Kamerstuk 19637-1234

Verslag van een algemeen overleg

Vreemdelingenbeleid; Verslag van een Algemeen Overleg

Gepubliceerd: 31 oktober 2008
Indiener(s):
Onderwerpen: immigratie migratie en integratie recht staatsrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-1234.html
ID: 19637-1234

19 637
Vreemdelingenbeleid

nr. 1234
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 28 oktober 2008

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 1 oktober 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Albayrak van Justitie over:

– de brief over het Jaarverslag van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer (CITT), d.d. 26 mei 2008 (19 637, nr. 1201).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: KampGriffier: Nava

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van de Camp (CDA): Mijnheer de voorzitter. In mijn optiek en in de optiek van de fractie van het CDA van de Tweede Kamer is terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers en andere vreemdelingen een belangrijk onderdeel van een eerlijk en fair asielbeleid oftewel van, zoals het in het regeerakkoord staat, een humaan en rechtvaardig asielbeleid. Onze fractie vindt het dan ook terecht dat het kabinet op het gebied van terugkeer meer wil presteren dan vorige kabinetten. Ik weet dat mijn fractie mede verantwoordelijk is geweest voor de programma’s van andere kabinetten, maar ik heb de indruk dat wij in dit kabinet de terugkeer meer gestalte zullen geven dan onder vorige kabinetten het geval was.

De publicatie van het jaarverslag van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer vormt een mooi moment om even na te gaan hoe het staat met het terugkeerbeleid. De commissie stelt met het jaarverslag dat concrete, overtuigende resultaten oftewel de harde cijfers ontbreken, omdat zij het ruwe materiaal – zie bladzijde 10 van het jaarverslag – nog niet heeft geïnterpreteerd. Dat materiaal zou nog te ruw zijn. Is er iets meer te zeggen over de concrete, overtuigende resultaten van het terugkeerbeleid en over de interpretatie van de cijfers die de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer zijn voorgelegd?

Tot de belangrijkste actoren van het dossier terugkeer en vertrek behoren de diplomatieke vertegenwoordigingen van de landen van herkomst. Daarover mis ik opmerkingen in het jaarverslag. In artikel 2 van de instellingsbeschikking van de commissie staat: De commissie houdt toezicht op het totale terugkeerproces. Houdt de CITT ook toezicht op de diplomatieke vertegenwoordigingen in Nederland of België van de landen van herkomst?

Op bladzijde 11 van het jaarverslag wordt in aanbeveling 5 gesproken over het terugzenden van criminele vreemdelingen zonder laissez passer. Daar staat: de commissie beveelt de staatssecretaris aan onderzoek te initiëren naar de aanpak door andere Europese landen van de gedwongen terugkeer. Neemt de staatssecretaris deze aanbeveling over?

Overigens, voor een deel komt de behandeling van dit onderwerp weer aan de orde bij de bespreking van de asielverbeteringsbrief. Laten wij deze discussie dan zien als een generale repetitie, waarmee wij op de behandeling van die brief vooruit kunnen lopen.

Mijn volgend punt betreft de kwestie van de inrichting van de derde kamer van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer. In onze ogen is dit een belangrijk element, want hierbij gaat het om de terugkeerfaciliteiten, zoals de vervangende reisdocumenten en de terug- en overnameovereenkomsten. Die kamer zou in januari 2008 worden ingesteld. Zijn er inmiddels concrete resultaten te melden?

In het jaarverslag van de commissie komt de Rotterdamse aanpak aan de orde. De eenheid vreemdelingenpolitie Rijnmond heeft met de zogenaamde persoonsgebonden aanpak concrete resultaten bereikt. Zal die aanpak breder in het land worden toegepast? Is er iets te melden over de resultaten van deze aanpak?

Wij zijn allen bekend met de aanloopproblemen bij de Dienst Terugkeer en Vertrek. In het jaarverslag staat dat deze dienst in een aantal gevallen de vreemdelingenbewaring heeft moeten beëindigen zonder rechterlijke uitspraak. De fractie van het CDA van de Tweede Kamer vindt het een ernstige zaak dat de vreemdelingenbewaring door de Dienst Terugkeer en Vertrek of de procesvertegenwoordiger van de IND is beëindigd. Komen dergelijke beëindigingen nog voor en, zo ja, kan de staatssecretaris zo spoedig mogelijk aan deze praktijk een eind maken?

In het jaarverslag wordt gesproken over de medewerking van de diverse gemeenten bij de terugkeer van ex-pardonners. Dit onderwerp komt iedere keer bij de behandeling van het dossier generaal pardon aan de orde. De commissie zegt dat er weinig zicht is op de inspanningen van de diverse gemeenten. Met name wordt gesproken over de opstelling van de gemeenten Nijmegen en Haarlem. Dat zorgt voor vragen bij onze fractie.

Volgende week komen wij te spreken over de verhoging van de budgetten bij vrijwillige terugkeer. Naar ik heb begrepen beveelt de commissie deze verhoging aan. Daarmee zouden wij misschien de terugkeer kunnen bevorderen. Wat is de stand van zaken op dit punt?

Tot slot heb ik nog een paar vragen over de uitzettingen door de KMar. Een van de ambtenaren van de staatssecretaris heeft vanochtend bij de hoorzitting vernomen dat uitgeprocedeerde asielzoekers in een zeer laat stadium, als zij gereed zijn voor vertrek en als het ware op de vliegtuigtrap staan, een herhalingsaanvraag indienen. Zijn er juridische mogelijkheden om dat te voorkomen? Het kan toch niet zo zijn dat de terugkeer na een langdurige voorbereiding op zo’n moment weer wordt tegengehouden?

In het jaarverslag van de KMar lees ik dat het aantal groepsuitzettingen eerder af- dan toeneemt. Ik meen juist uit andere berichten te hebben begrepen dat door de samenwerking met België en Duitsland en met name bij de vluchten vanuit Hamburg sprake is van een toename. Hoe verhoudt zich deze uitspraak van de Commissie Toezicht KMar tot wat ik uit andere berichten opmaak?

Zijn er nog ontwikkelingen te melden die zich op het Europese vlak voordoen? Met name denk ik aan toezicht op de terugkeer op Europees niveau. De Commissie van Toezicht KMar constateert een gebrek aan visie. Wat vindt de staatssecretaris hiervan?

De heer De Wit (SP): Voorzitter. De Commissie Integraal Toezicht Terugkeer is in juli 2007 ingesteld en het rapport dat wij vandaag bespreken heeft betrekking op de ontwikkelingen in een deel van het jaar 2007. Bij het lezen van het rapport en bij de interpretatie van de inhoud ervan moeten wij dat wel in het achterhoofd houden.

De conclusies van het rapport laten een teleurstellend beeld zien van het terugkeerproces. De Dienst Terugkeer en Vertrek is opgericht om geconstateerde problemen op het gebied van de terugkeer op te lossen, maar het lijkt erop alsof de dienst een onderdeel van het probleem is geworden. Er zijn logistieke problemen, er zijn interne en externe afstemmingsproblemen, wij hebben te maken met een onvoldoende werkend informatiesysteem en de commissie constateert ook nog dat er structurele problemen zijn, zoals het ontbreken van bevoegdheden voor politiemensen en het bestaan van meerdere dossiers voor een en dezelfde vreemdeling, terwijl die dossiers niet aan elkaar kunnen worden gekoppeld. De vraag is daarom: faalt het terugkeerproces? Is het beeld van 2008 anders? Ik wil dat graag weten. Het voorgaande is in ieder geval teleurstellend te noemen.

De commissie constateert verder dat er ketenbreed accurate cijfers ontbreken om de effectiviteit van het terugkeerbeleid te kunnen meten. De Algemene Rekenkamer uitte dezelfde kritiek naar aanleiding van de begroting van Justitie.

Er zijn geen aanknopingspunten om de prestaties van het terugkeerbeleid te meten. Eén cijfer is inmiddels duidelijk geworden. Door de vaste commissie van Justitie zijn vragen gesteld over het jaarverslag 2007. Mijn fractie heeft gevraagd: welk percentage van de in vreemdelingenbewaring genomen personen is zonder uitzetting weer in vrijheid gesteld? Het antwoord van de regering was: het percentage van het aantal vreemdelingen dat zonder uitzetting door de DJI weer in vrijheid is gesteld, was in 2007 circa 50. Aan het feit dat de helft van de mensen die in vreemdelingenbewaring worden genomen niet kan worden uitgezet, liggen diepere oorzaken ten grondslag dan alleen het ontbreken van bevoegdheden voor politiemedewerkers van de Dienst Terugkeer en Vertrek en het onvoldoende grip hebben op het bewaringsproces. Er is naar mijn oordeel structureel iets mis met de vreemdelingenbewaring en het terugkeerbeleid. Te veel mensen belanden in vreemdelingenbewaring, terwijl duidelijk is dat uitzetting onmogelijk is. Ik verwijs in dit verband nog een keer naar de zaak van de Chinezen waarmee wij recentelijk te maken hadden. Na anderhalf jaar is de staatssecretaris erin geslaagd om voor zegge en schrijve één vervangend reisdocument te zorgen. Waarom wordt er door de staatssecretaris niet meer gebruik gemaakt van het buitenschuldcriterium? Gaat de commissie aandacht besteden aan deze kwestie, dus aan het feit dat 50% van de mensen die in vreemdelingenbewaring worden genomen, niet worden uitgezet?

Ik betreur het dat het in oktober 2007 toegezegde rapport over uitkomsten van het onderzoek naar een adequate reactie op schreeuwen, spugen en bijten bij uitzetting niet is overgelegd. Dat zou voor de zomer van 2008 geschieden. Wanneer kunnen wij het rapport met de uitkomsten van dat onderzoek tegemoet zien? Hoe wordt thans gehandeld bij geweldsincidenten, zoals schreeuwen, bijten en spugen? Welke vormen van geweld komen nu voor? Het rapport spreekt over het vastleggen van uitzettingen op video als een soort externe controle op het uitzettingsproces. Worden uitzettingen inmiddels op video vastgelegd?

In het rapport van de Commissie van Toezicht KMar wordt een reeks aanbevelingen gedaan om de uitzettingsprocedure te verbeteren. Met name gaat het daarbij om de manier van optreden tegen de uit te zetten personen. Wat is tot nu toe met deze aanbevelingen gedaan? Welke veranderingen zijn inmiddels aangebracht? Er worden veel aanbevelingen gedaan en wellicht is het handig dat de staatssecretaris ons daarvan een keer een overzicht geeft. Ik schat dat 30 à 40 aanbevelingen worden gedaan. Welke zijn uitgevoerd, welke niet en waarom zijn ze niet uitgevoerd?

De Commissie Integraal Toezicht Terugkeer zegt ook iets over de noodopvang die vreemdelingen door gemeenten wordt geboden. De gemeenten stellen als voorwaarde voor sluiting van de noodopvang een zogenaamd sluitend beleid van de staatssecretaris. Hoe staat het met dat beleid? Heeft de commissie sinds haar instelling met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over dit onderwerp gesproken? Wat is voor de staatssecretaris een sluitend beleid? Uit het jaarverslag van de commissie blijkt dat het terugkeerbeleid niet op orde is. Vindt de staatssecretaris nog steeds dat de gemeenten op 1 januari 2009 de noodopvang moeten hebben beëindigd? Graag hoor ik het oordeel van de staatssecretaris.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Volgende week zullen wij uitgebreider spreken over het terugkeerbeleid. Vandaag wil ik het meer over de organisatorische kant daarvan hebben en volgende week de meer de beleidsmatige kant belichten.

Ook mij viel op wat de commissie zegt over de cijfers. Op dit punt sluit ik mij kortheidshalve aan bij de opmerkingen van de heer Van de Camp.

Mij viel verder op dat wij zo weinig weten over de absolute succes- en faalfactoren en dat weinig systematisch wordt bijgehouden of er sprake is van verbetering. Een van de aspecten betreft natuurlijk de medewerking van andere landen, maar het gaat er ook om wat de lokale overheden doen. Vanochtend hoorden wij dat de Raad van Kerken bij de terugkeer misschien wel succesvoller is dan de DT&V. Het werk van de raad is dus een succes. Graag zou ik zien dat dit soort factoren meer systematischer in beeld werden gebracht, zodat de Kamer weet wat werkt en wat niet werkt. Wij willen namelijk allen een sluitende aanpak, althans wij vinden het van wezenlijk belang dat de mensen die hier niet kunnen blijven daadwerkelijk terugkeren.

Dan wil ik iets zeggen over de caseload en de capaciteit van DT&V. In het jaarverslag van de CITT staat dat niet alleen verwijderbare vreemdelingen, maar ook asielzoekers die een eerste negatieve beschikking hebben gekregen tot de caseload van DT&V behoren. Bestaat er voor deze keus wel voldoende capaciteit bij DT&V? Zijn er al achterstanden ontstaan vanwege opstartproblemen?

Ik wil voorts iets zeggen over de samenwerking tussen DT&V en de IND. Worden de dossiers die door de DT&V als schrijnend zijn beoordeeld als zodanig overgenomen door de IND? Welke bevoegdheid heeft DT&V, in aanmerking nemende dat DT&V nauw bij de behandeling van de dossiers is betrokken?

Ons is niet duidelijk waarom aan sommige aanbevelingen in het Verslag Commissie van Toezicht Uitzettingen KMar en in het jaarverslag van CITT geen gevolg wordt gegeven. Daarover schept ook de brief geen duidelijkheid. Graag krijg ik die alsnog.

Uit wat er staat over de vreemdelingenbewaring krijgen wij toch de indruk dat soms vreemdelingen alvorens zij in vreemdelingenbewaring worden geplaatst niet in de gelegenheid worden gesteld om bezittingen als kleding en dergelijke mee te nemen. Wij zien er niet de zin van in om de mensen deze gelegenheid niet te bieden. Kan de uit te zetten vreemdeling voortaan in de gelegenheid worden gesteld om afscheid te nemen van familie of gezin? Het lijkt mij dat zoiets toch mogelijk moet zijn.

In een eerder rapport van de Commissie van Toezicht Uitzettingen KMar deed de commissie de aanbeveling van het werken met een BodyCuff. Op grond van de ervaringen met een proefmodel is besloten het werken met de BodyCuff in te voeren. Voor ons is niet duidelijk of dat daadwerkelijk is gebeurd. In het verslag dat wij nu behandelen staat namelijk opnieuw de aanbeveling om met de BodyCuff te werken.

Uit het verslag blijkt verder dat er geen onafhankelijk toezicht is op de werkzaamheden van de Dienst Vervoer en Ondersteuning noch door middel van een commissie van toezicht noch door middel van een klachtencommissie. Wordt nu een klachtencommissie ingesteld, gelet op het feit dat veel klachten die bij de KMar worden ingediend in de praktijk betrekking hebben op de werkzaamheden van DV&O?

De voorzitter: Ik geef vervolgens het woord aan mevrouw Azough. Zij heeft laten weten dat zij vanwege verplichtingen elders deze vergadering om vijf uur moet verlaten.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Hoewel ik deze hele vergadering dus niet kan bijwonen, wil ik er toch even bij zijn, omdat de behandeling van dit jaarverslag een mooi moment vormt om het terugkeerbeleid te bespreken. Volgende week zullen wij dieper ingaan op beleidsmatige aspecten.

De terugkeer is het sluitstuk van het vreemdelingenbeleid en sinds jaar en dag is het een zeer lastig sluitstuk. Laten wij daarvoor onze ogen niet sluiten. Het valt dit kabinet te prijzen dat het op sommige punten voor een verstandige aanpak kiest. GroenLinks vond altijd al dat Nederland goede afspraken moet maken met de landen van herkomst over de terugname van de eigen onderdanen, waarbij bredere samenwerking zou kunnen worden besproken. Deze manier van werken zou ook bijdragen aan een humanere terugkeer, aan een terugkeer die uit meer bestaat dan het simpelweg op het vliegveld van het land van herkomst achterlaten van de uitgeprocedeerde.

Nog steeds spelen dezelfde vragen rondom de vreemdelingenbewaring. Iedereen gaat ervan uit dat vreemdelingenbewaring een ultimum remedium is. Wie echt weet wat het begrip ultimum remedium inhoudt, moet toch schrikken – dat geldt in ieder geval voor mijn fractie – van de operationele problemen die met het jaarverslag worden gesignaleerd. Dat zijn er namelijk nogal wat. Ik sluit mij dan ook aan bij de vragen van de heer Van de Camp dat in het jaarverslag vooral knelpunten en kritische opmerkingen staan, maar dat er maar weinig concrete resultaten worden vermeld van de aanpak van deze dienst in dit eerste jaar. Ik zal niet alle klachten noemen, want dat zijn er nogal wat.

Een van de problemen betreft het feit dat de afstemming tussen beleids- en uitvoeringsniveau duidelijk verbetering nodig heeft en dat de diensten niet goed samenwerken. Samenwerking tussen de diensten was juist de bedoeling van de oprichting van de DT&V. Verder wordt in het jaarverslag iets gezegd over het contact tussen de meest betrokken partners en DT&V. Er zou sprake zijn van een negatieve beeldvorming over en weer. Volgens mij zorgt een negatieve beeldvorming niet voor veel vertrouwen en leidt die ook niet tot verbetering van de samenwerking, terwijl die verbetering van groot belang is.

Ook wordt gesteld dat de dienst een eigen entiteit lijkt te zijn geworden, waardoor nieuwe afstemmingsproblemen lijken te ontstaan. Dat duidt erop dat er wellicht een extra bureaucratische schakel is ontstaan. Daardoor zou juist het doel, een betere en soepele samenwerking, betere afstemming, beter overleg en een sterke coördinatie, niet worden bereikt. Ik noem in dit verband het feit dat de regievoerder door interne afstemmingsproblemen zijn werk niet kan doen en het feit dat er een structureel probleem is met de bevoegdheden van gedetacheerde politieagenten. Verder wijs ik erop dat wanneer een uitgeprocedeerde in het terugkeerproces komt en een nieuwe aanvraag indient hij een nieuw dossier bij de IND krijgt. Daardoor ontstaan voor die persoon twee dossiers en twee processen met weer problemen met de afstemming. Dit zijn toch wel zeer zorgelijke punten en de staatssecretaris stelt mij met haar reactie in haar brief niet helemaal gerust.

De verschillende knelpunten hebben in een aantal keren ertoe geleid dat de vreemdelingenbewaring werd opgeheven, omdat er onvoldoende aantoonbare voortgang bij de uitvoering van de uitzetting was. Het is de vraag hoe dergelijke tekortkomingen te verklaren zijn in het licht van het feit dat vreemdelingenbewaring een ultimum remedium is. Graag verneem ik van de staatssecretaris of zij serieus aandacht wil besteden aan deze knelpunten en aan de kritische opmerkingen in het verslag. In haar brief zegt zij dat de aanbevelingen zullen worden betrokken bij de versterking van DT&V, maar wat gaat zij precies doen? Wil zij een concreet overzicht geven van de aanbevelingen die zij zal overnemen en op welke manier zij dat zal doen?

Belangrijker is dat de problemen rondom de oplegging, tenuitvoerlegging en de opheffing van vreemdelingenbewaring worden aangepakt. Op dit punt sluit ik mij aan bij de vragen van de heren Spekman, De Wit en Van de Camp. Het cijfer dat de heer De Wit noemde, is niet erg opbeurend: in 50% van de gevallen wordt de vreemdelingenbewaring beëindigd zonder dat uitzetting daarop volgt. Dat percentage duidt niet echt op verbetering van het vorige beleid. Graag krijg ik hierop een concrete reactie. Het is wat GroenLinks betreft terecht dat dit kabinet met zijn beleid inzet op terugkeer. Terugkeer is een belangrijk onderdeel van het vreemdelingenbeleid. Wij zijn er vanuit gegaan dat er in de afgelopen jaren verbetering was. Het mag niet zo zijn dat wij nu moeten concluderen dat dat niet zo was en dat wij volgend jaar misschien opnieuw moeten concluderen dat er nog steeds geen verbetering is.

Het baart mij zorgen dat zelfs de CITT geen accurate cijfers kan verstrekken. Het materiaal zou althans laat zijn verstrekt en nog zo ruw zijn dat zij althans geen conclusies kan trekken. De Kamer en zeker de commissie kunnen alleen controleren als er concrete en redelijk accurate cijfers worden verstrekt. Als wij die krijgen, hebben wij zicht op de werking van het beleid in de praktijk. Graag krijg ik dus te horen wat er gaat gebeuren. Komen er wel accurate cijfers?

Wat wordt gedaan voor het krijgen van een juridische oplossing voor het probleem van de gedetacheerden? Hoe wordt gezorgd voor medewerking door herkomstlanden? Ik noem ook de aanbeveling om onderzoek te doen naar de manier waarop andere landen in Europa te werk gaan. Wat wordt er in het algemeen met de aanbevelingen gedaan? Kortheidshalve sluit ik mij nog aan bij de vragen van de heren Spekman en De Wit naar aanleiding van het verslag van de Commissie van Toezicht Uitzettingen KMar. Er zijn in het afgelopen jaar veel zorgwekkende berichten geweest over deze uitzettingen. Graag krijg ik precies van de staatssecretaris te horen of de aanbevelingen worden overgenomen, mede gelet op het feit dat het om herhaalde aanbevelingen gaat. Dat duidt er niet op dat het gevraagde met gezwinde spoed is gerealiseerd.

Voorzitter. Vanochtend hadden wij een rondetafelgesprek over een onderwerp dat nauw verband houdt met het onderhavige. Ook voor mij geldt de vraag hoe het staat met de sluitende aanpak waar de staatssecretaris voor stond en waar ze, naar ik aanneem, nog steeds voor staat. Realisering van die sluitende aanpak was de voorwaarde voor het opheffen van de gemeentelijke noodopvang en ook de voorwaarde om te kunnen komen tot het succesvol afhandelen van de pardonregeling.

De heer Kamp (VVD): Voorzitter. De heer Van de Camp van de fractie van het CDA zei te verwachten dat dit kabinet een beter terugkeer beleid voert dan vorige kabinetten. Ik help hem dat hopen. Het is altijd prettig als een kabinet het op een bepaald beleidsonderdeel beter doet dan een vorig kabinet. Als blijkt dat dat het geval is, zal ik dat toejuichen. Voorlopig kunnen wij alleen maar nagaan wat er tot dusverre is gebeurd en uit de gegevens die wij tot nu toe ter beschikking hebben gekregen blijkt nog niet helemaal dat zal gebeuren wat de heer Van de Camp verwacht. Het eerste probleem is dat de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer meldt dat uit de gegevens niet goed is af te leiden welke resultaten zijn bereikt met het gevoerde terugkeerbeleid en wat de effectiviteit daarvan is. De resultaten zijn gewoon niet vast te stellen. Dat is toch wel bijzonder opmerkelijk. Als wij straks allemaal tevreden willen zijn over wat is gebeurd, dan moet die tevredenheid ondersteund worden met de cijfers. Tot dusverre is dat niet het geval. Kan de staatssecretaris er misschien voor zorgen dat uit de gegevens zal zijn af te leiden hoe het zit met de effectiviteit van het beleid in de praktijk?

De commissie merkt ook op dat de ketenrapportage, die de staatssecretaris elk half jaar uitbrengt, weinig harde cijfers bevat. Wil de staatssecretaris ervoor zorgen dat de Kamer voor het onderdeel terugkeer wel de beschikking krijgt over harde cijfers?

Er wordt aangegeven dat de Dienst Terugkeer en Vertrek problemen kent, doordat een aantal politiemedewerkers niet over de benodigde bevoegdheden beschikt om bij de DT&V te kunnen functioneren. Is dat probleem inmiddels opgelost?

Een ander probleem bij de DT&V bestaat uit het feit dat de regievoerders, de mensen die de dossiers moeten behandelen, onvoldoende grip hebben op het bewaringsproces. Is dat inmiddels wel het geval?

Het was de bedoeling om de verschillende ketenpartners onder te brengen in de DT&V. Het resultaat zou een betere samenwerking zijn. De commissie zegt dat dat niet het geval is. DT&V is een aparte instantie en daarom is het aantal afstemmingsproblemen niet kleiner, maar groter geworden. Verder wordt opgemerkt dat de medewerkers van DT&V die afkomstig zijn van de verschillende ketenpartners onvoldoende flexibel opereren. Bovendien is sprake van een onderling negatieve beeldvorming bij de meest betrokken ketenpartners. Dat stemt ons ook niet erg vrolijk. Wat vindt de staatssecretaris hiervan? Zullen de verwachtingen die de heer Van de Camp verwoordde bewaarheid worden?

De commissie zegt dat er iets heel bijzonders gaande is met de vreemdelingen waarvoor geen laissez passer of EU-bewijs kan worden verkregen. In die gevallen waarin zich dat voordoet, mogen de heren en dames in dit land blijven. In andere landen, zoals in Zweden en Duitsland, kunnen zij zonder een laissez passer of vergelijkbare papieren toch naar het land van herkomst worden teruggestuurd. Dat is eigenlijk wel een goed idee. Waarom doen wij dat ook niet?

De commissie merkt voorts op dat in het jaar 2006 sprake was van stagnatie in de terugkeer van ex-asielzoekers. Daarbij ging het niet alleen om het generaal pardon, iets wat alles op zijn kop zette, maar er waren nog andere problemen. Kan de staatssecretaris aangeven welke die waren?

De commissie geeft aan dat het beëindigen van de opvangvoorzieningen voor uitgeprocedeerde asielzoekers cruciaal is. Als men is uitgeprocedeerd, moet men het land uit. Als je die mensen toch opvangvoorzieningen blijft aanbieden, is er voor hen niet de stimulans om te vertrekken. Het is dan ook belangrijk dat de gemeenten in die gevallen hun opvangvoorzieningen beëindigen. De commissie stelt vast dat een aantal gemeenten dat niet doet. Die gemeenten weigeren om mee te werken aan het beëindigen van de opvangvoorzieningen. Over welke gemeenten heeft de commissie het dan? Is de staatssecretaris er inmiddels in geslaagd om die gemeenten in het gareel te brengen?

Als iemand niet wil meewerken aan zijn terugkeer, staan hem verschillende middelen ter beschikking om die weigering effect te laten sorteren. Die persoon kan bijvoorbeeld zeggen niet de benodigde documenten te hebben. Hij kan er verder in het contact met de ambassade van het land van herkomst blijk van geven niet terug te willen. Een andere mogelijkheid is voortdurend een nieuwe procedure beginnen. Hij vraagt bijvoorbeeld opnieuw asiel aan, vraagt een verblijfsvergunning op medische gronden aan of maakt gebruik van een andere mogelijkheid. Zo’n persoon blijft tot het laatste moment, zelfs tot op de trap van het vliegtuig, maar doorgaan met het starten van nieuwe procedures. Is de staatssecretaris nu zij ruim anderhalf jaar op deze post zit tot het inzicht gekomen dat één procedure meer dan genoeg is en dat wij het daarbij moeten laten?

Antwoord van de staatssecretaris

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Ik dank de commissie voor de gemaakte opmerkingen en de gestelde vragen. Zij waren alle terecht en gemaakt en gesteld in de juiste context.

De Dienst Terugkeer en Vertrek is een organisatie die opgericht is naar aanleiding van een kritisch rapport van de Algemene Rekenkamer. De kritiek had vooral betrekking op de manier waarop de terugkeer voor de komst van DT&V was geregeld en had eigenlijk alles te maken met het feit dat veel organisaties veel energie staken in het effectueren van de terugkeer, terwijl die vaak te ongecoördineerd was georganiseerd. Er werd dan ook niet het effect bereikt dat je van alle inspanningen had mogen verwachten.

Men had er misschien handig aan gedaan om bij de oprichting van de DT&V, die ook bij de Kamer toch met heel veel verwachtingen werd gepresenteerd, het proces van wording goed te schetsen. In mijn beleving is dat niet voldoende gebeurd, anders had dat de verwachtingen bijgesteld. Eenieder weet namelijk dat als je diensten samenvoegt, niet alleen de medewerkers van de nieuwe dienst aan de andere werkwijze moeten wennen, maar dat ook andere diensten die met de nieuwe dienst moeten samenwerken, dat moeten. Bij die andere diensten denk ik aan de KMar, de Vreemdelingenpolitie, de IND en het COA. Zij moesten alle hun werkprocessen aanpassen. Dat dat gepaard gaat met miscommunicatie, onvoldoende afstemming, iets uitvinden en het tegenkomen van drempels moge duidelijk zijn. De politieke ambitie om het hele terugkeerproces te professionaliseren – daar gaat het om – was en is terecht, maar wij moeten ook in aanmerking nemen wat de diensten die alle als het ware een stukje van de terugkeer voor hun rekening nemen, hebben doorgemaakt.

Toen ik als staatssecretaris aantrad heb ik nagegaan of die nieuwe opzet window dressing was, of men het wilde doen voorkomen dat men lekker fors de terugkeer aan het regelen was dan wel of sprake was van een nieuwe organisatie die ook wat kon en of de verandering dé professionalisering van de terugkeerketen was. Als ik op dat moment eraan had getwijfeld dat de Dienst Terugkeer en Vertrek een rol zou kunnen spelen bij de professionalisering van de terugkeer en het daadwerkelijk en effectiever uitzetten van mensen die niet in Nederland mogen blijven, dan had ik als verantwoordelijk staatssecretaris aan die twijfels waarschijnlijk consequenties verbonden. Toen ik het nieuwe concept bekeek, dacht ik: alles zal niet gemakkelijk gaan, zeker niet vanwege de situatie waarmee wij in 2007 te maken hebben. Echter, ik meende dat als wij de nieuwe organisatie goed gestalte zouden geven, als wij de kinderziektes konden overwinnen, alert bleven bij het vernemen van de geluiden in de praktijk over wat er verkeerd ging et cetera, de nieuwe opzet wel eens een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan het vorm geven van een effectiever terugkeerbeleid. Laten wij wel wezen, dit onderdeel van het vreemdelingenbeleid is een onderdeel waarmee wij al decennia worstelen. Soms betreffen de problemen algemene aspecten, maar soms ook specifieke. Soms zijn de problemen een gevolg van gebrek aan medewerking van het land van herkomst, soms van gebrek aan de medewerking van de vreemdeling en het feit dat hij ongedocumenteerd is. Het laatste is absoluut een van de grootste hobbels. Ik blijf tegen de Kamer zeggen: als je het terugkeerbeleid niet goed voor elkaar krijgt, gaat dat hoe dan ook ten koste van het draagvlak voor het migratiebeleid. Nederland is een gastvrij land en het wil dat blijven, zeker voor de mensen die bescherming nodig hebben. Echter, als je na een lange, dure, zorgvuldige en rechtvaardige procedure nee zegt en de betrokken mensen niet daadwerkelijk het land uit kan krijgen, zal het draagvlak voor het migratiebeleid en dus voor de bescherming van vluchtelingen afnemen. Daarvan hebben wij in de voorgaande jaren iets gemerkt. Daarom heb ik absoluut de ambitie om met alle mij ter beschikking staande middelen werk te maken van de terugkeer. De Dienst Terugkeer en Vertrek levert daaraan een grote bijdrage en hij zal dat in de toekomst nog veel meer doen.

Het is niet onbelangrijk dat ik het voorgaande naar voren breng. Ik zei al dat de DT&V vanwege het generaal pardon in een atypische periode van start moest gaan. Dat had ook te maken met het feit dat de Kamer om een standstill had gevraagd. Er mochten geen onomkeerbare beslissingen worden genomen. Er mochten geen mensen worden uitgezet die voor 1 april op grond van het geldende asielbeleid een verblijfsvergunning hadden aangevraagd. Wij zullen nooit weten hoe groot die groep was, maar er waren mensen die niet onder de beoogde groep vielen en die dachten: misschien gaat dat pardon ook wel voor mij gelden. Dat effect was er zonder meer. Dus de mensen waarvan je medewerking aan terugkeer mocht verwachten, omdat zij de verblijfsvergunning na 1 april hadden aangevraagd, gaven niet altijd blijk van die medewerking. Last but not least wijs ik erop dat gemeenten en andere organisaties na jaren gevochten te hebben voor het pardon, ook niet de meest bereidwillige waren om mee te werken aan bijvoorbeeld ontruimingen en aan het uit huis halen van mensen om richting de vreemdelingenbewaring te gaan. Die atypische situatie hebben wij gelukkig achter ons gelaten. Ik meen dat het zaak is om nu aan de hand van de bevindingen van de commissie in aanmerking te nemen hoe wij ervoor staan.

Ik ben echt blij dat er een commissie is die integraal toezicht houdt op het terugkeerbeleid. Dat toezicht is goed en nodig. Met de bevindingen in dit jaarverslag kan ik ook wat. Wij hebben daarover gesprekken met de commissie gevoerd en daarbij de fase waarmee DT&V te maken had in aanmerking genomen. Alles wat is gezegd heeft op zijn minst een kern van waarheid. De ene keer wat meer dan de andere, maar de bevindingen van de commissie zijn door ons serieus genomen en hebben reeds tot actie geleid.

Inmiddels beschikken wij over meer cijfers dan die welke in dit jaarverslag staan. Bij de beoordeling van die cijfers gaat het natuurlijk om de vraag: waartoe leidt de vreemdelingenbewaring? Het gaat tenslotte om de resultaten en de echte vraag is dus: hoeveel mensen zetten wij de facto uit?

In de periode juli 2007 tot en met juni 2008 was dat circa 45% van de totale DT&V-uitstroom. Dat percentage geeft dus de daadwerkelijk verwijderde mensen weer, de mensen die dan wel zelfstandig zijn teruggekeerd dan wel zijn verwijderd. Bij dit percentage zijn de vreemdelingen die alsnog een rechtmatig verblijf kregen buiten beschouwing gelaten. Zij worden niet in aanmerking genomen bij het bepalen van het resultaat, terwijl zij eerst wel tot de caseload van DT&V behoorden. Van de vreemdelingen in vreemdelingenbewaring die in dezelfde periode het proces van bewaring verlieten, vertrok ongeveer 55% op aantoonbare wijze uit Nederland. Dat laatste zeg ik in antwoord op een vraag van de heer De Wit en mevrouw Azough.

De heer Spekman (PvdA): Ik begrijp het eerste getal niet.

De voorzitter: De staatssecretaris zei dat van de totale DT&V-uitstroom 45% vrijwillig of gedwongen retour is gedaan.

Staatssecretaris Albayrak: Ja, die hebben dus echt het land verlaten.

De heer Spekman (PvdA): Is dat het percentage van het absolute aantal dat in de caseload van DT&V zat? Dat kan bijna niet.

Staatssecretaris Albayrak: U weet dat wij met de rapportage van de vreemdelingenketen onderscheid maken tussen aantoonbaar vertrek en niet aantoonbaar vertrek. Het deel dat daadwerkelijk is vertrokken, het deel dat zelfstandig is teruggekeerd met de hulp van DT&V en IOM dan wel uitgezet, bedraagt 45%.

De heer Spekman (PvdA): Kunnen wij de cijfers op papier krijgen? Wilt u daarbij aangeven wat de totale caseload was, hoeveel mensen van die totale caseload zijn vertrokken en van hoeveel mensen wij met zekerheid weten dat ze naar het buitenland zijn vertrokken?

Staatssecretaris Albayrak: Jazeker. Volgende week krijgt u de eerstvolgende rapportage. vreemdelingenketen. Daarin staat een uitsplitsing van de aantallen.

De heer Van de Camp (CDA): Kunnen wij die cijfers voor 9 oktober krijgen? Ik voel er namelijk niets voor om op 9 oktober een debat te voeren over de terugkeer, terwijl de cijfers later komen. Ik spreek nu mede namens de heer Kamp.

Staatssecretaris Albayrak: Het onderwerp wordt geagendeerd voor de ministerraad van aanstaande vrijdag. De cijfers moeten daarna meteen naar de Kamer kunnen, dus aanstaande maandag en dat is voor 9 oktober.

De voorzitter: Wij noteren de toezegging van de staatssecretaris dat de eerstvolgende halfjaarlijkse ketenrapportage na aanstaande vrijdag meteen naar de Kamer wordt gestuurd.

Staatssecretaris Albayrak: Mag ik nog een slag om de arm houden? De ministerraad kan opheldering of wat dan ook willen. Als dat het geval is, kan de verzending nog een paar dagen duren. De heer Van de Camp weet als geen ander dat zoiets zich kan voordoen.

De heer Van de Camp (CDA): Maar dan stel ik voor dat wij alvast afzonderlijk de gevraagde cijfers krijgen. Die cijfers zullen later weer onderdeel uitmaken van de rapportage, want dat is de wens van de Kamer: niet steeds afzonderlijke brieven sturen, maar de gegevens met een rapportage verstrekken. Dat basisidee wil ik handhaven, maar ik voel er niets voor om op 9 oktober een verhaal te houden over de terugkeer en een dag later de cijfers te krijgen.

Staatssecretaris Albayrak: Prima. Het lijkt mij dan goed te stellen dat, mocht de ministerraad besluiten dat de rapportage vreemdelingenketen in de gepresenteerde hoedanigheid nog niet naar de Kamer kan, ik deze cijfers ten behoeve van de voortgang van het debat in ieder geval maandag de Kamer doe toekomen.

De voorzitter: Dat lijkt mij een goede toezegging, met dank aan de heren Spekman en Van de Camp.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Ik zei dat 55% van de mensen in vreemdelingenbewaring worden uitgezet. Dat cijfer is beïnvloed door de groep Chinezen die niet een anderhalf jaar geleden, zoals de heer De Wit zei, maar een half jaar geleden en wel in april van dit jaar, instroomde in de vreemdelingenbewaring.

De heer De Wit (SP): Ik had het over de totale uitstroming van de Chinezen in deze kabinetsperiode.

Staatssecretaris Albayrak: Dan wil ik iets zeggen over de strafrechtelijke vreemdelingen die na ommekomst van de straf uitgezet moeten worden. Zie het rapport VRIS. Het kan hierbij ook gaan om gewone criminele illegalen. Het cijfer dat de uitzettingen van die mensen weergeeft, is naar mijn mening een cijfer waarmee je echt voor de dag kunt komen. Het uitstroompercentage vanuit de DT&V van deze mensen bedraagt namelijk 70. Graag zou ik zeggen dat dit percentage hoger is dan in voorgaande jaren en een gevolg is van mijn aanpak en mijn prioriteitsstelling bij het verwijderen van criminele illegalen, maar een dergelijke uitspraak kan ik niet doen en wel vanwege het simpele feit dat in voorgaande jaren deze uitzettingen niet werden geregistreerd. Dat is een van mijn frustraties. Deze groep heb ik met prioriteit willen aanpakken, maar het was heel moeilijk om de stand van zaken weer te geven, om te bepalen of mijn aanpak had gewerkt en wat wij daar eventueel aan zouden moeten veranderen. Wij moesten dus bij nul beginnen, maar nogmaals, wij wilden uitzetting van deze groep prioriteit geven. Criminele illegalen geven namelijk het meeste overlast. De daadwerkelijke terugkeer van deze mensen heeft voor mij dus de hoogste prioriteit en ik meld dan dat 70% van bedoelde groep in de periode waarvan ik net verslag deed, juli 2007 tot en met juni 2008, is uitgezet.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Ik wil niet zeuren over de cijfers, maar het gaat hier vooral om de cijfers die de daadwerkelijke terugkeer weergeven. Stel dat de vreemdelingenpolitie vijftien mensen op de korrel heeft die illegale veelplegers zijn. Als van die vijftien vier zijn teruggekeerd, hoe worden die andere elf dan weergegeven?

Staatssecretaris Albayrak: Van het aantal mensen dat met de VRIS-aanpak in de caseload van DT&V terecht is gekomen, is 70% daadwerkelijk uitgezet. Ik wil hier nog iets aan toevoegen en iets zeggen over de aanpak. Ik zei al dat het voor mij heel erg belangrijk is dat wij tijdens het perfectioneren van de Dienst Terugkeer en Vertrek vooral rekening houden met de geluiden uit de praktijk. In de gesprekken met de KMar en de Vreemdelingenpolitie kwamen feiten aan het licht die mij aanleiding gaven om mij af te vragen of wij niet anders konden optreden. Twee, drie keer per jaar voer ik zo’n gesprek met vertegenwoordigers van de politie en de KMar en daarbij gaan wij na hoe de samenwerking met de DT&V is. Dan komen de meest praktische oplossingen of drempels aan de orde. Neem je de drempels weg, dan blijken de cijfers op zeer korte termijn te beïnvloeden. Ik druk mij voorzichtig uit, want wij hebben nog maar een eerste meting uitgevoerd aan de hand van de registratie die wij tegenwoordig doen. Er wordt nu dus genoteerd hoeveel criminelen in de caseload komen, wat daarmee wordt gedaan, hoeveel er worden uitgezet en hoeveel er ongewenst zijn verklaard. Over dat aspect heeft de heer Teeven van de VVD-fractie een VAO aangevraagd dat gisteren is gehouden. De heer Teeven diende een motie in en ik heb gezegd dat de uitspraak van de Kamer een ondersteuning van mijn beleid was. Het ging daarbij om het intensiveren van het gebruik van het instrument van de ongewenstverklaringen. Dat instrument zou vaker gebruikt moeten worden om vaker tot daadwerkelijke uitzetting te komen.

Gelet op de aanloopproblemen en de meer structurele problemen bij de behandeling van het terugkeerdossier ben ik over het totale effect niet ontevreden. Met name denk ik dan aan de categorie mensen in vreemdelingenbewaring en de categorie van de strafrechtelijke detentie. Ik hoop dat wij de komende tijd aan de hand van de registratie gunstige cijfers kunnen laten zien.

De heer Kamp en mevrouw Azough verwezen naar conclusie 8 van de CITT. Daarin staat: «Het effect en de effectiviteit van het terugkeerbeleid kan nog onvoldoende worden afgemeten aan de hand van de in de rapportage vreemdelingenketen gepresenteerde terugkeercijfers». Het is van belang in aanmerking te nemen dat wij bezig zijn met een nieuwe methodiek. Die zal vanaf 1 januari 2009 ertoe moeten leiden dat gebeurt wat de Kamer en ik willen, namelijk dat zowel de beleidsdoelstellingen als de uitvoering en de effecten beter meetbaar zijn. Op 1 januari 2009 gaan wij het meerjarig beleidskader implementeren voor de gehele vreemdelingenketen. Dan gaan wij de doelstellingen van de vreemdelingenketen vertalen naar een doelstelling per ketenpartner. Voor zover dat mogelijk is doen wij dat al met de rapportage vreemdelingenketen, mede naar aanleiding van opmerkingen van de Kamer. Zij heeft al eerder gezegd dat met die rapportage veel beter de effecten van het werk van de vreemdelingenketen te zien moeten zijn. Met ingang van 2009 zal dat algemene beleidskader voor de vreemdelingenketen de basis vormen voor de rapportage vreemdelingenketen. Vanaf dat moment zal worden gerapporteerd over niet alleen de beleidsdoelstellingen, maar ook over de uitvoering en de effecten.

De heer Spekman zei dat een persoon die in vreemdelingenbewaring wordt gesteld niet altijd de gelegenheid krijgt om zijn bezittingen mee te nemen. Ik moest eerst nadenken en vroeg mij af wat hij precies met deze opmerking bedoelde. Ik sluit niet uit dat het een enkele keer voorkomt dat iemand zijn bezittingen niet mee kan nemen als hij op stel en sprong in vreemdelingenbewaring wordt gesteld. De heer Spekman roept nu wel dat hetgeen waar hij op wees, in de stukken staat, maar ik kom zelf ook wel eens ergens. Ik zie dan die grote kamers op de detentielocaties voor vreemdelingen. Daar staan koffers en dozen met persoonlijke bezittingen die de mensen hebben meegenomen. Verder wijs ik erop dat bezoek mogelijk is. Dus als iemand om welke reden dan ook zijn bezittingen niet mee kan nemen als hij in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, kan iemand anders die alsnog naar de detentielocatie brengen. In beginsel krijgt de vreemdeling 24 uur voor de uitzetting te horen dat hij wordt uitgezet. Er kan telefonisch contact gelegd worden met familie, partners et cetera. Meestal wordt bezorging gefaciliteerd als er nog spullen zijn die met de vreemdeling mee moeten. Bovendien moet men in aanmerking nemen dat die vreemdeling een proces heeft doorlopen voordat hij in vreemdelingenbewaring komt en voordat die laatste 24 uur aanbreekt. Dus de uitzetting zal voor de vreemdeling nooit een donderslag bij heldere hemel zijn. Soms is aan de uitzetting een proces van jaren voorafgegaan en weet de desbetreffende persoon al jaren dat uitzetting dreigt. Verder wijs ik erop, dat alle detentielocaties reguliere bezoekregelingen kennen. Afscheid nemen van dierbaren in Nederland is mogelijk. Bagage meenemen kan altijd. U weet dat bij vervoer door de lucht het gewicht van de bagage aan een maximum aantal kilo’s is gebonden. Voor de uit te zetten vreemdeling is dat aantal niet anders.

De heer Van de Camp sprak over het toezicht door de CITT op diplomatieke vertegenwoordigingen van andere landen. Ik hoop dat de heer Van de Camp niet vindt dat de commissie toezicht moet houden op het functioneren van ambassades. Zover gaat onze bevoegdheid ook niet en wat sommige gevallen betreft, zeg ik: helaas. Ik ga daar dus niet over en ik meen dat de commissie de diplomatieke vertegenwoordigingen niet op de manier die de heer Van de Camp bedoelde kan controleren. Het is ook weer niet zo dat de commissie helemaal niets kan doen. In 2008 is de Kamer Terugkeerfaciliteiten van de commissie operationeel geworden en die kan mogelijkerwijs nagaan hoe het staat met het laissez-passerproces en de rol die buitenlandse vertegenwoordigingen daarbij spelen. Ik kan mij voorstellen dat als de ambassades of de consulaten ermee instemmen, de commissie gesprekken voert met betrokkenen. Waar dat dan toe leidt, zullen wij wel zien, maar ik kan mij voorstellen dat de bevindingen van de Kamer Terugkeerfaciliteiten van de CITT in het jaarverslag 2008 worden opgenomen.

De voorzitter: Voor het verslag, mevrouw Azough heeft de vergadering verlaten.

Staatssecretaris Albayrak: Wat betreft de samenwerking met de herkomstlanden wijs ik op de asielbrief die ik volgende week met de Kamer bespreek.

De heer Spekman vraagt naar de schrijnendheid en of de terugkoppeling van dossiers door de DT&V naar de IND gebeurt zoals bedoeld is en of met name de dossiers die als schrijnend beoordeeld zijn worden terugverwezen naar en worden overgenomen door de IND. De beoordeling op schrijnendheid is eigenlijk een beoordeling op toelating. Dat is dus de verantwoordelijkheid van de IND. Die blijft te allen tijde verantwoordelijk voor een totaalafweging van toekenning van verblijf. Wat in de praktijk kan gebeuren is dat bij het uitoefenen van de werkzaamheden, in welk stadium dan ook, de regievoerder kan stuiten op in zijn ogen schrijnende omstandigheden. Op dat moment worden die omstandigheden bij de IND gesignaleerd. Die instructie krijgen de DT&V-medewerkers uitdrukkelijk.

Een voorbeeld hiervan is de laatste check voordat iemand gaat vliegen. Ik doel op «fit to fly». Is iemand medisch gezien op dat moment in staat om te vliegen? Als daarvoor nader onderzoek nodig is, komt dat er ook. Het gaat uiteraard om situaties of gebeurtenissen die voor het eerst aan de orde komen nadat de vreemdeling feitelijk verwijderbaar is geworden en er geen toelatingsprocedures meer lopen bij de IND. Gelet op de doorlooptijden kan men zich voorstellen dat er in de tussentijds nog wel eens wat verandert. Ik vind het belangrijk dat ook in het laatste stadium door de DT&V wordt gekeken of zij of de regievoerders zaken zien die duiden op schrijnendheid. Een en ander gebeurt op eigen initiatief door de behandelende DT&V-ambtenaar. Informatie kan ook door derden worden ingebracht. Het COA doet dat regelmatig. De gemeenten doen het ook. De informatie kan van verschillende zijden komen. Het signaleren en constateren is aan de DT&V-ambtenaar.

De heer Spekman vraagt of de DT&V voldoende capaciteit heeft voor de caseload. Op dit moment is er voldoende capaciteit om te werken aan «case by case»-terugkeer. Als hij vraagt of er achterstanden zijn ontstaan door de opstartproblemen dan is het antwoord «nee». Wel is er druk op de capaciteit gekomen, waardoor ook de intensiteit van het casemanagement onder druk kwam te staan. Om die intensiteit te verhogen, hebben wij extra medewerkers aangetrokken die nu geleidelijk bij de DT&V instromen.

De heer Van de Camp vraagt over de aanloopproblemen een reactie op de bevindingen van de commissie, met name dat de problemen hebben geleid tot opheffen van vreemdelingenbewaring. Het klopt dat de DT&V vanwege de aanloopproblemen in enkele gevallen de vreemdelingenbewaring heeft opgeheven. Dat is soms gebeurd door de rechtbank en soms door DT&V zelf. In het kader van de vreemdelingenbewaring dient de DT&V te allen tijde een belangenafweging te maken tussen de individuele belangen van de vreemdeling en het belang van de Nederlandse overheid. Dat is het zogeheten zicht op vertrek, dat bij de Kamer bekend is. Het kan in individuele gevallen voorkomen dat het belang van een individuele vreemdeling zwaarder weegt. Daardoor kan de dienst besluiten om de vreemdelingenbewaring op te heffen. In dat kader kan de voortgang bij de voorbereiding van de uitzetting meewegen, de medewerking van de individuele vreemdelingen, aspecten van openbare orde, de duur van de vreemdelingenbewaring en uiteindelijk of er met dit alles zicht is op uitzetting. Het afwegen door de Nederlandse overheid van belangen in het kader van de vreemdelingenbewaring is wat mij betreft een vorm van behoorlijk bestuur. Wij zullen dat in de toekomst zo blijven doen. Dat gezegd hebbend, doet dit natuurlijk niets af aan onze inspanningen om deze drempels voor uitzetting weg te nemen. Ook dit onderdeel zal ik volgende week, naar aanleiding van de asielbrief, nader met de Kamer bespreken.

De heer Kamp en mevrouw Azough vragen naar juridische knelpunten bij de bevoegdheden van de DT&V-medewerkers. Wij hadden vrij snel door dat de gedetacheerde politiemedewerkers en de medewerkers van de marechaussee hun bevoegdheden als hulpofficier van justitie niet mogen uitoefenen. Het gaat met name om de bevoegdheden tot omzetting en de opheffing van de vreemdelingenbewaring. Dat is in ons rechtssysteem voorbehouden aan de hulpofficier van justitie. Met de politie en de marechaussee hebben wij inmiddels afspraken gemaakt over de beschikbaarheid van hulpofficieren voor de DT&V. Voor alle DT&V-locaties geldt dat er op afroep hulpofficieren beschikbaar zijn. In de aanloopfase zijn er absoluut knelpunten geweest bij de beschikbaarheid. Op dit moment zijn de gemaakte afspraken echter werkbaar. Wij blijven in kaart brengen of de beschikbaarheid van hulpofficieren ons belemmert bij ons werk. Daarvoor bestaat permanente aandacht.

De heer Kamp en de heer Van de Camp vragen beiden of het niet mogelijk is om meer uit te zetten zonder documenten. Er zijn voorbeelden van landen die dat vaker doen. Het is een mogelijkheid als de vervoerders, de luchtvaartmaatschappijen, het geen probleem vinden dat iemand zonder documenten meevliegt. Zweden en Duitsland zijn genoemd. Die hebben ervaring met het uitzetten van mensen zonder documenten. Mensen worden echter ook vaak teruggestuurd. Het uiteindelijke effect moet dus nader bekeken worden, of het de facto betekent dat uitgezette mensen worden toegelaten in het land waar zij naartoe gaan. Ik vind het interessant om nader in dit onderwerp te duiken en te bezien of wij wel voldoende risico nemen. Daar gaat het om. Wij boeken een vlucht, kijken of het kan zonder documenten en moeten dan accepteren dat mensen soms teruggestuurd worden door de het land van herkomst.

De heer Kamp (VVD): Het kan ook dat Nederland een eigen vlucht organiseert. Wij beschikken over vliegtuigen. Vliegtuigen kunnen ook ingehuurd worden. Zo heb je geen problemen met een luchtvaartmaatschappij.

De heer Spekman (PvdA): Ik verkeer in de veronderstelling dat Nederland dit al doet. Vanochtend bij de rondetafelbijeenkomst kwam aan de orde dat van deze mogelijkheid al gebruik wordt gemaakt. De vraag is in hoeverre van die optie gebruik wordt gemaakt en of dat genoeg is. Hoe vaak gebruiken wij die optie?

De heer Van de Camp (CDA): In de laatste pagina’s van de illegalenbrief, die wij ook volgende week bespreken, wordt verwezen naar de Duitse wetgeving. Is het niet mogelijk om de Kamer nader te informeren over de Duitse ervaringen op dit punt? De Duitse wet kent zes mogelijkheden, waaronder verwijdering zonder papieren op basis van de openbare orde. Het moet toch mogelijk zijn om even bij de Duitse collega’s te informeren over wat wel en wat niet kan? Ik ben zeer content met de opmerking van de staatssecretaris dat wij op dit punt iets meer risico zouden kunnen nemen.

Staatssecretaris Albayrak: Als u zich bewust bent van de risico’s, is dit zeker iets dat wij kunnen verkennen. De heer Van de Camp verwijst naar de EU-staat. Als er geen documenten van de ambassade verkregen worden, kan iemand met een EU-staat uitgezet worden. Er zijn landen die dat accepteren. Er zijn ook landen die dat niet accepteren. Bij Burundi, Afghanistan, Irak en Kosovo maken wij al gebruik van dat EU-document. Dat zijn voorbeelden van landen waar wij uitzetten met een dergelijk document.

De heer Van de Camp merkt terecht op dat wij niet afhankelijk zijn van de luchtvaartmaatschappijen. Met grote regelmaat organiseren wij zelf vluchten, zogeheten regeringsvluchten. Het komt gelukkig ook steeds vaker voor dat dit gebeurt in Europees verband. In verschillende Europese landen worden dan mensen opgehaald, of worden mensen aangeboden voor een vlucht die bijvoorbeeld vanuit Engeland wordt georganiseerd. Het gaat dus niet alleen om Nederlandse regeringsvluchten, maar ook om vluchten van andere regeringen in Europa. Als zij een vlucht organiseren, proberen wij daarbij aan te haken.

De heer Spekman en mevrouw Azough vragen wat wij in het algemeen met de aanbevelingen hebben gedaan. Ik begrijp daaruit dat het in de reactie niet duidelijk is wat precies overgenomen is en wat niet. Wij zullen bekijken hoe wij het bij de reactie op een volgend jaarverslag inzichtelijker kunnen opschrijven. Misschien moet het per conclusie en aanbeveling, zoals gebruikelijk is bij bijvoorbeeld rapporten van de Ombudsman. Dat ter verbetering van de duidelijkheid een volgende keer. Ik heb overigens in de aanbiedingsbrief geschreven dat ik alle relevante aanbevelingen overneem. Er zijn redenen om sommige aanbevelingen niet of niet geheel over te nemen. Dat is omdat die bijvoorbeeld al op een andere wijze in al bestaande trajecten worden ondervangen. Uiteraard communiceren wij daarover met de commissie. Het gaat bijvoorbeeld om verbetering van de ketenrapportage, waarnaar ik zo-even verwees, de afspraken over prestatie-indicatoren en de maatregelen ter vergroting van de effectiviteit van het terugkeerbeleid in het algemeen. Ik noem daarbij de uitbreiding van de mogelijkheden tot terugkeerondersteuning. Soms kleven er aan de uitvoering van aanbevelingen juridische haken en ogen, waardoor andere dan de door de commissie voorgestelde oplossingsrichtingen onderzocht moeten worden. Soms zijn wij het dus gewoon met de conclusie of de manier van denken eens, maar is de oplossing die wordt aangedragen niet de oplossing waarvoor wij op dat moment kunnen kiezen. Een van de meest concrete voorbeelden daarvan is de oplossing om DT&V-medewerkers de bevoegdheden van hulpofficier van justitie te geven. Dat daar een juridisch vraagstuk aan kleeft, mag duidelijk zijn. Ik hoop in het algemeen met de commissie en met de Kamer, als het gaat om het jaarverslag over 2008, een ander type gesprek te voeren. De opmerkingen over vooral de aanloopfase, de opbouwfase en de kinderziekten hoop ik achter mij te laten. Ik hoop meer te spreken te komen over wat het toezicht op het terugkeerproces oplevert.

De heer De Wit (SP): Het is bijna eind 2008. Begrijp ik goed dat de staatssecretaris alle aanbevelingen serieus heeft genomen? Dat zou passend zijn. Er is immers het nodige door de Kamer naar voren gebracht. Kan de staatssecretaris nu ook al zeggen dat het beter gaat op de punten die door de commissie zijn genoemd? Zijn er dingen veranderd en zijn de problemen opgelost? Daar moet de staatssecretaris toch zicht op hebben? Zij moet daar toch iets over kunnen zeggen.

Staatssecretaris Albayrak: Als het gaat om de coördinerende taak van DT&V, afstemming met de andere ketenpartners, registratie, transparantie, het combineren van de coördinerende taak en de uitvoering door een en dezelfde casemanager, durf ik te zeggen dat het beter gaat dan in de verslagperiode van de commissie. Die periode, waarin de commissie terecht tot haar conclusies kwam, ligt al enige tijd achter ons. Ik hoop dat de commissie daar ook aanleiding voor vindt om dit te constateren in het jaarverslag over 2008. Ik ga ervan uit dat de commissie naleving en opvolging van wat ik aankondig en overneem zal toetsen.

De heren De Wit en Spekman en ook mevrouw Azough vragen naar het eindverslag van de Commissie van Toezicht Uitzettingen Koninklijke Marechaussee. Men vindt het onduidelijk wat er met de aanbevelingen is gedaan. De Kamer is ruim een jaar geleden, op 28 augustus 2007, door de minister van Defensie geïnformeerd over de uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie van Toezicht Uitzettingen Koninklijke Marechaussee. Het ging toen over het vermeend gebruik van geweld. De minister van Defensie heeft in oktober 2007 een aantal aanvullende vragen van de vaste Kamercommissie van Defensie beantwoord. De minister van Defensie heeft de uitvoering van een groot deel van deze aanbevelingen en van de aanbevelingen uit het eindverslag van de Commissie van Toezicht Uitzettingen Koninklijke Marechaussee ter hand genomen. Dat is gebeurd op initiatief van de Kamer en de Commissie van Toezicht Uitzettingen Koninklijke Marechaussee. Naar aanleiding van de schriftelijke vragen heeft de minister van Defensie in oktober 2007 toegezegd de Kamer schriftelijk te informeren over het onderzoek naar een adequate reactie op schreeuwen, spugen en bijten door vreemdelingen die worden uitgezet. De Kamer wordt hierover nog dit najaar geïnformeerd, zo heeft de minister van Defensie mij laten weten.

Er is gevraagd naar de aanbevelingen over invoering van de BodyCuff. Dat is een Frans attribuut. Ik kan melden dat de BodyCuff en de bijtbestendige handschoenen waarover ook is gesproken inmiddels zijn aangeschaft.

De voorzitter: Wij zullen de Franse ambassade niet verklappen dat u een Frans attribuut een Engelse naam geeft.

Staatssecretaris Albayrak: Ik wil wel zeggen wat het kan. Men moet zich voorstellen dat het voorzien is van riemen. Het geeft volledige bewegingsvrijheid aan een vreemdeling, maar als het nodig is kunnen de riemen aangespannen worden, waardoor de bewegingsvrijheid wordt beperkt. Specifieke vragen over de uitvoering van de aanbevelingen van deze commissie zal ik uiteraard doorgeleiden naar de minister van Defensie en die samen met hem schriftelijk beantwoorden.

De toezegging van de minister van Defensie dat de Kamer nog dit najaar een brief krijgt, dateert van 29 augustus.

Er is gevraagd naar de Rotterdamse aanpak. In een samenwerkingsverband tussen politie en DT&V wordt in een persoonsgerichte aanpak extra inzet gepleegd op terugkeer van overlast veroorzakende illegale vreemdelingen. De politie noemt deze aanpak ook wel pga. Ik heb daarover gesproken met de Rotterdamse politie. Deze aanpak is in de zomer van 2008 van start gegaan. De kern is het volledig uitrechercheren van alle aanknopingspunten die kunnen leiden tot vaststelling van de identiteit. Inmiddels heeft de politie ruim 30 zaken overgedragen aan de DT&V. Het gaat daarbij om de harde kern van draaideurcriminelen en illegale overlastgevers. De voortgang wordt zowel bij politie als DT&V bewaakt. Ik heb gezegd middels de gesprekken die ik een paar keer per jaar met al deze organisaties voer, zelf toezicht te houden op de voortgang. Het is nog enigszins te vroeg om de resultaten met de Kamer te kunnen delen.

Inmiddels kunnen door alle politiekorpsen pga-zaken aangeleverd worden. Men heeft van kleine en grote korpsen al wat zaken gekregen. De vier grote steden zijn hoofdleverancier van pga-dossiers.

De heer Van de Camp vraagt naar de groepsuitzettingen. Klopt het dat het aantal is gedaald en zo ja, wat zijn daarvan de oorzaken? Groepsuitzetting is geen doel op zich, maar is een van de instrumenten als bepaalde nationaliteiten in zulke grote aantallen aanwezig zijn dat die niet eenvoudig met reguliere vluchten vertrekken kunnen. Deze situatie heeft zich voorgedaan bijvoorbeeld als gevolg van de toetreding van een aantal Oost-Europese landen, zoals Roemenië en Bulgarije. Voorts kan ik melden dat ik steeds meer werk met een Europese aanpak. Ik stem met landen af. Inmiddels vragen landen in de JBZ-vergaderingen mij of ik nog mensen van een bepaalde nationaliteit in het aanbod terugkeerders heb omdat die landen terugkeervluchten gepland hebben op een bepaalde datum. Wij hebben eerder goede ervaringen gehad met Luxemburg. Wij zijn zeker in Benelux-verband van plan om dit steeds vaker te doen.

Ik denk dat ik hiermee, zeker in eerste termijn, redelijk volledig ben geweest.

De voorzitter: Ziet er nog iemand aanleiding om iets te zeggen in tweede termijn? Ik geef de leden in overweging om dat in twee minuten te doen.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. Dat zal mij niet geheel lukken. Ik doe echter mijn uiterste best.

In de eerste plaats hartelijk dank voor de wederom heldere beantwoording van deze staatssecretaris. Ik denk dat het goed is dat wij een momentopname hebben gekregen van de start van DT&V en de stand van zaken bij DT&V. Wellicht waren wij indertijd zo blij dat DT&V er kwam dat de verwachtingen te hoog gespannen waren. Met wat de staatssecretaris ons vandaag heeft aangereikt, zijn de verwachtingen, zo zeg ik tegen de heer Kamp, wederom bevestigd. Dat wil overigens niet zeggen dat ik geen zorgen heb over het geheel. Ik mis een antwoord op mijn vraag over de gemeenten en het generaal pardon. Ik koppel daar direct de lto’s aan.

Staatssecretaris Albayrak: U bent niet de enige die daarnaar heeft gevraagd. Die vraag heb ik nog niet beantwoord. Ik doe dat in tweede termijn.

De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. Nog even wat de cijfers betreft. Wij zijn het toch met elkaar eens dat het gaat om gedwongen of vrijwillig vertrek uit Nederland? Het gaat dus niet om mob’ers. Daarover moet geen misverstand bestaan. Ik wil dat hier helder kunnen concluderen.

Ik wil ook nog wat vragen over de werkwijze. Eigenlijk mag je daar als Kamerlid niet naar vragen, maar het interesseert mij wel. Er kan heel veel energie gestopt worden in de oude gevallen en de nieuwe gevallen oud laten worden. Er kan ook behoorlijk wat energie gestopt worden in de nieuwe gevallen, daarmee voorkomend dat het oude gevallen worden, terwijl andere oudere gevallen daardoor misschien wat langer moeten wachten. Deze vraag is op het randje. Ik weet het. Ik bemoei mij een beetje met de uitvoering van beleid. Ik moet dit echter soms uitleggen op spreekbeurten. Het is dus wel fijn als ik het weet!

Dan de EU-staat. Ik heb het toch goed begrepen dat als wij praten over uitzetten zonder documenten, zoals door Duitsland en Zweden, de betrokken mensen geen EU-staatpapieren hebben?

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Ik heb de staatssecretaris horen zeggen dat, afgezet tegen de knelpunten die de commissie constateert, het nu beter gaat en dat het daadwerkelijk verbeterd is. Wij zitten nu bijna aan het einde van 2008. Dat betekent in ieder geval dat de staatssecretaris ook in de gaten moet houden dat de commissie dit ook gehoord heeft en dit ongetwijfeld in het rapport over 2008 zal meewegen. Wij zullen dit met belangstelling volgen.

Een ander punt betreft de cijfers over de vreemdelingenbewaring. De staatssecretaris zegt te constateren dat 55% van de mensen in vreemdelingenbewaring vertrokken is. Mijn cijfers over 2007, gekregen van de staatssecretaris, wijzen uit dat in dat jaar 50% niet vertrokken is. Dat is een vooruitgang van ongeveer 5%, van 45% naar 50%. Het aantal mensen dat niet is vertrokken, is dus iets minder geworden. Of begrijp ik dat verkeerd? De staatssecretaris zegt dat nu 55% vertrokken is. Voorheen was dat 50%. Daar zit een kleine vooruitgang in. Het betekent in ieder geval dat de vreemdelingenbewaring voor een heel groot probleem zorgt, gezien het aantal mensen dat niet vertrekt uit die bewaring. Daarbij speelt de kwestie van de bereidheid van herkomstlanden. Daar zullen wij het de volgende keer ongetwijfeld ook over hebben. Hierbij speelt ook de vraag of vreemdelingenbewaring niet te snel wordt opgelegd. Kan het niet zijn dat als dit niet lukt, het buitenschuldcriterium toegepast moet worden? De staatssecretaris is er niet op ingegaan of dit geen punt is waar meer naar gekeken moet worden. Zo kan een oplossing gevonden worden voor die gevallen die vanmorgen bij het rondetafelgesprek als voorbeeld dienden. Daaruit blijkt dat het buitenschuldcriterium niet voldoende toegepast wordt waar dat mogelijk is.

De heer Van de Camp (CDA): Dit punt boeide mij ook al in de eerste termijn van de heer De Wit. Waarop is zijn redenering gebaseerd dat als iemand niet kan worden uitgezet na vreemdelingenbewaring, die in aanmerking moet komen voor een buitenschuldverklaringvergunning? Je kunt toch ook besprekingen beginnen met het land van herkomst of een relatie leggen met ontwikkelingssamenwerking of economische zaken? Waarop is gebaseerd dat iemand die niet terug kan voor een vergunning in aanmerking moet komen?

De heer De Wit (SP): Dat is nergens op gebaseerd. Dat heb ik ook niet gezegd.

De heer Kamp (VVD): Er bestaat ook nog de mogelijkheid dat iemand niet uitgezet kan worden omdat die niet meewerkt.

De heer De Wit (SP): Ik heb het volgende gezegd. Ingeval van mensen die vanuit de vreemdelingenbewaring niet uitgezet kunnen worden en die dus op straat terechtkomen, kan dat komen omdat het land van herkomst niet meewerkt, omdat de uitgeprocedeerde asielzoeker niet meewerkt of omdat er nog niet voldoende pogingen zijn ondernomen en de rechter er een einde aan maakt. Dat wil niet zeggen dat in alle gevallen het buitenschuldcriterium toegepast moet worden. Vanochtend hebben wij echter gehoord hoe sommige mensen van hot naar haar gesleept worden, langs alle ambassades, en er ondanks de bereidheid tot terugkeer geen mogelijkheid is om de vereiste papieren te krijgen of toestemming of wat dan ook. In dat geval pleit ik ervoor om het buitenschuldcriterium toe te passen. Er is in dit geval dus bereidheid van de asielzoeker om mee te werken, maar die krijgt geen medewerking of toestemming. Geen carte blanche dus voor het buitenschuldcriterium, maar toepassing waar daadwerkelijk sprake is van een gerechtvaardigde situatie.

Ik constateer dat de minister in oktober 2007 heeft toegezegd voor de zomer van 2008 een nader rapport te sturen over het rapport van de KMar. Heb ik goed begrepen dat de staatssecretaris zegt dat alle aanbevelingen van dat rapport nageleefd worden en omgezet in verbeteringen waar dat kan? Graag helderheid daarover.

De heer Kamp (VVD): Ik heb de staatssecretaris horen zeggen dat er in een aantal gevallen redenen waren om het niet te doen. Die aanbevelingen zouden op andere wijze zijn ingevuld of men was van mening dat het niet goed was om die aanbevelingen over te nemen.

De heer De Wit (SP): Kan de staatssecretaris dat bevestigen?

Staatssecretaris Albayrak: Het merendeel.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Ik ben onder de indruk van de cijfers. Laat ik dat eerlijk zeggen.

Ik dank de staatssecretaris voor haar antwoorden. Het ging vandaag allemaal over hoe wij het proces kunnen verbeteren. Wij zijn er allemaal van overtuigd dat er, om het asielbeleid in stand te houden, sprake moet zijn van terugkeer. Daarbij is voor mij de eerste prioriteit dat criminele illegalen moeten terugkeren en niet keer op keer op straat terecht moeten komen. Voor het draagvlak, maar ook voor de leefbaarheid in de steden en in sommige dorpen, is dit cruciaal. Als het cijfer van 70% juist blijkt te zijn, is dat goed. Ik wil daar wel meer over weten. Ik realiseer mij dat het morgen in het kabinet besproken wordt. Ik wil er echter wel wat meer over weten. Ik wil weten hoe het in elkaar zit. Neem het voorbeeld van Den Haag. Vier illegale veelplegers zijn uitgezet. Dat is geweldig. Het waren echter vier van de vijftien mensen die werden gevolgd, op een totale doelgroep van 50 à 60 mensen. Welke mensen worden nu meegenomen in het VRIS? Kan daarmee verbetering worden verwacht? Heeft dat ook betekenis voor de capaciteit? De politie zegt maar een team van vier mensen te hebben, wat betekenis heeft voor de hoeveelheid mensen die het aan kan. Als wij hiermee doorgaan, maken wij immers daadwerkelijk succes van mensen die zo’n verschrikkelijke overlast veroorzaken in onze steden. Uiteindelijk moet het daarom te doen zijn.

De heer Kamp (VVD): Voorzitter. Enkele opmerkingen nog van mijn kant. De staatssecretaris zegt dat het uitzetten zonder papieren al gebeurt. Misschien is er sprake van een misverstand bij de commissie. Die schrijft immers dat overwogen kan worden om het te gaan doen. Ik wil graag van de staatssecretaris weten sinds wanneer en in welke aantallen dit gebeurt. Ik doel dan op het uitzetten van mensen zonder papieren. Op bladzijde 8 van het rapport schrijft de commissie dat overwogen zou kunnen worden om dat te gaan doen.

Ik vraag de staatssecretaris tevens in te gaan op de stelling van de commissie, die op twee plaatsen in het rapport wordt verwoord, dat de gemeenten de opvang niet beëindigen voor mensen die uitgeprocedeerd zijn en uitgezet moeten worden. Een aantal gemeenten werkt daaraan niet mee. Wat is daarbij de situatie op dit moment?

Door de heer Van de Camp en mijzelf is gevraagd hoe het zit met de mensen die tot op het allerlaatste moment herhalingsaanvragen blijven indienen om zo hun uitzetting te voorkomen. Welke mogelijkheden heeft de staatssecretaris om daaraan een einde te maken? Ik heb zelf de mogelijkheid genoemd om te volstaan met één asielaanvraag.

Ik ben erg benieuwd naar het antwoord op de vraag van de heer Spekman over ongedocumenteerde, illegale, criminele veelplegers. Alleen in Den Haag zijn dat er al 50. De politie heeft er vijftien op de korrel genomen. Vier daarvan zijn uitgezet. Dat is voor Den Haag een percentage van 8. Hoe kan het percentage voor geheel Nederland dan 70 zijn?

De heer Spekman (PvdA): Een nuancering is hier op zijn plaats. In de vorige periode was het percentage vele malen lager. Toen was het nul. Er werd geen enkele veelpleger uitgezet.

De heer Kamp (VVD): Ik weet niet waarop de heer Spekman dat baseert. Ik heb de staatssecretaris horen zeggen dat zij niet over cijfers over die periode beschikt. De vertaling van de heer Spekman dat het er dus nul zijn, is een vrijmoedigheid die hij nog hard moet maken.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Ik heb gezegd dat het percentage dat ik gaf, 70% criminelen die zijn uitgezet op de totale caseload van DT&V, niet goed te vergelijken is met voorgaande jaren. De registratie ontbreekt.

De heer Van de Camp vraagt naar de medewerking van de gemeenten. Anderen stelden ook de vraag of de gemeenten bereid zijn om, conform de afspraak, de noodopvang te beëindigen. Klopt het dat zij in ruil daarvoor van mij een sluitende aanpak verwachten bij de opvang van rechtmatig verblijvenden? Over dit onderwerp spreken wij indringend in elk bestuurlijk overleg met de VNG. Ik heb vanaf het begin gezegd dat een sluitende aanpak niet mogelijk is. Ik blijf dat herhalen. De enige en eindverantwoordelijke voor het terugkeerproces is de vreemdeling zelf. Op het moment dat een vreemdeling, na langdurige en zorgvuldige procedures, zegt mee te werken aan terugkeer, mag het antwoord niet zijn dat wij die mensen tot het einde der dagen opvangen. Dat zou de prikkel om mee te werken wegnemen. Ik heb echter gezegd te kijken naar de groep rechtmatig verblijvenden om te bezien of er mensen tussen zitten die wij mogelijk wel kunnen opvangen. Wie de asielbrief leest, die wij volgende week bespreken, ziet dat ik de gemeenten heel erg tegemoet ben gekomen. Bovendien heeft de VNG er in bestuurlijk overleg met mij begrip voor getoond dat een 100% sluitende aanpak niet mogelijk is. Men heeft dat onderstreept. Inmiddels zien wij tot mijn genoegen dat een aantal gemeenten over is gegaan tot beëindiging van noodopvang, in ieder geval tot financiering daarvan. Vaak komen zij toch nog weer bij mij met de vraag of het niet mogelijk is om een enkeling die overblijft op te vangen. Ik verwijs dan naar de gemaakte afspraken. In het algemeen heb ik geen reden om ongelukkig te zijn over de medewerking van de gemeenten. Die participeren actief in het lokaal terugkeeroverleg met de DT&V. Zij zijn zelf erg te spreken over de manier van communiceren. Op het moment dat er een voornemen is om iemand uit de opvang te plaatsen, neemt de DT&V daarover nauw contact op met de gemeente. Zo ontstaan er geen humanitaire noodsituaties en is de assistentie van de gemeente goed en op tijd geregeld. De praktijk stemt mij dus niet ontevreden op dit punt, zeker niet. De hakken van de gemeenten zijn redelijk uit het zand. Ik sluit niet uit dat er een keer een gemeente opstaat die aandacht vraagt voor een volgens hen ontstane humanitaire noodsituatie. De uitgangspunten zijn duidelijk. Ik blijf het ook herhalen. Als het landelijk beleid blijft dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor terugkeer mag dat terugkeerbeleid niet gefrustreerd worden door gemeenten die met lokale argumenten alsnog in de opvang van mensen voorzien. De afspraak is om eind 2009, begin 2010 de noodopvang van de pardonners te beëindigen. Het gaat redelijk goed. Wij houden de vinger aan de pols. Sommige gemeenten hebben het al ver voor die tijd afgerond.

De heer Van de Camp vraagt naar de Zweedse methode. Dat is er inderdaad een zonder documenten en zonder EU-staat. Ik heb al gezegd dat dit gepaard gaat met een risico. Ik zal met zowel Duitsland als Zweden contact opnemen over hun ervaringen. Ik wil ook weten of veel van die mensen niet linea recta terug worden gestuurd. Ik heb er geen belang bij om de vertrekcijfers op te pompen, terwijl zus en zoveel procent meteen met de volgende vlucht terugkomt omdat zij niet toegelaten wordt. Ik heb er geen belang bij om de Kamer een rad voor de ogen te draaien. Ik weet ook niet of dit het geval is in die landen. Ik zal navraag doen naar de daadwerkelijke effecten en of mensen worden toegelaten. Ik heb al gezegd te bekijken of ik daarbij iets meer risico wil nemen door te werken met uitzetting van mensen zonder documenten.

De heer Kamp (VVD): Ziet u kans om de Kamer dat nog voor het overleg van volgende week te laten weten?

Staatssecretaris Albayrak: Ik ben afhankelijk van de informatie van de andere landen. Ik doe echter mijn best om die informatie te krijgen. Ik zal die dan uiteraard met de Kamer delen.

De heer Van de Camp (CDA): Ik begrijp de wens van de heer Kamp. Ik heb persoonlijk echter meer behoefte aan goede informatie. Als het nodig is om daarvoor de tijd te nemen, dan moet de staatssecretaris dat ook doen. Ik zal volgende week bij het algemeen overleg terugkomen op het volgende. Ik leg een verband met een andere suggestie van de commissie, namelijk een ruimere ondersteuning bij de terugkeer. Als wij deze twee dingen combineren, kunnen wij misschien een sprong voorwaarts maken.

Staatssecretaris Albayrak: De handicap bij dit debat is dat wij niet spreken over mijn integrale benadering van verbetering van de gehele asielprocedure. Een belangrijk element van mijn asielbrief is de versnelling van de procedure en het sneller duidelijkheid geven. Dat zal een bijdrage leveren aan daadwerkelijke terugkeer. Een ander onderdeel is dat wij met herintegratiegelden, ontwikkelingssamenwerkingsgelden, meer en anders gaan werken. Wij gaan de doelgroepen uitbreiden: naast de afgewezen asielzoekers ook de afvallers van de pardonregeling. Wij geven bovendien niet alleen geld mee als mensen met het IOM willen vertrekken, maar wij willen dat geld ook vaker investeren in onderwijs, een werkplek en dus in natura meer doen met dat geld. Er is inmiddels een consortium van negen ngo’s die op dit terrein meedenken. De vraag is hoe met dit soort projecten mensen uit de herkomstlanden verleid kunnen worden tot vrijwillige terugkeer. Wij komen echter volgende week te spreken over wat wij allemaal met die herintegratiegelden denken te doen.

De heer Van de Camp vraagt naar de bedrijfsvoering en naar oude en nieuwe zaken. Hij zegt zelf al dat zijn vraag wat veel op de uitvoering en de methodes ingaat. Ik kan hem zeggen dat alle zaken en dossiers die bij DT&V binnenkomen, meteen aan een regievoerder worden gekoppeld. Het is niet zo dat die werken door eerst de oude zaken af te handelen alvorens aan de nieuwe zaken te beginnen. Het kan zijn dat een nieuwe zaak heel kansrijk is en meteen tot uitzetting kan leiden. Dan wordt zo’n nieuwe zaak direct ter hand genomen. Het loopt dus parallel en wordt niet in volgorde van binnenkomst behandeld. Het is niet zo dat de rest op de plank komt. De bedoeling is dat de regievoerders die manier van werken doorbreken. Ik heb al gezegd dat er nieuwe DT&V-medewerkers aangetrokken zijn om het casemanagement verder te versterken.

De heer Spekman is blij met de cijfers die ik vandaag heb gegeven. Ik heb maar één onderdeel van de rapportage over de vreemdelingenketen genoemd. De Kamer krijgt de volledige rapportage volgende week. Ik heb gezegd dat 45% aantoonbaar vertrekt. Tegen de heer Van de Camp zeg ik: die zijn aantoonbaar vertrokken. Dat zijn dus niet de mensen die met onbekende bestemming zijn vertrokken. De andere 55% gaat om mensen die niet aantoonbaar zijn vertrokken uit de caseload van DT&V. Dat zijn mensen waarvan bij adrescontrole blijkt dat die zelfstandig de woonruimte hebben verlaten. Het zijn mensen die voor of na de vertrektermijn Nederland hebben verlaten, al dan niet na een inbewaringstelling. In de groep van 55% zit ook de groep die met onbekende bestemming is vertrokken. Het vermoeden is dat veel van die mensen het land daadwerkelijk verlaten. Bij arbeidsinspecties en bij het mobiel toezicht vreemdelingen worden er immers heel veel vreemdelingen aangetroffen, maar heel erg weinig ex-asielzoekers. Wij onderzoeken het fenomeen «met onbekende bestemming» dan ook nog. Gaan mensen vaker weg of blijven zij vaker hier in de illegaliteit hangen? Dat bekijken wij nader. Ik wil wel zeggen dat het lagere aantal aantoonbare vertrekken – 45% ligt onder het percentage hieraan voorafgaand – niet zit in de mensen die DT&V uitzet, maar in de toegangsweigering door de KMar of de staandehouding bij het mobiel toezicht vreemdelingen. Er is dus duidelijk een afname in het aantal mensen dat direct de grens over wordt gezet. Wij bekijken wat daarvan de precieze achtergronden zijn. Soms gaat het om effecten van beleid, bijvoorbeeld het invoeren van een visumplicht voor bepaalde groepen. Het is echter niet dé reden. Vaak gaat het om relatief kleine instroomaantallen, zoals bij de Bolivianen. Deels is er sprake van andere categorieën vreemdelingen. In het verleden kon door het mobiel toezicht meer direct uitgezet worden naar de buurlanden. Nu is sprake van een groter aantal personen dat in bewaring wordt gesteld. Te zien is dat mensen vaker in bewaring worden gesteld in plaats van direct te worden uitgezet naar België, Duitsland of Luxemburg.

De heer Kamp (VVD): Ik begrijp dat er per saldo minder mensen zijn uitgezet of vrijwillig vertrokken dan vorig jaar. Waar de heren Spekman en Van de Camp juichen over de cijfers, blijkt nu dat er per saldo minder uitgezet zijn en minder vrijwillig vertrokken.

Staatssecretaris Albayrak: Ik ben over het geheel, gelet op alles wat wij besproken hebben, gelet op waar DT&V vandaan komt, gelet op de conclusies en aanbevelingen van het jaarverslag van de CITT, niet ontevreden. Het percentage ligt er niet ver onder. De cijfers en de samenhang daartussen krijgt de Kamer volgende week. Mij is er alles aan gelegen om ervoor te zorgen dat het cijfer de komende tijd, nu wij constateren dat de kinderziektes bij de DT&V zo goed als verholpen zijn, verder omhooggaat.

De heer Spekman (PvdA): In de vorige periode was 70% mob en 30% vertrokken. Dat zou dus een verbetering betekenen. Ik ben erin geïnteresseerd dat de staatssecretaris mob nader gaat bekijken. Wanneer gebeurt dat en hoe wordt de Kamer daarover geïnformeerd?

Staatssecretaris Albayrak: Wij zijn aan het bekijken hoe wij betrouwbare informatie kunnen verzamelen om conclusies te kunnen trekken over het type onderzoek. Ik zal bekijken op welke termijn dit onderzoek mogelijk is. Misschien kom ik tot de conclusie, met de indicatoren die wij hebben kunnen verzinnen, dat ik geen betrouwbaar verhaal kan houden. Ik moet daarover goed nadenken. Eerst ga ik bekijken welk type onderzoek het moet worden. Wij hebben net de illegalennota naar de Kamer gezonden, met daarin kwalitatief onderzoek naar illegalenverblijf. Daarin zitten al elementen zoals wie de mensen zijn die worden aangetroffen. Ik zal bekijken hoe wij meer de vinger kunnen krijgen achter wat er gebeurt met de mob’ers. Ik zal de Kamer laten weten of en hoe ik dat onderzoek daadwerkelijk kan houden. Dat zal waarschijnlijk met het WODC gebeuren, zodat het ook een beetje wetenschappelijk is onderbouwd. Dat is het proces dat ik bedoelde. Ik zal de Kamer in ieder geval voor behandeling van de Justitiebegroting antwoord geven op de vraag of en zo ja, hoe een dergelijk onderzoek gedaan kan worden. De Kamer kan wellicht haar licht laten schijnen over wat de onderzoeksvragen zouden moeten zijn.

Ik heb een cijfer redelijk positief gebracht, zonder het te kunnen vergelijken met de vorige periode. Dat is de 70% over de criminele illegalen. Daarover vroeg de heer Kamp hoe het voorbeeld van de heer Spekman zich daartoe verhoudt. Elf van de vijftien uit dit voorbeeld zitten nog in het strafrechtelijke proces. De 50 van Haaglanden zijn nog niet allemaal ingestroomd bij DT&V. Belangrijk om te weten is het volgende. Ik wil met een soort top 100 aller tijden werken. Zo heb ik het intern benoemd. Dat is een lijst die aan de onderkant wordt aangevuld als er aan de bovenkant mensen uitstromen. Dit gaat niet alleen over Den Haag. Dit gaat over een groep mensen die bij de politie heel erg bekend is, soms met meerdere aliassen, met heel veel kleinere of grotere strafbare feiten op hun naam en die bij herhaling de binnensteden van de grote en middelgrote steden onveilig maken. Op deze groep zetten wij de Vreemdelingenpolitie en de DT&V maximaal in. Ik wil dossiers zien, individuen en namen. Ik wil niet meer praten over «het terugkeerbeleid», maar over het terugkeerbeleid van deze individuen. Waarom lukt het bij de ene wel en bij de andere niet om te slagen in terugkeer? Dat geldt overigens ook voor het terugkeerbeleid en de herkomstlanden. Ik wil geen enkele discussie in abstracte termen meer over het terugkeerbeleid. Ik wil spreken over terugkeer naar Afghanistan, Suriname, Irak. Dat is een aanpak die ik in de interne werkmethode aan het vormgeven ben. Nogmaals, de aanpak met een top 100 aller tijden is de lijn. Dat is eigenlijk de Rotterdamse persoonsgerichte aanpak waarmee ook op andere plekken erg goede ervaringen mee zijn. Wij moeten het strakker trekken, beter volgen en beter coördineren. Wij hebben heel goede voorbeelden van mensen waarvan iedereen dacht: die zetten wij nooit uit, die vervolgens toch zijn uitgezet.

De heer Kamp (VVD): Een verzoek nog aan de staatssecretaris. Het verslag van de CITT is niet gedateerd. Kan dat een volgende keer wel gebeuren?

Staatssecretaris Albayrak: Ja.

De heer De Wit (SP): Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag naar het buitenschuldcriterium.

Staatssecretaris Albayrak: Ik heb een uitgebreide reactie op de rapporten van Amnesty International en RSJ over vreemdelingenbewaring gegeven, ook naar aanleiding van uitzendingen van NOVA et cetera, naar de Kamer gestuurd. Daarin staat een uitgebreid antwoord op uw vraag. De Kamer kennende, zal die informatie tot een apart debat leiden.

De voorzitter: Dank aan de staatssecretaris, de leden en degenen die de staatssecretaris bij dit overleg hebben ondersteund.

Toezeggingen

– De cijfers die opgenomen zijn in de halfjaarlijkse ketenrapportage komen zo mogelijk na de ministerraad van vrijdag 3 oktober naar de Kamer. Als dat niet mogelijk is, komen de cijfers over terugkeer voor de Kamer beschikbaar voor het volgende algemeen overleg.

– De Kamer ontvangt informatie over hoe het in Zweden en Duitsland gaat met ongedocumenteerden die uitgezet worden. Ook zal aangegeven worden of dit in Nederland al in de praktijk toegepast wordt en om welke aantallen het gaat. De staatssecretaris probeert om die informatie voor het volgende algemeen overleg aan de Kamer te sturen.

– De staatssecretaris zegt toe aan te geven hoe het mob-onderzoek wordt opgezet. Informatie daarover ontvangt de Kamer voor de behandeling van de Justitiebegroting.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).