Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Ja.
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Het is belangrijk dat iedereen in Nederland die kan werken actief moet deelnemen en bijdragen aan onze samenleving. Veel mensen willen niet aan de kant staan, maar graag meedoen. Ondanks de hoge arbeidsparticipatie zijn er nog altijd mensen niet aan het werk, terwijl zij wel zouden kunnen of willen werken.1 Dit geldt ook voor nieuwkomers voor wie het vinden en behouden van een baan niet vanzelfsprekend is. Werken is niet alleen goed voor de samenleving, maar ook in het belang van deze mensen zelf: het geeft voldoening, eigenwaarde en vergroot de zelfredzaamheid. Daarnaast stelt werk hen in staat een bijdrage te leveren aan de kosten van de opvang en het bevordert de integratie en latere arbeidsdeelname, terwijl het de afhankelijkheid van sociale voorzieningen in een later stadium verkleint en tekorten op de arbeidsmarkt vermindert. Langdurig aan de zijlijn staan bereikt het tegenovergestelde en zorgt voor een langere bijstandsafhankelijkheid dan nodig. Het is dus in het belang van onze samenleving, arbeidsmarkt en de mensen zelf om asielzoekers en statushouders eerder en sneller aan het werk te helpen.
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Ja. De asielopvang dient primair om asielzoekers onderdak en basisvoorzieningen te bieden gedurende de behandeling van hun asielverzoek door de IND en in de periode dat zij een verblijfsvergunning hebben gekregen en in afwachting zijn van huisvesting. Als het asielverzoek wordt afgewezen dient de asielzoeker de asielopvang te verlaten en terug te keren naar het land van herkomst. Daarmee is de opvang dus nadrukkelijk geen structureel arbeidsmarktinstrument.
Tegelijkertijd laat het Europese kader, de Opvangrichtlijn, zien dat arbeidsdeelname van asielzoekers niet volledig losstaat van het opvangsysteem. Lidstaten worden aangemoedigd om asielzoekers met een grote kans op inwilliging van het asielverzoek zo vroeg mogelijk toegang tot de arbeidsmarkt te geven. Bovendien geldt als norm dat deze asielzoekers zo snel mogelijk, maar uiterlijk zes maanden na registratie van hun aanvraag, mogen werken. Vanuit dat perspectief is het met oog op de onder antwoord 2 genoemde voordelen waardevol om asielzoekers waar mogelijk te laten werken.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning na drie maanden in de asielprocedure aan het werk mogen. Zij krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller te kunnen integreren én bij te kunnen dragen aan de kosten van de opvang. Asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd hebben, ook overeenkomstig de Europese regels uit de herschikte Opvangrichtlijn, geen recht om te werken. Daarnaast wil het kabinet direct aan het begin van de asielprocedure starten met taalles voor asielzoekers met een kansrijke asielaanvraag. Deze plannen worden verder uitgewerkt in de Taskforce Asiel en Migratie.
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Asielaanvragen van asielzoekers met een kansrijke aanvraag stroomden voor de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026 in spoor 4 in. Spoor 4 omvatte dus alle vreemdelingen die geen Dublinclaimant zijn (spoor 1) en niet afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst en ook geen bescherming elders in de EU genieten (spoor 2). In aanvulling op de doelgroepen die voorheen werden aangeduid als sporen 1 en 2 worden nu ook alle nationaliteiten met een gemiddeld EU inwilligingspercentage van minder dan 20% toegevoegd aan de doelgroep «kansarm», terwijl een aantal van deze «kansarme» nationaliteiten, zoals Moldavië en Algerije, tot 12 juni 2026 onder spoor 4 werden behandeld, omdat deze niet voldeden aan de voorwaarden voor afhandeling in spoor 1 en 2.
In onderstaande tabellen is de afdoening weergegeven van zowel eerste als opvolgende aanvragen waarop in spoor 4 is beslist. Bij de tabel wordt opgemerkt dat een aanvraag in een eerder jaar kan zijn ingediend dan het jaar waarin op de aanvraag is beslist. Gegevens van voor 2013 zijn vanwege technische redenen niet beschikbaar.
2013
9.580
4.800
50%
2014
17.150
12.000
70%
2015
21.850
16.790
77%
2016
25.610
19.700
77%
2017
11.510
6.000
52%
2018
6.510
3.170
49%
2019
8.100
4.510
56%
2020
11.270
8.480
75%
2021
15.810
11.740
74%
2022
17.150
14.500
85%
2023
18.570
14.020
76%
2024
22.610
15.620
69%
2025
17.060
7.170
42%
2026 (tot 12 juni)
9.450
2.340
25%
2013
3.200
1.120
35%
2014
2.490
840
34%
2015
1.730
510
30%
2016
1.620
420
26%
2017
2.100
430
20%
2018
2.410
360
15%
2019
3.680
350
9%
2020
1.540
190
12%
2021
1.350
300
22%
2022
1.510
680
45%
2023
1.490
480
32%
2024
1.790
350
19%
2025
2.080
270
13%
2026 (tot 12 juni)
880
60
7%
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie speelt geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Uit onderzoek van Regioplan2 naar Nederlandse rechtspraak over privéleven opgebouwd tijdens onrechtmatig of onzeker verblijf zijn geen uitspraken naar voren gekomen waarin een arbeidsrelatie of sociale banden als een bijzondere omstandigheid wordt gezien op grond waarvan een verblijfsvergunning zou moeten worden verleend. Een arbeidsrelatie geldt niet als bijzondere omstandigheid op basis waarvan een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM zou moeten worden ingewilligd.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Zie antwoord op vraag 7.
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Het onderhavige kabinetsplan heeft als doel om asielzoekers en statushouders die in Nederland verblijven sneller aan het werk te helpen. Dit voorstel strekt niet tot het wijzigen van voorwaarden voor toelating tot Nederland of de Nederlandse arbeidsmarkt. De asielaanvraag van asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd, wordt versneld behandeld. Daarbij geldt dat voor een aantal categorieën asielzoekers binnen die versnelde procedure de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Ook voor asielzoekers met een overdrachtsbesluit is de toegang tot de arbeidsmarkt uitgesloten.
In Nederland mogen asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten na zes maanden betaald werk verrichten. Er ligt een voorstel om deze wachttermijn te verkorten naar drie maanden. Dit sluit aan bij ons omringende lidstaten. Onder andere Duitsland en Oostenrijk hebben ook een wachttermijn van drie maanden. België en Luxemburg hanteren een wachttermijn van vier maanden.
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het migratieproces van asielmigranten. In 2023 publiceerde het Verwey-Jonker Instituut een wetenschappelijk WODC-onderzoek naar de wijze waarop asielmigranten een bestemmingsland «kiezen», waaruit geen eenduidige conclusie kon worden getrokken, maar waaruit wel blijkt dat met name andere factoren dan arbeidsmogelijkheden, namelijk op het gebied van veiligheid en sociale netwerken, een rol kunnen spelen bij de komst van asielzoekers naar het land van bestemming.3 Tegen die achtergrond en het feit dat het Nederlandse beleid aansluit bij dat van omringende landen verwacht het kabinet niet dat het onderhavige plan ervoor zal zorgen dat dit Nederland aantrekkelijker maakt voor het doen van een asielaanvraag dan ons omringende lidstaten.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Het kabinet zet erop in dat iedereen in Nederland mee kan doen en wil het arbeidspotentieel van mensen die reeds in Nederland zijn zoveel mogelijk benutten. In dat kader maakt het kabinet zich ook hard om asielmigranten sneller naar werk te begeleiden. Dit draagt bij aan hun integratie en participatie in de samenleving en op de arbeidsmarkt als zij voor een langere termijn in Nederland verblijven. Dat helpt om de druk op de arbeidsmarkt te verlichten, zeker als de nieuwkomers werk vinden in de cruciale opgaven uit de Talentstrategie. En dit kan tevens een bijdrage leveren aan het verminderen van de noodzaak om arbeidskrachten uit het buitenland aan te trekken, hetgeen in lijn is met het advies voor gematigde bevolkingsgroei van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050.
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Het klopt dat de arbeidsmarktkrapte afgelopen jaar licht is afgenomen. Desondanks is er nog steeds sprake van een krappe arbeidsmarkt. Tabel 3 geeft de vacaturegraad, het aantal openstaande vacature per duizend banen, per sector in de afgelopen 10 jaar weer.4 De vacaturegraad is het afgelopen jaar in de meeste sectoren gedaald. Op de lange termijn is te zien dat de vacaturegraad voor alle sectoren nog steeds hoger ligt dan 10 jaar geleden.
Kijkend naar de langere termijn voorspelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat, mede door demografische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt op lange termijn krap zal blijven. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) geeft inzicht in waar de toekomstige knelpunten op de arbeidsmarkt zich bevinden via de berekening van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep.5 Deze indicator is te vertalen als de mate waarin een toekomstige baanopening voor een beroep gevuld kan worden door nieuw arbeidsaanbod met een daarvoor geschikte opleiding, maar is niet direct te vertalen naar tekorten in aantallen banen. De indicator baseert zich op historische patronen en verwachte economische ontwikkelingen, maar kan geen rekening houden met beleidsaanpassingen en gedragsaanpassingen op de arbeidsmarkt als gevolg van de verwachte knelpunten.
De ontwikkeling van de arbeidsmarkt is van veel factoren afhankelijk, zoals conjunctuur, de vraag naar bepaalde producten maar ook de geopolitieke situatie en laat zich hierdoor lastig voorspellen. Zo is het bijvoorbeeld nog onzeker wat de economische impact van de inval in Iran zal zijn op de arbeidsmarkt. Het CPB onderzocht dit en verwacht dat de werkloosheid stijgt naar tussen de 4,5 en 4,9 procent in 2027 aan de hand van verschillende scenario’s.6
De instroom van 75.000 extra werknemers kan bijdragen aan het verlichten van gerichte tekorten. Deze werknemers zullen in Nederland echter ook producten en diensten consumeren, wat zorgt voor extra vraag naar arbeid. Dit verkleint het verminderende effect op de arbeidsmarktkrapte.
20
24
29
33
26
30
51
49
46
44
41
12
16
19
26
20
23
35
31
32
33
33
18
24
34
38
30
35
56
53
52
55
51
24
27
33
38
27
33
60
53
48
46
44
20
20
24
27
23
28
43
43
41
40
39
14
18
21
24
23
24
36
40
40
36
35
20
22
24
25
29
29
71
53
45
36
26
17
21
27
31
24
27
46
44
42
42
40
27
28
25
34
42
35
69
65
57
52
35
16
24
36
28
23
23
54
48
50
48
54
20
32
50
59
42
54
76
72
72
81
74
21
28
33
39
29
32
64
57
51
49
48
15
20
28
35
22
26
48
45
41
39
33
35
42
48
55
23
44
112
77
66
63
60
52
53
64
68
52
64
91
69
60
55
52
28
32
43
44
34
36
53
50
44
44
32
16
19
31
31
21
24
52
45
42
35
35
35
37
43
46
36
45
70
64
58
54
51
12
12
15
17
15
17
28
30
29
30
29
14
18
23
25
28
29
37
43
48
36
31
8
9
10
13
11
12
19
21
22
17
16
17
22
24
27
27
27
42
45
45
45
44
16
23
20
32
23
27
51
47
37
39
34
22
23
29
29
20
28
47
57
52
50
44
Voorlopige cijfers
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
De vergrijzende bevolking leidt tot een structurele krapte op de arbeidsmarkt, waardoor veel vacatures onvervuld blijven. Met name in sectoren als het onderwijs, de kinderopvang, de zorg en de woningbouwsector is sprake van een toenemende vraag. Tegen deze achtergrond leidt de instroom van nieuwkomers over het algemeen niet tot verdringing van Nederlandse werknemers, maar vormt deze juist een aanvulling op de arbeidsmarkt.
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Het kabinet wil de samenleving en economie versterken door randvoorwaarden voor toekomstige welvaart op orde te brengen. Doel is dat de economie gemiddeld 1,5% per jaar blijft groeien. Om deze doelstelling te behalen is essentieel de arbeidsproductiviteit te verhogen en innovatie aan te jagen. We zullen namelijk meer werk met relatief minder mensen moeten doen. Dat komt omdat de vraag naar mensen zeer waarschijnlijk harder groeit dan het aantal mensen dat beschikbaar is. Onder andere door vergrijzing, maar ook door een mismatch tussen gevraagde en beschikbare vaardigheden. Maar de concurrentie om talent is internationaal hoog, vooral om technisch en digitaal talent. Tegelijkertijd laat het advies «Gematigde groei» door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 zien dat een vermindering van alle vormen van migratie nodig is. Tegen deze achtergrond werkt het kabinet aan een Talentstrategie om schaars talent op te leiden en te begeleiden naar een aantal cruciale opgaven waar Nederland voor staat.
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Er wordt geen statistiek bijgehouden over de aansluiting van werkervaring of diploma’s uit het land van herkomst op tekortsectoren. Ook over de richtingen waarin statushouders in Nederland hun diploma’s behalen, is geen statistiek voorhanden. Dat betreft zowel de afstudeerrichting van hier behaalde diploma’s in het reguliere onderwijs, als deelname aan zij- en voorschakeltrajecten voor statushouders, waar door tekortsectoren in wordt geïnvesteerd.
Op basis van beschikbare data over formele diploma’s (CBS Dashboard Wet Inburgering, CBS Dashboard Asiel en Integratie), is de schatting in de orde van grootte van minimaal 25 à 30% van de statushouders vanaf 18 jaar een in Nederland erkend diploma heeft om op mbo-niveau of hoger aan het werk te kunnen Dit percentage is gebaseerd op de volgende data:
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Niet iedere nieuwkomer zal direct beschikken over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd. Tegelijkertijd geldt dat een deel van de nieuwkomers relevante werkervaring of een opleiding uit het land van herkomst heeft, waardoor met gerichte ondersteuning doorstroom naar werk in deze sectoren mogelijk is.
Dit vraagt om investeringen in het leren van de Nederlandse vaktaal en het ontwikkelen van basisvaardigheden via praktijkgerichte scholing. Werken in deze sectoren vereist vaak een toereikend niveau van de Nederlandse taal en voldoende beroepsvaardigheden.
Via een voorschakeltraject, gevolgd door een (leer)baan, kunnen nieuwkomers doorgroeien naar werk op niveau. Om deze ontwikkeling te ondersteunen, verken ik de mogelijkheden om tussen arbeidsmarktregio’s en tekortsectoren afspraken te maken over de inzet van voorschakeltrajecten en praktijkgerichte scholing voor (instap)functies binnen de Ontwikkelpaden. Hier zet ik ook op in via de landelijke werkgeversdeals.
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
In hoeverre de instroom van 75.000 extra werknemers effect heeft op de gestelde factoren is onzeker. Dit hangt af van het beroep, de sector, de baanduur en andere kenmerken. Wel heeft het CPB vorig jaar geconcludeerd dat de effecten van arbeidsmigratie op lonen en baankansen van ingezetenen tot nu toe over het algemeen beperkt lijken.8 Dat heeft ermee te maken dat arbeidsmigranten veelal werk verrichten dat bestaande arbeid aanvult in plaats van deze te vervangen, ook omdat ingezetenen naar andere banen en functies bewegen.
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
In de aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers is geen sprake van een flexibilisering van de inburgeringseisen. Het streefniveau blijft immers taalniveau B1. Ook de andere verplichte onderdelen (KNM, MAP, PVT) blijven in stand.
De aanpak Werk en Meedoen ziet wel toe op flexibilisering van de manier waarop de inburgeraar aan de inburgeringseisen kan voldoen. Zo verkent de Minister van Werk en Participatie de mogelijkheden om meer tijd te creëren voor werkende inburgeraars om aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Ook het inburgeringsaanbod dient flexibeler te worden, zodat inburgeraars hun inburgeringslessen beter kunnen combineren met werk. Hierbij denk ik aan het uitbreiden van het lesaanbod in het weekend en de avonduren, online onderwijs, duale trajecten (bijvoorbeeld startbanen), vier dagen werk en één dag taalles of (non-formeel) taalonderwijs organiseren op de werkvloer. De kwaliteit van de inburgering komt dus niet in het geding, want de uitgangspunten van de wet veranderen niet.
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Ik vind dat het spreken van de Nederlandse taal op de werkvloer het uitgangspunt moet zijn. Dat is voor de beroepen waar asielmigranten in terecht komen niet anders dan voor andere doelgroepen. Voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bedrijven is Nederlands ook nog steeds de primaire interne voertaal. Het aandeel bedrijven met Engels als primaire interne voertaal ligt rond de 10–15%. 36% van de werknemers werkt op een werkplek waar meer dan één taal wordt gesproken. In die meertalige werkomgevingen is Engels na Nederlands de meest gebruikte taal (23%).9
Het combineren van klassikale taallessen met werken in een Nederlandstalige context zorgt ervoor dat de taal sneller wordt geleerd. Een veel gebruikte werkvorm hiervoor zijn duale trajecten. Gemeenten zorgen in de uitvoering van de Wet inburgering 2021 voor een aanbod van participatie-activiteiten. Deze schrijft bovendien voor dat deze activiteiten plaatsvinden in een Nederlandstalige omgeving.
Daarnaast zet ik via het plan van aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers ook in op het leren van de Nederlandse taal op de werkvloer. Ik ga afspraken maken met werkgevers, waarin ik nadrukkelijk de wens zal meenemen dat asielmigranten in een Nederlandstalige context behoren te werken. Daarnaast ondersteun ik initiatieven zoals van Stichting Het Begint met Taal, die werkgevers kunnen ondersteunen middels het opleiden van taalbuddies op de werkvloer.
Verder is om werkgevers te ondersteunen bij het aannemen en begeleiden van statushouders, de subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) ingericht. Deze regeling helpt werkgevers bij het overbruggen van taal- en cultuurverschillen op de werkvloer. In 2025 is in totaal € 2,8 miljoen aan subsidie verstrekt. Uit de evaluatie van het eerste tijdvak (2024) door Regioplan, opgenomen in de bijlage, blijkt dat werkgevers tevreden zijn over de regeling. Het vermindert de drempel om statushouders aan te nemen.
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Ja. Dit is staand beleid en wordt «kansrijke koppeling» genoemd. Binnen de kansrijke koppeling wordt expliciet gekeken naar factoren die de kans op snelle participatie en integratie vergroten, waaronder werk, opleiding, of de aanwezigheid van een sociaal netwerk. Als een statushouder al werk heeft, is het uitgangspunt dat bij de koppeling met een gemeente zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de regio waar die arbeid wordt verricht, zodat werk kan worden behouden en voortgezet. Deze kansrijke koppeling kan in 80% van de gevallen worden gevolgd. De koppelingssystematiek als zodanig is samen met medeoverheden vastgesteld.
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Zoals onder vraag 21 toegelicht, spelen arbeidsmarktoverwegingen een rol bij de huisvesting van statushouders, maar het is niet de enige of doorslaggevende factor. Binnen de koppeling wordt breder ook gekeken naar andere factoren zoals kwetsbaarheid of opleiding. Arbeid is dus één van de elementen die meewegen bij de plaatsing van statushouders bij gemeenten, met als doel hun integratie en participatie te bevorderen.
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
De inzet van arbeidsmarktoverwegingen bij de koppeling van statushouders aan gemeenten en vervolgens de huisvesting van deze groep staat niet op gespannen voet met het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming. Economische belangen spelen geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Ook de asielopvang en de daaropvolgende huisvesting van statushouders vloeien primair voort uit diezelfde humanitaire bescherming en de daaruit voortvloeiende wettelijke rechten.
Zoals onder vraag 3 toegelicht, is het tegelijkertijd belangrijk om te benadrukken dat binnen die kaders het wél van grote maatschappelijke waarde is om voor asielzoekers die een goede kans hebben op inwilliging van hun asielaanvraag en voor statushouders, zo goed mogelijk aansluiting te vinden met werk en participatie. Wanneer statushouders sneller en beter kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt, versterkt dat hun zelfredzaamheid en integratie. Bovendien is de samenleving als geheel gebaat bij een goede benutting van talent en arbeidspotentieel, zeker in een context van arbeidsmarktkrapte.
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Op dit moment zijn er nog geen separate middelen voor het plan van aanpak Werk en Meedoen gereserveerd. Zodra ik hier meer over weet, informeer ik uw Kamer hierover. De inzet op vergroting van de arbeidsdeelname van nieuwkomers kent, naast relatief beperkte kosten, ook potentieel grote maatschappelijke baten. Dit betreft bijvoorbeeld directe inverdieneffecten via de inkomstenbelasting, REBA-inkomsten en lagere uitkeringslasten. Acties met financiële gevolgen zullen worden vormgegeven binnen de financiële kaders van het coalitieakkoord. Daarbij zullen we ook aandacht hebben voor de (financiële) opbrengsten van het plan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake de Nederlandse economie van 13 mei 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat de economische groei van Nederland stagneert richting één procent en dat sprake is van grote onzekerheid omtrent de economische vooruitzichten?
Het IMF schrijft in het rapport dat het conflict in het Midden-Oosten aanzienlijke onzekerheid creëert rondom het toekomstige ontwikkeling van de economie. Dit geldt voor de Nederlandse economie en de wereldeconomie in den brede. Toonaangevende instituten als CPB, DNB, de grootbanken en de OESO onderschrijven deze conclusies, en zo ook het kabinet.2
De energieschok die het gevolg is van het Midden-Oosten conflict zet bovendien druk op de (wereld)economie. Volgens de ramingen van het CPB komt de bbp-groei van de Nederlandse economie in 2026 uit tussen de 0,3% en 1,0%, afhankelijk van het verdere verloop van het conflict. Deze bandbreedte is in lijn met de raming van het IMF uit het rapport.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen structurele economische groei en conjuncturele schommelingen. De verwachte vertraging van de bbp-groei in 2026 is het gevolg van een naar verwachting tijdelijke energieschok, die los staat van de structurele economische groei. In het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 raamde het CPB een bbp-groei van 1,4% voor 2026. Dit is lager dan in 2025 (1,8%) maar hoger dan in 2024 (1,1%) en 2023 (-0,6%).
Erkent het kabinet dat Nederland in toenemende mate kampt met structurele problemen die investeringen, economische groei en concurrentievermogen onder druk zetten?
Het coalitieakkoord3 onderschrijft dat er uitdagingen bestaan rondom het verdienvermogen van Nederland, conform het rapport-Wennink. Denk hierbij aan krapte op de arbeidsmarkt, netcongestie en bedrijfsfinanciering. Het is belangrijk dat bedrijven meer kunnen en willen investeren in de economie van de toekomst. Het kabinet heeft als ambitie dat Nederland het best investeringsklimaat van Europa heeft. U kunt meer lezen over de aanpak van het kabinet onder de vragen 12, 20, 26, 31, 34, en 35.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat netcongestie, een direct gevolg van de energietransitie, een «binding constraint» (lees: bindende beperking) vormt voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
De problematiek rondom netcongestie belemmert noodzakelijke investeringen voor de energietransitie. Nieuwe bedrijven of bedrijven die willen verduurzamen moeten in sommige regio’s lang wachten op een aansluiting op het elektriciteitsnet. Het kabinet zet met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie in op een versnelde aanpak om de problematiek terug te dringen, aan de hand van vier trajecten: 1) sneller uitbreiden van het elektriciteitsnet door o.a. versnellen van vergunningen en betere regionale samenwerking, 2) betere benutting van het elektriciteitsnet door grootverbruikers door o.a. in te zetten op flexcontracten en afspraken met grote stroomverbruikers, 3) betere benutting door kleinverbruikers door het stimuleren van gebruik buiten piekuren en slimmer laden van elektrische auto’s, en 4) slimmer inzicht in beschikbare netcapaciteit door het ontwikkelen van landelijke dataproducten op beter zicht te krijgen op ruimte in het net.
Hoeveel economische schade wordt naar schatting jaarlijks veroorzaakt door netcongestie met als gevolg uitgestelde aansluitingen en vertraagde investeringen?
BCG heeft in haar rapport «Klink uit de kabel» berekeningen gemaakt van de economische schade door netcongestie. Op basis van onderzoek van Ecorys (in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en data van Netbeheer Nederland heeft BCG berekend dat het oplossen van netcongestie op het laag- en middenspanningsnet zo’n 10 tot 40 miljard euro per jaar op kan leveren, verdeeld over economie, duurzaamheid en infrastructuur. Dit is gebaseerd op de bruto kostprijs, die geen rekening houdt met substitutie of adaptatie. Die bedragen kunnen nog verder oplopen als netcongestie in de komende jaren blijft toenemen en bedrijven daardoor minder investeren. Het kabinet vindt het daarom ook belangrijk om zoveel als mogelijk belemmeringen weg te nemen.
Is het antwoord op vraag 6 aanleiding voor het kabinet om haar klimaatambities terug te schroeven en de energietransitie voorlopig te staken?
Zie vraag 8.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Het antwoord op vraag 6 is aanleiding om deze economische baten te realiseren door maximaal in te zetten op het aanpakken van de netcongestieproblematiek en zo de belemmeren in de energietransitie weg te nemen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat stikstofgerelateerde beperkingen een belangrijke belemmering vormen voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Het kabinet deelt met het IMF dat de stikstofproblematiek de ontwikkeling van onze economie belemmert. Mede daarom werkt het in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof nu aan een brede en samenhangende aanpak van deze problematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Erkent het kabinet dat het huidige stikstofbeleid ertoe leidt dat woningbouw, infrastructuurprojecten, uitbreiding van industrie en economische ontwikkeling ernstig worden vertraagd?
De stikstofproblematiek leidt ertoe dat vergunningsverlening grotendeels tot stilstand is gekomen. Dit is een van de oorzaken waardoor projecten in hun ontwikkeling worden belemmerd. SEO (2025) concludeerde dat stikstofbeperkingen leiden tot uitstel en afstel van investeringen en berekende een bruto effect van stikstofbeperkingen op de omzet van bedrijven van gemiddeld 4,2 miljard per jaar. Dit onderstreept de urgentie om te komen tot een aanpak waarmee de natuur wordt hersteld en Nederland weer van het slot komt. In de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet aan een brede en samenhangende aanpak voor de stikstofproblematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 10 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om deze schadelijke ontwikkelingen een halt toe te roepen?
Het kabinet werkt in de Taskforce Landbouw Natuur en Stikstof aan een aanpak van de stikstofproblematiek. De doelstelling hiervan is om de natuur te herstellen en stikstofemissies te verminderen waardoor op termijn er weer stap voor stap ruimte komt voor vergunningsverlening. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze aanpak.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat het woningtekort ambitieuze hervormingen vereist?
Het kabinet deelt met het IMF dat het woningtekort vraagt om een ambitieuze aanpak. Mede daarom werk het kabinet al een tijd middels de Taskforce Versnellen Woningbouw aan een Actieplan Versnelling Woningbouw, met daarin de koers richting de realisatie van 100.000 woningen per jaar en de vertaling naar een operationeel plan. In september stuurt het kabinet uw Kamer het Actieplan Versnelling Woningbouw.
Welke rol speelt de bevolkingsgroei als gevolg van immigratie volgens het kabinet bij de voortdurende druk op woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen?
Migratie speelt, naast andere ontwikkelingen zoals kleinere huishoudens, toenemende mobiliteit en de klimaattransitie, een rol bij de druk op de woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen. Tegelijkertijd stelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat een gematigde bevolkingsgroei door migratie, gegeven de negatieve natuurlijke bevolkingsgroei als gevolg van geboortes en sterftes, van belang is in verband met de stagnerende beroepsbevolking en toenemende vergrijzing. Het kabinet zet zich in voor meer woningbouw én meer grip op alle vormen van migratie.
Kan het kabinet uiteenzetten hoeveel extra woningen volgens de huidige prognoses nodig zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei als gevolg van immigratie nu en in de komende tien jaar?
Het onderzoek Primos-prognose 2025 van ABF Research stelt dat van de verwachte toevoegingen aan de woningvoorraad voor de periode 2025–2039 ongeveer 45% nodig is voor de accommodatie van de bevolkingsgroei, dat voor 95% wordt gedreven door het migratiesaldo. Dat komt neer op 42,75% van de bouwopgave voor deze periode.
Daarbij geldt dat een dergelijke demografische toerekening slechts een beperkt beeld geeft van de werkelijke woningbehoefte. De behoefte aan woningen hangt niet alleen samen met de omvang van de bevolkingsgroei, maar ook met factoren als huishoudensvorming, inkomen, verblijfsduur en woonvoorkeuren. Daarnaast geldt dat de vraag naar woningen van migranten afhankelijk is van persoonlijke kenmerken, zoals o.a. verblijfsduur, en daarom niet één-op-één vergelijkbaar is met die van Nederlands ingezetenen. Laagbetaalde arbeidsmigranten delen bijvoorbeeld vaker woningen.
Deelt het kabinet de analyse dat immigratie, een belangrijke oorzaak van het woningtekort, de Nederlandse economie afremt?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Het Centraal Planbureau (CPB)4 geeft aan dat de economische effecten van migratie afhangen van individuele kenmerken zoals arbeidsparticipatie, opleidingsniveau en (complementaire) vaardigheden. Deze kenmerken verschillen per migratiemotief en per migrant, en zijn ook niet altijd zichtbaar.
Voor arbeidsmigratie concludeert het IBO Arbeidsmigratie5 op basis van het CPB-onderzoek6 aan dat de huidige samenstelling een licht positief effect heeft op de economie. Op de lange termijn is dit effect minder duidelijk omdat arbeidsmigranten en de economie zich over tijd kunnen aanpassen.
Indien het antwoord op vraag 16 ontkennend luidt, waarom niet?
Ik verwijs graag naar het antwoord op vraag 16.
Deelt het kabinet de analyse van het IMF dat de huidige coalitieplannen de lasten op arbeid verhogen, arbeidsparticipatie verminderen en loonkosten verhogen?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de analyse van het IMF. Door de maatregelen uit het coalitieakkoord stijgen de lasten op arbeid, vooral vanwege de bijdrage die van burgers en bedrijven wordt gevraagd voor extra defensie-uitgaven. Dit zorgt ervoor dat de begroting op orde blijft.
Indien het antwoord op vraag 18 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 18 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om hier verandering in te brengen?
Het kabinet neemt maatregelen om de economie structureel te versterken, zoals het oprichten van een nationale investeringsinstelling en investeringen in het onderwijs. Dergelijke maatregelen leiden op termijn tot hogere productiviteit en meer werkgelegenheid, en hebben een positief effect op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal zoals gebruikelijk de effecten van beleidsmaatregelen in de gaten houden. Het kabinet blijft zich inzetten voor een goedwerkende arbeidsmarkt.
Ook zet het kabinet zich in voor de positie van werknemers en het wegnemen van belemmeringen die mensen kunnen ervaren om (meer uren) te gaan werken (zie ook het antwoord op vraag 22).
Waarom kiest het kabinet ervoor arbeid zwaarder te belasten (via onder meer de vrijheidsbijdrage) terwijl het IMF juist waarschuwt dat hogere lasten op arbeid leiden tot minder gewerkte uren en lagere arbeidsparticipatie?
Het kabinet heeft bij de uitwerking van het akkoord keuzes moeten maken ten aanzien van de verdeling van de lasten, rekening houdend met maatschappelijke opgaven zoals defensie. De vrijheidsbijdrage is onderdeel van deze bredere afweging. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, waarbij één van de uitgangspunten is dat werken moet lonen.
Hoe verhoudt dit zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat werken moet lonen?
Het kabinet blijft het uitgangspunt hanteren dat werken moet lonen. Dit betekent dat het beleid erop is gericht dat werkenden een positieve financiële prikkel ondervinden om (meer) te werken. Zo onderzoekt het kabinet maatregelen om meer uren werken lonender te maken.
Naast de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, blijft het kabinet zich inzetten om belemmeringen weg te nemen die mensen ervaren om (meer uren) te gaan werken en het stelsel te vereenvoudigen. Zo wordt in het Nationaal Groeifonds programma Meer Uren Werk! samen met de Universiteit van Utrecht onderzocht hoe belemmeringen om te kiezen voor meer uren werken kunnen worden weggenomen. Verder zal het kabinet zoals opgeschreven in het coalitieakkoord specifieke maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het meerurenvoordeel en de arbeidskorting per uur.
Naast bovenstaande zet het kabinet de herziening van de arbeidsmarktinfrastructuur door, waarmee er in iedere arbeidsmarktregio één Werkcentrum beschikbaar komt met alle informatie rond werk en scholing voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers. Ook lanceert het kabinet het actieprogramma «NL Werkt». Dit programma is een brede aanpak gericht op het aan het werk helpen van mensen die nu nog langs de kant staan, en op het gezond en duurzaam aan het werk houden van werkenden. In het najaar informeert de Minister van Werk en Participatie uw Kamer over de contouren van dit actieprogramma. Aanvullend hierop zal de Minister van Werk en Participatie voor de zomer een nieuwe, brede aanpak over werk voor nieuwkomers met de Kamer delen.
Bent u bekend met de recente uitspraak van hoogleraar arbeids- en macro-economie Pieter Gautier2 dat ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product naar toeslagen gaat en dat dit het belastingstelsel onnodig complex maakt?
Ja.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit?
In 2026 wordt naar verwachting 23 mld. uitgegeven aan toeslagen. Het percentage bbp wat wordt uitgegeven aan toeslagen is daarmee circa 2%. Toeslagen zorgen ervoor dat vitale voorzieningen voor miljoenen mensen in Nederland betaalbaar en toegankelijk worden gemaakt. Tegelijkertijd ben ik het met het lid Schenk eens dat het belasting- en toeslagenstelsel complex is. Door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen is het ondoorzichtig en onvoorspelbaar geworden voor belastingplichtigen en ontvangers van toeslagen. Daarnaast vindt het kabinet de terugvorderingen die ontstaan problematisch. Dit heeft niet direct te maken met de hoogte van de toeslagen en belastingkortingen, maar met de inkomensafhankelijkheid en andere voorwaarden en definities. Het kabinet werkt daarom aan een stapsgewijze vereenvoudiging in het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel en meer eenvoud in de uitvoering. Dit wil het kabinet bereiken onder meer door stapsgewijs de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit te beperken.
Deelt het kabinet de analyse dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel leidt tot verstorende prikkels, hoge uitvoeringskosten en verminderde transparantie voor Nederlandse burgers en ondernemers?
Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen wat kan leiden tot terugvorderingen of nabetalingen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er een onwenselijke situaties kunnen ontstaan. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat het oplevert om meer te gaan werken.
Een van de argumenten bij de totstandkoming van het toeslagenstelsel was juist efficiëntie in de uitvoering en lagere bijbehorende kosten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de uitvoering door Dienst Toeslagen even efficiënt lijkt als de uitvoering van andere vergelijkbare uitvoeringsinstellingen. Het toeslagenstelsel gaat uit van een hoge zelfredzaamheid, maar in de praktijk is er een groep mensen die hulp nodig heeft van maatschappelijke partners om te krijgen waar ze recht op hebben en niet geconfronteerd worden met terugvorderingen.
Welke concrete stappen gaat het kabinet zetten om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven om drie sporen parallel uit te werken om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen, te beginnen met een stapsgewijze vereenvoudiging van het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel. Dit wil het kabinet bereiken door bijvoorbeeld te onderzoeken hoe begrippen en voorwaarden van inkomensondersteunende maatregelen geharmoniseerd kunnen worden, door de kinderopvangtoeslag af te schaffen en te vervangen door directe financiering van de kinderopvang en de kinderbijslag en kindgebonden budget samen te voegen in één-kindregeling. Het tweede spoor is gericht op het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Dit moet bijdragen aan het kunnen uitvoeren van een mogelijke hervorming. Tot slot komt het kabinet voor het einde van 2026 met een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd voor verschillende onderdelen. Uitgangspunten hierbij zijn op eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid en werken moet lonen.
Hoe groot verwacht het kabinet dat de totale klimaatgerelateerde uitgaven zullen zijn richting 2030 en 2050, zeker gezien het feit dat het IMF de oplopende klimaatgerelateerde uitgaven een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën noemt?
Hoeveel Rijksmiddelen er tussen 2030 en 2050 nodig zijn, is uiteindelijk afhankelijk van de beleidsmix van normerend, beprijzend en subsidiërend beleid. In het rapport Routes naar Realisatie (Aanbiedingsbrief rapport «Routes naar realisatie» | Rijksoverheid.nl) zijn illustratieve beleidspakketten uitgewerkt, die variëren in ambitie, uitgaven en lastenontwikkeling voor de klimaat en energietransitie richting 2050. Scenario’s lopen uiteen van budgetneutraal tot € 6 miljard aan additionele jaarlijkse uitgaven.
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds steeds hogere klimaatgerelateerde lasten en anderzijds het behoud van concurrentievermogen, industrie en economische groei?
Internationaal concurrerende bedrijven en met name de energie-intensieve industrie kennen uitdagingen. Hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen verzwakken de internationale concurrentiepositie. Het is essentieel in te blijven zetten op de groene transitie en nieuw verdienvermogen om ook op de lange termijn concurrerend te kunnen zijn, en minder afhankelijk te worden van de import van fossiele brandstoffen van buiten Europa. Het kabinet kiest voor een industriebeleid waarin concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid juist hand in hand gaan. Daarvoor is het ook belangrijk om de Europese markt effectief te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken of een ongelijk speelveld.
Erkent het kabinet dat hoge energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten bijdragen aan een verslechtering van het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
Energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten dragen bij aan een verslechtering van het vestigings- en investeringsklimaat als deze hoger zijn dan in andere landen. Het kabinet zet daarom in op een gelijk speelveld met buurlanden en aansluiting bij Europees beleid. Daarbij komt dat veel klimaatgerelateerde uitgaven noodzakelijke investeringen in de toekomstige energievoorziening zijn. Door de energietransitie zorgen we ervoor dat er in de toekomst veel hernieuwbare energie van eigen bodem beschikbaar is voor bedrijven. Dit houdt Nederland ook op de lange termijn juist een aantrekkelijk vestigings- en investeringsland. Ook zorgen we voor de ontwikkeling van voor Europa strategische kennis en sectoren. Op dit moment geeft Europa jaarlijks tegen de 300 miljard uit aan de import van fossiele brandstoffen. Door meer te investeren in energie van eigen bodem, kan een deel van deze middelen ook een impuls vormen voor de Europese economie en ons tegelijkertijd weerbaarder maken tegen geopolitieke spanningen.
Indien het antwoord op vraag 29 ontkennend luidt, waarom niet?
n.v.t.
Indien het antwoord op vraag 29 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat te verbeteren?
Hoge energieprijzen zijn inderdaad één van de factoren waardoor de concurrentiepositie van energie-intensieve bedrijven in Nederland is verslechterd. Daarom blijft het kabinet inzetten op het verduurzamen van de industrie, om onze afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen.
In het coalitieakkoord neemt het kabinet een aantal maatregelen om in te zetten op een concurrerende en duurzame industrie in Nederland. Zo verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten voor de industrie om elektrificatie aantrekkelijker te maken. Daarnaast worden de bestaande maatwerkafspraken voortgezet en worden nieuwe maatwerkafspraken gericht op industrieclusters en regio’s. Tot slot wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft.
Hoe beoordeelt het kabinet signalen uit de industrie dat bedrijven en investeringen Nederland verlaten vanwege hoge energiekosten, regeldruk, onzeker beleid en toenemende klimaatverplichtingen?
Het kabinet herkent het beeld niet dat er op grote schaal sprake is van vertrek van bedrijven uit Nederland.8 Het ondernemingsklimaat is de afgelopen jaren gestabiliseerd, en bij dergelijke beslissingen is het vestigingsklimaat niet altijd de aanleiding, maar spelen vaak ook bedrijfsspecifieke redenen.
Het kabinet herkent echter wel dat bedrijven tegen hoge energiekosten en regeldruk aan lopen, en onderneemt daar daarom ook actie op. Denk bijvoorbeeld aan de Aanpak Regeldruk en aan tegemoetkoming in de indirecte kostencompensatie.
Is het kabinet van mening dat het huidige economische beleid de Nederlandse concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en China verbetert?
Het kabinetsbeleid richt zich op het versterken van het verdienvermogen, innovatie en het vestigingsklimaat, binnen een context van toenemende geopolitieke concurrentie. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat Nederland open handel wil behouden, maar afhankelijkheden wil verkleinen. Daarmee gaat het eerder om weerbaarheid en brede economische kracht dan om een directe concurrentiestrategie tegenover specifieke landen.
Indien het antwoord op vraag 33 ontkennend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren?
Zoals afgesproken in het Coalitieakkoord kiest het kabinet ervoor om de Nederlandse concurrentiepositie te versterken door het verbeteren van het verdienvermogen van de economie. De nadruk ligt op een aantrekkelijker ondernemingsklimaat, met minder regeldruk, snellere besluitvorming en meer ruimte voor bedrijven om te investeren en te groeien. Daarbij wordt expliciet ingezet op het versterken van productiviteit en het stimuleren van ondernemerschap, zodat Nederland ook op lange termijn een concurrerende en innovatieve economie blijft.
Daarnaast legt het kabinet een sterke focus op toekomstgerichte investeringen, met name in innovatie, technologie en infrastructuur. Door extra inzet op R&D, sleuteltechnologieën en het wegnemen van knelpunten zoals netcongestie en arbeidsmarktkrapte, moet Nederland aantrekkelijk blijven als vestigingsland voor hoogwaardige bedrijvigheid. Het geheel is minder gericht op directe concurrentie met specifieke landen, en meer op het versterken van de structurele economische kracht van Nederland binnen een open Europese economie.
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om verdere stagnatie van de Nederlandse economie, afnemende investeringen en verlies van concurrentievermogen tegen te gaan?
Het kabinet zet zich in voor een groeidoelstelling van 1,5%, die breed wordt gedragen in het kabinetsbeleid en verder worden uitgewerkt in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Daarin richt het kabinet zich onder andere op het aanjagen van investeringen, via de oprichting van een Nationale Investeringsinstelling en Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Ook werkt het kabinet een Talenstrategie uit, gericht op beter en gerichter opleiden, het waar nodig gericht aantrekken van internationaal talent, en het sterk verankeren van up- en reskilling op de arbeidsmarkt. Verder neemt het kabinet maatregelen voor het verbeteren van economische randvoorwaarden, zoals het versnellen van vergunningverlening voor strategische projecten, structurele investeringen in regionale innovatieclusters en het versterken van de digitale infrastructuur. Daarnaast worden regeldruk en administratieve lasten verminderd via onder andere jaarlijkse vereenvoudigingswetgeving. Ook buiten deze taskforce om richt het kabinetsbeleid zich ook op belangrijke randvoorwaarden, zoals het tegengaan van netcongestie met het Wetgevingsprogramma Stroomlijnen energieprojecten en gerichte tegemoetkomingen aan de industrie, en een aanpak voor de stikstofcrisis via de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Om valorisatie te bevorderen worden de technology transfer offices van onderwijsinstellingen gebundeld in één nationale TTO, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitrol van best practices. In het onderwijs investeert het kabinet in basisvaardigheden. Zo wordt er geïnvesteerd in bewezen aanpakken zoals de rijke schooldag en voor- en vroegschoolse educatie via gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Leraren krijgen aantoonbaar meer tijd voor professionele ontwikkeling en werken met bewezen effectieve kennis om de basisvaardigheden duurzaam te verbeteren.
Deelt het kabinet de conclusie van de indiener dat uit de IMF-bevindingen blijkt dat het Nederlandse beleid omtrent klimaat (hoge kosten en investeringen), stikstof (vastlopen uitbreiding huizen en industrie), immigratie (oorzaak woningtekort) en belastingen (geen prikkel om te werken) in grote mate bijdraagt aan de stagnatie van de economie?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 36 ontkennend luidt, waarom niet?
Het IMF spreekt in het rapport niet van structurele stagnatie van de Nederlandse economie. Het IMF spreekt wel over enkele structurele economische uitdagingen, zoals netcongestie, arbeidsmarktkrapte, het woningtekort en druk op de investeringen. Het IMF schrijft dat het coalitieakkoord terecht deze uitdagingen prioriteert en spoort het kabinet aan navolging te geven de plannen uit het coalitieakkoord.
Indien het antwoord op vraag 36 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen aan het beleid omtrent klimaat, stikstof, immigratie en belastingen om de positie van Nederland te verbeteren?
Niet van toepassing.
Wat doet het kabinet in algemene zin met rapporten, adviezen en bevindingen van het IMF?
Het IMF is een internationaal gerenommeerd instituut met hoogwaardige onderzoeken. Het kabinet leest IMF-rapporten, waar ze raken aan beleid in Nederland, en weegt haar adviezen mee in de besluitvorming.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Ja.
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Het is belangrijk dat iedereen in Nederland die kan werken actief moet deelnemen en bijdragen aan onze samenleving. Veel mensen willen niet aan de kant staan, maar graag meedoen. Ondanks de hoge arbeidsparticipatie zijn er nog altijd mensen niet aan het werk, terwijl zij wel zouden kunnen of willen werken.1 Dit geldt ook voor nieuwkomers voor wie het vinden en behouden van een baan niet vanzelfsprekend is. Werken is niet alleen goed voor de samenleving, maar ook in het belang van deze mensen zelf: het geeft voldoening, eigenwaarde en vergroot de zelfredzaamheid. Daarnaast stelt werk hen in staat een bijdrage te leveren aan de kosten van de opvang en het bevordert de integratie en latere arbeidsdeelname, terwijl het de afhankelijkheid van sociale voorzieningen in een later stadium verkleint en tekorten op de arbeidsmarkt vermindert. Langdurig aan de zijlijn staan bereikt het tegenovergestelde en zorgt voor een langere bijstandsafhankelijkheid dan nodig. Het is dus in het belang van onze samenleving, arbeidsmarkt en de mensen zelf om asielzoekers en statushouders eerder en sneller aan het werk te helpen.
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Ja. De asielopvang dient primair om asielzoekers onderdak en basisvoorzieningen te bieden gedurende de behandeling van hun asielverzoek door de IND en in de periode dat zij een verblijfsvergunning hebben gekregen en in afwachting zijn van huisvesting. Als het asielverzoek wordt afgewezen dient de asielzoeker de asielopvang te verlaten en terug te keren naar het land van herkomst. Daarmee is de opvang dus nadrukkelijk geen structureel arbeidsmarktinstrument.
Tegelijkertijd laat het Europese kader, de Opvangrichtlijn, zien dat arbeidsdeelname van asielzoekers niet volledig losstaat van het opvangsysteem. Lidstaten worden aangemoedigd om asielzoekers met een grote kans op inwilliging van het asielverzoek zo vroeg mogelijk toegang tot de arbeidsmarkt te geven. Bovendien geldt als norm dat deze asielzoekers zo snel mogelijk, maar uiterlijk zes maanden na registratie van hun aanvraag, mogen werken. Vanuit dat perspectief is het met oog op de onder antwoord 2 genoemde voordelen waardevol om asielzoekers waar mogelijk te laten werken.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning na drie maanden in de asielprocedure aan het werk mogen. Zij krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller te kunnen integreren én bij te kunnen dragen aan de kosten van de opvang. Asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd hebben, ook overeenkomstig de Europese regels uit de herschikte Opvangrichtlijn, geen recht om te werken. Daarnaast wil het kabinet direct aan het begin van de asielprocedure starten met taalles voor asielzoekers met een kansrijke asielaanvraag. Deze plannen worden verder uitgewerkt in de Taskforce Asiel en Migratie.
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Asielaanvragen van asielzoekers met een kansrijke aanvraag stroomden voor de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026 in spoor 4 in. Spoor 4 omvatte dus alle vreemdelingen die geen Dublinclaimant zijn (spoor 1) en niet afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst en ook geen bescherming elders in de EU genieten (spoor 2). In aanvulling op de doelgroepen die voorheen werden aangeduid als sporen 1 en 2 worden nu ook alle nationaliteiten met een gemiddeld EU inwilligingspercentage van minder dan 20% toegevoegd aan de doelgroep «kansarm», terwijl een aantal van deze «kansarme» nationaliteiten, zoals Moldavië en Algerije, tot 12 juni 2026 onder spoor 4 werden behandeld, omdat deze niet voldeden aan de voorwaarden voor afhandeling in spoor 1 en 2.
In onderstaande tabellen is de afdoening weergegeven van zowel eerste als opvolgende aanvragen waarop in spoor 4 is beslist. Bij de tabel wordt opgemerkt dat een aanvraag in een eerder jaar kan zijn ingediend dan het jaar waarin op de aanvraag is beslist. Gegevens van voor 2013 zijn vanwege technische redenen niet beschikbaar.
2013
9.580
4.800
50%
2014
17.150
12.000
70%
2015
21.850
16.790
77%
2016
25.610
19.700
77%
2017
11.510
6.000
52%
2018
6.510
3.170
49%
2019
8.100
4.510
56%
2020
11.270
8.480
75%
2021
15.810
11.740
74%
2022
17.150
14.500
85%
2023
18.570
14.020
76%
2024
22.610
15.620
69%
2025
17.060
7.170
42%
2026 (tot 12 juni)
9.450
2.340
25%
2013
3.200
1.120
35%
2014
2.490
840
34%
2015
1.730
510
30%
2016
1.620
420
26%
2017
2.100
430
20%
2018
2.410
360
15%
2019
3.680
350
9%
2020
1.540
190
12%
2021
1.350
300
22%
2022
1.510
680
45%
2023
1.490
480
32%
2024
1.790
350
19%
2025
2.080
270
13%
2026 (tot 12 juni)
880
60
7%
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie speelt geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Uit onderzoek van Regioplan2 naar Nederlandse rechtspraak over privéleven opgebouwd tijdens onrechtmatig of onzeker verblijf zijn geen uitspraken naar voren gekomen waarin een arbeidsrelatie of sociale banden als een bijzondere omstandigheid wordt gezien op grond waarvan een verblijfsvergunning zou moeten worden verleend. Een arbeidsrelatie geldt niet als bijzondere omstandigheid op basis waarvan een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM zou moeten worden ingewilligd.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Zie antwoord op vraag 7.
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Het onderhavige kabinetsplan heeft als doel om asielzoekers en statushouders die in Nederland verblijven sneller aan het werk te helpen. Dit voorstel strekt niet tot het wijzigen van voorwaarden voor toelating tot Nederland of de Nederlandse arbeidsmarkt. De asielaanvraag van asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd, wordt versneld behandeld. Daarbij geldt dat voor een aantal categorieën asielzoekers binnen die versnelde procedure de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Ook voor asielzoekers met een overdrachtsbesluit is de toegang tot de arbeidsmarkt uitgesloten.
In Nederland mogen asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten na zes maanden betaald werk verrichten. Er ligt een voorstel om deze wachttermijn te verkorten naar drie maanden. Dit sluit aan bij ons omringende lidstaten. Onder andere Duitsland en Oostenrijk hebben ook een wachttermijn van drie maanden. België en Luxemburg hanteren een wachttermijn van vier maanden.
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het migratieproces van asielmigranten. In 2023 publiceerde het Verwey-Jonker Instituut een wetenschappelijk WODC-onderzoek naar de wijze waarop asielmigranten een bestemmingsland «kiezen», waaruit geen eenduidige conclusie kon worden getrokken, maar waaruit wel blijkt dat met name andere factoren dan arbeidsmogelijkheden, namelijk op het gebied van veiligheid en sociale netwerken, een rol kunnen spelen bij de komst van asielzoekers naar het land van bestemming.3 Tegen die achtergrond en het feit dat het Nederlandse beleid aansluit bij dat van omringende landen verwacht het kabinet niet dat het onderhavige plan ervoor zal zorgen dat dit Nederland aantrekkelijker maakt voor het doen van een asielaanvraag dan ons omringende lidstaten.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Het kabinet zet erop in dat iedereen in Nederland mee kan doen en wil het arbeidspotentieel van mensen die reeds in Nederland zijn zoveel mogelijk benutten. In dat kader maakt het kabinet zich ook hard om asielmigranten sneller naar werk te begeleiden. Dit draagt bij aan hun integratie en participatie in de samenleving en op de arbeidsmarkt als zij voor een langere termijn in Nederland verblijven. Dat helpt om de druk op de arbeidsmarkt te verlichten, zeker als de nieuwkomers werk vinden in de cruciale opgaven uit de Talentstrategie. En dit kan tevens een bijdrage leveren aan het verminderen van de noodzaak om arbeidskrachten uit het buitenland aan te trekken, hetgeen in lijn is met het advies voor gematigde bevolkingsgroei van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050.
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Het klopt dat de arbeidsmarktkrapte afgelopen jaar licht is afgenomen. Desondanks is er nog steeds sprake van een krappe arbeidsmarkt. Tabel 3 geeft de vacaturegraad, het aantal openstaande vacature per duizend banen, per sector in de afgelopen 10 jaar weer.4 De vacaturegraad is het afgelopen jaar in de meeste sectoren gedaald. Op de lange termijn is te zien dat de vacaturegraad voor alle sectoren nog steeds hoger ligt dan 10 jaar geleden.
Kijkend naar de langere termijn voorspelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat, mede door demografische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt op lange termijn krap zal blijven. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) geeft inzicht in waar de toekomstige knelpunten op de arbeidsmarkt zich bevinden via de berekening van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep.5 Deze indicator is te vertalen als de mate waarin een toekomstige baanopening voor een beroep gevuld kan worden door nieuw arbeidsaanbod met een daarvoor geschikte opleiding, maar is niet direct te vertalen naar tekorten in aantallen banen. De indicator baseert zich op historische patronen en verwachte economische ontwikkelingen, maar kan geen rekening houden met beleidsaanpassingen en gedragsaanpassingen op de arbeidsmarkt als gevolg van de verwachte knelpunten.
De ontwikkeling van de arbeidsmarkt is van veel factoren afhankelijk, zoals conjunctuur, de vraag naar bepaalde producten maar ook de geopolitieke situatie en laat zich hierdoor lastig voorspellen. Zo is het bijvoorbeeld nog onzeker wat de economische impact van de inval in Iran zal zijn op de arbeidsmarkt. Het CPB onderzocht dit en verwacht dat de werkloosheid stijgt naar tussen de 4,5 en 4,9 procent in 2027 aan de hand van verschillende scenario’s.6
De instroom van 75.000 extra werknemers kan bijdragen aan het verlichten van gerichte tekorten. Deze werknemers zullen in Nederland echter ook producten en diensten consumeren, wat zorgt voor extra vraag naar arbeid. Dit verkleint het verminderende effect op de arbeidsmarktkrapte.
20
24
29
33
26
30
51
49
46
44
41
12
16
19
26
20
23
35
31
32
33
33
18
24
34
38
30
35
56
53
52
55
51
24
27
33
38
27
33
60
53
48
46
44
20
20
24
27
23
28
43
43
41
40
39
14
18
21
24
23
24
36
40
40
36
35
20
22
24
25
29
29
71
53
45
36
26
17
21
27
31
24
27
46
44
42
42
40
27
28
25
34
42
35
69
65
57
52
35
16
24
36
28
23
23
54
48
50
48
54
20
32
50
59
42
54
76
72
72
81
74
21
28
33
39
29
32
64
57
51
49
48
15
20
28
35
22
26
48
45
41
39
33
35
42
48
55
23
44
112
77
66
63
60
52
53
64
68
52
64
91
69
60
55
52
28
32
43
44
34
36
53
50
44
44
32
16
19
31
31
21
24
52
45
42
35
35
35
37
43
46
36
45
70
64
58
54
51
12
12
15
17
15
17
28
30
29
30
29
14
18
23
25
28
29
37
43
48
36
31
8
9
10
13
11
12
19
21
22
17
16
17
22
24
27
27
27
42
45
45
45
44
16
23
20
32
23
27
51
47
37
39
34
22
23
29
29
20
28
47
57
52
50
44
Voorlopige cijfers
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
De vergrijzende bevolking leidt tot een structurele krapte op de arbeidsmarkt, waardoor veel vacatures onvervuld blijven. Met name in sectoren als het onderwijs, de kinderopvang, de zorg en de woningbouwsector is sprake van een toenemende vraag. Tegen deze achtergrond leidt de instroom van nieuwkomers over het algemeen niet tot verdringing van Nederlandse werknemers, maar vormt deze juist een aanvulling op de arbeidsmarkt.
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Het kabinet wil de samenleving en economie versterken door randvoorwaarden voor toekomstige welvaart op orde te brengen. Doel is dat de economie gemiddeld 1,5% per jaar blijft groeien. Om deze doelstelling te behalen is essentieel de arbeidsproductiviteit te verhogen en innovatie aan te jagen. We zullen namelijk meer werk met relatief minder mensen moeten doen. Dat komt omdat de vraag naar mensen zeer waarschijnlijk harder groeit dan het aantal mensen dat beschikbaar is. Onder andere door vergrijzing, maar ook door een mismatch tussen gevraagde en beschikbare vaardigheden. Maar de concurrentie om talent is internationaal hoog, vooral om technisch en digitaal talent. Tegelijkertijd laat het advies «Gematigde groei» door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 zien dat een vermindering van alle vormen van migratie nodig is. Tegen deze achtergrond werkt het kabinet aan een Talentstrategie om schaars talent op te leiden en te begeleiden naar een aantal cruciale opgaven waar Nederland voor staat.
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Er wordt geen statistiek bijgehouden over de aansluiting van werkervaring of diploma’s uit het land van herkomst op tekortsectoren. Ook over de richtingen waarin statushouders in Nederland hun diploma’s behalen, is geen statistiek voorhanden. Dat betreft zowel de afstudeerrichting van hier behaalde diploma’s in het reguliere onderwijs, als deelname aan zij- en voorschakeltrajecten voor statushouders, waar door tekortsectoren in wordt geïnvesteerd.
Op basis van beschikbare data over formele diploma’s (CBS Dashboard Wet Inburgering, CBS Dashboard Asiel en Integratie), is de schatting in de orde van grootte van minimaal 25 à 30% van de statushouders vanaf 18 jaar een in Nederland erkend diploma heeft om op mbo-niveau of hoger aan het werk te kunnen Dit percentage is gebaseerd op de volgende data:
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Niet iedere nieuwkomer zal direct beschikken over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd. Tegelijkertijd geldt dat een deel van de nieuwkomers relevante werkervaring of een opleiding uit het land van herkomst heeft, waardoor met gerichte ondersteuning doorstroom naar werk in deze sectoren mogelijk is.
Dit vraagt om investeringen in het leren van de Nederlandse vaktaal en het ontwikkelen van basisvaardigheden via praktijkgerichte scholing. Werken in deze sectoren vereist vaak een toereikend niveau van de Nederlandse taal en voldoende beroepsvaardigheden.
Via een voorschakeltraject, gevolgd door een (leer)baan, kunnen nieuwkomers doorgroeien naar werk op niveau. Om deze ontwikkeling te ondersteunen, verken ik de mogelijkheden om tussen arbeidsmarktregio’s en tekortsectoren afspraken te maken over de inzet van voorschakeltrajecten en praktijkgerichte scholing voor (instap)functies binnen de Ontwikkelpaden. Hier zet ik ook op in via de landelijke werkgeversdeals.
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
In hoeverre de instroom van 75.000 extra werknemers effect heeft op de gestelde factoren is onzeker. Dit hangt af van het beroep, de sector, de baanduur en andere kenmerken. Wel heeft het CPB vorig jaar geconcludeerd dat de effecten van arbeidsmigratie op lonen en baankansen van ingezetenen tot nu toe over het algemeen beperkt lijken.8 Dat heeft ermee te maken dat arbeidsmigranten veelal werk verrichten dat bestaande arbeid aanvult in plaats van deze te vervangen, ook omdat ingezetenen naar andere banen en functies bewegen.
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
In de aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers is geen sprake van een flexibilisering van de inburgeringseisen. Het streefniveau blijft immers taalniveau B1. Ook de andere verplichte onderdelen (KNM, MAP, PVT) blijven in stand.
De aanpak Werk en Meedoen ziet wel toe op flexibilisering van de manier waarop de inburgeraar aan de inburgeringseisen kan voldoen. Zo verkent de Minister van Werk en Participatie de mogelijkheden om meer tijd te creëren voor werkende inburgeraars om aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Ook het inburgeringsaanbod dient flexibeler te worden, zodat inburgeraars hun inburgeringslessen beter kunnen combineren met werk. Hierbij denk ik aan het uitbreiden van het lesaanbod in het weekend en de avonduren, online onderwijs, duale trajecten (bijvoorbeeld startbanen), vier dagen werk en één dag taalles of (non-formeel) taalonderwijs organiseren op de werkvloer. De kwaliteit van de inburgering komt dus niet in het geding, want de uitgangspunten van de wet veranderen niet.
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Ik vind dat het spreken van de Nederlandse taal op de werkvloer het uitgangspunt moet zijn. Dat is voor de beroepen waar asielmigranten in terecht komen niet anders dan voor andere doelgroepen. Voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bedrijven is Nederlands ook nog steeds de primaire interne voertaal. Het aandeel bedrijven met Engels als primaire interne voertaal ligt rond de 10–15%. 36% van de werknemers werkt op een werkplek waar meer dan één taal wordt gesproken. In die meertalige werkomgevingen is Engels na Nederlands de meest gebruikte taal (23%).9
Het combineren van klassikale taallessen met werken in een Nederlandstalige context zorgt ervoor dat de taal sneller wordt geleerd. Een veel gebruikte werkvorm hiervoor zijn duale trajecten. Gemeenten zorgen in de uitvoering van de Wet inburgering 2021 voor een aanbod van participatie-activiteiten. Deze schrijft bovendien voor dat deze activiteiten plaatsvinden in een Nederlandstalige omgeving.
Daarnaast zet ik via het plan van aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers ook in op het leren van de Nederlandse taal op de werkvloer. Ik ga afspraken maken met werkgevers, waarin ik nadrukkelijk de wens zal meenemen dat asielmigranten in een Nederlandstalige context behoren te werken. Daarnaast ondersteun ik initiatieven zoals van Stichting Het Begint met Taal, die werkgevers kunnen ondersteunen middels het opleiden van taalbuddies op de werkvloer.
Verder is om werkgevers te ondersteunen bij het aannemen en begeleiden van statushouders, de subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) ingericht. Deze regeling helpt werkgevers bij het overbruggen van taal- en cultuurverschillen op de werkvloer. In 2025 is in totaal € 2,8 miljoen aan subsidie verstrekt. Uit de evaluatie van het eerste tijdvak (2024) door Regioplan, opgenomen in de bijlage, blijkt dat werkgevers tevreden zijn over de regeling. Het vermindert de drempel om statushouders aan te nemen.
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Ja. Dit is staand beleid en wordt «kansrijke koppeling» genoemd. Binnen de kansrijke koppeling wordt expliciet gekeken naar factoren die de kans op snelle participatie en integratie vergroten, waaronder werk, opleiding, of de aanwezigheid van een sociaal netwerk. Als een statushouder al werk heeft, is het uitgangspunt dat bij de koppeling met een gemeente zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de regio waar die arbeid wordt verricht, zodat werk kan worden behouden en voortgezet. Deze kansrijke koppeling kan in 80% van de gevallen worden gevolgd. De koppelingssystematiek als zodanig is samen met medeoverheden vastgesteld.
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Zoals onder vraag 21 toegelicht, spelen arbeidsmarktoverwegingen een rol bij de huisvesting van statushouders, maar het is niet de enige of doorslaggevende factor. Binnen de koppeling wordt breder ook gekeken naar andere factoren zoals kwetsbaarheid of opleiding. Arbeid is dus één van de elementen die meewegen bij de plaatsing van statushouders bij gemeenten, met als doel hun integratie en participatie te bevorderen.
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
De inzet van arbeidsmarktoverwegingen bij de koppeling van statushouders aan gemeenten en vervolgens de huisvesting van deze groep staat niet op gespannen voet met het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming. Economische belangen spelen geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Ook de asielopvang en de daaropvolgende huisvesting van statushouders vloeien primair voort uit diezelfde humanitaire bescherming en de daaruit voortvloeiende wettelijke rechten.
Zoals onder vraag 3 toegelicht, is het tegelijkertijd belangrijk om te benadrukken dat binnen die kaders het wél van grote maatschappelijke waarde is om voor asielzoekers die een goede kans hebben op inwilliging van hun asielaanvraag en voor statushouders, zo goed mogelijk aansluiting te vinden met werk en participatie. Wanneer statushouders sneller en beter kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt, versterkt dat hun zelfredzaamheid en integratie. Bovendien is de samenleving als geheel gebaat bij een goede benutting van talent en arbeidspotentieel, zeker in een context van arbeidsmarktkrapte.
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Op dit moment zijn er nog geen separate middelen voor het plan van aanpak Werk en Meedoen gereserveerd. Zodra ik hier meer over weet, informeer ik uw Kamer hierover. De inzet op vergroting van de arbeidsdeelname van nieuwkomers kent, naast relatief beperkte kosten, ook potentieel grote maatschappelijke baten. Dit betreft bijvoorbeeld directe inverdieneffecten via de inkomstenbelasting, REBA-inkomsten en lagere uitkeringslasten. Acties met financiële gevolgen zullen worden vormgegeven binnen de financiële kaders van het coalitieakkoord. Daarbij zullen we ook aandacht hebben voor de (financiële) opbrengsten van het plan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake de Nederlandse economie van 13 mei 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat de economische groei van Nederland stagneert richting één procent en dat sprake is van grote onzekerheid omtrent de economische vooruitzichten?
Het IMF schrijft in het rapport dat het conflict in het Midden-Oosten aanzienlijke onzekerheid creëert rondom het toekomstige ontwikkeling van de economie. Dit geldt voor de Nederlandse economie en de wereldeconomie in den brede. Toonaangevende instituten als CPB, DNB, de grootbanken en de OESO onderschrijven deze conclusies, en zo ook het kabinet.2
De energieschok die het gevolg is van het Midden-Oosten conflict zet bovendien druk op de (wereld)economie. Volgens de ramingen van het CPB komt de bbp-groei van de Nederlandse economie in 2026 uit tussen de 0,3% en 1,0%, afhankelijk van het verdere verloop van het conflict. Deze bandbreedte is in lijn met de raming van het IMF uit het rapport.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen structurele economische groei en conjuncturele schommelingen. De verwachte vertraging van de bbp-groei in 2026 is het gevolg van een naar verwachting tijdelijke energieschok, die los staat van de structurele economische groei. In het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 raamde het CPB een bbp-groei van 1,4% voor 2026. Dit is lager dan in 2025 (1,8%) maar hoger dan in 2024 (1,1%) en 2023 (-0,6%).
Erkent het kabinet dat Nederland in toenemende mate kampt met structurele problemen die investeringen, economische groei en concurrentievermogen onder druk zetten?
Het coalitieakkoord3 onderschrijft dat er uitdagingen bestaan rondom het verdienvermogen van Nederland, conform het rapport-Wennink. Denk hierbij aan krapte op de arbeidsmarkt, netcongestie en bedrijfsfinanciering. Het is belangrijk dat bedrijven meer kunnen en willen investeren in de economie van de toekomst. Het kabinet heeft als ambitie dat Nederland het best investeringsklimaat van Europa heeft. U kunt meer lezen over de aanpak van het kabinet onder de vragen 12, 20, 26, 31, 34, en 35.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat netcongestie, een direct gevolg van de energietransitie, een «binding constraint» (lees: bindende beperking) vormt voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
De problematiek rondom netcongestie belemmert noodzakelijke investeringen voor de energietransitie. Nieuwe bedrijven of bedrijven die willen verduurzamen moeten in sommige regio’s lang wachten op een aansluiting op het elektriciteitsnet. Het kabinet zet met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie in op een versnelde aanpak om de problematiek terug te dringen, aan de hand van vier trajecten: 1) sneller uitbreiden van het elektriciteitsnet door o.a. versnellen van vergunningen en betere regionale samenwerking, 2) betere benutting van het elektriciteitsnet door grootverbruikers door o.a. in te zetten op flexcontracten en afspraken met grote stroomverbruikers, 3) betere benutting door kleinverbruikers door het stimuleren van gebruik buiten piekuren en slimmer laden van elektrische auto’s, en 4) slimmer inzicht in beschikbare netcapaciteit door het ontwikkelen van landelijke dataproducten op beter zicht te krijgen op ruimte in het net.
Hoeveel economische schade wordt naar schatting jaarlijks veroorzaakt door netcongestie met als gevolg uitgestelde aansluitingen en vertraagde investeringen?
BCG heeft in haar rapport «Klink uit de kabel» berekeningen gemaakt van de economische schade door netcongestie. Op basis van onderzoek van Ecorys (in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en data van Netbeheer Nederland heeft BCG berekend dat het oplossen van netcongestie op het laag- en middenspanningsnet zo’n 10 tot 40 miljard euro per jaar op kan leveren, verdeeld over economie, duurzaamheid en infrastructuur. Dit is gebaseerd op de bruto kostprijs, die geen rekening houdt met substitutie of adaptatie. Die bedragen kunnen nog verder oplopen als netcongestie in de komende jaren blijft toenemen en bedrijven daardoor minder investeren. Het kabinet vindt het daarom ook belangrijk om zoveel als mogelijk belemmeringen weg te nemen.
Is het antwoord op vraag 6 aanleiding voor het kabinet om haar klimaatambities terug te schroeven en de energietransitie voorlopig te staken?
Zie vraag 8.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Het antwoord op vraag 6 is aanleiding om deze economische baten te realiseren door maximaal in te zetten op het aanpakken van de netcongestieproblematiek en zo de belemmeren in de energietransitie weg te nemen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat stikstofgerelateerde beperkingen een belangrijke belemmering vormen voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Het kabinet deelt met het IMF dat de stikstofproblematiek de ontwikkeling van onze economie belemmert. Mede daarom werkt het in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof nu aan een brede en samenhangende aanpak van deze problematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Erkent het kabinet dat het huidige stikstofbeleid ertoe leidt dat woningbouw, infrastructuurprojecten, uitbreiding van industrie en economische ontwikkeling ernstig worden vertraagd?
De stikstofproblematiek leidt ertoe dat vergunningsverlening grotendeels tot stilstand is gekomen. Dit is een van de oorzaken waardoor projecten in hun ontwikkeling worden belemmerd. SEO (2025) concludeerde dat stikstofbeperkingen leiden tot uitstel en afstel van investeringen en berekende een bruto effect van stikstofbeperkingen op de omzet van bedrijven van gemiddeld 4,2 miljard per jaar. Dit onderstreept de urgentie om te komen tot een aanpak waarmee de natuur wordt hersteld en Nederland weer van het slot komt. In de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet aan een brede en samenhangende aanpak voor de stikstofproblematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 10 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om deze schadelijke ontwikkelingen een halt toe te roepen?
Het kabinet werkt in de Taskforce Landbouw Natuur en Stikstof aan een aanpak van de stikstofproblematiek. De doelstelling hiervan is om de natuur te herstellen en stikstofemissies te verminderen waardoor op termijn er weer stap voor stap ruimte komt voor vergunningsverlening. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze aanpak.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat het woningtekort ambitieuze hervormingen vereist?
Het kabinet deelt met het IMF dat het woningtekort vraagt om een ambitieuze aanpak. Mede daarom werk het kabinet al een tijd middels de Taskforce Versnellen Woningbouw aan een Actieplan Versnelling Woningbouw, met daarin de koers richting de realisatie van 100.000 woningen per jaar en de vertaling naar een operationeel plan. In september stuurt het kabinet uw Kamer het Actieplan Versnelling Woningbouw.
Welke rol speelt de bevolkingsgroei als gevolg van immigratie volgens het kabinet bij de voortdurende druk op woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen?
Migratie speelt, naast andere ontwikkelingen zoals kleinere huishoudens, toenemende mobiliteit en de klimaattransitie, een rol bij de druk op de woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen. Tegelijkertijd stelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat een gematigde bevolkingsgroei door migratie, gegeven de negatieve natuurlijke bevolkingsgroei als gevolg van geboortes en sterftes, van belang is in verband met de stagnerende beroepsbevolking en toenemende vergrijzing. Het kabinet zet zich in voor meer woningbouw én meer grip op alle vormen van migratie.
Kan het kabinet uiteenzetten hoeveel extra woningen volgens de huidige prognoses nodig zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei als gevolg van immigratie nu en in de komende tien jaar?
Het onderzoek Primos-prognose 2025 van ABF Research stelt dat van de verwachte toevoegingen aan de woningvoorraad voor de periode 2025–2039 ongeveer 45% nodig is voor de accommodatie van de bevolkingsgroei, dat voor 95% wordt gedreven door het migratiesaldo. Dat komt neer op 42,75% van de bouwopgave voor deze periode.
Daarbij geldt dat een dergelijke demografische toerekening slechts een beperkt beeld geeft van de werkelijke woningbehoefte. De behoefte aan woningen hangt niet alleen samen met de omvang van de bevolkingsgroei, maar ook met factoren als huishoudensvorming, inkomen, verblijfsduur en woonvoorkeuren. Daarnaast geldt dat de vraag naar woningen van migranten afhankelijk is van persoonlijke kenmerken, zoals o.a. verblijfsduur, en daarom niet één-op-één vergelijkbaar is met die van Nederlands ingezetenen. Laagbetaalde arbeidsmigranten delen bijvoorbeeld vaker woningen.
Deelt het kabinet de analyse dat immigratie, een belangrijke oorzaak van het woningtekort, de Nederlandse economie afremt?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Het Centraal Planbureau (CPB)4 geeft aan dat de economische effecten van migratie afhangen van individuele kenmerken zoals arbeidsparticipatie, opleidingsniveau en (complementaire) vaardigheden. Deze kenmerken verschillen per migratiemotief en per migrant, en zijn ook niet altijd zichtbaar.
Voor arbeidsmigratie concludeert het IBO Arbeidsmigratie5 op basis van het CPB-onderzoek6 aan dat de huidige samenstelling een licht positief effect heeft op de economie. Op de lange termijn is dit effect minder duidelijk omdat arbeidsmigranten en de economie zich over tijd kunnen aanpassen.
Indien het antwoord op vraag 16 ontkennend luidt, waarom niet?
Ik verwijs graag naar het antwoord op vraag 16.
Deelt het kabinet de analyse van het IMF dat de huidige coalitieplannen de lasten op arbeid verhogen, arbeidsparticipatie verminderen en loonkosten verhogen?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de analyse van het IMF. Door de maatregelen uit het coalitieakkoord stijgen de lasten op arbeid, vooral vanwege de bijdrage die van burgers en bedrijven wordt gevraagd voor extra defensie-uitgaven. Dit zorgt ervoor dat de begroting op orde blijft.
Indien het antwoord op vraag 18 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 18 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om hier verandering in te brengen?
Het kabinet neemt maatregelen om de economie structureel te versterken, zoals het oprichten van een nationale investeringsinstelling en investeringen in het onderwijs. Dergelijke maatregelen leiden op termijn tot hogere productiviteit en meer werkgelegenheid, en hebben een positief effect op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal zoals gebruikelijk de effecten van beleidsmaatregelen in de gaten houden. Het kabinet blijft zich inzetten voor een goedwerkende arbeidsmarkt.
Ook zet het kabinet zich in voor de positie van werknemers en het wegnemen van belemmeringen die mensen kunnen ervaren om (meer uren) te gaan werken (zie ook het antwoord op vraag 22).
Waarom kiest het kabinet ervoor arbeid zwaarder te belasten (via onder meer de vrijheidsbijdrage) terwijl het IMF juist waarschuwt dat hogere lasten op arbeid leiden tot minder gewerkte uren en lagere arbeidsparticipatie?
Het kabinet heeft bij de uitwerking van het akkoord keuzes moeten maken ten aanzien van de verdeling van de lasten, rekening houdend met maatschappelijke opgaven zoals defensie. De vrijheidsbijdrage is onderdeel van deze bredere afweging. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, waarbij één van de uitgangspunten is dat werken moet lonen.
Hoe verhoudt dit zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat werken moet lonen?
Het kabinet blijft het uitgangspunt hanteren dat werken moet lonen. Dit betekent dat het beleid erop is gericht dat werkenden een positieve financiële prikkel ondervinden om (meer) te werken. Zo onderzoekt het kabinet maatregelen om meer uren werken lonender te maken.
Naast de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, blijft het kabinet zich inzetten om belemmeringen weg te nemen die mensen ervaren om (meer uren) te gaan werken en het stelsel te vereenvoudigen. Zo wordt in het Nationaal Groeifonds programma Meer Uren Werk! samen met de Universiteit van Utrecht onderzocht hoe belemmeringen om te kiezen voor meer uren werken kunnen worden weggenomen. Verder zal het kabinet zoals opgeschreven in het coalitieakkoord specifieke maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het meerurenvoordeel en de arbeidskorting per uur.
Naast bovenstaande zet het kabinet de herziening van de arbeidsmarktinfrastructuur door, waarmee er in iedere arbeidsmarktregio één Werkcentrum beschikbaar komt met alle informatie rond werk en scholing voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers. Ook lanceert het kabinet het actieprogramma «NL Werkt». Dit programma is een brede aanpak gericht op het aan het werk helpen van mensen die nu nog langs de kant staan, en op het gezond en duurzaam aan het werk houden van werkenden. In het najaar informeert de Minister van Werk en Participatie uw Kamer over de contouren van dit actieprogramma. Aanvullend hierop zal de Minister van Werk en Participatie voor de zomer een nieuwe, brede aanpak over werk voor nieuwkomers met de Kamer delen.
Bent u bekend met de recente uitspraak van hoogleraar arbeids- en macro-economie Pieter Gautier2 dat ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product naar toeslagen gaat en dat dit het belastingstelsel onnodig complex maakt?
Ja.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit?
In 2026 wordt naar verwachting 23 mld. uitgegeven aan toeslagen. Het percentage bbp wat wordt uitgegeven aan toeslagen is daarmee circa 2%. Toeslagen zorgen ervoor dat vitale voorzieningen voor miljoenen mensen in Nederland betaalbaar en toegankelijk worden gemaakt. Tegelijkertijd ben ik het met het lid Schenk eens dat het belasting- en toeslagenstelsel complex is. Door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen is het ondoorzichtig en onvoorspelbaar geworden voor belastingplichtigen en ontvangers van toeslagen. Daarnaast vindt het kabinet de terugvorderingen die ontstaan problematisch. Dit heeft niet direct te maken met de hoogte van de toeslagen en belastingkortingen, maar met de inkomensafhankelijkheid en andere voorwaarden en definities. Het kabinet werkt daarom aan een stapsgewijze vereenvoudiging in het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel en meer eenvoud in de uitvoering. Dit wil het kabinet bereiken onder meer door stapsgewijs de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit te beperken.
Deelt het kabinet de analyse dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel leidt tot verstorende prikkels, hoge uitvoeringskosten en verminderde transparantie voor Nederlandse burgers en ondernemers?
Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen wat kan leiden tot terugvorderingen of nabetalingen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er een onwenselijke situaties kunnen ontstaan. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat het oplevert om meer te gaan werken.
Een van de argumenten bij de totstandkoming van het toeslagenstelsel was juist efficiëntie in de uitvoering en lagere bijbehorende kosten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de uitvoering door Dienst Toeslagen even efficiënt lijkt als de uitvoering van andere vergelijkbare uitvoeringsinstellingen. Het toeslagenstelsel gaat uit van een hoge zelfredzaamheid, maar in de praktijk is er een groep mensen die hulp nodig heeft van maatschappelijke partners om te krijgen waar ze recht op hebben en niet geconfronteerd worden met terugvorderingen.
Welke concrete stappen gaat het kabinet zetten om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven om drie sporen parallel uit te werken om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen, te beginnen met een stapsgewijze vereenvoudiging van het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel. Dit wil het kabinet bereiken door bijvoorbeeld te onderzoeken hoe begrippen en voorwaarden van inkomensondersteunende maatregelen geharmoniseerd kunnen worden, door de kinderopvangtoeslag af te schaffen en te vervangen door directe financiering van de kinderopvang en de kinderbijslag en kindgebonden budget samen te voegen in één-kindregeling. Het tweede spoor is gericht op het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Dit moet bijdragen aan het kunnen uitvoeren van een mogelijke hervorming. Tot slot komt het kabinet voor het einde van 2026 met een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd voor verschillende onderdelen. Uitgangspunten hierbij zijn op eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid en werken moet lonen.
Hoe groot verwacht het kabinet dat de totale klimaatgerelateerde uitgaven zullen zijn richting 2030 en 2050, zeker gezien het feit dat het IMF de oplopende klimaatgerelateerde uitgaven een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën noemt?
Hoeveel Rijksmiddelen er tussen 2030 en 2050 nodig zijn, is uiteindelijk afhankelijk van de beleidsmix van normerend, beprijzend en subsidiërend beleid. In het rapport Routes naar Realisatie (Aanbiedingsbrief rapport «Routes naar realisatie» | Rijksoverheid.nl) zijn illustratieve beleidspakketten uitgewerkt, die variëren in ambitie, uitgaven en lastenontwikkeling voor de klimaat en energietransitie richting 2050. Scenario’s lopen uiteen van budgetneutraal tot € 6 miljard aan additionele jaarlijkse uitgaven.
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds steeds hogere klimaatgerelateerde lasten en anderzijds het behoud van concurrentievermogen, industrie en economische groei?
Internationaal concurrerende bedrijven en met name de energie-intensieve industrie kennen uitdagingen. Hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen verzwakken de internationale concurrentiepositie. Het is essentieel in te blijven zetten op de groene transitie en nieuw verdienvermogen om ook op de lange termijn concurrerend te kunnen zijn, en minder afhankelijk te worden van de import van fossiele brandstoffen van buiten Europa. Het kabinet kiest voor een industriebeleid waarin concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid juist hand in hand gaan. Daarvoor is het ook belangrijk om de Europese markt effectief te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken of een ongelijk speelveld.
Erkent het kabinet dat hoge energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten bijdragen aan een verslechtering van het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
Energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten dragen bij aan een verslechtering van het vestigings- en investeringsklimaat als deze hoger zijn dan in andere landen. Het kabinet zet daarom in op een gelijk speelveld met buurlanden en aansluiting bij Europees beleid. Daarbij komt dat veel klimaatgerelateerde uitgaven noodzakelijke investeringen in de toekomstige energievoorziening zijn. Door de energietransitie zorgen we ervoor dat er in de toekomst veel hernieuwbare energie van eigen bodem beschikbaar is voor bedrijven. Dit houdt Nederland ook op de lange termijn juist een aantrekkelijk vestigings- en investeringsland. Ook zorgen we voor de ontwikkeling van voor Europa strategische kennis en sectoren. Op dit moment geeft Europa jaarlijks tegen de 300 miljard uit aan de import van fossiele brandstoffen. Door meer te investeren in energie van eigen bodem, kan een deel van deze middelen ook een impuls vormen voor de Europese economie en ons tegelijkertijd weerbaarder maken tegen geopolitieke spanningen.
Indien het antwoord op vraag 29 ontkennend luidt, waarom niet?
n.v.t.
Indien het antwoord op vraag 29 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat te verbeteren?
Hoge energieprijzen zijn inderdaad één van de factoren waardoor de concurrentiepositie van energie-intensieve bedrijven in Nederland is verslechterd. Daarom blijft het kabinet inzetten op het verduurzamen van de industrie, om onze afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen.
In het coalitieakkoord neemt het kabinet een aantal maatregelen om in te zetten op een concurrerende en duurzame industrie in Nederland. Zo verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten voor de industrie om elektrificatie aantrekkelijker te maken. Daarnaast worden de bestaande maatwerkafspraken voortgezet en worden nieuwe maatwerkafspraken gericht op industrieclusters en regio’s. Tot slot wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft.
Hoe beoordeelt het kabinet signalen uit de industrie dat bedrijven en investeringen Nederland verlaten vanwege hoge energiekosten, regeldruk, onzeker beleid en toenemende klimaatverplichtingen?
Het kabinet herkent het beeld niet dat er op grote schaal sprake is van vertrek van bedrijven uit Nederland.8 Het ondernemingsklimaat is de afgelopen jaren gestabiliseerd, en bij dergelijke beslissingen is het vestigingsklimaat niet altijd de aanleiding, maar spelen vaak ook bedrijfsspecifieke redenen.
Het kabinet herkent echter wel dat bedrijven tegen hoge energiekosten en regeldruk aan lopen, en onderneemt daar daarom ook actie op. Denk bijvoorbeeld aan de Aanpak Regeldruk en aan tegemoetkoming in de indirecte kostencompensatie.
Is het kabinet van mening dat het huidige economische beleid de Nederlandse concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en China verbetert?
Het kabinetsbeleid richt zich op het versterken van het verdienvermogen, innovatie en het vestigingsklimaat, binnen een context van toenemende geopolitieke concurrentie. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat Nederland open handel wil behouden, maar afhankelijkheden wil verkleinen. Daarmee gaat het eerder om weerbaarheid en brede economische kracht dan om een directe concurrentiestrategie tegenover specifieke landen.
Indien het antwoord op vraag 33 ontkennend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren?
Zoals afgesproken in het Coalitieakkoord kiest het kabinet ervoor om de Nederlandse concurrentiepositie te versterken door het verbeteren van het verdienvermogen van de economie. De nadruk ligt op een aantrekkelijker ondernemingsklimaat, met minder regeldruk, snellere besluitvorming en meer ruimte voor bedrijven om te investeren en te groeien. Daarbij wordt expliciet ingezet op het versterken van productiviteit en het stimuleren van ondernemerschap, zodat Nederland ook op lange termijn een concurrerende en innovatieve economie blijft.
Daarnaast legt het kabinet een sterke focus op toekomstgerichte investeringen, met name in innovatie, technologie en infrastructuur. Door extra inzet op R&D, sleuteltechnologieën en het wegnemen van knelpunten zoals netcongestie en arbeidsmarktkrapte, moet Nederland aantrekkelijk blijven als vestigingsland voor hoogwaardige bedrijvigheid. Het geheel is minder gericht op directe concurrentie met specifieke landen, en meer op het versterken van de structurele economische kracht van Nederland binnen een open Europese economie.
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om verdere stagnatie van de Nederlandse economie, afnemende investeringen en verlies van concurrentievermogen tegen te gaan?
Het kabinet zet zich in voor een groeidoelstelling van 1,5%, die breed wordt gedragen in het kabinetsbeleid en verder worden uitgewerkt in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Daarin richt het kabinet zich onder andere op het aanjagen van investeringen, via de oprichting van een Nationale Investeringsinstelling en Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Ook werkt het kabinet een Talenstrategie uit, gericht op beter en gerichter opleiden, het waar nodig gericht aantrekken van internationaal talent, en het sterk verankeren van up- en reskilling op de arbeidsmarkt. Verder neemt het kabinet maatregelen voor het verbeteren van economische randvoorwaarden, zoals het versnellen van vergunningverlening voor strategische projecten, structurele investeringen in regionale innovatieclusters en het versterken van de digitale infrastructuur. Daarnaast worden regeldruk en administratieve lasten verminderd via onder andere jaarlijkse vereenvoudigingswetgeving. Ook buiten deze taskforce om richt het kabinetsbeleid zich ook op belangrijke randvoorwaarden, zoals het tegengaan van netcongestie met het Wetgevingsprogramma Stroomlijnen energieprojecten en gerichte tegemoetkomingen aan de industrie, en een aanpak voor de stikstofcrisis via de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Om valorisatie te bevorderen worden de technology transfer offices van onderwijsinstellingen gebundeld in één nationale TTO, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitrol van best practices. In het onderwijs investeert het kabinet in basisvaardigheden. Zo wordt er geïnvesteerd in bewezen aanpakken zoals de rijke schooldag en voor- en vroegschoolse educatie via gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Leraren krijgen aantoonbaar meer tijd voor professionele ontwikkeling en werken met bewezen effectieve kennis om de basisvaardigheden duurzaam te verbeteren.
Deelt het kabinet de conclusie van de indiener dat uit de IMF-bevindingen blijkt dat het Nederlandse beleid omtrent klimaat (hoge kosten en investeringen), stikstof (vastlopen uitbreiding huizen en industrie), immigratie (oorzaak woningtekort) en belastingen (geen prikkel om te werken) in grote mate bijdraagt aan de stagnatie van de economie?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 36 ontkennend luidt, waarom niet?
Het IMF spreekt in het rapport niet van structurele stagnatie van de Nederlandse economie. Het IMF spreekt wel over enkele structurele economische uitdagingen, zoals netcongestie, arbeidsmarktkrapte, het woningtekort en druk op de investeringen. Het IMF schrijft dat het coalitieakkoord terecht deze uitdagingen prioriteert en spoort het kabinet aan navolging te geven de plannen uit het coalitieakkoord.
Indien het antwoord op vraag 36 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen aan het beleid omtrent klimaat, stikstof, immigratie en belastingen om de positie van Nederland te verbeteren?
Niet van toepassing.
Wat doet het kabinet in algemene zin met rapporten, adviezen en bevindingen van het IMF?
Het IMF is een internationaal gerenommeerd instituut met hoogwaardige onderzoeken. Het kabinet leest IMF-rapporten, waar ze raken aan beleid in Nederland, en weegt haar adviezen mee in de besluitvorming.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.