Kamerstuk 28625-63

Verslag van een algemeen overleg

Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid; Verslag van een Algemeen Overleg

Gepubliceerd: 18 november 2008
Indiener(s):
Onderwerpen: europese zaken internationaal landbouw organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28625-63.html
ID: 28625-63

28 625
Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

nr. 63
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 november 2008

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 en de vaste commissie voor Europese Zaken2 hebben op 8 oktober 2008 overleg gevoerd met minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over:

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 15 september houdende de Houtskoolschets Europees Landbouwbeleid 2020 (28 625, nr. 60).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Van der Vlies Griffier: Dortmans

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De voorzitter: Dames en heren. Ik heet de minister en diegenen die haar bijstaan van harte welkom. Dat geldt uiteraard ook de mensen op de publieke tribune en mijn collega’s.

Wij hebben twee uur de tijd voor dit algemeen overleg. Wij zijn dus krap bemeten en zullen onze bijdragen daarom compact moeten houden. Ik stel voor om een spreektijd in eerste termijn te hanteren van vier minuten per fractie en om hoogstens twee keer onderling te interrumperen. Ik zie dat u daar allen mee in kunt stemmen. Dat vind ik plezierig.

De heer Cramer heeft mij gemeld dat hij dit overleg vanwege verplichtingen in de plenaire zaal tussentijds zal moeten verlaten. Ik geef hem als eerste het woord.

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. Ik maak twee opmerkingen vooraf. De eerste is dat de minister een compliment verdient voor het stuk dat zij na alle discussie over de Health Check op de tafel heeft gelegd. Dit stuk maakt het mogelijk om het landbouwbeleid stevig op de kaart te zetten. Ik vind het een goed initiatief dat belangrijk is voor de ontwikkeling van het Nederlandse landbouwbeleid. De tweede opmerking is dat wij misschien iets milder moeten denken over het gegeven dat de Houtskoolschets is ingebracht op de informele landbouwraad in Annecy, ook al had de Kamer er nog niet met de minister over kunnen spreken.

De Houtskoolschets is een schets. Ik geef dan ook namens de fractie van de ChristenUnie een schets van onze opvatting, want het is niet mogelijk om compleet te zijn. Daarvoor is het onderwerp te omvangrijk en te complex. Ik denk dat wij elkaar hierover nog wel vaker zullen spreken. Een belangrijk punt in de Houtskoolschets is dat de agrarische wereld hooguit een paar jaar heeft kunnen wennen aan de ontkoppelde steun. Men moet het volgens de schets straks echter alleen doen met steun voor innovatie ter compensatie van beperkingen. Dat kan en zal vervelend overkomen op de boeren. Ik haal ook gewoon de term betrouwbare overheid van stal. Je kunt best inhoudelijke waardering hebben voor de voorstellen van de minister, maar wij zullen heel zorgvuldig moeten zijn om de agrarische wereld mee te krijgen. Dat is volgens mij cruciaal voor het draagvlak.

Dan de inhoud. Ik zie twee lijnen: bredere maatschappelijke legitimatie en hoge verwachtingen van marktwerking. Het is goed dat er gezocht is naar sterkere koppeling aan maatschappelijke waarden. Een aanvulling op je inkomen krijg je niet zomaar. Daar mag wat tegenover staan. Boeren hebben dan ook nog steeds zo’n 70% van het Nederlandse grondoppervlak in beheer en dragen daardoor een grote verantwoordelijkheid voor ons landschap, milieu, waterkwaliteit, biodiversiteit en de dieren die zij houden.

Terecht wordt niet meer gesproken over compensatie, maar over een marktconforme vergoeding. Hier zit wel een belangrijk punt, want wat is marktconform? Er is immers geen markt voor natuurwaarden, milieu, landschap of dierenwelzijn. Over dierenwelzijn kun je van mening verschillen, maar welzijn wordt niet vermarkt in de schets van de minister. Hoe worden die in de EU op een gelijke manier vormgegeven en hoe wordt het verantwoord tegenover de WTO?

De ChristenUnie vindt dat de voedselproductie zelf onderbelicht blijft. Voedselproductie is ook een waarde die wij waarderen en waar iets tegenover kan staan. In het coalitieakkoord worden niet voor niets de voedselwaarden eerst genoemd en vervolgens de landschappelijke waarden, groene en blauwe diensten en dierenwelzijn. Ook het SER-rapport noemt belangrijke waarden naast de voedselvoorziening. Als het aan de ChristenUnie ligt, blijft echter in de toekomst ook een basisbedrag per hectare of dier mogelijk en wel zo gedifferentieerd dat gezinsbedrijven bevoordeeld worden. Overigens moet daarbij wel uitgegaan worden van een basisset aan criteria.

De marktwerking, het tweede belangrijke element van de Houtskoolschets. Wat de ChristenUnie-fractie betreft wordt er te veel uitgegaan van een goedwerkende markt voor landbouwproducten. De minister geeft immers ook zelf de beperkingen aan van de landbouwsector die het deze sector onmogelijk maakt om als een normale marktsector te functioneren. Waarom gaat zij dan toch op dit spoor verder? Marktwerking is volgens mij zo efficiënt mogelijk produceren met zo weinig mogelijk beperkingen: schaalvergroting, goedkope grondstoffen voor veevoer, aandacht voor het landschap of dierenwelzijn als dat past binnen bedrijfsfilosofieën en binnen de bedrijfskosten, verplaatsing van productie uit Nederland naar goedkopere productielanden. Hoe kunnen wij dan in Nederland de waarden beschermen die wij zo belangrijk achten? Wat is het effect op ons landschap, dierenwelzijn en het inkomen van boeren? De marktinstrumenten moet je wat mij betreft wel paraat houden om wat te kunnen regelen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan een interventieprijs voor graan.

De minister schrijft over een vangnet voor noodsituaties. Graag hoor ik wat dit vangnet precies inhoudt. Hoe vult de minister daarbij haar eigen opmerking in dat het de evidente rol van de overheid is om maatschappelijke spelregels vast te stellen, waarbinnen de markt haar werk nu en in de toekomst kan doen.

De heer Polderman (SP): De heer Cramer zet terecht een vraagteken bij het geloof van de minister in de marktwerking. Hij lijkt zelf te pleiten voor marktregulering. Kan hij aangeven hoe hij dat precies ziet? Het is volgens mij een cruciaal punt in het debat. De voorzitter heeft onze spreektijd beperkt, maar op deze manier geef ik u graag de mogelijkheid om dat toe te lichten.

De heer Cramer (ChristenUnie): Ik bedank de heer Polderman voor deze kans.

De voorzitter: Maar dan wel kort en krachtig!

De heer Cramer (ChristenUnie): U kent mij voorzitter!

Marktwerking is niet zaligmakend. Er zijn momenten dat wij zeker willen zijn van leverantie. Dat betekent dat niet alleen de marktwerking ingezet moet worden. Wij stellen eisen aan dierenwelzijn en dan kan het niet zo zijn dat die eisen niet gesteld zouden worden aan producten uit het buitenland. Enige regulering is altijd nodig, omdat wij nu eenmaal eisen stellen aan ons voedsel.

De heer Waalkens (PvdA): Voorzitter. Ook de fractie van de PvdA complimenteert de minister met de Houtskoolschets. Een houtskoolschets is een beeld dat je op je netvlies hebt als zijnde de contouren van het beleid, maar niet meer dan dat. Ik heb altijd met zeer veel bewondering gekeken naar de inzet van Sicco Mansholt die niet werkte met Houtskoolschetsen, maar met een scherp profiel van wat hij in zijn diverse verantwoordelijkheden tot zich nam om te bezien hoe je het gemeenschappelijke landbouwbeleid in zijn volle breedte in een communautaire markt weg kunt zetten.

De Houtskoolschets is ook niet meer of minder dan een voorstudie van het beleid dat straks als afgeleide van de Health check voor Nederland gaat gelden. Zo heb ik de Houtskoolschets ook gelezen. De consequenties van de besluiten binnen de Health Check geven volgens mij richting aan de Nederlandse invulling van het beleid. Die richting moet wel opgepakt worden. Het uitgangspunt van de Houtskoolschets is dat het toekomstige Europese landbouwbeleid in dienst moet staan van versterking van de concurrentiekracht, duurzame productie en de verbinding met maatschappelijke waarden die niet via de markt worden beloond.

Ook de fractie van de PvdA is van mening dat, zoals het in SER-rapport wordt beschreven, voedselzekerheid en het oogsten uit de groene ruimte een systeemverantwoordelijkheid is die niet alleen Europa betreft, maar ook de effecten op de ontwikkelingslanden. Doelgericht, coherent en consistent beleid is daarvoor absoluut van belang. Ik moet zeggen dat zowel in de discussie over de Health Check als in de discussie over de Houtskoolschets die verbinding veel sterker gelegd zou moeten worden.

Het kabinet is van oordeel dat reeds in de periode na 2013 de eerste stappen gezet moeten worden. Later komt in de Houtskoolschets 2020 in beeld. Ik hoor graag van de minister welke betekenis zij hecht aan het zinnetje: op weg naar 2013 de moeten eerste stappen worden gezet. Wij hebben immers op dit moment de historische referenties in de vorm van bedrijfstoeslagen die volgens onze opvatting in een transitie gezet moeten worden naar een systeem van functionele hectarepremies, een maatschappelijke waardering en beloning voor het beheren van kwetsbare landschappen. Ik zou heel graag expliciete duidelijkheid krijgen over dat punt van de Houtskoolschets. Bereidt de minister zich voor op de eerste stappen als afgeleide van de Houtskoolschets en de besluiten die in de Health Check zijn genomen? In het huidige voorstel circuleert immers voor de lidstaten de mogelijkheid om ten genoegen van de Commissie in augustus 2009 aan te geven wat er gaat gebeuren in de verschillend lidstaten.

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet een route inslaan naar een breder plattelandsbeleid. Maar laat absoluut de systeemverantwoordelijkheid meewegen in het aanleggen van strategische voorraden! Dat doen wij ook met olie en in het staaldossier. Ik zeg dat, omdat wij het ook bij andere strategische opties in beeld moeten houden.

De hoofddoelen sluiten naar de mening van de fractie van de PvdA niet volledig aan bij de nieuwe doelen die wij ons zouden moeten stellen. Ik denk dan aan de doelen voor klimaat, energie, water, gezondheid en voedsel. Die combinatie is de nieuwe uitdaging waar niet alleen de agrarische sector voor staat, maar de hele voedingsindustrie en het bredere terrein van het plattelandsbeleid. Ik zou graag horen welke stappen de minister gaat zetten voor de transitie naar een andere beloning van de maatschappelijke waarden die niet uit de markt komen.

Het financieringsvoorstel voor het Afrikafonds. Zowel op de Landbouwraad als op de OS-raad is hierover gesproken. Op de Europese top zal er ook over gesproken worden. Ik wil graag weten wat de inzet is van het kabinet. De fractie van de PvdA is van mening dat dit geld volgens de begrotingsregels terug moet vloeien naar de lidstaten. Dat laat onverlet dat wij die beslissing niet mogen nemen over de ruggen van de boeren en boerinnen in Afrika.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Wij bespreken vandaag een Houtskoolschets en dat zijn grove lijnen. Wij zouden eigenlijk fundamenteler over het beleid moeten discussiëren. Het is echter wel veelgevraagd om dat in vier minuten te doen.

De doelen die de minister stelt, zijn een sterke economische sector voor de landbouw en waardering van maatschappelijke waarden als behoud van het landschap. Over die doelen zijn wij het eens. Over de weg naar die doelen zijn wij het echter fundamenteel oneens met de minister. De minister zet namelijk vooral in op marktordening. Als je kijkt naar wat er vandaag de dag aan de hand is, zie je toch juist dat het noodzakelijk is dat de overheid als marktmeester ingrijpt. De minister zet echter juist het laatste restje marktordening bij het grofvuil. Dat is een volkomen verkeerd signaal. Alles overlaten aan de vrije markt leidt ertoe dat de koopkrachtige vraag van het rijke Westen met zijn eigen problemen als obesitas het wint van het recht op voedsel van diegenen die honger hebben. Dat gebeurt nu eenmaal als je alleen de vrije markt het werk laat doen. Dat zal langzamerhand toch wel duidelijk zijn.

De minister erkent dat boeren die produceren voor de wereldmarkt te maken krijgen met een blijvend sterke drang tot kostprijsverlaging. Dat leidt tot spanning met de duurzaamheid, zie bladzijde 5. Toch zijn en blijven de toverwoorden van de minister: versterking van de concurrentiekracht én de marktoriëntatie én duurzaamheid. De spagaat waarin de minister de boeren dwingt, is een lastig dilemma waarop eigenlijk geen antwoord wordt gegeven.

Ik ben blij dat de minister erkent dat marktwerking alleen niet voldoende is om waarden als dierenwelzijn te beschermen. De reden is dat de consument slechts beperkt bereid is om hiervoor te betalen. Dat is iets wat wij vaker met de minister bediscussieerd hebben. Wij zijn blij dat zij dit nu erkent, maar wat doet zij hiermee? Is overheidssturing niet noodzakelijk? Moeten wij niet beginnen met certificering?

Wat de SP-fractie betreft zou de minister op dit cruciale moment vooral moeten inzetten op meer marktordening in plaats van op minder. Om te beginnen zou de minister moeten gaan pleiten voor behoud van de melkquotering. In Europa is het nog steeds geen gelopen race en wij houden er dan ook aan vast dat er geen zachte landing moet komen en ook geen uitbreiding van het melkquotum, wanneer daar geen stijgende Europese vraag tegenover staat. Met dit standpunt staan wij niet alleen. In de rondetafelgesprekken hebben wij namelijk gemerkt dat de Nederlandse Melkveehouders Vakbond ook voorstander is van behoud van het melkquotum. En ook de partijgenoot en ambtsvoorganger van de minister, de heer Braks, betwijfelt in het Agrarisch Dagblad of wij deze richting bij het voorraadbeheer wel zouden moeten inslaan. Melkquotering is overigens alleen maar een voorbeeld van voorraadbeheersing.

Ik zou graag zien dat de minister zich in Europa sterk gaat maken voor het instrument van het strategische voorraadbeheer, braaklegging en productiebeheersing. Niets voor niets wijst ook het LEI op het belang van voorraden om prijsschokken op de wereldmarkt op te vangen. Met het oog op de klimaatverandering kan de afslanking van de EU namelijk grote risico’s opleveren voor de voedselzekerheid. Dan is het «nooit meer honger» van Mansholt blijkbaar opeens niet meer belangrijk. Met dit pleidooi voor interventie, verstandig voorraadbeheer en productiebeheer sluit ik aan bij wat de Nederlandse Akkerbouwvakbond in het rondetafelgesprek van vorige week naar voren bracht. Ik zeg dat om aan te geven dat dit soort ideeën niet alleen bij de SP leeft.

Voorzitter. Samenvattend, want mij tijd is vast bijna om. Door herstel van de marktordening moet ervoor gezorgd worden dat er weer kostendekkende prijzen voor grondgebonden landbouwproducten kunnen worden betaald en de Europese voedselzekerheid gewaarborgd wordt. Dan kunnen ook zo snel mogelijk alle exportsubsidies en alle handelsverstorende inkomenssubsidies worden afgeschaft.

Wij zijn het met de minister eens dat boeren die blauwe en groene diensten aan de maatschappij leveren, hiervoor kostendekkend moeten worden betaald. Dat kan alleen als de prijssteun wordt hersteld en wordt gekoppeld aan de productie- en exportbeheersing om verstoring van internationale markten te voorkomen. Als je die koppeling loslaat, krijg je afschaffing van de steun en dat zal tot verkeerde dingen leiden.

Voorzitter. Omwille van de tijd zou ik het hierbij in eerste termijn willen laten.

De heer Atsma (CDA): Het pleidooi van de SP-fractie voor quotering van de zuivelmarkt en andere markten is niet nieuw. De heer Polderman is dan ook zeker consistent. Hij weet echter ook dat de kans dat de quotering blijft bestaan buitengewoon klein is, gezien de geluiden die uit Brussel komen. Hij wil dat misschien ontkennen, maar ik denk dat de werkelijkheid toch echt zo is. Hoe beoordeelt hij de Houtskoolschets in het licht van die grote waarschijnlijkheid dat de quotering verdwijnt?

De heer Polderman (SP): Het is juist dat wij consistent zijn. In tegenstelling tot de heer Atsma denk ik echter niet dat het in Brussel een gelopen race is. In Europa zijn ook andere geluiden te horen. Over de melkquotering bestaat nog geen duidelijkheid en bovendien heb ik gehoord dat Frankrijk pleit voor Europees voorraadbeheer. Ik ben er al met al nog niet van overtuigd dat ons geluid geen weerklank in Europa zal vinden. De redenen waarom Frankrijk zijn voorstel heeft gedaan, stemmen waarschijnlijk niet overeen met de onze, maar dat neemt niet weg dat wij het nog steeds met elkaar eens moeten kunnen worden over strategisch voorraadbeheer. Ik ben het dus niet met de heer Atsma eens dat het een achterhaald idee is. In deze tijd zien wij wat er gebeurt als de overheid zaken aan de vrije markt overlaat. Wij moeten daarvan leren. Vandaar ook mijn pleidooi voor overheidsbemoeienis, ook op Europese schaal.

De heer Atsma (CDA): Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik weet ook wel dat sommigen nog steeds vinden dat wij hieraan moeten vasthouden, ook binnen de Kamer. Ervan uitgaande dat door de verdergaande liberalisering en de WTO-onderhandelingen de huidige marktordening met haar quotering zal verdwijnen, vindt de heer Polderman dan nog steeds dat de Houtskoolschets geen goede aanzet is voor het landbouwbeleid voor de periode na 2013?

De heer Polderman (SP): U wilt dat ik inga op een als-danvraag. De WTO-onderhandelingen zijn echter niet voor niets geblokkeerd. U weet ook dat India om hem moverende redenen een stokje heeft gestoken voor een akkoord. Een belangrijke reden was het beheer van de voedselvoorraden in de wereld. U zegt dat ik ervan uit moet gaan dat de liberalisatie door zal gaan. Ik ben echter helemaal niet bereid om in deze redenering mee te gaan. Wij moeten nu eerst een fundamentele discussie voeren en dan pas een beslissing nemen. Ik ben uiteraard niet blind voor de werkelijkheid, maar dat betekent nog niet dat ik u volg in de gedachte dat een neoliberale koers onvermijdelijk is. Ik ga dus niet in op deze als-danvraag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Cramer van de ChristenUnie dat het goed is dat er een visie ligt op het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor 2020. Het is verder prima dat wij daar in dit stadium al met elkaar over kunnen spreken. Het is echter een veelomvattend onderwerp en vandaag doen wij dan ook niet veel meer dan onze eerste aftastende vragen stellen.

Een groot deel van het toekomstig succes van de Houtskoolschets hangt af van de invulling en concretisering van de ambities van de minister en haar opvolger. Wat landschapskwaliteit en natuur betreft kan ik me hier wel iets bij voorstellen, maar wat betreft dierenwelzijn ben ik er nog niet zo gerust op. Het kan namelijk nog knap lastig zijn om een daadwerkelijke slag te maken op het gebied van dierenwelzijn en daarbij struikelblokken als de staatssteuntoets te doorstaan.

Maar er is nog een groter bezwaar. Moeten marginale dierenwelzijnsverbeteringen eigenlijk beloond worden met subsidie of inkomenssteun? Een maatschappelijk aanvaardbaar niveau van dierenwelzijn zou een basisvoorwaarde moeten zijn om te mogen produceren. Dat moet in wettelijke regels worden vastgelegd en niet als een soort keuzemenu aan veehouders worden voorgehouden. En de kosten daarvoor moeten in de prijs worden verrekend. Vlees, zuivel en eieren mogen niet, zoals nu wel het geval is, onethisch laag geprijsd zijn. Daarin kunnen wij zeker iets veranderen als alle maatschappelijke kosten in de prijs worden verrekend. De vervuiler betaalt dan en bovendien wordt er een eerlijke prijs betaald voor producten. Bijkomend voordeel van een hogere, eerlijke prijs is de vermindering van de consumptie van dierlijke producten. En dat past mooi bij de kabinetsbrede aanpak voor duurzame ontwikkeling.

De PvdD-fractie krijgt een beetje buikpijn van deze plannen. Zeker gezien de ecologische en sociale bezwaren die kleven aan de consumptie van dierlijke producten, is het subsidiëren van iets diervriendelijker productieomstandigheden bijna immoreel te noemen. Wij moeten toe naar minder dieren en minder productie als wij de mondiale problemen echt willen aanpakken. Respectvolle omgang met dieren is een op zichzelf staande waarde en de fractie van de Partij voor de Dieren voelt er dan ook niet zoveel voor om dierenwelzijn te degraderen tot een maatschappelijke dienst waar je vrijblijvend voor kunt kiezen en een leuk centje voor krijgt. Hoe ziet de minister dat eigenlijk?

Ik zou graag van de minister horen hoe zij in het kader van de prestatiebeloning het thema dierenwelzijn zou willen invullen. Graag wat concrete voorbeelden die het mogelijk maken om ons hiervan een voorstelling te maken. Wij vinden het onaanvaardbaar dat zo dadelijk een behangetje hier en een handje stro daar door kunnen gaan voor dierenwelzijnsprestaties waarvoor de samenleving moet dokken.

De herziening van het Europese kwaliteitsbeleid biedt wellicht betere aanknopingspunten om prestaties op het gebied van dierenwelzijn te integreren in het Europees beleid en dierenwelzijnsvriendelijker producten te onderscheiden van de rest. Welke bijdrage heeft de minister geleverd aan het Groenboek? Waar ziet zij kansen als het gaat om dierenwelzijn en etikettering?

De doorkijk van de minister naar 2020 zou ook al nu zijn weerslag moeten krijgen in de Health Check om een soort zachte landing te realiseren. Als ik echter de inzet van de minister bij de Health Check bekijk, verbaast het me dat zij in de Houtskoolschets wel een lans breekt voor belonen naar maatschappelijke prestaties na 2013, maar niet meegaat in voorstellen van de commissie om dat nu al te doen. Ik denk dan aan verdergaande modulatie en het instellen van bufferzones. Waarom stelt zij zich zo op?

Via de artikel 68-mogelijkheid wil de minister een kleine maatschappelijke slag maken, zodat – het zijn haar eigen woorden – «het geld in ieder geval op en rond het erf blijft hangen». Het gaat om flankerende maatregelen en om een sterkere koppeling van inkomenssteun aan maatschappelijke prestaties. In hoeverre heeft de minister in dit kader al concrete ideeën voor flankerende maatregelen? Vallen die ideeën in de categorie pappen en nathouden of moeten wij denken aan steun bij omschakeling naar biologische veehouderij? Uiteindelijk zijn de eisen van de biologische veehouderij immers het minimum waaraan moet worden voldaan om een acceptabele vorm van dierenwelzijn te garanderen.

Ik wil dit vooral weten, omdat de bio-industrie aast op nog meer Europese subsidies en artikel 68 als een uitgelezen kans ziet. Vleesgigant Vion wil inkomenssteun laten landen op het erf van de intensieve veehouder. Ik heb daar grote moeite mee. Het kan toch niet zo zijn dat de bio-industrie zo meteen wordt gesubsidieerd in het kader van maatschappelijke prestaties? Duurzaamheid in de intensieve veehouderij is een contradictio in terminis en dierenwelzijnsprestaties in die sector slaan als een tang op een varken. Ik ben benieuwd of de minister mijn mening deelt.

Ik ben blij dat de minister de kalverindustrie in 2010 gaat ontkoppelen, alle geuite bezwaren ten spijt. Het lijkt mij goed dat de productie van kalveren wordt gestaakt of ingekrompen. Ik geef de minister graag een steuntje in de rug en ben erg benieuwd wanneer de eerste stappen worden gezet voor de uitwerking.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. De uitgangspunten van de minister, de maatschappelijke waarden voedselveiligheid, voedselzekerheid, de relatie met het landschap en de zorg voor milieu en dierenwelzijn, zijn uiteraard ook de uitgangspunten van de VVD-fractie. Ook de analyse en de aanbevelingen van het SER-rapport, die mede de basis vormen voor de Houtskoolschets, onderschrijven wij.

De Houtskoolschets betreft de periode na 2013. Ik denk dat wij daarmee in de pas lopen met het voornemen om vanaf 2013 het historisch model te verlaten. Afspraak is immers afspraak en wij moeten de sector de tijd geven om te anticiperen op veranderingen.

Hoe zie ik de omslag die wij moeten gaan maken? Wij weten allemaal dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de toekomst nog sterker op de markt georiënteerd zal zijn. Die ontwikkeling ondersteunen en stimuleren wij. Het toekomstige GLB dient dan ook regels te bevatten voor de inhoud en de financiering van instrumenten die risico’s van buiten de markt kunnen opvangen: het vangnet. Ook ik ben heel benieuwd naar de manier waarop de minister daaraan invulling gaat geven.

Het GLB moet zich richten op het waarborgen van een gelijk speelveld binnen de EU en daarbuiten. Dat houdt in dat er financiële kaders dienen te blijven voor het compenseren van cross compliance. Verder moet een en ander natuurlijk gezien worden in het verband van de discussies die in WTO-verband gevoerd gaan worden. Ook moet het GLB compenseren voor natuurlijke en bestuurlijke handicaps.

De heer Atsma (CDA): Ik ben het zeer met mevrouw Snijder eens dat wij moeten zorgen voor een gelijk speelveld. Ik meen mij echter ook te herinneren dat in het conceptverkiezingsprogramma van de VVD voor de Europese verkiezingen wordt gepleit voor een terugtrekkende beweging en renationalisatie. Is dat niet de bijl aan de wortel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Het is een prachtig conceptverkiezingsprogramma, maar de lijnen worden toch nog steeds echt door de VVD-fractie en onze mensen in het Europees Parlement getrokken. U vraagt nu naar een onderwerp dat alles te maken heeft met onze visie op het plattelandsbeleid en niet zozeer met het renationaliseren van het landbouwbeleid. De uitgangspunten die ik zojuist noemde, staan voor ons centraal.

De heer Atsma (CDA): Het pleidooi voor renationalisatie en meer invloed op nationaal niveau is toch zeker levensgevaarlijk voor de positie van Nederland, de Nederlandse boeren en hun gezinnen en onze positie als exportland nummer één van de wereld.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): U hebt zojuist gehoord wat mijn uitgangspunten zijn en dan kunt u niet met droge ogen beweren dat ik een voorstander ben van het renationaliseren van het gemeenschappelijke landbouwbeleid. Ik zeg zo meteen overigens nog wel iets over het renationaliseren van het plattelandsbeleid.

Voorzitter. In het vierlagensysteem van de minister is de sector zelf, die een heel grote rol speelt in het landelijk gebied, volkomen buiten beeld in vakje 1. Het kabinet stelt namelijk dat een hectarepremie alleen verstrekt zou moeten worden in maatschappelijk waardevolle gebieden. Dat kan naar mijn gevoel echt niet. De boeren die daar hun bedrijf hebben, produceren namelijk onder hoge eisen zoals de cross compliance. Hoe ziet de minister dat?

Het plattelandsbeleid. Laat ik helder zijn: de lidstaten moeten het plattelandsbeleid voor een groot deel zelf invullen. Landbouwbeleid hoort volgens ons in Europa. Daar bepalen wij het speelveld. Maar de invulling van het plattelandsbeleid hoort daar niet. Overigens valt hier volgens de minister een wel heel grote waaier aan activiteiten onder. Ik betwijfel dus of wij wel moeten willen wat de minister nu voorstelt. De nationale invulling van het plattelandsbeleid zal heel divers zijn. Hoe moeten wij daar dan nationale prijslijstjes bij maken? Iedere lidstaat zal immers zijn eigen plaatje willen realiseren. De een wil iets voor zijn bergen doen en de ander voor zijn bomen, water of fietspaden.

De minister schrijft dat zij het hele complex van waterbeheer wil plaatsen in het plattelandsbeleid. Ik twijfel eraan of dat een goede keuze is. Hetzelfde geldt voor het voornemen van de minister in de Houtskoolschets om alle maatschappelijke prestaties te belonen, ook die van terreinbeherende organisaties. In het Alterrarapport staat bovendien dat voor de bijzondere doelstellingen ook de natuurorganisaties moeten kunnen putten uit wat ooit het gemeenschappelijk plattelandsbeleid was. Dat is niet wat de VVD-fractie wil.

Voorzitter. De VVD-fractie wil een gemeenschappelijk landbouwbeleid binnen de kaders die ik zojuist heb geschetst. Wij willen geen gemeenschappelijk plattelandsbeleid en zeker geen prijslijstjes. Laten wij helder zijn: juist het gemeenschappelijk landbouwbeleid is essentieel, ook voor de onderhandelingen met de WTO die zeker weer zullen komen. Daar zullen wij goede kaders moeten scheppen en die horen los te staan van fietspaden, waterberging en natuuronderhoud door natuurorganisaties.

De heer Cramer (ChristenUnie): Wij zijn het waarschijnlijk eens over het belang van de groene en blauwe diensten. Hoe denkt u die te gaan financieren als het geld daarvoor niet gevonden mag worden in het gemeenschappelijk landbouwbeleid?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Het plattelandsbeleid is een extra laag. De basisvergoeding van boeren voor cross compliance en het bevorderen van dierenwelzijn vinden wij oké. In een aantal regio’s zal men inderdaad met extra belemmeringen worden geconfronteerd. Dat deel van de redenering volg ik, maar ik wil niet dat alles wat je maar kunt bedenken bij het plattelandsbeleid, hieronder gaat vallen. Daarom noemde ik waterberging. Waterberging gaat mijns inziens verder dan een blauwe dienst.

De heer Cramer (ChristenUnie): Volgens u moet het dus louter en alleen uit de cross compliance worden gehaald?

De heer Waalkens (PvdA): Ik kan de redenering van mevrouw Snijder goed volgen. Zij zet de regionalisatie van het plattelandsbeleid voorop. Is zij echter ook bereid om het door middel van extra modulatie te financieren? Je kunt wel van alles willen, maar als het geld ontbreekt, houdt het snel op.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Waarover ik sprak met de heer Cramer, valt onder het landbouwbeleid. Dat mag ook daaruit worden gefinancierd. Voor alle extra toeters en bellen moet wat ons betreft geen geld van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden gebruikt.

De heer Waalkens (PvdA): Uit uw redenering volgt volgens mij dat die extra modulatie gezien moet worden in het kader van de transitie van het historische model naar functionele hectarepremies. Daarvoor is geld nodig en daar moet je voor willen moduleren.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Het is maar net waar je het geld voor inzet. Als het aan mijn fractie ligt, geven wij het geld niet uit aan dat hele brede speelveld.

De heer Waalkens (PvdA): Ik begrijp uw beperkingen. Het gaat nu echter wel om de financiering en niet om de te financieren doelstellingen van het beleid. Het gaat om het systeem van financiering. Bent u bereid om in Europa en Nederland te pleiten voor extra modulatie?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Nee.

De heer Atsma (CDA): Voorzitter. Wij spreken vanmorgen niet over het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot 2013 en dus ook niet over mijn grote zorgen over de ontkoppeling in de suikersector, de kalversector en de vlasteelt. Alle vragen daarover komen op een later tijdstip aan de orde. Dat betekent overigens niet dat ik geen zorgen meer heb, want die heb ik nog steeds. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de zachte landing in de zuivelsector.

Wij spreken vandaag over de Houtskoolschets van de minister en die betreft de jaren na 2013. Laat ik maar met de deur in huis vallen: de CDA-fractie is blij dat het kabinet vindt dat er ook na 2013 gemeenschappelijk landbouwbeleid dient te zijn. Dat standpunt is winst en onderscheidt het kabinet van een aantal partijen dat inmiddels een conceptverkiezingsprogramma het licht heeft doen zien. Het is goed dat er een heldere uitspraak ligt over het landbouwbeleid en wel dat dat moet blijven bestaan. Het gaat daarbij straks natuurlijk over de vraag hoe het ingevuld moet worden.

Het is goed dat Nederland als eerste met een aanzet komt voor een discussie over de invulling. Overigens is mijn fractie van mening dat die discussie pas van start kan gaan als de discussie over de Health Check op een fatsoenlijke manier is afgerond. Dat zal iedereen duidelijk zijn na de eerdere inbrengen van mijn fractie.

Mijn fractie is blij met de visie van de minister op de ontwikkelingen, maar wij hebben nog een heleboel vragen, vragen die op heel veel onderwerpen betrekking hebben. Ik zal er nu een aantal stellen. Ik begin met de opmerking dat het kabinet zich niet mag isoleren binnen Europa door al te veel voor de muziek uit te lopen. De Houtskoolschets doet dat overigens niet. In de kernelementen, versterking van de concurrentiekracht, innovatie, voedselzekerheid, voedselveiligheid, voedselkwaliteit, groene en blauwe diensten en de steun aan gebieden met beperkingen, kan de CDA-fractie zich vinden. Het is voor ons heel belangrijk dat het kabinet uitspreekt dat eenieder die agrarische activiteiten verricht, in aanmerking komt voor prestatiebeloning. Dat betekent heel simpel dat het geld op het boerenerf blijft en dat is de inzet van mijn fractie. Als dit de goede uitleg is, is het werk van de minister zeker een compliment waard.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik ben bang dat het geld juist buiten het boerenerf terecht zal komen als gevolg van het beleid voor de natuurdoelstellingen.

De heer Atsma (CDA): Er hoeft geen twijfel over te bestaan: de CDA-fractie is erop tegen dat boerengeld buiten de boerensector verdampt. Wij vinden met andere woorden dat het bij die sector terecht moet komen die invulling geeft aan het landschap. Boeren zijn de stoffeerders, de aankleders, de dragers, de inrichters en de beheerders van het landschap. Het geld hoort dan ook in de eerste plaats naar hen te gaan.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Het is een prachtige opsomming van wat boeren allemaal doen. Ik ben het daar ook helemaal mee eens, maar dat etiket kun je ook op natuurbeschermingsorganisaties plakken.

De heer Atsma (CDA): Alles kan.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik zet het even op scherp: bent u het nu wel of niet eens met wat de minister hierover in de Houtskoolschets heeft geschreven?

De heer Atsma (CDA): De CDA-fractie zegt met de minister dat het geld ten principale op het boerenerf terecht dient te komen, zo heb ik de Houtskoolschets in ieder geval gelezen. Ik hoor graag van de minister een bevestiging. De CDA-fractie vindt het verder prima dat allerlei organisaties en instellingen zich bezighouden met het landschap, maar boerengeld hoort bij de boeren te blijven. Zij zijn de stoffeerders van het landschap en daar hoort het geld thuis.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Boerengeld? Ik begrijp waarom u het zo noemt, maar het is natuurlijk gewoon gemeenschapsgeld. Dat dit geld ooit voor boeren is geoormerkt, doet er niets aan af dat het gewoon belastinggeld is.

De heer Atsma (CDA): Als ik het heb over boerengeld, gaat u dat natuurlijk door merg en been. Het is u ongetwijfeld een gruwel en u wordt er waarschijnlijk beroerd en misselijk tegelijk van, maar het is niet anders! U weet ook dat een groot deel van het natuurareaal in Nederland door boeren wordt beheerd en onderhouden. Ik kan het dan ook niet mooier maken dan dat boeren het landschap voor ons hebben ingericht en onderhouden. Wat mij betreft gaan zij daar tot in lengte van jaren mee door en daarvoor moeten zij beloond worden.

Mevrouw Ouwehand (PvdA): Ik denk dat je gemeenschapsgeld niet op zo’n manier kunt oormerken. Overigens denk ik dat een lid van de VVD met het oog op het vrije ondernemerschap hier ook op tegen zou moeten zijn. Het is en blijft een vreemd standpunt voor parlementariërs die verantwoordelijk zijn voor de belastingpot.

De heer Atsma (CDA): Ik heb hieraan niets toe te voegen.

De komende tijd gaat het natuurlijk vooral om de uitwerking van de plannen en het verwerven van draagvlak. Wanneer gaan wij wat doen en met wie? Al die vragen liggen straks bij de minister op tafel. Ik ben zelf heel benieuwd hoe zij daarop gaat antwoorden. Voor mij staat overigens al wel vast dat er draagvlak moet zijn, want dat is een voorwaarde om ook na 2013 het beleid op een zinvolle manier te kunnen invullen.

De vraag is waar boeren precies voor beloond moeten worden. De minister schrijft dat het om een marktconforme prestatiebeloning moet gaan. Maar wat is een marktconforme prestatiebeloning voor diensten die je de samenleving aanbiedt? Halen wij het straks uit een soort van menukaart? Hoe gaat de minister dit met de betrokken sectoren invullen?

De minister heeft nog geen antwoord gegeven en ook niet kunnen geven op de vraag over hoeveel geld wij het precies hebben na 2013. Dat is de cruciale vraag voor de komende tijd. Met het gemeenschappelijk landbouwbeleid is op dit moment ongeveer 40 mld. gemoeid. Daar komt nog een flinke schep voor het plattelandsbeleid bovenop. Ik benadruk dat het kabinet in de periode tot 2013 niet mag tornen aan de budgetten voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Wat gaan wij na 2013 oormerken voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid? Dat er geld beschikbaar moet blijven, is evident. Ik heb al aangegeven waarom. Ik ben ook blij dat de minister dat zelf ook erkent.

Wat zijn maatschappelijk waardevolle gebieden? Het is voor mij een open vraag. Het is een term die je gemakkelijk gebruikt, maar zijn het nu de nationale landschappen of de Natura 2000-gebieden? Ik vind dat het alle cultuurlandschap betreft en dat betekent dat in principe geen enkele boer uitgesloten mag worden.

Mijn volgende opmerking heeft betrekking op het risico dat er te vrijblijvend wordt ingezet op nationale cofinanciering. Ik vind dat cofinanciering altijd zal moeten. Je doet het of je doet het niet en als het een optie is, dan moet het verplicht worden gesteld. Doe je dat niet, dan leidt dat tot willekeur binnen Europa. In een interruptiedebatje met collega Snijder zei ik al dat wij dat niet zouden moeten willen.

Ten slotte een vraag die collega Waalkens al stelde. De minister zou de Kamer informeren over de studie die zij heeft ingesteld naar de overgang naar de «flatter rate». De CDA-fractie heeft eerder gezegd: voor 2013 begint u daar niet mee, ook niet met experimenten. Hoe staat het met het onderzoek naar die «flatter rate»?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb gesproken over de vier blokken van de minister. In het eerste blok lijkt het kabinet volledig afscheid te nemen van hectarepremies voor de hele sector. Mag ik ervan uitgaan dat dit ook niet op uw instemming kan rekenen? U zegt immers dat alle boeren stoffeerders zijn.

De heer Atsma (CDA): Dus heb ik tegen de minister gezegd dat ik benieuwd ben naar de uitwerking en de wijze waarop het draagvlak wordt georganiseerd. Ik zet vraagtekens bij elke beperking die op voorhand wordt aangebracht.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): U laat het daarmee over aan de minister. Ik zou echter graag horen wat het uitgangspunt van de CDA-fractie is.

De heer Atsma (CDA): De CDA-fractie kiest in ieder geval niet voor de benadering van het conceptverkiezingsprogramma van de VVD voor de Europese verkiezingen. Wij gaan voor maatwerk voor de primaire sector. Ik deel dan ook uw mening dat je niet op voorhand een grote groep mag uitsluiten.

De heer Polderman (SP): De positie van de CDA-fractie blijft onduidelijk. In de Houtskoolschets staat heel duidelijk dat de steun in het eerste blok gaat verdwijnen. Mevrouw Snijder stelt heel helder dat die steun moet blijven bestaan. Dat begrijp ik, ook al is het vreemd dat zij niet aangeeft hoe ze die steun wil financieren. De andere blokken, de toeters en bellen, moeten volgens haar landelijk beleid blijven. Dat is allemaal glashelder, maar dat geldt niet voor de CDA-fractie. Wat wilt u nu precies? U zegt dat boeren de stoffeerders van het landschap zijn, maar in de Houtskoolschets staat dat de steun, 95% van het budget, niet voor iedereen blijft bestaan. De SP-fractie vindt dat de steun moet blijven bestaan en gericht moet worden op de inkomenspositie van boeren,overheidssteun en marktregulering door voorraadbeheer. U laat de wereldmarkt gewoon zijn gang gaan.

De heer Atsma (CDA): Ook boeren in gebieden met minder beperkingen verdienen steun, want zij investeren net zo goed in de samenleving en het landschap als boeren in gebieden met een beperking. Dat wil niet zeggen dat je niet mag differentiëren, maar je mag niet op voorhand grote groepen ondernemers uitsluiten. Als je dat doet, bepaal je met een pennenstreek op de kaart en dus willekeurig wie wel of niet voor steun in aanmerking komt. Ik vind dat niet terecht. Alle ondernemers in Nederland die investeren in maatschappelijke diensten en in het landschap, moet daarvoor in principe ruimte worden geboden. Hoe je dat doet, is vers twee, maar je mag niet zeggen: u wel, maar u niet, want u woont op het verkeerde stukje grond.

De heer Polderman (SP): Daarover zijn wij het eens. Ik kan heel ver meegaan met de CDA-fractie op het punt van de minimumprijzen. Ik constateer nu echter wel dat u daarmee afstand neemt van wat in de Houtskoolschets wordt beoogd.

De heer Atsma (CDA): Ik moet mij blijkbaar nog een keer herhalen. De CDA-fractie is blij met deze aanzet voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode na 2013. Ik ben inderdaad van mening dat een aantal nuanceringen nodig is. Dat moeten wij bij de concrete invulling van de plannen regelen, want daarvoor is nu nog geen woord op papier gezet. Ik vind inderdaad dat je het niet mag beperken tot nationale landschappen en Natura 2000-gebieden. Ik kan duizend en één gebieden noemen waar het ook lastig boeren is en dan kun je niet op voorhand tegen deze boeren zeggen: u hebt pech, want de Kamer heeft een ander stempeltje voor u bedacht.

Voorzitter: Cramer

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Ook de SGP-fractie verwelkomt de voorzet van de minister. Ik vind met haar dat ook na 2013 Europees landbouwbeleid nodig is. De Europese en de wereldmarkt, profilering in WTO-verband, de vrijhandelsdiscussie en de interne regelgeving, die niet mag leiden tot concurrentievervalsing, zijn daarmee gediend. Ook de thema’s voedselzekerheid en duurzame productie zijn, gelet op de positie van de ontwikkelingslanden, in het geding. Het is goed dat de minister hiervoor een voorzet heeft gegeven.

Het afschaffen van de inkomenssteun en de uitbouw van vergoedingen voor maatschappelijke prestaties maken deel uit van de transitie die wij door moeten maken. Als maatschappelijke waarden en maatschappelijke prestaties worden natuur, milieu, landschap en dierenwelzijn genoemd. Aan de basale activiteit, de voedselproductie zelf, stellen wij de eis dat zij goedkoop en gezond is en in voldoende mate beschikbaar. Dat betekent dat ook hier sprake is van een publieke prestatie. Hoe zal daarmee in de toekomst worden omgegaan?

In de Houtskoolschets worden als voorbeeld de kosten van de bestrijding van dierziekten en de fytosanitaire maatregelen genoemd. Deze kosten worden bij de consument neergelegd in de vorm van hogere prijzen. De cruciale vraag daarbij is echter nog steeds wat de boer daarvan terugziet.

Bij de beloning van maatschappelijke prestaties zie je nuances in de definities. Ik lees dat ze marktconform moeten zijn en dat ze gelijk moeten zijn aan de door de maatschappij toegekende waarde aan de geleverde prestatie en dat ze gebaseerd moeten zijn op de kosten van de inzet. Dat zijn drie verschillende invalshoeken. De vraag is hoe die samen kunnen komen, zonder dat dat leidt tot te veel bureaucratie. Zijn de subsidies overigens wel of niet kostendekkend? Als de marktconformiteit wordt geïntroduceerd, moeten zij zelfs meer dan kostendekkend zijn.

Het LEI pleit voor voorraadbeheer. Graag een reactie van de minister.

De zuivelmarkt laat zien dat de vrije markt risico’s en conflicten kent. Machtsconcentraties spelen in deze markt een grote rol, nationaal maar zeker ook internationaal. De melkveehouder kan «in zijn uppie» de consumentenprijzen daardoor niet beïnvloeden. Vraag en aanbod werken lang niet altijd optimaal. Daarop zou moeten worden gereageerd, ook in de verdere toekomst.

De doorwerking naar de ontwikkelingslanden. Het is de vraag of het wel bij arme ontwikkelingslanden en arme boeren terechtkomt of dat relatief ontwikkelde landen als Brazilië met de buit gaan strijken.

Gelijke productievoorwaarden voor boeren binnen en buiten de EU. Er moeten hoge wettelijke eisen worden gesteld met als doel een gelijk speelveld. De non-trade issues komen in WTO-verband matig aan de bak, waardoor het er eigenlijk maar slecht mee is gesteld. En dat stemt mij niet erg hoopvol.

Voorzitter: Van der Vlies

De voorzitter: De heer Cramer heeft zoals aangekondigd deze zaal verruild voor de plenaire zaal.

Antwoord van de minister

Minister Verburg: Voorzitter. Ik bedank de commissie voor haar inbreng en in het bijzonder voor haar waarderende woorden voor het moment waarop ik ben gekomen met de Houtskoolschets voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode na 2013. Dat getuigt van de toekomstvisie die bij de Kamer leeft en het besef dat je niet in een termijn van twee jaar zo’n visie kunt behandelen. Zo’n visie hoort tijdig te worden voorgelegd.

De heer Waalkens wees er terecht op dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid ruim vijftig jaar bestaat. Dat heeft Europa noch de wereld windeieren gelegd. Gezien het belang van voedselproductie, voedselzekerheid, voedselveiligheid en voedselkwaliteit hebben wij ook na 2013 een gemeenschappelijk Europees landbouwbeleid nodig. Dat is de reden waarom in de Houtskoolschets voedselproductie, voedselzekerheid, voedselveiligheid en voedselkwaliteit zo’n nadrukkelijke rol hebben gekregen. Het moeten na 2013 de centrale items worden in het vernieuwde gemeenschappelijk landbouwbeleid. Tegen de mensen die zeggen dat het wel wat minder kan of dat er een omslag naar plattelandsbeleid nodig is, zeg ik: vergis u niet, het is juist goed dat het belang van en de waardering voor voedsel weer centraal op de agenda staan. Voedsel is een eerste levensbehoefte en dat is de reden dat de overheid nooit met haar rug naar het landbouwbeleid mag gaan staan. Overigens geldt dat ook voor het financiële beleid en het bancaire beleid, zoals wij nu allemaal merken. De overheid mag dus nooit en te nimmer zich onverschillig opstellen tegenover landbouw en voedselproductie.

De Kamer maakt terecht onderscheid tussen de discussie over de Health Check, de tussenbalans van het GLB 2003–2013, en de discussie over de periode na 2013. Zonder vooruit te lopen op de uitkomsten van de Health Check, durf ik al wel te starten met de voorbereiding van het beleid voor de periode na 2013. Als je zorgvuldig wilt opereren en draagvlak wilt verwerven als betrouwbare overheid, moet je vroegtijdig met de voorbereiding beginnen. Verschillende sprekers hebben er terecht op gewezen dat maatschappelijk draagvlak en draagvlak in de sector en de verwerkende sectoren van groot belang is.

De heer Waalkens zei dat de Houtskoolschets de contouren van het beleid voor na 2013 aangeeft, terwijl het volgens mevrouw Ouwehand een visie is. Dat klopt allebei, want het is geen vrijblijvende voorstudie. Ik beluisterde dat in een van de bijdragen, maar de Houtskoolschets is dus wel degelijk de visie op en het stuk met de contouren van het beleid voor na 2013. Deze moeten worden ingevuld in samenspraak met de sector, maar dat laat onverlet dat het dé visie van het kabinet is.

Wij gaan voor een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid en de elementen van dit beleid zien op die drie onderdelen die zo prominent in de notitie worden behandeld. Dit beleid is gericht op versterking van de concurrentieen innovatiekracht en de verduurzamingsslag. Daarop sturen wij en daarop zullen wij blijven sturen. Daar liggen ook heel grote kansen. Dit beleid ziet op het belonen van boeren in gebieden waar het minder aantrekkelijk zou kunnen zijn om agrarische activiteiten te ontplooien. Deze activiteiten zouden zonder ondersteuning namelijk verdwijnen. In andere landen spreekt men over bergboeren. Die kennen wij natuurlijk in ons vlakke land niet, maar wij zullen bereid moeten zijn om boeren te belonen als wij hen willen behouden voor bijvoorbeeld landschapsbeheer.

Boeren kunnen er zelf voor kiezen om bij te dragen aan maatschappelijk gewaardeerde diensten. Ik heb dat uitgewerkt in de Houtskoolschets. Wij willen af van de compensatiegedachte, want boeren die een zichtbare maatschappelijke waarde toevoegen, verdienen een reële beloning. Wij hebben daarmee overigens al enige ervaring opgedaan in de regeling voor blauwe en groene diensten. Het is mijn streven om marktconform te belonen via een systeem waarvoor boeren zelf kunnen kiezen. Dat systeem zal eenvoudig, transparant, betaalbaar, controleerbaar en arm aan administratieve lasten moeten zijn.

Verschillende woordvoerders vroegen of ik al iets kan zeggen over de budgettering na 2013. Daarover valt nog niets te zeggen, omdat de discussie daarover nog gevoerd moet worden. Wij moeten ons echter wel goed realiseren dat na 2013 de toegetreden landen uit Centraal- en Oost-Europa voluit willen delen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Met deze en andere ontwikkelingen zullen wij terdege rekening moeten houden.

De heer Cramer vroeg naar de manier waarop ik de Nederlandse visie heb uitgedragen op de informele landbouwraad. De heer Atsma vroeg in dat verband of Nederland niet uit de pas loopt met andere lidstaten. Dat doen wij juist niet! Op de informele raad is de Houtskoolschets uitgedeeld, maar niet besproken. In de bilaterale gesprekken dragen wij natuurlijk uit waar Nederland op aanstuurt. In deze gesprekken heb ik veel waardering ontmoet voor het Nederlandse initiatief. Dat is positief, want als je in een discussie die nog op gang moet komen, de leiding hebt, kun je gemakkelijker een voorhoedepositie blijven bekleden. Nederland heeft deze vijftig jaar gemeenschappelijk landbouwbeleid altijd een voorhoedepositie willen en durven innemen. En dat moeten wij in de komende periode ook doen, want wij beschikken nu eenmaal over een belangrijke innovatieve land- en tuinbouwsector.

De heer Polderman zei dat ik te veel zaken aan de markt over zou laten. Ik denk dat hij dan niet goed heeft gelezen wat hierover in de Houtskoolschets staat. Daarin schrijf ik inderdaad dat de Nederlandse landbouwsector meer moet gaan produceren voor wereldmarktprijzen en dat agrarische ondernemers zich erop zullen moeten instellen dat deze prijzen kunnen fluctueren. Net als elke andere ondernemer zullen zij dan ook een buffertje moeten opbouwen. Zij zullen ervoor moeten zorgen dat ze tegen een stootje kunnen. Dat laat onverlet dat ik blijf sturen op Europese kaders, vanwege de maatschappelijke waarden die veilig gesteld moeten worden. Deze maatschappelijke waarden houden zich namelijk lang niet altijd aan nationale grenzen. Ik noem diergezondheid en dierenwelzijn. Het is mijn overtuiging dat wij dat op Europees niveau moeten regelen.

Mevrouw Ouwehand wijs ik er maar op dat wij hier de voorhoede vormen. Verder noem ik het belonen in de derde categorie van extra investeringen in dierenwelzijn. Daarover zijn nog geen Europese afspraken gemaakt, maar Nederlandse ondernemers zijn wel bereid om daar met extra investeringen een schepje bovenop te doen. Ook hierover willen wij Europese afspraken maken om een gelijk speelveld te krijgen. Het kan immers niet ons doel zijn om dierenwelzijn alleen in de lidstaat Nederland te bevorderen. Als wij gaan voor dierenwelzijn, moeten wij dat op Europees niveau en WTO-niveau doen. De Nederlandse inzet bij de WTO-onderhandelingen is bekend. Het is dan ook buitengewoon jammer dat het in juni niet is gelukt. Mevrouw Ouwehand mag er echter van uitgaan dat ik dierenwelzijn steeds maar weer als non-trade concern op de agenda van de WTO zet.

Op Europees niveau willen wij de innovatie en de verduurzaming van de landbouw regelen. De landbouw moet gaan bijdragen aan onze welvaart, zonder dat dit ten koste gaat van het milieu of ontwikkelingslanden. Sterker nog: wij hebben een speciale verantwoordelijkheid tegenover ontwikkelingslanden. De heer Waalkens en de heer Van der Vlies hebben daar ware woorden over gesproken. Ten slotte mogen wij kosten ook niet afwentelen op toekomstige generaties.

Het Europese speelveld is nodig om elkaar scherp te houden en om binnen de WTO een deuk in een pakje boter te kunnen slaan. Het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid is ook belangrijk voor de vangnetten die wij nodig hebben bij crisisinterventie. Ik ben van mening dat risico’s, waarvoor een ondernemer zich kan verzekeren, ook voor boeren onder de ondernemersrisico’s vallen. Dat geldt niet voor bijzondere risico’s als buitengewone klimatologische omstandigheden. Daar ligt zeker een rol voor de EU en dat geldt al helemaal voor een dierziektecalamiteit. Ik heb geen uitputtend lijstje opgesteld, maar dit is het soort crises waaraan men moet denken. Bij interventiemaatregelen moet gedacht worden aan de mogelijkheid om snel te schakelen. Verder moeten crisismaatregelen zo lang als nodig en zo kort als mogelijk van kracht zijn.

De heer Waalkens stelt dat de hoofddoelen niet helemaal aansluiten bij de nieuwe doelen energie, klimaat, water en voedsel. Die nieuwe doelen komen echter wel degelijk nadrukkelijk terug in de Houtskoolschets, wat onverlet laat dat ze nog verder uitgewerkt moeten worden.

Spannen wij niet het paard achter de wagen bij de maatschappelijke prestaties? Deze vraag van mevrouw Ouwehand heb ik beantwoord. Zij sprak overigens over een tang op een varken, maar dat mag niet van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is wel mooie beeldspraak voor de intensieve veehouderij. Ik laat daarmee namelijk zien wat onze visie is op de zogenaamde dierenwelzijnsverbetering als maatschappelijke prestatie. Ik besef dat onze visies haaks op elkaar staan, maar het lijkt mij toch beter om het niet te hebben over dierenwelzijn als wij in Nederland besluiten om spijlen in betonnen roosters van 11 millimeter terug te brengen naar 10 millimeter. Als je dat dierenwelzijn noemt, zeg je iets wat als op een tang op een varken slaat. Die pijnlijke beeldspraak is dan wel degelijk treffend.

Minister Verburg: Wij moeten er geen spelletje van maken, want dan zou ik misschien weer gaan zeggen dat ik bij het dierenwelzijn geen parels voor de zwijnen wil gooien.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Laten wij met zijn tweeën meedoen aan Tien voor taal!

Minister Verburg: Dat zou een mooi gezicht zijn! De kijkcijfers zouden omhoog vliegen!

Voorzitter. Aan dierenwelzijn stellen wij wettelijke eisen. Dat is de bodem. Verder zijn hierover Europese afspraken gemaakt. Er zijn echter ook ondernemers die aan de nieuwste inzichten willen kunnen voldoen als zij overgaan tot investeringen in nieuwbouw. Als zij daarmee het dierenwelzijn een stap verder brengen, moeten wij hun maatschappelijke moed en hun ondernemerschap belonen om ook andere ondernemers daartoe te bewegen. Wij hebben koplopers nodig om het peloton mee te krijgen. Ik kom daarop terug in de uitwerking en de Kamer zal daarop ongetwijfeld diepgaand reageren.

Mevrouw Snijder vroeg naar het viergroepenmodel en meer in het bijzonder of ik niet een groep oversla. Dat doe ik niet, want ik heb het viergroepenmodel van de SER in zijn geheel overgenomen. Groep I zijn boeren die produceren voor de wereldmarkt en alleen voedsel produceren in gebieden zonder beperkingen. Die groep kan wel onder innovatie en verduurzaming vallen, want daaronder vallen in principe alle boeren. Boeren die produceren voor de wereldmarkt kunnen er ook voor kiezen om in groep III te vallen door een bijdrage te leveren aan maatschappelijk gewaardeerde activiteiten.

Mevrouw Snijder vindt dat het plattelandsbeleid losgekoppeld moet worden. Ik heb daar met grote verbazing naar zitten luisteren. Ik zie dat absoluut anders. De heren Cramer, Waalkens en Atsma wijzen er namelijk terecht op dat boeren 70% van ons grondgebied beheren en stofferen met hun dieren en gebouwen. Met het oog daarop vind ik dat boeren na de Health Check en na 2013 gewoon de beheerders van het landschap moeten blijven. Daarvoor moet geen compensatie meer worden gegeven via de cross compliance, want daar moeten wij na 2013 juist vanaf. Ik kan mij overigens niet voorstellen dat de VVD-fractie daar wel aan vast wil houden.

Ik vind het al met al onvoorstelbaar dat mevrouw Snijder het plattelandsbeleid helemaal uit het Europese beleid wil halen. Het hoort erbij, zoals een koe bij een melkveehouder.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): De minister raakt hier aan de kern van de zaak. Zij gaat nu namelijk in op wat ik zie als de eerste laag, want die raakt aan de brede rol van boeren in het landelijk gebied. Zij noemt dat plattelandsbeleid, terwijl ik van mening ben dat dit onder haar eerste laag hoort te vallen. Haar eerste laag heeft in het geheel geen relatie met de rol van boeren als stoffeerders van het landschap. Over het belonen van boeren verschillen wij niet echt met elkaar van mening, maar wel over de naam. De minister noemt het namelijk plattelandsbeleid, terwijl ik het onder de eerste laag vind vallen.

Minister Verburg: Ik ga niet discussiëren over de definitie of over de vraag wat waar onder valt. Ik vind het allemaal prima. Ik heb aangegeven waarvoor het kabinet kiest. Alle boeren, geen enkele uitgezonderd, kunnen een beroep doen op investeringen in innovatie en verduurzaming en op een beloning voor maatschappelijke prestaties. In het laatste geval valt de ondernemer dan ook onder groep 3. Men moet hier dan bewust voor kiezen, maar boeren zijn ondernemers en ondernemers maken hun eigen keuzes.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Het is een cruciaal punt, want de minister zegt terecht dat boeren onmisbaar zijn voor het landschapsbeheer van 70% van het Nederlandse grondgebied. Zij haakt daarbij aan bij het plattelandsbeleid en dat is vreemd, want dit beleid staat los van haar vier lagen. Welke mogelijkheden ziet zij binnen de Houtskoolschets om daarvoor geld vrij te maken?

Minister Verburg: Ik ga maar even voorbij aan uw opmerkingen hierover in eerste termijn, want ik heb daar echt met heel veel verbazing naar zitten luisteren. Boeren spelen verder inderdaad een heel belangrijke rol bij het onderhoud van het landschap en de natuur. Dat doen ze nu al en dat blijven ze in de visie van het kabinet ook na 2013 doen.

Het beloningssysteem wordt veranderd. Wij kennen nu de cross compliance en heel ingewikkelde vormen van compensatie. Daar wil ik vanaf. Ik wil namelijk een systeem dat boeren beloont voor de diensten die zij leveren. Boeren moeten daar echter wel zelf voor kiezen. Als je voor het onderhoud van het landschap een hovenier, een tuinman of een loonwerker laat komen, betaal je hem een uurloon. Dat is waarop ik doel als ik spreek over een marktconforme beloning. En die beloning kan en mag niet losgekoppeld worden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, want dat is daarmee onlosmakelijk verbonden.

De heer Polderman (SP): De minister zegt dat boeren daarvoor kunnen kiezen. Dat betekent dat zij ook kunnen besluiten om het bij hun eigenlijke werk te houden en niets te doen met de toeters en bellen van mevrouw Snijder. Als ze die keuze maken, hebben ze verder niets meer van doen met het Europese landbouwbeleid. Ze zullen hun inkomen dan ook moeten verdienen op de wereldmarkt met al zijn concurrentie. Versta ik u zo goed?

Minister Verburg: Ja. Ik voeg daar wel aan toe dat ook deze boeren zich hebben te houden aan de wettelijke randvoorwaarden. Gelet op de reacties die ik heb gekregen, verwacht ik dat boeren blij zullen zijn met de mogelijkheden voor ondersteuning en de verduurzamingsslag. Daardoor kunnen zij namelijk aan hun ambities voor product- en teeltverbetering blijven werken. Bovendien krijgen zij dan een reële beloning zonder dat zij zoals nu het geval is aan allerlei ingewikkelde voorwaarden moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de compensatieregeling.

Mevrouw Snijder vroeg wie in aanmerking komt voor de beloning van maatschappelijke prestaties. Iedereen die een agrarische activiteit uitoefent, komt hiervoor in principe in aanmerking. Daarmee breid ik de huidige doelgroep dus uit, zowel binnen als buiten de maatschappelijk waardevolle gebieden. Het omgekeerde geldt echter ook: het uitoefenen van een agrarische activiteit is leidend bij de vraag of iemand wel of niet voor een beloning in aanmerking komt. Oefenen ook anderen dan 100% boeren agrarische activiteiten uit? Dat is zo, want ook landgoedeigenaren en andere ondernemers op het platteland doen dat.

De heer Waalkens (PvdA): De minister kan blijkbaar niet uit de schaduw stappen van de boerenbelangen. Wij blijven financieringsmechanismen en financieringsinstrumenten inzetten voor het beheer van de groene ruimte. De minister koppelt dat echter steeds weer aan boerenbelangen. Het beheer van de groene ruimte wordt inderdaad de facto verzorgd door boeren, maar daarom is mij nog niet duidelijk waarom zij het koppelt aan agrarische activiteiten.

Minister Verburg: Ik doe dat, omdat wij het nu hebben over het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Wij zullen de combinatie daarmee steeds moeten zoeken. Natuurbeherende organisaties kunnen overigens ook agrarische activiteiten uitoefenen. Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en provinciale landschappen hebben allemaal eigen inkomstenbronnen, waaronder de beloning voor hun bijdrage aan het onderhoud. Dat is nog niet geregeld voor de agrarische sector, want daarvoor beschikken wij alleen over de compensatieregeling en de Europese inkomenssteun. Als je kiest voor een reële beloning voor een verleende dienst, moet je daarvoor een instrumentarium ontwikkelen.

Mevrouw Snijder vroeg zich af of wij wellicht met nationale prijslijstjes moeten gaan werken. Ik heb hier al iets over gezegd. Ik vind dat boeren een reële beloning moeten krijgen. Daarmee doen wij inmiddels ervaring op bij de groene en blauwe diensten. Wat mij betreft is er na 2013 dus geen cross compliance meer.

De heer Atsma vroeg naar de gebieden waar het ingewikkelder is om alleen voor de markt te produceren. Hoe wij hiermee omgaan, moeten wij nog bezien. Ik denk dat hij daarbij in ieder geval moet denken aan nationale landschappen en Natura 2000-gebieden. Wij beschikken hiervoor echter nog niet over een blauwdruk. De Houtskoolschets is dat namelijk nadrukkelijk niet. Hierop zullen wij dan ook zeker terugkomen als wij de Houtskoolschets de komende tijd gaan uitwerken.

De agrarische activiteiten moeten centraal blijven staan, stelt de heer Atsma. Volgens hem moet er ook na 2013 aandacht zijn voor de situatie op en rond het boerenerf. Dat is voor mij ook heel belangrijk. De agrarische activiteit staat voorop en daarom staan straks bij het onderhoud van het landschap en de natuur agrarische activiteiten centraal.

De heer Van der Vlies wees erop dat veel prestaties niet zichtbaar zijn, bijvoorbeeld diergezondheid, maar dat ik wel zeg af te willen rekenen op zichtbare prestaties. Wat wil ik nu precies? Ik heb daarover al het een en ander gezegd. Een hoog dierengezondheids- en dierenwelzijnsniveau zijn onderdelen die mede bijdragen aan het versterken van de concurrentiekracht van de land- en tuinbouw op een duurzame wijze.

De heer Atsma zei dat ik mij niet mag isoleren binnen Europa. Dat doe ik niet. Nederland wil een positie in de voorhoede innemen en dat doen wij vooralsnog. Wat mij betreft blijven wij dat ook doen.

Cofinanciering is alleen een optie als Europa die verplicht oplegt, zo werd gesteld. Daarmee ben ik het eens. In de Houtskoolschets beschrijf ik het als een optie. Daar zal in een later stadium nog naar gekeken moeten worden. Cruciaal daarbij is voor mij dat cofinanciering het gelijke speelveld niet mag verstoren. Dat is echter wel een van de grote risico’s als je kiest voor cofinanciering.

De transitie bestaat uit drie elementen. De eerste is marktoriëntatie en versterking van de concurrentiekracht. Daarna komt het tweede element: verduurzaming van de productie en verbinding met maatschappelijke waarden, ook op het gebiedsniveau. Het derde element zijn de blauwe en groene diensten en de uitwerking. Wij hebben daar tot 2020 de tijd voor. In de Houtskoolschets staat verder te lezen dat er tussentijds geëvalueerd zal worden om te bezien of wij op de goede weg zijn en of wij het goede tempo hanteren. Als je op weg gaat, moet je altijd om je heen blijven kijken om te zien of je wel helemaal goed zit.

De stapsgewijze invoering betekent dat wij tot 2013 vooral inzetten op ontkoppeling. De stappen die wij daarna zullen moeten zetten, zijn mede gebaseerd op de Europese besluitvorming ter zake. Ik kan nu niet al te veel zeggen over de fasering. Als de Houtskoolschets is omgezet in concreet beleid en duidelijk is hoe het gemeenschappelijk landbouw er, inclusief de budgetten, na 2013 uitziet, kun je stappen voorwaarts zetten. Op dat moment komt ook de vraag aan de orde welke stappen je voor 2013 en welke je na 2013 zet om de sector zich in de gewenste richting te laten ontwikkelen. Ik vind het prematuur om daarover nu al besluiten te nemen. Ik vind dat wij eerst de zaak uit moeten laten kristalliseren om vervolgens een helder stappenplan op te zetten.

Waarom ga ik nu al ontkoppelen? De vragensteller, de heer Cramer, wijs ik erop dat de meeste sectoren al in 2004 zijn ontkoppeld. Toen is gekozen voor uitstel van de ontkoppeling van een aantal sectoren tot 2010.

De heer Cramer vroeg of marktgerichte beloning mogelijk is onder de WTO. Daarover moeten wij in Europees verband afspraken maken. Wij kunnen wel het een en ander doen, maar alleen als wij heel zorgvuldig opereren.

Mevrouw Ouwehand vroeg waarom ik het voorstel van de Commissie voor bufferzones niet volg. Die vraag heeft te maken met de Health Check en niet zozeer met de Houtskoolschets. Ik ben een minister die graag goed gedrag beloont in plaats van strikte regels af te dwingen. De bufferzones zijn bedoeld als compensatie voor de afgeschafte braakleggingsregeling. De Commissie stelt voor om die zones langs waterlopen te plannen. Nederland is een waterland en het zou dan ook grote gevolgen hebben voor Nederland. in het kader van het POP-beheer komt op dit moment het vrijwillig randenbeheer goed tot zijn recht. Het heeft in ieder geval in Brabant tot mooie resultaten geleid. Een combinatie van het POP en de rigide regelgeving voor bufferstroken vind ik geen goed idee. Ik ben hierover echter nog in gesprek met de Commissie.

De heer Polderman pleit voor het behoud van het melkquotum. Daarmee ziet hij af van een zachte landing. Ik wil echter een zachte landing in 2015. Hij heeft organisaties genoemd die het met hem eens zouden zijn. Ik heb echter vastgesteld dat een groot aantal organisaties uit het maatschappelijk middenveld pleit voor een zachte landing en voor een zorgvuldige afbouw via een quotumstijging van 2% à 3% per jaar. Dat moet uiteraard binnen de milieurandvoorwaarden gebeuren. Verder is niemand verplicht om meer te gaan melken. Dat is een keuze van de lidstaten en uiteindelijk van de ondernemers zelf.

De heer Atsma vroeg wanneer de studie naar de «flatter rate» gereed is. Het LEI werkt hieraan en naar verwachting zal het zijn resultaten rond de jaarwisseling naar buiten brengen. Begin volgend jaar heeft hij het dus vers op zijn bordje liggen, uiteraard voorzien van een reactie van mijn hand.

De heer Waalkens vroeg hoe ik om denk te gaan met het voorstel voor ontwikkelingslanden. Ik ben het met hem eens dat het terug moet komen naar de lidstaten. Wij moeten met andere woorden gewoon de bestaande financiële spelregels hanteren. Ik heb verder al aangegeven dat ik bij mijn en de heer Koenders bij zijn collega’s een warm pleidooi hebben gehouden voor de aanpak die wij in onze gezamenlijke nota uiteen hebben gezet. Dat wil zeggen: langjarig investeren in Afrika langs vijf routes. Wij kiezen dus niet alleen voor de snelle vlucht of het grote geld, want dan loop je het risico dat je alleen maar tijdelijk pijn en problemen verlicht, zonder dat er uitzicht is op een structurele oplossing. Een structurele oplossing kost wat meer tijd, maar doelgericht investeren zal Afrika wel helpen om zelfvoorzienend te worden.

De heer Van der Vlies vroeg of de negatieve effecten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op ontwikkelingslanden zullen afnemen. Dat is zeer nadrukkelijk de bedoeling. De handelsverstorende steun wordt namelijk verminderd. Wij zijn zelfs bereid om die in zijn geheel af te schaffen als daarover in WTO-verband afspraken kunnen worden gemaakt. Nederland trekt daar hard aan.

De heer Atsma (CDA): Ik ben het geheel met de minister eens dat draagvlak heel erg belangrijk is. Over het vierpijlermodel heb ik gezegd dat de ondersteuning in de toekomst in principe voor alle boeren binnen handbereik zal komen als ze voldoen aan de voorwaarden. Dat werd in eerste termijn betwijfeld door mijn collega’s Snijder en Polderman. Ik proef nu uit de woorden van de minister dat ik het bij het rechte eind had.

Minister Verburg: De heer Atsma heeft volstrekt gelijk. Zo staat het inderdaad in de Houtskoolschets en bij de uitwerking zal het iedereen vermoedelijk geheel duidelijk worden dat elke ondernemer in aanmerking komt voor innovatie, verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht, en groep 3, de beloning voor maatschappelijke prestaties. Beide zijn dus voor elke agrarische ondernemer beschikbaar en bereikbaar.

Nadere gedachtewisseling

De heer Waalkens (PvdA): Ik bedank de minister voor haar beantwoording.

Ik herken mij voor een deel in haar betoog. Dat geldt echter niet voor de nadruk die zij legt op het gemeenschappelijk landbouwbeleid wanneer zij zegt dat agrarische activiteiten leidend zijn. Wij gaan naar een verbrede doelstelling toe. Tinbergen heeft eerder terecht gezegd dat je geen twee doelen kunt bedienen met één instrument.

Communautair strategisch voorraadbeheer is noodzakelijk. Dat is echter een klein onderdeel van de financiering van plattelandsactiviteiten.

Ik ben het niet eens met de inzet van de minister bij het gelijke speelveld. Regionale verschillen moeten nationaal geprioriteerd worden met nationale financiering. Dat heeft niets te maken met Europa. Het is een regionale invulling van de prioritering. En wij moeten uit de schaduw stappen van louter en alleen de boerenbelangen. Het gaat om een veel breder communautair belang en een veel breder nationaal belang.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Ik bedank de minister voor haar antwoorden, ook al word ik er niet echt gerust van.

Op bladzijde 12 van de Houtskoolschets staat dat het prijsbeleid, oorspronkelijk de motor en het centrum van het GLB, wordt afgebouwd als gevolg van verdergaande liberalisering, grotere marktgerichtheid en de uitfasering van handelsverstorende maatregelen. Als je de motor van je auto weggooit, houd je volgens mij niet zo heel veel meer over. En ik ben bepaald niet gerust op wat ervoor in de plaats komt. De minister wil inkomenssteun en de productiebeheersing min of meer loslaten, terwijl dat nu juist twee zaken zijn die je nooit los zou moeten koppelen. Als je inkomenssteun en productiebeheersing niet centraal stelt in je beleid, ga je grote ongelukken tegemoet. De minister zegt wel dat er een vangnet komt, maar desgevraagd voegt ze daaraan toe dat het alleen geldt voor dierziekten en ernstige klimatologische problemen. Dat vangnet lijkt mij dan veel te dun om te doen wat de minister zegt zo belangrijk te vinden. Ik ben al met al bang dat wij, zowel de boeren als de Europese bevolking, ernstige risico’s gaan lopen.

Ten slotte kom ik terug op de cofinanciering. De minister hecht vooral aan het gelijke speelveld, maar zij houdt toch zeker ook rekening met de bijzondere positie die Nederland als dichtbevolkt land in Europa inneemt? Europa kan wel willen dat wij het landschapsbeheer op dezelfde manier inrichten als een dunbevolkter land als Duitsland, maar volgens mij is dat toch echt te kort door de bocht.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Wij grapten zojuist wat over taalspelletjes, maar het zou mij toch echt een lief ding waard zijn als wij een eerlijk vocabulaire zouden hanteren als wij de omstandigheden beschrijven waaronder dieren moeten leven. Wij hebben het niet over het verbeteren van dierenwelzijn, maar over het wegpoetsen van de allergrootste drama’s die wij dieren aandoen, en dat op heel, heel, heel beperkte schaal. Als wij dat verhaal eerlijk zouden vertellen, zou iedereen inzien dat de voorgestelde hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een heel klein stapje is op een doodlopende weg.

In de kranten lezen wij allemaal dat vooraanstaande opinieleiders vinden dat de huidige crises een mooie kans zijn om ons te bezinnen op de weg die wij in moeten slaan. Ik denk dat dit gemeenschappelijk landbouwbeleid die hoogstnoodzakelijke omslag alleen maar in de weg zit, aangezien wij daarmee op incrementele wijze te kleine stapjes blijven zetten.

Ik heb het Europees kwaliteitsbeleid en het Groenboek aangestipt. Het is mij niet duidelijk wat de inzet van de minister is en welke kansen zij ziet. Dit onderwerp leent zich wellicht meer voor een schriftelijke reactie.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik bedank de minister voor haar beantwoording.

Ik kom terug op de rol van die 80% van de boeren als stoffeerder van het landschap. Het is curieus dat de minister de VVD-fractie op dit punt verwijten maakt. Zij zegt verbaasd te zijn over het afscheid dat de VVD zou nemen van het plattelandsbeleid. Die 70% à 80% van de boeren hoeft wat mij betreft niet uit de pot van de plattelandsontwikkeling te worden gesteund. Deze boeren vallen namelijk gewoon onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Daarvoor dient ook ruimte te bestaan binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het is mij absoluut niet duidelijk hoe de minister die rol in de eerste pijler functioneel wil belonen. Wij dienen rekening te houden met de hoge eisen die wij boeren stellen, ook in die landschappen, op het terrein van dierenwelzijn en non-trade concerns.

De minister zegt dat de maatschappelijke prestaties verbreed kunnen worden naar andere doelgroepen. Dat staat inderdaad in de Houtskoolschets. Mijn fractie vindt dat een glijdende schaal. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid dient in onze visie namelijk op boeren te zijn gericht. Andere zaken vullen wij zelf wel in. Wij moeten Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer niet via een omweg met geld uit Brussel, boerengeld, financieel ondersteunen.

De heer Atsma (CDA): Met dat laatste ben ik het eens. Ik denk echter dat dit niet de conclusie is die je zou moeten trekken uit de Houtskoolschets.

Voorzitter. Ik ben blij met de antwoorden van de minister. Zij heeft veel verduidelijkt. Dat is heel belangrijk. Ik ben verder blij te horen dat de breedte van de primaire sector gezocht wordt als zij nadenkt over het vervolg dat zij wil geven aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

De studie over de «flatter rate» is in december gereed. Wij zullen hierover dus op zijn vroegst begin volgend jaar spreken. Dat is eigenlijk te laat, want ik zou dit onderwerp graag bij de discussie over de Health Check betrekken. Ik denk overigens dat mijn collega’s dat ook van plan waren te doen.

Maatschappelijke prestatiebeloning. Het blijft onduidelijk hoe de minister dat gaat invullen. Ik ga ervan uit dat de minister met de boerenorganisaties gaat overleggen om draagvlak te creëren. Ik herhaal nog maar eens dat de CDA-fractie van mening is dat alle boeren en tuinders maatschappelijke diensten leveren. Ik doe daar geen tittel of jota aan af. Ik ben dan ook blij dat het niet alleen betrekking heeft op boeren die actief zijn in nationale landschappen. Die zijn namelijk vaak volstrekt arbitrair aangewezen. De Kamer heeft er bijvoorbeeld landschappen af gehaald, omdat wij niet wilden dat dorpen op slot gingen. Het was volstrekt arbitrair en het kan niet zo zijn dat een boer gestraft wordt voor het feit dat de Kamer om haar moverende redenen besloten heeft om een bepaald gebied niet aan te wijzen als nationaal landschap.

Ik ben blij met de toelichting van de minister op de cofinanciering. Ik had de Houtskoolschets namelijk zo geïnterpreteerd dat de verplichte cofinanciering zou worden losgelaten. Je kunt dat niet aan de lidstaten overlaten, want dat is een bedreiging voor de positie van de Nederlandse primaire sector. Ik ben blij dat de minister een kanttekening heeft geplaatst die in het verlengde ligt van mijn opvatting. Cofinanciering mag alleen vrij worden gelaten als daaraan strikte voorwaarden zijn verbonden, die garanderen dat het gelijke speelveld wordt gehandhaafd.

Minister Verburg: Voorzitter. De heer Waalkens zegt dat het in het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013 niet alleen om boerenbelangen mag gaan. Ik ben dat zeer met hem eens. Het gaat inderdaad om maatschappelijke belangen. In het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten de maatschappelijke belangen en de maatschappelijke legitimatie gewaarborgd zijn. Daar spelen boeren, hoe je het wendt of keert, een cruciale rol bij. Dat zullen ze ook moeten blijven doen. Het gaat dus niet om boerenbelangen, maar om een veel breder belang. De heroriëntatie van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is nodig om te legitimeren waarom de samenleving in de landbouw, de voedselproductie en in een aantal maatschappelijke diensten en taken investeert. Wij hebben het natuurlijk wel over een substantieel budget, ook na 2013. Die legitimatie moet je scherp neerzetten en daarbij staan voedselproductie en voedselzekerheid op nummer één. Daarvoor heb je een vitale, concurrerende en gezonde landbouwsector nodig. Dat is de reden waarom het gemeenschappelijk landbouwbeleid het boerenbelang overstijgt. Het maatschappelijk belang van boeren is voor mij evident.

De heer Waalkens stelt dat je regionale verschillen nationaal moet financieren. In de Houtskoolschets staat dat cofinanciering een mogelijkheid is. Daarbij zullen wij echter het risico scherp in het oog moeten houden dat cofinanciering in het Europees landbouwbeleid niet tot gemeenschappelijk maar tot nationaal landbouwbeleid leidt. Met het gelijke speelveld moeten wij zorgvuldig omgaan. In Annecy heb ik bergboeren bezocht en ik heb daar met eigen ogen gezien wat hun inkomensplaatje is. En dan valt gelijk op dat men heel stevig wordt gesteund via de tweede pijler. Als de nationale cofinanciering niet aan heel strikte regels wordt verbonden, ontstaan ongewenste nieuwe vormen van concurrentie tussen de lidstaten. Wij zullen dit punt verder uitwerken en ik ben op dit moment nog niet toe aan het trekken van conclusies.

De heer Polderman veronderstelt dat misoogsten niet onder het vangnet zouden vallen. Die vallen natuurlijk wel onder klimatologische calamiteiten, want een misoogst heeft natuurlijk een oorzaak. Wij moeten het nog hebben over de precieze verzekering, want ik wil niet dat elke verzekering een gemeenschappelijke verzekering wordt. Ondernemers moeten zich zelf blijven verzekeren voor de normale risico’s.

Boeren opereren op een markt met randvoorwaarden. Die randvoorwaarden blijven ook na 2013 bestaan, zij het dat de oriëntatie op de wereldmarkt dan sterker is. Dat is ook in ons belang, omdat de wereldmarkt dan hopelijk wat opener is.

Mevrouw Ouwehand gaat het blijkbaar niet snel genoeg. Ik ben in ieder geval blij dat ze sprak over een stapje in de goede richting.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Niet te enthousiast, want het is maar een heel klein stapje.

Minister Verburg: Ik wijs u er dan nog maar eens op dat deze ondernemers zich iedere dag weer afvragen of ze dag van morgen halen. Je moet gewoon rekening houden met de lengte van hun polsstok. Nederland loopt voorop, want bij ons staat dierenwelzijn en dierengezondheid hoog op de agenda. Dat geldt ook voor het kabinet en de Kamer. Ik denk dat wij moeten proberen om reële stappen te zetten. Ik denk dat de Houtskoolschets een stap vooruit is en ik beschouw uw opmerking over een klein stapje maar als een compliment. Blijkbaar is het toch een stap in de goede richting.

Het Groenboek is nog niet gereed. Zodra het gereed is, ontvangt de Kamer het. Wij zullen hieraan zo veel mogelijk bijdragen.

Mevrouw Snijder sprak weer over haar vier velden en het SER-advies. Ik sprak vandaag over de Houtskoolschets. Ik heb het waardevolle SER-advies uiteraard bij mijn afwegingen betrokken. Het was een basisdocument, maar wij hebben gekozen voor onze drie categorieën. Alle boeren kunnen putten uit de eerste en de derde categorie.

Het stuk van het LEI over de «flatter rate» komt eind dit jaar gereed.

Toezeggingen

– De minister zal het Groenboek over het Europees kwaliteitsbeleid naar de Tweede Kamer sturen;

– Rond de jaarwisseling zal het rapport van het LEI over de «flatter rate», inclusief een reactie van de minister, naar de Tweede Kamer worden gezonden;

– De minister zal de uitwerking van de Houtskoolschets op het punt van de maatschappelijke diensten naar de Tweede Kamer sturen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Schreijer-Pierik

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Waalkens

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Dortmans


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD) en Polderman (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Vendrik (GroenLinks), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD) en Lempens (SP).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Atsma (CDA), Van Bommel (SP), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Waalkens (PvdA), voorzitter, Van Baalen (VVD), Ormel (CDA), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Jonker (CDA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Boekestijn (VVD), Pechtold (D66), Ten Broeke (VVD), Gill’ard (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) en Diks (GroenLinks).

Plv. leden: Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), Vos (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Haverkamp (CDA), Lempens (SP), Schermers (CDA), Knops (CDA), Jacobi (PvdA), Samsom (PvdA), Kuiken (PvdA), Teeven (VVD), Spies (CDA), Roemer (SP), Wilders (PVV), Van der Ham (D66), Van der Burg (VVD), Boelhouwer (PvdA), Van Leeuwen (SP), Ouwehand (PvdD), Voordewind (ChristenUnie) en Vendrik (GroenLinks).