werkplein tegen de branche kunnen zeggen: luister, wij hebben met jullie koepel afspraken gemaakt, dus wij houden jullie eraan dat die plekken er ook zijn. Ik merk dat werkgevers in de regio daar meer en meer op aanspreekbaar zijn. De koepel maakt de afspraken, net als bij een cao, en die vertaling naar de desbetreffende werkgevers krijgt steeds meer gestalte. Het mooie voor de werkgevers is dat die jongeren met een behoorlijke rugzak aan boord komen. Die jongeren krijgen uit de middelen die wij hier beschikbaar hebben gesteld, maar ook uit de middelen van de WIJ en het Europees Sociaal Fonds (ESF), geld mee voor hun stageplek, hun leerwerkplek.

Voorzitter. De heer Van Hijum zei dat het mooi zou zijn, als je toch het instrument deeltijd-WW hebt, als er op de werkplekken leermeesters, werkmeesters, zijn die de jongeren kunnen begeleiden. Dat is gisteren in het AO over de arbeidsmarkt aan de orde geweest. Dat was een uitstekend idee en dat is geïmplementeerd. Voor het eerst kan men als men in de deeltijd-WW zit jongeren begeleiden met de uren die men overheeft.

Wij zijn goed op stoom. Ik race door het hele land om te bekijken wat er gebeurt. Het overallplaatje krijgen wij op 15 februari voor een deel aangeleverd. Die gegevens zijn nog niet goed onderling vergelijkbaar, maar wij hebben dan wel inzicht in wat er gebeurt in de regio’s. De cijfers wil ik in maart aan de Kamer presenteren en eind april kunnen wij onderling vergelijken wat dit heeft opgeleverd. Wij kunnen dan inzicht bieden in wat de extra middelen die wij in de jeugdwerkloosheid hebben gestopt, hebben opgeleverd. Daarnaast vind ik het plezierig dat O&O-fondsen ook enorme inzet plegen, echt voor miljoenen, om die jongeren te ruggensteunen. Zowel gemeenten als O&O-fondsen hebben ESF-middelen aangevraagd zodat ook dat geld nu eindelijk benut kan worden. 26 van de 30 regio’s hebben ESF aangevraagd en dat geldt ook voor O&O-fondsen. Wij hebben daar 75 mln. voor beschikbaar en die zijn ten volle aangevraagd. Dat is ook goed, want de Kamer weet hoe lastig het nu en dan kan zijn rondom ESF.

Er is de afgelopen tijd op ingezet dat die 30 regio’s onderling de zaken goed uitwisselen. Best practices worden gedeeld door de coördinatoren op de 30 Werkpleinen. Daar leren mensen ontzettend veel van. Dus ook dat krijgt steeds meer vorm en inhoud. Het mooie van Nederland is dat iedere regio verschillend is. Bij Velsen hebben wij de Hoogovens en dan is de jeugdwerkloosheid daaraan gerelateerd. Drenthe heeft weer minder metaal en meer agrarische sector en de bouw. Dan moet men daar weer op inzetten. Dat is de kracht als men regionaal naar de arbeidsmarktontwikkelingen kijkt.

Voor het hele kabinet geldt dat het de extra inzet op allochtone jongeren en dat het jongeren die extra zorg behoeven misschien wel het meest essentieel vindt. Ik heb in het land heel mooie voorbeelden gezien van hoe men jongeren die kwetsbaar zijn een perspectief geeft en een leerwerkplek, een stageplek of een plek bij een werkgever kan bieden. Die jongeren hebben gigantisch veel ondersteuning nodig. Daar wordt nu bij uitstek naar gekeken en daar gaan wij mee door. Op basis van het ondersteuningsteam waarin alle vertegenwoordigers zitten die bij dit plan betrokken zijn, heb ik besloten dat ik een loket bij SZW wil maken waar jongeren zich kunnen melden die om wat voor reden dan ook hun ei niet kwijt kunnen op het Werkplein of op school. Dat geldt ook voor ouders, want het is van wezenlijk belang dat wij niet alleen communiceren met jongeren, maar ook met hun ouders. De heer Spekman zei dat het belangrijk is dat wij de jongeren die zich niet melden toch in het vizier krijgen en bij hun nekvel grijpen. Dat kan nog veel beter gedaan worden door de ouders, want als jongeren thuisblijven, hebben ouders dat in de smiezen. In de communicatie willen wij daarop veel meer de nadruk leggen.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): U zei dat de allochtone jongeren veel problemen hadden en dat daar vooral op ingezoomd moet worden. Om welke problemen gaat het? Ik weet dat zelfs hoogopgeleide allochtonen een drie keer zo grote achterstand hebben op de arbeidsmarkt als autochtone jongeren. Hoe zien die problemen eruit en wat is daarvoor nodig?

Staatssecretaris Klijnsma: Ik had het over de kwetsbare jongeren, de jongeren die mijn collega Rouvoet en wij allen onder onze hoede hebben. Die hebben heel veel extra zorg nodig. Wij zien nog steeds dat jongeren met een niet-Nederlandse achtergrond vaker werkloos blijven dan ons lief is en vaker dan autochtone jongeren. Samen met minister Van der Laan kijken wij naar ondernemers met een niet-Nederlandse achtergrond, zodat daar meer op kan worden ingezet, en wij zullen in ons ondersteuningsteam ook de vertegenwoordigers van die doelgroepen welkom heten. Volgende week is dat voor de eerste keer. Ook op dat vlak willen wij onze inzet vergroten.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Ik begrijp dat allochtonen elkaar dan maar moeten helpen, want de allochtone ondernemers worden kennelijk gevraagd om de zwakkere jongeren een stageplek te geven. Wat zegt dat over de segregatie?

Staatssecretaris Klijnsma: Ik hoop dat mevrouw Koşer-Kaya mij niet op die manier inkleurt. Natuurlijk is het niet zo dat autochtone ondernemers geen allochtone jongeren aan boord zouden moeten hijsen of andersom. Ik wil alleen beklemtonen dat ook ondernemers met een niet-Nederlandse achtergrond worden aangesproken om te helpen bij het oplossen van dit probleem. Natuurlijk moet het dan ook zo zijn dat zij autochtone jongeren een plek kunnen geven. Wij constateren echter dat ondernemers met een niet-Nederlandse achtergrond iets minder vaak een leerwerksetting maken, dus daar leggen wij de klemtoon op.

De heer Spekman (PvdA): U wilt zich er niet bij neerleggen dat jongeren lang thuiszitten en neemt daarvoor extra initiatief. Daar ben ik ontzettend blij mee. Ik probeer iets meer duidelijkheid te krijgen hoe dat initiatief er dan uitziet. Wat moet ik mij voorstellen bij een loket waar de ouders zich kunnen melden? Ik gaf het voorbeeld van een jongen die ik tegenkwam in Kanaaleiland die zich had gemeld bij de gemeente maar is teruggestuurd, niet meer op school zit en geld leent van zijn zus om zijn huis te betalen. Hoe gaat dat in de praktijk?

Staatssecretaris Klijnsma: Die voorbeelden werden ook door de heer Lempens genoemd en die kennen wij allemaal. Ten eerste is het erg belangrijk dat zowel de ouders als de kinderen weten dat zij naar het Werkplein kunnen. Dat is soms nog onvoldoende helder. Ten tweede wil ik dat er een extra loket is bij SZW als er om wat voor reden dan ook geen soelaas wordt geboden op het Werkplein. Ik wil zelf helder inzicht krijgen in wat er verder nog gebeurt in Nederland. Voor de ouders wil ik een aparte communicatiecampagne omdat ik merk dat ouders soms echt met de handen in het haar zitten en niet zo goed weten hoe zij hun kind kunnen helpen om de arbeidsmarkt te betreden.

De heer Spekman (PvdA): Dan melden zij zich bij het loket. Dat vind ik goed, want dan hebben we ze in beeld, maar dan? Gaat u dan uw lieftalligheid, die ook uw kracht is, van u afwerpen en zeggen tegen de gemeenten: u moet het nu doen?

Staatssecretaris Klijnsma: Mijn kracht is niet mijn lieftalligheid. Mijn kracht is dat ik en mijn mensen bij het loket de regio bellen, de wethouder of de mensen op het Werkplein, en zeggen: Patricia heeft een probleem en die zit in jouw regio, wat ga je voor haar betekenen? Zo concreet moet het zijn. Daarom wil ik die achtervang hebben, want het is iets te makkelijk om het alleen maar in de regio neer te leggen als mensen het niet weten te vinden.

De heer Lempens (SP): Nog even over de allochtone jongeren. U gaat pas in de zomer met migrantenondernemers om tafel en bekijken hoe het met de website gaat. Ik vind dat te lang duren. Ik wil daar graag wat meer pit in zien.

Staatssecretaris Klijnsma: In de brief staat nog «in de zomer», maar wij hebben de afgelopen maanden al heel intensief overleg gehad. Collega Rouvoet gaat daar verder op in.

Voorzitter. Ik ga nu in op de bijdragen van de woordvoerders. De heer Van Hijum legde de nadruk op de uitvoeringsstructuur. In mijn algemene verhaal heb ik daar al wat over gezegd. Dé essentie is dat de convenantsgemeenten de klik weten te vinden met de sectoren. De heer Van Hijum heeft daar groot gelijk in. Hij vraagt waarom wij dat resultaat nu nog niet kunnen zien. In maart wil ik de eerste resultaten presenteren en in mei de onderling afgestemde resultaten. Ik kom nu op hoe wij de regio’s afrekenen. Wij hebben afgesproken dat de regio’s worden afgerekend op basis van de eerste twee tertalen, het laatste tertaal van 2009 en het eerste tertaal van 2010. De middelen voor de regio’s gaan half juli richting die regio’s en wij hebben afgesproken dat men een basisbedrag krijgt en dat men daar bovenop extra geld krijgt als men goede resultaten heeft geleverd. Voor de zomer, in juli, krijgen de regio’s dan het restant van 2010. Het geld voor 2009 hebben zij in september of oktober 2009 gehad.

De heer Meeuwis (VVD): Als uit de rapportages in mei blijkt dat er regio’s zijn waar het niet werkt, er geen plekken zijn en geen enkele bijdrage aan het voorkomen van de jeugdwerkloosheid zichtbaar is, gaat dan toch dat basisbedrag van 30 mln. naar die regio’s?

Staatssecretaris Klijnsma: Wij hebben afgesproken dat de 30 regio’s sowieso een basisbedrag krijgen op basis waarvan ze de jeugdwerkloosheid kunnen bestrijden en dat het andere deel van de middelen voor 2010 wordt gebaseerd op de resultaten die men in de twee tertalen heeft geboekt. Dat betekent dat men die resultaten half juni dient aan te leveren en in juli de middelen krijgt op basis van de resultaten. Ik ben van huis uit een wat zonniger typje dan u en ik zie dat in heel Nederland berehard gewerkt wordt. Ik ga ervan uit dat wij dat inzichtelijk kunnen maken. Er zijn altijd regio’s die er met kop en schouder bovenuit steken en die mogen dan ook wel een extra pluim krijgen.

De heer Meeuwis (VVD): Zonnig in het leven staan en positief naar dingen kijken is een goede kwaliteit, maar wij moeten de realiteit niet uit het oog verliezen. Wij zijn hier een belangrijk probleem aan het oplossen, daar hebben wij veel geld voor beschikbaar gesteld en dat geld wordt toegekend nadat de resultaten bekend zijn. Dan is het toch niet zo raar dat als die resultaten er niet zijn, er geen geld beschikbaar komt? Dat heeft niets met zonnig te maken, dat is een reële aanpak. Als je een probleem voor mij oplost, krijg je centen en doe je dat niet, dan heb je dat geld ook niet nodig.

Staatssecretaris Klijnsma: Wij hebben de afspraak gemaakt dat 30 mln. voor het jaar 2010, dat is de helft van de middelen van 2009, volgens dezelfde verdeelsystematiek naar de regio’s gaat als in 2009 en dat de overige 40 mln. op basis van de behaalde resultaten van het laatste tertaal van 2009 en het eerste tertaal van 2010 verdeeld worden. Dat woord doe ik gestand en die 40 mln. krijgen ze in juli.

De heer Meeuwis (VVD): Dat betekent dus dat wij ons erbij neerleggen als regio’s geen enkele doelstelling realiseren die wij voor ogen hebben om de jeugdwerkloosheid te bestrijden. Ik draai het nu om: die krijgen dan het extra geld niet en dus is dat blijkbaar niet belangrijk. Wij kunnen ook zeggen dat wij willen dat er gewoon eens wat gebeurt.

Staatssecretaris Klijnsma: Wij moeten ervoor zorgen dat er in de regio’s, bij de Werkpleinen, continuïteit kan zijn. De infrastructuur die nu gebouwd wordt en de samenwerkingsconstructies die gestalte krijgen, dus de plekken die voor jongeren gerealiseerd worden – want daar gaat het om– moeten natuurlijk wel continuïteit kennen. Dan is het belangrijk dat wij twee dingen doen. Ten eerste moeten wij een basis leggen voor alle 30 regio’s in Nederland zodat men die continuïteit kan realiseren. Ten tweede moeten wij de prikkel erin houden door een extra impuls te geven als men zijn stinkende best doet, veel plekken realiseert en het cijfers voor de jeugdwerkloosheid in de regio relatief laag houdt. Ik vind dat een heel mooie mix en zo moet het ook.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Ter verduidelijking: die 40 mln. wordt alleen betaald als er resultaat is geboekt. Begrijp ik dat goed?

Staatssecretaris Klijnsma: De 40 mln. wordt verdeeld over de 30 regio’s op basis van de resultaten.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Ik begrijp het niet.

Staatssecretaris Klijnsma: Het is heel simpel. Er is 40 mln. en er zijn 30 regio’s. Je kijkt hoe die 30 regio’s hebben gepresteerd en zo verdeel je die 40 mln.

De heer Van der Vlies (SGP): Om die continuïteit te realiseren, moeten de regio’s bezig kunnen zijn. Vandaar dat basisbedrag en dan de incentive daarop naar prestatie. Zo begrijp ik het.

Staatssecretaris Klijnsma: Zo is het.

De heer Van der Vlies (SGP): De opmerking van de heer Meeuwis komt erop neer dat je het basisbedrag kwijt bent als het nutteloos blijkt en dat je dan niet eens meer hoeft na te denken over een prikkel. Ik heb begrepen dat daar het spanningsveld ligt.

Staatssecretaris Klijnsma: Dat is enorme als-danvraag. Wij moeten realistisch zijn. Wij zien dat in heel Nederland op die 30 Werkpleinen plus enorm veel werk verzet wordt en dat enorm veel jonge mensen een plek krijgen. Daarom hebben wij een relatief laag werkloosheidpercentage. Wij weten dat al die wethouders zich zeer verantwoordelijk voelen voor wat er dient te gebeuren en dat de interactie met de sociale partners steeds meer gestalte krijgt. Als je dat weet, zorg je ervoor dat dit kan continueren. Het zou heel raar zijn als wij met terugwerkende kracht per 1 januari 2010 zeggen dat men geen geld meer krijgt tot wij inzicht krijgen in het tweede tertaal en dat wij daarna bekijken of wij in juli de draad oppakken. Dat is niet mijn manier van werken. Ik ben wel erg voor de prikkel: degenen die het goed doen, geven wij een extra incentive. Dat is een goed idee en ik heb de heer Van der Vlies de vorige keer goed verstaan, want hij heeft dit aan mij meegegeven.

Voorzitter. De heer Van Hijum maakte een opmerking over de no-riskpolis. Wij hebben op 14 februari 2008 een onderzoeksrapport naar de Kamer gestuurd met een evaluatie van de pilot No-riskpolis voor ongekwalificeerde jongeren. Daaruit bleek dat er nauwelijks gebruikgemaakt is van de no-riskpolis omdat de werkgevers vonden dat de baten van het instrument niet opwogen tegen de kosten. Sinds 1 oktober 2009 is er de WIJ en op basis daarvan kunnen wij via jongeren een heleboel meegeven naar werkgevers. Dat werkt steeds beter. Ik ben er niet voor om de no-riskpolis weer van stal te halen.

De heer Lempens vroeg hoe het gaat met de WIJ. Hij gaf twee voorbeelden waar hij niet vrolijk van werd. De WIJ is op 1 oktober 2009 geïmplementeerd en ik merk dat hij steeds meer impact krijgt onder jonge mensen. Steeds meer jonge mensen weten dat die wet voor hen bestaat. Als zij zich melden, krijgen zij een aanbod. Het kan zo zijn, zoals wellicht in het voorbeeld van Dongeradeel, dat een jongere een aanbod krijgt voor een sollicitatietraining of een vervolgcursus van hetgeen hij al heeft gedaan of een extra stageplek of leerwerkplek. Het kan van alles zijn. Het is de moeite waard om eens bij een grote gemeente te gaan kijken, want daar komen grote groepen jongeren bijeen die onmiddellijk worden «doorgemakeld» naar een plek die bij hen past. Dat is echt maatwerk. Het is belangrijk dat de WIJ zich verder kan zetten en dat er voor iedere jongere een perspectief is.

De heer Van der Vlies is ingegaan op de communicatiecampagne. De persoonlijke begeleiding is inderdaad essentieel. Men kan niet alleen maar een paar posters ophangen en dat is het dan. Het gaat er juist om dat aan de persoonlijke begeleiding goed vorm en inhoud wordt gegeven. Dat gebeurt ook vanuit de Werkpleinen, want men krijgt een eigen aanspreekpunt en daardoor wordt de weg naar de werkgever aangeleverd. De heer Van der Vlies zei ook dat de FNV wat opmerkingen aan ons heeft doen toekomen. Natuurlijk zouden wij de regelgeving aanpassen als de sectorarrangementen niet goed aansluiten bij hetgeen in de regio dient te gebeuren. Ik heb die vertaling echter niet zo opgepakt. In de FNV-brief wordt die suggestie ook niet concreet gedaan; het is meer algemeen.

Op de opmerkingen van mevrouw Koşer-Kaya ben ik ingegaan. Net als zij weet ik dat een flexplek zijn voors en tegens heeft, maar tijdens de crisis is iedere plek een plek. Dat kan ook een flexplek zijn. Er moet wel altijd een perspectief blijven op een vaste plek. Als de crisis over is, moet de regelgeving rond de flexplekken ook weer worden beetgepakt.

De heer Meeuwis benadrukte dat in mijn brief staat dat er twee witte vlekken waren, en voor een deel nog zijn, als het gaat om de interactie op de Werkpleinen, met de jeugdzorg en de werkgevers. Ik ben daar al op ingegaan. De werkgevers weten de 30 Werkpleinen plus steeds beter te vinden. Daar zitten natuurlijk sinds kort ook de werkgeversloketten. Wij merken dat de samenwerking steeds meer gestalte krijgt. De werkgeversparticipatie groeit en daar blijven wij op inzetten, zeker door middel van die sectorarrangementen. Die zijn daar een mooi middel voor omdat wij daarmee de werkgevers in de regio’s verder kunnen stimuleren.

De heer Spekman begon zijn betoog met dat wij in Europees verband gelukkig heel lage cijfers hebben. Nogmaals, alle jongeren moeten een plek hebben, daar is het sociaal akkoord tussen werkgevers en werknemers op geënt. Hij zei dat de afspraken tussen de VNG en de sectoren veel tijd nodig hebben. Het is ook echt iets nieuws. Gisteren merkte ik in de metaalsector in Zwijndrecht hoezeer zaken verankerd worden juist omdat de aanloop lang duurt. Het is geen praatje voor de vaak, het is niet even een papiertje. Al die mensen die bij de metaal hun partij moeten meeblazen, hun verantwoordelijkheid moeten nemen, zijn zich daarvan door dat langere proces erg bewust. Dat geldt ook voor de VNG die de 30 regio’s daar zeer op aanspreekt. Die 30 wethouders begrijpen meer en meer dat zij ook spreken voor de buurgemeenten. Het dient zo te zijn, en dat groeit, dat die 30 Werkpleinen plus zich zeer stevig zetten op de arbeidsmarkt. Dat is een proces dat wij ook nodig hebben na de crisis. Ik ben daar dus blij mee. In maart komen wij met de arbeidsmarktmonitor en kunnen wij meer inzicht geven in de resultaten. Ik heb ook verteld hoe wij de middelen verdelen die voor 2010 beschikbaar zijn en hoe de gemeenten op zoek gaan naar de niet-melders. Die moeten wij goed in het vizier hebben.

De heer Van Hijum (CDA): Ik had de reactie over de no-riskpolis wel een beetje verwacht. Het onderzoeksrapport van IVA beleidsonderzoek en advies in 2008 gaat daar inderdaad over, maar ik wil u vragen om het ook eens echt te lezen. Er staat namelijk heel duidelijk in waarom die pilots onvoldoende hebben gewerkt. Een van de redenen is dat wij dit nooit bij gemeenten hadden moeten beleggen. Er wordt een aanbeveling gedaan om die no-riskpolis onderdeel te laten zijn van een cocktail van maatregelen om werkgevers over de streep te trekken om jongeren een kans te geven. Ik heb al eens aan uw voorganger gevraagd om inhoudelijk op die aanbevelingen in te gaan. Die reactie hebben wij tot nu toe niet ontvangen. Misschien is het in dit kader nuttig om dit te heroverwegen.

Staatssecretaris Klijnsma: Sinds mijn voorganger is er de WIJ en op basis daarvan krijgen jonge mensen datgene mee naar de werkgever waar zij recht op hebben en waar die werkgever goed mee uit de voeten kan. Ik ben het met u eens dat werkgevers op een heel plezierige manier die jongeren aangeleverd moeten krijgen. Op basis van wat wij met de WIJ kunnen bewerkstelligen, maken wij het voor de werkgever veel eenvoudiger. De no-riskpolis hebben wij al voor een aantal segmenten, bijvoorbeeld voor mensen met beperkingen. Dat werkt wel voor een deel, maar ik blijf liever de WIJ hanteren als hét instrument richting werkgevers. Anders zien de werkgevers straks door de bomen het bos niet meer. Ik wil met alle plezier van de wereld nog eens kijken naar dat onderzoeksrapport en als dat mij tot nader inzicht verleidt, laat ik u dat weten, maar op dit moment vind ik dat de WIJ leidend moet zijn.

De heer Meeuwis (VVD): Vindt u dat de uitbreiding van de tijdelijke arbeidsovereenkomst voor jongeren een zinvolle bijdrage is aan de crisismaatregelen om jeugdwerkloosheid te beteugelen? Zo ja, vindt u het onverantwoord dat de PvdA in deze tijden van crisis met hoge en oplopende jeugdwerkloosheid, dat wetsvoorstel torpedeert in het zicht van de haven?

Staatssecretaris Klijnsma: Volgens mij is mijn reactie daarop niet mis te verstaan. Ik heb gezegd dat tijdens de crisis flexplekken voor jongeren ook plekken zijn. Dat gebeurt nu ook en dat vind ik prima, maar na de crisis moeten wij dat onmiddellijk weer insnoeren.

Minister Rouvoet: Voorzitter. Ik zal ingaan op de vragen die zijn gesteld over de kwetsbare groepen. Over de allochtone jongeren en jeugdwerkloosheid zal ik namens collega Van der Laan het een en ander zeggen.

Van oudsher hebben wij aandacht voor drie groepen binnen de jeugdwerkloosheidsbestrijding: de baanverliezers, de schoolverlaters en de kwetsbare groepen. Ik hecht eraan om erop te wijzen dat wij in het kader van het crisispakket en het aanvullend beleidskader specifiek ingezoomd hebben op de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Die drie groepen, die wij normaal al onderscheiden, wegen extra zwaar. De risico’s voor jongeren om hun baan te verliezen komen scherp aan het licht. Als ze van school komen kunnen ze geen baan vinden en de kwetsbare groepen worden er helemaal uitgedrukt als andere jongeren een baantje aannemen, terwijl die vroeger misschien nog eventjes verder hadden gekeken. In crisistijd weegt het extra zwaar om goed te letten op die drie groepen.

Die kwetsbare groepen hebben wij omschreven als de jongeren die niet op eigen kracht aan een baan kunnen komen, zeker niet in crisistijd. «Niet op eigen kracht» betekent dat je geen startkwalificatie hebt. De cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wijzen uit dat de grootste klappen vallen bij de jongeren die uit de jeugdzorg komen en bij de jongeren zonder startkwalificatie. Deze laatsten zijn de zogenaamde overbelasten.Wij hebben de vorige keer samen met staatssecretaris Van Bijsterveldt uitvoerig gesproken over de plusvoorzieningen die van start zijn gegaan. Als werkgevers al plekken hebben, kijken zij niet als eerste naar de jongeren uit de jeugdzorg. Die groepen moeten wij extra ondersteuning geven. Daar hebben ze recht op omdat ze anders geen kans maken om aan een baan te komen en omdat ze als eerste de klappen opvangen van de crisis.

Onder deze kwetsbare groepen vallen dus niet de allochtone jongeren als groep. Ik meen dat wij dit de vorige keer ook hebben gezegd. De groep allochtone jongeren is niet een groep die in zijn geheel niet zonder steun aan een baan kan komen. Het is wel waar dat onder allochtone jongeren het aantal jongeren zonder startkwalificatie hoger is dan onder autochtone jongeren. Dat is het aangrijpingspunt, het criterium, waardoor wij bij hen terechtkomen en daarom is de jeugdwerkloosheid onder hen onrustbarend hoger dan onder autochtone jongeren. Het zit hem er dus vooral in dat zij vaker tijdelijke contracten en geen startkwalificatie hebben.

Ik vind het van belang dat wat wij nu doen in het kader van de aanpak van het plan bestrijding jeugdwerkloosheid, niet zonder betekenis is voor de periode hierna. De staatssecretaris zei dat net en ik zeg het in de richting van mevrouw Koşer-Kaya die daar een gepassioneerd betoog over hield. Wij leggen nu verbindingen tussen werkgevers, onderwijs en jeugdzorg waar dit nog te weinig is gebeurd in het verleden. Die verbindingen zijn niet alleen maar betekenisvol in crisistijd om het acute probleem aan te pakken. Ik geef een concreet voorbeeld. Het project met de vier pilots van MKB-Nederland en de MOgroep Jeugdzorg is van start gegaan of zal binnenkort van start gaan. Daarbij geeft men jongeren die uit de jeugdzorg stromen een stageplek of een baantje. Dat is niet alleen in crisistijd van belang, maar ook daarna. Er worden structurele verbindingen gelegd met belangrijke spelers op de arbeidsmarkt en er valt winst te boeken die wij na de crisis kunnen benutten om jongeren die ook dan nog tot de kwetsbare groepen zullen behoren in gelegenheid te stellen om ook aan het werk te komen.

Er is een tweeslag als het gaat om de kwetsbare groepen. Het eerste deel is al deels door de staatssecretaris behandeld. Het tweede deel is dat wij willen dat in de 30 regio’s de kwetsbare jongeren evenredig kunnen meeprofiteren van alle inspanningen die via de Werkpleinen en de regio’s worden geleverd. Daar zien wij op toe. Wij hopen volgende week de definitieve cijfers en gegevens hierover te krijgen van de quickscan. Uiteraard wordt de Kamer nader geïnformeerd over de uitkomsten. Een aantal van de leden heeft gevraagd of al een tipje van de sluier valt op te lichten. De signalen die wij tot nu toe krijgen zijn dat het echt beter moet; ik spits het even toe op mijn eigen domein en de aansluiting met Bureau Jeugdzorg. Ik ga daar echt bovenop zitten als ik volgend week weet waar de pijn precies zit. Het is wel begrijpelijk dat de directe aansluiting tussen de provinciaal georganiseerde jeugdzorg en het gemeentelijke domein moeilijk tot stand is te brengen. Jeugdzorg heeft alles wat gemeentelijk een rol speelt niet standaard in zijn procedures zitten en is daar niet op gericht, want men heeft zijn eigen discipline. Het moet echter wel gebeuren. Wij zijn er vast van overtuigd dat de jeugdzorg aangesloten moet worden nu wij het accent leggen op de regionale aanpak van de jeugdzorgwerkloosheid en het voortouw leggen bij de gemeenten. Anders gaat het niet goed voor die groep jongeren die wij hier in beeld willen hebben. De quickscan van de heren Kamps en Spigt zal ons volgende week precieze informatie geven. Dan zal ook blijken dat dit beeld verschilt per regio en provincie, en dan weten wij preciezer waaraan wij moeten werken, ook wat betreft de aansluiting met jeugdzorg. Overigens is ons beeld dat alle spelers de intentie hebben om erbij betrokken te zijn omdat men het belang daarvan inziet. Kennelijk zijn er hier en daar belemmeringen. Die moeten wij zo snel mogelijk wegnemen, want wij kunnen niet accepteren dat er door een slechte aansluiting voor deze groep onvoldoende van de grond komt.

De kwetsbare jongeren moeten in de regio’s en bij de Werkpleinen dus evenredig meeprofiteren van de middelen die wij beschikbaar hebben gesteld in het kader van het plan van aanpak. Daarnaast hebben wij landelijke initiatieven die via mijn begroting lopen, zoals het genoemde project van MKB-Nederland samen met de MOgroep. Dit loopt via een aantal pilots en hopelijk zal dit straks ook breder uitgezet worden.

De heer Spekman vroeg hoe het zit met School2Care in Amsterdam. Dat is een mooi project waar al eerder over is gecommuniceerd met de Kamer, namelijk bij de behandeling van mijn begroting in november. Toen is door de Kamer gevraagd of dit een project is dat voor financiering in aanmerking kan komen. Die toezegging heb ik de Kamer toen gedaan, maar het is van belang waar dit project het meest bij aanhaakt. Wij zijn in gesprek met de gemeente Amsterdam en met het project School2Care zelf. Ik denk dat wij daar goed uit kunnen komen, maar ik wil wel zeker weten dat dit project echt aanhaakt bij de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Er is nu een focus op de leeftijdsgroep van twaalf tot vijftien jaar en om voor financiering in aanmerking te komen zal die moeten worden uitgebreid naar zestien- en zeventienjarigen. Binnen de leeftijdsgroep twaalf tot vijftien jaar zal de aansluiting bij de bestrijding van de jeugdwerkloosheid moeten gebeuren door meer stageplekken en afspraken. Ik zie bij dit project goede perspectieven om in aanmerking te komen voor de daarvoor bestemde middelen op mijn begroting. Ik zal de Kamer ervan op de hoogte houden hoe en wanneer dat tot een afronding komt.

Ik ga niet in op een groot aantal andere initiatieven en trajecten dat loopt en ook te maken heeft met het verbinden van arbeidsmarkt, zorg en school, maar niet direct met de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, zoals de plusvoorzieningen. Wij hebben het advies van de Sociaal Economische Raad (SER) gehad over de participatie van jongeren. Dat advies wordt betrokken bij de brede kabinetsvisie rondom de toekomst voor de zorg voor jeugdigen waar ik mee bezig ben. Wij hebben de 18 plusaanpak in de jeugdzorg, het rapport van het Verwey-Jonker Instituut en wij kennen de zorg- en adviesteams (ZAT). Ik laat deze even voor wat ze zijn, maar ik noem ze om te laten zien dat wij met een breed scala van maatregelen bezig zijn waarmee wij de verbinding van de domeinen voor ogen hebben.

De heer Van der Vlies had het over het belang van kleinschalige projecten en gaf daar een aantal goede voorbeelden van. De heer Spekman noemde ook het project Cocon. Ook dat is bekend bij de departementen die hier vertegenwoordigd zijn. Dat zijn prima initiatieven en die moeten wat ons betreft een rol spelen in de regionale aanpak en bij de gemeenten. Ze worden door ons op een positieve manier onder de aandacht van de gemeenten gebracht om ermee aan de slag te gaan. De middelen zijn er en op de trajecten waarbij jongeren worden betrokken, zijn dit de mooie initiatieven die kunnen aanhaken bij de regionale plannen. 17 februari krijgen de bewindslieden de toelichting over de quickscan. Dan zullen wij de Kamer informeren over de follow-up die dit gaat krijgen.

Er zijn vragen gesteld over de allochtone jongeren. De heer Lempens vroeg waarom er pas in de zomer bijeengekomen wordt, terwijl in de brief staat « in de zomer opnieuw». Ondertussen wordt er heel hard gewerkt. Er is een integratieraad bijeengeweest op 3 november 2009 in aanwezigheid van de staatssecretaris van Sociale Zaken en minister van der Laan om ervoor te zorgen dat iedereen die een rol kan spelen bij het aan het werk helpen en in beeld krijgen van allochtone jongeren, die toch een forse achterstandspositie hebben op de arbeidsmarkt, in de benen komt en met elkaar aan de slag gaat. Er zijn goede afspraken gemaakt: men gaat heel hard werken en komt in de zomer bij elkaar om te bespreken waar men nu staat. Er wordt dus niet dan pas actie ondernomen. In plaats van dat men voortdurend om de tafel zit, moet men heel hard werken.

De heer Van der Vlies vroeg of er niet meer moet gebeuren dan het vestigen van de aandacht op een website. Uiteraard moet dat. Ik heb een heel lijstje punten waarvan twee of drie voorbeelden terecht zijn gekomen in de brief die wij in december hebben gestuurd, maar er is veel meer in gang gezet in overleg met het Landelijk Overleg Minderheden (LOM). Het is van belang dat die representanten van de doelgroep actief betrokken zijn bij en voortaan deel uitmaken van het sponsorteam dat ons drieën ondersteunt, begeleidt en veel acties onderneemt, volgt en in gang zet. Naast de voorbeelden in de brief zijn andere dingen in gang gezet: het uitdragen van het belang van de specifieke bestrijding van werkloosheid onder allochtone jongeren door alle deelnemers aan die integratieraad, het specifiek monitoren van de werkloosheid onder allochtone jongeren in alle 30 regio’s door het CBS, voortzetting van het servicepunt voor hoger opgeleide allochtonen bij het UWV – mevrouw Koşer-Kaya vroeg daarnaar– en het inzetten van het LOM door het UWV bij de aanpak van de werkloosheid onder allochtone jongeren. Er is kortom een heel scala van mogelijkheden.

De heer Van der Vlies dacht te hebben opgepikt dat allochtone ondernemers worden gestimuleerd om erkend leerbedrijf te worden. Dat klopt, dat stond in diezelfde brief. Dat is inderdaad van belang en dat gebeurt als vervolg op de integratieraad.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik heb mij onzorgvuldig uitgedrukt. Het ging niet om het project als zodanig, maar om de vraag of er ook niet een kwantitatieve doelstelling aan gekoppeld moet worden.

Minister Rouvoet: Ik wil dat nog wel even doorgeven aan collega Van der Laan, die de concrete afspraken met al die instanties heeft gemaakt. Bij mijn weten is nu een scala van acties in gang gezet met als algemene doelstelling het vergroten van het bereik van allochtone jongeren binnen het pakket dat wij hebben. Daarmee vallen zij natuurlijk wel onder de algemene doelstelling, ook de kwantitatieve, van het totale plan van aanpak. Wij beseffen dat de arbeidsmarktpositie van allochtone jongeren als gevolg van de grote hoeveelheid tijdelijke contracten en het vaker ontbreken van een startkwalificatie slechter is dan die van autochtone jongeren. Als men echter kijkt naar de relatieve positie van die twee groepen, dan blijkt dat de allochtone jongeren er de afgelopen periode niet op achteruit zijn gegaan. Uit de laatste cijfers blijkt een lichte verbetering in de relatieve positie van allochtone jongeren ten opzichte van autochtone jongeren. Het zijn kleine gegevens, maar die zijn wel van belang en misschien een begin van een signaal dat dit soort maatregelen werkt en dat wij de jongeren weten te bereiken. Ik vind dat op zichzelf, hoe klein ook, bemoedigend.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Het probleem is dat ze vooral contracten voor bepaalde tijd krijgen of geen startkwalificatie hebben of beide. Kunt u nu eens met een plan komen om te bekijken hoe wij dat fundamentele probleem beter kunnen tackelen naast alle projecten die er zijn?

Minister Rouvoet: Dit raakt aan uw opening waarin u een schets gaf van het aantal plannen dat u hebt meegemaakt en de discussie die wij vervolgens weer krijgen. Ik miste in uw betoog één detail: de omvangrijke financiële en economische crisis waarin we terechtgekomen zijn. Daardoor zijn wij eraan gehouden om een heel stevig pakket neer te zetten. Met deze brede kabinetsinzet brengen wij een focus aan bij de jeugdwerkloosheid binnen de aanpak van de jeugdwerkloosheid in het algemeen. Wij kijken specifiek naar de kwetsbare groepen en de positie van allochtone jongeren. Daar zetten wij heel veel voor in gang. Wij halen in deze crisistijd alles uit de kast om samen met betrokken partijen ervoor te zorgen dat de arbeidsmarktpositie niet verder verslechterd. Wij zijn altijd beschikbaar voor een fundamentele discussie, maar de jongeren van nu, autochtone en allochtone, hebben vooral behoefte aan een kans op een baan en willen langer op school blijven zitten. Daarop zijn onze maatregelen gericht en daar geven wij hoge prioriteit aan.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Ik heb juist aangegeven dat dit zo scherp aan het licht komt bij een crisis, en dit is een heel grote. Op het moment dat het beter gaat, gaat dit ook beter en vervolgens vergeten wij wat het fundamentele probleem werkelijk is. Ik heb het als een open vraag gesteld en ik heb de initiatieven gesteund om extra te investeren in de jeugdwerkloosheid. Het is een en-enverhaal, maar ik wil dat dit kabinet in plaats van dat het voortdurend rollebollend met elkaar over straat gaat, op een onderdeel van de arbeidsmarkt fundamentelere voorstellen doet.

Minister Rouvoet: Dat liep uit op uw verzoek om de discussie over het ontslagrecht te heropenen. Ik heb van mijn collega’s begrepen dat dit in ieder debat aan de orde komt. Het mag van mij allemaal, maar u zult het mij niet kwalijk nemen dat wij ons in tijden van crisis richten op concrete maatregelen om jongeren aan een baan te helpen, in plaats van de discussie over het ontslagrecht te heropenen waar uw fractie voortdurend behoefte aan heeft. Ik bestrijd niet uw recht op die opvatting, maar wij kiezen ervoor om concrete maatregelen in gang te zetten die jongeren helpen.

Voorzitter. Daarmee heb ik ook de vraag van mevrouw Koşer-Kaya beantwoord waarom het kabinet niet doet wat zij noodzakelijk vindt. Ik heb een opsomming gegeven van alles wat in gang is gezet sinds 3 november. Ik verwijs ook naar de brief.

De heer Spekman (PvdA): Ik maak me veel zorgen om de kwetsbare groepen. Een aantal mensen uit de Kamer heeft gesproken met Cocon. Cocon geeft het signaal dat gemeenten nu weer eerder kiezen voor de makkelijkere groepen en de kwetsbare groepen eigenlijk niet willen bedienen omdat ze die te prijzig vinden. Ik begrijp dat het leven kiezen is, ook voor de gemeenten, maar als alle gemeenten nu de kwetsbare jongeren links laten liggen, merken zij dat niet in het financieringssysteem, want dan scoren ze allemaal even beroerd. Geen van de gemeenten wordt daar dan op afgerekend, maar de jongeren staan aan de kant. Kunnen de minister en misschien de staatssecretaris contact opnemen met een aantal van die organisaties dat zich bezighoudt met het begeleiden van de absoluut meest kwetsbare jongeren, om inzicht te krijgen waar het precies vastloopt volgens deze organisaties? Als wij deze jongens, het zijn vooral jongens, in deze tijd aan de kant laten staan, schrijven wij weer zo’n zelfde generatie af als in de jaren tachtig en dat kunnen en mogen wij ons absoluut niet veroorloven.

Minister Rouvoet: Daar ben ik het 100% mee eens en dat is ook onze inzet. Wij hebben met alle regio’s afgesproken dat naast het landelijk initiatief voor kwetsbare jongeren de kwetsbare groepen in alle regionale aanpakken evenredig moeten meeprofiteren van alle inspanningen die worden geleverd. Ze horen een plek te hebben in de plannen en dus ook in de concrete stappen die worden gezet. Projecten als van Cocon en andere instanties horen daar een plek in te krijgen. De quickscan heeft uitgewezen dat dit nog niet overal goed loopt, voor zover wij er nu zicht op hebben in afwachting van de definitieve presentatie komende woensdag. Daar maken wij ons zorgen over en die quickscan zal uitwijzen dat die evenredigheid nog niet in de plannen zit. Dat kan komen doordat men de plannen te duur vindt, door de prijs of doordat men nu eenmaal meer moet uittrekken om kwetsbare groepen te bereiken dan voor anderen, maar daar gaan wij ons niet bij neerleggen. Er zal zeker een vervolg komen op die quickscan. De contacten met organisaties als Cocon zijn er, ook op het departement van SZW, en wij zullen daar zeker gebruik van maken. Die evenredigheid staat wat ons betreft spijkerhard vast en er zal echt geleverd moeten worden.

De heer Spekman (PvdA): Dank voor deze vastberadenheid. Ik ben bang dat deze jongens aan de kant komen te staan en dat dreigt te gebeuren. Ik probeer vanuit mijn verantwoordelijkheid grip te krijgen op de situatie. Het helpt mij zeer als in de rapportage van 15 februari boven tafel wordt gebracht wat de ervaringen zijn van deze organisaties, waarom het vastloopt en hoe zich dat verhoudt tot de cijfers. Een extra vraagt is in hoeverre de uitstroom gericht is op duurzame uitstroom. Ik hoor dat gemeenten snelle cijfers proberen te halen door even iemand op een baantje te zetten, maar helemaal niet meer geld overhebben voor een duurzame uitstroom naar een echte baan. Dan worden die aanpakken kortademig. Dat vind ik een belangrijk onderdeel, want deze jongens verdienen het niet om het afvoerputje te worden, maar horen de kans te krijgen op een baan voor de rest van hun leven.

Minister Rouvoet: Die duurzame uitstroom moet in principe voor alle jongeren gelden. Ik zeg toe dat wij alle informatie, ook van Cocon, zullen betrekken bij de presentatie van de heren Spigt en Kamps. Dan weten wij wat die quickscan heeft opgeleverd en waar het aan ligt dat die evenredigheid nog niet tot stand is gekomen en wat er moet gebeuren. Wij doen onszelf tekort als wij geen gebruikmaken van de expertise en de inzichten van die organisaties.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Mijn verantwoordelijkheid betreft natuurlijk het geheel waar wij met elkaar voor staan en waarvan wij buitengewoon overtuigd zijn dat dit ook het succes gaat opleveren dat wij willen hebben. Specifiek ben ik verantwoordelijk voor de aanpak vanuit het mbo-veld en de kenniscentra. Op de inzet van beide ben ik buitengewoon trots. Wij hebben gisteren een pittig debat gehad – dat is goed, want als het niet goed gaat, moeten wij streng zijn – maar het mbo-veld heeft op dit gebied gewoon een prestatie van formaat geleverd.

De kenniscentra zijn zeer actief aan de slag, samen met de branches, om allerlei stagearrangementen te realiseren. Dat zijn soms gewoon lokale projecten, maar het zijn ook zaken die structureel doorwerken in de bouw- en technieksector en die ons in de toekomst meer plekken voor beroepspraktijkvorming (BPV) en stageplekken kunnen opleveren voor jonge mensen die een stage nodig hebben om überhaupt een diploma te kunnen halen. Wij hadden geprognosticeerd dat in juni 2009 zo’n 54 000 jongeren een leerbaan zouden kwijtraken, gelet op de economische ontwikkeling en de bereidheid van bedrijven om jongeren op te nemen, en dat is geëlimineerd. Die 54 000 hebben wij weten te behouden. Sterker nog: het aantal leerwerkbedrijven is gestegen. Dat is een heel goede zaak en betekent dat wij inmiddels meer dan 200 000 erkende leerwerkbedrijven hebben. Dat is geweldig, want dat betekent dat men de schouders eronder blijft zetten. Overigens is dat ook vanuit welbegrepen eigenbelang, want in de toekomst wordt de arbeidsmarkt krap en heeft men die stagiaires die opgeleid zijn voor de sector keihard nodig. Colo is buitengewoon offensief in het neerzetten van een website met daarop de knelpunten rondom stageplaatsen: het meldpunt stagetekort. Scholen kunnen direct melden en Colo kan kijken hoe het komt dat er tussen vraag en aanbod geen goede klik zit. Wij weten bijvoorbeeld dat er in de techniek nog openstaande BPV-plekken zijn. De staatssecretaris zei net dat zij wil weten hoe het zit met de jongeren die nergens terechtkunnen en ze bij SZW wil hebben. Dat is een prima inzet. Zo wil Colo weten waar niet goed gaat, want dan kan men er direct bovenop zitten. Het is een wat activistische benadering, maar die is volgens mij wel heel belangrijk.

Het aantal jongeren dat aan het eind van het jaar nog geen plek voor de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) had, is fors teruggedrongen door extra aandacht voor deze jongeren. Ze worden alsnog naar een plek begeleid of naar een aanverwante sector. Soms is het zo dat er in jouw sector echt geen BBL-plek is. In de techniek hebben wij aanverwante sectoren en ook daar zijn de kenniscentra actief door te bekijken of de jongeren alsnog naar een andere plek geleid kunnen worden die dicht tegen hun opleiding aanligt, zodat ze toch zo veel mogelijk praktijkervaring opdoen.

Het mbo is op het laatste moment, het kabinet kwam daar vrij laat mee, stevig aan de slag gegaan met het School Ex Programma. De uitkomst is dat in het eerste jaar 77 000 jongeren benaderd zijn. Dat is twee derde van de totale groep. Ik heb vorige week een brief aan de Kamer gestuurd waarin ik schrijf dat wij er eerder mee starten omdat wij willen dat alle jongeren benaderd worden, want elke jongere doet er toe. Het heeft geleid tot 12 000 jongeren tussen 18 en 27 jaar meer in het mbo en in de oploop naar de verschillende niveaus van mbo-1, mbo-2 etc. Ik kom straks terug op die aantallen. Het is goed gegaan en de scholen zijn volop bezig met de voorbereiding van de volgende ronde.

De heer Van Hijum vraagt wat er gebeurt met die jongeren die uiteindelijk niet «geland» zijn op de plaats waar wij willen dat ze landen en hoe het UWV daarmee omgaat. Voor een deel heb ik dat niet in beeld, maar ik heb de cijfers wel doorgekregen omdat scholen betrokken blijven bij die jongeren. Wij hebben bij de eerste formele evaluatie – de definitieve cijfers krijgen wij in juni – vanuit het mbo-veld doorgekregen dat 16 000 van de ondervraagde jongeren twijfelden over wat ze zouden gaan doen: leren of werken. Uiteindelijk hebben 8000 jongeren aangegeven dat zij ermee akkoord waren dat hun gegevens doorgegeven werden aan het UWV. Door de privacywetgeving mag je dat niet zomaar doen en heb je dat netjes te vragen. Het aantal van 16 000 is nog wat gegroeid omdat ook in de zomervakantie een aantal gesprekken gevoerd is door scholen die iets later op gang gekomen waren. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat het UWV aan de hand van die cijfers constateerde dat een kleine 7000 schoolverlaters de schoolverlaters waren die zij echt in beeld moesten hebben. Die hebben een e-card gehad, een uitnodiging, om naar het Werkplein te komen om met elkaar aan de slag te gaan. Er zijn allerlei bestanden waarmee het UWV aan de slag gaat – dat kan de staatssecretaris van Sociale Zaken nog beter vertellen dan ik – en daaruit blijkt dat 5000 à 6000 jongeren ook daadwerkelijk aan het werk zijn gegaan. Dat heeft men ook gezien door de polisadministratie van het UWV te verbinden aan het burgerservicenummer om te bekijken wat daadwerkelijk geland is. Dat is het traject nadat een jongere wordt «doorgegeven» aan het UWV.

Het mbo-veld heeft het niet laten zitten bij jongeren die wel of niet doorgegeven zijn. Het heeft de jongeren die hun naam niet wilden laten doorgeven aan het UWV, voor een deel benaderd. Ik hoop dat dit in de nieuwe aanpak versterkt wordt. Bijvoorbeeld roc Twente heeft met alle studenten per mail, brief of telefoon contact gelegd om na te gaan of een doorverwijzing nodig was en of ze daadwerkelijk zijn ingeschreven bij de vervolgopleiding. Het roc Leiden heeft ook zo’n actie gedaan. Roc Zadkine en het Albeda College hebben 3000 deelnemers nagebeld. Er is een actieve benadering door de scholen; zij zeggen dat het voor hen een mooie manier is om het alumnibeleid beter in beeld te krijgen en te bekijken wat er met hun jongeren gebeurt. Daarom zijn de scholen enthousiast om daarmee verder te gaan.

De heer Van der Vlies vroeg hoe het zat met de samenwerking tussen het UWV en de scholen. Dat is zeker een van de leerpunten uit de evaluatie van het mbo-veld. Er worden allerlei voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd waarbij het UWV present is. Een aantal roc’s voert gesprekken met jongeren waarbij het UWV aanwezig is. Dan is het voor jongeren minder anoniem waar hun gegevens naartoe gaan. Ze gaan dan naar de mijnheer die ze hebben gesproken en dat is toch plezieriger. De leerlingen die de formuleren hebben ingevuld krijgen van het UWV een informatiekrant Dat gebeurt bijvoorbeeld in de regio Leiden. In Tilburg wordt een banenmarkt georganiseerd door roc Tilburg en het UWV Tilburg. Met al dit soort activiteiten proberen de scholen en het UWV zich gezamenlijk te presenteren om voor jongeren de stap van de schoolregistratie naar de UWV-registratie zo nodig te vergemakkelijken. Er wordt ook aan uitwisseling van ervaringen gedaan. Ik ben ervan overtuigd dat dit de komende jaren versterkt zal worden. Inmiddels heb ik het signaal aan de scholen gegeven dat ze dit verder mogen oppakken en dat ze aan de slag kunnen. Men is nu volop bezig om de volgende groep leerlingen indien nodig vast te houden op de school en om ervoor te zorgen dat ze begeleid worden richting UWV of hbo.

De heer Lempens vraagt of de kwalificatieplicht niet tot 23 jaar verhoogd kan worden. Dat was een wens van het kabinet, ook van het vorige. Wij hebben daarvoor een wetsvoorstel gedaan, maar wij zijn erop gewezen dat mensen boven de achttien jaar het recht hebben om thuis te zitten met geld van een ander of zichzelf. De kwalificatieplicht kunnen wij maar tot 18 jaar laten lopen. Dat is de werkelijkheid, maar wij gaan doen wat wij kunnen en daar is de WIJ uit voortgekomen die inhoudt dat een jongere die bij het loket komt voor een uitkering de keuze heeft tussen werken en leren.

De heer Lempens (SP): Mijn voorstel was niet om de kwalificatieplicht uit te breiden. Het gaat over die kwetsbare groep die onder de 23 is, het vso of praktijkonderwijs (pso) niet bijwoont, maar niet leerplichtig is. Ons voorstel is om de scholen deze groep te laten melden bij het RMC, ook omdat een deel geen Wajong heeft. Dus geen kwalificatieplicht maar actieve melding.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dan heb ik uw vraag verkeerd begrepen. Wij werken preventief met het project Aanval op de uitval en wij curatief met de RMC-regio’s. Als wij aan de onderwijsnummers zien dat jongeren van school af gaan zonder een diploma, worden zij ook vanuit de RMC-regio benaderd. Dat doen wij bijvoorbeeld in de week van de leerplicht. Dan bellen we gewoon aan en dat is vaak bij jongeren onder de achttien. Het RMC is ook actief richting jongeren boven de achttien. Overigens is het wel zo dat voor de heel kwetsbare jongeren mbo-1 als voldoende startkwalificatie geldt in plaats van mbo-2. Die jongeren worden dan niet meer benaderd. Het RMC gaat verder dan achttien jaar.

De heer Lempens (SP): U zegt: het RMC is het niet verplicht, maar het doet het wel.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: RMC-regio’s zijn ook actief naar jongeren boven de achttien jaar.

De heer Lempens (SP): Die scholen die zien dat die kwetsbare groep uitvalt, melden dat aan het RMC ondanks dat zij daartoe niet verplicht zijn?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Daar zal ik u in de tweede termijn op antwoorden.

De heer Spekman (PvdA): Ik ben nu ook een beetje in verwarring omdat ik het idee heb dat we de normen naar beneden hebben bijgesteld. Ik betreur het als wij de norm verlagen naar niveau 1. Dat leidt ertoe dat de kwetsbare jongeren minder worden doorgegeven door het roc aan het loket dat ze moet bellen. Ik wil dat de ambitie van het kabinet blijft om er geen genoegen mee te nemen dat kwetsbare jongeren die uitvallen en mbo-1 hebben, niet meer actief gemeld hoeven te worden. Die jongeren komen in een kwetsbare positie en als ze vele jaren later zijn afgegleden, liggen ze bij uw collega op het bordje.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Bij het School Ex Programma zijn alle leerlingen die het mbo verlaten in beeld, ook de mbo-1’ers. Wat betreft het vso en het praktijkonderwijs, dat eigenlijk eindonderwijs is volgens onze normen, volgt het praktijkonderwijs zelf nog heel lang de leerlingen om te bekijken of ze een baan krijgen en daarin aarden en aan het werk blijven. Het vso heb ik minder in beeld, dus ik kom daar in de tweede termijn op terug.

Voorzitter. De heer Van der Vlies gaf aan dat de opstroom van niveau 1 naar 2 bescheiden is: 1500 van de 10 000. Dat zijn uiteindelijk 12 000 kinderen geworden, maar het klopt wel ongeveer met de opstroompercentages die wij zien in het mbo. Deze komt bovenop de normale opstroom, want wij hebben 500 000 kinderen in het mbo zitten. Van de 12 000 die wij nu extra hebben weten vast te houden, zouden er anders 1500 verdwenen zijn en die stromen nu op naar mbo-2. Zo stromen bijvoorbeeld van mbo-2 naar mbo-3 wel 5000 van de 12 000 kinderen op. Dat zijn de aantallen gelet op de ervaringspercentages van opstroom tussen de groepen, maar ook daar krijgen wij in juni de definitieve cijfers van. Ik ben blij dat deze jongeren na de startkwalificatie de opstap maken. Dat is zeer de moeite waard.

Er is een vraag gesteld door de heer Van der Vlies over het betrekken van allochtone bedrijven. Colo is er specifiek mee bezig om allochtone bedrijven als leerwerkbedrijf te werven. Wij denken dat die een belangrijke bijdrage kunnen leveren om ervoor te zorgen dat deze groep extra leerwerkplekken krijgt. Daarbij weten wij dat er heel veel kleine allochtone ondernemers zijn. Het mkb is buitengewoon actief, dus Colo ook.

Mevrouw Koşer-Kaya vraagt naar de verschraling van de stages. Ik wil daar iets over zeggen in relatie tot de vraag van de heer Spekman of er voldoende leerwerkplekken in de techniek en de metaal zijn en over de zorg van de FNV. In een tijd als deze moeten wij heel creatief zijn en goed bekijken hoe wij een stageplek zo goed mogelijk benutten. Het moet wel altijd een stageplek zijn binnen de wettelijke voorwaarden zoals wij die kennen, want een jongere moet een volwaardige opleiding doen. Dat betekent voor de leerwerkcombinatie (BBL) dat men minimaal 60% stage moet lopen en voor de beroepsopleidende leerweg (BOL), de theoretische stroom, 20% tot 60%. Daar houden wij ons aan, maar als werkgevers niet meer ruimte hebben om plekken aan te bieden, is het goed om slim te bekijken of een bedrijf dat vier plekken heeft er één kan terugbrengen. BBL-plekken zijn gewoon banen en als het niet zo goed gaat met het bedrijf denkt men: dat red ik even niet. Wij zeggen dan: u brengt er één terug en de BBL’er die vroeger vier dagen werkte en één dag naar school ging, gaat nu twee dagen naar school en drie dagen werken. Dat mag binnen de BBL. In een hoogconjunctuur wil iedereen ze graag vier dagen hebben, maar in een laagconjunctuur kan het ook drie dragen zijn. Over drie stageplekken heen heb je dan wel een kind extra kunnen helpen. Die flexibiliteit is er in veel setoren en dat is beslist geen verschraling, dat is de ruimte benutten die in de wet zit.

Het vraagt wel iets van de andere kant om te bekijken hoe men dit slim kan aanpakken. Ik kom dan bij de gesprekken die staatssecretaris Klijnsma en ik bij de FNV hebben gehad. Als een kind van vier naar drie dagen gaat, moet men zich afvragen of men nog tientallen procenten boven het minimumloon aan fulltimesalaris moet betalen. Zestien- en zeventienjarigen hebben toch als eerste doel het behalen van het diploma. De FNV heeft daar grote moeite mee omdat in de cao’s is afgesproken om de jongeren 100% te betalen met 20% boven het minimumloon en daar wil men niet van af. Onze mening is dat, als de scholen die jongeren er een dagje bij nemen en de werknemers bereid zijn die baan drie dagen in de lucht te houden, het ook moet kunnen betekenen dat er iets minder salaris naar deze jongeren gaat. Het is wel teamwork en er mag van de jongeren ook iets verwacht worden. Die discussie is nog niet afgerond. Ik betreur het dat daar geen flexibiliteit zit. Net als met de Flexwet denk ik: doe gewoon wat nodig is, laten wij ons alle drie inzetten om die plekken in de lucht te houden.

De heer Spekman (PvdA): Ik snap het verhaal, alleen ik zie dat de zorgsector erbij zit. In de zorg zijn heel veel openstaande vacatures. Ik ben werkelijk pisnijdig dat de zorg zich precies zo opstelt. Daar zijn tekorten, daar is een schreeuwende behoefte, en men profiteert ervan dat wij graag mensen aan het werk willen helpen door ook nog eens het laatste kwartje naar die sector toe te halen. Dat is schandalig. Dat vind ik een heel ander probleem dan wat er gebeurt in een aantal tekortsectoren, hoewel het daar ook wel uitmaakt om wat voor soort bedrijf het gaat. Er zijn ook bedrijven in de bouw die een tekort aan personeel hebben. In de Betuwe lopen ze te schreeuwen om jongeren die een goede bouwtechnische opleiding hebben. Daar halen ze de jongeren nu uit Oost-Duitsland. Ik vind het iets te gemakkelijk van de bedrijven dat zij minder willen betalen en vinden dat de overheid en de jongeren wel wat in kunnen leveren. Ik wil echt gezegd hebben dat zij soms de crisis misbruiken om niet te doen waar zij eigenlijk behoefte aan hebben: het scholen van arbeidskrachten. Ik wil dat het kabinet niet doordraaft door de bal alleen bij de FNV te leggen, maar een sector als de zorg wijst op zijn plicht en de openstaande vacatures.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Vanuit de overheid hebben wij maar één zorg: dat alle mogelijkheden benut worden om die jongere zijn diploma te laten halen en dat kan alleen met een stage. Als de scholen bereid zijn die 20% theorie op te trekken naar 40% en de bedrijven bereid zijn die drie dagen in de lucht te houden, dan is het reëel om die jonge werknemer ook zijn bijdrage te laten leveren. Als men misbruik maakt van de situatie ben ik het van harte met u eens. Daar moeten wij die sectoren op aanspreken. Overigens zie ik dat er in diverse sectoren juist veel O&O-middelen ingezet worden om jongeren in de lucht te houden, maar er moet geen misbruik van gemaakt worden. Dat ben ik met u eens.

Staatssecretaris Klijnsma: De heer Spekman zegt terecht dat er naar de sectoren sec moet worden gekeken. De staatssecretaris van Onderwijs en ik hebben juist in de context van metaal en bouw gesproken met de FNV en de werkgevers omdat daar de krapte van de stageplekken aan de orde is. Dat geldt absoluut niet voor de zorg en daar voer ik een heel ander gesprek mee. Dat is een gesprek zoals de heer Spekman hier naar voren brengt, want daar heeft hij groot gelijk in. Dat moet heel duidelijk zijn.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Mevrouw Koşer-Kaya vroeg naar de samenwerking van Colo en het UWV. Die zijn in de regionale samenwerking buitengewoon aan elkaar verbonden. Dat zit in het toeleiden van jeugdwerklozen naar vacante leerplaatsen en die kansen benutten – er zijn nog steeds leerplaatsen vacant, dat is de vreemde scheefheid die er soms is – de arbeidsmobiliteit van krimp- naar groeisectoren en het koppelen van vacatures van leerbedrijven aan zoekenden van UWV WERKbedrijf. Dat soort concrete acties vindt plaats op regionaal niveau. Er zijn contactpersonen van de kenniscentra op het Werkplein aanwezig; zij zijn verbonden met de vestigingsmanagers van de Werkpleinen. Verder zijn er grote lijnen waarbij het gaat om de transparantie van de arbeidsmarkt, het inzicht bieden in hoe het zit met vacatures in de branches die aan het UWV aangeboden worden, de leerwerkloketten en de loopbaanoriëntatie waar de branches samenwerken met de leerwerkloketten, het laten zien wat er gebeurt in de branche en het actief samenwerken in de mobiliteitscentra. Door die regionale samenwerking versterken wij die banden ook voor de toekomst. Mevrouw Koşer-Kaya zei dat er in het verleden ook al een jeugdwerkloosheidsplan was, maar dat het erom gaat een uitgangspositie te bieden voor de toekomst, waarin men elkaar weet te vinden.

Op de vraag van de heer Meeuwis meen ik al te hebben uitgelegd hoe succesvol het School Ex Programma is en dat wij volgend jaar proberen om nog een slag te maken. U hebt het over de 16 mln. die besteed is. Dat zijn inderdaad de uitvoeringskosten voor twee jaar, maar daarnaast is er natuurlijk ook geld besteed voor de jongeren die extra gebleven zijn, via die 250 mln. over twee jaar, en voor de jongeren die van BBL naar BOL gaan. Een BOL-plek, een fulltime theoretische opleiding in de school, is duurder en geeft meer kosten voor het mbo die wij ook vergoeden.

De heer Van Hijum (CDA): Voorzitter. Allemaal delen wij het gevoel van urgentie bij deze aanpak. De scepsis over de uitvoering wordt bij mij niet helemaal weggenomen. Wij doen hier ons werk, wij hebben 250 mln. belastinggeld beschikbaar gesteld om extra plekken te realiseren en dat geld moet goed terechtkomen. Jongeren moeten daarmee aan de slag geholpen worden. Ik zie door die brei van convenanten nog weinig concrete banen. Ik zeg erbij dat ik mij laat overtuigen door de resultaten. In maart kan de Kamer dat overzicht verwachten. Ik vind het goed dat de staatssecretaris duidelijk heeft gezegd dat zij op basis van die resultaten gemeenten zal afrekenen.

De staatssecretaris is niet echt ingegaan op de principiëlere kritiek op de aanpak. Wij geven geld van die 250 mln. door aan gemeenten in de hoop dat dit bij de werkgevers terechtkomt om plekken te creëren. Dat is maar een van de factoren die voor werkgevers van belang zijn om iemand een kans te geven. Ik heb andere dingen genoemd: risico’s die men inschat als men iemand in dienst neemt en kosten voor begeleiding en administratieve lasten die ermee gemoeid zijn. Het is dat samenspel van dingen dat bepaalt of werkgevers over de streep getrokken kunnen worden om jongeren een kans te geven. In dat kader heb ik nogmaals aandacht gevraagd voor een no-riskpolis. Het gaat mij niet om het instrument sec, maar ook om de adviezen die indertijd door de Kamer zijn gedaan om die dingen veel meer in samenhang in te zetten, opdat werknemers die stap willen zetten. De staatsecretaris moet ermee doen wat zij verstandig acht – zij regeert, wij controleren – maar ik denk dat dit buitengewoon belangrijk is voor het succes. Tot slot: ik reken erop dat de Flexwet zoals wij hem gisteren hebben besproken daadwerkelijk de eindstreep haalt.

De heer Lempens (SP): Voorzitter. Ik deel de opmerking van de heer Van Hijum – ik vertaal het even naar de SP – dat het geen zwart gat moet worden waar miljoenen in worden gestopt, zoals de re-integratiebusiness. Laat zien waar het geld wordt besteed. Ik heb over de WIJ opgemerkt dat als jongeren zich melden of worden gevonden, het aanbod moet passen. Nelleke moet niet naar een re-integratiebureau worden gestuurd waar zij nutteloze sollicitatiecursussen krijgt en geen werk. Daar leert zij niet van en dat is niet de bedoeling van die wet. Ik wil weten of het loket dat de staatssecretaris gaat instellen ook voor de jongere is die niet iets krijgt wat past. Ik hoop dat de staatssecretaris van Onderwijs nog antwoordt op mijn voorstel om ook de vso-scholen bij het RMC te laten melden als jongeren onder de 23 uitvallen, ook al hebben ze geen kwalificatieplicht.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. De urgentie is bij mijn fractie al enige tijd doorgedrongen. Er moet een daadkrachtig beleid ontstaan. Er is een veelheid aan afspraken, maar het gaat om de resultaten. Het is een tikkeltje curieus dat wij precies een week voorafgaand aan het bekend geraken van die resultaten daarover vergaderen. Dat is geen verwijt maar een constatering; dat is zo gelopen. Van de evaluatie heeft de staatssecretaris het traject aangegeven. Wij spreken wel eens van een beleidsarme brief, laat dit een beleidsrijke brief worden, die wij over een maand of wat in de Kamer hebben liggen. Als het dan nodig zou zijn – quod non -kan er een tandje bij.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Voorzitter. Ik ben heel benieuwd of de bewindslieden een eigen stagiaire hebben. Ik neem zonder meer aan dat er op het departement een hoop stagiaires rondlopen, maar ik wil weten of ze een eigen stagiaire hebben. De urgentie wordt door ons allen gedeeld. Ik zou het liefst de fundamentele discussie voeren, maar daar is bij het kabinet geen animo voor. De vraag is hoe effectief die 250 mln. wordt besteed, want wij willen dat met die gelden zo veel mogelijk jongeren aan stageplaatsen, aan werk komen. Er wordt gezegd dat die 40 mln. naar de regio’s gaat als ze goed presteren. Mijn vraag is dan: krijgen de regio’s die niet goed presteren ook een deel van die 40 mln.? Dat is heel relevant. Tot slot wil ik wel eens weten waarom in crisistijd de kwetsbaarste groepen als eerste eruit gaan, maar dat is een ander onderwerp dat wellicht in een motie aan de orde zal komen.

De heer Meeuwis (VVD): Voorzitter. De staatssecretaris voor Sociale Zaken deelt ons beeld dat de uitbreiding van de tijdelijke contracten moet worden doorgezet en werpt daarmee de kwalificatie van de torpedoactie van de PvdA verre van zich. Dat doet mij heel veel deugd. Het wordt breed gedragen dat wij bij het bestrijden van jeugdwerkloosheid en alle honderden miljoenen die wij daaraan besteden, vooral op resultaten moeten focussen. Wij moeten niet achteraf zeggen dat we niet meer kunnen ingrijpen en niks kunnen doen. We moeten doelen formuleren. Wij geven er geld aan, maar wij vergaderen hier ook week in week uit over, dus daarvoor vraag ik de aandacht van de staatssecretaris.

De heer Van Hijum gaf net aan dat die werkgevers op een goede manier betrokken moeten worden bij de uitvoering van de plannen. Ik hoop dat de staatssecretaris grip houdt en actief stuurt op dat proces dat die werkgevers er vol in zitten, want daarvoor ben ik bang als ik in de brief lees dat wij 100 coaches hebben bij het UWV en 18 mensen bij Verkaart Installatiebedrijven – de teller staat dan op 118 – en een meter aan convenanten.

Ik sluit mij aan bij de vraag van mevrouw Koşer-Kaya over de regiotoebedeling. Het kan niet zo zijn dat als achtentwintig regio’s slecht functioneren en twee goed, die twee allebei 20 mln. krijgen.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Ik kan mij veel voorstellen bij de manier waarop de financiële verdeling is geregeld: 40 mln. voor de prestatie en 30 mln. vast. Ik kan mij ook voorstellen dat als een regio helemaal niet levert, wij ons beraden over extra maatregelen in de vorm van toezicht. Wij hoeven niet in een als-danredenatie terecht te komen: 30 mln. geven vind ik terecht, want daar leven ook jongeren, maar vrijblijvend is ook weer zo wat. Blijkbaar is er dan meer nodig. In het verleden werden inspecteurs van Sociale Zaken gehuisvest bij de lokale sociale zaken als die niet goed leverden. Daar was de wethouder dan niet blij mee.

Dan het landelijk loket voor thuiszitters. Ik ben blij met de vastberadenheid van de verschillende bewindspersonen als het gaat om de kwetsbare groep, maar ik maak mij zorgen. Gemeenten gaan zich meer en meer richten op de kortademige en niet op de duurzame uitstroom. Dat is ook het debat hier in de Kamer: als wij mensen even tijdelijk aan een baan helpen, komt het wel goed in het leven. Dat is natuurlijk niet zo. Wij kennen uit het verleden het fenomeen van de draaideurmensen die iedere keer een baan en hoop en verwachting hadden. Die werden weer weggeslagen, ze kwamen weer in de bijstand en volgden een eeuwige tocht om weer die kans te krijgen. Voordat je het weet, zitten ze er weer naast. Zo’n samenleving is niet goed.

Ik blijf graag op de hoogte van wat er met de zorg gebeurt. Die duikt. Op een gegeven moment moet de overheid dat zat zijn en zeggen: dan moet je het maar voelen ook. Een andere sector is defensie. Bij defensie zijn heel veel vacatures en ik zie graag dat daar wat gebeurt. Tot slot: over de flexibilisering is vandaag veel gesproken, ook richting de PvdA ...

De voorzitter: Wij willen de tijd niet overschrijden en ik denk dat u ook nog een antwoord wilt van de bewindspersonen.

De heer Spekman (PvdA): Ik probeer mijn collega’s te antwoorden die iets in mijn richting hebben gezegd. Ik ben er altijd opgericht om jongeren niet even van baantje naar baantje te helpen, maar ervoor te zorgen dat ze zich veilig voelen in de baan waarin ze terechtkomen.

De voorzitter: Dank u wel.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter, dit kunt u niet zo afronden. Er zijn vier opmerkingen door verschillende collega’s in mijn richting gemaakt.

De voorzitter: U hebt uw tijd verbruikt en dan is het aan de voorzitter om in te grijpen. U hoeft nu geen politiek debat te voeren met uw collega’s. De tweede termijn is ervoor om nog aanvullende vragen te stellen aan de bewindspersonen.

Staatssecretaris Klijnsma: Voorzitter. Bij de heer Van Hijum is de scepsis nog niet helemaal weg, maar de heer Van der Vlies zegt terecht dat de Kamer de datum van dit AO heeft bewerkstelligd. In mijn brief had ik geschreven dat de resultaten van de regio beschikbaar zijn op 15 februari en dat ik de vertaling daarvan graag wil presenteren in maart. Ik onderstreep dat nog eens, want het is essentieel dat wij op macroniveau kunnen aantonen dat wij onder de omstandigheden van deze heftige economische crisis de cijfers rond de jeugdwerkloosheid in de tang hebben. Dat is een verdienste. De Kamer heeft groot gelijk als zij specifiek inzicht wil in de resultaten van de regio’s en die krijgt zij.

Ik hecht eraan om te zeggen dat een no-riskpolis bedoeld is voor cliënten bij wie structurele arbeidsbeperkingen zijn vastgesteld. Ik vind het geen instrument om conjuncturele problemen mee op te lossen. Dan moet je heel veel mensen die geen baan hebben onder die no-riskpolis brengen en daar ben ik niet voor. Ik heb beloofd dat ik nog een keer in dat onderzoek ga duiken, maar volgens mij hebben wij de instrumenten die wij voor de werkgevers hebben goed in kaart gebracht. Als werkgevers een jongere een plek geven, hebben ze in de rugzak van de jongere alles zitten wat nodig is om die jongere zonder risico bij zich te houden.

De voorzitter: Kunt u ons informeren over uw bevindingen op het moment dat u erin gedoken bent? En als het niets inhoudelijks oplevert, wilt u dan melden dat dit volgens u zo is?

Staatssecretaris Klijnsma: Dat vind ik een uitstekend voorstel. Ik ga er snel induiken.

Voorzitter. De heer Lempens zegt terecht dat het aanbod moet passen, maar ik zeg dat het aanbod zo veel mógelijk moet passen. Jonge mensen hebben van zichzelf een beeld en willen dat zo snel mogelijk geïmplementeerd zien. Soms is het ook wel fijn als jonge mensen iets weten over solliciteren. Om nu alle sollicitatiecursussen terzijde te leggen, lijkt mij het andere uiterste.

De heer Van der Vlies heeft zijn opmerking gemaakt over het AO. Daar bedank ik hem voor, want daarmee heeft hij stevig neergezet dat wij de resultaten later presenteren. Hij vroeg om een beleidsrijke brief. Dat doen wij met heel veel plezier. Wij hopen dat al onze brieven beleidsrijk zijn en deze bij uitstek.

Mevrouw Koşer-Kaya vroeg naar de stagiaires van bewindspersonen. Ik heb iemand van de sociale werkvoorziening (SW) die mij begeleidt als kamerbewaarder. Daar ben ik heel blij mee. Ik ben gisteren nog behandeld door een fysiotherapeute die stagiaire is en het fantastisch doet. Bij het ministerie van SZW hebben wij 65 stagiaires rondlopen in allerlei maten, soorten en kleuren. Daar ben ik ook erg blij mee. Bij het loket dat we openen bij SZW wil ik ook graag stagiaires betrekken. Iedere plek is er één, daar heeft mevrouw Koşer-Kaya groot gelijk in.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Ik heb er twee.

Staatssecretaris Klijnsma: Geweldig, alweer twee.

Voorzitter. De heer Meeuwis tamboereert nog een keer op de Flexwet. Daar heb ik van gezegd wat ik ervan gezegd heb. Alleen voor de tijd van de recessie kan je daar iets mee en daarna is het: klaar is Kees. Ik hecht er zeer aan om te melden dat de teller uiteraard niet op 118 staat. Dat is een rare inkleuring van dit debat. Natuurlijk staat de teller op honderden, zo niet duizenden plekken. De plekken die bij de arrangementen zijn gerealiseerd, zijn er al meer dan 10 000. Er zijn plekken in overvloed en die zijn ingevuld, want anders zouden wij veel meer werklozen hebben. Ik vond die reactie een tikje te makkelijk.

De heer Spekman vroeg wat wij doen als een regio helemaal niet levert. Ik heb niet alleen de indruk dat iedere regio levert, maar ik weet dat iedere regio aan de slag is. Alleen de gradatie waarin wil ik tegen het licht houden en zo wil ik die 40 mln. verdelen. Met hem ben ik van mening dat wij geen draaideurjongeren moeten creëren, want de Werkpleinen zijn juist geëquipeerd door het jongerenloket voor het begeleiden van jongeren nadat ze bij een werkgever geplaatst zijn, zodat het in de toekomst helder is hoe het jongeren vergaat.

Voor wat betreft de sectoren zorg en defensie wil ik zeggen dat ik daarmee aan de slag ben.

Minister Rouvoet: Voorzitter. Mevrouw Koşer-Kaya sloot af met de aankondiging van een motie waarin zij wil vragen hoe het komt dat kwetsbare groepen er het eerst «uit vliegen». Ik wil verwijzen naar de drie plannen van aanpak van de jeugdwerkloosheid die zij kende, want die analyse wordt daar iedere keer in gemaakt. Dat is precies het probleem en dat is precies waarom wij deze aanpak nodig hebben. In crisistijd krijgen de kwetsbaarste groepen als eerste de klappen. Wij doen er nu wat aan.

De heer Lempens en de heer Spekman vroegen of vso-leerlingen en leerlingen van het praktijkonderwijs ook onder de kwetsbare groepen vallen. Ja, die komen ook in de quickscan terug. Wij zullen daar speciaal aandacht aan geven en daarop inzoomen. De heer Spekman maakt zich zorgen over de kwetsbare groepen. Ik deel die zorgen. Vandaar dat ik er bovenop wil zitten en precies wil weten van de heren Kamps en Spigt, die heel goed werk leveren, hoe het komt dat ze niet overal evenredig meedraaien en meeprofiteren en hoe wij ervoor kunnen zorgen dat dit wel gebeurt, zeker met oog op de duurzame uitstroom.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. De vraag over het vso is door mijn collega beantwoord. Het is wel zo dat als een vso’er en een pro’er, iemand uit het praktijkonderwijs, doorgaan naar het mbo-1 en daar uitvallen, het RMC present is. Anders vallen ze binnen de groep kwetsbaren waar de gemeenten verantwoordelijk voor is omdat vso en pro eigenlijk eindonderwijs zijn.

De heer Lempens (SP): Is de school meldplichtig?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Nee. De school is niet meldplichtig richting het RMC. Vso en praktijkonderwijs zijn eindonderwijs en geen onderwijs waarvan wij zeggen dat het RMC ze weer naar school moet krijgen. Als ze in staat zijn om door te stromen, begeleidt het praktijkonderwijs en het speciaal onderwijs de kinderen naar mbo-1. Vallen ze dan uit, dan hebben ze inmiddels de kwalificatie dat ze door konden leren en dan worden ze door het RMC in de kraag gevat en probeert men ze weer naar school te krijgen. Dat is de combinatie van de twee aanpakken.

Ik heb geen stagiaire, maar ik heb wel heel vaak jongeren die meelopen omdat ik vaak naar projecten on stage ga, bijvoorbeeld in Delft, in Utrecht en in het Westland. Dan maak ik geregeld een deal en dan komen ze met mij een dagje meelopen om te kijken hoe het is om in de politiek actief te zijn. Dan hoop je natuurlijk maar dat ze later zeggen: politiek, dat wordt het!

De voorzitter: De volgende toezeggingen zijn gedaan:

– de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stuurt de eerste resultaten van de voortgang in de regio’s in maart 2010 naar de Kamer;

– de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid informeert de Kamer over de mogelijkheden inzake de no-riskpolis;

– de minister voor Jeugd en Gezin zal de Kamer informeren over eventuele financiering van het project School2Care.

Mevrouw Koşer-Kaya (D66): Ik ben heel nieuwsgierig naar de stagiaire van de minister.

Minister Rouvoet: Dan moet u er rekening mee houden dat wij een programmaministerie met een bijzondere structuur zijn waardoor de mensen blijven zitten waar ze zitten en vallen onder de desbetreffende departementen. Ik zit er bovenop dat op alle afdelingen en bij degenen die mij ondersteunen stagiaires zitten. Ik hoop dat mevrouw Koşer-Kaya net als ik erop let dat dit ook allochtone stagiaires zijn. Ik hoop dat zij die ook heeft.

De voorzitter: Ik sluit de vergadering.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van Gent (GroenLinks), Blok (VVD), Jan Jacob van Dijk (CDA), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Van Hijum (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), voorzitter, Luijben (SP), Ulenbelt (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Koppejan (CDA), Tony van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Vermeij (PvdA), Thieme (PvdD), Lempens (SP), Karabulut (SP), Vos (PvdA) en Meeuwis (VVD).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Sap (GroenLinks), De Krom (VVD), Smilde (CDA), Depla (PvdA), Aptroot (VVD), Pieper (CDA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Linhard (PvdA), Pechtold (D66), Spies (CDA), Irrgang (SP), De Wit (SP), Cramer (ChristenUnie), Biskop (CDA), Elias (VVD), Joldersma (CDA), Bosma (PVV), Tang (PvdA), Heerts (PvdA), Ouwehand (PvdD), Gerkens (SP), Gesthuizen (SP), Heijnen (PvdA) en Weekers (VVD).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Dijsselbloem (PvdA), Çörüz (CDA), Gerkens (SP), ondervoorzitter, Sterk (CDA), Van Miltenburg (VVD), Van Dijken (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), Teeven (VVD), Wolbert (PvdA), Voordewind (ChristenUnie), Zijlstra (VVD), Bouchibti (PvdA), Langkamp (SP), Ouwehand (PvdD), Agema (BVV), Leijten (SP), Dibi (GroenLinks), Heijnen (PvdA), voorzitter, Van Toorenburg (CDA) en Uitslag (CDA).

Plv. leden: Heerts (PvdA), Omtzigt (CDA), Kant (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Eijsink (PvdA), Meeuwis (VVD), Biskop (CDA), Van der Ham (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Verdonk (Verdonk), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Schippers (VVD), Timmer (PvdA), Gesthuizen (SP), Bosma (PVV), De Wit (SP), Azough (GroenLinks), Arib (PvdA), Jan de Vries (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA) en Karabulut (SP).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Depla (PvdA), Remkes (VVD), Van Bochove (CDA), voorzitter, Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Leerdam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), Ouwehand (PvdD), Dibi (GroenLinks), Anker (ChristenUnie) en Smits (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gill’ard (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Ferrier (CDA), Uitslag (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Jacobi (PvdA), Elias (VVD), Timmer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Van Bommel (SP), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Thieme (PvdD), Peters (GroenLinks), Ortega-Martijn (ChristenUnie) en Gerkens (SP).