Mogelijke corruptie via Nederlandse brievenbusfirma’s bij Albanees resort van schoonzoon Trump |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het corruptieonderzoek naar het Albanese resort dat leidt naar Nederlandse brievenbusfirma’s?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving hierover in de media.
Deelt u de analyse dat de combinatie van grootschalige buitenlandse investeringen, zwakke institutionele controle en complexe Nederlandse eigendomsstructuren een enorm risico vormt voor de democratische controle?
Het kabinet onderschrijft in algemene zin het belang van transparantie over eigendomsstructuren en geldstromen en van adequate waarborgen tegen witwassen en corruptie. Complexe eigendomsstructuren zijn op zichzelf niet ongebruikelijk of onrechtmatig, maar kunnen het moeilijker maken om inzicht te verkrijgen in de uiteindelijke begunstigden («UBO’s») en geldstromen. Hiertegen heeft Nederland maatregelen genomen. Zo zijn juridische entiteiten verplicht hun UBO's te registreren in het UBO-register. Daarnaast hebben financiële instellingen en specifieke beroepsgroepen, waaronder trustkantoren, een poortwachtersfunctie en zijn zij verplicht cliëntonderzoek uit te voeren. Dit cliëntonderzoek houdt onder meer in dat de poortwachter de UBO verifieert en inzicht verkrijgt in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur. Het kabinet zet zich zowel nationaal als internationaal in voor verdere versterking van de transparantie van eigendomsstructuren en uiteindelijk belanghebbenden. Dit gebeurt onder meer via de implementatie van het Europese antiwitwaspakket2, waarin regels over onder meer cliëntenonderzoek en UBO-transparantie verder worden geharmoniseerd.
Deelt u de analyse dat Nederland als leverancier van brievenbusfirma’s een belangrijke spil vormt bij het wegsluizen van buitenlands geld?
Trustkantoren zijn gereguleerd via de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) en hebben een poortwachtersfunctie om integriteitsrisico’s, waaronder witwasrisico’s, te beheersen. Trustkantoren mogen uitsluitend met een door De Nederlandsche Bank (DNB) verleende vergunning trustdiensten aanbieden en staan onder doorlopend toezicht van DNB. Op 1 januari 2019 is de Wtt 2018 in werking getreden met als doelstelling een betere beheersing van integriteitsrisico's in de trustsector ten opzichte van de voorloper van de Wtt 2018.3 Dit doel was mede ingegeven door maatschappelijke zorgen naar aanleiding van onder andere de Panama Papers, de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies en de toezichtspraktijk van DNB.4 De Wtt 2018 bevat, naast een vergunningsregime voor het verlenen van trustdiensten, eisen aan een integere en beheerste bedrijfsvoering en het verrichten van cliëntenonderzoek, en voorziet in toezicht- en handhavingsbevoegdheden voor DNB.
Het kabinet markeert dat om aan integriteitsrisico’s die aan trustdienstverlening verbonden kunnen zijn de Wtt 2018 sinds de inwerkingtreding meerdere malen is gewijzigd, waardoor de verplichtingen voor trustkantoren en het toezicht op de sector aanzienlijk zijn aangescherpt. Zo is voor trustkantoren een algeheel verbod op het geven van belastingadvies5 en het optreden als doorstroomvennootschap6 ingevoerd om het faciliteren van ongewenste fiscale constructies voor belastingontwijking tegen te gaan. Nederland heeft daarnaast de afgelopen jaren ook op fiscaal gebied veel maatregelen genomen tegen belastingontwijking via doorstroomstructuren, zowel internationaal als nationaal.7 Daarnaast is de Wtt 2018 in 2022 gewijzigd om sanctierisico’s beter te mitigeren, waarbij het verboden is om trustdiensten te verlenen aan cliënten in de Russische Federatie of Belarus. Het verbod om trustdiensten te verlenen is vervolgens uitgebreid tot cliënten, doelvennootschappen en uiteindelijk belanghebbenden die zijn gevestigd in een derde-hoogrisicoland of een land dat voorkomt op de Europese lijst van niet-coöperatieve belastingjurisdicties.8 Voorts zijn maatregelen getroffen om ontwijking van de vergunningplicht tegen te gaan en de handhaving daarvan te versterken. Daartoe is onder meer de definitie van een specifieke trustdienst verduidelijkt en is de boete voor het omzeilen van trustdienstverlening, bijvoorbeeld via «opknippen» van bepaalde diensten, verhoogd. Binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC)9 wordt daarnaast een project uitgevoerd naar illegale trustdienstverlening en is een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.10 Er wordt daarnaast ook gehandhaafd. Zo heeft DNB recent bij tien bedrijven onderzoek gedaan naar het illegaal opknippen van trustdiensten en is bij drie bedrijven een overtreding vastgesteld. Bij vier bedrijven loopt het onderzoek nog, waarbij DNB handhavingsmaatregelen niet uitsluit.11
In de eerste helft van 2026 is de Wtt 2018 geëvalueerd door een extern onderzoeksbureau.12 Uit de evaluatie blijkt dat de Wtt 2018 en de daaropvolgende aanscherpingen hebben bijgedragen aan de versterking van de integriteit van de vergunninghoudende trustsector. De wetgeving is daarmee doeltreffend gebleken in het beperken van de risico's op witwassen, terrorismefinanciering en misbruik van trustdienstverlening binnen de gereguleerde sector. De onderzoekers doen geen aanbevelingen om de Wtt 2018 inhoudelijk aan te passen. Uit de evaluatie blijkt verder dat de (fiscale) maatregelen Nederland de afgelopen jaren minder aantrekkelijk hebben gemaakt als vestigingsland voor doorstroomstructuren. Dit blijkt onder meer uit een recente publicatie van DNB, waaruit volgt dat zowel het aantal financiële holdings van multinationals als het aantal trustkantoren in ongeveer tien jaar tijd bijna is gehalveerd.13 Ook blijkt de effectiviteit van de invoering van de bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden uit de afname van inkomensstromen vanuit Nederland naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.14
Voor partijen die bedrijven alleen een vestigings- of correspondentieadres ter beschikking stellen met eventueel wat kleine secretariaatswerkzaamheden (in de volksmond brievenbusfirma’s genoemd), geldt dat zij de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moeten naleven. Deze adresverleners worden ook wel aangemerkt als domicilieverleners en staan als poortwachters onder toezicht van de Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI). Tijdens de onderhandelingen over het nieuwe Europese antiwitwaspakket heeft Nederland zich ingezet voor de invoering van een registratieplicht voor domicilieverleners.15 Dat is nu ook onderdeel geworden van dit pakket, dat Nederland momenteel implementeert. Bij de implementatie van het pakket is het kabinet daarnaast voornemens om gebruik te maken van een lidstaatoptie, zodat domicilieverleners en bredere trustdienstverleners zogenoemd verscherpt cliëntenonderzoek moeten toepassen vanwege de inherente risico’s die met deze dienstverlening gepaard gaat. Hierbij zal de noodzaak voor deze verscherpte maatregelen enige tijd na inwerkingtreding geëvalueerd worden.16 De verwachting is dat het wetsvoorstel voor de implementatie van het anti-witwaspakket voor het eind van het kalenderjaar bij uw Kamer wordt ingediend.
Klopt het dat aandeelhouders zich niet bekend hoeven te maken omdat ze minder dan 25% van het project bezitten? Hoeveel beleidsvrijheid heeft Nederland om dit aan te scherpen? Bent u bereid om dit aan te scherpen?
Een aandeelhouder met 25% of meer van de aandelen of stemrechten is uiteindelijke begunstigde («UBO») van de juridische entiteit. Dat betekent niet dat personen met minder dan 25% van de aandelen of stemrechten géén UBO zijn. Wanneer een persoon op een andere manier zeggenschap heeft over een onderneming kan die persoon ook als UBO worden aangemerkt. Hierbij kan worden gedacht aan statutaire bepalingen, een benoemingsrecht of informele afspraken. Wanneer een persoon voldoet aan de eisen om als UBO te worden aangewezen, moet diegene worden ingeschreven in het UBO-register. Deze regels gelden nu al en worden aangescherpt door de nieuwe Europese antiwitwaswetgeving. In lijn met de kabinetsinzet om administratieve lasten te verminderen is ervoor gekozen om geen gebruik te maken van de lidstaatoptie om in geval van hoog risico-situaties het percentage om als UBO te worden aangemerkt te verlagen naar 15%. Het toezicht op de naleving van de UBO-regelgeving vindt risicogebaseerd plaats, zodat onnodige regeldruk wordt voorkomen in situaties met een laag risico.
Bent u bereid om proactief mee te werken aan het Albanese anticorruptie onderzoek en te zorgen dat bekend wordt wie alle aandeelhouders zijn in deze constructies?
De Minister van Justitie en Veiligheid kan geen uitspraken doen over lopende (buitenlandse) strafrechtelijke onderzoeken en mogelijke samenwerking en evenmin over entiteiten en aandeelhouders. Nederland en Albanië onderhouden een goede rechtshulprelatie. In het kader daarvan werken politie en het openbaar ministerie (OM) samen met de Albanese anti-corruptiestructuur SPAK in de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit en corruptie. Eventuele rechtshulpverzoeken die in deze samenwerking worden gedaan, worden beoordeeld en verwerkt door de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in samenwerking met het OM.
Kunt u een overzicht geven van de betrokken entiteiten met een Nederlandse link en aangeven onder welke wetgeving zij vallen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat de sector en de zelfregulering op dit moment voldoende functioneert in het algemeen belang? Welke maatregelen heeft u de afgelopen jaren genomen om de trustsector strenger te reguleren? Zijn de beoogde doelen bereikt?
Zie antwoord vraag 3.
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Ja, daar ben ik mij van bewust. In dat verband geldt dat Nederland de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking heeft genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.2 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking.
Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Met ingang van 1 januari 2020 zijn in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) de hybridemismatchmaatregen die volgen uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)4 in werking getreden.5 Er bestaat geen compleet overzicht op welke wijze belastingplichtigen hun structuur hebben aangepast naar aanleiding van ATAD2. Door de implementatie van ATAD2 en door de intrekking van het zogenoemde cv/bv-besluit per 1 januari 2020 is het fiscale voordeel van de cv/bv-structuur weggenomen. Deze maatregelen hebben hun effect gehad. Voor nieuwe cv/bv-structuren geldt dat deze sindsdien niet of nauwelijks zijn opgezet en de bestaande structuren zijn destijds vrijwel allemaal verlaten. Het beeld uit de praktijk is dat multinationals daarbij verschillende manieren hebben gekozen. Een aantal heeft de structuur in stand gelaten, maar vanuit Amerikaans perspectief gekozen voor een transparante behandeling van de CV. Omdat de CV vanuit Nederlands perspectief ook als transparant wordt behandeld, is het fiscaal voordeel weggenomen. Andere multinationals hebben de activa van de CV, waaronder vaak intellectuele activa, overgedragen aan een entiteit. In een aantal gevallen was dat de Verenigde Staten, in een aantal gevallen Nederland of andere landen. In die gevallen is de hybride mismatch opgeheven.
Er is geen systematisch overzicht van de wijze waarop multinationals hun structuur hebben aangepast om de toepassing van de maatregelen tegen de hybridemismatch te voorkomen. De Belastingdienst heeft daar ook niet in alle gevallen en in detail zicht op omdat andere landen betrokken zijn en die informatie niet in alle gevallen relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Alleen al om die reden zal een onderzoek geen compleet inzicht geven. Bovendien is in voorkomende gevallen gekozen voor een tijdelijke oplossing voorafgaand aan de implementatie van de definitieve structuur. Daarnaast volgt uit het onderzoek uit 2016 dat het niet mogelijk was om op basis van bestaande gegevens cv/bv-structuren te identificeren. Het exacte aantal kon toen niet worden bepaald.
In 2024 is een analyse uitgevoerd naar het effect van de hybridemismatchmaatregelen. In de brief van 11 december 2024 is mijn ambtsvoorganger daarop ingegaan.6 Uit deze analyse is naar voren gekomen dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken:
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
De fiscale kwalificatie van een lichaam volgt uit de nationale wet- en regelgeving van elke betrokken jurisdictie. De kwalificatie van een CV voor Singaporese belastingdoeleinden, is dus ook afhankelijk van de Singaporese fiscale kwalificatieregels.
Voor Nederlandse fiscale doeleinden is het kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen met ingang van 2025 is aangepast.7 De aanpassingen zijn er onder andere op gericht te voorkómen dat kwalificatieverschillen ontstaan. Daarmee wordt de oorzaak van hybride mismatches aangepakt. Ingevolge deze aanpassingen is ook de zelfstandige belastingplicht van de open CV komen te vervallen. Een CV is derhalve voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant, tenzij het als fonds voor gemene rekening of als omgekeerd hybride lichaam is aan te merken. De kwalificatie van een lichaam of samenwerkingsverband kan voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen deel uitmaken van de beoordeling door de inspecteur. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval en de relevante Nederlandse en Singaporese belastingwetgeving
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Het is mij niet bekend of Singapore een territoriaal belastingstelsel, of een vorm daarvan, heeft. In een territoriaal belastingstelsel is belastingheffing doorgaans gericht op binnenlands gegenereerde inkomsten en wordt buitenlands broninkomen vrijgesteld of anderszins niet in de heffing betrokken. In hoeverre een opbrengst in een territoriaal belastingstelsel wordt belast, is dus afhankelijk van de inkomenstoerekeningsregels en specifieke vrijstellingsgronden van dat stelsel. In voorkomende gevallen kan een territoriaal belastingstelsel tot gevolg hebben dat winst die wordt genoten uit deelname als vennoot in een CV niet in de belastingheffing wordt betrokken in de jurisdictie waar het territoriale belastingstelsel van toepassing is. Om vast te stellen of dit in de bevraagde structuur het geval is, is een feitelijke toetsing van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval voor de toepassing van de relevante Singaporese belastingwetgeving vereist. Ik kan hier verder in algemene zin geen uitlatingen over doen.
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
De maatregelen die volgen uit ATAD2 bestrijden belastingontwijking waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde hybridemismatches. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Met de hybridemismatchmaatregel wordt beoogd de voordelen van hybridemismatches te neutraliseren die worden veroorzaakt door de wisselwerking van (kwalificatie)verschillen tussen belastingstelsels. De maatregelen hebben tot doel om mismatches te bestrijden die hun oorsprong hebben in een hybride element. Voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen beoordeelt de inspecteur aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het concrete geval of de betaling van royalty’s leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing of een dubbele aftrek en of die uitkomst het gevolg is van een kwalificatieverschil of een verschil in toerekening tussen de betrokken jurisdicties. Als er geen sprake is van een hybride mismatch, dan beperkt ATAD2 de aftrek van royalty’s niet.
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Per 1 januari 2022 is in de Wet Vpb 1969 de belastingplichtmaatregel voor omgekeerde hybride lichamen uit ATAD2 in werking getreden.. 8 Op grond daarvan kan een naar Nederlands recht aangegaan of in Nederland gevestigd samenwerkingsverband dat in beginsel voor Nederlandse belastingwetgeving transparant is, onder omstandigheden worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb 1969.
Indien de CV als omgekeerd hybride lichaam binnenlands belastingplichtig is voor de Wet Vpb 1969, kan bij het bepalen van de winst onder omstandigheden een aftrek worden verleend voor het gedeelte van de winst van een lichaam dat in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken bij de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam die woonachtig of gevestigd zijn in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt. Van betrekking in de heffing is bijvoorbeeld geen sprake indien een betaling – op basis van de kwalificatie van die betaling – in aanmerking komt voor een belastingvrijstelling. Hiermee wordt voorkomen dat aftrek wordt verleend voor winst die niet in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken. Er kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
De Belastingdienst geeft binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit geldt ook over de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969 in een specifieke situatie. Met ingang van 1 juli 2019 is de Nederlandse rulingpraktijk aangescherpt. De wijzigingen zien op zowel de inhoud, het proces, als de transparantie. De eisen om zekerheid vooraf te kunnen krijgen zijn hierbij aangescherpt. Een van de aanscherpingen ziet erop dat naast Nederlandse besparing, ook buitenlandse belastingbesparing niet de enige dan wel doorslaggevende reden mag zijn van de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt gevraagd. Ook wordt met ingang van die datum geen zekerheid vooraf gegeven indien de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Aan het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter9 zijn per december 2023 uitzonderingen toegevoegd die het mogelijk maken om onder strikte voorwaarden toch vooroverleg te voeren terwijl niet aan alle vereisten uit paragraaf 3 onderdeel a en b wordt voldaan. Bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingontwijkende structuur binnen een zo kort mogelijk maar realistisch tijdpad volledig wordt ontmanteld of de Belastingdienst grondslag beschermende wetsartikelen wil toepassen waardoor de (Nederlandse en buitenlandse) belastingontwijkende elementen volledig worden weggenomen. De Belastingdienst beoordeelt dan ook in het kader van de behandeling van een verzoek tot internationaal vooroverleg het doel van de (rechts)handeling waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd. Uit de door de Belastingdienst gepubliceerde anonieme samenvattingen10 blijkt dat een overweging is opgenomen of het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting al dan niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de rechts)handeling(en). Indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende reden is, wordt geen zekerheid vooraf verstrekt. Van alle toegewezen, afgewezen als ingetrokken verzoeken om vooroverleg wordt een geanonimiseerde samenvatting gepubliceerd.11 Een onafhankelijke onderzoekscommissie verricht periodiek een kwalitatief onderzoek naar de door de Belastingdienst afgegeven rulings met een internationaal karakter. De samenvatting en de resultaten van het onderzoek door de onafhankelijke commissie zijn als onderdeel van de Stand van zakenbrief Belastingdienst met uw Kamer gedeeld. De onderzoekscommissie is van mening dat, net als bij de eerdere onderzoeken, de Belastingdienst bij het verstrekken van rulings binnen de kaders van wetgeving, beleid en jurisprudentie blijft, zorgvuldig en consciëntieus werkt en het kwalitatieve niveau hierbij hoog ligt. Er kan niet in algemene zin worden aangegeven of sprake is van een «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken»in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969. Ook kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan een Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Het is aan een belanghebbende op welke wijze een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. De Belastingdienst beoordeelt slechts de fiscale gevolgen van een structuur op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving, en houdt daarbij rekening met alle feiten en omstandigheden van de specifieke situatie. Voor het antwoord op de vraag of een niet naar Nederlands recht opgerichte en in het buitenland gevestigde vennootschap buitenlands belastingplichtig is in de zin van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus het geven van zekerheid vooraf mogelijk is. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter.12
Uit de gepubliceerde samenvattingen blijkt dat er zekerheid gegeven wordt over artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. In bijlage 2 van het jaarverslag van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.13 Het aantal afgegeven afspraken ten aanzien van de specifieke bepaling van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 wordt niet systematisch bijgehouden. Samenvattingen hierover zijn te herkennen, omdat bijvoorbeeld een volgende overweging is opgenomen:
«Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. Beoordeeld is of de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten met betrekking tot hun belang in X voldoen aan deze uitbreidingen. In het gegeven geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.» 14
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
In de effectmeting ATAD2 is op basis van meerdere, onafhankelijke indicatoren geconcludeerd dat de hybridemismatchmaatregelen – in samenhang met andere maatregelen – substantieel hebben bijgedragen aan het tegengaan van belastingontwijking door middel van CV/BV-structuren. De omstandigheid dat structuren met ongewenste belastingontwijking nog mogelijk kunnen zijn, doet daarbij geen afbreuk aan deze conclusie. Uit de effectenmeting is gebleken dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken.16
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Het is aan een belanghebbende hoe een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen op het moment dat een Singaporese vennootschap, bijvoorbeeld als moeder- of dochtermaatschappij, wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap, wordt betrokken in het toezicht door de Belastingdienst.
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
De wereldwijde minimumbelasting bewerkstelligt dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%, dan wordt dat verschil bijgeheven. Of de desbetreffende laagbelaste jurisdictie een minimumbelasting heeft ingevoerd is daarbij niet van belang. Andere jurisdicties die wel een minimumbelasting hebben ingevoerd kunnen ter zake van de laagbelaste jurisdictie de bijheffing heffen, indien de multinationale groep binnen de reikwijdte van hun nationale wetgeving over de wereldwijde minimumbelasting valt. Met dit samenhangend stelsel van regels worden de doelstellingen van de wereldwijde minimumbelasting gewaarborgd, namelijk een ondergrens stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten naar laagbelastende staten te verplaatsen. De wereldwijde minimumbelasting zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen. Zowel Singapore als Zwitserland hebben de regels voor de wereldwijde minimumbelasting in nationale wetgeving omgezet. Beide landen hebben op basis van het peer review proces dat op OESO-niveau is vormgegeven een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een kwalificerende binnenlandse bijheffingsmaatregel.17 Ook kennen beide landen een kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel. De status van een kwalificerende maatregel is van belang om de rangorde tussen de verschillende maatregelen te bepalen, en draagt bij aan de consistente toepassing van de regels voor de wereldwijde minimumbelasting.18
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Aangezien het hier gaat om buitenlands belastingstelsels, is het niet mogelijk concreet te antwoorden op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat in Zwitserland kwalificerende belastingtegoeden in voorkomende gevallen van toepassing kunnen zijn in kader van de minimumbelasting. De regels voor de behandeling van zogenoemde kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden maken deel uit van de OESO-modelregels inzake de wereldwijde minimumbelasting en de administratieve richtsnoeren die het IF na publicatie van de OESO-modelregels is overeengekomen.19 Onder welke voorwaarden restitueerbare belastingtegoeden kwalificeren en hoe dergelijke kwalificerende belastingtegoeden onder de regels voor de minimumbelasting dienen te worden behandeld, is derhalve internationaal afgesproken. Momenteel hebben meer dan 65 staten, waaronder Zwitserland de wereldwijde minimumbelasting ingevoerd of daartoe concrete stappen genomen.20 Het kabinet acht het van belang dat staten het samenhangend stelsel van regels rondom de wereldwijde minimumbelasting consistent implementeren. Dit om discrepanties in de toepassing van de regels te verkleinen en de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel te waarborgen. Daarnaast dienen de OESO-modelregels ook eenduidig te zijn geïmplementeerd voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces.
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting is aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen door het netto kwalificerende inkomen (noemer van de breuk).
Voor de berekening van het effectieve belastingtarief wordt een onderscheid gemaakt tussen kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende belastingtegoeden en overige belastingtegoeden. Een belastingtegoed is slechts kwalificerend indien dit restitueerbaar of verhandelbaar is als bedoeld in de wereldwijde minimumbelasting. Hiervoor gelden verschillende cumulatieve voorwaarden. Achtergrond van de regels voor belastingtegoeden in de wereldwijde minimumbelasting is dat de regels rondom de financiële verslaggeving – het uitgangspunt voor de wereldwijde minimumbelasting – geen eenduidige en verplichte behandeling kennen. Het IF heeft daarom een kader voor de behandeling voor belastingtegoeden onder de wereldwijde minimumbelasting opgesteld. Dit om te voorkomen dat de verschillende financiële verslaggevingstandaarden bepaalde voor- of nadelen voor groepen tot gevolg zouden kunnen hebben. Het verlenen van een kwalificerend belastingtegoed past derhalve binnen het internationale raamwerk van de wereldwijde minimumbelasting. Binnen dit kader hebben verschillende staten hun fiscale stimuleringsregelingen aangepast dan wel nieuwe fiscale stimuleringsmaatregelen geïntroduceerd. Dergelijke stimuleringsregelingen zijn slechts kwalificerende belastingtegoeden als aan de strikte voorwaarden van de regels rondom de wereldwijde minimumbelasting wordt voldaan.
Voor de toepassing van de wereldwijde minimumbelasting worden kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden aangemerkt als kwalificerend inkomen (verhoging van de noemer van de breuk). Deze kwalificerende belastingtegoeden hebben echter geen invloed op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk), in tegenstelling tot niet-kwalificerende belastingtegoeden die het bedrag aan betrokken belastingen verlagen. Dit betekent dat kwalificerende belastingtegoeden een geringer neerwaarts effect hebben op het effectieve belastingtarief en derhalve minder snel of in geringere mate leiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerende belastingtegoeden.21 Kwalificerende belastingtegoeden worden hiermee onder de wereldwijde minimumbelasting in grote lijnen gelijkwaardig gezien als overheidssubsidies. In voorkomende gevallen kan daarmee het effectieve tarief onder de 15% komen. Het verschil tussen een kwalificerend en niet-kwalificerend belastingtegoed kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:
Een multinationale groep valt onder de reikwijdte van de wereldwijde minimumbelasting. De uiteindelijkemoederentiteit (UME) heeft het volledige belang in groepsentiteit X Co. X Co is de enige groepsentiteit van de multinationale groep die is gevestigd in staat X. Het belastingtarief in staat X is 20%. Het kwalificerende inkomen van X Co is € 200 miljoen en de betrokken belastingen bedragen € 40 miljoen.
Omdat X Co diverse onderzoekskosten maakt voor een bedrag van € 100 miljoen, heeft X Co in staat X recht op een superaftrek van 150%. Dit belastingtegoed van € 30 miljoen (20% x € 100 miljoen x 150%) moet worden uitbetaald binnen acht jaar en is niet verhandelbaar. Hierdoor wordt dit belastingtegoed niet beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed. Onder de wereldwijde minimumbelasting-regels betekent dit dat het belastingtegoed als een negatief bestanddeel van de betrokken belastingen moet worden gezien (teller van de breuk). Het effectieve tarief bedraagt dan 5% ((€ 40 miljoen – € 30 miljoen) / € 200 miljoen). Daarmee is een bijheffing van € 20 miljoen (10% x € 200 miljoen) verschuldigd.
Wanneer het belastingtegoed wel wordt beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed, betekent dit dat het belastingtegoed als een positief bestanddeel van het kwalificerende inkomen moet worden aangemerkt. Het effectieve tarief bedraagt dan 17,4% (€ 40 miljoen / (€ 200 miljoen + € 30 miljoen)), waardoor er geen bijheffing is verschuldigd onder de wereldwijde minimumbelasting.
Afgelopen januari is een akkoord bereikt over het zogenoemde Side-by-Side pakket. Dit pakket introduceert verschillende veiligehavenregels waaronder de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel. Deze veiligehavenregel houdt in dat het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk) wordt verhoogd met het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan nader gedefinieerde kwalificerende fiscale regelingen. Het kwalificerende inkomen (noemer van de breuk) blijft ongewijzigd, in tegenstelling tot de behandeling van kwalificerende belastingtegoeden (zoals hiervoor beschreven). 22Deze veiligehavenregel bevat waarborgen om te garanderen dat deze alleen kan worden toegepast indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteit. De kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel is opgenomen in het Wetvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 dat ter internetconsultatie is gepubliceerd.23
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Aangezien het hier gaat om buitenlands recht, is het niet mogelijk concrete antwoorden te formuleren op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat het in Zwitserland onder voorwaarden mogelijk is de inbreng te waarderen op de waarde in het economische verkeer. De aftrekbaarheid van rente is in veel landen afhankelijk van een verscheidenheid aan factoren, waardoor daar niet in algemene zin een antwoord op is te geven. Afschrijvingen en renteaftrek zijn factoren die kunnen leiden tot een fiscale winst die verschilt van de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving. Daarmee kunnen zij een rol spelen bij het bepalen van het effectieve tarief voor de minimumbelasting. Voor zover de afschrijvingen en renteaftrek niet in de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving worden meegenomen maar wel in de fiscale winst, zullen zij het effectieve tarief verlagen.
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Hoe een structuur wordt opgezet, is niet aan de Nederlandse Belastingdienst. In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat in voorkomende gevallen Nederlandse belastingplichtigen immateriële activa kunnen worden verplaatst naar een Zwitserse vennootschap.
Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen met betrekking tot het onderbrengen van immateriële activa in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap, worden betrokken in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen overzicht van alle structuren, noch zijn (schattingen) aantallen van bekend bij de Belastingdienst.
Over de Nederlandse fiscale gevolgen samenhangend met een overdracht van immateriële activa kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus zekerheid vooraf mogelijk is. In het BFB zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter. In bijlage 2 van het jaarverslag24 van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.25 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgen we daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. Bovendien blijkt uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.26 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
De Belastingdienst houdt toezicht op de aftrek van rente en royalty’s door Nederlandse vennootschappen. Hierbij wordt onder andere getoetst aan artikel 8b van de Wet Vpb 1969 (zakelijkheidsbeginsel) en renteaftrekbeperkende maatregelen zoals artikel 10a van de Wet Vpb 1969. Daarnaast is in 2021 de Wet op de Bronbelasting ingevoerd waardoor, kort gezegd, betalingen aan laagbelastende staten en niet-coöperatieve jurisdicties zijn onderworpen aan de bronbelasting. Uit de monitoring van de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties blijkt dat de betalingen van rente en royalty’s aan laagbelastende jurisdicties sinds de invoering van de bronbelasting fors zijn afgenomen. Voor een overzicht verwijs ik u naar de laatste brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 15 december 2025.27
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
In de reguliere aangifte vennootschapsbelasting bestaat geen algemene verplichting om een specificatie van alle aan groepsmaatschappijen betaalde rente en royalty’s per land op te nemen. De Vpb-aangifte bevat wel vragen over onder meer renteaftrekbeperkingen, transacties met gelieerde partijen en verrekenprijzen, maar niet een standaard landenoverzicht van betaalde rente en royalty’s. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van beschikbare data een dergelijk overzicht te verstrekken. Een apart onderzoek in samenwerking met de Belastingdienst zou betekenen dat extra gegevens moeten worden opgevraagd bij een groot aantal belastingplichtigen. Een belastinginspecteur mag in beginsel altijd vragen stellen om de belastingheffing te controleren, zolang deze vragen gaan over feiten die relevant zijn voor de belastingaangifte. Het is dan ook niet mogelijk om via een dergelijk onderzoek deze cijfers te verkrijgen.
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Ook het kabinet heeft gesignaleerd dat er na implementatie van de maatregelen die volgen uit het BEPS-nog steeds risico’s op grondslaguitholling en winstverschuiving naar laagbelastende landen zijn. Het kabinet heeft daarom – naast een reeks van eerder genomen maatregelen – zelf ook unilaterale maatregelen genomen tegen belastingontwijking. Hiervoor verwijs ik kortheidshalve naar de beantwoording op vraag 19. Deze unilaterale maatregelen dwingen echter andere landen er niet toe soortgelijke maatregelen te nemen, met als gevolg dat belastingontwijking door internationaal opererende bedrijven nog steeds mogelijk blijft en slechts verschuift naar andere jurisdicties. Wereldwijde belastingontwijking moet daarom vooral internationaal gecoördineerd worden aangepakt om tot een effectieve oplossing te komen. Immers, de uitdagingen die samenhangen met belastingontwijking en de belastingheffing van multinationals, zijn veelal internationaal van aard en kunnen het beste worden aangepakt door middel van internationale afspraken, zowel bij de OESO als in de EU. Met de ingevoerde wereldwijde minimumbelasting wordt bewerkstelligd dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen euro of meer altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Aangezien het om een effectief tarief gaat dat wordt berekend per staat, is de verwachting dat een minimumbelastingtarief van 15% voldoende effectief is om belastingconcurrentie en belastingontwijking in te dammen. Het doel van de wereldwijde minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de wereldwijde minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de wereldwijde minimumbelasting een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. De systematiek van de wereldwijde minimumbelasting leidt ertoe dat in het geval een staat onvoldoende belasting heft, naar de maatstaven van de wereldwijde minimumbelasting, over bepaalde winsten er over die winst kan worden bijgeheven door een andere staat die de wereldwijde minimumbelasting heeft geïmplementeerd. Als gevolg hiervan zullen staten naar verwachting de wereldwijde minimumbelasting invoeren of hun winstbelasting zodanig aanpassen dat het effectieve belastingtarief in de praktijk uitkomt op ten minste 15%. Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
Ja.
Het niet verruimen van de hypotheekrenteaftrek |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat het maximale aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek in het huidige jaar 37,56 procent bedraagt? Klopt het dat dit kabinet voornemens was om de hypotheekrenteaftrek te verruimen naar 38,19 procent (2027) en 38,23 procent (structureel), een verruiming van € 281 miljoen?
Als logisch gevolg van de wettelijke systematiek voor het bepalen van het maximale aftrektarief voor grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrekpercentage voor grondslagverminderende posten is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief van de tweede schijf. Dat is geregeld in het tweede lid van de artikelen 2.10 en 2.10a Wet inkomstenbelasting 2001. Het maximale aftrekpercentage is vormgegeven als een tariefcorrectie. Deze tariefcorrectie komt er inderdaad in 2026 op neer dat het maximale aftrektarief 37,56% (de hoogte van het tarief van de tweede schijf) bedraagt.
Voor de komende jaren zal het kabinet de afspraken van het coalitieakkoord verwerken in de belastingwetgeving. Voor wat betreft de belastingtarieven kan dit tot gevolg hebben- vanwege de compenserende lastenverzwaring voor de lagere zorgpremies – dat het tarief in de eerste en tweede schijf stijgt. Dit is de standaardsystematiek voor de compensatie van de zorgpremies. Deze systematiek is bijvoorbeeld toegepast door het voorgaande kabinet voor de maatregelen op de zorg bij het hoofdlijnenakkoord, en gedurende de kabinetsperiode voor de besluitvorming over de zorguitgaven (onder andere in de Voorjaarsnota 2025). Ook in het kabinet daarvoor is deze systematiek gevolgd (zie bijvoorbeeld Miljoenennota 2023). Hierdoor komt de lastenverzwaring terecht bij een brede doelgroep die ook profiteert van de lagere zorgpremies, waardoor er een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld ontstaat. Als gevolg van de wettelijke systematiek beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan het tarief in de één na hoogste belastingschijf. Momenteel is dat de tweede schijf. Deze systematiek van een tariefscorrectie op de hoogste schijf, geldt sinds de afbouw is gestart in 2014. Tijdens de afbouwfase werd er telkens met een steeds groter percentage gecorrigeerd op het hoogste belastingtarief (eerst was dit met 0,5%, later werd de afbouw versneld). Vanaf het moment dat de afbouw voltooid was, is de tariefscorrectie het verschil tussen het tarief van de derde en de tweede schijf van de inkomstenbelasting.
De hoogte van de belastingtarieven voor volgend jaar loopt mee in de augustusbesluitvorming. Als de compensatie zorgpremies via het tarief in de eerste en tweede schijf in de IB zou lopen, zou naar de huidige verwachtingen, het tarief in de tweede schijf, en daarmee ook het maximale aftrektarief, 38,19% bedragen in 2027 en 38,23% structureel vanaf 2030. Deze tarieven zouden in dat geval een verhoging van 0,60%-punt in 2027 en 0,79%-punt in 2030 bevatten ten opzichte van het basispad als gevolg van de compensatie zorgpremies uit het coalitieakkoord.1
In het geval dat het maximale aftrektarief met 0,60%-punt stijgt, neemt het budgettair belang van de aftrekposten in de IB met € 235 miljoen toe in 2027. Voor specifiek de hypotheekrenteaftrek gaat het om € 183 miljoen in 2027. In 2030 is de tariefsverhoging 0,79%-punt en neemt het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek met € 281 miljoen toe.
Kunt u aangeven wat de hoogte was van de hypotheekrenteaftrek in de afgelopen tien jaar en per jaar aangeven of dit tarief wel/niet gelijk was aan het tarief tweede schijf?
In de hierna weergegeven tabel zijn de maximale aftrekpercentages en het tarief van de tweede schijf voor de laatste tien jaren opgenomen. In de periode 2020 t/m 2024 was er sprake van een gemeenschappelijk basistarief naast het toptarief.2 Tot 2020 bestonden er vier schijven in de inkomstenbelasting. Ik heb daarom voor de volledigheid ook het tarief van de schijf die qua hoogte meer overeenkomt met het huidige tarief in de tweede schijf in de tabel opgenomen.
Vanaf 2014 is deze wettelijke systematiek geïntroduceerd en vanaf 2023 is als gevolg van de wettelijke koppeling het maximale aftrekpercentage gelijk aan de hoogte van de tweede belastingschijf. In de jaren daarvoor is het maximale aftrekpercentage hoger dan het tarief in de 2e schijf. Dit komt doordat in eerdere jaren het maximale aftrektarief stapsgewijs werd afgebouwd van het toptarief naar het tarief in de één na hoogste schijf.
37,56
37,56
37,48
37,48
36,97
36,97
36,93
36,93
40
37,07
43
37,10
46
9,70
37,35
49
10,45
38,10
49,5
13,20
40,85
50
13,15
40,80
Klopt het dat de hoogte van de hypotheekrenteaftrek niet per definitie gelijk hoeft te zijn aan het tarief van de tweede schijf en dat het dus een politieke keuze is wat de hoogte is van de hypotheekrenteaftrek?
De hoogte van het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief in de tweede schijf. Deze koppeling geldt voor alle zogenoemde grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de giftenaftrek. Op dit moment is dit zo vormgegeven in zowel de wet als de ICT-systemen van de Belastingdienst. Dat betekent dat dit – omwille van uitvoerbaarheid – niet op ieder moment gewijzigd kan worden (zie ook het antwoord op vraag 4).
Klopt het dat het beleidsmatig verlagen van het maximale aftrekpercentage mogelijk is per 1 januari 2028? Klopt het dat het aanpassen van het eigenwoningforfait mogelijk is per 1 januari 2027?
Het aanpassen van het eigenwoningforfait is voor de uitvoering een parameterwijziging en zou uitvoeringstechnisch mogelijk zijn per 1 januari 2027.
Het maximale aftrektarief is op dit moment vormgegeven als een tariefscorrectie. Dit was ook zo ten tijde van de afbouw van de hypotheekrenteaftrek vanaf 2014 en vanaf 2020 de andere grondslagverminderende posten. Volgens deze systematiek was het altijd de bedoeling dat de beperking niet verder ging dan het verschil tussen de hoogste en de op een na hoogste schijf. Zoals ook te zien is in de hiervoor opgenomen tabel, gold dit ook tijdens het afbouwpad tot 2023. Naar aanleiding van de motie van de leden Grinwis en Stultiens3 heeft de Belastingdienst een quickscan opgesteld (zie de bijlage). De motie verzoekt het kabinet inzichtelijk te maken wanneer het mogelijk is het tarief voor de aftrekposten in box 1 als zelfstandige tariefknop te implementeren in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Uit de quickscan blijkt dat het voorstel een grote IV-impact heeft, en op zijn vroegst uitvoerbaar is per belastingjaar 2029.
Erkent u dan ook dat de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) wel degelijk uitvoerbaar is, dat de motie geen geld kost maar geld oplevert en dat er dus geen enkele valide reden is om de motie niet uit te voeren?
Zoals in de antwoorden op de vragen 3 en 4 aangegeven, is het minder eenvoudig om een wijziging door te voeren dan wellicht op het eerste oog gedacht kan worden. In de brief van 12 mei jl.4 staat dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft, om het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Hebt u meegekregen dat Minister Heinen aangeeft dat hij deze motie «niet kan uitvoeren»1? Kunt u nogmaals bevestigen dat deze motie wel degelijk uitvoerbaar is, dat het een politieke keuze is wat het tarief van de hypotheekrenteaftrek de komende jaren zal zijn en dat een Kamermeerderheid heeft aangegeven het huidige tarief (37,56 procent) van de hypotheekrenteaftrek niet te willen verruimen?
Vanuit uitvoeringsperspectief zijn er verschillende aspecten aan de motie. Het maximale aftrektarief loskoppelen van het tarief tweede schijf heeft een grote IV-impact, waardoor dit gewogen moet worden ten opzichte van andere beleidswensen. Andere uitwerkingen hebben geen IV-impact doordat ze aansluiten bij bestaande parameters.
Het kabinet heeft in augustus besluitvorming over de lastenkant, wat impact heeft op de belastingtarieven. Ook weegt het kabinet opties om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te verbeteren, wat ook impact heeft op het ICT-portfolio van de Belastingdienst. De uitkomst zal het kabinet met Prinsjesdag delen met uw Kamer.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat fiscaliteit van 24 juni 2026 en daarbij klip en klaar bevestigen dat u de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) gewoon zal gaan uitvoeren?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Ongewenste financiële constructies |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat uitkering van toekomstige winst door een besloten vennootschap (BV) in de regel leidt tot een gelijk bedrag aan schulden aan banken, leveranciers en consumenten?
Hoe vaak komt het volgens u voor dat ondernemingen overgaan tot het uitkeren van toekomstige winst? In welke sectoren komt dit vaak voor en bij welke financieringsmodellen?
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is als ondernemingen schulden aangaan om aandeelhouders vooruit te financieren in plaats van om te investeren?
Kunt u aangeven in hoeverre de in 2012 doorgevoerde flexibilisering van het BV-recht, waaronder de mogelijkheid om toekomstige winst uit te keren in plaats van reeds gerealiseerde winst, daadwerkelijk heeft geleid tot meer bedrijvigheid?
Bij de herziening van het BV-recht in 2012 stond voorop dat de BV een bruikbare rechtsvorm moet zijn die zoveel mogelijk tegemoetkomt aan de behoeften die in de praktijk leven. Dit sloot aan bij het streven naar wetgeving die een infrastructuur biedt waarin bedrijven de inrichting van de rechtsvorm kunnen afstemmen op de aard van ondernemingsactiviteiten.2 Onder de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht werden de kapitaalbeschermingsregels voor het bijeenbrengen van kapitaal soepeler. Zo werd het minimumkapitaalvereiste afgeschaft, net als de verplichte accountantsverklaring bij inbreng op aandelen in natura. Daarentegen zijn ook nieuwe kapitaalbeschermingsregels voor het bijeenhouden van kapitaal ingevoerd namelijk de introductie van een uitkeringstest (zie nader het antwoord op vraag 5 over deze test en de uitkering van winst aan aandeelhouders).
Over het algemeen is het moeilijk te kwantificeren of de flexibilisering van het BV-recht op zichzelf (en niet andere ontwikkelingen) tot meer bedrijvigheid heeft geleid. Wel is het zo dat in de jaren 2010–2020 een duidelijke stijging van het aantal BV’s is te zien.3 Hierbij dient de kanttekening te worden geplaatst dat een toename van het aantal BV’s niet automatisch hetzelfde is als «meer bedrijvigheid» in de zin van bijvoorbeeld extra economische activiteit, werkgelegenheid of investeringen.
Wat vindt u ervan dat het uitkeren van toekomstige winst kan leiden tot het aangaan van bedrijfsvreemde schulden ten laste van de onderneming en daarmee ten koste kan gaan van crediteuren? Zo ja, ziet u aanleiding deze mogelijkheid te beperken?
Sinds de herziening van het BV-recht geldt dat de algemene vergadering van aandeelhouders van de BV op grond van artikel 2:216 lid 1 BW in het algemeen bevoegd is om te besluiten tot vaststelling van uitkeringen. Dit geldt niet alleen voor de winst, maar ook voor uitkeringen ten laste van vrije reserves.4 De toelaatbaarheid van uitkeringen wordt onder die regeling niet meer bepaald door de aanwezigheid van een bepaald kapitaal zoals voor deze herziening, maar door de vraag of de vennootschap na de uitkering kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Op de balans zal de uitkering dan ook niet ten laste gebracht moeten worden van het gestorte kapitaal, maar moeten leiden tot een negatieve reserve. Die negatieve reserve zal vervolgens aangezuiverd moeten worden bijvoorbeeld door het maken van winst.5 Voor zover een en ander de mogelijkheid zou bieden om in de praktijk toekomstige winst uit te keren6, zijn er diverse waarborgen voor onder meer schuldeisers in de wet opgenomen. Een voorbeeld hiervan is de zogenoemde uitkeringstest uit artikel 2:216 lid 2 BW. Een besluit dat strekt tot uitkering heeft op grond van deze bepaling geen gevolgen zolang het bestuur hiervoor geen toestemming verleent. Het bestuur weigert daarbij slechts zijn medewerking indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap door uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.
Daarnaast is het de taak van bestuurders om te beoordelen of een bepaalde transactie in het belang van de vennootschap is en na te gaan of de vennootschap na het aangaan van die transactie nog in staat zal zijn de vorderingen van crediteuren te voldoen. Als het bestuur goedkeuring verleent en een uitkering plaatsvindt, terwijl het bestuur wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap door een uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders op grond van artikel 2:216 lid 3 BW hoofdelijk aansprakelijk jegens de vennootschap voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan.
Er gelden dus randvoorwaarden aan het doen van uitkeringen aan aandeelhouders. Zoals aangegeven in beantwoording van vragen hierboven, zal het kabinet in gesprek gaan met de Commissie vennootschapsrecht over of onder die randvoorwaarden uitkering van toekomstige winst juridisch mogelijk is en in de praktijk plaatsvindt, en, zo ja, of dit mogelijk onwenselijke gevolgen met zich meebrengt.
Deelt u de opvatting dat rente op schulden die zijn aangegaan ter financiering van uitkeringen aan aandeelhouders – zoals uitkeringen van toekomstige winst – in beginsel niet aftrekbaar zou moeten zijn voor de vennootschapsbelasting, en niet alleen wanneer deze rente verschuldigd is aan een verbonden lichaam zoals bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet deelt deze opvatting niet. Artikel 10a Wet Vpb 1969 beoogt fiscale winstdrainage tegen te gaan, waarbij belastingplichtigen in concernverband structuren opzetten om op gekunstelde wijze rentekosten te creëren die leiden tot aftrek in Nederland, terwijl de rentebaten niet of (zeer) laag worden belast. Overigens is de renteaftrekbeperking van artikel 15b Wet Vpb 1969 van toepassing als sprake is van excessieve schuldfinanciering ongeacht of er sprake is van groepsleningen of van leningen van derden.
Kunt u aangeven of in de ons omringende landen rechtspersonen vergelijkbaar met de Nederlandse BV de mogelijkheid hebben om onder voorwaarden toekomstige winst uit te keren?
Naar Belgisch, Luxemburgs en Frans recht is het enkel mogelijk om de werkelijk gemaakte winst uit te keren aan de aandeelhouders. Onder Duits recht is de heersende leer dat het mogelijk is om een tussentijdse winstuitkering te doen, maar slechts onder strikte voorwaarden. Daarbij geldt onder meer dat er een redelijke winstverwachting moet zijn en dat de aandeelhouders hiertoe een besluit hebben genomen.
Bent u bekend met de praktijk dat na het afschaffen van de anti-financiële-steunmaatregel voor de BV (artikel 2:207c van het BW) het bestuur in de praktijk vaak de overnameschuld garandeert, terwijl daar in de vereiste afweging tegenover geen wezenlijke tegenprestatie staat? Kunt u hierop reflecteren?
De achtergrond van anti-financiële-steunmaatregelen is te voorkomen dat restricties ten aanzien van inkoop van eigen aandelen worden vermeden, bijvoorbeeld via aankoop door derden in ruil voor het verstrekken van een lening of zekerheidsstelling door de vennootschap. Een handeling in strijd hiermee wordt als nietig aangemerkt. Voor de NV is deze anti-financiële-steunmaatregel opgenomen in artikel 2:98c BW. Tot 2012 was deze voor de BV opgenomen in artikel 2:207c BW.
Bij de flexibilisering en modernisering van het BV-recht in 2012 is de anti-financiële-steunmaatregel voor BV’s geschrapt. Een reden voor afschaffing van de anti-financiële-steunmaatregel voor de BV was dat het een ingewikkelde bepaling was die in de praktijk leidde tot onduidelijkheid over de precieze reikwijdte van de regeling. Daarnaast werd de anti-financiële-steunmaatregel uit artikel 2:207c BW niet noodzakelijk geacht voor bescherming van aandeelhouders en schuldeisers. Het verrichten van steuntransacties verschilt namelijk niet dusdanig van andere zakelijke transacties die het bestuur aangaat – bijvoorbeeld het verstrekken van leningen aan aandeelhouders, bestuurders of derden anders dan met het oog op het verwerven van aandelen – dat dit een speciale wettelijke regeling rechtvaardigt. Bij het verlenen van financiële steun is het aan het bestuur om te beoordelen of die handelingen in het belang zijn van de vennootschap en wat de gevolgen zijn voor de financiële positie van de vennootschap. Net als bij andere transacties die door het bestuur namens de vennootschap worden aangegaan, geldt de sanctie van aansprakelijkheid indien niet de vereiste zorgvuldigheid in acht wordt genomen. Dit betekent onder andere dat steuntransacties niet mogen worden aangegaan tegen voorwaarden die niet aan gebruikelijke marktvoorwaarden zijn onderworpen of zeer ongunstig uitwerken voor de vennootschap.7 Met deze aansprakelijkheidssanctie worden de belangen van de onderneming en ook de schuldeisers voldoende gewaarborgd.
Deelt u de opvatting dat de gedachte achter anti-financiële-steunmaatregelen is dat ondernemingen gevrijwaard dienen te blijven van lasten die buiten de onderneming liggen, en dat overnameschulden – die vaak zijn afgeleid van de koopsom en daarmee van toekomstige winstverwachtingen – disproportioneel kunnen zijn voor de bestaande onderneming?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met de praktijk dat een overgenomen vennootschap juridisch wordt gefuseerd met het acquisitievehikel, waardoor de overnameschuld uiteindelijk rust op de gefuseerde onderneming?
Het kabinet is bekend met de praktijk van fusies en de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam in de Estro-kinderopvangzaak8.
De opvatting van de vragenstellers deelt het kabinet niet in algemene zin. In de specifieke Estro-kinderopvangzaak geldt dat de Ondernemingskamer onder meer heeft geoordeeld dat het bestuur met betrekking tot de fusie wanbeleid heeft gevoerd. Dit staat echter los van de in algemene zin door de wet vereiste overgang van alle activa en passiva (zonder uitzonderingen) op een verkrijgende vennootschap bij een juridische fusie (zie nader het antwoord op vraag 13).
Deelt u de opvatting dat een dergelijke constructie onwenselijk is omdat hierdoor bedrijfsvreemde schulden op de onderneming worden afgewenteld, zoals onder meer aan de orde was in de Estro-kinderopvangzaak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Ziet u het als een optie om de anti-financiële-steunmaatregelen die voorheen voor de BV golden – en die nog steeds gelden voor de NV – opnieuw voor de BV in te voeren? Zo nee, waarom niet?
In antwoord hierop zij verwezen naar het antwoord op vragen 8 en 9. Om de daar genoemde redenen ziet het kabinet geen reden voor herinvoering van het verbod.
Is het wat u betreft een goed idee om juridische fusies die uiteindelijk de gefuseerde onderneming haar overnameschulden laten dragen te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De juridische fusie is een rechtshandeling waarmee het vermogen van één of meer verdwijnende rechtspersonen onder algemene titel overgaat op een bestaande of nieuw in te richten rechtspersoon. Dit wil zeggen dat alle activa en passiva mee overgaan op de verkrijgende rechtspersoon. Dit volgt in het Nederlands recht uit artikel 2:309 BW. Verder wordt de verplichte overgang van alle activa en passiva (zonder uitzonderingen) ook voorgeschreven door het Europees recht in de Vennootschapsrechtrichtlijn waar het de binnenlandse juridische fusie van NV’s en de grensoverschrijdende juridische fusie van NV’s en BV’s betreft.9 Wat het kabinet betreft is er ook geen reden om op dit principe van overgang onder algemene titel een uitzondering te maken voor overnameschulden. Een dergelijke uitzondering kan ertoe leiden dat dergelijke schulden tussen wal en schip vallen als noch de verkrijgende vennootschap noch de fuserende vennootschappen deze schuld hoeven te dragen. Verder kent Nederland waarborgen voor schuldeisers, werknemers en aandeelhouders tegen misbruik van fusies voor oneigenlijke doeleinden. Een voorbeeld hiervan is dat schuldeisers, wanneer zij door de fusie in hun verhaalsmogelijkheden beperkt worden, onder bepaalde voorwaarden zekerheid of een andere waarborg kunnen verlangen. Wanneer deze zekerheid of waarborg niet wordt verleend, kunnen schuldeisers zich op grond van artikel 2:316 BW verzetten tegen het fusieplan. Ook heeft de SER Fusiegedragsregels opgesteld met daarin regels ter bescherming van werknemers. Op grond van de Fusiegedragsregels moeten betrokken ondernemingen of organisaties de vakorganisaties op tijd informeren over de fusieplannen, zodat die organisaties invloed kunnen uitoefenen op de gevolgen voor de werknemers.10
Acht u het wenselijk de huidige anti-financiële-steunmaatregel voor de NV uit te breiden om doorleenstructuren, zoals aan de orde in de zaak Muller tegen Rabobank Katwijk, tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het verbod op financial assistance is voor NV’s reeds opgenomen in artikel 2:98c BW. Achtergrond hiervan is te voorkomen dat restricties ten aanzien van inkoop van eigen aandelen worden omzeild, bijvoorbeeld via aankoop door derden in ruil voor het verstrekken van een lening of zekerheidsstelling door de vennootschap. Dit biedt naar het oordeel van het kabinet voldoende waarborgen tegen doorleenstructuren.
Deelt u de opvatting dat wanneer persoonlijke belangen van een bestuurder niet stroken met het belang van de vennootschap, deze bestuurder zich dient te onthouden van besluitvorming? Ziet u mogelijkheden om dit principe wettelijk te borgen?
Graag bevestigt het kabinet dat uit artikel 2:129 leden 5 en 6 BW (voor de NV) en artikel 2:239 leden 5 en 6 BW (voor de BV) reeds volgt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect belang heeft dat tegenstrijdig is aan belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Daarmee is dit principe reeds wettelijk vastgelegd.
Deelt u de opvatting dat een bestuurder die aanzienlijke persoonlijke financiële belangen heeft in de vennootschap – bijvoorbeeld door lucratieve aandelenbelangen, schuldfinanciering voor de aankoop van aandelen of verplichtingen uit een aandeelhoudersovereenkomst – een verhoogd risico loopt primair in het belang van aandeelhouders te handelen en niet alle belangen van de vennootschap en haar stakeholders te wegen?
Of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft ten opzichte van de vennootschap moet, zoals hiervoor is aangegeven, worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval.11 De enkele omstandigheid dat een bestuurder een eigen (financieel) belang heeft, hoeft niet te leiden tot de kwalificatie van een tegenstrijdig belang. Er is geen sprake van een tegenstrijdig belang in de zin van het vennootschapsrecht zolang de belangen van de bestuurder parallel lopen met de belangen van de vennootschap. Zo leidt de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst met de vennootschap, het bezit van aandelen in de vennootschap of een aandeelovereenkomst niet automatisch tot een tegenstrijdig belang van de bestuurder. Wel kan het zijn dat een eigen belang, bijvoorbeeld door een wijziging van omstandigheden, een tegenstrijdig belang wordt. Dit kan het geval zijn in bijvoorbeeld een overnamesituatie. In een dergelijke situatie is oplettendheid van bestuurders gepast, bijvoorbeeld in het geval dat de bestuurder bij het slagen van de overname een vergoeding in het vooruitzicht is gesteld.12
Bent u van mening dat dergelijke regelingen kunnen leiden tot een persoonlijk belang in de zin van het vennootschapsrecht?
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u de opvatting dat dergelijke constructies het risico met zich brengen dat het stakeholdermodel feitelijk wordt ingeruild voor een aandeelhoudersmodel?
Nee, deze opvatting deelt het kabinet niet. Het Rijnlands stakeholdermodel – dat ten grondslag ligt aan het Nederlandse vennootschapsrecht – houdt in dat bestuurders zich dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (zie artikel 2:129/239 lid 5 BW). Hierbij dienen alle deelbelangen waaronder die van de aandeelhouders, werknemers, schuldeisers en klanten, te worden betrokken. Zoals in antwoord op de vragen 16 en 17 is aangegeven, is er bij door de vragenstellers genoemde constructies niet zonder meer sprake van een belang dat tegenstrijdig is ten opzichte van dit belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
Acht u het wenselijk dat de continuïteit van ondernemingen in sectoren zoals kinderopvang, ouderenzorg en gezondheidszorg in gevaar kan komen doordat deze ondernemingen worden belast met bedrijfsvreemde schulden die zijn ontstaan bij overnames, juridische fusies of uitkeringen van toekomstige winst?
Het kabinet acht het niet wenselijk dat de continuïteit van zorgaanbieders, zowel in de ouderenzorg als breder in de gezondheidszorg, en kinderopvangaanbieders in gevaar komt doordat onverantwoorde risico’s zijn genomen bij het aangaan van schulden. Dat is ongeacht de precieze ontstaansreden van deze schulden. Het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz)13 voorziet dat een zorgaanbieder niet langer onverantwoorde risico’s mag nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Hiernaast heeft het kabinet een aanscherping van het wetsvoorstel in voorbereiding van normen voor verantwoord ondernemerschap in de zorg, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal u hierover namens het kabinet in een brief voor de zomer informeren.
Met oog op de continuïteit in de kinderopvang neemt het kabinet in het wetsvoorstel financiering kinderopvang verschillende maatregelen, waaronder een verplichting om de jaarverantwoording openbaar te maken. De openbaarmaking van de jaarverantwoording heeft als doel om financiële stromen beter inzichtelijk en controleerbaar te maken. In lagere regelgeving worden regels gesteld over de inhoud en inrichting van die jaarverantwoording. Daarbij zullen ook regels worden gesteld ten aanzien van transparantie over solvabiliteit.
In welke van de ons omringende landen bestaat de mogelijkheid om een stichting of een vergelijkbare rechtspersoon om te zetten in een BV of een vergelijkbare vennootschap?
Zowel naar Belgisch als naar Frans, Duits en Luxemburgs recht is het niet mogelijk om een stichting om te zetten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. In Luxemburg kunnen stichtingen wel worden omgezet in een zogenaamde sociale-impactvennootschap (société d’impact sociétal), die zelf onder bepaalde voorwaarden de vorm kan aannemen van een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatie. Eén van de voorwaarden is dat de stichting door het bevoegde ministerie is geaccrediteerd als sociale-impactvennootschap en dat het aandelenkapitaal bij de omzetting volledig uit zogenaamde impactaandelen bestaat.
Hoe is in Nederland het toezicht geregeld op het gebruik van beklemd vermogen van stichtingen, en hoe wordt gewaarborgd dat dit vermogen wordt aangewend voor het oorspronkelijke doel van de stichting?
In Nederland geldt dat voor de omzetting van een stichting in een NV of BV een rechterlijke machtiging vereist is. Bij het beoordelen van een algemene rechterlijke machtiging voor de rechtshandeling van de omzetting (artikel 2:18 leden 4 en 5 BW) zal een rechter alle relevante aspecten een rol laten spelen, zoals de belangen van contractspartijen en van participanten. Uit hoofde van artikel 2:18 lid 6 BW geldt verder dat na omzetting van een stichting uit de statuten moet blijken dat het vermogen dat zij bij de omzetting heeft slechts met toestemming van de rechter anders mag worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Deze rechterlijke toestemming speelt een rol als het gaat om de daadwerkelijke aanwending van vermogen na de omzetting. Na omzetting van een stichting wordt het vermogen van de stichting aldus gefixeerd of beklemd. Met deze regeling wordt zeker gesteld dat het vermogen van de stichting zoals dit is op het moment van de omzetting, slechts met toestemming van de rechter voor andere doeleinden dan de (oude) doeleinden van de stichting kan worden aangewend. Voor zover het bestuur de vermogensklem doorbreekt, is de sanctie gelegen in onbehoorlijk bestuur en kan het bestuur daarop worden aangesproken. Verder is denkbaar dat bij overtreding de omgezette rechtspersoon op de voet van artikel 2:21 lid 3 wordt ontbonden omdat de rechtspersoon in ernstige mate in strijd met zijn statuten handelt.14 Zo’n ontbinding kan worden uitgesproken door de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie.
Daarnaast is voor zover een toezichthoudend orgaan is ingesteld, het diens taak om toezicht te houden op de naleving van de vermogensklem door het bestuur. Verder vindt er ook toezicht plaats door de notaris aangezien hij de akte van omzetting dient te verlijden. De notaris moet toezien op het opnemen van de vermogensklembepaling uit hoofde van Boek 2 BW en de Wet op het notarisambt.
Bent u bekend met het feit dat financiële partijen toenemende belangstelling tonen voor de overname van ondernemingen in de kinderopvang, gezondheidszorg en ouderenzorg die vaak in de vorm van een stichting opereren?
Het kabinet is bekend met een toename van financiële partijen in de zorg, zoals investeerders. Dit is overigens een fenomeen dat breed in Europa speelt.15 Het kabinet ziet hierbij zowel kansen als risico’s voor de zorg. Om te voorkomen dat de kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van zorg in het geding komen rondom overnames, heeft het kabinet een aanscherping in voorbereiding van de zorgspecifieke fusietoets waarbij fusies en overnames inhoudelijker worden getoetst door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Hiernaast stelt het kabinet met het wetsvoorstel Wibz verschillende eisen aan zorgaanbieders die zien op winstuitkering en kwaliteit om te voorkomen dat financiële belangen niet ten koste gaan van kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke zorg voor de patiënt of cliënt.
In de kinderopvang zijn geen aanwijzingen dat er op dit moment op grote schaal nieuwe financiële partijen toetreden. Wel zijn er aanwijzingen dat (grote) kinderopvangorganisaties op dit moment uitbreiden, om aan de toenemende vraag naar kinderopvang te kunnen voldoen. Het kabinet blijft de ontwikkelingen in de kinderopvang doorlopend monitoren, onder andere via het Dashboard kinderopvang van het CBS.16
Bent u bekend met signalen dat beklemd vermogen van dergelijke organisaties in de praktijk kan verwateren en uiteindelijk bij aandeelhouders terecht kan komen? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ik ben niet bekend met signalen uit de praktijk dat het beklemd vermogen uiteindelijk bij de aandeelhouders terechtkomt. Er gelden verschillende wettelijke waarborgen die voorkomen dat het vermogen wordt aangewend voor andere doeleinden dan de (oude) doeleinden van de stichting (zie hiervoor het antwoord op vraag 21).
Kunt u een overzicht verstrekken van alle stichtingen die sinds 2015 zijn omgezet in een BV, inclusief de namen van deze rechtspersonen?
Een rechtspersoon moet opgave van de omzetting in het Handelsregister doen (zie artikel 2:18 lid 7 BW). Uit het Handelsregister blijkt dat sinds 2015 231 stichtingen zijn omgezet in BV’s. Een overzicht daarvan wordt als bijlage met de beantwoording van deze Kamervragen meegestuurd. Dit betreffen openbare gegevens uit het Handelsregister.
Wat verstaat u onder «private equity»?
Private equity is de verzamelnaam voor partijen die vermogen aanbieden aan niet-beursgenoteerde ondernemingen. Investeringen vinden doorgaans plaats in de vorm van het verkrijgen van een meerderheidsaandeel. De fondsen voor dergelijke investeringen zijn hoofdzakelijk afkomstig van institutionele investeerders, zoals pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen of particulieren en worden beheerd door private equity partijen. De voornaamste bron van rendement voor de investeerders is de verkoop van de onderneming waarin zij investeren.
Wat verstaat u onder «de uitwassen van private equity» (coalitieakkoord, pagina 67)?
Onder «de uitwassen van private equity» als aangehaald in het hoofdstuk uit het regeerakkoord «Geld voor zorg naar zorg», verstaat het kabinet dat de betrokkenheid van een private investeerder ertoe leidt dat het financiële belang bij een zorgaanbieder ten koste gaat van kwalitatief goede, en toegankelijke zorg, nu en in de toekomst. Daarbij benadrukt het kabinet dat private investeerders zowel kansen als risico’s bieden voor de zorg. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Maar we moeten voorkomen dat partijen kwalitatief goede zorg ondergeschikt maken aan hun financiële positie. Bijvoorbeeld doordat partijen onnodige risico’s nemen bij bijvoorbeeld het aangaan van schulden waarbij de continuïteit in gevaar komt. Of doordat partijen bezuinigen op kwaliteit om zo kosten te besparen en zo de financiële positie te verbeteren. Daarom treft het kabinet maatregelen voor een betere balans, waarbij ruimte blijft voor verantwoord ondernemerschap in de zorg, maar uitwassen en excessen voorkomen kunnen worden.
Hoe gaat u «de uitwassen van private equity» inperken?
Het kabinet is voornemens om met de Wibz voorwaarden te stellen aan zorgaanbieders die onder andere zien op winstuitkering, onverantwoorde risico’s en het borgen van de kwaliteit van zorg. Momenteel heeft het kabinet een aanscherping van de Wibz in voorbereiding. De aanscherpingen zien op onder andere de voorwaarden voor winstuitkering, de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod en de excessen van private equity. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal namens het kabinet de Tweede Kamer hier in een brief voor de zomer over informeren. Hiernaast scherpt het kabinet de zorgspecifieke fusietoets aan, waarbij fusies en overnames meer inhoudelijk getoetst kunnen worden door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).
Ook voor de kinderopvang treft het kabinet een aantal maatregelen in het wetsvoorstel financiering kinderopvang om te borgen dat de extra middelen voor kinderopvang ook daadwerkelijk bij kinderopvang terecht komen. Voorbeeld hiervan is het verplichten van openbare jaarverantwoording.
Gemiste inkomsten door personeelstekorten bij de Belastingdienst |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Buitenhof van afgelopen zondag 11 oktober 2026 gezien?
Kunt u de bedragen op de website van de Belastingdienst over openstaande belastingschulden nader toelichten? Hoeveel van de openstaande 46 miljard euro verwacht u dat de Belastingdienst alsnog binnenkrijgt?
Klopt het dat er onvoldoende personeelscapaciteit is om de 16,5 miljard euro, waarvoor invorderingsmaatregelen zijn getroffen daadwerkelijk in te vorderen, en dat de kans groter wordt dat dit geld niet meer ingevorderd kan worden naarmate de Belastingdienst langer wacht met actie ondernemen? Klopt het dat dit bedrag jaarlijks toeneemt? Hoe duidt u de uitspraken van de heer Graaff hierover?
Klopt het dat de Belastingdienst 1.000 fte tekort komt voor alleen de invordering bij burgers en kleine bedrijven? Hoeveel fte zouden er nodig zijn om de invordering over de hele linie op orde te krijgen?
Klopt het aantal boekenonderzoeken bij bedrijven is gedaald van 26.000 in 2016 naar 8.000 nu? Wat is op dit moment de kans dat een bedrijf daadwerkelijk gecontroleerd wordt?
Hoeveel inkomsten loopt de overheid naar schatting op dit moment mis door fraude en fouten bij bedrijven en onvoldoende controle? Wat vindt u daarvan?
Klopt het dat een extra invorderaar of controleur zichzelf makkelijk terugverdient voor de Belastingdienst? Hoe komt het dan dat de Belastingdienst niet meer mensen aanneemt om dit werk te doen?
Kunt u helderheid bieden over de bezuinigingsopgave voor de Belastingdienst? Waarom is eerder aangegeven dat dit 277 miljoen euro was, en klopt het dat het nu 438 miljoen euro blijkt te zijn?
Vindt u het verstandig om zoveel te bezuinigen op de Belastingdienst, terwijl er al een tekort is aan invorderaars en controleurs, en terwijl de Belastingdienst nog steeds voor een grote moderniseringsopgave staat? Op welk onderdeel van de Belastingdienst is het wat u betreft wel geoorloofd om te bezuinigen?
Bent u bereid de voorgenomen bezuinigingen op de Belastingdienst te schrappen?
De voortgang van de Wet Werkelijk Rendement |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat er stukken zijn bij het Ministerie van Financiën waaruit blijkt dat snelle invoering van een vermogenswinstbelasting toch een optie is?1 Kunt u deze stukken delen met de Kamer?
Klopt het dat u en uw voorgangers eerder aangaven dat het invoeren van een vermogenswinstbelasting zou leiden tot meerdere jaren vertraging? Per wanneer is het volgens u wél mogelijk om een vermogenswinstbelasting in te voeren, waarbij wordt voldaan aan belangrijke randvoorwaarden zoals uitvoerbaarheid, controleerbaarheid, handhaving en juridische houdbaarheid?
Kunt u heel precies aangeven wat de totale budgettaire (cumulatieve) derving is van een vermogenswinstbelasting ten opzichte de Wet Werkelijk Rendement? Klopt het dat eventuele derving nog steeds volledig gevonden moet worden in het belastingdomein van vermogen en winst?
Wat is de exacte budgettaire derving per jaar bij uitstel van de Wet Werkelijk Rendement?
Kunt u heel precies aangeven wie er wel, dan wel niet, profiteren van eventueel uitstel van de Wet Werkelijk Rendement? Dus welke groepen hoeven bij een extra jaar tegenbewijsregeling in 2028 minder belasting te betalen dan bij de Wet Werkelijk Rendement (WWR)? Kunt u dit in elk geval aangeven voor spaarders, beleggers met een laag rendement (bijvoorbeeld twee procent), beleggers met een hoog rendement (bijvoorbeeld acht procent)?
Kunt u door middel van een grafiek of tabel inzichtelijk maken welk deel van de budgettaire derving van uitstel WWR terechtkomt bij welke vermogensdecielen?
Staat u nog steeds achter de eerder afspraak dat eventuele budgettaire derving als gevolg van uitstel van de WWR volledig moet worden gevonden in het domein vermogen/winst?
Welke varianten hebben er op tafel gelegen bij aanpassingen van de WWR de afgelopen maanden? Kunt u per variant aangeven wat de totale (cumulatieve) budgettaire derving is?
Kunt u alle dekkingsopties (inclusief budgettaire reeks) binnen het domein vermogen/winst met de Kamer delen, die de afgelopen maanden op tafel hebben gelegen ter dekking van eventuele derving in box 3?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 11 september 2026 beantwoorden?
De verrekenprijsrapporten van Shell (Shell files) |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heef u kennisgenomen van (1) de publicatie van onderzoeksplatform Follow the Money op 23 juli 2026 «Ontluisterend en illegaal»: hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen», (2) het artikel in het Financieel Dagblad van 23 juli 2026 «Shell ontliep belasting door geen winst te maken op dienstverlening vanuit Nederland», (3) het door SOMO op 23 juli 2026 gepubliceerde onderzoeksrapport «The Shell Files: Exposing how corporations can use transfer pricing to avoid taxes» en (4) het memorandum van 23 juli 2026 van hoogleraar belastingrecht Van de Streek «Shell-files: wereldwijde transfer pricing mispricing in het kader van winstbelastingen»?
Heeft u tevens kennisgenomen van de drie door Follow the Money en SOMO (gedeeltelijk) openbaar gemaakte verrekenprijsrapporten van Shell, te weten (1) WONA Crude Trading & Supply Global Transfer Pricing Report 2019, (2) Royalty Fees Transactions Shell Timur Sendirian Berhad Shell Malaysia Trading Sendirian Berhad 2017 en (3) Upstream Cost Sharing Global Transfer Pricing Report 2019?1
Bent u bereid om aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet inlichtingen te verstrekken over de zakelijkheid van de excessieve handelswinsten van Shell, die neerslaan op de Bahama’s, de arbitraire verkoopwinsten van benzine (Shell tankstations), die neerslaan in Zwitserland en de dienstverlening vanuit Nederland tegen de kostprijs?
Bent u het ermee eens dat in dit geval het staatsbelang zich niet verzet tegen het verstrekken van deze inlichtingen aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet, omdat de vertrouwelijkheid van Shells verrekenprijsrapporten niet langer in het geding is vanwege de openbaarheid van deze rapporten?
Kunt u toelichten in hoeverre er wat u betreft sprake is van «agressieve belastingontwijking», zoals hoogleraar Van de Streek schrijft, op het moment dat een oliebedrijf de eigen opgepompte olie verkoopt aan een bedrijfsonderdeel dat gevestigd is in een belastingparadijs en de olie vervolgens met veel winst verkoopt aan een ander bedrijfsonderdeel? Wat zijn volgens u andere redenen dan fiscale waarom een dergelijk handelskantoor binnen één bedrijfsgroep veel winst zou maken? Wat zijn redenen anders dan fiscale om een dergelijk handelskantoor te vestigen op de Bahama’s?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met handelskantoren van multinationals in de olie- en gasindustrie? Is het gebruikelijk dat een dergelijk handelskantoor, met een zeer beperkte personeelsbezetting, een meer dan routinematige winst behaalt?
Is er wat u betreft sprake van agressieve belastingontwijking in het geval van het handelskantoor van Shell op de Bahama’s? Kunt u deze vraag beantwoorden op basis van reeds openbare informatie uit de Shell-files, waarbij de fiscale geheimhoudingsplicht dus niet geschonden hoeft te worden?
In hoeverre vindt u dat gesproken kan worden van agressieve belastingontwijking op het moment dat een multinational al haar intellectueel eigendom onderbrengt in een belastingparadijs, zoals Zwitserland, waar slechts tien procent belasting betaald hoeft te worden over de winsten die voortvloeien uit dat intellectuele eigendom? In hoeverre is er sprake van agressieve belastingontwijking op het moment dat de hoogte van de royalties voor het intellectuele eigendom bepaald wordt op basis van een achterhaalde vuistregel, zoals de 25 procent-regel?
Is het gebruik van een dergelijke vuistregel volgens u in strijd met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met royalty’s, die een Nederlandse verkoopmaatschappij betaalt aan een gelieerde IP-company voor het gebruik van merken en logo’s? Staat de Belastingdienst toe dat de hoogte van de aftrekbare royalty’s wordt gebaseerd op vuistregels, en zo ja, welke vuistregels?
Kunt u op basis van de openbare Shell-files toelichten of de in die files beschreven situatie in strijd is met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Is daarbij sprake van belastingontwijking? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking met prioriteit zoveel mogelijk aangepakt moet worden? Wat gaat u doen om de beschreven vormen van belastingontwijking tegen te gaan?
Bent u bereid om, net zoals naar aanleiding van de Uber files in 2022, een onderzoekscommissie in te stellen met leden van de Belastingdienst aangevuld met externe deskundigen, die het handelen van de Belastingdienst bij de transacties uit de openbare verrekenprijsrapporten beoordeelt op fiscaal-juridische juistheid en rechtsstatelijkheid, waaronder eenheid van beleid?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met diensten die door Nederlandse centrale servicemaatschappijen worden verleend aan andere groepsmaatschappijen? Staat de Belastingdienst na 2022 toe dat een winstopslag achterwege blijft op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, ook als die door een aparte servicemaatschappij worden verricht? Staat de Belastingdienst bij andere diensten toe dat een kostenopslag achterwege blijft, zoals op technische diensten of adviesdiensten (managementadvies over onder andere ondernemingsstrategie)?
Zijn er in de afgelopen tien jaar situaties bekend waarbij de Belastingdienst akkoord is gegaan met het achterwege blijven van een winstopslag op andere diensten dan ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde? Zo ja, kan de Staatssecretaris deze situaties in geanonimiseerde vorm publiceren?
Klopt het dat de goedkeuring, die gold tot in 2022 om een winstopslag achterwege te laten op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, een Nederlandse veilige-havenregeling was op verrekenprijsgebied?2 Zo ja, kunt u aangeven hoeveel meldingen er bij de Belastingdienst zijn gedaan over de toepassing van deze goedkeuring op grond van de meldingsplicht voor potentieel agressieve fiscale constructies?3 Heeft de Belastingdienst na de intrekking van de goedkeuring gericht toezicht gehouden op de hoogte van de in aanmerking te nemen winstopslag?
In hoeverre bestaat volgens u het risico dat de Europese Commissie zal oordelen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun in gevallen waarin de Belastingdienst toestaat of heeft toegestaan dat diensten binnen een groep tegen kostprijs worden verricht? Wat zouden de gevolgen hiervan zijn voor Nederland? In hoeverre bestaat de risico voor de situatie zoals beschreven in de Shell-files?
Wat is de Nederlandse inbreng in het comité van de OESO voor Fiscale Zaken over de aankomende update van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen over dienstverlening?4 Neemt Nederland een standpunt in over het wel of niet in aanmerking nemen van een winstopslag?
Wat vindt u van het idee om bij het aankomende Belastingplan in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een voorschrift op te nemen dat een zakelijke prijs voor intra-groepsdienstverlening hoger is dan de kostprijs, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Zou een dergelijke verzwaarde bewijslast voor bedrijven een einde kunnen maken aan eventueel historisch gegroeide praktijken?
In hoeverre bent u het ermee eens dat het systeem van verrekenprijzen en het zakelijkheidsbeginsel structureel falen in het eerlijk toerekenen van winsten tussen landen? Ziet u mogelijkheden voor alternatieve systemen, waarmee belastingontwijking effectiever voorkomen kan worden?
Wat is de Nederlandse opstelling tijdens gesprekken en onderhandelingen over een VN-belastingverdrag? In hoeverre bent u het ermee eens dat Nederland zich constructief moet opstellen als het gaat om dit onderwerp, ook als het gaat om vervanging van OESO-afspraken door VN-afspraken? In hoeverre is dat volgens u nu het geval?
Waarom worden door de Belastingdienst (CGVP) ingenomen standpunten over transfer pricing-aangelegenheden die precedentwerking kunnen hebben of die kunnen worden opgevat als (een begin van) beleid, niet gepubliceerd?5 Bent u bereid om deze standpunten, net als kennisgroepstandpunten, voortaan openbaar te maken op de website van de Belastingdienst?
Bent u het eens met de recente constatering van belastinghoogleraar Van der Hel-Van Dijk dat de verplichting om fiscale landenrapporten (Public Country-by-Country Reporting) vanaf 2025 openbaar te maken er (helaas) niet voor zorgt dat de publieke controle op het belastinggedrag van multinationals verbetert?6
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (PRO) |
|
Berendsen , Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Mogelijke corruptie via Nederlandse brievenbusfirma’s bij Albanees resort van schoonzoon Trump |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het corruptieonderzoek naar het Albanese resort dat leidt naar Nederlandse brievenbusfirma’s?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving hierover in de media.
Deelt u de analyse dat de combinatie van grootschalige buitenlandse investeringen, zwakke institutionele controle en complexe Nederlandse eigendomsstructuren een enorm risico vormt voor de democratische controle?
Het kabinet onderschrijft in algemene zin het belang van transparantie over eigendomsstructuren en geldstromen en van adequate waarborgen tegen witwassen en corruptie. Complexe eigendomsstructuren zijn op zichzelf niet ongebruikelijk of onrechtmatig, maar kunnen het moeilijker maken om inzicht te verkrijgen in de uiteindelijke begunstigden («UBO’s») en geldstromen. Hiertegen heeft Nederland maatregelen genomen. Zo zijn juridische entiteiten verplicht hun UBO's te registreren in het UBO-register. Daarnaast hebben financiële instellingen en specifieke beroepsgroepen, waaronder trustkantoren, een poortwachtersfunctie en zijn zij verplicht cliëntonderzoek uit te voeren. Dit cliëntonderzoek houdt onder meer in dat de poortwachter de UBO verifieert en inzicht verkrijgt in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur. Het kabinet zet zich zowel nationaal als internationaal in voor verdere versterking van de transparantie van eigendomsstructuren en uiteindelijk belanghebbenden. Dit gebeurt onder meer via de implementatie van het Europese antiwitwaspakket2, waarin regels over onder meer cliëntenonderzoek en UBO-transparantie verder worden geharmoniseerd.
Deelt u de analyse dat Nederland als leverancier van brievenbusfirma’s een belangrijke spil vormt bij het wegsluizen van buitenlands geld?
Trustkantoren zijn gereguleerd via de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) en hebben een poortwachtersfunctie om integriteitsrisico’s, waaronder witwasrisico’s, te beheersen. Trustkantoren mogen uitsluitend met een door De Nederlandsche Bank (DNB) verleende vergunning trustdiensten aanbieden en staan onder doorlopend toezicht van DNB. Op 1 januari 2019 is de Wtt 2018 in werking getreden met als doelstelling een betere beheersing van integriteitsrisico's in de trustsector ten opzichte van de voorloper van de Wtt 2018.3 Dit doel was mede ingegeven door maatschappelijke zorgen naar aanleiding van onder andere de Panama Papers, de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies en de toezichtspraktijk van DNB.4 De Wtt 2018 bevat, naast een vergunningsregime voor het verlenen van trustdiensten, eisen aan een integere en beheerste bedrijfsvoering en het verrichten van cliëntenonderzoek, en voorziet in toezicht- en handhavingsbevoegdheden voor DNB.
Het kabinet markeert dat om aan integriteitsrisico’s die aan trustdienstverlening verbonden kunnen zijn de Wtt 2018 sinds de inwerkingtreding meerdere malen is gewijzigd, waardoor de verplichtingen voor trustkantoren en het toezicht op de sector aanzienlijk zijn aangescherpt. Zo is voor trustkantoren een algeheel verbod op het geven van belastingadvies5 en het optreden als doorstroomvennootschap6 ingevoerd om het faciliteren van ongewenste fiscale constructies voor belastingontwijking tegen te gaan. Nederland heeft daarnaast de afgelopen jaren ook op fiscaal gebied veel maatregelen genomen tegen belastingontwijking via doorstroomstructuren, zowel internationaal als nationaal.7 Daarnaast is de Wtt 2018 in 2022 gewijzigd om sanctierisico’s beter te mitigeren, waarbij het verboden is om trustdiensten te verlenen aan cliënten in de Russische Federatie of Belarus. Het verbod om trustdiensten te verlenen is vervolgens uitgebreid tot cliënten, doelvennootschappen en uiteindelijk belanghebbenden die zijn gevestigd in een derde-hoogrisicoland of een land dat voorkomt op de Europese lijst van niet-coöperatieve belastingjurisdicties.8 Voorts zijn maatregelen getroffen om ontwijking van de vergunningplicht tegen te gaan en de handhaving daarvan te versterken. Daartoe is onder meer de definitie van een specifieke trustdienst verduidelijkt en is de boete voor het omzeilen van trustdienstverlening, bijvoorbeeld via «opknippen» van bepaalde diensten, verhoogd. Binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC)9 wordt daarnaast een project uitgevoerd naar illegale trustdienstverlening en is een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.10 Er wordt daarnaast ook gehandhaafd. Zo heeft DNB recent bij tien bedrijven onderzoek gedaan naar het illegaal opknippen van trustdiensten en is bij drie bedrijven een overtreding vastgesteld. Bij vier bedrijven loopt het onderzoek nog, waarbij DNB handhavingsmaatregelen niet uitsluit.11
In de eerste helft van 2026 is de Wtt 2018 geëvalueerd door een extern onderzoeksbureau.12 Uit de evaluatie blijkt dat de Wtt 2018 en de daaropvolgende aanscherpingen hebben bijgedragen aan de versterking van de integriteit van de vergunninghoudende trustsector. De wetgeving is daarmee doeltreffend gebleken in het beperken van de risico's op witwassen, terrorismefinanciering en misbruik van trustdienstverlening binnen de gereguleerde sector. De onderzoekers doen geen aanbevelingen om de Wtt 2018 inhoudelijk aan te passen. Uit de evaluatie blijkt verder dat de (fiscale) maatregelen Nederland de afgelopen jaren minder aantrekkelijk hebben gemaakt als vestigingsland voor doorstroomstructuren. Dit blijkt onder meer uit een recente publicatie van DNB, waaruit volgt dat zowel het aantal financiële holdings van multinationals als het aantal trustkantoren in ongeveer tien jaar tijd bijna is gehalveerd.13 Ook blijkt de effectiviteit van de invoering van de bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden uit de afname van inkomensstromen vanuit Nederland naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.14
Voor partijen die bedrijven alleen een vestigings- of correspondentieadres ter beschikking stellen met eventueel wat kleine secretariaatswerkzaamheden (in de volksmond brievenbusfirma’s genoemd), geldt dat zij de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moeten naleven. Deze adresverleners worden ook wel aangemerkt als domicilieverleners en staan als poortwachters onder toezicht van de Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI). Tijdens de onderhandelingen over het nieuwe Europese antiwitwaspakket heeft Nederland zich ingezet voor de invoering van een registratieplicht voor domicilieverleners.15 Dat is nu ook onderdeel geworden van dit pakket, dat Nederland momenteel implementeert. Bij de implementatie van het pakket is het kabinet daarnaast voornemens om gebruik te maken van een lidstaatoptie, zodat domicilieverleners en bredere trustdienstverleners zogenoemd verscherpt cliëntenonderzoek moeten toepassen vanwege de inherente risico’s die met deze dienstverlening gepaard gaat. Hierbij zal de noodzaak voor deze verscherpte maatregelen enige tijd na inwerkingtreding geëvalueerd worden.16 De verwachting is dat het wetsvoorstel voor de implementatie van het anti-witwaspakket voor het eind van het kalenderjaar bij uw Kamer wordt ingediend.
Klopt het dat aandeelhouders zich niet bekend hoeven te maken omdat ze minder dan 25% van het project bezitten? Hoeveel beleidsvrijheid heeft Nederland om dit aan te scherpen? Bent u bereid om dit aan te scherpen?
Een aandeelhouder met 25% of meer van de aandelen of stemrechten is uiteindelijke begunstigde («UBO») van de juridische entiteit. Dat betekent niet dat personen met minder dan 25% van de aandelen of stemrechten géén UBO zijn. Wanneer een persoon op een andere manier zeggenschap heeft over een onderneming kan die persoon ook als UBO worden aangemerkt. Hierbij kan worden gedacht aan statutaire bepalingen, een benoemingsrecht of informele afspraken. Wanneer een persoon voldoet aan de eisen om als UBO te worden aangewezen, moet diegene worden ingeschreven in het UBO-register. Deze regels gelden nu al en worden aangescherpt door de nieuwe Europese antiwitwaswetgeving. In lijn met de kabinetsinzet om administratieve lasten te verminderen is ervoor gekozen om geen gebruik te maken van de lidstaatoptie om in geval van hoog risico-situaties het percentage om als UBO te worden aangemerkt te verlagen naar 15%. Het toezicht op de naleving van de UBO-regelgeving vindt risicogebaseerd plaats, zodat onnodige regeldruk wordt voorkomen in situaties met een laag risico.
Bent u bereid om proactief mee te werken aan het Albanese anticorruptie onderzoek en te zorgen dat bekend wordt wie alle aandeelhouders zijn in deze constructies?
De Minister van Justitie en Veiligheid kan geen uitspraken doen over lopende (buitenlandse) strafrechtelijke onderzoeken en mogelijke samenwerking en evenmin over entiteiten en aandeelhouders. Nederland en Albanië onderhouden een goede rechtshulprelatie. In het kader daarvan werken politie en het openbaar ministerie (OM) samen met de Albanese anti-corruptiestructuur SPAK in de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit en corruptie. Eventuele rechtshulpverzoeken die in deze samenwerking worden gedaan, worden beoordeeld en verwerkt door de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in samenwerking met het OM.
Kunt u een overzicht geven van de betrokken entiteiten met een Nederlandse link en aangeven onder welke wetgeving zij vallen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat de sector en de zelfregulering op dit moment voldoende functioneert in het algemeen belang? Welke maatregelen heeft u de afgelopen jaren genomen om de trustsector strenger te reguleren? Zijn de beoogde doelen bereikt?
Zie antwoord vraag 3.
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Ja, daar ben ik mij van bewust. In dat verband geldt dat Nederland de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking heeft genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.2 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking.
Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Met ingang van 1 januari 2020 zijn in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) de hybridemismatchmaatregen die volgen uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)4 in werking getreden.5 Er bestaat geen compleet overzicht op welke wijze belastingplichtigen hun structuur hebben aangepast naar aanleiding van ATAD2. Door de implementatie van ATAD2 en door de intrekking van het zogenoemde cv/bv-besluit per 1 januari 2020 is het fiscale voordeel van de cv/bv-structuur weggenomen. Deze maatregelen hebben hun effect gehad. Voor nieuwe cv/bv-structuren geldt dat deze sindsdien niet of nauwelijks zijn opgezet en de bestaande structuren zijn destijds vrijwel allemaal verlaten. Het beeld uit de praktijk is dat multinationals daarbij verschillende manieren hebben gekozen. Een aantal heeft de structuur in stand gelaten, maar vanuit Amerikaans perspectief gekozen voor een transparante behandeling van de CV. Omdat de CV vanuit Nederlands perspectief ook als transparant wordt behandeld, is het fiscaal voordeel weggenomen. Andere multinationals hebben de activa van de CV, waaronder vaak intellectuele activa, overgedragen aan een entiteit. In een aantal gevallen was dat de Verenigde Staten, in een aantal gevallen Nederland of andere landen. In die gevallen is de hybride mismatch opgeheven.
Er is geen systematisch overzicht van de wijze waarop multinationals hun structuur hebben aangepast om de toepassing van de maatregelen tegen de hybridemismatch te voorkomen. De Belastingdienst heeft daar ook niet in alle gevallen en in detail zicht op omdat andere landen betrokken zijn en die informatie niet in alle gevallen relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Alleen al om die reden zal een onderzoek geen compleet inzicht geven. Bovendien is in voorkomende gevallen gekozen voor een tijdelijke oplossing voorafgaand aan de implementatie van de definitieve structuur. Daarnaast volgt uit het onderzoek uit 2016 dat het niet mogelijk was om op basis van bestaande gegevens cv/bv-structuren te identificeren. Het exacte aantal kon toen niet worden bepaald.
In 2024 is een analyse uitgevoerd naar het effect van de hybridemismatchmaatregelen. In de brief van 11 december 2024 is mijn ambtsvoorganger daarop ingegaan.6 Uit deze analyse is naar voren gekomen dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken:
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
De fiscale kwalificatie van een lichaam volgt uit de nationale wet- en regelgeving van elke betrokken jurisdictie. De kwalificatie van een CV voor Singaporese belastingdoeleinden, is dus ook afhankelijk van de Singaporese fiscale kwalificatieregels.
Voor Nederlandse fiscale doeleinden is het kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen met ingang van 2025 is aangepast.7 De aanpassingen zijn er onder andere op gericht te voorkómen dat kwalificatieverschillen ontstaan. Daarmee wordt de oorzaak van hybride mismatches aangepakt. Ingevolge deze aanpassingen is ook de zelfstandige belastingplicht van de open CV komen te vervallen. Een CV is derhalve voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant, tenzij het als fonds voor gemene rekening of als omgekeerd hybride lichaam is aan te merken. De kwalificatie van een lichaam of samenwerkingsverband kan voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen deel uitmaken van de beoordeling door de inspecteur. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval en de relevante Nederlandse en Singaporese belastingwetgeving
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Het is mij niet bekend of Singapore een territoriaal belastingstelsel, of een vorm daarvan, heeft. In een territoriaal belastingstelsel is belastingheffing doorgaans gericht op binnenlands gegenereerde inkomsten en wordt buitenlands broninkomen vrijgesteld of anderszins niet in de heffing betrokken. In hoeverre een opbrengst in een territoriaal belastingstelsel wordt belast, is dus afhankelijk van de inkomenstoerekeningsregels en specifieke vrijstellingsgronden van dat stelsel. In voorkomende gevallen kan een territoriaal belastingstelsel tot gevolg hebben dat winst die wordt genoten uit deelname als vennoot in een CV niet in de belastingheffing wordt betrokken in de jurisdictie waar het territoriale belastingstelsel van toepassing is. Om vast te stellen of dit in de bevraagde structuur het geval is, is een feitelijke toetsing van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval voor de toepassing van de relevante Singaporese belastingwetgeving vereist. Ik kan hier verder in algemene zin geen uitlatingen over doen.
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
De maatregelen die volgen uit ATAD2 bestrijden belastingontwijking waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde hybridemismatches. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Met de hybridemismatchmaatregel wordt beoogd de voordelen van hybridemismatches te neutraliseren die worden veroorzaakt door de wisselwerking van (kwalificatie)verschillen tussen belastingstelsels. De maatregelen hebben tot doel om mismatches te bestrijden die hun oorsprong hebben in een hybride element. Voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen beoordeelt de inspecteur aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het concrete geval of de betaling van royalty’s leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing of een dubbele aftrek en of die uitkomst het gevolg is van een kwalificatieverschil of een verschil in toerekening tussen de betrokken jurisdicties. Als er geen sprake is van een hybride mismatch, dan beperkt ATAD2 de aftrek van royalty’s niet.
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Per 1 januari 2022 is in de Wet Vpb 1969 de belastingplichtmaatregel voor omgekeerde hybride lichamen uit ATAD2 in werking getreden.. 8 Op grond daarvan kan een naar Nederlands recht aangegaan of in Nederland gevestigd samenwerkingsverband dat in beginsel voor Nederlandse belastingwetgeving transparant is, onder omstandigheden worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb 1969.
Indien de CV als omgekeerd hybride lichaam binnenlands belastingplichtig is voor de Wet Vpb 1969, kan bij het bepalen van de winst onder omstandigheden een aftrek worden verleend voor het gedeelte van de winst van een lichaam dat in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken bij de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam die woonachtig of gevestigd zijn in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt. Van betrekking in de heffing is bijvoorbeeld geen sprake indien een betaling – op basis van de kwalificatie van die betaling – in aanmerking komt voor een belastingvrijstelling. Hiermee wordt voorkomen dat aftrek wordt verleend voor winst die niet in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken. Er kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
De Belastingdienst geeft binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit geldt ook over de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969 in een specifieke situatie. Met ingang van 1 juli 2019 is de Nederlandse rulingpraktijk aangescherpt. De wijzigingen zien op zowel de inhoud, het proces, als de transparantie. De eisen om zekerheid vooraf te kunnen krijgen zijn hierbij aangescherpt. Een van de aanscherpingen ziet erop dat naast Nederlandse besparing, ook buitenlandse belastingbesparing niet de enige dan wel doorslaggevende reden mag zijn van de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt gevraagd. Ook wordt met ingang van die datum geen zekerheid vooraf gegeven indien de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Aan het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter9 zijn per december 2023 uitzonderingen toegevoegd die het mogelijk maken om onder strikte voorwaarden toch vooroverleg te voeren terwijl niet aan alle vereisten uit paragraaf 3 onderdeel a en b wordt voldaan. Bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingontwijkende structuur binnen een zo kort mogelijk maar realistisch tijdpad volledig wordt ontmanteld of de Belastingdienst grondslag beschermende wetsartikelen wil toepassen waardoor de (Nederlandse en buitenlandse) belastingontwijkende elementen volledig worden weggenomen. De Belastingdienst beoordeelt dan ook in het kader van de behandeling van een verzoek tot internationaal vooroverleg het doel van de (rechts)handeling waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd. Uit de door de Belastingdienst gepubliceerde anonieme samenvattingen10 blijkt dat een overweging is opgenomen of het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting al dan niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de rechts)handeling(en). Indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende reden is, wordt geen zekerheid vooraf verstrekt. Van alle toegewezen, afgewezen als ingetrokken verzoeken om vooroverleg wordt een geanonimiseerde samenvatting gepubliceerd.11 Een onafhankelijke onderzoekscommissie verricht periodiek een kwalitatief onderzoek naar de door de Belastingdienst afgegeven rulings met een internationaal karakter. De samenvatting en de resultaten van het onderzoek door de onafhankelijke commissie zijn als onderdeel van de Stand van zakenbrief Belastingdienst met uw Kamer gedeeld. De onderzoekscommissie is van mening dat, net als bij de eerdere onderzoeken, de Belastingdienst bij het verstrekken van rulings binnen de kaders van wetgeving, beleid en jurisprudentie blijft, zorgvuldig en consciëntieus werkt en het kwalitatieve niveau hierbij hoog ligt. Er kan niet in algemene zin worden aangegeven of sprake is van een «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken»in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969. Ook kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan een Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Het is aan een belanghebbende op welke wijze een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. De Belastingdienst beoordeelt slechts de fiscale gevolgen van een structuur op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving, en houdt daarbij rekening met alle feiten en omstandigheden van de specifieke situatie. Voor het antwoord op de vraag of een niet naar Nederlands recht opgerichte en in het buitenland gevestigde vennootschap buitenlands belastingplichtig is in de zin van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus het geven van zekerheid vooraf mogelijk is. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter.12
Uit de gepubliceerde samenvattingen blijkt dat er zekerheid gegeven wordt over artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. In bijlage 2 van het jaarverslag van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.13 Het aantal afgegeven afspraken ten aanzien van de specifieke bepaling van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 wordt niet systematisch bijgehouden. Samenvattingen hierover zijn te herkennen, omdat bijvoorbeeld een volgende overweging is opgenomen:
«Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. Beoordeeld is of de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten met betrekking tot hun belang in X voldoen aan deze uitbreidingen. In het gegeven geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.» 14
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
In de effectmeting ATAD2 is op basis van meerdere, onafhankelijke indicatoren geconcludeerd dat de hybridemismatchmaatregelen – in samenhang met andere maatregelen – substantieel hebben bijgedragen aan het tegengaan van belastingontwijking door middel van CV/BV-structuren. De omstandigheid dat structuren met ongewenste belastingontwijking nog mogelijk kunnen zijn, doet daarbij geen afbreuk aan deze conclusie. Uit de effectenmeting is gebleken dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken.16
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Het is aan een belanghebbende hoe een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen op het moment dat een Singaporese vennootschap, bijvoorbeeld als moeder- of dochtermaatschappij, wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap, wordt betrokken in het toezicht door de Belastingdienst.
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
De wereldwijde minimumbelasting bewerkstelligt dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%, dan wordt dat verschil bijgeheven. Of de desbetreffende laagbelaste jurisdictie een minimumbelasting heeft ingevoerd is daarbij niet van belang. Andere jurisdicties die wel een minimumbelasting hebben ingevoerd kunnen ter zake van de laagbelaste jurisdictie de bijheffing heffen, indien de multinationale groep binnen de reikwijdte van hun nationale wetgeving over de wereldwijde minimumbelasting valt. Met dit samenhangend stelsel van regels worden de doelstellingen van de wereldwijde minimumbelasting gewaarborgd, namelijk een ondergrens stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten naar laagbelastende staten te verplaatsen. De wereldwijde minimumbelasting zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen. Zowel Singapore als Zwitserland hebben de regels voor de wereldwijde minimumbelasting in nationale wetgeving omgezet. Beide landen hebben op basis van het peer review proces dat op OESO-niveau is vormgegeven een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een kwalificerende binnenlandse bijheffingsmaatregel.17 Ook kennen beide landen een kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel. De status van een kwalificerende maatregel is van belang om de rangorde tussen de verschillende maatregelen te bepalen, en draagt bij aan de consistente toepassing van de regels voor de wereldwijde minimumbelasting.18
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Aangezien het hier gaat om buitenlands belastingstelsels, is het niet mogelijk concreet te antwoorden op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat in Zwitserland kwalificerende belastingtegoeden in voorkomende gevallen van toepassing kunnen zijn in kader van de minimumbelasting. De regels voor de behandeling van zogenoemde kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden maken deel uit van de OESO-modelregels inzake de wereldwijde minimumbelasting en de administratieve richtsnoeren die het IF na publicatie van de OESO-modelregels is overeengekomen.19 Onder welke voorwaarden restitueerbare belastingtegoeden kwalificeren en hoe dergelijke kwalificerende belastingtegoeden onder de regels voor de minimumbelasting dienen te worden behandeld, is derhalve internationaal afgesproken. Momenteel hebben meer dan 65 staten, waaronder Zwitserland de wereldwijde minimumbelasting ingevoerd of daartoe concrete stappen genomen.20 Het kabinet acht het van belang dat staten het samenhangend stelsel van regels rondom de wereldwijde minimumbelasting consistent implementeren. Dit om discrepanties in de toepassing van de regels te verkleinen en de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel te waarborgen. Daarnaast dienen de OESO-modelregels ook eenduidig te zijn geïmplementeerd voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces.
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting is aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen door het netto kwalificerende inkomen (noemer van de breuk).
Voor de berekening van het effectieve belastingtarief wordt een onderscheid gemaakt tussen kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende belastingtegoeden en overige belastingtegoeden. Een belastingtegoed is slechts kwalificerend indien dit restitueerbaar of verhandelbaar is als bedoeld in de wereldwijde minimumbelasting. Hiervoor gelden verschillende cumulatieve voorwaarden. Achtergrond van de regels voor belastingtegoeden in de wereldwijde minimumbelasting is dat de regels rondom de financiële verslaggeving – het uitgangspunt voor de wereldwijde minimumbelasting – geen eenduidige en verplichte behandeling kennen. Het IF heeft daarom een kader voor de behandeling voor belastingtegoeden onder de wereldwijde minimumbelasting opgesteld. Dit om te voorkomen dat de verschillende financiële verslaggevingstandaarden bepaalde voor- of nadelen voor groepen tot gevolg zouden kunnen hebben. Het verlenen van een kwalificerend belastingtegoed past derhalve binnen het internationale raamwerk van de wereldwijde minimumbelasting. Binnen dit kader hebben verschillende staten hun fiscale stimuleringsregelingen aangepast dan wel nieuwe fiscale stimuleringsmaatregelen geïntroduceerd. Dergelijke stimuleringsregelingen zijn slechts kwalificerende belastingtegoeden als aan de strikte voorwaarden van de regels rondom de wereldwijde minimumbelasting wordt voldaan.
Voor de toepassing van de wereldwijde minimumbelasting worden kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden aangemerkt als kwalificerend inkomen (verhoging van de noemer van de breuk). Deze kwalificerende belastingtegoeden hebben echter geen invloed op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk), in tegenstelling tot niet-kwalificerende belastingtegoeden die het bedrag aan betrokken belastingen verlagen. Dit betekent dat kwalificerende belastingtegoeden een geringer neerwaarts effect hebben op het effectieve belastingtarief en derhalve minder snel of in geringere mate leiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerende belastingtegoeden.21 Kwalificerende belastingtegoeden worden hiermee onder de wereldwijde minimumbelasting in grote lijnen gelijkwaardig gezien als overheidssubsidies. In voorkomende gevallen kan daarmee het effectieve tarief onder de 15% komen. Het verschil tussen een kwalificerend en niet-kwalificerend belastingtegoed kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:
Een multinationale groep valt onder de reikwijdte van de wereldwijde minimumbelasting. De uiteindelijkemoederentiteit (UME) heeft het volledige belang in groepsentiteit X Co. X Co is de enige groepsentiteit van de multinationale groep die is gevestigd in staat X. Het belastingtarief in staat X is 20%. Het kwalificerende inkomen van X Co is € 200 miljoen en de betrokken belastingen bedragen € 40 miljoen.
Omdat X Co diverse onderzoekskosten maakt voor een bedrag van € 100 miljoen, heeft X Co in staat X recht op een superaftrek van 150%. Dit belastingtegoed van € 30 miljoen (20% x € 100 miljoen x 150%) moet worden uitbetaald binnen acht jaar en is niet verhandelbaar. Hierdoor wordt dit belastingtegoed niet beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed. Onder de wereldwijde minimumbelasting-regels betekent dit dat het belastingtegoed als een negatief bestanddeel van de betrokken belastingen moet worden gezien (teller van de breuk). Het effectieve tarief bedraagt dan 5% ((€ 40 miljoen – € 30 miljoen) / € 200 miljoen). Daarmee is een bijheffing van € 20 miljoen (10% x € 200 miljoen) verschuldigd.
Wanneer het belastingtegoed wel wordt beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed, betekent dit dat het belastingtegoed als een positief bestanddeel van het kwalificerende inkomen moet worden aangemerkt. Het effectieve tarief bedraagt dan 17,4% (€ 40 miljoen / (€ 200 miljoen + € 30 miljoen)), waardoor er geen bijheffing is verschuldigd onder de wereldwijde minimumbelasting.
Afgelopen januari is een akkoord bereikt over het zogenoemde Side-by-Side pakket. Dit pakket introduceert verschillende veiligehavenregels waaronder de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel. Deze veiligehavenregel houdt in dat het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk) wordt verhoogd met het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan nader gedefinieerde kwalificerende fiscale regelingen. Het kwalificerende inkomen (noemer van de breuk) blijft ongewijzigd, in tegenstelling tot de behandeling van kwalificerende belastingtegoeden (zoals hiervoor beschreven). 22Deze veiligehavenregel bevat waarborgen om te garanderen dat deze alleen kan worden toegepast indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteit. De kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel is opgenomen in het Wetvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 dat ter internetconsultatie is gepubliceerd.23
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Aangezien het hier gaat om buitenlands recht, is het niet mogelijk concrete antwoorden te formuleren op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat het in Zwitserland onder voorwaarden mogelijk is de inbreng te waarderen op de waarde in het economische verkeer. De aftrekbaarheid van rente is in veel landen afhankelijk van een verscheidenheid aan factoren, waardoor daar niet in algemene zin een antwoord op is te geven. Afschrijvingen en renteaftrek zijn factoren die kunnen leiden tot een fiscale winst die verschilt van de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving. Daarmee kunnen zij een rol spelen bij het bepalen van het effectieve tarief voor de minimumbelasting. Voor zover de afschrijvingen en renteaftrek niet in de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving worden meegenomen maar wel in de fiscale winst, zullen zij het effectieve tarief verlagen.
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Hoe een structuur wordt opgezet, is niet aan de Nederlandse Belastingdienst. In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat in voorkomende gevallen Nederlandse belastingplichtigen immateriële activa kunnen worden verplaatst naar een Zwitserse vennootschap.
Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen met betrekking tot het onderbrengen van immateriële activa in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap, worden betrokken in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen overzicht van alle structuren, noch zijn (schattingen) aantallen van bekend bij de Belastingdienst.
Over de Nederlandse fiscale gevolgen samenhangend met een overdracht van immateriële activa kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus zekerheid vooraf mogelijk is. In het BFB zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter. In bijlage 2 van het jaarverslag24 van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.25 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgen we daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. Bovendien blijkt uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.26 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
De Belastingdienst houdt toezicht op de aftrek van rente en royalty’s door Nederlandse vennootschappen. Hierbij wordt onder andere getoetst aan artikel 8b van de Wet Vpb 1969 (zakelijkheidsbeginsel) en renteaftrekbeperkende maatregelen zoals artikel 10a van de Wet Vpb 1969. Daarnaast is in 2021 de Wet op de Bronbelasting ingevoerd waardoor, kort gezegd, betalingen aan laagbelastende staten en niet-coöperatieve jurisdicties zijn onderworpen aan de bronbelasting. Uit de monitoring van de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties blijkt dat de betalingen van rente en royalty’s aan laagbelastende jurisdicties sinds de invoering van de bronbelasting fors zijn afgenomen. Voor een overzicht verwijs ik u naar de laatste brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 15 december 2025.27
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
In de reguliere aangifte vennootschapsbelasting bestaat geen algemene verplichting om een specificatie van alle aan groepsmaatschappijen betaalde rente en royalty’s per land op te nemen. De Vpb-aangifte bevat wel vragen over onder meer renteaftrekbeperkingen, transacties met gelieerde partijen en verrekenprijzen, maar niet een standaard landenoverzicht van betaalde rente en royalty’s. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van beschikbare data een dergelijk overzicht te verstrekken. Een apart onderzoek in samenwerking met de Belastingdienst zou betekenen dat extra gegevens moeten worden opgevraagd bij een groot aantal belastingplichtigen. Een belastinginspecteur mag in beginsel altijd vragen stellen om de belastingheffing te controleren, zolang deze vragen gaan over feiten die relevant zijn voor de belastingaangifte. Het is dan ook niet mogelijk om via een dergelijk onderzoek deze cijfers te verkrijgen.
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Ook het kabinet heeft gesignaleerd dat er na implementatie van de maatregelen die volgen uit het BEPS-nog steeds risico’s op grondslaguitholling en winstverschuiving naar laagbelastende landen zijn. Het kabinet heeft daarom – naast een reeks van eerder genomen maatregelen – zelf ook unilaterale maatregelen genomen tegen belastingontwijking. Hiervoor verwijs ik kortheidshalve naar de beantwoording op vraag 19. Deze unilaterale maatregelen dwingen echter andere landen er niet toe soortgelijke maatregelen te nemen, met als gevolg dat belastingontwijking door internationaal opererende bedrijven nog steeds mogelijk blijft en slechts verschuift naar andere jurisdicties. Wereldwijde belastingontwijking moet daarom vooral internationaal gecoördineerd worden aangepakt om tot een effectieve oplossing te komen. Immers, de uitdagingen die samenhangen met belastingontwijking en de belastingheffing van multinationals, zijn veelal internationaal van aard en kunnen het beste worden aangepakt door middel van internationale afspraken, zowel bij de OESO als in de EU. Met de ingevoerde wereldwijde minimumbelasting wordt bewerkstelligd dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen euro of meer altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Aangezien het om een effectief tarief gaat dat wordt berekend per staat, is de verwachting dat een minimumbelastingtarief van 15% voldoende effectief is om belastingconcurrentie en belastingontwijking in te dammen. Het doel van de wereldwijde minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de wereldwijde minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de wereldwijde minimumbelasting een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. De systematiek van de wereldwijde minimumbelasting leidt ertoe dat in het geval een staat onvoldoende belasting heft, naar de maatstaven van de wereldwijde minimumbelasting, over bepaalde winsten er over die winst kan worden bijgeheven door een andere staat die de wereldwijde minimumbelasting heeft geïmplementeerd. Als gevolg hiervan zullen staten naar verwachting de wereldwijde minimumbelasting invoeren of hun winstbelasting zodanig aanpassen dat het effectieve belastingtarief in de praktijk uitkomt op ten minste 15%. Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
Ja.
Het niet verruimen van de hypotheekrenteaftrek |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat het maximale aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek in het huidige jaar 37,56 procent bedraagt? Klopt het dat dit kabinet voornemens was om de hypotheekrenteaftrek te verruimen naar 38,19 procent (2027) en 38,23 procent (structureel), een verruiming van € 281 miljoen?
Als logisch gevolg van de wettelijke systematiek voor het bepalen van het maximale aftrektarief voor grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrekpercentage voor grondslagverminderende posten is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief van de tweede schijf. Dat is geregeld in het tweede lid van de artikelen 2.10 en 2.10a Wet inkomstenbelasting 2001. Het maximale aftrekpercentage is vormgegeven als een tariefcorrectie. Deze tariefcorrectie komt er inderdaad in 2026 op neer dat het maximale aftrektarief 37,56% (de hoogte van het tarief van de tweede schijf) bedraagt.
Voor de komende jaren zal het kabinet de afspraken van het coalitieakkoord verwerken in de belastingwetgeving. Voor wat betreft de belastingtarieven kan dit tot gevolg hebben- vanwege de compenserende lastenverzwaring voor de lagere zorgpremies – dat het tarief in de eerste en tweede schijf stijgt. Dit is de standaardsystematiek voor de compensatie van de zorgpremies. Deze systematiek is bijvoorbeeld toegepast door het voorgaande kabinet voor de maatregelen op de zorg bij het hoofdlijnenakkoord, en gedurende de kabinetsperiode voor de besluitvorming over de zorguitgaven (onder andere in de Voorjaarsnota 2025). Ook in het kabinet daarvoor is deze systematiek gevolgd (zie bijvoorbeeld Miljoenennota 2023). Hierdoor komt de lastenverzwaring terecht bij een brede doelgroep die ook profiteert van de lagere zorgpremies, waardoor er een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld ontstaat. Als gevolg van de wettelijke systematiek beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan het tarief in de één na hoogste belastingschijf. Momenteel is dat de tweede schijf. Deze systematiek van een tariefscorrectie op de hoogste schijf, geldt sinds de afbouw is gestart in 2014. Tijdens de afbouwfase werd er telkens met een steeds groter percentage gecorrigeerd op het hoogste belastingtarief (eerst was dit met 0,5%, later werd de afbouw versneld). Vanaf het moment dat de afbouw voltooid was, is de tariefscorrectie het verschil tussen het tarief van de derde en de tweede schijf van de inkomstenbelasting.
De hoogte van de belastingtarieven voor volgend jaar loopt mee in de augustusbesluitvorming. Als de compensatie zorgpremies via het tarief in de eerste en tweede schijf in de IB zou lopen, zou naar de huidige verwachtingen, het tarief in de tweede schijf, en daarmee ook het maximale aftrektarief, 38,19% bedragen in 2027 en 38,23% structureel vanaf 2030. Deze tarieven zouden in dat geval een verhoging van 0,60%-punt in 2027 en 0,79%-punt in 2030 bevatten ten opzichte van het basispad als gevolg van de compensatie zorgpremies uit het coalitieakkoord.1
In het geval dat het maximale aftrektarief met 0,60%-punt stijgt, neemt het budgettair belang van de aftrekposten in de IB met € 235 miljoen toe in 2027. Voor specifiek de hypotheekrenteaftrek gaat het om € 183 miljoen in 2027. In 2030 is de tariefsverhoging 0,79%-punt en neemt het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek met € 281 miljoen toe.
Kunt u aangeven wat de hoogte was van de hypotheekrenteaftrek in de afgelopen tien jaar en per jaar aangeven of dit tarief wel/niet gelijk was aan het tarief tweede schijf?
In de hierna weergegeven tabel zijn de maximale aftrekpercentages en het tarief van de tweede schijf voor de laatste tien jaren opgenomen. In de periode 2020 t/m 2024 was er sprake van een gemeenschappelijk basistarief naast het toptarief.2 Tot 2020 bestonden er vier schijven in de inkomstenbelasting. Ik heb daarom voor de volledigheid ook het tarief van de schijf die qua hoogte meer overeenkomt met het huidige tarief in de tweede schijf in de tabel opgenomen.
Vanaf 2014 is deze wettelijke systematiek geïntroduceerd en vanaf 2023 is als gevolg van de wettelijke koppeling het maximale aftrekpercentage gelijk aan de hoogte van de tweede belastingschijf. In de jaren daarvoor is het maximale aftrekpercentage hoger dan het tarief in de 2e schijf. Dit komt doordat in eerdere jaren het maximale aftrektarief stapsgewijs werd afgebouwd van het toptarief naar het tarief in de één na hoogste schijf.
37,56
37,56
37,48
37,48
36,97
36,97
36,93
36,93
40
37,07
43
37,10
46
9,70
37,35
49
10,45
38,10
49,5
13,20
40,85
50
13,15
40,80
Klopt het dat de hoogte van de hypotheekrenteaftrek niet per definitie gelijk hoeft te zijn aan het tarief van de tweede schijf en dat het dus een politieke keuze is wat de hoogte is van de hypotheekrenteaftrek?
De hoogte van het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief in de tweede schijf. Deze koppeling geldt voor alle zogenoemde grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de giftenaftrek. Op dit moment is dit zo vormgegeven in zowel de wet als de ICT-systemen van de Belastingdienst. Dat betekent dat dit – omwille van uitvoerbaarheid – niet op ieder moment gewijzigd kan worden (zie ook het antwoord op vraag 4).
Klopt het dat het beleidsmatig verlagen van het maximale aftrekpercentage mogelijk is per 1 januari 2028? Klopt het dat het aanpassen van het eigenwoningforfait mogelijk is per 1 januari 2027?
Het aanpassen van het eigenwoningforfait is voor de uitvoering een parameterwijziging en zou uitvoeringstechnisch mogelijk zijn per 1 januari 2027.
Het maximale aftrektarief is op dit moment vormgegeven als een tariefscorrectie. Dit was ook zo ten tijde van de afbouw van de hypotheekrenteaftrek vanaf 2014 en vanaf 2020 de andere grondslagverminderende posten. Volgens deze systematiek was het altijd de bedoeling dat de beperking niet verder ging dan het verschil tussen de hoogste en de op een na hoogste schijf. Zoals ook te zien is in de hiervoor opgenomen tabel, gold dit ook tijdens het afbouwpad tot 2023. Naar aanleiding van de motie van de leden Grinwis en Stultiens3 heeft de Belastingdienst een quickscan opgesteld (zie de bijlage). De motie verzoekt het kabinet inzichtelijk te maken wanneer het mogelijk is het tarief voor de aftrekposten in box 1 als zelfstandige tariefknop te implementeren in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Uit de quickscan blijkt dat het voorstel een grote IV-impact heeft, en op zijn vroegst uitvoerbaar is per belastingjaar 2029.
Erkent u dan ook dat de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) wel degelijk uitvoerbaar is, dat de motie geen geld kost maar geld oplevert en dat er dus geen enkele valide reden is om de motie niet uit te voeren?
Zoals in de antwoorden op de vragen 3 en 4 aangegeven, is het minder eenvoudig om een wijziging door te voeren dan wellicht op het eerste oog gedacht kan worden. In de brief van 12 mei jl.4 staat dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft, om het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Hebt u meegekregen dat Minister Heinen aangeeft dat hij deze motie «niet kan uitvoeren»1? Kunt u nogmaals bevestigen dat deze motie wel degelijk uitvoerbaar is, dat het een politieke keuze is wat het tarief van de hypotheekrenteaftrek de komende jaren zal zijn en dat een Kamermeerderheid heeft aangegeven het huidige tarief (37,56 procent) van de hypotheekrenteaftrek niet te willen verruimen?
Vanuit uitvoeringsperspectief zijn er verschillende aspecten aan de motie. Het maximale aftrektarief loskoppelen van het tarief tweede schijf heeft een grote IV-impact, waardoor dit gewogen moet worden ten opzichte van andere beleidswensen. Andere uitwerkingen hebben geen IV-impact doordat ze aansluiten bij bestaande parameters.
Het kabinet heeft in augustus besluitvorming over de lastenkant, wat impact heeft op de belastingtarieven. Ook weegt het kabinet opties om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te verbeteren, wat ook impact heeft op het ICT-portfolio van de Belastingdienst. De uitkomst zal het kabinet met Prinsjesdag delen met uw Kamer.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat fiscaliteit van 24 juni 2026 en daarbij klip en klaar bevestigen dat u de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) gewoon zal gaan uitvoeren?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Ja.
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Nee. In de antwoorden op de Feitelijke Kamervragen bij de Voorjaarsnota 2026 is de verdeling van het budgettaire belang over de gebruikers van de innovatiebox inzichtelijk gemaakt op basis van de aangiftegegevens van de Belastingdienst over 2023. Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Het is daarom niet mogelijk om exacte informatie of exacte bedragen per belastingplichtige te noemen. Ik heb geen zicht op de bronnen van journalisten, maar in algemene zin staat het bedrijven vrij om inzicht te geven in hun eigen fiscale verplichtingen en daarbij behorende belastingvoordelen, bijvoorbeeld via hun jaarverslag.
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik niet specifiek ingaan op de individuele posities van belastingplichtigen. Ik herken wel het beeld dat het voordeel van de innovatiebox grotendeels terecht komt bij een aantal internationaal opererende bedrijven. Deze bedrijven nemen een groot deel van de investeringen in R&D voor hun rekening. Daarnaast spelen deze bedrijven een centrale rol in de innovatie-ecosystemen in Nederland en betalen ze een relatief groot deel van de totale vennootschapsbelasting in Nederland. De innovatiebox bewerkstelligt kort samengevat dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de innovatiebox om het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven te bevorderen en om innovatie in Nederland te stimuleren.
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Het kabinet is het niet eens met de suggestie dat gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers jaarlijks extra belasting moeten betalen doordat Nederland een innovatiebox heeft. De innovatiebox heeft volgens het kabinet namelijk per saldo een positief effect op de Nederlandse economie. Bedrijven die vrijwel al hun activiteiten naar het buitenland verplaatsen kunnen geen of nauwelijks winst toerekenen aan Nederland op basis van internationale transfer pricing-regels. Als er geen winst in Nederland wordt gemaakt, levert de innovatiebox ook geen belastingvoordeel op. Het feit dat een bedrijf wel gebruikmaakt van de innovatiebox, bewijst juist dat er nog steeds economische activiteiten (zoals R&D, octrooibeheer of productontwikkeling) in Nederland plaatsvinden en dat er in Nederland belasting wordt betaald.
De innovatiebox is niet automatisch toepasbaar op alle winsten. Bedrijven moeten aantonen dat de winsten voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Als een bedrijf geen of minder R&D in Nederland verricht, kan het ook geen of minder gebruik maken van de regeling. Daarnaast worden voordelen gekort als R&D-werkzaamheden binnen het concern worden uitbesteed.
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
De combinatie van WBSO in de aanloopfase (directe korting op loonkosten) en de innovatiebox bij doorgroeien (lager effectief tarief op de winst) vormen tezamen het generieke innovatie-instrumentarium. Bedrijven wegen de combinatie van de voordelen van beide regelingen mee bij hun beslissingen over het land waarin ze investeren in R&D. Uit de evaluatie van de innovatiebox uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek en Dialogic blijkt dat de innovatiebox bijdraagt aan R&D-investeringen, hoewel het effect minder sterk is dan bij de WBSO. De maatschappelijke baten van innovatie slaan door spill-over effecten breder neer. Ook toeleveranciers van bedrijven met veel innovatie hebben meer kans om door te groeien en te innoveren. Naast de innovatiebox (outputzijde; winsten) worden bedrijven in Nederland ook aan de inputzijde (kosten) gestimuleerd om te innoveren door de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO). De innovatiebox is daarnaast primair bedoeld om Nederland aantrekkelijk te houden voor innovatieve ondernemingen, zowel om bedrijvigheid uit het buitenland aan te trekken als om te voorkomen dat bestaande activiteiten vertrekken. Zonder een dergelijke regeling zou Nederland zichzelf uit de markt prijzen, omdat veel andere landen inmiddels vergelijkbare of gunstigere fiscale regimes hebben. Het gaat hierbij niet alleen om nieuwe innovatie, maar ook om het behouden van bestaande economische waarde (zoals octrooien en kennisintensieve arbeidsplaatsen).
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Het hoofddoel van de innovatiebox is het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet kiest er daarom voor om de bestaande regeling in de huidige vorm voort te zetten. Dat neemt niet weg dat het kabinet gaat onderzoeken hoe de toegang tot de regeling kan worden verbeterd. Daarbij zal ook aandacht zijn voor kleinere bedrijven. Uw Kamer wordt hier na de zomer verder over geïnformeerd.
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
Bedrijven kunnen alleen gebruikmaken van de innovatiebox voor winsten die voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Wanneer een bedrijf vrijwel al zijn activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst, kan het bedrijf geen of nauwelijks winst aan Nederland toerekenen op basis van internationale transfer pricing-regels. In dat geval kan een bedrijf dus ook niet of in zeer beperkte mate profiteren van de innovatiebox.
Daarnaast wordt nogmaals benadrukt dat het kabinet een groot belang hecht aan een stabiel en voorspelbaar vestigingsklimaat. Uit de evaluatie blijkt dat de innovatiebox hieraan bijdraagt. Het kabinet kiest er daarom voor om de regeling in de huidige vorm voort te zetten.
Ongewenste financiële constructies |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat uitkering van toekomstige winst door een besloten vennootschap (BV) in de regel leidt tot een gelijk bedrag aan schulden aan banken, leveranciers en consumenten?
Hoe vaak komt het volgens u voor dat ondernemingen overgaan tot het uitkeren van toekomstige winst? In welke sectoren komt dit vaak voor en bij welke financieringsmodellen?
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is als ondernemingen schulden aangaan om aandeelhouders vooruit te financieren in plaats van om te investeren?
Kunt u aangeven in hoeverre de in 2012 doorgevoerde flexibilisering van het BV-recht, waaronder de mogelijkheid om toekomstige winst uit te keren in plaats van reeds gerealiseerde winst, daadwerkelijk heeft geleid tot meer bedrijvigheid?
Bij de herziening van het BV-recht in 2012 stond voorop dat de BV een bruikbare rechtsvorm moet zijn die zoveel mogelijk tegemoetkomt aan de behoeften die in de praktijk leven. Dit sloot aan bij het streven naar wetgeving die een infrastructuur biedt waarin bedrijven de inrichting van de rechtsvorm kunnen afstemmen op de aard van ondernemingsactiviteiten.2 Onder de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht werden de kapitaalbeschermingsregels voor het bijeenbrengen van kapitaal soepeler. Zo werd het minimumkapitaalvereiste afgeschaft, net als de verplichte accountantsverklaring bij inbreng op aandelen in natura. Daarentegen zijn ook nieuwe kapitaalbeschermingsregels voor het bijeenhouden van kapitaal ingevoerd namelijk de introductie van een uitkeringstest (zie nader het antwoord op vraag 5 over deze test en de uitkering van winst aan aandeelhouders).
Over het algemeen is het moeilijk te kwantificeren of de flexibilisering van het BV-recht op zichzelf (en niet andere ontwikkelingen) tot meer bedrijvigheid heeft geleid. Wel is het zo dat in de jaren 2010–2020 een duidelijke stijging van het aantal BV’s is te zien.3 Hierbij dient de kanttekening te worden geplaatst dat een toename van het aantal BV’s niet automatisch hetzelfde is als «meer bedrijvigheid» in de zin van bijvoorbeeld extra economische activiteit, werkgelegenheid of investeringen.
Wat vindt u ervan dat het uitkeren van toekomstige winst kan leiden tot het aangaan van bedrijfsvreemde schulden ten laste van de onderneming en daarmee ten koste kan gaan van crediteuren? Zo ja, ziet u aanleiding deze mogelijkheid te beperken?
Sinds de herziening van het BV-recht geldt dat de algemene vergadering van aandeelhouders van de BV op grond van artikel 2:216 lid 1 BW in het algemeen bevoegd is om te besluiten tot vaststelling van uitkeringen. Dit geldt niet alleen voor de winst, maar ook voor uitkeringen ten laste van vrije reserves.4 De toelaatbaarheid van uitkeringen wordt onder die regeling niet meer bepaald door de aanwezigheid van een bepaald kapitaal zoals voor deze herziening, maar door de vraag of de vennootschap na de uitkering kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Op de balans zal de uitkering dan ook niet ten laste gebracht moeten worden van het gestorte kapitaal, maar moeten leiden tot een negatieve reserve. Die negatieve reserve zal vervolgens aangezuiverd moeten worden bijvoorbeeld door het maken van winst.5 Voor zover een en ander de mogelijkheid zou bieden om in de praktijk toekomstige winst uit te keren6, zijn er diverse waarborgen voor onder meer schuldeisers in de wet opgenomen. Een voorbeeld hiervan is de zogenoemde uitkeringstest uit artikel 2:216 lid 2 BW. Een besluit dat strekt tot uitkering heeft op grond van deze bepaling geen gevolgen zolang het bestuur hiervoor geen toestemming verleent. Het bestuur weigert daarbij slechts zijn medewerking indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap door uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.
Daarnaast is het de taak van bestuurders om te beoordelen of een bepaalde transactie in het belang van de vennootschap is en na te gaan of de vennootschap na het aangaan van die transactie nog in staat zal zijn de vorderingen van crediteuren te voldoen. Als het bestuur goedkeuring verleent en een uitkering plaatsvindt, terwijl het bestuur wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap door een uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders op grond van artikel 2:216 lid 3 BW hoofdelijk aansprakelijk jegens de vennootschap voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan.
Er gelden dus randvoorwaarden aan het doen van uitkeringen aan aandeelhouders. Zoals aangegeven in beantwoording van vragen hierboven, zal het kabinet in gesprek gaan met de Commissie vennootschapsrecht over of onder die randvoorwaarden uitkering van toekomstige winst juridisch mogelijk is en in de praktijk plaatsvindt, en, zo ja, of dit mogelijk onwenselijke gevolgen met zich meebrengt.
Deelt u de opvatting dat rente op schulden die zijn aangegaan ter financiering van uitkeringen aan aandeelhouders – zoals uitkeringen van toekomstige winst – in beginsel niet aftrekbaar zou moeten zijn voor de vennootschapsbelasting, en niet alleen wanneer deze rente verschuldigd is aan een verbonden lichaam zoals bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet deelt deze opvatting niet. Artikel 10a Wet Vpb 1969 beoogt fiscale winstdrainage tegen te gaan, waarbij belastingplichtigen in concernverband structuren opzetten om op gekunstelde wijze rentekosten te creëren die leiden tot aftrek in Nederland, terwijl de rentebaten niet of (zeer) laag worden belast. Overigens is de renteaftrekbeperking van artikel 15b Wet Vpb 1969 van toepassing als sprake is van excessieve schuldfinanciering ongeacht of er sprake is van groepsleningen of van leningen van derden.
Kunt u aangeven of in de ons omringende landen rechtspersonen vergelijkbaar met de Nederlandse BV de mogelijkheid hebben om onder voorwaarden toekomstige winst uit te keren?
Naar Belgisch, Luxemburgs en Frans recht is het enkel mogelijk om de werkelijk gemaakte winst uit te keren aan de aandeelhouders. Onder Duits recht is de heersende leer dat het mogelijk is om een tussentijdse winstuitkering te doen, maar slechts onder strikte voorwaarden. Daarbij geldt onder meer dat er een redelijke winstverwachting moet zijn en dat de aandeelhouders hiertoe een besluit hebben genomen.
Bent u bekend met de praktijk dat na het afschaffen van de anti-financiële-steunmaatregel voor de BV (artikel 2:207c van het BW) het bestuur in de praktijk vaak de overnameschuld garandeert, terwijl daar in de vereiste afweging tegenover geen wezenlijke tegenprestatie staat? Kunt u hierop reflecteren?
De achtergrond van anti-financiële-steunmaatregelen is te voorkomen dat restricties ten aanzien van inkoop van eigen aandelen worden vermeden, bijvoorbeeld via aankoop door derden in ruil voor het verstrekken van een lening of zekerheidsstelling door de vennootschap. Een handeling in strijd hiermee wordt als nietig aangemerkt. Voor de NV is deze anti-financiële-steunmaatregel opgenomen in artikel 2:98c BW. Tot 2012 was deze voor de BV opgenomen in artikel 2:207c BW.
Bij de flexibilisering en modernisering van het BV-recht in 2012 is de anti-financiële-steunmaatregel voor BV’s geschrapt. Een reden voor afschaffing van de anti-financiële-steunmaatregel voor de BV was dat het een ingewikkelde bepaling was die in de praktijk leidde tot onduidelijkheid over de precieze reikwijdte van de regeling. Daarnaast werd de anti-financiële-steunmaatregel uit artikel 2:207c BW niet noodzakelijk geacht voor bescherming van aandeelhouders en schuldeisers. Het verrichten van steuntransacties verschilt namelijk niet dusdanig van andere zakelijke transacties die het bestuur aangaat – bijvoorbeeld het verstrekken van leningen aan aandeelhouders, bestuurders of derden anders dan met het oog op het verwerven van aandelen – dat dit een speciale wettelijke regeling rechtvaardigt. Bij het verlenen van financiële steun is het aan het bestuur om te beoordelen of die handelingen in het belang zijn van de vennootschap en wat de gevolgen zijn voor de financiële positie van de vennootschap. Net als bij andere transacties die door het bestuur namens de vennootschap worden aangegaan, geldt de sanctie van aansprakelijkheid indien niet de vereiste zorgvuldigheid in acht wordt genomen. Dit betekent onder andere dat steuntransacties niet mogen worden aangegaan tegen voorwaarden die niet aan gebruikelijke marktvoorwaarden zijn onderworpen of zeer ongunstig uitwerken voor de vennootschap.7 Met deze aansprakelijkheidssanctie worden de belangen van de onderneming en ook de schuldeisers voldoende gewaarborgd.
Deelt u de opvatting dat de gedachte achter anti-financiële-steunmaatregelen is dat ondernemingen gevrijwaard dienen te blijven van lasten die buiten de onderneming liggen, en dat overnameschulden – die vaak zijn afgeleid van de koopsom en daarmee van toekomstige winstverwachtingen – disproportioneel kunnen zijn voor de bestaande onderneming?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met de praktijk dat een overgenomen vennootschap juridisch wordt gefuseerd met het acquisitievehikel, waardoor de overnameschuld uiteindelijk rust op de gefuseerde onderneming?
Het kabinet is bekend met de praktijk van fusies en de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam in de Estro-kinderopvangzaak8.
De opvatting van de vragenstellers deelt het kabinet niet in algemene zin. In de specifieke Estro-kinderopvangzaak geldt dat de Ondernemingskamer onder meer heeft geoordeeld dat het bestuur met betrekking tot de fusie wanbeleid heeft gevoerd. Dit staat echter los van de in algemene zin door de wet vereiste overgang van alle activa en passiva (zonder uitzonderingen) op een verkrijgende vennootschap bij een juridische fusie (zie nader het antwoord op vraag 13).
Deelt u de opvatting dat een dergelijke constructie onwenselijk is omdat hierdoor bedrijfsvreemde schulden op de onderneming worden afgewenteld, zoals onder meer aan de orde was in de Estro-kinderopvangzaak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Ziet u het als een optie om de anti-financiële-steunmaatregelen die voorheen voor de BV golden – en die nog steeds gelden voor de NV – opnieuw voor de BV in te voeren? Zo nee, waarom niet?
In antwoord hierop zij verwezen naar het antwoord op vragen 8 en 9. Om de daar genoemde redenen ziet het kabinet geen reden voor herinvoering van het verbod.
Is het wat u betreft een goed idee om juridische fusies die uiteindelijk de gefuseerde onderneming haar overnameschulden laten dragen te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De juridische fusie is een rechtshandeling waarmee het vermogen van één of meer verdwijnende rechtspersonen onder algemene titel overgaat op een bestaande of nieuw in te richten rechtspersoon. Dit wil zeggen dat alle activa en passiva mee overgaan op de verkrijgende rechtspersoon. Dit volgt in het Nederlands recht uit artikel 2:309 BW. Verder wordt de verplichte overgang van alle activa en passiva (zonder uitzonderingen) ook voorgeschreven door het Europees recht in de Vennootschapsrechtrichtlijn waar het de binnenlandse juridische fusie van NV’s en de grensoverschrijdende juridische fusie van NV’s en BV’s betreft.9 Wat het kabinet betreft is er ook geen reden om op dit principe van overgang onder algemene titel een uitzondering te maken voor overnameschulden. Een dergelijke uitzondering kan ertoe leiden dat dergelijke schulden tussen wal en schip vallen als noch de verkrijgende vennootschap noch de fuserende vennootschappen deze schuld hoeven te dragen. Verder kent Nederland waarborgen voor schuldeisers, werknemers en aandeelhouders tegen misbruik van fusies voor oneigenlijke doeleinden. Een voorbeeld hiervan is dat schuldeisers, wanneer zij door de fusie in hun verhaalsmogelijkheden beperkt worden, onder bepaalde voorwaarden zekerheid of een andere waarborg kunnen verlangen. Wanneer deze zekerheid of waarborg niet wordt verleend, kunnen schuldeisers zich op grond van artikel 2:316 BW verzetten tegen het fusieplan. Ook heeft de SER Fusiegedragsregels opgesteld met daarin regels ter bescherming van werknemers. Op grond van de Fusiegedragsregels moeten betrokken ondernemingen of organisaties de vakorganisaties op tijd informeren over de fusieplannen, zodat die organisaties invloed kunnen uitoefenen op de gevolgen voor de werknemers.10
Acht u het wenselijk de huidige anti-financiële-steunmaatregel voor de NV uit te breiden om doorleenstructuren, zoals aan de orde in de zaak Muller tegen Rabobank Katwijk, tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het verbod op financial assistance is voor NV’s reeds opgenomen in artikel 2:98c BW. Achtergrond hiervan is te voorkomen dat restricties ten aanzien van inkoop van eigen aandelen worden omzeild, bijvoorbeeld via aankoop door derden in ruil voor het verstrekken van een lening of zekerheidsstelling door de vennootschap. Dit biedt naar het oordeel van het kabinet voldoende waarborgen tegen doorleenstructuren.
Deelt u de opvatting dat wanneer persoonlijke belangen van een bestuurder niet stroken met het belang van de vennootschap, deze bestuurder zich dient te onthouden van besluitvorming? Ziet u mogelijkheden om dit principe wettelijk te borgen?
Graag bevestigt het kabinet dat uit artikel 2:129 leden 5 en 6 BW (voor de NV) en artikel 2:239 leden 5 en 6 BW (voor de BV) reeds volgt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect belang heeft dat tegenstrijdig is aan belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Daarmee is dit principe reeds wettelijk vastgelegd.
Deelt u de opvatting dat een bestuurder die aanzienlijke persoonlijke financiële belangen heeft in de vennootschap – bijvoorbeeld door lucratieve aandelenbelangen, schuldfinanciering voor de aankoop van aandelen of verplichtingen uit een aandeelhoudersovereenkomst – een verhoogd risico loopt primair in het belang van aandeelhouders te handelen en niet alle belangen van de vennootschap en haar stakeholders te wegen?
Of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft ten opzichte van de vennootschap moet, zoals hiervoor is aangegeven, worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval.11 De enkele omstandigheid dat een bestuurder een eigen (financieel) belang heeft, hoeft niet te leiden tot de kwalificatie van een tegenstrijdig belang. Er is geen sprake van een tegenstrijdig belang in de zin van het vennootschapsrecht zolang de belangen van de bestuurder parallel lopen met de belangen van de vennootschap. Zo leidt de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst met de vennootschap, het bezit van aandelen in de vennootschap of een aandeelovereenkomst niet automatisch tot een tegenstrijdig belang van de bestuurder. Wel kan het zijn dat een eigen belang, bijvoorbeeld door een wijziging van omstandigheden, een tegenstrijdig belang wordt. Dit kan het geval zijn in bijvoorbeeld een overnamesituatie. In een dergelijke situatie is oplettendheid van bestuurders gepast, bijvoorbeeld in het geval dat de bestuurder bij het slagen van de overname een vergoeding in het vooruitzicht is gesteld.12
Bent u van mening dat dergelijke regelingen kunnen leiden tot een persoonlijk belang in de zin van het vennootschapsrecht?
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u de opvatting dat dergelijke constructies het risico met zich brengen dat het stakeholdermodel feitelijk wordt ingeruild voor een aandeelhoudersmodel?
Nee, deze opvatting deelt het kabinet niet. Het Rijnlands stakeholdermodel – dat ten grondslag ligt aan het Nederlandse vennootschapsrecht – houdt in dat bestuurders zich dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (zie artikel 2:129/239 lid 5 BW). Hierbij dienen alle deelbelangen waaronder die van de aandeelhouders, werknemers, schuldeisers en klanten, te worden betrokken. Zoals in antwoord op de vragen 16 en 17 is aangegeven, is er bij door de vragenstellers genoemde constructies niet zonder meer sprake van een belang dat tegenstrijdig is ten opzichte van dit belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
Acht u het wenselijk dat de continuïteit van ondernemingen in sectoren zoals kinderopvang, ouderenzorg en gezondheidszorg in gevaar kan komen doordat deze ondernemingen worden belast met bedrijfsvreemde schulden die zijn ontstaan bij overnames, juridische fusies of uitkeringen van toekomstige winst?
Het kabinet acht het niet wenselijk dat de continuïteit van zorgaanbieders, zowel in de ouderenzorg als breder in de gezondheidszorg, en kinderopvangaanbieders in gevaar komt doordat onverantwoorde risico’s zijn genomen bij het aangaan van schulden. Dat is ongeacht de precieze ontstaansreden van deze schulden. Het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz)13 voorziet dat een zorgaanbieder niet langer onverantwoorde risico’s mag nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Hiernaast heeft het kabinet een aanscherping van het wetsvoorstel in voorbereiding van normen voor verantwoord ondernemerschap in de zorg, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal u hierover namens het kabinet in een brief voor de zomer informeren.
Met oog op de continuïteit in de kinderopvang neemt het kabinet in het wetsvoorstel financiering kinderopvang verschillende maatregelen, waaronder een verplichting om de jaarverantwoording openbaar te maken. De openbaarmaking van de jaarverantwoording heeft als doel om financiële stromen beter inzichtelijk en controleerbaar te maken. In lagere regelgeving worden regels gesteld over de inhoud en inrichting van die jaarverantwoording. Daarbij zullen ook regels worden gesteld ten aanzien van transparantie over solvabiliteit.
In welke van de ons omringende landen bestaat de mogelijkheid om een stichting of een vergelijkbare rechtspersoon om te zetten in een BV of een vergelijkbare vennootschap?
Zowel naar Belgisch als naar Frans, Duits en Luxemburgs recht is het niet mogelijk om een stichting om te zetten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. In Luxemburg kunnen stichtingen wel worden omgezet in een zogenaamde sociale-impactvennootschap (société d’impact sociétal), die zelf onder bepaalde voorwaarden de vorm kan aannemen van een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatie. Eén van de voorwaarden is dat de stichting door het bevoegde ministerie is geaccrediteerd als sociale-impactvennootschap en dat het aandelenkapitaal bij de omzetting volledig uit zogenaamde impactaandelen bestaat.
Hoe is in Nederland het toezicht geregeld op het gebruik van beklemd vermogen van stichtingen, en hoe wordt gewaarborgd dat dit vermogen wordt aangewend voor het oorspronkelijke doel van de stichting?
In Nederland geldt dat voor de omzetting van een stichting in een NV of BV een rechterlijke machtiging vereist is. Bij het beoordelen van een algemene rechterlijke machtiging voor de rechtshandeling van de omzetting (artikel 2:18 leden 4 en 5 BW) zal een rechter alle relevante aspecten een rol laten spelen, zoals de belangen van contractspartijen en van participanten. Uit hoofde van artikel 2:18 lid 6 BW geldt verder dat na omzetting van een stichting uit de statuten moet blijken dat het vermogen dat zij bij de omzetting heeft slechts met toestemming van de rechter anders mag worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Deze rechterlijke toestemming speelt een rol als het gaat om de daadwerkelijke aanwending van vermogen na de omzetting. Na omzetting van een stichting wordt het vermogen van de stichting aldus gefixeerd of beklemd. Met deze regeling wordt zeker gesteld dat het vermogen van de stichting zoals dit is op het moment van de omzetting, slechts met toestemming van de rechter voor andere doeleinden dan de (oude) doeleinden van de stichting kan worden aangewend. Voor zover het bestuur de vermogensklem doorbreekt, is de sanctie gelegen in onbehoorlijk bestuur en kan het bestuur daarop worden aangesproken. Verder is denkbaar dat bij overtreding de omgezette rechtspersoon op de voet van artikel 2:21 lid 3 wordt ontbonden omdat de rechtspersoon in ernstige mate in strijd met zijn statuten handelt.14 Zo’n ontbinding kan worden uitgesproken door de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie.
Daarnaast is voor zover een toezichthoudend orgaan is ingesteld, het diens taak om toezicht te houden op de naleving van de vermogensklem door het bestuur. Verder vindt er ook toezicht plaats door de notaris aangezien hij de akte van omzetting dient te verlijden. De notaris moet toezien op het opnemen van de vermogensklembepaling uit hoofde van Boek 2 BW en de Wet op het notarisambt.
Bent u bekend met het feit dat financiële partijen toenemende belangstelling tonen voor de overname van ondernemingen in de kinderopvang, gezondheidszorg en ouderenzorg die vaak in de vorm van een stichting opereren?
Het kabinet is bekend met een toename van financiële partijen in de zorg, zoals investeerders. Dit is overigens een fenomeen dat breed in Europa speelt.15 Het kabinet ziet hierbij zowel kansen als risico’s voor de zorg. Om te voorkomen dat de kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van zorg in het geding komen rondom overnames, heeft het kabinet een aanscherping in voorbereiding van de zorgspecifieke fusietoets waarbij fusies en overnames inhoudelijker worden getoetst door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Hiernaast stelt het kabinet met het wetsvoorstel Wibz verschillende eisen aan zorgaanbieders die zien op winstuitkering en kwaliteit om te voorkomen dat financiële belangen niet ten koste gaan van kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke zorg voor de patiënt of cliënt.
In de kinderopvang zijn geen aanwijzingen dat er op dit moment op grote schaal nieuwe financiële partijen toetreden. Wel zijn er aanwijzingen dat (grote) kinderopvangorganisaties op dit moment uitbreiden, om aan de toenemende vraag naar kinderopvang te kunnen voldoen. Het kabinet blijft de ontwikkelingen in de kinderopvang doorlopend monitoren, onder andere via het Dashboard kinderopvang van het CBS.16
Bent u bekend met signalen dat beklemd vermogen van dergelijke organisaties in de praktijk kan verwateren en uiteindelijk bij aandeelhouders terecht kan komen? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ik ben niet bekend met signalen uit de praktijk dat het beklemd vermogen uiteindelijk bij de aandeelhouders terechtkomt. Er gelden verschillende wettelijke waarborgen die voorkomen dat het vermogen wordt aangewend voor andere doeleinden dan de (oude) doeleinden van de stichting (zie hiervoor het antwoord op vraag 21).
Kunt u een overzicht verstrekken van alle stichtingen die sinds 2015 zijn omgezet in een BV, inclusief de namen van deze rechtspersonen?
Een rechtspersoon moet opgave van de omzetting in het Handelsregister doen (zie artikel 2:18 lid 7 BW). Uit het Handelsregister blijkt dat sinds 2015 231 stichtingen zijn omgezet in BV’s. Een overzicht daarvan wordt als bijlage met de beantwoording van deze Kamervragen meegestuurd. Dit betreffen openbare gegevens uit het Handelsregister.
Wat verstaat u onder «private equity»?
Private equity is de verzamelnaam voor partijen die vermogen aanbieden aan niet-beursgenoteerde ondernemingen. Investeringen vinden doorgaans plaats in de vorm van het verkrijgen van een meerderheidsaandeel. De fondsen voor dergelijke investeringen zijn hoofdzakelijk afkomstig van institutionele investeerders, zoals pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen of particulieren en worden beheerd door private equity partijen. De voornaamste bron van rendement voor de investeerders is de verkoop van de onderneming waarin zij investeren.
Wat verstaat u onder «de uitwassen van private equity» (coalitieakkoord, pagina 67)?
Onder «de uitwassen van private equity» als aangehaald in het hoofdstuk uit het regeerakkoord «Geld voor zorg naar zorg», verstaat het kabinet dat de betrokkenheid van een private investeerder ertoe leidt dat het financiële belang bij een zorgaanbieder ten koste gaat van kwalitatief goede, en toegankelijke zorg, nu en in de toekomst. Daarbij benadrukt het kabinet dat private investeerders zowel kansen als risico’s bieden voor de zorg. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Maar we moeten voorkomen dat partijen kwalitatief goede zorg ondergeschikt maken aan hun financiële positie. Bijvoorbeeld doordat partijen onnodige risico’s nemen bij bijvoorbeeld het aangaan van schulden waarbij de continuïteit in gevaar komt. Of doordat partijen bezuinigen op kwaliteit om zo kosten te besparen en zo de financiële positie te verbeteren. Daarom treft het kabinet maatregelen voor een betere balans, waarbij ruimte blijft voor verantwoord ondernemerschap in de zorg, maar uitwassen en excessen voorkomen kunnen worden.
Hoe gaat u «de uitwassen van private equity» inperken?
Het kabinet is voornemens om met de Wibz voorwaarden te stellen aan zorgaanbieders die onder andere zien op winstuitkering, onverantwoorde risico’s en het borgen van de kwaliteit van zorg. Momenteel heeft het kabinet een aanscherping van de Wibz in voorbereiding. De aanscherpingen zien op onder andere de voorwaarden voor winstuitkering, de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod en de excessen van private equity. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal namens het kabinet de Tweede Kamer hier in een brief voor de zomer over informeren. Hiernaast scherpt het kabinet de zorgspecifieke fusietoets aan, waarbij fusies en overnames meer inhoudelijk getoetst kunnen worden door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).
Ook voor de kinderopvang treft het kabinet een aantal maatregelen in het wetsvoorstel financiering kinderopvang om te borgen dat de extra middelen voor kinderopvang ook daadwerkelijk bij kinderopvang terecht komen. Voorbeeld hiervan is het verplichten van openbare jaarverantwoording.
De uitspraak van zijn collega minister Heinen dat box 3 op de schop gaat |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van uw collega Minister Heinen over uw portefeuille dat box 3 opnieuw op de schop gaat1?
Het artikel uit de Volkskrant waarnaar verwezen wordt, is mij bekend.
Wat gaat u concreet wijzigen aan het wetsvoorstel en per wanneer?
Zoals ik ook heb geschreven in mijn brief van vrijdag 6 maart 2026 zet het kabinet de invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 door. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet werkt aan het zo snel mogelijk invoeren van een vermogenswinstsystematiek na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 2028. In de tussentijd zal het kabinet opties in kaart brengen waarmee het wetsvoorstel verbeterd kan worden. Deze opties zullen vooral gericht zijn op het realiseren van voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak.
Het kabinet onderzoekt onder andere het invoeren van achterwaartse verliesverrekening zoals voorgesteld in het eerdere amendement van het lid Hoogeveen2 en de motie Eerdmans/Bikker over achterwaartse verliesverrekening.3
Indien een aanpassing van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 mogelijk is en van dekking kan worden voorzien, loopt dit mee in het pakket Belastingplan 2027. Over het traject van de doorontwikkeling van het nieuwe box 3-stelsel tot een vermogenswinstsystematiek ontvangt uw Kamer voor de zomer een brief.
Hoeveel gaat dit exact kosten (cumulatief, in honderden miljoenen nauwkeurig) aan budgettaire derving?
Er worden meerdere mogelijke aanpassingen onderzocht voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Eventuele budgettaire consequenties daarvan moeten in kaart worden gebracht. Voor de achterwaartse verliesverrekening is de budgettaire derving in kaart gebracht bij de appreciatie van de ingediende moties en amendementen.4
Wie gaat ervoor betalen? Kunt u garanderen dat de rekening niet terechtkomt bij gewone werkende mensen, dus dat de dekking volledig wordt gevonden in het domein vermogen/winst?
Een mogelijke aanpassing van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zal meelopen in het pakket Belastingplan 2027. Op die manier kan een wijziging zorgvuldig worden voorbereid en kan de budgettaire verwerking worden betrokken in de augustusbesluitvorming. Voorstellen ter verbetering van het stelsel die gepaard gaan met een budgettaire derving zullen conform de begrotingsregels van dekking voorzien worden. Daarbij houdt het kabinet uiteraard ook zoveel mogelijk rekening met de aangenomen motie Eerdmans/Bikker.
Wat gaf de doorslag voor uw collega Minister Heinen om deze draai te maken? Welke informatie lag nog niet op tafel tijdens de uitvoerige wetsbehandeling en nu inmiddels wel?
Het kabinet heeft gereageerd op onrust die is ontstaan nadat het wetsvoorstel is aangenomen. Daarbij waren er ook veel signalen over de effecten van vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat in Nederland. De Minister van Financiën is eindverantwoordelijk voor het totale uitgaven- en inkomstenkader en daarbij is ook het politieke en maatschappelijke draagvlak voor wetsvoorstellen met grote budgettaire consequenties van belang. Het kabinet gaat graag met uw Kamer in gesprek over verbeteringen aan het huidige wetsvoorstel, met het oog op het realiseren van breed politiek en maatschappelijk draagvlak.
Kunt u deze vragen, een voor een, binnen een week beantwoorden?
Ja.
Het invoeren van een leegstandsheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een Kamermeerderheid op 23 september 2025 heeft ingestemd met het invoeren van een leegstandsheffing via het amendement 36 735-18 op de Fiscale Verzamelwet 2026?
Ja, dit is mij bekend.
Klopt het dat u op 22 januari jongstleden een koninklijk besluit heeft uitgevaardigd dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van onderdelen van de Fiscale verzamelwet 2026, maar dat de leegstandsheffing daarin niet is meegenomen?
Het koninklijk besluit van 22 januari jl. heeft betrekking op de inwerkingtreding van artikelen van de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2018 en de Fiscale verzamelwet 2026 die zien op de motorrijtuigenbelastingen. Dit valt onder mijn beleidsverantwoordelijkheid en staat los van het amendement over de leegstandsheffing. Het amendement voor de leegstandheffing is ingediend op de Fiscale verzamelwet 2026. Daarin zijn technische wijzigingen opgenomen van fiscale wetgeving, waarvan het wenselijk was dat deze per 1 januari 2026 in werking zouden treden. Het amendement wijzigt de Gemeentewet en staat daardoor los van de reguliere fiscale wetgeving. Voor dit amendement geldt dat de inwerkingtreding van het amendement op koninklijk besluit (KB) is gezet. De maatregel gaat in als de verantwoordelijke Minister deze heeft geslagen. Het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het amendement is tot op heden om procedurele redenen nog niet genomen, wat de uitvoering van een leegstandbelasting door gemeenten overigens niet in de weg hoeft te staan aangezien er door gemeenten eerst nog een verordening moet worden opgesteld voordat het jaar leegstand gaat lopen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten werkt ter ondersteuning hiervoor aan een modelverordening waarvan gemeenten gebruik kunnen maken.
Waarom heeft u hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit aangenomen amendement zo snel mogelijk wél wordt uitgevoerd, waardoor gemeenten aan de slag kunnen met het invoeren van een leegstandsheffing?
Het Ministerie van Financiën is hierover in gesprek geweest met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als verantwoordelijke van de Gemeentewet en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (beleidsverantwoordelijk). Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt nu aan het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van het amendement regelt. Daarna zal het koninklijk besluit worden geslagen waarmee het amendement zo snel mogelijk inwerking treedt.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden, uiterlijk vrijdag 13 februari 2026 om 12:00?
Ja.
De budgettaire derving van de nieuwe voorgestelde fiscale regeling om vastgoed uit te zonderen van de vermogensaanwasbelasting |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Klopt het dat u voornemens bent om vastgoed uit zonderen van de vermogensaanwasbelasting in box 3 door hiervoor een vermogenswinstbelasting te hanteren?
Ja. Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt voorgesteld om met ingang van 1 januari 2028 het werkelijke rendement te belasten in box 3. De belasting wordt als hoofdregel vormgegeven als een vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen geldt als uitzondering op de hoofdregel een vermogenswinstbelasting.
Klopt het dat u in het toetsingskader fiscale regelingen aangeeft dat deze uitzondering voor vastgoed «in de eerste jaren kan oplopen tot één miljard euro per jaar» maar niet aangeeft wat de totale budgettaire derving is?
Dat klopt. Ten behoeve van het toetsingskader fiscale regelingen is een eerste indicatie gegeven voor de kosten van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken, ten opzichte van een volledige vermogensaanwasbelasting. Recent is een gedetailleerde raming gemaakt, zie onderstaande tabel. De raming voor de budgettaire derving van een vermogenswinstbelasting op aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen staat in het toetsingskader.
3.538
3.225
2.925
2.721
2.506
2.335
2.176
2.065
1.925
533
Klopt het dat u in hetzelfde toetsingskader fiscale regelingen wél aangeeft wat de totale budgettaire derving is bij de uitzondering voor startups? Waarom heeft u hier wel het totale bedrag genoemd en bij de uitzondering voor vastgoed niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA eerder in het verslag over het wetsvoorstel werkelijk rendement Box 3 hebben gevraagd wat de budgettaire gevolgen zijn van deze uitzondering voor vastgoed en dat daarop uw antwoord was dat deze uitzondering voor vastgoed de komende tien jaar zo’n 23 miljard euro gaat kosten aan budgettaire derving?
In de nota naar aanleiding van het verslag is een vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA beantwoord over de budgettaire gevolgen als gekozen zou worden voor een volledige vermogensaanwasbelasting in plaats van het hybride stelsel (bij gelijkblijvende parameters).1 Daaruit valt inderdaad af te leiden dat het cumulatieve budgettaire belang van een vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen in de eerste 10 jaar uitkomt op circa 23 miljard euro. De structurele opbrengsten van een vermogenswinstbelasting en vermogensaanwasbelasting (met gelijke parameters) zullen gelijk zijn.
Klopt het dat u tijdens het wetgevingsoverleg van maandag 19 januari 2026 hebt erkend dat deze uitzondering voor vastgoed de komende dertig jaar zo’n 42 miljard euro gaat kosten aan budgettaire derving?
Het klopt dat de vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen in de komende dertig jaar cumulatief een budgettair belang van zo’n € 42 miljard heeft. Echter, het kabinet heeft als uitgangspunt gehanteerd dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt. Ook bij een volledige vermogensaanwasbelasting zou het kabinet gekozen hebben voor een budgetneutrale invoering ten opzichte van het basispad. Het basispad is in dit geval het stelsel dat gold tot en met 2022 inclusief alle structurele wijzigingen sindsdien en exclusief de kosten van de hersteloperaties. Zodoende zouden de parameters van een stelsel met volledige vermogensaanwasbelasting worden aangepast zodat de opbrengst overeenkomt met de opbrengst van het hybride stelsel dat in het huidige wetsvoorstel is opgenomen. Er kan dus niet geconcludeerd worden dat een stelsel op basis van volledige vermogenswinstbelasting € 42 miljard meer oplevert in de eerste 30 jaar dan het voorgestelde hybride stelsel.
Wat is het totale bedrag dat deze uitzondering voor vastgoed gaat kosten, dus het totale bedrag (cumulatief) totaan het moment dat de structurele opbrengsten van vermogensaanwas en vermogenswinst aan elkaar gelijk zijn?
Het moment waarop de vermogenswinstbelasting volledig is ingegroeid ligt verder in de toekomst dan het jaar tot waar op dit moment geraamd kan worden (2060). Het is dus niet mogelijk om een reeks te presenteren tot het moment dat de vermogenswinstbelasting volledig is ingegroeid.
Hoe is het mogelijk dat dit totale bedrag nooit eerder is gecommuniceerd richting de Kamer, terwijl het hier gaat om een nieuwe fiscale regeling die de overheid meer dan 42 miljard euro aan budgettaire derving gaat kosten?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat, in tegenstelling tot wat door sommige Kamerleden in het wetgevingsoverleg werd beweerd, deze budgettaire derving nooit wordt ingelopen omdat je bij een vermogenswinstbelasting constant (nieuwe) belastinginkomsten naar de toekomst doorschuift?
Het klopt dat bij een vermogenswinstbelasting de derving die in de eerste jaren ontstaat in latere jaren niet meer wordt ingelopen. Bij een vermogenswinstbelasting wordt pas belasting geheven op het moment van vervreemding. Dit betekent dat per jaar maar over een deel van de vermogensbestandsdelen belasting wordt geheven. Stel dat de gemiddelde bezitsduur 4 jaar is (in werkelijkheid is dit bij woningen aanzienlijk langer). Dan wordt per jaar over een kwart van de vermogensbestandsdelen belasting geheven. Pas als alle vermogensbestandsdelen minimaal één keer van eigenaar zijn gewisseld is de vermogenswinstbelasting volledig ingegroeid, maar de ontstane derving niet ingelopen.
Kunt u, in lijn met artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet, heel stevig onderbouwen waarom deze fiscale uitzondering voor vastgoed doelmatig zou zijn, gelet op de budgettaire derving van minstens 42 miljard euro?
Voor alle vermogensbestanddelen geldt dat het werkelijke rendement wordt belast. Voor onroerende zaken wordt een vermogenswinstbelasting voorgesteld. De waardeontwikkeling wordt daardoor in de heffing betrokken bij vervreemding. Dit levert een liquiditeitsvoordeel op voor bezitters van onroerende zaken. Bezitters van onroerende zaken betalen in veel gevallen namelijk op een later moment belasting over hun vermogenswinst. Bij de indiening van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is als onderbouwing van de gemaakte beleidskeuzes opgemerkt dat in het wetsvoorstel een balans is gezocht tussen uitvoerbaarheid en doenlijkheid, het evenwichtig belasten van verschillende vermogensbestanddelen en het zo goed als mogelijk aansluiten bij het werkelijke rendement. Dit is onder andere tot uitdrukking gekomen in het vermogenswinststelsel voor onroerende zaken (en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen) en in de forfaitaire vaststelling van de vastgoedbijtelling. Het kabinet is van mening dat deze balans met het ingediende voorstel zo goed als mogelijk gevonden is en dat het voorstel daarmee ook doelmatig is.
Als onroerende zaken onder de vermogensaanwasbelasting belast zouden zijn, dan zou dit bij een grote, ongerealiseerde (dus niet in liquiditeiten tot uitdrukking komende) waardestijging bij een beperkt aantal belastingplichtigen kunnen leiden tot liquiditeitsproblemen. Indien belastingplichtigen in liquiditeitsproblemen komen bestaat onder omstandigheden de mogelijkheid tot een betalingsregeling bij de Belastingdienst. In het geval dat dit geen soelaas biedt, zou de belastingplichtige de onroerende zaak moeten verkopen om de belastingheffing over de vermogensaanwas van die onroerende zaak te kunnen voldoen. Daarbij komt dat onroerende zaken niet altijd eenvoudig zijn te verkopen. Als gevolg hiervan zouden deze bezitters van onroerende zaken eventueel met schuldproblematiek te maken kunnen krijgen. Dat wil het kabinet zo veel mogelijk voorkomen. Daarom is gekozen voor de systematiek van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken.
Kunt u aangeven wat de totale budgettaire derving is van een vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting (cumulatief, tot aan het moment dat de opbrengsten structureel gelijk zijn)?
Zoals beschreven in het antwoord op vragen 4 en 5, zouden bij gelijkblijvende parameters de opbrengsten van een volledige vermogensaanwasbelasting in de eerste 10 jaar uitkomen op circa € 23 miljard euro meer dan in het voorgestelde hybride stelsel, oplopend tot circa € 42 miljard de eerste 30 jaar. De incidentele derving van een volledige vermogenswinstbelasting hangt af van de parameters die gekozen worden. In de Kamerbrief van 8 september 2023 is een eerste inschatting gemaakt dat de derving van een volledige vermogenswinstbelasting kan oplopen tot ruim boven de € 5 miljard in de eerste 5 jaar.2 Het kabinet heeft altijd het uitgangspunt gehanteerd dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt.
Kunt u deze vragen, een voor een, beantwoorden gelijktijdig met de toegezegde antwoorden op openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg?
De antwoorden op de openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg zijn op 22 januari 2026 verzonden.3 Het is helaas niet gelukt om de beantwoording op deze vragen in die brief op te nemen.
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe internationale Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» en het nationale onderzoek van Oxfam Novib «Rijker dan ooit, machtiger dan ooit. De politieke invloed van de rijken in Nederland»?
Ja.
Wat vindt u ervan dat wereldwijd het gezamenlijke vermogen van miljardairs inmiddels is gestegen tot 18,3 biljoen dollar, terwijl tegelijkertijd bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft?
Het is schrijnend dat bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
Wat vindt u ervan dat de tein procent rijkste huishoudens meer dan de helft (56 procent) van het vermogen bezitten, terwijl de armste helft van het land maar twee procent van het vermogen bezit? Wat vindt u ervan dat in Nederland de rijkste 500 personen circa negen procent van het totale huishoudvermogen bezitten, terwijl zij slechts 0,003 procent van de bevolking uitmaken?
Vermogen is per definitie scheef verdeeld, veel schever dan inkomen. Dat is overal ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit dat anders dan inkomen, vermogen gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Het IBO Vermogensverdeling dat op 8 juli 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien 40% van de scheefheid in de vermogensverdeling hiermee verklaard wordt. De inkomensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien laag en stabiel en volgens het CBS is de vermogensongelijkheid in Nederland in de periode 2011-2024 gedaald. In 2024 bedroeg de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid in Nederland 0,73 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde pensioenvermogen wordt meegenomen. Ook is de vermogensongelijkheid in Nederland internationaal gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World Inequality Lab ook zien. Ten slotte geldt dat Nederland een internationaal gezien uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon.
In het IBO-Vermogensverdeling wordt ook aangegeven dat een zekere mate van vermogensongelijkheid een kenmerk is van een gezonde, concurrerende economie. Dit biedt prikkels om ondernemingen te starten of te investeren in ondernemingen wat goed is voor de economische dynamiek. Ondernemen, investeren en beleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Ten slotte wordt aangegeven dat er economisch gezien geen optimaal getal voor vermogen of de vermogensverdeling valt te geven.
Deelt u de zorg dat deze mate van vermogensconcentratie kan leiden tot onevenredige politieke invloed van een zeer kleine groep burgers? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vermogende Nederlanders meer invloed hebben op de democratische besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Oxfam Novib trekt de conclusies van Oxfam ten aanzien van de rijksten ter wereld en de politieke ontwikkelingen in de VS direct door naar de situatie in Nederland. Dit is te kort door de bocht. Allereerst is de vermogensongelijkheid in Nederland gedaald in de periode 2011–2024 en de vermogensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien niet opvallend. Ten tweede betalen ook de zeer vermogenden net als andere personen en huishoudens in Nederland progressieve belasting over hun arbeids- en pensioeninkomen in box 1 (plus het eigenwoningforfait over hun eigen huis) en belasting over hun vermogen in box 2 respectievelijk box 3 van de inkomstenbelasting. Ten derde zijn er geen aanwijzingen dat de politieke invloed van zeer vermogenden in Nederland de laatste jaren is toegenomen. In onze democratie geldt de belofte dat elke stem telt, ongeacht bijvoorbeeld achtergrond, woonplaats of vermogen, en dat er oog is voor de verschillende belangen bij democratische besluitvorming. Dat vermogen zou leiden tot meer invloed op democratische besluitvorming is in dat kader onwenselijk. Onze democratie kent dan ook meerdere waarborgen om evenwichtige democratische besluitvorming te bevorderen, zoals de regels omtrent giften aan politieke partijen waarbij een maximumbedrag geldt, zoals toegelicht onder antwoord 5 en antwoord 9. Het kabinet neemt daarnaast meerdere maatregelen, zoals toegelicht onder antwoord 6 en antwoord 10, die onder meer bijdragen aan transparantie van invloed in democratische besluitvormingsprocessen.
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding dat in het verkiezingsjaar 2025 elf (voormalige) Quote-500-leden of hun bedrijven verantwoordelijk waren voor 20 procent van alle grote giften aan politieke partijen?
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is het elke Nederlander toegestaan om per jaar in totaal ten hoogste € 100.000,– te doneren aan een politieke partij (art. 29b Wfpp). Dit geldt ook voor personen die genoemd worden in de Quote-500 en hun bedrijven. Het is belangrijk dat het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling en ongewenste financiële beïnvloeding wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het voor politieke partijen ook belangrijk dat hen ruimte wordt gelaten om fondsen te werven ten behoeve van bijvoorbeeld campagne-uitgaven. Fondsen werven is ook een vorm van politieke participatie. Dit vergt een zeker evenwicht. Daarom is er een giftenmaximum vastgesteld op 100.000 euro.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming te voorkomen?
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor alle soorten belangen en om evenwichtige politieke besluitvorming te bevorderen. Zo gelden er regels om giften aan politieke partijen transparant te maken: substantiële giften moeten worden gemeld en er geldt een giftenmaximum van 100.000 euro dat gedoneerd kan worden. Verder werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van belangenbehartiging door middel van de openbare agenda’s van bewindspersonen en de advies- en consultatieparagrafen in memories van toelichting bij nieuwe wetgeving. In de gedragscode integriteit bewindspersonen staat dat Ministers en Staatssecretarissen in hun contacten met derden transparantie nastreven. De Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclames is inmiddels ook in werking getreden, waarmee transparantie-eisen worden gesteld aan politieke reclames. Tot slot wordt binnen Europa nog onderhandeld over de transparantierichtlijn uit het Defence of Democracy Package, die erop gericht is om belangenvertegenwoordigingsactiviteiten namens derde landen transparant te maken.
Zijn deze maatregelen volgens u voldoende? Zo ja, kunt u dat toelichten?
In samenhang zorgen deze maatregelen ervoor dat belangenvertegenwoordiging transparant is, politieke besluitvorming evenwichtig en onevenredige invloed op beleid wordt beperkt. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat belangenvertegenwoordiging tweerichtingsverkeer is: dit gaat niet alleen over de inrichting van publieke besluitvormingsprocessen, maar ook over het gedrag van individuen (belanghebbenden en overheidsfunctionarissen). Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen om met alle belanghebbenden en betrokkenen te spreken alvorens zij een besluit nemen. En belangenvertegenwoordigers zouden transparant moeten zijn over de belangen die zij vertegenwoordigen, ten bate van besluitvorming in het algemeen belang.
Welke aanvullende maatregelen zijn wat u betreft mogelijk om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming tegen te gaan?
Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden al diverse maatregelen die onevenredige invloed beogen te voorkomen. Ik zie geen noodzaak tot aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat het verlagen van het toegestane maximum aan giften en een verbod op donaties van rechtspersonen bijdragen aan het beperken van de invloed op politieke besluitvorming door vermogende individuen en bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp heeft de Kamer een amendement over het uitsluitend toestaan van giften van natuurlijke personen verworpen. Er bestond destijds onvoldoende politiek draagvlak voor een dergelijke maatregel.1 Om deze reden is in het bij uw Kamer aanhangige voorstel van wet houdende de Wet op de politieke partijen geen voorstel van deze strekking opgenomen. Uit het door uw Kamer uitgebrachte verslag blijkt evenwel dat er in uw Kamer ook fracties zijn die op dit punt een extra stap zouden willen zetten. Mocht ertoe worden besloten dat politieke partijen geen giften van rechtspersonen mogen aannemen, dan heeft dit uiteraard wel als consequentie dat politieke partijen daardoor minder eigen inkomsten zullen kunnen vergaren.
Het giftenmaximum is pas recent in de regelgeving voor de financiering van politieke partijen opgenomen.2 Ook het verlagen van het toegestane maximum aan giften heeft als gevolg dat de financiële speelruimte van politieke partijen wordt beperkt. De regering acht het van belang om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding van politieke partijen, maar wil politieke partijen en burgers niet overmatig beperken in hun mogelijkheden tot het geven van giften. Volgens de regering is met het huidig wettelijk kader een balans gevonden tussen toezicht en controle enerzijds en de vrijheid van vereniging anderzijds.
Deelt u de mening dat een lobbyregister van belang is om de transparantie te vergroten en om daarmee te voorkomen dat vermogende individuen en bedrijven eenvoudiger toegang hebben tot de politieke besluitvorming dan minder vermogende personen? Zo nee, waarom niet?
Een lobbyregister kan helpen om inzichtelijk te maken wie waarover met beleidsmakers praat en wat vervolgens met hun inbreng is gedaan in het besluitvormingsproces. Zo kan een register inzicht geven in het speelveld van alle belangen, transparantie bevorderen en verantwoording mogelijk maken over de weging van alle inbreng. Een lobbyregister is evenwel geen panacee. In maart 2025 nam de Kamer de motie Dassen/Van Waveren aan die het kabinet verzoekt om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel tot een lobbyregister naar Iers model naar de Kamer te sturen, zodat dit uiterlijk 1 september 2026 in werking kan treden (Kamerstukken II 2024/25, 28 844, nr. 293). Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de uitvoering van de motie aan het volgende kabinet laat.
Deelt u de mening dat mondiale politieke ontwikkelingen, waaronder het beleid van de Verenigde Staten, internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing onder druk zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen onderneemt u om tegenwicht te bieden aan deze ontwikkelingen?
De recente mondiale politieke ontwikkelingen hebben internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing inderdaad niet makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat internationale samenwerking binnen de OESO en EU onverminderd wordt doorgezet. Dit geldt voor bestaande afspraken en onderhandelingen over nieuwe afspraken. Nederland zal zich altijd blijven inzetten voor internationale samenwerking. Zo was de Nederlandse inzet in de recente onderhandelingen in het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) en het zogenoemde «Side-by-Side-pakket» erop gericht om de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die doelstellingen zijn het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen naar jurisdicties die weinig belasting heffen.3 Op 5 januari is in het OESO Inclusive Framework een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket, waarmee de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband.4
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels ondermijnen?
Ik ben het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid in de wereld vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels kan ondermijnen. Daarom is hier aandacht voor in internationale gremia als de G20 en bij de OESO. Nederland stelt zich actief in alle internationale gremia in zowel de agendering als de gesprekken over de aanpak van belastingontwijking en ongelijkheid.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken, waaronder de implementatie en aanscherping van de internationale minimumbelasting, en aangeven welke aanvullende stappen Nederland bereid is te zetten om zijn rol als doorstroomland verder af te bouwen?
Voor een actuele stand van zaken van de Nederlandse inzet binnen de lopende trajecten binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken verwijs ik naar mijn brief van 15 december 2025 over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.5 In het bijzonder heb ik uw Kamer daarnaast recent geïnformeerd over het akkoord van het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale ondernemingen (Pijler 2) in de vorm van het zogenoemde «Side-by-Side-pakket», inclusief de Nederlandse inzet en appreciatie.6 De Nederlandse inzet was, zoals hierboven ook benoemd, erop gericht om de doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen en afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt. Er zijn de afgelopen jaren al veel stappen genomen om geldstromen via Nederland naar laagbelastende jurisdicties te voorkomen. Op dit moment werkt de Europese Commissie aan een hernieuwd initiatief om de Richtlijn tegengaan fiscaal misbruik lege vennootschappen (Unshell) om te vormen. Het kabinet heeft de voorkeur om daarop te wachten. Het uiteindelijk effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen is immers enkel mogelijk via een EU(of bredere)-aanpak
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Misbruik door turboliquidaties |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op»1, «Fiscus loopt in tien jaar ruim € 1,5 mrd mis door spoorloze ondernemers en plof-bv’s»2 en «Fraude en turboliquidaties in Nederland»3?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Deelt u de analyse dat turboliquidaties in Nederland steeds vaker worden misbruikt om tijd te kopen en verantwoordelijkheid te laten verdampen, waardoor schuldeisers met lege handen achterblijven?
Ik deel deze analyse niet. Waar het jaarlijks aantal turboliquidaties in 2019–2021 circa 40.000 bedroeg en in 2022 zelfs bijna 50.000, is dit aantal in 2024 gedaald tot een totaal van 33.000. Deze daling lijkt verband te houden met de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidaties op 15 november 2023.4 Niet bekend is bij hoeveel turboliquidaties sprake is geweest van misbruik. Daarom is ook niet vast te stellen of misbruik is toe- of afgenomen, hoewel uit de praktijk bekend is dat misbruik plaatsvindt.
Hoe komt het volgens u dat inmiddels bijna 80 procent van de ondernemingen, die worden beëindigd, worden opgeheven via een turboliquidatie?
Niet kan worden gezegd dat 80% van de ondernemingen wordt beëindigd door de turboliquidatie. Ten eerste bestaan ondernemingen in verschillende rechtsvormen: met rechtspersoonlijkheid (zoals BV’s en stichtingen) of zonder rechtspersoonlijkheid (zoals eenmanszaken en vof’s). De turboliquidatie kan uitsluitend worden toegepast op rechtspersonen. De groep Nederlandse rechtspersonen is dus kleiner dan de groep Nederlandse ondernemingen. Het WODC-rapport over de werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie, dat afgelopen zomer naar Uw Kamer is gestuurd, bevat een data-analyse hierover (hoofdstuk 6). Hieruit volgt, dat de afgelopen vijf jaar tussen de 77% en 86% van alle bedrijfsbeëindigingen van rechtspersonen door een turboliquidatie plaatsvindt. Op de vraag waarom zo’n groot aantal bedrijfsbeëindigingen door de turboliquidatie plaatsvindt, is daarom geen eenduidig antwoord te geven.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de relatieve snelheid en eenvoud waarmee de turboliquidatie kan worden toegepast een reden is waarom het instrument in de praktijk graag wordt gebruikt. De keerzijde zijn de zorgen over misbruik van de regeling, met name als er schulden achterblijven. Zoals vermeld in reactie op vraag 2, is bekend dat de regeling wordt misbruikt, maar is de omvang van dit misbruik lastig vast te stellen.
Klopt de inschatting dat de Belastingdienst de afgelopen tien jaar naar schatting 1,5 miljard euro aan inkomsten is misgelopen door ondernemers die veelal spoorloos verdwijnen na turboliquidaties? Waarom is er vanuit het kabinet niet veel meer actie ondernomen om dit tegen te gaan?
De Belastingdienst herkent de inschatting van 1,5 miljard over de afgelopen tien jaar aan misgelopen inkomsten niet.
In het (tussentijdse) onderzoeksrapport van 21 september 2021 van de Belastingdienst, dat op 11 augustus 2025 door middel van een Woo-verzoek openbaar gemaakt is,5 zijn cijfers opgenomen met betrekking tot openstaande bedragen bij de Belastingdienst ten tijde van bedrijfsbeëindigingen over de jaren 2016 tot en met 2019. Van de circa 1.9 miljard euro aan totale openstaande schuld, zag circa 525 miljoen op de turboliquidatie. De omstandigheid dat een schuld openstaat betekent niet dat sprake is van misbruik of fraude. Ook betekent dit niet dat de schuld bij een andere vorm van bedrijfsbeëindiging wel was voldaan.
Dit betekent overigens niet dat er in het geheel geen maatregelen zijn getroffen. Met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie is de transparantie van de regeling vergroot en de rechtsbescherming van schuldeisers verbeterd. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Bestuurders kunnen een bestuursverbod krijgen, onder meer als zij niet aan de genoemde verantwoordingsverplichting hebben voldaan of doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk hebben benadeeld. Van dergelijke benadeling kan sprake zijn in gevallen van frauduleus handelen.6
Kunt u de interne analyses van de Belastingdienst met de Kamer delen waaruit blijkt dat ruim tweeduizend ondernemers hun bedrijf ophieven, terwijl zij nog voor enkele honderden miljoenen euro’s aan panden, boten of ander bezit hadden?
Deze interne analyses maken onderdeel uit van een onderzoek dat op eigen initiatief door de Belastingdienst is uitgevoerd. Het rapport bevat voornamelijk bevindingen en aanbevelingen uit de (tussen)rapportage, die al in 2025 openbaar gemaakt is.7 De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is verantwoordelijk voor de wetgeving op het gebied van turboliquidaties. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane is verantwoordelijk voor de Belastingdienst en de gevolgen die turboliquidaties hebben voor de taken op het gebeid van heffen en innen. Vanuit die rol wordt het rapport van de Belastingdienst binnenkort ook met uw Kamer gedeeld door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.
Wat is er precies gebeurd met het onderzoek dat het ministerie in 2019 is gestart naar de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Waarom is dit nog niet voltooid en wanneer kan de Kamer de onderzoeksresultaten verwachten?
Door een omissie is dit rapport eerder niet openbaar gemaakt. Zie verder graag het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat misbruikers in Duitsland minder snel ongeschonden wegkomen, doordat zij eerder persoonlijke aansprakelijkheid riskeren? Wat kunnen wij hier in Nederland van leren? Zijn er andere landen die ook een «turboliquidatie»-procedure kennen, en zo ja, hoe gaan die landen om met het in de bovengenoemde artikelen geschetste risico op fraude en misbruik?
Duitsland kent een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen. Deze regel beoogt schuldeisers te beschermen tegen benadeling, maar of dit ook wordt gezien als een effectieve prikkel tegen misbruik is mij niet bekend. Een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen is onderdeel van het recente richtlijnvoorstel tot harmonisering van het materiële insolventierecht (een «duty to file»).8 Nederland was hier kritisch op, omdat het moeilijk is om te bepalen wanneer zo’n verplichting geldt en zo’n plicht een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico in het leven zou roepen voor goedwillende ondernemers. Bovendien zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden om bestuurders aan te spreken indien zij op onrechtmatige wijze schuldeisers benadelen.9 In de uiteindelijke versie van de richtlijn is een meer flexibele benadering opgenomen, mede dankzij de Nederlandse inzet.10 Tijdens de implementatie van de richtlijn zal worden bezien op welke wijze aan de nieuwe verplichtingen van de richtlijn gevolg en invulling zal worden gegeven. De verwachting is dat de richtlijn in de loop van 2026 formeel in werking treedt, waarna de implementatietermijn gaat lopen.
Mij is niet bekend in hoeverre instrumenten in andere landen voor eenvoudige bedrijfsbeëindigingen overeenkomen met de turboliquidatie. Naar aanleiding van deze vraag zal ik mij hier nader op gaan oriënteren. De uitkomsten van deze oriëntatie zal ik betrekken bij het opstellen van de permanente regeling, die ik verwacht bij Uw Kamer in te dienen in de eerste helft van 2027.
Deelt u de analyse dat aanscherping van de wet onvermijdelijk is? Bijvoorbeeld voor automatische signalering van herhaald gebruik of zwaardere aansprakelijkheid bij recidive en sancties die echt afschrikken. Welke stappen gaat u zetten om misbruik tegen te gaan?
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft op 12 augustus 2025 een WODC-onderzoek naar de vraag of en zo ja in hoeverre de doelen van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie in de praktijk worden gerealiseerd aan uw Kamer aangeboden.11 In de begeleidende brief heeft de Staatssecretaris toegelicht welke verbeteringsmogelijkheden de onderzoekers signaleren en dat zij concluderen dat de Tijdelijke wet bij naleving hiervan bijdraagt aan meer transparantie en in mindere mate aan het voorkomen van misbruik.
In reactie op het onderzoek is de looptijd van de Tijdelijke wet verlengd tot 15 november 2027. De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft daarnaast een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Het gaat uiteindelijk om het vinden van een juiste balans tussen het faciliteren van relatief laagdrempelige bedrijfsbeëindiging en het aanbrengen van waarborgen om misbruik zoveel mogelijk te voorkomen. Het streven is om Uw Kamer in het tweede kwartaal van dit jaar te voorzien van een nadere, inhoudelijke beleidsreactie op het onderzoek.
Hoe komt het volgens u dat informatie van de Kamer van Koophandel waar de Belastingdienst van afhankelijk is vaak niet klopt, zoals het FD schrijft? Wat gaat u doen om te zorgen dat deze informatie in de toekomst wel betrouwbaar is?
Het handelsregister is een registratie van de verplichte opgave van gegevens door de daartoe bevoegde natuurlijke personen die bij een rechtspersoon betrokken zijn (art. 19, lid 1 Handelsregisterwet 2007). Hierbij bestaat het risico dat gegevens onjuist of verouderd zijn. De KvK stimuleert ondernemers daarom door middel van campagnes om hun gegevens te controleren en actueel te houden. De KvK heeft verder de bevoegdheid om een gegeven te onderzoeken (art. 34, lid 1 Handelsregisterwet 2007) en te beslissen over wijziging van dat gegeven (art. 34, lid 2 Handelsregisterwet 2007). Voor bestuursorganen geldt bovendien een terugmeldplicht richting de Kamer van Koophandel (KvK) bij gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven in het handelsregister of het ontbreken daarvan.
In de bijlage bij de Halfjaarbrief aanpak georganiseerde, ondermijnende criminaliteit van 19 december 2025 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd dat hij samen met het Ministerie van EZ kijkt naar de verschillende mogelijkheden om de poortwachtersrol van de KvK te versterken.12 Daarnaast zal er vanuit het Ministerie van EZ op korte termijn een voorstel tot wijziging van de Handelsregisterwet in consultatie gaan, waarin onder andere de mogelijkheid voor de KvK tot het delen van signalen wordt vastgelegd. Ook wordt de wettelijke grondslag voor de registratie en publicatie van de verschillende bestaande bestuursverboden geharmoniseerd. Een bestuursverbod leidt altijd tot weigering van nieuwe inschrijvingen voor de duur van het verbod.
Onderschrijft u de conclusie van het WODC in haar onderzoek naar de werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie voor rechtspersonen, namelijk dat effectievere handhaving noodzakelijk is om misbruik te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u de handhaving verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u het eens met de in het FD aangehaalde experts die stellen dat het huidige budget van de Belastingdienst om specifiek misbruik van turboliquidaties te onderzoeken een fractie is van wat nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit budget te verhogen?
Bij de invoering van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie is de strafrechtelijke handhaving van de verantwoordingsverplichting belegd bij het Bureau Economische Handhaving van de Belastingdienst (BEH). Sinds 1 januari 2026 wordt deze taak uitgevoerd door de nieuwe Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI), onderdeel van het Ministerie van Financiën. Vanwege de tijdelijke aard van de wet en de snelheid waarmee implementatie werd verlangd, is voor de maatregelen en de handhaving ervan zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande juridische kaders en de bestaande praktijk. Om die reden is de handhaving van de verantwoordingsverplichting bij turboliquidatie ingepast in de bestaande handhavingspraktijk voor jaarverslaggevingsverplichtingen. De geschatte kosten van de tijdelijke handhavingstaak bij turboliquidatie, waar het budget op is gebaseerd, moeten tegen deze achtergrond worden bezien. Zoals in de memorie van toelichting bij de tijdelijke wet staat vermeld, werden deze geschat op ongeveer 60.000 euro incidenteel voor aanpassing ICT en ongeveer 0,1 mln. euro per jaar voor tijdelijke personele versterking. Deze kosten zijn voldaan uit het budget dat uit de COVID steun- en herstelpakketten beschikbaar is gesteld voor de tijdelijke wet. Dit budget was naar zijn aard tijdelijk, omdat de verwachte effecten van COVID-19 ook tijdelijk zijn. De duur van de wet, twee jaar, was daaraan verbonden. Om de tijdelijke wet te kunnen verlengen per 15 november 2025, is financiering beschikbaar gevonden uit het COVID steun- en herstelpakketten budget dat beschikbaar is gesteld voor de tijdelijke wet. Voor wat betreft de verlengde duur van de tijdelijke wet tot 15 november 2027 zal het huidige budget en de huidige capaciteit in het toezicht moeten voorzien. In het wetgevingstraject om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren, zal het budget voor de uitvoering van deze wet worden betrokken. Het is niet wenselijk om hierop vooruit te lopen met een verhoging van het budget.
Waarom is het mogelijk voor een turboliquidatie te kiezen als er sprake is van schulden? Is het wat u betreft een optie om turboliquidaties alleen nog mogelijk te maken voor volledige lege rechtspersonen, dat wil zeggen zonder bezittingen én zonder schulden? Zo nee, waarom niet?
De turboliquidatieregeling biedt ruimte aan bonafide ondernemers om betrekkelijk snel en eenvoudig naar de beëindiging van hun onderneming toe te werken, door (voorafgaand aan de ontbinding) alles van waarde te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Als turboliquidatie uitsluitend zonder schulden mogelijk zou zijn, dan zou dat meebrengen dat rechtspersonen met schulden altijd in faillissement afgewikkeld moeten worden. Wanneer er niets van waarde te verdelen is, heeft een faillissement niet altijd meerwaarde. Op grond van jurisprudentie moeten bestuurders van rechtspersonen die (vrijwel) geen baten hebben, daarom de turboliquidatie toepassen als zij de rechtspersoon willen beëindigen en niet een faillissementsaanvraag indienen. Meerwaarde is er bijvoorbeeld wel als schuldeisers vermoeden dat er sprake is geweest van onrechtmatig of frauduleus handelen van de bestuurders, als gevolg waarvan zij zijn benadeeld. De curator behartigt de belangen van de gezamenlijke schuldeisers en is erop toegerust de informatie te vergaren die nodig is om dergelijke vermoedens van onregelmatigheden nader te onderzoeken.
Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 8, zet ik voor de permanente regeling in op het vinden van een goede balans tussen relatief laagdrempelige bedrijfsbeëindiging en het aanbrengen van voldoende waarborgen om misbruik zoveel mogelijk te voorkomen. Ik houd alle opties nog open om dat doel te bereiken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Fiscaliteit?
Ja, we beantwoorden de vragen voor het genoemde commissiedebat. Voor de bevoegdheidsverdeling op dit dossier verwijs ik u graag naar de beantwoording van vraag 5 en wijs ik verder op het geplande commissiedebat Belastingdienst op 13 maart 2026, mocht u nog nadere vragen willen stellen over de specifieke verantwoordelijkheid van de Belastingdienst en de gevolgen die turboliquidaties hebben voor de taken op het gebied van heffen en innen.
Extra geld voor Oekraïne |
|
Kati Piri (PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de demissionair Minister-President dat extra geld voor Oekraïne buiten het uitgavenkader zit en dus in het saldo loopt (in het plenair debat van 27 november 2025)?
Ja, zoals opgenomen in het hoofdlijnenakkoord valt steun aan Oekraïne niet onder het uitgavenkader. Deze uitgaven zijn wel saldo- en schuldrelevant. In het hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat het (demissionaire) kabinet de Europese begrotingsnormen respecteert.
Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de kabinetsappreciatie (van 18 december 2025) van het amendement voor aanvullende middelen voor Oekraïne (Kamerstuk 36 850 X, nr. 7), waarbij de demissionair Minister van Financiën aangeeft dat het amendement geen deugdelijke dekking heeft?
Steun aan Oekraïne valt niet onder het uitgavenkader, maar is wel relevant voor het EMU-saldo en de EMU-schuld. Het kabinet hecht aan de Europese referentiewaarden voor het tekort (3% bbp) en de schuld (60% bbp). Het was niet realistisch om de gehele 2 miljard euro waar de motie om verzocht nog in 2025 uit te geven. Dit betekent dat de door uw Kamer gevraagde resterende 1,3 miljard euro uit het amendement van het lid Stultiens in 2025 niet tot besteding zou komen, waardoor het in 2026 het saldo en de schuld zou belasten. Gegeven de financiële realiteit dat we in 2026 tegen de grenzen aanlopen1, is het vanuit het EMU-saldo bezien daarom wenselijk dat een dergelijke intensivering van dekking wordt voorzien.
Kunt u aangeven of het demissionaire kabinet vasthoudt aan de lijn-Schoof (buiten het uitgavenkader) of aan de lijn-Heinen (binnen het uitgavenkader) inzake extra geld voor Oekraïne?
Deze vraag berust op een verkeerde veronderstelling (zie het antwoord op vraag 1 en 2).
Klopt het dat deze extra 1,3 miljard euro voor Oekraïne dit jaar al is uitgegeven met geleend geld uit 2026 en dat bovengenoemd amendement er slechts voor zorgt dat deze uitgaven worden betaald met extra geld in 2025, waardoor er in 2026 geen budgettair gat voor Oekraïne ontstaat?
Het kabinet heeft in het voorjaar van 2025 3,1 miljard euro beschikbaar gesteld voor militaire steun aan Oekraïne in 2026. Hiervan is 2 miljard euro versneld tot besteding gekomen in 2025 middels een kasschuif van 2026 naar 2025.
Hiernaast is het kabinet middels de motie van het lid Klaver c.s. verzocht het budget voor militaire steun aan Oekraïne aan te vullen met 2 miljard euro, zodat het budget in het eerste kwartaal van 2026 beschikbaar gesteld kan worden ten behoeve van de defensie-industrie in Oekraïne. Het kabinet heeft als eerste stap in de opvolging van de motie 700 miljoen euro aangewend ten behoeve van steun aan Oekraïne. Door het versneld vrijmaken van middelen voor steun aan Oekraïne zorgt het kabinet dat in het eerste kwartaal van 2026 militaire leveringen aan Oekraïne gecontinueerd kunnen worden. In het begin van 2026 zal het kabinet bezien hoe verdere opvolging aan de motie wordt gegeven.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
Belastingontwijking via Nederland als gevolg van een in belastingverdragen overeengekomen verlaagde bronheffing |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe de miljardenwinst van Starlink deels via Amsterdam wordt doorgesluisd» (Trouw, 22 november 2025)?
Ja.
Klopt het dat een brievenbusmaatschappij zonder medewerkers in Nederland, die volledig bestuurd wordt vanuit het buitenland, gebruik kan maken van Nederlandse belastingverdragen? Klopt het dat daarmee bilaterale afspraken tussen twee landen omzeild kunnen worden, doordat ook een route via Nederland mogelijk is?
Belastingverdragen hebben als doel om dubbele belasting weg te nemen en belastingontwijking- en ontduiking te voorkomen. Vennootschappen hebben recht op toepassing van een belastingverdrag als ze inwoner zijn van Nederland (of het andere land waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten). Om als inwoner te kwalificeren moet een vennootschap volledig onderworpen zijn aan de Nederlandse belastingheffing. Dat is in principe niet het geval als een vennootschap bestuurd wordt vanuit een ander land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Deze vennootschap heeft dan geen recht op toepassing van Nederlandse belastingverdragen.
Klopt het dat Nederland in belastingverdragen, waaronder dat met Zambia, heeft afgesproken dat de verdragspartners een verlaagde bronheffing mogen heffen over geldstromen naar Nederland? In welke belastingverdragen heeft Nederland dit nog meer afgesproken? Kunt u toelichten waarom Nederland hierop aandringt bij verdragsonderhandelingen?
Met een belastingverdrag wordt beoogd de economische relatie tussen beide landen te bevorderen door dubbele belastingheffing weg te nemen. Een samenloop tussen bronheffingen en woonstaatheffingen kan leiden tot dubbele belasting. Zoals internationaal gebruikelijk spreekt Nederland daarom in belastingverdragen af dat de bronheffing beperkt wordt tot een bepaald maximumpercentage. Dit is ook het geval in het belastingverdrag met Zambia. Achtergrond van deze afspraak is een verdeling van heffingsrechten, waarbij enerzijds het woonland van de ontvanger de inkomsten mag belasten maar anderzijds het bronland (het woonland van de betaler) een beperkt heffingsrecht toekomt. Als het woonland van de betaler niet beperkt zou worden in zijn (bron)heffingsrechten, is er een risico dat er dubbele belasting ontstaat of de reeds bestaande dubbele heffing wordt vergroot. Om oneigenlijk gebruik van deze afspraak te voorkomen, streeft Nederland naar opname van antimisbruikmaatregelen en heeft dit ook met succes in de meeste belastingverdragen opgenomen. In het verdrag met Zambia zijn ook antimisbruikbepalingen opgenomen.
Zoals is neergelegd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 streeft Nederland naar een uitsluitende woonstaatheffing met betrekking tot deelnemingsdividenden, renten en royalty’s. De achtergrond van deze verdragsinzet voor zover het deelnemingsdividenden betreft is dat Nederland zo dubbele belasting op concernniveau wenst te voorkomen. Daarnaast kunnen (hoge) bronheffingen in het algemeen – zoals bronheffingen op dividenden, renten en royalty’s – een hindernis vormen voor buitenlandse investeringen, ook door mogelijke juridisch dubbele belastingheffing. Met ontwikkelingslanden1 is de Nederlandse inzet anders. Nederland is met ontwikkelingslanden bereid om in een bilateraal belastingverdrag hogere bronheffingspercentages af te spreken dan met andere landen, onder andere omdat het inhouden van bronheffingen voor ontwikkelingslanden een eenvoudige manier is om belastinginkomsten te genereren. Een bilateraal belastingverdrag is altijd het resultaat van onderhandelingen en bevat een evenwichtig compromis tussen beide landen over de verdeling van heffingsrechten.
Voor welke derde landen geldt dat winst die in Zambia wordt gemaakt beter via Nederlands uitgekeerd kan worden dan direct naar deze landen vanwege de verlaagde bronheffing?
Doordat in het verdrag met Zambia antimisbruikbepalingen zijn opgenomen, kunnen bedrijven niet willekeurig winst via Nederland uitkeren in plaats van direct naar een ander land. Voor zover de Nederlandse vennootschap wel recht heeft op verdragsvoordelen, is een vergelijking met andere landen relevant. Zambia kent een nationale bronbelasting van 20% (ten tijde van het sluiten van het verdrag 15%) op uitgekeerde winsten (dividenden). In het belastingverdrag tussen Nederland en Zambia is de volgende beperking afgesproken:
Zambia heeft in zijn verdragen vergelijkbare afspraken gemaakt met onder andere China, India, Duitsland, Finland, Italië, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland. Met Japan heeft Zambia 0% bronheffing afgesproken voor dividenden (oftewel: uitsluitende woonstaatheffing). In Zambia gegenereerde winst kan daarom in beginsel met beperkte(re) of zonder belastingheffing (aan de bron) aan deze landen worden uitgekeerd.
Bent u van mening dat Zambia en eventuele andere landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten nadeel ondervinden van de afspraak om een verlaagde bronheffing toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Landen sluiten bilaterale belastingverdragen om economische relaties tussen landen te bevorderen en om administratieve samenwerking te verbeteren. Door belastingverdragen wordt dubbele belasting voorkomen en wordt belastingontwijking en -ontduiking voorkomen. In een verdrag worden de heffingsrechten verdeeld waardoor het risico op dubbele belasting sterk wordt tegengegaan. Hierdoor wordt een mogelijke drempel voor inwoners uit beide landen om economische activiteiten in het betreffende andere land te ontplooien weggenomen. Het verdrag zorgt ook voor rechtszekerheid voor de belastingplichtigen in beide landen.
Ik ben niet van mening dat landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten nadeel ondervinden van afgesproken beperkingen van heffingsrechten. Opmerking verdient dat Nederland met verdragspartners antimisbruikbepalingen wil afspreken, zodat beide landen instrumenten hebben om geen verdragsvoordelen (zoals een beperking van bronheffingen) toe te kennen in gevallen van oneigenlijk gebruik van deze belastingverdragen.
Klopt het dat de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over een belastingverdrag met Zambia was dat Zambia helemaal geen bronheffing zou mogen heffen over geldstromen naar Nederland? Zo ja, waarom was dat de Nederlandse inzet?
Op basis van de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 streeft Nederland in onderhandelingen over bilaterale belastingverdragen naar een uitsluitende woonstaatheffing voor deelnemingsdividenden, renten en royalty’s. Nederland is met ontwikkelingslanden bereid om in een bilateraal belastingverdrag hogere bronheffingspercentages af te spreken dan met andere landen, onder andere omdat het inhouden van bronheffingen voor ontwikkelingslanden een eenvoudige manier is om belastinginkomsten te genereren. Dit was ook het geval voor de onderhandelingen met Zambia.
De achtergrond voor het streven naar in beginsel een uitsluitende woonstaatheffing voor deelnemingsdividenden ligt van oudsher besloten in de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting om (economisch) dubbele belasting op concernniveau te voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat winst die al belast is met een winstbelasting nogmaals aan belasting wordt onderworpen als deze winst wordt uitgekeerd aan een ander lichaam binnen hetzelfde concern. Ook voor renten en royalty’s streeft Nederland in beginsel naar een uitsluitende woonstaatheffing, zodat deze inkomsten volledig belast kunnen worden in het woonland van de verstrekker van de lening of van degene die beschikt over de immateriële activa. Daarnaast wordt een bronheffing op renten en royalty’s vrijwel altijd geheven over de brutobetaling, terwijl in het woonland – voor het bepalen van de verschuldigde winstbelasting en de verrekening van de bronheffing op het niveau van de ontvanger van de betaling – het netto-inkomen in aanmerking wordt genomen. Hierdoor kan er in het woonland onvoldoende grondslag zijn om de bronheffingen volledig te verrekenen. Hoewel de kosten van de eventuele (resterende) dubbele belastingheffing in voorkomende gevallen worden doorberekend, zet dit de investeerder uit het buitenland op een achterstand ten opzichte van de investeerder uit de bronstaat zelf. Hierdoor kan een bronheffing op renten en royalty’s een belemmering opwerpen voor het internationale economische verkeer en het doen van investeringen.
Klopt het dat Nederland de grootste investeerder in Zambia is na het Verenigd Koninkrijk en China? Zo ja, hoe verklaart u dat?
Nee, het klopt niet dat Nederland de grootste investeerder is in Zambia na het Verenigd Koninkrijk en China.
Vindt u het, alles afwegende, wenselijk dat Nederland in verdragen met ontwikkelingslanden afspreekt dat zij een verlaagde bronheffing moeten toepassen over geldstromen naar Nederland? Zo ja, kunt u toelichten waarom?
Ja ik vind het wenselijk dat Nederland in verdragen met ontwikkelingslanden een bepaald maximum voor bronheffingen afspreekt. Belastingverdragen hebben als doel om dubbele belasting weg te nemen en belastingontwijking- en ontduiking te voorkomen. Door een belastingverdrag worden heffingsrechten tussen landen verdeeld, waardoor het risico op dubbele belasting sterk wordt tegengegaan. Hierdoor wordt voor inwoners van beide landen rechtszekerheid geboden over het wegnemen van fiscale drempels om economische activiteiten te ontplooien tussen beide landen. Dit is eveneens het geval voor wat betreft de beperkingen van het heffingsrecht op uitgaande dividenden, interest en royalty’s. Beperkingen van bronheffingen op deze geldstromen hebben als doel economisch en juridisch dubbele belasting zoveel mogelijk te voorkomen. Omdat doorgaans geen (volledige) verrekening van de in het bronland ingehouden belasting kan plaatsvinden op het niveau van degene die het inkomen ontvangt, zorgt hogere bronheffing vaak voor (meer) dubbele belasting.
Bent u bereid in het vervolg tot een andere onderhandelingsinzet te komen en af te zien van afspraken die sterk nadelig uitpakken voor ontwikkelingslanden, zoals het toepassen van een verlaagde bronheffing?
Ik erken het belang dat ontwikkelingslanden onder verdragen voldoende heffingsrechten behouden. Het uitgangspunt is dan ook dat Nederland in relatie tot ontwikkelingslanden bereid is onder andere hogere bronheffingspercentages af te spreken dan in relatie tot andere landen. Deze inzet richting ontwikkelingslanden is verder verruimd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020. Nederland hanteert hiermee geen onderhandelingsinzet die sterk nadelig uitpakt voor ontwikkelingslanden. Daarom ben ik van mening dat het niet nodig is om de onderhandelingsinzet ten aanzien van verlaagde bronheffingen op dividenden, interest en royalty’s in relatie tot ontwikkelingslanden te herzien. Het onderhandelingsresultaat dient in zijn geheel te worden bezien.
Bent u zich ervan bewust dat de in het artikel omschreven ontwijkingsconstructie ook al beschreven is in het rapport Op weg naar acceptabele doorstroom (2021)? Hoe kan het dat deze constructie nog steeds bestaat, hoewel al jaren bekend is dat er sprake is van belastingontwijking op deze wijze?
Het rapport van de Commissie doorstroomvennootschappen (Op weg naar acceptabele doorstroom)2 constateerde op basis van gegevens uit 2019 dat er relatief veel doorstroom door Nederland plaatsvindt, en dat dit onwenselijk is. Het toenmalige kabinet onderschreef deze conclusie, en het huidige kabinet doet dat ook. Er zijn de afgelopen tijd veel goede maatregelen genomen in de aanpak van doorstroomvennootschappen. Een goed voorbeeld is de bronbelasting op renten en royalty’s naar laagbelastende landen die vanaf 2021 in werking is, en die vanaf 2024 ook voor dividenden geldt. Uit de meest recente cijfers van DNB blijkt dat het gewenste effect van de bronbelasting in de cijfers terug te zien is. Daaruit blijkt namelijk dat de financiële stroom naar laagbelastende landen is gedaald van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024. De gevolgen van het internationale en nationale beleid tegen internationale belastingontwijking komen ook tot uitdrukking in de cijfers over directe buitenlandse investeringen (dbi). Tussen 2017 en 2024 is de Nederlandse voorraad aan directe buitenlandse investeringen ten opzichte van het bbp aanzienlijk gedaald. De aanpak van belastingontwijking is daar de vermoedelijke oorzaak van. In de recente monitoringsbrief over belastingontwijking heb ik dit nader toegelicht.3 Hoewel duidelijk dalende, blijft de voorraad van de dbi in Nederland wel relatief hoog ten opzichte van andere landen. Dit hoeft echter niet met belastingontwijking te maken te hebben. Doordat Nederland relatief veel internationale bedrijven heeft aangetrokken, bestaat een deel van de dbi bijvoorbeeld uit investeringen vanuit het buitenland in een reëel hoofdkantoor in Nederland dat vervolgens investeert in buitenlandse dochterondernemingen. Tot slot zullen sommige structuren die oorspronkelijk een belastingbesparing ten doel hadden, blijven bestaan, ondanks dat deze door de aanpak van belastingontwijking niet langer leiden tot een belastingbesparing.
Zoals de Commissie doorstroomvennootschappen al benoemde, geniet een internationale aanpak van doorstroomvennootschappen de voorkeur boven een nationale aanpak. Het kabinet onderschrijft dat er grenzen zijn aan wat unilateraal mogelijk is om belastingontwijking verder aan te pakken. Eenzijdige maatregelen kunnen ertoe leiden dat het probleem van internationale belastingontwijking zich alleen verplaatst. De Europese Commissie werkt aan het opstellen van een initiatief waarbij de uitwisseling van informatie over doorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied4, op een efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstel onderdeel zijn van de bredere herziening Richtlijn administratieve samenwerking die in eind van de eerste helft van 2026 wordt gepubliceerd. Na publicatie zal het kabinet een BNC-fiche over dit voorstel naar uw Kamer versturen.
Hoe denkt u dat de antimisbruikbepaling in belastingverdragen belastingontwijking via Nederland tegen kan gaan?
In het belastingverdrag met Zambia is in het dividend-, interest- en royaltyartikel een zogenoemde «main purpose test» opgenomen. Op grond hiervan dient geen vermindering van bronbelasting te worden verleend als het voornaamste doel of een van de voornaamste doelen van het aangaan van een transactie het verkrijgen van een verdragsvoordeel is. Door middel van deze antimisbruikbepaling wordt oneigenlijk gebruik van het belastingverdrag met Zambia tegengegaan.
Nederland biedt al zijn verdragspartners – ook Zambia – aan om in de belastingverdragen met Nederland een vergelijkbare antimisbruikbepaling op te nemen, de zogenaamde Principal Purposes Test (PPT). Via deze antimisbruikbepaling kunnen landen verdragsvoordelen (zoals een beperking van bronheffingen) weigeren in geval van oneigenlijk gebruik. Deze antimisbruikbepaling is onderdeel van het internationale BEPS-project tegen «Base Erosion and Profit Shifting». De PPT is daarom opgenomen in het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving, oftewel het «BEPS multilateraal instrument» (BEPS MLI) dat Nederland heeft geratificeerd. Via dit verdrag heeft Nederland aan verdragspartners voorgesteld om antimisbruikbepalingen door te laten werken in bestaande belastingverdragen. Dit BEPS MLI is in totaal door 107 landen ondertekend, maar nog niet door Zambia. Ik hoop dat Zambia – conform het voorstel van Nederland – de in het BEPS-project ontwikkelde antimisbruikbepalingen via het BEPS MLI zal laten doorwerken in het belastingverdrag tussen onze beide landen door ondertekening en ratificatie van het BEPS MLI.
Bent u zich ervan bewust dat voor ontwikkelingslanden vaak moeilijk te controleren is of sprake is van belastingontwijking? Klopt het dat Nederland daarom op basis van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen andere landen kan waarschuwen over mogelijke belastingontwijking?
Ja, daar ben ik me van bewust. Onder meer door een gebrek aan contra-informatie is het voor belastingdiensten vaak lastig om te controleren of er sprake is van belastingontwijking. Beperkte capaciteit kan hierbij ook een belemmering vormen. 151 landen, waaronder Nederland, hebben het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken ondertekend.5 Op basis van dit verdrag kunnen landen op automatische wijze, op verzoek en spontaan inlichtingen uitwisselen die van belang zijn voor de belastingheffing. Ook nemen landen in hun bilaterale belastingverdragen doorgaans een artikel op, op basis waarvan de verdragspartners inlichtingen kunnen uitwisselen. Dit artikel is ook opgenomen in het belastingverdrag tussen Nederland en Zambia. Nederland verstrekt onder andere op basis van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken en bilaterale belastingverdragen spontaan informatie aan een ander verdragsland waarvan het vermoeden bestaat dat die informatie relevant is voor de belastingheffing van het andere land. Richting Zambia maakt Nederland ook gebruik van de mogelijkheid tot spontane informatieverstrekking.
In het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen is onder meer bepaald dat zogeheten dienstverleningslichamen6 die niet voldoen aan de vereisten voor aanwezigheid (substance) in Nederland, Nederland uit eigen beweging informatie moet verstrekken.7 Nederland verstrekt die gegevens en inlichtingen vervolgens spontaan aan een ander land.
Gebeurt het verstrekken van inlichtingen aan andere landen over mogelijke belastingontwijking en misbruik van belastingverdragen volgens u op dit moment voldoende? Zo ja, hoe kan het dan dat nog steeds gebruik wordt gemaakt van constructies zoals beschreven in het genoemde artikel?
Ik ben van mening dat het verstrekken van inlichtingen aan andere landen over mogelijke belastingontwijking en misbruik van belastingverdragen op dit moment voldoende gebeurt. Informatie-uitwisseling gebeurt zowel automatisch, spontaan als op verzoek met andere landen. Het is aan het verdragsland dat het verdrag toepast om de voordelen van het verdrag te ontzeggen wanneer een antimisbruikbepaling in het verdrag van toepassing is. Een belastingdienst in het buitenland die twijfel heeft over de toepasselijkheid van het verdrag, kan in die gevallen dus ook vragen stellen aan Nederland. Indien de antimisbruikbepaling van toepassing is, kan een belastingplichtige geen gebruik maken van het desbetreffende voordeel in het belastingverdrag. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om spontaan informatie te verstrekken over Nederlandse brievenbusmaatschappijen waar dividenden doorheen doorstromen aan landen waarmee Nederland een belastingbedrag heeft gesloten, zoals Zambia?
In het belastingverdrag met Zambia bestaat de mogelijkheid om informatie, onder andere, op spontane basis uit te wisselen en Nederland maakt daar ook gebruik van. Zie hierover ook het antwoord op vraag 12. De Europese Commissie werkt op dit moment aan een hernieuwd initiatief waarbij de uitwisseling van informatie over doorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied8, op een efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstel onderdeel zijn van de bredere herziening van de Richtlijn administratieve samenwerking. Dit voorstel wordt eind van de eerste helft van 2026 gepubliceerd. Door internationaal afspraken te maken over de afbakening wordt het oneigenlijk gebruik van doorstroomvennootschappen op een integrale en uniforme wijze aangepakt. Bovendien voorkomt dit eventuele EU-rechtelijke risico’s van een unilaterale afbakening. Na publicatie zal het kabinet een BNC-fiche over dit voorstel naar de Kamer versturen. Zodra er een akkoord is over deze EU-richtlijn kan het volgend kabinet op basis daarvan overwegen of een unilaterale aanpassing in de informatie-uitwisseling met derde landen eveneens geboden is.
Het FD-artikel ‘Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarah El Boujdaini (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Italië een btw-aanslag heeft opgelegd aan Meta, LinkedIn en X?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie van oordeel is dat er omzetbelasting geheven mag worden over sociale media als gebruikers de instellingen kunnen aanpassen waardoor de aanbieders persoonlijke data niet zomaar mogen verkopen en de gebruikers zelf minder functionaliteiten ter beschikking hebben?
Nee. De Europese Commissie heeft op verzoek van Italië slechts een eerste analyse1 gepresenteerd aan de andere lidstaten en gevraagd om een reactie daarop. In de analyse wordt beschreven dat heffing van btw in zulke situaties wellicht mogelijk is, omdat er dan bepaalde omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor gemakkelijker een «rechtstreeks verband» kan worden gelegd tussen de door de aanbieder verrichte digitale dienst en de door de gebruiker verstrekte data. De Commissie plaatst daar echter meteen een aantal kanttekeningen bij. Zij merkt onder meer op dat het vaststellen van de waarde van de data (de maatstaf van heffing; het bedrag waarover btw geheven zou kunnen worden) lastig is en dat om die reden van geval tot geval een zorgvuldige beoordeling zal moeten worden gemaakt om tot een rechtvaardige en werkbare uitkomst te komen.
Bovendien sluit de Commissie af met de opmerking dat het zogenoemde «Btw-comité»2 mogelijk niet het juiste gremium is om deze kwestie te bespreken en dat een aanpassing van de Europese btw-richtlijn wellicht noodzakelijk is. De lidstaten zijn in de gelegenheid gesteld om hun visie op de mening en analyse van de Commissie – die dus geen officiële, of bindende interpretatie van de btw-richtlijn is3 – te delen. De gesprekken in het Btw-Comité zullen worden vervolgd en hebben dus nog niet tot een zogenoemd «richtsnoer» geleid.
Kunt u uiteenzetten wanneer en onder welke voorwaarden er volgens de Europese Commissie omzetbelasting mag worden geheven over de data die aanbieders van sociale media van hun gebruikers krijgen?
Vragen over btw-heffing over «gratis» diensten van sociale mediabedrijven zijn niet nieuw. De centrale vraag is of tegenover de digitale («gratis») dienst een vergoeding in natura staat: de persoonlijke data van de gebruikers die bedrijven gebruiken om advertentie-inkomsten te verwerven.
Het Btw-comité heeft hierover in 2018 unaniem een richtsnoer aangenomen dat geen btw kan worden geheven over dergelijke «gratis» diensten, omdat het zogenoemde «rechtstreeks verband» tussen de digitale diensten en het verstrekken van persoonlijke data ontbreekt.4 Van een «rechtstreeks verband» is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.5 De persoonlijke data vormt niet de werkelijke tegenwaarde voor de digitale dienst. De diensten worden namelijk ook verleend als de gebruiker de persoonlijke data niet deelt. Dit richtsnoer geldt onverkort.
Italië meent dat er inmiddels situaties zijn waarvoor het unaniem aangenomen richtsnoer niet geldt. Daarom heeft Italië om de mening van het Btw-Comité gevraagd. Het gaat met name om de situatie waarin de mate van digitale dienstverlening afhankelijk is van de kwantiteit en kwaliteit van de persoonlijke data die de gebruiker verstrekt. Denk aan sociale mediabedrijven die minder foto's of video's zichtbaar maken als de gebruiker instellingen aanpast die het platform beperkt in het gebruik van persoonlijke data. In die situatie is volgens Italië wel een «rechtstreeks verband» aanwezig tussen de digitale diensten en het verstrekken van de persoonlijke data.
De Commissie beschrijft dat dit een situatie kan zijn waarin een «rechtstreeks verband» gemakkelijker kan worden gelegd. Zij tekent daarbij tegelijk aan dat het moeilijk is om te kwantificeren wat het belastbare bedrag is.
Daarnaast gaat de Commissie in op de situatie waarin de gebruiker het gebruik van de persoonlijke data niet beperkt en dus alle functionaliteiten behoudt. Zij merkt daarbij op dat het erop lijkt dat Italië – door de gewijzigde bedrijfsmodellen – ook in die gevallen van mening is dat (vanaf nu) toch sprake is van een «rechtstreeks verband» en daarbij voorbijgaat aan het unaniem aangenomen richtsnoer uit 2018. Volgens de Commissie kan ten aanzien van deze situatie nog altijd worden volgehouden dat er geen belastbare prestatie plaatsvindt, omdat het «rechtstreeks verband» ontbreekt.
Tot slot omschrijft de Commissie volledigheidshalve nog het bedrijfsmodel waarbij tegen betaling in geld een abonnement wordt afgesloten in ruil voor de volledige functionaliteiten, maar dan zonder (gepersonaliseerde) advertenties te tonen. Volgens de Commissie is het evident dat de gebruiker dan betaalt voor digitale diensten, zodat een met btw belastbare dienst door het sociale mediabedrijf wordt verricht.
Bent u van mening dat het verstrekken van persoonlijke data ten behoeve van gratis toegang tot sociale media een belastbare transactie vormt?
Nee. Uitgangspunt blijft het unaniem aangenomen richtsnoer van het Btw-comité uit 2018. Dat betekent dat in de regel over het verstrekken van persoonlijke data bij «gratis» toegang tot sociale media geen btw wordt geheven. Ik onderschrijf de mening van de Commissie op dit punt, zoals beschreven bij de tweede situatie van antwoord 3.
Hoewel het eerder unaniem aangenomen richtsnoer het uitgangspunt blijft, kunnen er zich situaties voordoen, zoals Italië aangeeft, die niet onder de reikwijdte van het richtsnoer vallen. Dat is geheel afhankelijk van de feiten en de omstandigheden van het geval. Ik onderschrijf echter de kanttekeningen die de Commissie voor deze situaties plaatst bij het vaststellen van het bedrag waarover btw zou kunnen worden geheven. De btw-richtlijn bevat op dit moment ook geen werkbare bepalingen om de maatstaf van heffing (de vergoeding) te bepalen. Bovendien is het gelet op het grensoverschrijdende karakter van digitale diensten van groot belang dat alle EU-lidstaten dezelfde benadering hanteren. Met de Commissie ben ik van mening dat dit mogelijk om aanpassing van de btw-richtlijn vraagt. De voortzetting van de gesprekken in het Btw-comité zijn om die reden zeer belangrijk. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Is het voor de Belastingdienst ook mogelijk in Nederland btw te heffen bij aanbieders van sociale media over de data, die zij van gebruikers krijgen en is de Belastingdienst voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn er voor nodig om dit te gaan doen en per wanneer zou de Belastingdienst hiertoe kunnen overgaan?
De Belastingdienst kan btw heffen als daarvoor een voldoende eenduidige juridische grondslag is.
Zoals gezegd blijft het richtsnoer het uitgangspunt voor de beoordeling of btw-heffing kan plaatsvinden over de waarde van persoonlijke data. Heffing van btw in situaties die buiten het richtsnoer vallen, komt pas aan de orde als er een «rechtstreeks verband» tussen de geleverde data en de dienstverlening kan worden vastgesteld én als vaststaat over welk bedrag btw geheven zou kunnen worden. Daarover is op dit moment geen duidelijkheid. Daarbij spelen ook andere heffingsaspecten zoals het bepalen van de lidstaat die heffingsbevoegdheid heeft en de vraag of het op regelmatige basis «verkopen» van persoonlijke data door de gebruikers tot ondernemerschap voor de btw leidt. Bovendien moeten eventuele uitstralingseffecten naar andere, soortgelijke situaties (bijvoorbeeld loyaliteitsprogramma’s) worden onderzocht. Op dit moment vindt in het Btw-comité nog gedachtenvorming plaats over deze kwestie. Nederland draagt constructief bij aan deze gesprekken.
Hoe hoog zou de jaarlijkse opbrengst zijn indien ook in Nederland btw wordt geheven over sociale media conform het Italiaanse voorbeeld?
Op dit moment bestaat onvoldoende inzicht om een betrouwbare raming te maken van een mogelijke btw-opbrengst over sociale media. Duidelijkheid over de maatstaf van heffing ontbreekt.
Italië geeft bovendien geen inzicht in de maatstaf van heffing noch de wijze van berekening waarop de (na)heffingsaanslag is gebaseerd. Ook de Commissie heeft geen richting gegeven aan de manier waarop de maatstaf van heffing kan worden bepaald. Zij geeft juist aan dat wellicht (aanvullende) EU-wetgeving noodzakelijk is. Gelet op deze onzekerheden op zowel juridisch als methodologisch vlak kan op dit moment geen opbrengst worden geraamd.
Indien wordt vastgesteld dat aanbieders van sociale media btw verschuldigd zijn over het verlenen van toegang tot de platforms, zal de Belastingdienst onderzoeken welke maatstaf van heffing van toepassing is. Daarnaast zal de Belastingdienst, binnen de geldende wettelijke kaders, beoordelen over welke periode en tot welke hoogte heffing kan plaatsvinden. In beginsel geldt daarbij een naheffingstermijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoe kijkt u naar het Italiaanse voorbeeld waar aanbieders van sociale media een naheffing opgelegd krijgen over eerdere jaren waarin geen btw is betaald? Kan dit met inachtneming van een betrouwbare overheid met terugwerkende kracht?
Zie antwoord vraag 6.
Het artikel ‘Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken’ |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken»1 en het artikel «Al is de leugen nog zo snel ...»2?
Ja.
Klopt het dat een belastingplichtige met veel spaargeld een deel van de box 3-heffing in het overbruggingsstelsel kan ontwijken door rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te laten betalen en in jaren waarin weinig rente wordt uitgekeerd gebruik te maken van de tegenbewijsregeling? Zo ja, ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Bij sommige banken is het mogelijk om via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.3 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Klopt het dat de mogelijkheden tot «belastingoptimalisatie» al bekend waren bij de parlementaire behandeling van de tegenbewijsregeling, zoals het Financieel Dagblad schrijft? Hoe is de Kamer daar destijds over geïnformeerd?
Bij de parlementaire behandeling was bekend dat een keuzeregime altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie leidt. In paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting4 bij het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 staat dat in jaren waarin een hoger werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement wordt behaald maximaal het forfaitaire rendement kan worden belast. In jaren dat de belastingplichtige een lager rendement behaalt, kan dat lagere werkelijke rendement worden belast. Vervolgens wordt in die paragraaf toegelicht dat dit gedragseffecten zal hebben. Als voorbeeld wordt genoemd dat belastingplichtigen meer vermogensbestanddelen met fluctuerende rendementen zullen aanhouden in plaats van vermogensbestanddelen die gedurende meerdere jaren een stabiel rendement opleveren, omdat op die manier optimaal gebruikgemaakt kan worden van de combinatie van het forfait met mogelijkheid tot tegenbewijs.
Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv? Kan dat ook door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen?
Hieronder wordt eerst ingegaan op het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen en daarna op vooruitbetaling van de huur.
In de in vraag 1 genoemde berichten wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder de toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20095 en in de bij dit arrest horende conclusie.6 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.7 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.8 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,9 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,10 hetzij als reguliere schuld.11 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.12 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».13 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.14 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.15 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.16 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.17 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.18 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.19 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.20 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.21 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.22 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.23 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.24 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.25 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.26 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.27 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.28 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.29 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
Een verhuurder kan aan zijn huurder vragen om de huur vooruit te betalen met als doel om zo min mogelijk huurinkomsten te laten vallen in een belastingjaar waarin de verhuurder van plan is om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling. Het zal van tevoren niet altijd voorzienbaar zijn voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken. De verhuurder zal dan onder andere een goede inschatting moeten maken van de waardestijging van zijn onroerende zaken, aangezien in de tegenbewijsregeling voor box 3 niet alleen reguliere voordelen maar ook de waardeaanwas van onroerende zaken tot het werkelijke rendement wordt gerekend. Bovendien is het vooruit laten betalen van de huur door een huurder alleen mogelijk als de huurder hiermee akkoord gaat. Huurders hebben hier in principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Hierbij is van belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box 3, maar in box 1 worden belast.
Bij een vooruitbetaling van de huur voor een langere periode dan een jaar is de nihilwaardering van het genotsrecht van de huurder die voor de meeste huurovereenkomsten geldt, niet meer van toepassing30 en moet de huurder een bezitting in de vorm van een genotsrecht opgeven in box 3. De verhuurder heeft in dat geval in het jaar van de vooruitbetaling niet alleen een regulier voordeel (de vooruitbetaalde huur), maar ook een negatieve vermogensaanwas als gevolg van een waardedaling van zijn vermogen.31 De waarde van het vermogen van de verhuurder neemt vervolgens gedurende de looptijd van de vooruitbetaling steeds toe. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Hoe verklaart u het door het Financieel Dagblad aangehaalde standpunt van de Belastingdienst, waarin zou zijn aangegeven dat de verkoopopbrengst van toekomstige huurtermijnen in het jaar van verkoop in één keer in de belastingheffing meegenomen dient te worden? Hoe is dit standpunt volgens u verenigbaar met de uitspraak dat hiermee geen belasting kan worden ontweken?
Het is niet helemaal duidelijk welk standpunt wordt bedoeld. Vlak voor de publicatie in het Financieel Dagblad is door de Belastingdienst een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de verkoop van toekomstige termijnen (nummer KG:213:2025:9 over de verkoop van een royaltystroom32 Dit standpunt gaat echter over de vennootschapsbelasting en niet over box 3.
Welke mogelijkheden ziet u om belastingontwijking in het overbruggingsstelsel box 3 door te schuiven met huuropbrengsten tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar de stelling van de heer E. van Uunen dat voor de overbruggingswet box 3 niet het kasstelsel zou moeten worden gehanteerd, maar het matching-beginsel? Klopt het dat de beschreven ontwijkingsroutes dan niet mogelijk zouden zijn? Welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Er is overgangsrecht opgenomen in het toekomstige stelsel voor box 3 (Wet werkelijk rendement box 3) dat aan de ene kant als doel heeft om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en aan de andere kant moet voorkomen dat er een dubbele heffing plaatsvindt. In het kader van de berichtgeving en deze Kamervragen is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.33 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
Klopt het dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt zijn reguliere inkomsten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel voor box 3 (onder de Wet werkelijk rendement) kan minimaliseren door toekomstige huurtermijnen te verkopen of huur vooruit te laten betalen, waardoor het voordeel wordt genoten onder het overbruggingsstelsel en dus over het forfaitair rendement belasting kan worden betaald in plaats van over het werkelijk rendement? Ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Dit is in het kader van het tegengaan van belastingontwijking niet nodig. Het zou wel negatieve gevolgen hebben voor het doenvermogen en de uitvoerbaarheid. Gebruikmaken van de WOZ-waarde sluit aan bij de huidige systematiek van box 3 en is eenvoudig voor zowel de belastingplichtige als voor de Belastingdienst.
Vindt u het wenselijk om de waarde in het economische verkeer van vastgoed te hanteren als inbrengwaarde in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028, in plaats van de WOZ-waarde, zoals betoogd wordt in het genoemde artikel in het Weekblad voor fiscaal recht? Is deze optie uitvoerbaar, en welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Het bedrijf Pluspetrol |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Eindverklaring van het OECD National Contact Point (NCP) over het bedrijf Pluspetrol die op 3 september is gepubliceerd?1
Ja.
Klopt het dat Pluspetrol een Argentijns bedrijf is met tien brievenbusmaatschappijen in Nederland?2 Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat Pluspetrol activiteiten in Nederland heeft.
Heeft Pluspetrol in het verleden geprofiteerd van Nederlandse handelsfaciliteiten zoals subsidies, bilaterale investeringsverdragen, deelname aan Nederlandse handelsmissies, exportkredieten en toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen? Is deze steun openbaar? Zo nee, waarom niet?
Pluspetrol heeft in het verleden niet geprofiteerd van Nederlandse handelsfaciliteiten. Conform internationale afspraken3 investeert de Nederlandse overheid niet langer of verleent geen financiering of actieve ondersteuning met handelsbevordering instrumenten, zoals missies, met betrekking tot de fossiele energiesector in het buitenland. In specifieke gevallen kan hierop een uitzondering worden gemaakt als energieleveringszekerheid voor Nederland of Europa in het geding is.
Bent u van mening dat Pluspetrol, na het zeer kritische oordeel van het NCP, nog steeds recht heeft op Nederlandse handelsfaciliteiten, zoals subsidies, deelname aan Nederlandse handelsmissies, exportkredieten en toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen, indien zij hierom verzoeken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? En welke maatregelen gaat u dan treffen?
Pluspetrol kan geen aanspraak maken op het handelsinstrumentarium vanwege de in het antwoord op vraag 3 benoemde afspraken over de uitfasering van de ondersteuning voor de fossiele energiesector. In principe kan aan Pluspetrol geen toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen worden ontzegd. Wel kunnen er bij aanbestedingen ten aanzien van mensenrechten eisen worden gesteld waaraan bedrijven moeten voldoen.
In algemene zin verwacht het kabinet van Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat ze de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) toepassen.4
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het bedrijf Pluspetrol meer dan 3.200 vervuilde locaties heeft achtergelaten in Peru? Heeft u kennisgenomen van het feit dat Pluspetrol weigert voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen om de vervuilde locaties in Peru te saneren? Deelt u de analyse dat de financiele stromen van Pluspetrol via vennootschappen zonder reële economische activiteit in onder andere Nederland, verborgen blijven? Zo nee, kunt u dan op basis van publiek toegankelijke data aangeven hoeveel belasting de Nederlandse entiteiten van Pluspetrol de afgelopen 15 jaar aan de Nederlandse Belastingdienst hebben betaald?
Ik heb kennisgenomen van de bevindingen van de Eindverklaring van het NCP. Niet alle financiële stromen van bedrijven zijn openbaar. Het is op dit moment niet mogelijk om op basis van openbare data aan te geven hoeveel belasting bepaalde bedrijven in Nederland hebben betaald. Er worden echter relevante stappen gezet op het gebied van transparantie over de belastingafdracht van grote bedrijven. Met ingang van het boekjaar dat begint op of na 22 juni 2024 zijn multinationals in de EU met een totale geconsolideerde omzet van minstens € 750 miljoen jaarlijks verplicht om in het handelsregister onder meer openbaar te maken hoe veel winstbelasting zij betalen in de landen waarin ze actief zijn (de zogenaamde openbare country-by-country reporting, CbCR). Ook grote dochtermaatschappijen in de EU-lidstaten, waarvan de uiteindelijke moedermaatschappij buiten de EU is gevestigd, zijn verplicht openbaar te maken hoe veel winstbelasting het hele concern in elke EU-lidstaat en in de landen daarbuiten betaalt.
Heeft de NCP-uitspraak consequenties voor eventuele afspraken met de Belastingdienst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties?
De Belastingdienst is het op basis van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet toegestaan in te gaan op individuele fiscale dossiers. In algemene zin kan wel het volgende worden opgemerkt.
Een belanghebbende kan verzoeken om vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf. Dit geldt zowel voor burgers als bedrijven. Zo kun je als belastingplichtige vooraf zekerheid krijgen over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit doet de Belastingdienst binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie. Een ruling zorgt dus voor zekerheid vooraf over de uitleg van de wet. De uitleg van fiscale wet- en regelgeving voor belastingplichtigen is echter altijd gelijk, met of zonder ruling. Zekerheid vooraf vervult niet alleen een waardevolle functie voor belastingplichtigen, maar ook een belangrijke functie in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst zal onder andere echter geen zekerheid vooraf geven als het besparen van belasting de enige of doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) waarover zekerheid vooraf wordt gevraagd of wanneer de (rechts)handeling(en) buiten het beoogde fiscale voordeel geen of weinig reële, praktische betekenis heeft (hebben).
Bent u bekend met de observatie van het NCP dat het vanwege een gebrek aan capaciteit en informatie niet in staat was om de belastingontwijking door Pluspetrol te beoordelen? Bent u van mening dat bedrijven en de overheid meer gegevens en informatie moeten verstrekken over de activiteiten van bedrijven als Pluspetrol? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen treft u hiertoe?
Ik ben bekend met de observaties van het NCP. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 zullen grote multinationals meer transparantie moeten betrachten over hun belastingafdracht onder de openbare country-by-country reporting regels. Daarin wordt dus een stap gezet naar meer transparantie. Het kabinet ziet niet de mogelijkheid om vanuit de overheid meer informatie openbaar te maken over de fiscale positie van individuele belastingplichtigen gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht. Naast het beschermen van de privacy dient de fiscale geheimhouding het belang van de staat. De fiscale geheimhouding draagt namelijk bij aan de compliance, en daarmee de belastingheffing. Hierover heeft de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane uw Kamer op 21 juli 2025 geïnformeerd.5 Het kabinet verwijst u graag naar die brief voor de afwegingen die hebben geleid tot deze conclusie. Uw Kamer heeft de motie-Stultiens6 aangenomen om opties in kaart te brengen voor het vergroten van transparantie over belastingen door bedrijven en de overheid. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane zal voor de plenaire behandeling van het Belastingplan 2026 inhoudelijk reageren op deze motie.
Klopt het dat het aantal bedrijven dat de OECD Guidelines heeft erkend, op 35% staat?3 Klopt het dat het streven is om dit percentage naar 90% te brengen? Vallen bedrijven die hier gevestigd zijn als brievenbusfirma, zoals Pluspetrol, onder deze meting? Zo nee, waarom niet? Gaat dit veranderen naar aanleiding van het NCP oordeel, dat stelt dat ook deze bedrijven aan de OECD Guidelines moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?
In 2013 is de doelstelling geformuleerd dat 90% van de grote Nederlandse bedrijven in 2023 de OESO-richtlijnen expliciet zou onderschrijven als referentiekader voor hun internationale activiteiten. Bij de eindmeting in 2023 bleek dat 41% van deze bedrijven de OESO-richtlijnen en/of UN Guiding Principles on Business and Human Rights onderschreef.8 De onderzoeksgroep betrof in Nederland gevestigde bedrijven die binnen de destijds beoogde reikwijdte van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) vielen en waarvoor relevante data beschikbaar was. In het BHOS-jaarverslag 2023 (Kamerstuknummer 36560-XVII-1) is toegelicht dat dit de laatste keer was dat de voortgang op de 90%-doelstelling is gemonitord. Dit met het oog op aanstaande IMVO-wetgeving die het voor een deel van het bedrijfsleven verplicht maakt gepaste zorgvuldigheid toe te passen.
Het weglaten van €200 miljoen onderwijsbezuinigingen in de laatste OCW begroting |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat dit kabinet ervoor heeft gekozen om ruim € 170 miljoen per jaar te bezuinigen op de OCW-begroting via de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling?
Bij de Voorjaarsnota 2025 heeft het kabinet besloten om van de prijsbijstelling tranche 2025 50% niet uit te keren om rijksbrede problematiek te dekken. Het beschikbare budget voor prijsbijstelling op de OCW-begroting uit deze tranche is daardoor geen € 343,2 miljoen maar € 171,6 miljoen structureel.
Klopt het dat deze bezuiniging een aantal maanden geleden wel stond opgenomen in de bezuinigingstabel van uw voorganger?1
Bij de antwoorden op de feitelijke vragen over de eerste suppletoire begroting van OCW is de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025 inderdaad opgenomen in de bezuinigingstabel. Er waren meerdere vragen gesteld over de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling en de impact ervan op OCW. Om de Kamer een zo volledig mogelijk beeld te geven is er toen voor gekozen om de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling op te nemen in het overzicht.
Waarom heeft u ervoor gekozen om deze bezuiniging weg te laten in de nieuwe bezuinigingstabel bij de OCW-begroting 2026, waarin staat dat de totale onderwijsbezuinigingen € 1,37 miljard per jaar bedragen?2
De overzichtstabel 4 (extensiveringen) in de OCW-begroting 2026 heeft een ander karakter dan de tabel bij de antwoorden op de feitelijke vragen over de eerste suppletoire begroting. In de overzichtstabel in de begroting is het uitgangspunt dat alleen extensiveringen ten gunste van het generale beeld op de OCW-begroting worden opgenomen. Vanaf het begin dat deze overzichtstabel onderdeel is van de OCW-begroting wordt dit uitgangspunt al gehanteerd. Het gaat dan om budget dat onderdeel was van de OCW-begroting en vervolgens is afgeboekt van de OCW-begroting. Voor de gehalveerde reeks van de prijsbijstelling geldt dat deze nooit onderdeel is geweest van de OCW-begroting. De helft van de prijsbijstelling is overgeheveld van Financiën naar de OCW-begroting.
Betekent dit dat deze bezuiniging van tafel is of dat u de Kamer niet volledig heeft geïnformeerd over alle onderwijsbezuinigingen van het kabinet-Schoof?
De rijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025 is niet van tafel. Bij de toelichting van de belangrijkste budgettaire mutaties (onderdeel 2.2. van de ontwerpbegroting 2026 van OCW) is de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling toegelicht. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoe hoog is het totaalbedrag aan onderwijsbezuinigingen als de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling wél wordt meegenomen?
Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle extensiveringen ten gunste van het generale beeld van dit kabinet op OCW en de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025. Dit is dus breder dan alleen de bezuinigingen op onderwijs. In aanvulling op de tabel in de begroting is ook een kolom voor de structurele bedragen opgenomen, analoog aan de tabel in de antwoorden op de feitelijke vragen bij de eerste suppletoire begroting.
Bezuiniging maatschappelijke diensttijd1
– 74.735
– 44.902
– 67.363
– 70.000
– 70.000
– 70.000
– 70.000
HLA 23. Afschaffen brede brugklas en beperken S&O
– 55.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
HLA 24. Alternatieve invulling bijstelling sectorplannen hoger onderwijs en wetenschap
– 134.734
– 134.734
– 134.734
– 134.734
– 134.734
– 161.330
– 175.000
HLA 26. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid
– 42.598
– 62.186
– 80.612
– 100.342
– 108.466
– 108.466
– 108.466
HLA 29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting
0
– 81.261
– 81.201
– 81.201
– 81.201
– 81.201
– 81.201
HLA 32. Beëindiging functiemix Randstad en terugdraaien bezuiniging
0
0
0
0
0
0
0
HLA 34. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking
0
– 8.511
– 8.511
– 8.511
– 8.510
– 7.188
– 7.188
HLA 35. Verlaging non-ODA-middelen
– 731
– 718
– 844
– 956
– 3.214
– 3.506
– 3.506
HLA 40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed
– 71.830
– 131.838
– 220.601
– 277.994
– 322.937
– 311.027
– 311.027
HLA 41. Verminderen internationale studenten (via bestuurlijk akkoord)
0
– 17.000
– 68.000
– 121.000
– 158.000
– 156.000
– 170.000
HLA 42. Hervorming Nederlandse Publieke Omroep NPO
0
0
– 100.000
– 100.000
– 100.000
– 100.000
– 100.000
HLA 43. Alternatieve invulling afschaffen OV-vergoeding buitenland studerenden
0
– 4.000
– 8.000
– 14.000
– 14.000
– 18.000
– 30.000
HLA 44. Verhogen collegegeld langstudeerders (via lagere bekostiging) en terugdraaien bezuiniging
0
0
0
0
0
0
0
HLA 69. Fonds Onderzoek Wetenschap
– 106.929
– 106.929
– 106.929
– 107.054
– 132.054
– 132.054
0
Ten behoeve van 4x 25 miljoen fonds onderzoek en wetenschap
– 25.000
– 25.000
– 25.000
– 25.000
0
0
0
Verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep2
0
0
– 50.000
– 50.000
– 50.000
– 50.000
– 50.000
Opheffen onderwijskansenregeling en terugdraaien bezuiniging
0
0
0
0
0
0
0
Inhouden loonbijstelling externe inhuur tranche 2025
– 4.615
– 4.532
– 4.534
– 4.269
– 3.723
– 4.010
– 4.010
Amendement Kent taakstelling externe inhuur
0
– 1.867
0
0
0
0
0
Rijksbrede halvering prijsbijstelling tranche 2025
– 191.837
– 178.364
– 196.527
– 173.511
– 172.342
– 171.590
– 171.590
Deze maatregel stond in het hoofdlijnenakkoord als HLA 22. Afschaffen maatschappelijke diensttijd. Na amendement Bontenbal c.s. (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 141) is maatschappelijke diensttijd echter niet afgeschaft maar heeft er alleen een bezuiniging op plaatsgevonden.
Daarbij verzoekt het amendement van Bontenbal c.s. (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 141) om de landelijke publieke omroep meer ruimte te geven om (online) reclameopbrengsten te generen waarmee de korting van € 50,0 miljoen opgevangen kan worden.
Kunt u deze vragen beantwoorden uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de Algemene Financiële Beschouwingen, inclusief een gewijzigde begroting waarin wél alle bezuinigingen staan genoemd?
Ja, met dien verstande dat bovenstaande tabel de door u gevraagde informatie bevat en de tabel in de begroting ongewijzigd kan blijven, zoals ook in deze antwoorden toegelicht.