De campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal. |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal en kunt u aangeven welke publieke middelen direct of indirect beschikbaar zijn gesteld aan deze campagne, de betrokken organisaties en de uitvoering daarvan?1
Ja, ik ben bekend met deze campagne. Voor deze campagne zijn geen publieke middelen beschikbaar gesteld. Zilveren Kruis en KNVB zijn een maatschappelijk partnership aangegaan om mentale gezondheid onder jongeren bespreekbaar te maken. Het initiatief «De onzichtbare blessure» wordt volledig door hen gefinancierd.
Welke concrete, meetbare doelstellingen zijn aan deze campagne verbonden, op basis van welke wetenschappelijke inzichten is gekozen voor deze aanpak en hoe wordt vastgesteld of de campagne daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de mentale gezondheid van jongeren?
Zilveren Kruis en KNVB zetten in op een brede, preventieve aanpak waarin voetbal wordt benut als katalysator voor positieve verandering om zodoende de kans te verkleinen dat jongeren op latere leeftijd mentale gezondheidsproblemen ervaren. In samenwerking met experts, kennispartners en maatschappelijke organisaties zoals MIND Us, Erasmus Universiteit en Play Mental wordt ingezet op een omgeving waarin het net zo vanzelfsprekend is om te praten over hoe je je voelt als dat het is om over een fysieke blessure te praten.
De gezamenlijke ambitie is om binnen vijf jaar aantoonbare impact te maken op de mentale gezondheid van jongeren tussen de 16 en 25 jaar. Dit gebeurt langs drie sporen: het bereiken en inspireren van 9,6 miljoen sportliefhebbers, het bieden van praktische tools aan 100.000 voetballende jongeren via hun omgeving en het actief ondersteunen van jongeren via voetbalverenigingen. Daarbij staat bewustwording, het bespreekbaar maken van mentale gezondheid en het bieden van concrete handvatten centraal. Vanuit de overtuiging dat niet alle mentale uitdagingen een zorgvraag zijn, maar ook vragen om steun vanuit de sociale omgeving.
Het partnerschap is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten. Onderzoek van het Trimbos-instituut laat zien dat één op de vier Nederlandse jongeren wel eens mentale problemen ervaart2. Vertaald naar het voetbal betekent dit dat er in een gemiddelde kleedkamer meerdere jongeren kunnen zitten die niet lekker in hun vel zitten. Daarbij gaat het niet alleen om psychische klachten waarvoor professionele hulp nodig is, maar ook om gevoelens van stress, prestatiedruk, onzekerheid en somberheid.
De effecten van de campagne worden gemonitord. In samenwerking met onderzoeksbureau Motivaction zijn een nulmeting en een vervolgmeting uitgevoerd onder Nederlandse sportliefhebbers. Hieruit blijkt dat mensen die de campagne hebben gezien het belang van mentale gezondheid binnen de sport vaker onderschrijven en vaker bereid zijn hierover het gesprek aan te gaan. De campagne laat daarmee positieve effecten zien op bewustwording, houding en gespreksintentie. Zilveren Kruis en de KNVB blijven deze ontwikkelingen – in samenwerking met kennispartners – monitoren en sturen waar nodig bij om de gestelde doelen te realiseren.
Kunt u aangeven hoeveel vergelijkbare campagnes op het gebied van mentale gezondheid de afgelopen vijf jaar met publieke middelen zijn ondersteund, wat deze hebben gekost en welke aantoonbare resultaten zij hebben opgeleverd?
Het Ministerie van VWS heeft in de afgelopen vijf jaar drie keer een campagne over mentale gezondheid van jongeren rechtstreeks gefinancierd. Dit ging om verschillende versies van de grootschalige «Hey, het is oké» campagne. De campagne startte met als doel het wegnemen van het stigma rond psychische aandoeningen. Door de jaren heen werd dit doorontwikkeld naar een campagne specifiek gericht op jongeren om beginnende mentale klachten, zoals eenzaamheid en prestatiedruk bespreekbaar te maken. Vroegtijdig praten doorbreekt een taboe en helpt na te denken over oplossingen met mensen die je vertrouwt. De campagne liep tussen 2021 en 2024. De totale kosten bedroegen bijna € 3,3 miljoen. De campagne bestond uit verschillende thema’s over bijvoorbeeld prestatiedruk, eenzaamheid, werkstress en winterdip.
De campagne-effectonderzoeken zijn gepubliceerd en te vinden op de website van de Rijksoverheid3 4. Zo blijkt uit het onderzoek over de campagne in 2024 dat jongeren en jongvolwassenen (16–25 jaar) vaker met een vertrouwd iemand zijn gaan praten wanneer sprake was van beginnende mentale klachten. Ook zagen jongeren de voordelen van in gesprek gaan meer in.
Hoe wordt voorkomen dat belastinggeld vooral terechtkomt bij campagnes, workshops, ambassadeurs en overlegstructuren, terwijl jongeren met psychische problemen nog steeds te maken hebben met wachtlijsten en beperkte toegang tot passende hulp?
Als we de mentale gezondheid willen verbeteren en de druk op de (jeugd)ggz willen verlichten dan is een brede blik nodig op de oorzaken en de oplossingen rondom mentale problemen. Verschillende risico- en beschermende factoren hebben invloed op iemands mentale gezondheid. Niet elke hulpvraag is gebaad bij een antwoord in zorg. Preventie en ondersteuning zijn belangrijk voor het voorkomen en verergeren van mentale klachten. Deze samenhang vraagt om een integrale kijk naar de uitdagingen in de keten van mentale gezondheid en ggz.
Campagnes, bijeenkomsten en workshops kunnen een middel zijn om kennis en bewustwording van het belang van een goede mentale gezondheid te vergroten. Het probleem erkennen is essentieel in het zoeken naar een oplossing. Communicatie, rechtstreeks vanuit de overheid of juist via andere organisaties die dichter bij bijv. jongeren staan, kan onderdeel zijn van de bredere aanpak in het verbeteren van de mentale gezondheid.
In de versterkingsagenda mentale gezondheid en ggz5 zijn maatregelen opgenomen die inzetten op de knelpunten tussen beleidsdomeinen in de keten van mentale gezondheid en ggz. Hierin is zowel aandacht voor het versterken van de mentale veerkracht als voor wachttijdondersteuning. Ook in het Aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (Azwa) zijn aanvullende afspraken gemaakt gericht op het toegankelijk en betaalbaar houden van kwalitatief goede zorg en ondersteuning.
Afgelopen januari is de wet Verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg in werking getreden. In deze wet zijn maatregelen opgenomen om de beschikbaarheid van, met name, specialistische jeugdzorg te verbeteren. De wet verplicht gemeenten om specialistische zorg regionaal in te kopen en geeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wettelijke taken op het terrein van vroegsignalering van beschikbaarheidsrisico’s, stelselonderzoek naar de beschikbaarheid van jeugdzorg en toezicht.
Kunt u aangeven hoeveel jongeren momenteel wachten op geestelijke gezondheidszorg en hoe de uitgaven aan bewustwordingscampagnes zich verhouden tot investeringen in daadwerkelijke behandeling en ondersteuning?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van jeugdhulp. Er is geen landelijk overzicht van het aantal jongeren dat wacht op ggz. Inzicht in wachttijden gebeurt in eerste instantie op gemeentelijk en regionaal niveau.
De financiering van de jeugdzorg verloopt grotendeels via het gemeentefonds. Gemeenten bepalen in beginsel zelf hoe zij dit budget besteden. Veel gemeenten investeren zelf ook in specifieke projecten/activiteiten, campagnes en interventies gericht op het versterken van de mentale veerkracht van jongeren. Hier is geen landelijk overzicht van.
De Rijksoverheid financiert op dit moment geen bewustwordingscampagne. Wel is afgelopen jaar onder het concept Praatpower een toolbox ontwikkeld om (lokaal) in gesprek te gaan met jongeren en hun omgeving en zijn gesprekken geïnitieerd en gevoerd over mentale gezondheid en wat jongeren nodig hebben om mentaal gezond te blijven. Het rapport met aanbevelingen is 27 januari aan uw Kamer aangeboden6.
Welke afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin tijdens dergelijke bijeenkomsten signalen naar voren komen van ernstige psychische problemen, suïcidaliteit, huiselijk geweld of kindermishandeling en hoe wordt geborgd dat deze jongeren snel passende hulp krijgen?
Hier is niet één antwoord op te geven. Afspraken zullen per project verschillen. Binnen de toolbox van Praatpower is in elk geval nadrukkelijk aandacht voor de psychologische veiligheid van de deelnemers en mogelijkheden voor nazorg. Hierbij wordt ook verwezen naar het platform www.injebol.nl. Op dit platform kunnen jongeren terecht voor laagdrempelige ondersteuning. Indien noodzakelijk verwijzen de vrijwilligers achter de ondersteuningslijn van www.injebol.nl door naar 113.
Deelt u de opvatting dat het bespreekbaar maken van mentale problemen waardevol kan zijn, maar nooit een vervanging mag worden voor tijdige professionele hulpverlening? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat jongeren na signalering ook daadwerkelijk hulp ontvangen?
Ja, deze opvatting deel ik. Het bespreekbaar van mentale problemen kan verlichting bieden voor (lichte) mentale klachten. Een zorgtraject is ook niet altijd het passende antwoord op een hulpvraag. Een deel van de jongeren is meer gebaat bij andere vormen van ondersteuning of preventieve hulp.
In het Azwa zijn afspraken gemaakt over verbetering van de aansluiting op het snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein. Gemeenten, aanbieders en zorgverzekeraars hebben in het Azwa afspraken gemaakt over welke «basisfunctionaliteiten» in elk geval in elke regio of gemeente beschikbaar moet zijn, zoals bijvoorbeeld de basisfunctionaliteit sociaal verwijzen.
"Belastingdienst hield datakluis op slot tijdens verzamelen gegevens parlementaire enquête" |
|
Nicole Moinat (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze berichten?1 2 3 4 5 6 7
Ja.
Op welke wijze gaat u de plechtige belofte van uw ambtsvoorganger die destijds persoonlijk excuses aangeboden heeft aan de gedupeerde toeslagenouders alsnog waarmaken en de toeslagenouders recht doen, nu blijkt dat relevante documentatie over hun eigen zaak jarenlang bewust of onbewust is achtergehouden in de datakluis?
Wij begrijpen dat de datakluis bij veel gedupeerde toeslagenouders, burgers en ondernemers nieuwe vragen oproept. De toeslagenaffaire heeft het vertrouwen van ouders die slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire in de overheid ernstig geschaad. Daarbij erkennen wij nogmaals dat hier fouten zijn gemaakt, hier niet adequaat op is gehandeld en dat verbetering nodig is. Het herstel van de financiële en emotionele schade van gedupeerde toeslagenouders is nodig en urgent. Ook erkent dit kabinet onverkort de ernst van de toeslagenaffaire en de impact daarvan op de levens van ouders, kinderen en hun naasten. Voormalig Minister-President Rutte heeft namens het kabinet excuses aangeboden voor de toeslagenaffaire. De inspanning van de Staatssecretaris Herstel Toeslagen is erop gericht de hersteloperatie spoedig, rechtmatig en met aandacht voor de zorgen van ouders te volbrengen.
Het kabinet acht het van groot belang dat alle relevante informatie zorgvuldig wordt geïnventariseerd en betrokkenen inzage krijgen in de op hen betrekking hebbende gegevens. Dat geldt voor gedupeerde toeslagenouders, maar eveneens voor burgers en ondernemers die voorkomen in FSV, RAM of de datakluis. Het kabinet werkt eraan om deze informatie zorgvuldig en zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 naar aanleiding van het onafhankelijk onderzoek van BDO is geschetst op welke wijze wij de komende tijd de omvangrijke datakluis zullen doorzoeken en verwerken. Daarin is – ten opzichte van de Kamerbrieven van 15 april 2026 en 22 mei 2026 – nadrukkelijk een derde spoor toegevoegd, namelijk de wijze waarop wij recht willen doen aan de verzoeken van burgers en bedrijven om toegang tot informatie uit of over de datakluis. De Kamer wordt, zoals eerder toegezegd, geïnformeerd over de voortgang en de wijze waarop betrokkenen toegang krijgen tot hun eigen dossier. Voor het kabinet blijft het uitgangspunt dat herstel alleen mogelijk is als openheid en transparantie vooropstaan. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 bent u geïnformeerd over het instellen van een externe commissie per 1 oktober 2026.
In onze brief van 15 april 2026 hebben wij reeds aangegeven dat we ervoor waken dat documenten die relevant zijn voor PEFD, POK of andere leveringen, zullen worden gedeeld. Daarnaast benadrukken wij dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt over de situatie van gedupeerden in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade.
Wanneer krijgen de toeslagenouders, maar ook andere burgers en ondernemers die voorkomen in Fraude Signalering Voorziening (FSV), Riscio Analyse Model (RAM) en overige onderdelen van de datakluis, inzage en afschrift van de stukken die specifiek op henzelf betrekking hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, gelet op de urgentie en de politieke gevoeligheid van deze kwestie, bereid deze vragen persoonlijk en binnen één week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. Omdat er meer vragen zijn gesteld over dit onderwerp hebben wij ervoor gekozen de Kamer in één keer te infomeren. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
De bestuurlijke problemen en de uitvoering van de jeugdzorg in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Lelystadse jeugdzorg wordt steeds duurder. De directeur die daar iets aan deed, moest vertrekken»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bestuurlijke en organisatorische problemen binnen de gemeente Lelystad ertoe hebben geleid dat aanvragen voor jeugdhulp zijn blijven liggen en de toegang tot jeugdhulp onder druk is komen te staan?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten een jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
Kunt u aangeven of de continuïteit en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad gedurende deze periode in het geding zijn geweest? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor kinderen en gezinnen?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is eind maart vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad, omdat ook vanuit VWS zorgen waren over de situatie in Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en is ook in gesprek gegaan met de gemeente Lelystad. Daarbij heeft de NZa risico’s gesignaleerd die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp. De NZa volgt de situatie nauwgezet en blijft met de gemeente in gesprek over de verdere opvolging hiervan. De NZa heeft VWS de afgelopen maanden regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken in Lelystad en blijft dit naar de toekomst toe ook doen.
Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijke wanneer een gemeente de uitvoering van de Jeugdwet onvoldoende op orde heeft en daardoor de toegang tot passende jeugdhulp in gevaar komt?
De Jeugdwet is gedecentraliseerd. Dit betekent dat gemeenten in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taak en dat de gemeenteraad verantwoordelijk is om het college hierop aan te spreken.
De NZa houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg. Deze vroegsignaleringstaak is één van de nieuwe taken die de NZa heeft gekregen met het in werking treden van de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg waarbij VWS als stelselverantwoordelijke het wetsvoorstel heeft voorbereid. Indien blijkt dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente, dan kan het Rijk de gemeente hierop aanspreken via interbestuurlijk toezicht.
Is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op de hoogte van de situatie in Lelystad? Zo ja, welke rol heeft de IGJ gespeeld of gaat zij nog spelen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zijn op de hoogte van de situatie in Lelystad. Omdat het hier om de toegang gaat en niet om de kwaliteit van de zorg bij aanbieders, heeft de IGJ hier alleen een signalerende rol in richting het Ministerie van VWS.
De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Zij zijn sinds een paar maanden in gesprek met de gemeente Lelystad over de beschikbaarheid van zorg in de gemeente Lelystad.
Zijn bij u signalen bekend dat vergelijkbare organisatorische of bestuurlijke problemen ook in andere gemeenten leiden tot vertragingen, achterstanden of onjuiste besluitvorming binnen de jeugdzorg? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het?
Als het om de beschikbaarheid van zorg gaat, dan heeft de NZa sinds 1 januari 2026 de nieuwe taak om hier zicht op te houden. De NZa heeft op dit moment geen vergelijkbare signalen van andere gemeenten.
In hoeverre beschikt u over instrumenten om in te grijpen wanneer de uitvoering van de Jeugdwet binnen een gemeente structureel tekortschiet? Bent u van mening dat deze instrumenten toereikend zijn?
Gemeenten zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de uitvoering van de Jeugdwet. De gemeenteraad is verantwoordelijk om het college van B&W hierop aan te spreken. Indien blijkt dat er desondanks sprake is van taakverwaarlozing dan heeft het Rijk het instrument interbestuurlijk toezicht. Het interbestuurlijk toezicht kent verschillende stappen die doorlopen dienen te worden. Zo vindt eerst signalering en factfinding plaats. Waarna, indien nodig, afspraken met gemeenten gemaakt kunnen worden over acties, termijnen en vervolg om de taak op grond van de Jeugdwet te kunnen borgen. In een uiterst geval kan het Rijk overgaan tot indeplaatsstelling. Tot op heden heeft het maken van afspraken over acties, termijnen en vervolg kunnen volstaan om taakverwaarlozing te beëindigen.
Welke lessen trekt u uit de gebeurtenissen in Lelystad voor de landelijke hervorming van de jeugdzorg, in het bijzonder ten aanzien van sturing, toezicht, financiële beheersing en de toegang tot passende hulp?
Met de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd is ingezet om het jeugdstelsel verder te ontwikkelen en te versterken. Met de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg heeft bijvoorbeeld de NZa nieuwe taken gekregen, waaronder de eerder genoemde vroegsignaleringstaak. Ook is voor sommige zorgvormen vastgelegd dat gemeenten verplicht regionaal moeten samenwerken in Jeugdregio’s. Dit zijn allemaal zaken die bijdragen aan een beter werkend jeugdhulpstelsel. In die beleidsontwikkeling wordt ook casuïstiek betrokken.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre bestuurlijke conflicten en organisatorische problemen binnen gemeenten ertoe leiden dat kinderen niet tijdig de jeugdhulp ontvangen waarop zij recht hebben en de Kamer hierover te informeren?
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om het gesprek te voeren met het college. Indien er bij gemeenten situaties zijn die er toe leiden dat kinderen niet tijdig jeugdhulp ontvangen, dan zal VWS hierover in gesprek gaan met de desbetreffende gemeente vanuit haar stelselverantwoordelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van de veiligheid, ontwikkeling en zorg van kwetsbare kinderen?
Geen.
Heeft u kennisgenomen van het artikel van de Telegraaf over «Broer van ernstig mishandeld meisje (6) Stadskanaal wil nooit meer iets met zijn moeder te maken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de gerechtelijke uitspraak waarin wordt vastgesteld dat deze 14-jarige jongen slachtoffer is geweest van mishandeling, misbruik en een langdurig onveilige opvoedsituatie?2
Ja.
Welke concrete hulp ontvangt deze jongen op dit moment en welke organisatie voert de regie over zijn herstel en veiligheid?
Ieder kind verdient het om veilig op te groeien en de juiste zorg te ontvangen. Wanneer een kinderrechter heeft besloten tot een kinderbeschermingsmaatregel, is het aan de gecertificeerde instelling om vervolgens uitvoering daaraan te geven. Het is de verantwoordelijkheid van de gecertificeerde instelling om een plan van aanpak op te stellen, jeugdhulp in te zetten en zicht te houden op de veiligheid van het kind. Het is niet mijn rol om te oordelen over of te controleren hoe de uitvoering van specifieke kinderbeschermingsmaatregelen plaatsvindt.
Wie is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze jongen en hoe wordt gecontroleerd of gemaakte veiligheidsafspraken daadwerkelijk worden nageleefd?
De gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor het zicht op de veiligheid van het kind.
Kan worden bevestigd dat deze jongen, ondanks de ernstige bevindingen van de rechter, nog steeds bij zijn vader verblijft? Op basis van welke veiligheidsafweging is dat gebeurd?
Zie het antwoord op vraag 3 en de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland.
Hebben onafhankelijke deskundigen beoordeeld dat verblijf bij de vader in het belang van deze jongen is? Zo ja, welke deskundigen waren daarbij betrokken en welke overwegingen lagen aan dat oordeel ten grondslag?
Zie het antwoord op vraag 3. Aanvullend daarop wijs ik erop dat de onafhankelijke kinderrechter zich over deze zaak heeft gebogen en een beslissing heeft genomen. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken deze casus expliciet mee te nemen in het lopende onderzoek naar de opvolging van signalen van kindermishandeling en kindveiligheid?
Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie Justitie en Veiligheid om te beoordelen of en welk onderzoek nodig is. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht. Het is niet aan mij om onderzoek op te dragen.
Bent u bereid de IGJ specifiek te laten onderzoeken hoe signalen over deze jongen zijn opgepakt, welke instanties betrokken waren, wie de regie voerde en waarom niet eerder is ingegrepen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Deelt u de opvatting dat wanneer een rechter vaststelt dat een minderjarige slachtoffer is geweest van mishandeling en misbruik, maximale duidelijkheid nodig is over de vraag welke bescherming en begeleiding vervolgens wordt geboden?
De bescherming en begeleiding van kinderen op wie een kinderbeschermingsmaatregel van toepassing is, wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. Dit is ook in dit geval aan de orde. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Bent u bereid bij de betrokken instanties op te vragen welke veiligheidsvoorwaarden zijn verbonden aan het verblijf van deze jongen bij zijn vader en de Kamer hierover te informeren?
Het is aan de betrokken uitvoeringsorganisaties om zorg te dragen voor het adviseren over, het besluiten over en het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen. Als stelselverantwoordelijke is het niet mijn rol om in casuïstiek te oordelen of te controleren.
Bent u bereid te laten toetsen of de huidige hulpverlening en veiligheidsmaatregelen passend zijn bij de ernst van de door de rechter vastgestelde feiten?
Ik verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en vraag 10.
Kunt u inzichtelijk maken welke instanties voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak signalen hebben ontvangen over mishandeling, misbruik, verwaarlozing, schoolproblemen of andere veiligheidsrisico’s rond deze jongen?
Het is aan de inspecties om dit al dan niet mee te nemen in hun onderzoek naar de gebeurtenissen in Stadskanaal.
Bent u bereid een onafhankelijk feitenrelaas te laten opstellen van alle meldingen, interventies, risico-inschattingen en besluiten rondom deze jongen, zodat duidelijk wordt waar het stelsel heeft gefaald en welke verbeteringen noodzakelijk zijn?
Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen 3, 10 en 12.
Welke bevoegdheden gaat u vanaf vandaag concreet inzetten om te controleren of deze jongen daadwerkelijk veilig is, passende hulp ontvangt en niet opnieuw tussen instanties uit beeld raakt?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3. Het is aan de betrokken gecertificeerde instelling om hiervoor zorg te dragen.
Wilt u deze vragen uiterlijk 19 juni 16.30 uur beantwoorden in het belang van het kind?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
De veiligheid van kinderen bij Veilig Thuis West-Brabant |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Veilig Thuis West-Brabant kampt met ernstige financiële en organisatorische problemen en dat meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling langer blijven liggen dan wettelijk is toegestaan?
Hoeveel meldingen waarbij minderjarigen betrokken zijn overschrijden momenteel de wettelijke termijnen bij Veilig Thuis West-Brabant? Hoeveel kinderen betreft dit en hoe lang wachten zij inmiddels?
Kunt u garanderen dat de kinderen achter deze meldingen op dit moment veilig zijn? Zo nee, deelt u de mening dat onmiddellijk moet worden vastgesteld of zich onder deze kinderen slachtoffers bevinden die momenteel worden mishandeld, verwaarloosd of anderszins in een onveilige situatie verkeren, en hoe gaat u hiervoor zorgen?
Wie houdt gedurende een termijnoverschrijding zicht op de veiligheid van deze kinderen en wie grijpt in wanneer hun situatie verslechtert?
Hoe is het mogelijk dat twee jaar later opnieuw wettelijke termijnen worden overschreden, aangezien de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in 2024 bij Veilig Thuis West-Brabant al ernstige termijnoverschrijdingen constateerde, waarbij een veiligheidsbeoordeling soms viereneenhalve maand duurde en het starten van een onderzoek of de dienst Voorwaarden & Vervolg in een casus elf maanden op zich liet wachten?
Welke verbetermaatregelen zijn sinds het IGJ-onderzoek uit 2024 daadwerkelijk uitgevoerd en waarom hebben deze niet kunnen voorkomen dat opnieuw een situatie is ontstaan waarin meldingen te lang blijven liggen?
Erkent u dat u als stelselverantwoordelijke niet kunt volstaan met de constatering dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de organisatie en financiering van Veilig Thuis wanneer binnen dat stelsel wettelijke termijnen structureel worden overschreden en mogelijk de veiligheid van kinderen in het geding is? Zo nee, waarom niet?
Op welk moment acht u vanuit uw stelselverantwoordelijkheid ingrijpen noodzakelijk wanneer een Veilig Thuis-organisatie niet langer in staat blijkt haar wettelijke taken tijdig uit te voeren, en is dat moment bij Veilig Thuis West-Brabant wat u betreft inmiddels bereikt? Zo nee, wat moet er dan nog gebeuren voordat u ingrijpt?
Welke concrete maatregelen neemt u nu vanuit uw stelselverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat alle kinderen achter de wachtende meldingen bij Veilig Thuis West-Brabant zo snel mogelijk in beeld zijn, hun veiligheid wordt beoordeeld en waar noodzakelijk direct wordt ingegrepen?
Kunt u uitsluiten dat bij andere Veilig Thuis-organisaties vergelijkbare problemen bestaan? Zo nee, bent u bereid op korte termijn landelijk inzichtelijk te maken hoeveel meldingen de wettelijke termijnen overschrijden, hoeveel minderjarigen daarbij betrokken zijn en welke maatregelen u vanuit uw stelselverantwoordelijkheid neemt om deze achterstanden terug te dringen?
Het bericht ‘Tienduizenden psychiatrische patiënten na behandeling uit zicht hulpverleners’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden psychiatrische patiënten na behandeling uit zicht hulpverleners»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat naar schatting minstens 60.000 mensen met een ernstige psychiatrische aandoening buiten beeld van de zorg zijn geraakt, ongeveer een kwart van deze groep?
Hoe verklaart u dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek na behandeling uit beeld van de hulpverlening kunnen raken? Wie is volgens u verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en begeleiding bij en na ontslag uit een ggz-instelling?
Deelt u de zorg dat het ontbreken van passende begeleiding na ontslag kan leiden tot terugval, crisissituaties, heropnames en dakloosheid? Welke concrete maatregelen neemt u om deze draaideur te doorbreken?
Hoeveel mensen verlaten jaarlijks een ggz-instelling zonder dat passende vervolgzorg, begeleiding of huisvesting daadwerkelijk is geregeld? Indien u niet over cijfers beschikt, bent u dan bereid dit inzichtelijk te maken?
Klopt het dat zorgverleners in bepaalde gevallen niet worden vergoed voor het actief zoeken naar patiënten die uit beeld zijn geraakt en dat financiering pas mogelijk is wanneer daadwerkelijk contact met de patiënt is gelegd? Zo ja, acht u dit wenselijk en bent u bereid deze financiering aan te passen?
Hoe beoordeelt u het feit dat de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ), waaronder bemoeizorg, sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 niet meer expliciet in de wet is opgenomen, terwijl deze zorg volgens de regering wel tot de gemeentelijke taken op grond van de Wmo 2015 behoort?
Deelt u de zorg dat verschillen tussen gemeenten in de beschikbaarheid en organisatie van bemoeizorg ertoe kunnen leiden dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek niet overal op dezelfde ondersteuning kunnen rekenen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Wat is de actuele stand van zaken van de expliciete wettelijke verankering van de openbare geestelijke gezondheidszorg in de Wmo 2015 via de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams)? Hoe wordt daarbij uitvoering gegeven aan de aangenomen motie-Krul/Bikker over de wettelijke verankering van bemoeizorg en wanneer verwacht u dat deze wettelijke verankering in werking treedt?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen moties die ertoe strekken bemoeizorg wettelijk te verankeren en de beschikbaarheid van passende zorg voor mensen met verward of onbegrepen gedrag te verbeteren?
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek na ontslag uit een instelling zonder passende vervolgzorg, begeleiding of huisvesting op straat terechtkomen? Zo ja, hoe gaat u dit concreet borgen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal mensen met ernstige psychiatrische problematiek dat buiten beeld van de zorg raakt terug te dringen en binnen welke termijn verwacht u hiervan resultaat?
De aanhoudende problemen bij Jeugd Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vakbond kaart situatie jeugdzorg Lelystad aan bij Arbeidsinspectie»?1
Hoe beoordeelt u de in het artikel beschreven aanhoudende onrust bij Jeugd Lelystad en de vraagtekens die worden geplaatst bij het onderzoek naar de inmiddels ontslagen bestuurder?
Was u bij de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen op 11 augustus 2026 op de hoogte van het feit dat FNV Jeugdzorg de situatie bij Jeugd Lelystad reeds in april had gemeld bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Autoriteit Persoonsgegevens? Zo ja, waarom zijn deze meldingen en de daaraan ten grondslag liggende zorgen niet betrokken bij uw beantwoording?
Hoe beoordeelt u de samenloop van de door FNV gemelde ernstige personele problemen en de door de Nederlandse Zorgautoriteit gesignaleerde risico’s voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp in Lelystad?
Kunt u aangeven wat sinds uw beantwoording van 11 augustus 2026 concreet is verbeterd aan de beschikbaarheid, toegankelijkheid en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad? Kunt u daarbij aangeven hoeveel kinderen momenteel wachten op een besluit over of de daadwerkelijke inzet van passende jeugdhulp?
Deelt u de mening dat ernstige personele uitval en langdurige bestuurlijke onrust binnen een organisatie die verantwoordelijk is voor de toegang tot jeugdhulp gevolgen kunnen hebben voor de continuïteit en tijdigheid van die toegang? Zo nee, waarom niet?
Heeft u inmiddels vastgesteld of kinderen en gezinnen door de bestuurlijke en personele problemen bij Jeugd Lelystad langer hebben moeten wachten op jeugdhulp of anderszins nadeel hebben ondervonden? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, waarom is dit nog niet vastgesteld?
U antwoordde op 11 augustus 2026 op de vraag welke aanvullende maatregelen u bereid bent te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van kwetsbare kinderen uitsluitend met: «Geen.» Bent u, gelet op de aanhoudende problemen en de meldingen bij toezichthouders, nog steeds van mening dat geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Zo ja, wat moet er volgens u nog gebeuren voordat u als stelselverantwoordelijke wel aanleiding ziet aanvullende maatregelen te nemen?
U gaf in uw eerdere beantwoording aan dat bij mogelijke taakverwaarlozing eerst signalering en factfinding plaatsvinden en dat het Rijk vervolgens via interbestuurlijk toezicht kan optreden. Is naar aanleiding van de situatie in Lelystad inmiddels sprake van signalering of factfinding in het kader van interbestuurlijk toezicht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van de onderzoeken of meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en andere betrokken toezichthouders, voor zover deze relevant zijn voor de beschikbaarheid, toegankelijkheid, continuïteit en kwaliteit van de jeugdhulp in Lelystad?
"Belastingdienst hield datakluis op slot tijdens verzamelen gegevens parlementaire enquête" |
|
Nicole Moinat (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze berichten?1 2 3 4 5 6 7
Ja.
Op welke wijze gaat u de plechtige belofte van uw ambtsvoorganger die destijds persoonlijk excuses aangeboden heeft aan de gedupeerde toeslagenouders alsnog waarmaken en de toeslagenouders recht doen, nu blijkt dat relevante documentatie over hun eigen zaak jarenlang bewust of onbewust is achtergehouden in de datakluis?
Wij begrijpen dat de datakluis bij veel gedupeerde toeslagenouders, burgers en ondernemers nieuwe vragen oproept. De toeslagenaffaire heeft het vertrouwen van ouders die slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire in de overheid ernstig geschaad. Daarbij erkennen wij nogmaals dat hier fouten zijn gemaakt, hier niet adequaat op is gehandeld en dat verbetering nodig is. Het herstel van de financiële en emotionele schade van gedupeerde toeslagenouders is nodig en urgent. Ook erkent dit kabinet onverkort de ernst van de toeslagenaffaire en de impact daarvan op de levens van ouders, kinderen en hun naasten. Voormalig Minister-President Rutte heeft namens het kabinet excuses aangeboden voor de toeslagenaffaire. De inspanning van de Staatssecretaris Herstel Toeslagen is erop gericht de hersteloperatie spoedig, rechtmatig en met aandacht voor de zorgen van ouders te volbrengen.
Het kabinet acht het van groot belang dat alle relevante informatie zorgvuldig wordt geïnventariseerd en betrokkenen inzage krijgen in de op hen betrekking hebbende gegevens. Dat geldt voor gedupeerde toeslagenouders, maar eveneens voor burgers en ondernemers die voorkomen in FSV, RAM of de datakluis. Het kabinet werkt eraan om deze informatie zorgvuldig en zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 naar aanleiding van het onafhankelijk onderzoek van BDO is geschetst op welke wijze wij de komende tijd de omvangrijke datakluis zullen doorzoeken en verwerken. Daarin is – ten opzichte van de Kamerbrieven van 15 april 2026 en 22 mei 2026 – nadrukkelijk een derde spoor toegevoegd, namelijk de wijze waarop wij recht willen doen aan de verzoeken van burgers en bedrijven om toegang tot informatie uit of over de datakluis. De Kamer wordt, zoals eerder toegezegd, geïnformeerd over de voortgang en de wijze waarop betrokkenen toegang krijgen tot hun eigen dossier. Voor het kabinet blijft het uitgangspunt dat herstel alleen mogelijk is als openheid en transparantie vooropstaan. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 bent u geïnformeerd over het instellen van een externe commissie per 1 oktober 2026.
In onze brief van 15 april 2026 hebben wij reeds aangegeven dat we ervoor waken dat documenten die relevant zijn voor PEFD, POK of andere leveringen, zullen worden gedeeld. Daarnaast benadrukken wij dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt over de situatie van gedupeerden in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade.
Wanneer krijgen de toeslagenouders, maar ook andere burgers en ondernemers die voorkomen in Fraude Signalering Voorziening (FSV), Riscio Analyse Model (RAM) en overige onderdelen van de datakluis, inzage en afschrift van de stukken die specifiek op henzelf betrekking hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, gelet op de urgentie en de politieke gevoeligheid van deze kwestie, bereid deze vragen persoonlijk en binnen één week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. Omdat er meer vragen zijn gesteld over dit onderwerp hebben wij ervoor gekozen de Kamer in één keer te infomeren. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
De bestuurlijke problemen en de uitvoering van de jeugdzorg in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Lelystadse jeugdzorg wordt steeds duurder. De directeur die daar iets aan deed, moest vertrekken»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bestuurlijke en organisatorische problemen binnen de gemeente Lelystad ertoe hebben geleid dat aanvragen voor jeugdhulp zijn blijven liggen en de toegang tot jeugdhulp onder druk is komen te staan?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten een jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
Kunt u aangeven of de continuïteit en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad gedurende deze periode in het geding zijn geweest? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor kinderen en gezinnen?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is eind maart vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad, omdat ook vanuit VWS zorgen waren over de situatie in Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en is ook in gesprek gegaan met de gemeente Lelystad. Daarbij heeft de NZa risico’s gesignaleerd die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp. De NZa volgt de situatie nauwgezet en blijft met de gemeente in gesprek over de verdere opvolging hiervan. De NZa heeft VWS de afgelopen maanden regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken in Lelystad en blijft dit naar de toekomst toe ook doen.
Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijke wanneer een gemeente de uitvoering van de Jeugdwet onvoldoende op orde heeft en daardoor de toegang tot passende jeugdhulp in gevaar komt?
De Jeugdwet is gedecentraliseerd. Dit betekent dat gemeenten in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taak en dat de gemeenteraad verantwoordelijk is om het college hierop aan te spreken.
De NZa houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg. Deze vroegsignaleringstaak is één van de nieuwe taken die de NZa heeft gekregen met het in werking treden van de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg waarbij VWS als stelselverantwoordelijke het wetsvoorstel heeft voorbereid. Indien blijkt dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente, dan kan het Rijk de gemeente hierop aanspreken via interbestuurlijk toezicht.
Is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op de hoogte van de situatie in Lelystad? Zo ja, welke rol heeft de IGJ gespeeld of gaat zij nog spelen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zijn op de hoogte van de situatie in Lelystad. Omdat het hier om de toegang gaat en niet om de kwaliteit van de zorg bij aanbieders, heeft de IGJ hier alleen een signalerende rol in richting het Ministerie van VWS.
De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Zij zijn sinds een paar maanden in gesprek met de gemeente Lelystad over de beschikbaarheid van zorg in de gemeente Lelystad.
Zijn bij u signalen bekend dat vergelijkbare organisatorische of bestuurlijke problemen ook in andere gemeenten leiden tot vertragingen, achterstanden of onjuiste besluitvorming binnen de jeugdzorg? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het?
Als het om de beschikbaarheid van zorg gaat, dan heeft de NZa sinds 1 januari 2026 de nieuwe taak om hier zicht op te houden. De NZa heeft op dit moment geen vergelijkbare signalen van andere gemeenten.
In hoeverre beschikt u over instrumenten om in te grijpen wanneer de uitvoering van de Jeugdwet binnen een gemeente structureel tekortschiet? Bent u van mening dat deze instrumenten toereikend zijn?
Gemeenten zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de uitvoering van de Jeugdwet. De gemeenteraad is verantwoordelijk om het college van B&W hierop aan te spreken. Indien blijkt dat er desondanks sprake is van taakverwaarlozing dan heeft het Rijk het instrument interbestuurlijk toezicht. Het interbestuurlijk toezicht kent verschillende stappen die doorlopen dienen te worden. Zo vindt eerst signalering en factfinding plaats. Waarna, indien nodig, afspraken met gemeenten gemaakt kunnen worden over acties, termijnen en vervolg om de taak op grond van de Jeugdwet te kunnen borgen. In een uiterst geval kan het Rijk overgaan tot indeplaatsstelling. Tot op heden heeft het maken van afspraken over acties, termijnen en vervolg kunnen volstaan om taakverwaarlozing te beëindigen.
Welke lessen trekt u uit de gebeurtenissen in Lelystad voor de landelijke hervorming van de jeugdzorg, in het bijzonder ten aanzien van sturing, toezicht, financiële beheersing en de toegang tot passende hulp?
Met de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd is ingezet om het jeugdstelsel verder te ontwikkelen en te versterken. Met de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg heeft bijvoorbeeld de NZa nieuwe taken gekregen, waaronder de eerder genoemde vroegsignaleringstaak. Ook is voor sommige zorgvormen vastgelegd dat gemeenten verplicht regionaal moeten samenwerken in Jeugdregio’s. Dit zijn allemaal zaken die bijdragen aan een beter werkend jeugdhulpstelsel. In die beleidsontwikkeling wordt ook casuïstiek betrokken.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre bestuurlijke conflicten en organisatorische problemen binnen gemeenten ertoe leiden dat kinderen niet tijdig de jeugdhulp ontvangen waarop zij recht hebben en de Kamer hierover te informeren?
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om het gesprek te voeren met het college. Indien er bij gemeenten situaties zijn die er toe leiden dat kinderen niet tijdig jeugdhulp ontvangen, dan zal VWS hierover in gesprek gaan met de desbetreffende gemeente vanuit haar stelselverantwoordelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van de veiligheid, ontwikkeling en zorg van kwetsbare kinderen?
Geen.
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Heeft u kennisgenomen van het artikel van de Telegraaf over «Broer van ernstig mishandeld meisje (6) Stadskanaal wil nooit meer iets met zijn moeder te maken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de gerechtelijke uitspraak waarin wordt vastgesteld dat deze 14-jarige jongen slachtoffer is geweest van mishandeling, misbruik en een langdurig onveilige opvoedsituatie?2
Ja.
Welke concrete hulp ontvangt deze jongen op dit moment en welke organisatie voert de regie over zijn herstel en veiligheid?
Ieder kind verdient het om veilig op te groeien en de juiste zorg te ontvangen. Wanneer een kinderrechter heeft besloten tot een kinderbeschermingsmaatregel, is het aan de gecertificeerde instelling om vervolgens uitvoering daaraan te geven. Het is de verantwoordelijkheid van de gecertificeerde instelling om een plan van aanpak op te stellen, jeugdhulp in te zetten en zicht te houden op de veiligheid van het kind. Het is niet mijn rol om te oordelen over of te controleren hoe de uitvoering van specifieke kinderbeschermingsmaatregelen plaatsvindt.
Wie is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze jongen en hoe wordt gecontroleerd of gemaakte veiligheidsafspraken daadwerkelijk worden nageleefd?
De gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor het zicht op de veiligheid van het kind.
Kan worden bevestigd dat deze jongen, ondanks de ernstige bevindingen van de rechter, nog steeds bij zijn vader verblijft? Op basis van welke veiligheidsafweging is dat gebeurd?
Zie het antwoord op vraag 3 en de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland.
Hebben onafhankelijke deskundigen beoordeeld dat verblijf bij de vader in het belang van deze jongen is? Zo ja, welke deskundigen waren daarbij betrokken en welke overwegingen lagen aan dat oordeel ten grondslag?
Zie het antwoord op vraag 3. Aanvullend daarop wijs ik erop dat de onafhankelijke kinderrechter zich over deze zaak heeft gebogen en een beslissing heeft genomen. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken deze casus expliciet mee te nemen in het lopende onderzoek naar de opvolging van signalen van kindermishandeling en kindveiligheid?
Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie Justitie en Veiligheid om te beoordelen of en welk onderzoek nodig is. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht. Het is niet aan mij om onderzoek op te dragen.
Bent u bereid de IGJ specifiek te laten onderzoeken hoe signalen over deze jongen zijn opgepakt, welke instanties betrokken waren, wie de regie voerde en waarom niet eerder is ingegrepen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Deelt u de opvatting dat wanneer een rechter vaststelt dat een minderjarige slachtoffer is geweest van mishandeling en misbruik, maximale duidelijkheid nodig is over de vraag welke bescherming en begeleiding vervolgens wordt geboden?
De bescherming en begeleiding van kinderen op wie een kinderbeschermingsmaatregel van toepassing is, wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. Dit is ook in dit geval aan de orde. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Bent u bereid bij de betrokken instanties op te vragen welke veiligheidsvoorwaarden zijn verbonden aan het verblijf van deze jongen bij zijn vader en de Kamer hierover te informeren?
Het is aan de betrokken uitvoeringsorganisaties om zorg te dragen voor het adviseren over, het besluiten over en het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen. Als stelselverantwoordelijke is het niet mijn rol om in casuïstiek te oordelen of te controleren.
Bent u bereid te laten toetsen of de huidige hulpverlening en veiligheidsmaatregelen passend zijn bij de ernst van de door de rechter vastgestelde feiten?
Ik verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en vraag 10.
Kunt u inzichtelijk maken welke instanties voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak signalen hebben ontvangen over mishandeling, misbruik, verwaarlozing, schoolproblemen of andere veiligheidsrisico’s rond deze jongen?
Het is aan de inspecties om dit al dan niet mee te nemen in hun onderzoek naar de gebeurtenissen in Stadskanaal.
Bent u bereid een onafhankelijk feitenrelaas te laten opstellen van alle meldingen, interventies, risico-inschattingen en besluiten rondom deze jongen, zodat duidelijk wordt waar het stelsel heeft gefaald en welke verbeteringen noodzakelijk zijn?
Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen 3, 10 en 12.
Welke bevoegdheden gaat u vanaf vandaag concreet inzetten om te controleren of deze jongen daadwerkelijk veilig is, passende hulp ontvangt en niet opnieuw tussen instanties uit beeld raakt?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3. Het is aan de betrokken gecertificeerde instelling om hiervoor zorg te dragen.
Wilt u deze vragen uiterlijk 19 juni 16.30 uur beantwoorden in het belang van het kind?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
De campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal. |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal en kunt u aangeven welke publieke middelen direct of indirect beschikbaar zijn gesteld aan deze campagne, de betrokken organisaties en de uitvoering daarvan?1
Ja, ik ben bekend met deze campagne. Voor deze campagne zijn geen publieke middelen beschikbaar gesteld. Zilveren Kruis en KNVB zijn een maatschappelijk partnership aangegaan om mentale gezondheid onder jongeren bespreekbaar te maken. Het initiatief «De onzichtbare blessure» wordt volledig door hen gefinancierd.
Welke concrete, meetbare doelstellingen zijn aan deze campagne verbonden, op basis van welke wetenschappelijke inzichten is gekozen voor deze aanpak en hoe wordt vastgesteld of de campagne daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de mentale gezondheid van jongeren?
Zilveren Kruis en KNVB zetten in op een brede, preventieve aanpak waarin voetbal wordt benut als katalysator voor positieve verandering om zodoende de kans te verkleinen dat jongeren op latere leeftijd mentale gezondheidsproblemen ervaren. In samenwerking met experts, kennispartners en maatschappelijke organisaties zoals MIND Us, Erasmus Universiteit en Play Mental wordt ingezet op een omgeving waarin het net zo vanzelfsprekend is om te praten over hoe je je voelt als dat het is om over een fysieke blessure te praten.
De gezamenlijke ambitie is om binnen vijf jaar aantoonbare impact te maken op de mentale gezondheid van jongeren tussen de 16 en 25 jaar. Dit gebeurt langs drie sporen: het bereiken en inspireren van 9,6 miljoen sportliefhebbers, het bieden van praktische tools aan 100.000 voetballende jongeren via hun omgeving en het actief ondersteunen van jongeren via voetbalverenigingen. Daarbij staat bewustwording, het bespreekbaar maken van mentale gezondheid en het bieden van concrete handvatten centraal. Vanuit de overtuiging dat niet alle mentale uitdagingen een zorgvraag zijn, maar ook vragen om steun vanuit de sociale omgeving.
Het partnerschap is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten. Onderzoek van het Trimbos-instituut laat zien dat één op de vier Nederlandse jongeren wel eens mentale problemen ervaart2. Vertaald naar het voetbal betekent dit dat er in een gemiddelde kleedkamer meerdere jongeren kunnen zitten die niet lekker in hun vel zitten. Daarbij gaat het niet alleen om psychische klachten waarvoor professionele hulp nodig is, maar ook om gevoelens van stress, prestatiedruk, onzekerheid en somberheid.
De effecten van de campagne worden gemonitord. In samenwerking met onderzoeksbureau Motivaction zijn een nulmeting en een vervolgmeting uitgevoerd onder Nederlandse sportliefhebbers. Hieruit blijkt dat mensen die de campagne hebben gezien het belang van mentale gezondheid binnen de sport vaker onderschrijven en vaker bereid zijn hierover het gesprek aan te gaan. De campagne laat daarmee positieve effecten zien op bewustwording, houding en gespreksintentie. Zilveren Kruis en de KNVB blijven deze ontwikkelingen – in samenwerking met kennispartners – monitoren en sturen waar nodig bij om de gestelde doelen te realiseren.
Kunt u aangeven hoeveel vergelijkbare campagnes op het gebied van mentale gezondheid de afgelopen vijf jaar met publieke middelen zijn ondersteund, wat deze hebben gekost en welke aantoonbare resultaten zij hebben opgeleverd?
Het Ministerie van VWS heeft in de afgelopen vijf jaar drie keer een campagne over mentale gezondheid van jongeren rechtstreeks gefinancierd. Dit ging om verschillende versies van de grootschalige «Hey, het is oké» campagne. De campagne startte met als doel het wegnemen van het stigma rond psychische aandoeningen. Door de jaren heen werd dit doorontwikkeld naar een campagne specifiek gericht op jongeren om beginnende mentale klachten, zoals eenzaamheid en prestatiedruk bespreekbaar te maken. Vroegtijdig praten doorbreekt een taboe en helpt na te denken over oplossingen met mensen die je vertrouwt. De campagne liep tussen 2021 en 2024. De totale kosten bedroegen bijna € 3,3 miljoen. De campagne bestond uit verschillende thema’s over bijvoorbeeld prestatiedruk, eenzaamheid, werkstress en winterdip.
De campagne-effectonderzoeken zijn gepubliceerd en te vinden op de website van de Rijksoverheid3 4. Zo blijkt uit het onderzoek over de campagne in 2024 dat jongeren en jongvolwassenen (16–25 jaar) vaker met een vertrouwd iemand zijn gaan praten wanneer sprake was van beginnende mentale klachten. Ook zagen jongeren de voordelen van in gesprek gaan meer in.
Hoe wordt voorkomen dat belastinggeld vooral terechtkomt bij campagnes, workshops, ambassadeurs en overlegstructuren, terwijl jongeren met psychische problemen nog steeds te maken hebben met wachtlijsten en beperkte toegang tot passende hulp?
Als we de mentale gezondheid willen verbeteren en de druk op de (jeugd)ggz willen verlichten dan is een brede blik nodig op de oorzaken en de oplossingen rondom mentale problemen. Verschillende risico- en beschermende factoren hebben invloed op iemands mentale gezondheid. Niet elke hulpvraag is gebaad bij een antwoord in zorg. Preventie en ondersteuning zijn belangrijk voor het voorkomen en verergeren van mentale klachten. Deze samenhang vraagt om een integrale kijk naar de uitdagingen in de keten van mentale gezondheid en ggz.
Campagnes, bijeenkomsten en workshops kunnen een middel zijn om kennis en bewustwording van het belang van een goede mentale gezondheid te vergroten. Het probleem erkennen is essentieel in het zoeken naar een oplossing. Communicatie, rechtstreeks vanuit de overheid of juist via andere organisaties die dichter bij bijv. jongeren staan, kan onderdeel zijn van de bredere aanpak in het verbeteren van de mentale gezondheid.
In de versterkingsagenda mentale gezondheid en ggz5 zijn maatregelen opgenomen die inzetten op de knelpunten tussen beleidsdomeinen in de keten van mentale gezondheid en ggz. Hierin is zowel aandacht voor het versterken van de mentale veerkracht als voor wachttijdondersteuning. Ook in het Aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (Azwa) zijn aanvullende afspraken gemaakt gericht op het toegankelijk en betaalbaar houden van kwalitatief goede zorg en ondersteuning.
Afgelopen januari is de wet Verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg in werking getreden. In deze wet zijn maatregelen opgenomen om de beschikbaarheid van, met name, specialistische jeugdzorg te verbeteren. De wet verplicht gemeenten om specialistische zorg regionaal in te kopen en geeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wettelijke taken op het terrein van vroegsignalering van beschikbaarheidsrisico’s, stelselonderzoek naar de beschikbaarheid van jeugdzorg en toezicht.
Kunt u aangeven hoeveel jongeren momenteel wachten op geestelijke gezondheidszorg en hoe de uitgaven aan bewustwordingscampagnes zich verhouden tot investeringen in daadwerkelijke behandeling en ondersteuning?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van jeugdhulp. Er is geen landelijk overzicht van het aantal jongeren dat wacht op ggz. Inzicht in wachttijden gebeurt in eerste instantie op gemeentelijk en regionaal niveau.
De financiering van de jeugdzorg verloopt grotendeels via het gemeentefonds. Gemeenten bepalen in beginsel zelf hoe zij dit budget besteden. Veel gemeenten investeren zelf ook in specifieke projecten/activiteiten, campagnes en interventies gericht op het versterken van de mentale veerkracht van jongeren. Hier is geen landelijk overzicht van.
De Rijksoverheid financiert op dit moment geen bewustwordingscampagne. Wel is afgelopen jaar onder het concept Praatpower een toolbox ontwikkeld om (lokaal) in gesprek te gaan met jongeren en hun omgeving en zijn gesprekken geïnitieerd en gevoerd over mentale gezondheid en wat jongeren nodig hebben om mentaal gezond te blijven. Het rapport met aanbevelingen is 27 januari aan uw Kamer aangeboden6.
Welke afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin tijdens dergelijke bijeenkomsten signalen naar voren komen van ernstige psychische problemen, suïcidaliteit, huiselijk geweld of kindermishandeling en hoe wordt geborgd dat deze jongeren snel passende hulp krijgen?
Hier is niet één antwoord op te geven. Afspraken zullen per project verschillen. Binnen de toolbox van Praatpower is in elk geval nadrukkelijk aandacht voor de psychologische veiligheid van de deelnemers en mogelijkheden voor nazorg. Hierbij wordt ook verwezen naar het platform www.injebol.nl. Op dit platform kunnen jongeren terecht voor laagdrempelige ondersteuning. Indien noodzakelijk verwijzen de vrijwilligers achter de ondersteuningslijn van www.injebol.nl door naar 113.
Deelt u de opvatting dat het bespreekbaar maken van mentale problemen waardevol kan zijn, maar nooit een vervanging mag worden voor tijdige professionele hulpverlening? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat jongeren na signalering ook daadwerkelijk hulp ontvangen?
Ja, deze opvatting deel ik. Het bespreekbaar van mentale problemen kan verlichting bieden voor (lichte) mentale klachten. Een zorgtraject is ook niet altijd het passende antwoord op een hulpvraag. Een deel van de jongeren is meer gebaat bij andere vormen van ondersteuning of preventieve hulp.
In het Azwa zijn afspraken gemaakt over verbetering van de aansluiting op het snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein. Gemeenten, aanbieders en zorgverzekeraars hebben in het Azwa afspraken gemaakt over welke «basisfunctionaliteiten» in elk geval in elke regio of gemeente beschikbaar moet zijn, zoals bijvoorbeeld de basisfunctionaliteit sociaal verwijzen.
Het bericht 'Drugs, vechtpartijen en gebrek aan controle, zo ontspoort de markt voor begeleid wonen' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Follow The Money over ernstige misstanden binnen de sector begeleid wonen voor kwetsbare jongeren?1
Ja, daarmee ben ik bekend. De situaties die in het artikel worden beschreven zijn ernstig. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Voor het kabinet staat voorop dat de kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid van de (jeugd)zorg centraal staan.
Hoeveel meldingen, signalen of aangiften zijn de afgelopen vijf jaar gedaan over geweld, drugsgebruik, seksuele uitbuiting, mensenhandel, intimidatie, criminele uitbuiting of ondermijning binnen instellingen voor begeleid wonen en hoelang zijn deze signalen al bekend bij gemeenten, inspecties, politie en het Rijk?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Klopt het dat jongeren binnen sommige woonvoorzieningen in aanraking komen met drugscriminelen, geweld en criminele ronselaars en deelt u de mening dat het onacceptabel is dat jongeren die bescherming nodig hebben juist in zulke omgevingen terechtkomen?
Ik ben helaas bekend met deze signalen en deel de mening dat dit onacceptabel is. De afgelopen periode heb ik meerdere maatregelen ingezet om screening en toezicht op zorg- en jeugdhulpaanbieders in het algemeen te versterken en verder aan te scherpen. Via de Kamerbrief van 15 april jl. heb ik u geïnformeerd dat ik besloten heb aan de slag te gaan met een wetsvoorstel waarmee ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders wordt ingevoerd2. Ik ben ook van plan de vergunningplicht voor Wmo-aanbieders in te voeren.
Hoeveel aanbieders van begeleid wonen zijn de afgelopen vijf jaar onderzocht, gesloten, geschorst of strafrechtelijk aangepakt wegens fraude, witwassen, misbruik van zorggeld, ondeugdelijke zorg of banden met georganiseerde criminaliteit?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Hoe verklaart u dat het blijkbaar relatief eenvoudig is om een zorginstelling of woonvoorziening voor kwetsbare jongeren te starten terwijl toezicht, screening en controle volgens het onderzoek ernstig tekortschieten?
Door de decentralisatie en inkoop van jeugdhulp op gemeenteniveau ligt de contractering bij verschillende gemeenten en hanteren zij verschillende eisen. Ik erken dat de huidige toelating van nieuwe jeugdhulpaanbieders in sommige gevallen te eenvoudig is en te weinig randvoorwaarden biedt om malafide aanbieders te weren. Daarom heb ik besloten ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders en Wmo-aanbieders te introduceren. De verwachting is dat het wetsvoorstel waarin dat wordt geregeld in 2028 kan worden aangeboden aan de Tweede Kamer.
Klopt het dat gemeenten in sommige gevallen tienduizenden euro’s per maand betalen voor één jongere in begeleid wonen en hoe wordt gecontroleerd dat dit geld daadwerkelijk aan zorg, begeleiding en veiligheid wordt besteed?
Hoewel het Ministerie van VWS daar geen centrale administratie over bijhoudt, blijkt dat uit de tarieven dat dit voor kan komen. De gemeente is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van gedeclareerde zorg en ondersteuning op grond van de jeugdwet en Wmo en de prijzen die zij hanteren bij inkoop daarvan.
Deelt u de opvatting dat bestaande toelatingseisen, screening en toezicht kennelijk onvoldoende effectief zijn wanneer aanbieders met dubieuze praktijken of banden met criminaliteit actief kunnen blijven? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben. Er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen en het Kabinet heeft aanvullende maatregelen aangekondigd, zoals in het antwoord op vraag 5 en 8 te lezen is.
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Ziet u aanleiding bestaande screening, integriteitstoetsen en financiële controles voor aanbieders van begeleid wonen verder aan te scherpen en met een landelijke aanpak tegen malafide zorgaanbieders te komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet komt met een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Het kabinet wil voorkomen dat malafide zorgaanbieders zich eenvoudig kunnen vestigen of na eerdere overtredingen opnieuw kunnen starten in de zorg. Daarom werkt het kabinet aan een wetsvoorstel om de toetredingseisen te versterken. Uitgangspunt is een duidelijk norm en voor alle nieuwe en herstartende aanbieders van zorg. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden ook strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt naar criminelen in plaats van naar mensen die zorg nodig hebben. Voor de aanpak is oplopend tot 50 miljoen euro per jaar beschikbaar. Dit heb ik op 8 juni jl. in een brief aan uw Kamer gecommuniceerd3.
Ook zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het gemeentelijk toezicht binnen de Jeugdhulp en WMO2015 te verstevigen en te professionaliseren. Ik ben momenteel met de VNG in gesprek over wat nodig is om het gemeentelijk toezicht te verstevigen. Daarnaast is sinds 1 januari 2026 de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj) van kracht. De wet stelt strengere eisen aan de financiële bedrijfsvoering en verantwoording van jeugdhulpaanbieders.
Acht u de huidige bevoegdheden en capaciteit van gemeenten, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en opsporingsdiensten voldoende om misstanden snel aan te pakken en bent u bereid met spoed te komen met een landelijke aanpak tegen fraude, criminaliteit, geweld en falend toezicht binnen begeleid wonen en de jeugdzorgsector en de Kamer hierover vóór het zomerreces te informeren?
Zie het antwoord op vraag 7 en 8. Op 15 april en op 8 juni jl. heb ik aangekondigd welke maatregelen het Kabinet neemt om fraude binnen de (jeugd)zorgsector aan te pakken en het toezicht te verstevigen. Ik ga de komende tijd aan de slag om deze maatregelen uit te werken.
Het bericht dat meldingen van kindermishandeling te traag worden afgehandeld door Veilig Thuis |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Niemand weet hoe vaak het misgaat» over de trage afhandeling van meldingen van kindermishandeling door Veilig Thuis en wat is uw reactie op de zorgen van jeugdrechtadvocaten dat ernstige zaken te lang blijven liggen?1
Ja ik ben bekend met dit artikel.
Klopt het dat meldingen van ernstige kindermishandeling regelmatig langer openstaan dan de wettelijke termijn van tien weken en hoeveel meldingen staan momenteel langer open dan wettelijk toegestaan?
Allereerst is het belangrijk om te noemen dat Veilig Thuis bij elke melding die binnenkomt altijd direct een triage uitvoert op basis van de beschikbare informatie, of een VT nu wachtlijsten heeft of niet. Als uit de triage komt dat er sprake is van directe ernstige onveiligheid wordt er altijd meteen gehandeld.
Na die triage heeft Veilig Thuis 5 werkdagen voor de uitgebreide veiligheidsbeoordeling. Hiervoor gaat Veilig Thuis contact leggen met de betrokkenen (zowel het gezin als betrokken instanties). Als uit de Veiligheidsbeoordeling komt dat er vervolg onderzoek nodig is, heeft Veilig Thuis 10 weken om de dienst »Onderzoek en Vervolg» uit te voeren en af te ronden.
Het klopt dat vrijwel alle Veilig Thuis organisaties te maken hebben met wachtlijsten. Dit betekent dat de Veiligheidsbeoordeling niet binnen 5 dagen is afgerond en/of dat de dienst Onderzoek en Vervolg niet tijdig is gestart en/of afgerond.
De betekenis van het niet halen van de wettelijke termijn kan heel erg verschillen. Dit is niet zo uit de cijfers te halen. Zo kan het zijn dat zaken langer moeten wachten totdat er een medewerker beschikbaar is om het onderzoek uit te voeren. Ook kan het zijn dat het onderzoek wel is afgerond, maar dat de geadviseerde vervolghulp niet direct beschikbaar is, waardoor de melding nog niet wordt afgesloten en overgedragen. Of het kan zijn dat een casus zo complex is, dat het om verschillende redenen niet lukt binnen 10 weken het onderzoek af te ronden. In de laatste 2 gevallen wordt er ondanks dat de termijnen niet worden gehaald, wel zicht gehouden op onveiligheid en kan er ook al inzet zijn gericht op het opheffen van onveiligheid.
Hoeveel meldingen van vermoedens van ernstige kindermishandeling of huiselijk geweld zijn de afgelopen vijf jaar niet tijdig opgepakt en hoeveel kinderen zijn in diezelfde periode ernstig mishandeld of overleden terwijl er al signalen bekend waren bij hulpinstanties?
Er wordt niet landelijk bijgehouden hoeveel meldingen niet tijdig zijn opgepakt. Het verschilt per Veilig Thuis organisatie hoe wordt geregistreerd op het halen van termijnen, dit is afhankelijk van de manier van aanbesteden door de gemeenten en de afspraken over de verantwoording van de desbetreffende Veilig Thuis aan die gemeente. En zoals bij de vorige vraag al aangegeven, is er ook een groot verschil tussen wat het niet tijdig oppakken van een melding betekent.
Veilig Thuis probeert zo veel mogelijk zicht op de veiligheid te houden, ook als een melding nog niet is opgepakt vanwege wachtlijsten. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd monitort de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele Veilig Thuis organisaties, waaronder de termijnen. De IGJ spreekt hier de individuele VT’s op aan en publiceert over landelijke trends wanneer zij dat op basis van de bevindingen wenselijk en/of noodzakelijk vindt.
Wat we wel weten is dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40–60% van de gevallen een veiligheidsbeoordeling niet tijdig is afgerond. Ook weten we dat gedurende de periode 2019–2025 het tijdig afronden van onderzoeken een structureel knelpunt is geweest binnen Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden.
Bij de incidenten met dodelijke afloop of van ernstige mishandeling die we in beeld hebben is altijd gecontroleerd of wachtlijsten een rol hebben gespeeld. Bij de bij ons bekende casussen was er geen sprake van invloed vanuit wachtlijstproblematiek. Daarbij is het goed om nogmaals te benadrukken dat bij elke melding bij Veilig Thuis er wel direct een risico inschatting wordt gemaakt. Indien daaruit komt dat er sprake is van vermoedens van acute of ernstige onveiligheid, Veilig Thuis direct handelt.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen mogelijk maandenlang in een onveilige thuissituatie blijven terwijl instanties al meldingen en signalen hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het is absoluut onwenselijk dat meldingen van onveilige situaties van kinderen, maar ook van volwassenen, niet direct worden opgepakt,. De cijfers bij antwoord 3 laten een structureel probleem zien dat niemand wil. Daarom probeer ik ook echt, samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG en ook bijvoorbeeld de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, alles te doen wat we kunnen om de wachtlijsten op te heffen en in de toekomst te voorkomen.
Hoe verklaart u dat ernstige zaken volgens deskundigen «ondersneeuwen» door de grote hoeveelheid meldingen en is er volgens u sprake van personeelstekorten, bureaucratie, falende coördinatie of onvoldoende deskundigheid binnen Veilig Thuis?
Er is een verscheidenheid aan oorzaken waarom de keten vastloopt en de werklast voor Veilig Thuis veelal groter is dan Veilig Thuis aankan. Een al jaren toenemend aantal meldingen is hier een belangrijke oorzaak, maar ook personeelstekorten, wachtlijsten bij hulpverlening en inefficiënte werkprocessen spelen zeker een rol.
Hoeveel fte is er de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis bijgekomen, hoeveel vacatures staan momenteel open en acht u de huidige capaciteit voldoende om kinderen tijdig te beschermen?
De 25 Veilig Thuis organisaties zijn onafhankelijk van elkaar georganiseerde organisaties. Er is daardoor geen landelijk overzicht van de ontwikkeling van het aantal fte of het aantal openstaande vacatures bij de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties. Werving, instroom en uitstroom van medewerkers worden regionaal georganiseerd en geregistreerd. Landelijk herkennen wij wel dat er sprake is van een krappe arbeidsmarkt.
De vraag of de huidige capaciteit voldoende is om kinderen tijdig te beschermen laat zich niet beantwoorden aan de hand van het aantal medewerkers of vacatures. Veilig Thuis-organisaties beoordelen meldingen op basis van urgentie van veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute onveiligheid worden met voorrang opgepakt. Capaciteitsvraagstukken mogen nooit ten koste gaan van de veiligheid van kinderen en gezinnen. Juist daarom richten Veilig Thuis-organisaties hun beschikbare capaciteit primair op situaties waarin de veiligheidsrisico's het grootst zijn. Tegelijkertijd vraagt de toenemende druk aandacht voor capaciteit, financiering, samenwerking en de beschikbaarheid van passende vervolghulp. De uitdaging zit daarbij niet alleen in de beschikbaarheid van Veilig Thuis-professionals, maar ook in de beschikbaarheid van passende ondersteuning en hulp in de vervolgstappen na een veiligheidsbeoordeling.
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de afgelopen vijf jaar ingegrepen, waarschuwingen afgegeven of onderzoeken ingesteld naar Veilig Thuis-organisaties wegens tekortschietende uitvoering?
De Inspectie heeft de laatste vijf jaar meerdere onderzoeken ingesteld naar het functioneren van Veilig Thuis. Een opsomming van een aantal relevante publicaties uit de afgelopen is hieronder te vinden.
De IGJ vraagt bij geconstateerde tekortkomingen vrijwel altijd een verbeterplan op en controleert, bijvoorbeeld door een nieuw inspectiebezoek af te leggen, of de verbetermaatregelen zijn doorgevoerd en tot de gewenste resultaten hebben geleid. De IGJ ziet dat de wachtlijsten de afgelopen jaren niet zijn opgelost of verminderd. De IGJ heeft in 20241 alle Veilig Thuis-organisaties de opdracht gegeven zorg te dragen dat er altijd zicht op de veiligheid is van de kinderen en gezinnen die moeten wachten op Veilig Thuis als zij dit binnen hun organisatie (nog) niet hebben geregeld en monitort deze plannen. Ook bespreekt de IGJ haar zorgen met de Veilig Thuis-organisaties, gemeenten, het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, Jeugdzorg Nederland, VWS, JenV en de VNG. Hierbij maakt de IGJ ook bespreekbaar waar ze ruimte ziet voor verbeteringen bij de specifieke Veilig Thuis organisaties en waar het vooral gaat om knelpunten in de hele keten.
Hoe wordt momenteel gecontroleerd of meldingen daadwerkelijk leiden tot snelle en adequate actie om kinderen direct in veiligheid te brengen en klopt het dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over meldingen en de voortgang van onderzoeken?
Zoals in het antwoord op 7 is opgenomen, constateert de IGJ in het toezicht bij Veilig Thuis dat de wachtlijsten de afgelopen jaren niet zijn opgelost of verminderd. De inspectie kan geen algemene uitspraak doen dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over de meldingen en de voortgang van onderzoeken. Als een melding of onderzoek op een wachtlijst komt dan kan het zijn dat ouders of betrokkenen een periode niets horen van Veilig Thuis. De IGJ vraagt in het rapport uit 2024 aandacht voor de gevolgen van het lange wachten voor gezinnen, kinderen, huishoudens en melders. De IGJ heeft in 20242 alle Veilig Thuis-organisaties de opdracht gegeven zorg te dragen dat er altijd zicht op de veiligheid is van de kinderen en gezinnen die moeten wachten op Veilig Thuis als zij dit binnen hun organisatie (nog) niet hebben geregeld.
Ook bespreekt de inspectie haar zorgen met de Veilig Thuis-organisaties, gemeenten, het LNVT, JZNL, VWS, JenV en de VNG.
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis, jeugdzorg, gemeenten, politie en andere instanties? Zo nee, waarom niet?
Het is nodig om goed beeld te hebben van structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis en andere organisaties. En daarbij is vooral dat laatste heel belangrijk: de problemen bij Veilig Thuis staan niet op zichzelf. Veilig Thuis is een onderdeel van een keten waar het aan alle kanten piept en kraakt.
We zijn daar op verschillende manieren al mee bezig, waarbij het vooral belangrijk is om de inzichten ook te kunnen vertalen naar verbeteringen en de trajecten goed op elkaar aan te laten sluiten.
In het hier en nu zijn we samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid continu aan het kijken welke knelpunten door de Veilig Thuis organisaties, ketenpartners en vooral de professionals, omstanders en betrokkenen zelf worden ervaren en wat daar in het hier en nu in verbeterd kan worden. Bijvoorbeeld in de aanpak van wachtlijsten wordt ingezet op in op het verbeteren van de werkprocessen zoals bijvoorbeeld het werken met doorbraakteams die alleen bezig zijn met het oppakken van nieuwe meldingen. Ook zet Veilig Thuis in op digitalisering en het gebruik van AI waar dat kan, het uitbreiden van de chatfunctie naar 24 uur per dag en 7 dagen per week, het verbeteren van samenwerkingsafspraken met de netwerkorganisaties en het werven van nieuwe medewerkers. Daarnaast probeert Veilig Thuis signalen eerder op te vangen door meer aanwezig te zijn op vindplekken (zoals scholen, huisartsenpraktijken, buurtcentra) zodat professionals direct ondersteund kunnen worden. Ook is de afgelopen jaren gezorgd voor versterking van de advies- en ondersteuningsfunctie om vroegtijdig hulp te kunnen bieden. We zien dit ook terug in de cijfers: er is de afgelopen jaren een sterke stijging van het aantal adviesvragen bij Veilig Thuis.
Welke concrete maatregelen, extra middelen, bevoegdheden of wetswijzigingen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat ernstige meldingen direct prioriteit krijgen en te voorkomen dat kinderen opnieuw slachtoffer worden van langdurige mishandeling door falend toezicht?
Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Ja dat ben ik. Dit aantal betreft het aantal hoge terugvorderingen in 2023. Voor het jaar 2024 is dat gedaald naar 576.000.
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Het CBS brengt in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld.2 Daarbij wordt ook naar problematische schulden gekeken. Eén van de definities hierbij is: «Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan». Begin 2025 ging dat om 177.000 huishoudens.
Dienst Toeslagen rapporteert daarnaast periodiek over het niet-gebruik van toeslagen via de Monitor niet-gebruik toeslagen.3 Deze monitor geeft inzicht in de omvang van het geschatte niet-gebruik per toeslag en de kenmerken van huishoudens die mogelijk recht hebben op een toeslag, maar deze niet aanvragen. Het geschat niet-gebruik in huishoudens bedraagt volgens de monitor 12% voor de zorgtoeslag, 11% voor de huurtoeslag, 8% voor het kindgebonden budget en 3% voor de kinderopvangtoeslag.4 Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar factoren die kunnen bijdragen aan niet-gebruik van toeslagen. Uit onderzoek blijkt dat verschillende factoren een rol kunnen spelen bij het niet aanvragen van toeslagen, waaronder onzekerheid over het recht op een toeslag, de complexiteit van het toeslagenstelsel en zorgen over mogelijke terugbetalingen. De bestaande monitor en onderzoeken brengen echter niet specifiek in beeld in hoeverre angst voor terugvorderingen een doorslaggevende reden is om af te zien van een aanvraag. Het is niet bekend hoeveel mensen toeslagen waarop zij recht hebben bewust niet aanvragen vanwege het risico op terugbetalingen.
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Ik ben het met lid Moinat eens dat het toeslagenstelsel complex is. Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen. Door de vermogensgrens kan iemand door een paar euro teveel spaargeld het recht op toeslagen zelfs helemaal verliezen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er onwenselijke situaties kunnen ontstaan en mensen er ook voor kiezen om geen toeslag meer aan te vragen. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat hun marginale druk is en daardoor wat het oplevert om meer te gaan werken. Het is mijn ambitie om het systeem eenvoudiger, duidelijker en rechtvaardiger te maken. Hierbij streef ik ernaar het niet gebruik van toeslagen terug te dringen en het terugvorderen van toeslagen zoveel mogelijk te voorkomen
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Op de begroting van het Ministerie van Financiën staat aan uitvoeringskosten voor Dienst Toeslagen een bedrag van € 178 mln. begroot voor 2026. De uitvoeringskosten die betrekking hebben op de hersteloperatie zijn hierin niet meegenomen. Er is geen aparte onderverdeling naar controle, handhaving en administratieve verwerking. De kosten die de Belastingdienst maakt voor de uitvoering van toeslagen zijn geraamd op € 211 mln. voor 2026. Totaal gaat het derhalve om € 389 mln. in 2026. Omdat fraude verborgen blijft zijn er geen cijfers beschikbaar over de vraag hoeveel geld verloren gaat door fraude en fouten. Zoals ook gemeld in de stand van zakenbrief van 18 december 2025 is het intensief toezicht bij Dienst Toeslagen in 2020 stilgelegd naar aanleiding van de toeslagenaffaire.5 Zoals daar ook beschreven is het intensief toezicht in fasen vanaf 2025 weer opgestart. Dat deze opstart recent heeft plaatsgevonden is een aanvullende reden dat geen actueel beeld te vormen is over de omvang van fraude bij toeslagen.
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
In 2024 is circa 20,7 miljard euro aan toeslagen verstrekt. Vergeleken met de 11,6 miljard euro in 2014 is dit inderdaad bijna een verdubbeling. Een deel van deze groei komt door de reguliere stijging van de huren, de zorgverzekering en de kosten van kinderopvang, waardoor de toeslagen voor deze uitgaven meegroeien. Het kindgebonden budget stijgt uiteraard ook mee met de inflatie. Die bedroeg volgens het CBS circa 32% van 2014 tot en met 2024. Daarnaast is de bevolking met circa 7% gegroeid, hebben in sommige gevallen meer mensen recht gekregen op een toeslag. Daarnaast zijn de toeslagen verhoogd om de koopkrachtontwikkeling van groepen bij te sturen of om (kinder)armoede te verminderen. Voor de begroting van 2023, 2024 en 2025 is bijvoorbeeld besloten tot een verhoging van zowel het kindgebonden budget als de huurtoeslag. Dit heeft bijgedragen aan een stevige reductie van armoede onder personen (van 7,1% in 2018 naar 2,5% in 2026) en kinderarmoede (van 8,6% in 2018 naar 2,3% in 2026).
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Verschillende maatregelen worden uitgevoerd gedurende het toeslagjaar om hoge terugvorderingen achteraf vanwege inkomenswijzigingen te voorkomen voor mensen. Zo vinden attenderings- en muteeracties plaatst waarbij mensen wordt gevraagd om zelf hun inkomen te checken of waarbij mensen worden geïnformeerd dat Dienst Toeslagen de toeslag aan gaat passen tenzij burgers aangegeven dat de aanpassing niet klopt. Deze acties vinden plaats op basis beschikbare maandelijkse inkomensgegevens die aanleiding geven om te veronderstellen dat een toeslag op een te hoog inkomen wordt gebaseerd, en dus dat een mogelijke terugvordering aan het ontstaan is. Daarnaast wordt via publiekscampagnes zoals «check, pas aan en door» ook onder de aandacht gebracht dat mensen veranderingen in hun situatie doorgeven aan Dienst Toeslagen om terugvorderingen te voorkomen. Verder werken alle toeslagen met een afbouwpad waardoor kleine veranderingen in inkomen ook leiden tot een geleidelijke afbouw van de hoogte van de toeslag, en dus niet zouden moeten leiden tot een plotselinge hoge terugvordering.
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Bij Dienst Toeslagen werken stand 1 januari 2026 1.981 medewerkers (1.840 fte) aan de uitvoering van het toeslagenstelsel. Dit is exclusief de collega’s die binnen UHT werkzaam zijn voor de hersteloperatie. Het exacte aantal medewerkers bij de Belastingdienst dat zich met toeslagen bezighouden, zoals bijvoorbeeld in de IV-voorziening en de verwerking van de massale beschikkingen wordt niet apart bijgehouden. Het aantal medewerkers dat werkzaam is bij externe organisatie mede ten behoeve van toeslagen is ook niet aan te geven. Wel kan genoemd worden dat bij de uitvoering van toeslagen een veelheid aan organisaties betrokken zijn. Niet uitputtend kunnen daarbij, naast de Belastingdienst, genoemd worden: de SVB, UWV, COA, IND, CAK, CJIB, BIDN, DUO en uiteraard de vele woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars en kinderopvangorganisaties. Deze organisaties zijn veelal betrokken omdat Dienst Toeslagen afhankelijk is van de bij hen aanwezige gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van toeslagen.6 Daarnaast zijn er de toeslagservicepunten die door vele organisaties met veelal vrijwilligers de inwoners helpen met vragen over de toeslagen.7
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Voorop staat dat de gedupeerde ouders en kinderen ongekend onrecht is aangedaan. De gevolgen daarvan zijn voor velen ingrijpend geweest en kunnen nooit volledig worden hersteld. Daarom zet het kabinet zich in om recht te doen aan de getroffen gezinnen.
In de kabinetsreactie op het rapport «Ongekend onrecht» van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft het kabinet zich voorgenomen om te stoppen met toeslagen zoals ze ten tijde van de kinderopvangtoeslagaffaire waren.8 Het kabinet constateerde dat de toeslagen minder ingewikkeld moeten, de toeslag makkelijk moet kunnen worden aangevraagd, zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat toeslagen moeten worden terugbetaald, minder risico bij de burger moet liggen en dat de overheid de fraudebestrijding anders aan moet pakken. Daar is de afgelopen jaren al hard aan gewerkt, onder meer via verschillende verbeteringen in de uitvoering en de dienstverlening en met nieuwe wet- en regelgeving.
Dit kabinet zet in op een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel door middel van een stapsgewijze aanpak. Concrete voorbeelden hiervan zijn het afschaffen van de kinderopvangtoeslag door deze te vervangen door directe financiering van kinderopvangorganisaties en het onderzoeken van de mogelijkheid om toeslagen in de toekomst direct definitief toe te kennen.
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
De wens om het belasting- en toeslagenstelselstelsel te hervormen en vereenvoudigen wordt breed gedeeld in de samenleving. Inmiddels zijn er verschillende rapporten en analyses opgeleverd, door de betrokken ministeries9 en door externe partijen.10 Ik gebruik al het werk dat al is gedaan voor de hervormingsagenda die u voor het eind van 2026 ontvangt.
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
Er wordt al geruime tijd gesproken over het hervormen van het toeslagenstelsel. In dat kader zijn in het verleden inderdaad verschillende scenario’s incl. doorrekeningen gemaakt voor alternatieven.11 Uw Kamer heeft deze scenario’s uiteraard ontvangen. In het bijzonder verwijs ik u naar het meest recente rapport «Eindrapport toekomst toeslagenstelsel», waar in bijlage 2 18 beleidsopties zijn uitgewerkt en doorgerekend.12 Op basis van dergelijke rapporten kan de politiek onderbouwde en zorgvuldige keuzes maken.
Het intrekken en verdwijnen van Zivver-bestanden binnen dossiers in de jeugdbescherming |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat Zivver-bestanden en gedeelde documenten binnen dossiers van de jeugdbescherming achteraf worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt?1
Klopt het dat bestanden die via Zivver zijn verzonden door de verzender kunnen worden ingetrokken of verwijderd nadat deze reeds beschikbaar zijn gesteld aan betrokkenen?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van het intrekken of verwijderen van Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming, gecertificeerde instellingen of aanverwante organisaties?
Wordt geregistreerd welke documenten zijn ingetrokken, op welk moment dit is gebeurd en door wie daarvoor opdracht is gegeven?
Hoe wordt voorkomen dat relevante stukken uit dossiers verdwijnen terwijl ouders, kinderen, advocaten of rechters juist afhankelijk zijn van volledige dossierinzage?
Acht u het wenselijk dat documenten die onderdeel uitmaken van een dossier achteraf kunnen worden ingetrokken zonder onafhankelijke toetsing of kennisgeving aan alle betrokken partijen?
Welke wettelijke grondslag bestaat er voor het achteraf ontoegankelijk maken van reeds gedeelde dossierstukken?
Kunt u uitsluiten dat het intrekken van Zivver-bestanden wordt gebruikt om fouten, onvolledigheden of belastende informatie buiten beeld te houden?
Zijn er signalen bekend waarbij ouders of advocaten melding hebben gemaakt van verdwenen, gewijzigde of ingetrokken stukken binnen jeugdbeschermingsdossiers?
Hoe wordt de integriteit en volledigheid van digitale dossiers binnen de jeugdbescherming momenteel gewaarborgd?
Bestaat er een audittrail waaruit blijkt welke documenten zijn gedeeld, geopend, gewijzigd of ingetrokken? Zo ja, wie heeft toegang tot deze gegevens?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het gebruik van Zivver en andere digitale systemen binnen de jeugdbescherming, specifiek gericht op dossierintegriteit en rechtsbescherming?
Deelt u de mening dat het achteraf verdwijnen van dossierstukken het vertrouwen in de jeugdbescherming ernstig schaadt en mogelijk gevolgen heeft voor eerlijke rechtsgang?
Welke maatregelen gaat u nemen om te garanderen dat eenmaal verstrekte dossierstukken niet ongemerkt kunnen verdwijnen uit procedures die ingrijpende gevolgen hebben voor kinderen en ouders?
Op basis van welke wettelijke bevoegdheid kunnen dossierstukken of gedeelde Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt zonder toestemming van alle procesbetrokkenen?
Hoe wordt gewaarborgd dat het intrekken of verwijderen van digitale dossierstukken geen afbreuk doet aan de bewijspositie, rechtsbescherming en het recht op volledige dossierinzage van ouders, kinderen en hun advocaten?
Onvrede onder toeslagenouders |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin wordt gesteld dat gedupeerde ouders die hun vaststellingsovereenkomst willen laten herzien eerst (grote delen van) ontvangen bedragen zouden moeten terugbetalen?1 Klopt deze weergave van de huidige praktijk, en hoe verhoudt dit zich tot het civielrechtelijke uitgangspunt dat bij dwaling niet zonder meer sprake is van volledige terugbetaling, maar van het opheffen van het zogenoemde dwalingsnadeel?
Ja, ik ben bekend met het bericht in de Telegraaf van maandag 4 mei 2026. De weergave dat gedupeerde ouders eerst (grote delen van) het ontvangen bedrag terug moeten betalen, is onjuist.
Gedupeerde ouders die zorgen of vragen hadden over de met de Staat gesloten vaststellingsoverkomst (VSO) hebben hiervoor een verzoek ingediend bij het Ministerie van Financiën. Gedupeerde ouders hebben dit verzoek kunnen indienen zonder dat daarbij de voorwaarde werd gesteld dat eerst (delen van) het ontvangen bedrag moest worden terugbetaald.
Ik zie in deze herzieningsverzoeken geen aanleiding om na een door ouders vrijwillig gekozen en zorgvuldig ontwikkelde schaderoute (namelijk SGH), de VSO aan te passen.
Gedupeerde ouders die zich niet kunnen vinden in dit oordeel, hoewel ik dat betreur, kunnen zich wenden tot de civiele rechter. De civiele rechter toetst dan of een gedupeerde ouder kan bewijzen of sprake is van voldoende gronden om de VSO te herzien dan wel (gedeeltelijk) te vernietigen als gevolg van een beroep op de novumclausule. Eerder is met uw Kamer gedeeld2 dat als de rechter besluit dat een VSO nietig/vernietigd is, de uiterste consequentie is dat de VSO ongedaan wordt gemaakt en de ouder het ontvangen bedrag terug moet betalen.
Het Ministerie van Financiën heeft in de afgelopen weken circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen, waarbij onder andere een beroep wordt gedaan op de «novum-clausule». De meeste ouders hebben inmiddels een reactie ontvangen op hun verzoek tot herziening.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke juridische grondslag van ouders wordt verlangd dat zij ontvangen bedragen terugbetalen voordat zij een overeenkomst kunnen laten herzien?
Voor het antwoord op vraag 2 en 3 verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
In hoeverre acht u het verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat ouders eerst financieel moeten terugkeren naar de uitgangssituatie voordat zij toegang krijgen tot herbeoordeling?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in vaststellingsovereenkomsten een zogeheten novumclausule is opgenomen? Zo ja, hoe wordt deze clausule momenteel toegepast in situaties waarin nieuwe informatie uit de datakluis beschikbaar komt?
Het klopt dat in de VSO’s een novumclausule is opgenomen. Op grond van deze clausule kunnen gedupeerde ouders die via de SGH een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, een verzoek indienen wanneer zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. Daarbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegend nieuw feit en/of omstandigheid, waardoor de uitkomst van de zaak wezenlijk anders zou zijn geweest. In dat geval kan een gedupeerde ouder de Staat verzoeken om in overleg te treden over de gesloten VSO. De novumclausule verplicht echter niet tot herziening van de VSO.
In hoeverre klopt het dat de datakluis documenten bevat die eerder niet betrokken zijn geweest bij beoordelingen, bezwaarprocedures of herstelroutes, en hoe wordt vastgesteld of deze documenten alsnog relevant zijn voor individuele dossiers?
De datakluis is gevuld met ongestructureerde en ongesorteerde data. De datakluis is in de jaren 2019 en 2020 gevuld met data vanuit de zogenaamde Q-schijf. Voor de hoogte van de compensatie in de integrale beoordeling is de data in de datakluis niet relevant, de integrale beoordeling wordt immers gedaan op basis van gegevens uit applicaties en systemen van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Waarbij ook geldt dat daar waar gegevens ontbreken, uitgegaan wordt van het verhaal van de ouder.
Daarnaast geldt dat eventuele aanvullende compensatie is gebaseerd op gebeurtenissen in het leven van die ouder, bijvoorbeeld een echtscheiding, het verbreken van gezinsrelaties, het verlies van een baan. Al die ellende die mensen hebben moeten meemaken, zit niet in de systemen van de Belastingdienst, maar in het leven van die ouders. Dat is het ouderverhaal en dat zit dus niet in de documenten van de datakluis.
In de Kamerbrief3 van 15 april jl. heb ik al benadrukt dat het aantreffen van gegevens in de datakluis geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ouders na het tekenen van een overeenkomst constateren dat schadeposten ontbreken, berekeningen onjuist zijn en vergelijkbare schade verschillend is beoordeeld of later is aangepast?
Gedupeerde ouders kiezen zelf om hun aanvullende schade te laten vergoeden via de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Dit proces is door SGH speciaal ingericht voor ouders die zijn geraakt door de toeslagenaffaire.
Een onderdeel van de aanpak van SGH is het feitenrelaas. Dit feitenrelaas wordt samen met de ouder uitvoerig besproken en gecontroleerd op juistheid en volledigheid. Via het feitenrelaas heeft een gedupeerde ouder het volledige verhaal kunnen vertellen. Daarna heeft een onafhankelijke schadeanalist op basis van het uniforme forfaitaire schadekader een berekening van de schade gemaakt. Deze schadeberekening wordt vervolgens eveneens uitvoerig met de ouder besproken. Daarbij krijgt de ouder nadrukkelijk de gelegenheid om onjuistheden te signaleren en aanvullingen of correcties aan te brengen waar nodig.
Het gehele proces, van feitenrelaas tot schadeberekening, is derhalve uiterst zorgvuldig ingericht en bevat meerdere waarborgen en controlemomenten om de juistheid en volledigheid te borgen.
Het gemiddelde forfaitaire bedrag dat een ouder ontvangt via de SGH-route ligt op bijna € 73.000 (na saldering met IB, peildatum 31 augustus 2025).
Deelt u de opvatting dat in dergelijke gevallen niet gesproken kan worden van «spijt», maar van mogelijk onvolledige of onjuiste besluitvorming?
Ik deel deze opvatting niet. Ik sta achter het proces van SGH, waarbij de ouder stap voor stap wordt meegenomen in het opstellen van het feitenrelaas en de ouder op meerdere momenten de mogelijkheid heeft om aanvullingen of correcties aan te geven (zie ook antwoord 6). In de SGH-route staat het verhaal van de ouder centraal. Het doel is om er samen uit te komen en de gemaakte afspraken vast te leggen in een VSO, met erkenning en finale closure voor de ouder.
Kunt u ingaan op signalen van zowel ouders als de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) dat schade van kinderen in de praktijk niet (volledig) is meegenomen, ondanks eerdere uitlatingen dat dit onder het begrip «gezin» zou vallen?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld4 is de Staat jegens de gedupeerde ouders aansprakelijk om hun schade als gevolg van de onterechte terugvorderingen van de Belastingdienst te vergoeden. De wet Hersteloperatie Toeslagen bepaalt dat de schadecompensatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Er zijn schadeposten opgenomen in het uniforme forfaitaire schadekader die zien op de kinderen. In het schadekader is bijvoorbeeld een post opgenomen, zoals «verlies van gelijke kansen in het gezin» en een «ontoereikende waarborging levenstandaard kinderen». Eventuele directe schade van een kind wordt niet vergoed via de SGH-route of MijnHerstel die de ouder doorloopt.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor dit verlies.5 Mede naar aanleiding van ontvangen signalen, krijgen ouders in het nazorgtraject van de schadeherstelroute uitleg over hoe ze de schadevergoeding kunnen inzetten, bijvoorbeeld door bij te dragen aan het aflossen van een studieschuld van hun kind.
Om te erkennen dat ook kinderen binnen het gezin zijn geraakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag, is destijds samen met hen de kindregeling opgezet. De tegemoetkoming vanuit de kindregeling is inmiddels aan nagenoeg alle kinderen uitbetaald.6
Indien blijkt dat schade van kinderen structureel niet is meegenomen, wat betekent dit volgens u voor de rechtsgeldigheid en de volledigheid van reeds gesloten vaststellingsovereenkomsten?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke wijze is bij het sluiten van deze overeenkomsten gewaarborgd dat ouders volledig en juist zijn geïnformeerd over hun rechtspositie en mogelijke alternatieven?
De gedupeerde ouder kiest vrijwillig voor de SGH-route, om er samen met de Staat uit te komen. De SGH route is daar op ingericht. De ouder wordt gedurende het gehele proces geïnformeerd over hun rechtspositie.
Een gedupeerde ouder in de SGH-route ontvangt, na het optekenen van het feitenrelaas en de daaruit volgende schadeberekening (zie ook antwoord 6) een concept VSO. Hierbij zit een begeleidende brief met uitleg over de overeenkomst. Zo wordt uitgelegd dat de gedupeerde ouder zelf beslist of hij/zij de overeenkomst aan wil gaan, en ook wat het betekent als de ouder er voor kiest om de VSO te tekenen. Hierbij wordt ook uitgelegd dat de ouder en de Staat tekenen tegen finale kwijting. Ook wordt de ouder gewezen op de mogelijkheid van het inwinnen van onafhankelijk juridisch advies. Hiervoor is gesubsidieerde rechtsbijstand mogelijk.
We vragen de ouder om de conceptovereenkomst rustig te bekijken en daarna maakt de ouder de keuze voor het laten opstellen van een definitieve VSO. Vervolgens hebben ouders nog een bedenktermijn van zes weken, waarin zij kunnen besluiten de VSO wel of niet te tekenen.
In hoeverre was er volgens u sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de overheid en gedupeerde ouders bij het sluiten van deze overeenkomsten?
In de SGH-route wordt niet onderhandeld met gedupeerde ouders over hun aanvullende schade. Op grond van het uniforme forfaitaire schadekader kunnen ouders hun schade aannemelijk maken waarna de Staat hen een aanbod doet.
Hoeveel verzoeken tot herziening van vaststellingsovereenkomsten zijn tot op heden ingediend, en hoeveel daarvan zijn gehonoreerd?
Het ministerie heeft tot nu toe circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen. Nagenoeg alle ouders hebben hierop een reactie ontvangen. Waar het verzoek daar aanleiding toe gaf is, er een gesprek gevoerd met de ouder. Er zijn geen verzoeken gehonoreerd, omdat de Staat daarvoor in de verzoeken geen aanleiding ziet. De Staat houdt vast aan de gemaakte afspraken tegen finale kwijting. Als gedupeerde ouders zich niet kunnen vinden in de uitkomst dat de VSO niet wordt herzien, kunnen zij dit voorleggen aan de civiele rechter.
Wordt ouders actief gewezen op de mogelijkheid van herziening op basis van nieuwe feiten of omstandigheden? Zo ja, hoe?
Een gedupeerde ouder wordt actief geïnformeerd over welke omstandigheden mogelijk kunnen leiden tot een herziening. In de VSO en de begeleidende brief is dit opgenomen.
Deelt u de mening dat uiteindelijk de rechter bepaalt of en onder welke voorwaarden een vaststellingsovereenkomst kan worden aangetast of aangepast? Zo ja, waarom wordt richting ouders dan de indruk gewekt dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde is?
Indien ouders een geschil over de VSO voorleggen aan de rechter, dan is het in Nederland de rechter die beslist of de VSO wordt aangetast dan wel wordt aangepast.
Zoals in het antwoord op vraag 1 reeds aangegeven, is de weergave in het artikel van de Telegraaf, dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde zou zijn, onjuist.
Bent u bereid om de huidige werkwijze rondom herziening van vaststellingsovereenkomsten te heroverwegen, zodat recht wordt gedaan aan nieuwe informatie en onvolledige dossiers zonder dat ouders eerst grote bedragen moeten terugbetalen?
Nee, want er is geen aanleiding voor aanpassing. Gedupeerde ouders hebben vrijwillig gekozen voor schaderoute van SGH. Aan hen wordt op basis van hun eigen verhaal een aanbod gedaan om te komen tot afronding van hun financiële herstel. Het doel is daarbij om er gezamenlijk uit te komen via een VSO.
Ouders die daarna menen dat er gronden zijn om de VSO te herzien kunnen zich wenden tot de civiele rechter.
Binnen welke termijn worden herzieningsverzoeken op grond van de novumclausule behandeld, en hoeveel ouders wachten inmiddels langer dan drie maanden op een inhoudelijke reactie?
Op nagenoeg alle herzieningsverzoeken is inmiddels een reactie gegeven.
De toename van huiselijk geweld |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor het eerst sinds 2022 meer huiselijk geweld in het Westland» en soortgelijke berichten over een stijging van huiselijk geweld in onder meer Westland, Epe, Arnhem en Alphen aan den Rijn?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Erkent u dat dit geen incidenten zijn, maar een landelijke trend?
Ik herken het beeld dat het aantal meldingen en adviezen dat Veilig Thuis landelijk ontvangt een stijgende trend laat zien. Deze stijging is al enkele jaren zichtbaar. Het is belangrijk om bij deze cijfers een splitsing aan te brengen tussen het aantal adviesvragen en het aantal meldingen. De cijfers van beide categorieën stijgen namelijk niet evenredig: zo is het aantal meldingen in 2025 ten opzichte van 2024 met ongeveer 5% gestegen, terwijl het aantal adviesvragen in dezelfde periode met 16% is gestegen. Een vergelijkbaar verschil was ook in 2024 al zichtbaar ten opzichte van 2023. De snellere groei van het aantal adviesvragen lijkt te laten zien dat Veilig Thuis vaker al in een vroeg stadium wordt betrokken. Mensen zoeken sneller advies bij signalen of twijfel, nog voordat situaties escaleren. Daarbij nemen ook direct betrokkenen vaker zelf contact op met Veilig Thuis voor advies. Deze verschuiving naar de «voorkant» betekent dat Veilig Thuis steeds vaker en eerder meedenkt, adviseert en ondersteunt, zodat betrokkenen waar mogelijk zelf stappen kunnen zetten om de veiligheid te verbeteren en escalatie te voorkomen. Deze trend sluit aan bij de inzet die hierop is gepleegd, bijvoorbeeld met campagnes en het versterken van de adviesfunctie van Veilig Thuis. Een tweede belangrijke nuancering bij deze cijfers is dat de stijging in aantallen niet per definitie hoeft te betekenen dat huiselijk geweld vaker vóórkomt; deze cijfers lijken er vooral op te wijzen dat huiselijk geweld eerder en vaker in beeld komt. Dat is ook precies de inzet geweest van de diverse grootschalige publiekscampagnes van afgelopen jaren. Een causaal verband is hierbij niet te geven, maar de relatief sterker stijgende groei van het aantal adviesvragen ten opzichte van het aantal meldingen lijkt hier wel sterk op te wijzen.
Klopt het dat in ongeveer de helft van de gevallen sprake is van kindermishandeling?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat in de helft van de gevallen daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling. Het gaat hierbij om signalen en vermoedens en niet om vastgestelde kindermishandeling. Ongeveer de helft van alle meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis heeft betrekking op vermoedens van kindermishandeling. Dit percentage is de afgelopen jaren stabiel gebleven. De totale aantallen laten zien dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen toeneemt. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 2 kan dit duiden op een ontwikkeling waarbij signalen eerder worden opgepakt en Veilig Thuis vaker in een vroeg stadium wordt betrokken om mee te denken en te adviseren.
Klopt het dat ook ouderen (65+) steeds vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing binnen de huiselijke sfeer?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat ouderen (65+) vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing. Wel is zichtbaar dat het aantal meldingen van huiselijk geweld in de brede zin is toegenomen. Ouderenmishandeling vormt daarin een relatief klein deel van het totaal en er zijn geen aanwijzingen dat dit aandeel sneller stijgt. De cijfers hebben betrekking op meldingen en adviezen en geven daarmee inzicht in hoeveel gevallen in beeld komen, niet in de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Hoe groot is het aandeel partner- en ex-partnergeweld in de meldingen bij Veilig Thuis?
Het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld bedroeg in 2025 53.485. Op een totaal van 136.325 meldingen, bedraagt het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld daarmee 39 procent.
In hoeveel van de 25 Veilig Thuis-regio’s stijgen de cijfers momenteel?
Het aantal meldingen is in 2025 ten opzichte van 2024 in acht Veilig Thuis regio’s gedaald en in zeventien Veilig Thuis regio’s gestegen. Het aantal adviesvragen is in dezelfde periode in twee regio’s gedaald en in drieëntwintig regio’s gestegen.
Hoe verklaart u deze brede stijging bij kinderen, partners én ouderen ondanks jarenlang beleid?
Zoals toegelicht bij vraag 2 is er een verschil tussen de stijging in aantal meldingen en het aantal adviesvragen en dienen de cijfers met nuance te worden bezien. De stijging kan niet aan één specifieke oorzaak worden toegeschreven. Deze kan mogelijk samenhangen met verbeterde signalering, een grotere bereidheid van professionals en burgers om te melden en/of advies te vragen en een toegenomen bekendheid van Veilig Thuis, waardoor (zorgen rondom) huiselijk geweld en kindermishandeling eerder en vaker in beeld komt. Direct betrokkenen nemen ook steeds vaker zelf contact op met Veilig Thuis als sprake is van onveiligheid. Daarnaast geldt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor een groot aantal professionals. Wanneer zij vermoedens hebben van onveiligheid, dienen zij de stappen van de meldcode te volgen. Contact met Veilig Thuis is daar onderdeel van. Wanneer vermoedens van onveiligheid eerder of beter worden herkend en volgens de meldcode wordt gehandeld, zullen professionals vaker contact opnemen met Veilig Thuis. De stijging is niet voor alle groepen en geweldsvormen in gelijke mate zichtbaar is, zo is bij ouderenmishandeling geen duidelijk stijgende trend waarneembaar.
Deelt u de conclusie dat de huidige aanpak tekortschiet?
De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt continue aandacht. De afgelopen jaren zijn veel stappen gezet in de verbetering van deze aanpak, gericht op het voorkomen, eerder signaleren en zorgen voor duurzame veiligheid. Zo is bijvoorbeeld ingezet op het versterken van de advies- en meldfunctie en het verbeteren van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van Veilig Thuis, het vergroten van bewustwording, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van risicotaxaties en het bieden van integrale hulp. Het is van belang deze inzet door te zetten en verdere verbeteringen te realiseren, samen met andere departementen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
Hoeveel meldingen krijgen geen tijdige opvolging door wachttijden of capaciteitstekorten?
Het is belangrijk dat bij gezinnen en huishoudens in een onveilige situatie zo snel mogelijk een goede inschatting wordt gemaakt van wat er aan de hand is. Vervolgens dienen zij zo snel mogelijk de juiste hulp en ondersteuning te krijgen. Op dit moment lukt dit niet in alle Veilig Thuis regio’s, mede door het grote aantal adviesvragen en meldingen dat zij ontvangen. Het exacte aantal meldingen dat op dit moment geen tijdige opvolging krijgt door wachttijden of capaciteitstekorten is niet goed weer te geven, onder andere als gevolg van regionale verschillen in uitvoering en registraties. Het is daarbij ook niet eenvoudig om deze wachttijden terug te dringen, onder meer vanwege de krappe arbeidsmarkt, de toename in complexiteit van de casuïstiek en de bredere uitdagingen in de keten, zoals wachttijden bij lokale hulpverleners die een soepele overdracht in de weg staan. In deze moeilijke omstandigheden zetten de professionals van Veilig Thuis en de hulpverlening zich in om hun ingewikkelde werk uit te voeren. Het is daarnaast belangrijk om te benadrukken dat ook als er sprake is van wachtlijsten, Veilig Thuis bij iedere melding direct toetst of er sprake is van een acuut onveilige situatie. Bij acuut gevaar of onveiligheid wordt altijd gehandeld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de uitvoering van de taken door Veilig Thuis.
Wat gaat u per direct doen om alle slachtoffers, kinderen, partners en ouderen beter te beschermen?
Zoals in de beantwoording van vraag 8 benadrukt, vraagt de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling continue aandacht en worden verbeterinitiatieven doorgezet. Zo wordt ingezet op preventieve maatregelen en het verbeteren van de vroegsignalering en de deskundigheid van professionals zodat huiselijk geweld eerder in beeld komt en betrokkenen tijdig kunnen worden ondersteund.
Daarnaast wordt met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming ingezet op het realiseren van verbeteringen in de kind- en gezinsbescherming. Het stelsel is complex georganiseerd, de problemen in gezinnen en huishoudens worden onvoldoende in samenhang opgepakt en volwassenen en kinderen voelen zich onvoldoende gehoord en gezien. Dit vraagt om een fundamenteel andere werkwijze bij het helpen en beschermen van volwassenen en kinderen als sprake is van onveiligheid. Er wordt toegewerkt naar integrale ondersteuning van gezinnen en huishoudens, met een centrale rol voor stevige lokale teams en een kwalitatief sterk Regionaal Veiligheidsteam. De proeftuinen van het Toekomstscenario laten zien dat de nieuwe manier van werken tot goede resultaten leidt. Op dit moment wordt samen met alle betrokken partnerorganisaties hard gewerkt aan de zogeheten veranderstrategie, waarin wordt beschreven aan welke inhoudelijke doelen en in welk tempo aan de gestelde ambities wordt gewerkt – passend bij de beschikbare financiële ruimte.
Daarnaast wordt voor het zomerreces een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld aangesteld. De Nationaal Coördinator gaat onder andere aan de slag met een Nationaal Actieplan Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld. De coördinator zal zich richten op het versterken van het netwerk, het signaleren van knelpunten in beleid en uitvoering en het verbeteren van de samenwerking. Ook kindermishandeling heeft hierin nadrukkelijk de aandacht. Met deze maatregelen wordt beoogd de bescherming van slachtoffers, kinderen, partners en ouderen te versterken.
Bent u bereid landelijke normen in te voeren voor sneller ingrijpen en maximale wachttijden?
Er gelden reeds landelijke normen waar Veilig Thuis-organisaties zich aan dienen te houden. Specifiek geldt de norm dat Veilig Thuis binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding een veiligheidsbeoordeling uitvoert en een besluit neemt over het vervolg. Indien uit de triage blijkt dat de dienst «Voorwaarden en Vervolg» van Veilig Thuis nodig is, moet deze dienst zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 10 weken na de veiligheidsbeoordeling zijn afgerond. Met inzet van deze dienst worden veiligheidsvoorwaarden opgesteld en vervolghulp ingezet. Dat deze normen niet altijd gehaald worden heeft zodoende niet te maken met het ontbreken van normen, maar voornamelijk met de eerder geschetste uitdagingen op het gebied van de arbeidsmarkt en het grote aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt. In deze context is Veilig Thuis ook altijd bezig de eigen werkwijzen tegen het licht te houden, te zoeken naar efficiëntere vormen van samenwerking en het innoveren van haar dienstverlening. Een voorbeeld hiervan is de verdere doorontwikkeling van de chatfunctie, bedoeld om het contact met Veilig Thuis en de daar beschikbare kennis en expertise vroegtijdig en laagdrempelig toegankelijk te maken.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Maatschappelijk domein van 28 mei aanstaande?
Ja.
Fraude bij inburgeringsexamens |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat fraude bij inburgeringsexamens directe consequenties moet hebben voor het verblijfsrecht van betrokkenen? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?1
Het plegen van fraude vind ik onacceptabel. Wanneer fraude wordt ontdekt bij het basisexamen inburgering buitenland (bib) wordt de aanvraag om de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dan ook geweigerd.
Als er wordt ontdekt dat een examenkandidaat heeft gefraudeerd bij het afleggen van een inburgeringsexamen in Nederland op grond van de Wet inburgering 2021 (Wi2021), dan wordt de examenuitslag ongeldig verklaard. Dit is bijvoorbeeld het geval als een examenkandidaat zich voordoet als een andere persoon, of als een kandidaat verboden hulpmiddelen zoals o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges meeneemt in de examenzaal. Dit kan er vervolgens toe leiden dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een inburgeringsdiploma of, wanneer dit niet direct maar achteraf wordt ontdekt, dat een afgegeven inburgeringsdiploma wordt ingetrokken.
De intentie is om de verblijfsvergunning dan wel het Nederlanderschap niet te verlengen c.q. in te trekken. De mogelijkheden daartoe zijn echter beperkt. Of daartoe kan worden overgegaan, hangt af van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Daarbij vindt steeds een zorgvuldige belangenafweging plaats. Onder andere het evenredigheidsbeginsel en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, waaronder het recht op eerbiediging van het gezins- en privéleven, worden hierin meegewogen.
Welke mogelijkheden bestaan er om reeds verleende verblijfsvergunningen of naturalisaties, die (mede) zijn gebaseerd op frauduleus verkregen inburgeringscertificaten, in te trekken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel personen hebben mogelijk ten onrechte een inburgeringscertificaat verkregen als gevolg van deze fraude, en wat betekent dit voor de betrouwbaarheid van het huidige systeem?
Als het gaat om het basisexamen inburgering buitenland dan zijn de controles naar aanleiding van de fraudezaken aangescherpt. Dergelijk misbruik is onacceptabel. Sinds ik uw Kamer op 24 april jl. heb geïnformeerd is er nog een vervalst slagingsbewijs van het bib ontdekt. Op dit moment zijn er dus acht gevallen van fraude bekend. De aanvraag van de mvv van deze acht personen is afgewezen. Door streng op te treden, zoals het doen van aangifte, wordt een duidelijk signaal afgegeven dat misbruik en fraude niet getolereerd worden. Er vinden nu extra controles plaats en er wordt strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen. Ik onderzoek daarnaast welke vervolgstappen nodig zijn om deze vorm van misbruik in de toekomst te voorkomen. Op deze manier blijft de betrouwbaarheid van het huidige systeem gewaarborgd.
Voor wat betreft de inburgeringsdiploma’s die zijn verkregen op basis van het slagen voor het inburgeringsexamen in Nederland, op grond van de Wi2021, is het volgende van belang. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl. heb laten weten, heeft het College voor Toetsen en Examens (CvTE) alle examens van het onderdeel spreekvaardigheid op niveau B1, die op 13 augustus 2025 zijn afgelegd, ongeldig verklaard. Dit heeft het CvTE besloten naar aanleiding van een signaal dat alle vragen uit het examen van die dag waren gedeeld in een Whatsapp-groep. Alle kandidaten die dit examen hadden gedaan, moeten dit examen dus nogmaals afleggen of hebben dit inmiddels gedaan. Om te voorkomen dat dit nogmaals gebeurt, is het aantal afnames per dag beperkt. Doordat er inmiddels extra examens zijn ontwikkeld, is het vanaf mei weer mogelijk om op meerdere momenten per dag verschillende examens af te nemen, zodat het onderling delen van examenopgaven geen zin meer heeft. Verder heeft het CvTE de Minister van OCW en mij laten weten, niet over indicaties te beschikken dat er structureel fraude wordt gepleegd. Na elke afname van een examen worden de resultaten hiervan gemonitord en de afgelopen periode zijn er geen signalen geweest van een (onverklaarbare) sterke stijging van het aantal geslaagden.
Als gevolg van de investeringen die de afgelopen periode zijn gedaan om de databanken met examenopgaven («itembanken») van de onderdelen van het inburgeringsexamen op niveau A2 en KNM, te vergroten, kunnen er nu veel meer verschillende examenversies worden samengesteld, Dat betekent dat het onderling delen van (omschrijvingen) van examenopgaven weinig tot geen nut meer heeft, omdat de kans dat iemand een eerder gedeelde opgave in zijn of haar examen krijgt zeer klein is. Overigens komt een inburgeraar pas in aanmerking voor een inburgeringsdiploma op grond van de Wi2021 indien hij of zij is geslaagd voor alle examenonderdelen van het inburgeringsexamen2 én zowel het Participatieverklaringstraject als de Module Arbeidsmarkt en Participatie succesvol heeft afgerond.
De organisaties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze examens (het CvTE en DUO) en ik, zijn en blijven alert op signalen van onregelmatigheden tijdens examens en zullen zo nodig ingrijpen als hiervan sprake is. Zoals ik in mijn eerdergenoemde brief van 24 april jl. heb aangegeven, ben ik voornemens om – wanneer de itembanken voor de A2-examens hiervoor groot genoeg zijn – deze op termijn openbaar te maken. Op die manier hebben alle kandidaten dezelfde mogelijkheden om te oefenen met het beschikbare materiaal en heeft het geen zin meer om opgaven onderling te delen. Fundamentele aanpassingen aan het examenstelsel acht ik daarom niet noodzakelijk.
Op welke wijze wordt structureel gecontroleerd op fraude bij examenafname in het buitenland, en bent u bereid deze controles aanzienlijk te intensiveren?
De afname van het basisexamen buitenland vindt plaats op een Nederlandse diplomatieke post of bij een externe dienstverlener in het buitenland. Voorafgaand aan het examen wordt de identiteit van de kandidaat vastgesteld en biometrie afgenomen. Ook wordt vooraf gecontroleerd op verboden items. In het geval dat een kandidaat niet meewerkt aan de controle, mag de kandidaat niet deelnemen aan het examen. Verder vindt continu toezicht plaats tijdens het examen. Er zijn geen signalen dat er gefraudeerd wordt bij de afname zelf. Er is dan ook geen noodzaak om de controles bij de afnames te intensiveren. De geconstateerde fraude heeft alleen betrekking op het vervalste slagingsbewijs en daar wordt nu strenger op gecontroleerd. Zie ook het antwoord op vragen 3/7, 6 en 8.
Welke rol spelen tussenpersonen, commerciële bureaus of opleidingsinstituten bij deze fraude, en welke maatregelen worden genomen om deze partijen aan te pakken of te verbieden?
Dat is op dit moment niet bekend. De verwachting is dat de strafrechtelijke procedure hier meer inzicht in kan geven. Vervolgens zal bekeken worden welke maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de omvang en organisatie van deze fraudepraktijken, inclusief mogelijke netwerken die hierbij betrokken zijn?
De IND heeft aangifte gedaan in zeven zaken van fraude met het basisexamen inburgering buitenland. In overleg met de politie en het OM wordt bezien of ook in de achtste zaak aangifte wordt gedaan. Een strafrechtelijke procedure kan naar verwachting meer inzicht geven in deze fraudezaken. Daarnaast wordt op dit moment strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen.
In hoeverre acht u het huidige inburgeringsstelsel nog robuust genoeg om misbruik te voorkomen, en welke fundamentele aanpassingen acht u noodzakelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt overwogen om de afname van inburgeringsexamens in het buitenland (tijdelijk) op te schorten totdat de integriteit van het systeem kan worden gegarandeerd?
Jaarlijks worden 6000 tot 7000 bib examens succesvol afgelegd. Er zijn nu acht gevallen van fraude bekend met slagingsbewijzen van het basisexamen inburgering in het buitenland. Deze fraude is gepleegd bij het indienen van de mvv-aanvraag. Dit zijn acht gevallen teveel en daarom is het toezicht aangescherpt. Ik zie echter geen aanleiding om de afname van de examens op te schorten. Er zijn geen fraudezaken bekend met het afleggen van het basisexamen inburgering buitenland zelf. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 wordt er door ambassadepersoneel toezicht gehouden op de afname van de examens.
Hoe wordt samengewerkt met buitenlandse autoriteiten om fraude bij examenafname tegen te gaan en daders op te sporen?
Het tegengaan van fraude tijdens het basisexamen inburgering buitenland betreft een intern, Nederlands proces. Hiervoor wordt niet samengewerkt met buitenlandse autoriteiten.
Bent u bereid om aanvullende sancties in te voeren, zoals langdurige uitsluiting van het inburgeringstraject of boetes, voor personen die fraude plegen of faciliteren?
Als het gaat om de fraude die gepleegd is met het basisexamen inburgering buitenland dan is aangifte gedaan tegen zeven personen. Naast de weigering van een mvv zal een strafrechtelijke procedure moeten uitwijzen welke consequenties aan de fraude verbonden kunnen worden.
Hoewel kandidaten die een inburgeringsexamen op grond van de Wi2021 afleggen een geheimhoudingsverklaring ondertekenen, is het onderling delen van herinneringen aan examenopgaven niet strafbaar en kunnen personen die dat doen hiervoor niet strafrechtelijk worden vervolgd. Dit is anders als het gaat om ge(foto)kopieerde examenopgaven. In een dergelijk geval kan hier wel tegen opgetreden worden. Hier wordt overigens streng op gecontroleerd: zoals in het antwoord op vraag 1 en 2 is aangegeven is het voor kandidaten namelijk verboden om o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges mee te nemen in de examenzaal. Er zijn dan ook geen signalen dat het kopiëren van examenopgaven gebeurt.
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.
Bent u bekend met het bericht ««Menselijke maat ontbreekt»: kritiek op Enschede na stopzetten bijstand»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Klopt het dat de gemeente Enschede bijstandsuitkeringen heeft stopgezet of geweigerd op basis van de vermogenstoets, ook in situaties waarin het vermogen (deels) bestaat uit compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire?
Het klopt dat de gemeente Enschede bijstandsuitkeringen heeft stopgezet op basis van de vermogenstoets. Dat is ook gebeurd bij een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Ik begrijp dat een dergelijk besluit voor een gedupeerde pijnlijk kan zijn. Dit besluit was echter niet het gevolg van de ontvangst van compensatiegelden maar de ontvangst van een dwangsom. Hierdoor kwam het vermogen boven de vrijlatingsgrens van de bijstand uit (€ 8.000 voor een alleenstaande, € 16.000 voor een echtpaar).
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen compensatiegelden voor de toeslagenaffaire en een dwangsom. In de casus waaraan u refereert heeft de gemeente de bijstand beëindigd vanwege de ontvangst van een dwangsom. Een dwangsom is bedoeld als financiële prikkel voor de overheid om besluiten te nemen binnen de geldende beslistermijnen. Een dwangsom is geen schadevergoeding en kan op die grond ook niet buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling van het recht op bijstand. Dat een dwangsom geen schadevergoeding is, blijkt uit uitspraken inzake «bijstand als lening» en «eigen bijdrage COA». In de eerste uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep niet de stelling onderschreven «dat het college de dwangsom niet als vermogen mocht aanmerken». Dit is het geval omdat een dwangsom geen vergoeding voor mogelijke immateriële schade is (ECLI:NL:CRVB:2025:1778). In de COA-zaak heeft de Raad van State geoordeeld dat het COA een eigen bijdrage voor de opvang mocht vragen aan een persoon die gedurende de asielprocedure een dwangsom ontving en doordoor boven de vermogensgrens uitkwam. Ook hier was het oordeel dat geen sprake was van een schadevergoeding (ECLI:NL:RVS:2026:140).
Elke gemeente is in beginsel verplicht de bijstand te beëindigen wanneer er sprake is van een te hoog vermogen. Het is mogelijk dat onderdelen van vermogen worden vrijgelaten op grond van artikel 31 of 34 van de Participatiewet. Compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn in een ministeriële regeling aangewezen als schadevergoeding die op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Participatiewet niet meetellen bij de bepaling van het recht op bijstand (zij worden niet tot de middelen gerekend). Ook de gemeente Enschede handelt zo. Omdat een dwangsom geen schadevergoeding is, kan deze niet op deze grond worden vrijgelaten.
Deelt u de mening dat compensatiegelden voor gedupeerden van de toeslagenaffaire niet bedoeld zijn om als regulier vermogen te worden aangemerkt bij de beoordeling van het recht op bijstand?
Deze mening deel ik en dit is ook wettelijk vastgelegd, zie het laatste onderdeel van mijn antwoord onder vraag 2: het is een schadevergoeding die wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Participatiewet.
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeenten deze compensatiegelden toch (indirect) meewegen in de vermogenstoets, bijvoorbeeld doordat zij leiden tot overschrijding van vermogensgrenzen?
Omdat de daadwerkelijke compensatiegelden expliciet zijn vrijgelaten, neem ik aan dat u hier doelt op de dwangsom. Ik begrijp dat het meewegen van een dwangsom in de vermogenstoets voor een gedupeerde onrechtvaardig kan voelen. Zoals hierboven aangegeven, is een dwangsom voor het niet tijdig beslissen door de overheid echter geen compensatie of schadevergoeding voor de toeslagenaffaire. Het ontvangen van een dwangsom staat ook niet in de weg aan het later ontvangen van de daadwerkelijke compensatie. Gemeenten moeten de dwangsom dan ook meenemen in de vermogenstoets.
Welke landelijke richtlijnen bestaan er voor gemeenten ten aanzien van de behandeling van compensatiegelden van gedupeerden bij de uitvoering van de Participatiewet?
Dat is afhankelijk van het type compensatie. Als een compensatie een vorm van immateriële schadevergoeding is, kan het college besluiten de compensatie vrij te laten voor de Participatiewet. Dat kan alleen als dat uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Daarnaast zijn er schadevergoedingen die op grond van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ verplicht vrijgelaten moeten worden. De compensatie voor gedupeerden van de toeslagenaffaire valt onder deze laatste categorie.
Bent u van mening dat de gemeente Enschede in deze gevallen de ruimte voor maatwerk onvoldoende benut heeft, en zo ja, waarom?
Ik kan de individuele gevallen niet beoordelen, maar in het algemeen geldt dat er op grond van de Participatiewet in beginsel geen reden is om een uitkering voort te zetten wanneer een dwangsom leidt tot een te hoog vermogen. Daarnaast zijn er wettelijke hardheidsclausules, in de vorm van de «dringende redenen»-toets, om te voorkomen dat iemand in ernstige financiële problemen komt.
Hoe voorkomt u dat gedupeerden van de toeslagenaffaire, die juist door de overheid in de problemen zijn gebracht, opnieuw in financiële problemen komen door strikte toepassing van de vermogenstoets?
Het is niet de bedoeling dat gedupeerden van de toeslagenaffaire door toepassing van de vermogenstoets in de problemen komen. Daarom wordt de compensatie ook volledig buiten beschouwing gelaten. Echter wanneer iemand een dwangsom ontvangt en daardoor over voldoende vermogen beschikt om in het eigen levensonderhoud te voorzien, dan heeft iemand in beginsel voldoende eigen middelen van bestaan en moet een bijstandsuitkering worden beëindigd.
Bent u bereid om landelijk te verduidelijken of aan te scherpen dat compensatiegelden van gedupeerden (volledig) buiten beschouwing dienen te blijven bij de beoordeling van het recht op bijstand?
In artikel 31, tweede lid, onderdelen l, en s is al wettelijk geregeld welke compensatiegelden bij de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing moéten worden gelaten (onderdeel l) of kúnnen worden gelaten (onderdeel s).
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten bijstandsuitkeringen stopzetten of weigeren in situaties waarin dit leidt tot schrijnende en onrechtvaardige uitkomsten?
Zoals eerder toegelicht bij vraag 6 is de wet zo ingericht dat schrijnende en onrechtvaardige uitkomsten worden voorkomen.
Zijn er bij u signalen bekend dat ook andere gemeenten vergelijkbare praktijken hanteren waarbij compensatiegelden van gedupeerden van de toeslagenaffaire (direct of indirect) worden meegewogen in de vermogenstoets? Zo ja, om welke gemeenten gaat het en in welke omvang komt dit voor?
Mij hebben geen signalen bereikt dat compensatiegelden van gedupeerden van de toeslagenaffaire worden meegewogen in de vermogenstoets. Wel is mij bekend dat meerdere gemeenten een dwangsom, conform de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de Raad van State, zien als in aanmerking te nemen vermogen. Ongeacht de aanleiding van deze dwangsom.
Het bericht 'Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door' |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door»?1
Ja.
Klopt het dat de gemeente Midden-Groningen in het verleden kwetsbare personen heeft doorverwezen naar dit hotel als tijdelijke opvanglocatie? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat een particulier initiatief dat jarenlang feitelijk een publieke taak heeft vervuld, nu geconfronteerd wordt met handhaving en hoge dwangsommen?
Uit het bericht volgt dat in het verleden kwetsbare personen (tijdelijk) in het betreffende hotel verbleven en dat er contacten zijn geweest met de gemeente over deze situatie. Na contact met de gemeente blijkt echter dat geen sprake was van opvang, maar uitsluitend van huisvesting door een commerciële verhuurder. Het hotel heeft daarmee geen publieke opvangtaak vervuld. Eventuele doorverwijzing naar deze locatie vond slechts plaats in de context van het wijzen op beschikbare particuliere huisvestingsmogelijkheden, vergelijkbaar met verwijzingen naar andere verhuurders die in situaties van acute huisvestingsnood onderdak kunnen bieden. Daarbij geldt ook dat het hotel niet uitsluitend door kwetsbare personen wordt bewoond, maar dat sprake is van een bredere groep huurders.
Het is primair aan de gemeente om te bepalen op welke wijze zij invulling geeft aan haar verantwoordelijkheden op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en opvang. De gemeente Midden-Groningen zet daarbij actief in op lokale initiatieven om aan deze publieke taak te voldoen, in samenwerking met onder andere woningcorporaties en zorgaanbieders. Tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen publieke opvang en particuliere huisvesting, waarbij belangrijk is dat er duidelijkheid is bij alle partijen of er sprake is van opvang of particuliere huisvesting. Gemeenten dienen bij dergelijke situaties een zorgvuldige afweging te maken, waarbij zowel de geldende regelgeving als de belangen van de betrokken bewoners worden meegewogen.
Deelt u de opvatting dat het primair de verantwoordelijkheid van de overheid en gemeenten is om te zorgen voor structurele, passende huisvesting van kwetsbare personen, en dat het onwenselijk is wanneer deze verantwoordelijkheid in de praktijk verschuift naar particuliere ondernemers, zonder duidelijke contractuele basis of een langetermijnvisie?
Het kabinet onderschrijft dat overheden, en in het bijzonder gemeenten, een belangrijke rol hebben bij het bevorderen van voldoende en passende huisvesting voor aandachtsgroepen. Gemeenten voeren hierin lokaal de regie en maken afspraken met betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en waar relevant ook andere aanbieders, om het aanbod van geschikte woningen te vergroten. Samenwerking met verschillende partijen kan in de praktijk bijdragen aan het realiseren van woningen. Daarbij is het van belang dat verantwoordelijkheden en afspraken zorgvuldig worden vastgelegd en passen binnen een structurele aanpak. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting beoogt het kabinet de regierol van overheden bij de volkshuisvesting verder te versterken en beter te sturen op een toereikend aanbod van passende woningen voor aandachtsgroepen.
Welke landelijke kaders bestaan er om te voorkomen dat tijdelijke noodoplossingen, zoals het onderbrengen van kwetsbare personen in hotels, jarenlang voortduren zonder structurele oplossing, en acht u deze kaders voldoende effectief?
Het kabinet acht het van belang dat voor aandachtsgroepen wordt gewerkt aan structurele en passende huisvesting. Tijdelijke oplossingen kunnen in de praktijk soms nodig zijn om acute situaties op te vangen, maar zijn nadrukkelijk niet bedoeld als langdurige oplossing. Gemeenten maken hierover lokaal afwegingen en werken daarbij samen met onder meer woningcorporaties en andere betrokken partijen.
Op landelijk niveau bestaan verschillende kaders en instrumenten die zijn gericht op het vergroten van het structurele woningaanbod voor aandachtsgroepen. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting wordt de regierol van overheden bij de volkshuisvesting verder versterkt, onder meer door het verplichten van volkshuisvestingsprogramma’s en het versterken van de sturing op woningbouw en de huisvesting van aandachtsgroepen. Het kabinet verwacht dat deze versterkte regie bijdraagt aan het beter realiseren van structurele oplossingen. Tegelijkertijd blijft het van belang dat overheden en betrokken partijen in de praktijk blijven sturen op het voorkomen dat tijdelijke voorzieningen langer duren dan noodzakelijk. Tenslotte wordt er hard gewerkt aan een meer integrale en structurele aanpak van alternatieve huisvesting voor deze spoedzoekers. Dit moet resulteren in een flexibele schil voor deze groep woningzoekenden.
Bent u bereid te onderzoeken hoe het Rijk gemeenten beter kan ondersteunen of aanspreken op hun zorgplicht, zodat kwetsbare bewoners niet van de ene op de andere dag hun woonplek verliezen en particuliere initiatieven die uit maatschappelijke betrokkenheid handelen, niet in een juridisch vacuüm terechtkomen?
Het kabinet vindt het van belang dat aandachtsgroepen kunnen beschikken over passende en zo stabiel mogelijke huisvesting. Gemeenten hebben een belangrijke rol bij het vormgeven van het lokale woonbeleid en bij het maken van afspraken met betrokken partijen over de huisvesting van deze groepen. Daarbij is het van belang dat zorgvuldig wordt omgegaan met de positie van bewoners en dat betrokken partijen duidelijkheid hebben over rollen, verantwoordelijkheden en gemaakte afspraken.
Het kabinet zet er op in om gemeenten hierbij beter te ondersteunen en de regie op de volkshuisvesting te versterken. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting worden gemeenten onder meer verplicht om volkshuisvestingsprogramma’s op te stellen en worden de mogelijkheden voor sturing op de huisvesting van aandachtsgroepen versterkt. Het kabinet verwacht dat dit bijdraagt aan meer duidelijkheid en een meer structurele aanpak. Tegelijkertijd blijft het kabinet in gesprek met gemeenten en andere betrokken partijen over de knelpunten die zich in de praktijk voordoen.