Heeft u kennisgenomen van het feit dat de afdeling sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een vacature heeft geplaatst die uitsluitend is bedoeld voor wetenschappers van kleur?1
Uit navraag bij de Erasmus Universiteit Rotterdam heb ik begrepen dat de vacature niet uitsluitend bedoeld was voor wetenschappers van kleur. En dat de Erasmus Universiteit Rotterdam de vacature heeft aangepast om te verduidelijken dat ze geen sollicitanten uitsluit.
Wat vindt u ervan dat de EUR een methode van personeelswerving gebruikt die is gebaseerd op huidskleur, die ertoe leidt dat een groot aantal kandidaten bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij de «niet de goede huidskleur» hebben?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van vacatures van een universiteit. Instellingen geven zelf hun werving- en selectiebeleid vorm. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders.
Wie kunnen er precies solliciteren op vacatures voor «scholars of color» en wie niet en deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om mensen in te delen in twee categorieën, zoals hier lijkt te gebeuren, namelijk wel of niet «of color»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk wervingsbeleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat is vastgelegd in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en dat discriminatie «op welke grond dan ook» verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1 van de Grondwet is voor wat betreft de verhouding tussen werkgever en werknemer nader geconcretiseerd in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Op basis van artikel 2 lid 3 Awgb mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan. Het moet dan gaan om het wegnemen of verminderen van feitelijke nadelen die verband houden met de grond ras of geslacht en het onderscheid moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel.
Deelt u de mening dat het vreemd en zorgelijk is dat een faculteit voor sociale wetenschappen die commitment claimt tot «antiracisme» juist raciale eisen stelt?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Wat vindt u van de aan deze vacature kennelijk onderliggende opvatting van de faculteit voor sociale wetenschappen van de EUR dat wetenschappers van kleur bijzondere expertise hebben voor de studie van ongelijkheid die andere wetenschappers ontberen?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, heb ik begrepen dat de vacature openstaat voor alle wetenschappers.
Hoe beoordeelt u het feit dat de twee vacatures geen eisen stellen aan specialisaties of methodologische vaardigheden?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Bent u van mening dat een vacaturetekst als «Commitment to integrating progressive, antiracist and social justice resources and pedagogy in the classroom is an essential component of both positions» academici met conservatieve opvattingen lijkt uit te sluiten? Graag een toelichting.
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Is u bekend of er buiten de ESSB van de EUR nog meer faculteiten zijn die vacatures plaatsen die uitsluitend zijn bedoeld voor «scholars of color»?
Ik heb van de Erasmus Universiteit Rotterdam begrepen dat die er niet zijn.
Bent u bereid met de universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat procedures om personeel te werven gevrijwaard blijven van discriminatoire criteria?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met het wervingsbeleid op universiteiten. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders. Ik zie geen noodzaak om additionele afspraken te maken met de universiteiten.
Deelt u het oordeel van dit voorval als een voorbeeld van positieve discriminatie?
Het aanmoedigen van kandidaten van kleur om te solliciteren is geen voorkeursbeleid, oftewel positieve discriminatie, ook anderen zijn welkom om te solliciteren. Bovendien betekent voorkeursbeleid voor mensen van kleur niet per definitie dat er sprake is van verboden onderscheid. Een werkgever mag voorkeursbeleid voeren als een bepaalde groep mensen onvoldoende vertegenwoordigd is en er is voldaan aan een aantal andere vereisten. Het is niet aan mij om te oordelen over individuele gevallen.
Zo ja, acht u dit soort discriminatie onwenselijk en gaat u daar actief actie tegen nemen in uw nieuwe nationale programma tegen racisme en discriminatie?
Uw Kamer heeft het kabinet gevraagd een overkoepelend programma tegen discriminatie en racisme te maken. Daarin zal het kabinet actie ondernemen tegen alle vormen van verboden onderscheid. Verder wijs ik graag naar mijn antwoorden op vragen 4 en 11.
De verhaalbaarheid van schadevergoedingen in het Groningse gasdossier |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving, onder andere in De Telegraaf, waarin aandeelhouders van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), te weten Shell en ExxonMobil, stellen dat de Nederlandse Staat mogelijk te ruimhartige schadevergoedingen uitkeert die buiten de contractuele afspraken vallen?1
Ja.
Waarop baseert u de veronderstelling dat de kosten van schadeherstel, versterking en compensatie volledig op de NAM kunnen worden verhaald?
Uit de Tijdelijke wet Groningen (TwG) volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de eisen uit de TwG kunnen worden geheven. Indien met compensatie wordt gedoeld op de uitgaven voor de sociale en economische agenda dan wijs ik erop dat deze uitgaven niet verhaald worden op de NAM.
In hoeverre bent u bekend met het standpunt van de aandeelhouders van de NAM dat bepaalde schadevergoedingen, zoals forfaitaire of ruimhartige regelingen, niet onder de oorspronkelijke aansprakelijkheidsafspraken vallen?
De standpunten van de NAM en de aandeelhouders van NAM dat bepaalde kosten in verband met de schadeafhandeling niet aan NAM zouden kunnen worden doorbelast op grond van de Tijdelijke wet Groningen zijn mij bekend. De standpunten van NAM zijn recent nog aan de orde gekomen tijdens de (openbare) zitting van de rechtbank Noord-Nederland van medio maart jl. inzake de beroepsprocedures van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021.
Kunt u uitsluiten dat een rechter of arbitragepanel uiteindelijk oordeelt dat (een deel van) de kosten van schadeherstel en compensatie niet op de NAM kan worden verhaald en daarom voor rekening van de Nederlandse Staat komt?
Nee.
Kunt u uiteenzetten welke categorieën van schade en compensatie het kabinet volledig verhaalbaar acht op de NAM?
De kosten voor de schadeafhandeling acht ik op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het Instituut Mijnbouwschade Groningen zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om schadevergoedingen die zijn uitgekeerd aan gedupeerden.
Kunt u tevens aangeven welke categorieën van kosten mogelijk buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen?
Kosten die buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen zijn bijvoorbeeld onverplichte tegemoetkomingen (zoals de verduurzamingsmaatregelen, de knelpuntenregelingen en een deel van de totale kosten van daadwerkelijk herstel) alsmede de kosten ter uitvoering van de sociale agenda en de economische agenda.
Kunt u, indien bepaalde kosten mogelijk niet verhaalbaar blijken, inzicht geven in de potentiële financiële omvang hiervan voor de Nederlandse Staat?
Ik kan op dit moment geen inschatting geven van de potentiële financiële omvang van niet verhaalbare kosten. Een groot deel van de kosten dat al aan NAM is doorbelast, staat ter discussie in bezwaarprocedures of ligt nu ter beoordeling voor bij een rechtbank of een scheidsgerecht. Voor andere kosten zal de omvang pas duidelijk worden bij het vaststellen van de eerstvolgende heffingsbesluiten.
Heeft het kabinet een actuele risicoanalyse gemaakt van het scenario waarin een rechter of arbitragepanel oordeelt dat een deel van de uitgekeerde schadevergoedingen niet op de NAM kan worden afgewenteld?
Gelet op de procespositie van de Staat is het niet in het belang van de Staat om hier nu concreet op in te gaan. Op basis van de meest recente berichtgeving van de scheidsgerechten wordt eind tweede kwartaal van 2026 een vonnis verwacht in eerste fase in de arbitrage versterken en in de arbitrage schade. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Nederland aangekondigd op 12 juni a.s. uitspraak te willen doen in het beroep van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021. Ik wil daar nu niet op vooruitlopen.
Zo ja, wat is de uitkomst van deze risicoanalyse en over welke orde van grootte spreken we dan? Gaat het hierbij om honderden miljoenen euro’s of daadwerkelijk om miljarden euro’s?
Zie antwoord op vraag 8.
Waarom is de presentatie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) uit de openbaarheid gehaald, en kan deze alsnog met de Kamer worden gedeeld?
Het document van het IMG is niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht van zijn advocaat. Dat betekent dat het gaat om vertrouwelijke informatie en persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in beroep2 bevestigd dat het IMG openbaarmaking op goede gronden heeft geweigerd.
Kunt u het rapport dat ten grondslag ligt aan de presentatie van het IMG waarnaar wordt verwezen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij tevens aangeven welke aanvullende bevindingen en analyses in dit onderliggende rapport zijn opgenomen die niet in de presentatie zijn verwerkt?
Nee, zie antwoord op vraag 10.
Beschikt het kabinet over andere rapporten, analyses of documentatie van vergelijkbare aard met betrekking tot bevingsrisico’s, schade-inschattingen of financiële risico’s in het Groningse gasdossier? Zo ja, kunt u deze documenten met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik op dit moment een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is indien de Nederlandse belastingbetaler uiteindelijk opdraait voor kosten die volgens het kabinet op de NAM verhaald zouden moeten worden?
Deze visie deel ik niet. Op dit moment wordt al het mogelijke gedaan om de kosten voor de schade-afhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen binnen de kaders van de Tijdelijke Wet Groningen te verhalen op de NAM. De schadeafhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen dienen evenwel een zwaarwegend doel. Het kabinet heeft dan ook besloten dat het koste wat het kost zo lang als het nodig is moet worden doorgezet. Gelet op de baten die de Nederlandse samenleving jarenlang heeft genoten van de Groningse gaswinning, is het acceptabel dat de kosten daarvoor – voor zover die niet op NAM kunnen worden verhaald – voor rekening van de Staat komen.
Is de Kamer eerder geïnformeerd over het risico dat een deel van de uitgekeerde schade niet verhaald kan worden op de NAM en dat daardoor de Staat een financieel risico loopt? Zo ja, wanneer en op welke wijze is de Kamer hierover geïnformeerd?
Ja, de Kamer is hierover geïnformeerd. Zo is de Kamer begin 2024 door de toenmalig informateur Plasterk geïnformeerd over de budgettaire tegenvallers en risico’s bij de verschillende departementen. In dat kader is door het Ministerie van EZK gewezen op risico’s voortvloeiend uit de arbitrageprocedures (zie Bijlagen bij eindverslag informateur Plasterk dd. 12 februari 2024 pagina 33). Ook in de meest recente Kamerbrief over de stand van zaken in de juridische procedures NAM, Shell en ExxonMobil is nadrukkelijk benoemd dat er afhankelijk van de uitspraken van het scheidsgerecht in de arbitrages sprake is van mogelijke budgettaire risico’s (zie Kamerstukken II, 2025–2026, 33 529, nr 1340).
Verder wijs ik er op dat op verzoek van de Eerste Kamer op 21 mei 2024 en 28 januari 2025 vertrouwelijke technische briefings hebben plaatsgevonden.
Is er op de Rijksbegroting een budget gereserveerd om mogelijke financiële risico’s op te vangen indien de kosten niet op de NAM kunnen worden verhaald? Zo ja, waar en om welke bedragen gaat het? Zo nee, waarom acht het kabinet dit niet noodzakelijk?
Nee, het kabinet acht dit niet noodzakelijk. De kosten voor de schadeafhandeling acht het kabinet op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het IMG zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Voor de aanvullende PEGA-maatregelen heeft het kabinet aan de voorkant geld gereserveerd. Voor kosten die nu zijn opgenomen in een heffing zijn geen voorzieningen of reserveringen getroffen. Ik wil niet vooruitlopen op uitspraken in de verschillende procedures.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer te verzoeken onderzoek te doen naar de vraag of de rijksoverheid in het kader van het Groningse gasdossier publiek geld zinnig, zuinig en zorgvuldig besteedt?
Jaarlijks ontvangt de Kamer reeds de onafhankelijk opgestelde Staat van Groningen en Noord-Drenthe waarin onder meer de stand van zaken rondom schadeafhandeling en de versterkingsoperatie uitvoerig wordt belicht. Daarnaast zal de Algemene Rekenkamer in zijn verantwoordingsonderzoek over 2025 opnieuw ingaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van maatregelen die zijn genomen om de schadeafhandeling en uitvoering van de versterking te verbeteren. Het verantwoordingsonderzoek verschijnt op de derde woensdag van mei (woensdag 20 mei 2026).
Op welke wijze is het fraudebeleid en het fraudedetectieprotocol bij schadeafhandeling aangepast naar aanleiding van de aanhouding van vijf verdachten door de FIOD in een onderzoek naar subsidiefraude?2
Het IMG kent met het Bureau Bijzonder Onderzoek (BBO) een gespecialiseerd team dat onderzoek doet naar fraudemeldingen en malversaties binnen de schadeafhandeling. De FIOD, onder leiding van het Openbaar Ministerie, heeft vijf verdachten aangehouden in het kader van een onderzoek naar subsidiefraude rondom aardbevingsschade in Groningen. Naar aanleiding van de aanhoudingen heeft het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) samen met het IMG maatregelen genomen om de kans op waardevermeerderingssubsidiefraude te beperken. De FIOD en het Openbaar Ministerie zijn nadere onderzoeken naar deze vorm van subsidiefraude aan het voorbereiden. Om potentiële fraudeurs niet wijzer te maken, wordt niet nader geduid om welke maatregelen het precies gaat. Het IMG blijft alle meldingen met een vermoeden van fraude onderzoeken en treft waar nodig maatregelen.
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de fraudebestrijding binnen het schadeherstel, waaronder cijfers over terugvorderingen, signalen van misbruik en het aantal aangiftes?
Ja. Het IMG rapporteert sinds 2024 in zijn jaarverslag al over de fraudebestrijding. Dit jaarverslag wordt uw Kamer jaarlijks door IMG aangeboden, laatstelijk op 27 maart jl.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk een week voorafgaand aan het commissiedebat Herstel Groningen van 22 april 2026?
Ja.
De misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
David van Weel (VVD), Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Stek Oost, waaronder de artikelen in het Parool en op AT5 waaruit blijkt dat woningcorporatie Stadgenoot al jaren wil stoppen met het gemengd wonen van statushouders en jongeren in Stek Oost vanwege ernstige onveiligheid, maar dat de gemeente Amsterdam dit heeft tegengehouden?1 2
Ja.
Kunt u een volledig feitenrelaas geven over de situatie in Stek Oost sinds de start in 2018, inclusief het aantal bewoners (onderscheid statushouders/jongeren) per jaar, de aard en ernst van de incidenten, het aantal meldingen bij politie, het aantal aangiften en het aantal huisuitzettingen?
Stek Oost is gestart in 2018 als tijdelijk woon- en gemeenschapshuisvestingproject, waar Amsterdamse jongeren en statushouders in hetzelfde complex wonen. In 250 zelfstandige studio’s werden deze doelgroepen aan elkaar gekoppeld, waar de jongeren zich inzetten om de statushouders te ondersteunen. Bij de start was er een verhouding van 50% statushouders en 50% Amsterdamse jongeren.
Op 20 januari 2026 heeft gemeenteraadslid Von Gerhardt (VVD) in Amsterdam schriftelijke vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders.3 Bij de beantwoording van deze vragen op 2 februari 2026, is in een bijlage ook een tijdlijn aangeleverd van gebeurtenissen op Stek Oost tussen 2018 en 2025.4 Hierbij geeft het college aan dat incidenten in deze tijdlijn «zeer ernstige en acute incidenten met een directe, grote impact op de omgeving betreft» en dat «reguliere zorg- en overlastmeldingen daar niet onder vallen».
In deze tijdlijn staan tussen 2018 en 2025 meerdere ernstige incidenten beschreven, zoals: steekincidenten, meldingen en aangifte van zedendelicten en veroordeling van een toenmalig bewoner van Stek Oost voor een zedendelict. Verder staat in de tijdlijn onder meer beschreven:
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.5
De berichtgeving en beschikbare stukken schetsten een beeld van meerdere heftige incidenten en ik leef mee met eenieder die slachtoffer is geworden van dergelijke incidenten. Je thuis moet een veilige plek zijn.
Klopt het dat er in een periode van circa anderhalf jaar minimaal twintig aangiften zijn gedaan door bewoners en oud-bewoners, onder meer wegens aanranding, geweld, steek- en vechtpartijen, stalking, diefstal, LHBTIQ+-gerelateerde intimidatie en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, wat zijn dan de exacte aantallen per delictcategorie sinds de start van het project?
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.
Hoe beoordeelt u het oordeel van Stadgenoot dat de veiligheid in Stek Oost niet gegarandeerd kon worden en dat de corporatie daarom heeft willen stoppen met het gemengd wonen op deze locatie?
Dit gaat om gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen de gemeente en de corporatie, het Ministerie van VRO heeft hier geen rol in gespeeld.
Deelt u de zorg dat de gemeente Amsterdam, door beëindiging van het gemengd wonen in Stek Oost tegen te houden, de veiligheid van (met name vrouwelijke en LHBTIQ+-) Nederlandse bewoners en andere omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen beleidsdoel om statushouders gemengd te huisvesten?
Ik beschik niet over voldoende informatie om hierover een inhoudelijk oordeel te geven. Het gemeentebestuur van Amsterdam geeft aan dat de wettelijke taakstelling om statushouders te huisvesten nooit doorslaggevend is geweest bij afwegingen die zijn gemaakt over Stek Oost. Bij incidenten is gehandeld zoals zij dat altijd en overal doen. Er is daarbij steeds gekeken naar wat nodig was en er zijn maatregelen genomen om de leefbaarheid en veiligheid voor de bewoners van Stek Oost te verbeteren.
Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de raadsinformatiebrief van de Gemeente Amsterdam van 16 februari 20266.
Heeft u of uw voorgangers signalen ontvangen van Stadgenoot, bewoners, politie, de Arbeidsinspectie of andere instanties over structurele onveiligheid en overlast in Stek Oost en vergelijkbare projecten? Zo ja, om welke signalen ging het concreet, op welke data zijn deze signalen ontvangen en welke acties zijn daarop door het Rijk ondernomen?
Er zijn mij geen signalen bekend vanuit genoemde partijen richting mij of mijn voorgangers over de situatie op Stek Oost.
Kunt u een overzicht geven van alle gemengde wooncomplexen in Nederland waar statushouders samen met Nederlandse jongeren of andere doelgroepen wonen, uitgesplitst naar gemeente, omvang (aantal bewoners) en samenstelling (percentage statushouders)?
Nee, ik heb geen totaaloverzicht van gemengde wooncomplexen tot mijn beschikking. Er zijn allerlei manieren waarop gemengde wooncomplexen tot stand komen, dit is een lokale aangelegenheid. Wel geldt voor projecten die met de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen tot stand komen, een eis om 30% van de woningen in het project te reserveren voor statushouders of Oekraïense ontheemden. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om deze eis buiten het SFT project in te vullen door elders in de gemeente woningen voor deze groep beschikbaar te stellen.
In hoeveel van deze complexen zijn de afgelopen vijf jaar incidenten geregistreerd die betrekking hebben op geweld, zedendelicten, intimidatie/stalking, drugshandel, ernstige overlast en LHBTIQ+-gerelateerde discriminatie of geweld? Kunt u dit per complex en per delictcategorie specificeren, inclusief aantallen meldingen en, voor zover bekend, het aantal incidenten waarbij LHBTIQ+-bewoners betrokken waren als slachtoffer?
Hier heb ik geen informatie over.
Erkent u dat de combinatie van een grote schaal, een hoge concentratie statushouders (circa 50% of meer) en een relatief homogene groep statushouders (zelfde herkomstlanden, leeftijd, alleenstaande mannen) een belangrijke risicofactor is voor onveiligheid en mislukte integratie, zoals onder meer door Stadgenoot is geschetst? Zo nee, waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat ik het voor de slachtoffers en overige bewoners van Stek Oost verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Ik wil echter geen algemene conclusies trekken over dat de genoemde factoren per definitie maken dat dit leidt tot onveiligheid en mislukte integratie, of dat statushouders per definitie voor overlast of onveiligheid zouden zorgen. Veel statushouders gedragen zich als een goede huurder en er zijn verschillende goede en geslaagde voorbeelden van soortgelijke woonprojecten. Het is hierbij belangrijk te kijken naar de randvoorwaarden die aanwezig zijn, zoals de opzet van het complex en aanwezigheid van sociaal beheer en ondersteuning.
Hoe waarborgt u dat Nederlandse jongeren, studenten en starters niet opnieuw in feitelijk onveilige pilotprojecten of experimenten terechtkomen, waarbij zij als het ware proefpersonen zijn voor integratiebeleid en de nadelige gevolgen van verkeerde beleidskeuzes dragen?
Gezien de ernst van de incidenten op Stek Oost, begrijp ik de ontstane onrust. Er zijn echter, ook binnen de gemeente Amsterdam, meerdere gemengd wonen projecten bekend die wel goed functioneren. Inmiddels zijn er lessen geleerd en procedures en werkwijzen bij gemeenten aangepast. Daarnaast zet ik in op meer sociaal beheer, onder andere door de aanpassing van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT+), waarbij gemeenten nu ook een bijdrage van € 6.000 (bij zelfstandige woonruimte) of € 4.000 (bij onzelfstandige woonruimte) per woonruimte voor sociaal beheer ontvangen.
Bent u, gelet op de jarenlange signalen over ernstige onveiligheid in Stek Oost en andere gemengde wooncomplexen en de waarschuwingen van woningcorporaties, bereid bewoners, in het bijzonder vrouwelijke en LHBTIQ+-bewoners, die daar slachtoffer zijn geworden van zedenmisdrijven, geweld, stalking of andere ernstige feiten te compenseren en/of hen prioritaire toegang tot andere, wél veilige huisvesting te geven, bijvoorbeeld door hen een vorm van urgentie of voorrang bij herhuisvesting toe te kennen?
Hiertoe heb ik geen mogelijkheden. Het toekennen van urgentie of voorrang bij herhuisvesting is een keuze die de gemeente samen met de corporatie kan maken.
Hoe verhouden de ervaringen en incidenten bij gemengde complexen zoals Stek Oost zich tot het wetsvoorstel om de voorrang voor statushouders in de sociale huur te schrappen en gemeenten te stimuleren om «doorstroomlocaties' te openen waar ook andere woningzoekenden een plek kunnen krijgen? Acht u het, in het licht van de misstanden in Stek Oost en andere projecten, verantwoord om juist dit type gemengde, tijdelijke woonvormen als oplossing te presenteren en welke extra waarborgen voor veiligheid, in het bijzonder voor vrouwen en LHBTIQ+-bewoners, bent u voornemens hierin wettelijk vast te leggen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid een onafhankelijke, landelijke evaluatie te laten uitvoeren van alle gemengde woonprojecten met statushouders, inclusief de veiligheidssituatie en ervaringen van bewoners, op basis daarvan scenario’s uit te werken waarin met gemengde projecten wordt gestopt of deze drastisch worden beperkt tot kleinschalige, strikt gereguleerde initiatieven en de Kamer hierover uiterlijk vóór het zomerreces 2026 te informeren?
Nee, dit blijft een lokale afweging. Wel probeer ik op de hoogte te blijven van ontwikkelingen rondom gemengd wonen en kijk ik waar mogelijk aanvullend beleid voor nodig is.
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 2 februari 2026, één voor één beantwoorden?
In verband met de benodigde afstemming met partijen is dit niet gelukt.
Het slopen van het dorp en de gemeenschap Moerdijk |
|
Daniël van den Berg (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Rijkaart , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre deelt u de analyse dat ruimtegebruik van de energietransitie oorzaak is voor het mogelijk verdwijnen van Moerdijk?
Het kabinet en de regio hebben nog geen besluit genomen over het mogelijk verdwijnen van het dorp Moerdijk. Het kabinet en de regio zijn voornemens om in juni 2026 een gezamenlijke voorkeur uit te spreken voor waar de ontwikkelingen van het haven- en industriecluster Moerdijk gerealiseerd gaan worden. Een definitief besluit over waar de ontwikkelingen gaan plaatsvinden wordt pas genomen na vaststelling van een gebiedsplan. Bij het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving1 (BOL) van 2025 hebben het kabinet en de regio afgesproken om ruimte te bieden aan de energietransitie (installaties en tracés voor kabels en leidingen) en autonome groei van bedrijvigheid, waaronder verduurzaming en circulair maken van de bestaande industrie. Hiervoor wordt (deels) gekeken naar ruimte buiten het haven- en industriecluster Moerdijk en het Amercentrale-terrein in Geertruidenberg. Op basis van de verrichte technische studies (fase 2B2) hanteren het kabinet en de regio voor de voornoemde onderdelen een indicatieve ruimtevraag van 700 hectare voor de gehele Powerport regio. De concrete invulling van de ruimtevraag wordt nader uitgewerkt.
Kunt u aangeven hoeveel extra ruimtegebruik de energietransitie vraagt in Nederland tot aan 2040?
De energietransitie vraagt extra ruimte overal in Nederland. Dit is nodig om netcongestie op te lossen en onze onafhankelijkheid te waarborgen. Deze ruimtevraag wordt vooral gebundeld in en rondom de haven- en industrieclusters, zoals aangegeven in de ontwerp-Nota Ruimte3. Het precieze extra ruimtegebruik tot aan 2040 in deze clusters is afhankelijk van de economische ontwikkeling en de keuzes in het energiesysteem. Met het Programma Energiehoofdstructuur4 (PEH) is de verwachte ruimtevraag in kaart gebracht voor de energietransitie in de haven- en industrieclusters tot en met 2050.
In hoeverre heeft u in kaart waar deze extra ruimtevraag in Nederland nodig is, en kunt u deze delen? Zo ja, welke daar nu bestaande functies zoals wonen, bedrijven, landbouw moeten daardoor verdwijnen?
Zie het antwoord op vraag 2. Binnen de haven- en industrieclusters en andere NOVEX-gebieden worden verschillende functies (waaronder wonen, bedrijven, landbouw en energie) integraal afgewogen. Per gebied wordt daarin gekeken wat, alles overwegend, de beste manier is om nieuwe ruimtevragers in te passen. Deze aanpak volgen we ook in het haven- en industriecluster Moerdijk.
Op welke manier neemt u de extra ruimtevraag en het verdwijnen van hele gemeenschappen mee in de veelgeprezen versterking van de «brede welvaart» afweging?
Het kabinet en de regio hebben bij het BOL van 2025 afgesproken dat een strategische uitbreiding alleen kan als de brede welvaart en leefbaarheid gelijktijdig, geloofwaardig en structureel versterkt worden. Brede welvaart is een expliciet onderdeel van het nog op te stellen gebiedsplan.
In hoeverre deelt u de mening dat kernenergie per eenheid opgewekte elektriciteit aanzienlijk minder ruimte vergt dan een energietransitie die primair is gebaseerd op wind- en zonne-energie, mede gelet op internationale studies waaruit blijkt dat kernenergie per eenheid elektriciteit 18 tot 27 maal minder land vereist dan zonne-energie1?
Het kabinet deelt de opvatting over dat kernenergie minder ruimte vergt per eenheid opgewekte elektriciteit, in relatie tot andere energiebronnen zoals wind- en zonne-energie. Het verschil tussen het ruimtegebruik op land van kernenergie en windenergie geproduceerd op zee is echter klein. Converterstations voor aanlandingen van wind op zee hebben een relatief klein ruimtegebruik op land. Voor een robuust, duurzaam en betaalbaar energiesysteem is een diverse energiemix essentieel, met daarin voldoende ruimte voor wind, zon en kernenergie. Per onderdeel van het energiesysteem worden de best geschikte locaties gezocht, waarin de overkoepelende ruimtelijke keuzes voor het energiesysteem gemaakt worden via het PEH.
Kunt u daarbij aangeven of bij de ruimtelijke beoordeling een scenario met substantiële kernenergieproductie is onderzocht, wat dit zou betekenen in termen van hectares ruimtebesparing voor de regio Moerdijk en voor Nederland, en – indien dat niet het geval is – of u bereid bent dit alsnog te (laten) berekenen en met de Kamer te delen?
In het eerste PEH en het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) zijn ook scenario's met substantiële hoeveelheden kernenergie onderzocht. Ook wanneer er relatief veel kernenergie ontwikkeld wordt, blijft het een aanvulling op zon en windenergie en blijft er dus ruimte nodig voor o.a. de aanlanding van wind op zee. Nederland heeft een verzameling aan energiebronnen nodig om energieonafhankelijkheid, leveringszekerheid en verduurzaming te borgen. Het kabinet zet daarom in op een verdere opschaling van wind op zee en kernenergie.
Welke rol speelt ruimtegebruik bij uw afweging voor de energietransitie?
Het energiesysteem en de transitie van fossiele naar duurzame bronnen zijn complexe vraagstukken met veel verschillende onderdelen die afhankelijk zijn van elkaar. Middels het NPE worden keuzes over de energiemix van het toekomstige energiesysteem gemaakt, via het PEH worden keuzes gemaakt over het ruimtegebruik en de locaties van de onderdelen van het energiesysteem. Ruimtegebruik is een van de factoren die meeweegt in het maken van keuzes voor het energiesysteem van de toekomst, net als verschillende andere publieke belangen zoals betaalbaarheid, duurzaamheid en leveringszekerheid.
Ziet u mogelijkheden om de inwoners van de kern Moerdijk opnieuw te vestigen binnen de gemeente Moerdijk in één van de andere woonkernen? Zo ja, wat gaat u doen om dit mogelijk te maken?
Het kabinet en de regio werken een transitiestrategie uit met én voor de inwoners in het gebied, passend bij het principebesluit waarvan het voornemen is dit in juni 2026 te nemen. Hierin is oog voor de verschillende wensen van de betrokken inwoners en het behouden van de leefbaarheid en voorzieningenniveau in het dorp. Binnen deze transitiestrategie kan ook worden onderzocht of het mogelijk is om inwoners van de kern Moerdijk elders in de regio te huisvesten.
Hoe wordt geborgd dat basisvoorzieningen zoals de basisschool, sportverenigingen, zorgpost en supermarkt tot het einde openblijven?
Zie het antwoord op vraag 8.
Hoe verhoudt het besluit om de dorpskern Moerdijk te schrappen zich tot de vastgestelde zoekgebieden in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) en het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE)?
Zie het antwoord op vraag 1, er is geen besluit genomen om de dorpskern Moerdijk te schrappen. Het PEH is de ruimtelijke doorvertaling van het NPE. De ruimtevraag die in kaart is gebracht in het PEH is onderdeel van de bredere opgave voor de Powerport regio Moerdijk. In de bredere opgave voor Powerport Regio Moerdijk valt ook de ruimtevraag voor de groei van bedrijvigheid, het verduurzamen en circulair maken van de industrie.
Wat is het totale ruimtebeslag van de Powerportopgave per onderdeel (stations, kabels, opslag, waterstof- en CO2-leidingen, havenlogistiek) en hoe verklaart u het verschil tussen de 28 hectare (ha) voor het 380/150/20 kV-station2 en de 400–500 ha die de gemeente noemt voor de totale opgave?
Zie het antwoord op vraag 1. De verdeling is te vinden in de technische studie7 van de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk. Het kabinet en de regio hanteren daarin een indicatieve ruimtevraag van 700 ha, nodig voor de verduurzaming en het circulair maken van bedrijvigheid en de energietransitie. De 28 ha die benodigd is voor het hoogspanningsstation dat gebouwd moet worden is onderdeel van die totaalopgave.
In hoeverre is de sloop van het dorp nodig voor de logistieke uitbreiding (PowerPort) in plaats van alleen voor energie-infrastructuur?
Powerport is de benaming voor de gehele ontwikkeling in de regio Moerdijk. Een groot deel van de ruimtevraag komt voort uit de autonome groei van bedrijvigheid (waaronder het circulair maken van de industrie) en logistiek. In de technische studie genoemd bij het antwoord op vraag 11 is een nadere uitwerking van de ruimtevraag te vinden.
Wat zijn de geraamde totale kosten van het opheffen van Moerdijk, uitgesplitst naar (a) verwerving en taxatie van 1.100 woningen/bedrijven en compensatie voor immateriële schade, (b) verplaatsing van publieke voorzieningen zoals school, sport en begraafplaats, (c) aanleg van de nieuwe energie-infrastructuur en (d) leefbaarheids- en gebiedsfonds? Hoe wordt dit gefinancierd (Rijk, provincie, havenbedrijf, TenneT/Enexis) en zijn hiervoor middelen gereserveerd in de Rijksbegroting?
Hier moet nader onderzoek naar worden gedaan. Als onderdeel van de besluitvorming op 1 december jl. heet het kabinet een eenmalige bijdrage toegekend van € 17 miljoen om de garantiewaarde van de Moerdijkregeling te verhogen van 95% tot 100%. Een verdere verkenning naar de totale kosten en de verdeling hiervan over partijen moet nog worden uitgevoerd en wordt onderdeel van het te nemen principebesluit in juni 2026.
Hoe worden de kosten van onteigening, verplaatsing en leefbaarheidsmaatregelen op project- en systeemniveau bijgehouden en betrokken bij de nationale kosten-batenanalyse? Bent u bereid een openbaar register in te richten waarin alle ruimtelijke kosten (grondaankoop, onteigening, waardedaling, leefbaarheidsfondsen, juridisch verweer) worden vastgelegd?
Dit is onderdeel van de nog uit te werken transitiestrategie en financiële afspraken. Een openbaar register is geen onderdeel van deze financiële afspraken.
Wie heeft de regie in dit project? Het participatieplan vermeldt dat TenneT en Enexis initiatiefnemer zijn en dat het Ministerie van Klimaat en Groene Groei het bevoegd gezag is3. Wat is de rol van de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk? Wie beslist uiteindelijk over de opheffing van het dorp en wie over de inrichting van het gebied?
Uitwerking van de uitbreiding van Powerport Moerdijk vindt plaats onder regie van alle betrokken overheden: Rijksoverheid (KGG, IenW en VRO), provincie Noord-Brabant, Gemeenten Moerdijk, Drimmelen en Geertruidenberg en waterschap Brabantse Delta. Deze partijen beslissen ook gezamenlijk over de toekomst van het dorp Moerdijk.
Het participatieplan waar naar verwezen wordt heeft betrekking op de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation waarvoor Enexis en TenneT de initiatiefnemers zijn. De Minister van KGG is in afstemming met de Minister van VRO het bevoegd gezag voor het Projectbesluit van dit hoogspanningsstation. Het hoogspanningsstation is slechts een klein onderdeel van de gehele uitbreiding binnen de Powerport regio Moerdijk.
Acht u het maatschappelijk en juridisch wenselijk dat de energietransitie gepaard gaat met het verwijderen van dorpen? Welke precedenten bestaan er in Nederland of elders en wat zijn de belangrijkste lessen?
Nederland is druk en de opgaven zijn groot. Om ook voor de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan groeiende economie en bevolking is uitbreiding van het energienet noodzakelijk. Dat is nodig om woningen en bedrijven van stroom te kunnen voorzien. Er zullen moeilijke keuzes gemaakt moeten worden, waarbij lokale, regionale en landelijke belangen met elkaar afgewogen worden. Soms betekent dit dat bepaalde functies zullen verdwijnen om plaats te maken voor andere. Het opheffen van een dorp of dorpskern is daarbij een heel zwaar besluit dat niet vaak genomen zal worden. Dat kan alleen indien uit een integrale afweging blijkt dat er geen redelijke alternatieven zijn en er voldoende compenserende maatregelen genomen worden.
Er is in Nederland geen precedent waarbij op deze schaal een dorp of dorpskern is verplaatst voor energie-infrastructuur, maar het komt wel degelijk voor dat woningen of andere functies soms plaats moeten maken voor infrastructuur of andere ontwikkelingen. Daarbij zijn naast goed overleg tussen alle betrokken overheden, inwoners en andere partijen ook een goede afweging van alternatieven, maatschappelijke kosten en baten en compenserende maatregelen van belang.
Acht u dat de grote ruimtelijke claim van een 100% hernieuwbaar energiescenario aanleiding is om, conform het NPE dat wind, zon en kernenergie als mix benoemt4 en een opschaling naar 70 GW wind op zee en 3,5–7 GW kernenergie voorziet, het energiesysteem te herijken en extra kernenergie of andere compacte bronnen toe te voegen?
Het NPE wordt op dit moment geactualiseerd. Het kabinet verwacht dit te publiceren met Prinsjesdag 2026. Onderdeel van de actualisatie is ook een herijking van de verwachte benodigde capaciteiten aan wind, zon en kernenergie, waarin ook de verhouding tussen productie in Nederland en import een rol speelt. Het ruimtebeslag van energiebronnen is een van de factoren op basis waarvan besluiten worden genomen over de toekomst van het energiesysteem en de samenstelling van de energiemix.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het nog in te plannen plenaire debat over Moerdijk?
Ja.
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Het bericht dat een rechter duizenden Woo-verzoeken indiende om misbruik van de wet aan te tonen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rechter bombardeert gemeenten met duizenden informatieverzoeken om punt te maken»?1
Klopt het dat een zittende rechter volgens deze berichtgeving op grote schaal Woo-verzoeken heeft ingediend bij gemeenten, niet primair om informatie openbaar te krijgen, maar om aan te tonen hoe eenvoudig misbruik van de Woo mogelijk is? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Deelt u de opvatting dat de Woo bedoeld is om openbaarheid van bestuur te bevorderen, maar niet om overheden op grote schaal doelbewust administratief te belasten of de uitvoeringspraktijk te ontregelen?
Hoe beoordeelt u het risico dat dit soort massale en mogelijk strategische Woo-verzoeken, zeker bij kleinere gemeenten, leidt tot verdringing van reguliere publieke taken, oplopende uitvoeringskosten en langere wachttijden voor bona fide verzoekers?
Heeft u zicht op de omvang van de belasting voor gemeenten door dit soort bulkverzoeken, bijvoorbeeld in termen van extra ambtelijke inzet, externe juridische kosten en vertraging in de afhandeling van andere Woo-verzoeken? Zo nee, bent u bereid dit via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uit te vragen?
Welke mogelijkheden hebben bestuursorganen op dit moment om op te treden tegen kennelijk oneigenlijk of disproportioneel gebruik van de Woo, en acht u dat instrumentarium toereikend?
In hoeverre deelt u de opvatting dat er een betere balans nodig is tussen enerzijds het recht op openbaarheid en anderzijds bescherming van bestuursorganen tegen seriematig of evident oneigenlijk gebruik van de Woo?
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende waarborgen nodig zijn tegen massale, herhaalde of geautomatiseerd ingediende Woo-verzoeken, bijvoorbeeld door bundeling van identieke verzoeken, een steviger misbruiktoets of andere procedurele drempels voor evident oneigenlijk gebruik?
In hoeverre worden de uitvoeringsproblemen die samenhangen met dit soort bulkverzoeken meegenomen in de lopende evaluatie, monitoring en verbetermaatregelen rond de Woo, en hoe voorkomt u dat misbruik door enkelen het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de Woo verder ondermijnt?
Bent u bereid om samen met gemeenten te bezien welke praktische maatregelen op korte termijn mogelijk zijn om de afhandeling van grootschalige en kennelijk oneigenlijke Woo-verzoeken beter te organiseren?
Bent u tevens bereid om, gelet op de bijzondere positie van een rechterlijke ambtsdrager in deze kwestie, hierover in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak en de Kamer voor het commissiedebat Wet open overheid te informeren welke concrete opties u ziet om misbruik van de Woo tegen te gaan, zonder het fundamentele recht op openbaarheid voor normale verzoekers onnodig te beperken?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de afdeling sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een vacature heeft geplaatst die uitsluitend is bedoeld voor wetenschappers van kleur?1
Uit navraag bij de Erasmus Universiteit Rotterdam heb ik begrepen dat de vacature niet uitsluitend bedoeld was voor wetenschappers van kleur. En dat de Erasmus Universiteit Rotterdam de vacature heeft aangepast om te verduidelijken dat ze geen sollicitanten uitsluit.
Wat vindt u ervan dat de EUR een methode van personeelswerving gebruikt die is gebaseerd op huidskleur, die ertoe leidt dat een groot aantal kandidaten bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij de «niet de goede huidskleur» hebben?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van vacatures van een universiteit. Instellingen geven zelf hun werving- en selectiebeleid vorm. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders.
Wie kunnen er precies solliciteren op vacatures voor «scholars of color» en wie niet en deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om mensen in te delen in twee categorieën, zoals hier lijkt te gebeuren, namelijk wel of niet «of color»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk wervingsbeleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat is vastgelegd in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en dat discriminatie «op welke grond dan ook» verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1 van de Grondwet is voor wat betreft de verhouding tussen werkgever en werknemer nader geconcretiseerd in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Op basis van artikel 2 lid 3 Awgb mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan. Het moet dan gaan om het wegnemen of verminderen van feitelijke nadelen die verband houden met de grond ras of geslacht en het onderscheid moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel.
Deelt u de mening dat het vreemd en zorgelijk is dat een faculteit voor sociale wetenschappen die commitment claimt tot «antiracisme» juist raciale eisen stelt?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Wat vindt u van de aan deze vacature kennelijk onderliggende opvatting van de faculteit voor sociale wetenschappen van de EUR dat wetenschappers van kleur bijzondere expertise hebben voor de studie van ongelijkheid die andere wetenschappers ontberen?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, heb ik begrepen dat de vacature openstaat voor alle wetenschappers.
Hoe beoordeelt u het feit dat de twee vacatures geen eisen stellen aan specialisaties of methodologische vaardigheden?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Bent u van mening dat een vacaturetekst als «Commitment to integrating progressive, antiracist and social justice resources and pedagogy in the classroom is an essential component of both positions» academici met conservatieve opvattingen lijkt uit te sluiten? Graag een toelichting.
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Is u bekend of er buiten de ESSB van de EUR nog meer faculteiten zijn die vacatures plaatsen die uitsluitend zijn bedoeld voor «scholars of color»?
Ik heb van de Erasmus Universiteit Rotterdam begrepen dat die er niet zijn.
Bent u bereid met de universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat procedures om personeel te werven gevrijwaard blijven van discriminatoire criteria?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met het wervingsbeleid op universiteiten. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders. Ik zie geen noodzaak om additionele afspraken te maken met de universiteiten.
Deelt u het oordeel van dit voorval als een voorbeeld van positieve discriminatie?
Het aanmoedigen van kandidaten van kleur om te solliciteren is geen voorkeursbeleid, oftewel positieve discriminatie, ook anderen zijn welkom om te solliciteren. Bovendien betekent voorkeursbeleid voor mensen van kleur niet per definitie dat er sprake is van verboden onderscheid. Een werkgever mag voorkeursbeleid voeren als een bepaalde groep mensen onvoldoende vertegenwoordigd is en er is voldaan aan een aantal andere vereisten. Het is niet aan mij om te oordelen over individuele gevallen.
Zo ja, acht u dit soort discriminatie onwenselijk en gaat u daar actief actie tegen nemen in uw nieuwe nationale programma tegen racisme en discriminatie?
Uw Kamer heeft het kabinet gevraagd een overkoepelend programma tegen discriminatie en racisme te maken. Daarin zal het kabinet actie ondernemen tegen alle vormen van verboden onderscheid. Verder wijs ik graag naar mijn antwoorden op vragen 4 en 11.
De verhaalbaarheid van schadevergoedingen in het Groningse gasdossier |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving, onder andere in De Telegraaf, waarin aandeelhouders van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), te weten Shell en ExxonMobil, stellen dat de Nederlandse Staat mogelijk te ruimhartige schadevergoedingen uitkeert die buiten de contractuele afspraken vallen?1
Ja.
Waarop baseert u de veronderstelling dat de kosten van schadeherstel, versterking en compensatie volledig op de NAM kunnen worden verhaald?
Uit de Tijdelijke wet Groningen (TwG) volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de eisen uit de TwG kunnen worden geheven. Indien met compensatie wordt gedoeld op de uitgaven voor de sociale en economische agenda dan wijs ik erop dat deze uitgaven niet verhaald worden op de NAM.
In hoeverre bent u bekend met het standpunt van de aandeelhouders van de NAM dat bepaalde schadevergoedingen, zoals forfaitaire of ruimhartige regelingen, niet onder de oorspronkelijke aansprakelijkheidsafspraken vallen?
De standpunten van de NAM en de aandeelhouders van NAM dat bepaalde kosten in verband met de schadeafhandeling niet aan NAM zouden kunnen worden doorbelast op grond van de Tijdelijke wet Groningen zijn mij bekend. De standpunten van NAM zijn recent nog aan de orde gekomen tijdens de (openbare) zitting van de rechtbank Noord-Nederland van medio maart jl. inzake de beroepsprocedures van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021.
Kunt u uitsluiten dat een rechter of arbitragepanel uiteindelijk oordeelt dat (een deel van) de kosten van schadeherstel en compensatie niet op de NAM kan worden verhaald en daarom voor rekening van de Nederlandse Staat komt?
Nee.
Kunt u uiteenzetten welke categorieën van schade en compensatie het kabinet volledig verhaalbaar acht op de NAM?
De kosten voor de schadeafhandeling acht ik op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het Instituut Mijnbouwschade Groningen zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om schadevergoedingen die zijn uitgekeerd aan gedupeerden.
Kunt u tevens aangeven welke categorieën van kosten mogelijk buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen?
Kosten die buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen zijn bijvoorbeeld onverplichte tegemoetkomingen (zoals de verduurzamingsmaatregelen, de knelpuntenregelingen en een deel van de totale kosten van daadwerkelijk herstel) alsmede de kosten ter uitvoering van de sociale agenda en de economische agenda.
Kunt u, indien bepaalde kosten mogelijk niet verhaalbaar blijken, inzicht geven in de potentiële financiële omvang hiervan voor de Nederlandse Staat?
Ik kan op dit moment geen inschatting geven van de potentiële financiële omvang van niet verhaalbare kosten. Een groot deel van de kosten dat al aan NAM is doorbelast, staat ter discussie in bezwaarprocedures of ligt nu ter beoordeling voor bij een rechtbank of een scheidsgerecht. Voor andere kosten zal de omvang pas duidelijk worden bij het vaststellen van de eerstvolgende heffingsbesluiten.
Heeft het kabinet een actuele risicoanalyse gemaakt van het scenario waarin een rechter of arbitragepanel oordeelt dat een deel van de uitgekeerde schadevergoedingen niet op de NAM kan worden afgewenteld?
Gelet op de procespositie van de Staat is het niet in het belang van de Staat om hier nu concreet op in te gaan. Op basis van de meest recente berichtgeving van de scheidsgerechten wordt eind tweede kwartaal van 2026 een vonnis verwacht in eerste fase in de arbitrage versterken en in de arbitrage schade. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Nederland aangekondigd op 12 juni a.s. uitspraak te willen doen in het beroep van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021. Ik wil daar nu niet op vooruitlopen.
Zo ja, wat is de uitkomst van deze risicoanalyse en over welke orde van grootte spreken we dan? Gaat het hierbij om honderden miljoenen euro’s of daadwerkelijk om miljarden euro’s?
Zie antwoord op vraag 8.
Waarom is de presentatie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) uit de openbaarheid gehaald, en kan deze alsnog met de Kamer worden gedeeld?
Het document van het IMG is niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht van zijn advocaat. Dat betekent dat het gaat om vertrouwelijke informatie en persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in beroep2 bevestigd dat het IMG openbaarmaking op goede gronden heeft geweigerd.
Kunt u het rapport dat ten grondslag ligt aan de presentatie van het IMG waarnaar wordt verwezen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij tevens aangeven welke aanvullende bevindingen en analyses in dit onderliggende rapport zijn opgenomen die niet in de presentatie zijn verwerkt?
Nee, zie antwoord op vraag 10.
Beschikt het kabinet over andere rapporten, analyses of documentatie van vergelijkbare aard met betrekking tot bevingsrisico’s, schade-inschattingen of financiële risico’s in het Groningse gasdossier? Zo ja, kunt u deze documenten met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik op dit moment een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is indien de Nederlandse belastingbetaler uiteindelijk opdraait voor kosten die volgens het kabinet op de NAM verhaald zouden moeten worden?
Deze visie deel ik niet. Op dit moment wordt al het mogelijke gedaan om de kosten voor de schade-afhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen binnen de kaders van de Tijdelijke Wet Groningen te verhalen op de NAM. De schadeafhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen dienen evenwel een zwaarwegend doel. Het kabinet heeft dan ook besloten dat het koste wat het kost zo lang als het nodig is moet worden doorgezet. Gelet op de baten die de Nederlandse samenleving jarenlang heeft genoten van de Groningse gaswinning, is het acceptabel dat de kosten daarvoor – voor zover die niet op NAM kunnen worden verhaald – voor rekening van de Staat komen.
Is de Kamer eerder geïnformeerd over het risico dat een deel van de uitgekeerde schade niet verhaald kan worden op de NAM en dat daardoor de Staat een financieel risico loopt? Zo ja, wanneer en op welke wijze is de Kamer hierover geïnformeerd?
Ja, de Kamer is hierover geïnformeerd. Zo is de Kamer begin 2024 door de toenmalig informateur Plasterk geïnformeerd over de budgettaire tegenvallers en risico’s bij de verschillende departementen. In dat kader is door het Ministerie van EZK gewezen op risico’s voortvloeiend uit de arbitrageprocedures (zie Bijlagen bij eindverslag informateur Plasterk dd. 12 februari 2024 pagina 33). Ook in de meest recente Kamerbrief over de stand van zaken in de juridische procedures NAM, Shell en ExxonMobil is nadrukkelijk benoemd dat er afhankelijk van de uitspraken van het scheidsgerecht in de arbitrages sprake is van mogelijke budgettaire risico’s (zie Kamerstukken II, 2025–2026, 33 529, nr 1340).
Verder wijs ik er op dat op verzoek van de Eerste Kamer op 21 mei 2024 en 28 januari 2025 vertrouwelijke technische briefings hebben plaatsgevonden.
Is er op de Rijksbegroting een budget gereserveerd om mogelijke financiële risico’s op te vangen indien de kosten niet op de NAM kunnen worden verhaald? Zo ja, waar en om welke bedragen gaat het? Zo nee, waarom acht het kabinet dit niet noodzakelijk?
Nee, het kabinet acht dit niet noodzakelijk. De kosten voor de schadeafhandeling acht het kabinet op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het IMG zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Voor de aanvullende PEGA-maatregelen heeft het kabinet aan de voorkant geld gereserveerd. Voor kosten die nu zijn opgenomen in een heffing zijn geen voorzieningen of reserveringen getroffen. Ik wil niet vooruitlopen op uitspraken in de verschillende procedures.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer te verzoeken onderzoek te doen naar de vraag of de rijksoverheid in het kader van het Groningse gasdossier publiek geld zinnig, zuinig en zorgvuldig besteedt?
Jaarlijks ontvangt de Kamer reeds de onafhankelijk opgestelde Staat van Groningen en Noord-Drenthe waarin onder meer de stand van zaken rondom schadeafhandeling en de versterkingsoperatie uitvoerig wordt belicht. Daarnaast zal de Algemene Rekenkamer in zijn verantwoordingsonderzoek over 2025 opnieuw ingaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van maatregelen die zijn genomen om de schadeafhandeling en uitvoering van de versterking te verbeteren. Het verantwoordingsonderzoek verschijnt op de derde woensdag van mei (woensdag 20 mei 2026).
Op welke wijze is het fraudebeleid en het fraudedetectieprotocol bij schadeafhandeling aangepast naar aanleiding van de aanhouding van vijf verdachten door de FIOD in een onderzoek naar subsidiefraude?2
Het IMG kent met het Bureau Bijzonder Onderzoek (BBO) een gespecialiseerd team dat onderzoek doet naar fraudemeldingen en malversaties binnen de schadeafhandeling. De FIOD, onder leiding van het Openbaar Ministerie, heeft vijf verdachten aangehouden in het kader van een onderzoek naar subsidiefraude rondom aardbevingsschade in Groningen. Naar aanleiding van de aanhoudingen heeft het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) samen met het IMG maatregelen genomen om de kans op waardevermeerderingssubsidiefraude te beperken. De FIOD en het Openbaar Ministerie zijn nadere onderzoeken naar deze vorm van subsidiefraude aan het voorbereiden. Om potentiële fraudeurs niet wijzer te maken, wordt niet nader geduid om welke maatregelen het precies gaat. Het IMG blijft alle meldingen met een vermoeden van fraude onderzoeken en treft waar nodig maatregelen.
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de fraudebestrijding binnen het schadeherstel, waaronder cijfers over terugvorderingen, signalen van misbruik en het aantal aangiftes?
Ja. Het IMG rapporteert sinds 2024 in zijn jaarverslag al over de fraudebestrijding. Dit jaarverslag wordt uw Kamer jaarlijks door IMG aangeboden, laatstelijk op 27 maart jl.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk een week voorafgaand aan het commissiedebat Herstel Groningen van 22 april 2026?
Ja.
De misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
David van Weel (VVD), Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Stek Oost, waaronder de artikelen in het Parool en op AT5 waaruit blijkt dat woningcorporatie Stadgenoot al jaren wil stoppen met het gemengd wonen van statushouders en jongeren in Stek Oost vanwege ernstige onveiligheid, maar dat de gemeente Amsterdam dit heeft tegengehouden?1 2
Ja.
Kunt u een volledig feitenrelaas geven over de situatie in Stek Oost sinds de start in 2018, inclusief het aantal bewoners (onderscheid statushouders/jongeren) per jaar, de aard en ernst van de incidenten, het aantal meldingen bij politie, het aantal aangiften en het aantal huisuitzettingen?
Stek Oost is gestart in 2018 als tijdelijk woon- en gemeenschapshuisvestingproject, waar Amsterdamse jongeren en statushouders in hetzelfde complex wonen. In 250 zelfstandige studio’s werden deze doelgroepen aan elkaar gekoppeld, waar de jongeren zich inzetten om de statushouders te ondersteunen. Bij de start was er een verhouding van 50% statushouders en 50% Amsterdamse jongeren.
Op 20 januari 2026 heeft gemeenteraadslid Von Gerhardt (VVD) in Amsterdam schriftelijke vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders.3 Bij de beantwoording van deze vragen op 2 februari 2026, is in een bijlage ook een tijdlijn aangeleverd van gebeurtenissen op Stek Oost tussen 2018 en 2025.4 Hierbij geeft het college aan dat incidenten in deze tijdlijn «zeer ernstige en acute incidenten met een directe, grote impact op de omgeving betreft» en dat «reguliere zorg- en overlastmeldingen daar niet onder vallen».
In deze tijdlijn staan tussen 2018 en 2025 meerdere ernstige incidenten beschreven, zoals: steekincidenten, meldingen en aangifte van zedendelicten en veroordeling van een toenmalig bewoner van Stek Oost voor een zedendelict. Verder staat in de tijdlijn onder meer beschreven:
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.5
De berichtgeving en beschikbare stukken schetsten een beeld van meerdere heftige incidenten en ik leef mee met eenieder die slachtoffer is geworden van dergelijke incidenten. Je thuis moet een veilige plek zijn.
Klopt het dat er in een periode van circa anderhalf jaar minimaal twintig aangiften zijn gedaan door bewoners en oud-bewoners, onder meer wegens aanranding, geweld, steek- en vechtpartijen, stalking, diefstal, LHBTIQ+-gerelateerde intimidatie en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, wat zijn dan de exacte aantallen per delictcategorie sinds de start van het project?
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.
Hoe beoordeelt u het oordeel van Stadgenoot dat de veiligheid in Stek Oost niet gegarandeerd kon worden en dat de corporatie daarom heeft willen stoppen met het gemengd wonen op deze locatie?
Dit gaat om gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen de gemeente en de corporatie, het Ministerie van VRO heeft hier geen rol in gespeeld.
Deelt u de zorg dat de gemeente Amsterdam, door beëindiging van het gemengd wonen in Stek Oost tegen te houden, de veiligheid van (met name vrouwelijke en LHBTIQ+-) Nederlandse bewoners en andere omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen beleidsdoel om statushouders gemengd te huisvesten?
Ik beschik niet over voldoende informatie om hierover een inhoudelijk oordeel te geven. Het gemeentebestuur van Amsterdam geeft aan dat de wettelijke taakstelling om statushouders te huisvesten nooit doorslaggevend is geweest bij afwegingen die zijn gemaakt over Stek Oost. Bij incidenten is gehandeld zoals zij dat altijd en overal doen. Er is daarbij steeds gekeken naar wat nodig was en er zijn maatregelen genomen om de leefbaarheid en veiligheid voor de bewoners van Stek Oost te verbeteren.
Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de raadsinformatiebrief van de Gemeente Amsterdam van 16 februari 20266.
Heeft u of uw voorgangers signalen ontvangen van Stadgenoot, bewoners, politie, de Arbeidsinspectie of andere instanties over structurele onveiligheid en overlast in Stek Oost en vergelijkbare projecten? Zo ja, om welke signalen ging het concreet, op welke data zijn deze signalen ontvangen en welke acties zijn daarop door het Rijk ondernomen?
Er zijn mij geen signalen bekend vanuit genoemde partijen richting mij of mijn voorgangers over de situatie op Stek Oost.
Kunt u een overzicht geven van alle gemengde wooncomplexen in Nederland waar statushouders samen met Nederlandse jongeren of andere doelgroepen wonen, uitgesplitst naar gemeente, omvang (aantal bewoners) en samenstelling (percentage statushouders)?
Nee, ik heb geen totaaloverzicht van gemengde wooncomplexen tot mijn beschikking. Er zijn allerlei manieren waarop gemengde wooncomplexen tot stand komen, dit is een lokale aangelegenheid. Wel geldt voor projecten die met de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen tot stand komen, een eis om 30% van de woningen in het project te reserveren voor statushouders of Oekraïense ontheemden. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om deze eis buiten het SFT project in te vullen door elders in de gemeente woningen voor deze groep beschikbaar te stellen.
In hoeveel van deze complexen zijn de afgelopen vijf jaar incidenten geregistreerd die betrekking hebben op geweld, zedendelicten, intimidatie/stalking, drugshandel, ernstige overlast en LHBTIQ+-gerelateerde discriminatie of geweld? Kunt u dit per complex en per delictcategorie specificeren, inclusief aantallen meldingen en, voor zover bekend, het aantal incidenten waarbij LHBTIQ+-bewoners betrokken waren als slachtoffer?
Hier heb ik geen informatie over.
Erkent u dat de combinatie van een grote schaal, een hoge concentratie statushouders (circa 50% of meer) en een relatief homogene groep statushouders (zelfde herkomstlanden, leeftijd, alleenstaande mannen) een belangrijke risicofactor is voor onveiligheid en mislukte integratie, zoals onder meer door Stadgenoot is geschetst? Zo nee, waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat ik het voor de slachtoffers en overige bewoners van Stek Oost verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Ik wil echter geen algemene conclusies trekken over dat de genoemde factoren per definitie maken dat dit leidt tot onveiligheid en mislukte integratie, of dat statushouders per definitie voor overlast of onveiligheid zouden zorgen. Veel statushouders gedragen zich als een goede huurder en er zijn verschillende goede en geslaagde voorbeelden van soortgelijke woonprojecten. Het is hierbij belangrijk te kijken naar de randvoorwaarden die aanwezig zijn, zoals de opzet van het complex en aanwezigheid van sociaal beheer en ondersteuning.
Hoe waarborgt u dat Nederlandse jongeren, studenten en starters niet opnieuw in feitelijk onveilige pilotprojecten of experimenten terechtkomen, waarbij zij als het ware proefpersonen zijn voor integratiebeleid en de nadelige gevolgen van verkeerde beleidskeuzes dragen?
Gezien de ernst van de incidenten op Stek Oost, begrijp ik de ontstane onrust. Er zijn echter, ook binnen de gemeente Amsterdam, meerdere gemengd wonen projecten bekend die wel goed functioneren. Inmiddels zijn er lessen geleerd en procedures en werkwijzen bij gemeenten aangepast. Daarnaast zet ik in op meer sociaal beheer, onder andere door de aanpassing van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT+), waarbij gemeenten nu ook een bijdrage van € 6.000 (bij zelfstandige woonruimte) of € 4.000 (bij onzelfstandige woonruimte) per woonruimte voor sociaal beheer ontvangen.
Bent u, gelet op de jarenlange signalen over ernstige onveiligheid in Stek Oost en andere gemengde wooncomplexen en de waarschuwingen van woningcorporaties, bereid bewoners, in het bijzonder vrouwelijke en LHBTIQ+-bewoners, die daar slachtoffer zijn geworden van zedenmisdrijven, geweld, stalking of andere ernstige feiten te compenseren en/of hen prioritaire toegang tot andere, wél veilige huisvesting te geven, bijvoorbeeld door hen een vorm van urgentie of voorrang bij herhuisvesting toe te kennen?
Hiertoe heb ik geen mogelijkheden. Het toekennen van urgentie of voorrang bij herhuisvesting is een keuze die de gemeente samen met de corporatie kan maken.
Hoe verhouden de ervaringen en incidenten bij gemengde complexen zoals Stek Oost zich tot het wetsvoorstel om de voorrang voor statushouders in de sociale huur te schrappen en gemeenten te stimuleren om «doorstroomlocaties' te openen waar ook andere woningzoekenden een plek kunnen krijgen? Acht u het, in het licht van de misstanden in Stek Oost en andere projecten, verantwoord om juist dit type gemengde, tijdelijke woonvormen als oplossing te presenteren en welke extra waarborgen voor veiligheid, in het bijzonder voor vrouwen en LHBTIQ+-bewoners, bent u voornemens hierin wettelijk vast te leggen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid een onafhankelijke, landelijke evaluatie te laten uitvoeren van alle gemengde woonprojecten met statushouders, inclusief de veiligheidssituatie en ervaringen van bewoners, op basis daarvan scenario’s uit te werken waarin met gemengde projecten wordt gestopt of deze drastisch worden beperkt tot kleinschalige, strikt gereguleerde initiatieven en de Kamer hierover uiterlijk vóór het zomerreces 2026 te informeren?
Nee, dit blijft een lokale afweging. Wel probeer ik op de hoogte te blijven van ontwikkelingen rondom gemengd wonen en kijk ik waar mogelijk aanvullend beleid voor nodig is.
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 2 februari 2026, één voor één beantwoorden?
In verband met de benodigde afstemming met partijen is dit niet gelukt.
Voorgenomen nieuwe hospiteerregels van studentenhuisvester DUWO |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van studentenhuisvester DUWO om het huidige hospiteerbeleid aan te passen, onder meer door middel van een door DUWO bepaalde voorselectie van kandidaten via een centraal platform?
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat deze beleidswijziging de invloed van zittende bewoners op de keuze van nieuwe huisgenoten verkleint, terwijl DUWO tegelijkertijd publiekelijk stelt dat huurders de regie behouden?
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijziging. De beleidskeuzes zijn aan DUWO.
In hoeverre deelt u de opvatting dat hospiteren essentieel is voor de harmonie, veiligheid en leefbaarheid in studentenhuizen, waar bewoners intensief samenleven op beperkte woonruimte en met gedeelde voorzieningen?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de wijze van verdelen van woningen met gedeelde voorzieningen. In het land worden daarvoor verschillende systemen gebruikt. Dit varieert van vormen waarbij de zittende huurders met verschillende maten van vrijheid zelf kunnen kiezen, tot vormen waarbij de kamerzoekende zelf kan kiezen wanneer die volgens objectieve criteria aan de beurt is.
Erkent u dat studentenhuizen vaak een specifieke cultuur of identiteit hebben, zoals verenigingshuizen, en dat wijzigingen in hospiteerregels deze identiteitsgebonden woongemeenschappen onevenredig kunnen raken?
DUWO heeft als sociale woningcorporatie de verantwoordelijkheid om voor studenten die op achterstand staan zorg te dragen voor gelijke kansen. Zij wijst daarbij onder andere op de student van ver die een kamer nodig heeft om te kúnnen studeren, de eerste-generatie student die de weg niet voldoende weet en nog geen groot netwerk heeft of een MBO-student. Dat sluit direct aan bij haar taakstelling die zij heeft als Toegelaten Instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkt. DUWO is daarbij onderworpen aan de regels van de Woningwet, de overlegwet huurders-verhuurders en heeft ook te maken met de bepalingen van de Wet Goed Verhuurderschap.
Verhuurders kunnen zich hierbij niet ontdoen van de plicht om de woningtoewijzing (gedeeltelijk) elders onder te brengen. In het kader van de Wet goed verhuurderschap acht ik het voor sociale studentenhuisvesters noodzakelijk om een heldere en transparante manier van toewijzing te hanteren, waar objectieve selectiecriteria een rol spelen. Coöptatie met een vorm van voorselectie voldoet aan deze voorwaarden.
Hoe weegt u de brede signalen van gebrek aan draagvlak voor de voorgestelde wijzigingen, waaronder enquêteresultaten van huurdersorganisaties, brievenacties van studenten en bewoners, een omvangrijke petitie en gezamenlijke uitingen van studentenorganisaties over het belang van sterke woongemeenschappen voor studentencultuur en welzijn?
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijzigingen.
In hoeverre acht u het proportioneel dat DUWO deze wijziging doorvoert in het vrije hospiteersegment, terwijl volgens betrokken partijen reeds een groot deel van de woningvoorraad via bestaande voorrangsregelingen al wordt toegewezen en de voorgenomen wijziging bovendien geen enkele extra studentenkamer oplevert?
De vraag of en in welke mate bestaande voorrangsregelingen bijdragen aan het bredere beleidsdoel zie ik als onderdeel van het goede gesprek tussen DUWO en haar stakeholders en is niet aan mij ter beoordeling.
Deelt u de analyse dat het structurele tekort aan studentenkamers het werkelijke kernprobleem is binnen de studentenhuisvesting, en dat aanpassing van het hospiteerbeleid niet bijdraagt aan het vergroten van de capaciteit? Zo nee, waarom niet?
Het aanpassen van het hospiteerbeleid staat los van het verkleinen van het structurele tekort. Ik onderschrijf de noodzaak van meer studentenhuisvesting. Als ministerie zetten wij ons in voor de realisatie van 60.000 nieuwe studentenwoningen en zijn daarbij voorstander van meer woningen met gedeelde voorzieningen. DUWO levert daar een bijdrage aan.
Hoe beoordeelt u het risico dat het door DUWO voorgestelde beleid de sociale samenhang, stabiliteit en sociale veiligheid aantast in hechte studentenhuizen die momenteel juist een belangrijke buffer vormen tegen eenzaamheid, prestatiedruk en mentale klachten bij studenten?
Het Landelijke Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) gaat in op het studentenwelzijn. Het Ministerie van VRO is geen partij bij het door DUWO voorgestelde beleid.
DUWO stelt dat aanscherping van het hospiteerbeleid nodig om te kunnen voldoen aan de Wet goed verhuurderschap (Wgv). Erkent u dat deze wet ziet op verhuurders en niet op bewoners die gezamenlijk een huisgenoot kiezen, en dat gemeenten en huurdersorganisaties aangeven dat DUWO de Wgv te ruim interpreteert?
De Wet goed verhuurderschap (Wgv) richt zich tot verhuurders en verhuurbemiddelaars. Zij zijn verantwoordelijk voor het voorkomen van ongerechtvaardigd onderscheid en voor transparantie over de wijze waarop huurders worden geselecteerd wanneer sprake is van een openbaar aanbod van woonruimte. Dat betekent onder meer dat verhuurders en verhuurbemiddelaars verplicht zijn te werken met objectieve selectiecriteria, een transparant selectieproces en een motiveringsplicht voor de gekozen huurder. Zij moeten beschikken over een vastgelegde werkwijze om ongerechtvaardigd onderscheid te voorkomen, die openbaar is gemaakt en bekend is bij alle werknemers van de verhuurder/verhuurbemiddelaar. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en brengt daarin geen inhoudelijke beperking aan ten opzichte van het reeds bestaande recht. Daarbij mag de verhuurder bij de keuze voor een nieuwe huurder geen onderscheid maken op grond van de persoonskenmerken die de Awgb beschermt. Het gaat daarbij om: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat.
De Wgv schrijft geen specifieke vorm van huurderselectie voor en verbiedt daarmee coöptatie of hospiteren niet. Ook selectie via coöptatie kan onder de Wgv plaatsvinden, mits deze op een transparante wijze is ingericht en binnen de kaders van het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid blijft, zoals dat volgt uit de Awgb. Een manier waarop verhuurders uitvoering kunnen geven aan de wettelijke verplichtingen van de Wgv en Awgb is door schriftelijk vast te leggen en te communiceren (bijvoorbeeld via de website) dat nieuwe huurders worden geselecteerd middels coöptatie. Daarnaast dienen verhuurders de zittende huurders die bij de selectie betrokken zijn te instrueren dat de Wgv en de Awgb van toepassing zijn op de verhuurder. Op grond van de Awgb mogen zittende huurders bij coöptatie kan echter in sommige gevallen wel verdere eisen stellen aan kandidaat-huurders op grond van de persoonskenmerken die de Awgb beschermt en bijvoorbeeld huurders selecteren op basis van geslacht. Er mag echter nooit onderscheid worden gemaakt op basis van afkomst of huidskleur. Ook deze instructie kan schriftelijk worden vastgelegd als onderdeel van de werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie.
Hoe de verhuurder de wettelijke verplichtingen voortvloeiende uit de Wgv en Awgb concreet vertaalt in beleid, is in beginsel aan de verhuurder zelf. In hoeverre een verhuurder de Wgv aanleiding vindt om het eigen hospiteerbeleid aan te passen, betreft de wijze waarop die verhuurder invulling geeft aan zijn verantwoordelijkheden onder de wet.
In hoeverre kunt u bevestigen dat de Wgv studentenhuisvesters niet verplicht om hospiteren sterk in te perken en dat dit derhalve een beleidskeuze van DUWO betreft?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 9 stelt de Wet goed verhuurderschap (wgv) randvoorwaarden aan verhuurpraktijken, zoals onder andere het voorkomen van ongerechtvaardigd onderscheid middels transparantie over de selectieprocedure en het gebruik van objectieve selectiecriteria. De Wgv laat ruimte voor verschillende vormen van huurderselectie, zolang niet in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) wordt gehandeld.
Indien het huidige hospiteerbeleid van een verhuurder echter niet voldoet aan de wettelijke randvoorwaarden voor verhuurpraktijken, dient een verhuurder het hospiteerbeleid aan te passen.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden u ziet binnen de Woningwet en de Wgv om het hospiteren als verworven praktijk in studentenhuizen te beschermen, mede gezien het belang van sterke woongemeenschappen voor studentencultuur, welzijn en sociale veiligheid?
De Wet goed verhuurderschap (Wgv) alsook de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) laten ruimte voor het voortbestaan van coöptatie of hospiteren als huurdersselectie. De Wgv en de Awgb maken geen einde aan het recht van zittende bewoners om betrokken te zijn bij de keuze van een nieuwe huisgenoot, maar stellen randvoorwaarden om ongerechtvaardigd onderscheid te voorkomen. Binnen dit wettelijke kader kunnen verhuurders coöptatie blijven toepassen door transparant vast te leggen dat via coöptatie wordt geselecteerd, objectieve en kenbare selectiecriteria te hanteren, te beschikken over een vastgelegde en openbaar gemaakte werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie en door bewoners te instrueren dat de Wgv (en daarmee tevens de Awgb) op de verhuurder van toepassing is. Waarbij de zittende huurders, wanneer zij via een openbaar aanbod een huurder zoeken middels coöptatie, nimmer mogen selecteren op de verboden discriminatiegronden afkomst of huidskleur en daarbij een duidelijke werkwijze te hanteren.
Binnen het bestaande wettelijke kader kunnen verhuurders dus beleid voeren dat ruimte laat voor bewonersbetrokkenheid bij huurderselectie door middel van coöptatie, zolang dit zorgvuldig en non-discriminatoir wordt ingericht. Het is aan verhuurders zelf om binnen de wettelijke kaders keuzes te maken ten aanzien van zijn verantwoordelijkheden en de wijze waarop zij selectieprocedures inrichten.
Welke beleidsinstrumenten staan de rijksoverheid hierbij ter beschikking?
Zie antwoord op vraag 11.
Heeft u zicht op de vraag of ook andere studentenhuisvesters voornemens zijn hun hospiteerbeleid aan te scherpen of te beperken, en kunt u aangeven in hoeverre hiervan sprake is van een bredere ontwikkeling binnen de studentenhuisvesting?
Kences is de brancheorganisatie voor sociale studentenhuisvesters. De Kences-corporaties willen gelijke kansen voor alle woningzoekenden, zoals ook mbo-studenten en studenten met een beperking of extra ondersteuningsvraag. Vorig jaar hebben de leden van Kences de toegankelijkheid van hun huisvesting en hun toewijzingsbeleid met elkaar besproken. Daaruit kwam naar voren dat zij de toegankelijkheid van hun huisvesting willen vergroten met meer gelijke huisvestingskansen voor iedereen. Bij de keuze van de toewijzingsmethode wordt een goede sociale cohesie binnen studentenhuizen meegewogen. Hospiteren op basis van inschrijftijd is een voorbeeld van een toewijzingsmethode waarmee studentenhuisvesting voor álle studenten toegankelijker wordt.
Daarnaast heeft het Landelijk Platform Studentenhuisvesting afgelopen augustus een oplegger voor het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting ondertekend. Daarin hebben het Ministerie van VRO, het Ministerie van OCW, studentenhuisvesters en studenthuurders zich uitgesproken voor een toegankelijke woningmarkt voor álle studenten.
Bent u bereid in gesprek te gaan met studentenhuisvesters, gemeenten, huurdersorganisaties en studentenorganisaties over zowel de juridische interpretatie van de Wgv als de maatschappelijke gevolgen van het beperken van het hospiteerbeleid?
Ik zie geen reden om een gesprek aan te gaan over het hospiteerbeleid van studentenhuisvesters. De studentenhuisvesters blijven met hun voorstellen binnen de kaders van de wet.
Als het antwoord «ja» is op vraag 14: bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van dit overleg, inclusief een beoordeling van mogelijke maatregelen om het hospiteren te behouden als norm binnen de studentenhuisvesting en om identiteitsgebonden studentenhuizen te beschermen?
Zie antwoord op vraag 14.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het slopen van het dorp en de gemeenschap Moerdijk |
|
Daniël van den Berg (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Rijkaart , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre deelt u de analyse dat ruimtegebruik van de energietransitie oorzaak is voor het mogelijk verdwijnen van Moerdijk?
Het kabinet en de regio hebben nog geen besluit genomen over het mogelijk verdwijnen van het dorp Moerdijk. Het kabinet en de regio zijn voornemens om in juni 2026 een gezamenlijke voorkeur uit te spreken voor waar de ontwikkelingen van het haven- en industriecluster Moerdijk gerealiseerd gaan worden. Een definitief besluit over waar de ontwikkelingen gaan plaatsvinden wordt pas genomen na vaststelling van een gebiedsplan. Bij het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving1 (BOL) van 2025 hebben het kabinet en de regio afgesproken om ruimte te bieden aan de energietransitie (installaties en tracés voor kabels en leidingen) en autonome groei van bedrijvigheid, waaronder verduurzaming en circulair maken van de bestaande industrie. Hiervoor wordt (deels) gekeken naar ruimte buiten het haven- en industriecluster Moerdijk en het Amercentrale-terrein in Geertruidenberg. Op basis van de verrichte technische studies (fase 2B2) hanteren het kabinet en de regio voor de voornoemde onderdelen een indicatieve ruimtevraag van 700 hectare voor de gehele Powerport regio. De concrete invulling van de ruimtevraag wordt nader uitgewerkt.
Kunt u aangeven hoeveel extra ruimtegebruik de energietransitie vraagt in Nederland tot aan 2040?
De energietransitie vraagt extra ruimte overal in Nederland. Dit is nodig om netcongestie op te lossen en onze onafhankelijkheid te waarborgen. Deze ruimtevraag wordt vooral gebundeld in en rondom de haven- en industrieclusters, zoals aangegeven in de ontwerp-Nota Ruimte3. Het precieze extra ruimtegebruik tot aan 2040 in deze clusters is afhankelijk van de economische ontwikkeling en de keuzes in het energiesysteem. Met het Programma Energiehoofdstructuur4 (PEH) is de verwachte ruimtevraag in kaart gebracht voor de energietransitie in de haven- en industrieclusters tot en met 2050.
In hoeverre heeft u in kaart waar deze extra ruimtevraag in Nederland nodig is, en kunt u deze delen? Zo ja, welke daar nu bestaande functies zoals wonen, bedrijven, landbouw moeten daardoor verdwijnen?
Zie het antwoord op vraag 2. Binnen de haven- en industrieclusters en andere NOVEX-gebieden worden verschillende functies (waaronder wonen, bedrijven, landbouw en energie) integraal afgewogen. Per gebied wordt daarin gekeken wat, alles overwegend, de beste manier is om nieuwe ruimtevragers in te passen. Deze aanpak volgen we ook in het haven- en industriecluster Moerdijk.
Op welke manier neemt u de extra ruimtevraag en het verdwijnen van hele gemeenschappen mee in de veelgeprezen versterking van de «brede welvaart» afweging?
Het kabinet en de regio hebben bij het BOL van 2025 afgesproken dat een strategische uitbreiding alleen kan als de brede welvaart en leefbaarheid gelijktijdig, geloofwaardig en structureel versterkt worden. Brede welvaart is een expliciet onderdeel van het nog op te stellen gebiedsplan.
In hoeverre deelt u de mening dat kernenergie per eenheid opgewekte elektriciteit aanzienlijk minder ruimte vergt dan een energietransitie die primair is gebaseerd op wind- en zonne-energie, mede gelet op internationale studies waaruit blijkt dat kernenergie per eenheid elektriciteit 18 tot 27 maal minder land vereist dan zonne-energie1?
Het kabinet deelt de opvatting over dat kernenergie minder ruimte vergt per eenheid opgewekte elektriciteit, in relatie tot andere energiebronnen zoals wind- en zonne-energie. Het verschil tussen het ruimtegebruik op land van kernenergie en windenergie geproduceerd op zee is echter klein. Converterstations voor aanlandingen van wind op zee hebben een relatief klein ruimtegebruik op land. Voor een robuust, duurzaam en betaalbaar energiesysteem is een diverse energiemix essentieel, met daarin voldoende ruimte voor wind, zon en kernenergie. Per onderdeel van het energiesysteem worden de best geschikte locaties gezocht, waarin de overkoepelende ruimtelijke keuzes voor het energiesysteem gemaakt worden via het PEH.
Kunt u daarbij aangeven of bij de ruimtelijke beoordeling een scenario met substantiële kernenergieproductie is onderzocht, wat dit zou betekenen in termen van hectares ruimtebesparing voor de regio Moerdijk en voor Nederland, en – indien dat niet het geval is – of u bereid bent dit alsnog te (laten) berekenen en met de Kamer te delen?
In het eerste PEH en het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) zijn ook scenario's met substantiële hoeveelheden kernenergie onderzocht. Ook wanneer er relatief veel kernenergie ontwikkeld wordt, blijft het een aanvulling op zon en windenergie en blijft er dus ruimte nodig voor o.a. de aanlanding van wind op zee. Nederland heeft een verzameling aan energiebronnen nodig om energieonafhankelijkheid, leveringszekerheid en verduurzaming te borgen. Het kabinet zet daarom in op een verdere opschaling van wind op zee en kernenergie.
Welke rol speelt ruimtegebruik bij uw afweging voor de energietransitie?
Het energiesysteem en de transitie van fossiele naar duurzame bronnen zijn complexe vraagstukken met veel verschillende onderdelen die afhankelijk zijn van elkaar. Middels het NPE worden keuzes over de energiemix van het toekomstige energiesysteem gemaakt, via het PEH worden keuzes gemaakt over het ruimtegebruik en de locaties van de onderdelen van het energiesysteem. Ruimtegebruik is een van de factoren die meeweegt in het maken van keuzes voor het energiesysteem van de toekomst, net als verschillende andere publieke belangen zoals betaalbaarheid, duurzaamheid en leveringszekerheid.
Ziet u mogelijkheden om de inwoners van de kern Moerdijk opnieuw te vestigen binnen de gemeente Moerdijk in één van de andere woonkernen? Zo ja, wat gaat u doen om dit mogelijk te maken?
Het kabinet en de regio werken een transitiestrategie uit met én voor de inwoners in het gebied, passend bij het principebesluit waarvan het voornemen is dit in juni 2026 te nemen. Hierin is oog voor de verschillende wensen van de betrokken inwoners en het behouden van de leefbaarheid en voorzieningenniveau in het dorp. Binnen deze transitiestrategie kan ook worden onderzocht of het mogelijk is om inwoners van de kern Moerdijk elders in de regio te huisvesten.
Hoe wordt geborgd dat basisvoorzieningen zoals de basisschool, sportverenigingen, zorgpost en supermarkt tot het einde openblijven?
Zie het antwoord op vraag 8.
Hoe verhoudt het besluit om de dorpskern Moerdijk te schrappen zich tot de vastgestelde zoekgebieden in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) en het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE)?
Zie het antwoord op vraag 1, er is geen besluit genomen om de dorpskern Moerdijk te schrappen. Het PEH is de ruimtelijke doorvertaling van het NPE. De ruimtevraag die in kaart is gebracht in het PEH is onderdeel van de bredere opgave voor de Powerport regio Moerdijk. In de bredere opgave voor Powerport Regio Moerdijk valt ook de ruimtevraag voor de groei van bedrijvigheid, het verduurzamen en circulair maken van de industrie.
Wat is het totale ruimtebeslag van de Powerportopgave per onderdeel (stations, kabels, opslag, waterstof- en CO2-leidingen, havenlogistiek) en hoe verklaart u het verschil tussen de 28 hectare (ha) voor het 380/150/20 kV-station2 en de 400–500 ha die de gemeente noemt voor de totale opgave?
Zie het antwoord op vraag 1. De verdeling is te vinden in de technische studie7 van de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk. Het kabinet en de regio hanteren daarin een indicatieve ruimtevraag van 700 ha, nodig voor de verduurzaming en het circulair maken van bedrijvigheid en de energietransitie. De 28 ha die benodigd is voor het hoogspanningsstation dat gebouwd moet worden is onderdeel van die totaalopgave.
In hoeverre is de sloop van het dorp nodig voor de logistieke uitbreiding (PowerPort) in plaats van alleen voor energie-infrastructuur?
Powerport is de benaming voor de gehele ontwikkeling in de regio Moerdijk. Een groot deel van de ruimtevraag komt voort uit de autonome groei van bedrijvigheid (waaronder het circulair maken van de industrie) en logistiek. In de technische studie genoemd bij het antwoord op vraag 11 is een nadere uitwerking van de ruimtevraag te vinden.
Wat zijn de geraamde totale kosten van het opheffen van Moerdijk, uitgesplitst naar (a) verwerving en taxatie van 1.100 woningen/bedrijven en compensatie voor immateriële schade, (b) verplaatsing van publieke voorzieningen zoals school, sport en begraafplaats, (c) aanleg van de nieuwe energie-infrastructuur en (d) leefbaarheids- en gebiedsfonds? Hoe wordt dit gefinancierd (Rijk, provincie, havenbedrijf, TenneT/Enexis) en zijn hiervoor middelen gereserveerd in de Rijksbegroting?
Hier moet nader onderzoek naar worden gedaan. Als onderdeel van de besluitvorming op 1 december jl. heet het kabinet een eenmalige bijdrage toegekend van € 17 miljoen om de garantiewaarde van de Moerdijkregeling te verhogen van 95% tot 100%. Een verdere verkenning naar de totale kosten en de verdeling hiervan over partijen moet nog worden uitgevoerd en wordt onderdeel van het te nemen principebesluit in juni 2026.
Hoe worden de kosten van onteigening, verplaatsing en leefbaarheidsmaatregelen op project- en systeemniveau bijgehouden en betrokken bij de nationale kosten-batenanalyse? Bent u bereid een openbaar register in te richten waarin alle ruimtelijke kosten (grondaankoop, onteigening, waardedaling, leefbaarheidsfondsen, juridisch verweer) worden vastgelegd?
Dit is onderdeel van de nog uit te werken transitiestrategie en financiële afspraken. Een openbaar register is geen onderdeel van deze financiële afspraken.
Wie heeft de regie in dit project? Het participatieplan vermeldt dat TenneT en Enexis initiatiefnemer zijn en dat het Ministerie van Klimaat en Groene Groei het bevoegd gezag is3. Wat is de rol van de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk? Wie beslist uiteindelijk over de opheffing van het dorp en wie over de inrichting van het gebied?
Uitwerking van de uitbreiding van Powerport Moerdijk vindt plaats onder regie van alle betrokken overheden: Rijksoverheid (KGG, IenW en VRO), provincie Noord-Brabant, Gemeenten Moerdijk, Drimmelen en Geertruidenberg en waterschap Brabantse Delta. Deze partijen beslissen ook gezamenlijk over de toekomst van het dorp Moerdijk.
Het participatieplan waar naar verwezen wordt heeft betrekking op de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation waarvoor Enexis en TenneT de initiatiefnemers zijn. De Minister van KGG is in afstemming met de Minister van VRO het bevoegd gezag voor het Projectbesluit van dit hoogspanningsstation. Het hoogspanningsstation is slechts een klein onderdeel van de gehele uitbreiding binnen de Powerport regio Moerdijk.
Acht u het maatschappelijk en juridisch wenselijk dat de energietransitie gepaard gaat met het verwijderen van dorpen? Welke precedenten bestaan er in Nederland of elders en wat zijn de belangrijkste lessen?
Nederland is druk en de opgaven zijn groot. Om ook voor de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan groeiende economie en bevolking is uitbreiding van het energienet noodzakelijk. Dat is nodig om woningen en bedrijven van stroom te kunnen voorzien. Er zullen moeilijke keuzes gemaakt moeten worden, waarbij lokale, regionale en landelijke belangen met elkaar afgewogen worden. Soms betekent dit dat bepaalde functies zullen verdwijnen om plaats te maken voor andere. Het opheffen van een dorp of dorpskern is daarbij een heel zwaar besluit dat niet vaak genomen zal worden. Dat kan alleen indien uit een integrale afweging blijkt dat er geen redelijke alternatieven zijn en er voldoende compenserende maatregelen genomen worden.
Er is in Nederland geen precedent waarbij op deze schaal een dorp of dorpskern is verplaatst voor energie-infrastructuur, maar het komt wel degelijk voor dat woningen of andere functies soms plaats moeten maken voor infrastructuur of andere ontwikkelingen. Daarbij zijn naast goed overleg tussen alle betrokken overheden, inwoners en andere partijen ook een goede afweging van alternatieven, maatschappelijke kosten en baten en compenserende maatregelen van belang.
Acht u dat de grote ruimtelijke claim van een 100% hernieuwbaar energiescenario aanleiding is om, conform het NPE dat wind, zon en kernenergie als mix benoemt4 en een opschaling naar 70 GW wind op zee en 3,5–7 GW kernenergie voorziet, het energiesysteem te herijken en extra kernenergie of andere compacte bronnen toe te voegen?
Het NPE wordt op dit moment geactualiseerd. Het kabinet verwacht dit te publiceren met Prinsjesdag 2026. Onderdeel van de actualisatie is ook een herijking van de verwachte benodigde capaciteiten aan wind, zon en kernenergie, waarin ook de verhouding tussen productie in Nederland en import een rol speelt. Het ruimtebeslag van energiebronnen is een van de factoren op basis waarvan besluiten worden genomen over de toekomst van het energiesysteem en de samenstelling van de energiemix.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het nog in te plannen plenaire debat over Moerdijk?
Ja.