Kamerstuk 27570-(R1672)-8

Voorstel van rijkswet van lid Van Oven tot wijziging art. 14 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden; Verslag van de Staten van Aruba

Dossier: Voorstel van rijkswet van het lid Van Laar tot wijziging van de artikelen 14 en 38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (beperken van de mogelijkheid een algemene maatregel van rijksbestuur uit te vaardigen zonder wettelijke grondslag daartoe)


27 570 (R 1672)
Voorstel van rijkswet van het lid Van Oven tot wijziging van de artikelen 14 en 38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (vervallen van de mogelijkheid een algemene maatregel van rijksbestuur uit te vaardigen zonder wettelijke grondslag daartoe)

nr. 8
VERSLAG VAN DE STATEN VAN ARUBA

Ontvangen 9 april 2002

De in de Staten aanwezige fracties kunnen zich geheel vinden in het onderhavige voorstel van Rijkswet en gaan derhalve akkoord met genoemd voorstel. Zij spreken voorts hun tevredenheid uit over de wijze waarop gestalte is gegeven aan de resultaten van de diverse overlegrondes die de Werkgroep Democratisch Deficit heeft gehouden en dat in het ontwerp rekening is gehouden met de suggesties van de Raad van State.

De fracties wensen met betrekking tot de nieuwe formulering van artikel 14 van het Statuut gaarne de mening van de initiatiefnemer te ontvangen omtrent de volgende stelling.

Het voorstel heeft, zoals in de inleiding aangegeven, alleen betrekking op de artikelen 14 en 38 Statuut. De zelfstandige Algemene Maatregel van Rijksbestuur (AMvRB) op grond van artikel 52 (het door de regering van het Koninkrijk instellen van hoger toezicht op Aruba of de Nederlandse Antillen) wordt uitdrukkelijk uitgezonderd. In het wetsvoorstel wordt dit beargumenteerd met de stelling dat ingrepen om de mensenrechten en de deugdelijkheid van bestuur te waarborgen (artikel 43, tweede lid, Statuut) onmiddellijk plaats moeten kunnen vinden en dat een rijkswet dus niet kan worden afgewacht. Hiertegenover kan worden gesteld, dat nu juist in de gevallen dat op grond van artikel 51 wordt ingegrepen in het bestuur van Aruba of de Nederlandse Antillen, parlementaire controle noodzakelijk lijkt te zijn. Een AMvRB op grond van artikel 51 is immers veel verstrekkender dan een AMvRB ex artikel 14 of 38, omdat daarmee het normale parlementaire stelsel in beide landen tijdelijk opzij kan worden gezet. Als er al aanleiding zou zijn de zelfstandige AMvRB aan banden te leggen, lijkt dat het geval te zijn bij artikel 51. Door voor dit artikel in het voorgestelde artikel 14 een uitzondering op te nemen behoeft een AMvRB ex artikel 51 geen bekrachtiging bij Rijkswet, terwijl de behoefte daaraan juist in dat geval het grootst kan worden geacht. Het totstandkomen van een AMvRB op grond van artikel 51 dient het slot te zijn van een zorgvuldige procedure waarbij eerst op andere manieren getracht is tot een oplossing te komen van gesignaleerde misstanden bij het functioneren van e overheden van Aruba en de Nederlandse Antillen.

De noodzaak van het volgen van een zorgvuldige procedure vloeit voorts uit de toelichting op het Statuut. Ten aanzien van artikel 43, tweede lid, waarin de waarborging van de fundamentele rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur in de landen tot aangelegenheid van het Koninkrijk wordt bestempeld, wordt in de toelichting aangegeven, welke beginselen aan de basis zouden moeten liggen van een ingrijpen van Koninkrijkszijde om aan die waarborging zo nodig inhoud te geven. Uit de toelichting kan worden afgeleid dat het Koninkrijk in een land kan ingrijpen, indien wordt vastgesteld dat genoemde rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en behoorlijke bestuur niet bestaan. Bij de beoordeling van de deugdelijkheid van bestuur dient volledig rekening te worden gehouden met de middelen waarover het land beschikt. Het tekort schieten van enig landsorgaan alleen kan geen ingrijpen meebrengen. Slechts wanneer in het land zelf geen regres van een ontoelaatbare toestand mogelijk zou blijken te zijn, kan het nemen van een maatregel in overweging komen.

Uit de toelichting op het Statuut kan dus worden afgeleid dat de uiterste zorgvuldigheid moet worden betracht bij het treffen van een maatregel van hoger toezicht, neer te leggen in een AMvRB, zoals bedoeld in artikel 51 Statuut. Als de organen van het Koninkrijk uiteindelijk tot het oordeel komen dat hoger toezicht onafwendbaar is, is daaraan een lange weg vooraf gegaan, waarbij getracht is op een minder vergaande wijze tot oplossingen te komen. Ingrijpen is alleen mogelijk, als vaststaat dat alle mogelijkheden in het land zelf om de deugdelijkheid van bestuur in stand te houden, zijn beproefd en niet succesvol zijn gebleken. Een maatregel tot ingrijpen zal dan ook nooit als een verrassing kunnen komen en dus ook niet van het ene op het andere moment aan de orde zijn, zoals het wetsvoorstel suggereert. Er is dus voldoende gelegenheid om tijdens de pogingen een misstand op te lossen de voorbereidingen voor de opstelling van een maatregel tot hoger toezicht ter hand te nemen. Dat zou, gezien de ingrijpendheid van een dergelijke maatregel, eigenlijk moeten gebeuren met formeel geregelde parlementaire controle en dus in de vorm van een rijkswet. In ieder geval bestaat er geen aanleiding om voor een AMvRB ex artikel 51 niet dezelfde regels te stellen als voor de AMvRB's ex artikelen 14 en 38. Als de aanbevelingen, genoemd in paragraaf 8, worden gevolgd, zou dat tot een procedure leiden, die het parlement gelegenheid biedt inbreng te hebben in de wijze waarop de Koninkrijksregering haar bevoegdheden op het terrein van het hoger toezicht hanteert.

Tenslotte valt op dat in het voorstel – nog in het wetsvoorstel zelf, noch in de nota van toelichting – aandacht wordt besteed aan artikel 93 van de Staatsregeling van de nederlandse Antillen. Ook daar is voorzien in een zelfstandige AMvRB. Krachtens een dergelijke regeling kan de Koninkrijksregering hoger toezicht op de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen instellen. Hier is dus dezelfde problematiek aan de orde als bij de AMvRB ex artikel 51 Statuut. Artikel 93 zou in dit kader derhalve niet buiten beschouwing kunnen blijven.

Dit verslag geldt als Eindverslag.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de Centrale Commissie van de 9de april 2002.

De Rapporteur,

F. W. Croes