Het bericht ‘Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: 'Willen witte scholen wit houden'’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: «Willen witte scholen wit houden»»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe duidt u de onacceptabele situatie die geschetst wordt in het bericht, waarin kinderen mogelijk wegens hun migratieachtergrond worden geweigerd of ontmoedigd bij toelating tot basisscholen?
Naar aanleiding van uw vragen is vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) contact opgenomen met het verantwoordelijke bestuur, stichting Prohles. Het bestuur geeft aan dat het, na het besluit over de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool, samen met de directeuren van de andere Prohles-scholen een plek heeft gezocht voor de leerlingen die een nieuwe plaatsing nodig hebben. Daarbij is afgesproken dat niemand op voorhand zou worden geweigerd. Ouders kregen een advies over welke school (of scholen) voor hun kind(eren) plek heeft volgend schooljaar en de ouders zijn uitgenodigd om daar te gaan kijken. Ouders zijn soms bij een andere school langsgegaan dan de school die hen was aangeraden en kregen daar te horen dat er geen plek was voor hun kind(eren).
In het eerdergenoemde contact met Prohles, heeft Prohles aangegeven dat dit enkel te maken had met de capaciteit van de betreffende klas of klassen. Toch hebben sommige ouders dat anders gehoord of ervaren. Prohles heeft de scholen daarop aangesproken dat geen enkele leerling op voorhand zou worden geweigerd. Daarna heeft Prohles een ouderavond georganiseerd. Prohles garandeert dat alle kinderen een plek krijgen, rekening houdend met de voorkeur van de ouders.
Naar aanleiding van de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool en het signaal uit de media is er veelvuldig contact geweest vanuit de Inspectie van het Onderwijs met de school en het bestuur. De Inspectie is tevreden over de stappen die het bestuur sindsdien richting de school en ouders heeft gezet en ziet geen reden om handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme geen rol mogen spelen in het toelatingsproces van basisscholen?
Ja. Discriminatie op basis van afkomst is in Nederland verboden. Afkomst mag nooit reden zijn om een kind de toegang tot een school te weigeren. Wat de intenties of afspraken ook waren in de geschetste situatie, het is hoe dan ook pijnlijk dat deze Katwijkse ouders en kinderen het zo hebben beleefd.
Een school mag alleen bij uitzondering om bepaalde redenen toelating weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om gebrek aan capaciteit.
Bijzondere scholen mogen onder strikte voorwaarden bij toelating tot of deelname aan het onderwijs onderscheid maken op basis van religie of levensovertuiging, voor zover een dergelijk onderscheid een relatie heeft met de grondslag van de school. Deze voorwaarden zijn neergelegd in met name artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling.2
Worden signalen van discriminatie wegens een migratieachtergrond bij toelating tot het onderwijs actief gemonitord?
Meldingen van discriminatie en racisme worden door verschillende bevoegde instanties bijgehouden. Het College voor de Rechten van de Mens (CvdRM) en de antidiscriminatievoorzieningen, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, maken in rapportages van ontvangen meldingen een uitsplitsing naar discriminatiegrond en het domein waarop dit zich afspeelt. Het College voor de Rechten van de Mens laat weten dat deze cijfers vanwege het zeer geringe aantal verzoeken om een oordeel over discriminatie in het onderwijs niet verder worden uitsplitst naar subcategorieën, zoals de toelating tot het onderwijs. De antidiscriminatievoorzieningen ontvingen in 2025 in totaal negen meldingen over discriminatie bij toelating tot onderwijs wegens een migratieachtergrond. De Inspectie van het Onderwijs blijkt vorig jaar 55 meldingen te hebben ontvangen over toelatingen in het primair onderwijs. Signalen over discriminatie ontvangt zij zelden.
Zo ja, heeft u concrete cijfers van meldingen van (vermoedens van) discriminatie bij toelatingen tot onderwijs, bijvoorbeeld via de inspectie, de ouders, het onderwijs of het College van de Rechten van de Mens?
Zie antwoord vraag 4.
Zo niet, bent u van plan om meldingen van discriminatie bij toelatingen tot onderwijs actief te monitoren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u voornemens maatregelen te treffen om discriminatie van leerlingen bij toelating tot het onderwijs tegen te gaan? Zo ja, welke?
Er is voorzien in verschillende instrumenten om discriminatie, ook bij de toelating tot scholen, tegen te gaan. De betreffende wetgeving hierover is duidelijk. Daarnaast blijken de huidige instrumenten toereikend om vermoedens van discriminatie bij toelating tot het onderwijs aan te pakken.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om scholen te verplichten om in een openbaar register of op hun website actueel inzicht te geven in de beschikbare capaciteit per school of leerjaar, zodat voor ouders transparant is wanneer een school daadwerkelijk vol is en wordt voorkomen dat het argument van «geen beschikbare plaatsen» selectief wordt gebruikt?
Naar aanleiding van de motie Krul3 verkent het Ministerie van OCW of scholen verplicht kunnen worden het aantal beschikbare plaatsen openbaar te maken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de jaarlijkse Kamerbrief over passend en inclusief onderwijs.
Hoe weegt u de leerplicht en het recht op onderwijs tegenover het weigeren van leerlingen op basis van hun afkomst?
Het weigeren van leerlingen op grond van afkomst is discriminatie en niet toegestaan op grond van de Algemene wet gelijke behandeling.
Welke mogelijkheden hebben ouders wanneer zij vermoeden dat hun kind ongelijk wordt behandeld bij toelating tot een school?
Ouders hebben bij een dergelijk vermoeden veel mogelijkheden.
Met het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, dat momenteel aanhangig is bij uw Kamer, doet de regering voorstellen om de klachtenprocedure te herzien.
Hoe wordt toezicht gehouden op toelatingsbeleid van scholen, en welke rol speelt de Inspectie van het Onderwijs hierbij?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de naleving van de onderwijswetten. Het toezicht van de Inspectie op het toelatingsbeleid is signaalgericht. Als de Inspectie een melding krijgt van mogelijke discriminatie bij toelating, neemt zij contact op met het bestuur. Doorgaans merkt de Inspectie dat besturen de wettelijke vereisten respecteren bij het vormgeven van hun toelatingsbeleid. De Inspectie kan de melding nader onderzoeken en indien het bestuur de onderwijswetgeving niet heeft nageleefd ook handhaven. De inspectie stelt hierbij een wettelijke tekortkoming vast en geeft het bestuur de opdracht om dit te herstellen.
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot hulporganisaties?
Het rapport bevat schokkende conclusies die niemand onberoerd laten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar en verdienen juist bescherming. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut, en is een regel van dwingend internationaal recht. Het kabinet wijst Israël consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag. Ook roept het kabinet Israël al langere tijd op om de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiecentra te verbeteren en het ICRC ongehinderde toegang te verlenen. In het bezoek van de mensenrechtenambassadeur afgelopen november is daar uitgebreid bij stilgestaan. Ik heb het rapport aan de orde gesteld bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar. Het kabinet verzoekt Israël om opheldering over de aantijgingen in het rapport, en vervolging van eventuele daders.
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat inhechtenisneming uitsluitend volgens de wet plaatsvindt en slechts als uiterste maatregel wordt toegepast, voor de kortst mogelijke passende duur. Het langdurig vasthouden van grote aantallen kinderen zonder enige vorm van proces in detentiefaciliteiten is in strijd met deze verplichting.
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen en hun ouders of verzorgers?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Nederland draagt via partnerorganisaties bij aan het bewaken van de fundamentele rechten van gedetineerde Palestijnen, waaronder (het faciliteren van) juridische ondersteuning. Hierbij is een specifieke focus op kinderen in detentie.
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieverdrag?
Zie het antwoord op vraag 2. Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie Piri c.s.2 en motie Van der Werf/Lanschot3 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord, om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun in de Raad. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft erop gericht om voorstellen voor EU-maatregelen, waaronder maatregelen op het gebied van handel, uitdrukkelijk op tafel te houden.4
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Heera Dijk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Het kabinet onderstreept het belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakt en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend met de excuses die in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning zijn aangeboden. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Tegelijkertijd heeft het kabinet zich kritisch opgesteld ten aanzien van onderdelen van de resolutie, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Ja. Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft al uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft via bestaand beleid. Dat ziet onder meer op erkenning, herdenken en het creëren van een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Bijvoorbeeld door het versterken van maatschappelijke initiatieven, aanpassingen in het onderwijs, meer onderzoek, dialoog met betrokken gemeenschappen en de aanpak van racisme en discriminatie.
Daarmee wordt niet vanaf nul begonnen, maar voortgebouwd op een programma dat al in uitvoering is en de komende periode verder wordt verdiept. Met oog voor de historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Ja.
De zes Caribische eilanden zijn daarbij vanaf het begin betrokken.
In samenwerking met Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius is gewerkt aan eilandelijke actieagenda’s, waarin toezeggingen van 19 december 2022 zijn vertaald in concrete projectplannen. Deze zijn inmiddels aangeboden en toegekend. Voorbeelden van impactvolle projecten zijn DNA onderzoek naar oorspronkelijke afkomst van de gemeenschappen op de Bovenwindse eilanden, (multifunctionele) erfgoedcentra op Aruba en Sint Eustatius, ontwikkeling van een NT3-model (een onderwijskundig concept) waarbij Nederlands als vreemde taal wordt geïmplementeerd in het primair onderwijs op Bonaire en de digitalisering en het vervolgens toegankelijk maken van koloniale archieven op onder andere Curaçao. Daarnaast is op verschillende momenten input opgehaald vanuit de gemeenschappen voor de vormgeving van de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden.
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Ja. In de aangekondigde brief over de voortgang van de acties rond het slavernijverleden zal, voor zover relevant, ook worden ingegaan op de internationale context van deze resolutie en op de wijze waarop Nederland reeds invulling geeft aan de onderdelen die het onderschrijft.
De brief wordt voor het zomerreces aan uw Kamer toegezonden.
Het bericht 'Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: 'De wereld kijkt andere kant op'' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de toename van geweld in Gaza in de afgelopen weken?1
Deelt u het oordeel dat juist nu extra moet worden ingezet op steun aan bestaande hulpstructuren in Gaza?
Is het kabinet nog steeds van plan de relatie met UNRWA te herstellen, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn zal hier uitvoering aan worden gegeven?
Welke financiële consequenties zijn verbonden aan deze coalitieafspraak voor de komende jaren?
Hoe bent u van plan om te gaan met de wens van de Eerste Kamer om de BNI-koppeling in de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking te herstellen?
De wens van de Eerste Kamer is goed gehoord. Het kabinet actualiseert het ODA-budget op basis van een koppeling aan het BNI, investeert in ontwikkelings-samenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm. De motie Huizinga-Heringa (Kamerstuk 36 600 XVII, M) is hiermee uitgevoerd, de moties die vragen om een koppeling aan 0,7% van het BNI niet (motie Holterhues in de Eerste Kamer, Kamerstuk 36 725, F; motie Hirsch in de Tweede Kamer, Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 51).
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het huidige bezoek van de minister aan Egypte. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke doelen heeft u gesteld aan uw bezoek aan Egypte?
Spreekt u tijdens uw bezoek ook over de situatie van Soedanese en Palestijnse vluchtelingen waaronder medische evacuees en andere vluchtelingen die in Egypte verblijven? Zo ja, met welke insteek en doel?
Is aan u bevestigd dat er Palestijnse kinderen zijn die om medische redenen naar Egypte zijn geëvacueerd maar daar geen hoog-specialistische zorg kunnen ontvangen? Bent u voornemens extra hulp(inzet) voor deze kinderen en hun families beschikbaar te stellen, en indien dat niet in de mogelijk is, medische evacuatie naar Nederland als optie toe te voegen?
Bent u bekend met de kritiek van de Verenigde Naties (VN) en verschillende humanitaire organisaties op de opvang en behandeling van vluchtelingen uit onder meer Soedan in Egypte? Zo ja, wat is uw reactie? Bent u het met ons eens dat opvang van vluchtelingen humaan moet zijn en hoe verhoudt zich dat tot deze kritiek?1
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen om de resterende miljarden uit het Europese financiële steunpakket voor Egypte pas vrij te geven als wordt toegezegd dat de rechten van Soedanese vluchtelingen zullen worden gerespecteerd?
Bent u het eens met de vraagstellers dat het onacceptabel is dat Egypte steun geeft aan de strijdende partijen in Soedan?
Bent u het met ons eens dat de oorlog in Soedan door steun van buitenaf in stand wordt gehouden of in ieder geval langer duurt en heviger is dan het zou zijn zonder steun van buitenaf?
Bent u bereid om tijdens uw bezoek Egypte op te roepen de steun aan de SAF te stoppen en om mee te helpen andere landen ook op te roepen de steun aan de RSF of de SAF te stoppen?
Hoe zet u (handels)relaties met Egypte in om de druk op het stoppen van steun aan de strijdende partijen in Soedan op te voeren?
Bent u bereid deze vragen met spoed en een voor een te beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het bericht dat Defensie steevast wegkijkt bij racisme. |
|
Michelle Jagtenberg (D66), Fatimazhra Belhirch (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Defensie kijkt steevast weg bij racisme, zeggen deze militairen»?1
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme bij Defensie onacceptabel zijn, dat er hiervoor binnen Defensie geen plek is en dat iedere vorm en uitlating ervan resoluut aangepakt moet worden?
Wat is uw reactie op de ervaringen van de betrokken militairen dat meldingen van racisme onvoldoende worden opgepakt en in hoeverre herkent u deze signalen?
Hoe verklaart en beoordeelt u dat militairen met een migratieachtergrond drempels ervaren om discriminatie en racisme te melden, mede vanwege angst voor repercussies of negatieve gevolgen voor hun loopbaan? En wat zegt dit volgens u over het vertrouwen in de organisatie?
In hoeverre duiden deze signalen volgens u op een breder cultuurprobleem binnen (delen van) Defensie, en welke elementen van die cultuur dragen hier volgens u aan bij?
Welke concrete verantwoordelijkheid dragen leidinggevenden bij het signaleren en aanpakken van racisme, en op welke wijze worden zij hier aantoonbaar op beoordeeld en afgerekend?
In hoeverre wordt in het kader hiervan uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250, nr. 422) over het bevorderen dat in beoordelingscycli van leidinggevenden wordt opgenomen dat zij actief zorg dragen voor een veilige en inclusieve werkomgeving vrij van racisme en discriminatie?
Kunt u uiteenzetten hoe het huidige meldsysteem (zoals het COID) functioneert in de praktijk, en in hoeveel gevallen meldingen van racisme de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot concrete maatregelen of sancties?
Hoe wordt geborgd dat daders consequent worden aangesproken (inclusief maatregelen) en dat melders van racisme daadwerkelijk worden beschermd tegen benadeling?
In hoeverre acht u het wenselijk dat meldingen en onderzoeken naar racisme volledig onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaatsvinden? Hoe is dit nu geborgd?
Overwegende dat twee (oud) medewerkers refereren aan diverse racistische uitspraken: hoe beoordeelt u de volgende uitspraken? Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken racistisch en absoluut onacceptabel zijn, en dat hier altijd consequent tegen moet worden opgetreden?
Hoe beoordeelt u de opmerking die gemaakt zou zijn door het COID (namelijk de vraag aan Zaahir om de melding over het afslachten van moslims te laten vallen omdat anders de persoon die dat gezegd zou hebben zijn baan kwijt zou raken)?
Bent u bereid met betrokkenen in gesprek te gaan om hun ervaringen te horen, excuses aan te bieden voor de gang van zaken en te bezien of herstel of vervolgacties (mocht daar behoefte aan bestaan) passend zijn?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van de nazi-uitingen binnen Defensie in 2018 (en tot welke concrete resultaten heeft dat geleid)?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van het artikel van 10 klokkenluiders bij Defensie uit 2023 over hoe het melden van misstanden bij Defensie erin resulteert dat je zelf onder de loep wordt genomen (en tot welke tastbare resultaten heeft dat geleid)?
Kunt u een overzicht geven van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie binnen Defensie in de afgelopen 15 jaar? Kunt u per document aangeven welke aanbevelingen zijn gedaan, welke zijn opgevolgd en welke concrete resultaten zijn bereikt?
Welke lessen trekt Defensie uit andere organisaties (nationaal of internationaal) die succesvol discriminatie hebben aangepakt, en op welke wijze vertaalt u deze lessen naar concrete maatregelen binnen Defensie?
Bent u bereid nog dit jaar te komen met een lijst van concrete maatregelen (inclusief planning) hoe Defensie racisme en discriminatie gaat aanpakken, de meldingsbereidheid gaat worden verhoogd en hoe gaat worden voorkomen dat melders uiteindelijk slachtoffer worden van hun eigen melding?
In hoeverre is er bij Defensie een discriminatietoets verricht door de Staatscommissie Discriminatie en Racisme?
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de aanpak van racisme en discriminatie binnen Defensie?
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Mpanzu Bamenga (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De snel verslechterende situatie in het oosten van Congo |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente signalen vanuit het maatschappelijk middenveld dat de situatie in het oosten van Congo in hoog tempo verslechtert, onder meer door het massaal terugtrekken van donoren als gevolg van sancties en afnemende financiering?1 Hoe beoordeelt u de acute humanitaire en economische gevolgen hiervan?
Deelt u de zorg dat de bevolking in het oosten van Congo zich in de steek gelaten voelt door zowel hun nationale overheid als de internationale gemeenschap? Welke concrete stappen zet Nederland om de bevolking in het oosten van Congo te ondersteunen?
Hoe beoordeelt u berichten dat de economie in delen van het oosten van Congo vrijwel tot stilstand komt en dat lokale organisaties en maatschappelijke initiatieven op omvallen staan? Wat betekent dit voor de stabiliteit in de regio op korte en middellange termijn?
Kunt u ingaan op signalen dat het gezondheidssysteem in het oosten van Congo dreigt te bezwijken, onder meer door belemmerde import van medische goederen en het wegvallen van leveringen van essentiële medicijnen en vaccins vanuit Kinshasa? In hoeverre acht u deze berichten betrouwbaar en wat is de Nederlandse inzet om verdere instorting te voorkomen?
Hoe beoordeelt u de sterke toename van seksueel en gender gerelateerd geweld (SGBV) en de aanhoudende mensenrechtenschendingen in de regio, mede in het licht van berichten dat communicatie hierover actief wordt onderdrukt? Op welke wijze zet Nederland zich in voor bescherming van burgers en het documenteren en adresseren van deze schendingen?
Klopt het dat Nederland inzet op een afbouw van activiteiten in de Grote Meren regio in Afrika? Zo ja, hoe verhoudt deze strategie zich tot de snel verslechterende situatie ter plaatse en bent u bereid deze inzet te heroverwegen en te bezien welke rol Nederland nu en in de toekomst kan en moet spelen in het oosten van Congo?
Kunt u toezeggen, overwegende dat ondanks een eerdere Kamerbrief over de breed gesteunde motie-Bamenga c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 32) die verzoekt tot continuering van het Grote Meren Programma er nog altijd geen duidelijkheid is over de wijze waarop deze continuering met Nederlands ontwikkelingsgeld in deze regio wordt vormgegeven, om succesvolle programma’s binnen het Grote Meren Programma te continueren en zo snel mogelijk met een brief te komen over de exacte uitvoering van de motie-Bamenga c.s.?
Hoe kijkt u naar het bericht dat er een akkoord gesloten zou zijn tussen de rebellen en de Congoleze overheid over het leveren van humanitaire hulp?2 Wat betekent dit concreet voor de Nederlandse inzet in de regio?
Het bericht 'Nu Trump de geldkraan voor aidsbestrijding dichtdraait dreigt Zuid-Afrika 'twintig jaar terug te gaan in de tijd' |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het artikel van Trouw waarin wordt gesteld dat door Amerikaanse beleidswijzigingen en daardoor het wegvallen van Pepfar de financiering van hiv/aids-programma’s in Zuid-Afrika aanzienlijk is verminderd?1
Hoe beoordeelt u de signalen dat door deze financieringswijzigingen hiv-testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk zijn komen te staan?
Deelt u de analyse dat juist het teruglopen van testen en preventie kan leiden tot een structurele toename van nieuwe infecties op middellange termijn?
Hoe beoordeelt u de specifieke impact van deze financieringsstop op kwetsbare groepen, waaronder lhbtiq+-gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen?
Deelt u de zorg over het afhaken van besmette personen voor behandeling waardoor behaalde winst teniet wordt gedaan?
In hoeverre acht u het risico reëel dat Zuid-Afrika, en mogelijk andere landen in Afrika, «twintig jaar terug» worden gezet in de bestrijding van hiv/aids?
Welke mogelijke consequenties voorziet u door deze ontwikkeling voor de mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het streven om aids in 2030 te beëindigen?
Welke rol speelt de Europese Unie (EU) en Nederland momenteel in het opvangen van de financieringskloof die ontstaat door Amerikaanse terugtrekking? Is het reeds besproken op EU-niveau? Zo nee, bent u bereid om dit op Europees niveau te agenderen?
Is Nederland voornemens zijn bijdrage aan internationale hiv/aids-programma’s te verhogen? Zo nee, waarom niet?
De Verenigde Staten (VS) heeft niet alleen de totale hoeveelheid financiering sterk verminderd, maar stelt, in de vorm van de uitgebreide global gag rule, ook verstrekkende voorwaarden aan wat voor een werk organisaties en landen mogen doen die Amerikaanse steun krijgen, hoe beoordeelt u deze uitgebreide global gag rule?
Welke effecten op de strijd tegen hiv/aids voorziet u als gevolg van de uitgebreide global gag rule? Kunnen deze regels ook impact hebben op de effectiviteit van Nederlandse investeringen, bijvoorbeeld in hiv/aids? Zo ja, welke stappen neemt u om de impact van de regels op Nederlandse investeringen te minimaliseren?
Bent u bereid in EU- en multilateraal verband actief te pleiten voor het stabiliseren van financiering voor hiv/aids-programma’s? Zo ja, op welke termijn en via welke kanalen?
Ziet u naar aanleiding van een terugtrekkende VS mogelijkheden om Europese landen sterker te positioneren als een betrouwbare en stabiele partner op het vlak van mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het Afrikaanse continent?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling van 12 mei aanstaande?
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot hulporganisaties?
Het rapport bevat schokkende conclusies die niemand onberoerd laten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar en verdienen juist bescherming. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut, en is een regel van dwingend internationaal recht. Het kabinet wijst Israël consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag. Ook roept het kabinet Israël al langere tijd op om de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiecentra te verbeteren en het ICRC ongehinderde toegang te verlenen. In het bezoek van de mensenrechtenambassadeur afgelopen november is daar uitgebreid bij stilgestaan. Ik heb het rapport aan de orde gesteld bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar. Het kabinet verzoekt Israël om opheldering over de aantijgingen in het rapport, en vervolging van eventuele daders.
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat inhechtenisneming uitsluitend volgens de wet plaatsvindt en slechts als uiterste maatregel wordt toegepast, voor de kortst mogelijke passende duur. Het langdurig vasthouden van grote aantallen kinderen zonder enige vorm van proces in detentiefaciliteiten is in strijd met deze verplichting.
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen en hun ouders of verzorgers?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Nederland draagt via partnerorganisaties bij aan het bewaken van de fundamentele rechten van gedetineerde Palestijnen, waaronder (het faciliteren van) juridische ondersteuning. Hierbij is een specifieke focus op kinderen in detentie.
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieverdrag?
Zie het antwoord op vraag 2. Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie Piri c.s.2 en motie Van der Werf/Lanschot3 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord, om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun in de Raad. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft erop gericht om voorstellen voor EU-maatregelen, waaronder maatregelen op het gebied van handel, uitdrukkelijk op tafel te houden.4
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Heera Dijk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Het kabinet onderstreept het belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakt en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend met de excuses die in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning zijn aangeboden. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Tegelijkertijd heeft het kabinet zich kritisch opgesteld ten aanzien van onderdelen van de resolutie, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Ja. Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft al uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft via bestaand beleid. Dat ziet onder meer op erkenning, herdenken en het creëren van een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Bijvoorbeeld door het versterken van maatschappelijke initiatieven, aanpassingen in het onderwijs, meer onderzoek, dialoog met betrokken gemeenschappen en de aanpak van racisme en discriminatie.
Daarmee wordt niet vanaf nul begonnen, maar voortgebouwd op een programma dat al in uitvoering is en de komende periode verder wordt verdiept. Met oog voor de historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Ja.
De zes Caribische eilanden zijn daarbij vanaf het begin betrokken.
In samenwerking met Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius is gewerkt aan eilandelijke actieagenda’s, waarin toezeggingen van 19 december 2022 zijn vertaald in concrete projectplannen. Deze zijn inmiddels aangeboden en toegekend. Voorbeelden van impactvolle projecten zijn DNA onderzoek naar oorspronkelijke afkomst van de gemeenschappen op de Bovenwindse eilanden, (multifunctionele) erfgoedcentra op Aruba en Sint Eustatius, ontwikkeling van een NT3-model (een onderwijskundig concept) waarbij Nederlands als vreemde taal wordt geïmplementeerd in het primair onderwijs op Bonaire en de digitalisering en het vervolgens toegankelijk maken van koloniale archieven op onder andere Curaçao. Daarnaast is op verschillende momenten input opgehaald vanuit de gemeenschappen voor de vormgeving van de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden.
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Ja. In de aangekondigde brief over de voortgang van de acties rond het slavernijverleden zal, voor zover relevant, ook worden ingegaan op de internationale context van deze resolutie en op de wijze waarop Nederland reeds invulling geeft aan de onderdelen die het onderschrijft.
De brief wordt voor het zomerreces aan uw Kamer toegezonden.
Het bericht 'Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: 'De wereld kijkt andere kant op'' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de toename van geweld in Gaza in de afgelopen weken?1
Deelt u het oordeel dat juist nu extra moet worden ingezet op steun aan bestaande hulpstructuren in Gaza?
Is het kabinet nog steeds van plan de relatie met UNRWA te herstellen, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn zal hier uitvoering aan worden gegeven?
Welke financiële consequenties zijn verbonden aan deze coalitieafspraak voor de komende jaren?
Hoe bent u van plan om te gaan met de wens van de Eerste Kamer om de BNI-koppeling in de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking te herstellen?
De wens van de Eerste Kamer is goed gehoord. Het kabinet actualiseert het ODA-budget op basis van een koppeling aan het BNI, investeert in ontwikkelings-samenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm. De motie Huizinga-Heringa (Kamerstuk 36 600 XVII, M) is hiermee uitgevoerd, de moties die vragen om een koppeling aan 0,7% van het BNI niet (motie Holterhues in de Eerste Kamer, Kamerstuk 36 725, F; motie Hirsch in de Tweede Kamer, Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 51).
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: 'Willen witte scholen wit houden'’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: «Willen witte scholen wit houden»»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe duidt u de onacceptabele situatie die geschetst wordt in het bericht, waarin kinderen mogelijk wegens hun migratieachtergrond worden geweigerd of ontmoedigd bij toelating tot basisscholen?
Naar aanleiding van uw vragen is vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) contact opgenomen met het verantwoordelijke bestuur, stichting Prohles. Het bestuur geeft aan dat het, na het besluit over de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool, samen met de directeuren van de andere Prohles-scholen een plek heeft gezocht voor de leerlingen die een nieuwe plaatsing nodig hebben. Daarbij is afgesproken dat niemand op voorhand zou worden geweigerd. Ouders kregen een advies over welke school (of scholen) voor hun kind(eren) plek heeft volgend schooljaar en de ouders zijn uitgenodigd om daar te gaan kijken. Ouders zijn soms bij een andere school langsgegaan dan de school die hen was aangeraden en kregen daar te horen dat er geen plek was voor hun kind(eren).
In het eerdergenoemde contact met Prohles, heeft Prohles aangegeven dat dit enkel te maken had met de capaciteit van de betreffende klas of klassen. Toch hebben sommige ouders dat anders gehoord of ervaren. Prohles heeft de scholen daarop aangesproken dat geen enkele leerling op voorhand zou worden geweigerd. Daarna heeft Prohles een ouderavond georganiseerd. Prohles garandeert dat alle kinderen een plek krijgen, rekening houdend met de voorkeur van de ouders.
Naar aanleiding van de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool en het signaal uit de media is er veelvuldig contact geweest vanuit de Inspectie van het Onderwijs met de school en het bestuur. De Inspectie is tevreden over de stappen die het bestuur sindsdien richting de school en ouders heeft gezet en ziet geen reden om handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme geen rol mogen spelen in het toelatingsproces van basisscholen?
Ja. Discriminatie op basis van afkomst is in Nederland verboden. Afkomst mag nooit reden zijn om een kind de toegang tot een school te weigeren. Wat de intenties of afspraken ook waren in de geschetste situatie, het is hoe dan ook pijnlijk dat deze Katwijkse ouders en kinderen het zo hebben beleefd.
Een school mag alleen bij uitzondering om bepaalde redenen toelating weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om gebrek aan capaciteit.
Bijzondere scholen mogen onder strikte voorwaarden bij toelating tot of deelname aan het onderwijs onderscheid maken op basis van religie of levensovertuiging, voor zover een dergelijk onderscheid een relatie heeft met de grondslag van de school. Deze voorwaarden zijn neergelegd in met name artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling.2
Worden signalen van discriminatie wegens een migratieachtergrond bij toelating tot het onderwijs actief gemonitord?
Meldingen van discriminatie en racisme worden door verschillende bevoegde instanties bijgehouden. Het College voor de Rechten van de Mens (CvdRM) en de antidiscriminatievoorzieningen, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, maken in rapportages van ontvangen meldingen een uitsplitsing naar discriminatiegrond en het domein waarop dit zich afspeelt. Het College voor de Rechten van de Mens laat weten dat deze cijfers vanwege het zeer geringe aantal verzoeken om een oordeel over discriminatie in het onderwijs niet verder worden uitsplitst naar subcategorieën, zoals de toelating tot het onderwijs. De antidiscriminatievoorzieningen ontvingen in 2025 in totaal negen meldingen over discriminatie bij toelating tot onderwijs wegens een migratieachtergrond. De Inspectie van het Onderwijs blijkt vorig jaar 55 meldingen te hebben ontvangen over toelatingen in het primair onderwijs. Signalen over discriminatie ontvangt zij zelden.
Zo ja, heeft u concrete cijfers van meldingen van (vermoedens van) discriminatie bij toelatingen tot onderwijs, bijvoorbeeld via de inspectie, de ouders, het onderwijs of het College van de Rechten van de Mens?
Zie antwoord vraag 4.
Zo niet, bent u van plan om meldingen van discriminatie bij toelatingen tot onderwijs actief te monitoren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u voornemens maatregelen te treffen om discriminatie van leerlingen bij toelating tot het onderwijs tegen te gaan? Zo ja, welke?
Er is voorzien in verschillende instrumenten om discriminatie, ook bij de toelating tot scholen, tegen te gaan. De betreffende wetgeving hierover is duidelijk. Daarnaast blijken de huidige instrumenten toereikend om vermoedens van discriminatie bij toelating tot het onderwijs aan te pakken.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om scholen te verplichten om in een openbaar register of op hun website actueel inzicht te geven in de beschikbare capaciteit per school of leerjaar, zodat voor ouders transparant is wanneer een school daadwerkelijk vol is en wordt voorkomen dat het argument van «geen beschikbare plaatsen» selectief wordt gebruikt?
Naar aanleiding van de motie Krul3 verkent het Ministerie van OCW of scholen verplicht kunnen worden het aantal beschikbare plaatsen openbaar te maken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de jaarlijkse Kamerbrief over passend en inclusief onderwijs.
Hoe weegt u de leerplicht en het recht op onderwijs tegenover het weigeren van leerlingen op basis van hun afkomst?
Het weigeren van leerlingen op grond van afkomst is discriminatie en niet toegestaan op grond van de Algemene wet gelijke behandeling.
Welke mogelijkheden hebben ouders wanneer zij vermoeden dat hun kind ongelijk wordt behandeld bij toelating tot een school?
Ouders hebben bij een dergelijk vermoeden veel mogelijkheden.
Met het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, dat momenteel aanhangig is bij uw Kamer, doet de regering voorstellen om de klachtenprocedure te herzien.
Hoe wordt toezicht gehouden op toelatingsbeleid van scholen, en welke rol speelt de Inspectie van het Onderwijs hierbij?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de naleving van de onderwijswetten. Het toezicht van de Inspectie op het toelatingsbeleid is signaalgericht. Als de Inspectie een melding krijgt van mogelijke discriminatie bij toelating, neemt zij contact op met het bestuur. Doorgaans merkt de Inspectie dat besturen de wettelijke vereisten respecteren bij het vormgeven van hun toelatingsbeleid. De Inspectie kan de melding nader onderzoeken en indien het bestuur de onderwijswetgeving niet heeft nageleefd ook handhaven. De inspectie stelt hierbij een wettelijke tekortkoming vast en geeft het bestuur de opdracht om dit te herstellen.
Bent u bekend met het bericht «Starter gezocht: leeftijd steeds vaker reden voor discriminatie» waaruit blijkt dat leeftijd steeds vaker een reden is voor discriminatie, onder andere bij werving en selectie?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Kunt u reageren op de inhoud van dit bericht?
Uit het bericht komt naar voren dat het afgelopen jaar het aantal meldingen en verzoeken om een oordeel over leeftijdsdiscriminatie is toegenomen bij het College van de Rechten van de Mens (CRM). Leeftijdsdiscriminatie betekent dat iemand wordt benadeeld vanwege zijn leeftijd, bijvoorbeeld jongeren of ouderen. De meldingen hadden daarnaast vooral betrekking op leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie. Het uitsluiten van mensen op basis van leeftijd is niet toegestaan en onacceptabel. Ik vind het van belang dat mensen bij werving en selectie objectief worden beoordeeld. Leeftijd mag daarbij geen rol spelen.
Hoe verklaart u dat leeftijdsdiscriminatie ondanks een wettelijk verbod toch voorkomt op de arbeidsmarkt? Waar schiet volgens u de huidige aanpak tekort?
Het is helaas bekend dat ondanks een wettelijk verbod op discriminatie, discriminatie op diverse gronden waaronder ook leeftijd, nog steeds voorkomt. Er worden veel inspanningen verricht door de rijksoverheid om discriminatie te voorkomen en aan te pakken. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het nieuwe kabinet actief aan de slag gaat met het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie. Van werkgevers vragen we dat zij hun verantwoordelijkheid nemen in het beëindigen van discriminatie op de werkvloer en bij werving en selectie. Ik ga hierover zo snel mogelijk in gesprek met de Kamer.2 Momenteel worden werkgevers gestimuleerd en ondersteund om gelijke kansen te bieden bij het wervings- en selectiebeleid via het Offensief Gelijke Kansen. Hierbij worden werkgevers ondersteund via diverse hulpmiddelen om discriminatie bij werving en selectie tegen te gaan. Het is bekend dat veel discriminatie onbewust plaatsvindt. Met het Offensief Gelijke Kansen worden werkgevers hiervan bewust gemaakt en krijgen zij handvatten om onbewuste aannames en vooroordelen tegen te gaan.3
Herkent u het beeld dat er een toename is van leeftijdsdiscriminatie? In hoeverre speelt een hogere meldingsbereidheid een rol in de stijgende cijfers?
Het meten van discriminatie is moeilijk, onder meer omdat het gaat om persoonlijke ervaringen van slachtoffers, mensen discriminatie niet altijd als zodanig herkennen en mensen niet altijd overgaan tot het doen van een melding. Gemiddeld meldt 1 op de 10 mensen een incident van discriminatie.4 Het aantal meldingen van discriminatie bij officiële instanties zoals de politie en het CRM kan een beeld geven van discriminatie in Nederland. In de monitor Discriminatiezaken 2025 komt een duidelijke toename naar voren ten aanzien van leeftijdsdiscriminatie, met name bij werving en selectie. Mensen weten dus steeds beter hoe en waar ze een discriminatie-incident moeten melden en dit draagt bij aan de verdere aanpak van discriminatie.
Dit zou indirect kunnen zorgen voor een toename van de meldingsbereidheid en daarmee een verhoging van het aantal meldingen. Tegelijkertijd is het moeilijk vast te stellen of meldingsbereidheid meespeelt bij de toename van het aantal meldingen of leeftijdsdiscriminatie in het algemeen. Het kabinet blijft zich inzetten om de drempels voor het melden van discriminatie te verlagen. De Minister van BZK werkt aan een landelijke publiekscommunicatie, die hieraan actief bijdraagt. De lancering van de campagne is beoogd voor de tweede helft van 2026.
Heeft u in beeld of leeftijdsdiscriminatie een algemeen verschijnsel is op de arbeidsmarkt ofwel voornamelijk voorkomt in specifieke sectoren en gevallen?
Het is mij niet bekend of er onderzoek gedaan wordt naar leeftijdsdiscriminatie in specifieke sectoren. Wel weten we dat veel meldingen van discriminatie bij officiële instanties vaak betrekking hebben op arbeidsmarktdiscriminatie, specifiek bij werving en selectie en dat leeftijdsdiscriminatie daarbij relatief veel voorkomt. Uit de Nationale enquête arbeidsomstandigheden 2024 gaf 11% van de werknemers aan zich in de afgelopen twaalf maanden gediscrimineerd te hebben gevoeld op het werk. Discriminatie vanwege afkomst, huidskleur of nationaliteit (3,4%) en vanwege leeftijd (2,9%) kwamen het meest voor, gevolgd door discriminatie vanwege geslacht (2,1%).5
Op welk vlak schiet het huidige beleid tekort als veel 55-plussers ondanks de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt toch moeite hebben om passend werk te vinden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat discriminatie, en meldingen van discriminatie, serieus genomen en beter afgehandeld moeten worden?
Iedere melding van discriminatie die bij een officiële meldinstantie binnenkomt wordt serieus genomen, geregistreerd en opgevolgd. Een goede afhandeling van meldingen is van groot belang. Op dit moment kunnen mensen die discriminatie ervaren dit melden bij onder andere de politie en het CRM. Wel blijft het moeilijk om discriminatie objectief vast te stellen. Het gaat om persoonlijke ervaringen van mensen die niet altijd goed met feiten onderbouwd en aangetoond kunnen worden. Een oordeel van het CRM kan vervolgens gebruikt worden voor civielrechtelijke stappen. De antidiscriminatievoorzieningen (ADV) in Nederland bieden laagdrempelig toegang tot hun meldpunten en ondersteunen melders bij de afhandeling van hun klacht, geven hen advies en beantwoorden vragen over discriminatie. Het kabinet werkt aan het verder versterken van de ADV’s. Zo werkt de Minister van BZK aan een wetsvoorstel waarmee de huidige ADV’s twee nieuwe taken krijgen, namelijk het werken aan preventie van discriminatie en het actief doorgeleden van mensen ten behoeve van nazorg.
Hoe zorgt u op het moment ervoor dat werkgevers en HR-professionals beter worden voorbereid op het herkennen en voorkomen van leeftijdsdiscriminatie?
In het Offensief Gelijke kansen wordt samen met AWVN, SER-Diversiteit in Bedrijf en branche- en sectororganisaties gewerkt aan de opschaling van evidence-based methodes voor objectieve werving en selectie van werknemers bij met name het midden- en kleinbedrijf. Veel van deze methodes komen voort uit de werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA). En samen met werkgevers wordt er gewerkt aan de (door)ontwikkeling van effectieve interventies in de in- en doorstroom en de talentontwikkeling van werknemers, de actieve ondersteuning van bedrijven en het uitdragen van de opgedane inzichten op het gebied van objectieve werving en selectie. Dit draagt bij aan het verbeteren van de arbeidsmarktkansen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder ouderen of jongeren.
Welke andere maatregelen neemt u om oudere mensen aangesloten te houden op de arbeidsmarkt?
Naast het Offensief Gelijke Kansen wil het kabinet met behulp van actieve ondersteuning en begeleiding op maat de arbeidsmarktkansen van alle werkzoekenden vergroten, dus ook die van 55-plussers. UWV, gemeenten, werkgevers, werkenden en werkzoekenden werken hier elke dag hard aan. Daarom richten wij ons op dit moment op de versterking van de arbeidsmarktinfrastructuur. Dit omvat de verdere ontwikkeling van de Werkcentra waar werkzoekenden, werkenden en werkgevers ondersteuning krijgen bij hun werk- en ontwikkelvragen, en de versterking van het van-werk-naar-werk-stelsel, waarin sociale partners gerichte inspanningen leveren.
Daarnaast wordt onder coördinatie van de Minister van Binnenlandse Zaken gewerkt aan de brede aanpak van discriminatie. Deze aanpak werkt ook op de bewustwording rondom discriminatie en kan hierdoor tevens bijdragen aan de positie van ouderen op de arbeidsmarkt. Zo kunnen ouderen die in een sollicitatieprocedure leeftijdsdiscriminatie ervaren dit melden bij een ADV of bij het CRM. Daarnaast ziet de nieuwe preventieve taak voor ADV’s ook op het voorkomen van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt.
Welke consequenties zijn momenteel verbonden aan leeftijdsdiscriminerend handelen door werkgevers of organisaties?
Een oordeel van het CRM is openbaar en als beoordeeld is dat er sprake is van discriminatie, kan dit o.a. leiden tot imago- en reputatieschade van een werkgever. Vaak is dit al genoeg voor een organisatie om passende maatregelen te nemen. Een oordeel van het CRM kan daarnaast ook gebruikt worden in een rechtszaak. Een rechter kan vervolgens civielrechtelijke sancties opleggen zoals een schadevergoeding of nietigverklaring, als er bijvoorbeeld sprake is van ontslag op basis van discriminatie.
Kunt u ons nader informeren wat de stand van zaken is en welke concrete resultaten de ingezette maatregelen hebben opgeleverd, zoals die zijn aangekondigd in de Kamerbrief van 18 januari 2024?2 Zijn er sinds deze Kamerbrief aanvullende acties ondernomen? Zo ja, welke? Zo nee, bent u nog voornemens aanvullende acties te ondernemen?
Mijn ambtsvoorganger in het kabinet Rutte IV heeft zich met de Seniorenkansenvisie ingezet om een algemene herwaardering van 55-plussers op de arbeidsmarkt te realiseren. Het Verweij Jonker Instituut heeft als belangrijk onderdeel van de Seniorenkansenvisie afgelopen jaar onderzocht of een assessment de beeldvorming van werkgevers kan veranderen en of het assessment de werkzoekende meer inzicht geeft in de eigen vaardigheden, zodat de baankansen worden vergroot.7 Het onderzoek geeft aan dat een baan vinden niet voor iedereen gemakkelijk is en dat de redenen daarvoor divers zijn. De seniorenkansenvisie bevestigt dat ouderenbeleid maar in beperkte mate effectief is gebleken. Het geven van een loonkostenvoordeel voor ouderen heeft bijvoorbeeld maar in beperkte mate geleid tot een hogere arbeidsparticipatie van ouderen. Met de oplevering van dit onderzoek is de Seniorenkansenvisie afgerond. UWV blijft inzetten op maatwerk in het kader van de menselijke maat voor alle werkzoekenden (incl. ouderen). De aanpak van leeftijdsdiscriminatie zal meegenomen worden in de algemene aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie.
Bent u bereid om met werkgeversorganisaties verder te verkennen hoe beeldvorming van 55-plussers kan worden verbeterd, gelet op het belang van een positieve beeldvorming van 55-plussers waar het kabinet in dezelfde brief over schrijft?
Ja, ik ben regelmatig in gesprek met werkgeversorganisaties, bijvoorbeeld over de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. Het gaat dan om de aanpak op alle discriminatiegronden, waaronder ook leeftijd. Veel acties gericht op het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie, zoals de inzet van objectieve werving en selectie, dragen bij aan de diversiteit van het personeelsbestand. Binnen het Offensief Gelijke Kansen proberen we goede voorbeelden rondom diversiteit en inclusie op te halen en verder te verspreiden onder werkgevers. Dit draagt hopelijk bij aan een betere beeldvorming rondom de arbeidsparticipatie van ouderen.
Kijkt u in het kader van de verkenning die is aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025 ook expliciet naar het stimuleren van LLO-deelname bij 55-plussers, aangezien zij gemiddeld juist minder vaak deelnemen aan deze programma’s? Zo nee, bent u bereid dit expliciet op te nemen in de aangekondigde verkenning?
Het doel van de verkenning is om te komen tot één of meer technisch haalbare ontwerpen voor een leerrekening die doelmatig en doeltreffend is. Daarbij onderzoeken we voor welke doelgroepen een leerrekening het meeste effect kan hebben, in het bijzonder groepen die nu minder vaak deelnemen aan leven lang ontwikkelen (LLO), zoals 55-plussers.
Vaak gaat het bij het stimuleren van deelname aan bij- en omscholing om een combinatie van factoren. Daarom sturen we niet uitsluitend op leeftijd, maar nemen we 55-plussers wel degelijk mee als relevante doelgroep binnen de bredere analyse. Onderzoek laat zien dat in 2024 44 procent van 16- tot 39-jarigen aangeeft in de afgelopen twee jaar een training gevolgd te hebben; terwijl dit voor 55-plussers maar 28 procent is.8 In de scenario’s die worden uitgewerkt, kijken we onder andere naar kenmerken zoals leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsverhouding. Op die manier kunnen we beter inzicht krijgen in welke groepen mensen binnen de beroepsbevolking het meest gebaat zijn met een eigen budget voor bij- en omscholing.
Het bericht 'Israël: Artsen zonder Grenzen moet 28 februari uit Gaza weg zijn' |
|
Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Artsen zonder Grenzen Gaza moet verlaten, omdat Israël nieuwe eisen stelt aan humanitaire organisaties, waaronder het aanleveren van persoonsgegevens van medewerkers?1
Ja.
Bent u het eens dat het vertrek van Artsen zonder Grenzen uit Gaza desastreuze gevolgen kan hebben voor de medische situatie in de Gazastrook, gezien het feit dat de organisatie een aanzienlijk deel van de medische zorg, geboortezorg en de levering van schoon drinkwater verzorgt in een reeds zwaar getroffen gezondheidsstelsel?
Het kabinet maakt zich zorgen over het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren. Professionele hulporganisaties, waaronder internationale ngo’s, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de VN-agentschappen, leveren cruciale humanitaire hulp in de Gazastrook. Artsen zonder Grenzen speelt bijvoorbeeld evident een belangrijke rol in de humanitaire en medische respons in Gaza. Het kabinet steunt deze organisaties volledig.
Heeft u, gezien het doelgericht aanvallen van hulpverleners in eerdere fasen van deze oorlog, begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om persoonsgegevens van lokale staf niet te delen met Israëlische autoriteiten, en acht u dit besluit gerechtvaardigd? Zo nee, waarom niet?
We hebben begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om de gegevens niet te delen. Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen strookt volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk niet met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Erkent u dat deze arbitraire vereisten van Israël bijdragen aan verdere ontwrichting van de al ernstig afgeknepen humanitaire hulpverlening in Gaza? Zo nee, waarom niet?
Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, naast de Israëlische herregistratieplicht, waaronder de beperkte opening van grensovergangen en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, waaronder onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om internationale ngo’s de toegang te ontzeggen niet als de juiste weg voorwaarts. Israël heeft daarbij de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen en de levering van deze goederen door derden niet te belemmeren.
Het Israëlische constitutionele hof deed op 27 februari jl. een voorlopige uitspraak in de zaak die was aangespannen door 17 van de getroffen internationale ngo’s. Het hof heeft besloten dat de 17 petitiepartijen niet mogen worden geweigerd uit de Palestijnse Gebieden tot het hof hier een definitieve uitspraak over heeft gedaan. De voorlopige voorziening heeft echter geen impact op reeds bestaande beperkingen voor hulporganisaties. Daarmee neemt het de zorgen over deze kwestie – en over humanitaire toegang tot de Palestijnse gebieden in den brede – niet weg.
Heeft u deze arbitraire vereisten en de gevolgen daarvan al bij uw Israëlische collega’s bekritiseerd? Zo ja, wat was hun reactie en welke concrete toezeggingen zijn daarbij gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de zorgen over de herregistratieplicht afgelopen maanden veelvuldig en op alle niveaus bij de Israëlische autoriteiten aangekaart.
Zo nam voormalig Minister van Buitenlandse Zaken Van Weel op 31 december jl. telefonisch contact op met zijn Israëlische collega toen bekend werd dat Israël had besloten om 37 internationale ngo’s de toegang te ontzeggen. Voormalig Minister-President Schoof riep de Israëlische president Herzog medio februari op de herregistratiewet niet te implementeren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de kwestie bovendien aangekaart bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 25 februari jl.
Bent u bereid om in EU-verband en andere internationale fora te pleiten voor aanvullende diplomatieke druk om deze maatregelen ongedaan te maken en humanitaire toegang tot Gaza te herstellen? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich in EU- en multilateraal verband inzetten voor vrije, veilige humanitaire toegang in de Palestijnse Gebieden, zoals ook is gebeurd tijdens de Europese Raad van december vorig jaar. Tevens heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. zorgen uitgesproken over de implementatie van de ngo-registratiewetgeving en opgeroepen tot een gecoördineerd EU-optreden.
Welke concrete diplomatieke actie onderneemt de regering richting Israël om humanitaire toegang voor Nederlandse hulporganisaties te herstellen en om blijvende druk uit te oefenen ten behoeve van de algemene humanitaire voorzieningen in Gaza?
Nederland benadrukt richting Israël dat het de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde toegang moet verschaffen tot de bezette Palestijnse Gebieden en dringt erop aan dat Israël de herregistratieplicht, in de vorm die door Israël nu wordt beoogd, van tafel haalt. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inspannen. Daarbij onderstreept Nederland dat door de maatregelen ook vertrouwde, onafhankelijke en professionele partners van Nederland worden geraakt. Het kabinet steunt het werk van de Nederlandse ngo’s onvoorwaardelijk. Het kabinet verzoekt de Israëlische autoriteiten om het gesprek met de betreffende hulporganisaties aan te gaan. Nederland onderhoudt voorts nauw contact met partnerorganisaties en met gelijkgestemde landen over mogelijke handelingsopties. Zo sprak de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 24 februari jl. met directeuren van diverse Nederlandse hulporganisaties op het kantoor van UNICEF NL over de herregistratieplicht.
Het verbieden van hulporganisaties in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving, waarin wordt gemeld dat Israël tientallen internationale hulporganisaties, waaronder Artsen zonder Grenzen, Save the Children, CARE en Oxfam Novib, per 1 januari de toegang tot Gaza en de Westelijke Jordaanoever ontzegt? Wat is uw beoordeling van deze ontwikkeling?
Ja. Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend en zal negatieve consequenties hebben voor de hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus en heeft meermaals verzocht of de Israëlische autoriteiten in gesprek kunnen gaan met de ngo’s hierover. Het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen, zonder hierover met hen in gesprek te gaan, ziet het kabinet niet als de juiste weg voorwaarts. Het Israëlische besluit raakt onder meer Nederlandse partners van de Dutch Relief Alliance. Nederland onderhoudt nauw contact met deze organisaties om de consequenties voor de humanitaire hulpverlening zo goed mogelijk in kaart te brengen.
Deelt u de kwalificatie van landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Canada, Noorwegen en Japan dat de humanitaire situatie in Gaza opnieuw is verslechterd en inmiddels als catastrofaal moet worden aangemerkt? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Sinds het staakt-het-vuren is de invoer van voedselhulp verbeterd waardoor een hongersnood kon worden afgewend. Tegelijkertijd blijft de situatie fragiel, ook qua voedselzekerheid, en zien we nog steeds tekorten op gebieden als gezondheidszorg, water en sanitaire voorzieningen. Er is een tekort aan onderdak en mensen zijn onvoldoende beschermd tegen voorkomende hevige regenval en dalende temperaturen. Nederland blijft Israël, zowel op bilateraal als multilateraal vlak, oproepen tot volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor professionele en gemandateerde organisaties, waaronder de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s.
Bent u bekend met de open brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken van onder meer Frankrijk, Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Noorwegen, waarin Israël wordt opgeroepen het besluit terug te draaien om humanitaire hulporganisaties te weren uit Gaza? Waarom heeft Nederland zich tot op heden niet bij deze verklaring aangesloten en bent u bereid dit alsnog te doen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp sprak publiekelijk haar zorgen uit over dit specifieke Israëlische besluit. Het kabinet spant zich in om hulporganisaties zo goed mogelijk te ondersteunen. Dat doet het zowel voor als achter de schermen. Hierbij weegt het kabinet voortdurend wat de meest effectieve wijze is om boodschappen over te brengen. Deze afweging is dan ook gemaakt met betrekking tot het wel of niet ondertekenen van de open brief.
Zoals tevens toegelicht in de Kamerbrief van 30 januari jl. over de stand van zaken omtrent de medische capaciteit in de Gazastrook en de regio, nam de Minister van Buitenlandse Zaken na het besluit van Israël op 31 december jl. telefonisch contact op met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken, en heeft zijn zorgen ook in november benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël.1 Eerder was Nederland medeondertekenaar van het Foreign Ministers’statement van augustus 2025, en onderstreepte het zorgen over de wetgeving tijdens de Europese Raad.2
Het kabinet zal er bij Israël op blijven aandringen om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s, waaronder de vertrouwde humanitaire partners van Nederland, ongehinderde toegang te verschaffen tot de bezette Palestijnse gebieden.
Acht u het aanvaardbaar dat hulporganisaties die levensreddende medische zorg, voedselhulp en onderdak bieden, hun werkzaamheden moeten staken terwijl miljoenen Palestijnen, met name in de winterperiode, afhankelijk zijn van deze hulp? Welke risico’s ziet u hierbij voor ondervoeding, ziekte, hongersnood en onderkoeling, gezien het feit dat veel mensen in provisorische tentenkampen leven die al meerdere overstromingen en noodweer hebben moeten doorstaan?
Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend. Hierover onderhoudt Nederland contact met de betreffende hulporganisaties. Gezien de hoge humanitaire noden zijn alle professionele hulporganisaties op dit moment hard nodig. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen niet als de juiste weg voorwaarts, en roept Israël op het besluit terug te draaien om professionele en gemandateerde hulporganisaties, waaronder vertrouwde Nederlandse humanitaire partnerorganisaties, te weigeren. Daarbij blijft Nederland oproepen tot naleving van het humanitair oorlogsrecht.
Deelt u de zorg dat deze Israëlische maatregelen tot gevolg kunnen hebben dat naar schatting één op de drie zorginstellingen in Gaza moet sluiten en dat de humanitaire hulpverlening grotendeels kan instorten? Zo ja, welke stappen acht u noodzakelijk om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete stappen zet u op dit moment, bilateraal of in EU-verband, om te voorkomen dat de toegang van hulporganisaties per 1 januari daadwerkelijk wordt stopgezet en om ervoor te zorgen dat levensreddende humanitaire hulp doorgang kan blijven vinden?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe beoordeelt u het nieuwe Israëlische registratieproces voor humanitaire ngo’s, waarbij organisaties uitgebreide personeels- en familiegegevens moeten aanleveren en kunnen worden afgewezen op basis van politieke uitingen van individuele medewerkers?
Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen strookt volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk niet met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen niet als de juiste weg voorwaarts.
Deelt u de opvatting dat deze registratie-eisen de humanitaire hulp politiseren en daarmee strijdig zijn met de humanitaire beginselen van neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid? Zo nee, waarom niet?
De gevolgen van de herregistratieplicht voor de humanitaire hulpverlening baart het kabinet zorgen. Nationale wetgeving ontheft staten niet van hun verplichtingen onder het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, zoals de verantwoordelijkheid om de burgerbevolking in bezet gebied toegang te bieden tot essentiële goederen en de levering daarvan door derden niet onnodig te belemmeren.
Hoe beoordeelt u de nieuwe Israëlische wetgeving tegen de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) in het licht van de bindende uitspraken van het Internationaal Gerechtshof, waarin expliciet is vastgesteld dat Israël verplicht is de werkzaamheden van UNRWA te faciliteren en niet te belemmeren? Acht u deze wetgeving verenigbaar met het internationaal recht?
Adviezen van het IGH zijn niet juridisch bindend, maar wel gezaghebbend omdat het voornaamste gerechtelijke orgaan van de VN daarin een uiteenzetting geeft van het geldend internationaal recht. Nederland volgt het advies van het IGH, en hiermee de conclusie van het Hof dat de twee door Israël aangenomen wetten in oktober 2024 niet verenigbaar zijn met de verplichtingen van Israël ten aanzien van de bezette Palestijnse gebieden, waaronder zijn verplichtingen onder het VN-Handvest. Ook de recent aangenomen wetgeving (2025) in het verlengde hiervan strookt niet met het advies van het IGH.
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van UNRWA van de VN-Conventie inzake Privileges en Immuniteiten, het afsluiten van water, elektriciteit en communicatie en het dreigen met onteigening van VN-eigendom een ernstige schending vormt van de verplichtingen van Israël als VN-lidstaat en een gevaarlijk precedent schept voor de bescherming van VN-organisaties wereldwijd?
In het kader van een bezetting oefent een bezettende macht rechtsmacht en controle uit over het bezette gebied. Het International Gerechtshof benoemt in zijn advies van 22 oktober 2025 in dit kader ook de verplichting om de privileges en immuniteiten van de VN in bezet gebied te respecteren (art. 105 VN Handvest). Dit ziet ook op UNRWA. Op grond van deze verplichtingen is het Israël niet toegestaan om dergelijke beperkende maatregelen te nemen tegen VN eigendom, inclusief de gebouwen in de bezette Palestijnse Gebieden. Zie de kabinetsreactie van 21 januari jl. op de sloop van het UNRWA-hoofdkantoor in Oost-Jeruzalem door Israël.3
Bent u bereid deze kwestie met urgentie te agenderen binnen Europa en in VN-verband om gezamenlijk druk uit te oefenen, opdat humanitaire hulp niet verder wordt belemmerd? Welke concrete stappen heeft u hiertoe reeds ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Welke gevolgen heeft het weren van een aanzienlijk deel van de hulporganisaties volgens u voor de naleving door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal humanitair recht, waaronder de plicht van een bezettende macht om humanitaire hulp toe te laten?
In het IGH-advies van 22 oktober 2025 over de verplichtingen van Israël ten aanzien van de aanwezigheid en activiteiten van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties in de bezette Palestijnse Gebieden oordeelt het Hof dat Israël, als bezettende macht, zijn verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht moet naleven. Indien het gevolg is dat de burgerbevolking in de bezette Palestijnse gebieden onvoldoende voorzien is van essentiële levensbehoeften, dan schendt Israël verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht.
Kunt u toezeggen de Kamer op zeer korte termijn te informeren over de inzet van Nederland in de komende dagen en weken, gezien de acute deadline van 1 januari en de directe gevolgen voor honderdduizenden mensen die afhankelijk zijn van humanitaire hulp?
De keuze over het verder informeren van de Kamer wordt overgelaten aan het inkomende kabinet.
De situatie in Soedan |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen over de situatie in El Fasher, waar de Rapid Support Forces (RSF) de macht hebben gegrepen en in slechts een week al tienduizenden burgers hebben vermoord?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving over het geweld tegen burgers in El Fasher en omliggende gebieden in Soedan en deelt de zorgen hierover.
Bent u, zoals de Amerikaanse regering reeds in januari van dit jaar deed, bereid de acties van de RSF te bestempelen als genocide? Zo nee, waarom niet?1
Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom zijn we in de regel terughoudend om situaties als genocide te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan: het aantonen van één of meerdere handelingen uit het Genocideverdrag én van genocidale opzet. Hierbij geldt een hoge bewijslast en is grondig feitenonderzoek noodzakelijk. Daarom zijn uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-
Veiligheidsraad voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide.
Welke mogelijkheden voor sancties jegens de RSF ziet u nog? Bent u bereid alles op alles te zetten deze sancties op te leggen, waar mogelijk in internationaal of Europees verband, maar indien nodig met een groep gelijkgestemde landen?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken in november zijn sancties aangenomen tegen Abdelrahim Hamdan Dagalo, de tweede man binnen de RSF en broer van Hemedti, leider van de RSF. Conform de motie-Piri c.s. (21 501-02, nr. 3278) en motie-Piri (21 501-02, nr. 3279) heeft Nederland tijdens de Raad gepleit voor aanvullende sancties tegen verantwoordelijken voor de oorlog, zowel binnen als buiten Soedan, en inclusief de strijdende partijen op het hoogste niveau.
Bent u bekend met het feit dat zowel uit de Verenigde Staten (VS) als uit het Verenigd Koninkrijk (VK) wapens worden geëxporteerd naar de Verenigde Arabische Emiraten, waarvan bekend is dat deze wapens ook in handen van de RSF vallen?2, 3
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover.
Heeft u uw collega’s uit de VS en het VK hierop aangesproken? Zo nee, bent u bereid met hen in overleg te treden hierover?
Nederland is met verschillende bondgenoten in gesprek over de situatie in Soedan. Die gesprekken omvatten een breed scala aan relevante thema’s vanuit de gedeelde ambitie de situatie in Soedan te verbeteren.
Deelt u de zorgen dat ook militaire goederen uit Nederland in handen van de RSF eindigen, gezien het feit dat Nederland sinds 2023 weer militaire goederen aan de Verenigde Arabische Emiraten levert?
Het kabinet toetst alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval en zorgvuldig conform het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), met onder andere specifieke aandacht voor het risico op omleiding van de goederen naar ongewenste eindgebruikers. Voor de afgegeven uitvoervergunningen naar de VAE is geen risico op omleiding van de betreffende goederen naar Soedan vastgesteld. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om goederen ten behoeve van marineschepen met als eindgebruiker de VAE marine. Gelet op het feit dat er in Soedan geen sprake is van een maritiem conflict is het niet aannemelijk dat dergelijke goederen zouden worden omgeleid naar Soedan.
Welke garantie heeft u van de Verenigde Arabische Emiraten dat deze goederen niet in Soedan eindigen? Op welke manier controleert u dit?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier zet u druk op de Verenigde Arabische Emiraten om geen wapens meer te leveren aan de RSF? Bent u bereid drukmiddelen in te zetten om deze leveringen te voorkomen en zo ja, welke?
Het kabinet heeft conform motie-Ceder c.s. (21 501-02, nr. 3276) tijdens de Raad Buitenlandse Zaken in november gepleit voor engagement vanuit de EU met externe actoren, inclusief in de context van EU-GCC relaties. Daarnaast spreekt Nederland binnen de brede bilaterale relatie met de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) ook over de situatie in Soedan, zowel op politiek als hoog-ambtelijk niveau. Zo sprak de Minister van Buitenlandse Zaken op 19 november jl. met de Minister van Buitenlandse Zaken, Sheikh Abdullah bin Zayed Al Nahyan, waar aandacht is gevraagd voor de situatie in El Fasher en het belang is onderstreept om te komen tot een einde aan het geweld. Inzet van de gesprekken is constructief engagement met de VAE als een relevante actor die aangeeft bij te willen dragen aan een einde van het conflict.
De VAE maakt onderdeel uit van het Quad initiatief – een samenwerkingsverband met de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Egypte. De Quad heeft in een verklaring in september jl. opgeroepen tot een wapenstilstand en noemde een einde aan externe militaire steun cruciaal voor het beëindigen van het conflict. De Quad spreekt met beide partijen om een einde te maken aan het conflict.
Het is in algemene zin van belang om wapentoevoer en financiële stromen richting de strijdende partijen in te dammen, met als doel een eind te maken aan het geweld. Nederland pleit tot maatregelen hiertoe in EU-verband, waaronder bijvoorbeeld het oproepen tot een VN-wapenembargo voor geheel Soedan.
Nederland spreekt bovendien externe actoren aan op hun verantwoordelijkheid om geen handelingen te verrichten die het conflict voeden en om in te zetten op de-escalatie, naleving van het humanitair oorlogsrecht en ongehinderde humanitaire toegang.
Bent u bereid een extra financiële en/of personele inzet te leveren ten behoeve van waarheidsvinding in Darfur en andere delen van Soedan?
Nederland is augustus jl. toegetreden tot de kerngroep van landen (bestaande uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Noorwegen en Ierland) die zich inzet voor de verlenging van de resolutie over het mandaat van de Independent International Fact Finding Mission for the Sudan (FFM). Op 6 oktober jl. is deze resolutie aangenomen en is het mandaat van de FFM met een jaar verlengd. Nederland levert hiermee een extra inspanning om ervoor te zorgen dat dit instrument voor Soedan behouden blijft en dat schendingen van het humanitair oorlogsrecht worden gedocumenteerd.
Op vrijdag 14 november jl. heeft in de Mensenrechtenraad, op verzoek van de Soedan-kerngroep waar Nederland deel van uitmaakt, een sessie plaatsgevonden over de mogelijke misdaden tegen burgers in en om El Fasher. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft hierbij het belang van waarheidsvinding benadrukt en opgeroepen tot naleving van het internationaal humanitair recht, het VN-wapenembargo en het waarborgen van voldoende humanitaire hulp.
Het is niet mogelijk voor individuele VN-lidstaten om onafhankelijke onderzoekscommissies, zoals de FFM, rechtstreeks financieel te ondersteunen. Nederland zet zich er wel voor in dat binnen het reguliere VN-budget voldoende middelen worden gereserveerd voor dergelijke onafhankelijke onderzoeksmechanismen.
Nederland draagt sinds 2023, via partnerorganisatie Justice Rapid Response (JRR), bij aan het werk van de FFM. JRR heeft de FFM versterkt met juridische expertise op het gebied van gender en kinderrechten. Daarmee heeft Nederland, via JRR, bijgedragen aan het werk van de FFM, onder meer op het terrein van conflict-related sexual violence (CRSV).
Daarnaast steunt Nederland in 2025 het landenkantoor van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Soedan met EUR 1,5 miljoen. Het landenkantoor documenteert, monitort en rapporteert over de mensenrechtensituatie in Soedan en ondersteunt daarmee indirect de werkzaamheden van de FFM.
Welke steun levert Nederland momenteel aan journalisten in en rondom Soedan? Bent u bereid deze steun op te voeren?
Nederland steunt vanuit het centrale mensenrechtenfonds het werk van Free Press Unlimited en Reporters Without Borders via het Safety for Voices-subsidiekader. Deze organisaties bieden fysieke, juridische, digitale, financiële en psychosociale hulp aan journalisten in nood. Zij zijn wereldwijd actief, ook in Soedan.
Daarnaast biedt de post Khartoem voor een bedrag van EUR 1,85 miljoen ondersteuning aan lokale mensenrechtenverdedigers, waaronder journalisten, in nood via DefendDefenders. Ook wordt het onafhankelijke Soedanese nieuwsplatform Radio Dabanga ondersteund met EUR 750.000. Tot slot ondersteunt Nederland het OHCHR-kantoor met EUR 2 miljoen om de mensenrechtensituatie in Soedan te versterken, onder meer door netwerken van journalisten te ondersteunen.
Welke humanitaire hulp levert Nederland momenteel aan Soedan en specifiek de vluchtelingenkampen in de omgeving van Noord-Darfur? Bent u bereid deze hulp te verstevigen, met name op het gebied van medische zorg en voedsel? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder gecommuniceerd aan uw Kamer in de Kamerbrief Humanitaire situatie Soedan en specifiek El Fasher (d.d. 24 september 2025, 29 237, nr. 234) ondersteunt Nederland humanitaire organisaties die in Soedan werkzaam zijn bij het adresseren van de meest urgente noden, inclusief medische zorg en voedselvoorziening in de vluchtelingenkampen in Noord-Darfoer, zoals in Tawila. Dit gebeurt via flexibele financiering aan de belangrijkste VN-organisaties (waaronder het Wereldvoedselprogramma (WFP) en UNICEF) en de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging, evenals via financiering specifiek voor Soedan (via de Dutch Relief Alliance en het VN-landenfonds Sudan Humanitarian Fund (SHF)). De Nederlandse wijze van voorfinancieren geeft hulporganisaties de ruimte om snel en flexibel te reageren op crises zoals deze, en waar nodig en mogelijk hun inzet te intensiveren.
Sinds de inname van El Fasher, de wreedheden die daar plaatsvinden en de stroom mensen die de stad ontvluchten, heeft het Central Emergency Response Fund (CERF) van de VN USD 20 miljoen beschikbaar gesteld voor humanitaire hulp aan de getroffen bevolking en vluchtelingen. Daarnaast heeft het SHF in 2025 reeds USD 48 miljoen gealloceerd voor humanitaire hulp in zowel Kordofan als Darfoer. Nederland is voor zowel het CERF als het SHF een van de belangrijkste donoren.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De mobilisatie in Venezuela en de veiligheidsontwikkelingen nabij Curaçao, Aruba en Bonaire |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangekondigde Amerikaanse maritieme inzet in de Cariben rondom Venezuela (waaronder het uitzenden van drie Aegis-destroyers), en wat is het officiële feitenbeeld dat het Koninkrijk hierover van de Verenigde Staten (VS) heeft ontvangen (doel, duur, inzetprofiel, operatiegebied)?1, 2
Het kabinet is op de hoogte van de aanwezigheid van Amerikaanse marineschepen in het Caribisch gebied. Het betreft nationaal aangestuurde inzet door de VS. Het Koninkrijk is niet bij de inzet betrokken. Volgens Amerikaanse media worden de marineschepen ingezet voor de intensivering van drugsbestrijdingsoperaties in het gebied, gefocust op Zuid-Amerikaanse drugskartels, en zullen deze opereren in internationale wateren en luchtruim. Defensie en Buitenlandse Zaken houden contact met de VS.
Heeft voorafgaand of direct na deze aankondiging diplomatiek en/of militair overleg plaatsgevonden tussen het Koninkrijk en de VS? Zo ja, wat was de strekking daarvan?
De VS is een van de belangrijkste partners voor het Koninkrijk op het gebied van counterdrugsoperaties. Deze aangekondigde inzet is echter nationaal aangestuurd door de VS. Het Koninkrijk is hier niet bij betrokken. Op het moment houden Defensie en Buitenlandse Zaken contact met de VS.
In hoeverre raakt deze inzet de Cooperative Security Location Aruba–Curaçao (voorheen FOL) qua overvlieg- en stagingrechten, data-uitwisseling en aanwezigheid van personeel? Welke verdrags-/SOFA-afspraken en beperkingen gelden hierbij, en zijn deze recent geactualiseerd?
De inzet raakt de Cooperative Security Location slechts indien het gaat om inzet in het luchtruim boven Curaçao. Hierover zijn in het Verdrag inzake samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende toegang tot en gebruik van faciliteiten in de Nederlandse Antillen en Aruba voor drugsbestrijding vanuit de lucht (Trb. 2000, nr. 34, Trb. 2001, nr. 184, Trb. 2011, nr. 71, Trb. 2016, nr. 186 en Trb. 2021, nr. 89) afspraken gemaakt. Het verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten.
De status van Amerikaans personeel wordt geregeld in de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de status van personeel van de Verenigde Staten in het Caribische deel van het Koninkrijk (Trb. 2012, nr. 226, Trb. 2018, nr. 216 en Trb. 2019, nr. 12).
Over welke direct inzetbare middelen beschikt het Koninkrijk in het Caribisch deel met marine en kustwacht, en over welke opschalingsopties beschikt u?
Defensie heeft voor militaire- en politietaken een permanente militaire presentie in het Caribisch deel van het Koninkrijk van ruim 1.000 medewerkers van meerdere Defensieonderdelen, bestaande uit militairen en burgermedewerkers, met een zwaartepunt in maritiem optreden. Met deze aanwezigheid draagt Defensie bij aan de veiligheid op land, vanaf zee en in de lucht en geeft Defensie invulling aan de primaire taak, namelijk de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Daarnaast draagt Defensie bij aan het bevorderen van de internationale rechtsorde en het ondersteunen van civiele autoriteiten. De Kustwacht Caribisch Gebied is een Koninkrijksorganisatie. Naast dienstverlenende taken, zoals search and rescue, voert de Kustwacht opsporings- en toezichthoudende taken uit. Voor de uitoefening van haar taken beschikt de Kustwacht over varende, vliegende en rijdende eenheden die worden ingezet rond/op zowel de Boven- als Benedenwindse eilanden.
Indien noodzakelijk kunnen Defensiecapaciteiten vanuit Europees Nederland worden ingezet.
Hoe wordt de inzet van de Kustwacht afgestemd met Amerikaanse en regionale partners en zijn, gegeven de actuele situatie, extra personele of materiële maatregelen noodzakelijk?
De inzet van de Kustwacht Caribisch Gebied beperkt zich tot het verantwoordelijkheidsgebied van het Koninkrijk (territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone). Daarvoor vindt normaliter geen afstemming met internationale partners plaats. Defensie voert in nauwe samenwerking met de VS drugsbestrijdingsoperaties uit op volle zee (internationale wateren). Hiervoor vindt intensieve samenwerking plaats onder de coördinatie van de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S). Op dit moment is er geen aanleiding voor wijzigingen van reguliere operaties in het gebied.
Bent u voornemens een Notice to Airmen en/of Navigational Warning af te geven voor de burgerluchtvaart respectievelijk scheepvaart rondom de ABC-eilanden? Zo nee, welke andere maatregelen neemt u om de veiligheid van burgerluchtvaart en scheepvaart rond de ABC-eilanden te borgen, mede gezien cruise- en tankervaart en kritieke haven- en kabelinfrastructuur?
Binnen het Koninkrijk is Nederland verantwoordelijk voor het luchtruim boven Caribisch Nederland. Luchtverkeerdienstverleners uit Curaçao en Sint-Maarten zijn door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen om de luchtverkeersdienstverlening in het Nederlandse luchtruim boven Bonaire, Sint-Eustatius en Saba te verzorgen. Er is op dit moment geen aanleiding om vanwege veiligheidsontwikkelingen een NOTAM3 te publiceren voor het luchtruim van Bonaire, Sint-Eustatius of Saba. Aruba en Curaçao zijn autonome landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden en hebben daarmee eigen bevoegdheden. Het is dan ook aan Aruba en Curaçao om te bepalen of zij voor hun luchtruim een NOTAM publiceren.
Zoals gebruikelijk bij dergelijke ontwikkelingen wordt de Nederlandse burgerluchtvaart ook via de Expertgroep Dreigingsinformatie Burgerluchtvaart op de hoogte gehouden. De luchtvaartmaatschappijen maken hierbij hun eigen risicoanalyse om al dan niet van/naar, over of nabij de regio te vliegen. Verder is, voor wat betreft de waarborging van veiligheid voor de burgerluchtvaart, de Tweede Kamer op 16 september 2024 geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid 10 jaar na het neerhalen van vlucht MH17.4
Op 15 augustus jl. heeft de Minister van IenW een aangescherpte waarschuwing voor de Nederlandse commerciële zeescheepvaart afgegeven voor de territoriale zee, de aangrenzende zone en de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van Venezuela, alsook voor de wateren grenzend aan de door Venezuela geclaimde Esequibo-regio van Guyana. Reden hiervoor was de verslechterde veiligheidssituatie op zee en op land, met name de onderschepping van een aantal kleine buitenlandse vaartuigen door de Venezolaanse marine/kustwacht gevolgd door arbitraire detenties van crewleden en/of oplegging van hoge boetes. Er is op dit moment geen aanleiding om deze zeescheepvaartwaarschuwing verder aan te scherpen. Ook wordt in het reisadvies voor Venezuela (zie antwoord vraag 7) de pleziervaart geadviseerd om niet te varen in de territoriale zee, de aangrenzende zone en de EEZ van Venezuela, alsook de wateren ten noorden van de Esequibo-regio van Guyana.
Worden reisadviezen en calamiteitenplannen voor bewoners en bezoekers van de ABC-eilanden geactualiseerd in het licht van deze ontwikkelingen en zo ja, hoe wordt hierover gecommuniceerd met bewoners, bedrijven en de toeristische sector?
Het reisadvies voor Venezuela is op 18 juli 2025 gewijzigd van grotendeels rood en deels oranje (alleen noodzakelijke reizen) naar geheel rood (niet reizen), vanwege willekeurige arrestaties door het regime en de zeer beperkte mogelijkheden om Nederlandse burgers te helpen wanneer die worden aangehouden. Deze wijziging van het reisadvies is actief gecommuniceerd met de autoriteiten en de toeristische sector in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Er is nu geen aanleiding om de huidige crisisplanvorming te actualiseren in het licht van de huidige ontwikkelingen.
Op welke wijze worden de regeringen en Staten van Aruba en Curaçao betrokken bij besluitvorming over defensie en buitenlandse betrekkingen die de situatie in en relatie met Venezuela aan gaan?
De handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk en de buitenlandse betrekkingen zijn conform artikel 3 van het Statuut Koninkrijksaangelegenheden. De Minister van Defensie en de Minister van Buitenlandse Zaken treden voor deze onderwerpen feitelijk altijd op als Minister van het Koninkrijk. De Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao, en Sint Maarten zijn als vertegenwoordiger van respectievelijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten lid van de Rijksministerraad en maken op die wijze deel uit van de besluitvorming van de Koninkrijksregering. Daarnaast vindt voortdurend bilateraal contact plaats tussen de autoriteiten in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de Koninkrijksministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. De Commandant der Zeemacht in het Caribisch Gebied (C-ZMCARIB) is als regionale commandant het primaire aanspreekpunt voor Defensie-aanwezigheid en -activiteiten in de regio voor lokale autoriteiten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt in het Caribisch deel van het Koninkrijk vertegenwoordigd door de Speciaal Gezant voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Tevens onderhouden Defensie en Buitenlandse Zaken contact met de Gezaghebber van Bonaire.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn, en zo nodig periodiek, te informeren over de verdere ontwikkelingen en de gevolgen voor het Koninkrijk, inclusief, waar passend, een vertrouwelijke technische briefing over paraatheid, conflictbeheersing en scenario’s?
Indien de situatie in de regio leidt tot een andere veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk zal de regering uw Kamer daarover onverwijld informeren.
Kunt u deze vragen, elk afzonderlijk, beantwoorden voor de Raad Buitenlandse Zaken Defensie?
Ja.
Medische evacuaties uit Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Jan Paternotte (D66), Wieke Paulusma (D66) |
|
Daniëlle Jansen (NSC), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Tijdens het commissiedebat van 7 augustus 2025 verwees u naar een onderzoek door twee oud-ambassadeurs over medische evacuaties vanuit Gaza; kunt u dit onderzoek, inclusief eventuele bijlagen en onderliggende correspondentie, onverwijld aan de Kamer doen toekomen? Wanneer is dit onderzoek uitgevoerd, wat was de precieze opdracht en aan wie is het gerapporteerd? Welke concrete aanbevelingen bevatte het onderzoek en op welke punten heeft het kabinet deze wel/niet overgenomen?
Tijdens het commissiedebat van 7 augustus 2025 sprak voormalig Minister Veldkamp over het door voormalig Minister Bruins Slot aangekondigde verkenning. Die werd besproken in de Raad Defensie, Internationale, nationale en Economische Veiligheid (RDINEV) van 22 oktober 2024, waarna het kabinet besloot dat ondersteuning in de regio op dat moment de voorkeur had boven opvang in Nederland. De verkenning die tijdens de RDINEV werd besproken is vertrouwelijk, en wordt niet met uw Kamer gedeeld ter bescherming van de eenheid van Kabinetsbeleid.
Is het genoemde onderzoek gedeeld met Europese partners, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) of uitvoerende hulporganisaties? Zo ja, welke reactie(s) kwamen hierop terug?
Nee.
Hoe verhoudt de conclusie uit het onderzoek – dat medische evacuaties het meest effectief zouden zijn wanneer patiënten in de regio blijven – zich tot het feit dat tal van Europese landen (waaronder België, Duitsland, Griekenland, Frankrijk, Spanje, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Roemenië, Slowakije, Albanië, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk) wel degelijk patiënten uit Gaza naar hun eigen ziekenhuizen overbrengen?
Over de manier waarop landen bijdragen aan medische evacuaties maakt iedere regering een eigen afweging. Het kabinet focust op het verhogen van de hulp aan patiënten en zorginstellingen in de landen in de regio om zo ernstig zieke patiënten te helpen.
Beschikt het kabinet over medische, logistieke of juridische informatie die deze landen kennelijk niet hebben? Zo ja, welke specifieke feiten of risicoanalyses leiden ertoe dat Nederland afwijkt van het beleid van genoemde landen?
Het is het kabinet niet bekend over welke specifieke informatie genoemde landen beschikken. Het kabinet richt zich op de ondersteuning van medische evacuaties in de regio, waar het kabinet mogelijkheden ziet om snel en direct een concrete bijdrage te leveren. Ook deze hulp is hard nodig in de regio.
Acht u het aannemelijk dat de situatie voor Nederland wezenlijk anders is dan voor deze landen, bijvoorbeeld qua reistijd, medische stabiliteit van patiënten of opnamecapaciteit, en kunt u dit onderbouwen met cijfers en documenten?
Zie beantwoording van vraag 4.
Hoeveel verzoeken van de WHO of via het EU Civil Protection Mechanism zijn sinds 1 januari 2024 aan Nederland gedaan om patiënten uit Gaza op te nemen, en wat was telkens de reden om deze verzoeken niet te honoreren?
In april 2024 deed de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een verzoek aan de Europese lidstaten via het EU Civil Protection Mechanism (UCPM) om patiënten uit de Gazastrook naar Europa te evacueren. Nederland krijgt deze verzoeken als EU lidstaat en heeft geen bilaterale verzoeken van de WHO ontvangen.
Erkent u dat de door u genoemde praktische bezwaren, zoals reisafstand of medische stabiliteit, ook spelen voor landen als Noorwegen, Ierland of Malta, die desondanks wél patiënten opnamen? Waarom kiest Nederland niet voor eenzelfde aanpak, desnoods voor een kleiner aantal patiënten?
Het kabinet heeft ervoor gekozen zich te richten op het bieden van diplomatieke en financiële ondersteuning voor medische evacuaties en behandeling in ziekenhuizen in de regio. Het staat buiten kijf dat de behoefte aan ondersteuning in de regio groot en acuut is, en dat Nederland daar snel een concrete en zinvolle bijdrage kan leveren.
Geldt het argument dat zorg beter in de regio verleend kan worden ook voor gevallen waarbij sprake is van ernstige complicaties en een zeer gespecialiseerde zorgvraag, zoals bij het merendeel van de medische evacuaties van kinderen naar onder andere het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk?
Ook voor deze gevallen geldt dat het wenselijker is als zij deze zorg in de regio kunnen ontvangen. Dat de capaciteit voor dergelijke zorg onder druk staat in de regio is bekend. Waar een aantal andere landen zich tevens richt op evacuatie naar hun land voor het bieden van hulp aan mensen met deze specifieke zorgvraag, zet het kabinet in op het helpen van zoveel mogelijk patiënten in de regio en het vergroten van capaciteit daartoe. Ook daarvoor zijn de noden hoog.
Bent u bereid, mede gezien de aanhoudende oproepen van de WHO en het precedent van andere Europese landen, alsnog een contingent patiënten en hun begeleiders uit Gaza op te nemen, en hierover op korte termijn afspraken te maken met ziekenhuizen en het EU-mechanisme?
Het leed van mensen die medisch geëvacueerd moeten worden is schrijnend, in het bijzonder waar het kinderen betreft. Het kabinet is vastberaden om verlichting en hulp te bieden. Zoals bekend zet het kabinet in op het helpen van zoveel mogelijk patiënten in de regio en het vergroten van capaciteit daartoe. Hiervoor zijn de noden hoog en op dit gebied kan Nederland snel een concrete en zinvolle bijdrage leveren. Het kabinet onderzoekt mogelijkheden voor concrete steun. De verschillende steunmogelijkheden in de regio worden interdepartementaal in kaart gebracht, in samenwerking met Defensie en VWS.
Het kabinet spant zich in om de knelpunten die in de regio worden ervaren te verlichten. Recent heeft Nederland een aanvullende bijdrage van 3 miljoen euro aangekondigd voor de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waarmee de medische ondersteuning en evacuatie van patiënten uit de Gazastrook naar landen in de regio kan worden bekostigd. Ook in 2024 stelde Nederland een bijdrage van 3 miljoen euro beschikbaar voor de WHO ter ondersteuning van medische capaciteit in de Gazastrook en de regio. Destijds heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport eveneens medische hulpmiddelen ter waarde van 1,5 miljoen euro beschikbaar gesteld aan Egypte met oog op medische evacuaties uit de Gazastrook.
Het kabinet maakt in 2025 25 miljoen euro vrij voor hulp aan mensen uit Gaza. Dit gaat om humanitaire hulp en ondersteuning voor de langere termijn, zowel in de Gazastrook als landen in de regio. Het kabinet biedt daarmee een substantiële bijdrage aan de humanitaire medische noden in Gaza. Op dit moment wordt hierin prioriteit gegeven aan medische evacuaties in de regio en ondersteuning van medische capaciteit daarbij. Uit deze reservering wordt voorts 800.000 euro vrijgemaakt ter ondersteuning van het werk van Save the Children voor patiënten die zijn geëvacueerd naar Egypte. Met deze bijdrage kan Save the Children circa 600 patiënten helpen voor een periode van één jaar.
Het kabinet identificeert verdere mogelijkheden in de regio, zoals het beschikbaar stellen van Nederlandse medische expertise voor gecompliceerde zorgvragen waar beperkte behandelcapaciteit voor aanwezig is in de regio. Daarbij wordt ook de medische capaciteit in de Westelijke Jordaanoever en landen in de regio, zoals Egypte en Jordanië in ogenschouw genomen. De nadere invulling van dit pakket voor hulp in de Gazastrook of de regio wordt te zijner tijd aan uw Kamer kenbaar gemaakt. Bovendien heropen ik het contactpunt waar partijen en medisch gekwalificeerde personen zich kunnen melden. Daar worden zij in contact gebracht met de hulpverlening in de regio die daar wordt georganiseerd door verschillende NGO’s en de WHO. Hiermee faciliteer ik de behoefte onder Nederlandse zorgprofessionals om ter plaatse in de regio een bijdrage te leveren aan de zorg voor Gazaanse patiënten. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport helpt mee door het contactpunt actief onder de aandacht te brengen van de partijen in de Nederlandse zorg.
Naast financiële ondersteuning voor medische evacuaties en behandelcapaciteit in de regio zet Nederland zich diplomatiek in richting Israël en landen in de regio voor de verruiming van mogelijkheden voor medische evacuaties uit de Gazastrook. Over deze thematiek spreek ik met Ministers van Buitenlandse Zaken van landen uit de regio.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid om geen patiënten uit Gaza naar Nederland te halen zich tot de recente analyse van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV), waarin wordt gesteld dat derde staten een verplichting hebben om alle redelijke maatregelen te nemen om genocide te voorkomen? Acht u medische evacuatie van (kind)slachtoffers uit een door hongersnood en oorlogsgeweld getroffen gebied een dergelijke redelijke maatregel, en zo niet, waarom niet?
Deze verplichting brengt met zich mee dat derde staten, waaronder Nederland, alle redelijkerwijs beschikbare maatregelen moeten nemen om genocide in de Gazastrook zo veel mogelijk te voorkomen. Dit omvat maatregelen die een afschrikwekkend effect kunnen hebben op degenen die genocide voorbereiden dan wel begaan. Ook het nemen van maatregelen gericht op het bijdragen aan het voortbestaan van de beschermde groep kan onder omstandigheden een invulling vormen van de verplichting tot voorkomen.
Zoals ook de CAVV beaamt, kent het internationaal recht echter geen duidelijke of vaste regels die de keuze van maatregelen ter voorkoming van genocide voorschrijven. Nederland neemt al geruime tijd maatregelen om de situatie in de Gazastrook te verbeteren en spant zich naar vermogen in om genocide te voorkomen. Er wordt telkens naar gelang de situatie ter plekke geëvalueerd welke effectieve maatregelen redelijkerwijs een invulling vormen van deze verplichting.
Hoewel medische evacuaties niet rechtstreeks zijn gericht op het «afschrikken» van de mogelijke plegers van genocide, in dit geval Israël, kunnen deze evacuaties bijdragen aan het voortbestaan van de beschermde groep. Dit betekent echter niet dat de inzet van het kabinet gericht moet zijn op het overbrengen van deze personen naar Nederland. Ook het bijdragen aan medische zorg ter plekke of in de regio kan hieronder vallen.
Daarom spant het kabinet zich, middels diplomatieke en financiële inzet, in algemene zin in voor de verruiming van mogelijkheden voor medische evacuaties uit de Gazastrook naar de regio.
Kunt u, gezien de extreme noodsituatie in Gaza, deze vragen elk afzonderlijk binnen één week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Opnemen van Palestijnse patiënten uit Gaza |
|
Wieke Paulusma (D66), Jan Paternotte (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Daniëlle Jansen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat grote aantallen zwaargewonde en zieke Palestijnen in Gaza wachten op evacuatie voor behandeling in het buitenland?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat Italië recent 17 patiënten en 53 begeleiders uit Gaza heeft geëvacueerd en dat het totale aantal geëvacueerde patiënten naar landen in de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) European Region inmiddels 852 bedraagt (stand 27 juni 2025)?2
Ja.
Klopt het dat tussen 7 oktober 2023 en 10 april 2025 7.229 patiënten uit Gaza geëvacueerd zijn waarvan het overgrote deel naar Egypte, Verenigde Arabische Emiraten, Qatar en Turkije?3
Volgens cijfers van de WHO die betrekking hebben op de periode van 7 oktober 2023 tot en met 13 augustus 2025 zijn 7560 mensen uit Gaza geëvacueerd voor medische zorg, waarvan het overgrote deel naar Egypte (3995), de Verenigde Arabische Emiraten (1387), Qatar (970) en Turkije (439). Door EU-landen zijn in die periode 280 patiënten opgevangen.
Klopt het dat Nederland tot op heden geen enkele patiënt uit Gaza heeft opgenomen voor medische behandeling, terwijl het merendeel van de West-Europese landen (waaronder Italië, Frankrijk, Duitsland, Noorwegen, Spanje, België en Zwitserland) dit wel heeft gedaan?
Het kabinet kan niet bevestigen dat het merendeel van de West-Europese landen patiënten uit Gaza heeft opgenomen. Het kabinet zet in op behandeling van ernstig zieke patiënten in de regio.
Kunt u aangeven waarom landen als Italië, Duitsland, Frankrijk, Noorwegen, Spanje, Zwitserland en België wel Palestijnse patiënten hebben opgevangen, maar Nederland niet?
Over de manier waarop wordt bijgedragen aan medische evacuaties maakt iedere regering een eigen afweging. Waar een aantal landen zich richt op het evacueren van patiënten met gecompliceerde zorgvragen, zet Nederland in op het helpen van zoveel mogelijk patiënten in de regio en het ondersteunen van capaciteit daartoe.
Waarom heeft Nederland geen gehoor gegeven aan de herhaalde oproepen van de WHO en anderen om (meer) patiënten uit Gaza op te nemen?4 5
Het leed van mensen die medisch geëvacueerd moeten worden is schrijnend, in het bijzonder waar het kinderen betreft. Het kabinet is vastberaden om verlichting en hulp te bieden. Zoals bekend zet het kabinet in op het helpen van zoveel mogelijk patiënten in de regio en het vergroten van capaciteit daartoe. Hiervoor zijn de noden hoog en op dit gebied kan Nederland snel een concrete en zinvolle bijdrage leveren. Het kabinet onderzoekt mogelijkheden voor concrete steun. De verschillende steunmogelijkheden in de regio worden interdepartementaal in kaart gebracht, in samenwerking met Defensie en VWS.
Het kabinet spant zich in om de knelpunten die in de regio worden ervaren te verlichten. Recent heeft Nederland een aanvullende bijdrage van 3 miljoen euro aangekondigd voor de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waarmee de medische ondersteuning en evacuatie van patiënten uit de Gazastrook naar landen in de regio kan worden bekostigd. Ook in 2024 stelde Nederland een bijdrage van 3 miljoen euro beschikbaar voor de WHO ter ondersteuning van medische capaciteit in de Gazastrook en de regio. Destijds heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport eveneens medische hulpmiddelen ter waarde van 1,5 miljoen euro beschikbaar gesteld aan Egypte met oog op medische evacuaties uit de Gazastrook.
Het kabinet maakt in 2025 25 miljoen euro vrij voor hulp aan mensen uit Gaza. Dit gaat om humanitaire hulp en ondersteuning voor de langere termijn, zowel in de Gazastrook als landen in de regio. Het kabinet biedt daarmee een substantiële bijdrage aan de humanitaire medische noden in Gaza. Op dit moment wordt hierin prioriteit gegeven aan medische evacuaties in de regio en ondersteuning van medische capaciteit daarbij. Uit deze reservering wordt voorts 800.000 euro vrijgemaakt ter ondersteuning van het werk van Save the Children voor patiënten die zijn geëvacueerd naar Egypte. Met deze bijdrage kan Save the Children circa 600 patiënten helpen voor een periode van één jaar.
Het kabinet identificeert verdere mogelijkheden in de regio, zoals het beschikbaar stellen van Nederlandse medische expertise voor gecompliceerde zorgvragen waar beperkte behandelcapaciteit voor aanwezig is in de regio. Daarbij wordt ook de medische capaciteit in de Westelijke Jordaanoever en landen in de regio, zoals Egypte en Jordanië in ogenschouw genomen. De nadere invulling van dit pakket voor hulp in de Gazastrook of de regio wordt te zijner tijd aan uw Kamer kenbaar gemaakt. Bovendien heropen ik het contactpunt waar partijen en medisch gekwalificeerde personen zich kunnen melden. Daar worden zij in contact gebracht met de hulpverlening in de regio die daar wordt georganiseerd door verschillende NGO’s en de WHO. Hiermee faciliteer ik de behoefte onder Nederlandse zorgprofessionals om ter plaatse in de regio een bijdrage te leveren aan de zorg voor Gazaanse patiënten. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport helpt mee door het contactpunt actief onder de aandacht te brengen van de partijen in de Nederlandse zorg.
Naast financiële ondersteuning voor medische evacuaties en behandelcapaciteit in de regio zet Nederland zich diplomatiek in richting Israël en landen in de regio voor de verruiming van mogelijkheden voor medische evacuaties uit de Gazastrook. Over deze thematiek spreek ik met Ministers van Buitenlandse Zaken van landen uit de regio.
Heeft Nederland deze oproepen besproken binnen het kabinet of met relevante Europese partners? Zo ja, waarom zijn er desondanks nog steeds geen patiënten uit Gaza naar Nederland overgebracht voor medische behandeling? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet heeft er voor gekozen om zich te richten op het bieden van diplomatieke en financiële ondersteuning voor medische evacuaties en behandeling in ziekenhuizen in de regio. Nederland kan daar snel een concrete en zinvolle bijdrage leveren. Het staat buiten kijf dat de behoefte aan ondersteuning in de regio groot en acuut is.
Zie ook de beantwoording van vraag 6.
Bent u van mening dat het geen gehoor geven door Nederland aan de oproep van de WHO-directeur-generaal Tedros Adhanom Ghebreyesus van 16 juli 2025 om patiënten uit Gaza op te nemen kan worden beschouwd als strijdig met de verplichtingen van derde staten zoals die voortvloeien uit de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 26 januari 2024? Kunt u dit toelichten?6
Deze verplichting brengt met zich mee dat derde staten, waaronder Nederland, alle redelijkerwijs beschikbare maatregelen moeten nemen om genocide in de Gazastrook zo veel mogelijk te voorkomen. Dit omvat maatregelen die een afschrikwekkend effect kunnen hebben op degenen die genocide voorbereiden dan wel begaan. Ook het nemen van maatregelen gericht op het bijdragen aan het voortbestaan van de beschermde groep kan onder omstandigheden een invulling vormen van de verplichting tot voorkomen.
Zoals ook de CAVV beaamt, kent het internationaal recht echter geen duidelijke of vaste regels die de keuze van maatregelen ter voorkoming van genocide voorschrijven. Nederland neemt al geruime tijd maatregelen om de situatie in de Gazastrook te verbeteren en spant zich naar vermogen in om genocide te voorkomen. Er wordt telkens naar gelang de situatie ter plekke geëvalueerd welke effectieve maatregelen redelijkerwijs een invulling vormen van deze verplichting.
Hoewel medische evacuaties niet rechtstreeks zijn gericht op het «afschrikken» van de mogelijke plegers van genocide, in dit geval Israël, kunnen deze evacuaties bijdragen aan het voortbestaan van de beschermde groep. Dit betekent echter niet dat de inzet van het kabinet gericht moet zijn op het overbrengen van deze personen naar Nederland. Ook het bijdragen aan medische zorg ter plekke of in de regio kan hieronder vallen.
Daarom spant het kabinet zich, middels diplomatieke en financiële inzet, in algemene zin in voor de verruiming van mogelijkheden voor medische evacuaties uit de Gazastrook.
Bent u bekend met de uitspraak van uw voorganger Minister Bruins Slot dat Nederland onderzoekt hoe zieke en gewonde patiënten uit Gaza naar Nederland kunnen worden gehaald? Hoe is hieraan opvolging gegeven?7
Het kabinet is bekend met de uitspraak van Minister Bruins Slot over het onderzoek. De conclusies van de door Minister Bruins Slot aangekondigde verkenning werden besproken in de Raad Defensie, Internationale, nationale en Economische Veiligheid (RDINEV) van 22 oktober 2024, waarna het kabinet besloot dat ondersteuning in de regio de voorkeur heeft boven opvang in Nederland. In de brief aan uw Kamer van 28 juli 2025 is toegelicht dat Nederland zich reeds inzet voor medische evacuaties (zie ook de beantwoording van vraag 6).
Bent u van mening dat het onthouden van medische zorg aan zwaargewonde en ernstig zieke burgers uit een conflictgebied in strijd is met internationale humanitaire verplichtingen, zoals vastgelegd in de Vierde Conventie van Genève? Kunt u dit toelichten?
De verplichtingen over de bescherming van gewonden en zieken uit de Verdragen van Genève gelden in de eerste plaats voor de partijen bij het gewapend conflict. Tijdens een gewapend conflict dienen alle gewonden en zieken te worden ontzien en beschermd. Gewonden en zieken hebben het recht op een menselijke behandelding en, voor zover mogelijk, om binnen de kortst mogelijke tijd de medische verzorging en aandacht te ontvangen die hun toestand vereist. Het opzettelijk onthouden van medische zorg aan gewonden en zieke burgers is in strijd met het humanitair oorlogsrecht.
Nederland heeft Israël herhaaldelijk gewezen op de verplichtingen van het humanitair oorlogsrecht, waaronder de verplichting om humanitaire hulp, waaronder medische hulp, in de Gazastrook te faciliteren. Daarnaast biedt Nederland diplomatieke en financiële ondersteuning voor medische evacuaties en behandeling in ziekenhuizen in de regio.
Klopt het dat Coordination of Government Activities in the Territories (COGAT, de Israëlische bezettingsautoriteit) medische evacuaties regelmatig annuleert en beperkt? Zo ja, welke acties heeft Nederland daartegen ondernomen?
Ja. Dat is sinds 7 oktober 2023 frequent voorgekomen. Op dit moment lijkt vaker toestemming te worden verleend. Nederland blijft Israël en landen in de regio verzoeken om de mogelijkheden voor medische evacuaties verder te verruimen. Dit betreft ook evacuatie naar de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem. Dat gebeurt voortdurend en op verschillende niveaus. Ook worden mogelijkheden voor ondersteuning van specifieke medische evacuaties in de regio verkend in nauwe afstemming met de relevante hulporganisaties.
Bent u van mening dat het Israëlische beleid ten aanzien van hulpverlening – inclusief het blokkeren van medische evacuaties – neerkomt op collectieve bestraffing en daarmee een schending vormt van het internationaal humanitair recht? Kunt u dit toelichten?
Het door de partijen bij het gewapend conflict opzettelijk onthouden van medische zorg aan gewonden en zieke burgers is in strijd met het humanitair oorlogsrecht. Zelfs in situaties waarin middelen beperkt zijn, moeten partijen bij een conflict hun uiterste best doen om zo snel mogelijk de best mogelijke medische zorg aan gewonden en zieken te verlenen. Dit omvat het toestaan van verlenen van medische zorg door onpartijdige humanitaire organisatie wanneer niet aan de behoeften van de gewonden en zieken wordt voldaan en het verlenen en/of toelaten van essentiële medische benodigdheden in bezet gebied. Gezien de blokkade van humanitaire hulp, waaronder medische middelen, lijkt om die reden sprake te zijn van een schending van deze verplichtingen door Israël.
Bent u bereid om met ziekenhuizen, universiteiten, gemeenten en medische organisaties in Nederland te overleggen over de mogelijkheid tot opvang en behandeling van Palestijnse patiënten?
Nederland spant zich in om diplomatieke en financiële ondersteuning te bieden voor medische evacuaties en behandeling in ziekenhuizen in de regio.
Bent u bereid om alsnog, en met spoed, patiënten uit Gaza op te nemen, zoals gevraagd door de WHO, en daartoe samen te werken met het EU-mechanisme, andere lidstaten en relevante medische instellingen?
Zie antwoord vraag 13.
De MER Tata Steel en misleidende communicatie over uitstootcijfers |
|
Joris Thijssen (PvdA), Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD), Mpanzu Bamenga (D66), Natascha Wingelaar (NSC), Ilana Rooderkerk (D66), Wytske de Pater-Postma (CDA), Marieke Koekkoek (D66), Geert Gabriëls (GL) |
|
Tieman , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Tata Steel op 30 juni 2025 het milieueffectrapport (MER) voor het project HeraCless-Groen Staal heeft ingediend bij de provincie Noord-Holland, en dat de MER openbaar is gemaakt op de website van Tata Steel?1
Ja. Het milieueffectrapport (MER) is conform toezegging ook met uw Kamer gedeeld via het de aanbiedingsbrief bij het Schriftelijk overleg van 8 juli jl. (Kamerstuk 28 089, nr. 339). Inmiddels heeft het bedrijf aangegeven wegens een aantal correcties een gereviseerde MER in te zullen dienen bij het bevoegd gezag6.
Bent u bekend met het feit dat volgens het onlangs gepubliceerde MER van Tata Steel de immissie van fijnstof, NOx en dioxines niet daalt, maar zelfs stijgt? Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitkomst in het licht van het feit dat het RIVM concludeert dat fijnstof en NOx de grootste boosdoeners zijn voor de gezondheid van omwonenden?
Normaal gesproken wordt een MER pas openbaar wanneer deze door het bevoegd gezag als bijlage ter inzage wordt gelegd bij een ontwerpbesluit in het kader van vergunningverlening. Tata Steel heeft er, mede op verzoek van de omgeving en de Tweede Kamer, voor gekozen het ingediende MER te publiceren zodat eenieder dit stuk nu al kan inzien. Tegelijkertijd moet nog wel gewoon het reguliere proces van advies en verificatie rondom het MER door het bevoegd gezag en de door haar gemandateerde omgevingsdienst plaatsvinden.7 Er zijn door de Rijksoverheid nog geen stellingen in te nemen, omdat het bevoegd gezag de MER nog moet interpreteren en beoordelen. Ik wil hiervoor het reguliere proces afwachten en kan dus niet in alle gevallen ingaan op de door u gestelde vragen.
Vindt u het acceptabel dat de immissie van fijnstof, NOx en dioxines niet daalt, maar zelfs stijgt? Zo ja, waarom en op welke gezondheidsexperts baseert u zich dan?
Zie beantwoording vraag 2. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Wat vindt u ervan dat uit het MER blijkt dat ziekmakende stoffen, zoals ultrafijnstof, benzeen, zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s), nauwelijks worden teruggedrongen en dat veel technieken die Tata noemt om emissies te beperken worden afgedaan als «nog in onderzoek», «niet verplicht» of «niet gebruikelijk»? Welke harde reductiedoelen en toetsbare resultaatsverplichtingen zijn er voor deze stoffen dan?
Zie beantwoording vraag 2. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Bent u het ermee eens dat dit te veel onzekerheid met zich meebrengt en dat omwonenden – die jarenlang moesten vechten tegen een Tata Steel en een overheid, die lang wegkeken en de ziekmakende effecten van Tata ontkenden – garanties moeten krijgen over de exacte reducties van emissies van zulke ziekmakende stoffen (in absolute cijfers)?
Ik begrijp de zorgen van omwonenden over de onzekerheid die deze fase met zich meebrengt. Het verduurzamingsproject van Tata Steel kent verschillende fases, waarvan het MER één van de eerste stappen is binnen het formele proces van besluitvorming over een projectbesluit en bijbehorende vergunningen. Het is aan het bedrijf om de vergunningen voor hun activiteiten aan te vragen en een MER op te stellen. Het bevoegd gezag zal naar aanleiding van het MER, de daarbij behorende adviezen, en de nog in te dienen vergunningaanvragen de activiteit beoordelen.
Het doel van het MER is om de effecten van het project op het milieu in beeld te brengen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de impact van het project op verschillende (lucht)emissies van het bedrijf in kaart moet worden gebracht. Concrete bindende normen of eisen staan niet in het MER, maar worden op een andere manier geregeld. Algemene regels en de vergunningen zullen de Groen Staal-activiteiten van Tata Steel reguleren, waaronder de (lucht)emissies.8 Voordat de vergunning definitief is, zal de ontwerpvergunning openbaar worden gemaakt. Dan bestaat de mogelijkheid voor belanghebbenden om hierop zienswijzen in te dienen.
Bent u het ermee eens dat alle relevante mitigerende maatregelen (oftewel maatregelen die de schadelijke effecten beperken) in het MER moeten worden opgenomen, dus ook de overkappingen en maatregelen die in het buitenland al worden toegepast bij staalfabrieken? Zo nee, waarom niet? Hoe worden dan maatregelen die niet in het MER worden doorgerekend, maar wel worden toegepast via bijvoorbeeld maatwerkafspraken, onderworpen aan een verplichte toets op de effectiviteit en milieugevolgen?
Dit MER is opgesteld voor de vergunningverlening van het project Heracless-Groen Staal zoals dat in maart 2023 is aangekondigd met de notitie voornemen en in november 2023 is aangepast met de gewijzigde notitie voornemen.9 Het MER wordt, zoals ieder ander MER, door het bevoegd gezag getoetst aan de eisen die de wet aan een MER stelt.
Een MER is een middel om in kaart te brengen welke mitigerende maatregelen nodig zijn om negatieve milieueffecten (die een direct gevolg zijn van het project) te beperken. De genoemde overkappingen zijn geen onderdeel van het project en ook geen onderdeel van mitigerende maatregelen voor dit project. Daarom zijn deze niet opgenomen in het MER.
Het ingediende MER heeft een beperktere scope dan de eventuele maatwerkafspraak. Aanvullende (milieu)maatregelen die voortkomen uit de maatwerkafspraken en geen onderdeel zijn van de vergunningenprocedure voor het project Heracless-Groen Staal dat in maart 2023 is gestart, zullen te zijner tijd een eigen vergunningenspoor doorlopen en getoetst worden. Dit is eerder zo gecommuniceerd door het bevoegd gezag met de gewijzigde notitie voornemen in november 202310.
Zijn cruciale technieken voor de overkapping van de schrootverwerking, het slaktransport en de aanvoer en opslag van grondstoffen voor de «direct reduced iron» (DRI) meegenomen in het MER? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om uit te spreken dat het nodig is om dit alsnog op te laten nemen in het MER?
De overkappingen en bronmaatregelen bij nieuwe schrootverwerking en bronmaatregelen bij slaktransport maken deels onderdeel uit van het ontwerp van de nieuwe DRP-EAF installaties en zijn dus opgenomen in het MER.11 Eventuele aanvullende milieumaatregelen die voort kunnen komen uit de maatwerkafspraken zijn zoals ook in vraag 6 toegelicht geen onderdeel van het MER.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat Tata met het MER feitelijk een soort vorm van salderen in de tijd toepast: verslechtering van de leefomgeving in de komende jaren wordt goedgepraat met beloften over latere verbetering, maar zonder juridische garanties dat die verbetering er ook daadwerkelijk komt? Zo nee, welke juridische garanties zijn er dan concreet voor reductie van ziekmakende stoffen?
Zie beantwoording vraag 2 en 5. Een MER is een middel om in kaart te brengen welke mitigerende maatregelen nodig zijn om negatieve milieueffecten (die een direct gevolg zijn van het project) te beperken. De beoordeling van het MER (of dit in voldoende mate lukt in lijn met huidige wet- en regelgeving), ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Welke concrete, juridisch bindende normen per stofsoort met resultaatverplichtingen op korte termijn – ook voor de bouw- en transitiefase – worden gehanteerd om gezondheidswinst te garanderen?
Zie de beantwoording van vraag 2 en vraag 5. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Erkent u dat in de bouw- en transitiefase, waarin oude vervuilende installaties (zoals kooksgasfabriek 2 en de hoogovens) nog jaren blijven draaien naast nieuwe bronnen als «electric arc furnace» (EAF) en DRI, de uitstoot en hinder toenemen? Kunt u ook aangeven welke maatschappelijke kosten en effecten op de gezondheid dit met zich mee zal brengen? Kunt u een oproep doen om ook de bouw- en transitiefase te laten meenemen in het MER?
Het klopt dat oude en nieuwe installaties enige tijd gelijktijdig actief zullen zijn. Het bevoegd gezag heeft eerder, in reactie op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het MER, geadviseerd aan Tata Steel om in het MER expliciet in te gaan op de milieueffecten tijdens de bouw- en transitiefase. Deze zijn dus ook onderdeel van het door Tata Steel ingediende MER. Het bevoegd gezag zal hier dan ook op letten in haar beoordeling van het MER. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Wat is de planning, nu recent een coördinator is aangesteld om een gezondheidseffectrapportage (GER) te (laten) maken, het MER er is en de systematiek van de GER ook is ontwikkeld, om te komen tot een GER en worden omwonenden daar ook bij betrokken?
Zoals toegelicht in de beantwoording van de vragen uit het Schriftelijk Overleg van 8 juli jl12., zullen bij de uitvoering van de Gezondheidseffectrapportage Tata Steel Nederland (hierna: GER-TSN), naast andere betrokkenen, omwonenden worden geconsulteerd.
De GER-TSN wordt gebaseerd op informatie uit het MER en op data voor de milieu en gezondheidsmaatregelen van de eventuele maatwerkafspraak die buiten de scope van het MER vallen. De werkgroep GER-TSN is op basis van de huidige beschikbare versie van de MER gestart met de voorbereidende werkzaamheden van de GER-TSN. Echter moet het oordeel van het bevoegd gezag en het advies van de Commissie mer over het MER worden afgewacht om naar een definitieve GER toe te werken.
Doordat de GER voor het eerst wordt uitgevoerd en de uitvoering afhankelijk is van het proces van de MER, is de exacte duur van de verdere uitvoering niet geheel te voorspellen, maar alle betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer tot snelheid en zetten zich daarvoor in.
Wanneer verwacht u dat er adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond voor de omwonenden in IJmond op basis van de GER kunnen liggen? Bent u bereid te wachten met het maken van een maatwerkafspraak met Tata, totdat deze adviezen er zijn, zoals een meerderheid van de Kamer u heeft verzocht? Zo nee, waarom niet?
De gezondheid van omwonenden van Tata Steel zal een prominente plek krijgen in de eventuele maatwerkafspraak met TSN, zoals ook al eerder is aangegeven. In de Voortgangsbrief Milieuproblematiek Tata Steel van 10 april jl. bent u uitgebreid geïnformeerd over de GER -TSN. Tussentijdse inzichten die worden opgedaan bij de uitvoering van de GER-TSN zullen zoveel mogelijk worden betrokken bij de onderhandelingen over de maatwerkafspraak met TSN. In de Kamerbrief Voortgang maatwerkafspraken Tata Steel van 20 februari jl. is toegelicht dat de beoogde volgende stap in het maatwerktraject met Tata Steel een concept-JLoI is. De Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) zal over de concept-JLoI een advies uitbrengen. Gelet op de bijzondere aandacht voor gezondheidsrisico’s in de maatwerkafspraak met Tata Steel zal de Expertgroep Gezondheid IJmond hierbij worden betrokken. De Expertgroep is immers ingesteld om te adviseren op milieu en leefomgevingsaspecten bij de verduurzaming van Tata Steel en de consequenties daarvan voor de gezondheid van inwoners in de IJmond.13
Door de samenwerking tussen de AMVI en de Expertgroep Gezondheid IJmond bij het adviseren over de concept-JLoI Tata Steel, zal hun advies onder andere zien op gezondheid, de geformuleerde doelstellingen en de haalbaarheid en de doelmatigheid hiervan. Dit geïntegreerde advies zal samen met de definitieve JLOI openbaar worden gemaakt. De JLoI wordt daarna verder uitgewerkt naar een definitieve, bindende maatwerkafspraak.
Als u niet gaat wachten op deze adviezen, hoe weten de omwonenden wat de gezondheidswinst precies zal zijn en hoe gaat u dan de door u in het vooruitzicht gestelde gezondheidswinst voor omwonenden waarmaken? En als u niet bereid bent te wachten op de adviezen van de expertgroep, beseft u dan dat u een meerderheid van de Kamer negeert, terwijl u veel belastinggeld wilt uitgeven aan een Indiaas bedrijf? Waarom doet u dat dan toch?
Het advies van de AMVI en Expertgroep zal samen met de JLoI openbaar worden gemaakt. De JLoI wordt daarna verder uitgewerkt naar een definitieve, bindende maatwerkafspraak (zie ook beantwoording vraag 12). Het advies van de AMVI en Expertgroep worden daarbij ook meegenomen.
Met de maatwerkafspraak wil de Staat groene, schone en circulaire staalproductie in de IJmond helpen realiseren. De aanvullende milieu en gezondheidsmaatregelen die onderdeel zijn van de maatwerkafspraak zijn bovenwettelijk en deze milieu en gezondheidswinst is niet te behalen middels het reguliere VTH-stelsel.
In de brief van 10 april 2025 is uitgebreid ingegaan op de borging van gezondheid in de maatwerkafspraken. Hierin is dus voorzien.
Uiteraard is het uiteindelijk aan TSN om de milieu-impact van hun activiteiten te verminderen.
Bent u bekend met het feit dat volgens het technisch rapport Detailstudie Stikstofdepositie behorend bij het MER van Tata Steel2 (tabel 10.3) er zowel in de aanlegfase, de transitiefase, de operationele fase met aardgas als in de operationele fase met waterstof, sprake is van een toename van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat? Welke gevolgen heeft dit, ook in het licht van de Greenpeace-uitspraak?
Voor het antwoord op uw vraag over de Greenpeace-uitspraak verwijs ik u naar de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen. Verder geldt dat de beoordeling van het MER bij het bevoegd gezag ligt, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Klopt het dat dit betekent dat met de aanleg niet kan worden begonnen, totdat de stikstofdepositie op Natura 2000 daalt? Wanneer verwacht u dat dit het geval zal zijn? Zo nee, op welke juridische adviezen baseert u zich daan? Kunt u deze juridische adviezen meesturen?
Dit is aan bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Het proces van vergunningverlening moet nog doorlopen worden.
Bent u bekend met het feit dat volgens het technisch rapport Detailstudie Externe Veiligheid – QRA Heracless, behorend bij het MER van Tata Steel3, is aangegeven dat het gifwolkaandachtsgebied van Tata Steel, zowel in de bestaande als nieuwe situatie, zich uitstrekt over diverse gemeentes? Wat gaat u met die informatie doen en welke maatregelen gaat u treffen op korte termijn?
Zie de beantwoording van vraag 2. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Klopt het dat in het MER geen absolute emissiecijfers zijn opgenomen voor de belangrijkste schadelijke stoffen, zoals fijnstof, stikstofoxiden en dioxines, maar slechts informatie over toe- of afname ten opzichte van het huidige niveau en acht u een MER zonder absolute emissiegegevens voldoende om de milieueffecten goed te beoordelen? Als dit klopt, hoe rijmt u dit dan met a) het advies van Commissie m.e.r dat er absolute emissiecijfers moeten zijn en b) de expertsessie GER waaruit bleek dat zonder goede cijfers over emissie, depositie en immissie geen GER mogelijk is? Heeft u de Expertgroep Gezondheid hiernaar laten kijken en wat adviseert de Expertgroep precies over de bruikbaarheid van het huidige MER?
Het klopt niet dat in het MER geen absolute emissiecijfers zijn opgenomen. Deze cijfers zijn terug te vinden in de detailstudie luchtkwaliteit.16 De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Voor de beoordeling van het MER vraagt het bevoegd gezag advies aan de Commissie mer.
De Commissie mer geeft, als onafhankelijke organisatie, deskundig advies over de inhoud van milieueffectrapporten.17 De Expertgroep Gezondheid IJmond heeft geen rol in de beoordeling van het MER.
Kent u de door Tata Steel eerder gecommuniceerde en beloofde reductiecijfers?4 Welke absolute uitstootcijfers horen bij de daarin genoemde percentages?
Ja die reductiecijfers ken ik, TSN heeft emissiereductiedoelen voor de emissies van TSN en de energiecentrales van Vattenfall gepresenteerd in de Groen Staal Brief.19Deze brief is begin 2024 ook met de Tweede Kamer gedeeld als bijlage van de kamerbrief van 9 januari 202420.
Het is aan het bedrijf om absolute uitstootcijfers te koppelen aan de eerder gecommuniceerde reductiecijfers. Tata Steel stelt naar aanleiding van deze vraag een memo op over de absolute uitstootcijfers. Deze memo zal door het bedrijf bij de publicatie van de gereviseerde MER worden gepubliceerd.
Hoe verklaart u het grote verschil tussen deze eerder door Tata Steel gecommuniceerde reductiecijfers voor NOx en fijnstof uit puntbronnen5, en de daadwerkelijke cijfers in het MER?
Het door Tata Steel ingediende MER bevat niet het volledige verduurzamingsplan zoals de scope beschreven in de brief van 10 januari 2024. Het MER bevat namelijk niet de bovenwettelijke milieu en gezondheidsmaatregelen die onderdeel zijn van de maatwerkonderhandelingen. Hierdoor zijn de verduurzamingsplannen en bijbehorende ingeschatte reductiecijfers zoals die door Tata Steel zijn ingediend in 2024 in het kader van de maatwerkafspraken in scope en waarde niet gelijk aan de milieueffecten zoals die door Tata Steel zijn onderzocht in het MER voor de vergunningverlening van het project Heracless-Groen Staal.
Het ingediende MER ligt op dit moment ter beoordeling van het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Hoeveel emissiereductie voor NOx en fijnstof uit puntbronnen is gerealiseerd (in absolute uitstootcijfers) en zal naar verwachting nog worden gerealiseerd met Roadmap Plus, volgens de meest recente cijfers van de omgevingsdienst?
Het is geen taak van de omgevingsdienst om te rapporteren over de effectiviteit van individuele emissiereducerende maatregelen die door Tata Steel worden genomen. De uitstootcijfers van het bedrijf zijn beschikbaar via het openbaar milieujaarverslag (e-MJV) van het bedrijf. Deze gegevens worden gecontroleerd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Tata Steel publiceert zelf het verslag; ook via emissieregistratie.nl worden de gegevens toegankelijk gemaakt.
Acht u het aannemelijk (en op basis waarvan) dat Tata Steel niet wist dat deze cijfers niet klopten, gezien in het verleden Tata ook cijfers heeft gedeeld die misleidend waren of niet klopten (zie o.a. de uitspraak van Reclame Code Commissie, bevestigd door de omgevingsdienst) en welke consequenties verbindt u hieraan?
Zie ook het antwoord op vraag 19. Ik kan verder niet voor het bedrijf spreken.
Welke stappen onderneemt u om gegarandeerd te voorkomen dat bedrijven als Tata Steel misleidende informatie verspreiden over hun uitstoot en de verwachte effecten van verduurzamingsmaatregelen?
Bedrijven dienen jaarlijks hun emissiegegevens in bij het e-MJV. De gegevens in het e-MJV worden gecontroleerd door het bevoegd gezag. Ook het MER wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Daarbij laat zij zich laten adviseren door de Commissie mer. Er zijn daarnaast verschillende algemene organisaties die de toezicht houden op misleidende communicatie, zoals de Reclame Code Commissie.
Hoe wilt u, gelet op het feit dat Tata door de omgevingsdienst wordt gekwalificeerd als «calculerend en opportunistisch», een stap boven «crimineel», met dit bedrijf afspraken maken die worden nagekomen, waarbij u rekening houdt met de analyse van de Algemene Rekenkamer dat toezicht en handhaving tekortschieten? Welke waarborgen zitten er in de maatwerkafspraken, of welke waarborgen gaat u toevoegen, om ervoor te zorgen dat nauwkeurige onafhankelijke metingen, toezicht en handhaving op orde zijn?
De expertise van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) wordt benut bij de totstandkoming van eventuele maatwerkafspraken. Hiermee wordt geborgd dat de afspraken, voor zover relevant, ook uitvoerbaar zijn vanuit vergunningverlening-, toezicht- en handhavingsperspectief.
De maatwerkafspraken zullen bindend en afdwingbaar zijn. Dat betekent dat deze goed en onafhankelijk moeten kunnen worden gemeten en gecontroleerd. De invulling hiervan is afhankelijk van de vormgeving van de precieze afspraken. Op dit moment wordt over de beoogde afspraken en de borging daarvan onderhandeld. Vanwege de mogelijke koersgevoeligheid van de informatie kan ik daar op dit moment niet verder op ingaan.
Vindt u het ook onverstandig om afspraken te maken met bestuurders naar wie het Openbaar Ministerie (OM) strafrechtelijk onderzoek doet en met een bedrijf waar meerdere rechtszaken tegen lopen? Zo nee, waarom vindt u dit dan wel een verstandige keuze en hoe neemt u daar het risico voor de belastingbetaler in mee?
Vooropgesteld staat dat het bedrijf moet voldoen aan de geldige wet- en regelgeving, net als ieder ander bedrijf. Het Openbaar Ministerie is zelfstandig verantwoordelijk en bevoegd tot het doen van onderzoek naar vermeende strafrechtelijke overtredingen en het eventueel instellen van vervolging. De maatwerkafspraak ziet per definitie op bovenwettelijke milieumaatregelen. Dit zijn maatregelen die verder gaan dan wat via bestaande of voorgenomen wetgeving afgedwongen kan worden. Er wordt geen overheidssteun verleend aan maatregelen die met handhaving van bestaande regels kunnen worden afgedwongen. De maatwerkafspraken zullen bindend en afdwingbaar zijn.
De ontwikkelingen van dit strafrechtelijk onderzoek worden uiteraard gevolgd.
Ik wil echter niet nu al vooruitlopen op een mogelijke uitkomst van dit strafrechtelijk onderzoek. Uitstel of afstel van een maatwerkafspraak leidt er enkel toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via de maatwerkafspraak. Om die reden is er geen sprake van een risico maar heeft de belastingbetaler baat bij voorzetting van de gesprekken met Tata Steel om tot een maatwerkafspraak te komen.
Hoe bent u van plan om te gaan met een eventuele vervolging door het OM en wellicht veroordeling van Tata Steel-bestuurders?
Het Openbaar Ministerie handelt zelfstandig en gaat dus zelf over het doen van strafrechtelijk onderzoek en het eventuele besluit tot vervolging. Het past daarom ook niet in mijn rol als bewindspersoon om vooruit te lopen op een eventuele vervolging door het Openbaar Ministerie en de gevolgen daarvan.
Kunt u bevestigen dat de maatwerkafspraken alleen doorgang vinden als er harde, afdwingbare, concrete prestatieafspraken komen, volledig in lijn met alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond over het minimaliseren van gezondheidsschade en emissies van o.a. kankerverwekkende stoffen zoals PAK's (met concrete reductiedoelen), zoals door de Kamer geëist?
Het kabinet verwacht met de maatwerkafspraak voor 2030 een forse stap te zetten qua gezondheidswinst. Conform motie Olger-van Dijk is het doel om alleen overheidssteun aan Tata Steel te verlenen als er harde afdwingbare prestatieafspraken zijn gemaakt over het minimaliseren van gezondheidsschade en emissies. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de vragen van het Schriftelijk Overleg22, vinden op dit moment onderhandelingen plaats over de maatwerkafspraak met TSN in een vertrouwelijke setting. Gelet op de mogelijke koersgevoeligheid van (de uitkomsten van) deze onderhandelingen, wordt informatie over deze onderhandelingen op dit moment alleen vertrouwelijk met de Tweede Kamer gedeeld.
Zoals ook in eerdere correspondentie met de Tweede Kamer is aangegeven zal de motie Thijssen waar u impliciet in het tweede deel van uw vraag naar verwijst deels opgevolgd worden. De motie verzoekt de regering om het overnemen van de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen en zodanig de gezondheid van de bevolking van de IJmond een volwaardige plaats te geven in de maatwerkafspraken. Zoals eerder aangegeven worden de adviezen van de Expertgroep zoveel mogelijk meegenomen in de onderhandelingen over de maatwerkafspraak. Het is echter niet mogelijk alle adviezen van de Expertgroep met behulp van de (beoogde) maatwerkafspraak met Tata Steel op te volgen. Het uitvoeren van alle adviezen behoeft meer maatregelen (dan alleen deze maatwerkafspraak), meer middelen en meer tijd. Zie ook de kabinetsreactie op het tweede advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond.23
Hoe gaat u, gelet op het feit dat de totale uitstoot – en daarmee de depositie – van NOₓ als gevolg van de cijfers in het MER minder hard zal dalen dan eerder door het PBL werd geraamd, zodat nog méér moet worden gedaan om aan het bevel van de rechtbank in de zaak van Greenpeace te voldoen, hiervoor concreet zorgdragen?
Voor het antwoord op uw vraag over de Greenpeace uitspraak verwijs ik u naar de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen. Verder geldt dat de beoordeling van het MER bij het bevoegd gezag ligt, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden. Ik wil hier daarom niet op vooruitlopen.
Kunt u bevestigen dat de verwachte CO₂-reductie van het Groen Staal-project maximaal 5 megaton per jaar bedraagt, maar dat de werkelijke uitstoot van Tata Steel de afgelopen jaren dusdanig lager lag dan eerder verondersteld, dat de feitelijke reductie dichter bij de 3,5 megaton ligt? Wat wordt de jaarlijkse CO₂-emissie, nadat HeraCless-Groen Staal is uitgevoerd en de hoogoven is gesloten?
In de Expression of Principles is afgesproken dat TSN de jaarlijkse CO2-uitstoot met 35–40% reduceert. Hierbij loopt de reductie op tot maximaal 5 megaton per jaar, gerekend ten opzichte van de bestaande maximale productievermogens van de fabrieken waarbij de uitstoot maximaal 12,6 megaton per jaar is. De uitstoot van maximaal 12,6 megaton per jaar vindt alleen plaats als de fabrieken op volle capaciteit draaien.
Een reductie van maximaal 40% betekent dat de fabrieken nog maximaal 7,6 megaton per jaar mogen uitstoten na de transitie. Deze maximale uitstoot kan in de praktijk lager uitvallen. In jaren waarin om operationele of economische redenen op een lagere productie wordt gedraaid, is de CO2-uitstoot lager. Wanneer na 2030 op lagere doorzet wordt geproduceerd zal dat dus ook betekenen dat de fabrieken van TSN minder dan 7,6 megaton per jaar uitstoten.
Wat is de verwachte chemische samenstelling van de EAF-slakken die vrijkomen bij het elektrisch smelten van staal, en hoe verhoudt deze zich tot de samenstelling van de huidige hoogovenslakken in termen van milieu en gezondheidsrisico’s (graag met bronvermelding)?
Dit heeft Tata Steel onderzocht in het MER, dat momenteel wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft Tata Steel eerder, in reactie op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, geadviseerd om in het MER expliciet in te gaan op:
Ook het advies van de Commissie mer op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, dat het bevoegd gezag heeft overgenomen richting Tata Steel, schenkt veel aandacht aan de verwerking van staalslakken die ontstaan ten gevolge van het project Heracless-Groen Staal en is onderdeel van de beoordeling van het MER door het bevoegd gezag. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Bent u bekend met het feit dat in het technisch rapport Detailstudie secundaire stromen en afval, behorend bij het MER van Tata Steel6, is aangegeven dat Tata Steel momenteel nog de mogelijkheden onderzoekt voor de nuttige toepassing van EAF-slakken, wat volgens Tata Steel vanwege het zinkgehalte niet intern gerecupereerd kan worden, maar extern verwerkt en gestort moet worden? Hoe beoordeelt u dit?
De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Waarop is het vertrouwen gebaseerd dat de EAF-slakken toegepast kunnen gaan worden als secundaire bouwstof, gelet op de huidige maatschappelijke zorgen, de aangenomen motie-Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428) om in ieder geval tijdelijk te stoppen met het gebruik van staalslakken en de gebrekkige borging van milieuveiligheid bij bestaande toepassingen van staalslakken?
Met de huidige maatregelen die door de Rijksoverheid25en Provincie Noord-Holland zijn genomen om verdere milieurisico's ten gevolge van onjuiste toepassing van staalslakken te voorkomen, zijn er nog steeds mogelijkheden om staalslakken, indien veilig, toe te passen.
De verantwoordelijkheid voor de beoordeling of een materiaal een bijproduct is of een afvalstof ligt bij de houder van het materiaal. Deze beoordeling vindt van geval tot geval plaats op basis van de bijproductvoorwaarden uit de Wet milieubeheer, die overgenomen zijn uit de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen26.
Bedrijven moeten hun beoordeling altijd onderbouwen aan de hand van de geldende wet- en regelgeving onder toezicht van bevoegde autoriteiten. In Nederland is het bevoegd gezag voor het toezicht hierop gedecentraliseerd en bij de omgevingsdiensten belegd. Het is dus niet aan het ministerie om een beoordeling te maken van de beoordeling van toekomstige EAF-slakken.
TSN gaat bij de productie van EAF-slakken meer schroot gebruiken en volgt een ander proces. Daardoor zal de samenstelling niet gelijk zijn aan die van de huidige staalslakken. TSN kijkt hoe het verwerkingsproces van staalslakken verbeterd kan worden en het bedrijf zoekt naar nieuwe toepassingen voor de slakken, zodat het als reststof hergebruikt kan worden.
Deelt u de opvatting dat een nog niet bestaande of getoetste verwerkingsmethode geen geldige basis mag vormen voor een positief oordeel over de milieueffecten in een MER? Zo nee, op welke experts baseert u zich dan en is hierover advies gegeven door Expertgroep Gezondheid IJmond?
De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Bent u in het licht van bovenstaande constateringen – toename van schadelijke immissie, het ontbreken van emissiegegevens, onduidelijkheid over staalslakken, mogelijk overschatte CO₂-winst, juridische risico’s en misleidende communicatie – bereid om de onderhandelingen over de maatwerkafspraken te heroverwegen of ten minste aanvullende eisen te stellen, voordat verdere financiële steun aan Tata Steel wordt verstrekt met belastinggeld van Nederlandse burgers?
De onderhandelingen met het bedrijf over de maatwerkafspraken worden voortgezet. Zoals in vraag 24 is beschreven, leidt uitstel of afstel van een maatwerkafspraak er enkel toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via een maatwerkafspraak. Om die reden is er geen sprake van een risico maar heeft de belastingbetaler baat bij voorzetting van de gesprekken met Tata Steel om tot een maatwerkafspraak te komen.
De afspraken zijn bindend en moeten dus ook worden gehandhaafd. Daarvoor zal adequate monitoring worden ingericht en moet een handhavingsmechanisme worden ontwikkeld. Hierbij kan gedacht worden aan het (gedeeltelijk) terugvorderen of inhouden van de subsidie, als niet voldaan wordt aan de eisen.
Dit soort zaken worden uitwerkt in het kader van de maatwerkonderhandelingen. Gelet op de mogelijke koersgevoeligheid van (de uitkomsten van) deze onderhandelingen, wordt informatie over deze onderhandelingen op dit moment alleen vertrouwelijk met de Kamer gedeeld.
Bent u bekend met het persbericht van Tata Steel Nederland van 9 april jl. waarin wordt aangekondigd dat een op de vijf werknemers zijn of haar baan zal verliezen om het bedrijf toekomstbestendig te maken en dus ook om de groenstaalplannen mogelijk te maken? Wat vindt u van dit persbericht?
Ja, ik ben bekend met dit persbericht. In juli hebben de Minister van Klimaat en Groene Groei, de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het bedrijf bezocht. Aansluitend aan dit werkbezoek is ook gesproken met een vertegenwoordiging van werknemers over onder andere hun zorgen over de reorganisatie. Ik leef mee met de werknemers, die vaak al decennialang voor het bedrijf werken, en begrijp hun zorgen.
Tata Steel geeft aan dat de reorganisatie nodig is om de winstgevendheid van het bedrijf te herstellen en om de transitie naar schoon en groen staal te kunnen maken. Voor Tata Steel Nederland, het Indiase moederbedrijf Tata Steel Limited én de Nederlandse overheid is het van belang dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft. Het is aan het bedrijf om haar eigen bedrijfsvoering vorm te geven richting deze duurzame toekomst.
Vindt u het acceptabel dat dit bedrijf mogelijk miljarden aan subsidie gaat ontvangen en ondertussen een op de vijf werknemers ontslaat? Zo ja, waarom is dit voor u acceptabel? Zo nee, welke voorwaarden omtrent werkgelegenheid en inspraak bent u voornemens af te spreken bij de maatwerkafspraken?
Zoals ook bij vraag 34 aangegeven is het aan het bedrijf om haar eigen bedrijfsvoering vorm te geven richting een duurzame toekomst. Het is in het belang van zowel de Nederlandse overheid als het bedrijf dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft.
Het doel van de maatwerkafspraak is schone, groene en economisch levensvatbare staalproductie in de IJmond. Een belangrijke voorwaarde om via een maatwerkafspraak steun te kunnen verlenen is wel dat een bedrijf financieel gezond is. Er mag geen staatsteun worden gegeven om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De Nederlandse staat en ook de Europese Commissie toetst streng op deze voorwaarde. Daarmee wordt geborgd dat eventuele staatssteun daadwerkelijk gebruikt wordt voor verduurzaming en schonere productie en niet voor het overeind houden van een verlieslatend bedrijf.
TSN en de vakbonden hebben eerder al een overeenkomst gesloten in de vorm van het Sociaal Contract Groen Staal. Deze overeenkomst is van toepassing op werknemers van TSN wiens functie door de transitie op termijn wordt uitgefaseerd. Het doel is om werknemers van de fabrieken die op termijn zullen sluiten te behouden door het bieden van baangaranties en begeleiding richting nieuwe functies.
Onderschrijft u dat een belangrijke voorwaarde voor steun vanuit de overheid naast harde garanties voor gezondheid van omwonenden, commitment vanuit de directie voor goede, gezonde en groene werkgelegenheid zou moeten zijn?
Ja, dat onderschrijf ik. Allereerst is goed werkgeverschap in Nederland wettelijk geregeld27 en dus moet ook TSN zich hieraan houden. Steun vanuit de overheid ziet alleen op bovenwettelijke maatregelen die verder gaan dan waar wettelijk al aan voldaan moet worden.
Het is daarnaast primair aan werkgever en vakbonden om verdere afspraken te maken over goed werkgeverschap. Dit gaat bijvoorbeeld over het creëren van goede en gezonde werkomstandigheden. Voor medewerkers van TSN zijn er aanvullende collectieve regelingen ingesteld, zoals de cao en afspraken tussen werkgever en de ondernemingsraden.
Zou het, ondanks de recente uitwisselingen tussen het bedrijf, de medewerkers en vakbonden, die de plannen lijken te hebben afgezwakt, volgens u mogelijk zijn dat volgend jaar (of ergens de komende jaren) alsnog een op de vijf medewerkers ontslagen wordt? Vindt u dit acceptabel?
Ik vind het belangrijk dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft. Dat is een prioriteit voor zowel de Nederlandse staat als voor het bedrijf zelf. Het is aan het bedrijf om hier invulling aan te geven.
Bent u bereid om als voorwaarde te bedingen dat de medewerkers betrokken worden en een finale stem krijgen bij het eventueel herstructureren van het bedrijf? Bent u bereid om als voorwaarde te stellen dat kerntaken van het bedrijf niet uitbesteed gaan worden?
Het is de verantwoordelijkheid van het bedrijf zelf om hier invulling aan te geven. Het is de rol van de vakbonden en de ondernemingsraad om de medewerkers te vertegenwoordigen en de betrokkenheid te organiseren. Hierin ligt geen rol voor de Nederlandse staat.
Gaat u er met de maatwerkafspraken ook voor zorgen dat omwonenden en werknemers meer zeggenschap krijgen in het bedrijf? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier gaat u hiervoor zorgen?
Het is aan het bedrijf zelf om hier invulling aan te geven. Dit geldt ook voor het organiseren van inspraak van werknemers, eventueel via de werknemersvertegenwoordiging. De Wet op de Ondernemingsraden bevat voorschriften over het betrekken van de ondernemingsraden. Zowel vakbonden als de ondernemingsraad kunnen vanuit hun eigen rol de belangen van werknemers behartigen. Op dit specifieke punt ligt dus geen rol voor de Nederlandse staat.
Op grond het Verdrag van Aarhus en de Omgevingswet, moeten omwonenden mogelijkheden tot inspraak krijgen bij besluitvorming over milieuaangelegenheden. Dit is aan de betrokken overheidsinstantie.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en vóór het CD Verduurzaming Industrie dat begin september staat ingepland?
Het versturen van de beantwoording is helaas niet gelukt voor het CD Verduurzaming Industrie.
Een mogelijk naderend staakt-het-vuren in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Wieke Paulusma (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Daniëlle Jansen (NSC), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat een nieuw staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas in Gaza op korte termijn tot stand zou kunnen komen?
De oorlog in Gaza moet stoppen. Een onmiddellijk staakt-het-vuren is noodzakelijk voor het vrij krijgen van de gijzelaars die zijn ontvoerd door Hamas, kan bijdragen aan de snelle, massieve opschaling van humanitaire hulp voor de noodlijdende bevolking, en is een noodzakelijke stap voor het bereiken van een duurzame oplossing. Over de ontwikkelingen rond het staakt-het-vuren staat het kabinet in nauw contact met partners die een bemiddelende rol spelen in de onderhandelingen, waaronder Qatar, Egypte en de Verenigde Staten.
Deelt u de opvatting dat bij een dergelijk staakt-het-vuren de Verenigde Naties (VN), het Internationale Comité van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan onmiddellijk en volledig toegang moeten krijgen tot Gaza om humanitaire hulp te bieden en op te schalen? Zo ja, hoe gaat Nederland zich hier actief voor inzetten?
Ja. Nederland roept Israël reeds op om de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en de relevante internationale ngo’s onmiddellijke, veilige en ongehinderde toegang te verlenen tot de hele Gazastrook. Daartoe blijven wij oproepen, in bilaterale dialoog met Israël en in multilateraal verband.
Klopt het dat tijdens het vorige tijdelijke staakt-het-vuren slechts 35 procent van de humanitaire hulp via de VN en haar partners verliep, en 65 procent via door Israël geselecteerde kanalen? Acht u deze verdeling acceptabel? Zo ja, waarom?
Het kabinet kan deze cijfers niet verifiëren. Tijdens het vorige staakt-het-vuren hebben professionele en gemandateerde humanitaire organisaties hun hulpoperaties snel kunnen opschalen. Het bleek dat hulp op grote schaal geleverd kan worden op het moment dat Israël stappen zet om veilige en ongehinderde toegang te verlenen. Nederland blijft benadrukken dat humanitaire hulp via het reguliere humanitaire hulpsysteem – onder leiding van de VN en de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging – geleverd moet kunnen worden. Dit garandeert dat hulp volgens de humanitaire principes wordt geleverd en helpt ervoor zorgen dat alle mensen in nood in de Gazastrook, waaronder de meest kwetsbaren, de juiste hulp kunnen ontvangen.
Deelt u de mening dat humanitaire hulp uitsluitend via neutrale en internationaal erkende organisaties zoals de VN, UNRWA en het Rode Kruis zou moeten verlopen, en niet via een door een conflictpartij geselecteerde of gecontroleerde kanalen?
Het is cruciaal dat professionele en gemandateerde humanitaire organisaties, zoals de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en de relevante ngo’s, vrije en veilige toegang hebben tot alle burgers in nood in de Gazastrook. Deze organisaties hebben de capaciteit en expertise om te reageren op de extreme, escalerende noden in de Gazastrook en werken volgens humanitaire principes, neutraal ten opzichte van strijdende partijen. Nederland onderstreept daarom steevast dat hun werk gefaciliteerd en beschermd dient te worden.
Deelt u de opvatting dat het Gaza Humanitarian Framework (GHF), waarin humanitaire toegang afhankelijk werd gesteld van politieke toestemming van Israël, volledig onacceptabel is? Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat een dergelijk model niet opnieuw wordt ingevoerd?
Nederland heeft het distributiemechanisme van de Gaza Humanitarian Foundation (GHF) afgekeurd, nog vóór de GHF-distributiepunten in gebruik werden genomen. Het was toen reeds bekend dat de manier van werken van GHF niet overeenkomt met de humanitaire principes van humaniteit, onpartijdigheid, onafhankelijkheid en neutraliteit, gepaard gaat met gedwongen verplaatsing en leidt tot dodelijke situaties. De chaos, met de slachtoffers die bij de GHF-distributiepunten vallen, is onacceptabel, en de gelimiteerde hoeveelheid hulp die GHF distribueert komt ernstig tekort om de catastrofale noden te verlichten. Bovendien is deze hulp voor een groot deel van de bevolking niet toegankelijk. Deze zorgen blijft Nederland onderstrepen in EU-verband en in gesprekken met Israël.
Deelt u de inschatting dat talloze Gazanen zich in acute medische nood bevinden, mede als gevolg van uithongering en het systematisch vernietigen van ziekenhuizen en medische infrastructuur?
Ja. De medische infrastructuur in de Gazastrook is grotendeels verwoest, en dit heeft grote, levensbedreigende impact op burgers in de hele Gazastrook. Zoals ook onderstreept in het gepubliceerde rapport op 29 juli 2025 van het IPC, wordt er gesproken van een situatie van hongersnood met een toename van het aantal doden door honger.
De WHO meldt op 12 augustus jl. dat gezondheidsinstellingen niet de benodigde behandeling kunnen bieden aan patiënten terwijl het aantal slachtoffers door geweld en het aantal patiënten dat lijdt aan infectieziekten blijven stijgen. Momenteel zijn er circa 230 gezondheidscentra – waaronder 18 ziekenhuizen, 10 veldhospitalen, 66 eerstelijnsgezondheidszorgklinieken, 112 medische, mobiele klinieken en 25 ambulancecentra – gedeeltelijk operationeel. Geen enkel ziekenhuis biedt nog volledige zorgcapaciteit, wegens ernstige tekortkomingen in personeel, apparatuur, medische infrastructuur en brandstoftekorten.
Is Nederland bereid actief bij te dragen aan grootschalige medische evacuaties uit Gaza, bijvoorbeeld door: het beschikbaar stellen van transportcapaciteit (zoals ambulancevluchten of medische schepen), het financieren van evacuatietrajecten via VN-organisaties of Ngo’s en het tijdelijk opnemen van ernstig gewonde patiënten in Nederlandse ziekenhuizen?
Uw Kamer is hierover schriftelijk geïnformeerd in de brief van 28 juli jl. Bij het Commissiedebat van 7 augustus is onderstreept dat Nederland onderzoekt welke financiële en praktische ondersteuning het kan bieden voor medische evacuaties en medische capaciteit in de regio.
Nederland spant zich in om Israël ertoe te bewegen ongehinderde en veilige medische evacuaties te faciliteren, ook naar Palestijns gebied (inclusief Oost-Jeruzalem). We werken eraan dat we, middels diplomatieke interventies en in overleg met organisaties die medische bijstand verlenen, de in- en uitreismogelijkheden voor patiënten naar landen als Egypte en Jordanië zo concreet en effectief mogelijk kunnen uitbreiden. Hiertoe zetten we ook diplomatieke capaciteit in. Uiteraard houden we daarnaast de opvangcapaciteit in de diverse landen in de regio in de gaten. Waar nodig en mogelijk wordt gekeken naar verdere ondersteuning van deze capaciteit.
Het kabinet is daarbij voornemens om een nieuwe bijdrage te doen aan de WHO, met oog op de versterking van medische capaciteit voor patiënten in de Gazastrook en geëvacueerde patiënten in de regio. De WHO speelt tevens een centrale, faciliterende rol in processen rond medische evacuaties uit de Gazastrook, inclusief identificatie, transport en behandeling. Het kabinet acht het van belang dat de WHO zo goed mogelijk wordt ondersteund bij het uitvoeren van deze taken. De details over deze bijdrage worden op korte termijn met uw Kamer gedeeld.
Nederland spande zich reeds in voor de versterking van medische zorg in de Gazastrook en de regio. Vorig jaar hebben we bijvoorbeeld een bijdrage van 3 miljoen euro aan de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beschikbaar gesteld. Ook hebben we medische hulpgoederen geleverd (ter waarde van 1,5 miljoen euro, ten laste van de begroting van VWS) aan Egyptische ziekenhuizen, die ook toen verreweg de meeste uit de Gazastrook geëvacueerde patiënten opvangen.
De Nederlandse zorg is in principe goed instaat medische evacuees te behandelen, echter acht het kabinet evacuatie naar Nederland op dit moment niet wenselijk. Vanuit patiënt perspectief heeft het de voorkeur om in eigen regio te verblijven aangezien ze hier hulp krijgen in hun eigen taal en familie en naasten nabijer zijn. Daarnaast is behandeling in de regio ook doelmatiger, dit biedt de mogelijkheid meer patiënten te helpen. Ook is er nog onderbenutte capaciteit in de regio is. Het heeft de voorkeur deze dus eerst die te versterken.
Zo ja, welke concrete voorbereidingen treft u daartoe, bijvoorbeeld in coördinatie met andere EU-lidstaten of VN-organisaties? Zo nee, waarom niet?
Zie de beantwoording van vraag 7.
Hoe beoordeelt u het feit dat vele Gazaanse kinderen als gevolg van de oorlog geamputeerde ledematen hebben, maar protheses Gaza nauwelijks binnenkomen vanwege «dual use»-risico’s? Bent u bereid druk te zetten om te zorgen dat hulpmiddelen voor gewonde Gazanen weer naar binnen mogen?
Sinds begin maart, toen Israël een humanitaire blokkade afkondigde, is ruimte voor invoer van humanitaire goederen buitengewoon beperkt. Op 26 juli jl. kondigde Israël aan tijdelijke maatregelen (waaronder gevechtspauzes en veilige routes) te zullen treffen die een verbeterde invoer en Gazastrook. Sinds deze maatregelen werden aangekondigd is de humanitaire toegang echter nog niet voldoende verbeterd, waardoor veel burgers nog altijd verstoken blijven van humanitaire hulp. De catastrofale humanitaire noden in de hele Gazastrook onderstrepen de noodzaak van maatregelen om de invoer en distributie van hulp door professionele, gemandateerde hulporganisaties beter te faciliteren.
Nederland heeft het afgelopen jaar veelvuldig opgeroepen tot verruiming van niet alleen de kwantiteit van humanitaire goederen, maar ook de kwaliteit (e.g. mogelijkheid voor het invoeren van als dual-use aangemerkte goederen, bijvoorbeeld protheses of materialen voor het herstel van waterfaciliteiten). Het is onvoorstelbaar dat restricties op de invoer van goederen aangemerkt als dual-use als gevolg hebben dat bijvoorbeeld kinderen met geamputeerde ledematen geen toegang hebben tot protheses. Dit zal Nederland expliciet benadrukken in contacten met de Israëlische autoriteiten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de komende Raad Buitenlandse Zaken?
Het is niet gelukt deze vragen te beantwoorden voor de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juli jl.