Kamerstuk 21501-32-695

Verslag van een algemeen overleg

Landbouw- en Visserijraad


Nr. 695 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 21 februari 2013

De vaste commissie voor Economische Zaken en de vaste commissie voor Europese Zaken hebben op 23 januari 2013 overleg gevoerd met staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken over:

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 17 januari 2013 betreffende de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 28 januari 2013 (21 501-32, nr. 678);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 21 december 2012 betreffende het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 18–20 december 2012 (21 501-32, nr. 676);

  • de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 13 december 2012 betreffende transparantie publicatie EU subsidiegegevens (28 625, nr. 156);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 20 december 2012 betreffende de kwartaalrapportage over de stand van zaken van de onderhandelingen over de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2013 (28 625, nr. 157);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 21 december 2012 betreffende het Fiche: Mededeling actieplan voor het verminderen van incidentele vangsten zeevogels in vistuig (22 112, nr. 1531);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 21 januari 2013 betreffende de kwartaalrapportage Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) (32 201, nr. 48);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 18 januari 2013 betreffende het Fiche inzake het tweede verslag geleidelijke afschaffing melkquotaregeling (22 112, nr. 1551);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 22 januari 2013 betreffende de uitkomst van de onderhandelingen EU-Noorwegen en aanlandplicht (21 501-32, nr. 679).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Hamer

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Knops

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Franke

Voorzitter: Houwers

Griffier: Peen

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bosman, Dik-Faber, Dikkers, Dijkgraaf, Van Gerven, Geurts, Houwers, Lodders, Ouwehand

en staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

Aanvang: 17.02 uur

De voorzitter: Ik heet de staatssecretaris van harte welkom, net als haar ambtenaren, de mensen die dit debat op de tribune of thuis volgen en de leden van de commissie. Ik stel een spreektijd voor van vijf minuten in eerste termijn met één interruptie. Ik heb begrepen dat de VVD twee woordvoerders heeft. Zij zullen onderling de tijd verdelen.

De heer Bosman (VVD): Voorzitter. Over het eerste optreden van de staatssecretaris in Brussel ben ik zeker niet ontevreden. Het aantal zeedagen is in 2013 niet afgenomen. Dat is een punt waarvoor de VVD zich de afgelopen periode hard heeft gemaakt. De VVD wil dat er op termijn wordt toegewerkt naar één visbeheersysteem. Het huidige systeem van zeedagen en quota beperkt de visserijsector enorm. De vissers mogen bijvoorbeeld hun quotum niet vol vissen als zij over hun zeedagen heen zijn. Is de staatssecretaris bereid zich hiervoor in te zetten in Brussel?

Ik ben blij dat er een overeenkomst is gesloten met Noorwegen over de vangstquota. De VVD is evenals de staatssecretaris teleurgesteld dat Noorwegen de tussenjaarlijkse flexibiliteit, namelijk het banking and borrowing, heeft afgekeurd wat betreft de scholvisserij. Positief is wel dat de quota voor schol in de Noordzee zijn verhoogd. Over het vaststellen van quota wil de VVD graag nog een algemene opmerking maken. Vaak worden quota vastgesteld op basis van ontoereikende wetenschappelijke informatie. Is de staatssecretaris het met de VVD-fractie eens dat quota niet zomaar verlaagd kunnen worden zonder dat de wetenschappelijke noodzaak hiervoor is aangetoond? De Nederlandse visserijsector dreigt geconfronteerd te worden met het verplicht aanlanden van alle bijvangst, de zogenaamde discard ban. De VVD maakt zich hierover zorgen. Ten eerste hebben de Nederlandse vissers weinig bijvangst doordat ze op zeer innovatieve wijze vissen. De Nederlandse vissers worden met deze maatregel eigenlijk gestraft omdat er in de zuidelijke lidstaten een gebrek is aan innovatieve slagkracht in de visserijsector. Ten tweede bestaat er geen afzetmarkt voor bijvangst in Nederland en die komt er ook niet omdat het aantal discards alleen maar verder afneemt. Er is geen bedrijf dat daarin gaat investeren. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Nederlandse vissers worden op deze wijze dubbel gepakt. De VVD-fractie vindt dat de discard ban moet worden gekoppeld aan innovatie. Als er geen andere maatregelen worden genomen om het aantal discards te beperken, kan de discard ban worden gebruikt. Steunt de staatssecretaris dit standpunt van de VVD-fractie? Zo ja, is zij bereid om dit standpunt in te brengen in de Visserijraad?

Eigenlijk worden Nederlandse vissers zelfs driedubbel gepakt, want het is Europa dat bepaalt dat de meeste Nederlandse vissers niet kunnen overstappen op pulsvisserij – een duurzame vorm van visserij met veel minder bijvangst – terwijl er wel vraag bestaat vanuit de sector om over te schakelen. Zo ontstaat de vreemde situatie dat de EU vissers wil straffen die te veel bijvangst hebben, maar tegelijkertijd voorkomt de EU dat vissers makkelijk kunnen innoveren om die bijvangst nog verder te verminderen. De VVD wil dat hier een einde aan komt. Steunt de staatssecretaris het standpunt van de VVD dat pulsvisserij zo snel mogelijk volledig moet worden toegelaten? Zo ja, gaat zij zich hiervoor inzetten in Brussel?

Mevrouw Lodders (VVD): Voorzitter. Ik had een aantal punten voorbereid voor dit AO, maar vandaag hebben in de landbouwcommissie van het Europees Parlement ook de stemmingen plaatsgevonden over het GLB. Ik heb dus toch maar een aantal andere vragen geformuleerd.

Het eerste punt waarop ik in wil gaan, is de herverdeling tussen de lidstaten, die positief uitvalt voor Nederland ten opzichte van het eerdere herverdelingsvoorstel. Nederland zal nu 5% inleveren in plaats van 8,2%. Ik heb het dan over de herverdeling tussen de toetredende lidstaten. Graag krijg ik de toezegging dat de staatssecretaris zich blijft inzetten voor een gunstige herverdeling voor Nederland. De VVD is erg blij dat de landbouwcommissie gekozen heeft voor ontkoppeling van de basispremie en de vergroeningspremie conform de motie- Graus/Dijkgraaf (21 501-32, nr. 664) die eerder door de Kamer is aangenomen. Hoe gaat de staatssecretaris om met deze motie? En hoe gaat zij om met de motie-Lodders c.s. (21 501-32, nr. 666) over het handhaven van de verdeling tussen de pijlers?

Het tweede punt dat ik naar voren wil brengen, betreft de kleine teelten. We hebben al vaker gesproken over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen voor kleine teelt en bijzondere gewassen. Nederlandse boeren en tuinders wachten al lange tijd op een gecoördineerde aanpak op Europees niveau ten aanzien van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Dit onderwerp wordt iedere keer vooruitgeschoven. Zou de staatssecretaris hier tijdens de Landbouwraad aandacht voor willen vragen? Gisteren hebben we een brief gekregen van de staatssecretaris over het herbeoordelingsrapport van de EFSA en de manier waarop de staatssecretaris daar verder mee wil omgaan. De VVD pleit voor een Europese aanpak van dat rapport en een verbod op de neonicotinoïden kan wat ons betreft alleen op Europees niveau plaatsvinden.

De voorzitter: Ik constateer dat dit laatste punt niet op de agenda staat, maar het is aan de staatssecretaris om te bekijken waarop zij wil reageren en aan de Kamer om te bepalen wat haar inbreng is. Toch wilde ik dit even noemen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Dat het niet op de agenda staat, heeft er alles mee te maken dat gisteren door een samenloop van omstandigheden onze procedurevergadering niet doorging. We gaan het echter hebben over de brief die we van de staatssecretaris hebben gekregen. Ik hoop dat zij dat goed vindt.

Ik begin met twee visserijonderwerpen. Het Europees Parlement heeft een aantal amendementen aangenomen. Ik ben benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris op die aangenomen amendementen en of zij die mee gaat nemen in haar inzet. In het verslag van de vorige Raad las ik over haaien. Nederland heeft in de onderhandelingen voor de vangstmogelijkheden voor de visserij in 2013 in ieder geval ingezet op de bescherming van kwetsbare soorten als haaien en roggen. De total allowable catche (TAC) voor roggen is verlaagd met 10%; dat is een mooi begin, maar het is nog niet genoeg. Ik kijk dus met bijzonder veel interesse uit naar de vervolgstappen van de staatssecretaris op dit punt.

Dan kom ik op de bijensterfte. Dank voor de reactie van de staatssecretaris op het EFSA-rapport dat het onomstotelijke bewijs heeft geleverd dat neonicotinoïden acute en chronische toxische effecten hebben op bijen en dat zij dus een bijdrage leveren aan de voortgaande bijensterfte. Het is goed om te zien dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) nu ook inziet dat deze neonicotinoïden wel degelijk een gevaar zijn voor bijen. Bij twee toepassingen is het bewijs nu dus hard geleverd en die moeten dus per direct uit de handel worden genomen, zowel in Nederland als in heel Europa. Is dat de inzet van de staatssecretaris op de komende Landbouwraad? Zegt zij er dan ook bij dat zij het in ieder geval nationaal gaat invoeren als zij daar niet meteen de handen op elkaar krijgt voor een onmiddellijk Europees verbod? De EFSA heeft naast deze harde conclusie over deze twee toepassingen geconcludeerd dat voor alle andere nu onderzochte toepassingen het risico voor bijen niet uit te sluiten is. Dat betekent natuurlijk dat de toelatingsmethoden beter moeten, maar dat betekent volgens mij ook dat, zolang die methoden nog zijn zoals ze zijn, er geen nieuwe toelatingen meer kunnen worden gedaan. Graag krijg ik een toezegging van de staatssecretaris dat dit geldt voor Nederland en dat zij ervoor gaat pleiten in de hele EU. Als risico's niet uit te sluiten zijn en het publieke belang is groot, dan moet sowieso het voorzorgbeginsel in werking treden. Is de staatssecretaris dat met mij eens? Vindt zij ook dat dit centraal zou moeten staan in de Europese regels over landbouwgif? Vandaag publiceerde het Europees Milieuagentschap van de Europese Commissie een groot rapport over het niet toepassen van het voorzorgbeginsel. Dat heet heel toepasselijk Late Lessons from Early Warnings. Ik hoop niet dat de staatssecretaris zich graag in het rijtje schaart van mensen die achteraf bezien allerlei waarschuwingen hadden kunnen omzetten in bescherming en dat niet hebben gedaan. Dat betekent dus ook dat de toepassingen van neonicotinoïden en fipronil, waarvoor de EFSA nu nog niet het sluitende bewijs heeft kunnen leveren dat ze schadelijk zijn voor bijen, maar waarbij ze dat risico ook niet kan uitsluiten, uit voorzorg per direct zullen moeten worden verboden. Wij pleiten dan ook voor een moratorium op alle neonicotinoïden en op fipronil in alle toepassingen per direct in Nederland. Daarover ligt een aangehouden motie in de Kamer en dat zal ook in Europees verband moeten worden ingevoerd. Is de staatssecretaris bereid om die motie te omarmen en uit te voeren? En is zij bereid daarvoor ook te pleiten tijdens de Landbouwraad?

Er is vandaag door drie dierenbeschermingsorganisaties een film gepresenteerd over de transporten van levende dieren in de EU. Structureel gaan die gepaard met wetsovertredingen en ernstig dierenleed. Ik nodig de staatssecretaris uit om die film te bekijken en bij de volgende Landbouwraad haar reactie daarop te geven. Het is namelijk droevig gesteld. De transportduur is nog steeds niet beperkt.

Mijn laatste punt is de Grüne Woche. Wij zijn daar als commissie geweest. De Partij voor de Dieren had gevraagd om een bijeenkomst over kwekersrecht. Dat is een bijeenkomst over voedselzekerheid geworden, iets wat ik erg op prijs heb gesteld. Het was echter ook surrealistisch. Er was namelijk een spreker van de FAO en die heeft ons voorgehouden dat de honger in de wereld naar alle waarschijnlijkheid nog groter zal zijn dan gedacht omdat met een aantal elementen geen rekening is gehouden. Het was schrijnend dat ook door de FAO is gezegd dat excessieve consumptie in rijke landen groeit en dat effectieve marketing voor voedsel en voedselproducten daar een belangrijke factor in is. Dat helpt niet om de honger in de wereld op te lossen. Wij zaten daar dus in een zaal, in het congrescentrum vlak bij de beurs. Die beurs is erop gericht om mensen zo veel mogelijk voedsel te laten eten door de effectieve marketing van voedselproducten, in het bijzonder van vlees, waarvan de VN-rapporteur voor het recht op voedsel zegt dat we de consumptie daarvan moeten matigen om de honger in de wereld op te lossen. We zaten daar dus en kregen te horen dat juist die excessieve consumptie de problemen zo groot maakt. Mijn partij vindt dat we de Grüne Woche niet tegen kunnen houden. Als de sector zo'n beurs wil organiseren, houden wij dat niet tegen. Wij vinden echter dat we daar geen publiek geld in moeten steken. Ik wil graag van de staatssecretaris weten hoeveel Nederland daar precies aan bijdraagt en ik vind dat we ermee moeten ophouden. Ik ben benieuwd naar haar reactie daarop.

De voorzitter: Voor de volledigheid wijs ik erop dat het aan de staatssecretaris is om te bepalen of zij antwoordt op vragen over zaken die niet op de agenda staan.

De heer Geurts (CDA): Voorzitter. Afgelopen maand hebben we een schriftelijk overleg gevoerd over de Landbouw- en Visserijraad wegens het ontbreken van een staatssecretaris. In dit overleg is beloofd dat de Kamer medio januari 2013 de koopkrachtplaatjes zou krijgen. Inmiddels leven we ruim in januari 2013, maar we hebben ze helaas nog niet mogen ontvangen. Waar blijven ze? De CDA-fractie heeft in het schriftelijk overleg vragen gesteld. Die zijn keurig in het overzicht opgenomen, maar de antwoorden op een specifieke serie vragen niet. Ik ga die vragen dus maar herhalen.

Bij herregistratie van middelen voor zaadontsmetting vraagt het Ctgb om een vogeltoxstudie per gewas. Omringende landen vragen blijkbaar niet om zo'n soort studie. Klopt dit? Zo ja, waarom wordt er in Nederland een strengere interpretatie gekozen van een Europees guidance document, te weten de risicobeoordeling birds and mammals? Is de staatssecretaris bereid om die eventuele nationale interpretatie Europees te harmoniseren?

Ik ben nieuwsgierig hoe deze nieuwe staatssecretaris in het dossier suikerquotering zit.

In de voortgangsrapportage van het voorzitterschap hebben we kunnen lezen – en we hebben het ook uit de pers kunnen vernemen – dat het voorzitterschap naar de Ieren gegaan is. Wat verwacht de staatssecretaris van dat voorzitterschap en welke dossiers zullen in haar ogen afgehandeld worden? Met andere woorden, op welke onderwerpen zal Nederland de meeste inzet plegen om ze afgehandeld te krijgen onder het Ierse voorzitterschap?

In de brief over de herziening van het GLB geeft de staatssecretaris aan dat zij het intussen onwaarschijnlijk acht dat de ingangsdatum van 1 januari 2014 voor het nieuwe GLB nog zal worden gehaald. Ik vind dat een mooie tekst, maar wat is voor de staatssecretaris een goede en duidelijke overgangsregeling, waarover ook in de brief gerept wordt?

In de brief schrijft de staatssecretaris onder het kopje «directe betalingen» dat voor de door de diverse lidstaten gewenste vrijwilligheid van extra hectaretoeslag voor jonge boeren door de voorzitter geen nieuwe voorstellen opgenomen zijn in de voortgangsrapportage. Wat wordt de inzet van de staatssecretaris jegens het Ierse voorzitterschap met betrekking tot deze mogelijkheid om jonge boeren extra te ondersteunen?

Het CDA is verheugd te mogen lezen dat de staatssecretaris voorstander blijft van het verbeteren van de marktmacht van primaire producenten door middel van vorming van producentenorganisaties en/of interbrandsorganisaties. Zij schrijft verder dat lidstaten echter niet verplicht zouden moeten worden om dergelijke organisaties te erkennen. Dat zou dan aan de beoordeling van de lidstaten moeten worden overgelaten. Waarom is de staatssecretaris deze mening toegedaan? Wat worden voor haar de erkenningscriteria voor de Nederlandse situatie?

Om wille van de tijd zal ik de wijnproductie even terzijde laten liggen. Dat komt de volgende keer wel.

Wat betreft de kleine teelten sluit ik me aan bij de vragen die de VVD-fractie zojuist heeft gesteld.

Het risicobeheer en met name het inkomensstabilisatiefonds is nog een open punt van discussie kunnen wij lezen. Wat verwacht de staatssecretaris de komende tijd op dit dossier onder het Ierse voorzitterschap?

Dan kom ik op het melkquotum. In de brief lezen we dat Nederland nog geen zicht heeft op de maatregelen die zullen komen voor de zachte landing. Wanneer heeft de staatssecretaris wel zicht op de maatregelen die Nederland mag en zal gaan invoeren om een zachte landing wel mogelijk te maken?

Dan kom ik op de belangen van de Nederlandse export. Er loopt al geruime tijd een rechtszaak: Van Bokhoven-Catalonië. Ik wil de e-mails die ik daarover krijg, graag aan de staatssecretaris beschikbaar stellen. De zaak blijft slepen. De CDA-fractie wil graag dat de Nederlandse diplomatieke dienst er alles aan zal doen om gerechtigheid te krijgen. Nederlandse exportbelangen lopen gevaar als ze niet worden beschermd.

Wat betreft de visserij sluit ik me aan bij wat de VVD-fractie net heeft gezegd. Wederom is door Noorwegen de meerjarige flexibiliteit van schol geblokkeerd. Wat gaat Nederland hierop ondernemen?

De heer Dijkgraaf (SGP): Voorzitter. Ik haalde bij de begrotingsbehandeling al de bijzondere combinatie SGP-SP aan. Nu wijs ik op de combinatie PVV-SGP. We dienen met iedereen moties in, als het de landbouw maar dient. Mevrouw Lodders haalde de motie al aan. Die gaat over het proactieve verzet van de staatssecretaris tegen de koppeling van het vergroeningspakket aan de basispremie. Het signaal dat wij de regering gaven, is niet nieuw. Het is mooi dat het Europees Parlement wel op die lijn zit. Blijft de staatssecretaris, ook gezien de nieuwe stemmingen, proactief de boer opgaan om steun te verwerven voor de bepleite loskoppeling?

Dan kom ik op het Meerjarig Financieel Kader. Als de berichten juist zijn, is het goed nieuws dat de korting van 8,25% naar 5% gaat. Desalniettemin is het een stevige korting. Mijn vragen richten zich op de plannen van Van Rompuy. Er komen waarschijnlijk nog meer bezuinigingen aan. Het GLB-budget zou naar beneden gaan en wij horen dat dit niet alleen tot een absolute daling zou leiden – als het percentage hetzelfde blijft, leidt dat natuurlijk tot een absolute daling van het budget voor Nederland – maar dat Van Rompuy het kortingspercentage ook verder wil verhogen. Graag krijg ik hierop een reactie van de staatssecretaris. Ook vraag ik om extra inzet om dat voorkomen, want met die 5% is het wel mooi geweest.

Over marktmacht bij de boer hebben we bij de begrotingsbehandeling al het een en ander gezegd, maar nu gaat het me om de internationale dimensie. Voor een deel heeft de staatssecretaris namelijk Brussel nodig om een aantal dingen goed te regelen. Ik haal er twee dingen uit. Ten eerste noem ik de integrale GMO-verordening. Daarover is ooit een prachtige motie van collega Koopmans aangenomen. Daarmee heeft hij de regering opgedragen om op te nemen dat bewerkstelligd moet worden dat «producenten een redelijke vergoeding krijgen van kosten voor investeringen in bijvoorbeeld milieu en dierenwelzijn». Dat is iets wat wij volgens mij allemaal prachtig vinden, maar is de regering nog steeds proactief bezig om deze bepaling in de GMO-verordening te krijgen? Dan hebben we namelijk pas echt beet en kan er pas echt wat veranderen. Ten tweede noem ik de toepassing van het mededingingsartikel 101, lid 3 van het Europees Verdrag. Dat biedt een zekere ruimte voor afspraken en samenwerking. Het probleem is echter dat er allerlei discussie is over wat artikel 101, lid 3 betekent. Dat is niet duidelijk en niet uitgekristalliseerd. In een brief heeft de staatssecretaris aangegeven dat zij het belang ziet van dierenwelzijn en milieu, maar wij krijgen toch de indruk dat zij er niet echt de boer mee opgaat. Wij zouden graag zien dat de staatssecretaris in Brussel het maken van afspraken over de ruimte die artikel 101, lid 3 biedt, oppakt.

Dan kom ik op de vis. Wat betreft de aanlandingsplicht en de puls sluit ik me gemakshalve aan bij de inbreng van de VVD. Over het aalbeheerplan wil ik wel wat zeggen. De Europese Aalverordening wil dat 40% van de hoeveelheid volwassen palingen die uit zouden kunnen trekken naar de zee als menselijke invloeden afwezig zijn, dat in de praktijk ook echt gaat doen. Ons streefbeeld is echter onder meer gebaseerd op de veronderstelde groei van palingen in gebieden waar ze zonder over de dijk gezet te worden – dat is dus menselijk ingrijpen – niet kunnen komen. Voorts is het gebaseerd op de enorme palingstand in de jaren vijftig tot zeventig toen door menselijk ingrijpen het oppervlaktewater vies en daardoor voedselrijk was. Dan krijg je namelijk veel palingen: gooi een hoop viezigheid in het water en de paling tiert welig. Dat is natuurlijk geen eerlijk plaatje. Ook Frankrijk en Duitsland rekenen gebieden niet mee waar dit soort menselijk ingrijpen heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld het over de dijk zetten van palingen. Wil de staatssecretaris in overleg met de sector en in aanloop naar de evaluatie van het aalbeheerplan het streefbeeld opnieuw laten berekenen op basis van realistische cijfers, en dan voor alles zonder menselijk ingrijpen?

Het Europees Visserijbeleid ziet er niet zo best uit. De visserijcommissie van het Europees Parlement blijkt een nog strengere koers te willen varen dan de Europese Commissie en heeft onder meer het uitstekende sectoralternatief voor de aanlandingsplicht afgeschoten. Dat zal grote problemen voor onze vissers opleveren. In aanvulling op de inbreng van de VVD heb ik nog één vraag. Wil de staatssecretaris in overleg met de sector in Brussel echt scherp aan de wind blijven zeilen zodat het voor onze vissers werkbaar blijft?

Mevrouw Dikkers (PvdA): Voorzitter. Fijn om hier met de nieuwe staatssecretaris te kunnen praten over onder andere het GLB. Gezien de stem van de staatssecretaris is zij misschien niet in staat tot een heel lang antwoord. Ik zal gewoon leuke meerkeuzevragen stellen en dan kan de staatssecretaris instemmend knikken.

Wij steunen de staatssecretaris in haar opstelling dat er een goede en duidelijke overgangsregeling moet komen nu er vertraging komt in het GLB. Wij vragen ons wel af wat zij met «goed» en «duidelijk» bedoelt en wanneer de overgangsregeling wordt vastgesteld. Het ziet ernaar uit dat het wellicht 2015 wordt voordat we een nieuw GLB hebben. Wij vragen ons af hoe het zit met de overgangsregeling. Is dit een overgangsbeleid voor beide pijlers of alleen voor de directe betalingen of het plattelandontwikkelingsbeleid? In dit kader is het curieus dat het Europees Parlement deze week over de wijzigingen in het GLB-pakket gestemd heeft. Het gaat om het aanpakken van milieueisen en over de pijlers. Wat doen die aanpassingen van het Europees Parlement met het GLB-pakket? Ik zie niet in waarom het Europees Parlement hierover in deze fase zou moeten stemmen, maar dat ziet de staatssecretaris wellicht anders. Ik heb ook begrepen dat het Europees Parlement in al zijn wijsheid heeft besloten het suikerquotum te verlengen tot 2019–2020. Dat heeft nogal een effect op onze suikermarkt. Wil de staatssecretaris dit onderwerp in haar beantwoording meenemen?

In de kwartaalrapportage over het GLB geeft de staatssecretaris aan dat er nog weinig vooruitgang is geboekt met perceelregistratie. In alle werkbezoeken die ik de afgelopen maanden heb afgelegd, is perceelregistratie een terugkerend thema. Het is een langslepend dossier. Is er zicht op dat dit binnenkort geregeld zal zijn? Waarom ligt het zo moeilijk in de Raad? Het is de hoogste tijd dat hier duidelijke afspraken over komen, want onze boeren zitten er simpelweg op te wachten.

In de kwartaalrapportage over het gemeenschappelijk visserijbeleid staat dat het Europees Parlement een andere hoofddoelstelling voor de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid voor ogen heeft dan de Europese Commissie en de Raad, namelijk voedselzekerheid. In een zee die steeds leger wordt, zou je kunnen denken dat voedselzekerheid op de lange termijn een beperking van de vangst zal inhouden. Toch ben ik wat voorzichtig, want het kan ook betekenen dat men de zeeën gewoon leeg gaat vissen. Wat is het oordeel van de staatssecretaris hierover?

We hebben een visie gekregen op de transparantie van de publicatie van EU-subsidiegegevens. We hebben daarover met minister Kamp van gedachten gewisseld. Hij zei dat er een evenwicht gevonden moest worden tussen privacy en transparantie. Waar zit dat evenwicht? Hoe ziet die transparantie er straks uit?

We kijken ook uit naar de reactie van de staatssecretaris op het pleidooi van mevrouw Ouwehand voor een wellicht uitsluitend Nederlandse verbod op het gebruik van neonicotinoïden.

Ons kwam ter ore dat er diverse initiatieven zijn in de veenkolonie die gebruik willen maken van de POP-gelden. Zij komen daarvoor niet in aanmerking, maar waarom niet? Als dit een iets te specifieke vraag is, mag die wat mij betreft ook schriftelijk beantwoord worden.

De heer Van Gerven (SP): Wij steunen de vragen over de neonicotinoïden. Iedereen wil daar graag antwoord op hebben. De SP is ook voor een verbod en een moratorium, maar dat hebben we al eerder verkondigd. Misschien vindt de staatssecretaris dit ook.

In Europa is gestemd over het loskoppelen van de eerste en tweede pijler. Wat is het standpunt van de PvdA daarover?

Mevrouw Dikkers (PvdA): De PvdA is van mening dat de EU-landbouwsubsidies moeten worden afgeschaft. Dat staat ook in het regeerakkoord. Zolang we ze nog hebben, willen we heel graag inzetten op een tweede pijler waardoor we geld beschikbaar stellen voor duurzame plattelandsontwikkeling en niet zozeer voor directe hectaresteun.

De heer Van Gerven (SP): Het is geweldig dat de PvdA deze subsidies wil afschaffen, maar mijn vraag ging over de koppeling. Er is dus inkomenssteun en men kan geld krijgen voor vergroening. Je krijgt pas inkomenssteun als je ook vergroent. Is dat ook het standpunt van de PvdA?

Mevrouw Dikkers (PvdA): Het heeft onze voorkeur om er een zo groen mogelijk GLB uit te slepen. Hoe dat er in de techniek precies uit gaat zien, moeten we de komende tijd verder uitwerken. Wat ons betreft, is een koppeling veel logischer dan een ontkoppeling, omdat je boeren dan de keuze zou geven. Dat willen wij niet. Wij willen vergroening namelijk centraal stellen. Maar ook dat is onderdeel van het debat.

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Allereerst een welkom aan de staatssecretaris. Zo zie je elkaar weinig en zo zit je de hele dag met elkaar aan tafel. Heel gezellig.

Onze eerste vraag gaat over de speurtocht naar geld in Europa. Ook daar moet bezuinigd worden. Wij willen wel een paar miljard aanleveren. Dan doel ik op de 1500 Europeanen die in 2011 meer dan 1 miljoen aan landbouwsubsidies ontvingen. Het Deense Koningshuis kreeg 1,6 miljoen, Unilever 3 miljoen, megavarkenshouderij Smithfield ontving zes ton en Nestlé kreeg 1,5 miljard sinds 1997. Ik heb dit verhaal al eerder gehouden. De vorige staatssecretaris leek wel genegen om die subsidiemiljonairs aan te pakken. Wil de huidige staatssecretaris het oorspronkelijke Commissievoorstel overnemen om niet meer dan € 300.000 subsidie te geven met vanaf €/p>

Graag hoor ik de mening van de staatssecretaris over de vergroening en het percentage van 7%. Er is veel discussie over. De SP vindt het heel sympathiek om het overeind te houden omdat het de boeren dwingt om te vergroenen. Hoe lager het percentage wordt, hoe minder ervan terechtkomt, vrezen wij.

De PvdA-fractie sprak al over transparantie. Het probleem is dat in Nederland geen kruisbestanden kunnen worden gemaakt. Een aantal zaken is niet te downloaden. Dat is in andere landen kennelijk wel mogelijk. Waarom is die transparantie hier niet mogelijk? Het privacyargument vinden wij minder zwaarwegend. Het is belastinggeld en daarom moet er maximale transparantie zijn over de manier waarop daarmee wordt omgegaan.

We hebben een brief ontvangen over de groepshuisvesting van drachtige zeugen en de legbatterijen. We gaan ervan uit dat de staatssecretaris er maximaal op toeziet dat ook andere Europese landen zich houden aan de regels waar wij ons aan houden en dat zij zich bikkelhard opstelt als er een loopje wordt genomen met de afspraken. We willen nog wel even stilstaan bij de legbatterijeieren. Er is een aangenomen motie waarin gepleit wordt voor een importverbod van legbatterijeieren en voor een verbod op de verwerking van legbatterijeieren in producten. Wil de staatssecretaris zich daadwerkelijk voor een importverbod inzetten?

Dan kom ik op dierrechten en melkquotering. Kan de staatssecretaris een tipje van de sluier oplichten over haar standpunt hierover? Ze heeft een brief gestuurd over het mestbeleid waarin ze het instrument noemt, maar zou het niet veel beter zijn als zij in Europees verband pleit voor behoud van de instrumenten quotering en dierrechten? Dat zou ons een lief ding waard zijn.

Wat gaat de staatssecretaris doen aan het netwerk van beschermde natuurgebieden op zee? Is zij bereid het wetsvoorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet in verband met de uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de exclusief economische zone te wijzigen conform het advies van de Raad van State, zodat ook visserijactiviteiten onder dat beschermde netwerk op zee kunnen vallen?

Mevrouw Lodders (VVD): Namens mijn collega-woordvoerder mag ik een interruptie plegen. De heer Van Gerven haalt de brief over de groepshuisvesting van drachtige zeugen aan, maar hij gaat er niet echt inhoudelijk op in. Kan hij ingaan op het dierenwelzijn van drachtige zeugen die nu binnen vier dagen in groepshuisvesting gehuisvest zouden moeten worden?

De heer Van Gerven (SP): Dan heb ik toch een wedervraag. Kan mevrouw Lodders specificeren waar zij precies op doelt?

Mevrouw Lodders (VVD): Nederland stelt een eis boven op de Europese eis dat drachtige zeugen na 28 dagen de groepshuisvesting in moeten. Nederland heeft daarvoor vier dagen in het beleid opgenomen. Niet alleen ondernemers, maar ook dierenartsen zien in de praktijk dat het voor drachtige zeugen na vier dagen te onrustig is in de groepshuisvesting. Uit de brief van de staatssecretaris begrijpen we dat er wel degelijk gecontroleerd wordt, zij het dat het het eerste jaar een gedoogbeleid is. Is dit geen voorbeeld dat een extra eis boven op Europese regelgeving niet altijd ten goede komt aan het dierenwelzijn?

De heer Van Gerven (SP): Ik kan het niet helemaal overzien. Ik begrijp dat u van 28 dagen naar 4 dagen wilt.

Mevrouw Lodders (VVD): Precies andersom

De heer Van Gerven (SP): Oh, andersom. U wilt van 4 naar 28 dagen?

De voorzitter: Het is niet de bedoeling dat u steeds een wedervraag stelt.

De heer Van Gerven (SP): Nee, maar het is goed om het helder te hebben. Het is nu dus vier dagen. Daar zouden wij aan vast willen houden, want dat is in het belang van het dierenwelzijn.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Voorzitter. Ik heb in mijn inbreng een paar landbouwpunten en zal daarna snel overgaan naar de visserij. Dat laatste doe ik namens mijn collega Arie Slob.

Allereerst kom ik op de landbouw. Het lijkt erop dat het nieuwe GLB pas in 2015 ingaat. Er moet dus een goede en duidelijke overgangsregeling komen, lees ik in de brief van de staatssecretaris. Wat is haar inzet in Brussel? Wat betekent het voor de Nederlandse boeren als het budget wel al in 2014 omlaag gaat? De ChristenUnie wacht met smart op de uitkomsten van de onderzoeken van het LEI en Panteia, en roept de staatssecretaris op om zich hard te blijven maken voor een lagere korting op het Nederlandse eerstepijlerbudget dan de 8,2% die nu is voorzien.

Bij vergroening blijft de ChristenUnie een voorstander van een flexibel keuzemenu, waarbij de Europese Commissie de doelen formuleert en de lidstaten keuzeruimte krijgen om maatregelen te nemen die het beste passen in de lokale situatie. Het is ook mooi dat de Tweede Kamer een motie daarover van de ChristenUnie heeft aangenomen.

Over de verplichte groepshuisvesting van drachtige zeugen werd net al even gesproken. Hoeveel bedrijven voldoen nog niet aan de eisen op dat vlak? Heeft de staatssecretaris inzicht in het aantal bedrijven die aantoonbaar worden belemmerd in het voldoen aan de eisen door trage vergunningprocedures of problemen met financiering door aangescherpte regels van banken? Ik refereer hierbij aan het voorbeeld van Deutsche Bank.

Ik ga snel over naar het visserijbeleid. De komende maanden wordt het gemeenschappelijk visserijbeleid vastgesteld. Het vorige kabinet verschuilde zich inzake de aanlandplicht te veel achter Europa. De ChristenUnie roept de nieuwe staatssecretaris op zich goed in dit dossier te verdiepen, hierover op heel korte termijn het gesprek aan te gaan met de visserijsector, de uitgestoken hand van de visserijsector aan te nemen en het voorstel van de algehele aanlandplicht dus te vervangen door een selectieve aanlandplicht voor specifieke soorten als deze beneden een kritisch niveau zijn gekomen. In de motie-Bosman c.s. (21 501-32, nr. 647) wordt de regering expliciet gevraagd het compromis in te brengen in de Visserijraad. Staatssecretaris Bleker heeft dit echter niet gedaan. Hij heeft dit alleen in een brief onder de aandacht gebracht van de EU-Commissaris. Mijn simpele vraag is waarom dit niet is ingebracht in de Visserijraad. Wij hebben nu alleen een beleefdheidsbriefje van Commissaris Damanaki waarin zij schrijft dat zij het voorstel van de sector een belangrijke stap voorwaarts en veelbelovend vindt, maar vervolgens veegt zij het van tafel met de woorden dat de Europese Commissie voor een fundamenteel andere benadering kiest, namelijk een terugwerpverbod. De kansen binnen Europa zijn klein maar de ChristenUnie vraagt van de staatssecretaris een uiterste inspanning. Wij vragen haar de motie alsnog uit te voeren en in de Visserijraad pal te gaan staan voor het compromis van de sector. Dat is ook belangrijk voor het draagvlak binnen de sector voor het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ook wil de ChristenUnie een onderzoek naar nut en noodzaak van de algehele aanlandplicht, de discardban en de gevolgen voor de visserijsector inclusief een uitvoerbaarheidstoets.

De ChristenUnie is uiteraard blij met de bevriezing van het aantal zeedagen voor de schol-, tong- en kabeljauwvisserij op de Noordzee. Moeizamer waren de onderhandelingen met Noorwegen over de visquota voor de gezamenlijk beheerde visbestanden, maar gelukkig is er alsnog een akkoord bereikt. Het verloopt elk jaar erg moeizaam met Noorwegen. Een aantal knelpunten is nog steeds niet opgelost. De EU wilde een extra korting op de quota voor makreel om sancties tegen de Faeröer en IJsland haalbaar te maken. Het quotum wordt nu niet verlaagd omdat Noorwegen en een aantal EU-lidstaten dit blokkeerden. Dat is mooi voor de vissers, maar hierdoor komen er dus ook geen sancties en zijn wij geen stap verder. De Faeröer en IJsland gaan gewoon door met overbevissen, waardoor de makreel in de gevarenzone komt. Hoe komen wij uit deze impasse?

De ChristenUnie is teleurgesteld dat Noorwegen opnieuw de meerjarige flexibiliteit van de scholquota heeft geblokkeerd. Hoe lang gaat de staatssecretaris nog akkoord met dit Noorse veto zonder duidelijke argumenten? Er is niet eens een gezamenlijk beheerplan door het Noorse verzet. Dat was al zo in 2007. Ondertussen gaat het goed met het bestand. Dus waarom staat de EU deze flexibiliteit niet eenzijdig toe? Noorwegen heeft bovendien nauwelijks belang bij schol. De total allowable catches (TAC's) zijn weliswaar 7% voor Noorwegen, maar het werkelijke Noorse belang is minder dan 1%. Het vreemde is dat bij gedeelde bestanden met een groter Noors belang die er gelijk of minder goed voorstaan, meerjarige flexibiliteit wel is toegestaan.

De voorzitter: Dank u wel. Daarmee zijn wij gekomen aan het einde van de eerste termijn van de Kamer. De staatssecretaris heeft een minuut of tien nodig om de beantwoording voor te bereiden.

De vergadering wordt van 17.43 uur tot 17.56 uur geschorst.

De voorzitter: Wij beginnen met de beantwoording door de staatssecretaris. Ik stel maximaal twee interrupties voor, steeds aan het eind van een blokje, want ik heb begrepen dat de staatssecretaris in blokjes zal antwoorden. Dus twee interrupties per fractie.

De heer Bosman (VVD): O.

De voorzitter: Dat is inderdaad jammer, mijnheer Bosman, maar wij hebben net gezien dat u het keurig kunt verdelen. Dat zal nu ook vast lukken.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. U hoort al aan mijn stem dat het nog een opgave zal worden om de Kamer goed te antwoorden, maar ik hoop dat het in ieder geval geen consequenties voor de inhoud van mijn beantwoording heeft. Ik wil morgen bij de begrotingsbehandeling zeggen dat ik er zeer naar uitzie om met alle Kamerfracties samen te werken. Misschien moet ik daar dus nu niet te veel tijd aan besteden. Dat doe ik morgen wel, want ik zie bijna iedereen dan wel weer. Ik wil nu overgaan tot de beantwoording. Ik heb vier blokken: 1. het gemeenschappelijk landbouwbeleid, 2. de visserij, 3. alles wat met gewasbeschermingsmiddelen te maken heeft en 4. het illustere blok «overig», waarin ik alle antwoorden hoop te geven op vragen die niet onder één van de drie voorgaande blokken vallen.

Allereerst kom ik op het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Diverse fracties hebben daar vragen over gesteld, alsook over een motie over vergroening (21 501-32, nr. 664), die eerder door de geachte afgevaardigden Graus en Dijkgraaf is ingediend. In de Landbouwraad van november 2012 is wel degelijk aandacht gevraagd voor de strekking van de motie. Dat is overigens niet alleen schriftelijk gebeurd. Zowel het Europees Parlement als de Raad lijkt in meerderheid een voorkeur te hebben voor vrijwillige vergroening, conform de meerderheid van de Kamer op het moment dat de motie werd aangenomen. Zoals het er nu naar uitziet, steunt de Commissie Landbouw en plattelandsontwikkeling van het Europees Parlement dit ook. Het is alleen niet verstandig om daar vanuit mijn positie verder op vooruit te lopen, want de Kamer weet dat er een conciliatieprocedure volgt van het Europees Parlement als geheel. Daarna zal er natuurlijk nog een voorstel naar de Raad toe komen. Op dat moment is Nederland weer aan zet. Het lijkt mij verstandig om de totale uitkomst van de stemmingen en vervolgens het voorstel af te wachten, omdat die stemmingen nog in volle gang zijn. Er wordt ook morgen nog gestemd. Op dit moment zijn alleen de onderdelen directe betalingen en plattelandsbeleid afgerond. Misschien is het goed om een paar dingen wel te zeggen. Het Europees Parlement lijkt de Nederlandse inzet voor een flexibelere invulling van die vergroening met duurzaamheidscertificaten of agrarisch natuurbeheer te steunen. Dat is interessant.

De VVD heeft gevraagd of ik mij blijf inzetten voor een herverdeling die gunstiger is voor het Nederlandse deel. Ja, maar wel binnen de grenzen van het regeerakkoord. In het regeerakkoord is iets gesteld over het Europese landbouwbudget in zijn totaliteit. Dat is dus een interessante opgave, want aan de ene kant is er een opvatting over de omvang van het landbouwbudget in zijn totaliteit, en aan de andere kant is er een inzet vanuit Nederland om daar een fair share van te krijgen. Dat zal bij de Europese collega's niet altijd worden gezien als een logische strategie, maar wij gaan haar wel proberen. Daar zullen wij uiteraard een inzet op plegen.

De heer Geurts, mevrouw Dikkers en anderen vroegen hoe het nu precies zit met de suikerquota. De Commissie heeft voorgesteld om de suikerquota in 2015 af te schaffen, maar de Kamer en een grote groep van mijn collega's in de Landbouwraad vragen al een paar jaar om wat langer de tijd te nemen. Laat ik daar twee dingen over zeggen. Het lijkt er ook nu op dat daar in de toekomst wellicht een datum uitkomt. Ik sta niet afwijzend tegenover iets langer de tijd nemen, maar afschaffing moet het uitgangspunt blijven. Dat moet ook hier hardop gezegd worden. Een overgangsregeling in aanloop naar afschaffing zou mogelijk kunnen zijn. Het doel daarvan moet zijn dat er in zo'n overgangsperiode meer suiker beschikbaar komt op de interne markt. In de triloog, zoals dat zo mooi heet, tussen het Europees Parlement, de Commissie en de Raad zal die datum uiteindelijk overeengekomen worden. Ook hier zweeft er iets in de lucht, maar het is nog niet geland.

De heer Geurts vroeg welke verwachting wij hebben van het Iers voorzitterschap. Die is vrij overzichtelijk en tegelijkertijd heel ingewikkeld, want de verwachting is dat er op twee onderwerpen hervormingen aankomen. Het ene onderwerp is het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het andere het gemeenschappelijk visserijbeleid. Laten dat nou net de twee onderwerpen zijn waar wij nu met elkaar van gedachten over wisselen. De Nederlandse inzet is om daar goed uit te komen met elkaar. Van alle onderwerpen die ik onder mijn verantwoordelijkheid heb gekregen, zijn het misschien wel de ingewikkeldste. Ik vermoed dat wij daar nog heel veel met elkaar over zullen spreken.

De heer Geurts vroeg ook hoe ik omga met de jonge boeren en hun positie. Ik wil daar morgen bij de begrotingsbehandeling op terugkomen naar aanleiding van de specifieke vragen die daarover zijn gesteld. In Nederland is bedrijfsopvolging vooral problematisch vanwege de zware lasten. De voorkeur van ons departement gaat uit naar doelgerichte en effectieve steun aan jonge landbouwers bij bedrijfsovernames in combinatie met duurzame bedrijfsinvesteringen via onder andere de tweede pijler: het plattelandsbeleid. Veel lidstaten willen de voorgestelde steun aan jonge boeren in de eerste pijler optioneel maken voor de lidstaten. In mijn ogen is extra steun aan jonge boeren overal in Europa gerechtvaardigd. De inzet is dus een verplichte regeling voor jonge boeren maar met de keuze om dat in de eerste of tweede pijler te doen. Ik verwacht geen onderuitputting van deze regeling, maar ik zou willen kunnen schuiven. Mocht er bijvoorbeeld onderuitputting in de eerste pijler ontstaan, dan moet je misschien via de tweede pijler iets extra's kunnen doen. Als die flexibiliteit er is, hebben wij meer mogelijkheden om mensen te steunen. De heer Geurts heeft ook nog gevraagd: hoe zit het met de koopkrachtplaatjes; die waren toch medio januari toegezegd? Ja, maar zolang er geen helderheid is over het Meerjarig Financieel Kader kunnen wij geen plaatjes maken. Daar is het dus op wachten. Die doorrekening volgt zodra wij de voorstellen hebben en de uitkomst kennen. De onderhandelingen zijn chefsache. Die worden gedaan door de regeringsleiders. Ik hoop van harte dat daar in februari helderheid over komt.

Er is gevraagd hoe het precies zit met de overgangsregeling en wat ik goed genoeg vind. Er komen ongetwijfeld heel wat veranderingen aan in de periode 2014 – misschien wat later – tot 2020. Bedrijven moeten de tijd krijgen om zich aan te passen. Daarom zullen wij ons in Europees verband inzetten voor een soepele overgangstermijn tot en met 2020. Dat kan bijvoorbeeld door een verkleining van de door de Commissie voorgestelde grote eerste stap in 2014. Dat kan door bepaalde zaken stapsgewijs uit te faseren, bijvoorbeeld speciale toeslagrechten in de kalverhouderij. Dat kan door het tempo en ritme van de veranderingen in de toeslagen te laten bepalen door de lidstaten. Er moet wel duidelijkheid komen voor de boeren, ook voor de periode tot 2020, want zolang er onzekerheid is, is er een groot probleem als je wilt investeren.

De heer Geurts heeft ook gevraagd wanneer er zicht is op maatregelen voor een zachte landing. Hij had het voornamelijk over de zuivelsector. De Europese Commissie is van mening dat de vooruitzichten voor de zuivelsector gunstig zijn, maar het Iers voorzitterschap kampt met een vergelijkbare situatie als Nederland. Wij gaan er dus van uit dat dit aan de orde zal komen. In de afgelopen Raad hebben wij al aangegeven dat er bij ons geen sprake is van een zachte landing. Wij vermoeden dat dit de komende tijd besproken gaat worden.

De heer Dijkgraaf vroeg hoe ik aankijk tegen de mogelijke korting op subsidies. Zoals gezegd is dat chefsache. Hij kent het regeerakkoord inmiddels ook. De onderhandelingen worden door de premier gevoerd. Het lijkt mij ook goed dat hij dat doet.

Mevrouw Dikkers vroeg wanneer de overgangsregelingen worden vastgesteld. Dat hangt allemaal samen met de uitkomsten van het Meerjarig Financieel Kader. Zolang dat nog in de lucht hangt en er niet tot een besluit gekomen is, hebben wij geen zekerheid over de vervolgstappen. Ik moet het antwoord daarop dus schuldig blijven, want dat kunnen wij pas later melden, maar zodra het kan, zullen wij dat doen.

Zowel de heer Van Gerven als mevrouw Dikkers heeft gevraagd naar transparantie en de publicatie van de EU-subsidiegegevens. Ik begrijp dat zij daar ook al met minister Kamp over hebben gediscussieerd. Wij zijn een groot voorstander van duidelijkheid over de besteding van overheidsgeld. Die duidelijkheid geven wij ook jaarlijks via openbaarmaking van de betalingen. Die krijgt de Kamer weer in april. De informatie die openbaar wordt gemaakt op de website, betreft het doel van de subsidieregeling, het subsidiebedrag en als het geen natuurlijk persoon is ook de naam van de subsidieontvanger. Het wettelijk kader en de afspraken die ik met de Kamer maak, zijn leidend voor ons beleid.

De heer Van Gerven zei: wat is dat nou voor een argument dat privacy hier ook een rol bij speelt? Dat is deel van de Nederlandse wetgeving. Als wij daar geen rekening mee houden, krijgen wij op dat terrein problemen. Soms gaat het om bedrijfsgegevens, die wij niet zomaar openbaar kunnen maken. In die zin is er een begrenzing, maar alles wat kan, maken wij openbaar. Zodra het wetsvoorstel van de Europese Commissie over de verbetering van transparantie concreet is, zal ik de Kamer uiteraard berichten over hoe wij daarmee omgaan.

De heer Van Gerven vroeg hoe ik aankijk tegen die 7% vergroening. Wij steunen die norm. Wij denken dat vergroening essentieel is als onderdeel van het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het is ook een belangrijke stap om de directe betalingen doelgericht te maken. Het is overigens de vraag of dit voorstel in deze omvang helemaal de eindstreep haalt. Dat is nog niet gezegd, want andere lidstaten zijn namelijk aanmerkelijk minder positief. Er zijn wel aanpassingen van en aanvullingen op de vergroeningsvoorstellen van de Commissie noodzakelijk. Dat betekent dat het beoogde positieve effect op biodiversiteit, milieu en klimaat versterkt kan worden door, zoals wij dat noemen, equivalente vergroeningsmaatregelen toe te passen, dus via duurzaamheidscertificering of agrarisch natuurbeheer. Over dat laatste onderwerp ben ik uiteraard ook met de provincies in gesprek. Ik vind het jammer dat het in de discussie vaak lijkt alsof boeren en natuurbeheer twee onderwerpen zijn die niet bij elkaar horen, terwijl dat in de praktijk al vaak heel anders is. De heer Verdaas heeft hier in de Kamer al eerder een pleidooi gehouden voor agrarisch natuurbeheer. Dat wil ik zeker overnemen.

Dit was een staccatopoging om een eerste rij vragen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid te beantwoorden, met als aantekening dat we helaas nog geen direct antwoord kunnen geven op een heleboel vragen vanwege de onduidelijkheid in de onderhandelingen.

De voorzitter: Dat begrijp ik. Ik zie dat er toch nog wat vervolgvragen zijn. «Interrupties» zal ik het maar noemen. Ik overweeg wat ruimere interrupties toe te staan zodat wij wellicht straks geen tweede termijn nodig hebben. Misschien kunnen de Kamerleden daarop anticiperen.

De heer Van Gerven (SP): Ik heb nog geen antwoord gehad op mijn vraag over de subsidiemiljonairs, de «CAP'ers» zullen we maar zeggen. Ik ben ook blij dat het kabinet het uitgangspunt van 7% steunt. Wij wachten af wat het uiteindelijk wordt in Europa, maar dat vinden wij zeer te prijzen.

Staatssecretaris Dijksma: De heer van Gerven wordt op zijn wenken bediend, want in de voorstellen worden de lidstaten verplicht om de betalingen voor de basispremie af te toppen. Het gaat dan om bedragen boven de € 150.000 per bedrijf. Boven de drie ton is de betaling nul. De inzet is om dit optioneel gebruik te laten zijn voor de lidstaten. Ik zal deze aftopping toepassen, maar het moet onder goede juridische mogelijkheden kunnen worden uitgevoerd en het moet een beperkte uitvoeringslast hebben. Dat is ook belangrijk. Anders zijn wij weer met heel veel papiersleperij bezig. Een van de doelstellingen is om de hele administratievelastendruk te verlichten. Daar ga ik dus op letten. Maar de heer Van Gerven heeft gelijk als hij zegt dat het voor het draagvlak van het beleid belangrijk is dat er een goede relatie blijft bestaan tussen wat wordt uitgekeerd en aan wie wordt uitgekeerd. Daar speelt dit een rol bij. Ik heb inmiddels met heel veel mensen contact over dit onderwerp, waardoor ik kan zeggen dat de excessen vaak beeldbepalend zijn. Dat is niet helemaal fair als je kijkt naar het totale subsidiebeleid, want de excessen voeren niet de boventoon als het gaat om de bedragen. Maar volgens mij zijn wij het wel eens.

De heer Van Gerven (SP): Dank voor de heldere stellingname van de staatssecretaris. Het gaat natuurlijk ook om draagvlak. Ik heb het aantal van 1500 subsidiemiljonairs genoemd, maar er zijn wel honderdduizenden bedrijven die subsidie krijgen. Dan is het weinig. Maar alles bij elkaar ging het om 3,5 miljard. Dat is toch een substantieel bedrag.

De voorzitter: Komt u tot een vraag?

De heer Van Gerven (SP): Voor het draagvlak is het essentieel dat dat uitgangspunt, als het maar enigszins kan, wordt uitgevoerd. Dit was eigenlijk meer een opmerking.

De voorzitter: Dat is eigenlijk niet de bedoeling.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Ik had een korte vraag gesteld over perceelregistratie. Ik weet niet of die hier beantwoord kan worden.

Staatssecretaris Dijksma: Wij zien nu dat dat mogelijkerwijs hopeloos ingewikkeld is. Daarom wordt daar lang over gesproken. Als je heel Europa gaat opknippen en plakken en daar allemaal regels voor stelt, dan brengt dat heel wat met zich mee. Dit is echt een lastig dossier.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Dat is een helder antwoord, maar niet helemaal het antwoord op mijn vraag. Dat het ingewikkeld was, was mij vanuit de sector al duidelijk geworden, maar kunnen wij een moment verwachten waarop er een klap op gegeven wordt?

Staatssecretaris Dijksma: Wij zetten in op vereenvoudiging. Wij hopen er pas een klap op te geven als het naar onze zin is. Dat is nog niet helemaal het geval, zeg ik voorzichtigjes.

De voorzitter: De volgende vraag is van mevrouw Lodders.

Mevrouw Lodders (VVD): Voorzitter, u daagt mij uit om ervoor te zorgen dat wij geen tweede termijn hoeven te houden. Ik maak daar gebruik van. Dat helpt, hoop ik.

Ik werd net even getriggerd door de opmerking van de heer Van Gerven over de aftopping en de inzet van de staatssecretaris daarbij. Zij antwoordde dat het optioneel is, maar het zou juist voor heel Europa moeten gelden omwille van een eerlijk speelveld.

De staatssecretaris geeft aan dat het bij vergroening essentieel is om de directe betalingen om te zetten in doelgerichte betalingen. Die kanteling wordt in het nieuwe GLB gemaakt. Daar zijn wij een voorstander van. Maar hoe ziet de staatssecretaris dat? Als directe betalingen worden omgezet in doelgerichte betalingen, dan moeten ondernemers al aan negentien richtlijnen voldoen. Die vergroeningsmaatregelen komen daar nog eens bovenop. Wij zijn heel erg blij met de ontkoppeling. Het is een eigen keuze. Een ondernemer kan die keuze maken, maar laten wij voorzichtig zijn om die lat elke keer weer hoger te leggen. Ik hoop dat de staatssecretaris begrijpt wat ik daarmee bedoel.

Staatssecretaris Dijksma: Ja, dat begrijp ik. In dat opzicht is het regeerakkoord ook een interessante uitdaging voor mij, want daar zitten een paar opdrachten tegelijk in. Daar zit de opdracht in om het ondernemen aantrekkelijk te maken voor ondernemers in ons land en hun ook ruimte te geven. Daar versta ik ook de boeren onder. Maar daar zit ook de opdracht in van groene groei. En daar zit ook nog de opdracht in om de administratievelastendruk in zijn totaliteit te verlagen. Binnen die randvoorwaarden proberen wij zo goed mogelijk te doen wat wij moeten doen. Mevrouw Lodders zal het met mij erover eens zijn dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid een belangrijke mogelijkheid is om groene groei verder te stimuleren. Wij zullen dat moeten doen op een manier waarbij wij zo veel mogelijk draagvlak bij de doelgroep zelf vinden. Dan merk je dat het hier, net als bij het natuurbeleid, mogelijk moet zijn om die dingen in de sector op te zoeken waar de positiviteit zit. In de tweede pijler zijn bijvoorbeeld heel goed projecten mogelijk waarbij je wel degelijk op het erf zelf boeren ondersteunt in hun vergroeningsopgaven. Je moet dus op zoek gaan naar kansen waarbij je de sector meekrijgt en tegelijkertijd een stap zet naar het einddoel van groene groei. Daar zal ik elke keer naar op zoek gaan.

Mevrouw Lodders (VVD): Ik realiseer mij zeer dat het een complexe opgave is, vooral de ambities op het gebied van deregulering en de vermindering van de administratieve lasten, maar daar hebben wij vandaag voldoende over gezegd. Nogmaals, de VVD is niet tegen vergroening, maar zij wil dat los zien van de doelgerichte betalingen. Die insteek is helder. Ik doe een oproep aan de staatssecretaris om boeren binnen de beschikbare ruimte zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de vergroeningsmaatregelen. Ik doel met name op maatregelen als 75% blijvend grasland. Daarover ontstaat nu al heel veel ruis onder de boeren. Zij vragen zich af wat er gaat gebeuren en hoe ze daar op moeten anticiperen. Die communicatie is, voor zover het tot de mogelijkheden behoort, heel erg belangrijk. Ik snap echter ook dat nog heel veel niet duidelijk is. Maar zie het als een oproep.

Staatssecretaris Dijksma: Zodra de Europese besluitvorming duidelijkheid biedt, kunnen wij die ook geven.

De voorzitter: Ik zie dat er verder geen vragen zijn. Dan gaan wij verder met het volgende blokje: visserij.

Staatssecretaris Dijksma: Dat is nog wel een blok, geen blokje, zeg ik maar in alle eerlijkheid.

De VVD-fractie heeft gevraagd of ik het standpunt steun over de discardban. Natuurlijk is de aanlandplicht een sluitstuk en moet er ingezet worden op selectiviteit, maar de algemene oriëntatie van de Raad in juni maakt stapsgewijze invoering mogelijk. Die invoering moet reëel zijn. Tegelijkertijd is er wel een besluit genomen. Dat kunnen wij niet terugdraaien. Nu wordt er vanuit de sector en vanuit Nederland gezocht naar mogelijkheden om met innovatie een stap te zetten. Mij is gevraagd of ik mij inzet om met name de pulsvisserij, die de heer Bosman ook heeft genoemd, mogelijk te maken. Jazeker, dat doe ik heel graag. De uitbreiding naar 10% zoals die nu is vormgegeven, was echt het maximaal haalbare. Dat was ook al een verdubbeling. Ik werk samen met andere partijen om ervoor te zorgen dat dit generiek wordt toegelaten, want daar hebben wij ook een ecologisch belang bij. De Kamer zal ongetwijfeld begrijpen dat het Europees krachtenveld dit soort onderwerpen niet altijd alleen maar op basis van de inhoud bespreekt. Ik vertel niets verrassends, hè? Dat betekent dat ik misschien niet alleen in Brussel aan de bak moet, maar ook in het land zuidelijk van België om daar wat meer begrip te krijgen voor de Nederlandse positie. Dat is lastig, want wij zijn concullega's. De pulsvisserij heeft heel veel voordelen, zowel economische voor de vissers als ecologische. Dat vind ik ook belangrijk. Onze Commissaris Damanaki steunt mij ook. Daar blijven wij in de komende raden een punt van maken. Daar kan de Kamer op rekenen.

De heer Bosman heeft mij ook gevraagd of ik niet liever naar één beheersysteem zou willen, in plaats van aan de ene kant TAC's en aan de andere kant zeedagen. Ja, laten wij dan vooral de TAC's als uitgangspunt nemen voor de maximale hoeveelheid die gevangen mag worden, maar dat kan pas als er een aanlandplicht is zonder uitzondering. Als wij die hebben, kunnen we de zeedagen loslaten, die toch bedoeld zijn om enige selectiviteit te organiseren. Dat is ook voor onze (achter)kleinkinderen van groot belang. Die volgorde is dus van belang.

Er is gevraagd naar de opstelling van Noorwegen met betrekking tot schol. Mij is ook niet helemaal duidelijk waarom Noorwegen dit nou blokkeert, maar er komt nog een kans later dit jaar, in juni, om aan de hand van een advies van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) opnieuw het gesprek te voeren. Wij hopen dan ook dat wij niet met een definitief standpunt te maken hebben. Ook daarvoor komt er weer een nieuwe ronde met, hoop ik, een nieuwe kans.

Mij is gevraagd of ik met betrekking tot de aanlandplicht scherp aan de wind wil zeilen. Ik wil de Kamer geen knollen voor citroenen verkopen, want in juni heeft de Raad er gewoon mee ingestemd. Dus het is een feit. De algemene oriëntatie van de Raad maakt het wel mogelijk om het gefaseerd en reëel in te voeren. Daarover ben ik vanzelfsprekend met de sector en de wetenschap in gesprek. Ik wil mij focussen op een efficiënte en effectieve invoering, maar heronderhandelen over het feit is – de heer Graus is er nu niet – «Don Quichot», maar dan in mijn positie. Ik zou de Kamer willen vragen: doe mij dat niet aan.

De heer Dijkgraaf heeft gevraagd naar de positie van de aal en de wijze waarop de berekeningen daarbij worden georganiseerd. Toevallig heb ik daarover gisteren een brief – die zat «in de tas», zoals dat zo mooi heet – aan de sector gestuurd. De vraag is gerezen of je met een herberekening geen positiever beeld krijgt van het bestand. De verwachting van de wetenschappers is dat dat niet het geval zal zijn, want de aal is een klein, kwetsbaar diertje dat enkele decennia nodig heeft om zich weer enigszins te kunnen herstellen. De verwachting is dus niet dat de recente cijfers of gegevens gaan leiden tot een bijstelling van het streefbeeld, laat staan tot een aanpassing van het huidig aalbeheerplan. Uiteraard – dat zeg ik alvast toe – zal ik de Kamer na overleg met de sector over de uitkomst daarvan informeren. Dus wij houden de Kamer daarbij betrokken.

Mevrouw Ouwehand heeft mij gevraagd naar de inzet voor de kwetsbare haaien en roggen. Ik kan daar een heel verhaal over houden, maar ik zeg gewoon: u kunt op mij rekenen.

Mevrouw Dikkers heeft mij gevraagd naar de relatie tussen de voedselzekerheid en het leegvissen van de zee. Die is vrij overzichtelijk, want het leegvissen van de zee helpt de mondiale voedselzekerheid zeker niet. Daarom is de inzet van de Europese Unie dat dit duurzaam moet gebeuren en Nederland steunt dat. Alleen dan is in de toekomst nog visserij mogelijk. Daarnaast wil ik het belang van de ontwikkeling van de aquacultuur noemen. Die krijgt in ons land ruimte, want die levert ook een bijdrage aan voedselzekerheid.

Mevrouw Dik-Faber vraagt naar de situatie rondom de makreel rond IJsland en de Faeröer. We moeten stevig blijven overleggen. We hebben allemaal belang bij een stabiel bestand en duurzame bevissing. Ik vraag de Commissie om de mogelijkheid van het inzetten van een sanctieverordening te onderzoeken. Immers, het kan niet zo zijn dat wij ons aan de afspraak houden en anderen niet. In andere verbanden is hier ook al om gevraagd. We moeten er zeker op blijven letten.

Volgens mij is dit het blokje visserij, hoewel ik wellicht dingen vergeten ben.

De heer Bosman (VVD): Ook deze staatssecretaris gebruikt het woord «sluitstuk» bij de discard ban. Als je verder praat, blijkt dat dan toch weer een generiek middel te worden en geen eindmiddel. We moeten dan ook eerlijk zeggen dat de discard ban een generiek middel is en geen sluitstuk. Dat geeft namelijk een ander beeld. Wij maken ons er zorgen over. De staatssecretaris zegt dat het inzetten van alleen maar zeedagen slechts kan als er een complete discard ban is. Die combinatie begrijp ik niet helemaal. De staatssecretaris zegt dat het ook voor de kinderen en voor de toekomst is. Ik mag echter toch aannemen dat vissers ook vooruitdenken en bedenken dat er nog iets te vangen moet zijn.

Ik heb al eerder gevraagd of ervoor gezorgd kan worden, gelet op landen die innoveren en daardoor minder discards hebben, dat landen die niet innoveren er zwaarder aan moeten trekken. Die vraagt staat nog open.

Dus mijn punten zijn: geen sluitstuk, het is een algemeen middel, kan de staatssecretaris uitleggen waar de combinatie van zeedagen en complete discard ban vandaan komt en de koppeling tussen innovatie en discard ban.

Staatssecretaris Dijksma: Die drie onderwerpen hebben met elkaar te maken. Er was een Nederlandse inzet en er is een Europese uitkomst. Daar zit verschil tussen. De uitkomst is dat de aanlandplicht door de Raad is vastgelegd. Onze positie is steeds geweest dat wij wel degelijk inzetten op wat de heer Bosman nu betoogt, namelijk de innovatie als het ware in de plaats te stellen van de aanlandplicht. Ik heb zojuist omstandig geprobeerd uit te leggen wat we met onze zuiderburen, België, te verhapstukken hebben. Het komt erop neer dat het op dit moment in Europa gewoon geen haalbare uitruil is. Dat komt doordat Nederland heel ver vooruitloopt op het terrein van de pulsvisserij. Dus ja, het is in ons belang om de innovatie te koppelen aan de aanlandplicht, maar het is ons niet gegund. Dat zijn nu eenmaal de twee feiten. Wij blijven het punt dat het belangrijk is om te innoveren in de gehele visserijsector Europees agenderen. Ook blijven wij proberen om voor Nederland ruimte te krijgen om daarin voorop te lopen en om daarvoor ook iets terug te krijgen.

Dan het punt van het enkele beheersysteem. Ik moet helder zeggen dat we niet inzetten op het systeem van het aantal zeedagen maar op dat van de total allowable catches (TAC's). Op het moment dat er een volledige aanlandplicht is, en die komt er, kun je gemakkelijk het aantal zeedagen loslaten. Immers, door de combinatie van de TAC's en de aanlandplicht is er dan een zodanig sluitend systeem dat er eigenlijk geen zeedagen meer nodig zijn. Zo verwachten wij dat het in de toekomst zal verlopen. Gegeven de uitkomst in de Raad ben ik met de sector in overleg over de vraag hoe we een en ander reëel en haalbaar kunnen invoeren. Nogmaals, er zijn gewoon besluiten genomen. De Nederlandse positie is niet altijd geheel identiek aan de Europese uitkomst.

De heer Bosman (VVD): Dat is volkomen helder. Dan zit je echter wel met het probleem dat wij Nederlanders verplicht zijn om aan te landen, dat we daar heel innovatief mee bezig zijn, maar dat er geen markt is voor de vis die we aanlanden. Het is dus economisch niet haalbaar. Ik vind het heel erg spijtig als ik door de aanlandplicht vis de vuilverbranding in zie gaan. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Gaat Europa compenseren voor de innovatie die Nederland pleegt waardoor er een beperkte aanlanding is en een beperkte hoeveelheid vis? Het is het een of het ander. Je kunt niet zeggen: je hebt een aanlandingsplicht maar er is geen markt voor de vis die je aanlandt, dus verbrand die maar.

Staatssecretaris Dijksma: Maar die markt is er nu nog niet. Die zou er wel kunnen komen. Er bestaat een wetenschappelijke discussie tussen de sector en anderen over het punt dat vis die als bijvangst wordt opgehaald niet altijd levensvatbaar is. Nu wordt die vis aan land gebracht. Anders gaat de vis terug de zee in, maar daar heeft hij niet altijd een reële functie.

De voorzitter: Een heel korte reactie, mijnheer Bosman, anders zou u aan drie interrupties komen en dat is wel een beetje royaal.

De heer Bosman (VVD): Ik ben het absoluut oneens met het laatste punt van de staatssecretaris. Immers, vis die terug de zee in gaat, is voedsel en de vis die op land verbrand wordt, is as.

De voorzitter: Het zij gezegd.

Staatssecretaris Dijksma: Laat ik het dan ook maar als een opmerking beschouwen.

De heer Dijkgraaf (SGP): Daar komt nog bij dat een deel van die vis wél overleeft in de zee.

Mijn vraag betreft de onderbouwing van het aalbeheerplan. Ik weet niet helemaal zeker wat de staatssecretaris precies bedoelde. Ze zei niet te verwachten dat de bijstelling leidt tot bijstelling van het bestand in positieve richting. Betekent dat dan ook dat de staatssecretaris zegt, «en dus doen we het niet»? Of wordt er wel op een betere manier gemeten, rekening houdend met het commentaar van de sector?

Staatssecretaris Dijksma: Dat laatste doen we, maar dat betekent niet dat de verwachting is dat er daardoor een positiever beeld zal ontstaan.

De heer Dijkgraaf (SGP): Dan is in ieder geval helder ...

Staatssecretaris Dijksma: Je kunt wel een andere meetmethode toepassen, maar die leidt niet per se tot een andere uitkomst. De verwachting is dus niet dat het leidt tot een ander beeld van het bestand.

De heer Dijkgraaf (SGP): Nee, maar dan zou mijn opmerking zijn: dat zien we dan wel weer; de feiten moeten spreken, als er maar goed gemeten wordt. Er moeten echter wel wat punten de wereld uit. Het punt dat men vroeger uitging van het bestand in de jaren vijftig-zeventig, terwijl we als gevolg van menselijk ingrijpen vervuilde wateren hadden met een enorme palingstand. Het punt dat we gebieden meerekenen waar we de aal over de dijk zetten terwijl de Fransen en Duisters dat niet doen. Het punt dat vissers zeggen dat zij op exact dezelfde plek waar een meetschip met wetenschappers vist voor de metingen, tweemaal zo veel vis naar boven halen, omdat zij beter kunnen vissen en met ander spul vissen. Deze punten moeten de wereld uit, want het beleid moet natuurlijk wel op de juiste cijfers gebaseerd zijn.

Staatssecretaris Dijksma: Dat laatste ben ik met de heer Dijkgraaf eens. Ik vind echter ook dat we voorzichtig moeten zijn met het op deze wijze ter discussie stellen van de wetenschap, alsof die deze punten allemaal mist. Laten we inderdaad zorgen dat er zo weinig mogelijk discussie is. De heer Dijkgraaf zal echter ook begrijpen dat het van belang is dat we zorgvuldigheid betrachten ten aanzien van het aalbestand. Daar moeten we voorzichtig in zijn. We gaan het gesprek met de sector aan. Ik heb al gezegd dat ik zal laten weten wat de uitkomst daarvan is. Als die de heer Dijkgraaf niet bevalt, zal hij mij weten te vinden en hoor ik dat. Laten we eerst maar eens het debat met de sector voeren.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Ook ik wil nog even ingaan op de discard ban. Wat de innovatie en het ontbreken van een markt betreft, kan ik aansluiten bij de woorden van de collega van de VVD. De staatssecretaris zegt dat ze in gesprek wil blijven met de visserijsector. Ik wil dat heel dik onderstrepen. Zij wil kijken of de maatregelen realistisch en haalbaar zijn. Ik denk dat het ontzettend belangrijk is om het contact met de visserijsector te behouden, omdat er geen draagvlak is voor de maatregel. Ik betreur het enorm dat het niet is gelukt om het punt van de visserijsector erdoorheen te krijgen in de Raad. Ik heb eerlijk gezegd ook de indruk dat de we misschien niet genoeg ons best hebben gedaan. Er is duidelijk naar voren gebracht dat Nederland dit standpunt in zou brengen bij de Landbouw- en Visserijraad. Dat is helaas bij een briefje gebleven. Wij krijgen nu een beleefd briefje terug. Ik betreur dat. De stand van zaken is nu zoals die is. Ik kom dus terug op mijn punt: staatssecretaris, blijf alstublieft goed in gesprek met de visserijsector want draagvlak is er niet. Ik weet niet of dat er zal komen, maar laten we er in ieder geval voor zorgen dat de maatregelen realistisch en haalbaar zijn.

Staatssecretaris Dijksma: Het lastige is dat ik van mevrouw Dik terug moet om te praten over het beleid van mijn vóórvoorganger. Volgens mij heeft die het niet bij een briefje gelaten, maar is er ook gesproken met de Commissaris. Op een gegeven moment is er echter een andere uitkomst en daar hebben we dan mee te maken. Dat betekent dat we moeten kijken, gegeven de omstandigheden, hoe we een en ander op een zo verstandig mogelijke manier invoeren. Zoals ik al zei, moeten we ervoor zorgen dat er in Europa ruim baan wordt gemaakt voor innovatie. Vooral in de Nederlandse vloot is de innovatie natuurlijk al flink gaande. Innovatie is in ons gemeenschappelijk belang; het is immers een economisch maar ook een ecologisch belang. We gaan er zeer veel werk van maken, maar vinden natuurlijk ook nog wel wat beren op de weg. Het is echter niet helemaal fair om te suggereren dat mijn vóórvoorganger er geen werk van heeft gemaakt. Ik geloof niet dat dat het geval is.

De voorzitter: Hebt u nog een vervolgvraag, mevrouw Dik? Wel alstublieft vrágend.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Dan moet ik u helaas teleurstellen, voorzitter. Ik heb nog één zin, maar die is geen vraag. Ik verkeer echt in de veronderstelling dat er een brief is gestuurd. Ik wil niemand betichten van unfair gedrag, helemaal niet, maar de informatie die ik gekregen heb, is dat er vooral correspondentie is geweest. Als dat zo is, is dat jammer. Maar goed, de staatssecretaris heeft zojuist gezegd dat het in haar optiek anders is verlopen. Daar heb ik ook kennis van genomen.

De voorzitter: Dan houden we het daarbij en gaat de heer Van Gerven van de SP een vraag stellen.

De heer Van Gerven (SP): Gisteren is er naar aanleiding van een discussie over biobrandstoffen een motie aangenomen over wat ik maar de «biomassaladder» zal noemen. Een discard ban zou hier heel goed bij passen. Alles wat je vangt als je vis vangt, moet je gebruiken om op te eten. Dat een oude jagerswijsheid. Ik ben blij dat dat de uitkomst is.

Dat was een opmerking; mijn vraag gaat over de wijziging van de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. De staatssecretaris heeft nog niet geantwoord op mijn vraag hierover. Kan zij dat alsnog doen?

Staatssecretaris Dijksma: Dan moet u die vraag even herhalen.

De heer Van Gerven (SP): Mijn vraag betrof de beschermde natuurgebieden op zee.

Staatssecretaris Dijksma: Oh ja, op de Noordzee.

De voorzitter: Daar wil ik iets over zeggen. Dit betreft een lopende procedure. Het is de vraag, maar dat kan zij misschien ook zelf zeggen, of de staatssecretaris op dit moment die vraag zou kunnen, of zou moeten willen, beantwoorden.

Staatssecretaris Dijksma: Nee, want het betreft een lopende procedure. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter: Goed. Dan zijn we het helemaal eens.

Staatssecretaris Dijksma: Het antwoord komt binnenkort.

De voorzitter: Daar houden we het op dit moment bij. De staatssecretaris vervolgt haar betoog.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. Mijn derde blok gaat over het onderwerp gewasbeschermingsmiddelen. De Kamer heeft gisteren een brief hierover van mij ontvangen. Ik kom daar zo meteen nog uitgebreid over te spreken.

De VVD-fractie vraagt naar de Europese aanpak van kleine teelten. De EU-verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen verplicht de Europese Commissie tot een rapportage aan de Europese Raad en het Europees Parlement over het instellen van een Europees coördinatiepunt van de minor users. De conclusie van een extern onderzoek in opdracht van de Europese Commissie was dat eigenlijk alle lidstaten zo'n coördinatiepunt wenselijk achten. Nederland heeft veel kleine teelten. Die zijn van groot innovatief en economisch belang. We spannen ons dus samen met het bedrijfsleven in voor het behoud van deze teelten. Dat bepleiten we ook in de EU. Op het verzoek van de Europese Commissie om ondersteuning hebben Nederland, Frankrijk en Duitsland een conceptvoorstel uitgewerkt voor dit coördinatiepunt. Dat voorstel heeft de Europese Commissie nu. Op 17 januari is door mijn permanente vertegenwoordiging bij de Europese Unie (PV EU) navraag gedaan bij de Commissie hoe het staat met het minor users report. De Commissie meldt dat dit rapport op korte termijn kan worden verwacht. Mijn voorstel is om dat af te wachten. Dan hoort u daar nog over. Uiteraard zal ik dit onderwerp bij de komende Landbouwraad onder de aandacht brengen.

Mevrouw Ouwehand vraagt aandacht voor het Europees verbod op neonicotinoïden. Zij zegt dat indien ik een verbod in Brussel niet voor elkaar krijg, ik in Nederland iets moet doen. Ik heb in de brief die gisteren naar de Kamer is gestuurd alvast toegezegd dat ik het EFSA-rapport bij de aanstaande Raad op de agenda zal zetten. Ik heb ook toegezegd dat ik zal oproepen tot het ondernemen van actie in Europees verband. Op die manier zijn we uiteindelijk het meest effectief bij het inperken van stoffen die als een hoog risico worden beschouwd. Ik ben het ook eens met mevrouw Lodders op dit punt.

Mocht het op Europees niveau niets worden met de stoffen die bewezen een groot risico vormen, ben ik van mening, hoewel de meningen in de Kamer verschillen op dit punt, dat ik het Ctgb moet vragen om over te gaan tot nationale maatregelen. Ik heb hier in de brief een zelfstandig standpunt over ingenomen. Ik wil niet overgaan tot nationale maatregelen voor stoffen waarover nog onduidelijkheid bestaat. Mevrouw Ouwehand heeft gezegd dat we voor die stoffen het voorzorgbeginsel moeten laten prevaleren. Ik zeg heel eerlijk dat ik mij nog niet gemachtigd voel om tot zo'n vergaande maatregel te komen. Er moet namelijk wel wetenschappelijke evidentie voor bestaan. Wel heb ik gevraagd om snel duidelijkheid te bieden over deze stoffen. Het kan immers niet zo zijn dat er lang onduidelijkheid blijft bestaan op dit punt. Voor de openstaande toepassingen maakt het Ctgb nu een quickscan. Met andere woorden, de inzet is dus om daar waar het hoge risico al is vastgesteld, de boel aan te pakken, het liefst op Europees niveau. Mocht dat onverhoeds niets worden, zullen we nationaal moeten overgaan tot maatregelen, want we weten immers al dat toepassing van deze middelen echt een hoog risico met zich meebrengt. Over de stoffen waarover er nog «gaps» in onze kennis zitten, moet snel duidelijkheid worden verschaft. Daar moeten we flink op aandringen. EFSA is uitgenodigd om dat te doen. Ook dit punt zal ik maandag agenderen. Noch EFSA noch Ctgb geeft aan dat er aanleiding is voor een moratorium op alle middelen. Dat is hun standpunt.

De heer Geurts vraagt hoe het precies zit met de studies naar de toxiciteit voor vogels. Het Ctgb vraagt niet om een studie naar de toxiciteit voor vogels per gewas, maar wel om een onderbouwing van de extrapolatie van veldgegevens van het ene naar het andere gewas. Bij een toelatingsaanvraag van een zaadbehandelingsmiddel met bijvoorbeeld 80 gewassen, zal één enkele studie voor één gewas niet voldoende zijn om het risico voor al die 80 gewassen te beoordelen. Conform het Guidance Document voor Vogels en Zoogdieren van de EU moeten er of gewasspecifieke veldstudies worden geleverd of een zeer goed onderbouwde rechtvaardiging van het extrapoleren van de veldgegevens van het ene naar het andere gewas. Het Ctgb handelt naar deze Guidance. Als de heer Geurts hier nog meer over wil weten, adviseer ik hem om zijn vragen schriftelijk te stellen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vind het antwoord over de neonicotinoïden teleurstellend, want de EFSA zegt duidelijk dat het risico voor bijen niet valt uit te sluiten. Het voorzorgbeginsel zou dus wel degelijk moeten gelden, ook gelet op het rapport Late Lessons from Early Warnings. De discussie speelt al heel lang en ook de lijst met deskundigen die om de toepassing van het voorzorgbeginsel vragen is lang. Ik denk dat ik hierover een motie ga indienen.

Ik wil echter nog wel iets weten van de staatssecretaris. De EFSA concludeert wél dat de manier waarop we nu beoordelen of middelen op de markt kunnen worden toegelaten, niet deugt. Die manier gaan we dan ook aanpassen. Ik mag toch aannemen dat er in de tussentijd geen nieuwe middelen worden toegelaten op basis van deze oude methode? Ik wil dat eigenlijk als een vanzelfsprekendheid aannemen, maar voel me genoodzaakt om het toch te vragen, want ik ben er niet gerust op.

Staatssecretaris Dijksma: Ik wil op een andere manier iets terugzeggen. Ik weet dat mevrouw Ouwehand al jarenlang met dit onderwerp aan de slag is, en volgens mij ook niet helemaal zonder reden. Ik wil haar vragen om toch ook haar zegeningen te tellen. Het is voor het eerst dat we puur op basis van de vaststelling door de EFSA en het Ctgb dat er in ieder geval bij twee stoffen een hoog risico is, niet alleen een Europese inzet kiezen om over het gehele verhaal snel duidelijkheid te krijgen, maar ook zeggen dat we daar waar een hoog risico al bewezen is, zelf overgaan tot actie indien Europa niet snel genoeg loopt. Dat is mevrouw Ouwehand volgens mij nog niet eerder overkomen en ik weet ook niet of iedereen in de Kamer dit wel een goed idee vindt. Ik vermoed misschien zelfs van niet. Mevrouw Ouwehand kan van harte moties indienen, daarover zie ik dan graag het oordeel van de Kamer tegemoet, maar ik wil haar zeggen dat ik hoop dat zij mij steunt. Ik probeer immers om dit onderwerp in Europees verband aan te kaarten en ik roep op om het in Europees verband heel serieus te nemen. Ik doe dat al, ook voor de stoffen waarvan het gevaar nog niet is bewezen. Ik schuif het dus niet weg. Er is een early warning. Mijn stelling is: laten we dan nu ook een quick solution organiseren, namelijk snel duidelijkheid.

Er moet echter wel wetenschappelijke duidelijkheid bestaan op basis waarvan je beleid kunt maken. Je kunt op dit punt alleen beleid maken als het hoge risico bewezen is. Op het moment is er helaas onduidelijkheid. Ik had liever dat er meer duidelijkheid was, want dan konden we een duidelijker besluit nemen. Als de onduidelijkheid blijft, moeten we zo snel mogelijk de informatie krijgen. Dat is mijn inzet. Daarbij geldt dat hoe meer we in Europees verband kunnen doen, hoe beter het is. Het is immers van groot belang dat we het niet alleen in ons land goed regelen, maar ook in de andere lidstaten. Uiteraard zal ik mij ook daarvoor inzetten. Vandaar dat ik maandag onmiddellijk dit onderwerp op de agenda wil zetten. Daarmee forceer ik als het ware een standpunt van de Commissie. Dat is een politieke handeling, zou ik haast willen zeggen. Ik hoop dat die ook bij mevrouw Ouwehand niet onopgemerkt blijft.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Natuurlijk steunen wij de staatssecretaris daarin. Het zou het mooiste zijn als er maandag in de Raad direct een moratorium wordt afgesproken op dit soort middelen. Echter, de staatssecretaris stapt wel in een dossier waarin al een hele tijd heel veel angels zitten. Daar kan zij niet zo veel aan doen, behalve dan dat ik waardeer dat zij er ja tegen heeft gezegd. De fractie van de PvdA heeft na jaren gerommel op dit dossier gezegd: de maat is vol, wij steunen een moratorium op het gebruik van neonicotinoïden in Nederland. Een aantal partijen in de Kamer is dus al een heel stuk verder in het gevoel van urgentie ...

De voorzitter: Wat wordt uw vraag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil de staatssecretaris meegeven dat ik natuurlijk waardeer dat zij deze stap zet, maar dat het dossier zo groot is en de belangen zo enorm zijn, dat zij niet kan verwachten dat de Partij voor de Dieren zegt dat een stap altijd goed is. Daarvoor is het belang te groot. De staatssecretaris zal mij niet kwalijk nemen dat ik de Kamer toch middels een motie om een uitspraak wil vragen.

Hoe gaat in de optiek van de staatssecretaris de Raad om met nieuwe toelatingen? Mogen we ervan uitgaan dat zolang de EFSA in de Raad zegt dat het kader wordt aangepast op basis waarvan toelatingen zijn gedaan, het voor de hand ligt om de toelatingen stil te leggen?

Staatssecretaris Dijksma: We zullen de EFSA moeten vragen hoe die ons op dat punt wil adviseren. Dat lijkt me ook een onderwerp om maandag te agenderen.

Uiteraard krijgt de Kamer altijd een verslag van hetgeen er besproken wordt tijdens de Raad. Dat zal deze keer zeker niet anders zijn. Ik begrijp dat er op dit punt in een deel van de Kamer bepaalde opvattingen leven en in een ander deel van de Kamer weer andere opvattingen. Ik heb echter wel te maken met het feit dat ik pas kan handelen als er hard bewijs ligt. Dat is nu eenmaal mijn positie. Bij de drie toepassingen waarvoor al een risico is geïdentificeerd door zowel EFSA als Ctgb, kan ik nu handelen. Daar waar er nog gaps in de informatie zitten, moet je, zeker in een regeringspositie, ervoor zorgen dat die gaten gevuld worden en dat er bewijs komt. Op het moment dat er bewijs is, kun je een vervolgstap zetten. Ik heb te maken met mensen die vragen op welke wetenschappelijke evidentie mijn beleid is gebaseerd. Dergelijke vragen moet ik goed kunnen beantwoorden. Dat is nu eenmaal een andere verantwoordelijkheid die ik heb, ook in dit dossier. Ik heb er niet alleen opvattingen over, ik ben ook nog bestuurder. Dat is soms net even een slag ingewikkelder bij dit soort onderwerpen.

De voorzitter: Waarvan akte. Waarbij ik nog kan vermelden dat deze vaste commissie een gesprek zal hebben met het Ctgb. Dat staat gepland voor 12 februari. Dit is wellicht een aandachtspunt voor degenen die interesse hebben in dit onderwerp.

De heer Geurts (CDA): Ik heb nog een punt over zaad en ontsmetting in relatie tot de vogeltoxiciteitstudies. De zaadindustrie in Nederland is belangrijk voor de Nederlandse sector maar ook voor de wereld. Wij verdienen er behoorlijk ons geld mee. Het is dus belangrijk voor de Nederlandse staat. Het gaat echt om een nationale kop. Ik stel dit niet zomaar. Als we niet oppassen, drijft die de zaadhandel Nederland uit. Daarom vraag ik er aandacht voor. Ik wil de staatssecretaris nogmaals vragen of zij de vraag hoe dit precies zit wil uitzetten in haar departement. Ik heb namelijk informatie dat het een nationale kop is die ertoe leidt dat de industrie naar omliggende landen vertrekt, waar het wat gemakkelijker gaat. Dat lijkt mij niet de bedoeling.

Staatssecretaris Dijksma: Ik zeg u toe dat wij daarnaar gaan kijken en dat ik u schriftelijk laat weten hoe het precies zit, waarom zaken al dan niet verantwoord zijn. We komen er nu gewoon niet uit. Ik heb mij al in veel dossiers kunnen verdiepen, maar nog niet in alle.

Voorzitter. Ten slotte kom ik toe aan het illustere blokje «overig». Mevrouw Ouwehand vraagt naar de kosten van de Grüne Woche. Ik vond het goed besteed geld, maar daar zijn we het dus niet over eens. Mevrouw Ouwehand weet dat Duitsland voor Nederland het grootste exportland van agrarische producten is. De totale exportwaarde van Nederlandse agrarische producten bedraagt ruim 75 miljard. Daarvan gaat maar liefst 26% naar Duitsland. We zien dat er gemiddeld in twee jaar een stijging van bijna 15% is. We zijn al 60 jaar aanwezig op deze beurs. We hebben die dit jaar samen met Bundeskanzlerin Merkel mogen openen. De Grüne Woche is een fantastische promotie van Nederlandse producten en de Nederlandse manier van werken, waaronder duurzaam werken.

We hebben binnen de begroting al jarenlang een budget beschikbaar voor handelsbevordering. De afgelopen jaren bedroeg dat gemiddeld zo'n € 800.000. Dit jaar was Nederland partnerland. Dat heeft ons de mogelijkheid gegeven om meer dingen te doen. We hadden een grotere expositieruimte, we hebben de openingsshow verzorgd – ik hoop dat mevrouw Ouwehand er ook van genoten heeft – we hebben een seminar gehouden, voedselzekerheid en topsectoren zijn aan de orde gekomen, mevrouw Ouwehand had het er al over. We hebben dus extra kosten gemaakt. Het bedrijfsleven heeft daar overigens zijn steentje aan bijgedragen. De extra kosten bedroegen zo'n € 375.000. Dat is besteed aan zaken als de huur van de stands, techniek, promotie, communicatie en de artiesten. Laten we vaststellen dat we een heleboel gratis communicatieaandacht hebben gehad. In bijna alle kranten, niet alleen in Nederland maar ook in Duitsland, waren wij aanwezig. Daarvoor hebben we niets betaald. Als je zou omrekenen wat het normaal zou kosten om de voorpagina van een Duitse krant te pakken te krijgen... Ik wil het niet eens weten!

Met andere woorden: mevrouw Ouwehand en ik worden het hier niet over eens. Ik zeg het maar zoals het is. Ik vond het fantastisch, het was voor de sector fantastisch, we gaan volgend jaar weer, wat mij betreft, en ik hoop dat mevrouw Ouwehand er dan ook weer bij is!

De heer Van Gerven stelt een vraag over een importverbod voor legbatterijeieren. Het probleem is dat dit WTO-technisch niet mogelijk is. Wel willen we in WTO-verband de mogelijkheden bezien om rekening te gaan houden met zogenaamde «non trade concerns». Dat zou een kapstok kunnen bieden. Daarover moet gewoon onderhandeld worden en dat gaan we ook doen.

Het verhaal over de veenkoloniën klopt niet, mevrouw Dikkers. Er is 5 miljoen beschikbaar voor innovatie in de veenkoloniën. Ik heb deze week nog met de gedeputeerde Van der Ploeg uit Groningen daarover gesproken. Er was discussie over de manier waarop we het geld kunnen inzetten. Mijn departement en ikzelf hebben de mensen ter plaatse alle medewerking toegezegd om het voor elkaar te krijgen. Het komt dus goed. Het geld is beschikbaar en als het aan ons ligt, wordt het ook snel uitgegeven, anders blijft het liggen en dat is natuurlijk helemaal doodzonde. Het betekent echter wel dat men zich ook in de veenkoloniën moet realiseren dat als je aanspraak wilt maken op POP-gelden, je moet voldoen aan een aantal regels. Het is niet zo dat wij met een druk op de knop die regels opeens gewijzigd hebben. Wij hebben wat begrip voor de regels gevraagd – ik zeg het een beetje voorzichtig – en uitgelegd dat we natuurlijk kunnen helpen om aan die regels te voldoen. Dat zullen we doen.

Ten slotte. Mevrouw Dik-Faber vraagt hoe het precies zit met de groepshuisvesting voor drachtige zeugen. Hoeveel bedrijven voldoen nog niet aan de eisen? Nederland heeft 2278 zeugenbedrijven. In november 2012 hebben wij de Kamer geïnformeerd dat naar verwachting 2% daarvan niet zou voldoen aan de eis van de groepshuisvesting drachtige zeugen per 1 januari van dit jaar. De NVWA controleert op dit moment en treedt op tegen overtredingen. Mevrouw Lodders heeft het in dit verband over Europa. De Europese Commissie treedt uiteraard streng op wanneer lidstaten zich onttrekken aan de Europese eisen. Een lidstaat kan ook in gebreke worden gesteld. De leden kennen het systeem: dan volgen er boetes en dergelijke, daar reserveren we ook altijd geld voor. Het vriendelijke verzoek voor de begrotingsbehandeling morgen is: laat dat zo. Het is echt belangrijk, het apurement, de leden weten het wel. Andere lidstaten worden er echt op aangesproken en dat moet ook. Het kan immers niet zo zijn dat wij ons daarin netjes opstellen en andere landen niet.

Mevrouw Lodders (VVD): Dat snap ik en ik realiseer mij dat ik geen interruptie heb. Volgens mij gaat het hier echter om de 28 dageneis en heeft Nederland gesproken over vier dagen. Vandaar ook mijn punt. De staatssecretaris mag er wat mij betreft later op terugkomen, ik hoef niet per se nu direct antwoord.

Staatssecretaris Dijksma: Graag.

De voorzitter: Daar wordt later op teruggekomen. Ik ben hier iets soepeler in, in verband met de ontbrekende tweede termijn.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik heb nog een vraag gesteld over de GMO-verordening, het mededingingsartikel 101, lid 3. De staatssecretaris mag die ook morgen beantwoorden, het kan bij het blok over de markt.

De voorzitter: Ik zie de staatssecretaris duidelijk maken dat dit morgen gaat gebeuren.

De heer Geurts (CDA): Ik heb een vraag gesteld over het beschermen van de exportbelangen en daarbij specifiek de zaak Van Bokhoven-Catalonië aan de orde gesteld. Ik heb daar helemaal niets op gehoord. Ik wil de staatssecretaris de stukken best toezenden. Er moet echt heel serieus naar worden gekeken, want als Nederland dit over zijn kant laat gaan, komt er nog meer en komen de exportbelangen echt in grote problemen.

Staatssecretaris Dijksma: Ik zag die vraag in uw termijn als een aankondiging. U zei al dat u mail had. Die zie ik graag tegemoet, dan kan ik er schriftelijk op reageren. Ik zal ervoor zorgen dat we dat snel doen.

De voorzitter: Dat krijgt op die manier dus ook aandacht. Dan zijn we door de beantwoording en de interrupties heen. Ik zie dat het ieders instemming heeft dat we geen tweede termijn houden.

Er is een VAO aangekondigd. Eerste spreker daarbij zal mevrouw Ouwehand zijn. Dit VAO zal morgen worden gehouden. Dan wordt er ook gestemd over de ingediende moties.

Mij rest alleen nog de toezeggingen met u door te nemen. Ik heb er een viertal genoteerd:

  • Zodra het Meerjarig Financieel Kader bekend is, wordt de Kamer geïnformeerd over de koopkrachtplaatjes en de overgangsregeling.

  • Zodra het wetsvoorstel van de EU over verbetering van transparantie bekend is, zal de kabinetsvisie hierop naar de Kamer worden gestuurd.

  • De Kamer wordt geïnformeerd over de resultaten van het overleg met de sector betreffende de aalstand.

  • De Kamer ontvangt een brief waarin nader wordt ingegaan op de al dan niet bestaande nationale kop op de zaadhandel.

Daarnaast zijn er nog wat bilateraaltjes geweest over antwoorden morgen en een antwoord op de situatie rond Catalonië. Die hebben we niet als formele toezegging genoteerd.

Ik dank iedereen voor de medewerking aan het vlot verlopen van deze vergadering. Ik wens de staatssecretaris beterschap met haar stem. Die kan zij nu in ieder geval een halfuur sparen. Allen wel thuis en dank.

Sluiting: 19.03 uur.