De impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief |
|
Jan Struijs (50PLUS), André Flach (SGP), Maarten Goudzwaard (JA21), Pieter Grinwis (CU) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden, waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel, een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren. We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector. Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders, ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op 20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende maatregelen.
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke, maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni jl.3 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw? Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de zones?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht, waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof. Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake Lieftinghsbroek4, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt, en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen (lid 3), PAS-melders en interim-mers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden, en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig maar versterken zij elkaar juist.
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019 al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen. Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer. Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert) en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een «alternatieve invulling» voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik, borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief (geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura 2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan (een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte. Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten. De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte aanpak.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering. Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden. Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk, provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor 500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen, het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties, bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone van 1.000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen. Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: «Bredere inzet op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de Aanpak Veluwe.» Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van 500 meter naar 1.000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%) op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe, wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit. Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming van de zoneringsaanpak:
Omschrijving
Bron
Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering van drukfactoren in Natura 2000-gebieden
RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden
Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland
Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie Zuid-Holland
PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden
Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel
Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM & WUR
Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario met zone van 1km
WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek rond gewasbeschermingsmiddelen
Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek in Nederland
PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden
Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied.
Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit.
Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen te halen.
RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie- en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden, aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk gebied?
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en -depositie in/uit de zones is gebruik gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn.
1. Groenendijk, P. (2021). Kansen van de stikstofaanpak voor het doelbereik van de KRW voor nutriënten: Memo.
2. Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research.1
3. Van der Bolt, F., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2025). Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3461). Wageningen Environmental Research.2
4. Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
5. Deltares uit 2023: Effectiviteit van bufferzones voor grondwaterstandsverhoging in grondwaterafhankelijke natuurgebieden op de zandgronden
6. Cleassens et al. 2016. (RIVM) Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden
7. Ravensbergen et al. 2024. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – quickscan
8. Ravensbergen et al. 2025. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – verdiepende studie op quickscan
9. Van Driezum et al. 2025. (KWR) Bestrijdingsmiddelen in Nederlandse bronnen voor drinkwater (2018–2022)
10. Gies et al. 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied
11. Ercan et al. 2025. Landbouw in klimaatrobuuste beeklandschappen
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen, onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang, waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd. In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp10.
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid) ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas11 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen, waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk. Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren, met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee, waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander generiek en gebiedsgericht beleid.
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van 26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang, eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht? Waarom wel/niet?
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn. Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven. Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies. Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend jaar.
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen. Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen, het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie. Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven. Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers. Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering worden uitgewerkt.
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop? Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking? Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Beantwoording onder vraag 18.
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport «Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij»12 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers13. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel. Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten, zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen, extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat (stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de Ministeries IenW en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen, zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven) en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische en/of extensieve bedrijfsvoering?
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk, hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen.
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing? Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern- en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet leiden tot mogelijke significante effecten.
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket, specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen, blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
Het veronachtzamen van de zorgplicht voor gokverslaafden door het negeren van Cruks-bescherming door een staatsdeelneming |
|
Mirjam Bikker (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
Eelco Heinen (VVD), van Bruggen |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat het actief benaderen van personen met een Cruks-registratie door kansspelaanbieders onverenigbaar is met het doel en de strekking van de Wet op de kansspelen, namelijk het beschermen van kwetsbare spelers tegen (verdere) gokschade?
Ja, ik deel deze opvatting. Op grond van artikel 2, vierde lid van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen mogen vergunninghouders hun wervings- en reclameactiviteiten niet richten op kwetsbare personen, waaronder personen die zich hebben uitgesloten van deelname. Dit geldt ook voor uitsluiting via het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (Cruks). In praktijk is dit voor vergunninghouders echter lastig te bewerkstelligen. Op grond van artikel 33h van de Wet op de kansspelen is de raadpleegbasis van Cruks voor vergunninghouders namelijk beperkt tot het verlenen van toegang van spelers tot de speelhal, het casino of de spelinterface. Dit betekent dat het voor vergunninghouders niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven.
Dit signaal is mij bekend en ik vind het problematisch dat kwetsbare personen hierdoor reclame kunnen ontvangen. Ik werk op dit moment aan een wetswijziging voor online gokken. Onderdeel hiervan is een reclameverbod voor online gokken, in lijn met het coalitieakkoord. Een ander onderdeel hiervan betreft verbeteringen van de werking van Cruks, zodat tevens voorkomen wordt dat mensen die in Cruks staan ingeschreven geconfronteerd worden met werving- of reclameactiviteiten vanuit Holland Casino of de speelautomatenhallen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Holland Casino, een staatsdeelneming, personen met een actieve Cruks-registratie benadert met marketingmails en persoonlijke aanbiedingen, terwijl dit wettelijk verboden is?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat het publieke belang centraal staat, in dit geval het beschermen van burgers tegen kansspelgerelateerde schade. Het naleven van wet- en regelgeving door Holland Casino is daarbij een randvoorwaarde. Daarnaast verwacht de Staatssecretaris van Financiën van Holland Casino dat zij niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van de wet handelt en zo het goede voorbeeld geeft binnen de kansspelsector.
Na het binnenkomen van uw vragen, heeft het Ministerie van Financiën zich direct door Holland Casino op de hoogte laten stellen over de situatie. Het is gebleken dat het Holland Casino in dit geval niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Deelt u de opvatting dat juist van een staatsbedrijf verwacht mag worden dat het de wet niet alleen formeel naleeft, maar ook in geest en uitvoering het goede voorbeeld geeft?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke marketing richting Cruks-ingeschrevenen het risico op terugval in gokverslaving vergroot (bijvoorbeeld via illegale aanbieders) en daarmee haaks staat op het verslavingspreventiebeleid van de overheid?
Ja. Daarom wil de wet- en regelgeving aanpassen, zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 1.
Bent u van mening dat slachtoffers die door dit soort illegale marketinguitingen terugval in hun verslaving ondervinden recht hebben op compensatie door het desbetreffende gokbedrijf (en in het geval van een staatsgokbedrijf ook door de overheid)?
Gezien het geschetste antwoord op vraag 1, zie ik geen aanleiding voor een compensatie. Het oordeel hierover is echter voorbehouden aan de rechter.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te waarborgen dat overtredingen van het marketingverbod richting Cruks-ingeschrevenen daadwerkelijk worden opgespoord en bestraft, in het bijzonder wanneer het een staatsdeelneming betreft?
Aanpassing van wet- en regelgeving is nodig om goede naleving mogelijk te maken van het verbod op het richten van werving- en reclameactiviteiten op personen die zich hebben uitgesloten van deelname aan kansspelen. Hier werk ik aan, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Het is aan de Kansspelautoriteit om toe te zien op de naleving van de wet- en regelgeving en in voorkomend geval te handhaven.
Bent u bereid om als aandeelhouder van Holland Casino in te grijpen indien blijkt dat Cruks-registraties structureel niet correct worden verwerkt in marketing- en klantensystemen?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat hij het van groot belang acht dat Holland Casino haar zorgplicht richting de burger serieus neemt en dat zij handelt in het publieke belang. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2 en 3 heeft het Ministerie van Financiën zich direct op de hoogte laten stellen door Holland Casino. Gelet op het antwoord op vraag 1 bestaat er momenteel geen aanleiding tot ingrijpen. Wel zie ik aanleiding voor het aanpassen van de wet- en regelgeving, zoals tevens toegelicht in het antwoord op vraag 1. In andere gevallen ziet de Kansspelautoriteit toe op de naleving van wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en het liefst binnen de gebruikelijke termijn, maar in elk geval ruim voorafgaand aan het commissiedebat over Staatsdeelnemingen (op 17 juni 2026) beantwoorden?
Voor de samenhang van de beantwoording heb ik ervoor gekozen om vragen 2 en 3 gezamenlijk te beantwoorden.
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
Terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Groningen breidt pilot met gratis kinderopvang uit: veel ouders durven zich niet aan te melden of weten niet hoe»?1
Ja.
Herkent u het signaal uit dit artikel dat ouders terughoudend zijn om gebruik te maken van kinderopvangvoorzieningen, onder meer uit angst voor financiële risico’s en mogelijke terugvorderingen van kinderopvangtoeslag?
Het signaal dat ouders terughoudend zijn in het aanvragen van kinderopvangvoorzieningen uit angst voor terugvorderingen wordt herkend. Dit is helaas een uitwerking van de vormgeving van het toeslagenstelsel. De voorschotsystematiek brengt met zich mee dat er terugvorderingen kunnen ontstaan. Dit komt voor wanneer achteraf blijkt dat gegevens in de toeslagaanvraag niet kloppen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin het voorschotinkomen afwijkt van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen of dat niet wordt voldaan aan de arbeidseis. Deze problematiek is een bevestiging dat het toeslagenstelsel beter kan worden vormgegeven. Het kabinet gaat hiermee aan de slag en werkt onder meer aan een wetsvoorstel voor een nieuw financieringsstelsel. Hierbij wordt de kinderopvangtoeslag vervangen door een subsidiestelsel met directe financiering van kinderopvangorganisaties waardoor er geen terugvorderingen meer mogelijk zijn.
Het niet-gebruik van de kinderopvangtoeslag is geschat op 3,4%.2 In 2024 is toeslagen breed een strategie opgesteld om niet-gebruik tegen te gaan, die bestaat uit publiekscampagnes en voor sommige toeslagen individuele attenderingen. Daarnaast worden activiteiten uitgevoerd om terugvorderingen te voorkomen om zo het vertrouwen van burgers te vergroten en het niet-gebruik te verminderen. Er is een succesvolle pilot afgerond die ziet op het muteren van het aantal uren opvang waarvoor de toeslag is aangevraagd. Hierbij wordt de aanvraag ambtshalve gemuteerd wanneer uit betrouwbare gegevens van de kinderopvangorganisatie blijkt dat het aantal door de ouder opgegeven uren niet klopt. De evaluatie van deze pilot laat een positief beeld zien en de Dienst Toeslagen werkt aan een vervolg op deze pilot.3
Indien mensen niet voldoen aan de arbeidseis kunnen zij worden doorverwezen naar gemeenten voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Ouders die niet voldoen aan de arbeidseis, maar waarbij sprake is van sociaal-medische problematiek kunnen zo toch via individueel maatwerk een vergoeding voor kinderopvang ontvangen. Gemeenten hebben vrijheid om beleidsmatige invulling te geven aan SMI.
Klopt het dat huishoudens bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag moeten aangeven dat zij voldoen aan de arbeidseis, terwijl controle hierop vaak pas achteraf plaatsvindt?
Bij een aanvraag kinderopvangtoeslag dient de aanvrager aan te geven of wordt voldaan aan de arbeidseis. Bij het recht op kinderopvangtoeslag is het verrichten van betaald werk voorwaardelijk, dat geldt voor zowel aanvrager als een eventuele toeslagpartner. Bij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag wordt vooraf uitgevraagd of sprake is van betaald werk of dat de ouder aangemerkt kan worden als doelgroeper. Als doelgroeper wordt aangemerkt een ouder die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, een inburgeringstraject volgt of studeert. Ook bestaat er recht op kinderopvangtoeslag als de toeslagpartner in bepaalde gevallen niet kan werken, zoals bij een tijdelijke of permanente Wlz-indicatie.
Controle op de arbeidseis vindt in de regel achteraf plaats bij het definitief toekennen van de toeslag. Op dat moment wordt gecontroleerd of sprake is van betaalde arbeid of dat de aanvrager (of toeslagpartner) kan worden aangemerkt als doelgroeper. Daarnaast geldt dat in sommige gevallen ook in de voorschotfase op de arbeidseis wordt gecontroleerd. Dat gebeurt wanneer een aanvraag uitvalt voor handmatige behandeling. Bij zo’n handmatige behandeling wordt ook gecontroleerd op de arbeidseis.
Daarnaast zijn in de afgelopen jaren binnen het Verbetertraject Kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën stappen gezet om de terugvorderingsproblematiek rond de arbeidseis aan te pakken. Als onderdeel van dit verbetertraject is bijvoorbeeld vroegsignalering ingevoerd. Ouders worden gestimuleerd en ondersteund bij het tijdig doorgeven van wijzigingen in hun toeslagaanvraag. Aandacht is daarbij ook voor de arbeidseis. Op basis van gegevens van UWV, DUO en BIDN4 ontvangen ouders een attendering indien zij niet voldoen aan de arbeidseis of niet tot een doelgroep behoren. Zo werden in 2024 ongeveer 1.000 ouders geattendeerd op het niet voldoen aan de arbeidseis en ongeveer 2.700 ouders over de doelgroepstatus. Een deel van de ouders kwam naar aanleiding van deze attendering in actie en voerde een wijziging door in de gegevens.5 Daarmee werden terugvorderingen voorkomen. Tegelijkertijd bleek ook dat niet alle ouders in actie kwamen na een attendering. Het kabinet blijft de komende jaren inzetten op het verbeteren van ondersteuning van ouders bij het actueel houden van hun gegevens.6
Deelt u de zorg dat wanneer achteraf blijkt dat niet aan de arbeidseis is voldaan, dit kan leiden tot forse terugvorderingen, die gezinnen in financiële problemen kunnen brengen?
De zorg dat terugvorderingen van kinderopvangtoeslag die zien op de arbeidseis grote financiële gevolgen kunnen hebben wordt gedeeld. De arbeidseis is namelijk een alles-of-niets voorwaarde. Daarnaast zijn de voorschotbedragen van de kinderopvangtoeslag hoger dan bij de andere toeslagen. Op het moment dat achteraf blijkt dat één van de toeslagpartners niet voldoet aan de arbeidseis moet het gehele toeslagbedrag worden teruggevorderd. Over een heel jaar kan dat om tienduizenden euro’s gaan.
Dienst Toeslagen biedt betalingsregelingen aan wanneer de terugvordering niet in één keer kan worden voldaan, waarna een 24-maanden terugbetaalperiode start. Als dat niet mogelijk is, biedt Dienst Toeslagen ook persoonlijke begeleiding aan. Mensen met hoge terugvorderingen worden daarbij door Dienst Toeslagen langdurig geholpen met een betalingsregeling en een vast aanspreekpunt. De burger wordt daarnaast aan de voorkant zo goed mogelijk geïnformeerd over de vereiste van arbeid, zodat mensen niet onterecht een aanvraag doen.
In het voorstel voor het nieuwe financieringsstelsel voor de kinderopvang is de arbeidseis zo vormgegeven dat terugvorderingen als gevolg van de arbeidseis niet meer voorkomen. Als er iets wijzigt in de situatie van ouders heeft dat in het nieuwe financieringsstelsel altijd alleen «naar de toekomst toe» gevolgen voor hun recht op gesubsidieerde kinderopvang. Dit betekent bijvoorbeeld dat als een ouder niet meer voldoet aan de arbeidseis, de subsidie die aan de houder van het
kindercentrum of het gastouderbureau wordt uitbetaald alleen vanaf een datum in de toekomst stopgezet zal worden. De al ontvangen subsidie hoeft in deze situatie niet terugbetaald te worden.7
Kunt u aangeven hoeveel terugvorderingen van kinderopvangtoeslag er per jaar zijn geweest vanwege het niet voldoen aan de arbeidseis sinds de invoering van deze eis, uitgesplitst naar het jaar waarin gebruik is gemaakt van de kinderopvang?
In tabel 1 treft u de gevraagde cijfers over de terugvordering van kinderopvangtoeslag waarbij (onvoldoende) arbeidseis een aanleiding is geweest. Hierbij zijn een paar opmerkingen te maken. Sinds de invoering van de kinderopvangtoeslag is er sprake van een arbeidseis. In 2012 is daar de koppeling aan het aantal gewerkte uren (kgu) aan toegevoegd, waardoor het aantal gewerkte uren van invloed was op het aantal uren waarvoor aanspraak gemaakt kon worden op kinderopvangtoeslag. In 2023 is deze kgu weer afgeschaft. De reden voor het afschaffen was om ervoor te zorgen dat ouders beter hun gewenste urengebruik kunnen realiseren, waardoor zij effectiever worden ondersteund en gestimuleerd om (meer uren) te gaan werken. Het zorgde tegelijkertijd voor een vereenvoudiging van de systematiek voor ouders. In tabel 1 zijn vanaf 2012 de gevraagd cijfers weergegeven van terugvorderingen die ontstaan zijn als gevolg van het niet voldoen aan beide criteria.8 Voor wat betreft de gevraagde minimale terugvordering en standaarddeviatie is in tabel 2 een verdeling naar vijf klassen weergegeven van de jaarlijkse terugvorderingen om inzicht te geven in de hoogte en spreiding.
Uit de cijfers blijkt dat het bij terugvorderingen voor de arbeidseis in de praktijk om (zeer) hoge bedragen kan gaan. In 2024 was de gemiddelde terugvordering als gevolg van de arbeidseis bijvoorbeeld € 6.772. De maximale terugvordering betrof bijna € 53.000. Deze cijfers tonen de soms harde uitwerking van de voorschotsystematiek van de kinderopvangtoeslag. Vooral bij financieel kwetsbare ouders heeft dit veel impact op het leven. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven kunnen ze naast de standaardbetalingsregeling van 24 maanden ook in aanmerking komen voor maatwerk. De omvang van deze terugvorderingen benadrukt het belang van het herzien van het financieringsstelsel voor de kinderopvang. Het kabinet blijft daarom vol inzetten op een eenvoudiger stelsel voor ouders, met meer (financiële) zekerheid waarin terugvorderingen niet meer voorkomen. In de jaren in aanloop naar dit nieuwe stelsel wordt ingezet op vroegsignalering (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3) en een betere dienstverlening aan ouders om hoge terugvordering zoveel mogelijk te voorkomen.
2012
1.161
5,2
28.218
4.479
2013
2.563
8,9
32.553
3.472
2014
3.320
9,9
34.177
2.982
2015
10.380
18,8
32.509
1.811
2016
6.745
12,9
27.499
1.913
2017
1.978
4,9
29.205
2.477
2018
1.179
2,6
20.876
2.205
2019
454
1,5
21.066
3.304
2020
413
1,8
61.581
4.358
2021
345
1,5
31.100
4.348
2022
809
6
64.876
7.417
2023
541
3,8
67.877
7.024
2024
443
3
52.699
6.772
2012
1.161
11
61
91
638
360
2013
2.563
38
309
349
1.256
611
2014
3.320
57
447
554
1.693
569
2015
10.380
439
2.410
2.132
4.605
794
2016
6.745
186
1.571
1.447
2.952
589
2017
1.978
29
267
294
1.176
212
2018
1.179
26
271
241
490
151
2019
454
7
52
73
230
92
2020
413
8
58
47
177
123
2021
345
2
45
37
158
103
2022
809
8
51
67
252
431
2023
541
9
39
47
195
251
2024
443
6
48
48
143
198
Kunt u daarbij inzicht geven in de totale omvang van deze terugvorderingen per jaar?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u tevens inzicht geven in de verdeling van de hoogte van deze terugvorderingen door in elk geval per jaar het gemiddelde, het minimum, het maximum en de standaarddeviatie van de teruggevorderde bedragen te verstrekken?
Zie antwoord vraag 5.
Het beschermen van consumenten tegen online misleiding door malafide aanbieders van spoeddiensten |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Belgische werkwijze om online misleiding tegen te gaan, waarbij internetgebruikers die een als malafide aangemerkte website proberen te bezoeken, automatisch worden doorgeleid naar een waarschuwingspagina?1 Bent u tevens bekend met de resultaten van deze aanpak, die ertoe heeft geleid dat reeds honderdduizenden Belgische consumenten op deze wijze zijn gewaarschuwd?2
Herinnert u zich de antwoorden op mijn eerder gestelde schriftelijke vragen, waarin u schreef dat weren van advertenties door zoekmachines onvoldoende is om consumenten te beschermen, omdat bijvoorbeeld ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven leiden? (Aanhangsel Handelingen II, 2025–2026, nr. 1809). Deel u de mening dat de Belgische werkwijze een antwoord biedt op deze constatering?
Bent u bereid te verkennen of een vergelijkbare aanpak in Nederland kan worden ingevoerd, mede gezien de meldingen van online fraude en malafide websites bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM)? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat artikel 2.7, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming de Autoriteit Consument en Markt (ACM) al de bevoegdheid geeft om consumenten door te leiden naar een waarschuwingspagina als zij een website van malafide partijen bezoeken? Hoe vaak heeft de ACM van deze bevoegdheid gebruikgemaakt en welke mogelijkheden biedt deze bepaling voor een aanpak naar Belgisch voorbeeld?
Kunt u reflecteren op de Belgische wetgeving en aanpak om advertenties van malafide aanbieders van zoekmachines te weren? Hoe verhouden deze zich tot de Nederlandse wetgeving en aanpak? Bent u bereid om in gesprek met uw Belgische ambtsgenoot te bezien welke lessen uit het Belgische voorbeeld voor Nederland kunnen worden getrokken? Zo nee, waarom niet?
De notitie ‘eerst de koers, dan de groei?’ |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Pieter Grinwis (CU), Ulaş Köse (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de notitie «eerst de koers, dan de groei» over vastlegging van klimaatdoelen voor de luchtvaart, gepubliceerd door CE Delft in augustus 2026?1
Herkent u de constatering dat er al nationale doelstellingen voor de verduurzaming van de luchtvaart zijn (zoals opgenomen in de luchtvaartnota 2020–2050), maar dat deze niet wettelijk verankerd zijn?
Ziet u het klimaatdoel voor Schiphol/Lelystad zoals opgenomen in het coalitieakkoord net als CE Delft als aanvullend op de klimaatdoelen in de luchtvaartnota 2020–2050? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende emissiereductie volgt volgens u uit het klimaatdoel in het coalitieakkoord ten opzichte van de klimaatdoelen die al zijn vastgelegd in de Luchtvaartnota 2020–2050?
Hoe beoordeelt u de oproep om tot een politieke keuze te komen over de klimaatkaders waarbinnen de Nederlandse luchtvaart op de langere termijn mag opereren?
CE Delft stelt dat wettelijke borging van klimaatdoelen duidelijkheid en stabiliteit biedt als randvoorwaarde om te innoveren en te investeren (bijv. in Sustainable Aviation Fuels (SAF), vlootvernieuwing en waterstof/elektrisch vliegen); bent u bereid bij de uitwerking van de borgingsopties expliciet te toetsen in hoeverre elke optie bijdraagt aan investeringszekerheid voor verduurzaming van de sector, en dit als apart criterium op te nemen naast klimaatzekerheid, juridische risico's en handhaafbaarheid?
Kunt u een appreciatie geven van de drie borgingsopties die in de notitie op pagina 12 zijn samengevat?
Bent u bereid om de drie borgingsopties zoals opgenomen op pagina 12 van de notitie mee te nemen als mogelijkheden voor borging van de klimaatdoelen voor de luchtvaart, en hierover verslag te doen in de brief die u tijdens het Commissiedebat Luchtvaart van 21 april 2026 aan de Kamer heeft toegezegd (toezegging TZ202605–005) en die volgens uw toezegging rond de zomer zou worden verzonden?
Hoe verhouden de borgingsopties die de notitie presenteert zich tot de wetgeving die eerder op het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is voorbereid en aangekondigd (Kamerstuk 31 936 nr. 1047)? Kunt u toelichten of u bereid bent dit wetsvoorstel als basis te nemen bij de uitwerking van de borging van de klimaatdoelen in de luchtvaart?
Met welke extra maatregelen compenseert u dat de doelen van het duurzame luchtvaartakkoord volgens de KEV niet gehaald worden omdat de afgesproken bijmenging van duurzame brandstoffen (14% in 2030) is vervangen door de bijmengverplichting van ReFuelEU (6%)?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het CD Luchtvaart van 8 oktober 2026?
Het aankoopbeleid voor woningen bij nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Onderschrijft u dat de aanleg van een nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding een grote impact kan hebben op de woonomgeving en het woongenot van omwonenden, ook wanneer een woning niet hoeft te worden gesloopt of onteigend?
Kunt u nader toelichten waarom bij het aankoopbeleid voor eigenaar-bewoners is gekozen voor aankoop tegen de actuele marktwaarde?1
Waarom heeft u besloten dat kosten die verband houden met de verhuizing voor de eigen rekening van de eigenaar-bewoner blijven, bijvoorbeeld kosten voor verhuizing, overdrachtsbelasting, dubbele woonlasten, notariskosten en hypotheekadvies?
Hoe wordt omgegaan met woningen met kenmerken die moeilijk tegen marktwaarde vervangbaar zijn, zoals mantelzorgvoorzieningen, aangepaste woonvoorzieningen of ruimte voor een aan huis verbonden beroep?
Acht u het aannemelijk dat iedere eigenaar-bewoner met uitsluitend de marktwaarde van de huidige woning in staat is om een woning te kopen die naar omvang, ligging en woongenot vergelijkbaar is met de verkochte woning? Zo nee, in hoeverre is dan daadwerkelijk sprake van de door het kabinet beoogde keuzevrijheid zoals verwoord in de titel van het convenant met TenneT «Keuzevrijheid voor omwonenden nieuwe hoogspanningsverbindingen»?
Waarom hebben de bewoners tot slechts zes maanden na het onherroepelijk worden van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het projectbesluit de keuze om van het aanbod gebruik te maken? Wat gebeurt er als voor bewoners na die termijn de gevolgen voor bijvoorbeeld het woongenot duidelijk wordt?
Hoe verhoudt de keuze voor het aankopen van woningen tegen uitsluitend de marktwaarde zich tot de doelstelling om de belangen van omwonenden beter te borgen en besluiten sneller en met meer draagvlak tot stand te laten komen?
Bent u bereid om een hogere vergoeding te overwegen voor eigenaar-bewoners die aangeven te willen verhuizen en bijvoorbeeld te zorgen voor een schadeloosstelling? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het aankoopbeleid in samenspraak met provincies en gemeenten te evalueren? Bent u bereid daarbij specifiek te onderzoeken of bewoners daadwerkelijk in staat zijn geweest een passende vervangende woning te vinden en of bijkomende kosten een belemmering vormden om van het aanbod gebruik te maken? Zo nee, waarom niet?
De impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief |
|
Jan Struijs (50PLUS), André Flach (SGP), Maarten Goudzwaard (JA21), Pieter Grinwis (CU) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden, waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel, een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren. We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector. Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders, ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op 20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende maatregelen.
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke, maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni jl.3 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw? Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de zones?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht, waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof. Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake Lieftinghsbroek4, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt, en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen (lid 3), PAS-melders en interim-mers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden, en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig maar versterken zij elkaar juist.
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019 al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen. Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer. Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert) en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een «alternatieve invulling» voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik, borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief (geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura 2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan (een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte. Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten. De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte aanpak.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering. Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden. Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk, provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor 500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen, het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties, bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone van 1.000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen. Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: «Bredere inzet op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de Aanpak Veluwe.» Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van 500 meter naar 1.000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%) op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe, wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit. Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming van de zoneringsaanpak:
Omschrijving
Bron
Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering van drukfactoren in Natura 2000-gebieden
RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden
Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland
Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie Zuid-Holland
PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden
Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel
Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM & WUR
Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario met zone van 1km
WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek rond gewasbeschermingsmiddelen
Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek in Nederland
PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden
Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied.
Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit.
Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen te halen.
RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie- en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden, aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk gebied?
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en -depositie in/uit de zones is gebruik gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn.
1. Groenendijk, P. (2021). Kansen van de stikstofaanpak voor het doelbereik van de KRW voor nutriënten: Memo.
2. Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research.1
3. Van der Bolt, F., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2025). Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3461). Wageningen Environmental Research.2
4. Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
5. Deltares uit 2023: Effectiviteit van bufferzones voor grondwaterstandsverhoging in grondwaterafhankelijke natuurgebieden op de zandgronden
6. Cleassens et al. 2016. (RIVM) Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden
7. Ravensbergen et al. 2024. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – quickscan
8. Ravensbergen et al. 2025. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – verdiepende studie op quickscan
9. Van Driezum et al. 2025. (KWR) Bestrijdingsmiddelen in Nederlandse bronnen voor drinkwater (2018–2022)
10. Gies et al. 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied
11. Ercan et al. 2025. Landbouw in klimaatrobuuste beeklandschappen
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen, onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang, waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd. In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp10.
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid) ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas11 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen, waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk. Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren, met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee, waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander generiek en gebiedsgericht beleid.
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van 26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang, eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht? Waarom wel/niet?
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn. Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven. Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies. Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend jaar.
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen. Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen, het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie. Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven. Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers. Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering worden uitgewerkt.
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop? Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking? Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Beantwoording onder vraag 18.
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport «Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij»12 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers13. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel. Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten, zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen, extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat (stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de Ministeries IenW en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen, zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven) en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische en/of extensieve bedrijfsvoering?
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk, hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen.
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing? Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern- en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet leiden tot mogelijke significante effecten.
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket, specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen, blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
Het veronachtzamen van de zorgplicht voor gokverslaafden door het negeren van Cruks-bescherming door een staatsdeelneming |
|
Mirjam Bikker (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
Eelco Heinen (VVD), van Bruggen |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat het actief benaderen van personen met een Cruks-registratie door kansspelaanbieders onverenigbaar is met het doel en de strekking van de Wet op de kansspelen, namelijk het beschermen van kwetsbare spelers tegen (verdere) gokschade?
Ja, ik deel deze opvatting. Op grond van artikel 2, vierde lid van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen mogen vergunninghouders hun wervings- en reclameactiviteiten niet richten op kwetsbare personen, waaronder personen die zich hebben uitgesloten van deelname. Dit geldt ook voor uitsluiting via het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (Cruks). In praktijk is dit voor vergunninghouders echter lastig te bewerkstelligen. Op grond van artikel 33h van de Wet op de kansspelen is de raadpleegbasis van Cruks voor vergunninghouders namelijk beperkt tot het verlenen van toegang van spelers tot de speelhal, het casino of de spelinterface. Dit betekent dat het voor vergunninghouders niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven.
Dit signaal is mij bekend en ik vind het problematisch dat kwetsbare personen hierdoor reclame kunnen ontvangen. Ik werk op dit moment aan een wetswijziging voor online gokken. Onderdeel hiervan is een reclameverbod voor online gokken, in lijn met het coalitieakkoord. Een ander onderdeel hiervan betreft verbeteringen van de werking van Cruks, zodat tevens voorkomen wordt dat mensen die in Cruks staan ingeschreven geconfronteerd worden met werving- of reclameactiviteiten vanuit Holland Casino of de speelautomatenhallen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Holland Casino, een staatsdeelneming, personen met een actieve Cruks-registratie benadert met marketingmails en persoonlijke aanbiedingen, terwijl dit wettelijk verboden is?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat het publieke belang centraal staat, in dit geval het beschermen van burgers tegen kansspelgerelateerde schade. Het naleven van wet- en regelgeving door Holland Casino is daarbij een randvoorwaarde. Daarnaast verwacht de Staatssecretaris van Financiën van Holland Casino dat zij niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van de wet handelt en zo het goede voorbeeld geeft binnen de kansspelsector.
Na het binnenkomen van uw vragen, heeft het Ministerie van Financiën zich direct door Holland Casino op de hoogte laten stellen over de situatie. Het is gebleken dat het Holland Casino in dit geval niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Deelt u de opvatting dat juist van een staatsbedrijf verwacht mag worden dat het de wet niet alleen formeel naleeft, maar ook in geest en uitvoering het goede voorbeeld geeft?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke marketing richting Cruks-ingeschrevenen het risico op terugval in gokverslaving vergroot (bijvoorbeeld via illegale aanbieders) en daarmee haaks staat op het verslavingspreventiebeleid van de overheid?
Ja. Daarom wil de wet- en regelgeving aanpassen, zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 1.
Bent u van mening dat slachtoffers die door dit soort illegale marketinguitingen terugval in hun verslaving ondervinden recht hebben op compensatie door het desbetreffende gokbedrijf (en in het geval van een staatsgokbedrijf ook door de overheid)?
Gezien het geschetste antwoord op vraag 1, zie ik geen aanleiding voor een compensatie. Het oordeel hierover is echter voorbehouden aan de rechter.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te waarborgen dat overtredingen van het marketingverbod richting Cruks-ingeschrevenen daadwerkelijk worden opgespoord en bestraft, in het bijzonder wanneer het een staatsdeelneming betreft?
Aanpassing van wet- en regelgeving is nodig om goede naleving mogelijk te maken van het verbod op het richten van werving- en reclameactiviteiten op personen die zich hebben uitgesloten van deelname aan kansspelen. Hier werk ik aan, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Het is aan de Kansspelautoriteit om toe te zien op de naleving van de wet- en regelgeving en in voorkomend geval te handhaven.
Bent u bereid om als aandeelhouder van Holland Casino in te grijpen indien blijkt dat Cruks-registraties structureel niet correct worden verwerkt in marketing- en klantensystemen?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat hij het van groot belang acht dat Holland Casino haar zorgplicht richting de burger serieus neemt en dat zij handelt in het publieke belang. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2 en 3 heeft het Ministerie van Financiën zich direct op de hoogte laten stellen door Holland Casino. Gelet op het antwoord op vraag 1 bestaat er momenteel geen aanleiding tot ingrijpen. Wel zie ik aanleiding voor het aanpassen van de wet- en regelgeving, zoals tevens toegelicht in het antwoord op vraag 1. In andere gevallen ziet de Kansspelautoriteit toe op de naleving van wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en het liefst binnen de gebruikelijke termijn, maar in elk geval ruim voorafgaand aan het commissiedebat over Staatsdeelnemingen (op 17 juni 2026) beantwoorden?
Voor de samenhang van de beantwoording heb ik ervoor gekozen om vragen 2 en 3 gezamenlijk te beantwoorden.
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
Terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Groningen breidt pilot met gratis kinderopvang uit: veel ouders durven zich niet aan te melden of weten niet hoe»?1
Ja.
Herkent u het signaal uit dit artikel dat ouders terughoudend zijn om gebruik te maken van kinderopvangvoorzieningen, onder meer uit angst voor financiële risico’s en mogelijke terugvorderingen van kinderopvangtoeslag?
Het signaal dat ouders terughoudend zijn in het aanvragen van kinderopvangvoorzieningen uit angst voor terugvorderingen wordt herkend. Dit is helaas een uitwerking van de vormgeving van het toeslagenstelsel. De voorschotsystematiek brengt met zich mee dat er terugvorderingen kunnen ontstaan. Dit komt voor wanneer achteraf blijkt dat gegevens in de toeslagaanvraag niet kloppen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin het voorschotinkomen afwijkt van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen of dat niet wordt voldaan aan de arbeidseis. Deze problematiek is een bevestiging dat het toeslagenstelsel beter kan worden vormgegeven. Het kabinet gaat hiermee aan de slag en werkt onder meer aan een wetsvoorstel voor een nieuw financieringsstelsel. Hierbij wordt de kinderopvangtoeslag vervangen door een subsidiestelsel met directe financiering van kinderopvangorganisaties waardoor er geen terugvorderingen meer mogelijk zijn.
Het niet-gebruik van de kinderopvangtoeslag is geschat op 3,4%.2 In 2024 is toeslagen breed een strategie opgesteld om niet-gebruik tegen te gaan, die bestaat uit publiekscampagnes en voor sommige toeslagen individuele attenderingen. Daarnaast worden activiteiten uitgevoerd om terugvorderingen te voorkomen om zo het vertrouwen van burgers te vergroten en het niet-gebruik te verminderen. Er is een succesvolle pilot afgerond die ziet op het muteren van het aantal uren opvang waarvoor de toeslag is aangevraagd. Hierbij wordt de aanvraag ambtshalve gemuteerd wanneer uit betrouwbare gegevens van de kinderopvangorganisatie blijkt dat het aantal door de ouder opgegeven uren niet klopt. De evaluatie van deze pilot laat een positief beeld zien en de Dienst Toeslagen werkt aan een vervolg op deze pilot.3
Indien mensen niet voldoen aan de arbeidseis kunnen zij worden doorverwezen naar gemeenten voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Ouders die niet voldoen aan de arbeidseis, maar waarbij sprake is van sociaal-medische problematiek kunnen zo toch via individueel maatwerk een vergoeding voor kinderopvang ontvangen. Gemeenten hebben vrijheid om beleidsmatige invulling te geven aan SMI.
Klopt het dat huishoudens bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag moeten aangeven dat zij voldoen aan de arbeidseis, terwijl controle hierop vaak pas achteraf plaatsvindt?
Bij een aanvraag kinderopvangtoeslag dient de aanvrager aan te geven of wordt voldaan aan de arbeidseis. Bij het recht op kinderopvangtoeslag is het verrichten van betaald werk voorwaardelijk, dat geldt voor zowel aanvrager als een eventuele toeslagpartner. Bij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag wordt vooraf uitgevraagd of sprake is van betaald werk of dat de ouder aangemerkt kan worden als doelgroeper. Als doelgroeper wordt aangemerkt een ouder die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, een inburgeringstraject volgt of studeert. Ook bestaat er recht op kinderopvangtoeslag als de toeslagpartner in bepaalde gevallen niet kan werken, zoals bij een tijdelijke of permanente Wlz-indicatie.
Controle op de arbeidseis vindt in de regel achteraf plaats bij het definitief toekennen van de toeslag. Op dat moment wordt gecontroleerd of sprake is van betaalde arbeid of dat de aanvrager (of toeslagpartner) kan worden aangemerkt als doelgroeper. Daarnaast geldt dat in sommige gevallen ook in de voorschotfase op de arbeidseis wordt gecontroleerd. Dat gebeurt wanneer een aanvraag uitvalt voor handmatige behandeling. Bij zo’n handmatige behandeling wordt ook gecontroleerd op de arbeidseis.
Daarnaast zijn in de afgelopen jaren binnen het Verbetertraject Kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën stappen gezet om de terugvorderingsproblematiek rond de arbeidseis aan te pakken. Als onderdeel van dit verbetertraject is bijvoorbeeld vroegsignalering ingevoerd. Ouders worden gestimuleerd en ondersteund bij het tijdig doorgeven van wijzigingen in hun toeslagaanvraag. Aandacht is daarbij ook voor de arbeidseis. Op basis van gegevens van UWV, DUO en BIDN4 ontvangen ouders een attendering indien zij niet voldoen aan de arbeidseis of niet tot een doelgroep behoren. Zo werden in 2024 ongeveer 1.000 ouders geattendeerd op het niet voldoen aan de arbeidseis en ongeveer 2.700 ouders over de doelgroepstatus. Een deel van de ouders kwam naar aanleiding van deze attendering in actie en voerde een wijziging door in de gegevens.5 Daarmee werden terugvorderingen voorkomen. Tegelijkertijd bleek ook dat niet alle ouders in actie kwamen na een attendering. Het kabinet blijft de komende jaren inzetten op het verbeteren van ondersteuning van ouders bij het actueel houden van hun gegevens.6
Deelt u de zorg dat wanneer achteraf blijkt dat niet aan de arbeidseis is voldaan, dit kan leiden tot forse terugvorderingen, die gezinnen in financiële problemen kunnen brengen?
De zorg dat terugvorderingen van kinderopvangtoeslag die zien op de arbeidseis grote financiële gevolgen kunnen hebben wordt gedeeld. De arbeidseis is namelijk een alles-of-niets voorwaarde. Daarnaast zijn de voorschotbedragen van de kinderopvangtoeslag hoger dan bij de andere toeslagen. Op het moment dat achteraf blijkt dat één van de toeslagpartners niet voldoet aan de arbeidseis moet het gehele toeslagbedrag worden teruggevorderd. Over een heel jaar kan dat om tienduizenden euro’s gaan.
Dienst Toeslagen biedt betalingsregelingen aan wanneer de terugvordering niet in één keer kan worden voldaan, waarna een 24-maanden terugbetaalperiode start. Als dat niet mogelijk is, biedt Dienst Toeslagen ook persoonlijke begeleiding aan. Mensen met hoge terugvorderingen worden daarbij door Dienst Toeslagen langdurig geholpen met een betalingsregeling en een vast aanspreekpunt. De burger wordt daarnaast aan de voorkant zo goed mogelijk geïnformeerd over de vereiste van arbeid, zodat mensen niet onterecht een aanvraag doen.
In het voorstel voor het nieuwe financieringsstelsel voor de kinderopvang is de arbeidseis zo vormgegeven dat terugvorderingen als gevolg van de arbeidseis niet meer voorkomen. Als er iets wijzigt in de situatie van ouders heeft dat in het nieuwe financieringsstelsel altijd alleen «naar de toekomst toe» gevolgen voor hun recht op gesubsidieerde kinderopvang. Dit betekent bijvoorbeeld dat als een ouder niet meer voldoet aan de arbeidseis, de subsidie die aan de houder van het
kindercentrum of het gastouderbureau wordt uitbetaald alleen vanaf een datum in de toekomst stopgezet zal worden. De al ontvangen subsidie hoeft in deze situatie niet terugbetaald te worden.7
Kunt u aangeven hoeveel terugvorderingen van kinderopvangtoeslag er per jaar zijn geweest vanwege het niet voldoen aan de arbeidseis sinds de invoering van deze eis, uitgesplitst naar het jaar waarin gebruik is gemaakt van de kinderopvang?
In tabel 1 treft u de gevraagde cijfers over de terugvordering van kinderopvangtoeslag waarbij (onvoldoende) arbeidseis een aanleiding is geweest. Hierbij zijn een paar opmerkingen te maken. Sinds de invoering van de kinderopvangtoeslag is er sprake van een arbeidseis. In 2012 is daar de koppeling aan het aantal gewerkte uren (kgu) aan toegevoegd, waardoor het aantal gewerkte uren van invloed was op het aantal uren waarvoor aanspraak gemaakt kon worden op kinderopvangtoeslag. In 2023 is deze kgu weer afgeschaft. De reden voor het afschaffen was om ervoor te zorgen dat ouders beter hun gewenste urengebruik kunnen realiseren, waardoor zij effectiever worden ondersteund en gestimuleerd om (meer uren) te gaan werken. Het zorgde tegelijkertijd voor een vereenvoudiging van de systematiek voor ouders. In tabel 1 zijn vanaf 2012 de gevraagd cijfers weergegeven van terugvorderingen die ontstaan zijn als gevolg van het niet voldoen aan beide criteria.8 Voor wat betreft de gevraagde minimale terugvordering en standaarddeviatie is in tabel 2 een verdeling naar vijf klassen weergegeven van de jaarlijkse terugvorderingen om inzicht te geven in de hoogte en spreiding.
Uit de cijfers blijkt dat het bij terugvorderingen voor de arbeidseis in de praktijk om (zeer) hoge bedragen kan gaan. In 2024 was de gemiddelde terugvordering als gevolg van de arbeidseis bijvoorbeeld € 6.772. De maximale terugvordering betrof bijna € 53.000. Deze cijfers tonen de soms harde uitwerking van de voorschotsystematiek van de kinderopvangtoeslag. Vooral bij financieel kwetsbare ouders heeft dit veel impact op het leven. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven kunnen ze naast de standaardbetalingsregeling van 24 maanden ook in aanmerking komen voor maatwerk. De omvang van deze terugvorderingen benadrukt het belang van het herzien van het financieringsstelsel voor de kinderopvang. Het kabinet blijft daarom vol inzetten op een eenvoudiger stelsel voor ouders, met meer (financiële) zekerheid waarin terugvorderingen niet meer voorkomen. In de jaren in aanloop naar dit nieuwe stelsel wordt ingezet op vroegsignalering (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3) en een betere dienstverlening aan ouders om hoge terugvordering zoveel mogelijk te voorkomen.
2012
1.161
5,2
28.218
4.479
2013
2.563
8,9
32.553
3.472
2014
3.320
9,9
34.177
2.982
2015
10.380
18,8
32.509
1.811
2016
6.745
12,9
27.499
1.913
2017
1.978
4,9
29.205
2.477
2018
1.179
2,6
20.876
2.205
2019
454
1,5
21.066
3.304
2020
413
1,8
61.581
4.358
2021
345
1,5
31.100
4.348
2022
809
6
64.876
7.417
2023
541
3,8
67.877
7.024
2024
443
3
52.699
6.772
2012
1.161
11
61
91
638
360
2013
2.563
38
309
349
1.256
611
2014
3.320
57
447
554
1.693
569
2015
10.380
439
2.410
2.132
4.605
794
2016
6.745
186
1.571
1.447
2.952
589
2017
1.978
29
267
294
1.176
212
2018
1.179
26
271
241
490
151
2019
454
7
52
73
230
92
2020
413
8
58
47
177
123
2021
345
2
45
37
158
103
2022
809
8
51
67
252
431
2023
541
9
39
47
195
251
2024
443
6
48
48
143
198
Kunt u daarbij inzicht geven in de totale omvang van deze terugvorderingen per jaar?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u tevens inzicht geven in de verdeling van de hoogte van deze terugvorderingen door in elk geval per jaar het gemiddelde, het minimum, het maximum en de standaarddeviatie van de teruggevorderde bedragen te verstrekken?
Zie antwoord vraag 5.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
Het bericht ‘2026 begint rampzalig voor treinreizigers: chaos op het spoor door hevige sneeuw, storingen bij wissels en IT-perikelen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «2026 begint rampzalig voor treinreizigers: chaos op het spoor door hevige sneeuw, storingen bij wissels en IT-perikelen»?1
Extreem winterweer heeft grote impact op de hele samenleving, waaronder het spoor. Dat is onlangs nog eens duidelijk geworden. Ik begrijp goed dat het voor reizigers en goederenvervoerders heel vervelend is wanneer zij te maken krijgen met uitgevallen of vertraagde treinen als gevolg van sneeuw en vorst. Het Nederlandse spoorsysteem is betrouwbaar en het uitgangspunt blijft dat ProRail en NS zich zo goed mogelijk voorbereiden op winterweer om de gevolgen voor reizigers en goederenvervoerders te beperken. Helaas zijn storingen tijdens uitzonderlijke weersomstandigheden niet altijd te voorkomen.
Acht u het (maatschappelijk) acceptabel dat het treinverkeer vaak deels of zelfs volledig plat lag en ligt? Zo ja, waarom?
Niemand wil dat het treinverkeer deels of volledig stilvalt. Tegelijkertijd moet worden erkend dat bij extreme weersomstandigheden verstoringen niet altijd te voorkomen zijn. ProRail en NS treffen uitgebreide voorbereidingen om het spoor ook bij winterse omstandigheden operationeel te houden, maar Nederland beschikt over een zeer intensief bereden spoornetwerk waarin verstoringen snel kunnen doorwerken.
Grote verstoringen als gevolg van extreem winterweer doen zich in Nederland relatief weinig voor, gemiddeld eens in de vijf jaar en doorgaans gedurende een beperkt aantal dagen.
Klopt het dat u met ProRail in het kader van basiskwaliteitsniveau spoor (BKN) heeft afgesproken dat de helft van de wisselverwarmingen uit kan om geld te besparen? Hoeveel geld wordt met dit besluit bespaard? Welke maatschappelijke kosten/baten-afweging ligt daaraan ten grondslag?
Het klopt dat in het kader van het basiskwaliteitsniveau spoor (BKN) is afgesproken om een deel van de wisselverwarmingsinstallaties te saneren. De wissels die gesaneerd worden liggen verspreid door het land. ProRail past na de sanering alleen nog wisselverwarming toe bij alle wissels die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de normale dienstregeling voor reizigers en goederen. Dit geldt in grote lijnen ook voor de wissels die nodig zijn om emplacementen of terminals te bereiken, zodat de winterdienstregeling gewoon doorgang kan vinden. Deze maatregel leidt tot een besparing van ongeveer € 100 miljoen tot en met 2030.
Bij deze afweging is nadrukkelijk gekeken naar de effectiviteit van de installaties, de gebruiksfrequentie van de betreffende wissels en de kosten van instandhouding. Alleen wisselverwarmingsinstallaties die aantoonbaar bijdragen aan de robuustheid van het netwerk bij winterweer blijven behouden. Vervoerders zijn bij deze afweging geconsulteerd.
Is het aantal wisselverwarmingen dat deze winter is uitgezet conform het beleid van BKN? Indien is afgeweken van BKN, wat was daarvan de reden?
Het uitzetten van bepaalde wisselverwarmingsinstallaties deze winter is conform de afspraken binnen het BKN. De sanering van installaties vindt zorgvuldig en gefaseerd plaats. Vooruitlopend hierop zijn al installaties buiten gebruik gesteld. Van afwijking van het BKN-beleid is geen sprake.
Is het uitzetten van de wisselverwarmingen deze winter gebeurd met instemming van de vervoerders? Zo nee, wat waren de bezwaren van deze vervoerders?
Vervoerders zijn bij de afweging rondom de sanering van wisselverwarmingsinstallaties door ProRail om inbreng gevraagd. ProRail heeft hiervoor een landelijke kaart gedeeld met de te saneren installaties. Vervoerders hebben in dat kader aandachtspunten en zorgen ingebracht, met name over mogelijke effecten op de flexibiliteit van de operatie. Deze reacties zijn meegewogen. Op basis hiervan zijn enkele wijzigingen in te saneren locaties doorgevoerd. Daarnaast is in brede zin door ProRail geconcludeerd dat de kosten van instandhouding van de betreffende installaties niet opwegen tegen de beperkte logistieke meerwaarde.
Kunt u een grove inschatting maken van de verergering van de problemen op het spoor door dit besluit? Kunt u tevens een inschatting maken van de totale (maatschappelijke) kosten van de spoorproblemen deze winterdagen en van de (maatschappelijke) kosten van de verergering door het uitzetten van een deel van de wisselverwarmingen?
Bij dit soort winterse omstandigheden, waarvan de laatste vergelijkbare situatie in 2021 plaatsvond, is hinder niet te voorkomen. Ook niet met wisselverwarming. ProRail geeft aan dat ondanks de aanwezigheid van werkende wisselverwarmingsinstallaties ze merken dat (nu en in eerdere situaties) wissels door sneeuw of ijs toch kunnen blokkeren of installaties gaan storen tijdens hevige sneeuwval.
In de afweging binnen het BKN is vastgesteld dat de sanering een bescheiden impact heeft op de robuustheid van het netwerk. Wel geldt dat het systeem hierdoor minder reservecapaciteit heeft, waardoor bijvoorbeeld bij winters weer sneller kan worden besloten tot het inzetten van een landelijk uitgedunde dienstregeling (LUD). De maatschappelijke kosten van verstoringen door heftig winterweer zijn lastig te isoleren en toe te rekenen aan individuele maatregelen. Ze moeten worden gezien als onderdeel van de bredere maatschappelijke impact van uitzonderlijke weersomstandigheden.
In hoeverre was mankracht een bottleneck in het oplossen van de storingen? Was er voldoende opgeleid reservepersoneel beschikbaar om storingen snel te verhelpen? Zo nee, bent u bereid om hier afspraken over te maken en daarvoor ook voldoende middelen beschikbaar te stellen?
De storingsploegen van ProRail en de betrokken aannemers hebben zich maximaal ingespannen om storingen zo snel mogelijk op te lossen. Die inspanning wordt door mij zeer gewaardeerd. Vooral ook omdat de inzetbaarheid van personeel werd bemoeilijkt door de weersomstandigheden, bijvoorbeeld doordat monteurs te maken kregen met slechte bereikbaarheid en verkeershinder terwijl ze op weg waren naar de storingen.
Er was geen sprake van een structureel tekort aan opgeleid personeel, maar bij grootschalige en gelijktijdige verstoringen wordt de beschikbare capaciteit zwaar belast. Het structureel aanhouden van extra reservepersoneel dat slechts incidenteel nodig is, brengt aanzienlijke kosten met zich mee. Gezien het uitzonderlijke karakter van winters weer acht ik het niet doelmatig om hiervoor permanent extra capaciteit te organiseren. Wel worden ervaringen uit deze situatie betrokken bij de evaluaties door ProRail en NS.
Op welke manier gaat u lessen trekken uit de grote problemen op het spoor en hoe deze (deels) voorkomen hadden kunnen worden, bijvoorbeeld als het gaat over de IT-problemen, de bereikbaarheid van de reisplanner en de keuze om al dan niet met een winterdienstregeling te rijden?
Na grote verstoringen voeren ProRail en NS standaard evaluaties uit. Deze situatie vormt daarop geen uitzondering. In deze evaluaties worden ook de werking van IT-systemen, de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van reisinformatie en de inzet van de landelijk uitgedunde dienstregeling meegenomen. De uitkomsten van deze evaluaties worden gebruikt om waar nodig verbetermaatregelen te treffen in de operatie en de voorbereiding op toekomstige situaties.
Bent u het eens met de oproep van Rover om te zorgen voor eerlijke reisinformatie, in plaats van met steeds verschillende prognoses te komen die zo voor onduidelijkheid zorgen?2 Bent u bereid om hier met de vervoerders afspraken over te maken? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het belang van duidelijke, betrouwbare en consistente reisinformatie. Reizigers en goederenvervoerders moeten ook bij verstoringen kunnen rekenen op heldere communicatie. De wijze waarop reisinformatie wordt verstrekt, maakt onderdeel uit van de evaluaties door NS en ProRail. Dit onderwerp zal worden geagendeerd in het overleg met betrokken partijen.
Hoe reflecteert u op het besluit van diverse busvervoerders om de dienstregeling voor dagen of dagdelen plat te leggen? Acht u dat maatschappelijk acceptabel? Bent u het eens dat een basisdienstregeling moet blijven bestaan, ook als reizigers wordt afgeraden te reizen? Zo nee, waarom niet?
Het besluit om (delen van) de busdienstregeling tijdelijk stil te leggen is in Nederland een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid van de decentrale ov-autoriteiten en vervoerders. Zij maken deze afweging op basis van de lokale omstandigheden, waarbij de veiligheid van reizigers en personeel zwaar weegt. Bij extreme weersomstandigheden, zoals hevige sneeuwval en gladheid, kan het onverantwoord zijn om busvervoer in stand te houden. Het is aan de decentrale overheden en vervoerders om deze afweging te maken en hierover transparant te communiceren.
Zou u deze vragen willen beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van Infrastructuur en Waterstaat?
Ja.
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Pieter Grinwis (CU), Jan Paternotte (D66), Henk Jumelet (CDA), Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD), Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
De oproep voor effectievere ondersteuning van mensen met hoge energiekosten via het Tijdelijk Noodfonds Energie |
|
Suzanne Kröger (GL), Don Ceder (CU), Pieter Grinwis (CU), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de G4 voor effectievere ondersteuning van mensen met hoge energiekosten via het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE)?1
Ja.
Wat is uw reactie op de brief, waarin de vier grote steden waarschuwen dat ondersteuning via gemeenten deze winter niet tijdig en niet effectief kan worden ingezet voor huishoudens met acute betalingsproblemen, waardoor inwoners «uiteindelijk de dupe worden»?
We zijn de G4 erkentelijk voor hun betrokkenheid bij dit onderwerp. Wij delen de urgentie om huishoudens die leven in energiearmoede ook aankomende winter te ondersteunen. Daarom is de afgelopen periode nagegaan welke scenario’s mogelijk zijn, en of deze haalbaar zijn. In de Kamerbrief van 7 november jl. worden twee scenario’s inclusief de resultaten en conclusies gedeeld. Deze scenario’s worden hieronder toegelicht.
Er is geconstateerd dat het niet haalbaar is om aankomende winter een publiek-private constructie te realiseren. Een belangrijke randvoorwaarde dat private partijen meer dan één derde van het benodigde bedrag bijdragen, wordt momenteel niet gehaald. Het uitblijven van inleg van derde partijen resulteert in aanzienlijke financiële, juridische en maatschappelijke risico’s waar uw Kamer eerder over is geïnformeerd.
Na bestuurlijk overleg hebben de VNG en SZW gezamenlijk besloten € 30 miljoen via het Gemeentefonds beschikbaar te stellen, om een impuls te geven aan bestaande lokale gemeentelijke dienstverlening. De middelen die via het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar worden gesteld kunnen door gemeenten worden ingezet om huishoudens te ondersteunen bij het verlagen van hun energierekening. De middelen dienen als impuls voor de bestaande dienstverlening van gemeenten en zijn niet bedoeld ter vervanging van de rol die het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft vervuld bij het bieden van directe inkomensondersteuning. Er is door de VNG, Stichting TNE en SZW gewerkt aan een veilige datadeling van gegevens van huishoudens die expliciet toestemming hebben gegeven om hun gegevens te delen met de eigen gemeente om hulp te ontvangen. Hiertoe heeft de Stichting TNE, in opdracht van SZW, een portaal gebouwd. Huishoudens die een aanvraag hebben gedaan bij het Tijdelijk Noodfonds Energie en expliciet toestemming hebben gegeven voor het delen van hun gegevens, kunnen op basis hiervan worden doorverwezen naar het lokale hulpaanbod in de eigen gemeente. Huishoudens worden persoonlijk benaderd voor hulp bij het verlagen van hun energierekening. Dit kan gaan om voorzieningen die zien op de verduurzaming van de woning en om hulp bij het aanvragen van landelijke en lokale voorzieningen, bijvoorbeeld via de Voorzieningenwijzer. Huishoudens kunnen daarnaast hierbuiten ook altijd bij hun gemeente terecht om te bespreken wat de mogelijkheden zijn voor ondersteuning. Indien door de bewoner gewenst kan bredere hulp worden geboden.
Met deze keuze kan vanuit het Rijk een cofinanciering van € 30 miljoen extra worden ingezet voor het publieke energiefonds, deze middelen komen uit het amendement Grinwis. Door het inzetten van in totaal € 90 miljoen aan Rijksmiddelen als cofinanciering, kan met behulp van middelen uit het SCF bijna een viervoudig bedrag voor het energiefonds beschikbaar komen.
Hoe beoordeelt u de constatering van de G4 dat gemeenten de uitvoeringscapaciteit voor inkomenssteun deze winter grotendeels nog moeten opbouwen, terwijl de infrastructuur van het TNE volgens hen volledig klaarstaat om direct ingezet te worden?
Er is door SZW en VNG gezamenlijk gekozen voor de aanpak om inwoners voor de winter van 2025–2026 te ondersteunen via de bestaande gemeentelijke dienstverlening. Daartoe is € 30 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten via het Gemeentefonds. De middelen dienen als impuls voor de bestaande dienstverlening van gemeenten en zijn niet bedoeld ter vervanging van de rol die het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft vervuld bij het bieden van directe inkomensondersteuning. Er is gekozen om aan te sluiten bij bestaande lokale dienstverlening. Gemeenten kunnen, afhankelijk van de lokale situatie, het beste inschatten op welke wijze deze ondersteuning het meest effectief kan worden ingezet om bij te dragen aan het verlagen van de energierekening van inwoners.
Zoals ook is vermeld in het antwoord onder vraag twee wordt er niet voldaan aan de randvoorwaarde van voldoende private financiering. Daarmee is de route van een publiek-privaat construct niet verantwoord.
Hoe beziet u de waarschuwingen van de G4 dat gemeenten door beperkte wettelijke mogelijkheden vooral zullen inzetten op verduurzamingsmaatregelen en niet of minder op directe inkomenssteun, terwijl ook die inkomenssteun deze winter voor huishoudens met acute betalingsproblemen dringend nodig is, en het verzoek was in motie Timmermans c.s.2? Hoe waarborgt u dat de beschikbare middelen ook worden benut voor acute financiële ondersteuning van huishoudens met betalingsproblemen, naast de nodige maatregelen op het gebied van verduurzaming die echter pas op langere termijn effect hebben?
De middelen die via het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar worden gesteld kunnen door gemeenten worden ingezet om huishoudens te ondersteunen binnen het bestaande aanbod van de lokale dienstverlening. Gemeenten kennen beleidsvrijheid wat betreft de invulling van dit bestaande hulpaanbod. Het is niet mogelijk om directe inkomensondersteuning te bieden aan huishoudens vanuit deze middelen. Gemeenten kunnen deze middelen wel aanwenden om huishoudens te bereiken en te wijzen op bestaande voorzieningen zoals toeslagen en/of minimaregelingen. Daarnaast kan bijzondere bijstand worden verleend wanneer de hoge energiekosten het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden, zoals een chronische ziekte of beperking.
Hoe weegt u de juridische en financiële risico’s die u schetst3 bij het inzetten van TNE zonder private inleg, waaronder risico op onrechtmatigheid en staatssteun, ten opzichte van de door TNO en de G4 geschetste gezondheidsproblemen, stress en leerachterstanden die ontstaan wanneer kinderen opgroeien in energiearmoede?
Het is onwenselijk dat kinderen in Nederland opgroeien in energiearmoede en daarbij negatieve gevolgen ondervinden voor hun gezondheid, ontwikkeling en gelijke kansen. Het kabinet zet daarom in op het ondersteunen van huishoudens met hoge energiekosten door deze huishoudens door te werken aan de realisatie van een publiek energiefonds, en met de inzet op het verbeteren van de energetische kwaliteit van de woning, zodat zij structureel grip kunnen krijgen op hun energierekening. Echter, zoals geschetst in de Kamerbrief van 7 november jl. leidt een publiek-private constructie zonder private bijdrage tot forse financiële, juridische en maatschappelijke risico’s.
Met het uitblijven van de benodigde financiering door derde partijen bestaat de mogelijkheid dat de constructie wordt aangemerkt als een buitenwettelijk bestuursorgaan, waardoor uitkeringen onrechtmatig kunnen zijn en sprake kan zijn van een open einde-regeling met grote financiële gevolgen voor het Rijk. Daarnaast is er een reëel risico op staatssteun, wat kan leiden tot onderzoek door de Europese Commissie en mogelijke terugvordering van middelen. In de Kamerbrief van 30 september jl.4 vindt u een nadere toelichting op deze risico’s.
Bent u bereid de optie om de ondersteuning deze winter alsnog via het TNE te organiseren opnieuw te bezien, nu de G4 hier expliciet een oproep toe doet? Waarom wel of niet?
Op basis van de geschetste risico’s in het antwoord op vraag 5 en de conclusie in de Kamerbrief van 7 november jl. is de mogelijkheid om inkomensondersteuning te realiseren in de vorm van een publiek-private constructie niet haalbaar is. Met het uitblijven van een private bijdrage van meer dan één derde van het totale bedrag is deze mogelijkheid niet verantwoord.
Kunt u bovenstaande vragen een voor een beantwoorden voor het tweeminutendebat over Energiebesparing en betaalbare energierekening voor huishoudens?
Ja.
Het door de Kamer geëiste verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij, dat de minister nog altijd niet heeft ondertekend, waardoor tijdige inwerkingtreding in gevaar komt. |
|
Joost Eerdmans (JA21), Sandra Beckerman (SP), Dion Graus (PVV), Laurens Dassen (Volt), Laura Bromet (GL), Anne-Marijke Podt (D66), Esther Ouwehand (PvdD), Pieter Grinwis (CU) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat u het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij nog altijd niet hebt ondertekend, zoals gemeld door RTL, waardoor het onzeker is of het verbod per 1 januari 2026 in werking zal treden, terwijl dit eerder wel is toegezegd?1
De stukken zijn gereed voor de laatste stappen in de besluitvorming. Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Gaat u alsnog uitvoering geven aan de heldere opdracht van de Kamer en ervoor zorgen dat het verbod per 1 januari 2026 in werking kan treden? Zo ja, wanneer gaat u het verbod tekenen?
Zoals ik in mijn brief aan de TK van 27 november 2025 heb geschreven (Kamerstuk 2025D48643), is het streven dat inwerkingtreding op 1 januari 2026 zal plaatsvinden. Hiervoor heb ik voortdurend de benodigde stappen gezet.
Kunt u deze vragen uiterlijk maandag 1 december 2025 beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Doek valt voor Winst Uit je Woning, dat gemeenten helpt met isolatie van woningen' |
|
Pieter Grinwis (CU), Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel?1
Ja.
Wat is uw reactie op het faillissement van Winst Uit Je Woning, een partner die door meerdere gemeenten werd ingezet voor de uitvoering van het Nationaal Isolatieprogramma (NIP)?
Ik volg de situatie rond Winst Uit Je Woning aandachtig. Daarbij is voor mij het meest belangrijk dat mogelijke vertraging in de uitvoering van de verduurzaming beperkt blijft. Het is positief dat er een doorstart is voor Winst Uit je Woning.2 De komende tijd zal duidelijk worden hoe er vervolg wordt gegeven aan de lopende opdrachten. Winst Uit je Woning geeft aan stap-voor-stap werkzaamheden te hervatten. Het tempo waarmee de uitvoering voortgezet kan worden zal mede hiervan afhankelijk zijn.
Welke maatregelen neemt u om te garanderen dat gemeenten en woningeigenaren alsnog geen vertraging oplopen bij de aanpak van slecht geïsoleerde woningen?
Dit is voornamelijk een zaak tussen de betreffende gemeenten als opdrachtgever en Winst uit je Woning. Echter, in het algemeen is er behoefte aan versnelling van de gemeentelijke isolatieaanpakken. Om versnelling in de uitvoering te realiseren heb ik recent 9 miljoen euro beschikbaar gesteld voor regionale ondersteuning aan gemeenten via de regeling specifieke uitkering isolatieopgave nationaal programma lokale warmtetransitie (SpUk isolatieopgave NPLW). Daarmee kan op regionale schaal capaciteit, expertise en ondersteuning worden geboden om de uitvoering van de lokale isolatieaanpakken te versnellen.
Kunt u aangeven in hoeverre het programma voorzien was op verschillen in gemeentelijke eisen en regelingen en welke kostenverhogingen daaruit voortvloeiden (zoals door het genoemde maatwerk bij Winst Uit Je Woning)?
De lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma heeft als doel om 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) van huishoudens die extra ondersteuning nodig hebben samen met gemeenten te isoleren. Er is veel vrijheid aan gemeenten gelaten hun isolatieaanpak vorm te geven om de juiste ondersteuning te bieden die past bij de verscheidenheid aan behoeften van deze bewoners. Gemeenten kunnen daardoor de aanpakken ook laten aansluiten bij bestaande lokale initiatieven, de transitievisies warmte en specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld een relatief hoog aantal VvE’s).
Het is logisch dat extra specifieke eisen in een aanbesteding voor aannemende partijen extra kosten met zich meebrengt, zowel in de aanvraag als uitvoering. Het is daarom belangrijk om een goede balans te vinden bij de aanbesteding en een realistisch beeld te krijgen van kosten en risico’s die spelen bij partijen. Veel gemeenten voeren om deze rede ook marktconsultaties uit om de voorwaarden van een aanbesteding te toetsen. Bedrijven kunnen deze kosten uiteraard opvoeren in hun tarieven of als bedrijven de voorwaarden niet acceptabel vinden dan hoeven ze niet aan te bieden.
In hoeverre vindt u de verschillende gemeentelijke eisen wenselijk?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb beschreven is het maatwerk dat gemeenten kunnen leveren aan de meest kwetsbare woningeigenaren een belangrijk onderdeel van de lokale aanpak. Wel is het altijd van belang voor gemeenten om te kijken waar dit maatwerk een toevoeging is voor de kwaliteit van ondersteuning van bewoners en waar extra eisen wellicht juist de verduurzaming in de weg staan of tot onnodige kosten of risico’s voor marktpartijen kunnen leiden.
Welke stappen neemt u om de uitvoering zoveel mogelijk te standaardiseren?
Ik ga gemeenten niet beperken in de vrijheid die zij hebben invulling te geven aan hun rol bij de lokale isolatieopgave of welke afspraken ze met private partijen mogen maken. Wel bied ik hier richting en ondersteuning in via het programma Verbouwstromen. Dit biedt ondersteuning bij de lokale aanpak van het NIP op een wijze die schaalbaar is en op regionaal niveau wordt ingestoken. Zo is de ontwikkelde Meerjarige Collectief Ontzorgen (MCO) aanpak in meerdere regio’s in uitvoering. Hierbij zijn samenwerkende gemeenten geholpen bij de voorbereiding van de uitvraag aan de markt en werken zij aan standaardisering. Verbouwstromen zorgt ook actief voor het verspreiden van de kennis en expertise die daarbij zijn opgedaan, zodat aanbestedingen zo slim en effectief mogelijk worden vormgegeven. Daarnaast worden goede voorbeelden en richtlijnen ook gedeeld vanuit Communities of Practice en webinars, die op regelmatige basis voor gemeenten door het Nationaal programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) georganiseerd worden. Dit leidt zeker ook tot een mate van standaardisering.
In hoeverre is gewaarborgd dat juist huishoudens met lage inkomens (die meer risico lopen op energiearmoede) in het huidige uitvoeringsmodel van het NIP worden bereikt, ook nu een speler is weggevallen?
De lokale aanpak van het NIP is juist erop gericht om isolatiemaatregelen te nemen bij eigenaar-bewoners en VvE’s die extra ondersteuning nodig hebben. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken over het gevolg van het faillissement en doorstart van de betreffende partij. Met het NPLW blijf ik met de betreffende gemeenten in contact over de ontwikkelingen.
Hoe monitort u of de isolatiemaatregelen leiden tot daadwerkelijke vermindering van de energierekening en verbetering van woonlasten voor deze doelgroep?
Gemeenten dienen jaarlijks bij RVO voortgangsinformatie aan over de woningen die zij via de lokale aanpak hebben geholpen en welke maatregelen daarbij zijn getroffen. Verder werk ik eraan om deze informatie toe te voegen aan het dashboard energiesubsidies van het CBS. Op basis hiervan kunnen we ook berekenen hoeveel energie wordt bespaard. De Monitor Energiearmoede geeft de ontwikkeling van het aantal huishoudens met energiearmoede in Nederland weer. Daaruit blijkt dat woningverbetering een belangrijke bijdrage is voor het feit dat het aandeel energiearmoede in 2024 minder hoog was dan in 2019, terwijl de energieprijzen toen veel lager waren.
Welke cijfers heeft u over de gemiddelde kostprijs van de isolatie-trajecten die via gemeenten en intermediairs (zoals Winst Uit Je Woning) worden uitgevoerd?
Daar heb ik geen compleet beeld van. Gemiddeld ontvangt een gemeente circa 2.000 euro per woning in de lokale aanpak van het NIP. In de verantwoording van de lokale aanpak moeten gemeenten de totale kosten die zij maken aangeven, maar daarbij is niet altijd duidelijk in welke trajecten een intermediair is ingezet. Bovendien geeft het geen compleet beeld van de kostprijs voor het totale isolatie-traject in een woning. Tot circa 30% van de kosten kan met de ISDE of de SVVE worden vergoed en ook is vaak nog een klein deel eigen bijdrage van de bewoner nodig, al dan niet in de vorm van een gunstige lening van Nationaal Warmtefonds. Deze kosten hoeven niet in de verantwoording vermeld te worden.
De middelen uit de lokale aanpak worden grotendeels ingezet voor extra financiële ondersteuning, bovenop de landelijke subsidies. De middelen kunnen ook voor begeleiding en ontzorging ingezet worden. Dat is voor deze doelgroepen vaak belangrijk om stappen te kunnen zetten. Te verwachten is dat de gemiddelde kostprijs voor de isolatie-projecten in de lokale aanpak in het algemeen door deze extra diensten in verhouding hoger is dan de kostprijs voor andere woningen waar deze diensten niet zijn geleverd.
Uit een marktconsultatie uit 2023 van het programma Verbouwstromen blijkt dat de opgegeven kosten voor advies en begeleiding door intermediairs tussen de € 250 tot € 1.000 per uitvoering kunnen bedragen afhankelijk van de ondersteuning die nodig is. Bijvoorbeeld het begeleiden van bewoners bij de subsidieaanvraag, activatie en communicatie, nazorg of IT-kosten. De kosten voor deze diensten zijn aanvullend op de kosten voor het plaatsen van de isolatiemaatregelen zelf waarvan de prijs sterk afhankelijk is van het type maatregel en de eigenschappen van de woning.
Wat zijn de lessen die u trekt uit het faillissement van een uitvoerende partij zoals Winst Uit Je Woning op het gebied van toezicht, financiële kwaliteit van partners, en contractvoorwaarden met gemeenten?
Het is aan gemeenten de juiste voorwaarden te stellen bij het inschakelen van een intermediair in hun isolatieaanpak. Op basis van de ervaring die het programma Verbouwstromen inmiddels bij verschillende regio’s heeft opgedaan, geeft het de volgende algemene aanbevelingen over toezicht, financiële kwaliteit van partners en contractvoorwaarden:
Punt van aandacht is een goede balans tussen strenge contractvoorwaarden en ruimte voor innovatie. Meer toezicht en strengere contractvoorwaarden brengt ook het risico op disproportionaliteit met zich mee en minder kans op innovatie. Het is belangrijk hier een juiste balans in te vinden.
Kunt u aangeven of er herzieningen komen in de criteria voor samenwerking met intermediairs en zo ja, welke?
Nee. Ik ga de vrijheid van gemeenten niet inperken in de afspraken die zij kunnen maken met partijen in de markt bij het aanbesteden. Dit is tussen de gemeente en de betreffende partij.
Wel bied ik gemeente ondersteuning en advies in hoe ze hun aanpak vorm kunnen geven en uitvoeren via het programma Verbouwstromen en het Nationaal programma lokale warmte (NPLW).
Kunt u deze vragen binnen drie weken één voor één beantwoorden?
De vragen heb ik niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken kunnen beantwoorden.
De toekenning van de extra middelen voor het Tijdelijk Noodfonds Energie |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe staat het met de uitvoering van het amendement Grinwis c.s. dat € 50 miljoen extra toevoegt aan het Tijdelijk Noodfonds Energie?1
Allereerst wil ik benadrukken dat ik het initiatief van de Tweede Kamer om extra middelen om energiearmoede tegen te gaan, zeer waardeer. De afgelopen jaren heeft het Rijk zich ingezet om energiearmoede te verlagen. De inzet van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie en de energieleveranciers zijn daarbij belangrijke partners geweest. De privaat-publieke constructie van het Tijdelijk Noodfonds Energie in 2025 maakt het onmogelijk om dit jaar extra middelen toe te voegen zonder grote financiële en juridische risico’s. Met de aangehouden verhouding tussen publieke en private financiering is de maximale ruimte bereikt, waarbij het Rijk minder dan twee derde van de totale middelen aan het fonds beschikbaar mag stellen. Indien extra Rijksmiddelen uit het amendement zonder aanvullende private dekking aan het Tijdelijk Noodfonds Energie worden toegevoegd, is het risico groot dat het Tijdelijk Noodfonds Energie als een buitenwettelijk bestuursorgaan wordt gekwalificeerd. Dit kan verschillende consequenties hebben. Eén van de mogelijke consequenties is dat een huishouden als gevolg van deze steun gekort kan worden op de (bijstands)uitkering. Een andere consequentie is het ontstaan van een open einderegeling. De omvang is niet exact te bepalen, dit kan zeker honderden miljoenen euro’s betreffen.
Er ligt echter nog altijd een maatschappelijke opgave, zo laten ook de recente cijfers van TNO zien2. Dat is de reden waarom ik werk aan een publiek energiefonds, in het kader van het Social Climate Fund (SCF)3, om huishoudens te ondersteunen op de energierekening. Bij een publiek fonds is het mogelijk om hiervoor rijksmiddelen zonder private inleg voor dit doeleinde beschikbaar te stellen.
Er wordt verkend of de € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de beschikbare middelen voor het te ontwikkelen publieke energiefonds voor de ondersteuning van huishoudens op de energierekening. Met deze aanvulling op de middelen van het SCF kan de looptijd van het publieke energiefonds worden verlengd. Het streven is om de tegemoetkoming vanuit een publiek energiefonds ten behoeve van de winterperiode vanaf 2026/2027 beschikbaar te stellen. Er wordt bij de uitwerking van het fonds bezien of het (technisch) mogelijk is om met terugwerkende kracht huishoudens over 2026 steun toe te kennen.
Hoe staat het met de verwerking van de 210.000 ontvangen aanvragen die waren binnengekomen alvorens het loket werd gesloten op 29 april jl.? Hoeveel van de aanvragen kon aanvankelijk niet worden gehonoreerd met het budget van € 56,3 miljoen, maar nu wel met de € 50 miljoen extra?
In totaal hebben zo’n 227.000 huishoudens een aanvraag gedaan bij de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) in 2025. Op dit moment zijn er ruim 115.000 van de aanvragen goedgekeurd. Er is inmiddels zo’n 97% van de aanvragen behandeld. Deze huishoudens voldoen aan de vooraf gecommuniceerde voorwaarden (inkomen en energiequote) en ontvangen steun. Het aantal huishoudens dat daarmee in 2025 steun krijgt, is op dit moment vergelijkbaar met het aantal in 2024. De huishoudens die aan de voorwaarden voldoen, ontvangen in 2025 gemiddeld zo’n € 77,50 per maand voor een periode van zes maanden.
Van de 227.000 huishoudens wordt dus ongeveer de helft afgewezen. Dit is niet omdat de middelen niet toereikend zijn, maar omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden. Zij hebben een te hoog inkomen of een te lage energierekening in verhouding met het inkomen.
Hoeveel budget resteert er nog na de verwerking van de ontvangen aanvragen? Wanneer en voor hoe lang wordt het aanvraagloket voor het Noodfonds weer opengesteld, zodat rechthebbenden die niet in de gelegenheid waren om tijdens de eerdere korte openstelling van het fonds een aanvraag in te dienen, dit alsnog kunnen doen?
De inschatting is nu dat nagenoeg het gehele beschikbare bedrag van € 56,3 miljoen wordt uitgekeerd aan huishoudens en er dus vrijwel geen middelen onbenut zijn gebleven.
Staan de private partijen klaar om operationele uitvoering te geven aan het honoreren van de extra aanvragen?
Zoals aangegeven bij vraag 1 wordt verkend of de aanvullende € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de middelen voor het publieke energiefonds. Het energiefonds 2025 was een publiek/ private constructie, zoals bij vraag 1 aangegeven is het niet mogelijk om aanvullende Rijksmiddelen aan deze constructie toe te voegen. Om die reden is deze vraag over operationele uitvoering niet aan de orde.
Aangezien enkele kabinetsleden geen trek leken te hebben in het aangenomen amendement, hoe ziet u erop toe dat het amendement nog in 2025 wordt uitgevoerd en de middelen benut worden en dat het budgetrecht van de Tweede Kamer dus wordt geëerbiedigd?
Zoals bij vraag 1 is aangegeven, maakt de privaat-publieke constructie van het Tijdelijk Noodfonds Energie in 2025 het onmogelijk om dit jaar middelen toe te voegen zonder financiële en juridische risico’s. Het kabinet onderschrijft het doel van het amendement, het ondersteunen van huishoudens met een laag inkomen en een hoge energierekening. Om die reden wordt verkend of de aanvullende € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de middelen voor het publieke energiefonds dat in ontwikkeling is.
In hoeverre draagt deze € 50 miljoen bij aan de instandhouding van de systematiek van het Tijdelijk Noodfonds Energie?
De € 50 miljoen draagt niet bij aan de instandhouding van de systematiek. Zoals in eerdere Kamerbrieven inzake dit energiefonds is aangegeven, is het fonds in 2025 voor de laatste keer via de publiek-private constructie vormgegeven. In de kamerbrieven van 27 juni en 9 september4 jongstleden is aangegeven dat het Ministerie van SZW en het Ministerie van VRO gezamenlijk aan de verdere uitwerking van een voorstel binnen het SCF-plan werken. Dit voorstel is gericht op meerjarige financiële steun voor huishoudens (publiek energiefonds) in combinatie met de verduurzaming van woningen. Het SCF is opgericht om de effecten van het ETS-2-systeem op huishoudens in de meest (financiële) kwetsbare posities te verzachten.
De lessen van de afgelopen jaren over de effectiviteit van het fonds, zoals het bereik van de doelgroep, worden meegenomen in het vervolgtraject van het SCF.
Kunt u deze vragen vraag voor vraag beantwoorden voor aanvang van de augustusbesluitvorming?
Gezien het zomerreces was het niet mogelijk om deze Kamervragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden. De verkenning of de aanvullende € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de middelen voor het publieke energiefonds loopt mee in de augustusbesluitvorming.
Het amendement Mooiman op de Wet versterking regie op de Volkshuisvesting |
|
Pieter Grinwis (CU), Hans Vijlbrief (D66) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u de concrete gevolgen en de uitvoerbaarheid in kaart te brengen van het gisteren aangenomen amendement-Mooiman (TK 36 512, nr. 30) over het volledig uitsluiten van urgentie voor statushouders?
Kunt u toelichten wat de verschillen zijn met uw eigen wetsvoorstel (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders), hoe u die verschillen weegt en wat de consequenties zijn voor de doorgang en voortgang van uw wetsvoorstel?
Kunt u deze vragen met de grootst mogelijke spoed, en uiterlijk voor de stemmingen over de Wet versterking regie volkshuisvesting, beantwoorden?
Het bericht ‘Netversterking midden-Nederland jaren vertraagd’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Netversterking midden-Nederland jaren vertraagd»?1
De aangekondigde vertraging van tenminste vier jaar is ook voor het kabinet zeer teleurstellend, gezien de urgentie om de schaarste aan transportcapaciteit op het elektriciteitsnet te verminderen, in het bijzonder ook in deze regio. Dit is een tegenvaller met negatieve gevolgen voor de economie, de woningbouw en de voortgang van de energietransitie.
Het kabinet spant zich tot het uiterste in om, samen met alle betrokken betrokken partijen, TenneT en de provincie Utrecht voorop, iedere mogelijkheid om de realisatie van dit project te versnellen aan te grijpen. Daarbij zal het kabinet elke stap zetten die het kan zetten om alle cruciale elektriciteitsprojecten te versnellen of minimaal te voorkomen dat ze vertraging oplopen. Iedere maand die kan worden ingelopen is winst voor de maatschappelijke uitdagingen op het gebied van economie, woningbouw en de energietransitie.
Welke gevolgen heeft de vertraging van de noodzakelijke uitbreidingsprojecten voor burgers en bedrijven? Bent u bereid de tweede-orde-effecten in kaart te brengen? Hoeveel woningen kunnen hierdoor voorlopig niet op het elektriciteitsnet aangesloten worden?
De realisatie van het station in Utrecht is een randvoorwaarde voor het verminderen van netcongestie in de gehele regio Gelderland, Utrecht en Flevopolder (FGU). Voor het FGU gebied wordt gewerkt aan een tiental maatregelen die moeten leiden tot meer flexibiliteit of een lagere piekvraag, zodat waar mogelijk partijen aangesloten kunnen blijven worden. Bedrijven op de wachtlijst voor een grootverbruikersaansluiting zullen als gevolg van de vertraging waarschijnlijk nog langer moeten wachten. De netbeheerders maken momenteel nieuwe prognoses, waarin zowel het effect van de maatregelen als de vertraging van de uitbreiding van het net worden meegenomen. Deze prognoses worden dit najaar opgeleverd. Dan wordt ook inzichtelijk wat de eventuele gevolgen zijn van de vertraging op specifieke andere groepen, en kunnen eventuele tweede-orde-effecten in kaart worden gebracht. Overigens hebben energieleverancier Eneco en TenneT onlangs afspraken gemaakt om twee gascentrales bij de stad Utrecht langer in bedrijf te houden om de druk op het elektriciteitsnet in de provincie Utrecht te verlichten2.
Het is duidelijk dat netcongestie een urgente uitdaging is voor de nieuwbouwopgave. Het is echter niet mogelijk de precieze impact van netcongestie op de huidige woningbouwplannen in kaart te brengen. Veel factoren spelen een rol in hoe snel een woningbouwproject gerealiseerd kan worden, vertraging is vaak niet toe te wijzen aan één enkele factor. Ook ten aanzien van netcongestie hangt mogelijke vertraging van veel factoren af; soms zal een aansluiting in eerste instantie niet mogelijk lijken, maar met een slimme aanpassing toch wel. Het Ministerie van Volksvesting en Ruimtelijke Ordening houdt via de versnellingstafels en op projectniveau zicht op waar dit een belemmering is en schakelt waar nodig experts in. Samen met het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en de partners van de Woontop-afspraak 10.1 wordt ook gewerkt aan het bieden van praktische handvatten om netbewuster te bouwen en daarmee efficiënter om te gaan met de beschikbare capaciteit. Op de Woontop is afgesproken dat overheden, corporaties en marktpartijen een publiek-private monitor gaan gebruiken. Deze wordt momenteel ontwikkeld. De monitor zorgt voor sturingsinformatie en brengt knelpunten in kaart. Daarmee zal ook beter inzicht ontstaan in de projecten waar netcongestie een rol speelt.
Acht u het invoeren van een wachtlijst voor kleinverbruikers als maatregel acceptabel? Welke gevolgen heeft dat voor deze consumenten en kleine ondernemers?
Een wachtlijst is onwenselijk, of dit nu consumenten of grote of kleine bedrijven treft, maar kan in een situatie van netcongestie noodzakelijk zijn om het elektriciteitsnet overeind te houden. Indien er niet voldoende ruimte is om iedereen aan te sluiten wordt een wachtrij ingesteld en geeft het maatschappelijk prioriteringskader van de ACM aan welke categorieën prioriteit hebben. Hiermee worden de partijen met het grootste algemeen belang als eerste aangesloten op de ruimte die er nog beschikbaar is of beschikbaar komt. De ACM heeft op 26 juni een ontwerpbesluit voor een nieuw kader ter consultatie gepubliceerd. Dit kader moet op 1 januari 2026 in werking treden. Hierin zijn onder andere ook woningen en verzwaring van aansluitingen bij huishoudens als prioritair opgenomen. Op dit moment kunnen woningen en verzwaring van aansluitingen bij huishoudens binnen FGU nog aangesloten worden. De maatregelen die genomen worden binnen FGU zijn erop gericht om dit ook in de toekomst zo te houden en om waar mogelijk andere partijen in de wachtrij te helpen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het zeer lastig is om geschikte locaties te vinden voor nieuwe hoogspanningsstations? Wat is uw inzet hierbij?
Het vinden van geschikte locaties voor nieuwe hoogspanningsstations is complex vanwege de schaarse ruimte en de ruimteclaims van andere grote opgaven. Daarnaast zijn voor de meeste 110–150kV projecten, en ook voor veel 380kV-projecten, vooralsnog geen ruimtelijke reserveringen of aanwijzingen gedaan in provinciale of gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het Rijk beziet met provincies, gemeenten en netbeheerders hoe de ruimtelijke keuzes voor toekomstige elektriciteitsinfrastructuur eerder gemaakt kunnen worden. De Nota Ruimte is het overkoepelende kader voor de ruimtelijke ordening en het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) biedt het kader voor het nationale energiesysteem. De inzet van het kabinet is erop gericht deze kaders te benutten om sneller tot gedragen en haalbare locatiebesluiten te komen.
Deze uitdaging vraagt om een zorgvuldige afweging van belangen en een duidelijke rolverdeling tussen betrokken partijen. Om projecten te versnellen, is het belangrijk dat er snel duidelijkheid komt over het bevoegd gezag voor de locatiekeuze en wie daarmee de verantwoordelijkheid neemt voor de keuze. Hier sorteert het kabinet op voor met het maatregelenpakket dat is gepresenteerd in de Kamerbrief «Sneller uitbreiden elektriciteitsnet» van 25 april 20253. Hierin is ook de maatregel opgenomen om eerder in de procedure de locatie-alternatieven te beperken («trechteren») om besluitvorming te versnellen.
Welke plaats krijgt netverzwaring in de komende Nota Ruimte? Komen alle noodzakelijke ruimtelijke opgaven op het gebied van netverzwaring in deze nota te staan, zoals de nieuwe 150 kV/50 kV-hoogspanningsstations? Zo nee, waarom niet?
Na de zomer zal de ontwerp-Nota Ruimte gepubliceerd worden. De Nota Ruimte geeft de langetermijnvisie op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De Nota Ruimte schetst keuzes en richtingen voor onder meer wonen, werken, bereikbaarheid en ook voor het toekomstige energiesysteem. De urgente problematiek rondom netcongestie en daarvoor benodigde uitbreidingen van het elektriciteitsnet krijgen in de Nota Ruimte een belangrijke plek. Ruimtelijke ontwikkelingen en het energiesysteem worden meer in samenhang geprogrammeerd en ruimtelijke processen en procedures voor netverzwaringen waar mogelijk versneld. Alle noodzakelijke ruimtelijke opgaven op het gebied van netverzwaring van het 220 en 380kV-netwerk worden op basis van het Programma EnergieHoofdstructuur (PEH) opgenomen in de Nota Ruimte. Voor de lagere netvlakken geldt dat de Nota Ruimte ruimtelijke principes zal meegeven voor de ontwikkeling van het regionale en lokale energiesysteem, maar dat de medeoverheden hiervoor in eerste plaats bevoegd gezag zijn.
Deelt u de mening dat strategische grondverwerving sneller en gecoördineerder plaats moet vinden dan nu? Bent u bereid om de netbeheerders hierbij vanuit het Rijk beter te ondersteunen?
Voor het versnellen van de realisatie van elektriciteitsprojecten is onder meer van belang dat er eerder zicht is op de ruimtelijke keuzes voor elektriciteitsinfrastructuur, vooral gezien de schaarste aan ruimte. TenneT heeft al de mogelijkheid tot strategische grondverwerving die in beperkte mate wordt ingezet. Naast de privaatrechtelijke route kan de publiekrechtelijke route gevolgd worden, het proactief reserveren van ruimte voor energiefuncties. In de kabinetsreactie op het IBO Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur4 is een verkenning intensivering ruimtelijke sturing nationaal energiesysteem aangekondigd. Deze verkenning werpt licht op de financiële en juridische implicaties van proactief ruimtelijk beleid voor het brede, nationale energiesysteem. In 2026 wordt de Kamer over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd.
Vestigen gemeenten reeds een voorkeursrecht op bepaalde grond die wenselijk is voor de tracés voor de netverzwaring? Zo nee, tegen welke belemmeringen lopen zij aan? Bent u bereid om in gesprek met gemeenten hierop aan te dringen en hen hierbij te ondersteunen met kennis en financiële middelen? Bent u van mening dat de huidige vormgeving van het voorkeursrecht aanpassing behoeft (bijvoorbeeld in tijdsduur) om gebruik van dit recht doelmatiger te maken?
Met het vestigen van voorkeursrecht verkrijgt de gemeente een voorkeurspositie bij eventuele aankoop grond om aan de netbeheerder beschikbaar te stellen. Voor laagspanningsinfrastructuur wordt in de praktijk het voorkeursrecht zelden toegepast. Grondverwerving is daarvoor vaak niet nodig omdat het meestal openbare ruimte betreft die reeds in eigendom van de gemeente is. Het toepassen van het voorkeursrecht voor laagspanningsinfra is daarbij administratief omslachtig voor de kleine percelen die het betreft; er zijn snellere en effectievere instrumenten beschikbaar, zoals de gedoogplicht.
Voor midden- en hoogspanningsprojecten wordt het voorkeursrecht in sommige gevallen wel ingezet, met name om grondspeculatie te voorkomen, maar ook omdat dit kan bijdragen aan vlotte grondverwerving. Het kabinet stimuleert de inzet van dit instrument. Daarvoor is wel noodzakelijk dat netbeheerders gemeenten tijdig informeren over beoogde locaties. Hier wordt aan gewerkt in de actielijn Sneller Bouwen van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie.
Worden in alle omgevingsvisies en -plannen van gemeenten noodzakelijke netinfrastructuur als transformatorhuisjes reeds aangemerkt? Zo nee, bent u bereid gemeenten te wijzen op deze noodzaak?
Bestaande netinfrastructuur is opgenomen in omgevingsplannen van gemeenten. Het is nog niet gebruikelijk om proactief (voorafgaand aan initiatief van netbeheerders) in een gemeentelijke omgevingsvisie of -plan toekomstige elektriciteitsinfrastructuur op te nemen. Wel is het contact tussen gemeenten en netbeheerders afgelopen jaren geïntensiveerd en vinden momenteel verkenningen en gesprekken plaats om het aanmerken van toekomstig noodzakelijke netinfrastructuur te stimuleren. Onder meer via de Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda Energiesysteem (ISA) waarin het Rijk, medeoverheden en netbeheerders samenwerken aan het beter verbinden van het ruimtelijk domein en het energiedomein. Daarbij wordt benadrukt dat, gezien de relatief korte bouwtijd van netinfrastructuur zoals transformatorhuisjes, er veel tijdswinst geboekt kan worden door tijdige afstemming met omgevingsvisies en -plannen.
Acht u het noodzakelijk om de nettoets wettelijk te borgen, zodat bij alle ruimtelijke beleidskeuzes standaard de nettoets door netbeheerders kan worden uitgevoerd? Zo nee, op welke manier wilt u de nettoets dan borgen?
Het kabinet beziet momenteel samen met gemeenten, provincies en netbeheerders of nadere afspraken nuttig zijn voor het beter betrekken van de mogelijkheden van, en impact op het elektriciteitsnet bij ruimtelijke beleidskeuzes. Dit gebeurt als onderdeel van de uitwerking van de Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda (ISA). Daarbij wordt ook de uitwerking van het amendement Flach en Koekkoek op artikel 6.12, tweede lid, van de Energiewet5 betrokken. Het is belangrijk dat bij ruimtelijke beleidskeuzes vroegtijdig wordt nagedacht over de effecten van een plan op de energie-infrastructuur en of voor het projectplan voldoende ruimte beschikbaar is op het stroomnet. Dit leidt tot een betere voorspelbaarheid van de belasting van het stroomnet en stelt de netbeheerder in staat om zo goed mogelijk rekening te houden met het project. Met name het vroegtijdig contact tussen gemeenten, provincies en netbeheerders op gebieds- en visieniveau kan bijdragen aan een tijdige signalering van de ontwikkeling van de energiebehoefte door de netbeheerder. In de praktijk gebeurt dit al steeds vaker en beter. Samen met gemeenten, provincies en netbeheerders werkt het kabinet uit hoe deze onderlinge samenwerking concreet invulling kan krijgen en in hoeverre het wenselijk is om eventuele nadere afspraken wettelijk te borgen.
Waarom ontbreken er een aantal concrete data van de maatregelen in het recent gepubliceerde overzicht van versnellingswet- en regelgeving (Kamerstuk 29 023, nr. 566)? Kunt u deze spoedig naar de Kamer sturen?
Een deel van de maatregelen in dit overzicht wordt op dit moment uitgewerkt. Dit najaar informeert het kabinet de Kamer over de voortgang van het wetgevingsprogramma. Dan zullen ook de beoogde inwerkingtredingsdata van de maatregelen bekend zijn die in het overzicht van 25 april jl. nog op PM staan.
Het belastinglek bij Duitse beleggingsfondsen |
|
Bram Kouwenhoven (NSC), Pieter Grinwis (CU), Jimmy Dijk (SP), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de FD artikelen «Schatkist loopt € 600 miljoen extra schade op door belastinglek»1 en «Hoe de fiscus ineens bijna 1,7 miljard euro aan opbrengsten zag verdampen»2?
Ja.
Klopt het dat de wetgever al decennialang de bedoeling had om buitenlandse beleggingsfondsen, waaronder Duitse vastgoedfondsen, wel vennootschapsbelasting te laten betalen over winsten in Nederland3en dat over de mogelijkheid hiertoe tot 2020 nauwelijks discussie over was?
Over de bedoeling van de wetgever ten tijde van de behandeling van het ontwerp van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) staat mij niet meer informatie ter beschikking dan hetgeen is opgenomen in de parlementaire geschiedenis. Desalniettemin kan ik uw Kamer informeren dat in de uitvoering decennialang buitenlandse fondsen als buitenlands belastingplichtig doelvermogen in de heffing van de vennootschapsbelasting zijn betrokken, ook omdat zij zelf meenden belastingplichtig te zijn ten aanzien van de winst uit hun Nederlandse vastgoed. Bovendien geldt internationaal het uitgangspunt dat het land waar het vastgoed is gelegen het heffingsrecht over dat vastgoed heeft (situsbeginsel). Sinds 2006 was er wel een discussie of deze buitenlandse beleggingsfondsen de regeling voor de fiscale beleggingsinstelling (fbi) konden toepassen. Op basis van die regeling geldt voor fbi’s een tarief van 0%, waardoor de facto geen vennootschapsbelasting wordt betaald over de winsten van de fbi. De discussie was ook de aanleiding voor de procedure die heeft geleidt tot het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:862). Voor de volledigheid merk ik daarbij op dat dit kabinet er, net als het voorgaande kabinet, naar streeft om het heffingsrecht over Nederlands vastgoed te behouden. In dit kader wijs ik in de eerste plaats op de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling waarmee het van fbi-regime per 1 januari 2025 niet langer openstaat voor lichamen die beleggen in Nederlands vastgoed. Daarnaast herinner ik uw Kamer eraan dat er om het heffingsrecht over Nederlands vastgoed te behouden tot op heden niet voor is gekozen om personenvennootschappen (met name de commanditaire vennootschap) uit te sluiten van de definitie van het fonds voor gemene rekening.4
Klopt het dat de buitenlandse beleggingsfondsen met vastgoed in Nederland die volgens het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:862) niet belastingplichtig bleken voor de heffing van de vennootschapsbelasting, met ingang van 1 januari 2025 dat alsnog zijn geworden als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen?
Met de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen (Wet FKR) is het Nederlandse kwalificatiebeleid voor buitenlandse rechtsvormen met ingang van 1 januari 2025 gecodificeerd. De kwalificatie van een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam (hierna ook: buitenlands lichaam) vindt voor Nederlandse fiscale doeleinden in eerste instantie plaats op basis van de zogenoemde rechtsvormvergelijkingsmethode. Hoewel de kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen op basis van de rechtsvormvergelijkingsmethode in de meeste gevallen volstaat, zijn onder andere in de Wet Vpb 1969 met ingang van 1 januari 2025 de vaste methode en de symmetrische methode opgenomen voor situaties waarin de rechtsvorm van een buitenlands lichaam ingevolge die rechtsvormvergelijkingsmethode niet vergelijkbaar is met die van een naar Nederlands recht opgericht of aangegaan lichaam. Op basis van de voorgaande kwalificatiemethoden wordt voor een buitenlands lichaam bepaald of het als transparant of niet-transparant in de Nederlandse heffing wordt betrokken. Indien het lichaam transparant is, wordt niet het lichaam, maar worden de achterliggers in de Nederlandse belastingheffing betrokken. Indien het lichaam niet-transparant lichaam is, wordt het lichaam zelf in de Nederlandse belastingheffing betrokken. Een buitenlands lichaam dat niet in Nederland is gevestigd en dat voldoet aan de definitie van fgr als bedoeld in artikel 2, vierde lid, Wet Vpb 1969 is belastingplichtig op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969. Als dat buitenlandse lichaam (dat wil zeggen het fonds voor gemene rekening) in Nederlands vastgoed belegt, maakt het inkomen uit dat Nederlandse vastgoed op grond van artikel 17a, onderdeel a, Wet Vpb 1969 onderdeel uit van het belastbaar bedrag van dat buitenlands belastingplichtig lichaam. Echter, indien een buitenlands beleggingsfonds dat belegt in Nederlands vastgoed voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant is, worden de participanten in dat buitenlandse lichaam in de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting (afhankelijk van de hoedanigheid van die participant) betrokken. Ik merk daarbij expliciet op dat met de Wet FKR de opsomming van de buitenlands vennootschapsbelastingplichtige lichamen in lijn is gebracht met de binnenlands belastingplichtige lichamen waardoor onvolkomenheden in de belastingplicht zijn weggenomen. Daardoor zijn Duitse Immobilien Sondervermögen met meerdere participanten als fgr met ingang van 1 januari 2025 ook buitenlands belastingplichtig.5
Kan de Belastingdienst de participanten in de Duitse beleggingsfondsen – in plaats van de Duitse beleggingsfondsen zelf – in de heffing betrekken voor het rendement op het Nederlandse vastgoed tot 1 januari 2025, waaronder de waardestijging van het Nederlandse vastgoed tot 1 januari 2025?
Nee. De Hoge Raad heeft op 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:862) geoordeeld dat deze Duitse beleggingsfondsen (Immobilien Sondervermögen) niet kwalificeren als buitenlands belastingplichtige in de zin van artikel 3 Wet Vpb 1969, omdat het fonds niet kwalificeert als doelvermogen (als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb 1969) en ook niet kan worden aangemerkt als «andere niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld» (in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969). De Hoge Raad merkt ook op dat de opsomming van buitenlandse belastingplichtigen limitatief is en dat voor niet in Nederland gevestigde open beleggingsfondsen dan wel fondsen voor gemene rekening niet een vergelijkbare aanwijzing als buitenlandse belastingplichtige plaatsgevonden heeft. Nu een Immobilien Sondervermögen niet-transparant is, is het ondanks het feit dat een dergelijk open beleggingsfonds tot ultimo 2024 niet zelfstandig belastingplichtig is, niet mogelijk de participanten in die open beleggingsfondsen in de Nederlandse belastingheffing te betrekken.
Bestaat volgens u na het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:862) aldus de mogelijkheid om voor fiscale doeleinden door het Duitse beleggingsfonds heen te kijken (transparantie) tot 1 januari 2025? Zo ja, in hoeverre beperkt deze mogelijkheid het budgettaire verlies van 1,1 miljard euro?
Zoals uit het antwoord op vraag 4 blijkt, is het niet mogelijk om door deze niet-transparante lichamen heen te kijken. Bij het berekenen van de budgettaire gevolgen van dit arrest is dan ook geconstateerd dat er geen mogelijkheden zijn om de nadelen van het arrest te beperken.
Waarom zijn na het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:155), toen het risico op het belastinglek levensgroot werd, door het kabinet geen voorzorgsmaatregelen voorgesteld, zoals bijvoorbeeld in het verleden (wel) is gedaan met een «tussenregeling» toen valutaresultaten op een deelneming dreigden te kunnen worden afgetrokken?4
Met het arrest van 24 januari 2020 heeft Hoge Raad antwoord gegeven op prejudiciële vragen van het gerechtshof Den Bosch die waren gesteld in het kader van een zaak over een verzoek tot teruggaaf van dividendbelasting. Hoewel de uitleg van het begrip doelvermogen aan de orde komt, was in die procedure een ander geschilpunt aan de orde dan in de procedure die geleid heeft tot het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:862).
In die procedure was namelijk in geschil of buitenlandse beleggingsfondsen die beleggen in Nederlands vastgoed in aanmerking konden komen voor de regeling voor de fiscale beleggingsinstelling (fbi). Het gerechtshof Den Bosch heeft in die procedure op 3 september 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:2629) geoordeeld dat een naar Duits recht opgericht Immobilien-Sondervermögen een doelvermogen is (r.o. 4.11) en hiermee belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Vervolgens heeft de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad in die procedure in zijn conclusie van 27 mei 2022 (ECLI:NL:PHR:2022:517) eveneens geconcludeerd dat sprake is van een doelvermogen en dat op dit punt de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch in stand kan blijven. De Hoge Raad heeft ten slotte in het arrest van 14 juni 2024, in afwijking van de conclusie van de Advocaat-Generaal, de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch gecasseerd en geoordeeld dat er geen sprake is van een doelvermogen. Gezien de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch en de conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad is er voor het kabinet geen aanleiding geweest om voorzorgsmaatregelen te treffen met betrekking tot de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting van deze buitenlandse beleggingsfondsen.
Klopt het dat buitenlandse beleggingsfondsen het Nederlands vastgoed dat zij op 1 januari 2025 bezitten wegens gebrek aan een nader wettelijk waarderingsvoorschrift kunnen waarderen op de waarde in het economische verkeer (step-up)?
Ja. Bij het ontstaan van de vennootschapsbelastingplicht wordt een openingsbalans opgesteld. In dat geval zullen de vermogensbestanddelen op de openingsbalans gewaardeerd worden naar de waarde in het economische verkeer, tenzij er sprake is van nadere (of afwijkende) waarderingsvoorschriften. Voor buitenlandse beleggingsfondsen met Nederlands vastgoed is hiervan geen sprake en deze beleggingsfondsen moeten dus met ingang van 1 januari 2025 hun vastgoed waarderen tegen de waarde in het economische verkeer.
Klopt het dat hierdoor over de waardestijging tussen de aankoopwaarde in het verleden en de waardering per 1 januari 2025 geen vennootschapsbelasting wordt geheven als het vastgoed na 1 januari 2025 wordt verkocht, ondanks dat het altijd de bedoeling van de wetgever was om wel over deze winsten te heffen?
Voor zover er geen onherroepelijk vaststaande aanslagen vennootschapsbelasting zijn opgelegd voor jaren waarin de realisatie van de waardestijging in de heffing is betrokken, blijven die waardenstijgingen tot 1 januari 2025 in beginsel buiten de heffing van vennootschapsbelasting. De toekomstige stijging ten opzichte van de waarde op 1 januari 2025 wordt wel in de Nederlandse heffing betrokken.
Klopt het dat deze omissie alsnog kan worden hersteld waardoor de waardestijging tussen de aankoopwaarde in het verleden en de waardering per 1 januari 2025 wel in de heffing kan worden betrokken bij realisatie na 1 januari 2025 en de Nederlandse schatkist dus niet 600 miljoen euro misloopt?
Het alsnog in de heffing van vennootschapsbelasting betrekken van waardestijgingen tussen de aankoopwaarde in het verleden en de waardering ultimo 2024 kan worden beschouwd als belastingheffing met terugwerkende kracht. In beginsel wordt in Nederland doorgaans terughoudend omgegaan met terugwerkende kracht in belastingmaatregelen. Ook de Raad van State is van oordeel dat aan belastingmaatregelen die een verzwaring van de belastingheffing betekenen geen terugwerkende kracht mag worden gegeven, tenzij (zeer) bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen.7 Ik zie in het onderhavige geval vooralsnog onvoldoende rechtvaardiging om maatregelen te nemen die onbelaste waardestijgingen die zien op jaren vóór 2025 alsnog (dat wil zeggen met terugwerkende kracht) in de heffing van vennootschapsbelasting te betrekken. Bovendien merk ik op dat er ook andere discussies ten aanzien van buitenlandse beleggingsfondsen met Nederlands vastgoed zullen herleven bij een dergelijke maatregel met terugwerkende kracht, zoals de vraag of deze fondsen het fbi-regime (0%-tarief) kunnen toepassen.
Hoe kijkt u bijvoorbeeld aan tegen de introductie van een waarderingsvoorschrift in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op grond waarvan de buitenlandse beleggingsfondsen die onbedoeld buiten de vennootschapsbelasting zijn gevallen door het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:862) op 1 januari 2025 hun Nederlandse vastgoed dienen te activeren tegen de boekwaarde die het vastgoed zou hebben gehad als zij altijd al belastingplichtig waren geweest?
Ik zie daarvoor op dit moment onvoldoende rechtvaardiging. Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het ontbreken van een dergelijk waarderingsvoorschrift een omissie is bij de nazorg van Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen?
Nee. Met de nazorgmaatregelen bij de Wet FKR in het Belastingplan 2025 zijn redactionele onjuistheden en onbedoelde gevolgen van de Wet FKR hersteld. Blijkens de parlementaire geschiedenis houden deze maatregelen geen verband met de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:862). Het invoeren van een dergelijk waarderingsvoorschrift zou een heffing met terugwerkende kracht zijn. Ik zie daarvoor op dit moment onvoldoende rechtvaardiging en verwijs naar mijn antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om deze omissie te herstellen en daarmee het toekomstige heffingslek van 600 miljoen euro voor Duitse vastgoedfondsen zo spoedig mogelijk te repareren?
Nee. Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat de step-up per 1 januari 2025 hoger kan uitvallen dan de WOZ-waarde van het Nederlandse vastgoed en zo ja, kunnen buitenlands beleggingsfondsen in dergelijke gevallen vanaf 2025 ten laste van de belaste winst in Nederland afschrijvingskosten aftrekken (die nooit zijn gemaakt)?
Door het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:862) zijn deze Duitse Immoblien Sondervermögen tot ultimo 2024 niet belastingplichtig in Nederland. Met ingang van 1 januari 2025 is de Wet Vpb 1969 door de Wet FKR aangepast, waardoor in het buitenland gevestigde fondsen voor gemene rekening met in Nederland gelegen vastgoed, zoals deze Duitse Immoblien Sondervermögen, zelfstandig belastingplichtig zijn.
In de situatie dat een voorheen niet belastingplichtig lichaam op enig moment zelfstandig belastingplichtig wordt, start op dat moment de fiscale onderneming. De fiscale openingsbalans wordt dan opgesteld tegen de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en de schulden. Dit is de heersende fiscale leer, die ook toegepast wordt als een hobby tot een onderneming uitgroeit of als buitenlandse activiteiten naar Nederland worden verplaatst. Hiermee wordt uiteindelijk over de gehele tijdsperiode van de fiscale onderneming de winst belast (totaalwinstbegrip) en wordt voorkomen dat er resultaten van vóór de start van de fiscale onderneming in de heffing worden begrepen. Bij het belastingplichtig worden van de energiebedrijven, woningcorporaties en overheidsondernemingen in het verleden is deze leer ook van toepassing geweest.
De WOZ-waarde is een bij wet vastgestelde methodiek om de waarde in het economische verkeer op de peildatum vast te stellen (ten behoeve van verschillende wetten). Er kan een verschil in waardering zijn tussen de WOZ-waarde en de waarde in het economische verkeer op de vast te stellen openingsbalans. De waarde in het economische verkeer kan hoger, maar ook lager zijn dan de WOZ-waarde. Afschrijven op vastgoed kan voor Nederlandse fiscale doeleinden slechts tot de WOZ-waarde. Dit kan betekenen dat er tijdelijk enig (in grootte beperkt) afschrijvingspotentieel voor de Immobilien Sondervermögen zal zijn.
Klopt het dat als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:862) ook verkoopwinsten onbelast kunnen blijven die in het (verre) verleden door buitenlandse beleggingsfondsen op Nederlands vastgoed zijn gemaakt en die via een herinvesteringsreserve zijn afgeboekt op nieuw aangeschaft Nederlands vastgoed dat per 1 januari 2025 nog steeds in het bezit is van het beleggingsfonds?
In de situatie dat een vóór 2025 niet belastingplichtig buitenlands beleggingsfonds per 1 januari 2025 vennootschapsbelastingplichtig wordt, klopt dat voor zover een eventuele stille reserve ziet op de periode vóór 1 januari 2025.
Waarom kan voor verkoopwinsten op beleggingsvastgoed überhaupt een herinvesteringsreserve worden gevormd? Klopt het dat hierdoor belastingheffing over verkoopwinsten op beleggingsvastgoed gedurende vele decennia kan worden uitgesteld?
De faciliteit van de herinvesteringsreserve hangt samen met de zogenoemde ruilarresten van de Hoge Raad, met de economische gedachte dat belastingheffing over de winst behaald bij een ruiltransactie van activa een belemmering voor de continuïteit van de onderneming kan vormen. Het gaat daarbij om gevallen waarin de belastingplichtige ten tijde van de vervreemding van een activum een concreet plan heeft om in directe samenhang met de vervreemding van het activum een ander activum te verwerven dat zowel functioneel als economisch in het vermogen van de belastingplichtige dezelfde plaats inneemt als het vervreemde activum. Goed koopmansgebruik staat dan toe de ter gelegenheid van de vervreemding behaalde boekwinst in mindering te brengen op de kostprijs van dat andere activum, waardoor bij de vervreemding geen winst tot uitdrukking behoeft te worden gebracht. Deze regel vormt een onderdeel van de herinvesteringsreserveregeling en geldt voor de gehele fiscale winstbepaling (in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting).
Het is mogelijk dat door het benutten van een herinvesteringsreserve belastingheffing over verkoopwinsten op beleggingsvastgoed wordt uitgesteld, mits het betreffende vastgoed kwalificeert als bedrijfsmiddel. Een herinvesteringsreserve kan niet worden gevormd voor panden die worden gekocht met het oog op de verkoop en die niet worden gekocht met het oog op exploitatie. Overigens wordt door de afschrijvingsbeperking op gebouwen de opbouw van stille reserves afgeremd.8
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat internationale fiscaliteit (gepland op 3 juli 2025)?
Ja.
De invulling van de klimaatmaatregelen voor de glastuinbouw |
|
Pieter Grinwis (CU), André Flach (SGP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Rummenie , Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de potentiële impact die het van toepassing verklaren van ETS-2 en de bijmengverplichting op de glastuinbouw (Kamerstuk 32 140, nr. 251) kan hebben op glastuinbouwbedrijven1?
Ja.
Hebben alle partners in het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022–2030 ingestemd met de opt-in voor ETS-2, zoals gevraagd in de motie-Flach/Grinwis (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 24)? Zo nee, waarom zet u deze opt-in dan wel door?
Mede op basis van de motie van de leden Flach en Grinwis heeft intensief overleg plaatsgevonden met Glastuinbouw Nederland en Greenports Nederland. Vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid is het onvermijdelijk dat de glastuinbouw gaat deelnemen aan ETS2, via een opt-in of door onterechte kosten. In onderstaande beantwoording wordt hier verdere toelichting bij gegeven.
Het kabinet neemt de zorgen en wensen van de sector zeer serieus. Daarom is er afgelopen maanden hard gewerkt om hier gehoor aan te geven én oog te houden voor de bredere uitdagingen – waaronder het behalen van de klimaatdoelen zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord en het bredere belang van de bijmengverplichting groen gas voor een robuust toekomstig energiesysteem, het verdienvermogen, stikstof- en methaanreductie in de landbouw en het aanbod van duurzame CO2. Met het pakket wordt gehoor gegeven aan de zorgen van de glastuinbouw door middel van de vermindering en vertraging van de bijmengverplichting, financiële compensatie tot de benodigde tariefhoogte om het doel met voldoende zekerheid te borgen én door extra middelen te reserveren om randvoorwaarden specifiek voor de glastuinbouw verder op orde te brengen. In april 2026 wordt geëvalueerd of de uitgewerkte compensatie voor de meerkosten van de ETS2 opt-in redelijk en tijdig is. Het kabinet blijft hierover in gesprek met de convenantspartijen in het vertrouwen dat de zorgen vanuit de sector over de redelijke en tijdige compensatie weg te nemen zijn op basis van de uitgewerkte compensatieregeling.
Kunt u aangeven waarom het niet mogelijk zou zijn de glastuinbouw uit te zonderen van ETS-2, terwijl Eneco en Glastuinbouw Nederland een voorstel hebben gedaan om deze uitzondering uitvoeringstechnisch vorm te geven en in omliggende landen deze uitzondering wel mogelijk blijkt te zijn?
Het kabinet heeft september vorig jaar de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de uitvoeringsproblematiek in het ETS2 (Kamerstuk 32 813, nr. 1413). Een belangrijke oorzaak is dat een groot deel van de Nederlandse glastuinbouwbedrijven ook actief is in energieproductie en energieproductie verplicht onder ETS2 valt. De ETS-richtlijn maakt voor het ETS2 gebruik van de Common Reporting Format (CRF) uit de 2006 IPCC-richtsnoeren voor de afbakening van welke emissies onder de reikwijdte vallen. Door de onduidelijkheid in deze IPCC-richtsnoeren in de definitie van hoofdactiviteit energieproductie kunnen energieleveranciers vooraf (ex ante) niet goed bepalen voor welk gedeelte van de gaslevering wel ETS2 rechten ingeleverd moeten worden en voor welk deel niet. Als consequentie zullen energieleveranciers rechten moeten inleveren voor alle emissies in de sector. Het kabinet heeft de afgelopen maanden samen met alle relevante partijen, waaronder de NEa, de glastuinbouwsector en energieleveranciers, naar een mogelijkheid gezocht om een vrijstelling vooraf van de glastuinbouw uitvoerbaar te maken, maar dit is door de onduidelijkheid in de definitie niet mogelijk gebleken. Omdat vooraf vrijstellen van het deel van de glastuinbouw dat niet verplicht onder ETS2 valt voor energieleveranciers niet uitvoerbaar is, zouden zij ETS2-kosten aan alle glastuinbouwbedrijven gaan doorberekenen vanaf 2027. Er is geen voorstel van Eneco, van energieleveranciers of van Energie-Nederland dat een uitzondering voor glastuinbouw uitvoerbaar maakt. Energie-Nederland heeft aangegeven voorstander te zijn van een opt-in van de glastuinbouw. Vanwege deze uitvoeringsproblematiek is financiële compensatie bieden de enige manier om glastuinbouwbedrijven uit te zonderen van de impact van ETS2. In het besluit worden de meerkosten van het ETS2 t.o.v. het nieuwe tarief van de CO2-heffing in de glastuinbouwsector volledig gecompenseerd.
Alle lidstaten die naast Nederland tot nu toe formeel een opt-in verzoek hebben ingediend bij de Europese Commissie hebben de glastuinbouw hierbij betrokken. Dit zijn Oostenrijk, Zweden en Finland. De meeste andere lidstaten hebben laten weten dat er nog politieke besluitvorming moet plaatsvinden over een eventuele opt-in. Lidstaten hebben tot 1 januari 2027 nog de tijd om voor de start van ETS2 een opt-in te implementeren, maar kunnen dat ook na de start van ETS2 nog doen.
In januari heeft de Duitse regering de wet die ETS2 in Duitsland implementeert aangenomen. In deze aangenomen wet valt de glastuinbouw ook onder het ETS2. In het coalitieakkoord van de nieuwe Duitse regering staat echter het voornemen om de landbouwsector buiten ETS2 te houden. Verdere details van de Duitse plannen zijn nog onbekend, inclusief of ze dit willen gaan uitvoeren via compensatie achteraf of anderszins. België heeft ook nog geen politieke keuze gemaakt ten aanzien van de ETS2 opt-in voor de glastuinbouw. Frankrijk is voornemens een opt-in in te voeren om de uitvoerbaarheid van het ETS2 te verbeteren, de inhoud hiervan is echter nog niet bekend.
Heeft er in uw ogen voldoende inhoudelijk overleg plaatsgevonden tussen betrokken partijen, waaronder de Nederlandse Emissieautoriteit, sectorpartijen en energieleveranciers, over de mogelijkheden om een uitzondering voor de glastuinbouw in ETS-2 uitvoeringstechnisch vorm te geven?
Ja. Er hebben gedurende meer dan een jaar diverse intensieve overleggen plaatsgevonden met de sector over de plannen, waaronder een technische briefing en directe gesprekken met de betrokken bewindspersonen. Er zijn voor de sector ook gesprekken gefaciliteerd met de NEa en energieleveranciers. De problematiek is veelvuldig in diverse sessies verkend. Juridische en uitvoeringsexpertise is daarbij nauw betrokken geweest. Ten slotte is er ook na het bekendmaken van de besluitvorming op 25 april in convenantsverband contact geweest met de sector.
Hoe verhouden de genomen besluiten met betrekking tot ETS-2 en de bijmengverplichting en de voorbereiding daartoe zich tot de afspraken in het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022–2030?
In het convenant Energietransitie Glastuinbouw uit 2022 zijn geen afspraken gemaakt over ETS2 of de bijmengverplichting. In voorbereiding van het principebesluit om de glastuinbouw onder ETS2 en de bijmengverplichting te brengen heeft overleg plaatsgevonden met alle convenantspartners. ETS2 en de bijmengverplichting groen gas hebben als effect een lastenstijging en daarmee gevolgen voor de afspraken in het convenant, met name wegens de interactie met de CO2-heffing glastuinbouw die het klimaatdoel uit het convenant borgt. Zoals omschreven in de beantwoording van vraag 3 is het niet mogelijk gebleken om de glastuinbouw goed uit te zonderen van ETS2. Datzelfde geldt voor de bijmengverplichting. Een andere optie specifiek voor de bijmengverplichting, namelijk een verplichting voor alleen kleinverbruikers, is in een eerder stadium uitgebreid onderzocht. Ook deze is niet uitvoerbaar gebleken, omdat de benodigde data niet tijdig genoeg verkregen kan worden (van bijvoorbeeld huishoudens zonder slimme meters). Er is daarom gekeken naar andere alternatieven om de impact voor de glastuinbouw te verkleinen, zoals vertraging en vermindering van de gehele bijmengverplichting. Er is voor gekozen om de bijmengverplichting verlaagd (met 25%) in te voeren en pas vanaf 2027, in tegenstelling tot 2026 zoals eerder het voornemen was. Dit gaat dan uiteraard wel deels ten kosten van de voordelen van de bijmengverplichting zoals een robuust toekomstig energiesysteem, het verdienvermogen en stikstof- en methaanreductie in de landbouw en het aanbod van duurzame CO2. Voor het besluit tot deelname aan de ETS2 opt-in en de groen gas bijmengverplichting is daarom aanvullend gekozen om de glastuinbouw te compenseren voor de extra lasten ten opzichte van de CO2-heffing glastuinbouw en daarmee recht te doen aan het convenant. Het kabinet is en blijft in gesprek met alle convenantspartijen.
Is in aanloop naar de voorjaarsbesluitvorming met sectorpartijen, waaronder Glastuinbouw Nederland, overleg gevoerd over ETS-2, de bijmengverplichting, de CO2-heffing en eventuele alternatieven hiervoor en over de invulling van compenserende maatregelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven voor de opt-in bij ETS-2 en de bijmengverplichting zijn onderzocht? Waarom is hier niet voor gekozen?
Ja, zie antwoorden op vragen 2–4.
Is de veronderstelling juist dat de verschillende beprijzingsmaatregelen voor de glastuinbouw optellen tot ongeveer 200 euro per ton CO2, terwijl voor het bereiken van het sectordoel maar ongeveer 100 euro per ton CO2 nodig is?
Wij kunnen uw veronderstelling niet toetsen aangezien onduidelijk is welke maatregelen wel en niet zijn meegenomen in de door u genoemde beprijzingsniveaus. De beprijzing in de glastuinbouwsector bestaat op dit moment uit een combinatie van de energiebelasting op aardgas en een aparte CO2-heffing voor de glastuinbouw. De komende jaren wordt de energiebelasting op aardgas voor de glastuinbouw stapsgewijs verhoogd, doordat het verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw wordt afgebouwd en de bestaande inputvrijstelling voor gebruik van aardgas voor elektriciteitsproductie geleidelijk wordt beperkt. Doordat via de inputvrijstelling een deel van het aardgasverbruik is vrijgesteld en de energiebelasting een degressieve tariefstructuur kent, verschilt de hoogte van de CO2-prijs per tuinder. Bovenop de energiebelasting op aardgas geldt per 1 januari van dit jaar een aparte CO2-heffing voor de glastuinbouw. De hoogte van het heffingstarief wordt afgesteld op wat nodig is om het afgesproken restemissiedoel van 4,3 Mton in 2030 te realiseren.
In de vorige tariefstudie (2024) hebben Berenschot en Kalavasta berekend dat een heffingstarief van de CO2-heffing van circa 100 euro/ton CO2 in 2030 nodig is om het afgesproken restemissiedoel te halen2. Doordat er ook maatregelen in de energiebelasting zijn genomen is toen geadviseerd om een tariefhoogte van circa 14,5 euro/ton CO2 te hanteren. Uit de klimaat- en energieverkenning van PBL bleek afgelopen najaar dat de glastuinbouw nog niet op koers ligt om het afgesproken klimaatdoel te halen. Het kabinet laat daarom een nieuwe tariefstudie uitvoeren om de benodigde CO2-prijs te berekenen. De eerste concept resultaten van deze studie laten zien dat het tarief van de CO2-heffing glastuinbouw in 2030 moet stijgen naar 42,50 euro/ton CO2 om in 2030 het sectordoel te bereiken. De berekeningen van de tariefstudie worden op dit moment afgerond en met Prinsjesdag met de Kamer gedeeld.
Het kabinet is voornemens om per 2027 de glastuinbouw onder ETS2 en de bijmengverplichting groen gas te brengen. Hiermee zou de totale CO2-prijs inderdaad hoger worden dan nodig om het afgesproken restemissiedoel te borgen. Als compensatie is het kabinet daarom voornemens om de CO2-heffing glastuinbouw af te schaffen, een kostencompensatieregeling voor ETS2 uit te werken en de energiebelastingtarieven voor de glastuinbouw aan te passen.
Hoe verhouden de uitvoeringslasten van een eventuele uitzondering van de glastuinbouw voor ETS-2 en de bijmengverplichting zich tot de uitvoeringslasten van de gewenste bedrijfsspecifieke compensatie?
Naar verwachting zouden de lasten van een uitzondering gelijk of groter zijn dan van een compensatieregeling, zowel voor de overheid als voor tuinders. De NEa geeft aan dat het ETS2 slecht uitvoerbaar, slecht handhaafbaar en fraudegevoelig is als glastuinbouw uitgezonderd blijft. Het leidt tot hoge administratieve lasten voor zowel energieleveranciers als glastuinbouwbedrijven en er wordt een ongelijk speelveld in de sector in Nederland gecreëerd. Een uitzondering lost namelijk het probleem zoals toegelicht in antwoord 2 niet op, namelijk dat energieleveranciers geen onderscheid kunnen maken. In geval van een uitzondering krijgen tuinders nog steeds te maken met doorberekende ETS2-kosten. Omdat deze kosten bij een opt-out onterecht zouden zijn, zou Nederland een Europese teruggaveregeling kunnen implementeren om tuinders achteraf te compenseren voor de onterecht gemaakte kosten. Daarbij blijft dan echter onduidelijk tot welk niveau een tuinder gecompenseerd zou mogen worden, omdat niet goed vast te stellen is welk deel van de doorberekende ETS2-kosten terecht of onterecht zijn. De lasten zijn dus in dat geval niet alleen hoger, er zou ook meer rechtsonzekerheid ontstaan.
Kunt u de nieuwe tariefstudie van de CO2-heffing glastuinbouw, uitgevoerd door Kalavasta en Berenschot, voor de debatten over de voorjaarsbesluitvorming met de Kamer delen?
Berenschot en Kalavasta zullen de tariefstudie uiterlijk in september afronden, dit mede op basis van input vanuit de glastuinbouwsector. De tariefstudie zal op dat moment ook met de Kamer worden gedeeld.
Acht u de genoemde verhoging van de CO2-heffing van 17,70 euro naar 42,50 euro per ton CO2 de meest kosteneffectieve en haalbare maatregel om het sectordoel te halen? Hoe is de problematiek van netcongestie, waardoor veel tuinders de voor verduurzaming noodzakelijke aansluiting op het net niet kunnen krijgen, meegewogen?
Het kabinet is tot een evenwichtig pakket aan maatregelen gekomen om de verduurzaming van de glastuinbouw op koers te houden. Dit betreft naast het verhogen van de prijs van aardgas (via ETS2 en kostencompensatieregeling) ook het reserveren van 200 miljoen uit het Klimaatfonds voor de glastuinbouw. Met deze middelen kunnen de randvoorwaarden voor verduurzaming van de glastuinbouwsector worden verbeterd. Berenschot en Kalavasta is gevraagd om de consequenties van het gehele pakket in beeld te brengen in de definitieve tariefstudie. Daarbij zal het onderzoeksbureau ook nagaan in hoeverre de glastuinbouwsector handelingsperspectief heeft om te verduurzamen. Dit mede met het oog op netcongestie.
Op dit moment werkt het kabinet aan het verbeteren van randvoorwaarden voor energietransitie voor Nederland, bijvoorbeeld met het landelijk actieprogramma netcongestie. Aanvullend is er ook inzet op het verbeteren van de randvoorwaarden specifiek voor de glastuinbouwsector. Zo werkt het kabinet in samenwerking met de sector aan het Actieprogramma Randvoorwaarden Energietransitie Glastuinbouw. Deze zal met Prinsjesdag gedeeld worden.
Kunt u aangeven welke impact (het rekenen met) een CO2-heffing van 42,50 euro per ton CO2 heeft op de economische rendabiliteit van glastuinbouwbedrijven? Hoe verhoudt dit kostenplaatje, inclusief energiebelasting, zich tot het kostenplaatje van CO2-uitstoot voor glastuinbouwbedrijven in omringende landen?
Het benodigde tarief komt in de concept tariefstudie uit op € 42,50 per ton CO2 in 2030 in plaats van € 17,70/ton CO2. Dit komt bovenop de effecten van de energiebelasting. De impact van een € 42,50 per ton CO2 (ca. 7–8 cent per kuub gas) op de economische rendabiliteit op glastuinbouwbedrijven is niet apart doorgerekend. Uit een rapport dat het kabinet met u deelde in januari 2025 volgt dat door een prijsverhoging van 12 cent per kuub gas de kosten kunnen oplopen tot iets meer dan 8% van het bedrijfsresultaat van een glastuinbouwbedrijf. Dit betreft dan vooral grootverbruikers met warmtekrachtkoppeling (wkk), bij bedrijfstypen met een gasketel is de toename minder sterk.3
Om te voorkomen dat overbeprijzing plaatsvindt om het restemissiedoel voor 2030 te halen zet het kabinet in op compensatie van ETS2 en de groen gas bijmengverplichting tot het geactualiseerde benodigde tarief. In april 2026 wordt geëvalueerd of de uitgewerkte compensatie redelijk en tijdig is. Het tarief van de CO2-heffing zal voor 2026 niet worden aangepast, waardoor er op de korte termijn geen effecten worden verwacht voor de rentabiliteit.
Uit een studie van Blue Terra4 uit 2024 blijkt dat de totale kosten in 2023 voor gas en elektriciteit, inclusief belasting, CO2 en netkosten voor de glastuinbouw, ten opzichte van omringende landen redelijk gemiddeld zijn. Voor 2030 verwacht Blue Terra dat de kosten in Nederland sterk toenemen door hogere energiebelasting, invoering CO2-heffing glastuinbouw en sterke stijging Nederlandse nettarieven. Wat omringende landen richting 2030 doen is nog niet geheel bekend. Blue Terra gaf destijds aan dat het risico dat tuinders in Nederland aan hogere kosten worden blootgesteld in 2030 dan omringende landen hoog is.
Gaat u zowel de lastenverzwaringen als gevolg van ETS-2 als van de bijmengverplichting volledig en langjarig compenseren op bedrijfsniveau als kostencompensatie?
Als onderdeel van het pakket wordt een compensatieregeling uitgewerkt die het totale beprijzingsniveau terugbrengt tot de hoogte van het nieuwe CO2-heffingstarief. Het gaat dan om een beprijzingsniveau dat, zoals afgesproken in het convenant, het 2030-doel met voldoende zekerheid borgt. De bijmengverplichting valt niet onder de compensatieregeling i.v.m. staatssteunregels. Om tegemoet te komen aan de lastenstijging wordt de verplichting daarom verlaagd (met 25%) en pas vanaf 2027 ingevoerd, in tegenstelling tot 2026 zoals eerder het voornemen was. De overige lasten vanuit de bijmengverplichting worden fiscaal gecompenseerd, met oog op staatssteungoedkeuring en binnen de grenzen van het herstel- en veerkrachtplan. Ruim voor 2030 gaat het kabinet in gesprek met de sector over nieuwe afspraken voor na 2030 om de balans in stimuleren en beprijzen voort te zetten.
Op welke wijze kunnen het staatssteunkader en de grenzen van het herstel- en veerkrachtplan belemmeringen opwerpen voor volledige bedrijfsspecifieke compensatie? Hoe wordt voorkomen dat het gezien wordt als fossiele subsidie?
In het herstel- en veerkrachtplan zijn afspraken gemaakt ten aanzien van de hoogte van de CO2-heffing glastuinbouw en verlaagde energiebelastingtarieven voor de glastuinbouw in 2025 en 2026. Om de desbetreffende mijlpalen in het herstel- en veerkrachtplan te halen mogen deze hervormingen niet worden teruggedraaid na 2026. Hiermee wordt met name compensatie via de verlaagde energiebelastingtarieven beperkt (tot het niveau van de verlaagde energiebelastingtarieven uit 2026).
Het staatssteunkader is met name relevant bij de vormgeving van de kostencompensatieregeling ter compensatie van ETS2. De gesprekken hierover met de Europese Commissie zullen worden voortgezet aan de hand van de specifieke vormgeving van deze regeling.
De overheid beprijst aardgas mede omdat bij de verbranding hiervan CO2 vrijkomt en dit bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Iedere regeling waarbij een sector minder dan de reguliere prijs hoeft te betalen voor aardgas wordt aangemerkt als een fossiele subsidie. Dit geldt ook wanneer er goede redenen zijn om een uitzondering te maken, bijvoorbeeld omwille van de energietransitie. Wat dat betreft kan niet worden voorkomen dat de kostencompensatieregeling en de verlaagde energiebelastingtarieven gezien worden (of blijven) als fossiele subsidie. Hier staan uiteraard de netto hogere lasten van de ETS2 opt-in en bijmengverplichting tegenover.
Kunt u een inschatting geven van de gevolgen van de stapeling van lastenverzwaringen voor de glastuinbouw, inclusief de eerdere fiscale lastenverzwaringen, voor de concurrentiepositie van glastuinbouwbedrijven?
Zie antwoord op vraag 11.
Gaat u bestaande SDE++-projecten niet corrigeren voor de bijmengverplichting, zoals u ook voornemens bent ten aanzien van ETS-2? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de SDE+ subsidie wordt bepaald door het verschil tussen de kostprijs (het basisbedrag) en de marktprijs van het product (het correctiebedrag). Het correctiebedrag voor warmte is uitdagend om vast te stellen voor warmteprojecten omdat er geen marktindex voor warmte is. In plaats daarvan wordt de marktprijs voor warmte berekend op basis van een formule en de groothandelsprijs voor aardgas (TTF). Om duidelijkheid te geven aan projecten wordt deze formule over de looptijd van een project niet meer aangepast. Het correctiebedrag wordt vervolgens jaarlijks berekend met behulp van deze vaste berekeningsmethodiek en de gemiddelde aardgasprijs van dat jaar. De bijmengverplichting is geen onderdeel van de groothandelsprijs van aardgas voor bestaande projecten. Vandaar dat de bijmengverplichting voor bestaande projecten ook niet leidt tot een hoger correctiebedrag en een lagere subsidie.
Bent u ook voornemens bestaande SDE++-projecten die niet gerund worden door een glastuinbouwbedrijf, maar die wel volledig ontwikkeld zijn voor de glastuinbouw (aardwarmte, CCU) niet te corrigeren voor ETS-2 en de bijmengverplichting?
De toezegging om bij uitzondering voor de glastuinbouw binnen de SDE voor bestaande projecten niet te corrigeren voor de ETS2 moet nog worden uitgewerkt. Het moet uitvoerbaar zijn en voldoen aan de kaders voor staatssteun. Op dit moment is het nog niet mogelijk om antwoord te geven op vragen over de reikwijdte van deze uitzondering.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 15 is het voor alle bestaande projecten niet het voornemen om te corrigeren voor de bijmengverplichting.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de business case van nieuwe duurzame energieprojecten als voor zowel ETS-2 als de bijmengverplichting gecorrigeerd zal worden?
Het belangrijkste gevolg voor de business case voor hernieuwbare energieprojecten in een dergelijk scenario is dat minder SDE-subsidie zou worden uitgekeerd als de ETS2 en de bijmengverplichting opgenomen zouden worden in het correctiebedrag. Daar staat tegenover dat projecten een hogere marktprijs kunnen vragen, omdat de kosten voor het fossiele alternatief van hun klanten ook stijgen. Voor de kostenstijging door de bijmengverplichting en de ETS2 opt-in worden tuinders overigens reeds gecompenseerd tot de benodigde tariefhoogte om het doel met voldoende zekerheid te borgen, zoals hierboven toegelicht. Het is lastig om in algemene zin uitspraken te doen over de gevolgen voor de volledige business case van dergelijke projecten omdat het per situatie zal verschillen wat het specifieke effect zal zijn op de business case van een project.
De voortgang van het besluitvormingstraject rondom de natuurcompensatie Voordelta. |
|
Pieter Grinwis (CU), André Flach (SGP), Eline Vedder (CDA) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Aan welke voorwaarden zal het voorstel moeten voldoen voordat u op basis van dat voorstel tot een voorgenomen besluit kunt komen, indien belanghebbenden met betrekking tot de Voordelta erin slagen om samen te komen tot een gedragen voorstel voor alternatieve natuurcompensatie?
Klopt het dat een voorgenomen besluit over de alternatieve natuurcompensatie ook door de Europese Commissie (EC) moet worden goedgekeurd? Welke criteria worden daarbij door de EC gehanteerd?
Zoals ik ook recent heb aangegeven bij beantwoording van de vragen van de leden Vedder en Krul (beiden CDA) (AH 2031; 2025Z03876; brief d.d. 23 april 2025), moet de Europese Commissie inderdaad instemmen met het voorgenomen besluit over een alternatieve natuurcompensatie. Uit de communicatie met de Europese Commissie blijkt mij dat zij dat voorgenomen besluit zal toetsen aan het compensatieplan dat Nederland in 2003 met de Commissie heeft afgesproken; dat plan is voor de Commissie de maatlat.
Klopt het dat het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) reeds een brief vanuit Brussel heeft ontvangen over de mate van compensatie? Bent u bereid om de inhoud van deze brief per omgaande te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Dat klopt. Communicatie met lidstaten vanuit de instellingen van de Europese Unie is vertrouwelijk.
Hoeveel middelen heeft u gereserveerd voor nadeelcompensatie voor vissers die worden getroffen op het moment dat er een onherroepelijk besluit tot sluiting van bepaalde gebieden ligt? Welk deel van de getroffen vissers kan naar verwachting met deze middelen worden gecompenseerd?
Voor aan de natuurcompensatieopgave flankerende maatregelen is in totaal circa € 27 mln. beschikbaar. Ik ga ervan uit dat hiermee alle getroffen vissers gecompenseerd kunnen worden, binnen de wettelijke kaders die daarvoor gelden.
Klopt het dat de ensisvisserij eerder in de passende beoordeling en in het beheerplan Noordzeekustzone van Rijkswaterstaat is bestempeld als niet-significant, omdat de effecten van de ensisvisserij op de ecologie minimaal zijn? Welke mogelijkheden zijn er om op basis van dit feit een uitzondering te maken voor deze vorm van visserij wanneer bepaalde gebieden worden gesloten?1
Nederland heeft op grond van Habitatrichtlijn artikel 6, lid 1 en 2 de verplichting tot het treffen van instandhoudingsmaatregelen met het oog met doelbereik respectievelijk passende maatregelen om verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten te voorkomen. Daarbij heeft Nederland beleidsruimte om te bepalen met welke maatregelen aan die beide resultaatsverplichtingen wordt voldaan, als er maar aan wordt voldaan.
De genomen maatregelen moeten eveneens in overeenstemming zijn met Habitatrichtlijn artikel 2, lid 3. Dit betekent dat bij het bepalen van de maatregelen rekening moet worden gehouden met sociaal-economische omstandigheden en met lokale en regionale bijzonderheden.
Hieruit volgt dat er voor ensisvisserij een uitzondering gemaakt kan worden, als de verplichtingen uit Habitatrichtlijn artikel 6, lid 1 en 2 ook op een andere manier kunnen worden bereikt. Dus, als de natuurcompensatieopgave (verbetering van de kwaliteit van habitattype H1110B) ook op een andere manier kan worden bereikt. Kan dit niet, dan behoort gebiedssluiting voor ensisvisserij tot de mogelijkheden. In dat geval is nadeelcompensatie een optie.
Wat zijn de gevolgen voor de ensisvisserij als hun visgebieden worden gesloten en een uitzondering niet mogelijk is? Kan deze visserijsector dan nog blijven bestaan?
Ik streef ernaar, conform de motie Flach c.s., de visserij zoveel mogelijk te ontzien bij het sluiten van gebieden. Mochten er in het onherroepelijk besluit toch gebieden worden gesloten die belangrijk zijn voor de ensisvissers, dan ga ik ervan uit dat deze vissers niet zullen stoppen met vissen. Uit historische data blijkt immers dat zij ook op andere locaties vissen dan alleen in de Voordelta. Uiteraard staat het hen in dat geval vrij een verzoek om nadeelcompensatie in te dienen.
Kunt u een inschatting geven van eventuele gevolgen van compenserende maatregelen buiten de Voordelta voor visserij-activiteiten?
Het pakket aan flankerende maatregelen geldt voor de in het kader van de natuurcompensatie te sluiten gebieden, ook indien het compensatiegebied buiten de Voordelta ligt. Een inschatting is op dit moment niet te maken, aangezien het snelkookpanproces om te komen tot een voorstel voor alternatieve natuurcompensatie nog gaande is.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat bij het nemen van compenserende maatregelen buiten de Voordelta voor de visserij belangrijke gebieden vermeden worden?
Onder leiding van mijn departement proberen de meest relevante stakeholders samen te komen tot een breed gedragen voorstel voor alternatieve natuurcompensatie. Het vertrekpunt daarvoor is met hen afgestemd en afgesproken (zie vraag 1). Het is nu eerst aan de stakeholders zelf om te komen tot een voorstel met een goede balans tussen wat (juridisch) noodzakelijk is voor de natuur en wenselijk vanuit de visserij.
Het meerekenen van autonome vlootvernieuwing in de 'balanced-approach' procedure |
|
Pieter Grinwis (CU), Wytske de Pater-Postma (CDA) |
|
Barry Madlener (minister infrastructuur en waterstaat) (PVV) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de autonome ontwikkeling is meegenomen in de referentiesituatie binnen de afgeronde «balanced approach»-procedure?
Ja, de autonome ontwikkelingen tot november 2024 zijn meegenomen in de referentiesituatie van de balanced approach-procedure.
Kunt u bevestigen dat ook autonome vlootontwikkeling, dan wel autonome vlootvernieuwing, hieronder valt en is meegenomen in dezelfde referentiesituatie?
Ja, autonome vlootontwikkelingen zijn onderdeel van de autonome ontwikkelingen die zijn verwerkt in de referentiesituatie.
Kunt u aangeven met hoeveel personen u wilt dat het aantal ernstig gehinderden in totaal omlaag gaat?
Het geluidsdoel voor de eerste fase per november 2025 is –15% ernstig gehinderden binnen de 48 dB(A) Lden contour en –15% aantal woningen binnen de 58 dB(A) Lden bovenop de autonome ontwikkelingen, ten opzichte van de referentiesituatie. Kijkend naar het aantal ernstig gehinderden en woningen in de referentiesituatie, staat deze –15% bovenop de autonome ontwikkeling gelijk aan ongeveer 20.150 minder ernstig gehinderden en ongeveer 1250 minder woningen. Het genotificeerde maatregelenpakket behaalt het aantal ernstig gehinderden ruim en het aantal woningen naar verwachting exact.
In de brief van 7 mei jl.1 aan de Kamer heeft het kabinet voor het resterende percentage een beleidswijziging aangekondigd, waardoor de autonome ontwikkelingen wel kunnen bijdragen aan het behalen van het restant van het geluidsdoel. Dit heeft een effect op de daling van het aantal ernstig gehinderden en woningen. Hier zit ook een afhankelijkheid met de monitoring van het daadwerkelijke effect van de maatregelen in de eerste fase. Hier wordt verder op ingegaan in het plan van aanpak dat voor de zomer aan de Kamer wordt gestuurd.
Kunt u bevestigen dat, wanneer deze autonome vlootvernieuwing niet was meegenomen in de referentiesituatie, het geluidsprobleem aan de start van de procedure groter was geweest?
Als de autonome (vloot)ontwikkelingen niet waren verwerkt in de referentiesituatie, was de geluidsbelasting binnen die referentiesituatie hoger geweest en het geluidsprobleem groter. Dat komt door het feit dat de autonome (vloot)ontwikkeling in het model zorgen voor een verlaging van de geluidsbelasting. Het niet verwerken van die ontwikkelingen in de referentiesituatie zou dus betekenen dat die verlaging van de geluidsbelasting niet plaatsvindt. De geluidsbelasting, en het geluidsprobleem, in de referentiesituatie was dan groter geweest.
Kunt u bevestigen dat, wanneer autonome vlootvernieuwing niet was meegenomen, in de referentiesituatie een hoger geluidsdoel vastgesteld had moeten worden?
Het geluidsdoel is vastgesteld ten opzichte van de referentiesituatie waarin de autonome ontwikkelingen tot die referentiesituatie zijn verwerkt. Als die referentiesituatie anders was geweest, met een hogere geluidsbelasting, zou om een zelfde reductie van het aantal ernstig gehinderden te bereiken een hoger geluidsdoel noodzakelijk zijn.
Kunt u bevestigen dat het geluidsdoel van 20% geluidshindervermindering op het etmaal en 15% gedurende de nacht is vastgesteld boven op de autonome ontwikkelingen?
In het Actieplan omgevingslawaai Schiphol 2024–2029 is door het vorige kabinet het geluidsdoel van –20% ernstig gehinderden binnen de 48 dB(A) Lden contour, –20% aantal woningen binnen de 58 dB(A) Lden contour, –15% slaapverstoorden in de 40 dB(A) Lnight contour en –15% aantal woningen binnen de 48 dB(A) Lnight contour vastgesteld ten opzichte van de referentiesituatie en bovenop de jaarlijkse autonome ontwikkeling.
Met het genotificeerde maatregelenpakket wordt van de Lden doelen nu naar verwachting eerst –15% ingevuld conform de uitgangspunten in het actieplan. In de brief van 7 mei jl. aan de Kamer heeft het kabinet voor het resterende percentage een beleidswijziging aangekondigd. Door deze beleidswijziging geldt dat het resterende percentage niet meer bovenop de autonome ontwikkelingen komt, maar de autonome ontwikkelingen een bijdrage kunnen leveren aan het behalen van dit percentage.
Kunt u aangeven hoe hoog het geluidsdoel had moeten zijn als de autonome ontwikkelingen niet waren meegerekend in de referentiesituatie?
Omdat de autonome ontwikkelingen geen onderdeel uitmaken van het geluidsdoel is die berekening niet gemaakt.
Bent u van mening dat het onwenselijk is om autonome vlootvernieuwing dubbel mee te laten te tellen, zowel in de referentiesituatie als in het maatregelenpakket?
Het zou onwenselijk zijn om autonome vlootvernieuwing dubbel mee te laten tellen. Met de huidige methode is dat ook niet het geval. In de referentiesituatie van 1 november 2024 zijn de autonome ontwikkelingen tot dat moment meegeteld. De maatregelen komen daar bovenop, waarbij de autonome ontwikkeling na 1 november 2024 niet meetelt. Tussen 1 november 2024 en 1 november 2025 is er sprake van een correctie voor autonome ontwikkeling. Daarom is er geen sprake van een dubbeltelling.
Klopt het dat, wanneer de autonome vlootvernieuwing meegerekend wordt in het maatregelenpakket om de resterende 5% in te vullen, deze dubbel meegeteld wordt, namelijk in zowel in de referentiesituatie als in het maatregelenpakket? Zo nee, kunt u uitleggen waarom dat niet het geval is?
Voor de resterende 5% wordt een beleidswijziging doorgevoerd waardoor de autonome ontwikkelingen wel kunnen bijdragen aan het behalen van het restant van het geluidsdoel. Dit vraagt om een wijziging van het geluidsdoel zoals het nu is vastgesteld in het Actieplan omgevingslawaai Schihol 2024–2029. Deze aanpassing zal worden doorgevoerd, zodat autonome ontwikkelingen die na november 2025 plaatsvinden kunnen bijdragen aan het restant van het geluidsdoel. Na deze aanpassing is er ook hier geen sprake van een dubbeltelling.
Bent u bereid een nieuwe referentiesituatie vast te stellen, indien u besluit autonome vlootvernieuwing alsnog mee te nemen bij het invullen van de resterende 5% geluidsreductieopgave?
Als gevolg van de beleidswijziging zoals aangekondigd door het kabinet in de brief van 7 mei jl. aan de Kamer zal een wijziging plaatsvinden van het Actieplan omgevingslawaai Schiphol 2024–2029. In het actieplan is het geluidsdoel namelijk vastgelegd en dat moet aangepast worden. Hoe er als gevolg van deze beleidswijziging wordt omgegaan met de referentiesituatie zal onderdeel zijn van die wijziging.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor het tweeminutendebat Schiphol, beantwoorden?