Kamerstuk 19637-1239

Verslag van een algemeen overleg

Vreemdelingenbeleid; Verslag van een Algemeen Overleg

Gepubliceerd: 21 november 2008
Indiener(s):
Onderwerpen: immigratie migratie en integratie recht staatsrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-1239.html
ID: 19637-1239

19 637
Vreemdelingenbeleid

nr. 1239
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 18 november 2008

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 22 oktober 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Albayrak van Justitie over:

– de brief van de regering d.d. 29 juli 2008 over het voortgezet verblijf van achtergelaten vrouwen (19 637, nr. 1217);

– de brief van de regering d.d. 1 oktober 2008 – Eindevaluatie: «Voorlichtingscampagne achterlating Marokkaanse vrouwen» (29 742, nr. 27).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: De Pater-van der Meer Griffier: Beuker

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter: Welkom bij de vaste commissie voor Justitie. Wij overleggen vanmiddag met de staatssecretaris van Justitie over het voortgezet verblijf van achtergelaten vrouwen. Op de agenda staan een brief en de eindevaluatie Voorlichtingscampagne achterlating van Marokkaanse vrouwen. Van de kant van de Kamer zijn er op dit moment vier sprekers. Wij hebben twee uur de tijd voor dit overleg. De sprekers stemmen in met zes minuten spreektijd in eerste termijn.

Mevrouw Arib (PvdA): Voorzitter. De PvdA-fractie is erg blij met de maatregelen die de staatssecretaris heeft aangekondigd. Voor achtergelaten vrouwen zijn de criteria om in Nederland te verblijven, verruimd. De kinderen die betrokken zijn bij achterlating, worden hierdoor, samen met hun moeders, beter beschermd dan voorheen. Om in aanmerking te komen voor een verblijf in Nederland, kunnen mishandelde vrouwen die uit angst of schaamte geen aangifte doen, voortaan medische gegevens of een verklaring van bijvoorbeeld de vrouwenopvang of de ggz overleggen als bewijs voor huiselijk geweld. Dit zijn maatregelen waarvoor wij jarenlang hebben gepleit en die slachtoffers van huiselijk geweld weerbaar maken, zodat zij niet langer gebukt hoeven te gaan onder geweld, met alle gevolgen van dien.

Het heeft jaren geduurd voor het zover is gekomen. Ik heb nog gezocht in Parlando. Mijn schriftelijke vragen over achterlating van vrouwen en kinderen dateren uit 2001, 2003, 2004 en 2005. In 2006 hebben wij uiteindelijk een heftig debat gevoerd. Het heeft echt heel lang geduurd en ik weet niet wat wij daardoor allemaal over het hoofd hebben gezien. Het probleem speelt al heel lang. Wij weten niet om hoeveel vrouwen en kinderen het gaat, maar door de aandacht is het probleem in elk geval zichtbaar gemaakt.

Het probleem is opgelost voor vrouwen die juridisch en sociaal in een afhankelijke positie zitten. Deze vrouwen zijn kwetsbaar, spreken nauwelijks de Nederlandse taal en behoren soms tot de eerste generatie. Voor deze vrouwen leiden de maatregelen gelukkig tot een positieverbetering. De laatste jaren worden wij echter steeds vaker geconfronteerd met achterlating van kinderen, waaronder veel meisjes. Ouders, vaak vaders, zijn bang dat hun dochters verwestersen en hopen hen hiervoor te behoeden door hen vroegtijdig naar het land van herkomst te brengen en daar achter te laten. Soms worden zij uitgehuwelijkt aan een man die zij niet kennen. Het gaat hierbij vaak om minderjarige meisjes die nog op school zitten en onder valse voorwendselen, zoals een vakantie of een familiebezoek, naar het land van herkomst worden meegenomen.

Ik heb begin deze maand mondelinge vragen gesteld aan de minister voor WWI. Ik heb gevraagd wat wij aan de positie van deze meisjes kunnen doen en hoe wij deze kinderen ook voor de toekomst kunnen beschermen. Verder heb ik gevraagd om de instelling van een meldpunt. Dat heeft de minister toegezegd. Mijn eerste vraag is dus: wanneer komt dat meldpunt er?

Wij spreken nu vaak over Marokkaanse en Turkse meisjes, maar wij weten helemaal niet wat de precieze omvang van het probleem is en onder welke bevolkingsgroepen het zich voordoet. Na mijn mondelinge vragen kreeg ik veel e-mails: een van een meisje uit Iran, een van een meisje dat is uitgehuwelijkt in Pakistan en een van een Marokkaans meisje. Ik wil graag een onderzoek naar de omvang van dit probleem en naar de vraag om welke bevolkingsgroepen het gaat.

Het is onbegrijpelijk dat niemand aan de bel trekt als minderjarige kinderen verdwijnen en na een schoolvakantie niet terugkeren op school. Deze kinderen zijn leerplichtig en horen gewoon op school te verschijnen. Hebben al die signalen de Inspectie van het Onderwijs nooit bereikt? Wil de staatssecretaris hierover overleggen met de staatssecretaris van OCW?

Rotterdam neemt als enige stad het initiatief om wel iets te doen tegen achterlating en uithuwelijking. Rotterdam wil naar Engels voorbeeld meisjes die het risico lopen om uitgehuwelijkt te worden, vooraf een verklaring laten ondertekenen. Als zij niet terugkeren, dan wordt actie ondernomen. Er wordt bijvoorbeeld contact gelegd met de ambassade en de ouders worden opgezocht. De meisjes worden geholpen om terug te keren en hun leven in Nederland weer op te pakken. Het probleem is echter dat deze verklaring geen enkele juridische status heeft. In Engeland werkt het heel goed, maar dat komt omdat uithuwelijking daar strafbaar is. Wat zijn de juridische mogelijkheden om ouders, maar ook mannen die vrouwen achterlaten, eveneens een vorm van grof geweld tegen vrouwen, te vervolgen? Biedt de huidige weten regelgeving voldoende mogelijkheden om ouders te vervolgen die hun kinderen op deze gruwelijke manier achterlaten of uithuwelijken? Zo nee, is de staatssecretaris bereid om met aanvullende wet- en regelgeving te komen? Wij kunnen wel pleiten voor opvang, hulp en een verblijfsstatus, maar ondertussen kunnen die mannen misschien weer een andere vrouw halen of hetzelfde probleem creëren.

Ik wil graag dat het meldpunt er voor de zomer van 2009 is, zodat mensen die het risico lopen om uitgehuwelijkt of achtergelaten te worden, voor de schoolvakanties weten dat er een meldpunt is waarmee zij contact kunnen opnemen en waar zij informatie kunnen krijgen.

De werkgroep Mudawannah doet hartstikke goed werk en bereikt zijn doelgroep met zijn voorlichting. De werkgroep krijgt financiële steun van Justitie en WWI, maar ik mis de betrokkenheid van het ministerie van OCW. Dat laat op dit terrein helemaal niets van zich horen, terwijl aan deze problematiek ook een emancipatieproces ten grondslag ligt. Die meisjes voeren een strijd en de minister van OCW heeft op dit punt een belangrijke verantwoordelijkheid. Kan de staatssecretaris hem vragen of hij een bijdrage wil leveren aan de voorlichting en of hij in zijn beleidsterrein aandacht wil besteden aan deze onzichtbare groep die een stille strijd levert?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. Vrouwen die slachtoffer zijn geworden van ernstig laakbaar gedrag van hun partner, zoals tegen hun wil en vaak zonder documenten achtergelaten worden in het land van herkomst en huiselijk geweld, verdienen hulp en bescherming, zeker als er kinderen in het spel zijn. In dat geval is het zaak om zeer zorgvuldig ook met hun belangen om te gaan. De afgelopen jaren is er terecht steeds meer aandacht voor deze problematiek gekomen en zijn diverse maatregelen genomen om vrouwen weerbaarder te maken. Vandaag zetten wij weer een paar stappen, waarbij twee begrippen centraal staan: «empowerment» en «bescherming».

Ik zoom allereerst in op de problematiek van de achterlating. Ik kan mij goed vinden in de voorgestelde nadere invulling van de in de regelgeving opgenomen klemmende redenen van humanitaire aard. Het is goed dat inzicht is verschaft in waarin die redenen gelegen kunnen zijn, dus welke factoren wegen, en dat verheldering ontstaat door richtinggevende voorbeelden. Niettemin stel ik er enkele vragen over.

Het is terecht dat de gegeven opsomming niet limitatief is. Er moet ruimte blijven om onvoorziene omstandigheden bij de weging te betrekken. Soms is de ellende namelijk niet bij voorbaat te overzien. Ik vraag mij af of de verfijning en de aanvulling van richtinggevende voorbeelden straks geen aanleiding kunnen geven tot oneigenlijk gebruik of misbruik, bijvoorbeeld als men zich op die voorbeelden gaat beroepen of als in een situatie naar zo’n voorbeeld toe wordt geredeneerd. Hoe ziet het kabinet dit?

Ik zie nog een gevaar opdoemen. Het is niets nieuws, maar het dringt zich toch een beetje op. Ik doel op bigamie en polygamie. Onlangs heeft mijn fractie daarvoor wederom aandacht gevraagd en de staatssecretaris heeft ons toegezegd dat zij met nadere voorstellen komt om deze zaken verder uit te bannen. Zij zou er in ieder geval voor zorgen dat eventuele ongewenste rechtsgevolgen van deze verboden huwelijksvormen worden tegengegaan. De voorstellen die wij vandaag bespreken, kunnen weleens averechts werken. Stel dat een man zijn vrouw verlaat in het land van herkomst, van haar scheidt en een nieuwe vrouw naar Nederland haalt. De achtergelaten vrouw wordt, terecht, geholpen en kan straks mogelijk gemakkelijker terugkeren naar Nederland. Dat kan ertoe leiden dat de man dan alsnog beide vrouwen bij zich heeft. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn, ook niet in het belang van de vrouwen. Hoe wordt dit tegengaan? Natuurlijk moet hierbij altijd het belang van de achtergelaten vrouw centraal staan.

Mevrouw Arib (PvdA): Het kan juridisch niet dat iemand in Nederland met twee vrouwen trouwt. Wij hebben een discussie gevoerd over inschrijving, maar men kan in Nederland niet twee vrouwen trouwen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Dat klopt. Het punt is dat het een heel vervelend, opgezet spel kan worden. Wij kunnen verzeild raken in een situatie waarin wij denken dat wij vrouwen beschermen, terwijl wij hen via een omweg opnieuw in een kwetsbare situatie brengen. Ik vraag daar gewoon aandacht voor. Wij dienen allereerst het totaalbelang van de achtergelaten vrouwen, maar mogen onze ogen niet sluiten voor mogelijke nadelige gevolgen. Daarom stel ik het aan de orde.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Ik verbaas mij een beetje over uw inbreng. Ik had verwacht dat u deze aanvulling van minister Hirsch Ballin zou verwelkomen. Het is een welkome verduidelijking van de gebruikte criteria, die juist voor veel vrouwen in deze penibele situatie ontzettend nuttig kunnen zijn. Wilt u deze aanvulling nu wel of niet?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik wil deze aanvulling heel graag, maar ik wil ook aandacht voor eventueel misbruik. Het is belangrijk dat helder wordt waarop kwetsbare vrouwen zich kunnen beroepen. Dat is nu goed en zorgvuldig voorbereid, maar ik wil wel aandacht voor eventueel misbruik, want wij weten allemaal dat vrouwen worden verhandeld en in heel nadelige posities komen in huwelijken met meerdere partners. Nu wij daar toch over spreken en omdat de staatssecretaris op dit punt een zorgvuldig beleid voert, is het belangrijk om het hierbij te betrekken. Dat is alles. Het is een heel goed initiatief, maar wij moeten nu niet het kwaad binnenhalen dat wij met elkaar willen bestrijden. Wij hebben er in de Kamer diverse keren over gesproken. Het is in ieders belang dat polygamie wordt voorkomen. Wij moeten er dus vooral voor zorgen dat wij het ook nu niet binnenhalen.

Mijn commentaar op het voorstel inzake dat andere leed, huiselijk geweld, ligt een beetje op hetzelfde vlak, namelijk misbruik. Naast of in plaats van medische verklaringen worden straks ook verklaringen van derden als bewijs voor huiselijk geweld geaccepteerd. Dat snap ik heel goed, maar wordt het lichtvaardig afgeven van deze verklaringen hiermee niet in de hand gewerkt? Ligt misbruik niet op de loer? Daar komt nog bij dat aangifte niet meer noodzakelijk is. Een melding bij de politie volstaat. Wat is er sinds oktober 2003 veranderd, waardoor het beleid dat voor die tijd gold nu in ere wordt hersteld? Betrokkene moet bij de politie voldoende aannemelijk maken dat het geweld heeft plaatsgevonden, maar is de politie voldoende in staat om dit te beoordelen? Hoe doet de politie dat? Een melding is gemakkelijk gemaakt en het gaat om heel ernstige feiten.

Ik sluit mij aan bij mevrouw Arib. Natuurlijk willen wij graag de vrouwen beschermen, maar wij moeten niet vergeten dat wij ook de mannen willen aanpakken. Dat geldt voor plegers van huiselijk geweld, maar ook voor mannen die hun vrouwen in hulpeloze toestand achterlaten. Er zijn strafrechtelijke bepalingen voor het iemand in hulpeloze toestand laten of brengen. Wij moeten goed nadenken over de vraag of wij met dit nieuwe beleid voldoende middelen in handen hebben om deze kerels aan te pakken.

Het onderhavige dossier heeft twee kanten: bescherming van de slachtoffers en het aanpakken van hen die vrouwen tot slachtoffer maken. Er moet beslist bescherming tegen huiselijk geweld worden geboden, maar is het land waar die bescherming moet worden geboden noodzakelijkerwijs Nederland? Met andere woorden, de optie «onder goede voorwaarden terugkeren naar het land van herkomst» moet niet uit het oog worden verloren. Ziet de staatssecretaris dit ook zo? Wat doen die landen van herkomst eigenlijk in onderhavig dossier? Wat mij betreft, is niet alleen Nederland aan zet.

In de nieuwe situatie is het voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning niet meer belangrijk wie de relatie verbreekt. Dat is terecht. Uitsluitend de aanwezigheid van bijzondere individuele factoren wordt beoordeeld, hetgeen, zo staat in de brief, een zwaardere weging inhoudt. Wat houdt die zwaardere weging in ten opzichte van de huidige situatie?

Ik stel een vraag over de voorlichting met betrekking tot de achterlating van Marokkaanse vrouwen. Als geweld plaatsvindt tussen ouder en kind, via wie verloopt dan de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor dat kind? Dat is mij onduidelijk.

Ik wijd enkele woorden aan de eindevaluatie. Mijn complimenten voor het verrichte werk. Er is heel belangrijk werk gedaan. Er moet een meer structureel netwerk van deskundigen komen en daarvoor zijn middelen beschikbaar gesteld. Worden die middelen structureel ingezet? Zijn hierover al overleggen gevoerd met het ministerie? De brief verwijst daar namelijk naar. Wat hebben die overleggen opgeleverd? En waarom zijn eigenlijk maar in vier provincies structurele afspraken gemaakt? In twee provincies vinden nog gesprekken plaats, maar waarom is het niet breder neergelegd?

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Het is triest dat er mannen zijn die zo respectloos met vrouwen omgaan dat zij hun vrouwen achterlaten, of eigenlijk gewoon dumpen, in het land van herkomst. Bij deze problematiek moet het keihard aanpakken van de daders vooropstaan, want het is duidelijk dat wij in Nederland zo niet met elkaar omgaan. Helaas lees ik in de brief van het kabinet helemaal niets over die noodzakelijke aanpak van daders, terwijl duidelijk is dat slachtoffers juist daarmee geholpen zijn, al was het maar om hun gevoel van rechtvaardigheid te bevredigen. Daarom roep ik het kabinet ertoe op, ervoor te zorgen dat de verblijfsvergunning van mannen die vrouwen dumpen wordt ingetrokken, voor zover zij daarvan in het bezit zijn. Het is niet meer dan logisch dat iemand met dit wangedrag jegens vrouwen en onze samenleving zijn verblijfsrecht verspeelt. Als mannen het dumpen van vrouwen gepaard laten gaan met een misdrijf, zoals mishandeling of vrijheidsberoving, dan is, als de daders een dubbele nationaliteit hebben, denaturalisatie op zijn plaats.

Voor zover uitzetting van de daders niet mogelijk is, moet het kabinet er in ieder geval voor zorgen dat niet-westerse allochtone criminelen, die zich bijvoorbeeld eerder schuldig hebben gemaakt aan mishandeling van hun partner, worden uitgesloten van de mogelijkheid om in het kader van gezinsvorming of -hereniging een nieuwe partner uit het buitenland te halen. Het voorkomen van problemen is ook wat waard. Voor je het weet worden de gedumpte vrouwen ingewisseld voor andere vrouwen, die een niet minder respectloze benadering wacht. Het is overigens ook onwenselijk dat geen limiet is gesteld aan het aantal partners dat achter elkaar uit het buitenland gehaald mag worden.

Ik kom te spreken over het kabinetsvoorstel om gemakkelijker een verblijfsvergunning te geven aan achtergelaten en/of mishandelde vrouwen. De uitwerking van de criteria voor deze categorie betekent een versoepeling van het beleid. Dit is geen goed plan, net zoals de oorspronkelijke regeling om vrouwen een verblijfsvergunning te geven terwijl de verblijfsgrond duidelijk is vervallen niet goed was. Deze vrouwen zijn toegelaten op grond van hun huwelijksrelatie en, hoe triest ook, als die relatie is beëindigd, dan is de verblijfsgrond vervallen. In dat geval moet worden ingezet op terugkeer naar het land van herkomst. De enkele reden dat iemand is mishandeld, betekent natuurlijk niet dat die persoon niet kan terugkeren naar het land van herkomst. Wat is nu precies de logica van het geven van verblijfsvergunningen aan deze categorie vreemdelingen? Hierbij speelt ook mee dat de vrouwen kort in Nederland hebben verbleven, in ieder geval korter dan drie jaar – na drie jaar komt iemand in aanmerking voor een voortgezet verblijf – en dat het land van herkomst daarom een veel logischer verblijfsland kan zijn dan Nederland, alleen al vanwege de bekendheid met de eigen taal en cultuur. Het is een rare vanzelfsprekendheid om aan te nemen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de slachtoffers. Overigens moet ook hierbij gekeken worden naar het belang van de Nederlandse samenleving. Die is niet gebaat bij het toelaten van veel immigranten en het versoepelen van de regels daarvoor.

Hoe wordt ervoor gezorgd dat er geen probleem ontstaat met valse claims? Er zullen zeker mensen zijn die zich ten onrechte beroepen op de veranderende voorwaarden om hun verblijfsrecht te behouden als hun relatie binnen drie jaar strandt. Hoe gaat de IND dit allemaal checken? Een richtinggevend voorbeeld uit de brief is de vraag of de eigen familie in het land van herkomst de vrouw heeft verstoten. Om de kans op een verblijfsvergunning te vergroten, kan dit natuurlijk heel gemakkelijk geclaimd, maar heel moeilijk geverifieerd worden. Hoe wordt hiermee omgegaan?

Ik las in de brief dat mishandeling niet meer aangetoond hoeft te worden met een proces-verbaal van aangifte of een ambtshalve verklaring. In de brief staat: «Uit de praktijk blijkt dat het niet in alle gevallen mogelijk is voor een slachtoffer van huiselijk geweld om aangifte te doen». Wij kunnen hier geen genoegen mee nemen. Van een misdrijf kan altijd aangifte worden gedaan en dit moet ook zeker door het kabinet worden onderschreven. Wij kunnen niet accepteren dat de dader zijn verdiende straf ontloopt, doordat er geen aangifte wordt gedaan. Daarbij kan het laten vervallen van de eis van aangifte natuurlijk ook weer bijdragen aan misbruik of oneigenlijk gebruik, want als de man geen strafrechtelijke gevolgen ondervindt van gestelde mishandeling, dan is het natuurlijk veiliger om een mishandeling voor te wenden. Ik verzoek het kabinet om een uitleg over het loslaten van deze eis.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Uw pleidooi voor het aanpakken van de daders kan ik mij tot op zekere hoogte goed voorstellen, maar u laat de slachtoffers wel heel erg in de steek, zeker de vrouwen die hier langer hebben verbleven, maar een afhankelijke verblijfsvergunning en kinderen met de Nederlandse nationaliteit hebben. Dat klinkt nogal wrang.

De heer Fritsma (PVV): Vrouwen die langer dan drie jaar in Nederland blijven, kunnen gewoon een aanvraag indienen voor voortgezet verblijf. Zij komen daarvoor in aanmerking na drie jaar. In principe moeten zij die aanvraag binnen een halfjaar na afloop van hun oude vergunning indienen, maar er zijn verschoonbare omstandigheden denkbaar voor overschrijding van die termijn. Achterlating kan zo’n omstandigheid zijn. Het gaat mij dus echt om vrouwen die hier korter zijn dan drie jaar. Voor hen geldt het principe dat hun verblijfsrecht afhankelijk is van de huwelijksrelatie en als die relatie is beëindigd, op welke trieste manier dan ook, dan vervalt dat verblijfsrecht. Aan dat principe wil ik vasthouden. Ik herhaal dat ik inzet op een keiharde aanpak van de daders en op het voorkomen van problemen door ervoor te zorgen dat mensen die eerder een partner hebben mishandeld, niet in herhaling kunnen treden door nogmaals een partner te halen die zij ook mishandelen. Ik snap bovendien het verband niet tussen het beschermen van slachtoffers en het geven van een verblijfsvergunning. Mevrouw Arib zei al dat het vrouwen betreft die slecht Nederlands spreken en kort in Nederland hebben verbleven. Deze vrouwen kunnen juist in Nederland een heel geïsoleerd bestaan leiden. Misschien is het voor de vrouwen zelfs wel beter om hun bestaan voort te zetten in Marokko, waar zij in ieder geval bekend zijn met de taal en cultuur en waar zij wellicht familieleden hebben die hen kunnen opvangen. Ik onderschrijf dus niet het causale verband tussen slachtoffers beschermen en het geven van een verblijfsvergunning.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Uw beschrijving van het type vrouw is niet per se accuraat. Ik heb de afgelopen jaren genoeg vrouwen gesproken die hoog opgeleid zijn en in dezelfde positie verkeren. Maar u kiest dus eerder voor het inperken van de immigratie dan voor de positie van deze vrouwen?

De heer Fritsma (PVV): Dat is niet waar. Ik kies voor het handhaven van het principe dat als iemands verblijfsgrond vervalt, ingezet moet worden op terugkeer naar het land van herkomst. Nogmaals, deze vrouwen hebben enkel en alleen een verblijfsvergunning gekregen op grond van die relatie of huwelijksrelatie. Als die relatie niet meer bestaat, dan bestaat de verblijfsgrond ook niet meer.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Het is belangrijk dat wij voor ogen houden dat wij een beoordeling maken op basis van een aantal factoren en criteria. Alles moet worden meegewogen. De positie en kwetsbaarheid van die vrouwen zijn daarbij het belangrijkst. Ik wil nog inzoomen op de positie van kinderen. U walst daar bijna overheen. Hoe kijkt u aan tegen de positie van kwetsbare kinderen, die dubbel het slachtoffer worden van achterlating? Moeten die gewoon maar weg?

De heer Fritsma (PVV): Dat hangt van de situatie en de verblijfsstatus van de kinderen af. Is het verblijf gekoppeld aan het verblijf van de moeder of vader en hebben de kinderen de Nederlandse nationaliteit? Wij kunnen dat niet op een hoop gooien. Maar als een man zijn vrouw dumpt in het land van herkomst, dan acht ik die man niet in staat om voor de kinderen te zorgen, omdat hij al heeft bewezen dat hij een gezinsverantwoordelijkheid niet aankan. In dat geval is het inderdaad beter dat de kinderen samenleven met de moeder.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik moet toch constateren dat de heer Fritsma een beetje dezelfde gedachtelijn volgt als die mannen: die vrouwen zijn hier omdat zij bij mij horen en als ik dat niet goed vindt, dan gaan zij samen met de kinderen terug naar Marokko. Het is jammer dat er enige overeenkomsten zijn, hoe treurig dat ook klinkt. De heer Fritsma refereert aan mijn uitspraak dat het vrouwen betreft die de taal niet spreken. Dat heeft echter niet altijd te maken met de verblijfsduur. Die vrouwen kunnen ook jarenlang thuis zijn opgesloten, waardoor zij de taal niet konden leren. Hij verbindt er allerlei conclusies aan waarin ik mij niet herken.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb zojuist gezegd dat het gedrag van mannen die hun vrouwen dumpen echt laakbaar is en dat daarvoor totaal geen respect is op te brengen. Voor de goede orde wil ik even zeggen dat ik niet met hen vergeleken wil worden.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. De brief van de bewindslieden van 29 juli van dit jaar verduidelijkt in ieder geval wat moet worden verstaan onder klemmende redenen van humanitaire aard. Zijn deze inzichten nieuw of hebben praktijkvoorbeelden uit de afgelopen jaren geleid tot deze redenen van humanitaire aard? Als het nieuwe inzichten zijn, hoeveel mensen zijn dan de dupe geworden van het voorheen beperkte inzicht?

Wat wordt verstaan onder het criterium «opvang aanwezig in land van herkomst»? Is dat een theoretische opvang, een aanname dat er wel familie zal zijn? Of wordt het scherp gesteld en moet vaststaan dat er sprake is van daadwerkelijke opvang? Ik vergelijk het met het vreemdelingenrecht, waarin het Bureau Medische Advisering een visie moet hebben op het bestaan van medische voorzieningen in het land van herkomst en waarbij steeds ter discussie staat of dat betekent dat ergens in dat land wel een medicijn of een behandeling te krijgen is of dat moet worden aangetoond dat dit daadwerkelijk het geval is. Ik ben voor het laatste.

Het is duidelijk dat de opsomming van redenen niet limitatief is. De nieuwe inzichten worden geëxpliciteerd. In het kader van huiselijk geweld krijgen kinderen een zelfstandige positie. Ik pleit ervoor dat dit ook gebeurt met kinderen die worden achtergelaten in het land van herkomst. Kinderen zijn daarvoor gebonden aan een termijn van tien jaar verblijf in Nederland, terwijl het aanvaardbaar is om aan te nemen kinderen binnen een termijn van vijf jaar in een land wortelen. Erkent de staatssecretaris dat kinderen die met de moeder of alleen worden achtergelaten een zelfstandig recht kunnen hebben op terugkeer en opvang in Nederland en dat moet worden bezien of de termijn van tien jaar te lang is? Ik wijs op het voorbeeld van de heer Fritsma: de vader deugt niet en dus is het onverantwoord om de kinderen zomaar in het land van herkomst achter te laten. Zo creëren wij zelf namelijk een onwenselijke en onaanvaardbare situatie.

Wat gebeurt er met kinderen die alleen worden achtergelaten, van wie wij vinden dat zij moeten terugkeren, maar voor wie het ook onverantwoord is om ze in de bestaande situatie terug te brengen? Welke mogelijkheden voor aparte opvang van deze kinderen zijn er in Nederland?

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Het probleem van achtergelaten vrouwen staat al jaren op de agenda en er is al veel aandacht voor geweest. De vraag is echter of er de afgelopen jaren daadwerkelijk iets is veranderd voor deze vrouwen. Uit reportages van onder andere Stichting Steun Remigranten (SSR) blijkt dat het vorige kabinet de motie-Hirsi Ali c.s., waar meerdere fracties, inclusief die van mij, voor hebben gestemd, soms toch vrij gemakkelijk naast zich neer leek te leggen en dat de criteria voor voortgezet verblijf onduidelijk en niet transparant waren. Ik ben erg blij met de brief die vandaag op de agenda staat, omdat daarin de criteria die gehanteerd worden of zullen worden verduidelijkt zijn. Ik sluit mij aan bij de vraag van de heer De Wit: in hoeverre werden deze criteria tot nu toe al gebruikt en in hoeverre is dit nieuw beleid? Dit werpt ook de vraag op in hoeverre de zaken van vrouwen die tot nu toe nul op het rekest kregen – vooral achtergelaten vrouwen met kinderen – met deze nieuwe of verhelderde criteria alsnog in overweging kunnen worden genomen. Hoeveel vrouwen in deze positie, ongeacht hun etniciteit of uit welke regio zij komen, hebben in de afgelopen periode toestemming gekregen voor permanent of voortgezet verblijf? Is met de daders – de mannen die hen hebben achtergelaten en vaak ook hun reispapieren hebben ontvreemd – meer gebeurd dan wij nu horen, namelijk heel weinig tot niets?

Is nu ook duidelijker hoe groot of hoe breed dit probleem precies is? Het gaat niet alleen om vrouwen, maar ook om jonge meisjes. Bovendien bereiken mij signalen dat het echt niet alleen gaat over Marokko, maar ook over Turkije en landen als Iran, Irak en Pakistan. Heeft de staatssecretaris signalen dat daar voldoende aandacht voor is? Wij moeten niet met een tunnelvisie naar dit probleem kijken en slechts het beeld van de Marokkaanse of Marokkaans-Nederlandse vrouw zien, maar ons beseffen dat bijvoorbeeld ook Pakistaanse vrouwen met dit probleem geconfronteerd worden. Zij moeten ook op onze hulp kunnen rekenen. Ik steun dus de voorstellen uit de brief, maar wil graag nog een verduidelijking van wat opvang precies inhoudt, want dat kan voor vele interpretaties vatbaar zijn.

Het tweede punt uit de brief betreft huiselijk geweld. Dat is een goede aanvulling. Ik kan mij er iets bij voorstellen dat sommige vrouwen uit angst of dreiging kiezen voor een melding in plaats van een aangifte. Ik krijg bovendien signalen – dit houdt ook verband met achtergelaten vrouwen – dat sommige politiekorpsen bepaalde aangiften niet serieus nemen. Als paspoorten en reispapieren bijvoorbeeld ontvreemd worden, dan wordt gezegd: los dat maar op met uw ex-partner. Het lijkt mij van groot belang dat dit soort aangiften serieus genomen wordt.

Het standpunt van de GroenLinks-fractie over de afhankelijke verblijfspositie is bekend. Zij is altijd voorstander geweest van een verlaging van de termijn van drie naar één jaar, omdat verblijfsafhankelijkheid grote en zware gevolgen heeft voor de vrouw. Het is van belang dat wij dit punt naar voren blijven brengen, omdat steeds blijkt dat dit een cruciaal probleem is. Voor de heer Fritsma is dit een reden om vrouwen het recht te ontzeggen op verblijf in Nederland, maar wij blijven pleiten voor een verlaging van die termijn.

Het is goed dat het kabinet het werk van de werkgroep Mudawannah ondersteunt. Dat werk raakt precies de kern van waar deze brieven over gaan, namelijk de weerbaarheid van meisjes en vrouwen. Als je weet wat je rechten zijn, dan weet je ook beter wat je rechten zijn bij onderdrukking en huiselijk en psychisch geweld. Het feit dat Justitie en WWI wel, maar OCW geen steun geeft aan deze werkgroep, heeft mij zeer bevreemd. Dat is erg zorgelijk. Minister Plasterk gaat over de emancipatie van deze vrouwen. Wil de staatssecretaris haar collega hierop aanspreken?

Antwoord van de staatssecretaris

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Er zijn veel vragen gesteld, een aantal ter verheldering, een aantal over de doorwerking van zaken en een aantal over bijeffecten die wij niet voor onze rekening willen nemen. Het is belangrijk om eerst op te merken dat wij inderdaad van ver komen. Ik ben blij dat inmiddels in het beleid en de regelgeving de erkenning tot uitdrukking komt dat er een probleem is en dat de gevolgen van achterlating bestreden moeten worden. Ik zeg daar straks meer over, zeker ten aanzien van de problematiek van kinderen die worden achtergelaten, met name minderjarige meisjes, om bijvoorbeeld uitgehuwelijkt te worden. Het beleid is, met alle respect voor de uitgesproken wens om de daders aan te pakken, primair gericht op de bescherming van slachtoffers. Zo is het ook onder onze aandacht gekomen. Die twee dingen staan echter niet los van elkaar. Ook daarover zal ik straks iets zeggen.

In de brief staat een aantal dingen dat niet zozeer een uitbreiding als wel een nadere invulling van het beleid is, met name met betrekking tot hoe wij het bewijs waarderen en hoe mensen tot bewijs kunnen komen. Dat kan in de praktijk voor veel vrouwen wel eens het verschil maken. Dat is goed, want ik hoorde een aantal sprekers zeggen dat ondanks het feit dat wij al enige tijd geleden hebben afgesproken dat hier aandacht voor moest komen en dat wij slachtoffers wilden beschermen, het voor de slachtoffers in de praktijk uiteindelijk niet zo gemakkelijk bleek om hieraan rechten te ontlenen. Dat heeft te maken met veel zaken, zoals de alertheid op ambassades of het praktisch faciliteren van een recht dat er soms gewoon is. Ik zie met veel genoegen dat de ambassade in Marokko dit heel goed oppakt. Daar is men zich bewust van het probleem en zij faciliteren, nemen signalen serieus en onderzoeken.

De minister heeft op 29 mei van dit jaar mede namens mij toegezegd dat wij een paar zaken in de Vreemdelingencirculaire zouden aanpassen. Daarbij ging het met name om een nadere invulling van de klemmende redenen van humanitaire aard. Het concept van die aanpassing in de Vreemdelingencirculaire is inmiddels gereed. Vooruitlopend op de publicatie van die aanpassing passen wij het nieuwe beleid al in de praktijk toe. Elk geval dat zich nu voordoet, wordt dus al langs deze lijn beoordeeld.

U weet dat het ministerie van Justitie een expertmeeting heeft georganiseerd. Na die expertmeeting heeft de Kamer mijn brief ontvangen. Daarin staat een aantal dingen centraal, allereerst het rechtsherstel van een vrouw die in een positie is gebracht waarin zij slechter af was dan de positie die zij gehad zou hebben als zij niet was achtergelaten. Dat is dus echt een herstel van een bestaand recht en geen nieuw recht. Dat betekent dat wij vrouwen zo snel mogelijk helpen nadat zij zich tot de Nederlandse autoriteiten wenden. Als deze vrouwen te laat een aanvraag voor wijziging van de voorwaarden van hun vergunning indienen, dan wordt hen dat niet aangerekend. Wij hebben enige coulance voor vrouwen die in een positie zitten waardoor zij niet meteen een aanvraag kunnen indienen, omdat zij bijvoorbeeld door omstandigheden of familiedwang worden belemmerd om contact te zoeken met de ambassade. Voorwaarde is wel dat er sprake is van achterlating. Het mag dus niet gaan om een vrijwillige keuze om een paar jaar in het land van herkomst te gaan wonen et cetera.

Ik heb al gezegd dat de ambassade in Marokko heel alert is en actief hulp verleent aan deze groep. Uiteraard zetten wij ons in om dat ook voor elkaar te krijgen op ambassades in andere landen waar dit fenomeen zich voordoet. Het maakt niet uit of het om grote aantallen gaat. Elk geval is er één te veel. Mevrouw Azough vroeg daar aandacht voor. Wij hebben in het debat steeds gesproken over Marokko, maar het gaat om veel meer landen. Daarom steunen de minister voor WWI en ik een voorlichtingscampagne van de werkgroep Mudawannah die is gericht op andere doelgroepen, waaronder de Turkse.

Ook de Stichting Steun Remigranten is zeer actief bezig met voorlichting en hulpverlening. Daar moeten wij het ook een beetje van hebben. Mensen moeten weten dat er een recht is waarop zij een beroep kunnen doen. Ook niet onbelangrijk is dat bij de IND contactpersonen zijn aangesteld die speciaal op dit punt aanspreekpunt zijn voor de Stichting Steun Remigranten en de Nederlandse ambassade in Marokko. Er zijn dus korte lijntjes met soms heel concrete vragen die tot snelle actie kunnen leiden.

Als de verblijfsvergunning voor Nederland nog geldig is op het moment van achterlating, dan is dat misschien nog het minst problematisch, want in dat geval gaat het puur om het praktisch faciliteren dat iemand een terugkeervisum krijgt en kan terugkeren. Indien de huwelijksrelatie op grond waarvan verblijf is verleend is verbroken, maar langer dan drie jaar heeft standgehouden, kan een aanvraag voor voortgezet verblijf in de vorm van een zelfstandige verblijfsvergunning worden ingediend. Dat is ook nog redelijk overzichtelijk. Indien het rechtmatig verblijf in Nederland korter dan drie jaar heeft geduurd, moet de verblijfsaanvraag worden getoetst op humanitaire aspecten, namelijk of je van een vrouw mag verwachten dat zij onder die omstandigheden, zelfs als het huwelijk korter dan drie jaar heeft geduurd, in het betreffende land blijft wonen. Wij hebben er bewust voor gekozen om geen limitatieve opsomming op te nemen in de Vreemdelingencirculaire, omdat dit zich niet verhoudt tot de gedachte dat in elk individueel dossier alle humanitaire aspecten, ook die waarvan wij nooit zouden denken dat ze spelen, moeten worden meegewogen. Elk individueel dossier is echt een individueel dossier met een individuele weging.

In het geval van achterlating is het belangrijk dat wij die ook zo benoemd hebben. Ik noem de opgebouwde banden met Nederland van zowel de moeder als de kinderen, die daarin een zelfstandige betekenis kunnen hebben; de feitelijke mogelijkheden van de kinderen om onderwijs te volgen in het land van herkomst; en de vraag of er sprake is van verstoting door eigen familie of van gedwongen uithuwelijking. Ik ben het met de heer Fritsma eens dat dit niet altijd te bewijzen is, maar het enkele feit dat iemand dat zegt, is ook onvoldoende bewijs. Vaak zoek je naar meerdere signalen die bij elkaar opgeteld het bewijs leveren. Dat iemand is verstoten, is soms gemakkelijker te bewijzen dan wij allemaal denken. De situatie waarin een vrouw zich bevindt, is soms helaas heel vanzelfsprekend. En dan is er nog de vraag of een vrouw naar het recht van het land van herkomst recht heeft op een echtscheiding of dat zij levenslang gebonden blijft aan haar man.

Naast het invullen van de klemmende redenen, heb ik het wijs geacht om de kans te baat te nemen om te bezien of de gehanteerde criteria voor het vaststellen van huiselijk geweld als reden voor het verbreken van een huwelijksrelatie in de praktijk goed werken. Ook daarvoor heb ik het wijs geacht om tot een nadere invulling te komen. Zo worden naast de aangifte, die altijd een concreet aanknopingspunt biedt, ook meldingen bij de politie geaccepteerd. De bewijsmiddelen waarmee wij werken, worden uitgebreid. Naast het formele proces-verbaal van aangifte telt nu dus ook een ambtshalve verklaring van een politieagent. Dat type verklaringen is een feitelijke aanwijzing dat er iets aan de hand is. En naast de verklaringen van een arts, worden nu ook verklaringen van hulpverleners geaccepteerd. Wij weten steeds beter dat er een professionele sector is voor hulpverlening aan vrouwen, door schade en schande wijzer wordend, zeg ik helaas als het gaat om vrouwenopvang, het werken met culturele kenmerken, achterlating, eergerelateerd geweld en huiselijk geweld onder etnische minderheidsgroepen. Daar weten wij inmiddels al veel van. Met name de eerstelijns hulpverleners hebben daar veel zicht op. Zij bezitten waardevolle informatie, die je, nogmaals, in combinatie met andere signalen kunt gebruiken om tot het bewijs te komen dat er iets aan de hand is. Ook hiervoor geldt dat wij, terwijl wij bezig zijn met het aanpassen van de Vreemdelingencirculaire, in de praktijk al conform deze wijziging handelen.

Ik heb al iets gezegd over het belang van voorlichting. Je kunt glossy folders maken en rechten opsommen en bullets maken voor de werkwijze en hoe men moet handelen, maar de allergrootste uitdaging is het bereiken van de vrouwen. Dat blijft voor alle voorlichters en werkgroepen een belangrijk aandachtspunt.

Mevrouw Arib heeft gevraagd naar het voorbeeld van de Rotterdamse aanpak van huwelijksdwang en achterlating. WWI en Justitie gaan gezamenlijk in gesprek met Rotterdam over verbeteringen in de vroegsignalering van huwelijksdwang. Ik denk echt dat op dat punt flink wat winst geboekt kan worden. Er zijn vaak veel signalen, met name bij leerkrachten, medescholieren en anderen, die erop wijzen dat er iets gaat gebeuren. Op dit moment vindt nader onderzoek plaats naar de mogelijkheden op basis van de aanpak van niet alleen Engeland, maar ook Zweden. De Kamer is reeds toegezegd dat zij voor de zomer van 2009 schriftelijk wordt geïnformeerd over de uitkomst van de lopende initiatieven. Er wordt dus bezien of en hoe de Rotterdamse aanpak landelijke betekenis kan krijgen. Wij zijn ook in gesprek met SSR om te bezien hoeveel informatie wij op dit moment al hebben over de omvang van het probleem. Die dingen hangen nauw met elkaar samen.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik heb indertijd al bij het vragenuur gezegd, en ik zie het ook aan de e-mails die ik krijg, dat het niet alleen gaat om Marokko, maar ook om bijvoorbeeld Iran, Pakistan en Turkije. Het is belangrijk om het probleem in kaart te brengen. Onlangs bleek dat uit Bos en Lommer tientallen kinderen gewoon uit het onderwijs verdwijnen en worden teruggestuurd. Staatssecretaris Dijksma doet onderzoek daarnaar, maar ik wil toch een beeld hebben van om hoeveel kinderen het gaat. Dat moet niet zo moeilijk zijn, want deze kinderen zijn leerplichtig. Je kunt rondbellen met leerplichtambtenaren. Er moet informatie beschikbaar zijn over om hoeveel kinderen het gaat en uit welke bevolkingsgroepen zij afkomstig zijn. Alleen zo kun je gericht maatregelen nemen via ambassades en gemeenten.

Staatssecretaris Albayrak: Niet alleen u, maar ook mevrouw Azough heeft stilgestaan bij de rol van OCW en emancipatie. Ik ben van plan hierover te spreken met mijn collega’s van OCW. Ik zal dat doen omdat de betrokkenheid van dit departement bij de aanpak van dit probleem heel belangrijk is, zeker als het gaat om kinderen, die soms met hun moeder, maar soms ook alleen worden achtergelaten. Die toezegging doe ik graag.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Wij hebben tijdens de mondelinge vragen aan de minister voor WWI gevraagd om niet alleen in te zoomen op meisjes. Zij zei toen dat het eigenlijk alleen maar om meisjes ging. Die reactie verbaasde ons. Ik wil het echt graag breder trekken, want er zijn ook ouders die hun zoons naar het land van herkomst sturen. De minister nam daar wat afstand van.

Staatssecretaris Albayrak: Wij worden vooral geconfronteerd met de gevolgen die te maken hebben met de positie van vrouwen in die gemeenschap. Voor hen zijn de gevolgen ook verstrekkender, als het gaat om de beperking van vrijheden et cetera. Het is echter zonder meer waar dat het zich ook bij jongens voordoet. Ik zei zojuist dat de kwantiteit voor mij niet eens belangrijk is. Je moet kijken naar of het zich voordoet en hoe je het oplost. Wij hebben eerder voorbeelden gezien van jongens die werden achtergelaten omdat de ouder dacht dat een of andere islamitische opleiding voor die jongen op dat moment het meest ideaal was, terwijl het niet de keuze van het kind zelf was. Dat kunnen wij zeker hierbij betrekken, maar het is wel zo dat het probleem voor meisjes zowel kwantitatief als kwalitatief waarschijnlijk groter is.

Mevrouw Arib en mevrouw Azough hebben gevraagd waarom OCW niet betrokken is bij de voorlichtingscampagne van de werkgroep Mudawannah. Wij hebben de werkgroep de suggestie gedaan om het subsidieverzoek bij een andere directie van OCW in te dienen. Soms is nu eenmaal echt zo praktisch. Eventueel kan hierover eerst op ambtelijk niveau nader overleg tussen de ministeries plaatsvinden. Wij zullen ons daarvoor inspannen.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Wanneer is die informatie aan SSR doorgegeven? De signalen die mij bereikten, dateren van gisteren en zelfs nog van vandaag. Het zou mij bevreemden als SSR dit nog niet weet.

Staatssecretaris Albayrak: Waarschijnlijk was dat vorige week. Ik zeg u nu toe dat wij het nu op ons nemen om ervoor te zorgen dat het door ons gecoördineerd wordt.

Mevrouw Arib vroeg zojuist naar het onderzoek naar de Egyptische kinderen. Dat onderzoek dient om te bepalen of nader onderzoek nodig is. In april 2006 is er al een advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) uitgekomen over kinderen die naar het land van herkomst werden gestuurd om een schoolopleiding te volgen, naar het voorbeeld dat ik zojuist gaf. Daaruit leek naar voren te komen dat het om geringe aantallen gaat, maar dat wordt nu dus nader onderzocht. De Kamer wordt daar te zijner tijd over geïnformeerd.

Mevrouw Arib heeft geïnformeerd naar het meldpunt achterlating. In het voorjaar van 2009, dus gelijktijdig met de minister van Justitie, bericht de minister voor WWI over alle toezeggingen die zijn gedaan tijdens het vragenuurtje, vanwege de samenhang met lopende onderzoeken naar onder meer eergerelateerd geweld, waaraan het uitdrukkelijk is gekoppeld. Daarin wordt ook het contact met Rotterdam verder ingevuld.

Alle sprekers hebben gevraagd naar de juridische mogelijkheden om de daders aan te pakken. De heer Fritsma was hier het felst in, hoewel hij het vooral zoekt in bestuursrechtelijke maatregelen, zoals het intrekken van de verblijfsvergunning. Mevrouw Arib en mevrouw Azough vroegen of er aanvullende juridische mogelijkheden zijn om daders aan te pakken. Er is een ACVZ-advies waarin de mogelijkheden op strafrechtelijk gebied zijn opgenomen, met vooral aandacht voor de huidige beperkingen op het punt van feitelijke handhaving. Die zijn deels juridisch, maar deels zeker ook feitelijk. Juridisch in ieder geval omdat wij beperkte rechtsmacht hebben over strafbare feiten, voor zover zij strafbaar zijn, in de landen van herkomst. Je kunt zeggen dat aanvullende regelgeving nu niet geboden is, omdat wij beperkte rechtsmacht hebben, maar daar wil ik het eigenlijk niet bij laten.

Als ik de sprekers goed beluister, dan denk ik dat wij op dit moment veel te weinig doorrechercheren. Ik zeg dat bewust zo, omdat wij op dit punt ook op andere terreinen wijzer worden. Als je het symptoom, de achtergelaten vrouw, beetpakt, en zegt «ik ga jouw probleem oplossen, want jij bent slachtoffer», dan heb je al zo veel aanknopingspunten om te kijken of je met doorrechercheren ook iets tegen de daders kunt doen, dat ik eigenlijk vind dat je dat niet moet nalaten. Wij doen daar op dit moment veel te weinig aan. Als je die informatie kunt gebruiken in het strafrechtelijke proces, dan sla je twee vliegen in een klap. Allereerst geef je een signaal af. Politiek is toch vooral grenzen stellen en zeggen wat je onacceptabel vindt. Ik ben dat geheel met de heer Fritsma eens. Je moet zeggen: dit is de grens, wij maken er werk van, ook al weten wij dat er misschien onvoldoende mogelijkheden zijn om u te vervolgen. En als die onvoldoende zijn, dan kijken wij of er mogelijkheden zijn om u wel te vervolgen. Het kan dus uiteindelijk leiden tot het daadwerkelijk aanpakken van daders en tot het signaal dat het voor ons geen automatisme is dat de vrouw die u hebt gedumpt door ons beschermd wordt en dat u uw gang kunt gaan. Ik wil nog eens kijken naar het doorrechercheren nadat wij een slachtoffer hebben geholpen. Dit gaat niet over de vraag of wij geen artikel in het Wetboek van Strafrecht moeten maken om achterlating een strafbaar feit te maken. Dit gaat over de vraag of er in het individuele geval aanknopingspunten zijn die ons in staat stellen om de dader van de achterlating aan te pakken. Die route wil ik graag verkennen. Daarover wil ik graag zelf ook nog nadenken.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Dat klinkt hartstikke goed, maar het verbaast mij ook enigszins dat er blijkbaar tot nu toe in de individuele casussen waarover wij spreken geen mogelijkheid was om daders aan te pakken. Blijkbaar waren de juridische beperkingen daarvoor te groot. Maar als u aangeeft dat er misschien wel degelijk aanknopingspunten waren om de daders te pakken – ik denk dat die er echt wel zijn als het gaat om bijvoorbeeld huiselijk geweld – waarom is dat dan tot nu toe dan niet gebeurd? Kunt u daar nader op ingaan? Bij het vorige kabinet kreeg ik heel duidelijk de indruk dat het, net als bij eerwraak, gewoonweg te lastig was en dat er daarom weinig aan werd gedaan en geen prioriteit werd gegeven aan de strafrechtelijke aanpak. Zegt u dat die politieke wil er nu wel is?

Staatssecretaris Albayrak: Als er sprake is van een strafbaar feit en als er een begin van bewijs is, dan wordt er werk van gemaakt. Maar dat is niet wat ik zeg. Wij spreken hier over de grijze zone van achterlating. Eergerelateerd geweld en huiselijk geweld – aangifte, bewijs; die discussie voeren wij ook al langer – zijn strafbaar feiten, waarbij je achter de dader aangaat die iemand heeft geslagen. Dat is iets anders dan wanneer iemand zijn partner achterlaat in het land van herkomst en zegt: ik heb niets misdaan, zij zit daar toch ook goed en wij zijn even uit elkaar. Ook in dat geval kun je met de geringe informatie die je hebt waarschijnlijk meer doen. Ik haal uw eigen voorbeeld aan over het afpakken van documenten, het bewust iemand belemmeren in zijn vrijheid. Kun je daarover niet doordenken? Daarom noem ik het uitdrukkelijk «doorrechercheren». Wat zit er nu allemaal in, wat heeft hij gedaan en welk element geeft mij een aanknopingspunt voor een onderzoek naar de vraag of er iets strafrechtelijks aan de hand is? Dat is een, ik geef toe, pril denkproces over de vraag of wij daders niet te gemakkelijk laten lopen. Ik ben dat met de heer Fritsma eens. Ja, dat is moeilijk. Ja, de mogelijkheden zijn beperkt. Maar ik schat ook zo in – noem het een educated guess – dat als wij er meer werk van maken, het ook meer oplevert.

Mevrouw Arib (PvdA): Achterlating is eigenlijk een nieuw verschijnsel, ook in juridische zin. Ik beschouw het zelf als een vorm van geweld tegen vrouwen. Ik zou graag zien dat het ook als zodanig wordt benaderd. Natuurlijk moet je dat bewijzen enzovoort, maar het gaat wel om het tegen hun wil dumpen van vrouwen in landen waar zij nauwelijks hun eigen leven kunnen leiden.

Staatssecretaris Albayrak: Als een vrouw terugkomt, dan kan zij natuurlijk een civiele zaak starten tegen de man en zeggen: het was een onrechtmatige daad, ik ben psychisch geschaad en ik heb doktersrekeningen. Juridisch kun je veel meer dan je denkt om ook de erkenning te krijgen voor wat je psychisch is aangedaan. Dat hoeft niet altijd via het strafrecht te gaan.

Mevrouw Arib (PvdA): Het punt is toch vaak dat daar op een of andere manier anders mee wordt omgegaan, anders zaten wij hier niet. Als een kind in Nederland verdwijnt, dan komt de politie in actie en wordt onderzoek gedaan. Maar als het in landen van herkomst gebeurt, dan komt niemand in actie, omdat achterlating daar kennelijk wat meer geaccepteerd is. Ik zou dat toch juridisch wel wat scherper willen zien. Los daarvan is het prima dat u zegt dat wij er misschien meer werk van moeten maken om die mannen te vervolgen. In dat geval wil ik ook de rol van het OM en de politie heel helder hebben. Ik wijs in deze context ook op genitale verminking. Dat is juridisch strafbaar, maar tot nu toe is niemand veroordeeld. Dan denk ik: hoe kan dat dan? Formeel kun je het juridisch aanpakken, maar zolang het OM en de politie zich niet daarvan bewust zijn of misschien met aparte richtlijnen moeten werken, zal nooit een man die zijn vrouw of kinderen heeft achtergelaten veroordeeld of strafrechtelijk vervolgd worden. Er is dus meer nodig dan alleen maar afkeuren en vinden dat het moet gebeuren.

Staatssecretaris Albayrak: Ik kan uw pleidooi natuurlijk alleen maar onderschrijven. U zegt wel heel veel in deze interruptie. Er is binnenkort een algemeen overleg over de aanpak van eergerelateerd geweld. Uw laatste opmerkingen over de strafrechtelijke aanpak en het vervolgingsbeleid zullen daar uitdrukkelijk aan de orde komen. U spreekt over de erkenning van achterlating als strafbaar feit. Wij komen al snel in een situatie waarin misbruik op de loer ligt. Ik zeg daar straks nog iets over. Wij hebben voor deze delicate zaak een goede lijn uitgezet. Een lijn van pragmatisme, grenzen stellen en een boodschap afgeven van wat wij niet willen. Wij moeten eerst maar de route volgen die ik zojuist beschreef: verkennen wat je meer met de daders kunt doen dan nu gebeurt met de geringe aanleiding en informatie die wij hebben om juridisch op te kunnen treden. Wij zijn allemaal eensluidend in onze verwerping van het fenomeen.

De heer De Wit (SP): Bij mijn weten is het strafbaar om iemand in hulpbehoevende omstandigheden achter te laten. Dat staat in het Wetboek van Strafrecht. Als je iemand zonder paspoort achterlaat in een vreemd land of als je iemand dumpt, dan kun je stellen dat je inderdaad hulpbehoevende omstandigheden creëert. Daar kunnen wij natuurlijk naar kijken.

Staatssecretaris Albayrak: Dat is precies wat ik bedoelde toen ik zei dat wij moesten kijken naar de aanknopingspunten die wij reeds hebben. Ik noemde al het voorbeeld van het afpakken van documenten. Over het bewijzen van hulpbehoevende omstandigheden is al jurisprudentie ontwikkeld. Dat is een goede suggestie die ik zal meenemen.

Alle sprekers hebben naar aanleiding van een recent krantenartikel gesproken over de groeiende problematiek van kinderen die door hun ouders worden achtergelaten in het land van herkomst, onder meer om te worden uitgehuwelijkt. SSR schat dat jaarlijks alleen al in Marokko tientallen en mogelijk honderden kinderen worden achtergelaten, waaronder meisjes die tegen hun zin worden uitgehuwelijkt. Ook worden kinderen, soms samen met hun moeder, achtergelaten om te voorkomen dat de vrouwen in het gezin te westers worden.

Er zijn op dit moment een paar problemen en mogelijkheden. Als de moeder instemt met de achterlating van het kind of vrijwillig teruggaat en het meisje meeneemt, dan hebben wij weinig rechtsmacht, vooral volgens het familierecht van die landen zelf. Er bestaat een terugkeeroptie voor minderjarigen. Zij kunnen daar vanaf hun twaalfde jaar zelfstandig een beroep op doen of een aanvraag voor een terugkeervergunning indienen. Als zij jonger dan 12 jaar zijn, dan dient de wettelijk vertegenwoordiger dat te doen. Dus als de moeder niet meewerkt, dan houdt het voor dat kind al snel op.

De publicatie van het krantenartikel is voor mij aanleiding geweest om te kijken naar de mogelijkheden van de terugkeeroptie voor minderjarige kinderen. In aanmerking komen nu twee categorieën. Voor vreemdelingen die als minderjarige naar het land van herkomst vertrekken en daar meerderjarig worden, geldt dat zij het recht hebben om terug te keren als zij vanaf hun vierde levensjaar legaal langer dan tien jaar in Nederland hebben gewoond en als zij hun aanvraag indienen voor hun drieëntwintigste levensjaar. Dat is omdat voor deze groep a priori wordt aangenomen dat de banden met Nederland sterker zijn dan de banden met het land van herkomst, op basis van de leeftijd waarop zij hun aanvraag doen, de tijd dat zij in Nederland hebben gewoond en de fase waarin zij als kind in Nederland hun ontwikkeling hebben meegemaakt.

Daarnaast komen in aanmerking minderjarigen die voor de indiening van de aanvraag vijf jaar regelmatig in Nederland hebben verbleven, indien Nederland voor hen het meest aangewezen land is. Daar zit dus een extra toets op. Als er sprake is van vijf jaar legaal verblijf, dan wordt gekeken naar het individuele geval en of de banden met Nederland zo sterk zijn dat Nederland het aangewezen land is.

U merkt al een beetje aan hoe ik het probeer uit te leggen, dat ik dacht: jeetje, dat is lekker overzichtelijk, maar niet heus. Daarom wil ik hier nog eens naar kijken vanuit twee gedachten die ik op zichzelf verdedigbaar vindt: enerzijds dat het kind in de meest cruciale fase van zijn ontwikkeling gedurende een lange periode in Nederland heeft gewoond en anderzijds dat naarmate de duur van het verblijf in Nederland korter is, de persoonlijke, specifieke banden sterker moeten zijn. Dat betreft dus de redenen waarom in dat individuele geval ook met een wat korter verblijf, bijvoorbeeld die vijf jaar, toch berust moet worden in verblijf. Die twee uitgangspunten hoog hebbende, wil ik dit beleid nog eens tegen het licht houden.

Het is nu dus weinig overzichtelijk geregeld. Waarom bijvoorbeeld vanaf het vierde levensjaar, terwijl wij in Nederland de laatste jaren inzetten op ontwikkeling van kinderen vanaf de peuterspeelzaal en op taalkennis en inburgering vanaf de peuterspeelzaal, de voorschool, de preschool en alles wat wij hebben verzonnen? Ik wil bezien of dit beleid geactualiseerd kan worden, zonder af te doen aan die twee uitgangspunten, die dus deels betekenen dat bij lang verblijf wordt aangenomen dat er een band is met Nederland en deels dat bij korter verblijf meer ruimte bestaat voor een individuele beoordeling.

Mevrouw Van Toorenburg vraagt wat de landen van herkomst doen aan de opvang en ondersteuning van achtergelaten vrouwen. Marokko is eigenlijk ons referentieland, omdat wij daar inmiddels al zo veel ervaring mee hebben. SSR heeft in de afgelopen jaren veel gedaan aan netwerkversterking, ook in Marokko, en ook voorlichting gegeven aan organisaties in Marokko. Deze organisaties zijn hierdoor deels in staat gesteld om achtergelaten vrouwen te helpen om hulp te zoeken. Maar ook in andere landen, zoals Spanje, zien wij voorbeelden. De werkgroep Mudawannah, waarover mevrouw Van Toorenburg heeft gesproken, krijgt financiële steun van mij en de minister voor WWI. Die werkgroep breidt haar voorlichting op dit moment uit naar Turkije.

De heer Fritsma en mevrouw Van Toorenburg vragen waarom ik de verblijfsvergunning van de partners die hun vrouw achterlaten niet intrek. Het Nederlandse toelatingsbeleid kent de mogelijkheid om het verblijfsrecht van echtgenoten aan te tasten. Of dit ook werkelijk kan, hangt af van de duur van het legale verblijf in Nederland – dus de rechten die staan tegenover deze daad – of er sprake is van een strafrechtelijke veroordeling, bijvoorbeeld voor mishandeling, en de aard en duur van de opgelegde straf. Het moet dus per geval bekeken worden. Ik denk dat er gevallen zijn waarin in samenspel met een groot aantal factoren een verblijfsvergunning aantastbaar blijkt te zijn.

De heer Fritsma vraagt of wij niet moeten belemmeren dat iemand die zijn vrouw heeft gedumpt, serieel uit het buitenland kan trouwen. Kortheidshalve verwijs ik naar de beantwoording van zijn 47 vragen, waarin wij vrij uitgebreid zijn ingegaan op dit vraagstuk en de redenen waarom het indienen van een nieuwe aanvraag niet onmogelijk kan worden gemaakt. Je kunt wel bij de beoordeling van een nieuwe aanvraag alle beschikbare gegevens toetsen of het antwoord op die vraag bevestigend of ontkennend moet zijn. Het speelt dus wel een rol, maar een absoluut verbod op het mogen indienen van een aanvraag druist in tegen zowel ons bestuursrecht als tegen de internationale verdragen waaraan wij gehouden zijn.

De heer Fritsma (PVV): Misschien kun je de aanvraag niet beperken, maar je kunt natuurlijk wel bij de beoordeling van de aanvraag rekening houden met dit soort omstandigheden. Als je ervoor zorgt dat criminelen die eerder hun vrouw het ziekenhuis in hebben geslagen, geen nieuwe partner kunnen laten overkomen die eenzelfde risico loopt, dan bescherm je die vrouwen. Je kunt natuurlijk dit soort contra-indicaties gebruiken, of instellen, want ze bestaan nog niet. Ik weet zeker dat er nog geen contra-indicatie bestaat waarin wordt gesteld: als je geweld hebt gebruikt tegen vrouwen, dan kom je niet meer in aanmerking voor gezinsvorming. Dus laat het een voorwaarde zijn voor gezinsvorming.

Staatssecretaris Albayrak: Ik ben heel flexibel in het meedenken. Het is een goed doel dat wij willen dienen. Ik hoor u inmiddels wel afstappen van uw idee dat het een absolute blokkade moet zijn voor het indienen van een nieuwe aanvraag. U vraagt nu om het te laten meewegen bij de beoordeling van een nieuwe aanvraag.

De heer Fritsma (PVV): Ik blijf vinden dat het aantal in te dienen aanvragen gelimiteerd moet worden, maar ik begrijp dat dit nu nog niet kan. Wij kunnen hetzelfde doel op een andere manier bereiken, namelijk door het creëren van een voorwaarde voor gezinsmigratie, zodat deze criminelen die hun vrouwen hebben mishandeld, kunnen worden uitgesloten van het laten overkomen van een nieuwe partner. Het kan dus een extra voorwaarde zijn waaraan voldaan moet worden voor gezinsmigratie.

Staatssecretaris Albayrak: Als er een veroordeling is, heb je al iets concreets in handen. Ik zal kijken of wij aanknopingspunten hebben om het met wij in handen hebben al kunnen doen om het tegen te werpen. Maar of wij dat benoemen als contra-indicatie? Wat benoem je dan als contra-indicatie? Dat is natuurlijk de cruciale vraag. Wij hebben net gediscussieerd over de vraag of achterlating een strafbaar feit moet worden. Als het bewezen is en er is een veroordeling, dan kun je concreet meer doen op het punt van contra-indicaties dan als je spreekt over iemand die zijn vrouw heeft gebracht naar het land van herkomst en waar je geen bewijs vindt van welk strafbaar feit dan ook. Het is een lastige discussie, maar ik zeg u toe dat ik wil bezien wat de mogelijkheden zijn, of het mogelijk is om in ieder geval de veroordeling en het bewezen feit tegen te werpen en wat wij überhaupt kunnen doen als dat niet zo is. Ik zoek een beetje naar wat ik u precies kan toezeggen, maar het doel dat u wilt dienen is sympathiek en het onderzoeken waard, binnen de mogelijkheden en de wettelijke en de internationale verdragsrechtelijke grenzen, zeg ik er nadrukkelijk bij.

De voorzitter: Ik sta nu liever geen interrupties meer toe. Ik begin nu langzamerhand naar de klok te kijken. Ik zie dat de staatssecretaris nog lang niet alle vragen beantwoord heeft en ik wil ook nog een tweede termijn houden. Ik verwijs u daar even heen.

Staatssecretaris Albayrak: De heer Fritsma vraagt of het aangekondigde beleid niet aanzuigend zal werken. Het antwoord is simpel. Dit betreft geen nieuwe gevallen, maar vreemdelingen die al toegelaten waren, soms al lang in Nederland woonden, legaal verblijf hadden en bij wie sprake is van een relatie die op grond van dwang of als gevolg van geweld is beëindigd. Bij achterlating gaat het vaak om personen met de Nederlandse nationaliteit die tegen hun wil zijn achtergelaten en die hun verblijfsdocumenten door toedoen van echtgenoot of vader zijn kwijtgeraakt, terwijl zij nog steeds Nederlander zijn. Het is dus iets gecompliceerder dan de heer Fritsma voorstelt. Het gaat vooral om de bescherming van de slachtoffers en niet om nieuwe gevallen die wij hiermee adresseren.

De heer De Wit vraagt of wij zicht hebben op hoeveel vrouwen zijn gedupeerd door het feit dat wij hier nu pas mee komen. Dit beleid is in 2006 ingezet. Wij merken in dit debat ook dat wij het nog steeds aan het perfectioneren zijn en nadenken, bijvoorbeeld over het aanpakken van de dader en het doorrechercheren, en dat wij niet zeggen: wij hebben het slachtoffer geholpen en dus ons doel bereikt. Dat is wel belangrijk, maar net zo belangrijk is het om ervoor te zorgen dat diezelfde dader niet wederom een slachtoffer maakt. Wij zijn sinds 2006 continu in overleg met vooral hulpverleners om ook hierop meer zicht te krijgen. De Nederlandse ambassade speelt een belangrijk rol en zal een veel grotere rol moeten spelen in andere landen waar zich dit voordoet. Ook de IND meldt steeds vaker op welke problemen zij bij de toetsing stuiten. Daar is ook een soort bewustzijn van wij willen een doel dienen; hebben wij daar de juiste instrumenten voor in handen? In goed overleg zijn deze aanvullingen op de bewijslast in overeenstemming gebracht met de praktijk. Het gaat dus voor een deel om nieuwe inzichten, maar het is helaas niet inzichtelijk te maken hoeveel vrouwen hierdoor niet beschermd zijn geweest in de afgelopen zeven, acht jaar.

De heer De Wit vraagt wat ik versta onder opvang in het land van herkomst en of dat analoog is aan wij zeggen over medische voorzieningen als wij mensen uitzetten. Onder opvang versta ik een plek waar betrokkene zich kan handhaven. Dat is vaak bij familie of, indien mogelijk, zelfstandig. Als zelfstandig mogelijk is, dan is de aanwezigheid van een sociale setting geen voorwaarde. Wel is van belang of betrokkene in staat moet worden geacht om zich inderdaad te handhaven, al dan niet met ondersteuning van een netwerk. Er wordt echt per individueel geval beoordeeld of je mag verwachten dat die persoon zich handhaaft. Juist bij deze groep speelt ook uitdrukkelijk mee of de familie niet zozeer ondersteunend, als wel bedreigend is en of je mag verwachten dat een vrouw zich in dezelfde stad of hetzelfde dorp zelfstandig handhaaft.

Mevrouw Azough vraagt naar aantallen. Er zijn vanaf 2005 135 aanvragen gedaan, waarvan er 70 zijn ingewilligd. Tien aanvragen zijn op dit moment nog in behandeling.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Arib (PvdA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor haar antwoorden, maar vooral ook voor haar toezeggingen.

Ik heb de indruk dat vooruitgang wordt geboekt en dat dit kabinet de problematiek van achtergelaten vrouwen en kinderen serieus neemt. Ik ben daar erg blij om, omdat ik weet wat voor emotionele trauma’s vrouwen en kinderen oplopen die hiermee worden geconfronteerd.

Ik ben ook blij met de toezegging dat het kabinet in het voorjaar komt met een voorstel over het meldpunt achterlating. De ministers voor WWI en van Justitie gaan in gesprek met Rotterdam en komen terug met een voorstel. Ik hoop dat daarin ook uithuwelijking wordt meegenomen. Ik heb daar expliciet om gevraagd omdat het in Engeland, wiens voorbeeld Rotterdam volgt, gewoon strafbaar is. In Nederland is dat nu niet zo, maar misschien straks wel met de huidige wetgeving.

De staatssecretaris zegt dat er op dit moment twee categorieën zijn: kinderen die minderjarig zijn teruggestuurd en in het land van herkomst meerderjarig worden en kinderen die vijf jaar regelmatig in Nederland verbleven. Zij wil daar rekening mee houden en dat opnieuw bezien. Ik ben daar erg blij mee.

Ik wees al op mijn schriftelijke vragen uit 2000, over een achtergelaten meisje, en uit 2001. De antwoorden van voorgaande kabinetten waren heel afzijdig, zo van: als een ouder beslist om een kind achter te laten, dan kan het kind daar minder gelukkig mee zijn, maar wij gaan wij niet over. Ik merk dat het de goede kant opgaat met de politieke aandacht en empathie voor deze doelgroep. Ik ben daar blij om.

Verder wacht ik de reactie af van de minister van OCW, niet alleen over de aanvraag van de werkgroep Mudawannah, maar ook vanuit het oogpunt van emancipatie. Hoe gaan wij om met deze meisjes die nu een eenzame strijd voeren en nauwelijks ondersteuning krijgen totdat ze gedumpt worden? Zo moet het in Nederland niet gaan. Ik verwacht een actieve rol van minister Plasterk.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Ik heb in eerste termijn benadrukt dat het mijn fractie vooral te doen is om bescherming, maar dat wij ook specifiek aandacht willen voor de aanpak van de daders. Het hangt echt heel erg met elkaar samen. Ik ben ook blij met toezegging van de staatssecretaris om te verkennen hoe hierop doorgerechercheerd kan worden, zoals zij zelf heeft gezegd. Dat is belangrijk.

Wij kunnen kijken welke mogelijkheden artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht biedt, waarin het in een hulpeloze toestand laten of brengen van een minderjarige strafbaar wordt gesteld. Het is niet altijd nodig om het Wetboek van Strafrecht aan te passen. Vaak staan hier en daar al bepalingen waarmee wij ons voordeel kunnen doen. Het helpt natuurlijk niet als wij, bijvoorbeeld bij huiselijk geweld, zeggen dat een aangifte niet meer nodig is en een melding volstaat. Dat maakt het wel lastiger om een pleger aan te pakken. Kan, nu wordt bezien hoe wij die positie van vrouwen kunnen versterken, ook nader bezien worden hoe de politie ervoor zorgt dat iemand toch aangifte doet en voldoende beschermd wordt? Ik zie liever initiatieven op dat vlak. Zorg ervoor dat er aangifte wordt gedaan en dat mensen beschermd zijn in plaats van te zeggen: doe dan maar die melding. Dat is niet in het belang van het slachtoffer. Ook verwerking is belangrijk en soms is een strafrechtelijke procedure daar beslist een onderdeel van, ook om nieuwe slachtoffers te voorkomen.

Ik heb nog even onze inbreng in het debat op 18 mei 2005 teruggelezen. Wij spraken toen vooral over de vraag hoe wij kunnen voorkomen dat een man – daar hadden wij een voorbeeld van – vier of vijf keer een partner naar Nederland haalt, daar iedere keer op een heel misse manier mee omging, maar dat toch steeds opnieuw kan doen. Wij hebben gevraagd om een reactie van het kabinet. Die was toen niet geheel helder. Het zou dus goed zijn als de staatssecretaris daar nu echt even goed induikt en gaat kijken of wij daar uiteindelijk wat mee kunnen doen.

Ik heb aandacht gevraagd voor polygamie en de staatssecretaris heeft toegezegd dat daarvoor specifiek aandacht komt. Ik wil graag dat de maatregelen die hier worden genomen, ook worden bezien in het licht van die maatregelen. Ik wil daar graag een reactie op. Dat mag ook later, wanneer wordt ingegaan op polygamie.

Wij hebben wel antwoord gekregen op de vraag wat andere landen doen, maar dat betrof vooral datgene wat organisaties in andere landen doen ten behoeve van Nederland; een soort ondersteuning van de vrouwen. Ik wil echter weten hoe wij op diplomatiek niveau goede afspraken kunnen maken met Marokko en andere landen om paal en perk te stellen aan deze toestanden.

Wij hebben niet voor niets aandacht gevraagd voor de positie van jongens. Mijn collega van de PvdA-fractie heeft al gezegd dat daarvoor eerder aandacht is gevraagd, omdat wij het zelf ook gezien hebben. Als directeur van een jeugdinrichting voor jongens heb ik vaak gezien dat ouders ervoor kozen om hun kind een periode naar het buitenland te brengen, waardoor het kind beslist niet sterker terugkwam. Het is echt een niet te onderschatten groep; dus graag echt specifiek aandacht voor hen.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de gegeven antwoorden. Het is duidelijk dat het dumpen van vrouwen in het land van herkomst verschrikkelijk respectloos wangedrag is, dat keihard moet worden aangepakt. Voor de PVV-fractie staat die aanpak van daders dan ook voorop. Ik ben blij dat de staatssecretaris het belang daarvan onderkent.

De PVV-fractie ziet het liefst dat het verblijfsrecht van de dader wordt beëindigd. Dit wangedrag moet niet geaccepteerd worden en het is voor ons voldoende om dat te koppelen aan het verlies van het verblijfsrecht. Ik weet dat het niet in alle gevallen mogelijk is. De staatssecretaris geeft dat zelf aan. Wij hebben te maken met de glijdende schaal. Het is afhankelijk van de strafmaat, van de duur van het verblijf in Nederland. Het is wel belangrijk om nog eens te zeggen dat die glijdende schaal nog niet genoeg is, maar dat terzijde.

Het is heel belangrijk dat de staatssecretaris heeft toegezegd dat zij wil bezien hoe geweldplegers kunnen worden uitgesloten van de mogelijkheid om nog een keer een partner, die hoogstwaarschijnlijk hetzelfde lot zal treffen, te laten overkomen. Ik ben blij met die toezegging. Je kunt als extra voorwaarde voor het laten overkomen van een partner stellen dat iemand niet veroordeeld mag zijn geweest voor geweldpleging. Ik wacht met belangstelling af hoe de staatssecretaris deze toezegging gestalte gaat geven.

Het zou nieuw zijn dat in het vreemdelingenbeleid eindelijk eens wordt gekeken naar het gedrag van de verblijfsgever, de referent. Dat gebeurt tot nu toe onvoldoende. Dat zou een goede ontwikkeling zijn.

Ik ben nog niet geheel gerustgesteld over het tegengaan van misbruik. De staatssecretaris zegt zelf dat het een optelsom van factoren is, waarbij bijvoorbeeld de vraag wordt betrokken of de achtergelaten vrouw is verstoten door de familie. Het is inderdaad een optelsom van factoren, maar die optelsom kan wel degelijk beïnvloed worden door valse stellingen, die moeilijk te controleren zijn. Dus dat is nog een punt van zorg. Misschien kan de staatssecretaris daar nog iets meer over zeggen.

De PVV-fractie is ook niet blij is met het vervallen van de voorwaarde om een proces-verbaal van aangifte te verstrekken.

Mevrouw Arib (PvdA): Wij hebben allemaal gepleit voor het aanpakken van de daders, want dat is ook een onderdeel van het beleid als je het probleem van achterlating wilt oplossen. U gaat verder. U zegt dat degenen die zich schuldig maken aan geweldpleging en mishandeling uitgesloten moeten worden van het laten overkomen van een nieuwe partner. Geldt dat ook voor autochtone mannen die hun vrouw mishandelen?

De heer Fritsma (PVV): Wat mij betref wel. Als een autochtone man zijn partner heeft mishandeld, dan is dat natuurlijk ook respectloos gedrag. Als die autochtone man één keer een partner uit het buitenland heeft laten overkomen en die mishandelt, dan is dat ook respectloos gedrag dat voorkomen dient te worden en dan is inderdaad uitsluiting van gezinsmigratie op zijn plaats.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Het is goed en toe te juichen dat de staatssecretaris kijkt naar de mogelijkheid van kinderen om zelfstandig verblijfsrecht aan te vragen. Zij wil een onoverzichtelijke situatie overzichtelijk maken. Ik wacht dat graag af.

Zij heeft een vraag niet beantwoord. Als je kinderen de mogelijkheid biedt om zelfstandig verblijfsrecht aan te vragen, wat doe je dan met hen in Nederland? Waar breng je hen onder?

Ik ben blij met de uitleg van de staatssecretaris over de opvang in het land van herkomst. Zij wil daar een individuele toets op loslaten. Dat is wat anders dan het aannemen van de theoretische mogelijkheid van het bestaan van opvang.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Ook ik dank de staatssecretaris voor haar antwoorden.

Ik ben blij met de toezegging dat zij wil zoeken naar handvatten voor het vervolgen van daders en dat zij opnieuw het beleid ten aanzien van minderjarigen wil bezien, want de regelgeving op dat punt kan inderdaad helderder en vooral logischer.

De contra-indicatie lijkt mij een prima idee en het lijkt mij vanzelfsprekend dat het geldt voor iedereen, ongeacht de etniciteit. Het is jammer dat je het niet kunt toepassen op alle hufters.

Ik heb specifiek gevraagd naar de vrouwen die de afgelopen jaren een aanvraag hadden gedaan. In hoeverre zijn deze vrouwen, misschien volledig terecht, maar misschien omdat de criteria onvoldoende inzichtelijk en helder waren, afgewezen? In hoeverre hadden deze vrouwen met de verduidelijkte criteria wel toestemming gehad voor verblijf?

In vorige debatten, onder meer met de minister van Justitie destijds, wezen meerdere collega’s op de mogelijke ontvreemding van reispapieren. Toen werd een andere conclusie getrokken. Ik ben heel blij dat de staatssecretaris aangeeft dat zij wil bezien of een nieuwe conclusie mogelijk is.

De staatssecretaris zegt dat de ambassade in Marokko nu gelukkig na enige voorbereiding goed werk doet, maar hoe zit het met de ambassades in andere landen, zoals Turkije, Iran, Irak en Pakistan? Daar moet het ook helder zijn dat dit soort praktijkgevallen kan worden voorkomen.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar vragen en opmerkingen in tweede termijn en voor de steun. De sprekers merken terecht op dat dit eigenlijk een heel praktische invulling is van iets wat wij allemaal graag willen, niet alleen op papier, maar ook in het effect dat wij beogen, namelijk daadwerkelijke bescherming van de slachtoffers en daar waar mogelijk en meer dan tot op heden mogelijk, het aanpakken van de daders, vaak mannen, die hiervoor verantwoordelijk zijn.

Mevrouw Arib heeft een vraag gesteld over uithuwelijking. Ik heb al gezegd dat de minister voor WWI de toezeggingen uitwerkt die zijn gedaan tijdens het vragenuurtje. Zij heeft de minister van Justitie en mij gevraagd om gevallen van huwelijksdwang te betrekken in de onderzoeken naar eergerelateerd geweld en de rapportage van Politie Haaglanden. Het bericht daarover wordt meegenomen in het bericht dat ik al had aangekondigd voor het voorjaar van 2009.

Ik kom bij de vragen van mevrouw Van Toorenburg. Aangiftebereidheid is cruciaal. Bij huiselijk en eergerelateerd geweld en andere geweldsvormen kun je niet zo veel tegen de daders beginnen zonder concrete aangifte. Mijn doel is ook niet om de aangifte naar de achtergrond te duwen en te zeggen dat men in plaats daarvan vooral melding moet doen. Het is andersom. Als een vrouw een beroep doet op het recht om bijvoorbeeld terug te mogen keren, dan kan een melding worden meegenomen in het oordeel of een situatie tot verblijf moet leiden. Wij zeggen niet: vanaf nu moet u gaan melden, want dat is voldoende. Het gaat vaak om zaken die al jarenlang voortduren en waarbij al jarenlang politiecontacten zijn.

Mevrouw Azough en de heer Fritsma noemden het voorbeeld van mannen die vier, vijf keer een partner naar Nederland halen en daarbij steeds hetzelfde gedrag vertonen. Voor mij is er geen verschil tussen deze mannen en autochtone Nederlanders die serieel zwakke meisjes uitzoeken in Thailand en die hier bont en blauw slaan. Dat is hetzelfde gedrag. Als je spreekt over agressie jegens vrouwen, in alle uitingsvormen, dan is de nationaliteit of de herkomst van de dader onbelangrijk. Dat heeft steeds weer met die twee dingen te maken: slachtoffers beschermen – daar komt een extra dimensie bij als je spreekt over achterlating, die wij nu steeds meer in beeld trekken – en het aanpakken van de daders. Ik ben het geheel eens met de heer Fritsma als hij zegt dat de achtergrond van de daders onbelangrijk is.

Ik verwijs voor de vragen over polygamie kortheidshalve naar het uitgebreide bericht dat de Kamer nog ontvangt over de mogelijkheden die er zijn om dat aan te pakken.

Er is een vraag gesteld over de diplomatieke afspraken met herkomstlanden. De medewerking van herkomstlanden is nodig als je daar iemand wilt vinden of helpen. Die contacten zijn er en waar ze verbetering behoeven, zetten wij ons daar zeker voor in. Marokko is wederom een voorbeeld van een land waarmee wij bilaterale contacten hierover onderhouden. Hierin komen wij steeds verder. Tegelijkertijd hebben wij in onze contacten met andere landen nog een wereld te winnen. Belangrijk is dat naar aanleiding van het ACVZ-advies uit 2005 over achterlating, waarover ik eerder heb gesproken, Buitenlandse Zaken nogmaals de aandacht heeft gevraagd van alle posten voor de reeds bestaande instructie over achterlating. Nu moeten wij bezien of in de landen waar dit voorkomt conform die aanwijzing wordt gewerkt.

Ik dank de leden nogmaals voor het uitspreken van de noodzaak om ook de situatie van de jongens te bezien. Ik zal dat hier zeker bij betrekken.

Ik dank de heer Fritsma voor zijn steun. Het komt niet vaak voor dat wij het in debatten met elkaar eens zijn, maar hij kent mij inmiddels wel als iemand die graag met hem meedenkt, zeker als wij het niet alleen eens zijn over het doel, maar ook over middel waarmee wij dat doel kunnen dienen. Dat heb ik vandaag echt maximaal geprobeerd, wetende dat de ruimte niet zo groot is. Wij moeten ook geen wonderen verwachten. Het aanpakken van geweldplegers die al een veroordeling aan hun broek hebben, is echter concreter dan het aanpakken van een abstracte groep mannen die zijn vrouw achterlaat en waarbij je misschien wat minder aanknopingspunten hebt.

Het is interessant dat de heer Fritsma zei dat hij blij is met de doorbraak die er nu komt om de referent, dus degene die in Nederland is, en zijn gedrag te betrekken bij de beoordeling van verblijfsaanvragen. Die doorbraak komt niet hier vandaag, met mijn uitspraak. Die doorbraak is er eigenlijk al. Als je het hele plan voor modern migratiebeleid overziet, dan zie je dat de referent, degene die vraagt iemand om naar Nederland te mogen halen, of dat nu een werkgever, een universiteit of een partner is, een eigen wettelijke positie krijgt met eigen wettelijke plichten. Ik zal bezien of dat mogelijkheden biedt om dit gedrag daarbij te betrekken. Maar dat is inderdaad de toekomst: kijken naar het gedrag van degene die vraagt om iemand naar Nederland te mogen halen.

De voorzitter: Ik meen uit mijn hoofd dat wij daarover op 29 november een overleg hebben.

Staatssecretaris Albayrak: Dat klopt, voorzitter.

De heer De Wit staat nogmaals stil bij de kinderen. Hij krijgt daar nader bericht over. Hij zei terecht dat ik niet ben ingegaan op zijn vragen over de opvang van kinderen die terugkomen. De aantallen zijn zo klein dat er in ieder geval geen capaciteitsvraagstuk bestaat. Per kind moet worden bezien wat de meest adequate vorm van terugkeer is. Soms is dat bij familie die hier al aanwezig is, soms een pleeggezin en in het uiterste geval, als er helemaal geen structuur is waar een kind naar kan terugkeren, moet dat de opvang zijn. Dat onderdeel ligt vooral op het terrein van VWS. Mocht er aanleiding zijn om te gaan denken aan officiële opvangvoorzieningen, dan zal ik daarover uiteraard in gesprek treden met VWS.

Mevrouw Azough constateert dat mijn reactie op de vervolging anders lijkt dan het antwoord dat zij eerder kreeg over het ontvreemden van documenten en het aanpakken van de daders daarvan. Eigenlijk is dat niet zo. Ik verbreed het alleen. Als er documenten zijn ontvreemd en er met die documenten gefraudeerd is, dan valt dat binnen het bereik van het Wetboek van Strafrecht en dan kunnen wij er wat mee. In deze gevallen is dat vaak niet aantoonbaar. Dat enkele feit geeft ons weinig aanknopingspunten, maar gekoppeld aan bewijs voor achterlating van iemand in een kwetsbare situatie, waar de heer De Wit aan refereert, geeft dat meer aanknopingspunten die bij elkaar opgeteld misschien iets opleveren waar je wat mee kunt. Ik heb toegezegd dat ik mij graag wil verdiepen in het doorrechercheren; dus nadat een vrouw is geholpen onderzoeken wat er aan de hand was en of wij dingen aan elkaar kunnen knopen om het een zaak te maken.

Mevrouw Azough heeft nog gevraagd naar de aanvragen die de afgelopen jaren zijn gedaan. Misschien kan zij mij in een zin zeggen wat precies haar vraag was?

Mevrouw Azough (GroenLinks): In hoeverre zouden de afgewezen aanvragen van de afgelopen jaren onder de huidige, duidelijkere criteria wel een kans hebben gemaakt?

Staatssecretaris Albayrak: Wij zijn daarbij deels afhankelijk van het feit of die informatie tot ons komt. Ik durf zelfs te zeggen dat er geen registratie is bijgehouden van de exacte gronden en criteria voor afwijzing. Wij zijn afhankelijk van het wederom indienen van een aanvraag van die vrouwen en de hulpverlener die hen terzijde hebben gestaan bij de eerste aanvraag om te bezien of met deze nieuwe invulling van bestaand beleid wel een kans wordt gemaakt. Dit is een groep die dit zo van nabij volgt, dat ik inschat dat het ook wel gebeurt als dat geïndiceerd is.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Beuker


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).