Het bericht 'Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Moes , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee»?1
Ja, dat heb ik.
Deelt u de mening dat carnaval onderdeel is van ons culturele immateriële erfgoed?
Ja, die mening deel ik van harte. Carnaval is een levendige traditie die generaties verbindt, gemeenschappen samenbrengt en een onmiskenbaar onderdeel vormt van het culturele leven in Nederland, zeker in de zuidelijke provincies en Twente.
Maakt u zich ook zorgen over de toekomst van carnaval doordat verenigingen onder druk staan van regeldruk en bureaucratie?
De signalen in het genoemde artikel kwamen ook naar voren in de evaluatie van het immaterieel erfgoedbeleid, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de kamerbrief «Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen».2
Deze signalen passen in een bredere zorg over verenigingsleven in Nederland. Om de regeldruk te verminderen zijn al acties in gang gezet (zie vraag 8 en 9). Ook de kabinetsvoornemens om de regeldruk voor vrijwilligersverenigingen te verminderen en de aansprakelijkheid van vrijwilligers te beperken, kunnen in dit licht worden gezien.
Ondanks dat er zorgen zijn heb ik ook veel vertrouwen in de kracht van de carnavalsverenigingen. Ik zie dat carnaval onverminderd van grote waarde is in de zuidelijke provincies en Twente, waar gemeenschappen met veel enthousiasme samen wagens bouwen en carnaval vieren.
Bent u van mening dat milieuzones in binnensteden geen belemmering moeten vormen voor praalwagens in optochten?
Gemeenten gaan over de invoering en handhaving van milieuzones en zero-emissiezones. Deze zones hoeven geen belemmering te zijn voor praalwagens in optochten.
Praalwagens en carnavalswagens worden vaak getrokken door (landbouw)tractoren. Tractoren vallen niet onder milieuzones of zero-emissiezones, dus worden hier ook niet door belemmerd.
Op dit moment worden alleen de meest vervuilende dieselbestelauto’s en vrachtwagens geweerd in milieuzones en zero-emissiezones. Mocht een dergelijke dieselbestelauto of vrachtwagen nodig zijn voor het trekken van een praalwagen dan kan een ontheffing mogelijk zijn, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule van de gemeente. Daarnaast zijn er dagontheffingen aan te vragen via het landelijke Centraal Loket van de RDW. Dit kan tot twaalf keer per jaar per gemeente.
Wat vindt u van de toegenomen eisen die gesteld worden aan vrijwillige verkeersregelaars bij optochten?
De «Regeling verkeersregelaars» is niet aangepast waardoor er geen toegenomen eisen voor verkeersregelaars zijn. Deze regeling voorziet in twee soorten verkeersregelaars: de evenementenverkeersregelaar en de beroepsverkeersregelaar.
Evenementenverkeersregelaars kunnen bij evenementen al eenvoudige verkeersregelende taken uitvoeren na het afleggen van een gratis te volgen e-instructie als opleiding. Voorafgaand aan het evenement is de organisatie verplicht het team van verkeersregelaars nadere instructies te geven, zoals waar iedereen moet staan en wanneer een kruispunt weer kan worden vrijgegeven.
Beroepsverkeersregelaars worden ingezet bij onder andere wegwerkzaamheden en het regelen van verkeer bij complexere verkeerssituaties. Deze verkeersregelaars volgen een opleiding en een praktijkexamen, waarmee een aanstelling als beroepsverkeersregelaar kan worden aangevraagd.
Aan welke eisen een carnavalsvereniging qua verkeersregelaars moet voldoen, is aan de gemeente die de evenementenvergunning verleent. Ook kan het zijn dat bij afgesloten gebieden geen of minder beroepsverkeersregelaars nodig zijn dan wanneer een carnavalsoptocht drukke wegen passeert.
Bent u bereid om in gesprek te treden met verzekeraars om deregulering te bewerkstelligen, aangezien de verzekeringsvoorwaarden en bureaucratie in relatie tot praalwagens is toegenomen?
Alle motorrijtuigen, dus ook praalwagens, moeten op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd zijn voor schade die het motorrijtuig aan derden veroorzaakt. Deze verzekeringsplicht geldt al sinds 1965 en heeft als doel om derden, zoals toeschouwers en personen die op de wagen meerijden, te beschermen.
Ik deel de mening dat onnodige bureaucratie vermeden moet worden. Met dit doel is het voor praalwagens en carnavalsoptochten mogelijk om een collectieve verzekering af te sluiten; een optochtverzekering. Deze optochtverzekering is bedoeld om het bezitters en kentekenhouders van praalwagens makkelijker te maken om een verzekering af te sluiten.
Voor verzekeraars is het mogelijk in de verzekeringsovereenkomst aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld met het oog op beperking van het risico. Daarbij geldt dat als zich een ongeval met een praalwagen voordoet, dit al snel ernstige gevolgen heeft, nu hierbij veel slachtoffers betrokken kunnen zijn; zowel personen die op de wagen meerijden als omstanders. Het is dan ook van belang dat het risico op een ongeval zo beperkt mogelijk blijft. Er is daarom op dit moment geen aanleiding voor een gesprek met verzekeraars.
Deelt u de mening dat er een uitzonderingsmogelijkheid op de kentekenplicht kan gelden voor praalwagens?
In Nederland geldt een kentekenplicht voor een groot gedeelte van de voertuigen die zich op de openbare weg begeven. Het gaat daarbij onder andere om personenauto’s, bedrijfsauto’s/ bestelauto’s, vrachtwagens landbouw- en bosbouwvoertuigen, landbouwaanhangwagens en mobiele machines. Voor praalwagens is de kentekenplicht afhankelijk van het type voertuig dat gebruikt wordt. Dit zorgt ervoor dat de verkeersveiligheid voor zowel bestuurders als omstanders wordt geborgd.
Ik verwijs graag naar de beantwoording van eerder gestelde Kamervragen, waarin verder inhoudelijk op dit vraagstuk wordt ingegaan.3
Deelt u de mening dat de stapeling van lokale regels, vergunningseisen en aanvullende voorschriften ertoe leidt dat carnavalsverenigingen onevenredig veel tijd en middelen kwijt zijn aan administratie in plaats van aan het organiseren van optochten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze regeldruk te verminderen?
Uit onderzoek van het Netwerk Levend Erfgoed, mede in het kader van de motie Oostenbrink4, blijkt dat gemeenschappen met festiviteiten in de openbare ruimte, waaronder carnavalsverenigingen, veel vergunningsdruk ervaren. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het rapport van het Nationaal Klimaatplatform over de toekomstbestendigheid van de evenementensector, «De Toon maakt de muziek»5. Ik ben over dit advies in gesprek met de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Binnen de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 verkennen OCW, VNG en IPO samen met de sector de mogelijkheden om wet- en regelgeving voor vrijwilligersorganisaties -met behoud van veiligheid- laagdrempeliger te maken. Naar aanleiding van de motie Oostenbrink zijn er specifiek voor streekevenementen, zoals carnaval, werksessies met VNG, gemeenten en vrijwilligersorganisaties om te komen tot een werkvorm waarin gemeenten en vrijwilligersorganisaties met elkaar in gesprek gaan over knelpunten die door deze organisaties ervaren worden bij vergunningverlening.
Naar aanleiding van eerder gestelde Kamervragen6 verricht het Ministerie van VWS onderzoek naar de regeldruk omtrent praalwagens. Onderzocht wordt hoe tot een lastenverlichting voor carnavalsverenigingen gekomen kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2027 gepubliceerd.
Tot slot wordt de motie Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal uitgevoerd7. Deze motie verzoekt de regering om voor eind 2025 een brede inventarisatie op elk departement te doen van welke 500 regels geschrapt of de regeldruk verminderd kan worden8. Hierover worden ministerie-overstijgende overleggen gevoerd.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en veiligheidsregio’s, te bezien hoe meer ruimte kan worden geboden aan initiatieven voor carnavalsoptochten, bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van procedures en het creëren van proportionele en werkbare kaders, zodat verenigingen worden gestimuleerd in plaats van belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Proportionele kaders voor evenementenvergunningen zijn een kabinetsbrede opgave. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor immaterieel erfgoed pleit ik ervoor dat carnaval en vergelijkbare tradities een herkenbare plek krijgen in deze bredere vereenvoudigingsoperatie. Daarnaast komt veel van de voor carnavalvieringen relevante regelgeving vanuit gemeenten. Via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 ben ik in gesprek met gemeenten. Deze gesprekken sluiten ook aan bij de lopende uitvoering van de motie Oostenbrink.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om carnaval actiever te promoten als immaterieel cultureel erfgoed van Nederland, teneinde het draagvlak en de waardering voor deze traditie te vergroten?
Bewustwording van de culturele en maatschappelijke waarde van immaterieel erfgoed, zoals carnaval, is een belangrijk onderdeel van mijn beleid voor immaterieel erfgoed. Het door mij gefinancierde Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) heeft als een van haar kerntaken het vergroten van de zichtbaarheid van immaterieel erfgoed bij gemeenten, provincies, instellingen en het brede publiek. Een voorbeeld hiervan is de door KIEN gecoördineerde Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die de diversiteit van Nederlandse tradities zichtbaar maakt.
Kunt u, indachtig het belang van het behoud van Nederlandse tradities, toezeggen dat u zich ervoor zal inzetten dat carnaval niet ten onder gaat aan een overmaat aan regels en bureaucratie, zodat ook toekomstige generaties – van Prins Carnaval tot Raad van Elf – onbezorgd de polonaise kunnen blijven lopen?
Carnaval leeft door de mensen die er jaar in jaar uit hun schouders onder zetten; de wagenbouwers, de bestuursleden en de verkeersregelaars. Het is mijn taak en die van het kabinet om ervoor te zorgen dat de overheid hen daarin ondersteunt en niet belemmert. Dat is de richting die het coalitieakkoord «Aan de slag» bevestigt met de aandacht voor verenigingsleven en het terugdringen van regeldruk voor maatschappelijke organisaties.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»1?
Ja.
Klopt het dat in 2025 slechts twee procent van de investeringen in de woningbouw door institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen) uit het buitenland kwam? Hoe hoog is dat percentage in andere landen?
Volgens Capital Value zijn in 2025, met een bedrag van 5,3 miljard euro, de investeringen in nieuwbouw huurwoningen tot een recordhoogte gestegen. Dit getal bevat zowel investeringen van corporaties als marktpartijen. Het aandeel internationale investeringen in nieuwbouw van het investeringsvolume in huurwoningen door beleggers is volgens Capital Value echter sterk gedaald van bijna 32% in 2022 naar 1% in 20252. Vrijwel alle investeringen in huurwoningen zijn van institutionele beleggers en corporaties. Onduidelijk is hoe groot precies de rol van institutionele beleggers is in de woningmarkt van andere Europese landen.
Hoeveel investeringen zijn de komende jaren nodig om te zorgen voor voldoende woningbouw in Nederland?
Uit de meest recente Woningmarktverkenning van ABF blijkt dat er in de periode 2025–2039 in totaal circa 1,2 miljoen woningen moeten worden toegevoegd3. Een deel hiervan zal gefinancierd worden door particuliere kopers, een deel door corporaties en een deel door (buitenlandse) private investeerders. De totale investeringsopgave tussen 2025 en 2039 – huur en koop tezamen – schat het kabinet op 300 tot 350 miljard euro.
Hoeveel huurwoningen hebben buitenlandse en binnenlandse investeerders toegevoegd in 2023 en 2024?
Investeerders hebben volgens Capital Value in 2023 en 2024 respectievelijk 5.300 en 6.000 nieuwbouwhuurwoningen gekocht. Het aandeel geïnvesteerd volume van internationale investeerders in deze jaren is respectievelijk 13% en 3%.4 Het aandeel internationale investeerders in nieuwbouw neemt sinds een aantal jaar af. In 2021 en 2022 bedroeg het aandeel nog respectievelijk 27% en 32%, om vervolgens te dalen naar 13% in 2023 en 3% in 2024. Desalniettemin zijn de totale investeringen in nieuwe huurwoningen uiteindelijk verdubbeld ten opzichte van 2023 en 2024.
Hoeveel investeringen zijn momenteel afkomstig uit kapitaal van binnenlandse institutionele beleggers? Is het uw verwachting dat binnenlandse investeringen door institutionele beleggers alle noodzakelijke investeringen in de woningbouw kunnen dekken de komende jaren?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vorige vragen zijn in 2025 nagenoeg alle investeringen in nieuwbouw huurwoningen van binnenlandse institutionele investeerders en corporaties. Capital Value geeft aan dat particuliere investeerders en buitenlandse institutionele investeerders nagenoeg afwezig zijn in de nieuwbouw. In het artikel wordt gesteld dat Nederlandse pensioenfondsen al meer dan hun redelijke aandeel in Nederlandse woningen hebben belegd. In gesprekken met verschillende pensioenfondsen wordt aangegeven dat zij in veel gevallen tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico en spreidingsoverwegingen zit hier een limiet aan. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, wat bent u van plan om te doen om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om te investeren in de woningbouw in Nederland?
In het Coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Het kabinet komt met een ministeriële taskforce Versnelling Woningbouw die de koers uitzet voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Ook het investeringsklimaat komt in deze taskforce terug. Het kabinet zal uw Kamer vanzelfsprekend over de voortgang van deze taskforce informeren.
Welke stappen zijn er de afgelopen twee jaar gezet om Nederland aantrekkelijk te houden voor buitenlandse en binnenlandse investeerders?
Het vorige kabinet heeft het tarief in de overdrachtsbelasting al naar 8% verlaagd. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Daarnaast is ter opvolging van de Woontop 2024 in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (hierna: VRO) en het Ministerie van Financiën vorig jaar onderzoek verricht door onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek naar de staat van het investeringsklimaat voor middenhuurwoningen. Een kabinetsreactie op dit onderzoek volgt in Q2.
Tot slot is het ook van belang om in contact te blijven met buitenlandse investeerders om te begrijpen wat de knelpunten zijn, om hen te informeren over ons beleid en om de kansen voor investeringen in de woningbouw uit te lichten. Met dit doel is een afvaardiging van BZK aanwezig op de Expo real in München. Daarnaast werken we als lid van Holland Metropole samen met de verschillende grote steden en marktpartijen om investeringskansen in de Nederlandse woningbouw uit te dragen richting buitenlandse investeerders.
Kunt u bevestigen dat de opmerking over de vennootschapsbelasting in het in vraag 1 genoemde artikel de wijziging van het regime voor de fiscale beleggingsinstelling («fbi») per 1 januari 2025 betreft? Zo nee, op welke wetswijziging ziet de opmerking dan?
Het kabinet kan zich voorstellen dat hier wordt gedoeld op de wijziging van het fbi-regime. Het fbi-regime beoogt collectief beleggen te faciliteren door het voorkomen van extra belastingheffing op het niveau van de beleggingsinstelling ten opzichte van rechtstreeks beleggen. Met dit doel is de fbi subjectief belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, maar wordt de winst belast tegen een tarief van 0%. Het uitgekeerde dividend naar de participanten in de fbi wordt in beginsel belast met dividendbelasting, met dien verstande dat de dividendbelasting in beginsel een voorheffing is op de inkomsten- of vennootschapsbelasting op het niveau van de aandeelhouder en ook verschillende tegemoetkomingen kent.5 Zo kan in voorkomende gevallen bijvoorbeeld een beroep worden gedaan op een vrijstelling of (gedeeltelijke) teruggaaf op basis van de wet of een belastingverdrag. Met ingang van 1 januari 2025 is het fbi-regime gewijzigd (de zogenoemde vastgoedmaatregel). De vastgoedmaatregel beoogt de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed zo vorm te geven dat weer belasting kan worden geheven. Voordat deze wijziging van het fbi-regime was ingevoerd, was er sprake van twee heffingslekken, waarbij Nederland in een aantal grensoverschrijdende gevallen het heffingsrecht over Nederlands vastgoed niet kon effectueren.6
Als gevolg van de wijziging van het fbi-regime is het niet langer mogelijk voor een fbi om direct in Nederlands vastgoed te beleggen. Een lichaam dat direct in Nederlands vastgoed belegt, is met ingang van 1 januari 2025 in beginsel regulier vennootschapsbelastingplichtig.7 Anders gezegd: in de oude situaties betaalden sommige buitenlandse beleggers in beginsel dus geen belasting in Nederland over winsten uit Nederlands vastgoed, terwijl dit niet conform de bedoeling van de wet is. Met deze maatregel zijn buitenlandse investeerders in Nederlands vastgoed belastingplichtig voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. Zodat buitenlandse investeerders (net als Nederlandse investeerders) ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is omvorming naar een fiscaal transparante structuur genoemd als een werkbaar alternatief voor onder andere pensioenfondsen, klopt het dat voor buitenlandse (zowel EU als non-EU) pensioenfondsen het verkrijgen van een subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting ingewikkeld is? Wat zijn de criteria en hoe toetst de Belastingdienst deze criteria?
Pensioenfondsen zijn in de regel subjectief vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is voor het fiscaal neutraal beleggen in vastgoed voor pensioenfondsen het participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt als alternatief genoemd voor het beleggen in een fbi. Een transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Omdat als gevolg van die transparantie vennootschapsbelasting wordt geheven op het niveau van de participanten, kunnen pensioenfondsen hun subjectieve vrijstelling blijven effectueren.8
Daarnaast merkt het kabinet op dat de Belastingdienst voornemens is te kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit nog actueel zijn en modernisering behoeven.9 Een eventuele modernisering van de voorwaarden vergt een nadere uitwerking en moet zorgvuldig gebeuren. Voor de pensioenfondsvrijstelling is en blijft (conform het wettelijke kader) van belang dat er sprake moet zijn van een buitenlandse pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden moeten dus worden bezien in het licht van de Nederlandse Pensioenwet. Een aanpassing die verder gaat dan een modernisering binnen het huidige wettelijke kader zou ertoe kunnen leiden dat buitenlandse «pensioenfondsen» onder de vrijstelling worden gebracht die als zij een Nederlands fonds waren geen recht zouden hebben op de pensioenfondsvrijstelling en meer lijken op een beleggingsfonds. Dat kan ook leiden tot budgettaire gevolgen in de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting.10
De subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting voor pensioenfondsen is gestoeld op i) de gedachte dat pensioenfondsen naar hun aard geen winst maken omdat hun resultaten steeds ten goede komen aan de uitkeringsgerechtigden, en ii) de maatschappelijke functie die deze fondsen kenmerkt, dat ziet op de verzorging van (gewezen) werknemers voor de gevolgen van ouderdom en ziekte op basis van solidariteit en collectiviteit.11 Naast Nederlandse pensioenfondsen, kunnen ook in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting. In het buitenland gevestigde pensioenfondsen zijn vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. In het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb12 zijn in onderdeel 3.1.1. cumulatieve criteria opgenomen aan de hand waarvan de Belastingdienst aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval toetst of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Het toetsen daarvan kan voor buitenlandse pensioenfondsen bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen. In gesprek met het Ministerie van VRO meldt de sector dat het ontbreken van zekerheid over de vrijstelling in de Vpb tot afstel van investeringen leidt.
De voorwaarden vereisen onder andere dat het pensioenlichaam moet voldoen aan de werkzaamhedeneis13 en de winstbestemmingseis14 zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Vpb 1971. Voor de pensioenregeling wordt onder andere als voorwaarde gesteld dat er sprake is van een verplichte deelname voor werknemers en een verplichte verzekering, dat de pensioenregeling voorziet in een ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat er – behoudens een kleine uitzondering – een afkoopverbod geldt. Dit onderdeel uit het beleidsbesluit bevat daarnaast een tweetal specifieke goedkeuringen ten aanzien van de begunstigden van de pensioenregeling en het afkoopverbod.
De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn eveneens relevant voor buitenlandse pensioenfondsen die via een belang in Nederlandse vennootschappen inkomen genereren, zoals inkomen uit het beleggen in aandelen of vastgoed. Buitenlandse pensioenfondsen ontvangen dividenden uit deze Nederlandse vennootschappen. Ten aanzien van een buitenlands pensioenfonds mag onder voorwaarden inhouding van dividendbelasting achterwege blijven of wordt een teruggaaf verleend van de ingehouden dividendbelasting. Hierbij geldt onder meer als voorwaarde dat het buitenlandse pensioenfonds in Nederland een beroep zou kunnen doen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er ook situaties bestaan waarin een belastingverdrag voorziet in een teruggaaf van dividendbelasting voor pensioenfondsen (bijvoorbeeld in de belastingverdragen met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten). Voor een in deze landen gevestigd pensioenfonds, dat voldoet aan de voorwaarden die het belastingverdrag stelt, bestaat reeds op die grond een recht op teruggaaf van dividendbelasting.
Hoeveel verzoeken heeft de Belastingdienst hiervoor ontvangen en wat is hiervan de gemiddelde doorlooptijd? Welk aandeel van de verzoeken is toegewezen en welk aandeel van de verzoeken is afgewezen?
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting en verzoeken waarin door buitenlandse pensioenfondsen om een teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd.
Verzoeken om zekerheid vooraf vallen onder het internationale vooroverleg en moeten voldoen aan de daarvoor geldende eisen, zoals vastgelegd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter.15 Sinds de inwerkingtreding van dit besluit in 2019 zijn 30 verzoeken om vooroverleg over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting ontvangen. Hiervan zijn momenteel 9 verzoeken in behandeling. Van de 21 verzoeken die al zijn afgehandeld zijn er 9 toegewezen. De overige verzoeken zijn niet toegekend. Er zijn verschillende redenen waarom een verzoek niet wordt toegekend. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter of omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de subjectieve vrijstelling. De gemiddelde doorlooptijd van de toegewezen verzoeken bedraagt ruim een jaar.
Voor de verzoeken waarin om teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd, geldt dat informatie, waaronder het aantal verzoeken, de doorlooptijd en het aandeel toegewezen verzoeken, niet gestructureerd voorhanden is.
Maakt de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 het investeren in Nederlandse woningbouw minder aantrekkelijk voor buitenlandse (institutionele) investeerders, zoals buitenlandse pensioenfondsen, dan voor Nederlandse pensioenfondsen die een subjectieve vrijstelling genieten?
Met de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 wordt voorkomen dat in bepaalde gevallen geen Nederlandse belasting wordt geheven over winsten uit Nederlands vastgoed. Ondanks deze wijziging in het fbi-regime kunnen buitenlandse pensioenfondsen nog altijd fiscaal aantrekkelijk in Nederlands vastgoed investeren zolang wordt voldaan aan de criteria zoals beschreven in het antwoord op vraag 9. Zij genieten dan dezelfde vrijstelling voor de vennootschapsbelasting (en de dividendbelasting) als binnenlandse pensioenfondsen.
Zoals gezegd, is het fbi-regime aangepast met als doel de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed evenwichtiger te maken, zodat buitenlandse investeerders die gebruik maakten van de heffingslekken met ingang van 1 januari 2025 ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.16 Hiervoor wordt ook naar de beantwoording van vraag 8 verwezen. De wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 geldt voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers. Door deze wijziging, ook wel de vastgoedmaatregel, is het een fbi niet langer toegestaan om direct te beleggen in Nederlands vastgoed. Daardoor kunnen pensioenfondsen niet langer fiscaal neutraal (onbelast) beleggen door te beleggen in een fbi. Het blijft voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers mogelijk om (fiscaal neutraal) te participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt, zoals uit de beantwoording van vraag 9 volgt. Een dergelijk transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. In beginsel is de achterliggende participant wel vennootschapsbelastingplichtig, tenzij deze een beroep kan doen op een vrijstelling. Het kabinet erkent dat het gevolg van het dichten van voorgaande heffingslekken ertoe leidt dat partijen die voorheen middels een fbi in vastgoed investeerden maar niet voor de pensioenfondsvrijstelling kwalificeren, daardoor met ingang van 1 januari 2025 ook regulier vennootschapsbelastingplichtig zijn geworden. Hierdoor ontstaat voor die partijen een hogere belastingdruk dan voorheen het geval was. Vanuit de sector wordt dan ook aangegeven dat de vastgoedmaatregelen ervoor hebben gezorgd dat het minder aantrekkelijk is voor buitenlandse investeerders om te investeren in Nederlandse huurwoningen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat in het verleden buitenlandse vastgoedbeleggers vooral betrokken waren bij commercieel vastgoed en slechts voor 2 procent van de investeringen via vastgoed-fbi’s bij investeringen in woningen betrokken waren.17
Welke alternatieven die zijn aangedragen tijdens het wetgevingsproces rondom de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 hadden voor minder impact op buitenlandse investeringen in Nederlandse woningbouw gezorgd? Waarom is bij het wetsvoorstel niet gekozen voor één van die alternatieven? In hoeverre zouden buitenlandse (private) investeringen de noodzaak voor publieke investeringen in de woningbouw kunnen vervangen?
Het kabinet Rutte IV heeft onder meer onderzoek gedaan naar alternatieve opties voor beursgenoteerde vastgoed-fbi’s.18 Uiteindelijk is niet voor deze opties gekozen. In plaats daarvan is ervoor gekozen de toepassing van het fbi-regime niet langer toe te staan in het geval een lichaam direct in Nederlands vastgoed belegt. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat andere oplossingsrichtingen leiden tot een toenemende complexiteit en het voortbestaan van heffingslekken, dan wel niet snel genoeg dichten van de heffingslekken. Ook leiden deze alternatieven ertoe dat de geraamde budgettaire opbrengst lager uitvalt. Met de voorgestelde vastgoedmaatregel heeft het kabinet Rutte IV gekozen voor een robuuste oplossing om de heffingslekken in het fbi-regime te dichten.19 De woningbouwopgave in Nederland is groot: dat betekent dat we alle partijen nodig hebben die investeren, zowel buitenlandse en binnenlandse private investeringen als publieke investeringen.
Deelt u de mening dat dit probleem met «een paar pennenstreken» opgelost kan worden?
Nee, die opvatting deelt het kabinet niet. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Alternatieve opties die destijds waren overwogen om het heffingslek te dichten, waren fiscaaltechnisch complexer of op korte termijn niet haalbaar, omdat dit bijvoorbeeld een aanpassing van belastingverdragen vergde. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van een nieuw fiscaal regime is echter ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.20 De juridische houdbaarheid, rekening houdend met de Europeesrechtelijke aspecten, en uitvoerbaarheid zijn belangrijke onderdelen die moeten worden meegewogen. De vormgeving van een REIT-regime moet worden afgestemd op het doel dat ermee wordt beoogd en passen binnen de geldende (Europeesrechtelijke) kaders. Een REIT-regime moet voldoende waarborg bieden dat er geen heffingslekken ontstaan, zoals de heffingslekken in het fbi-regime die per 1 januari 2025 zijn gedicht. Daarnaast geldt dat het invoeren van een REIT-regime een tegemoetkoming is voor belastingplichtigen die daarom naar verwachting een budgettaire derving tot gevolg heeft die budgettair gedekt moet worden. Ook zou het invoeren van een REIT-regime een systeemwijziging bij de Belastingdienst vergen.21
Welke andere recent genomen fiscale maatregelen maken het potentieel minder aantrekkelijk om te investeren in Nederlandse woningbouw?
Recent zijn vooral maatregelen genomen die het fiscale klimaat verbeteren en het juist aantrekkelijker maken om te investeren in Nederlandse woningbouw, zie hiervoor de beantwoording op vraag 6. Daarvoor zijn enkele maatregelen genomen die het minder aantrekkelijk hebben gemaakt om te investeren. Per 1 januari 2023 is de overdrachtsbelasting voor woningen die niet door de koper als hoofdverblijf worden verhoogd naar 10,4%. Het vorige kabinet heeft dit percentage verlaagd naar 8% en het huidige kabinet is voornemens dit verder te verlagen naar 7%. In vergelijking met andere Europese landen is in Nederland de overdrachtsbelasting relatief hoog. Sinds 2023 geldt daarnaast dat vastgoed in box 3 wordt belast met behulp van een forfait. Dit zorgt voor een lastenverzwaring voor investeerders in vastgoed in box 3. In het nieuwe box 3-stelsel, met beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2028, wordt het werkelijke rendement belast. Bovendien geldt dan een vermogenswinstbelasting en hoeft daardoor pas op moment van vervreemding over de vermogenswinst belasting te worden afgedragen. Ook wordt het mogelijk om kosten af te trekken. Investeerders geven aan goed met het nieuwe stelsel uit de voeten te kunnen.
Kan de strenge Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD 1 bijvoorbeeld een dempend effect hebben op investeringen in de woningbouw? Wat is de impact van het 8%-tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen? Hoe verhoudt dit tarief zich tot andere EU-lidstaten waar buitenlandse investeerders kunnen investeren in de woningbouw en het EU gemiddelde op dit punt?
De earningsstrippingmaatregel betreft een generieke renteaftrekbeperking voor alle vennootschapsbelastingplichtigen. Door de earningsstrippingmaatregel kunnen financieringskosten (tijdelijk) hoger worden, waardoor het rendement op investeringen lager wordt.22 Belastingplichtigen, waaronder investeerders in woningbouw, wegen dit mee bij hun investeringsbeslissing. Echter, bij investeringsbeslissingen in woningbouw zijn ook andere factoren relevant.23 Het kabinet is niet bekend met recent kwantitatief onderzoek waaruit blijkt dat de earningsstrippingmaatregel een dempend effect heeft op investeringen in de woningbouw.
In 2021 is, mede naar aanleiding van de door de Kamer unaniem aangenomen motie Dik-Ronnes24 de overdrachtsbelasting gedifferentieerd. Het doel van deze differentiatie was om met name starters een betere positie te verschaffen ten opzichte van beleggers. Het algemene tarief is per 1 januari 2023 verhoogd van 8% naar 10,4% en recent, mede naar aanleiding van de evaluatie Wet differentiatie overdrachtsbelasting25, weer verlaagd naar 8% voor alleen woningen. Dit omdat uit deze evaluatie bleek dat de differentiatie en verhoging van het algemene ovb-tarief, samen met andere macro-economische ontwikkelingen (zoals de rentestand) en wijzigingen in het woon- en fiscaal beleid negatieve neveneffecten heeft gehad. Zo concluderen de onderzoekers dat de differentiatie van overdrachtsbelasting – tezamen met andere factoren – waarschijnlijk heeft geleid tot een langzamere groei van de huurwoningvoorraad. Ook wordt door de onderzoekers een neerwaarts effect op het rendement bij gebiedsontwikkeling, waaronder nieuwbouw, genoemd. Het huidige kabinet is voornemens het tarief verder te verlagen naar 7%, wat het investeringsklimaat positief beïnvloedt.
Het nieuwe tarief van 8% geldt sinds 1 januari 2026 voor alle verkrijgingen van woningen, met uitzondering van gevallen waarin het bestaande verlaagde tarief van 2% of een vrijstelling, zoals de startersvrijstelling, van toepassing is. Het doel van deze maatregel was om het aanbod van huurwoningen te vergroten door investeringen in woningen in de private, midden- en vrije huur te stimuleren. Daarnaast beoogde de maatregel de bouw van meer (private) huurwoningen te stimuleren door de uiteindelijke belastingdruk bij verkoop te verlagen. De verlaging is begin dit jaar van kracht geworden. Dit is te kort geleden om de impact op investeringen in huurwoningen te bepalen. Wel geldt dat het tarief van 8% een van de hoogste in de EU is.26 Voor nieuwbouw geldt in beginsel de samenloopvrijstelling waardoor geen overdrachtsbelasting geheven wordt (zie ook vraag 16).
In het recent verschenen rapport Investeringsklimaat Middenhuur27 concludeert SEO dat een verlaging van de overdrachtsbelasting een zeer beperkt positief effect heeft op het aantal aan- en verkopen in de bestaande voorraad. De omvang van het effect op de woningbouw is niet onderzocht door SEO. SEO wijst er op dat de hoogte van de overdrachtsbelasting invloed heeft op het rendement en de balanswaarde van beleggers en daarmee op de financieringscapaciteit en de bredere businesscase van nieuwbouw.
Speelt de omzetbelasting nog een rol bij nieuwe woningen? Hoe verhoudt de Nederlandse omzetbelasting zich bijvoorbeeld tot de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen?
Ja. Italië hanteert verlaagde btw-tarieven en -vrijstellingen bij woningbouw, de details en voorwaarden van de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen zijn mij niet bekend. In het algemeen geldt dat de verkoop van nieuwe woningen met btw belast is. Lidstaten hebben daarnaast de mogelijkheid om in te vullen onder welke voorwaarden een woning als nieuw kwalificeert. Daardoor kan de btw-behandeling bij de verkoop van nieuwe woningen per lidstaat verschillen, afhankelijk van nationale keuzes binnen de kaders van de Europese btw-richtlijn.28
In Nederland geldt dat bij de levering van woningen binnen twee jaar na de eerste ingebruikname het algemene btw-tarief van 21% van toepassing is. Bij de levering van woningen die langer dan twee jaar in gebruik zijn is geen btw verschuldigd maar overdrachtsbelasting. Ter voorkoming van dubbele heffing geldt bij btw-belaste leveringen de samenloopvrijstelling, waardoor in beginsel geen overdrachtsbelasting wordt geheven als er btw verschuldigd is.
De effecten van een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociale huurwoningen is onderzocht in het IBO-rapport Op grond kun je bouwen. Rapport Op grond kun je bouwen Een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociaal beleid verstrekte huisvesting kent omvangrijke juridische, uitvoerings- en budgettaire risico’s. Een verlaging heeft alleen direct effect wanneer sprake is van een rechtstreekse, btw-belaste levering van een nieuwe woning door de bouwer aan de koper. Bij andere constructies, zoals eigenbouw of de aankoop van een woning via een aandelentransactie, kan een verlaagd tarief doorgaans slechts worden toegepast op de prestaties van onderaannemers, waardoor het uiteindelijke effect op de woningprijs beperkt is. Op de lange termijn is een positief effect op woningprijzen ook afhankelijk van de mate waarin het btw-voordeel doorwerkt in de grondprijzen. Omdat de effecten van een btw-verlaging onzeker zijn, zou het nodig zijn economisch onderzoek te doen naar de impact, wat dit zou betekenen voor de nieuwbouw van sociale huurwoning en de effecten van een dergelijke maatregel.
De bestaande verlaagde btw-tarieven zijn recent geëvalueerd door Dialogic en Significant Public.29 Uit deze evaluatie volgt dat een btw-verlaging slechts in beperkte mate doeltreffend is en over het algemeen geen doelmatig instrument vormt. Ondernemers zijn niet verplicht om een btw-verlaging door te berekenen, waardoor onzeker is of een btw-verlaging daadwerkelijk wordt verrekend in lagere prijzen. Daarnaast kent de bouw van sociale huurwoningen een vrij hoge mate van inelasticiteit, waardoor het risico bestaat dat het voordeel neerslaat bij de grondeigenaar via hogere grondprijzen, terwijl de woningproductie slechts beperkt toeneemt.
Bereiken u in algemene zin signalen dat buitenlandse investeerders in toenemende mate afzien van het investeren in Nederlandse woningen vanwege in het recente verleden doorgevoerde, snel opvolgende wijzigingen in fiscale en juridische wet- en regelgeving en een als gevolg hiervan toenemende onvoorspelbaarheid van deze wet- en regelgeving voor deze buitenlandse investeerders?
Mij bereiken inderdaad signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huur en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid. Investeerders geven al langere tijd aan dat langjarig en stabiel overheidsbeleid essentieel is voor een goed investeringsklimaat. Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, zet het kabinet zich in om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren? Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor binnenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren?
Voor een toelichting naar de plannen van het kabinet wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u in navolging op de Kamerbrief van uw ambtsvoorganger van 7 juni 2024, kamerstuknummer 2024-0000341126 een REIT-regime verder laten uitwerken?
In het SEO-rapport is geconcludeerd dat de doelmatigheid van een REIT-regime beperkt is. Het Kabinet neemt verschillende maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, zie ook het antwoord op vraag 6. Uitwerking van het REIT-regime is op dit moment geen onderdeel van het kabinetsbeleid.
Het bericht ‘Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis»1?
Ja.
Klopt het dat het OECD Pillar 2 Side-by-Side Package niet alleen administratieve vereenvoudigingen bevat, maar ook materiële safe harbours introduceert die de werking van de Global Minimum Tax wezenlijk beperken?
Het Side-by-side pakket bestaat uit de volgende onderdelen:
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket, in het bijzonder het Side-by-Side-systeem, wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels.
Deelt u de analyse dat met name Amerikaans-geleide multinationale ondernemingen door de Side-by-Side Safe Harbour en de UPE Safe Harbour feitelijk worden afgeschermd van bijheffing onder de IIR en/of UTPR, terwijl EU-geleide groepen volledig onder het regime blijven vallen?
De inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel zijn op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel niet van toepassing op entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een uiteindelijkemoederentiteit (hoofdkantoor) in de VS. Omdat de VS al als een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie zijn aangemerkt, is de UPE veiligehavenregel niet aan de orde. Daarbij merkt het kabinet op dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehaven-jurisdicties.
Acht u dit verschil in behandeling verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het streven naar een level playing field binnen de interne markt?
Binnen de Europese Unie is Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie van toepassing. Ingevolge de richtlijn hebben 22 EU-lidstaten de minimumbelasting ingevoerd met inbegrip van de binnenlandse bijheffing. Vijf lidstaten met minder dan twaalf hoofdkantoren hebben gebruik gemaakt van de uitstelmogelijkheid van artikel 50 van de richtlijn.2 Multinationale groepen zijn binnen de EU in het overgrote deel van de gevallen onderworpen aan een binnenlandse bijheffing over laagbelaste winsten ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
Kan het SbS Package erin resulteren dat (Nederlandse) bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar een Side-by-Side land teneinde te kunnen profiteren van de regeling?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Bent u voornemens het SbS Package in de Europese Unie te implementeren via artikel 32 van de Pillar Two-richtlijn? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze bepaling daarmee wordt gebruikt voor inhoudelijke beleidswijzigingen in plaats van louter administratieve vereenvoudiging?
De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar of de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgeving vaststellen. Het kabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO daarom telkens beoordelen en aan de hand daarvan – van geval tot geval – bepalen of de wettekst en de toelichting van de Wet minimumbelasting 2024 aanpassing behoeven.3 Dit geldt ook voor het thans afgesproken Side-by-Side pakket. Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd.4 Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot louter administratieve vereenvoudiging.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side Safe Harbour en de Qualified UPE Safe Harbour? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland zijn de Pijler 2-regels van toepassing in de vorm van de Wet minimumbelasting 2024. Daarom is er voor Nederland geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van deze dynamische verwijzing naar OECD-soft law met de Meroni-jurisprudentie van het Hof van Justitie, die delegatie van discretionaire bevoegdheden van politieke aard verbiedt?
De vraag wordt zo geïnterpreteerd dat met «deze dynamische verwijzing» artikel 32 van Richtlijn (EU) 2022/2523 wordt bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen.
Kunt u toelichten hoe rechtszekerheid voor belastingplichtigen wordt gewaarborgd, nu de kwalificatie van een «Qualified SbS Regime» berust op open en subjectieve criteria zoals een «materieel risico» en een «pragmatische, holistische beoordeling over tijd»?
Het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Welke regimes daarvoor in aanmerking komen, zal centraal worden bijgehouden. Belastingplichtigen kunnen zich hierdoor op de hoogte stellen welke regimes als een Qualified Side-by-Side-regime kunnen worden aangemerkt.
Deelt u de zorg dat de vaststelling van een «Qualified SbS Regime» plaatsvindt buiten de EU-rechtsorde, zonder effectieve rechterlijke toetsing, terwijl deze vaststelling directe gevolgen heeft voor de toepassing van EU-belastingregels?
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Het Hof van Justitie van de EU is in hoogste instantie bevoegd om het EU-recht uit te leggen. Dat geldt ook voor de uitleg van Richtlijn 2022/2523.
Heeft u laten toetsen of de SbS- en UPE-safe harbours kunnen kwalificeren als selectieve staatssteun? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd aan welke voorwaarden voorstellen tot EU regelgeving moeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels (artikelen 107 e.v. VWEU). Lidstaten mogen er vanuit gaan dat de Europese Commissie regelgeving conform het VWEU voorstelt en daarbij geen strijd met de regelgeving met betrekking tot staatssteun ontstaat. In dit verband verwijs ik naar de mededeling van 12 januari 2026, van de Europese Commissie (zie antwoord bij vraag 8).
Onderschrijft u dat, indien deze safe harbours als ongeoorloofde staatssteun zouden worden aangemerkt, lidstaten gehouden kunnen zijn tot terugvordering van belastingvoordelen, met mogelijk aanzienlijke retroactieve belastingclaims tot gevolg?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de juridische risico’s van implementatie van het SbS Package en toe te zeggen dat Nederland zich in EU-verband zal verzetten tegen elke implementatie die verder gaat dan zuivere administratieve vereenvoudiging?
Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting vóór de zomer van 2026 worden ingediend bij uw Kamer. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot zuivere administratieve vereenvoudiging.
Klopt het dat door het SbS Package Nederland 120 miljoen euro aan belastinginkomsten misloopt? Zo ja, waren deze inkomsten reeds ingeboekt in het inkomstenkader? Kunt u het verloop van de ramingen en de bijstellingen vanaf moment van opvoeren van de inkomsten uit de Wet minimumbelasting 2024 met de Kamer delen?
Bij de invoering in 2024 is geraamd dat Pijler 2 voor een structurele opbrengst van € 466 miljoen voor Nederland zou zorgen.5 Deze inkomsten zijn met aanname van de Wet minimumbelasting 2024 definitief ingeboekt in het inkomstenkader. Sinds 2024 maken de inkomsten uit pijler 2 daarmee deel uit van het basispad. De sindsdien aangebrachte wijzigingen in de Wet minimumbelasting 2024 hadden geen budgettaire gevolgen.
Met dit IF-akkoord is de situatie veranderd. De afgesproken aanpassingen leiden tot een budgettaire derving ten opzichte van het basispad. De derving van dit akkoord is voorlopig geraamd op circa € 120 miljoen per jaar. Bij de indiening van het wetsvoorstel ter uitvoering van dit akkoord zal, zoals gebruikelijk, een herijking plaatsvinden van deze budgettaire raming.
Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft de geraamde opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. De verwachting blijft dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af is doordat fiscaal gedreven investeringen en fiscaal gedreven winstverschuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst van Pijler 2 onzeker zijn, waarbij de gehele Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan. Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddelde vennootschapsbelastingtarief sinds de afspraken over Pijler 2 nu drie jaren op rij licht is gestegen, na tientallen jaren van daling.6 In een scenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnen ontstaan, met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennootschapsbelasting te verlagen. Gegeven de huidige opbrengsten uit de vennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard per jaar, zou een dergelijk scenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist hebben.
Naheffingen verbruiksbelasting. |
|
Arend Kisteman (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat ondernemers die voedingssupplementen in poedervorm produceren recent bericht hebben ontvangen van de Douane met de mededeling dat zij met terugwerkende kracht (vanaf 2020) alsnog verbruiksbelasting zijn verschuldigd1?
Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht2 en mogelijk lopende procedures kan ik niet op individuele gevallen ingaan, wel kan ik in het algemeen het volgende antwoorden.
De Douane is een uitvoeringsorganisatie en handhaaft de juiste toepassing van geldende wet- en regelgeving, onder meer op het gebied van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Voor de handhaving kan de Douane onder andere administratieve controles inzetten. Met dergelijke administratieve controles wordt aan de hand van de administratie gecontroleerd of belanghebbende zich in een vooraf bepaalde controleperiode aan de in die periode geldende wet- en regelgeving heeft gehouden.
Uit een administratieve controle kan blijken dat in het verleden niet is voldaan aan de destijds geldende wet- en regelgeving. Wanneer dat het geval is, kan de Douane naheffingen opleggen voor de in het verleden liggende controleperiode.
Op basis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen.3 Dat betekent kort gezegd dat de belasting die te weinig is afgedragen, alsnog moet worden voldaan. De bevoegdheid tot naheffing vervalt vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.4 In het jaar 2025 kan er dus een naheffing worden opgelegd over belasting die een belanghebbende was verschuldigd in het kalenderjaar 2020. Het op deze manier uitvoeren van administratieve controles is zeer gebruikelijk. Belasting wordt uiteraard alleen nageheven als blijkt dat een belanghebbende niet aan wet- en regelgeving heeft voldaan waardoor te weinig of geen belasting is afgedragen.
Uiteraard beschikken belanghebbenden hierbij over rechtsmiddelen. Als een belanghebbende het niet eens is met de naheffing omdat hij bijvoorbeeld van mening is wél aan wet- en regelgeving te hebben voldaan, kan hij bezwaar maken tegen de naheffingsaanslag. Uiteindelijk kunnen belanghebbenden hierover bij de belastingrechter terecht. Naast de genoemde rechtsmiddelen bestaan er ook betalingsregelingen om te voorkomen dat belanghebbenden financieel in de problemen komen. Als belanghebbenden een aanslag hebben ontvangen die niet tijdig kan worden betaald, kan bij de Douane uitstel van betaling of een betalingsregeling worden aangevraagd.
Te allen tijde is van belang dat wordt gecontroleerd op basis van de geldende wet- en regelgeving in de controleperiode zelf. Die wet- en regelgeving is leidend bij de administratieve controle. Ook wordt bij een eventuele naheffing rekening gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Klopt het dat de Douane een aantal van deze ondernemers heeft bezocht en dat dit heeft geleid tot een sommering of gaat leiden tot een sommering om met terugwerkende kracht de verbruiksbelasting alsnog te voldoen? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dan ook dat ondernemers alleen op de hoogte konden zijn van deze verbruiksbelasting door het handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken op de website van de Douane te lezen? Deelt u dan ook de mening dat dit voor ondernemers een lastige taak is om continu te volgen?
Vooropstaat dat de wet altijd leidend is. Die wet wordt geacht kenbaar te zijn voor belastingplichtigen en het is de plicht van de belastingplichtige zich hieraan te houden. In het geval een wetswijziging ophanden is, wordt dit ruim van tevoren aangekondigd en gecommuniceerd. Wat betreft producten die onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken vallen, geldt dat de wet sinds 1993 zo goed als ongewijzigd is gebleven.5 Naast wetgeving heeft de Douane ook handboeken, waarnaar de leden verwijzen. In deze handboeken wordt wet- en regelgeving uitgelegd met verwijzing naar van toepassing zijnde jurisprudentie. In een handboek worden primair instructies gegeven voor de operationele medewerkers van de Douane zodat de wet zo consistent mogelijk kan worden toegepast. Met het oog op een transparante overheid is het handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken in 2017 openbaar gemaakt, waardoor externen ook het handboek kunnen raadplegen. Het handboek is in die zin een service en een verduidelijking van de wet- en regelgeving naar buiten toe.
Communicatie vindt plaats via regulier contact tussen de Douane en het bedrijfsleven, bijvoorbeeld via het Overleg Douane Bedrijfsleven (ODB), het Douane Contact Center (DCC) of bij individuele klantbehandeling.
De Douane zet zich in voor transparantie, communicatie en dienstverlening. Openbaarmaking van bijvoorbeeld handboeken, verslagen van coördinatie- of kennisgroepen en kennisgroepstandpunten dragen hier in positieve zin aan bij.
Hoe kijkt u aan tegen de kans dat deze bedrijven failliet gaan of ons land zullen verlaten door het innen van deze verbruiksbelasting met terugwerkende kracht? Wat wil hij hieraan doen?
Zoals eerder toegelicht, kan de inspecteur belasting naheffen tot vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. De nageheven bedragen zien op te weinig of niet betaalde belasting. Kortgezegd, de belanghebbende zou deze belasting in de vijf voorgaande jaren reeds betaald moeten hebben bij juiste toepassing van geldende wet- en regelgeving. Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat bedrijven financieel in de problemen komen of het land verlaten door de heffing en inning van belastingen. Ondernemers kunnen bij de Douane een verzoek doen om uitstel van betaling of een betalingsregeling. Uiteraard geldt wel dat belasting die is verschuldigd, dient te worden voldaan. Dit is onder andere van belang in het kader van gelijkheid tussen belastingplichtige ondernemers onderling en tussen ondernemers en burgers.
Volgens de wet zouden deze bedrijven een vergunning moeten hebben voor Inrichting voor Verbruiksbelastinggoederen (IVV): hoe kan het dat geen van deze acht producenten de vergunning heeft en hier niet van op de hoogte was?
Zoals hiervoor aangegeven kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Op basis van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken geldt dat voor de productie van verbruiksbelastinggoederen vooraf een vergunning inrichting voor verbruiksbelastinggoederen («IVV») door de inspecteur moet zijn afgegeven. Voor goederen die zijn uitgezonderd van verbruiksbelasting is een dergelijke vergunning wettelijk niet vereist. Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer om aan alle geldende wet- en regelgeving te voldoen. Zoals gezegd ga ik hier niet verder in op individuele gevallen.
Waarom worden deze bedrijven nu alsnog verplicht deze vergunning aan te vragen en klopt het dat zij met sluiting worden gedwongen als zij dit niet doen?
Ik herhaal graag dat ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht en mogelijk lopende procedures niet in kan gaan op individuele gevallen. In het algemeen geldt het volgende. Als uit de administratieve controle blijkt dat de goederen die worden geproduceerd belast zijn met verbruiksbelasting, dan moet de betreffende belanghebbende alsnog een vergunning IVV aanvragen bij de inspecteur. Het is ter beoordeling van de inspecteur of wordt voldaan aan de voorwaarden zodat de vergunning kan worden afgegeven.
Het is wettelijk verboden om verbruiksbelastinggoederen te produceren zonder een daarvoor aangewezen vergunning. Het tot sluiting dwingen van bedrijven behoort niet tot de bevoegdheden van de Douane.
Hoe kijkt u aan tegen de interpretatie dat voedingssupplementen in poedervorm die wei bevatten, onder ranja vallen en gaat die strekking dan niet veel verder dan ooit de bedoeling was bij het opstellen van de wet?
Alcoholvrije dranken in vaste vorm (bijvoorbeeld poeder) of als concentraat die zijn bestemd om door aanlenging alcoholvrije dranken te maken die kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken, worden al sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993 belast.6Dergelijke dranken worden belast aan de hand van een omrekening van het volume van het product in vaste of geconcentreerde vorm naar het volume van een alcoholvrije drank op basis van de factor 4. Dat betekent dat 1 liter concentraat wordt belast als 4 liter gereed product.
Wei of andere alcoholvrije dranken die wei bevatten, zijn expliciet niet uitgezonderd van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Ook niet als zij in vaste vorm of als concentraat worden aangeboden. De wet beschrijft dat melk of uit melk bereide dranken, «niet zijnde een uit wei of weiproducten vervaardigde drank», zijn vrijgesteld van de belasting. Ook deze zinsnede staat reeds sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993 in de wet.7 Er is daarbij geen grens bepaald van de hoeveelheid wei die aanwezig moet zijn om te spreken van een uit wei of weiproducten vervaardigde drank.
Dat de preparaten in poedervorm, zoals beschreven door de leden, worden belast onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is dus geen onbedoeld gevolg van de wet. Deze preparaten maken geen onderdeel uit van de richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Er zijn dan ook geen gezondheidsargumenten om deze preparaten een uitzonderingspositie te geven.
Bent u het ermee eens dat ondernemen in Nederland weer leuk moet worden, dat we onze ondernemers moeten koesteren en moeten voorkomen dat zij de ons land verlaten?
Het kabinet zet zich onverminderd in voor een goed ondernemingsklimaat in Nederland, met de juiste randvoorwaarden. Zoals een sterke internationale concurrentiepositie en een gelijk speelveld tussen bedrijven. Juist in het kader van een gelijk speelveld tussen bedrijven is het van belang dat belasting wordt nageheven als blijkt dat een belanghebbende niet aan wet- en regelgeving heeft voldaan waardoor te weinig of geen belasting is afgedragen.
Het artikel ‘Vesteda moet woningen verkopen omdat investeerders uitstappen’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat woningbelegger Vesteda mogelijk woningen moet verkopen, omdat een groot deel van de investeerders uit het fonds wil stappen?1
Klopt het dat institutionele beleggers voor een aanzienlijk deel van het fondsvermogen uitstapverzoeken hebben ingediend en dat dit kan leiden tot de verkoop van duizenden huurwoningen?
Deelt u de zorg dat dergelijke uitstroom van institutioneel kapitaal kan leiden tot:
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling dat buitenlandse institutionele beleggers in Nederland nog slechts circa twee procent van de woninginvesteringen vertegenwoordigen, terwijl dit aandeel in andere Europese landen vaak tussen de 20 en 50 procent ligt?
Deelt u de analyse dat Nederland zich daarmee internationaal uit de markt prijst voor institutioneel woningkapitaal?
In hoeverre spelen volgens u fiscale factoren een rol bij deze ontwikkeling?
Kunt u per maatregel aangeven in hoeverre deze effect heeft op investeringen in woningbouw door institutionele beleggers:
Heeft het kabinet een integrale analyse gemaakt van het cumulatieve effect van deze maatregelen op het investeringsklimaat voor woningbouw?
Klopt het dat de Wet op de vennootschapsbelasting geen onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen, maar dat het verschil in behandeling voornamelijk voortkomt uit de uitvoeringspraktijk van het besluit uit 2017?
Klopt het dat buitenlandse pensioenfondsen in de praktijk moeten aantonen dat zij aan circa twaalf criteria voldoen voordat zij als vergelijkbaar met Nederlandse pensioenfondsen worden aangemerkt?
Hoeveel verzoeken tot toepassing van deze vrijstelling zijn de afgelopen tien jaar ingediend en hoeveel daarvan zijn toegewezen?
Hoe verhoudt deze uitvoeringspraktijk zich tot het Europese beginsel van vrij verkeer van kapitaal?
Tijdens de parlementaire behandeling van de wijziging van het FBI-regime zijn alternatieven besproken, zoals een semi-transparant vastgoedbeleggingsregime: waarom is destijds niet gekozen voor een dergelijk alternatief?
Wordt momenteel onderzocht of een REIT-achtig regime voor Nederlandse woningen kan bijdragen aan het aantrekken van internationaal institutioneel kapitaal?
Klopt het dat aanpassing van het besluit uit 2017 mogelijk zou zijn zonder wetswijziging
Ziet het kabinet ruimte om de vergelijkbaarheidstoets voor buitenlandse pensioenfondsen meer functioneel toe te passen, bijvoorbeeld op basis van:
Bent u bereid te onderzoeken of een eenmalige kwalificatie voor buitenlandse pensioenfondsen mogelijk is om meer rechtszekerheid te creëren?
Deelt u, gezien de jaarlijkse investeringsbehoefte van circa 40 miljard euro voor woningbouw, de analyse dat het aantrekken van internationaal langetermijnkapitaal noodzakelijk is om deze opgave te realiseren?
Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om Nederland weer aantrekkelijker te maken voor institutionele beleggers in woningbouw?
Het bericht 'Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Moes , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee»?1
Ja, dat heb ik.
Deelt u de mening dat carnaval onderdeel is van ons culturele immateriële erfgoed?
Ja, die mening deel ik van harte. Carnaval is een levendige traditie die generaties verbindt, gemeenschappen samenbrengt en een onmiskenbaar onderdeel vormt van het culturele leven in Nederland, zeker in de zuidelijke provincies en Twente.
Maakt u zich ook zorgen over de toekomst van carnaval doordat verenigingen onder druk staan van regeldruk en bureaucratie?
De signalen in het genoemde artikel kwamen ook naar voren in de evaluatie van het immaterieel erfgoedbeleid, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de kamerbrief «Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen».2
Deze signalen passen in een bredere zorg over verenigingsleven in Nederland. Om de regeldruk te verminderen zijn al acties in gang gezet (zie vraag 8 en 9). Ook de kabinetsvoornemens om de regeldruk voor vrijwilligersverenigingen te verminderen en de aansprakelijkheid van vrijwilligers te beperken, kunnen in dit licht worden gezien.
Ondanks dat er zorgen zijn heb ik ook veel vertrouwen in de kracht van de carnavalsverenigingen. Ik zie dat carnaval onverminderd van grote waarde is in de zuidelijke provincies en Twente, waar gemeenschappen met veel enthousiasme samen wagens bouwen en carnaval vieren.
Bent u van mening dat milieuzones in binnensteden geen belemmering moeten vormen voor praalwagens in optochten?
Gemeenten gaan over de invoering en handhaving van milieuzones en zero-emissiezones. Deze zones hoeven geen belemmering te zijn voor praalwagens in optochten.
Praalwagens en carnavalswagens worden vaak getrokken door (landbouw)tractoren. Tractoren vallen niet onder milieuzones of zero-emissiezones, dus worden hier ook niet door belemmerd.
Op dit moment worden alleen de meest vervuilende dieselbestelauto’s en vrachtwagens geweerd in milieuzones en zero-emissiezones. Mocht een dergelijke dieselbestelauto of vrachtwagen nodig zijn voor het trekken van een praalwagen dan kan een ontheffing mogelijk zijn, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule van de gemeente. Daarnaast zijn er dagontheffingen aan te vragen via het landelijke Centraal Loket van de RDW. Dit kan tot twaalf keer per jaar per gemeente.
Wat vindt u van de toegenomen eisen die gesteld worden aan vrijwillige verkeersregelaars bij optochten?
De «Regeling verkeersregelaars» is niet aangepast waardoor er geen toegenomen eisen voor verkeersregelaars zijn. Deze regeling voorziet in twee soorten verkeersregelaars: de evenementenverkeersregelaar en de beroepsverkeersregelaar.
Evenementenverkeersregelaars kunnen bij evenementen al eenvoudige verkeersregelende taken uitvoeren na het afleggen van een gratis te volgen e-instructie als opleiding. Voorafgaand aan het evenement is de organisatie verplicht het team van verkeersregelaars nadere instructies te geven, zoals waar iedereen moet staan en wanneer een kruispunt weer kan worden vrijgegeven.
Beroepsverkeersregelaars worden ingezet bij onder andere wegwerkzaamheden en het regelen van verkeer bij complexere verkeerssituaties. Deze verkeersregelaars volgen een opleiding en een praktijkexamen, waarmee een aanstelling als beroepsverkeersregelaar kan worden aangevraagd.
Aan welke eisen een carnavalsvereniging qua verkeersregelaars moet voldoen, is aan de gemeente die de evenementenvergunning verleent. Ook kan het zijn dat bij afgesloten gebieden geen of minder beroepsverkeersregelaars nodig zijn dan wanneer een carnavalsoptocht drukke wegen passeert.
Bent u bereid om in gesprek te treden met verzekeraars om deregulering te bewerkstelligen, aangezien de verzekeringsvoorwaarden en bureaucratie in relatie tot praalwagens is toegenomen?
Alle motorrijtuigen, dus ook praalwagens, moeten op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd zijn voor schade die het motorrijtuig aan derden veroorzaakt. Deze verzekeringsplicht geldt al sinds 1965 en heeft als doel om derden, zoals toeschouwers en personen die op de wagen meerijden, te beschermen.
Ik deel de mening dat onnodige bureaucratie vermeden moet worden. Met dit doel is het voor praalwagens en carnavalsoptochten mogelijk om een collectieve verzekering af te sluiten; een optochtverzekering. Deze optochtverzekering is bedoeld om het bezitters en kentekenhouders van praalwagens makkelijker te maken om een verzekering af te sluiten.
Voor verzekeraars is het mogelijk in de verzekeringsovereenkomst aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld met het oog op beperking van het risico. Daarbij geldt dat als zich een ongeval met een praalwagen voordoet, dit al snel ernstige gevolgen heeft, nu hierbij veel slachtoffers betrokken kunnen zijn; zowel personen die op de wagen meerijden als omstanders. Het is dan ook van belang dat het risico op een ongeval zo beperkt mogelijk blijft. Er is daarom op dit moment geen aanleiding voor een gesprek met verzekeraars.
Deelt u de mening dat er een uitzonderingsmogelijkheid op de kentekenplicht kan gelden voor praalwagens?
In Nederland geldt een kentekenplicht voor een groot gedeelte van de voertuigen die zich op de openbare weg begeven. Het gaat daarbij onder andere om personenauto’s, bedrijfsauto’s/ bestelauto’s, vrachtwagens landbouw- en bosbouwvoertuigen, landbouwaanhangwagens en mobiele machines. Voor praalwagens is de kentekenplicht afhankelijk van het type voertuig dat gebruikt wordt. Dit zorgt ervoor dat de verkeersveiligheid voor zowel bestuurders als omstanders wordt geborgd.
Ik verwijs graag naar de beantwoording van eerder gestelde Kamervragen, waarin verder inhoudelijk op dit vraagstuk wordt ingegaan.3
Deelt u de mening dat de stapeling van lokale regels, vergunningseisen en aanvullende voorschriften ertoe leidt dat carnavalsverenigingen onevenredig veel tijd en middelen kwijt zijn aan administratie in plaats van aan het organiseren van optochten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze regeldruk te verminderen?
Uit onderzoek van het Netwerk Levend Erfgoed, mede in het kader van de motie Oostenbrink4, blijkt dat gemeenschappen met festiviteiten in de openbare ruimte, waaronder carnavalsverenigingen, veel vergunningsdruk ervaren. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het rapport van het Nationaal Klimaatplatform over de toekomstbestendigheid van de evenementensector, «De Toon maakt de muziek»5. Ik ben over dit advies in gesprek met de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Binnen de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 verkennen OCW, VNG en IPO samen met de sector de mogelijkheden om wet- en regelgeving voor vrijwilligersorganisaties -met behoud van veiligheid- laagdrempeliger te maken. Naar aanleiding van de motie Oostenbrink zijn er specifiek voor streekevenementen, zoals carnaval, werksessies met VNG, gemeenten en vrijwilligersorganisaties om te komen tot een werkvorm waarin gemeenten en vrijwilligersorganisaties met elkaar in gesprek gaan over knelpunten die door deze organisaties ervaren worden bij vergunningverlening.
Naar aanleiding van eerder gestelde Kamervragen6 verricht het Ministerie van VWS onderzoek naar de regeldruk omtrent praalwagens. Onderzocht wordt hoe tot een lastenverlichting voor carnavalsverenigingen gekomen kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2027 gepubliceerd.
Tot slot wordt de motie Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal uitgevoerd7. Deze motie verzoekt de regering om voor eind 2025 een brede inventarisatie op elk departement te doen van welke 500 regels geschrapt of de regeldruk verminderd kan worden8. Hierover worden ministerie-overstijgende overleggen gevoerd.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en veiligheidsregio’s, te bezien hoe meer ruimte kan worden geboden aan initiatieven voor carnavalsoptochten, bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van procedures en het creëren van proportionele en werkbare kaders, zodat verenigingen worden gestimuleerd in plaats van belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Proportionele kaders voor evenementenvergunningen zijn een kabinetsbrede opgave. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor immaterieel erfgoed pleit ik ervoor dat carnaval en vergelijkbare tradities een herkenbare plek krijgen in deze bredere vereenvoudigingsoperatie. Daarnaast komt veel van de voor carnavalvieringen relevante regelgeving vanuit gemeenten. Via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 ben ik in gesprek met gemeenten. Deze gesprekken sluiten ook aan bij de lopende uitvoering van de motie Oostenbrink.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om carnaval actiever te promoten als immaterieel cultureel erfgoed van Nederland, teneinde het draagvlak en de waardering voor deze traditie te vergroten?
Bewustwording van de culturele en maatschappelijke waarde van immaterieel erfgoed, zoals carnaval, is een belangrijk onderdeel van mijn beleid voor immaterieel erfgoed. Het door mij gefinancierde Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) heeft als een van haar kerntaken het vergroten van de zichtbaarheid van immaterieel erfgoed bij gemeenten, provincies, instellingen en het brede publiek. Een voorbeeld hiervan is de door KIEN gecoördineerde Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die de diversiteit van Nederlandse tradities zichtbaar maakt.
Kunt u, indachtig het belang van het behoud van Nederlandse tradities, toezeggen dat u zich ervoor zal inzetten dat carnaval niet ten onder gaat aan een overmaat aan regels en bureaucratie, zodat ook toekomstige generaties – van Prins Carnaval tot Raad van Elf – onbezorgd de polonaise kunnen blijven lopen?
Carnaval leeft door de mensen die er jaar in jaar uit hun schouders onder zetten; de wagenbouwers, de bestuursleden en de verkeersregelaars. Het is mijn taak en die van het kabinet om ervoor te zorgen dat de overheid hen daarin ondersteunt en niet belemmert. Dat is de richting die het coalitieakkoord «Aan de slag» bevestigt met de aandacht voor verenigingsleven en het terugdringen van regeldruk voor maatschappelijke organisaties.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»1?
Ja.
Klopt het dat in 2025 slechts twee procent van de investeringen in de woningbouw door institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen) uit het buitenland kwam? Hoe hoog is dat percentage in andere landen?
Volgens Capital Value zijn in 2025, met een bedrag van 5,3 miljard euro, de investeringen in nieuwbouw huurwoningen tot een recordhoogte gestegen. Dit getal bevat zowel investeringen van corporaties als marktpartijen. Het aandeel internationale investeringen in nieuwbouw van het investeringsvolume in huurwoningen door beleggers is volgens Capital Value echter sterk gedaald van bijna 32% in 2022 naar 1% in 20252. Vrijwel alle investeringen in huurwoningen zijn van institutionele beleggers en corporaties. Onduidelijk is hoe groot precies de rol van institutionele beleggers is in de woningmarkt van andere Europese landen.
Hoeveel investeringen zijn de komende jaren nodig om te zorgen voor voldoende woningbouw in Nederland?
Uit de meest recente Woningmarktverkenning van ABF blijkt dat er in de periode 2025–2039 in totaal circa 1,2 miljoen woningen moeten worden toegevoegd3. Een deel hiervan zal gefinancierd worden door particuliere kopers, een deel door corporaties en een deel door (buitenlandse) private investeerders. De totale investeringsopgave tussen 2025 en 2039 – huur en koop tezamen – schat het kabinet op 300 tot 350 miljard euro.
Hoeveel huurwoningen hebben buitenlandse en binnenlandse investeerders toegevoegd in 2023 en 2024?
Investeerders hebben volgens Capital Value in 2023 en 2024 respectievelijk 5.300 en 6.000 nieuwbouwhuurwoningen gekocht. Het aandeel geïnvesteerd volume van internationale investeerders in deze jaren is respectievelijk 13% en 3%.4 Het aandeel internationale investeerders in nieuwbouw neemt sinds een aantal jaar af. In 2021 en 2022 bedroeg het aandeel nog respectievelijk 27% en 32%, om vervolgens te dalen naar 13% in 2023 en 3% in 2024. Desalniettemin zijn de totale investeringen in nieuwe huurwoningen uiteindelijk verdubbeld ten opzichte van 2023 en 2024.
Hoeveel investeringen zijn momenteel afkomstig uit kapitaal van binnenlandse institutionele beleggers? Is het uw verwachting dat binnenlandse investeringen door institutionele beleggers alle noodzakelijke investeringen in de woningbouw kunnen dekken de komende jaren?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vorige vragen zijn in 2025 nagenoeg alle investeringen in nieuwbouw huurwoningen van binnenlandse institutionele investeerders en corporaties. Capital Value geeft aan dat particuliere investeerders en buitenlandse institutionele investeerders nagenoeg afwezig zijn in de nieuwbouw. In het artikel wordt gesteld dat Nederlandse pensioenfondsen al meer dan hun redelijke aandeel in Nederlandse woningen hebben belegd. In gesprekken met verschillende pensioenfondsen wordt aangegeven dat zij in veel gevallen tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico en spreidingsoverwegingen zit hier een limiet aan. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, wat bent u van plan om te doen om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om te investeren in de woningbouw in Nederland?
In het Coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Het kabinet komt met een ministeriële taskforce Versnelling Woningbouw die de koers uitzet voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Ook het investeringsklimaat komt in deze taskforce terug. Het kabinet zal uw Kamer vanzelfsprekend over de voortgang van deze taskforce informeren.
Welke stappen zijn er de afgelopen twee jaar gezet om Nederland aantrekkelijk te houden voor buitenlandse en binnenlandse investeerders?
Het vorige kabinet heeft het tarief in de overdrachtsbelasting al naar 8% verlaagd. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Daarnaast is ter opvolging van de Woontop 2024 in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (hierna: VRO) en het Ministerie van Financiën vorig jaar onderzoek verricht door onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek naar de staat van het investeringsklimaat voor middenhuurwoningen. Een kabinetsreactie op dit onderzoek volgt in Q2.
Tot slot is het ook van belang om in contact te blijven met buitenlandse investeerders om te begrijpen wat de knelpunten zijn, om hen te informeren over ons beleid en om de kansen voor investeringen in de woningbouw uit te lichten. Met dit doel is een afvaardiging van BZK aanwezig op de Expo real in München. Daarnaast werken we als lid van Holland Metropole samen met de verschillende grote steden en marktpartijen om investeringskansen in de Nederlandse woningbouw uit te dragen richting buitenlandse investeerders.
Kunt u bevestigen dat de opmerking over de vennootschapsbelasting in het in vraag 1 genoemde artikel de wijziging van het regime voor de fiscale beleggingsinstelling («fbi») per 1 januari 2025 betreft? Zo nee, op welke wetswijziging ziet de opmerking dan?
Het kabinet kan zich voorstellen dat hier wordt gedoeld op de wijziging van het fbi-regime. Het fbi-regime beoogt collectief beleggen te faciliteren door het voorkomen van extra belastingheffing op het niveau van de beleggingsinstelling ten opzichte van rechtstreeks beleggen. Met dit doel is de fbi subjectief belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, maar wordt de winst belast tegen een tarief van 0%. Het uitgekeerde dividend naar de participanten in de fbi wordt in beginsel belast met dividendbelasting, met dien verstande dat de dividendbelasting in beginsel een voorheffing is op de inkomsten- of vennootschapsbelasting op het niveau van de aandeelhouder en ook verschillende tegemoetkomingen kent.5 Zo kan in voorkomende gevallen bijvoorbeeld een beroep worden gedaan op een vrijstelling of (gedeeltelijke) teruggaaf op basis van de wet of een belastingverdrag. Met ingang van 1 januari 2025 is het fbi-regime gewijzigd (de zogenoemde vastgoedmaatregel). De vastgoedmaatregel beoogt de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed zo vorm te geven dat weer belasting kan worden geheven. Voordat deze wijziging van het fbi-regime was ingevoerd, was er sprake van twee heffingslekken, waarbij Nederland in een aantal grensoverschrijdende gevallen het heffingsrecht over Nederlands vastgoed niet kon effectueren.6
Als gevolg van de wijziging van het fbi-regime is het niet langer mogelijk voor een fbi om direct in Nederlands vastgoed te beleggen. Een lichaam dat direct in Nederlands vastgoed belegt, is met ingang van 1 januari 2025 in beginsel regulier vennootschapsbelastingplichtig.7 Anders gezegd: in de oude situaties betaalden sommige buitenlandse beleggers in beginsel dus geen belasting in Nederland over winsten uit Nederlands vastgoed, terwijl dit niet conform de bedoeling van de wet is. Met deze maatregel zijn buitenlandse investeerders in Nederlands vastgoed belastingplichtig voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. Zodat buitenlandse investeerders (net als Nederlandse investeerders) ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is omvorming naar een fiscaal transparante structuur genoemd als een werkbaar alternatief voor onder andere pensioenfondsen, klopt het dat voor buitenlandse (zowel EU als non-EU) pensioenfondsen het verkrijgen van een subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting ingewikkeld is? Wat zijn de criteria en hoe toetst de Belastingdienst deze criteria?
Pensioenfondsen zijn in de regel subjectief vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is voor het fiscaal neutraal beleggen in vastgoed voor pensioenfondsen het participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt als alternatief genoemd voor het beleggen in een fbi. Een transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Omdat als gevolg van die transparantie vennootschapsbelasting wordt geheven op het niveau van de participanten, kunnen pensioenfondsen hun subjectieve vrijstelling blijven effectueren.8
Daarnaast merkt het kabinet op dat de Belastingdienst voornemens is te kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit nog actueel zijn en modernisering behoeven.9 Een eventuele modernisering van de voorwaarden vergt een nadere uitwerking en moet zorgvuldig gebeuren. Voor de pensioenfondsvrijstelling is en blijft (conform het wettelijke kader) van belang dat er sprake moet zijn van een buitenlandse pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden moeten dus worden bezien in het licht van de Nederlandse Pensioenwet. Een aanpassing die verder gaat dan een modernisering binnen het huidige wettelijke kader zou ertoe kunnen leiden dat buitenlandse «pensioenfondsen» onder de vrijstelling worden gebracht die als zij een Nederlands fonds waren geen recht zouden hebben op de pensioenfondsvrijstelling en meer lijken op een beleggingsfonds. Dat kan ook leiden tot budgettaire gevolgen in de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting.10
De subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting voor pensioenfondsen is gestoeld op i) de gedachte dat pensioenfondsen naar hun aard geen winst maken omdat hun resultaten steeds ten goede komen aan de uitkeringsgerechtigden, en ii) de maatschappelijke functie die deze fondsen kenmerkt, dat ziet op de verzorging van (gewezen) werknemers voor de gevolgen van ouderdom en ziekte op basis van solidariteit en collectiviteit.11 Naast Nederlandse pensioenfondsen, kunnen ook in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting. In het buitenland gevestigde pensioenfondsen zijn vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. In het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb12 zijn in onderdeel 3.1.1. cumulatieve criteria opgenomen aan de hand waarvan de Belastingdienst aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval toetst of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Het toetsen daarvan kan voor buitenlandse pensioenfondsen bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen. In gesprek met het Ministerie van VRO meldt de sector dat het ontbreken van zekerheid over de vrijstelling in de Vpb tot afstel van investeringen leidt.
De voorwaarden vereisen onder andere dat het pensioenlichaam moet voldoen aan de werkzaamhedeneis13 en de winstbestemmingseis14 zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Vpb 1971. Voor de pensioenregeling wordt onder andere als voorwaarde gesteld dat er sprake is van een verplichte deelname voor werknemers en een verplichte verzekering, dat de pensioenregeling voorziet in een ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat er – behoudens een kleine uitzondering – een afkoopverbod geldt. Dit onderdeel uit het beleidsbesluit bevat daarnaast een tweetal specifieke goedkeuringen ten aanzien van de begunstigden van de pensioenregeling en het afkoopverbod.
De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn eveneens relevant voor buitenlandse pensioenfondsen die via een belang in Nederlandse vennootschappen inkomen genereren, zoals inkomen uit het beleggen in aandelen of vastgoed. Buitenlandse pensioenfondsen ontvangen dividenden uit deze Nederlandse vennootschappen. Ten aanzien van een buitenlands pensioenfonds mag onder voorwaarden inhouding van dividendbelasting achterwege blijven of wordt een teruggaaf verleend van de ingehouden dividendbelasting. Hierbij geldt onder meer als voorwaarde dat het buitenlandse pensioenfonds in Nederland een beroep zou kunnen doen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er ook situaties bestaan waarin een belastingverdrag voorziet in een teruggaaf van dividendbelasting voor pensioenfondsen (bijvoorbeeld in de belastingverdragen met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten). Voor een in deze landen gevestigd pensioenfonds, dat voldoet aan de voorwaarden die het belastingverdrag stelt, bestaat reeds op die grond een recht op teruggaaf van dividendbelasting.
Hoeveel verzoeken heeft de Belastingdienst hiervoor ontvangen en wat is hiervan de gemiddelde doorlooptijd? Welk aandeel van de verzoeken is toegewezen en welk aandeel van de verzoeken is afgewezen?
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting en verzoeken waarin door buitenlandse pensioenfondsen om een teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd.
Verzoeken om zekerheid vooraf vallen onder het internationale vooroverleg en moeten voldoen aan de daarvoor geldende eisen, zoals vastgelegd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter.15 Sinds de inwerkingtreding van dit besluit in 2019 zijn 30 verzoeken om vooroverleg over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting ontvangen. Hiervan zijn momenteel 9 verzoeken in behandeling. Van de 21 verzoeken die al zijn afgehandeld zijn er 9 toegewezen. De overige verzoeken zijn niet toegekend. Er zijn verschillende redenen waarom een verzoek niet wordt toegekend. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter of omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de subjectieve vrijstelling. De gemiddelde doorlooptijd van de toegewezen verzoeken bedraagt ruim een jaar.
Voor de verzoeken waarin om teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd, geldt dat informatie, waaronder het aantal verzoeken, de doorlooptijd en het aandeel toegewezen verzoeken, niet gestructureerd voorhanden is.
Maakt de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 het investeren in Nederlandse woningbouw minder aantrekkelijk voor buitenlandse (institutionele) investeerders, zoals buitenlandse pensioenfondsen, dan voor Nederlandse pensioenfondsen die een subjectieve vrijstelling genieten?
Met de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 wordt voorkomen dat in bepaalde gevallen geen Nederlandse belasting wordt geheven over winsten uit Nederlands vastgoed. Ondanks deze wijziging in het fbi-regime kunnen buitenlandse pensioenfondsen nog altijd fiscaal aantrekkelijk in Nederlands vastgoed investeren zolang wordt voldaan aan de criteria zoals beschreven in het antwoord op vraag 9. Zij genieten dan dezelfde vrijstelling voor de vennootschapsbelasting (en de dividendbelasting) als binnenlandse pensioenfondsen.
Zoals gezegd, is het fbi-regime aangepast met als doel de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed evenwichtiger te maken, zodat buitenlandse investeerders die gebruik maakten van de heffingslekken met ingang van 1 januari 2025 ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.16 Hiervoor wordt ook naar de beantwoording van vraag 8 verwezen. De wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 geldt voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers. Door deze wijziging, ook wel de vastgoedmaatregel, is het een fbi niet langer toegestaan om direct te beleggen in Nederlands vastgoed. Daardoor kunnen pensioenfondsen niet langer fiscaal neutraal (onbelast) beleggen door te beleggen in een fbi. Het blijft voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers mogelijk om (fiscaal neutraal) te participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt, zoals uit de beantwoording van vraag 9 volgt. Een dergelijk transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. In beginsel is de achterliggende participant wel vennootschapsbelastingplichtig, tenzij deze een beroep kan doen op een vrijstelling. Het kabinet erkent dat het gevolg van het dichten van voorgaande heffingslekken ertoe leidt dat partijen die voorheen middels een fbi in vastgoed investeerden maar niet voor de pensioenfondsvrijstelling kwalificeren, daardoor met ingang van 1 januari 2025 ook regulier vennootschapsbelastingplichtig zijn geworden. Hierdoor ontstaat voor die partijen een hogere belastingdruk dan voorheen het geval was. Vanuit de sector wordt dan ook aangegeven dat de vastgoedmaatregelen ervoor hebben gezorgd dat het minder aantrekkelijk is voor buitenlandse investeerders om te investeren in Nederlandse huurwoningen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat in het verleden buitenlandse vastgoedbeleggers vooral betrokken waren bij commercieel vastgoed en slechts voor 2 procent van de investeringen via vastgoed-fbi’s bij investeringen in woningen betrokken waren.17
Welke alternatieven die zijn aangedragen tijdens het wetgevingsproces rondom de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 hadden voor minder impact op buitenlandse investeringen in Nederlandse woningbouw gezorgd? Waarom is bij het wetsvoorstel niet gekozen voor één van die alternatieven? In hoeverre zouden buitenlandse (private) investeringen de noodzaak voor publieke investeringen in de woningbouw kunnen vervangen?
Het kabinet Rutte IV heeft onder meer onderzoek gedaan naar alternatieve opties voor beursgenoteerde vastgoed-fbi’s.18 Uiteindelijk is niet voor deze opties gekozen. In plaats daarvan is ervoor gekozen de toepassing van het fbi-regime niet langer toe te staan in het geval een lichaam direct in Nederlands vastgoed belegt. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat andere oplossingsrichtingen leiden tot een toenemende complexiteit en het voortbestaan van heffingslekken, dan wel niet snel genoeg dichten van de heffingslekken. Ook leiden deze alternatieven ertoe dat de geraamde budgettaire opbrengst lager uitvalt. Met de voorgestelde vastgoedmaatregel heeft het kabinet Rutte IV gekozen voor een robuuste oplossing om de heffingslekken in het fbi-regime te dichten.19 De woningbouwopgave in Nederland is groot: dat betekent dat we alle partijen nodig hebben die investeren, zowel buitenlandse en binnenlandse private investeringen als publieke investeringen.
Deelt u de mening dat dit probleem met «een paar pennenstreken» opgelost kan worden?
Nee, die opvatting deelt het kabinet niet. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Alternatieve opties die destijds waren overwogen om het heffingslek te dichten, waren fiscaaltechnisch complexer of op korte termijn niet haalbaar, omdat dit bijvoorbeeld een aanpassing van belastingverdragen vergde. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van een nieuw fiscaal regime is echter ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.20 De juridische houdbaarheid, rekening houdend met de Europeesrechtelijke aspecten, en uitvoerbaarheid zijn belangrijke onderdelen die moeten worden meegewogen. De vormgeving van een REIT-regime moet worden afgestemd op het doel dat ermee wordt beoogd en passen binnen de geldende (Europeesrechtelijke) kaders. Een REIT-regime moet voldoende waarborg bieden dat er geen heffingslekken ontstaan, zoals de heffingslekken in het fbi-regime die per 1 januari 2025 zijn gedicht. Daarnaast geldt dat het invoeren van een REIT-regime een tegemoetkoming is voor belastingplichtigen die daarom naar verwachting een budgettaire derving tot gevolg heeft die budgettair gedekt moet worden. Ook zou het invoeren van een REIT-regime een systeemwijziging bij de Belastingdienst vergen.21
Welke andere recent genomen fiscale maatregelen maken het potentieel minder aantrekkelijk om te investeren in Nederlandse woningbouw?
Recent zijn vooral maatregelen genomen die het fiscale klimaat verbeteren en het juist aantrekkelijker maken om te investeren in Nederlandse woningbouw, zie hiervoor de beantwoording op vraag 6. Daarvoor zijn enkele maatregelen genomen die het minder aantrekkelijk hebben gemaakt om te investeren. Per 1 januari 2023 is de overdrachtsbelasting voor woningen die niet door de koper als hoofdverblijf worden verhoogd naar 10,4%. Het vorige kabinet heeft dit percentage verlaagd naar 8% en het huidige kabinet is voornemens dit verder te verlagen naar 7%. In vergelijking met andere Europese landen is in Nederland de overdrachtsbelasting relatief hoog. Sinds 2023 geldt daarnaast dat vastgoed in box 3 wordt belast met behulp van een forfait. Dit zorgt voor een lastenverzwaring voor investeerders in vastgoed in box 3. In het nieuwe box 3-stelsel, met beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2028, wordt het werkelijke rendement belast. Bovendien geldt dan een vermogenswinstbelasting en hoeft daardoor pas op moment van vervreemding over de vermogenswinst belasting te worden afgedragen. Ook wordt het mogelijk om kosten af te trekken. Investeerders geven aan goed met het nieuwe stelsel uit de voeten te kunnen.
Kan de strenge Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD 1 bijvoorbeeld een dempend effect hebben op investeringen in de woningbouw? Wat is de impact van het 8%-tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen? Hoe verhoudt dit tarief zich tot andere EU-lidstaten waar buitenlandse investeerders kunnen investeren in de woningbouw en het EU gemiddelde op dit punt?
De earningsstrippingmaatregel betreft een generieke renteaftrekbeperking voor alle vennootschapsbelastingplichtigen. Door de earningsstrippingmaatregel kunnen financieringskosten (tijdelijk) hoger worden, waardoor het rendement op investeringen lager wordt.22 Belastingplichtigen, waaronder investeerders in woningbouw, wegen dit mee bij hun investeringsbeslissing. Echter, bij investeringsbeslissingen in woningbouw zijn ook andere factoren relevant.23 Het kabinet is niet bekend met recent kwantitatief onderzoek waaruit blijkt dat de earningsstrippingmaatregel een dempend effect heeft op investeringen in de woningbouw.
In 2021 is, mede naar aanleiding van de door de Kamer unaniem aangenomen motie Dik-Ronnes24 de overdrachtsbelasting gedifferentieerd. Het doel van deze differentiatie was om met name starters een betere positie te verschaffen ten opzichte van beleggers. Het algemene tarief is per 1 januari 2023 verhoogd van 8% naar 10,4% en recent, mede naar aanleiding van de evaluatie Wet differentiatie overdrachtsbelasting25, weer verlaagd naar 8% voor alleen woningen. Dit omdat uit deze evaluatie bleek dat de differentiatie en verhoging van het algemene ovb-tarief, samen met andere macro-economische ontwikkelingen (zoals de rentestand) en wijzigingen in het woon- en fiscaal beleid negatieve neveneffecten heeft gehad. Zo concluderen de onderzoekers dat de differentiatie van overdrachtsbelasting – tezamen met andere factoren – waarschijnlijk heeft geleid tot een langzamere groei van de huurwoningvoorraad. Ook wordt door de onderzoekers een neerwaarts effect op het rendement bij gebiedsontwikkeling, waaronder nieuwbouw, genoemd. Het huidige kabinet is voornemens het tarief verder te verlagen naar 7%, wat het investeringsklimaat positief beïnvloedt.
Het nieuwe tarief van 8% geldt sinds 1 januari 2026 voor alle verkrijgingen van woningen, met uitzondering van gevallen waarin het bestaande verlaagde tarief van 2% of een vrijstelling, zoals de startersvrijstelling, van toepassing is. Het doel van deze maatregel was om het aanbod van huurwoningen te vergroten door investeringen in woningen in de private, midden- en vrije huur te stimuleren. Daarnaast beoogde de maatregel de bouw van meer (private) huurwoningen te stimuleren door de uiteindelijke belastingdruk bij verkoop te verlagen. De verlaging is begin dit jaar van kracht geworden. Dit is te kort geleden om de impact op investeringen in huurwoningen te bepalen. Wel geldt dat het tarief van 8% een van de hoogste in de EU is.26 Voor nieuwbouw geldt in beginsel de samenloopvrijstelling waardoor geen overdrachtsbelasting geheven wordt (zie ook vraag 16).
In het recent verschenen rapport Investeringsklimaat Middenhuur27 concludeert SEO dat een verlaging van de overdrachtsbelasting een zeer beperkt positief effect heeft op het aantal aan- en verkopen in de bestaande voorraad. De omvang van het effect op de woningbouw is niet onderzocht door SEO. SEO wijst er op dat de hoogte van de overdrachtsbelasting invloed heeft op het rendement en de balanswaarde van beleggers en daarmee op de financieringscapaciteit en de bredere businesscase van nieuwbouw.
Speelt de omzetbelasting nog een rol bij nieuwe woningen? Hoe verhoudt de Nederlandse omzetbelasting zich bijvoorbeeld tot de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen?
Ja. Italië hanteert verlaagde btw-tarieven en -vrijstellingen bij woningbouw, de details en voorwaarden van de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen zijn mij niet bekend. In het algemeen geldt dat de verkoop van nieuwe woningen met btw belast is. Lidstaten hebben daarnaast de mogelijkheid om in te vullen onder welke voorwaarden een woning als nieuw kwalificeert. Daardoor kan de btw-behandeling bij de verkoop van nieuwe woningen per lidstaat verschillen, afhankelijk van nationale keuzes binnen de kaders van de Europese btw-richtlijn.28
In Nederland geldt dat bij de levering van woningen binnen twee jaar na de eerste ingebruikname het algemene btw-tarief van 21% van toepassing is. Bij de levering van woningen die langer dan twee jaar in gebruik zijn is geen btw verschuldigd maar overdrachtsbelasting. Ter voorkoming van dubbele heffing geldt bij btw-belaste leveringen de samenloopvrijstelling, waardoor in beginsel geen overdrachtsbelasting wordt geheven als er btw verschuldigd is.
De effecten van een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociale huurwoningen is onderzocht in het IBO-rapport Op grond kun je bouwen. Rapport Op grond kun je bouwen Een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociaal beleid verstrekte huisvesting kent omvangrijke juridische, uitvoerings- en budgettaire risico’s. Een verlaging heeft alleen direct effect wanneer sprake is van een rechtstreekse, btw-belaste levering van een nieuwe woning door de bouwer aan de koper. Bij andere constructies, zoals eigenbouw of de aankoop van een woning via een aandelentransactie, kan een verlaagd tarief doorgaans slechts worden toegepast op de prestaties van onderaannemers, waardoor het uiteindelijke effect op de woningprijs beperkt is. Op de lange termijn is een positief effect op woningprijzen ook afhankelijk van de mate waarin het btw-voordeel doorwerkt in de grondprijzen. Omdat de effecten van een btw-verlaging onzeker zijn, zou het nodig zijn economisch onderzoek te doen naar de impact, wat dit zou betekenen voor de nieuwbouw van sociale huurwoning en de effecten van een dergelijke maatregel.
De bestaande verlaagde btw-tarieven zijn recent geëvalueerd door Dialogic en Significant Public.29 Uit deze evaluatie volgt dat een btw-verlaging slechts in beperkte mate doeltreffend is en over het algemeen geen doelmatig instrument vormt. Ondernemers zijn niet verplicht om een btw-verlaging door te berekenen, waardoor onzeker is of een btw-verlaging daadwerkelijk wordt verrekend in lagere prijzen. Daarnaast kent de bouw van sociale huurwoningen een vrij hoge mate van inelasticiteit, waardoor het risico bestaat dat het voordeel neerslaat bij de grondeigenaar via hogere grondprijzen, terwijl de woningproductie slechts beperkt toeneemt.
Bereiken u in algemene zin signalen dat buitenlandse investeerders in toenemende mate afzien van het investeren in Nederlandse woningen vanwege in het recente verleden doorgevoerde, snel opvolgende wijzigingen in fiscale en juridische wet- en regelgeving en een als gevolg hiervan toenemende onvoorspelbaarheid van deze wet- en regelgeving voor deze buitenlandse investeerders?
Mij bereiken inderdaad signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huur en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid. Investeerders geven al langere tijd aan dat langjarig en stabiel overheidsbeleid essentieel is voor een goed investeringsklimaat. Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, zet het kabinet zich in om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren? Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor binnenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren?
Voor een toelichting naar de plannen van het kabinet wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u in navolging op de Kamerbrief van uw ambtsvoorganger van 7 juni 2024, kamerstuknummer 2024-0000341126 een REIT-regime verder laten uitwerken?
In het SEO-rapport is geconcludeerd dat de doelmatigheid van een REIT-regime beperkt is. Het Kabinet neemt verschillende maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, zie ook het antwoord op vraag 6. Uitwerking van het REIT-regime is op dit moment geen onderdeel van het kabinetsbeleid.
Het bericht ‘Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis»1?
Ja.
Klopt het dat het OECD Pillar 2 Side-by-Side Package niet alleen administratieve vereenvoudigingen bevat, maar ook materiële safe harbours introduceert die de werking van de Global Minimum Tax wezenlijk beperken?
Het Side-by-side pakket bestaat uit de volgende onderdelen:
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket, in het bijzonder het Side-by-Side-systeem, wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels.
Deelt u de analyse dat met name Amerikaans-geleide multinationale ondernemingen door de Side-by-Side Safe Harbour en de UPE Safe Harbour feitelijk worden afgeschermd van bijheffing onder de IIR en/of UTPR, terwijl EU-geleide groepen volledig onder het regime blijven vallen?
De inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel zijn op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel niet van toepassing op entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een uiteindelijkemoederentiteit (hoofdkantoor) in de VS. Omdat de VS al als een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie zijn aangemerkt, is de UPE veiligehavenregel niet aan de orde. Daarbij merkt het kabinet op dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehaven-jurisdicties.
Acht u dit verschil in behandeling verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het streven naar een level playing field binnen de interne markt?
Binnen de Europese Unie is Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie van toepassing. Ingevolge de richtlijn hebben 22 EU-lidstaten de minimumbelasting ingevoerd met inbegrip van de binnenlandse bijheffing. Vijf lidstaten met minder dan twaalf hoofdkantoren hebben gebruik gemaakt van de uitstelmogelijkheid van artikel 50 van de richtlijn.2 Multinationale groepen zijn binnen de EU in het overgrote deel van de gevallen onderworpen aan een binnenlandse bijheffing over laagbelaste winsten ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
Kan het SbS Package erin resulteren dat (Nederlandse) bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar een Side-by-Side land teneinde te kunnen profiteren van de regeling?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Bent u voornemens het SbS Package in de Europese Unie te implementeren via artikel 32 van de Pillar Two-richtlijn? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze bepaling daarmee wordt gebruikt voor inhoudelijke beleidswijzigingen in plaats van louter administratieve vereenvoudiging?
De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar of de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgeving vaststellen. Het kabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO daarom telkens beoordelen en aan de hand daarvan – van geval tot geval – bepalen of de wettekst en de toelichting van de Wet minimumbelasting 2024 aanpassing behoeven.3 Dit geldt ook voor het thans afgesproken Side-by-Side pakket. Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd.4 Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot louter administratieve vereenvoudiging.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side Safe Harbour en de Qualified UPE Safe Harbour? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland zijn de Pijler 2-regels van toepassing in de vorm van de Wet minimumbelasting 2024. Daarom is er voor Nederland geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van deze dynamische verwijzing naar OECD-soft law met de Meroni-jurisprudentie van het Hof van Justitie, die delegatie van discretionaire bevoegdheden van politieke aard verbiedt?
De vraag wordt zo geïnterpreteerd dat met «deze dynamische verwijzing» artikel 32 van Richtlijn (EU) 2022/2523 wordt bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen.
Kunt u toelichten hoe rechtszekerheid voor belastingplichtigen wordt gewaarborgd, nu de kwalificatie van een «Qualified SbS Regime» berust op open en subjectieve criteria zoals een «materieel risico» en een «pragmatische, holistische beoordeling over tijd»?
Het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Welke regimes daarvoor in aanmerking komen, zal centraal worden bijgehouden. Belastingplichtigen kunnen zich hierdoor op de hoogte stellen welke regimes als een Qualified Side-by-Side-regime kunnen worden aangemerkt.
Deelt u de zorg dat de vaststelling van een «Qualified SbS Regime» plaatsvindt buiten de EU-rechtsorde, zonder effectieve rechterlijke toetsing, terwijl deze vaststelling directe gevolgen heeft voor de toepassing van EU-belastingregels?
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Het Hof van Justitie van de EU is in hoogste instantie bevoegd om het EU-recht uit te leggen. Dat geldt ook voor de uitleg van Richtlijn 2022/2523.
Heeft u laten toetsen of de SbS- en UPE-safe harbours kunnen kwalificeren als selectieve staatssteun? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd aan welke voorwaarden voorstellen tot EU regelgeving moeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels (artikelen 107 e.v. VWEU). Lidstaten mogen er vanuit gaan dat de Europese Commissie regelgeving conform het VWEU voorstelt en daarbij geen strijd met de regelgeving met betrekking tot staatssteun ontstaat. In dit verband verwijs ik naar de mededeling van 12 januari 2026, van de Europese Commissie (zie antwoord bij vraag 8).
Onderschrijft u dat, indien deze safe harbours als ongeoorloofde staatssteun zouden worden aangemerkt, lidstaten gehouden kunnen zijn tot terugvordering van belastingvoordelen, met mogelijk aanzienlijke retroactieve belastingclaims tot gevolg?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de juridische risico’s van implementatie van het SbS Package en toe te zeggen dat Nederland zich in EU-verband zal verzetten tegen elke implementatie die verder gaat dan zuivere administratieve vereenvoudiging?
Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting vóór de zomer van 2026 worden ingediend bij uw Kamer. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot zuivere administratieve vereenvoudiging.
Klopt het dat door het SbS Package Nederland 120 miljoen euro aan belastinginkomsten misloopt? Zo ja, waren deze inkomsten reeds ingeboekt in het inkomstenkader? Kunt u het verloop van de ramingen en de bijstellingen vanaf moment van opvoeren van de inkomsten uit de Wet minimumbelasting 2024 met de Kamer delen?
Bij de invoering in 2024 is geraamd dat Pijler 2 voor een structurele opbrengst van € 466 miljoen voor Nederland zou zorgen.5 Deze inkomsten zijn met aanname van de Wet minimumbelasting 2024 definitief ingeboekt in het inkomstenkader. Sinds 2024 maken de inkomsten uit pijler 2 daarmee deel uit van het basispad. De sindsdien aangebrachte wijzigingen in de Wet minimumbelasting 2024 hadden geen budgettaire gevolgen.
Met dit IF-akkoord is de situatie veranderd. De afgesproken aanpassingen leiden tot een budgettaire derving ten opzichte van het basispad. De derving van dit akkoord is voorlopig geraamd op circa € 120 miljoen per jaar. Bij de indiening van het wetsvoorstel ter uitvoering van dit akkoord zal, zoals gebruikelijk, een herijking plaatsvinden van deze budgettaire raming.
Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft de geraamde opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. De verwachting blijft dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af is doordat fiscaal gedreven investeringen en fiscaal gedreven winstverschuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst van Pijler 2 onzeker zijn, waarbij de gehele Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan. Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddelde vennootschapsbelastingtarief sinds de afspraken over Pijler 2 nu drie jaren op rij licht is gestegen, na tientallen jaren van daling.6 In een scenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnen ontstaan, met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennootschapsbelasting te verlagen. Gegeven de huidige opbrengsten uit de vennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard per jaar, zou een dergelijk scenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist hebben.
Naheffingen verbruiksbelasting. |
|
Arend Kisteman (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat ondernemers die voedingssupplementen in poedervorm produceren recent bericht hebben ontvangen van de Douane met de mededeling dat zij met terugwerkende kracht (vanaf 2020) alsnog verbruiksbelasting zijn verschuldigd1?
Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht2 en mogelijk lopende procedures kan ik niet op individuele gevallen ingaan, wel kan ik in het algemeen het volgende antwoorden.
De Douane is een uitvoeringsorganisatie en handhaaft de juiste toepassing van geldende wet- en regelgeving, onder meer op het gebied van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Voor de handhaving kan de Douane onder andere administratieve controles inzetten. Met dergelijke administratieve controles wordt aan de hand van de administratie gecontroleerd of belanghebbende zich in een vooraf bepaalde controleperiode aan de in die periode geldende wet- en regelgeving heeft gehouden.
Uit een administratieve controle kan blijken dat in het verleden niet is voldaan aan de destijds geldende wet- en regelgeving. Wanneer dat het geval is, kan de Douane naheffingen opleggen voor de in het verleden liggende controleperiode.
Op basis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen.3 Dat betekent kort gezegd dat de belasting die te weinig is afgedragen, alsnog moet worden voldaan. De bevoegdheid tot naheffing vervalt vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.4 In het jaar 2025 kan er dus een naheffing worden opgelegd over belasting die een belanghebbende was verschuldigd in het kalenderjaar 2020. Het op deze manier uitvoeren van administratieve controles is zeer gebruikelijk. Belasting wordt uiteraard alleen nageheven als blijkt dat een belanghebbende niet aan wet- en regelgeving heeft voldaan waardoor te weinig of geen belasting is afgedragen.
Uiteraard beschikken belanghebbenden hierbij over rechtsmiddelen. Als een belanghebbende het niet eens is met de naheffing omdat hij bijvoorbeeld van mening is wél aan wet- en regelgeving te hebben voldaan, kan hij bezwaar maken tegen de naheffingsaanslag. Uiteindelijk kunnen belanghebbenden hierover bij de belastingrechter terecht. Naast de genoemde rechtsmiddelen bestaan er ook betalingsregelingen om te voorkomen dat belanghebbenden financieel in de problemen komen. Als belanghebbenden een aanslag hebben ontvangen die niet tijdig kan worden betaald, kan bij de Douane uitstel van betaling of een betalingsregeling worden aangevraagd.
Te allen tijde is van belang dat wordt gecontroleerd op basis van de geldende wet- en regelgeving in de controleperiode zelf. Die wet- en regelgeving is leidend bij de administratieve controle. Ook wordt bij een eventuele naheffing rekening gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Klopt het dat de Douane een aantal van deze ondernemers heeft bezocht en dat dit heeft geleid tot een sommering of gaat leiden tot een sommering om met terugwerkende kracht de verbruiksbelasting alsnog te voldoen? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dan ook dat ondernemers alleen op de hoogte konden zijn van deze verbruiksbelasting door het handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken op de website van de Douane te lezen? Deelt u dan ook de mening dat dit voor ondernemers een lastige taak is om continu te volgen?
Vooropstaat dat de wet altijd leidend is. Die wet wordt geacht kenbaar te zijn voor belastingplichtigen en het is de plicht van de belastingplichtige zich hieraan te houden. In het geval een wetswijziging ophanden is, wordt dit ruim van tevoren aangekondigd en gecommuniceerd. Wat betreft producten die onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken vallen, geldt dat de wet sinds 1993 zo goed als ongewijzigd is gebleven.5 Naast wetgeving heeft de Douane ook handboeken, waarnaar de leden verwijzen. In deze handboeken wordt wet- en regelgeving uitgelegd met verwijzing naar van toepassing zijnde jurisprudentie. In een handboek worden primair instructies gegeven voor de operationele medewerkers van de Douane zodat de wet zo consistent mogelijk kan worden toegepast. Met het oog op een transparante overheid is het handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken in 2017 openbaar gemaakt, waardoor externen ook het handboek kunnen raadplegen. Het handboek is in die zin een service en een verduidelijking van de wet- en regelgeving naar buiten toe.
Communicatie vindt plaats via regulier contact tussen de Douane en het bedrijfsleven, bijvoorbeeld via het Overleg Douane Bedrijfsleven (ODB), het Douane Contact Center (DCC) of bij individuele klantbehandeling.
De Douane zet zich in voor transparantie, communicatie en dienstverlening. Openbaarmaking van bijvoorbeeld handboeken, verslagen van coördinatie- of kennisgroepen en kennisgroepstandpunten dragen hier in positieve zin aan bij.
Hoe kijkt u aan tegen de kans dat deze bedrijven failliet gaan of ons land zullen verlaten door het innen van deze verbruiksbelasting met terugwerkende kracht? Wat wil hij hieraan doen?
Zoals eerder toegelicht, kan de inspecteur belasting naheffen tot vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. De nageheven bedragen zien op te weinig of niet betaalde belasting. Kortgezegd, de belanghebbende zou deze belasting in de vijf voorgaande jaren reeds betaald moeten hebben bij juiste toepassing van geldende wet- en regelgeving. Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat bedrijven financieel in de problemen komen of het land verlaten door de heffing en inning van belastingen. Ondernemers kunnen bij de Douane een verzoek doen om uitstel van betaling of een betalingsregeling. Uiteraard geldt wel dat belasting die is verschuldigd, dient te worden voldaan. Dit is onder andere van belang in het kader van gelijkheid tussen belastingplichtige ondernemers onderling en tussen ondernemers en burgers.
Volgens de wet zouden deze bedrijven een vergunning moeten hebben voor Inrichting voor Verbruiksbelastinggoederen (IVV): hoe kan het dat geen van deze acht producenten de vergunning heeft en hier niet van op de hoogte was?
Zoals hiervoor aangegeven kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Op basis van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken geldt dat voor de productie van verbruiksbelastinggoederen vooraf een vergunning inrichting voor verbruiksbelastinggoederen («IVV») door de inspecteur moet zijn afgegeven. Voor goederen die zijn uitgezonderd van verbruiksbelasting is een dergelijke vergunning wettelijk niet vereist. Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer om aan alle geldende wet- en regelgeving te voldoen. Zoals gezegd ga ik hier niet verder in op individuele gevallen.
Waarom worden deze bedrijven nu alsnog verplicht deze vergunning aan te vragen en klopt het dat zij met sluiting worden gedwongen als zij dit niet doen?
Ik herhaal graag dat ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht en mogelijk lopende procedures niet in kan gaan op individuele gevallen. In het algemeen geldt het volgende. Als uit de administratieve controle blijkt dat de goederen die worden geproduceerd belast zijn met verbruiksbelasting, dan moet de betreffende belanghebbende alsnog een vergunning IVV aanvragen bij de inspecteur. Het is ter beoordeling van de inspecteur of wordt voldaan aan de voorwaarden zodat de vergunning kan worden afgegeven.
Het is wettelijk verboden om verbruiksbelastinggoederen te produceren zonder een daarvoor aangewezen vergunning. Het tot sluiting dwingen van bedrijven behoort niet tot de bevoegdheden van de Douane.
Hoe kijkt u aan tegen de interpretatie dat voedingssupplementen in poedervorm die wei bevatten, onder ranja vallen en gaat die strekking dan niet veel verder dan ooit de bedoeling was bij het opstellen van de wet?
Alcoholvrije dranken in vaste vorm (bijvoorbeeld poeder) of als concentraat die zijn bestemd om door aanlenging alcoholvrije dranken te maken die kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken, worden al sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993 belast.6Dergelijke dranken worden belast aan de hand van een omrekening van het volume van het product in vaste of geconcentreerde vorm naar het volume van een alcoholvrije drank op basis van de factor 4. Dat betekent dat 1 liter concentraat wordt belast als 4 liter gereed product.
Wei of andere alcoholvrije dranken die wei bevatten, zijn expliciet niet uitgezonderd van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Ook niet als zij in vaste vorm of als concentraat worden aangeboden. De wet beschrijft dat melk of uit melk bereide dranken, «niet zijnde een uit wei of weiproducten vervaardigde drank», zijn vrijgesteld van de belasting. Ook deze zinsnede staat reeds sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993 in de wet.7 Er is daarbij geen grens bepaald van de hoeveelheid wei die aanwezig moet zijn om te spreken van een uit wei of weiproducten vervaardigde drank.
Dat de preparaten in poedervorm, zoals beschreven door de leden, worden belast onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is dus geen onbedoeld gevolg van de wet. Deze preparaten maken geen onderdeel uit van de richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Er zijn dan ook geen gezondheidsargumenten om deze preparaten een uitzonderingspositie te geven.
Bent u het ermee eens dat ondernemen in Nederland weer leuk moet worden, dat we onze ondernemers moeten koesteren en moeten voorkomen dat zij de ons land verlaten?
Het kabinet zet zich onverminderd in voor een goed ondernemingsklimaat in Nederland, met de juiste randvoorwaarden. Zoals een sterke internationale concurrentiepositie en een gelijk speelveld tussen bedrijven. Juist in het kader van een gelijk speelveld tussen bedrijven is het van belang dat belasting wordt nageheven als blijkt dat een belanghebbende niet aan wet- en regelgeving heeft voldaan waardoor te weinig of geen belasting is afgedragen.
Het bericht ‘AFM: Schade door oplichting met beleggingstrucs tien keer hoger dan gedacht’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Van piramide tot ijsberg: de onzichtbare omvang van beleggingsfraude in Nederland» naar aanleiding van een door de Autoriteit Financiële Markten uitgevoerd onderzoek?
Ja.
Deelt u de mening dat beleggingsfraude hard aangepakt dient te worden, zeker als het maatschappelijk wenselijk is dat er steeds meer mensen gaan beleggen zodat de Nederlandse en Europese concurrentiepositie worden verstevigd? Zo nee, waarom niet?
Ja. Beleggingsfraude kan aanzienlijke financiële en emotionele schade veroorzaken bij slachtoffers en ondermijnt het vertrouwen in de financiële markten. Wij onderschrijven dat dit zorgelijk is en vinden dat beleggingsfraude hard moet worden aangepakt. Ook omdat het – zowel op individueel als maatschappelijk niveau – wenselijk is dat Nederlandse huishoudens, die voldoende financiële buffers hebben en waar het past binnen hun risicoprofiel en -bereidheid, verantwoord meer gaan beleggen.
Wat is uw reactie op bovengenoemd rapport? Onderschrijft u de schatting in het rapport dat de omvang van beleggingsfraude mogelijk wel tien keer hoger is dan aanvankelijk gedacht?
Wij waarderen het dat de AFM met dit rapport aandacht vestigt op beleggingsfraude. Het rapport laat duidelijk zien dat beleggingsfraude in Nederland nog veel omvangrijker is dan gedacht. Het is van belang om beleggingsfraude aan te pakken en wij vinden het dan ook positief dat de AFM voorstellen doet om de aanpak van beleggingsfraude te verbeteren. De schatting dat de daadwerkelijke schade mogelijk tien keer hoger ligt dan aanvankelijk gedacht, is afkomstig uit het rapport. Het betreft een ruwe schatting van de AFM op basis van de geregistreerde omvang van beleggingsfraude in Nederland, een verwacht geregistreerd schadebedrag op basis van een internationale vergelijking en een correctie van dit bedrag voor de meldingsbereidheid van mensen. Wij kunnen de werkwijze en de daaruitvolgende schatting van de AFM goed volgen, maar het blijft een schatting en het is niet mogelijk om de omvang exact te bepalen.
Wat zijn volgens u momenteel de grootste problemen in het voorkomen van beleggingsfraude?
Volgens het rapport zijn er meerdere knelpunten die het voorkomen van beleggingsfraude bemoeilijken. Beleggingsfraude en nieuwe modus operandi ontwikkelen zich snel door toenemende digitalisering en internationalisering. Via socialemediaplatformen komen beleggers vaak voor het eerst in contact met fraudeurs. Ze worden verleid met hoge rendementen en bekende personen die vertrouwen creëren en de belegging aanprijzen in nepadvertenties. De AFM wijst dan ook op de verantwoordelijkheid van socialemediaplatformen en andere poortwachters in het voorkomen dat hun diensten worden misbruikt voor malafide doeleinden. Verder constateert de AFM dat de meldingsbereidheid onder slachtoffers laag is, onder meer vanwege gevoelens van schaamte en gebrek aan vertrouwen in het nut van melden. Daarnaast noemt het rapport dat er geen centrale en uniforme registratie is, waardoor meldingen versnipperd zijn over verschillende instanties en het totale beeld van het probleem onvoldoende duidelijk blijft. Beide factoren belemmeren gericht preventief en repressief handelen van instanties, terwijl dit beleggingsfraude deels zou kunnen voorkomen. Wij onderschrijven de knelpunten die de AFM in haar rapport beschrijft. Daarnaast benadrukken wij dat het van belang is dat beleggers- voordat zij een belegging doen -controleren of zij dat doen bij een instelling die daarvoor de vereiste vergunning(en) heeft.
Wat zijn volgens u momenteel de grootste problemen die repressief handelen tegen beleggingsfraude in de weg staan?
De belangrijkste knelpunten bij de voorkoming van beleggingsfraude (zoals hierboven genoemd) gelden ook als problemen die repressiein de weg staan. Daarnaast geldt voor repressief handelen specifiek dat het internationale en digitale karakter van beleggingsfraude het moeilijk maakt daders te traceren en te vervolgen.
Deelt u de mening dat de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één meldpunt voor beleggingsfraude verstandig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid zich hiervoor in te spannen en op welke termijn zou dit dan gereed kunnen zijn?
Op dit moment kunnen wij niet beoordelen of de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één centraal meldpunt voor beleggingsfraude verstandig en (juridisch) mogelijk is. De AFM heeft in het rapport opgeroepen tot overleg met ketenpartners en opsporingsdiensten over dit onderwerp om te onderzoeken of deze wens breder gedeeld wordt en, zo ja, hoe hier invulling aan gegeven kan worden. De AFM heeft ons laten weten hiertoe graag het initiatief te nemen. Wij ondersteunen dit initiatief van de AFM. Mede gezien de oproep van de AFM, zien wij op dit moment geen rol voor ons weggelegd in die gesprekken. Wel zullen wij bezien, indien nodig en mogelijk, welke ondersteuning te geven is aan eventuele vervolgstappen die hieruit voortvloeien.
Overweegt u aanvullende maatregelen tegen beleggingsfraude? Zo nee, waarom niet? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u?
Binnen de publiek-private samenwerking voor de integrale aanpak van online fraude werken verschillende publieke en private partijen samen, waaronder de Ministeries van Financiën, van Economische Zaken en van Justitie en Veiligheid, OM, politie, toezichthouders, financiële instellingen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en consumentenorganisaties om uiteenlopende vormen van fraude te voorkomen, te signaleren en te bestrijden. Voor online beleggingsfraude zijn in 2025 met experts technische barrières en interventies ontwikkeld om online beleggingsfraude te voorkomen.1 Wij willen bezien of het naar aanleiding van voornoemde verkenning noodzakelijk is om aanvullende maatregelen te nemen tegen (online) beleggingsfraude. Daarbij zullen wij met de betrokken partijen optrekken.
Het bericht 'Door angst voor schijnzelfstandigheid worden wachtlijsten bij UWV nog langer' |
|
Claire Martens-America (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen , Mariëlle Paul (VVD), Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het UWV per 1 oktober afscheid neemt van tientallen verzekeringsartsen die als zzp’er hun werkzaamheden verrichtten? Wat heeft u gedaan om dit te voorkomen?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Zoals uiteengezet in de voortgangsbrief van 11 juni jl.2 zijn er bij UWV-verzekeringsartsen die werken als zzp’ers. UWV heeft deze artsen de afgelopen tijd meerdere keren een aanbod gedaan om bij UWV in dienst te treden, omdat in deze gevallen sprake kan zijn van schijnzelfstandigheid. Slechts een klein deel is hierop ingegaan. Uiteraard is dit uiteindelijk een individuele afweging van de betreffende artsen.
In de motie-Aartsen c.s.2 werd de regering verzocht de handhavingsstrategie zo te wijzigen dat risicogericht gehandhaafd wordt, met de focus op probleemgevallen zoals gedwongen zelfstandigheid, onderbetaling en evidente schijnzelfstandigen; is daar naar uw oordeel en dat van de Belastingdienst sprake van bij verzekeringsartsen die in opdracht van het UWV werken? Zo nee, waarom worden deze contracten dan beëindigd? Handhaaft de Belastingdienst op dit soort gevallen?
UWV houdt bij de inhuur van verzekeringsartsen rekening met de regels voor het werken met zelfstandigen, maar onderkent ook dat het werk kenmerken heeft die kunnen wijzen op schijnzelfstandigheid (zie ook het UWV-jaarverslag 2023). UWV is tot het oordeel gekomen dat inhuur van verzekeringsartsen een groot risico op schijnzelfstandigheid oplevert. Daarom wil UWV-artsen niet langer inhuren als zelfstandigen.
De Belastingdienst handhaaft risicogericht. Dat is niet veranderd op 1 januari 2025 en ook de wet- en regelgeving rondom de kwalificatie van de arbeidsrelatie is niet gewijzigd op 1 januari 2025. Het enige dat veranderd is, is dat het handhavingsmoratorium voor de Belastingdienst op de kwalificatie van de arbeidsrelaties voor de loonheffingen is opgeheven. De Belastingdienst kan op grond van zijn geheimhoudingsplicht niet beantwoorden of van handhaving sprake is bij verzekeringsartsen die in opdracht van UWV werken.
Is er door juristen in opdracht van het UWV per individuele zzp’er besloten of deze aan de hand van het geldend wettelijk kader als zzp’er opdrachten bij het UWV mag aannemen? Zo ja, is er ook met elke individuele zzp’er een gesprek opgestart om te kijken wat de mogelijkheden zijn om wél aan het wettelijk kader te voldoen? Zo nee, waarom niet? Het wettelijk kader en de holistische weging laat immers ruimte voor individuele weging. Geeft de handhavingsstrategie van de Belastingdienst reden tot generieke beëindiging van alle opdrachtovereenkomsten?
Zoals toegelicht bij de beantwoording van vraag 2 heeft UWV geconstateerd dat het verrichten van werkzaamheden als verzekeringsarts bij UWV door een zelfstandige tot schijnzelfstandigheid kan leiden. Om deze reden is een besluit genomen om niet langer UWV-artsen in te huren als zelfstandigen. Dit besluit is in een gesprek met elke zelfstandige verzekeringsarts toegelicht. In deze gesprekken is aan iedere goed functionerende zelfstandige verzekeringsarts die ingezet was bij UWV de mogelijkheid geboden om in dienst te treden.
Het is niet aan de Belastingdienst of opdrachtovereenkomsten al dan niet beëindigd moeten worden. Het is aan contractpartijen (in dit geval UWV en de zzp’er) om een beslissing te nemen over het al dan niet beëindigen of aanpassen van contracten.
Vindt u het proportioneel dat de Belastingdienst, met beperkte handhavingscapaciteit, de reikwijdte van de handhaving op alle segmenten en sectoren van de arbeidsmarkt legt in plaats van risicogericht op gevallen van kwade trouw en onderbetaling?
Schijnzelfstandigheid komt in alle sectoren voor. Daarom handhaaft de Belastingdienst risicogericht. Bovendien is het vooraf niet bekend of er sprake is van kwade trouw of onderbetaling. Dat kan pas vastgesteld worden als de Belastingdienst een boekenonderzoek heeft gedaan. Verder is het onderbetalen op zich niet relevant voor de vraag of er sprake is van een arbeidsrelatie die voor de loonheffingen kwalificeert als een dienstbetrekking. Daarvoor zijn alle feiten en omstandigheden van het individuele geval relevant, de hoogte van de beloning en de wijze waarop de beloning tot stand is gekomen (heeft de zzp’er veel of weinig onderhandelingsruimte over het tarief) zijn slechts enkele elementen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de arbeidswetten, waaronder ook eventuele onderbetaling op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). De Arbeidsinspectie doet dit risicogericht.
Bent u bereid om, indien nodig, de handhavingsstrategie van de Belastingdienst aan te scherpen om ontwrichtende en onwenselijke gevolgen van de handhaving op schijnzelfstandigheid te voorkomen?
Er zijn geen signalen bekend dat de handhavingsstrategie van de Belastingdienst leidt tot ontwrichtende en onwenselijke gevolgen. Het opheffen van het handhavingsmoratorium is met de hoogst mogelijke zorgvuldigheid gedaan. Het opheffen van het handhavingsmoratorium is lang van tevoren aangekondigd (2022), zodat de markt voldoende ruimte heeft gehad om zich hierop voor te bereiden. We hebben veel energie gestoken in de samenwerking met de markt en in de communicatie om zo veel mogelijk duidelijkheid te geven over wanneer er al dan niet sprake is van een dienstbetrekking. Er is sprake van een ingroeimodel, hetgeen betekent dat de Belastingdienst pas in 2030 weer tot 5 jaar terug correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen loonheffingen kan opleggen. Voor 2025 geldt verder een zachte landing.
Dat betekent dat de Belastingdienst in beginsel start met een bedrijfsgesprek, in beginsel kiest voor een onderzoek van het meest recente tijdvak en er over 2025 geen boetes worden opgelegd. Verder heeft de Belastingdienst in zijn handhaving ruimte voor maatwerk en oog voor de menselijke maat.
Wat is de rationale dat er bij de UHT nog generiek met zzp’ers gewerkt wordt, maar bij het UWV in zijn geheel niet? Was dit een besluit van de Staatssecretaris van Financiën – Herstel en Toeslagen? Zijn er andere (lagere) overheidsorganisaties (uitvoering of niet) waar zzp’ers nog wel opdrachten krijgen? Zo ja, waarom daar wel en bij het UWV niet?
De UHT is een tijdelijke organisatie die vanaf 2020 is opgericht om de hersteloperatie voor gedupeerde ouders vorm te geven. De inhuur van zzp’ers via bemiddelingsbureaus was hierbij noodzakelijk om ouders herstel te kunnen bieden. In de voortgangsrapportages Hersteloperatie Toeslagen die uw Kamer vanaf 2020 ontvangt van de Staatssecretaris van Herstel en Toeslagen en haar voorgangers is hier ook melding van gemaakt. Per 1 september 2025 zijn er geen schijnzelfstandigen meer werkzaam bij UHT. Daarmee is voldaan aan de toezegging aan uw Kamer om het aantal potentieel schijnzelfstandigen binnen de herstelorganisatie uiterlijk eind 2025 volledig af te bouwen. Een deel van de – voorheen (potentieel) – schijnzelfstandigen is behouden voor de hersteloperatie door indiensttreding bij UHT ofwel door detachering via een broker.
Er zijn zeker overheidsorganisaties waar zzp’ers nog opdrachten krijgen. Ook worden nog altijd zzp’ers ingezet bij UWV. U kunt dan bijvoorbeeld denken aan opdrachten met een resultaatsverplichting die kortdurend van aard zijn. De inzet vindt met name plaats op ICT-opdrachten, maar ook op een aantal andere domeinen.
In algemene zin is het voorstelbaar dat organisaties hun bestaande samenwerkingen beoordelen en zo nodig aanpassen als zij twijfels hebben of er in lijn met de geldende wetgeving wordt gewerkt. Dat is ook de oproep die aan werkgevenden en werkenden wordt gedaan, bijvoorbeeld via de publiekscampagne en www.hetjuistecontract.nl. Dit geldt ook voor overheidsorganisaties. Deze zijn in het bijzonder door de Minister van BZK opgeroepen om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. De Minister van BZK zal op korte termijn uw Kamer informeren over de voortgang op het afbouwen van schijnzelfstandigheid binnen de Rijksoverheid.
Hoe vordert de uitvoering van de motie-Aartsen c.s. waarin de regering werd verzocht een publiekscampagne op te starten om opdrachtgevers te wijzen op de mogelijkheden die er wél zijn om met zzp’ers te werken?3
In augustus 2025 is de publiekscampagne gestart. Dit betreft een vervolg op de eerdere campagne die in de maanden november en december 2024 heeft plaatsgevonden. De huidige campagne bestaat uit twee delen, waarbij het tweede gedeelte in november en december 2025 zal plaatsvinden.
In deze campagne wordt onder meer gebruik gemaakt van advertenties op online media, podcasts en radio. De inzet van deze campagne is tweeledig. Er wordt ingezet op het informeren over het voorkomen van schijnzelfstandigheid, maar ook op hoe juist wel met of als zelfstandige(n) kan worden gewerkt. Zo wordt er geadverteerd met artikelen op nieuwssites waar wordt uitgelegd wanneer sprake is van werken als zelfstandige, ook om onnodige angst bij opdrachtgevers en werkenden tegen te gaan. De effectiviteit van de campagne wordt gemonitord en zal na afloop (na december 2025) bekend worden. Ook is er in de gesprekken met sectorpartijen en de voorlichtingsbijeenkomsten die door de Belastingdienst en het Ministerie van SZW worden georganiseerd voortdurend aandacht voor wanneer juist wel met zelfstandigen gewerkt kan worden. Ook in 2026 zal hiervoor – in lijn met de motie Aartsen c.s. – nadrukkelijk aandacht blijven.
Vindt u oplopende wachtlijsten bij het UWV een wenselijk en proportioneel gevolg van de handhaving op schijnzelfstandigheid?
Het is belangrijk om schijnzelfstandigheid te bestrijden en dat ook de overheid daarin zijn verantwoordelijkheid neemt. Er worden bij de aanpak van schijnzelfstandigheid ook geen uitzonderingen gemaakt. UWV neemt afscheid van verzekeringsartsen, omdat mogelijk sprake zou kunnen zijn van schijnzelfstandigheid. Deze artsen hebben allemaal het aanbod gekregen om bij UWV in dienst te komen, maar een groot deel is niet op dat aanbod ingegaan. Zoals uiteengezet in de voortgangsbrief van 11 juni jl. heeft het vertrek van verzekeringsartsen impact op het aantal mensen dat te lang wacht op een sociaal-medische beoordeling en op de duur van de wachttijden. UWV blijft zich maximaal inzetten voor de werving van artsen, en we werken samen aan oplossingen voor de mismatch tussen vraag en aanbod van sociaal-medische beoordelingen. Dit uiteraard binnen de kaders van wet- en regelgeving.
Hoe verhoudt het besluit van het UWV om helemaal niet meer met zzp’ers te werken zich tot de breed aangenomen motie-Aartsen c.s. die de regering verzocht om rijksbreed, op voorhand en categorisch geen zzp’ers meer uit te sluiten bij opdrachten?4 Worden zzp’ers door het UWV categorisch uitgesloten?
Zoals vermeld bij antwoord 6 zijn er nog altijd zzp’ers werkzaam bij het UWV.
Het bericht ‘Fiscaal beleid bedreigt onze weerbaarheid op zee’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fiscaal beleid bedreigt onze weerbaarheid op zee» in het FD van 25 augustus 2025?
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse implementatie van de Global Tax Deal (Pijler 2) de beleidsdoelen van de tonnageregeling deels ondergraven? Bereiken u signalen dat Pijler 2 leidt tot bijheffing bij ondernemingen die de tonnageregeling toepassen? Zo nee, kunt u navraag doen bij de Belastingdienst en bij de sector?
De Wet minimumbelasting 2024 is op 31 december 2023 in werking getreden. Met deze wet is een minimumbelasting ingevoerd om te bewerkstelligen dat multinationale en binnenlandse groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% belasting over hun winst betalen. Met deze wet is Richtlijn (EU) 2022/2523 (EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing) geïmplementeerd.1 Deze richtlijn is gebaseerd op de modelregels van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zoals aangenomen door het Inclusive Framework on BEPS (IF) op 14 december 20212 en komt daarmee in hoofdzaak overeen. Na publicatie van deze modelregels is het IF in februari 20233, juli 20234, december 20235, juni 20246 en januari 20257 administratieve richtsnoeren overeengekomen.8
Het doel van de minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de minimumbelasting een ondergrens te stellen aan de belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. Naar de mening van het kabinet is een minimumbelasting in een zo groot mogelijk internationaal verband doeltreffend omdat hierdoor een ondergrens wordt gesteld aan belastingconcurrentie, waardoor het voordeel van kunstmatige winstverschuiving sterk wordt verkleind.
De winst uit scheepvaart wordt op verzoek van de belastingplichtige, in afwijking van het algemene systeem van winstbepaling in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, op basis van de tonnageregeling forfaitair bepaald. Uitgangspunt hierbij vormt de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald. Als voor de tonnageregeling wordt gekozen, geldt de regeling voor een periode van tien jaar. Doelstelling van deze regeling is het versterken van het maritieme cluster, het bevorderen van werkgelegenheid verbonden aan het varen onder Nederlandse vlag en het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie. De regeling is over de periode 2014–2019 geëvalueerd.9 Uit de evaluatie volgt dat de tonnageregeling, ondanks dat het statistisch lastig aan te tonen is, doeltreffend en doelmatig is.
Bijheffing van de minimumbelasting is alleen aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een staat lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen te delen door het netto kwalificerende inkomen. De Wet minimumbelasting 2024 voorziet bij de berekening van het effectieve belastingtarief in een vrijstelling voor inkomen uit zowel de internationale scheepvaart, als uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart. De Wet minimumbelasting 2024 sluit – conform de OESO-modelregels voor de definitie van «internationale scheepvaart» – aan bij de definitie van artikel 8 OESO-modelverdrag en het commentaar daarop. De vrijstelling voor internationale scheepvaart is daarmee wereldwijd eenduidig geobjectiveerd en werkt daardoor hetzelfde voor alle internationale scheepvaartondernemingen in de wereld die onder de reikwijdte van de minimumbelasting vallen. Doordat deze definitie voor alle internationale scheepvaartondernemingen hetzelfde doorwerkt, is er een gelijk speelveld op dit vlak. Deze definitie is echter beperkter dan de definitie van «winst uit zeescheepvaart» voor de toepassing van de tonnageregeling voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Door verschillen tussen de genoemde definities kan inkomen uit zeescheepvaart voor de berekening van de bijheffing worden meegenomen in het kwalificerende inkomen (de noemer van de breuk) terwijl daar – door toepassing van de bredere tonnageregeling – beperktere vennootschapsbelasting (de teller van de breuk) tegenover staat. Hierdoor kan het mogelijk voorkomen dat in enkele specifieke situaties, gebruikers van de tonnageregeling geraakt worden door de minimumbelasting. In hoeverre er sprake is van belastingplichtigen die gebruik maken van de tonnageregeling en daardoor geraakt worden door de minimumbelasting is op dit moment nog niet bekend. Meer inzicht in deze gegevens is mogelijk op het moment dat de multinationale en binnenlandse groepen de bijheffing-informatieaangifte voor de minimumbelasting doen. De bijheffing-informatieaangifte bevat de hoogte van de bijheffing per staat. Voor de toepassing van de minimumbelasting dient de eerste bijheffing-informatieaangifte uiterlijk 30 juni 2026 ingediend te worden. De termijn voor het indienen van de eerste belastingaangifte voor de minimumbelasting is uiterlijk 31 augustus 2026. Wanneer de aangiftegegevens voorhanden zijn, zullen de gevolgen van de minimumbelasting voor Nederland in de jaarlijkse monitoringsbrief worden betrokken.10 Daarnaast is de verwachting dat ook de OESO de implementatie van de minimumbelasting in de verschillende jurisdicties zal monitoren.
In dit kader is ook van belang dat bij de Kamerbehandeling van de Wet minimumbelasting 2024 eveneens aandacht is gevraagd voor de samenloop tussen de tonnageregeling en de minimumbelasting.11 Een van de onderwerpen waarover het IF mogelijke additionele administratieve richtsnoeren heeft aangekondigd, is de mogelijkheid van een industriespecifieke uitleg voor het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid is het inkomen dat geen onderdeel is van de grondslag voor de bijheffing. In dat kader heeft het vorige kabinet het belang van een sterke maritieme sector onderschreven en aangegeven bereid te zijn op te trekken met andere IF-lidstaten om te komen tot een billijke oplossing voor ondernemingen die gezien de aard van hun bedrijfsactiviteiten wereldwijd actief zijn.12 Momenteel hebben andere onderwerpen binnen het IF echter prioriteit, maar mocht hier meer duidelijkheid over komen, dan zal de Tweede Kamer hierover worden geïnformeerd.
Klopt het dat de tonnageregeling leidt tot stabiele budgettaire opbrengsten uit de zeescheepvaart? Is deze stabiliteit en zekerheid wenselijk voor zowel het Ministerie van Financiën als voor ondernemers?
Jaarlijks maken ongeveer 600 belastingplichtigen gebruik van de tonnageregeling in de vennootschapsbelasting. Zij kunnen op basis van de tonnageregeling aanspraak maken op een stabiele belastingheffing, die forfaitair wordt bepaald op basis van de tonnage van de schepen (ongeacht of er daadwerkelijk sprake is van winst of verlies). De belastingopbrengst van de tonnageregeling zelf is, met ongeveer € 4 miljoen tot € 5 miljoen, zeer beperkt. De betaalde vennootschapsbelasting door deze bedrijven, die tevens aanspraak maken op de tonnageregeling, is echter aanmerkelijk hoger. Deze belastingplichtigen betaalden gezamenlijk in de periode 2016–2019 gemiddeld € 26 miljoen per jaar aan vennootschapsbelasting over de activiteiten die niet rechtstreeks onder de tonnageregeling vallen. Dit laatste bedrag is in de periode 2020–2022 gestegen naar € 92 miljoen per jaar vanwege enkele nieuwe bedrijven die in deze periode gebruik zijn gaan maken van de tonnageregeling.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat beleidsdoelen van één stuk belastingwetgeving worden ondergraven door een ander stuk belastingwetgeving?
Met de tonnageregeling wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid om steun te verlenen aan ondernemingen die actief zijn in scheepvaart. Het doel van de tonnageregeling is het versterken van het maritieme cluster, het bevorderen van werkgelegenheid verbonden aan het varen onder Nederlandse vlag en het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie. De minimumbelasting strekt tot implementatie van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing, die gebaseerd is op de OESO-modelregels en voorziet in een bijheffing als in een staat effectief te weinig winstbelasting is betaald. Het doel van de minimumbelasting is de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen en een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Het kabinet onderschrijft beide doelen en is van mening dat beide doelen naast elkaar kunnen bestaan. Daarbij houdt het kabinet uiteraard oog voor het behoud van een internationaal gelijk speelveld en het EU-concurrentievermogen.
Wat is de directe en wat is de indirecte impact van het eventuele vertrek van de Nederlandse rederijen die onder de reikwijdte van Pijler 2 vallen voor de belastingopbrengsten? Kan dit worden uitgesplitst per belastingmiddel (Vpb, IB, loonbelasting, omzetbelasting, etc.)?
Van de ongeveer 600 vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling zijn circa 50 vennootschapsbelastingplichtigen onderdeel van een groep met een wereldwijde omzet van € 750 miljoen of meer waardoor zij mogelijk onder de reikwijdte van de minimumbelasting vallen. Dit betekent echter niet dat deze belastingplichtigen per definitie bijheffing op grond van de Wet minimumbelasting 2024 zijn verschuldigd. Dit is alleen het geval als er laagbelaste entiteiten onderdeel uitmaken van deze groep. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2, kan het mogelijk voorkomen dat in enkele specifieke situaties deze vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling geraakt worden door de minimumbelasting. Het exacte aantal is echter niet bekend. In 2022 betaalde deze groep van circa 50 vennootschapsbelastingplichtigen € 62 miljoen aan vennootschapsbelasting. Deze belastingplichtigen vielen niet onder de reikwijdte van de inkomstenbelasting. Daarnaast hadden deze belastingplichtigen ongeveer 24.000 werknemers in Nederland dienst, waarvoor zij € 367 miljoen aan loonbelasting afdroegen. De diensten die Nederlandse rederijen exterritoriaal, of in het buitenland verrichten, vallen hiervoor in de regel onder het btw-nultarief of zijn niet belastbaar in Nederland. Het gevolg is dat een eventueel vertrek een verwaarloosbaar effect heeft op de btw-inkomsten.
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 3, is het directe effect van de tonnageregeling (€ 4 tot € 5 miljoen) ten opzichte van de totale vennootschapsbelasting beperkt. Voor de vennootschapsbelastingplichtigen die onderdeel zijn van een groep met een wereldwijde omzet van € 750 miljoen of meer bedraagt de opbrengst van de tonnageregeling ongeveer € 1 miljoen. Het belang van belastingopbrengsten van deze groep belastingplichtigen ziet dan ook met name op de overige activiteiten, alsmede de werkgelegenheid met daarin de opbrengsten aan loonbelasting. Omdat op dit moment niet duidelijk is in hoeverre vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling geraakt zullen worden door de Wet minimumbelasting 2024, kan er ook geen inschatting gemaakt worden over welk deel van de activiteiten door rederijen meegenomen zou worden bij een vertrek uit Nederland.
Wat zijn de (on)mogelijkheden rondom de in het bericht gesignaleerde oplossingsrichtingen, te weten het uitsluiten van de tonnageregeling van de Wet minimumbelasting 2024, het invoeren van (qualified refundable) tax credits of het benutten van de substance-based income inclusion voor de sector? Wat zou voor elke optie de budgettaire derving zijn? Kan dit vóór de geplande evaluatie van de scheepvaartregelingen, bij voorkeur per ultimo 2025, nader uitgewerkt worden?
In het FD-bericht «Fiscaal beleid bedreigt onze weerbaarheid op zee» van 25 augustus 2025 wordt allereerst het opnemen van een uitzondering voor de tonnageregeling in de Wet minimumbelasting 2024 genoemd. Zoals ik heb beschreven in mijn antwoord op vraag 2, voorziet de Wet minimumbelasting 2024 bij de berekening van het effectieve belastingtarief in een vrijstelling voor inkomen uit zowel de internationale scheepvaart, als uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart. Dit is vastgelegd in artikel 6.12 Wet minimumbelasting 2024. Dit artikel implementeert artikel 17 van EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing. Die bepaling sluit conform de OESO-modelregels voor de definitie van «internationale scheepvaart» aan bij de definitie van artikel 8 OESO-modelverdrag en het commentaar daarop. De vrijstelling voor internationale scheepvaart is daarmee wereldwijd eenduidig geobjectiveerd en werkt daardoor hetzelfde voor alle internationale scheepvaartondernemingen in de wereld die onder de reikwijdte van de minimumbelasting vallen. Deze definitie is echter beperkter dan de definitie van «winst uit zeescheepvaart» voor de toepassing van de tonnageregeling voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Hierbij wordt opgemerkt dat de OESO-modelregels mondiaal zijn vastgesteld en doeltreffend zijn wanneer deze in een zo groot mogelijk internationaal verband uniform worden geïnterpreteerd. Het maken van additionele uitzonderingen in Europees verband zou een averechts effect hebben gehad op de werking van deze regels en zou afbreuk hebben gedaan aan het creëren van een gelijk speelveld. Daarnaast is ook voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces van belang dat de OESO-modelregels eenduidig zijn geïmplementeerd.
De tweede oplossingsrichting die in het FD-bericht wordt beschreven, ziet op de invoering van kwalificerende belastingtegoeden in de winstbelasting voor ondernemingen die gebruikmaken van de tonnageregeling. Dit zou in theorie tot een verlaging van de belastingdruk kunnen leiden. Echter, zoals uiteengezet in de brief van 25 oktober 2024 van een van mijn ambtsvoorgangers, is bij de invoering van dergelijke tegoeden een zorgvuldige afweging vereist waarbij rekening moet worden gehouden met de vormgeving, de uitvoerbaarheid, de juridische houdbaarheid (inclusief de internationale en Europese kaders) en de budgettaire gevolgen.13 Bovendien bestaat de kans dat als een dergelijk belastingtegoed neerkomt op een rechtstreekse compensatie van de geheven minimumbelasting, dit tegoed door het IF als een onwenselijk verbonden voordeel («related benefit») zou worden aangemerkt. Dit zou het effect van het belastingtegoed weer teniet kunnen doen en zelfs nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwalificerende status van de Nederlandse maatregelen over de minimumbelasting.14
Als laatste wordt in het FD-bericht verwezen naar het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid waardoor de verschuldigde bijheffing onder de minimumbelasting kan worden beperkt. Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid voor een groepsentiteit wordt bepaald aan de hand van de loonkosten van de werknemers die in de staat van de desbetreffende groepsentiteit activiteiten verrichten alsmede aan de hand van de materiële activa die in de staat van de desbetreffende groepsentiteit zijn gelegen. Voor ondernemingen in de maritieme sector die wereldwijd actief zijn, kan het daarom moeilijk zijn om te voldoen aan deze voorwaarden voor het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Binnen het IF is dit punt mede op verzoek van Nederland onder de aandacht gebracht met de bedoeling om tot een billijke oplossing te komen voor ondernemingen die gezien de aard van hun bedrijfsactiviteiten wereldwijd actief zijn. Momenteel hebben andere onderwerpen binnen het IF echter prioriteit, maar mocht hier meer duidelijkheid over komen, dan zal de uw Kamer hierover worden geïnformeerd.
Hoe verhoudt de eventueel verloren belasting bij het vertrek van rederijen uit Nederland zich tot de budgettaire derving van de verschillende gesignaleerde beleidsopties?
De heffing voor de minimumbelasting wordt bepaald over het netto kwalificerend inkomen van alle in Nederland gevestigde groepsentiteiten in een verslagjaar waarbij rekening wordt gehouden met het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Zoals uiteengezet in voorgaande antwoorden, hebben de vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling en die onderdeel zijn van een groep met een wereldwijde omzet van € 750 miljoen ook activiteiten die niet rechtstreeks onder de tonnageregeling vallen. Deze groep wordt dus naast de tonnageregeling voor hun andere activiteiten belast op basis van de normale vennootschapsbelastingregels. Omdat groepen dus ook winsten hebben die in Nederland tegen een hoger effectief tarief dan 15% worden belast, betekent dit dat slechts in enkele specifieke gevallen het effectieve belastingtarief onder de 15% komt. Bij hoeveel belastingplichtigen hiervan sprake is, is op dit moment niet met zekerheid te zeggen. Met de eerste (belasting)aangiftes, die naar verwachting volgend jaar zullen worden ingediend, zal daar inzicht in ontstaan. Bovendien hoeft een vertrek van een rederij uit Nederland niet te betekenen dat in het geheel geen groepsentiteiten in Nederland achterblijven die belastingplichtig zijn en blijven voor de minimumbelasting.
Hoe beoordeelt u de kwalificatie dat de Nederlandse zeescheepvaart van belang is voor de weerbaarheid van Nederland?
De Nederlandse zeescheepvaart is van belang voor de weerbaarheid van Nederland. De zeevaartsector draagt bij aan het borgen van nationale strategische belangen en autonomie, in de context van klimaatadaptatie, energietransitie, maar ook militaire veiligheid en bescherming van vitale infrastructuur op zee. De zeevaart is een belangrijke schakel in het hele maritieme cluster. Ook gelet op de huidige geopolitieke situatie, draagt een robuuste zeevaartsector bij aan de veerkracht van Nederland bij crisissituaties. Maritieme infrastructuur, zeeschepen en havens zijn bijvoorbeeld cruciaal voor het transport van militair materieel en personeel. Daarnaast dragen Nederlandse gevlagde schepen, maritieme kennis en technologieën bij aan de maritieme veiligheid en defensiecapaciteiten.
Het bericht 'Moordenaar krijgt na jaren cel en tbs baan in zorgkliniek: ‘Hoe kan zo iemand werken met kwetsbare personen?’' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moordenaar krijgt na jaren cel en tbs baan in zorgkliniek: «Hoe kan zo iemand werken met kwetsbare personen?»» gepubliceerd door De Telegraaf op 31 juli 2025?1
Ja.
Deelt u de zorgen van nabestaanden en andere betrokkenen over het feit dat iemand met een dergelijk ernstig verleden werkzaam is met kwetsbare cliënten?
De zorgen van nabestaanden begrijp ik goed. Hun leven is blijvend veranderd door het leed dat hen is aangedaan. Tegelijkertijd is het van belang dat veroordeelden, nadat zij hun straf hebben uitgezeten en/of zijn behandeld, kunnen terugkeren in de samenleving en aan het werk gaan als dit op een veilige manier kan.
Om in een zorginstelling te kunnen werken dient eenieder conform de richtlijnen in ieder geval in het bezit van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te zijn. Daarbij komt dat screening onderdeel is van een breder integriteitsbeleid.
Zowel in de geestelijke gezondheidszorg als in de forensische zorg wordt het belang van de inzet van ervaringsdeskundigen onderschreven door veldpartijen en de verantwoordelijke ministeries. Ervaringsdeskundigen in de forensische zorg zijn daartoe opgeleide personen met een verleden van delictgedrag samenhangend met een stoornis of een ander relevant herstelverhaal. Ervaringsdeskundigen kunnen een brugfunctie vervullen tussen patiënten of cliënten en professionals en zij kunnen daarin beide perspectieven belichten vanuit hun ervaring en opleiding.
Voor de forensische zorg geldt dat de inzet van ervaringsdeskundigen is opgenomen in het Kwaliteitskader forensische zorg 2022–2028.2
Hoe vaak is het in de afgelopen tien jaar voorgekomen dat iemand met een veroordeling voor een ernstig geweldsmisdrijf tóch een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft gekregen voor werkzaamheden in de zorg? Welke zaken betroffen dit precies, en wat waren de motiveringen van Justis om in die gevallen toch een VOG te verlenen?
Het is onbekend hoe vaak het in de afgelopen tien jaar is voorgekomen dat een persoon met een veroordeling voor een ernstig geweldsmisdrijf toch een VOG heeft gekregen voor een functie in de zorg.
Vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen kan ik niet ingaan op individuele casussen. In het algemeen kan ik aangeven dat bij iedere VOG-beoordeling een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. Met de VOG komen meerdere belangrijke maatschappelijke doelen samen:3
Bij elke VOG-aanvraag kijkt de screeningsautoriteit Justis of relevante strafrechtelijke gegevens aanwezig zijn, gelet op de aard van het delict, de functie en locatie. De relatie tussen een justitieel gegeven en de functie die de aanvrager gaat vervullen bepaalt of dat gegeven, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie. De VOG blijft een afweging tussen de verschillende maatschappelijke doelen die het instrument nastreeft. Aan ernstige geweldsdelicten kent Justis veel gewicht toe vanuit het belang van de bescherming van de maatschappij tegen de risico’s die uitgaan van een dergelijk delictverleden.
Kunt u bevestigen wanneer de betrokkene in deze casus een VOG heeft aangevraagd, voor welk type functie dit was, welk screeningsprofiel daarbij is gehanteerd, en of het levensdelict uit 2001 daarbij is meegewogen?
Vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan ik niet ingaan op individuele casussen. De screeningsprofielen die Justis hanteert zijn te vinden op de website van Justis.4 Bij reguliere VOG-aanvragen, niet zijnde de VOG Politiegegevens (VOG P), kan Justis alleen politiegegevens opvragen bij de politie indien justitiële gegevens daartoe aanleiding geven. Bij aanvraag van een VOG P worden standaard politiegegevens opgevraagd die ook een zelfstandige grond vormen om afgifte van een VOG P te weigeren. Een VOG P is verplicht voor functies die zijn aangewezen bij ministeriële regeling, waaronder bepaalde functies bij de Forensische Psychiatrische Centra (FPC’s) en Forensische Psychiatrische Klinieken (FPK’s). Andere zorginstellingen zijn niet aangewezen voor de VOG P. Voor de aangewezen functies verwijs ik naar de Regeling aanwijzing functies VOG Politiegegevens.5 Voor beoordeling van een VOG-aanvraag van personeel werkzaam in een inrichting van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) geldt een afwijkende terugkijktermijn in de justitiële gegevens van dertig jaar.
Kunt u toelichten of in deze zaak politiegegevens zijn geraadpleegd voorafgaand aan het verlenen van de VOG? Zo ja, welke gegevens betroffen dit en wie nam uiteindelijk de beslissing?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom is in het onderhavige geval wél een VOG verstrekt, terwijl in een soortgelijke zaak door Justis en de Staatssecretaris van Rechtsbescherming een VOG geweigerd werd wegens de ernst van het levensdelict en het risico voor de maatschappij?
Het klopt dat in een andere zaak geen VOG is afgegeven. De beoordeling van VOG-aanvragen wordt altijd gedaan op basis van de omstandigheden van het geval, zoals de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
In hoeverre stelt Justis bij de VOG-procedure expliciet rekening met het risico dat iemand met een aangetoonde ernst van geweldshandeling een functie zal vervullen met kwetsbare personen? Wordt daarbij al dan niet maatwerk toegepast?
Zie antwoord op vraag 3.
In hoeverre wordt de VOG-P momenteel benut bij het aannemen van personeel in de zorgsector, en zijn er plannen dit instrument breder toe te passen binnen zorginstellingen waar kwetsbare personen verblijven?
Functies komen in aanmerking voor aanwijzing voor de VOG P wanneer sprake is van een bevoegdheid geweld te gebruiken, er toegang is tot gevoelige informatie bij de uitvoering van wettelijke taken op het terrein van openbare orde en veiligheid of handhaving van de rechtsorde of integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.6 De VOG P is momenteel verplicht voor bepaalde functies bij de Forensische Psychiatrische Centra (FPC’s) en Forensische Psychiatrische Klinieken (FPK’s). Voor de volledige lijst van aangewezen functies verwijs ik naar de Regeling aanwijzing functies VOG Politiegegevens.7
Er is vooralsnog geen voornemen om dit instrument breder toe te passen binnen zorginstellingen waar kwetsbare personen verblijven. Zoals de mijn ambtsvoorganger ook heeft aangegeven in zijn brief van 24 juni 2025 wordt er momenteel, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) onderzoek gedaan naar de voor- en nadelen van het standaard betrekken van politiegegevens en het gebruik daarvan als zelfstandige weigeringsgrond voor functies waarin sprake is van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of functies die worden uitgevoerd op een locatie waar zich kwetsbare personen bevinden.8 De onderzoeksresultaten worden naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 opgeleverd. Tevens wordt de evaluatie van de Wet VOG politiegegevens medio 2027 verwacht.9 Naar aanleiding van deze onderzoeken zal ik bezien of het passend is om de VOG P breder toe te passen.
Is in deze zaak sprake geweest van continue screening? Zo nee, waarom niet? Acht u het wenselijk om continue screening uit te breiden naar functies in de forensische en geestelijke gezondheidszorg?
Er is in dit geval geen sprake van continue screening. Momenteel wordt op grond van wet- en regelgeving alleen continu gescreend in de kinderopvang en de taxibranche. In de (forensische) geestelijke gezondheidszorg is een VOG bij indiensttreding voor zorgverleners verplicht gesteld. De reden hiervoor is dat in de ggz wordt gewerkt met kwetsbare personen. Geestelijke gezondheidszorgorganisaties mogen zelf bepalen hoe vaak ze tussentijds gedurende de dienstbetrekking een nieuwe VOG vragen. DJI levert ook psychiatrische forensische zorg aan justitiabelen via Rijksinstellingen en koopt forensische zorg in via particuliere klinieken. DJI hanteert binnen de forensische zorg het beleid om medewerkers van de instellingen periodiek te screenen. Ik zie op dit moment geen aanleiding om continue screening toe te passen in de forensische zorg, of om dit onder de aandacht te brengen bij de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport die verantwoordelijk is voor de geestelijke gezondheidszorg.
Hoeveel VOG-aanvragen in de gezondheidszorg zijn sinds januari 2024 afgewezen op basis van het verscherpte toetsingskader, bijvoorbeeld via de VOG-P? Wat zegt dit weigeringspercentage over de effectiviteit van het instrument in functies met hoge integriteitseisen?
Bij de beoordeling van VOG-aanvragen past Justis twee verscherpte toetsingskaders toe: ten eerste voor seksuele misdrijven in combinatie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of specifieke locatie; ten tweede voor terroristische misdrijven of misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf in combinatie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie, gevoelige informatie of specifieke locatie. Als sprake is van een verscherpt toetsingskader in verband met seksuele delicten of terroristische misdrijven kan in deze gevallen enkel een VOG worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Justis heeft hierin daardoor slechts zeer beperkte ruimte om op basis van de belangenafweging alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG.
Bij de toepassing van de VOG P worden altijd politiegegevens geraadpleegd en kunnen deze politiegegevens een zelfstandige weigeringsgrond vormen. Zoals ik ook aangaf in mijn antwoord op vraag 8 is de VOG P momenteel verplicht voor bepaalde functies bij de FPC’s en FPK’s. Dit zijn de enige zorginstanties waarvan functies zijn aangewezen voor de VOG P.
Justis kan alleen data genereren van de particuliere FPC’s en FPK’s omdat de rijks-forensische zorginstellingen hun aanvragen via DJI doen en deze aanvragen daardoor niet kunnen worden onderscheiden van andere aanvragen van DJI. In de periode tussen 1 januari 2024 en 31 augustus 2025 zijn er 30 VOG P-aanvragen geweigerd (0,5%), waarvan één onder het verscherpte toetsingskader voor zedendelicten. Het weigeringspercentage over 2024 lag voor de VOG op 0,2% en voor de VOG P op 0,6%.
Zoals eerder vermeld verwacht ik in juli 2027 de evaluatie van de VOG P te kunnen delen met uw Kamer, waarin wordt gekeken naar de effectiviteit van de VOG P.
Wordt bij VOG-aanvragen in de zorgsector structureel rekening gehouden met langere terugkijktermijnen bij ernstige geweldsdelicten, vergelijkbaar met de zeden- en terrorismekaders? Klopt het dat deze mogelijkheid bestaat, maar in de praktijk niet altijd wordt benut?
De terugkijktermijnen zijn niet specifiek voor de zorgsector bepaald, maar afhankelijk van de specifieke functie of de gepleegde strafbare feiten. In de (particuliere) zorgsector geldt de reguliere terugkijktermijn van vier jaar, tenzij sprake is van een functie die aangewezen is voor de VOG P, waarvoor regulier een terugkijktermijn van tien jaar geldt. Voor functies bij DJI is bij hoge uitzondering een termijn van 30 jaar afgesproken. Bij seksuele misdrijven en terroristische delicten wordt de terugkijktermijn niet in duur beperkt.
Een apart verscherpt toetsingskader is er niet (expliciet) voor ernstige geweldsdelicten. Voor alle VOG-aanvragen geldt wel dat in uitzonderlijke gevallen, zeer ernstige feiten die buiten de terugkijktermijn vallen, tot een maximum van twintig jaar, aanleiding kunnen zijn om gebruik te maken van de bijzondere weigeringsgronden. Deze mogelijkheid dient terughoudend te worden ingezet omdat dit de rechtszekerheid, evenredigheid en proportionaliteit van de VOG kan ondergraven.
Welke verantwoordelijkheid rust op zorginstellingen en hun bestuur om antecedenten van werknemers en ervaringsdeskundigen te controleren? Acht u het nodig om deze verantwoordelijkheid te verduidelijken of uit te breiden bijvoorbeeld door een aangescherpte verantwoordingsplicht?
Op grond van onder meer de Wet forensische zorg (Wfz) en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders verplicht om te zorgen voor veilige en verantwoorde zorg. Daar hoort bij dat medewerkers geschikt en bekwaam zijn en worden gescreend op relevante justitiële antecedenten. De Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houden toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de forensische zorg. Ik zie vooralsnog geen aanleiding om verantwoordelijkheid van de zorginstellingen in dit verband te verduidelijken of uit te breiden.
Hoe weegt u in deze zaak de belangen van re-integratie (werk voor ex-justitiabelen) af tegen de noodzaak van bescherming van kwetsbare personen in zorginstellingen? Klopt het dat in bepaalde gevallen het belang van de aanvrager zwaarder kan wegen dan het maatschappelijk risico?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 maakt Justis een zorgvuldige belangenafweging. Doelstelling van de VOG is de samenleving te beschermen tegen strafbaar handelen in de rol waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Waar dit passend wordt geacht met oog op de risico’s geeft Justis een VOG af. Daarmee kan de veroordeelde na gestraft te zijn weer deelnemen aan de maatschappij. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het risico beperkt wordt ingeschat op basis van informatie over behandeling en het tijdsverloop na het eerste delict zonder recidive. Of als er een beperkt verband is tussen het feit en de beoogde functie.
De fiscale en morele behandeling van de Bijzondere Invaliditeitsverhoging (BIV) |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat invalide veteranen recht hebben op een eerlijke schadevergoeding die recht doet aan hun persoonlijke situatie?
Ja. Het kabinet deelt de mening dat veteranen recht hebben op een eerlijke schadevergoeding, die na belastingheffing afdoende is voor geleden immateriële schade.
Vindt u ten principale dat smartengeld en ook de bijzondere invaliditeitsverhoging niet hoort te worden belast?
Nee, relevanter is of de ontvanger netto voldoende ontvangt.
Ik vind het van groot belang om te blijven benadrukken dat het bedrag dat de BIV-gerechtigden (oud- militairen, waaronder veteranen) na belastingheffing van de BIV overhouden in vrijwel alle gevallen een afdoende vergoeding is voor de geleden immateriële schade (smartengeld).
In de brief van 7 juni 20241 die ik samen met de Staatssecretaris van Defensie aan uw Kamer heb verzonden, is die vraag bevestigend beantwoord. Uw Kamer heeft vervolgens kort gezegd gevraagd ons standpunt te laten toetsen door een onafhankelijke partij. Voor dit onderzoek zijn twee hoogleraren gevraagd en op 22 april 2025 is hun rapport genaamd «Onderzoek naar de fiscale positie van de Bijzondere invaliditeitsverhoging» aan uw Kamer aangeboden2. Professor Boot en professor Lubbers toetsen onder meer de netto BIV aan de civielrechtelijke normen voor het bepalen van de hoogte van een smartengeldvergoeding en concluderen vervolgens:
Uitgaande van onze opvatting uit de brief van 7 juni 2024 en de conclusie van de professoren is het nettobedrag van de BIV naar civielrechtelijke normen dus een afdoende tegemoetkoming. Indien de BIV vrijgesteld zou worden van belastingheffing, zouden de BIV-gerechtigden een veel hogere smartengelduitkering ontvangen dan waar zij naar civielrechtelijke normen recht op zouden hebben. Dit geeft niet alleen een forse ongelijkheid ten opzichte van de hoogte van eenmalige immateriële schadevergoedingen die «civiele» slachtoffers ontvangen, maar ook ten opzichte van andere (oud-) militairen die wel een eenmalige immateriële schadevergoeding krijgen maar geen recht hebben op een BIV. Dit verschil is niet uitlegbaar. Mogelijk leidt dit tot verzoeken tot verhoging van de smartengeldvergoedingen door de anderen.
Kunt u nader ingaan op de motie Van Eijk door de budgettaire en uitvoeringseffecten te schetsen van het vrijstellen van belasting van de bijzondere invaliditeitsverhoging?
Met de Kamerbrief van 22 april 2025 heeft het kabinet inhoudelijk gereageerd op de motie-Van Eijk en is het rapport van professor Boot en professor Lubber aangeboden.
Op het punt van de uitvoering wijzen wij er nog op dat de huidige regelingen een resultante zijn van een lange traditie, waarbij wijzigingen in nauw overleg met de sociale partners tot stand plegen te komen. Dit draagt bij aan de acceptatie van de regelingen, wat weer recht doet aan de bijzondere positie waaraan militairen worden blootgesteld. Het ligt dan ook niet voor de hand dat in dat stelsel, plotseling en eenzijdig, door de regelgever een ingrijpende wijziging wordt aangebracht. Professor Boot en professor Lubbers merken dit ook op in hun rapport.
Voor budgettaire en uitvoeringseffecten van een vrijstelling verwijs ik verder naar de eerdergenoemde brief van 7 juni 2024.
Heeft u kennisgenomen van de Second opinion van HHP Chambers over de belastbaarheid van de bijzondere invaliditeitsverhoging? Hoe beoordeelt u deze?
Ik heb kennisgenomen van het document van advocatenkantoor HHP Chambers. Dit document is voor mij geen reden om de eerder ingenomen standpunten te herzien. De professoren Boot en Lubbers hebben een gedegen, onafhankelijk onderzoek gedaan dat deze eerder ingenomen standpunten bevestigt.
In dit verband is verder te melden dat de Algemene Federatie van Militair Personeel (AFMP), de Vakbond voor Burger en Militair defensiepersoneel (VBM) en de Marechausseevereniging (MARVER) op hun websites aangeven dat zij nader onderzoek hebben laten doen naar de rechtmatigheid van de belastingheffing over de BIV3. Uit dit onderzoek volgt dat de belastingheffing over de BIV terecht is.
De AFMP, VBM en MARVER adviseren hun leden daarom om geen actie te ondernemen tegen de belastingheffing over de BIV en eventueel al ingediende bezwaarschriften in te trekken.
Wat is de status van de zaken van deze problematiek bij de verschillende rechtbanken? Graag verzoek ik u om een overzicht met daarbij de rechtsvragen die voorliggen.
Er lopen op dit moment enkele rechtszaken over de belastbaarheid van de BIV. Ik kan niet inhoudelijk ingaan op lopende zaken.
Kan het advies van de Landsadvocaat over de invoering van de vrijstelling van het «Artikel 2 fonds», waarin wordt gewezen op mogelijke precedentwerking met de Kamer worden gedeeld?
Ten aanzien van het openbaar maken van het advies van de Landsadvocaat verwijs ik naar de Rijksbrede afspraak dat adviezen van de landsadvocaat van vóór 1 juli 2021 niet openbaar worden gemaakt. Het advies van de Landsadvocaat dateert van voor die datum.
Los hiervan wil ik erop wijzen dat artikel 2-Fondsuitkeringen niet vergelijkbaar zijn met de BIV. De artikel 2-Fondsuitkeringen zijn namelijk niet belast in Nederland voor de inkomstenbelasting, omdat op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland het recht om belasting te heffen over deze uitkeringen is toegewezen aan Duitsland. De vrijstelling voor deze uitkeringen in de Wet IB 2001 is in de wet opgenomen met het oog op het progressievoorbehoud en de gevolgen voor inkomensafhankelijke regelingen. Duitsland heeft ervoor gekozen om geen belasting te heffen op artikel 2-Fondsuitkeringen. Daardoor is uiteindelijk sprake van onbelaste uitkeringen. Nederland kan op basis van het belastingverdrag geen inkomstenbelasting heffen over de artikel 2-Fondsuitkeringen.
Ook dit geeft de artikel 2-Fondsuitkeringen een heel ander karakter dan de BIV-uitkeringen, waarvan vanaf de toekenning duidelijk is dat er belasting over verschuldigd is. De ontvangers van de BIV- uitkeringen zijn direct bij toekenning ervan geïnformeerd dat het een brutobedrag betreft waarover nog belastingen verschuldigd zijn.
Kunt u toelichten waarom de bijzondere invaliditeitsverhoging niet onder een in artikel 3.104 van de Wet IB 2001 opgenomen vrijstelling gebracht kan worden? Is het mogelijk om hiervoor een nieuwe vrijstelling in de wet op te nemen?
Periodieke publiekrechtelijke uitkeringen, zoals de BIV, vormen een bron van inkomen voor de Nederlandse inkomstenbelasting4. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde uitkeringen die beogen bepaalde noodzakelijke uitgaven te dekken die het normale bestedingspatroon van de ontvanger te boven gaan. Deze publiekrechtelijke uitkeringen die beogen bepaalde kosten te dekken en om die reden zijn vrijgesteld zijn limitatief opgesomd in de Wet inkomstenbelasting 20015. De BIV is echter niet bedoeld om bepaalde uitgaven te dekken, maar is een vorm van vrij besteedbaar inkomen. Een vrijstelling voor de BIV is derhalve niet op zijn plaats; dit zou dan immers moeten gelden voor alle periodieke publiekrechtelijke uitkeringen.
Ook aan deze vraag besteden professor Boot en professor Lubbers aandacht in hun rapport. Zij bepalen aan de hand van de wetsgeschiedenis de ratio van de vrijstellingen in artikel 3.104 Wet inkomstenbelasting 2001:
Kunt u de vragen beantwoorden voor het commissiedebat Nationale fiscaliteit van 2 juli a.s.?
Ja.
Het bericht ‘Remco S. loopt nog altijd vrij rond in India na de moord op José’ |
|
Eric van der Burg (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Remco S. loopt nog altijd vrij rond in India na de moord op José»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Remco S. kan worden uitgeleverd aan Nederland zodat hij hier kan worden berecht? Zo ja, acht u dat wenselijk of stelt u het op prijs dat betrokkene in India wordt berecht en na veroordeling daar zijn straf uitzit?
Uw vraag ziet op een individuele zaak. Over individuele strafzaken, het contact daarover met een buitenlandse autoriteit en de wijze waarop door een buitenlandse autoriteit wordt gehandeld, kan ik geen mededelingen doen.
In algemene zin merk ik op dat het land waar een feit gepleegd is primair rechtsmacht heeft. Voor een dergelijk feit gepleegd in het buitenland zou Nederland mogelijk rechtsmacht kunnen hebben mits er nog geen vervolging heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld wanneer een dader of slachtoffer de Nederlandse nationaliteit bezit. Of uitlevering daadwerkelijk mogelijk is, hangt altijd af van de exacte feiten, omstandigheden, de juridische basis en nationale regelgeving, procedures en de inzet van een verzoekend land en een aangezocht land.
Is er diplomatiek contact geweest tussen India en Nederland over de zaak, en zo ja, wat heeft dat contact opgeleverd?
Over individuele consulaire zaken doet het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen mededelingen omwille van de privacy van betrokkenen. In algemene zin kan niettemin worden gesteld dat het ministerie nabestaanden en slachtoffers van misdrijven in het buitenland desgevraagd consulair ondersteunt. Het verlies van een dierbare door een geweldsmisdrijf in het buitenland is uiterst verdrietig en ingrijpend. Daar is consulair maatwerk op zijn plaats. Hoewel Nederland zich conform internationale afspraken niet kan mengen in een buitenlandse rechtsgang, kan het ministerie de betrokkenen wel steunen om een (lokale) advocaat te vinden die hen de benodigde juridische bijstand kan verlenen. Zowel de advocaat als de lokale autoriteiten, zoals de politie en het Openbaar Ministerie, beschikken over informatie om nabestaanden op de hoogte te houden van het verloop van een eventueel opsporingsonderzoek of een strafzaak. In voorkomende gevallen kan een Nederlandse post in contact treden met de advocaat van betrokkenen indien zij zulks verzoeken.
Ik verwijs u graag naar de beantwoording van de Minister van Buitenlandse Zaken van eerdere schriftelijke vragen gesteld door het lid Van Nispen (SP) over de nasleep van de moord op een Nederlandse vrouw in India. Deze vragen werden ingezonden op 27 mei 2025 met kenmerk 2025Z08898 en zijn beantwoord op 2 juni 2025.
Hoe vaak is sinds de inwerkingtreding van het uitleveringsverdrag met India een verzoek aan India gericht en hoe vaak heeft India een verzoek tot uitlevering aan Nederland gericht?
Het uitleveringsverdrag tussen Nederland en India stamt uit 1898, destijds gesloten met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland. Dit verdrag is van toepassing verklaard bij de Briefwisseling tussen de Nederlandse en de Indiase regering inzake de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland tot uitlevering van misdadigers van 27 augustus 1971. Het aantal ingediende uitleveringsverzoeken is zeer gering. Met betrekking tot de doorlooptijd en het aantal afwijzingen kan ik geen verdere uitspraken doen.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een uitleveringsverzoek aan India en hoe vaak wordt een uitleveringsverzoek afgewezen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen zijn de afgelopen jaren gezet om de informatiepositie van slachtoffers en nabestaanden te verbeteren, zodat zij periodiek worden geïnformeerd over de voortgang van zaken waarin is verzocht om uitlevering van een verdachte?
De officier van justitie informeert het slachtoffer bij diverse belangrijke momenten in een strafzaak, zoals opgenomen in het Wetboek van Strafvordering, artikel 51ac. Als er sprake is van een verzoek tot uitlevering, kunnen slachtoffers daarover door de officier van justitie worden geïnformeerd, maar dit gebeurt niet standaard periodiek.
Uitleveringsprocedures kennen, net als in Nederland, in de regel diverse rechterlijke en niet-rechterlijke toetsmomenten en mogelijkheden tot beroep. Doorlooptijden van langer dan een jaar zijn dan ook niet uitzonderlijk. Nederland kan als verzoekende staat slechts zeer beperkt invloed hebben op procedures in het buitenland. Ook stelt de aangezochte staat de verzoekende staat niet altijd tot in detail op de hoogte van het verloop van de procedures. Indien er wel contact is met de aangezochte staat kan er sprake zijn van vertrouwelijke diplomatieke correspondentie. Daardoor kan niet altijd alle informatie met slachtoffers of nabestaanden worden gedeeld. In sommige gevallen wordt maatwerk toegepast als het gaat om het informeren van slachtoffers en nabestaanden. Dit alles is afhankelijk van de situatie en of de omstandigheden zich daarvoor lenen. Uiteindelijk staat het belang van het slagen van de uitleveringsprocedure voorop, om straffeloosheid te voorkomen.
Hoe wordt voorkomen dat een verdachte kan reizen met het paspoort van eeneiige tweelingbroer? Onder welke omstandigheden kan ook de eeneiige tweelingbroer worden gesignaleerd?
In algemene zin kan ik opmerken dat een signalering alleen mogelijk is met betrekking tot een individu dat wordt gezocht voor strafbare feiten.
Bent u bereid met de nabestaanden in deze zaak in gesprek te gaan mochten zij dat wensen?
Ik wil mijn medeleven betuigen aan de familie met het tragische verlies van hun geliefde. Contact met nabestaanden over informatie in individuele zaken loopt in principe via het Openbaar Ministerie.
Kunt u aangeven op welke termijn slachtoffers en nabestaanden van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven die zijn gepleegd buiten de Europese Unie in landen zoals India een tegemoetkoming kunnen krijgen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven en kunt u de Kamer hierover voor het commissiedebat over slachtofferbeleid op 18 juni 2025 informeren?
Alleen als het gewelds- of zedenmisdrijf in Nederland of aan boord van een Nederlands (lucht)vaartuig heeft plaatsgevonden, komen slachtoffers en nabestaanden in aanmerking voor een tegemoetkoming van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.2 Onder Nederland wordt ook verstaan de territoriale wateren van Nederland. Indien het misdrijf in het buitenland, zoals in de onderhavige casus in India, heeft plaatsgevonden, komen de slachtoffers en nabestaanden niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. In de derde Voortgangsbrief Slachtofferbeleid van de Staatssecretaris Rechtsbescherming van 15 april 2024 is melding gemaakt van de pilot Fonds Buitenland.3 Van 1 mei 2021 tot 1 april 2023 konden nabestaanden van Nederlandse geweldsslachtoffers, die als gevolg van het misdrijf in een financiële noodsituatie waren beland en niet in aanmerking kwamen voor andere financiële hulp, in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming van het Fonds Slachtofferhulp. De resultaten van de pilot zijn betrokken bij de verkenning om een proeftuin te starten bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor Nederlanders die in België en Duitsland slachtoffer zijn geworden van een geweldsmisdrijf. Inmiddels is duidelijk geworden dat een deugdelijke juridische basis hiervoor ontbreekt en dat daarvoor de wet Schadefonds Geweldsmisdrijven moet worden aangepast. De Staatssecretaris Rechtsbescherming is voornemens de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven te gaan herzien. In dat kader zal hij nogmaals kijken naar dit punt.
Herinnert u zich de kamerbrief van 1 april jl. waarin u de motie Van Eijk/Kisteman inzake coronabelastingschulden als afgedaan beschouwt?
Ja.
Vindt u dat u hiermee de zorgen die door ondernemers en hun adviseurs worden geuit als het gaat om knelpunten in de uitvoering van het huidige kwijtscheldingsbeleid voldoende serieus neemt?
De zorgen van ondernemers en hun adviseurs neem ik vanzelfsprekend serieus. Ik vind het belangrijk dat alternatieven voorhanden zijn voor levensvatbare ondernemingen die niet kunnen voldoen aan de standaard corona betalingsregeling van zestig maanden. Een van die alternatieven is een saneringsakkoord waarbij een deel van de belastingschuld wordt kwijtgescholden. Binnen het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst is daarom in een vroeg stadium – reeds voordat hier door uw Kamer vragen over zijn gesteld – een werkgroep gevormd die op basis van interne en externe signalen nagaat of het daarvoor geldende beleid aanpassing behoeft. Ik kan uw Kamer inmiddels mededelen dat twee wijzigingen van de Leidraad invordering 2008 (LI 2008) haalbaar zijn gebleken per 1 juli 2025. Deze zien op twee onderwerpen waar in de onderhavige set van vragen ook aandacht voor wordt gevraagd, te weten de termijn waarbinnen het aangeboden akkoordbedrag moet worden betaald en een verduidelijking van het beleid rondom dwangcrediteuren. Bij de beantwoording van de vragen 4 en 7 ga ik nader in op deze wijzigingen. Zoals ik heb toegezegd in het commissiedebat Belastingdienst van 13 maart 2025 blijf ik uw Kamer informeren via de stand-van-zakenbrieven Belastingdienst.
Wat is de doeltreffendheid van het huidige kwijtscheldingsbeleid bij grote bedrijven (bijvoorbeeld meer dan 250 werkzame personen) met grote schulden (bijvoorbeeld meer dan tien miljoen euro coronaschuld)? Wat is de succesratio? Wat zijn de belangrijkste knelpunten bij sanering?
Er is een beperkt aantal saneringsverzoeken ingediend door ondernemingen die voldoen aan de genoemde criteria; het merendeel daarvan moest worden afgewezen. Bij een afwijzing is in alle gevallen sprake van meerdere afwijzingsgronden, die ook in de beschikking aan de onderneming worden vermeld.
Het grootste knelpunt bij saneringen betreft de concurrente crediteuren. Ondernemers willen niet dat crediteuren op de hoogte zijn van hun financiële problemen. Hieronder valt ook het benaderen van dwangcrediteuren voor een afwijzing. Ook vinden ondernemers het problematisch als crediteuren, niet zijnde dwangcrediteuren, wel gevraagd worden om mee te werken aan een saneringsakkoord, maar weigeren. Dan lijkt er geen mogelijkheid meer voor een sanering te zijn.
Herkent u, gelet op het feit dat volgens de Leidraaad Invordering 2008 een aantal crediteuren niet hoeft te worden betrokken in het saneringsakkoord, het beeld dat de ontvanger deze uitzondering in de praktijk interpreteert als dat een crediteur pas als dwangcrediteur kan worden aangemerkt wanneer deze is aangeschreven en een akkoord heeft afgewezen?
Artikel 26.3.8 LI 2008 biedt aan een ondernemer de ruimte om bepaalde crediteuren buiten een door hem aan te bieden saneringsakkoord te houden. Dit zijn crediteuren die vanwege hun onderscheidende positie niet noodzakelijkerwijs tot een saneringsakkoord hoeven toe te treden om (een deel van) hun vordering betaald te krijgen. Het gaat hierbij onder meer om de zogenoemde dwangcrediteuren. Onder een dwangcrediteur wordt verstaan een leverancier die niet bereid is aan een akkoord mee te werken terwijl de onderneming zonder deze leverancier niet door kan gaan. Uit de desbetreffende bepaling volgt niet per definitie dat een crediteur alleen als een dwangcrediteur kan worden aangemerkt als deze crediteur in het kader van het saneringsakkoord is aangeschreven en heeft aangegeven niet te willen meewerken aan het aangeboden akkoord. De ontvanger heeft wel de ruimte om dit te verlangen als hij daar aanleiding toe ziet.
In de praktijk kan het voorkomen dat de ontvanger een crediteur pas als dwangcrediteur aanmerkt, nadat deze crediteur heeft aangegeven niet in te stemmen. Mij is niet bekend dat dit te allen tijde gebeurt dan wel dat de ontvanger enkel crediteuren als dwangcrediteuren aanmerkt als deze crediteuren zijn aangeschreven en hebben aangegeven niet te willen instemmen met het aangeboden akkoord. Ondanks dat ik het geschetste beeld niet herken, acht ik verduidelijking van de desbetreffende bepaling in de LI 2008 wel wenselijk. De redactie van het artikel kan namelijk de indruk geven dat een crediteur altijd eerst moet worden aangeschreven. In artikel 26.3.8 LI 2008 wordt verduidelijkt dat de ontvanger een crediteur als dwangcrediteur kan aanmerken als het aannemelijk is dat deze crediteur niet bereid is mee te werken aan een saneringsakkoord, terwijl zonder de betrokkenheid van deze crediteur voortzetting van de onderneming in gevaar komt. Het is hierbij aan de belastingschuldige om aannemelijk te maken dat daarvan sprake is. De belastingschuldige zou het voorgaande aannemelijk kunnen maken door het overhandigen van een afwijzing van de betreffende crediteur, maar ook op een andere wijze. Het voornemen is om de verduidelijking van artikel 26.3.8 LI 2008 per 1 juli 2025 door te voeren.
Naast de eerdergenoemde verduidelijking wordt in artikel 26.3.8 LI 2008 de term «leverancier» vervangen door de term «handelscrediteur». Hiermee moet worden voorkomen dat «leverancier» enkel wordt geïnterpreteerd als leverancier van een goed. Ook voor deze verduidelijking geldt dat het voornemen is om deze per 1 juli 2025 door te voeren.
Bent u het ermee eens dat dit geen oplossing biedt voor operationele uitdagingen (aanschrijven van soms een grote hoeveelheid crediteuren) en risico’s voor de liquiditeitspositie (wanneer crediteuren hun betaalvoorwaarden aanscherpen als zij hoogte krijgen van de financiële problemen van de debiteur)?
De huidige beleidsmatige uitzonderingsmogelijkheid om crediteuren buiten een saneringsakkoord te laten, biedt inderdaad geen oplossing voor de genoemde operationele uitdagingen. Bij ondernemers voert de ontvanger in beginsel een stringent uitstel- en kwijtscheldingsbeleid. Hiermee moet het risico op concurrentieverstoring worden beperkt. Hoe meer crediteuren niet hoeven worden te betrokken in het saneringsakkoord, hoe groter het risico is op eenzijdige saneringen en daarmee concurrentieverstoringen.
Op eerdere Kamervragen over het aanschrijven van een grote hoeveelheid crediteuren heb ik reeds geantwoord te begrijpen dat dit bezwaarlijk kan zijn voor de belastingschuldige en dat een aantal crediteuren van de belastingschuldige − bijvoorbeeld de dwangcrediteur, pandhouder of leverancier die de eigendom van de geleverde zaak heeft voorbehouden (eigendomsvoorbehoud) − vanwege hun onderscheidende positie niet hoeft te worden betrokken in het saneringsakkoord. Hierbij heb ik ook aangegeven signalen uit de praktijk nauwlettend te monitoren en eventueel noodzakelijke en wenselijke wijzigingen in het kwijtscheldingsbeleid door te voeren.
Momenteel wordt dan ook onderzocht of en in hoeverre een uitvoerbare oplossing kan worden gevonden die tegemoetkomt aan de in de vraagstelling omschreven operationele uitdagingen van ondernemers maar tegelijkertijd niet een onevenredig risico op concurrentieverstoring met zich brengt. Conform mijn toezegging houd ik uw Kamer op de hoogte van de voortgang via de stand-van-zakenbrieven Belastingdienst.
Ziet u mogelijkheden om het uitzonderingsbeleid voor operationele crediteuren te verruimen wanneer blijkt dat het beleid ten aanzien van operationele crediteuren saneringen onevenredig in de weg staat?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat heeft de ontvanger nodig om voldoende comfort te verkrijgen bij een langere terugbetalingstermijn na sanering?
Als eenmaal overeenstemming is bereikt over de voorwaarden van een saneringsakkoord, moet het akkoordbedrag ook nog betaald worden. De ontvanger hanteert daarbij als uitgangspunt dat het overeengekomen bedrag ineens betaald moet worden. Het is onder voorwaarden ook mogelijk om met de ondernemer een betalingsregeling te treffen voor (een deel van) het overeengekomen bedrag. Daarbij wordt aangesloten bij het uitstelbeleid voor ondernemers in de LI 2008, waarbij een betalingsregeling in beginsel maximaal twaalf maanden mag duren.
Door te verlangen dat het aangeboden bedrag binnen twaalf maanden wordt voldaan, wordt binnen een redelijke termijn duidelijk voor de ondernemer en zijn andere crediteuren of fiscale kwijtschelding daadwerkelijk plaatsvindt. Daarnaast kan voor een periode van twaalf maanden een prognose worden gemaakt die voldoende betrouwbaar is, waardoor de ontvanger enige zekerheid heeft dat het aangeboden bedrag zal worden voldaan en de ondernemer erop kan vertrouwen dat hij ook daadwerkelijk het bedrag kan voldoen. De termijn voor voldoening van het aangeboden bedrag verlengen zou derhalve resulteren in onzekerheden voor alle betrokken partijen. Desalniettemin is het niet per definitie uitgesloten dat de ontvanger akkoord gaat met een aflossingsperiode langer dan twaalf maanden.
Hoewel de termijn van twaalf maanden in de praktijk vaak voldoende is en ruimte bestaat voor maatwerk, is het mij inmiddels duidelijk geworden dat meer flexibiliteit wenselijk is in de huidige praktijk. Uit de LI 2008 blijkt nu onvoldoende dat de ontvanger kan instemmen met een akkoord waarbij de aflossingsperiode meer dan twaalf maanden behelst. Het voornemen is om per 1 juli 2025 een wijziging in het beleid te introduceren die het expliciet mogelijk maakt om een langere betalingsregeling toe te staan voor de betaling van een in een saneringsakkoord overeengekomen bedrag. Daarbij geldt als voorwaarde dat de ondernemer aannemelijk maakt dat hij het bedrag van het saneringsakkoord niet binnen twaalf maandelijkse termijnen kan voldoen en de nakoming van het akkoord voldoende is geborgd. Ik heb ervan afgezien om hierbij een nieuwe maximumtermijn te introduceren. De duur van deze betalingsregeling is maatwerk en afhankelijk van de individuele situatie van de ondernemer. In zijn algemeenheid geldt wél dat een langere termijn om een betere onderbouwing vraagt. De ondernemer moet aan de hand van een verklaring van een derde-deskundige onderbouwen dat de betalingsproblemen met het saneringsakkoord worden opgelost. Het instrument van de verklaring van de derde-deskundige is ontleend aan het bestaande beleid voor een langere betalingsregeling dan twaalf maanden in verband met bijzondere omstandigheden1. Indien de ondernemer in het akkoordtraject wordt bijgestaan door een gemachtigde met voldoende expertise en ervaring kan deze ook als derde-deskundige fungeren. Bij een te betalen akkoordbedrag onder de € 20.000 kan volstaan worden met een eigen verklaring van de ondernemer2.
Hoe kan het saneringsbeleid meer in lijn worden gebracht met akkoorden die in de praktijk onder de WHOA wel mogelijk zijn? Waarom kan de ontvanger onder de WHOA ruimere saneringsvoorwaarden accepteren dan onder het reguliere saneringsbeleid?
Sinds 2021 is de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) van kracht. De wetgever heeft beoogd een effectieve en breed toegankelijke akkoordregeling tot stand te brengen die niet alleen bruikbaar is voor grote bedrijven, maar ook voor het MKB. Het gaat hierbij om ondernemingen die vanwege een (te) zware schuldenlast insolvent dreigen te geraken, maar wel levensvatbaar zijn. Voor de invoering van de WHOA zou een onderneming met financiële problemen buiten faillissement of surseance van betaling alleen door een zogeheten schuldeisersakkoord tot afspraken met crediteuren kunnen komen. Het voorgaande bleek in de praktijk echter weinig effectief.
Bij de WHOA gelden eigen voorwaarden. Een voorbeeld hiervan is de zogenoemde 20%-regel.3 In dat kader wijs ik u erop dat signalen vanuit de praktijk over eventuele knelpunten nauwlettend worden gemonitord en dat een werkgroep momenteel onderzoekt of aanpassingen van het fiscale saneringsbeleid noodzakelijk en wenselijk zijn. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan eventuele (onwenselijke) verschillen tussen het beleid van de Belastingdienst inzake de WHOA-akkoorden en het saneringsbeleid van de Belastingdienst bij buitengerechtelijke saneringsverzoeken. Over de (tussentijdse) uitkomst hiervan zal ik uw Kamer via de eerstvolgende stand-van-zakenbrieven Belastingdienst informeren.
In hoeverre zijn eerdergenoemde bezwaren over het reguliere saneringsbeleid meegenomen in de meest actuele evaluatie en welke aanpassingen zijn er overwogen? Kunnen deze onderzoeken openbaar worden gemaakt?
Eerder dit jaar heb ik uw Kamer medegedeeld dat binnen het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst met enige regelmaat wordt onderzocht of het kwijtscheldingsbeleid aangepast moet worden. Hierbij worden signalen die vanuit de praktijk zijn ontvangen, zowel vanuit de Belastingdienst als daarbuiten, actief betrokken. De laatste evaluatie van het kwijtscheldingsbeleid heeft tot op heden geleid tot de in deze brief aangekondigde wijzigingen, zoals de verduidelijking van het beleid ten aanzien van dwangcrediteuren en de termijn waarbinnen het aangeboden bedrag kan worden voldaan. De eerdergenoemde werkgroep zal de komende maanden verder nagaan of op basis van de ontvangen interne en externe signalen andere aanpassingen van het beleid noodzakelijk en wenselijk zijn. Ik zal uw Kamer over de (tussentijdse) uitkomst hiervan informeren via de eerstvolgende stand-van-zakenbrieven Belastingdienst. Daarbij zal ik ook nader ingaan op eventuele aanpassingen die de aankomende periode worden onderzocht, maar vervolgens niet als wenselijk of noodzakelijk zijn bestempeld.
Hoe kunnen rapporten van onder andere het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK), die beoordelen dde levensvatbaarheid van ondernemingen beoordelen en daarbij aangeven welke maatregelen eventueel nodig zijn worden benut door de Belastingdienst? Kan dit worden gebruikt als afwijzingsgrond? Of juist vanuit de mogelijkheid om een onderneming levensvatbaar voort te zetten?
Het uitstel- en kwijtscheldingsbeleid van de Belastingdienst is erop gericht om levensvatbare ondernemingen de ruimte te bieden om tijdelijke liquiditeitsproblemen te boven komen. Dit komt bijvoorbeeld terug in het uitstel van betaling voor de coronaschulden. Er is besloten om te voorzien in een ruimhartige betalingsregeling, waarbij ondernemers in de gelegenheid worden gesteld de openstaande coronaschulden binnen vijf jaar te voldoen. Mocht een levensvatbare onderneming niet kunnen voldoen aan deze standaard corona betalingsregeling, is verlenging van de termijn naar zeven jaar al dan niet in combinatie met een betaalpauze van maximaal zes maanden mogelijk. Hiermee wordt nog meer ruimte geboden aan levensvatbare ondernemingen.
Naast de hiervoor genoemde betalingsregeling voor coronaschulden en de bijbehorende versoepelingen, heeft de ontvanger op grond van het bestaande beleid in de LI 2008 ook de mogelijkheid om een maatwerk betalingsregeling voor een langere periode dan twaalf maanden te verlenen. De ondernemer moet dan (hoofdzakelijk) door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt in tijdelijke liquiditeitsproblemen zijn gekomen.4
Mocht een onderneming niet in staat zijn om de gehele belastingschuld te betalen binnen de hiervoor genoemde mogelijkheden, kan ook worden geopteerd voor een saneringstraject. Ten behoeve van de behandeling van kwijtscheldingsverzoeken van levensvatbare ondernemers met coronaschulden is verder de zogeheten Tijdelijke instructie saneringen opgesteld. Deze bevat diverse versoepelingen ten opzichte van het reguliere beleid. Zo schrijft de instructie voor dat verzoeken van ondernemers met een welwillende blik worden behandeld. Dat houdt in dat verzoeken bij twijfel worden toegewezen.
Daarnaast is er een landelijke taskforce saneringen in het leven geroepen. Als de ontvanger meent dat de ondernemer in aanmerking zou moeten komen voor sanering maar de saneringsvoorwaarden hiervoor onvoldoende ruimte bieden kan hij de kwestie via de vaktechnische lijn aan deze taskforce voorleggen. De instructie kent ook ruimere termijnen om onvolledige saneringsverzoeken aan te vullen (negentig dagen met de mogelijkheid tot verlenging met dertig dagen, in plaats van de twee weken termijn uit de LI 2008). Door de Belastingdienst werd die negentig + dertig dagen termijn als onnodig knellend ervaren: aan de ene kant kan het voorkomen dat een ondernemer meer tijd nodig heeft, aan de andere kant komt een hersteltermijn van negentig dagen voor slechts een klein vormverzuim de doorlooptijd niet ten goede. De instructie wordt daarom zo aangepast dat de ontvanger voortaan – in aanvulling op de standaardtermijn van dertig dagen die gaat gelden − in ieder dossier qua termijnen het maatwerk kan bieden waar dat dossier om vraagt. Ondernemers die kunnen onderbouwen dat ze de «oude» termijn van negentig + dertig dagen nodig hebben kunnen die termijn uiteraard ook onder het nieuwe regime krijgen.
Als een saneringsverzoek niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden, wijst de Belastingdienst het verzoek af. Hiervan zal bijvoorbeeld sprake zijn als de ondernemer die om sanering heeft verzocht niet levensvatbaar blijkt te zijn.
De levensvatbaarheid van een onderneming is dan ook cruciaal voor het kunnen laten slagen van een saneringstraject. Daarbij geldt in zijn algemeenheid dat hoe beter de levensvatbaarheid van een onderneming wordt beargumenteerd, des te bevorderlijker dat voor het saneringstraject is. Rapporten die zijn opgesteld door ter zake deskundige partijen zijn in de regel dus helpend, mits ze alle voor de Belastingdienst relevante informatie bevatten. Het is in zijn algemeenheid niet te zeggen of een afwijzing eerder leidt tot een faillissement dan dat de Belastingdienst overgaat tot beslag en executieverkoop.
Verder beziet de ontvanger bij de beoordeling van een saneringsverzoek ook of het aangeboden bedrag ten minste dezelfde omvang heeft als hetgeen kan worden verkregen door middel van executiemaatregelen. Hierbij wordt niet beoordeeld of de verwachte executieopbrengst hoog (genoeg) is dan wel in verhouding staat tot de openstaande belastingschuld.5 Bij de voorwaarde die ziet op de verwachte executieopbrengst moet alleen worden beoordeeld of het aangeboden bedrag ten minste dezelfde omvang heeft als de ontvanger kan verkrijgen door middel van executiemaatregelen. Als het aangeboden bedrag lager is dan kan worden verkregen door middel van executiemaatregelen, vormt dat een belemmering voor de ontvanger om mee te werken aan het saneringsakkoord. De ondernemer heeft dan de mogelijkheid om het aanbod aan te passen.
Op welke manier voorkomt u dat ondernemers die hun reserves hebben aangesproken en vervolgens een kwijtscheldingsverzoek indienen niet alsnog worden geconfronteerd met een afwijzing op basis van de verwachte executieopbrengst?
Zie het antwoord op vraag 10.
Klopt het dat een afwijzing eerder tot faillissement leidt dan tot daadwerkelijke opbrengsten via executieverkoop en dat dit in veel gevallen ertoe leidt dat de curator de boedel liquideert?
Zie het antwoord op vraag 10.
Wat doet u om te voorkomen dat ondernemers na een afgewezen verzoek alsnog worden geconfronteerd met onrealistische aflossingseisen die hen richting faillissement duwen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Is spreiding van aflossingen of een meer maatwerkgerichte beoordeling mogelijk die de impact op ondernemers verlicht?
Zie het antwoord op vraag 7.
Het bericht 'Stekende tbs’er al eerder met onbegeleid verlof' |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stekende tbs’er al eerder met onbegeleid verlof: «Wij wisten dat hij opnieuw zou toeslaan en hebben hiervoor gewaarschuwd»»1 en het bericht «Malek F. stak drie mensen neer en maakt kans op verlof: slachtoffer leeft voortdurend in angst»?2
Ik ben bekend met de artikelen waarnaar wordt verwezen in de voetnoot.
Wat is uw reactie op deze berichten en welke onderzoeken worden naar aanleiding van het nieuwste steekincident gedaan, wanneer zijn deze onderzoeken afgerond en wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten?
Ik doe geen uitspraken over individuele gevallen. In algemene zin kan ik zeggen dat een verdachte bij incidenten aan passende maatregelen wordt onderworpen. Daarnaast doet een kliniek aangifte en onderzoekt de kliniek het incident. Hiervoor wordt een calamiteitenonderzoekscommissie ingezet. De bevindingen van deze commissie worden gedeeld met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid.
Indien er vanuit de slachtoffers behoefte bestaat aan een gesprek met mijn departement, dan sta ik daarvoor open. Dit vanuit de gedachte dat een slachtoffer de regie moet hebben over zijn eigen verwerkingsproces.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de slachtoffers van Malek F. om beter inzicht te krijgen in de wijze waarop de waarschuwingen van slachtoffers zijn meegenomen in de besluitvorming om betrokkene uiteindelijk onbegeleid verlof toe te kennen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak is sinds de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding slachtofferrechten gebruik gemaakt van het spreekrecht bij tbs-verlengingszittingen, en als dit niet kan worden afgeleid uit de managementsystemen bij de Rechtspraak, kunt u dan bij elke rechtbank en het Hof Arnhem-Leeuwarden opvragen hoe vaak dit gebeurt?
Het beperkt spreekrecht bij tbs-verlengingszittingen is op 1 januari 2025 in werking getreden. Het beperkt spreekrecht biedt slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid om hun beschermingsbehoefte mondeling aan de rechter toe te lichten. Het beperkt spreekrecht ziet enkel op de voorwaarden die een relatie tot het slachtoffer hebben. Het is onbekend hoeveel slachtoffers sinds de invoering op 1 januari jl. van het beperkt spreekrecht gebruik hebben gemaakt. Dit kan niet worden afgeleid uit de managementsystemen van de rechtspraak. Uit navraag bij de rechtbanken en het Hof Arnhem-Leeuwarden is gebleken dat ook daar geen informatie over aantallen beschikbaar is.
Uit navraag bij de Rechtspraak, het openbaar ministerie en het CJIB over de eerste ervaringen komt het beeld naar voren dat er tot nu toe weinig gebruik is gemaakt van het spreekrecht. Op dit moment loopt bij het WODC een nulmeting van het beperkt spreekrecht op de tbs- en pij-verlengingszitting ten behoeve van de inhoudelijke effectevaluatie na twee jaar.
Hoeveel slachtoffers en nabestaanden krijgen per jaar vanaf 1 januari 2025 een brief waarin wordt uitgelegd dat zij het spreekrecht bij tbs-verlengingszittingen kunnen uitoefenen, en hoe ziet zo’n brief eruit?
Bij de invoering van het beperkt spreekrecht is er, op basis van beschikbare informatie bij de ketenpartners, vanuit gegaan dat het beperkt spreekrecht per jaar ongeveer 400 tbs-(verlengings)zittingen in eerste aanleg aan de orde kan zijn.
Het aantal slachtoffers en nabestaanden dat geïnformeerd en geraadpleegd wordt over het beperkt spreekrecht bij deze tbs-zittingen is daarmee naar schatting 720 per jaar (uitgaande van gemiddeld 1,8 slachtoffers per zaak). Ingeschat is dat gemiddeld tussen de 5 en 15% van de slachtoffers vervolgens daadwerkelijk gebruik zal maken van het beperkt spreekrecht.
Het CJIB informeert het slachtoffer over het beperkt spreekrecht. In de brief wordt gevraagd naar de beschermingsbehoefte van het slachtoffer, wordt toegelicht wat het beperkt spreekrecht inhoudt en wordt gevraagd of het slachtoffer hiervan gebruik wil maken. In de brief is een telefoonnummer opgenomen van het Slachtofferinformatiepunt van het CJIB, waar het slachtoffer terecht kan met vragen. In Q2 2025 zal er tevens een verwijzing worden opgenomen naar Slachtofferhulp Nederland voor ondersteuning. Het CJIB beziet op basis van de opgedane ervaringen of aanpassingen in de brief nog gewenst zijn.
Klopt het dat er bij de betreffende kliniek dit jaar al vier onttrekkingen zijn geweest, en is dit vergelijkbaar met andere tbs-klinieken?
In 2025 zijn tot nu toe zes tbs-gestelden van de betreffende kliniek geweest die niet tijdig teruggekeerd zijn van verlof. Deze personen zijn allemaal teruggekeerd in de kliniek. Het komt ieder jaar enkele tientallen keren voor dat een tbs-gestelde zich onttrekt aan verlof. Dit kan zowel om begeleid als onbegeleid verlof gaan. Naast te laat terugkeren, kan het ook gaan om een schending van de verlofvoorwaarden (een tbs-gestelde overnacht bijvoorbeeld bij zijn vriendin, terwijl dit volgens de verlofvoorwaarden bij de ouders had moeten zijn). Op het jaarlijks totale aantal verlofbewegingen ligt het percentage onttrekkingen doorgaans rond de 0,05 procent. Over een wat langere tijdsperiode dan de afgelopen maanden zien we geen duidelijk afwijkend beeld bij FPC Van Mesdag. Echter, gezien de onttrekkingen uit de kliniek dit jaar, monitort de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) of het aantal onttrekkingen tijdens verlofbewegingen significant afwijkt.
Wat is de wettelijke grondslag voor het onbegeleide verlof dat ongewenstverklaarde vreemdelingen in de tbs zoals Malek F. krijgen?
Zoals uw Kamer bekend ga ik niet in op individuele gevallen.
In algemene zin geldt dat verlof tijdens de tbs-behandeling ongewenst verklaarde vreemdelingen moet voorbereiden op resocialisatie in het land van herkomst. Vanwege de vreemdelingenwetgeving heeft een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf namelijk geen recht op voorzieningen in Nederland en dient men terug te keren naar het land van herkomst.3 Indien een vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, kunnen de behandelmogelijkheden in een tbs-kliniek belemmerd worden. De regelgeving (Verlofregeling tbs) laat alleen begeleid verlof bij vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf toe. Sporadisch, in individuele gevallen, wordt een machtiging verleend voor ander verlof dan begeleid verlof (onbegeleid of transmuraal verlof). Er is dan sprake van maatwerk. Dit besluit wordt door de Staatssecretaris Rechtsbescherming genomen na een positief advies van het Adviescollege Verloftoetsing tbs (AVT). Uiteraard wordt dit maatwerk alleen toegepast wanneer dit behandelinhoudelijk geïndiceerd is en veilig en verantwoord kan worden vormgegeven. Dit maatwerk heeft tot doel te voorkomen dat ongedocumenteerde vreemdelingen in uitzichtloze situaties terecht komen en de kans op repatriëring naar land van herkomst te vergroten. Immers, hoe verder een patiënt is in zijn of haar behandeling, des te groter de kans dat in het land van herkomst een soortgelijke voorziening gevonden kan worden waar de patiënt verder behandeld kan worden. Er is in 2023 en 2024 in vier gevallen bovengenoemd maatwerk toegepast en onbegeleid/transmuraal verlof toegestaan voor vreemdelingen met een tbs-maatregel. In 2025 is (nog) geen maatwerk toegepast.
Wat is de wettelijke grondslag voor het verlenen van een transmurale verlofstatus aan ongewenstverklaarde vreemdelingen in de tbs?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat slachtoffers en nabestaanden een sterkere positie zouden moeten krijgen bij het proces dat plaatsvindt bij het adviescollege verloftoetsing tbs? Zo nee, waarom niet?
Het meewegen van het belang en de veiligheid van slachtoffers is een vast onderdeel van het verlofproces en de verlofaanvraag. In de Verlofregeling tbs is opgenomen dat een slachtofferonderzoek moet plaatsvinden. Dit is een analyse van de mogelijke gevolgen en veiligheidsrisico’s van verlof voor het slachtoffer of zijn omgeving.4 In de praktijk betekent dit dat onder andere wordt gekeken naar de relatie van de tbs-er tot het slachtoffer, de kans op confrontatie en het bestaan van een eventuele betalingsregeling.
In gevallen kan sprake zijn van het opleggen van een contact- of gebiedsverbod ten behoeve van het slachtoffer als bijzondere voorwaarde bij het verlof. Daarnaast worden slachtoffers die dat willen, gedurende de behandeling van de patiënt op de hoogte gehouden van verlengingszittingen en verlofstappen.
Ik ga verkennen of versterking van de positie van slachtoffers en nabestaanden bij verloftoetsing mogelijk en wenselijk is, en zo ja op welke manier. Ik zal uw Kamer hiervan op de hoogte houden via de voortgangsbrief Slachtofferbeleid die in Q2 2026 naar uw Kamer zal worden gestuurd.
Waarom worden slachtoffers en nabestaanden van een zeer ernstig misdrijf in een zaak zoals deze middels standaardbrieven geïnformeerd?
Gelet op de verwachte aantallen brieven die per jaar worden verstuurd, is het noodzakelijk dit proces te standaardiseren. Het CJIB stuurt echter, indien de aard van de zaak daarom vraagt, op de individuele zaak afgestemde brieven en informeert de slachtoffers op maat. Slachtoffers en nabestaanden kunnen daarnaast altijd persoonlijk contact opnemen met het slachtofferinformatiepunt van het CJIB voor vragen en meer informatie.
Klopt het dat er 130 vreemdelingen in de tbs zijn zoals Malek F. die ongewenst zijn verklaard en dus geen recht hebben op verlof, maar moeten worden teruggestuurd naar het land van herkomst?
Dat klopt niet. Op 27 mei 2025 hadden 50 van de 163 niet-Nederlandse tbs-gestelden die op 30 april 2025 in de intra-en transmurale bezetting verbleven geen geldige verblijfstitel.
In de nota naar aanleiding van het verslag van de tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering (Kamerstukken 36 636, nr. 7) schreef u dat er nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden over het gewenste beleid ten aanzien van vreemdelingen met tbs. Hoe verklaart u de praktijk waarin kennelijk toch (een deel van) deze groep begeleid en onbegeleid verlof heeft gekregen, terwijl besluitvorming in februari 2025 nog niet was afgerond?
Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in de tbs kunnen in de knel raken tussen de stelsels van de migratieketen en de strafrechtketen. Dit komt met name doordat aan de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf niet in alle gevallen verlof kan worden verleend, wat repatriëring naar- en resocialisatie in het land van herkomst in de weg staat. Zij zijn vanwege hun psychische problematiek en de tbs-maatregel in veel gevallen zeer moeilijk uitzetbaar. Dit heeft te maken met zowel de terugkeerrelatie met landen van herkomst als met de wetgeving die eist dat er minimale zorg beschikbaar én toegankelijk is in het land van herkomst.5 Tegelijkertijd belemmert het niet beschikken over een verblijfsvergunning de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel aangezien meerdere stappen in het verlof niet goed kunnen worden uitgevoerd zonder rechtmatig verblijf. Doordat verlof een belangrijk onderdeel is van de behandeling van een tbs-gestelde, stagneert de tbs-behandeling en wordt het nog lastiger om een verantwoorde terugkeer te realiseren. Door deze botsing van het vreemdelingenrecht en het strafrecht kunnen vreemdelingen in een uitzichtloze situatie te komen. Het is een ingewikkeld probleem met veel stakeholders uit zowel binnen- als buitenland.
De impasse die de botsing van het straf- en vreemdelingenrecht teweegbrengt is n.a.v. de Motie Ploumen/Jetten6 in navolging van de bevindingen van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) als hardvochtigheid aangemerkt door zowel Dienst Justitiële Inrichtingen als de drie Reclasseringsorganisaties. In een adviesrapport van februari 2021 vroeg de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) al aandacht voor dit probleem.7 Zo wordt in dit rapport gesteld dat door deze botsing van het vreemdelingenrecht en het strafrecht vreemdelingen in een uitzichtloze situatie dreigen te komen. Op dit rapport is vanwege de complexiteit van dit probleem tot op heden nog geen formele reactie gekomen van het kabinet.
In de tussentijd wordt in individuele gevallen bekeken welke mogelijkheden voor onbegeleid en transmuraal verlof mogelijk zijn, daar waar dit verlof veilig en verantwoord kan worden vormgegeven. Een terbeschikkinggestelde gaat namelijk pas met verlof als vanuit risicotaxatie en professioneel oordeel van de behandelaars de kans op recidive of terugval beheersbaar wordt geacht. Bovendien worden verlofaanvragen getoetst door een onafhankelijk adviescollege. Het Adviescollege Verloftoetsing tbs (AVT) is een onafhankelijk college dat alle verlofaanvragen, ingediend door Forensisch Psychiatrische Centra (FPC) ten behoeve van individuele tbs-gestelden, toetst op veiligheid. Op basis van die toetsing wordt een schriftelijk advies uitgebracht aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming. Op basis van een strikt individuele beoordeling hebben opeenvolgende bewindspersonen de afgelopen jaren incidenteel maatwerk toegepast voor tbs-gestelden zonder verblijfsrecht.
Op peildatum 27 mei 2025 hadden 110 van de 163 niet-Nederlandse tbs-gestelden die op 30 april 2025 in de intra-en transmurale bezetting verbleven een geldige verblijfstitel. 50 niet-Nederlandse tbs-gestelden in de intra- en transmurale setting verbleven dus in de tbs zonder geldige verblijfstitel. Naast het feit dat een deel van deze 50 personen in een uitzichtloze situatie zit of dreigt te komen, houden zij schaarse en kostbare tbs-bedden bezet. Omdat deze situatie voor alle betrokkenen onaanvaardbaar is, ga ik hierover in gesprek met de Minister van Asiel en Migratie.
Kunt u bevorderen dat – als er een geschikte grondslag komt om een vorm van verlof te verlenen aan vreemdelingen in de tbs – dat verlof enkel is gericht op resocialisatie in het land van herkomst, en dus niet op resocialisatie in Nederland? Zo nee, waarom niet en wanneer is de Kamer geïnformeerd over de kennelijke beleidswijziging? Wie heeft deze beleidswijziging geïnitieerd en hoe is deze beleidswijziging juridisch vormgegeven?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u in gesprek gaan met de Minister van Asiel en Migratie om te bevorderen dat ongewenste vreemdelingen bij beëindiging van een tbs-maatregel meteen worden teruggestuurd naar land van herkomst?
Zie antwoord vraag 12.
De late bekendmaking van de forfaitaire rendementspercentages in Box 3 |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat spaarders pas op 7 maart 2025 duidelijkheid hebben gekregen over de definitieve forfaitaire rendementspercentages in Box 3 die gelden voor het jaar 2024? Wat vindt u ervan dat de ministeriële regeling pas na het openstellen van de aangifteperiode inkomstenbelasting 2024 is gepubliceerd?
In de wetgeving voor box 3 is geregeld dat het forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden en schulden na afloop van het jaar wordt vastgesteld met een ministeriële regeling. Deze percentages worden met terugwerkende kracht in de wet opgenomen. De bedoeling hiervan is dat de percentages zo dicht mogelijk bij de werkelijke rendementspercentages in het betreffende jaar aansluiten.
De percentages voor 2024 zijn inderdaad op 7 maart 2025 gepubliceerd in de Staatscourant, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2024.1 De manier waarop de percentages worden berekend en vastgesteld is opgenomen in de wet. Dit is gebaseerd op gemiddelde rentes in de eerste elf maanden van het jaar zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank (DNB). Deze gemiddeldes zijn echter niet direct op 1 december beschikbaar, maar komen jaarlijks in de loop van januari beschikbaar. Vanwege de latere beschikbaarheid is ervoor gekozen om de maand december niet mee te wegen in de berekening. Die gegevens zouden namelijk pas in februari van het volgende jaar beschikbaar komen.2 Het Ministerie van Financiën heeft dit jaar de berekende percentages op 22 januari 2024 aan de Belastingdienst aangeleverd, zodat de Belastingdienst de juiste percentages kon gebruiken in communicatie naar belastingplichtigen. Op die manier worden in het digitale aangifteformulier de juiste percentages al toegepast. Op het moment dat de aanslagen na het openstellen van de aangifteperiode inkomstenbelasting worden opgelegd staan de definitief vastgestelde percentages opgenomen in de wet. In de wet is geen uiterste publicatiedatum opgenomen voor de ministeriële regeling. Aangezien de juiste percentages met terugwerkende kracht op een bij wet voorziene wijze worden vastgesteld zie ik juridisch gezien geen bezwaren in de publicatiedatum van 7 maart 2025.
Klopt de veronderstelling dat alle benodigde informatie al op 1 december 2024 beschikbaar is, omdat voor het berekenen van het forfaitaire rendementspercentage banktegoeden en schulden een gemiddeld rendement wordt uitgerekend over de eerste 11 maanden van het jaar?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de reden dat het publiceren van een regeling die enkel twee getallen wijzigt alsnog drie maanden in beslag neemt?
Zoals in het antwoord hierboven is weergegeven is de benodigde informatie om de percentages te berekenen jaarlijks pas in de loop van januari beschikbaar. Daarna moet de regeling worden opgesteld en worden voorgelegd voor een uitvoeringstoets door de Belastingdienst. Deze stappen kosten enige tijd. Het klopt echter dat sprake is van een relatief simpele regeling. Ik zal mij inspannen om de regeling volgend jaar voor 1 maart 2026 te publiceren.
Bent u bereid om, zolang de Wet werkelijk rendement niet is ingevoerd, de publicatie van de jaarlijkse regeling te versnellen, zodat spaarders eerder duidelijkheid hebben over het definitieve forfaitaire rendement waarover zij belasting betalen? Op welke datum verwacht u de regeling volgend jaar uiterlijk gepubliceerd te hebben?
Zie antwoord vraag 3.
Verwacht u nog formeelrechtelijke bezwaren en/of procedures als gevolg van de (te) late publicatie van de ministeriële regeling?
Zoals in het antwoord op vraag 1 en 2 is aangegeven is geen sprake van een te late publicatie. Mede daardoor zie ik juridisch gezien geen bezwaren in de publicatiedatum van 7 maart 2025. Ik heb op dit moment geen indicatie voor formeelrechtelijke bezwaren of procedures.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het tweeminutendebat over Box 3?
Ja.
Het bericht “Ouders ‘gaan volledig uit hun plaat’ bij kinderopvang: ‘We moeten een streep trekken’” |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouders «gaan volledig uit hun plaat» bij kinderopvang: «We moeten een streep trekken»»?1
Ja.
Het artikel bericht over onacceptabele agressie van ouders richting kinderopvangmedewerkers, soms zelfs waar de kinderen bij zijn, heeft u een beeld van de schaal waarop deze agressie plaatsvindt?
Signalen over agressie door ouders hebben mij niet eerder bereikt. Naar aanleiding van de Kamervragen heb ik navraag gedaan bij verschillende sectorpartijen. Bevraagde branchepartijen en oudervertegenwoordigers konden geen sluitend beeld geven op welke schaal grensoverschrijdend (agressief) gedrag plaatsvindt. Uit een onderzoek door CNV uit 2024 onder pedagogisch medewerkers blijkt dat agressief gedrag door ouders helaas vaker voorkomt of zo wordt ervaren. Het beeld is dat het gaat om verbale agressie over bijvoorbeeld dat er geen plek is, ruildagen niet mogelijk zijn, of dat ouders het niet eens zijn met bepaalde beleidszaken rondom voeding. Ook het moeten ophalen van kinderen wanneer ze ziek zijn, wordt genoemd als oorzaak van verbale agressie. Het beeld uit het onderzoek is dat als agressief gedrag zich blijft herhalen, ondanks pogingen tot een constructieve dialoog, de opvang wordt beëindigd.
Ontvangt u ook signalen dat kinderopvangcentra beveiliging inschakelen als gevolg van grensoverschrijdend gedrag van ouders? Zo ja, vindt u dit ook onacceptabel?
Dit soort signalen heeft mij niet eerder bereikt. Maar het is evident dat grensoverschrijdend gedrag van ouders volstrekt onacceptabel is.
Wat voor maatregelen kunnen kinderopvangorganisaties treffen tegen ouders die verbaal of fysiek agressief zijn op de kinderopvang? Vindt u dat dit voldoende effectief is?
Kinderopvangorganisaties kunnen regels stellen en doen dit ook. Houders kunnen in de overeenkomst met ouders plichten voor ouders opnemen, waaronder de vereiste om zich te onthouden van agressief of ander grensoverschrijdend gedrag. Indien ouders zich niet aan de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen houden, is dat een grond voor eenzijdige opzegging van de overeenkomst door de houder. Ik begrijp dat houders dergelijke bepalingen ook opnemen. In het geval van ernstig grensoverschrijdend gedrag is er daarnaast de mogelijkheid om aangifte te doen tegen een ouder.
Eenzijdige opzegging en aangifte zijn zware middelen met een grote impact die alleen bij ernstige situaties aan de orde kunnen zijn. Mijn inziens moet de kinderopvangorganisatie eerst inzetten op herstel van de relatie.
Verder is een duidelijk veiligheidsprotocol belangrijk. Ik verwijs ook naar de arbocatalogus van het Arbeidsmarktplatform Kinderopvang werkt! met tips voor houders voor het omgaan met agressief gedrag door derden. Ook kunnen kinderopvangorganisaties mogelijk leren van andere sectoren waar dit probleem al langer speelt. Ik zal met sectorpartijen bespreken wat zij verder kunnen betekenen om houders te helpen bij de omgang met grensoverschrijdend gedrag. Het laatste wat ik wil is dat pedagogisch medewerkers de sector verlaten omdat ze zich onveilig voelen.
Welke maatregelen treft u om dreiging, intimidatie en fysiek geweld op de opvang te bestraffen?
Zoals aangegeven beschikken houders over manieren om agressie tegen te gaan met als ultimum remedium ouders die zich agressief gedragen de toegang te ontzeggen tot de kinderopvanglocatie. Gegeven deze mogelijkheden zie ik op dit moment geen reden om verdere maatregelen vanuit de rijksoverheid te treffen. Wel zal ik zoals gezegd in mijn overleg met de sector aandacht vragen voor dit probleem.
Bent u bereid de kinderopvangtoeslag in te trekken bij ouders die fysiek geweld gebruiken of hiermee dreigen?
De kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten als iemand kinderopvang afneemt. Indien een houder een contract met een ouder opzegt vanwege grensoverschrijdend gedrag, neemt de ouder geen kinderopvang meer af en vervalt ook het recht op kinderopvangtoeslag. Als de ouder besluit elders kinderopvang af te nemen, kan de ouder wel weer recht op kinderopvangtoeslag krijgen. Een algehele uitsluiting van het recht op kinderopvangtoeslag, vind ik een te vergaande stap. Ik zie hiertoe geen reden gezien de mogelijkheden die houders momenteel al hebben.
Bent u bereid ouders die zich aan (het dreigen met) fysiek geweld schuldig maken een kinderopvangverbod op te leggen, zoals door samen met de sector een zwarte lijst op te stellen om te voorkomen dat dit bij andere vestigingen gebeurt?
Kinderopvangorganisaties kunnen in het uiterste geval het contract met ouders beëindigen bij grensoverschrijdend gedrag. Een algeheel kinderopvangverbod vind ik een stap te ver gaan. Zeker als het ook zou gaan om gevallen waarbij na aangifte sprake is van een veroordeling door de rechter van bijvoorbeeld fysieke agressie of bedreiging. Zwarte lijsten brengen daarbij – los van mogelijke privacy technische bezwaren bij het delen van persoonsgebonden informatie – het risico van ongegronde plaatsing met zich mee. Algehele uitsluiting van kinderopvang heeft ook gevolgen voor het kind.
Schijnzelfstandigheid bij de UHT |
|
Thierry Aartsen (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Sandra Palmen (NSC), Tjebbe van Oostenbruggen (NSC), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) heeft besloten om per 1 april 2025 niet meer met zelfstandigen te werken voor het herstel toeslagen? Zo ja, wanneer is dat besluit genomen en waarom is de Kamer daar nog niet over geïnformeerd?
Nee, dat klopt niet. De gehele herstelorganisatie kinderopvangtoeslag (UHT, Commissie Werkelijke Schade en programma directoraat-generaal (DG) Herstel) blijft bereid om met zelfstandigen te werken wanneer op basis van wet- en regelgeving inzet van een zelfstandige mogelijk is, ook na 1 april 2025. In een eerdere fase werd gebruik gemaakt van een opgesteld afbouwplan van potentieel schijnzelfstandigen. Bij een inhuuraanvraag maakt de hersteloperatie in de nieuwe fase net zoals de andere uitvoeringsorganisaties van het Ministerie van Financiën gebruik van een voor de eigen bedrijfsvoering opgesteld afwegingskader, dat op 25 oktober 2024 openbaar is gemaakt.1 Bij een inhuuraanvraag legt de herstelorganisatie een ingevuld afwegingskader ter beoordeling voor aan een organisatieonderdeel buiten de herstelorganisatie dat verantwoordelijk is voor de fiscale bedrijfsvoering. Wanneer uit die toetsing blijkt dat het risico op schijnzelfstandigheid bestaat, dan huurt de herstelorganisatie op de betreffende inhuuraanvraag geen zelfstandige meer in. Zoals beschreven staat in de aanbiedingsbrief van de voortgangsrapportage2, zet de hersteloperatie zich continu en nadrukkelijk in op de volledige afbouw van schijnzelfstandigheid. Het doel is het aantal schijnzelfstandigen in 2025 zo snel mogelijk naar nul af te bouwen.
Klopt het dat UHT het eerdere aanbod om de boetes te betalen voor mantelpartijen die UHT voorzien van zelfstandigen heeft ingetrokken? Zo ja, waarom is dat besloten en op basis van welke argumenten? Waren die argumenten niet beschikbaar op het moment dat UHT besloot om de boetes wel te betalen en op het moment dat de Kamer hier schriftelijke vragen over stelde? Waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd?
Deze toezegging is ingetrokken door Dienst Toeslagen. Zoals bekend heeft uw Kamer de regering gevraagd om zo goed mogelijk uitvoering te geven aan de Kamermotie van 1 oktober 2024 van het lid Boon (PVV).3 In deze motie is de regering verzocht alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat per 1 januari 2025 geen schijnzelfstandigen meer werkzaam zijn binnen de rijksdienst en hierbij te waarborgen dat de voortgang en afhandeling van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag niet wordt belemmerd.
Dit was en is een dilemma in de huidige context tussen enerzijds de afwikkeling van de hersteloperatie en anderzijds mogelijke non-compliance met wet- en regelgeving als gevolg van de inzet van potentieel schijnzelfstandigen. Omdat de hersteloperatie al onder druk stond, was de inschatting in 2024 dat het volledig afbouwen van de inhuur van potentieel schijnzelfstandigen niet haalbaar zou zijn zonder de hersteloperatie te hinderen. Ook gaven de brokers in die periode aan dat zij onzeker waren of zij als gevolg van het opheffen van het handhavingsmoratorium voor de loonheffingen vanaf 1 januari 2025 nog schijnzelfstandigen konden inzetten. Om de continuïteit te waarborgen naar de gedupeerde ouders heeft Dienst Toeslagen met de brief van 15 november 2024 de brokers uiteindelijk het aanbod gedaan om de kosten van naheffingsaanslagen premies werknemersverzekeringen en boetes van brokers over te nemen, voor zover deze het gevolg zijn van de inzet van zelfstandigen bij de herstelorganisatie die achteraf als schijnzelfstandige zijn aangemerkt. Dit aanbod is herhaald met de brief van 3 december 2024 maar toen met het nadrukkelijke verzoek aan de brokers de fiscale compliance – indien nodig – te bespreken met de eigen belastinginspecteur.
Hierna heeft contact tussen het Ministerie van Financiën als belastingplichtige en de belastinginspecteur geleid tot het voortschrijdende inzicht over hoe met genoemd dilemma om te gaan. Doorslaggevend werd dat de toezeggingen van Dienst Toeslagen aan de brokers kunnen leiden tot een fiscale non-compliance en dat dat niet strookt met de voorbeeldfunctie van het Ministerie van Financiën. De uiteindelijke consequentie daarvan was nog niet bepaald bij de beantwoording van de vragen van uw Kamer van 13 januari 2025.4
Het contact met de belastinginspecteur heeft bij Dienst Toeslagen geleid tot een heroverweging van de ingeslagen weg met als gevolg dat begin februari 2025 besloten is tot de intrekking van de eerder gedane toezegging. In die periode was ook bij meerdere brokers sprake van een toenemende twijfel over de ingeslagen weg. Dit zorgde voor een verminderd aanbod van zelfstandigen en een toename van de detachering van medewerkers in dienst van de brokers zelf. Bij brief van 10 februari 2025 is voor bestaande contracten met brokers waarin de toezegging tot compensatie was gedaan, deze toezegging ingetrokken met ingang van 1 april 2025 (contractueel het vroegst mogelijke moment). Daarnaast is medegedeeld dat voor nieuwe contracten of verlengingen deze toezegging per direct niet meer gedaan wordt. Naar aanleiding van de ontwikkelingen omtrent het dilemma heeft de belastinginspecteur besloten het convenant Horizontaal Toezicht (HT) met het Ministerie van Financiën in te trekken per 31 januari 2025.
Over bovengenoemde ontwikkelingen hebben we uw Kamer op 21 februari 2025 geïnformeerd in de aanbiedingsbrief bij de meest recente voortgangsrapportage over de Hersteloperatie toeslagen.5
Kan alle communicatie met de «brokers» die bemiddelen tussen zelfstandigen en de Dienst Toeslagen hieromtrent openbaar gemaakt worden? Kunnen interne documenten waaruit dit besluit is voortgevloeid openbaar gemaakt worden?
De brieven van 15 november en 3 december 2024 zijn reeds openbaar gemaakt bij de beantwoording van de Kamervragen leden Aartsen, Van Eijk (beiden VVD) en Flach (SGP) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretarissen van Financiën. Deze Kamervragen betroffen het bericht dat de Belastingdienst zelf zich niet gaat houden aan de wet DBA en van belastinggeld ook de boetes en naheffingen gaat betalen. Ik heb de brief aan de brokers van 10 februari 2025 waarmee Dienst Toeslagen de toezeggingen terugtrekt en de bijbehorende beslisnota toegevoegd aan de beantwoording van de huidige Kamervragen.
Om hoeveel zelfstandigen (en welk percentage) gaat het bij de afhandeling van de toeslagenaffaire? Wat zijn de voorziene gevolgen voor de afhandeling van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag?
Per 28 februari 2025 zijn er 627 potentiële schijnzelfstandigen werkzaam voor de herstelorganisatie (ongeveer 25% van de totale bezetting). Op het hoogtepunt in maart 2024 waren dit er 824. Naar aanleiding van alle ontwikkelingen is er in feite sprake van een versnelde afbouw van potentieel schijnzelfstandigen mede doordat ook brokers potentieel schijnzelfstandigen terugtrekken. De totale uitstroom van potentieel schijnzelfstandigen bij UHT, als onderdeel van de herstelorganisatie, tot en met februari 2025 is 119 (t.o.v. de 735 potentieel schijnzelfstandigen ultimo december 2024), waarvan er 28 in vaste dienst zijn gekomen, 46 nu via detacherings- of uitzendconstructie werkzaam zijn bij UHT en 42 UHT hebben verlaten. De herstelorganisatie probeert waar mogelijk vrijgevallen plekken in te vullen met vast personeel of externen in loondienst, zoals uitzendkrachten en detacheringsmedewerkers. Dit betekent dat er risico bestaat op vertraging van de hersteloperatie.
Erkent het kabinet de uitspraak van de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest dat er 9 gezichtspunten (geen criteria) zijn die álle 9 gelijkwaardig zijn én in samenhang holistisch gewogen dienen te worden?1 Zo ja, erkent het kabinet dan ook dat een gezichtspunt zoals «gezag» even zwaar weegt als het gezichtspunt «extern ondernemerschap»? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet erkent de uitspraak van de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest dat er bij de beoordeling van arbeidsrelatie negen gezichtspunten zijn die alle gelijkwaardig zijn en in samenhang holistisch gewogen dienen te worden. De Hoge Raad heeft op 21 februari 2025 bevestigd dat alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest, waaronder «extern ondernemerschap», in dezelfde mate van belang zijn bij het beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst.7 Uiteraard erkent het kabinet ook deze uitspraak. Zoals in het afwegingskader8 en de Toelichting beoordeling arbeidsrelaties, die op de website van de Belastingdienst zijn gepubliceerd9, is uitgelegd zijn bij de beoordeling van een arbeidsrelatie alle feiten en omstandigheden van belang (holistische toets).10
Hoe verhoudt het besluit van de UHT om niet meer met zelfstandigen te werken zich tot uw antwoorden op Kamervragen2 waarin het kabinet stelde dat «de hersteloperatie kinderopvangtoeslag een tijdelijke organisatie is [...] Het is daarom niet vreemd dat bij de hersteloperatie veel externe ingehuurde krachten werken»? In die antwoorden verwees het kabinet naar de zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) als «potentieel schijnzelfstandigen», is het kabinet van mening veranderd en vindt het kabinet nu dat de tijdelijk ingehuurde zzp’ers per definitie allemaal schijnzelfstandigen zijn?
Zoals aangegeven in antwoord 1, blijft UHT, als onderdeel van de herstelorganisatie, bereid om met zelfstandigen te werken wanneer op basis van de wet- en regelgeving inzet van een zelfstandige mogelijk is. De herstelorganisatie maakt echter net zoals de andere uitvoeringsorganisaties van het Ministerie van Financiën gebruik van een voor de eigen bedrijfsvoering opgesteld afwegingskader. Bij een inhuuraanvraag wordt aan de hand van het afwegingskader getoetst of bij een inhuur sprake is van een risico op schijnzelfstandigheid. Als er een vermoeden is van schijnzelfstandigheid, huurt de herstelorganisatie op de betreffende inhuuraanvraag geen zelfstandigen in. De herstelorganisatie is hier niet van mening veranderd en vindt dus ook niet dat tijdelijk ingehuurde zzp’ers per definitie als schijnzelfstandige moeten worden aangemerkt, maar beoordeelt dit op basis van het eerder genoemde ingevulde interne afwegingskader, gebaseerd op de Deliveroo-gezichtspunten.
Wordt er bij het wegen van de overeenkomst tussen iedere werkzame zelfstandige en het UHT aan de hand van de Deliveroo-gezichtspunten holistisch gewogen of er sprake is van zelfstandigheid of werknemerschap? Zo niet, waarom dit generieke besluit?
Zoals bij vraag 1 aangegeven, maakt de herstelorganisatie, net als de andere uitvoeringsorganisaties van het Ministerie van Financiën gebruik van een voor de eigen bedrijfsvoering opgesteld afwegingskader. Hierbij wordt op grond van een «risico-inventarisatie» per inhuuraanvraag bepaald of een nadrukkelijk risico bestaat op schijnzelfstandigheid wanneer deze zou worden uitgevoerd door een zelfstandige. Voor bepaalde categorieën inhuuraanvragen heeft de herstelorganisatie vastgesteld dat beoordeling van de Deliveroo-gezichtspunten aan de voorkant al een dusdanige indicatie geeft van werken in loondienst dat het risico op schijnzelfstandigheid bij de inhuur van zelfstandigen op die categorie inhuuraanvragen groot is. Als het risico op schijnzelfstandigheid voor een dergelijke categorie inhuuraanvragen als groot wordt beoordeeld, dan kiest de herstelorganisatie er omwille van het tegengaan van schijnzelfstandigheid voor om voor die categorie inhuuraanvragen geen zelfstandigen in te huren.
Klopt het dat UHT op functieniveau categorisch en niet op arbeidsrelatieniveau besluit of een functie wel of niet schijnzelfstandigheid is? Zo ja, kan het kabinet uitleggen wat daar holistisch aan is en hoe er dan rekening gehouden kan worden met het extern ondernemerschap van een zelfstandige? Hoe verhoudt deze houding zich met de gedane uitspraak door de rechter in Rotterdam?3
Ja, zoals ook bij vraag 7 aangegeven klopt het dat UHT voor bepaalde categorieën inhuuraanvragen heeft vastgesteld dat beoordeling van de Deliveroo-gezichtspunten aan de voorkant al een dusdanige indicatie geeft van werken in loondienst dat het risico op schijnzelfstandigheid bij de inhuur van zelfstandigen op die inhuuraanvragen groot is. Zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 5, heeft de Belastingdienst een afwegingskader gepubliceerd. Met dit afwegingskader is het mogelijk een arbeidsrelatie op basis van alle feiten en omstandigheden te beoordelen (holistische toets) aan de hand van de gezichtspunten van Deliveroo. De Hoge Raad heeft bevestigd dat het externe ondernemerschap als gezichtspunt in de onderlinge verhouding niet van zwaarder of minder zwaar gewicht is dan de andere gezichtspunten. Dat is ook in lijn met de uitspraak van de rechtbank Rotterdam.
De herstelorganisatie is verantwoordelijk voor de eigen inhuur van medewerkers en dus ook voor het tegengaan van schijnzelfstandigheid. Zoals bij vraag 1 en vraag 7 aangegeven, maakt de herstelorganisatie, net als de andere uitvoeringsorganisaties van het Ministerie van Financiën gebruik van een voor de eigen bedrijfsvoering opgesteld afwegingskader, waarbij op grond van een «risico-inventarisatie» per inhuuraanvraag wordt bepaald of voor die inhuuraanvraag een nadrukkelijk risico bestaat op schijnzelfstandigheid wanneer deze zou worden uitgevoerd door een zelfstandige. Als voor een bepaalde categorie inhuuraanvragen het risico op schijnzelfstandigheid als groot wordt beoordeeld, kiest de herstelorganisatie er aan de voorkant voor om voor die specifieke categorie inhuuraanvragen geen zzp’ers in te huren. Het is mogelijk dat bij een (potentiële) inhuuraanvraag bijvoorbeeld bijna alle gezichtspunten een indicatie zijn van werken in loondienst. Zelfs als het externe ondernemerschap van een individuele werkende een contra-indicatie van werken in loondienst zou opleveren, kan er voor deze inhuuraanvraag dus nog altijd een nadrukkelijk risico op schijnzelfstandigheid zijn. De uitspraak van de Hoge Raad op 21 februari 2025 geeft geen aanleiding om een dergelijke werkwijze aan te passen.
Hebben zelfstandigen of brokers de gelegenheid om het besluit van de UHT bij de rechter aan te vechten? Zijn er al zelfstandigen of brokers naar de rechter gestapt?
Zelfstandigen en/of brokers hebben de gelegenheid om naar de rechter te stappen. Dat is tot nu toe nog niet gebeurd. Wel heeft één broker aangegeven juridische stappen te overwegen naar aanleiding van de intrekking van de gedane toezeggingen, zoals verwoord in de brief van 10 februari 2025.
Is het kabinet het ermee eens dat het een aantasting van de rechtszekerheid is om als handhavende of toepassende partij vooruit te lopen op nog niet aangenomen wetgeving zoals de concept-wetsvoorstel Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden of nog niet door een rechter bestendigde opvattingen van de advocaat generaal De Bock?4 Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, is de huidige wet- en regelgeving leidend. Alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest zijn hiervoor het uitgangspunt, waarbij er geen rangorde geldt tussen de gezichtspunten in de beoordeling. Er wordt dus niet vooruitgelopen op nog niet aangenomen wetgeving of nog niet door een rechter bestendigde opvattingen. Het kabinet vindt dan ook niet dat er sprake is van een aantasting van de rechtszekerheid. Los hiervan, staat het een opdrachtgever uiteraard vrij om – met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving – bijvoorbeeld omwille van eigen bedrijfseconomische redenen aanvullende voorwaarden te stellen in een overeenkomst voor opdracht bij de inhuur van zzp’ers. De herstelorganisatie kinderopvangtoeslag hanteert tot op heden geen aanvullende voorwaarden.
Waarom kiest UHT ervoor om de jurisprudentie strenger te interpreteren dan vereist? Welke gevolgen heeft dit op de afhandeling van de kinderopvangtoeslagaffaire?
De herstelorganisatie kinderopvangtoeslag kiest niet voor een strengere interpretatie van de jurisprudentie. Bij het bepalen van de inzet van zzp’ers door UHT wordt niet een strengere afweging van de relevante feiten en omstandigheden gemaakt dan wordt voorgeschreven door wetgeving en jurisprudentie. Dit heeft daarom geen gevolgen voor de afhandeling van de kinderopvangtoeslagaffaire.
Kunt u deze vragen apart van elkaar beantwoorden voor het commissiedebat Zzp van 12 maart aanstaande?
Het commissiedebat Zzp van 12 maart is verplaatst naar 3 april. Ik heb de antwoorden apart van elkaar beantwoord en zorg voor tijdige beantwoording.
De Brief monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Kan nader worden onderbouwd waarom de earningsstrippingmaatregel uit ATAD1 beperkt effectief is voor het beleidsdoel «Stimuleren financiering met eigen vermogen»? Zou het daadwerkelijk stimuleren van financiering met eigen vermogen, bijvoorbeeld door een aftrek te introduceren voor vennootschappen die met eigen vermogen zijn gefinancierd, wél effectief zijn om financiering met eigen vermogen te stimuleren?
In de analyse is gekeken naar het kwantitatieve effect van de earningsstrippingmaatregel op de mate van financiering met vreemd vermogen. Daarbij is gekeken in hoeverre dit intern verstrekt is vanuit andere concernonderdelen of verstrekt is vanuit externe partijen.
Uit de analyse volgt dat de earningsstrippingmaatregel ertoe heeft geleid dat ten aanzien van alle bedrijven die geraakt zouden worden door de earningsstrippingmaatregel in de periode 2016–2021 het bedrag aan totaal vreemd vermogen kleiner is geworden. Dit geldt dan specifiek voor het bedrag aan vreemd vermogen dat intern is verstrekt bij bedrijven met een concernonderdeel in een laagbelastend land. Er is in het onderzoek geen significant effect gemeten op het vreemd vermogen dat extern verstrekt is. De analyse biedt verder geen inzicht in de onderliggende oorzaken waarom geen significant effect is gemeten op het vreemd vermogen dat extern verstrekt is.
Een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen kan, naast het beperken van de aftrekbaarheid van de rente, anderzijds worden bereikt door een aftrek voor het aanhouden of creëren van eigen vermogen. In 2021 is een breder onderzoek uitgevoerd naar een meer gelijke behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen.1 Uit dit onderzoek volgt dat een nationale invoering van een vermogensaftrek in de vennootschapsbelasting onder meer niet wenselijk is omdat het belastingontwijking in de hand kan werken, alsmede het budgettaire beslag van een vermogensaftrek.
Waarom is de lijst met laagbelastende jurisdicties slechts enkele keren geconsulteerd en daarna niet meer? Heeft de internetconsultatie er wel eens toe geleid dat er een jurisdictie van de lijst is gehaald omdat deze onterecht op de lijst was geplaatst? Kan worden toegezegd dat per 2025 de lijst weer ter consultatie zal worden aangeboden?
De laatste consultatie over de lijst met laagbelastende jurisdicties vond plaats in 2020 voor de aanwijzing van laagbelastende staten voor het jaar 2021. Destijds is besloten dat dit de laatste consultatie in deze vorm zou zijn. In het vervolg is consultatie alleen aan de orde bij voorgenomen wijzigingen die zien op de aanwijzing van nieuwe laagbelastende staten.2 Sindsdien zijn er geen nieuwe staten aangewezen als laagbelastende staat, waardoor er geen aanleiding was voor een nieuwe consultatie. Voor het verwijderen van staten van de lijst wordt geen consultatie gehouden.
In de beginfase van de lijst was de consultatie nuttig om signalen te verzamelen, aangezien toen in één keer veel staten op de lijst zijn geplaatst. Vervolgens bereiken, ook los van consultatie, signalen het Ministerie van Financiën. Indien nodig worden deze signalen nader beoordeeld en vindt contact plaats met de desbetreffende staat. In het verleden zijn als gevolg van nadere analyses Saudi-Arabië, Koeweit, Qatar en Belize van de lijst verwijderd.
In de afgelopen jaren zijn er geen nieuwe landen aangewezen en is het beeld stabiel gebleven. Ik zie dan ook geen aanleiding om de internetconsultatie te heropenen, tenzij er een duidelijke reden is, zoals de aanwijzing van nieuwe laagbelastende staten.
Waarom kan de effectiviteit van de aanvullende CFC-maatregel uit ATAD1 niet worden bepaald?
Het blijkt niet mogelijk om met enige zekerheid uitspraken te doen over de effectiviteit van de aanvullende CFC-maatregel. Dit is namelijk bijzonder moeilijk te meten door het prohibitieve karakter van de maatregel. De bedoeling van de aanvullende CFC-maatregel is dat de maatregel als stopbord werkt zodat structuren met als doel belasting te ontwijken door winsten naar laagbelastende staten of staten op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties te verschuiven, zich via Nederland niet meer gaan voordoen. Omdat in de periode vóór invoering van de aanvullende CFC-maatregel het gebruik van CFC’s niet werd bijgehouden, is de verandering als gevolg van de maatregel niet te meten.
Om toch enig inzicht te kunnen bieden, zijn in de brief enkele gegevens over dochterbedrijven in laagbelastende jurisdicties uiteen gezet. Die cijfers geven een voorzichtige aanwijzing dat de aanvullende CFC-maatregel mogelijk een (beperkt) effect heeft gehad op structuren via laagbelastende jurisdicties. Het bleek echter niet mogelijk om een causaal verband vast te stellen, zodat geen stellige uitspraken konden worden gedaan met betrekking tot de effectiviteit.
Met welke andere wettelijke maatregelen dan de Wet minimumbelasting 2024 kent de aanvullende CFC-maatregel uit ATAD1 een samenloop? Is er bijvoorbeeld sprake van samenloop met de Wet bronbelasting 2021? Is er sprake van samenloop met artikel 8bb e.v., van de Wet Vpb 1969? Zijn er nog andere specifieke maatregelen die een samenloop kennen met de aanvullende CFC-maatregel?
Bij de implementatie van ATAD1 heeft het kabinet destijds bewust gekozen voor de aanvullende CFC-maatregel volgens model A, om belastingontwijking door het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten en staten op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties tegen te gaan. De bedoeling van de aanvullende CFC-maatregel in artikel 13ab Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) is dat de maatregel als «stopbord» werkt zodat dergelijke structuren via Nederland met als doel belasting te ontwijken effectief kunnen worden tegengegaan.
Zoals tijdens de parlementaire behandeling bij de invoering van de aanvullende CFC-maatregel is aangegeven, is de aanvullende CFC-maatregel complementair aan het ten tijde van implementatie reeds bestaande instrumentarium in de vennootschapsbelasting.3 Zo is de verplichte herwaardering van niet-kwalificerende beleggingsdeelnemingen in artikel 13a Wet Vpb 1969 gehandhaafd, omdat de aanvullende CFC-maatregel op verschillende punten afwijkt van deze regeling. Wel is voorzien in de samenloop tussen de aanvullende CFC-maatregel en de herwaarderingsverplichting van artikel 13a Wet Vpb 1969.4 Ook de regeling voor niet-kwalificerende beleggingsdeelnemingen uit artikel 13 Wet Vpb 1969 kan van toepassing zijn wanneer de aanvullende CFC-maatregel juist niet van toepassing is. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een deelneming die wordt aangemerkt als gecontroleerd lichaam op grond van de aanvullende CFC-maatregel, het saldo van de besmette voordelen voor het einde van het jaar heeft uitgekeerd. In een dergelijk geval is de aanvullende CFC-maatregel niet van toepassing, terwijl de winstuitdeling kan worden belast als er sprake is van een niet-kwalificerende beleggingsdeelneming (omdat dan de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is).
Na de invoering van de aanvullende CFC-maatregelen zijn ook andere maatregelen tegen belastingontwijking ingevoerd, waarbij er een samenloop kan bestaan. Dat is het geval bij de hybride mismatchmaatregelen die voortvloeien uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2), bij de invoering van de bepalingen die betrekking hebben op situaties waarin een verschil in verrekenprijzen tussen gelieerde lichamen leidt tot dubbele niet-heffing en bij de Wet bronbelasting 2021. Al deze maatregelen zien net als de aanvullende CFC-maatregel op het voorkomen van belastingontwijking. Er is ten aanzien van deze wettelijke regeling door het vorige kabinet bewust gekozen om niet te voorzien in een samenloopregeling om dubbele belasting te voorkomen. Ik ben het met het vorige kabinet eens dat dit het prohibitieve karakter van de aanvullende CFC-maatregel en andere maatregelen versterkt en de robuuste vormgeving bijdraagt aan het bereiken van het doel van de aanvullende CFC-maatregel en andere maatregelen om belastingontwijking te ontmoedigen.5
Bij de aanvullende CFC-maatregel geldt wel dat voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam drukkende buitenlandse winstbelasting kunnen worden verrekend op basis van artikel 23e Wet Vpb 1969. Ook is verrekening van de in een CFC-staat betaalde kwalificerende binnenlandse bijheffing met de in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting toegestaan sinds de inwerkingtreding van het Belastingplan 2024.6 Hiermee wordt economisch dubbele belasting tussen de aanvullende CFC-maatregel en de kwalificerende binnenlandse bijheffing in overeenstemming met de Wet minimumbelasting 2024 voorkomen.
Wat betekent de samenloop van de aanvullende CFC-maatregel uit ATAD1 voor de uitvoering door de Belastingdienst? Is dit één van de maatregelen die volgens de Compliance map 2024 bijdraagt aan de grote uitvoeringsrisico’s die verband houden met de hoge mate van complexiteit van wet- en regelgeving? Welke andere maatregelen dragen het meeste bij aan deze uitvoeringsrisico’s?
In het algemeen geldt dat de samenloop van bepalingen de uitvoering door de Belastingdienst complex kan maken. Dat is ook het geval bij de samenloop van de aanvullende CFC-maatregel en andere antimisbruikmaatregelen. Gezien het prohibitieve karakter van voornoemde maatregelen en hun doel om belastingontwijking te ontmoedigen, zoals hiervoor is toegelicht, zie ik op dit moment geen reden om te voorzien in een extra samenloopbepaling om die samenloop te regelen. Ik merk daarbij op dat het formuleren van een doeltreffende samenloopbepaling uitdagend is en dat vervolgens een dergelijke samenloopbepaling zelf ook tot zeer complexe situaties voor de uitvoering door de Belastingdienst kan leiden. Hoewel een samenloopbepaling dus mogelijk bijdraagt aan de acceptatie van de toepassing van die antimisbruikmaatregelen doordat deze de proportionaliteit van de betreffende maatregelen kan bevorderen, betekent het vanwege de extra complexiteit mogelijk wel dat het ingewikkelder is om de betreffende antimisbruikmaatregelen correct toe te passen. Op dit moment lijkt het nut van het overwegen van een extra bepaling niet op te wegen tegen de genoemde bezwaren.
Daarnaast merk ik volledigheidshalve op dat de CFC-maatregel enige invloed heeft op het handhavingsrisico, doordat het gaat om complexe bijzondere wet- en regelgeving, met internationale problematiek, grensoverschrijdende activiteiten en «global tax planning». Dit komt bovenop de al complexe wet- en regelgeving op het gebied van de vennootschapsbelasting. Er zijn geen signalen van een significante impact van de CFC-maatregel op het uitvoeringsrisico, dat bijvoorbeeld zou kunnen worden veroorzaakt door grote aantallen aanslagen en grote aantallen bezwaren waar de CFC-maatregel een rol in speelt. Zoals in de Brief monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 3 februari 2025 wordt toegelicht, blijkt er een kleine stabiele groep belastingplichtigen te zijn die de bijtelling accepteert en de bestaande bedrijfsstructuren in de periode 2019–2021 heeft voortgezet.7
Wat zijn de gevolgen voor de bijtelling die in 2021 goed was voor 45 miljoen euro, doordat de Verenigde Arabische Emiraten geen laagbelastende jurisdictie meer is?
Uit de Brief monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 3 februari 20258 volgt dat de additionele grondslag in de vennootschapsbelasting als gevolg van de aanvullende CFC-maatregel («de bijtelling») in 2021 € 45 miljoen bedraagt. Een bedrag van € 5 miljoen zag op CFC’s in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). De VAE zijn per 2024 niet langer aangewezen als laagbelastende jurisdictie, wat betekent dat dit deel van de bijtelling met ingang van 2024 wegvalt.
Hoe verhoudt de afgenomen budgettaire opbrengst van de aanvullende CFC-maatregel zich tot de daarmee gepaard gaande complexiteit voor Belastingdienst en bedrijfsleven?
De aanvullende CFC-maatregel richt zich tegen gecontroleerde lichamen zonder wezenlijke economische activiteiten die gevestigd zijn in laagbelastende staten of in staten die zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties, om in die gevallen ook winstverschuiving vanuit een andere staat dan Nederland naar dergelijke staten tegengaan. De aanvullende CFC-maatregel heeft hiermee in voorkomende gevallen een prohibitief karakter. Het is niet mogelijk om vast te stellen wat de budgettaire opbrengst of derving van de aanvullende CFC-maatregel is geweest. Naar verwachting is het grootste effect van de maatregel een gedragsverandering bij de geraakte bedrijven, maar deze gedragsverandering is niet op basis van de belastingaangiften te meten. In de gevallen waarbij in 2021 nog wel sprake was van een CFC (en er dus geen gedragsverandering plaatsvond) resulteerde dat in een bijtelling van € 45 miljoen in 2021.
Klopt het dat Nederland de «Model B» CFC regel uit ATAD1 al kende en dat in zoverre implementatie van de aanvullende CFC-maatregel als een «kop» op Europese wetgeving kan worden beschouwd? Zo ja, leent de aanvullende CFC-maatregel zich dan voor het schrappen, volgens het Hoofdlijnenakkoord?
In het regeerprogramma staat dat het kabinet bestaande nationale koppen die zorgen voor extra regeldruk, heroverweegt en schrapt waar nodig en mogelijk. Hierbij heeft het kabinet wel oog voor doelbereik en oog voor de consequenties van afschaffing.
ATAD1 biedt EU-lidstaten de keuze uit twee varianten voor het bepalen van de tot de winst van de belastingplichtige te rekenen voordelen van een CFC: «model A» en «model B». Bij model A zijn categorieën van voordelen (dividend, rente, royalty’s, et cetera) bepaald die als die door een CFC zijn genoten tot de winst van de belastingplichtige dienen te worden gerekend. Bij model B worden voordelen van een CFC die voortkomen uit kunstmatige constructies die zijn opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen tot de winst van de belastingplichtige gerekend. Van een kunstmatige constructie is in dat verband sprake als de winst van een gecontroleerd lichaam niet is te relateren aan de activiteiten (functies) van het gecontroleerde lichaam, maar aan de activiteiten (functies) van de Nederlandse belastingplichtige. Op basis van het arm’s-lengthbeginsel rekende Nederland dergelijke winst al tot de belastinggrondslag van een Nederlandse belastingplichtige. Nederland paste daarom feitelijk model B al toe, en doet dat nog steeds.
Om een aanvullende inspanning te verrichten om belastingontwijking door het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten en staten op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties via Nederland tegen te gaan, is ervoor gekozen om een aanvullende CFC-maatregel volgens model A te introduceren en in dit opzicht de richtlijn strenger te implementeren dan noodzakelijk is. Tegelijkertijd geldt de aanvullende CFC-maatregel niet als bij een gecontroleerd lichaam sprake is van een wezenlijke economische activiteit. Op die manier wordt een concurrentienadeel voor in Nederland gevestigde ondernemingen met reële activiteiten in het buitenland voorkomen. Ik ben met het vorige kabinet van mening dat er daarmee een goede balans is tussen aan de ene kant het aanpakken van belastingontwijking en aan de andere kant het behouden en versterken van een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat voor in Nederland gevestigde ondernemingen.
Kan het kabinet voorts een overzicht verstrekken van de buitenlandse directe investeringen in Nederland over dezelfde periode (2015 t/m 2023)?
In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de buitenlandse directe investeringen in Nederland voor de periode 2015–2023, op basis van gegevens van De Nederlandsche Bank (www.dnb.nl/statistieken, tabel 12.16).
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
Stand
3.514
3.779
3.894
3.753
3.808
3.502
3.608
3.707
3.404
Ten aanzien van welke richtlijnvoorstellen geldt momenteel een behandelvoorbehoud? Kan de Kamer een (besloten) briefing krijgen over de stand van de onderhandelingen van de verschillende richtlijnvoorstellen en de Nederlandse positie hierin?
Uw Kamer heeft een behandelbehoud gemaakt ten aanzien van het BEFIT (harmonisatie vennootschapsbelasting) richtlijnvoorstel9. Verder, mocht uw Kamer geïnteresseerd zijn in meer informatie over de onderhandelingen over de richtlijnvoorstellen op het gebied van belastingen, dan ben ik meer dan bereid om uw Kamer daarover in een besloten briefing te informeren.
Het Memorandum for the Secretary of the Treasury (VS) inzake de Global Tax Deal |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het Memorandum for the Secretary of the Treasury, the United States Trade Representative en the Permanent Representative of the United States to the Organization for Economic Co-Operation and Development inzake The Organization for Economic Co-operation and Development (OECD) Global Tax Deal (Global Tax Deal) van 20 januari 2025?1
Ja.
Bent u van mening dat met het hiervoor genoemde memorandum de Wet minimumbelasting 2024 een stap dichterbij is gekomen? Heeft u al gereflecteerd wat de mogelijke gevolgen zijn voor Nederlandse ondernemingen?
In het memorandum van de Trump-administratie staat dat toezeggingen die door de vorige regering van de VS zijn gedaan met betrekking tot de Global Tax Deal niet meer van kracht zijn zolang (elementen uit) de Global Tax Deal niet door het Congres zijn aangenomen. De wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) is onderdeel van de Global Tax Deal.
De wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) bewerkstelligt dat multinationale groepen en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Deze zogenoemde Pijler 2-regels zijn het resultaat van meerjarige onderhandelingen in het Inclusive Framework, georganiseerd door de OESO. Op basis van de Richtlijn (EU) 2022/2523 zijn EU lidstaten verplicht de Pijler 2-regels per 31 december 2023 te implementeren.2 Deze richtlijn is gebaseerd op de OESO-modelregels over de minimumbelasting3 en komt daarmee overeen. Nederland heeft aan deze verplichting voldaan met de invoering van de Wet minimumbelasting 2024. De VS heeft tot op heden de Pijler 2-regels niet geïmplementeerd in de nationale wetgeving.
In het memorandum wordt gesteld dat binnen 60 dagen tegenmaatregelen moeten worden geformuleerd voor landen die belastingmaatregelen opleggen aan Amerikaanse bedrijven die in de ogen van de VS extraterritoriaal of discriminerend zijn.
De komende periode zal waarschijnlijk meer duidelijk worden hoe het memorandum specifiek zal worden uitgewerkt en wat de mogelijke gevolgen zijn voor Nederlandse bedrijven. Zodra hier meer duidelijkheid over ontstaat, ligt het voor de hand om, in samenwerking met andere implementerende landen, waaronder de EU-lidstaten, gezamenlijk op te trekken en tot een gecoördineerde reactie te komen. Bij deze ontwikkelingen wordt uiteraard rekening gehouden met de belangen van het bedrijfsleven in de betrokken landen.
Wat is de Nederlandse reactie op het Memorandum? Wat is de reactie van de Europese Unie op het Memorandum? Leidt dit tot heroverweging van de Wet minimumbelasting 2024 of Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie? Zo nee, waarom niet?
Internationale afspraken over een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing van 15% zijn belangrijk in de wereldwijde aanpak van belastingontwijking en hebben als doel een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel voor bedrijven om winsten naar laagbelastende jurisdicties te verplaatsen te verminderen. Nederland heeft de Pijler 2-regels daarom al in een vroeg stadium omarmd en deze geïmplementeerd in de Wet minimumbelasting 2024.
Ook de Europese Commissie heeft bij monde van Commissaris Dombrovskis aangegeven zich te blijven inzetten voor de internationale verplichtingen die de EU de afgelopen jaren is aangegaan en open te staan voor een zinvolle dialoog met onze internationale partners. De Commissie betreurt het memorandum, maar vindt het de moeite waard om de tijd te nemen om deze ontwikkelingen met de nieuw Amerikaanse autoriteiten te bespreken.4
In hoeverre verschilt de reikwijdte van de maatregelen genoemd in het Memorandum met de maatregelen uit de hiervoor genoemde (concept)wetsvoorstellen?
Het is onduidelijk welke conceptwetsvoorstellen hier worden bedoeld. Verder geeft het memorandum geen inzicht in de mogelijke vormgeving van eventuele tegenmaatregelen.
Zou het antwoord op vraag 3 anders luiden als de Verenigde Staten (handels)maatregelen nemen die schadelijk zijn voor de Nederlandse en/of Europese economie?
We willen niet speculeren over eventuele beleidsmaatregelen van de Verenigde Staten.
In het algemeen geldt dat het voor Nederland van belang is om gezamenlijk op te trekken met Europese en andere internationale partners. Een gecoördineerde en evenwichtige aanpak is nodig om recht te doen aan de internationale afspraken over een wereldwijde minimumbelasting en om de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel te waarborgen.
Voert Nederland momenteel gesprekken met de Verenigde Staten over het standpunt dat in het Memorandum is aangekondigd? Zo niet, zal Nederland dit gaan doen of vinden deze gesprekken plaats op Europees niveau?
Nederland voert doorlopend gesprekken binnen de EU, in multilaterale fora zoals de OESO/IF en in bilateraal verband. Gelet op de ontwikkelingen is het logisch dat hierbij ook aandacht wordt besteed aan het memorandum. Nederland trekt hierin samen op met andere landen die de minimumbelasting hebben geïmplementeerd, en in het bijzonder de EU-lidstaten. Daarnaast speelt de Europese Commissie een belangrijke rol in de bredere dialoog met de VS gegeven de bevoegdheid op het gebied van handel.
De Bijzonder Beheer Barometer van PwC |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Arend Kisteman (VVD) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC), Dirk Beljaarts (minister economische zaken en klimaat) (PvdV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Bijzonder Beheer Barometer van PwC?1
Ja.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat winkelstraten levendig blijven, terwijl er een gezonde prikkel behouden blijft voor bedrijven om in te spelen op veranderingen?
De verantwoordelijkheid voor het levendig houden van de winkelstraten ligt in de eerste plaats bij de bedrijven en bij de lokale overheid. De aantrekkelijkheid van winkelstraten staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een toekomstbestendige binnenstad waarin ruimte is voor wonen, werken en vrijetijdsbesteding, evenals voor functies zoals cultuur, maatschappelijke voorzieningen en zorg. Gemeenten hebben hierin een regierol, maar het is van belang dat alle betrokken partijen samenwerken om binnenstedenlevendig te houden.
Naast de lokale stakeholders zijn er ook landelijk georganiseerde partijen die ondersteuning bieden door verbindingen te leggen, kennis en ervaring te ontwikkelen en te delen, en lokale obstakels aan te pakken en waar mogelijk op te lossen. Mijn ministerie speelt hierbij op verschillende manieren een rol. Zo steun ik het platform Retailagenda en de CityDeal Dynamische Binnensteden met procesfinanciering en menskracht. De Retailagenda biedt een bestuurlijk platform waarin brancheorganisaties, kennisinstellingen en overheden samenkomen om kennis te ontwikkelen en uit te wisselen. In de CityDeal Dynamische Binnensteden werken grote steden samen aan nieuwe instrumenten en leren ze van elkaar om barrières weg te nemen. Hieraan nemen ook andere departementen, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen deel.
Daarnaast biedt de BIZ-wet (Bedrijfsinvesteringszone) een effectief instrument om ondernemers en vastgoedeigenaren samen te laten werken. Hiermee kunnen gezamenlijke projectplannen worden gefinancierd, waarbij de gemeente een ondersteunende rol vervult. Tenslotte is er de Impulsaanpak Winkelgebieden, waarmee gemeenten en private investeerders via subsidies kunnen werken aan de herinrichting en transformatie van binnenstedelijke winkelgebieden.
Deelt u de mening dat in dit kader een voortzetting van de Impulsaanpak Winkelgebieden zou helpen? Zo ja, hoe gaat u er dan voor zorgen dat deze regeling behouden blijft?
De grote belangstelling voor de Impulsaanpak Winkelgebieden laat zien dat de regeling werkt en een belangrijke bijdrage levert aan zowel het sociaaleconomisch versterken van binnensteden, als het realiseren van de binnenstedelijk woningbouwopgave. Het maakt tastbaar dat er veel meer gebieden in Nederlandse binnensteden zijn, die vragen om een integrale, gezamenlijke, gebiedsgerichte aanpak door gemeenten en hun private partners. Deze grote belangstelling laat zien dat de Impulsaanpak Winkelgebieden voorziet in een grote behoefte.
De 4e tranche van de Impulsaanpak winkelgebieden is vooralsnog de laatste tranche. De enorme vraag naar deze subsidie heeft geleid tot een oproep vanuit gemeenten en maatschappelijke organisaties om de Impulsaanpak te verlengen. Tijdens de behandeling van de EZ-begroting heeft uw Kamer gevraagd om snel geïnformeerd te worden over het functioneren van de regeling, als basis voor een gesprek over de mogelijke verlenging van de Impulsaanpak. Ik zet er op in deze informatie in maart aan uw Kamer aan te bieden. Voor een mogelijke verlenging is momenteel geen budget beschikbaar.
Deelt u de constatering in de PwC barometer dat deze laatste eis voor grote bedrijven vaak niet uitvoerbaar is, omdat grote bedrijven dan vaak tot overeenstemming moeten komen met soms wel honderden schuldeisers?
De ontvanger voert ten aanzien van ondernemers in beginsel een stringent uitstel- en kwijtscheldingsbeleid. Een belangrijke reden hiervoor is het risico op concurrentieverstoring. Door het stellen van (strikte) voorwaarden wordt getracht het risico op concurrentieverstoring zo veel mogelijk te beperken. Eén van de voorwaarden waarmee wordt getracht het risico op concurrentieverstoring te beperken ziet op het betrekken van alle crediteuren in een saneringsakkoord.
Uit artikel 21 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (URIW 1990) volgt de voorwaarde dat kwijtschelding voor rijksbelastingen in de zakelijke sfeer uitsluitend plaatsvindt als onder meer alle crediteuren van de betreffende belastingschuldige in het saneringsakkoord worden betrokken. Naast dat met de hiervoor genoemde voorwaarde het risico op concurrentieverstoring kan worden beperkt, doet het ook recht aan de positie van de ontvanger en het belang van een succesvolle inning van belastinggelden.
Zonder de eerdergenoemde voorwaarde zou een belastingschuldige ervoor kunnen kiezen zijn andere crediteuren buiten het saneringsakkoord te laten en hun vordering (later) volledig te voldoen, terwijl de ontvanger een (groot) deel van zijn fiscale vordering prijsgeeft en het risico bestaat op een eenzijdige sanering. In 2023 is het risico op eenzijdige saneringen al benoemd door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.2
De Staatssecretaris van Financiën is op de hoogte van dat het aanschrijven van alle crediteuren in het kader van een algeheel saneringsakkoord bezwaarlijk kan zijn voor de belastingschuldige, bijvoorbeeld vanwege de hoeveelheid crediteuren die in het akkoord moeten worden betrokken. In dat kader wordt u gewezen op hetgeen de Belastingdienst in zijn beleid heeft vastgelegd over deze voorwaarde. In de Leidraad Invordering 2008 (LI 2008) is opgenomen dat een aantal crediteuren van de belastingschuldige vanwege hun onderscheidende positie niet hoeft te worden betrokken in het saneringsakkoord.3 Het gaat hierbij onder meer om pandhouders en zogenaamde dwangcrediteuren. Bij een dwangcrediteur kan worden gedacht aan een leverancier die niet wenst mee te werken aan een saneringsakkoord, terwijl die leverancier wel noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming. De ontvanger heeft daarom ruimte om bij deze voorwaarde maatwerk te bieden, waarmee in voorkomend geval tegemoet wordt gekomen aan bezwaren van de belastingschuldige bij het aanbieden van een akkoord.
Door de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) is er voor ondernemers met financiële problemen een extra mogelijkheid – naast de bestaande mogelijkheid om buiten faillissement of surseance van betaling door een schuldeisersakkoord tot afspraken met crediteuren te kunnen komen – ontstaan om tot een oplossing te komen voor deze financiële problemen. Hierbij heeft de wetgever bewust gekeken naar het verbeteren van de positie van concurrente crediteuren. Daarnaast heeft de wetgever een regeling willen creëren die niet alleen bruikbaar is voor grote bedrijven, maar ook voor het midden- en kleinbedrijf.4
In de Bijzonder Beheer Barometer van PwC wordt opgemerkt dat de WHOA juist wél ruimte zou bieden om operationele crediteuren (zoals leveranciers) buiten een herstructurering te houden. Hierbij moet worden benadrukt dat die ruimte beperkt is. Een van de uitgangspunten van de WHOA is dat de reorganisatiewaarde die met het akkoord wordt bereikt, wordt verdeeld overeenkomstig de wettelijke rangorde van schuldeisers5. Die rangorde wordt geschonden indien de concurrente vorderingen van de leveranciers integraal worden betaald terwijl de preferente belastingschulden (partieel) worden kwijtgescholden.
De WHOA regels bieden dus geen vrijbrief om handelscrediteuren zoals leveranciers categorisch buiten een aan de Belastingdienst aangeboden akkoord te houden. Wel is het zo, dat een uitzondering mogelijk is indien daartoe een «redelijke grond» bestaat. Dit biedt soms enige ruimte om bijvoorbeeld kleinere handelsvorderingen buiten het akkoord te laten. Een akkoord in het kader van de WHOA is overigens niet een-op-een te vergelijken met een buitengerechtelijk saneringsakkoord. Beide trajecten hebben hun eigen voorwaarden en eigen achtergrond. Op meerdere punten wijkt een akkoord in het kader van de WHOA af van een buitengerechtelijk akkoord. Bij het buitengerechtelijk akkoord wordt bijvoorbeeld niet gewerkt met klassen en geldt ook niet de zogenaamde 20%-regel6.
Tot slot is in dit kader relevant om op te merken dat binnen het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst met enige regelmaat wordt onderzocht of het kwijtscheldingsbeleid dient te worden aangepast. Uiteraard worden hiervoor signalen uit de praktijk nauwlettend gemonitord.
Deelt u de mening dat deze eis van de Belastingdienst temeer onuitvoerbaar is voor bedrijven omdat het informeren van vele schuldeisers de onrust onder schuldeisers kan aanwakkeren en daarom de financiële situatie van het anders levensvatbare bedrijf verder kan doen laten verslechteren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien bevestigend beantwoord bij vraag 3 en 4, ziet u reden tot aanpassing van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA), waarin deze eis van de Belastingdienst wordt geregeld?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de constatering uit de PwC barometer dat deze eis al snel resulteert in een hogere betalingsverplichting over die twaalf maanden dan zonder sanering, waardoor deze eis van de Belastingdienst eveneens onuitvoerbaar is voor veel bedrijven? Zo ja, ziet u reden tot aanpassing van deze voorwaarde van de Belastingdienst?
Het saneringsbeleid van de Belastingdienst voorziet erin dat een afgesproken saneringsbedrag ook daadwerkelijk door middel van een betalingsregeling kan worden voldaan. Daaraan worden diverse voorwaarden gesteld. Zo bedraagt de maximale duur in beginsel twaalf maanden.
Uit de PwC barometer valt af te leiden dat PwC van mening is dat het goed zou zijn om de eerdergenoemde maximale aflossingstermijn te verlengen naar 5 tot 7 jaar. Het is echter heel lastig om voor een zodanig lange periode aannemelijk te maken dat aan de aflossingsverplichtingen en nieuw opkomende fiscale verplichtingen kan worden voldaan. Uit gesprekken met betrokken partijen (accountants) blijkt dat een prognose over zo’n lange periode in de regel nauwelijks betrouwbaar is. Als de Belastingdienst akkoord zou gaan in dergelijke gevallen, moet hij dus een akkoord aanvaarden zonder dat geborgd is dat alle voorwaarden door de belastingschuldige kunnen worden nagekomen. Voor de betrokken belastingschuldige en diens andere schuldeisers blijft gedurende de gehele periode onzeker of de fiscale kwijtschelding een feit is. Dat is immers pas zeker na voldoening van de laatste termijn. Het voorstel van PwC wordt daarom niet onderschreven.
Het is echter niet op voorhand uitgesloten dat in individuele uitzonderlijke gevallen de Belastingdienst akkoord gaat met een aflossingsperiode van langer dan twaalf maanden. Wel zal de nakoming van het akkoord voldoende gewaarborgd moeten kunnen worden7. Elementen die daarbij een rol kunnen spelen zijn onder meer de door of namens de aanvrager verstrekte prognoses en onderbouwing daarvan en het onderbouwde oordeel van de eigen waarderingsdeskundige van de Belastingdienst daarover.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór 20 februari 2025, zodat de beantwoording kan worden betrokken bij het commissiedebat Belastingdienst?
Nee, de beantwoording heeft door afstemming helaas langer geduurd.
Het bericht dat de Belastingdienst zelf zich niet gaat houden aan de wet DBA en van belastinggeld ook de boetes en naheffingen gaat betalen. |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat het kabinet besluit om bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) ook na 1 januari 2025 door te gaan met het werken met schijnzelfstandigen ondanks dat hetzelfde kabinet juist wil dat de rest van Nederland niet meer met schijnzelfstandigen werkt?1 Waarom is het dit kabinet niet gelukt om zich per 1 januari 2025 aan de wet te houden? Welke redenen heeft het kabinet voor het zichzelf toekennen van deze uitzonderingspositie? Gelden deze redenen ook voor marktpartijen zoals bijvoorbeeld huisartsenposten of kinderopvangorganisaties?
Ten eerste betreuren wij het dat het noodzakelijk is om bij de hersteloperatie kinderopvangtoeslag ook na 1-1-2025 nog te werken met potentieel schijnzelfstandigen. Dit is niet conform de geldende wet- en regelgeving. Over deze situatie is de Kamer in het commissiedebat zzp d.d. 12 september geïnformeerd alsmede over het dilemma tussen het zonder verdere vertraging afronden van de hersteloperatie voor gedupeerde ouders en de noodzakelijkheid hierdoor tijdelijk niet zonder de inzet van potentieel schijnzelfstandigen te kunnen. Daarna is in het tweeminutendebat zzp op 25 september de motie van Kamerlid Boon (PVV) ingediend die op 1 oktober is aangenomen. Hiermee is de regering verzocht:
Het Ministerie van Financiën heeft getracht zo goed mogelijk aan deze inspanningsverplichting te voldoen om per 1 januari geen potentieel schijnzelfstandigen meer werkzaam te hebben.
Om te waarborgen dat de voortgang en afhandeling van de hersteloperatie niet wordt belemmerd en de beloftes naar gedupeerden, de maatschappij en de politiek waar te maken zullen in 2025, en mogelijk ook nog in 2026, potentieel schijnzelfstandigen worden ingezet voor de hersteloperatie. Dit laat onverlet dat nadrukkelijk continue inspanning geleverd wordt binnen de hersteloperatie om zo spoedig mogelijk naar 0 potentieel schijnzelfstandigen af te bouwen.
Wij hechten er wel aan te benadrukken dat er geenszins sprake is van een uitzonderingspositie voor de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Net als alle werkgevers moet de overheid de organisatie van werk aanpassen waar nodig zodat wordt gewerkt op een wijze die passend is binnen het arbeidsrecht. Daarbij gelden de reguliere arbeidsrechtelijke en fiscale regels.
Zijn er pogingen gedaan om alle schijnzelfstandigen bij de UHT een (vast) contract aan te bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is niet elke schijnzelfstandige in vaste dienst getreden? Vormen deze redenen ook uitzonderingsgronden voor private werkgevers in de handhaving op schijnzelfstandigheid?
Allereerst willen we benadrukken dat de hersteloperatie kinderopvangtoeslag een tijdelijke organisatie is die is opgezet om gedupeerde ouders te compenseren voor het leed dat hen is aangedaan. Het is daarom niet vreemd dat bij de hersteloperatie relatief veel externe ingehuurde krachten werken.
Het afgelopen jaar zijn aan alle zzp’ers meerdere keren contractaanbiedingen gedaan door Toeslagen als werkgever. Hierdoor is het bestand van vaste medewerkers bij de uitvoering van herstel gegroeid naar ruim 700 vaste medewerkers. Tevens is ook aan leveranciers van potentieel schijnzelfstandigen meerdere keren gevraagd om betreffende potentieel schijnzelfstandigen in dienst te nemen.
Er zijn verschillende redenen waarom de betreffende potentieel schijnzelfstandigen hier geen gebruik van hebben gemaakt. Dat kan met de persoonlijke situatie te maken hebben of dat de aangeboden salariëring niet passend werd gevonden toen het aanbod is gedaan. Ook gezien de hierboven al genoemde tijdelijkheid van de hersteloperatie kunnen potentieel schijnzelfstandigen na afloop van de werkzaamheden voor een andere loopbaan dan bij het rijk kiezen.
Deze redenen zijn geen uitzonderingsgronden voor de per 1-1-2025 weer op te pakken handhaving op schijnzelfstandigheid bij private én publieke werkgevers.
Het kan lastig zijn voor werkgevers om direct een goed aanbod aan potentieel schijnzelfstandigen te doen. Voor mensen die een functie willen vervullen maar die vrijheid of flexibiliteit missen, ligt er ook een belangrijke rol en verantwoordelijkheid voor werkgevers om die in de bestaande arbeidscontracten te gaan bieden. Ook als het gaat om overheidswerkgevers.
Vindt het kabinet het rechtvaardig en geloofwaardig om zichzelf niet aan de wet te houden terwijl het de handhavingsstrategie wel doorzet om andere partijen zich wel aan de wet laten houden? Zo ja, kan het kabinet dit uitgebreid onderbouwen? Zo nee, waarom is er dan niet overwogen om een andere handhavingsstrategie te hanteren?
Het kabinet vindt het niet van voorbeeldgedrag getuigen dat overheidsorganisaties in strijd met de wet handelen. Daarom wordt alles op alles gezet om per 1 januari 2025 compliant te zijn, en als dit echt niet lukt zo snel als mogelijk. Het kabinet realiseert zich terdege dat hier een opgave én voorbeeldrol zou moeten zijn en dat dit beeld het vertrouwen van marktpartijen in de overheid niet bevordert.
Tegelijkertijd is het kabinet van oordeel dat de stappen op het weer volledig hervatten van de handhaving noodzakelijk zijn. Dat betekent dat het ook mogelijk is dat er handhavende acties plaatsvinden bij het Ministerie van Financiën zelf. Daarbij realiseert het kabinet zich dat veel organisaties, net als bij de hersteloperatie kinderopvangtoeslagen nog worstelen met het volledig voldoen per 1 januari 2025. Daarom heeft het kabinet dan ook gekozen voor het treffen van ondersteunende maatregelen om de gevolgen in het begin zo veel mogelijk te beperken en verzachten.2
Dat laat onverlet dat het noodzakelijk is om echt per 1 januari 2025 de handhaving weer te hervatten. Met u horen wij alle signalen over de gevolgen van het niet kunnen inzetten van potentieel schijnzelfstandigen. Wij realiseren ons dat het voldoen aan wet- en regelgeving en de opheffing van het handhavingsmoratorium inspanning vergt en een spannend moment kan zijn voor werkgevenden en werkenden. Dit geldt voor alle sectoren. Hierbij worden alle sectoren gelijk behandeld, inclusief de overheid.
Herinnert u zich uw antwoorden tijdens het mondelinge vragenuur over de problemen met handhaving van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) waarbij u aangeeft dat schijnzelfstandigheid «vaak gepaard gaat met uitbuiting en misstanden»?2 Hoe geloofwaardig acht het kabinet deze woorden wanneer het zelf besluit door te blijven werken met schijnzelfstandigen?
De Minister van SZW herinnert zich die woorden. Maar er zijn meerdere redenen om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, zoals het voorkomen van oneerlijke concurrentie tussen werkenden en werkgevenden en het verminderen van de druk op de solidariteit binnen het sociale en fiscale stelsel. Kortom, ook in situaties waarin geen sprake is van uitbuiting en misstanden, vindt hij het belangrijk dat alles op alles wordt gezet om zo snel mogelijk met 0 potentieel schijnzelfstandigen te werken. Hij zal dit ook binnen en buiten de overheid blijven uitdragen.
Daarom heeft hij ook in de Kamer aangegeven dat het opheffen van het handhavingsmoratorium impact heeft, en dat we dat bij het nemen van het besluit goed onder ogen hebben gezien. Daarom zijn we voortdurend met sectoren in gesprek om in de gaten te houden welke ontwikkelingen we zien, of we daar op een goede manier op inspelen en waar we nog kunnen helpen. Ook hij ziet dat we er niet per 1 januari 2025 zijn en dat veel organisaties zich ook na 1 januari 2025 nog moeten inspannen om conform de wetgeving te handelen.
Zoals hij aangaf moeten we een keer door dat punt heen dat we de wet weer gaan handhaven. Daarbij hebben we oog voor de impact in de verschillende sectoren. Daaraan geven we invulling door mee te denken met de sectoren, door problemen inzichtelijk te maken, door dilemma's te verduidelijken en door de handhaving coulant op te starten.
Tegelijkertijd ziet hij in dezelfde sectoren als kinderopvang en zorg oproepen om het opheffen van het handhavingsmoratorium niet terug te draaien. Want hoewel de komende maanden spannend worden, is ook duidelijk dat in deze sectoren problemen met schijnzelfstandigheid zijn waar zij vanaf willen.
Beseft het kabinet dat de overheid onbeperkt haar door haarzelf opgelegde boetes en naheffingen kan blijven betalen met belastinggeld maar dat andere organisaties, bedrijven en ondernemers failliet gaan wanneer zij boetes krijgen en tegelijkertijd door blijven gaan met zich niet aan de wet houden? Hoeveel geld is er voor 2025 ingeboekt voor het betalen van boetes en naheffingen die worden gegeven in het licht van de Wet DBA?
Het handhaven van het uitgangspunt dat per 1 januari 2025 geen enkele potentieel schijnzelfstandige bij de hersteloperatie kinderopvangtoeslag werkzaam zou mogen zijn, gaat ten koste van het bereiken van de kabinetsdoelstellingen én ten koste van het feitelijk helpen van gedupeerde ouders. In die afweging is Dienst Toeslagen gekomen tot het genoemde aanbod aan brokers die potentieel schijnzelfstandigen leveren voor de hersteloperatie kinderopvangtoeslag om de boetes en naheffingen premies werknemersverzekeringen te betalen. Deze afspraak behelst dat indien handhaving door de Belastingdienst bij deze brokers leidt tot boetes en naheffingen werknemersverzekeringen als gevolg van aantoonbare schijnzelfstandigheid bij dergelijke zzp’ers, dat Dienst Toeslagen bereid is deze kosten te vergoeden. Desondanks is voor 2025 geen raming in de begroting opgenomen voor het betalen van boetes en naheffingen.
Brokers kunnen de afweging maken om dit risico niet te willen lopen en per direct compliant te zijn aan de wet DBA. Dit kan gevolgen hebben voor de beschikbare capaciteit voor de hersteloperatie. Het op peil houden van de beschikbare capaciteit heeft voortdurende aandacht om vertraging in de hersteloperatie te voorkomen.
Wij hadden dit uiteraard graag anders gezien maar zoals in het antwoord op vraag 1 is toegelicht is deze afspraak gedaan om te voorkomen dat de hersteloperatie kinderopvangtoeslag aanzienlijke vertraging oploopt. Het doel is onverminderd om ook bij de hersteloperatie zo snel mogelijk af te bouwen naar 0 potentieel schijnzelfstandigen alsmede de spoedige afhandeling van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag te bewerkstellingen.
Hoeveel schijnzelfstandigen (conform de eigen definitie van het kabinet) zijn er per 1 januari 2025 werkzaam voor de Belastingdienst? Hoeveel daarvan zijn er werkzaam voor de Dienst Toeslagen? Hoeveel daarvan zijn er werkzaam voor de UHT?
Binnen het Ministerie van Financiën zijn Belastingdienst en Dienst Toeslagen afzonderlijke onderdelen. Het aantal potentieel schijnzelfstandigen per 1 januari bij de Belastingdienst bedraagt 0.
Voor de hersteloperatie kinderopvangtoeslag zijn er per 30 november ruim 700 potentieel schijnzelfstandigen werkzaam, waarvan er 655 werkzaam zijn bij UHT. De overige potentieel schijnzelfstandigen zijn werkzaam op aanvullende schaderegelingen bij de Commissie Werkelijke Schade en het programma directoraat-generaal Herstel. Het exacte aantal potentieel schijnzelfstandigen per 1 januari 2025 is op dit moment nog niet bekend.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat er voor de overige herstelregelingen welke worden uitgevoerd via marktpartijen en via de gemeentes eveneens sprake kan zijn van de inzet van potentieel schijnzelfstandigen. Mogelijke aantallen hiervan zijn niet in beeld.
Hoeveel schijnzelfstandigen (conform de eigen definitie van het kabinet) zijn er per 1 januari 2025 werkzaam voor andere rijksoverheidsdiensten zoals de kerndepartementen en uitvoeringsinstanties zoals (maar niet uitsluitend) het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)? Kunt u dit per organisatie uitsplitsen?
Er is momenteel nog geen overkoepelend zicht op het aantal zelfstandigen dat werkzaam is binnen het rijk, evenmin welk deel daarvan als potentieel schijnzelfstandig aan te merken is. Departementen zijn hier in de basis zelf voor verantwoordelijk. Uitdaging is het beoordelen van de arbeidsrelatie van ingehuurde medewerkers, vooral als zij via een tussenpartij zijn ingehuurd.
Op basis van de motie Boon (PVV) over het periodiek informeren van de Kamer over de voortgang en resultaten van de afbouw van schijnzelfstandigheid binnen de rijksdienst (motie 31 311, nr. 269), zijn departementen door BZK in een circulaire opgeroepen om meer inzicht te krijgen in het inhuurbestand (rechtstreeks of via een tussenpartij) en voortaan bij te houden wat de ondernemingsvorm van een inhuurkracht is. Vervolgens dient te worden beoordeeld of er geen sprake is van werken in dienst van (onder gezag). Ook wordt een monitoring en rijksbrede rapportage opgezet over aantallen ingehuurde zelfstandigen en potentieel schijnzelfstandigen. Vanwege het ontbreken van een centraal overzicht van het aantal gevallen van schijnzelfstandigheid kan ook nog geen gegronde inschatting worden gegeven van uitvoeringsinstanties.
Herinnert u zich de gedane en nog openstaande toezegging van 12 september jl. aan het lid Aartsen om samen met de Minister van Binnenlandse Zaken middels een rapportage van het aantal zelfstandigen binnen de overheid de Kamer te informeren?3 Zo ja, waarom is deze toezegging nog niet voldaan? Wanneer kan de Kamer deze rapportage verwachten? Kan dit voor 1 januari 2025 naar de Kamer worden gestuurd?
Het kabinet herinnert zich deze toezegging. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties is gevraagd deze toezegging uit te voeren. Zoals bij vraag 7 aangegeven, is momenteel nog geen overkoepelend zicht beschikbaar van het aantal zelfstandigen dat werkzaam is binnen het rijk. BZK heeft een kader opgesteld waarin departementen verplicht worden gesteld om bij te gaan houden of inhuur een zelfstandige betreft en hierover te gaan rapporteren. Dit wordt in de loop van 2025 voorzien. Hiernaast trekt BZK intensief op met de Belastingdienst en SZW om samen aandacht te vragen voor naleving en monitoring.
Wat doet het kabinet wanneer blijkt dat de Rijksoverheid ook op andere plekken dan bij de UHT nog na 1 januari 2025 gebruik blijft maken van schijnzelfstandigen?
Vanuit het Ministerie van BZK is de aanpak van schijnzelfstandigheid in de afgelopen maanden nog steviger bij de verschillende Rijksdiensten onder de aandacht gebracht. Naast de extra bestuurlijke aandacht wordt binnen de Rijksbrede bedrijfsvoering gewerkt aan verdere monitoring op de aanpak van schijnzelfstandigheid. Indien uit de rapportage blijkt dat de inzet van potentieel schijnzelfstandigen niet afneemt, worden de departementen daar op aangesproken. Ook worden departementen die minder ver zijn geholpen door voorlichtingssessies en kennisdeling.
Het kabinet is van oordeel dat de stappen op het weer volledig hervatten van de handhaving noodzakelijk zijn. Dat betekent dat het ook mogelijk is dat er handhavende acties plaatsvinden bij het Rijk zelf. Uiteindelijke handhaving is aan de Belastingdienst. Het opheffen van het handhavingsmoratorium betekent dat de Belastingdienst vanaf 1 januari 2025 weer met terugwerkende kracht naheffingen/loonheffingen opgelegd kunnen worden. Dit kan slechts met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025. Met betrekking tot de periode vóór 1 januari 2025 geldt dat Belastingdienst – met inachtneming van de vijfjaarstermijn – alleen correcties kan opleggen indien sprake is van kwaadwillendheid of als een eerder gegeven aanwijzing niet in voldoende mate is opgevolgd. De overheid als opdrachtgever moet zich aan wet- en regelgeving houden en zal door de Belastingdienst worden behandeld in lijn met het handhavingsplan Arbeidsrelaties 2025.
Bent u bereid om de handhavingsstrategie voor de Wet DBA te herzien door bijvoorbeeld prioritair te handhaven op schijnzelfstandigen met een uurtarief onder het rechtsvermoedenbedrag uit de conceptwet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR) van 34 euro per uur, aangezien het aannemelijk is dat zij veel vatbaarder zijn voor de door u genoemde uitbuiting en misstanden? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Belastingdienst handhaaft risicogericht, met ook aandacht voor de menselijke maat. De Belastingdienst handhaaft op basis van huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie. Het wetsvoorstel VBAR is (nog) geen geldend recht. Handhaven op een tariefgrens is bij het wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden eerder overwogen. Uit gesprekken met sociale partners en de Belastingdienst is toen geconcludeerd dat het niet mogelijk is voor de Belastingdienst om op een dergelijk tarief te handhaven en dat een dergelijk tarief een te hoge administratieve lastendruk met zich zou brengen voor alle werkgevenden en werkenden. Wel heeft de Belastingdienst al eerder toegezegd zich in haar handhaving te richten op probleemgevallen. Daar zullen ook situaties zoals u schetst onder vallen.
Kunt u de correspondentie tussen de UHT en bemiddelaars van zzp’ers met de Kamer delen? Waarom kiest het kabinet ervoor om bij vragen over reputatieschade opdrachtgevers naar de Tweede Kamer door te sturen?
De correspondentie tussen Dienst Toeslagen en de bemiddelaars van zzp’ers is bijgevoegd.
Uiteraard is niet beoogd brokers te verwijzen naar de Staten-Generaal bij (vermeende) reputatieschade. Beoogd is om aan te geven dat ook in uw Kamer bij de eerdergenoemde motie het belang van een ongehinderde voortgang van de hersteloperatie is genoemd in relatie tot het mogelijk in dienst hebben van potentieel schijnzelfstandigen. Dienst Toeslagen heeft aangegeven dat brokers zouden kunnen verwijzen naar deze uitspraak van uw Kamer wanneer hen wordt verweten potentieel schijnzelfstandigen aan te bieden bij UHT.
Wat bedoelt het kabinet met «de afspraken die in de Tweede Kamer zijn gemaakt ten aanzien van de inzet van schijnzelfstandigen ten behoeve van de hersteloperatie»? Kan het kabinet aangeven in welk wetsvoorstel de Kamer hier expliciet afspraken over heeft gemaakt? Bedoelt het kabinet hiermee de eenzijdige mededeling van de Staatssecretaris van Fiscaliteit en Belastingdienst tijdens het commissiedebat Zzp op 12 september jl.?
Zie antwoord onder vraag 1 m.b.t. aangenomen motie Boon d.d. 1 oktober 2024.