Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Ja, wij zijn bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: Prioriteit bij natuurbeheer».
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Staatsbosbeheer (hierna: SBB) is voornemens te stoppen met het huidige concept en de eigen exploitatie van de zeven buitencentra. Het definitieve besluit hierover volgt na advies van de ondernemingsraad van SBB, uiterlijk op 1 oktober 2026. De beoogde sluitingsdatum voor de winkels en exploitatie is vastgesteld op 1 januari 2027. Dit betekent echter niet dat alle gebouwen zonder meer worden gesloten. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke situatie, lopende contracten en bestaande samenwerkingsafspraken. De toekomstige invulling en het moment waarop de huidige exploitatie eindigt, verschillen daardoor per locatie. Voor de zeven gebouwen geldt daarom geen uniforme fasering. Er is wel sprake van één eerdere fasering: buitencentrum Almeerderhout is vanwege het vertrek van de horeca en teruglopende bezoekersaantallen vroegtijdig gesloten op 26 juli 2026.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (jonge) bezoekers en lokale en regionale economie rond natuurgebieden. Echter, vanwege de structurele en financiële tekorten en noodzaak om prioriteit te geven aan wettelijke kerntaken, wil SBB zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra in zijn huidige vorm beëindigen. Om de educatieve waarde te behouden, blijft SBB publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Wij erkennen de maatschappelijke waarde van natuur, maar wijzen erop dat domein-overschrijdende baten, zoals gezondheid en recreatie, een gedeelde financiële verantwoordelijkheid is met decentrale overheden en private partijen. Vanwege wettelijke prioriteiten van SBB voor natuurbeheer, biodiversiteit en Natura2000, moeten maatschappelijke voorzieningen zoals bezoekerscentra zelfvoorzienend worden of via regionale partners worden gefinancierd.
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
We ervaren wat ongemak dat met de sluiting van alle bezoekerscentra de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en -voorlichting kan verdwijnen voor een breed publiek. Maar aangezien de gratis toegankelijkheid van natuurgebieden behouden blijft en natuureducatie via digitale middelen en samenwerkingen wordt voortgezet door SBB, zijn wij niet van mening dat de maatschappelijke waarde van natuurgebieden wordt ondermijnd door dit voorgenomen besluit van SBB. Daarnaast gaat het om zeven locaties, terwijl SBB op vele andere plekken zonder bezoekerscentrum de maatschappelijke waarde op dit moment ook al in stand houdt. Per locatie onderzoekt SBB in overleg met betrokken partners en de omgeving welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Het stopzetten in 2014 van de structurele bijdrage vanuit het Rijk voor het in stand houden van de bezoekerscentra van SBB was het gevolg van het Natuurpact uit 2013, waarmee het Rijk het natuurbeleid en de bijbehorende budgetten decentraliseerde naar de provincies. Door deze stelselherziening en gelijktijdige Rijksbezuinigingen werd de Rijksbijdrage voor SBB beperkt tot zijn wettelijke kerntaak van natuurbeheer. Recreatieve en educatieve publieksvoorzieningen, zoals de bezoekerscentra, moesten vanaf dat moment een regionale verantwoordelijkheid worden of commercieel zelfvoorzienend worden geëxploiteerd via winkels, horeca en lokale partners.
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Omdat de budgetten uit de LVVN-begroting en het Programma Natuur wettelijk geoormerkt zijn voor natuurherstel en -beheer en niet voor publieksvoorzieningen, zijn wij niet bereid de Rijksbijdrage aan SBB op te hogen voor de buitencentra van SBB. Onze focus ligt in plaats daarvan op het ondersteunen van SBB bij de overdracht van de locaties aan lokale overheden en marktpartijen, aangezien de verantwoordelijkheid voor natuurrecreatie en -educatie sinds 2014 bestuurlijk bij de provincies ligt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Ja, wij zijn hiertoe bereid en zullen de Tweede Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomst van de ondernemingsraadprocedure en het definitieve besluit van SBB. Wij zullen hierbij een (beleidsmatige) appreciatie geven, maar benadrukken dat SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen operationele verantwoordelijkheid heeft. Deze informatievoorziening zal plaatsvinden ruim vóór de geplande sluitingsdatum van 1 januari 2027, zodat de Kamer de mogelijkheid behoudt om tijdig te debatteren voordat er onomkeerbare stappen worden gezet.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Ja, wij delen de opvatting dat direct contact met de natuur essentieel is voor het maatschappelijk draagvlak. De toegankelijkheid van natuurgebieden is voor het Kabinet van groot belang en we zullen daarom de factor «publieksbereik» breed betrekken bij de evaluatie van Natura2000-doelen conform coalitieakkoord. Wij benadrukken echter dat het verdwijnen van fysieke bezoekerscentra het draagvlak niet hoeft te ondermijnen, omdat SBB burgers blijft bereiken via digitale platforms, scholen en gebiedsinformatie en dit draagvlak creëert in veel andere gebieden zonder bezoekerscentrum. De expliciete opname van dit punt in de evaluatie zal dan ook niet leiden tot herfinanciering door het Rijk, aangezien de exploitatie van de gebouwen een regionale of commerciële verantwoordelijkheid blijft.
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
Het financiële verschil tussen reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden (de zoneringsaanpak) en publieksvoorlichting en natuureducatie (o.a. via de bezoekerscentra) vloeit voort uit een strikt wettelijk onderscheid, waarbij de grote budgetten juridisch geoormerkt zijn voor dwingende Europese verplichtingen rond stikstofreductie en natuurherstel om economische blokkades te voorkomen. Het Rijk houdt vast aan het standpunt dat de exploitatie van bezoekerscentra sinds de decentralisatie van 2014 een provinciale en commerciële verantwoordelijkheid is, die niet gefinancierd kan worden uit budgetten voor natuurherstel en natuurbeheer. Wij zijn daarom van mening dat zoneringsmiddelen niet kunnen worden ingezet voor publieksfuncties zoals bezoekerscentra.
Ecoregelingen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Negatieve beschikkingen eco-regeling 2025: LTO blijft aandringen op herbeoordeling»1 waaruit blijkt dat maar weinig herbeoordelingen van afgewezen eco-regelingen leiden tot het terugdraaien van een afwijzing?
Ja, ik ben bekend met het nieuwsbericht.
Hoeveel van de toegezegde 1345 herbeoordelingen zijn intussen gedaan?
N.a.v. motie Koorevaar (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1789) heeft RVO inmiddels alle 1.345 van de toegezegde herbeoordelingen uitgevoerd. De motie verzocht om beschikkingen opnieuw te beoordelen die hadden geleid tot substantiële verlagingen of afkeuringen van vergoedingen binnen de Eco-regeling, waarbij menselijke beoordeling een zwaardere rol krijgt. Aanvullend heeft RVO ook de dossiers waarin de eco-activiteit «Groenbedekking» was afgekeurd door doodgevroren gewas en dit financiële gevolgen had, opnieuw beoordeeld.
Hoeveel van de herbeoordelingen leiden tot een positieve beschikking waar die eerder negatief was?
Van de inmiddels herbeoordeelde dossiers heeft RVO in 386 gevallen vastgesteld dat het herbeoordelen van de eco-activiteit Groenbedekking alsnog heeft geleid tot een hogere vergoeding
Hoeveel andere bezwaren op de (pro-forma) beschikkingen 2025 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) intussen ontvangen en wat is de stand van zaken (aandeel ingediend versus afgehandeld) van de ingediende bezwaren 2025?
RVO heeft inmiddels 5.306 bezwaren ontvangen tegen de beschikkingen over 2025. Daarvan zijn 168 bezwaren afgehandeld en zijn 5.138 bezwaren nog in behandeling. RVO registreert in de bezwaarprocedure niet op welke specifieke onderdelen van een beschikking bezwaar wordt gemaakt. Een bezwaar kan bovendien betrekking hebben op meerdere onderdelen van een aanvraag. Daardoor kan niet worden aangegeven welk deel van de bezwaren specifiek betrekking heeft op specifieke activiteiten.
Is beheer (maaien en klepelen) van percelen waarvoor de eco-regeling minimaal 80 procent groenbedekking vereist is, toegestaan?
Of beheer van een perceel is toegestaan, hangt af van de betreffende eco-activiteit en de daarbij behorende subsidievoorwaarden. Voor verschillende eco-activiteiten is beheer, waaronder maaien en klepelen, toegestaan. Voor de eco-activiteit Groene braak geldt dat het perceel gedurende de vereiste periode minimaal 80% zichtbaar bedekt moet zijn met het aangegeven gewas. Maaien of klepelen is daarbij toegestaan, maar het maaisel moet op het perceel blijven liggen en mag niet worden afgevoerd. Het uitvoeren van beheer laat de verplichting om gedurende de vereiste periode aan de voorwaarden voor bedekking te voldoen onverlet.
Is het AMS-systeem in staat om voldoende bodembedekking door droog/afgestorven/afgevroren/gemaaid/geklepeld gewas te herkennen en te beoordelen?
Het AMS is ontwikkeld om op basis van satellietbeelden en algoritmen te beoordelen of aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. In specifieke situaties, bijvoorbeeld bij doodgevroren, verdroogd of gemaaid gewas, kan de interpretatie van satellietbeelden complex zijn. Door AMS als afwijkend beoordeelde («rode») percelen worden daarom alsnog door een medewerker beoordeeld, die naast satellietdata ook andere gegevens bij de beoordeling kan betrekken. En aanvullend houdt RVO rekening met vorstgevoelige gewassen en vorstperiodes bij de eco-activiteit Groenbedekking. Bij de eco-activiteit Groene braak is de werkwijze aangepast om beter rekening te houden met onder andere maaien, droogte en klepelen. De wijze waarop beelden worden geïnterpreteerd en wanneer aanvullende menselijke beoordeling nodig is, wordt door RVO continu verder ontwikkeld en verbeterd.
Het AMS-systeem en de praktijk lijken niet overeen te komen. Hoe gaat u om met deze zorg en hoe kalibreert u het AMS-systeem op de praktijk (inclusief weersomstandigheden/klimaat/groeiverloop/et cetera)?
Het AMS wordt jaarlijks gevalideerd aan de hand van onder meer veldwaarnemingen, controles ter plaatse en analyses van de uitkomsten. De resultaten van de herbeoordelingen van Groenbedekking geven geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van structureel onjuiste beoordelingen door het AMS. Wel blijkt dat menselijke beoordeling in specifieke situaties, bijvoorbeeld bij mogelijke gewasschade door weersomstandigheden, van meerwaarde blijft. Samen met RVO blijf ik daarom bezien hoe de toepassing van AMS en de aanvullende menselijke beoordeling verder kunnen worden verbeterd, waarbij ook rekening wordt gehouden met weersomstandigheden, het groeiverloop en andere agronomische omstandigheden.
Veel boeren ontvingen de beschikking 2025 pas laat in het voorjaar van 2026, toen de betreffende percelen alweer in gebruik waren voor het bouwjaar 2026. Als die boeren bezwaar willen maken, maar geen foto of satellietmateriaal of andere data beschikbaar hebben om hun gelijk te onderbouwen, wat kunnen zij dan wel doen om het bezwaar te onderbouwen?
Ook wanneer een agrariër niet beschikt over eigen foto’s of andere bewijsmiddelen, kan deze bezwaar maken tegen een beschikking. RVO betrekt bij de beoordeling van het bezwaar de beschikbare gegevens die relevant zijn voor de beoordeling, waaronder de satellietbeelden en andere gegevens die bij de oorspronkelijke beoordeling zijn gebruikt.
Agrariërs kunnen daarnaast zelf beschikbare informatie aanleveren die hun bezwaar ondersteunt, zoals teeltregistraties, gegevens over uitgevoerde werkzaamheden of andere relevante bedrijfsgegevens. Satellietdata, in de vorm van luchtfoto's, zijn openbaar en te vinden via het satellietdataportaal van de Netherlands Space Agency (NLSA). De aanvullende beoordeling van de beschikbare gegevens kan bij RVO worden opgevraagd.
Als een boer die bezwaar maakt tegen een beschikking vraagt om de satellietbeelden van de RVO, krijgt de boer die dan altijd ook voor de hele periode waarop de beschikking betrekking heeft? Zo nee, waarom niet? Wat kan een boer in dat geval doen?
Een agrariër kan RVO verzoeken om de beschikbare gegevens die ten grondslag liggen aan de beoordeling van een eco-activiteit, waaronder de gebruikte satellietbeelden. RVO verstrekt de beelden en gegevens die bij de beoordeling van de betreffende eco-activiteit zijn gebruikt en die betrekking hebben op de relevante verplichtingsperiode.
Als een agrariër van mening is dat bepaalde relevante gegevens ontbreken, kan hij of zij dit bij RVO aangeven en deze informatie betrekken bij een bezwaarprocedure.
Klopt het dat het aantal deelnemers aan de eco-regeling met ruim 6 procent is gedaald ten opzichte van 2025? Wat vindt u hiervan? Wat wilt u doen om deze trend te keren?
Van de 43.276 GLB-deelnemers, hebben 32.052 boeren gekozen voor deelname aan de Eco-regeling. Dat is circa 6% minder dan in 2025. Ik neem deze daling uiteraard serieus. Uit een analyse van RVO blijkt dat de oorzaken divers zijn. Een deel van de voormalige deelnemers heeft in 2026 geen GLB-aanvraag meer ingediend, bijvoorbeeld vanwege een bedrijfsbeëindiging of bedrijfsoverdracht. Daarnaast is er een groep die wel een GLB-aanvraag heeft ingediend, maar ervoor heeft gekozen niet meer deel te nemen aan de Eco-regeling. Bij een deel van deze groep kan een lagere beschikking dan aangevraagd invloed hebben gehad op deze keuze. Ik vind het belangrijk dat de Eco-regeling aantrekkelijk blijft voor agrariërs. Daarom werk ik aan de aangekondigde aanpassingen van de regeling in 2027, waaronder een flexibelere puntensystematiek en uitbetaling op basis van de daadwerkelijk behaalde waarde van eco-activiteiten (Kamerstuk 28 625, nr. 383).
Boeren worden in 2026 opnieuw geconfronteerd met grote hitte en droogte. De RVO heeft de peildatum voor enkele eco-activiteiten uitgesteld naar 1 juli. De hitte en droogte duren echter voort en dit heeft grote invloed op de mate waarin boeren de eisen aan deelname aan de eco-regeling kunnen naleven. Wilt u toezeggen om bij de controles op de naleving van de eco-activiteiten in 2026 hier mee rekening te houden en coulance te betrachten bij afwijkingen? Wat kan u praktisch doen om een herhaling van 2025 te voorkomen? Wilt u toezeggen om controles voor een bepaalde tijd op te schorten als de boer aangeeft dat het moment bijzonder ongelukkig gekozen is gezien de droogte?
Ik heb voor dit jaar, vanwege de droogte, reeds besloten om voor drie eco-activiteiten de beoordelingsdatum te verschuiven naar 1 juli. Ook hanteert RVO dit jaar voor controles van verschillende activiteiten een langere periode voor het insturen van een geotagfoto, zodat agrariërs langer de gelegenheid hebben om een representatieve foto van de uitvoering van een activiteit aan te leveren. De Europese GLB verordeningen bieden verder ruimte om bij extreme weersomstandigheden, zoals droogte, overmacht te bieden aan landbouwers die door deze omstandigheden zijn getroffen. Van die ruimte wil ik gebruik maken door heel Nederland aan te wijzen als gebied waar sprake is van extreme droogte en daarbij overmacht toe te kennen voor twee conditionaliteitsvoorwaarden en een aantal subsidievoorwaarden binnen de eco-regeling.
Welke lessen leert u naar aanleiding van de vele problemen met de eco-regeling voor het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2028–2034? Wilt u toezeggen hierover met de sector te blijven overleggen?
De ervaringen met de huidige Eco-regeling laten zien dat onder andere voorspelbaarheid en doenbaarheid belangrijke voorwaarden zijn voor een succesvolle Eco-regeling. Ik zet mij daarom in voor een GLB waarin doelgerichtheid en werkbaarheid hand in hand gaan. Daarbij vind ik het van belang dat agrariërs voldoende handelingsperspectief hebben en dat de administratieve lasten beperkt blijven. Ik blijk hierover nadrukkelijk in gesprek met sectorpartijen, uitvoeringsorganisaties en andere betrokkenen, zowel bij de verdere uitwerking van de Eco-regeling vanaf 2027 als in de Nederlandse inzet voor het GLB na 2027.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven wil intrekken?1
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure? Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd, en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust om dit proces te begeleiden?
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst. In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van dergelijke plannen?
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren» en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht hun bedrijf te moeten beëindigen?
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet. Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van uit.
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd ten einde de doelen voor een gebied te halen?
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen. Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende processen.
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet – ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag (en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg (IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken, zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.
Het afbouwen van de afhankelijkheid van kunstmest en het versnellen van de inzet van RENURE |
|
Joris Lohman (CDA), Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel stikstofkunstmest (in tonnen Nitraat) Nederland jaarlijks importeert, welk aandeel daarvan direct of indirect afkomstig is uit de Golfregio en hoe de blokkade van de Straat van Hormuz de prijs van gangbare kunstmeststoffen op de Nederlandse markt heeft beïnvloed?
De hoeveelheid stikstofkunstmest die Nederland jaarlijks importeert varieert de afgelopen 10 jaar grofweg tussen de 150 en 300 kiloton en is met name bedoeld voor doorvoer naar andere landen. Deze import is niet goed in tonnen nitraat uit te drukken, omdat er diverse vormen van stikstof worden geïmporteerd. Deze stikstofkunstmest was niet afkomstig uit de Golfregio, maar werd in de afgelopen jaren met name vanuit Rusland en in mindere mate ook uit Algerije, China en Noorwegen geïmporteerd. In 2026 is tot dusver vooral uit Egypte en in mindere mate uit Noorwegen geïmporteerd.1
De grondstoffen die voor de productie van stikstofkunstmest in Nederland gebruikt worden (met name aardgas) kunnen mogelijk wel afkomstig zijn uit de Golfregio. Dit is echter niet goed te achterhalen.
De prijs van stikstofkunstmest in Europa2 is de afgelopen maanden met ongeveer 18–24% gestegen (m.u.v. ureum, dat met 48% steeg) ten opzichte van eind februari 2026 door de blokkade van de straat van Hormuz, maar ten dele ook door andere factoren.3 Door tijdelijke tekorten bij Indiase aanbestedingen steeg de ureumprijs eerder al.4 Ook het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en heffingen op Russische kunstmest zijn mogelijk van invloed. De prijs lijkt de afgelopen weken te zijn gestabiliseerd.5 Ten algemene valt te stellen dat de prijzen voor stikstofkunstmest op de Nederlandse markt op dit moment niet zo hoog zijn als in 2022/2023, na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne (€ 923/ton ten opzichte van de huidige € 519/ton).
Deelt u de inschatting van de brancheorganisatie Meststoffen Nederland dat er op dit moment geen tekorten zijn dankzij de Europese productiecapaciteit? Hoe beoordeelt u de houdbaarheid hiervan indien de Hormuz-blokkade voortduurt?
Ik deel deze inschatting, niet alleen vanwege de Europese productiecapaciteit maar ook vanwege de voorraden die veel boeren al hadden aangelegd. Deze inschatting wordt ook gedeeld door onder meer de toelichting van de Europese Commissie aan Lidstaten over de uitkomst van de besprekingen met experts in de Fertilisers Market Observatory https://agriculture.ec.Europa.eu/data-and-analysis/markets/overviews/market-observatories/fertilisers_en.
Indien de blokkade voortduurt kunnen de prijzen van aardgas en stikstofkunstmest verder stijgen. De prijs van stikstofkunstmest is direct gekoppeld aan die van aardgas. Mogelijk kan daarmee een situatie ontstaan waarin de productie in Nederland niet langer rendabel is, zoals in 2022 kort is voorgekomen.6 Hiervoor moeten de gasprijzen echter nog significant stijgen, ook ten opzichte van de wereldprijs van stikstofkunstmest uit andere landen. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 april 2026 heeft het kabinet uiteengezet wat de verwachting is ten aanzien van de gasprijs.7 Zoals daarin aangegeven is de impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederland minder groot dan in 2022.
Deelt u de opvatting dat leveringszekerheid van kunstmest een strategisch belang is dat vraagt om het behoud van sterke Europese productiecapaciteit en ziet u in RENURE-technologie en circulaire mestverwerking een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw structureel minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen?
Ik deel de opvatting dat het borgen van Europese productiecapaciteit van strategisch belang is. Dit is ook de reden dat ik tijdens de Landbouw- en Visserijraad steun heb uitgesproken voor het in stand houden van het CBAM voor de kunstmestindustrieën, en één van de redenen voor een verhoging van de importheffingen op stikstofkunstmest uit Rusland en Belarus.8
Ik zie RENURE-technologie en circulaire mestverwerking daarbij als een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen. Op korte termijn (1 á 2 jaar) zal de productiecapaciteit van RENURE hiervoor echter onvoldoende zijn. Er is meer capaciteit voor circulaire mestverwerking nodig om de volatiliteit in de kunstmestmarkt te kunnen dempen. Daarbij is de problematiek rondom stikstofdepositie en de effecten daarvan op de vergunningverlening een belangrijke factor.
Welke concrete stappen zet u om de toepassing van RENURE (verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger) te versnellen zodat de Nederlandse landbouw minder afhankelijk wordt van geïmporteerde stikstofkunstmest?
Zoals vermeld in de brief van 8 april 20269 ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die het mogelijk maakt RENURE te gebruiken, voor notificatie voor in Brussel. De verwachting is dat rond de zomer van 2026 de regelgeving in werking treedt en dat dan gestart kan worden met het gebruik van RENURE-meststoffen boven op de norm dierlijke mest die geldt vanuit de Nitraatrichtlijn (80 kg stikstof per hectare extra boven op de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest).
Om de productie van RENURE op te schalen wordt ook gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven en voor grootschalige installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten. Het is daarbij van belang stappen te zetten in de stikstofproblematiek, zodat er voldoende ruimte ontstaat voor vergunning voor deze installaties. Het kabinet heeft daarnaast, zoals in de voornoemde brief op 20 april 2026 aan de Kamer gecommuniceerd extra middelen beschikbaar gesteld om de afhankelijkheid van energie en kunstmest in de land- en tuinbouwsector te verminderen.
In hoeverre heeft Nederland zich in Brussel ingezet voor snellere Europese erkenning van RENURE-producten als volwaardige kunstmestvervanger onder de EU Fertilising Products Regulation?
In 2024 is de Fertilising Products Regulation (FPR) reeds aangepast zodat (producten uit) verwerkte dierlijke mest, zoals RENURE, binnen de interne markt kunnen worden verhandeld. Deze aanpassing van de FPR is echter minder relevant voor de huidige Europese toelating van RENURE-meststoffen. De productietechnieken die met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn zijn toegestaan, zijn op dit moment met name geschikt voor productie en gebruik op de lokale markt en om diverse redenen niet interessant voor verhandeling op de interne Europese markt.
Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld de kosten die gepaard gaan met een voor de FPR verplichte CE-markering, en het feit dat RENURE-meststoffen, die voldoen aan de eisen van de FPR, tot dusver een relatief lage concentratie stikstof hebben ten opzichte van stikstofkunstmest. Dat maakt transport snel onrendabel. Bovendien is er voor de meeste producenten van bestaande RENURE-meststoffen in voldoende mate in Nederland een afzetmarkt te vinden.
Bufferzones van 250 meter langs beken en beekdalzones |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Na presentatie stikstofplannen al twee maanden radiostilte: Het frustreert dat wij geen duidelijkheid krijgen vanuit Den Haag»?1
Klopt het dat u voornemens bent langs een groot deel van de beken bufferzones van 250 meter in te stellen? Waarom is gekozen voor een breedte van 250 meter?
Wat is de reden dat er waterlopen als beekdal zijn aangewezen die geen beekdal zijn en waar geen agrarische opgave is, zoals de Peelkanalen?
Hoe reflecteert u op de noodzaak tot het op kaart zetten van beekdalzones en nieuwe grondwaterbeschermingsgebieden in gebieden waar provincies reeds met een bestaande aanpak op gebiedsniveau de nitraatnorm van 50 milligram per liter halen?
Wat heeft de bemestingsvrije zone van vijf meter opgeleverd aan Kaderrichtlijn Water (KRW)-norm doelbereik, gezien het feit dat in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) voor beekdalen reeds een bufferstrook van 5 meter is opgenomen?
Wat is de effectiviteit, met onderbouwing, van een bufferzone van 250 meter op zowel zandgronden als kleigronden?
Klopt het dat deze maatregel is gericht op het verminderen van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de beken en dat bij deze maatregel ervan wordt uitgegaan dat de omliggende landbouw de voornaamste bron van deze nutriënten is?
Kunt u voor iedere beek op de voorgestelde lijst aangeven welk procentueel aandeel van de belasting met stikstof en fosfaat respectievelijk afkomstig is van landbouw, riooloverstorten, effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) en aanvoerwater uit grensoverschrijdende wateren? Hoe liggen deze cijfers in de zomer en in de winter?
Hoe wordt omgegaan met de afwenteling van waterkwaliteitsproblemen via grensoverschrijdende waterlopen, zoals de Dommel vanuit België? Klopt het dat deze waterlopen in België aan de KRW-normen voldoen, maar bij binnenkomst in Nederland niet? Zo ja, hoe is dit verschil te verklaren?
Zijn er afspraken met het verlagen van overschrijding van KRW-normen met Duitsland en België zodat inkomend water van een betere kwaliteit wordt? Zo ja, wat is het effect van deze afspraken?
Klopt het dat rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) moeten voldoen aan de stedelijk afvalwaterzuivering normen en dat de normen voor water afkomstig uit rwzi’s hoger liggen dan de normen voor de KRW? Zo ja, hoe verhouden die normen zich tot elkaar?
Deelt u de opvatting dat, net als bij het stikstof- en emissiebeleid, bij het verbeteren van de waterkwaliteit de eigen bijdrage aan de vervuiling centraal moet staan? Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse boeren maatregelen moeten nemen om vervuiling terug te dringen die afkomstig is uit het buitenland of van andere bronnen en hoe wordt geborgd dat de opgave per sector in verhouding staat tot de eigen bijdrage aan de waterverontreiniging?
Klopt het dat Nederland bij de beoordeling van de KRW het beginsel «one out, all out» hanteert en dat daarbij aan 142 verschillende parameters moet worden voldaan? Hoe verhouden zich de parameters voor Nederland zich voor de KRW in relatie tot andere Europese landen?
Kunt u onderbouwen in hoeverre de voorgestelde bufferzones, gelet op de verwachte kosten en de toestand van de overige parameters, daadwerkelijk bijdragen aan het voldoen aan de KRW?
Hoe verhoudt het terugdringen van nutriënten in beken zich tot het verminderen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden?
Deelt u de verwachting dat de invoering van bufferzones van 250 meter rond beken tot planschade kan leiden? Kunt u reageren op de schatting dat een dergelijke bufferzone, uitgaande van 50 hectare per strekkende kilometer beek, tot circa 6 miljoen euro aan planschade per strekkende kilometer kan leiden? Kunt u reageren op de schatting dat bij circa 160 kilometer aan Brabantse beken de planschade ongeveer 900 miljoen euro kan bedragen?
Kunt u aangeven hoe hoog de totale planschade voor Nederland naar verwachting is wanneer alle voorgestelde bufferzones langs alle genoemde beken worden gerealiseerd?
Is er nagedacht over een compensatieregeling die beschikbaar is voor gemeenten en provincies die deze planschade moeten vergoeden?
Bent u bereid met provincies en waterschappen in gesprek te gaan en samen met hen per gebied/waterloop in beeld te brengen of en in hoeverre een zonering nodig en doelmatig is alvorens over te gaan tot het aanwijzen van zones met rijksinstructieregels?
De communicatie van de uitzondering van GLMC 7 op bedrijven met minder dan 30 hectare grond |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over de toepassing van de Goede Landbouw- en Milieuconditie (GLMC) 7?1
Klopt het dat landbouwbedrijven die meer dan 30 hectare landbouwgrond opgeven in de Gecombineerde Opgave moeten voldoen aan GLMC 7, terwijl landbouwbedrijven die 30 hectare of minder opgeven hiervan zijn uitgezonderd?
Klopt het dat deze uitzondering pas tegen het einde van het huidige teeltseizoen door RVO duidelijk is gecommuniceerd naar de betreffende ondernemers?
Was u voorafgaand aan het teeltseizoen op de hoogte van deze uitzondering voor landbouwbedrijven met 30 hectare of minder landbouwgrond?
Waarom is deze informatie niet eerder en duidelijker gecommuniceerd aan landbouwbedrijven, zodat zij voor de start van het teeltseizoen wisten of de verplichtingen uit GLMC 7 op hen van toepassing waren?
Kunt u aangeven hoeveel landbouwbedrijven naar verwachting onder de grens van 30 hectare vallen en daardoor niet aan GLMC 7 hoeven te voldoen?
Bent u ervan op de hoogte dat landbouwbedrijven in sommige gevallen al teeltmaatregelen hebben genomen of opbrengsten hebben misgelopen, omdat zij ervan uitgingen dat GLMC 7 op hen van toepassing was voordat ze konden weten dat ze onder een uitzondering vielen?
Kunt u in kaart brengen welke financiële gevolgen landbouwbedrijven mogelijk hebben ondervonden doordat zij hun bouwplan of gewasrotatie hebben aangepast in de veronderstelling dat GLMC 7 op hen van toepassing was?
Bent u bereid om te onderzoeken of het mogelijk is om landbouwbedrijven die aantoonbaar kosten hebben gemaakt of inkomsten zijn misgelopen doordat zij als gevolg van onduidelijke of te late communicatie ten onrechte rekening hebben gehouden met GLMC 7, tegemoet te komen?
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat vergelijkbare wijzigingen of uitzonderingen in de toekomst pas na de start van het teeltseizoen duidelijk worden voor landbouwbedrijven?
De spiegelei-gebiedsgerichte aanpak |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overijssel eist maatwerk: «Maak van stikstofzone geen pannenkoek, maar een spiegelei»»1 waarin wordt gesteld dat maatwerk in zones rond Natura 2000-gebieden beter aansluit bij wat nodig is dan algemene maatregelen?
Kunt u bevestigen dat provincies binnen de zonegerichte aanpak per Natura 2000-gebied invulling kunnen geven aan het additionaliteitsvereiste en dat daarbij wordt gekeken naar de drukfactoren die in dat specifieke gebied relevant zijn en naar maatregelen die effectief en proportioneel zijn?
Deelt u de opvatting dat de staat van instandhouding, de natuurdoelanalyse en de gebiedsanalyse inzicht moeten geven in welke drukfactoren het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in een gebied belemmeren en dat het dan doelgerichter kan zijn om maatregelen te nemen die rechtstreeks op die drukfactoren aangrijpen dan te werken met een uniform pakket instructieregels en uniforme doelen?
Kunt u bevestigen dat de zonegerichte aanpak daarom ruimte moet bieden voor gebied specifiek maatwerk en dat wanneer gerichte maatregelen op de relevante drukfactoren aantoonbaar additioneel, effectief en proportioneel bijdragen aan de instandhoudingsdoelstellingen deze in de plaats kunnen komen van onderdelen van een uniform pakket instructieregels en uniforme doelen?
Hoe kijkt u aan tegen de spiegelei-benadering die in het artikel wordt voorgesteld? Kunt u bevestigen dat deze methodiek van het gericht kijken naar wat nodig is, zoals het rekening houden met dominante windrichting, perceelsgrenzen, et cetera, effectiever is dan het trekken van een grens met een passer rond een gebied van bijvoorbeeld 500 meter?
Hoe kijkt u aan tegen wat in het artikel wordt geschetst over dat maatregelen een goede uitleg verdienen, waarbij in de combinatie van maatregelen ook een goede boterham verdiend moet kunnen blijven worden? Deelt u de mening dat economisch perspectief cruciaal is voor het doen slagen van de gezoneerde aanpak?
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven wil intrekken?1
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure? Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd, en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust om dit proces te begeleiden?
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst. In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van dergelijke plannen?
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren» en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht hun bedrijf te moeten beëindigen?
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet. Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van uit.
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd ten einde de doelen voor een gebied te halen?
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen. Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende processen.
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet – ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag (en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg (IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken, zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.
Ecoregelingen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Negatieve beschikkingen eco-regeling 2025: LTO blijft aandringen op herbeoordeling»1 waaruit blijkt dat maar weinig herbeoordelingen van afgewezen eco-regelingen leiden tot het terugdraaien van een afwijzing?
Ja, ik ben bekend met het nieuwsbericht.
Hoeveel van de toegezegde 1345 herbeoordelingen zijn intussen gedaan?
N.a.v. motie Koorevaar (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1789) heeft RVO inmiddels alle 1.345 van de toegezegde herbeoordelingen uitgevoerd. De motie verzocht om beschikkingen opnieuw te beoordelen die hadden geleid tot substantiële verlagingen of afkeuringen van vergoedingen binnen de Eco-regeling, waarbij menselijke beoordeling een zwaardere rol krijgt. Aanvullend heeft RVO ook de dossiers waarin de eco-activiteit «Groenbedekking» was afgekeurd door doodgevroren gewas en dit financiële gevolgen had, opnieuw beoordeeld.
Hoeveel van de herbeoordelingen leiden tot een positieve beschikking waar die eerder negatief was?
Van de inmiddels herbeoordeelde dossiers heeft RVO in 386 gevallen vastgesteld dat het herbeoordelen van de eco-activiteit Groenbedekking alsnog heeft geleid tot een hogere vergoeding
Hoeveel andere bezwaren op de (pro-forma) beschikkingen 2025 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) intussen ontvangen en wat is de stand van zaken (aandeel ingediend versus afgehandeld) van de ingediende bezwaren 2025?
RVO heeft inmiddels 5.306 bezwaren ontvangen tegen de beschikkingen over 2025. Daarvan zijn 168 bezwaren afgehandeld en zijn 5.138 bezwaren nog in behandeling. RVO registreert in de bezwaarprocedure niet op welke specifieke onderdelen van een beschikking bezwaar wordt gemaakt. Een bezwaar kan bovendien betrekking hebben op meerdere onderdelen van een aanvraag. Daardoor kan niet worden aangegeven welk deel van de bezwaren specifiek betrekking heeft op specifieke activiteiten.
Is beheer (maaien en klepelen) van percelen waarvoor de eco-regeling minimaal 80 procent groenbedekking vereist is, toegestaan?
Of beheer van een perceel is toegestaan, hangt af van de betreffende eco-activiteit en de daarbij behorende subsidievoorwaarden. Voor verschillende eco-activiteiten is beheer, waaronder maaien en klepelen, toegestaan. Voor de eco-activiteit Groene braak geldt dat het perceel gedurende de vereiste periode minimaal 80% zichtbaar bedekt moet zijn met het aangegeven gewas. Maaien of klepelen is daarbij toegestaan, maar het maaisel moet op het perceel blijven liggen en mag niet worden afgevoerd. Het uitvoeren van beheer laat de verplichting om gedurende de vereiste periode aan de voorwaarden voor bedekking te voldoen onverlet.
Is het AMS-systeem in staat om voldoende bodembedekking door droog/afgestorven/afgevroren/gemaaid/geklepeld gewas te herkennen en te beoordelen?
Het AMS is ontwikkeld om op basis van satellietbeelden en algoritmen te beoordelen of aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. In specifieke situaties, bijvoorbeeld bij doodgevroren, verdroogd of gemaaid gewas, kan de interpretatie van satellietbeelden complex zijn. Door AMS als afwijkend beoordeelde («rode») percelen worden daarom alsnog door een medewerker beoordeeld, die naast satellietdata ook andere gegevens bij de beoordeling kan betrekken. En aanvullend houdt RVO rekening met vorstgevoelige gewassen en vorstperiodes bij de eco-activiteit Groenbedekking. Bij de eco-activiteit Groene braak is de werkwijze aangepast om beter rekening te houden met onder andere maaien, droogte en klepelen. De wijze waarop beelden worden geïnterpreteerd en wanneer aanvullende menselijke beoordeling nodig is, wordt door RVO continu verder ontwikkeld en verbeterd.
Het AMS-systeem en de praktijk lijken niet overeen te komen. Hoe gaat u om met deze zorg en hoe kalibreert u het AMS-systeem op de praktijk (inclusief weersomstandigheden/klimaat/groeiverloop/et cetera)?
Het AMS wordt jaarlijks gevalideerd aan de hand van onder meer veldwaarnemingen, controles ter plaatse en analyses van de uitkomsten. De resultaten van de herbeoordelingen van Groenbedekking geven geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van structureel onjuiste beoordelingen door het AMS. Wel blijkt dat menselijke beoordeling in specifieke situaties, bijvoorbeeld bij mogelijke gewasschade door weersomstandigheden, van meerwaarde blijft. Samen met RVO blijf ik daarom bezien hoe de toepassing van AMS en de aanvullende menselijke beoordeling verder kunnen worden verbeterd, waarbij ook rekening wordt gehouden met weersomstandigheden, het groeiverloop en andere agronomische omstandigheden.
Veel boeren ontvingen de beschikking 2025 pas laat in het voorjaar van 2026, toen de betreffende percelen alweer in gebruik waren voor het bouwjaar 2026. Als die boeren bezwaar willen maken, maar geen foto of satellietmateriaal of andere data beschikbaar hebben om hun gelijk te onderbouwen, wat kunnen zij dan wel doen om het bezwaar te onderbouwen?
Ook wanneer een agrariër niet beschikt over eigen foto’s of andere bewijsmiddelen, kan deze bezwaar maken tegen een beschikking. RVO betrekt bij de beoordeling van het bezwaar de beschikbare gegevens die relevant zijn voor de beoordeling, waaronder de satellietbeelden en andere gegevens die bij de oorspronkelijke beoordeling zijn gebruikt.
Agrariërs kunnen daarnaast zelf beschikbare informatie aanleveren die hun bezwaar ondersteunt, zoals teeltregistraties, gegevens over uitgevoerde werkzaamheden of andere relevante bedrijfsgegevens. Satellietdata, in de vorm van luchtfoto's, zijn openbaar en te vinden via het satellietdataportaal van de Netherlands Space Agency (NLSA). De aanvullende beoordeling van de beschikbare gegevens kan bij RVO worden opgevraagd.
Als een boer die bezwaar maakt tegen een beschikking vraagt om de satellietbeelden van de RVO, krijgt de boer die dan altijd ook voor de hele periode waarop de beschikking betrekking heeft? Zo nee, waarom niet? Wat kan een boer in dat geval doen?
Een agrariër kan RVO verzoeken om de beschikbare gegevens die ten grondslag liggen aan de beoordeling van een eco-activiteit, waaronder de gebruikte satellietbeelden. RVO verstrekt de beelden en gegevens die bij de beoordeling van de betreffende eco-activiteit zijn gebruikt en die betrekking hebben op de relevante verplichtingsperiode.
Als een agrariër van mening is dat bepaalde relevante gegevens ontbreken, kan hij of zij dit bij RVO aangeven en deze informatie betrekken bij een bezwaarprocedure.
Klopt het dat het aantal deelnemers aan de eco-regeling met ruim 6 procent is gedaald ten opzichte van 2025? Wat vindt u hiervan? Wat wilt u doen om deze trend te keren?
Van de 43.276 GLB-deelnemers, hebben 32.052 boeren gekozen voor deelname aan de Eco-regeling. Dat is circa 6% minder dan in 2025. Ik neem deze daling uiteraard serieus. Uit een analyse van RVO blijkt dat de oorzaken divers zijn. Een deel van de voormalige deelnemers heeft in 2026 geen GLB-aanvraag meer ingediend, bijvoorbeeld vanwege een bedrijfsbeëindiging of bedrijfsoverdracht. Daarnaast is er een groep die wel een GLB-aanvraag heeft ingediend, maar ervoor heeft gekozen niet meer deel te nemen aan de Eco-regeling. Bij een deel van deze groep kan een lagere beschikking dan aangevraagd invloed hebben gehad op deze keuze. Ik vind het belangrijk dat de Eco-regeling aantrekkelijk blijft voor agrariërs. Daarom werk ik aan de aangekondigde aanpassingen van de regeling in 2027, waaronder een flexibelere puntensystematiek en uitbetaling op basis van de daadwerkelijk behaalde waarde van eco-activiteiten (Kamerstuk 28 625, nr. 383).
Boeren worden in 2026 opnieuw geconfronteerd met grote hitte en droogte. De RVO heeft de peildatum voor enkele eco-activiteiten uitgesteld naar 1 juli. De hitte en droogte duren echter voort en dit heeft grote invloed op de mate waarin boeren de eisen aan deelname aan de eco-regeling kunnen naleven. Wilt u toezeggen om bij de controles op de naleving van de eco-activiteiten in 2026 hier mee rekening te houden en coulance te betrachten bij afwijkingen? Wat kan u praktisch doen om een herhaling van 2025 te voorkomen? Wilt u toezeggen om controles voor een bepaalde tijd op te schorten als de boer aangeeft dat het moment bijzonder ongelukkig gekozen is gezien de droogte?
Ik heb voor dit jaar, vanwege de droogte, reeds besloten om voor drie eco-activiteiten de beoordelingsdatum te verschuiven naar 1 juli. Ook hanteert RVO dit jaar voor controles van verschillende activiteiten een langere periode voor het insturen van een geotagfoto, zodat agrariërs langer de gelegenheid hebben om een representatieve foto van de uitvoering van een activiteit aan te leveren. De Europese GLB verordeningen bieden verder ruimte om bij extreme weersomstandigheden, zoals droogte, overmacht te bieden aan landbouwers die door deze omstandigheden zijn getroffen. Van die ruimte wil ik gebruik maken door heel Nederland aan te wijzen als gebied waar sprake is van extreme droogte en daarbij overmacht toe te kennen voor twee conditionaliteitsvoorwaarden en een aantal subsidievoorwaarden binnen de eco-regeling.
Welke lessen leert u naar aanleiding van de vele problemen met de eco-regeling voor het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2028–2034? Wilt u toezeggen hierover met de sector te blijven overleggen?
De ervaringen met de huidige Eco-regeling laten zien dat onder andere voorspelbaarheid en doenbaarheid belangrijke voorwaarden zijn voor een succesvolle Eco-regeling. Ik zet mij daarom in voor een GLB waarin doelgerichtheid en werkbaarheid hand in hand gaan. Daarbij vind ik het van belang dat agrariërs voldoende handelingsperspectief hebben en dat de administratieve lasten beperkt blijven. Ik blijk hierover nadrukkelijk in gesprek met sectorpartijen, uitvoeringsorganisaties en andere betrokkenen, zowel bij de verdere uitwerking van de Eco-regeling vanaf 2027 als in de Nederlandse inzet voor het GLB na 2027.
Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Ja, wij zijn bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: Prioriteit bij natuurbeheer».
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Staatsbosbeheer (hierna: SBB) is voornemens te stoppen met het huidige concept en de eigen exploitatie van de zeven buitencentra. Het definitieve besluit hierover volgt na advies van de ondernemingsraad van SBB, uiterlijk op 1 oktober 2026. De beoogde sluitingsdatum voor de winkels en exploitatie is vastgesteld op 1 januari 2027. Dit betekent echter niet dat alle gebouwen zonder meer worden gesloten. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke situatie, lopende contracten en bestaande samenwerkingsafspraken. De toekomstige invulling en het moment waarop de huidige exploitatie eindigt, verschillen daardoor per locatie. Voor de zeven gebouwen geldt daarom geen uniforme fasering. Er is wel sprake van één eerdere fasering: buitencentrum Almeerderhout is vanwege het vertrek van de horeca en teruglopende bezoekersaantallen vroegtijdig gesloten op 26 juli 2026.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (jonge) bezoekers en lokale en regionale economie rond natuurgebieden. Echter, vanwege de structurele en financiële tekorten en noodzaak om prioriteit te geven aan wettelijke kerntaken, wil SBB zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra in zijn huidige vorm beëindigen. Om de educatieve waarde te behouden, blijft SBB publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Wij erkennen de maatschappelijke waarde van natuur, maar wijzen erop dat domein-overschrijdende baten, zoals gezondheid en recreatie, een gedeelde financiële verantwoordelijkheid is met decentrale overheden en private partijen. Vanwege wettelijke prioriteiten van SBB voor natuurbeheer, biodiversiteit en Natura2000, moeten maatschappelijke voorzieningen zoals bezoekerscentra zelfvoorzienend worden of via regionale partners worden gefinancierd.
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
We ervaren wat ongemak dat met de sluiting van alle bezoekerscentra de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en -voorlichting kan verdwijnen voor een breed publiek. Maar aangezien de gratis toegankelijkheid van natuurgebieden behouden blijft en natuureducatie via digitale middelen en samenwerkingen wordt voortgezet door SBB, zijn wij niet van mening dat de maatschappelijke waarde van natuurgebieden wordt ondermijnd door dit voorgenomen besluit van SBB. Daarnaast gaat het om zeven locaties, terwijl SBB op vele andere plekken zonder bezoekerscentrum de maatschappelijke waarde op dit moment ook al in stand houdt. Per locatie onderzoekt SBB in overleg met betrokken partners en de omgeving welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Het stopzetten in 2014 van de structurele bijdrage vanuit het Rijk voor het in stand houden van de bezoekerscentra van SBB was het gevolg van het Natuurpact uit 2013, waarmee het Rijk het natuurbeleid en de bijbehorende budgetten decentraliseerde naar de provincies. Door deze stelselherziening en gelijktijdige Rijksbezuinigingen werd de Rijksbijdrage voor SBB beperkt tot zijn wettelijke kerntaak van natuurbeheer. Recreatieve en educatieve publieksvoorzieningen, zoals de bezoekerscentra, moesten vanaf dat moment een regionale verantwoordelijkheid worden of commercieel zelfvoorzienend worden geëxploiteerd via winkels, horeca en lokale partners.
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Omdat de budgetten uit de LVVN-begroting en het Programma Natuur wettelijk geoormerkt zijn voor natuurherstel en -beheer en niet voor publieksvoorzieningen, zijn wij niet bereid de Rijksbijdrage aan SBB op te hogen voor de buitencentra van SBB. Onze focus ligt in plaats daarvan op het ondersteunen van SBB bij de overdracht van de locaties aan lokale overheden en marktpartijen, aangezien de verantwoordelijkheid voor natuurrecreatie en -educatie sinds 2014 bestuurlijk bij de provincies ligt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Ja, wij zijn hiertoe bereid en zullen de Tweede Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomst van de ondernemingsraadprocedure en het definitieve besluit van SBB. Wij zullen hierbij een (beleidsmatige) appreciatie geven, maar benadrukken dat SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen operationele verantwoordelijkheid heeft. Deze informatievoorziening zal plaatsvinden ruim vóór de geplande sluitingsdatum van 1 januari 2027, zodat de Kamer de mogelijkheid behoudt om tijdig te debatteren voordat er onomkeerbare stappen worden gezet.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Ja, wij delen de opvatting dat direct contact met de natuur essentieel is voor het maatschappelijk draagvlak. De toegankelijkheid van natuurgebieden is voor het Kabinet van groot belang en we zullen daarom de factor «publieksbereik» breed betrekken bij de evaluatie van Natura2000-doelen conform coalitieakkoord. Wij benadrukken echter dat het verdwijnen van fysieke bezoekerscentra het draagvlak niet hoeft te ondermijnen, omdat SBB burgers blijft bereiken via digitale platforms, scholen en gebiedsinformatie en dit draagvlak creëert in veel andere gebieden zonder bezoekerscentrum. De expliciete opname van dit punt in de evaluatie zal dan ook niet leiden tot herfinanciering door het Rijk, aangezien de exploitatie van de gebouwen een regionale of commerciële verantwoordelijkheid blijft.
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
Het financiële verschil tussen reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden (de zoneringsaanpak) en publieksvoorlichting en natuureducatie (o.a. via de bezoekerscentra) vloeit voort uit een strikt wettelijk onderscheid, waarbij de grote budgetten juridisch geoormerkt zijn voor dwingende Europese verplichtingen rond stikstofreductie en natuurherstel om economische blokkades te voorkomen. Het Rijk houdt vast aan het standpunt dat de exploitatie van bezoekerscentra sinds de decentralisatie van 2014 een provinciale en commerciële verantwoordelijkheid is, die niet gefinancierd kan worden uit budgetten voor natuurherstel en natuurbeheer. Wij zijn daarom van mening dat zoneringsmiddelen niet kunnen worden ingezet voor publieksfuncties zoals bezoekerscentra.
Het afbouwen van de afhankelijkheid van kunstmest en het versnellen van de inzet van RENURE |
|
Joris Lohman (CDA), Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel stikstofkunstmest (in tonnen Nitraat) Nederland jaarlijks importeert, welk aandeel daarvan direct of indirect afkomstig is uit de Golfregio en hoe de blokkade van de Straat van Hormuz de prijs van gangbare kunstmeststoffen op de Nederlandse markt heeft beïnvloed?
De hoeveelheid stikstofkunstmest die Nederland jaarlijks importeert varieert de afgelopen 10 jaar grofweg tussen de 150 en 300 kiloton en is met name bedoeld voor doorvoer naar andere landen. Deze import is niet goed in tonnen nitraat uit te drukken, omdat er diverse vormen van stikstof worden geïmporteerd. Deze stikstofkunstmest was niet afkomstig uit de Golfregio, maar werd in de afgelopen jaren met name vanuit Rusland en in mindere mate ook uit Algerije, China en Noorwegen geïmporteerd. In 2026 is tot dusver vooral uit Egypte en in mindere mate uit Noorwegen geïmporteerd.1
De grondstoffen die voor de productie van stikstofkunstmest in Nederland gebruikt worden (met name aardgas) kunnen mogelijk wel afkomstig zijn uit de Golfregio. Dit is echter niet goed te achterhalen.
De prijs van stikstofkunstmest in Europa2 is de afgelopen maanden met ongeveer 18–24% gestegen (m.u.v. ureum, dat met 48% steeg) ten opzichte van eind februari 2026 door de blokkade van de straat van Hormuz, maar ten dele ook door andere factoren.3 Door tijdelijke tekorten bij Indiase aanbestedingen steeg de ureumprijs eerder al.4 Ook het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en heffingen op Russische kunstmest zijn mogelijk van invloed. De prijs lijkt de afgelopen weken te zijn gestabiliseerd.5 Ten algemene valt te stellen dat de prijzen voor stikstofkunstmest op de Nederlandse markt op dit moment niet zo hoog zijn als in 2022/2023, na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne (€ 923/ton ten opzichte van de huidige € 519/ton).
Deelt u de inschatting van de brancheorganisatie Meststoffen Nederland dat er op dit moment geen tekorten zijn dankzij de Europese productiecapaciteit? Hoe beoordeelt u de houdbaarheid hiervan indien de Hormuz-blokkade voortduurt?
Ik deel deze inschatting, niet alleen vanwege de Europese productiecapaciteit maar ook vanwege de voorraden die veel boeren al hadden aangelegd. Deze inschatting wordt ook gedeeld door onder meer de toelichting van de Europese Commissie aan Lidstaten over de uitkomst van de besprekingen met experts in de Fertilisers Market Observatory https://agriculture.ec.Europa.eu/data-and-analysis/markets/overviews/market-observatories/fertilisers_en.
Indien de blokkade voortduurt kunnen de prijzen van aardgas en stikstofkunstmest verder stijgen. De prijs van stikstofkunstmest is direct gekoppeld aan die van aardgas. Mogelijk kan daarmee een situatie ontstaan waarin de productie in Nederland niet langer rendabel is, zoals in 2022 kort is voorgekomen.6 Hiervoor moeten de gasprijzen echter nog significant stijgen, ook ten opzichte van de wereldprijs van stikstofkunstmest uit andere landen. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 april 2026 heeft het kabinet uiteengezet wat de verwachting is ten aanzien van de gasprijs.7 Zoals daarin aangegeven is de impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederland minder groot dan in 2022.
Deelt u de opvatting dat leveringszekerheid van kunstmest een strategisch belang is dat vraagt om het behoud van sterke Europese productiecapaciteit en ziet u in RENURE-technologie en circulaire mestverwerking een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw structureel minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen?
Ik deel de opvatting dat het borgen van Europese productiecapaciteit van strategisch belang is. Dit is ook de reden dat ik tijdens de Landbouw- en Visserijraad steun heb uitgesproken voor het in stand houden van het CBAM voor de kunstmestindustrieën, en één van de redenen voor een verhoging van de importheffingen op stikstofkunstmest uit Rusland en Belarus.8
Ik zie RENURE-technologie en circulaire mestverwerking daarbij als een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen. Op korte termijn (1 á 2 jaar) zal de productiecapaciteit van RENURE hiervoor echter onvoldoende zijn. Er is meer capaciteit voor circulaire mestverwerking nodig om de volatiliteit in de kunstmestmarkt te kunnen dempen. Daarbij is de problematiek rondom stikstofdepositie en de effecten daarvan op de vergunningverlening een belangrijke factor.
Welke concrete stappen zet u om de toepassing van RENURE (verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger) te versnellen zodat de Nederlandse landbouw minder afhankelijk wordt van geïmporteerde stikstofkunstmest?
Zoals vermeld in de brief van 8 april 20269 ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die het mogelijk maakt RENURE te gebruiken, voor notificatie voor in Brussel. De verwachting is dat rond de zomer van 2026 de regelgeving in werking treedt en dat dan gestart kan worden met het gebruik van RENURE-meststoffen boven op de norm dierlijke mest die geldt vanuit de Nitraatrichtlijn (80 kg stikstof per hectare extra boven op de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest).
Om de productie van RENURE op te schalen wordt ook gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven en voor grootschalige installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten. Het is daarbij van belang stappen te zetten in de stikstofproblematiek, zodat er voldoende ruimte ontstaat voor vergunning voor deze installaties. Het kabinet heeft daarnaast, zoals in de voornoemde brief op 20 april 2026 aan de Kamer gecommuniceerd extra middelen beschikbaar gesteld om de afhankelijkheid van energie en kunstmest in de land- en tuinbouwsector te verminderen.
In hoeverre heeft Nederland zich in Brussel ingezet voor snellere Europese erkenning van RENURE-producten als volwaardige kunstmestvervanger onder de EU Fertilising Products Regulation?
In 2024 is de Fertilising Products Regulation (FPR) reeds aangepast zodat (producten uit) verwerkte dierlijke mest, zoals RENURE, binnen de interne markt kunnen worden verhandeld. Deze aanpassing van de FPR is echter minder relevant voor de huidige Europese toelating van RENURE-meststoffen. De productietechnieken die met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn zijn toegestaan, zijn op dit moment met name geschikt voor productie en gebruik op de lokale markt en om diverse redenen niet interessant voor verhandeling op de interne Europese markt.
Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld de kosten die gepaard gaan met een voor de FPR verplichte CE-markering, en het feit dat RENURE-meststoffen, die voldoen aan de eisen van de FPR, tot dusver een relatief lage concentratie stikstof hebben ten opzichte van stikstofkunstmest. Dat maakt transport snel onrendabel. Bovendien is er voor de meeste producenten van bestaande RENURE-meststoffen in voldoende mate in Nederland een afzetmarkt te vinden.
Het huidige mestbeleid en de financiële consequenties daarvan voor agrarisch ondernemers |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «geld betalen om mest af te voeren én dure kunstmest inkopen? «onverdedigbaar», vindt Eurocomissaris Hansen»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Deelt u de opvatting van Eurocommissaris Christophe Hansen dat het «onverdedigbaar» is dat boeren betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd dure kunstmest moeten inkopen? Hoe beoordeelt u deze situatie specifiek voor Nederland?
Ik zie dat ook in Nederland agrariërs betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd kunstmest moeten aankopen. Dit speelt met name bij bedrijven met veel grasland, omdat de stikstofgebruiksnorm voor grasland beduidend hoger ligt dan de vanuit de Nitraatrichtlijn verplichte gebruiksnorm voor dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare (N/ha). In mindere mate kan dit ook bij andere teelten voorkomen, bijvoorbeeld in de aardappelteelt. Bij de andere teelten, met name de teelt van vollegrondsgroenten, speelt echter ook de praktische toepasbaarheid van dierlijke mest een rol en is het (op dit moment) onvermijdelijk dat kunstmest moet worden aangekocht. Zo wordt in sommige teelten bemest als het gewas al is opgekomen, waardoor het onmogelijk wordt om met de machines waarmee dierlijke mest wordt uitgereden het land op te gaan. Ook speelt voedselveiligheid soms een rol, met name bij gewassen die rauw worden gegeten.
Eurocommissaris Hansen stelt terecht dat op grasland, vanwege een hogere opnamecapaciteit, hogere stikstofgiften te verantwoorden zijn. Deze hogere giften hoeven niet te leiden tot overschrijding van waterkwaliteitsnormen. Mede vanwege het lange groeiseizoen van gras is de stikstofopnamecapaciteit van gras hoog. Daarom zijn in Nederland voor grasland relatief hoge totaal stikstofgebruiksnormen vastgesteld, variërend van 250 kg N/ha tot 385 kg N/ha. Ook in andere noordwestelijke lidstaten gelden vergelijkbare stikstofgebruiksnormen.
Overigens biedt ook biologische landbouw een oplossingsrichting in Nederland. In de biologische landbouw wordt geen kunstmest gebruikt en is men in staat een extensieve maar toch rendabele bedrijfsvoering te hebben. Ik zet mij daarom in lijn met voorgaande kabinetten in om het areaal biologische landbouw te vergroten tot 15% in 2030. Tegelijkertijd ben ik mij er van bewust dat dit niet voor elk bedrijf een realistische optie is. Zo moet er immers voldoende markt zijn voor deze producten, waar onder meer via het Actieplan biologische landbouw2 aan wordt gewerkt.
Bent u bekend met de consequenties voor kleinere boeren door het mestbeleid omdat deze boeren relatief harder geraakt worden omdat zij minder schaalvoordelen en financiële ruimte hebben om stijgende kosten zoals mestafvoer en kunstmest op te vangen of zich aan te passen? Zijn er signalen dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt dan grotere bedrijven door de consequenties voor het verdienvermogen en mogelijke bedrijfsbeëindiging?
Er zijn mij op dit moment geen signalen bekend dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt door het mestbeleid. Het is in algemene zin moeilijk om eenduidige uitspraken te doen over de effecten op kleinschalige bedrijven ten opzichte van die op grootschalige bedrijven. Of agrariërs op dit moment geraakt worden door de stijgende kunstmestprijzen hangt van meerdere factoren af, waaronder de teelten op een bedrijf en de hoeveelheid kunstmest die bedrijven gebruiken en reeds in voorraad hebben.
Ik realiseer mij dat het aflopen van de derogatie een grote invloed heeft op de Nederlandse landbouw, in het bijzonder de melkveehouderij. Daarom vind ik het belangrijk om agrariërs, zowel klein als groot, wel perspectief te geven voor de lange termijn, bijvoorbeeld via opschaling van de mogelijkheid van productie en aanwending van Renure-meststoffen. Ik realiseer me ook dat de investering in deze technieken niet voor alle agrariërs meteen interessant is en dat het opschalen hiervan tijd in beslag neemt. Dit wil ik faciliteren met een subsidieregeling voor de bouw van installaties van Renure-meststoffen.
In de (graas)dierhouderij hangen de effecten van de afbouw van derogatie ook sterk samen met de mate van intensiteit van een bedrijf. Een groot intensief bedrijf kan daardoor meer geraakt worden dan een klein extensief bedrijf, zoals ook is becijferd in het rapport «Uitwerking bedrijfstypen voor duurzame landbouw» van Wageningen Research3.
Ten slotte zorgen de stijgende mestafzetprijzen in de akker- en tuinbouw ervoor dat het inkomen van deze bedrijven kan stijgen door de afname van dierlijke mest. Wanneer deze bedrijven nog meer dierlijke mest ten opzichte van kunstmest kunnen aanvoeren en benutten binnen de wettelijke gebruiksruimte van 170 N/ha, daalt ook de behoefte van deze bedrijven aan stikstofkunstmest. Het is op dit moment onduidelijk hoe deze balans voor deze bedrijven zal uitpakken. In de komende maanden zal hier meer duidelijkheid over ontstaan.
Hoe kijkt u naar innovatieve oplossingen zoals het gebruik van bewerkte dierlijke mest, bijvoorbeeld Renure, als alternatief voor kunstmest en welke belemmeringen bestaan er momenteel voor grootschalige toepassing hiervan in Nederland en Europa?
Ik kijk positief naar innovatie op het vlak van het gebruik van bewerkte dierlijke mest in de plaats van kunstmest. Door de productie van hoogwaardig verwerkte meststoffen op maat kan een positieve bijdrage worden geleverd aan de vermindering van de milieuopgaven. Daarnaast kan het gebruik van deze verwerkte meststoffen de stikstofbenutting door de gewassen verbeteren en wordt de afhankelijkheid van stikstofkunstmest verminderd.
In mijn ogen is in de EU een belangrijke eerste stap gezet met de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, waarmee het gebruik van enkele Renure-meststoffen boven de gebruiksnorm dierlijke mest wordt toegestaan. De komende evaluatie van de Nitraatrichtlijn biedt mogelijk aanknopingspunten om dit concept verder te ontwikkelen.
In Nederland zie ik nog uitdagingen voor de vergunningverlening van de installaties voor productie van Renure-meststoffen. In september 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het advies van dhr. Knops ten aanzien van vergunningverlening op het gebied van mestverwerking en het vervolg dat het toenmalige kabinet hieraan wilde geven.4
Hoe beoordeelt u de huidige afhankelijkheid van import van kunstmest, mede in het licht van geopolitieke ontwikkelingen? Deelt u de opvatting dat vermindering van importafhankelijkheid wenselijk is? Zo ja, welke concrete stappen worden gezet?
Ik ben inderdaad van mening dat het verminderen van de importafhankelijkheid wenselijk is in het licht van de geopolitieke ontwikkelingen. In Europees verband worden hierin inmiddels stappen gezet. Zo hebben onder meer het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en de importheffingen op het Russische kunstmest het effect dat er meer productie in de EU plaatsvindt en de productiecapaciteit in de EU behouden blijft.
Welke concrete verbeteringen kunnen boeren op korte termijn verwachten en bent u bereid zich actief in te zetten voor oplossingen die zowel economisch als ecologisch houdbaar zijn?
De inzet is om rond de zomer de benodigde nationale regelgeving voor de toepassing van Renure-producten boven de stikstofgebruiksnorm dierlijke mest in werking te laten treden. Tevens zet ik in op het vormgeven van een subsidieregeling voor Renure-installaties van kleinschaligere omvang. Ik verwacht uw Kamer hier later dit jaar nader over te kunnen informeren.
In Europees verband heeft de Europese Commissie begin januari aangekondigd in het tweede kwartaal van dit jaar te komen met een Fertiliser Action Plan. Aanleiding is onder andere de recente prijsschommelingen door de geopolitieke context op dit moment. De focus van het actieplan zal liggen op het vergroten van markttransparantie en het opschalen van gerecyclede nutriënten en alternatieve grondstoffen, ondersteund door (waar nodig) aanpassing van regelgeving. Zoals in het in vraag 1 genoemde artikel is aangegeven heeft Eurocommissaris Hansen aangegeven in april een bijeenkomst met veel partijen te willen organiseren om deze onderwerpen te bespreken. Ik kijk uit naar de resultaten van deze bijeenkomst.
Het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot' |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Ja.
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen en soms jaren kunnen duren?
Gefaseerde bedrijfsoverdrachten komen voor en kunnen meerdere jaren duren. Voor een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer geldt onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Oorspronkelijk gold deze vrijstelling alleen in situaties dat de gehele onderneming in één keer werd overgedragen aan een kwalificerende overnemer of overnemers (bijvoorbeeld het kind of de kinderen van de ondernemer). De vrijstelling is in de loop van de tijd uitgebreid als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. De vrijstelling kan vanaf eind 2000 ook worden toegepast als de gehele onderneming in fasen wordt overgedragen aan de kwalificerende overnemer of overnemers. Hiermee werd tegemoetgekomen aan de wens uit de praktijk een geleidelijke overgang van de onderneming naar de volgende generatie mogelijk te maken. De kwalificerende overnemers moeten hierbij de gehele onderneming voortzetten.
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming, die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt, omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve onderneming wordt ingebracht in een BV?
Volgens de wettekst van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is de vrijstelling van toepassing als één of meer kwalificerende verkrijgers al dan niet in fasen de gehele onderneming verkrijgen en voortzetten. Het doel van de vrijstelling is om de overdracht van de onderneming tijdens het leven van de ondernemer te faciliteren zodat versnippering bij zijn overlijden wordt voorkomen. Een verkrijging krachtens erfrecht van (onroerende zaken die behoren tot) een onderneming is namelijk niet belast met overdrachtsbelasting, terwijl een andere verkrijging dat in beginsel wel is. Als kwalificerende verkrijgers zijn aangemerkt de kinderen, kleinkinderen, broers en zusters van de ondernemer, of hun echtgenoten. Een BV of een andere rechtspersoon behoort niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt.
In een beleidsbesluit is een goedkeuring opgenomen.2 Deze goedkeuring is geschreven voor de situatie van een voltooide overdracht van de onderneming van bijvoorbeeld een vader aan een zoon, waarbij de vrijstelling aldus in beginsel van toepassing is. Of de onderneming in één keer of in fasen aan de zoon is overgedragen maakt niet uit, zolang het resultaat is dat hij de gehele onderneming heeft. Wel geldt de eis dat de zoon de door hem verkregen onderneming voor wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel moet voortzetten (voortzettingsvereiste). De goedkeuring heeft hierop betrekking. Als de zoon de onderneming inbrengt in een BV waarvan hij alle aandelen houdt dan blijft de door de zoon genoten vrijstelling van toepassing. Er moet dus wel sprake zijn van een daadwerkelijke voorzetting voor wat de bedrijfsvoering betreft van de gehele onderneming, maar voor de toepassing van de vrijstelling is het dan geen probleem als deze gehele voorzetting door de BV wordt gedaan waarvan de zoon alle aandelen houdt.
Bij een tussentijdse inbreng in geval van een gefaseerde overdracht kan er nog geen sprake zijn van voortzetting van de gehele onderneming omdat de bedrijfsoverdracht nog niet is voltooid.
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 4.
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Zoals ik hierboven heb weergegeven is de bedoeling van de familievrijstelling het voorkomen van versnippering bij overlijden, door overdracht tijdens het leven mogelijk te maken. Het standpunt betreft wetstoepassing en doet geen afbreuk aan deze bedoeling.
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Voor het wel of niet inbrengen van een onderneming in een rechtspersoon kunnen meerdere redenen aanwezig zijn. Naast de genoemde bedrijfseconomische voorbeelden kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van fiscale redenen of vermogensplanning. Het al dan niet inbrengen in een rechtspersoon is een keuze van de ondernemer.
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Het staat een belastingplichtige vrij om te kiezen voor een rechtsvorm om een onderneming in te drijven en voor de wijze waarop een bedrijfsoverdracht is ingericht. Er bestaan hierbij in de praktijk vele varianten, waarbij iedere variant zijn eigen bedrijfseconomische, juridische en fiscale kenmerken en gevolgen heeft. De belastingheffing volgt in beginsel de juridische vormgeving. Daarnaast zijn aan vrijstellingen in de wet- en regelgeving voorwaarden verbonden. Het is aan de Belastingdienst om uitvoering te geven aan de geldende wet- en regelgeving. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, kan een kennisgroep van de Belastingdienst hierover een standpunt innemen. De standpunten geven uitleg aan wet- en regelgeving in een specifiek geval en zijn bindend voor de inspecteurs. Daarmee dragen ze bij aan de eenheid van beleid en uitvoering van de wet- en regelgeving door de Belastingdienst. De standpunten van kennisgroepen worden gepubliceerd op een externe website3, zodat deze kenbaar zijn voor iedereen.
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Zoals gesteld bij de beantwoording op vragen 4, 5 en 6 geldt een BV of een andere rechtspersoon niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt. Het standpunt geeft uitleg aan wet- en regelgeving in deze situatie. Doordat de standpunten kenbaar zijn voor iedereen, kan de agrarische praktijk hier rekening mee houden. Hierbij geldt overigens dat deze vrijstelling niet beperkt is tot alleen agrarische ondernemingen.
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
De Belastingdienst zal dit standpunt namens mij het agenderen bij het volgende overleg in het Platform Landbouw. Het Platform Landbouw is een periodiek overleg waarin LTO Nederland met de Belastingdienst in gesprek gaat over, onder andere, mogelijke (fiscale) knelpunten. Aan dit overleg nemen ook organisaties zoals bijvoorbeeld de Samenwerkende Registeraccountants- en administratieconsulenten (SRA) en de Vereniging van Accountants en Belastingadviesbureaus (VLB) deel. Ook het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur sluit hierbij aan. Daarnaast vindt conform de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) een evaluatie plaats van vrijstellingen overdrachtsbelasting in de ondernemingssfeer en vrijstellingen van technische aard. De vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zal hier deel van uitmaken. In dit onderzoek wordt de wetgeving op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst. Ook worden de knelpunten uit de praktijk meegenomen en bezien of deze kunnen worden weggenomen als uit de evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk is. Deze resultaten verwachten we in de eerste helft van 2027 te presenteren aan uw Kamer.