Het FD-artikel ‘Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarah El Boujdaini (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Italië een btw-aanslag heeft opgelegd aan Meta, LinkedIn en X?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie van oordeel is dat er omzetbelasting geheven mag worden over sociale media als gebruikers de instellingen kunnen aanpassen waardoor de aanbieders persoonlijke data niet zomaar mogen verkopen en de gebruikers zelf minder functionaliteiten ter beschikking hebben?
Nee. De Europese Commissie heeft op verzoek van Italië slechts een eerste analyse1 gepresenteerd aan de andere lidstaten en gevraagd om een reactie daarop. In de analyse wordt beschreven dat heffing van btw in zulke situaties wellicht mogelijk is, omdat er dan bepaalde omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor gemakkelijker een «rechtstreeks verband» kan worden gelegd tussen de door de aanbieder verrichte digitale dienst en de door de gebruiker verstrekte data. De Commissie plaatst daar echter meteen een aantal kanttekeningen bij. Zij merkt onder meer op dat het vaststellen van de waarde van de data (de maatstaf van heffing; het bedrag waarover btw geheven zou kunnen worden) lastig is en dat om die reden van geval tot geval een zorgvuldige beoordeling zal moeten worden gemaakt om tot een rechtvaardige en werkbare uitkomst te komen.
Bovendien sluit de Commissie af met de opmerking dat het zogenoemde «Btw-comité»2 mogelijk niet het juiste gremium is om deze kwestie te bespreken en dat een aanpassing van de Europese btw-richtlijn wellicht noodzakelijk is. De lidstaten zijn in de gelegenheid gesteld om hun visie op de mening en analyse van de Commissie – die dus geen officiële, of bindende interpretatie van de btw-richtlijn is3 – te delen. De gesprekken in het Btw-Comité zullen worden vervolgd en hebben dus nog niet tot een zogenoemd «richtsnoer» geleid.
Kunt u uiteenzetten wanneer en onder welke voorwaarden er volgens de Europese Commissie omzetbelasting mag worden geheven over de data die aanbieders van sociale media van hun gebruikers krijgen?
Vragen over btw-heffing over «gratis» diensten van sociale mediabedrijven zijn niet nieuw. De centrale vraag is of tegenover de digitale («gratis») dienst een vergoeding in natura staat: de persoonlijke data van de gebruikers die bedrijven gebruiken om advertentie-inkomsten te verwerven.
Het Btw-comité heeft hierover in 2018 unaniem een richtsnoer aangenomen dat geen btw kan worden geheven over dergelijke «gratis» diensten, omdat het zogenoemde «rechtstreeks verband» tussen de digitale diensten en het verstrekken van persoonlijke data ontbreekt.4 Van een «rechtstreeks verband» is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.5 De persoonlijke data vormt niet de werkelijke tegenwaarde voor de digitale dienst. De diensten worden namelijk ook verleend als de gebruiker de persoonlijke data niet deelt. Dit richtsnoer geldt onverkort.
Italië meent dat er inmiddels situaties zijn waarvoor het unaniem aangenomen richtsnoer niet geldt. Daarom heeft Italië om de mening van het Btw-Comité gevraagd. Het gaat met name om de situatie waarin de mate van digitale dienstverlening afhankelijk is van de kwantiteit en kwaliteit van de persoonlijke data die de gebruiker verstrekt. Denk aan sociale mediabedrijven die minder foto's of video's zichtbaar maken als de gebruiker instellingen aanpast die het platform beperkt in het gebruik van persoonlijke data. In die situatie is volgens Italië wel een «rechtstreeks verband» aanwezig tussen de digitale diensten en het verstrekken van de persoonlijke data.
De Commissie beschrijft dat dit een situatie kan zijn waarin een «rechtstreeks verband» gemakkelijker kan worden gelegd. Zij tekent daarbij tegelijk aan dat het moeilijk is om te kwantificeren wat het belastbare bedrag is.
Daarnaast gaat de Commissie in op de situatie waarin de gebruiker het gebruik van de persoonlijke data niet beperkt en dus alle functionaliteiten behoudt. Zij merkt daarbij op dat het erop lijkt dat Italië – door de gewijzigde bedrijfsmodellen – ook in die gevallen van mening is dat (vanaf nu) toch sprake is van een «rechtstreeks verband» en daarbij voorbijgaat aan het unaniem aangenomen richtsnoer uit 2018. Volgens de Commissie kan ten aanzien van deze situatie nog altijd worden volgehouden dat er geen belastbare prestatie plaatsvindt, omdat het «rechtstreeks verband» ontbreekt.
Tot slot omschrijft de Commissie volledigheidshalve nog het bedrijfsmodel waarbij tegen betaling in geld een abonnement wordt afgesloten in ruil voor de volledige functionaliteiten, maar dan zonder (gepersonaliseerde) advertenties te tonen. Volgens de Commissie is het evident dat de gebruiker dan betaalt voor digitale diensten, zodat een met btw belastbare dienst door het sociale mediabedrijf wordt verricht.
Bent u van mening dat het verstrekken van persoonlijke data ten behoeve van gratis toegang tot sociale media een belastbare transactie vormt?
Nee. Uitgangspunt blijft het unaniem aangenomen richtsnoer van het Btw-comité uit 2018. Dat betekent dat in de regel over het verstrekken van persoonlijke data bij «gratis» toegang tot sociale media geen btw wordt geheven. Ik onderschrijf de mening van de Commissie op dit punt, zoals beschreven bij de tweede situatie van antwoord 3.
Hoewel het eerder unaniem aangenomen richtsnoer het uitgangspunt blijft, kunnen er zich situaties voordoen, zoals Italië aangeeft, die niet onder de reikwijdte van het richtsnoer vallen. Dat is geheel afhankelijk van de feiten en de omstandigheden van het geval. Ik onderschrijf echter de kanttekeningen die de Commissie voor deze situaties plaatst bij het vaststellen van het bedrag waarover btw zou kunnen worden geheven. De btw-richtlijn bevat op dit moment ook geen werkbare bepalingen om de maatstaf van heffing (de vergoeding) te bepalen. Bovendien is het gelet op het grensoverschrijdende karakter van digitale diensten van groot belang dat alle EU-lidstaten dezelfde benadering hanteren. Met de Commissie ben ik van mening dat dit mogelijk om aanpassing van de btw-richtlijn vraagt. De voortzetting van de gesprekken in het Btw-comité zijn om die reden zeer belangrijk. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Is het voor de Belastingdienst ook mogelijk in Nederland btw te heffen bij aanbieders van sociale media over de data, die zij van gebruikers krijgen en is de Belastingdienst voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn er voor nodig om dit te gaan doen en per wanneer zou de Belastingdienst hiertoe kunnen overgaan?
De Belastingdienst kan btw heffen als daarvoor een voldoende eenduidige juridische grondslag is.
Zoals gezegd blijft het richtsnoer het uitgangspunt voor de beoordeling of btw-heffing kan plaatsvinden over de waarde van persoonlijke data. Heffing van btw in situaties die buiten het richtsnoer vallen, komt pas aan de orde als er een «rechtstreeks verband» tussen de geleverde data en de dienstverlening kan worden vastgesteld én als vaststaat over welk bedrag btw geheven zou kunnen worden. Daarover is op dit moment geen duidelijkheid. Daarbij spelen ook andere heffingsaspecten zoals het bepalen van de lidstaat die heffingsbevoegdheid heeft en de vraag of het op regelmatige basis «verkopen» van persoonlijke data door de gebruikers tot ondernemerschap voor de btw leidt. Bovendien moeten eventuele uitstralingseffecten naar andere, soortgelijke situaties (bijvoorbeeld loyaliteitsprogramma’s) worden onderzocht. Op dit moment vindt in het Btw-comité nog gedachtenvorming plaats over deze kwestie. Nederland draagt constructief bij aan deze gesprekken.
Hoe hoog zou de jaarlijkse opbrengst zijn indien ook in Nederland btw wordt geheven over sociale media conform het Italiaanse voorbeeld?
Op dit moment bestaat onvoldoende inzicht om een betrouwbare raming te maken van een mogelijke btw-opbrengst over sociale media. Duidelijkheid over de maatstaf van heffing ontbreekt.
Italië geeft bovendien geen inzicht in de maatstaf van heffing noch de wijze van berekening waarop de (na)heffingsaanslag is gebaseerd. Ook de Commissie heeft geen richting gegeven aan de manier waarop de maatstaf van heffing kan worden bepaald. Zij geeft juist aan dat wellicht (aanvullende) EU-wetgeving noodzakelijk is. Gelet op deze onzekerheden op zowel juridisch als methodologisch vlak kan op dit moment geen opbrengst worden geraamd.
Indien wordt vastgesteld dat aanbieders van sociale media btw verschuldigd zijn over het verlenen van toegang tot de platforms, zal de Belastingdienst onderzoeken welke maatstaf van heffing van toepassing is. Daarnaast zal de Belastingdienst, binnen de geldende wettelijke kaders, beoordelen over welke periode en tot welke hoogte heffing kan plaatsvinden. In beginsel geldt daarbij een naheffingstermijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoe kijkt u naar het Italiaanse voorbeeld waar aanbieders van sociale media een naheffing opgelegd krijgen over eerdere jaren waarin geen btw is betaald? Kan dit met inachtneming van een betrouwbare overheid met terugwerkende kracht?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten |
|
Sarath Hamstra (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre gaat u de regels voor de «Buy now pay later»-bedrijven aanscherpen in het kader van consumentenbescherming?1
Buy Now, Pay Later (hierna: BNPL) is een krediet in de vorm van uitgestelde betaling. Deze kredietvorm is onder de Herziene richtlijn consumentenkrediet (de Consumer Credit Directive II, hierna: de CCDII) niet langer uitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn. Deze richtlijn wordt momenteel in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd, waarna de regels vanaf november van dit jaar van toepassing moeten zijn.
Zodra de nieuwe regels gelden, worden BNPL-aanbieders verplicht om een vergunning aan te vragen bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor het aanbieden van krediet. Naast de vergunningplicht worden de aanbieders onder meer verplicht om in alle gevallen een kredietwaardigheidstoets uit te voeren en krediet onder voorwaarden te registreren bij Bureau Krediet Registratie (BKR). Ook gaan er extra regels gelden over reclame en verplichte precontractuele informatie. BNPL-aanbieders zullen daarnaast consumenten die financiële problemen ondervinden moeten doorverwijzen naar schuldadviesdiensten (in de praktijk zal dit de schuldhulpverlening bij de gemeente zijn waar de consument woont). Tevens moeten kredietaanbieders, en vanaf november 2026 dus ook BNPL-aanbieders, waar passend zogenoemde respijtmaatregelen nemen voordat zij overgaan tot incasso of invordering van de schuld, zoals een betaalpauze of gedeeltelijke kwijtschelding.2 Hierbij dient rekening te worden gehouden met de omstandigheden van de consument. De kosten die een BNPL-aanbieder in rekening mag brengen, waaronder incassokosten, worden gemaximeerd. Ten slotte mag BNPL niet worden verstrekt aan minderjarigen.
Een concept van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet is op dit moment voor advies aanhangig bij de Raad van State. Het Implementatiebesluit herziene richtlijn consumentenkrediet wordt van 22 december 2025 tot 2 februari 2026 publiek geconsulteerd. Het streven is om het wetsvoorstel begin april bij uw Kamer in te dienen.
Klopt het dat hierbij geen rekening gehouden wordt met de praktijk van het doorverkopen van openstaande facturen en het nieuwe risico dat vervolgens ontstaat in het kader van consumentenbescherming?
Dat klopt niet. Indien de BNPL-aanbieder bij uitblijvende betaling ervoor kiest om een vordering op een consument over te dragen aan een andere partij (ook wel «cessie» genoemd), dan dient de consument daarvan op de hoogte te worden gesteld. Op grond van artikel 7:69 lid 1 BW kan de consument tegenover de nieuwe schuldeiser alle rechten en verweren inroepen die hij ook tegenover de oorspronkelijke kredietgever had. Ook als de overeenkomst wordt overgedragen, blijft er sprake van een kredietovereenkomst, waarvoor de wettelijke voorschriften gaan gelden zoals beschreven in het antwoord op vraag 1. Dit betekent bijvoorbeeld dat een nieuwe schuldeiser geen incassokosten in rekening mag brengen voor zover deze niet zijn toegelaten op grond van het Besluit kredietvergoeding en waar nodig en passend respijtmaatregelen moet nemen.
Als sluitstuk van de bescherming voor de consument kent de Wet kwaliteit incassodienstverlening (hierna Wki) een aantal verplichtingen voor de incassodienstverlener en rechten voor de schuldenaar. Een voorbeeld is het recht op een correcte en professionele behandeling door een geregistreerde incassodienstverlener. Dat geldt ook voor de incassodienstverleners die dat doen nadat de vordering aan hen is overgedragen.3
Waarom is hier niet integraal voor oplossingen gekozen, maar enkel voor het stukje dat de betaaldiensten direct raakt?
Zoals in mijn vorige antwoord aangegeven, kunnen consumenten tegen een nieuwe schuldeiser (aan wie een vordering is overgedragen) alle verweren inroepen die zij ook hadden tegen de oorspronkelijke kredietgever.
Daarnaast wordt uitwerking gegeven aan de aanpak van het civiele invorderingsstelsel.4 Er wordt gewerkt aan structurele maatregelen om kostenoploop, onwenselijke verdienprikkels en escalatie in incassotrajecten tegen te gaan. Deze maatregelen richten zich op de fase na het ontstaan van schulden, ook wanneer deze zijn doorverkocht.
Ik acht het van belang dat beide trajecten elkaar aanvullen: waar het Europese spoor ziet op verantwoord kredietgebruik en consumentenbescherming, richt de nationale herziening van het civiele invorderingsstelsel zich op het beperken van kostenoploop en het wegnemen van onwenselijke prikkels in het gehele civiele invorderingsproces. Samen moeten deze trajecten leiden tot een evenwichtiger en meer consumentvriendelijk stelsel.
Herkent u de strategie van bedrijven als Alektum, namelijk zo veel mogelijk niet-betalende klanten opzadelen met juridische procedures nadat hun facturen vermeerderd zijn met rente en incassokosten? Oftewel: hoe meer bulk het bedrijf verstuurt, hoe groter de kans dat er wel iemand betaalt?
Ik heb kennisgenomen van het artikel van Follow the Money van 8 november 2025. Dit beeld is ook terug te zien in verschillende rechterlijke uitspraken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Bent u bekend met de grote hoeveelheid zaken die Alektum aanhangig heeft gemaakt enerzijds versus de uitspraken die een aaneenschakeling tonen van fouten, slordigheden en zelfs misbruik van procesrecht en het feit dat Alektum opvallend vaak juridische procedures verliest anderzijds?
Ja, ik ben daarmee bekend. Voor een nadere toelichting naar de mogelijkheden van de rechter om in te grijpen als er misbruik wordt gemaakt van het procesrecht verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ceder (ChristenUnie) over hetzelfde bericht die heden door mij naar uw Kamer zijn gestuurd.
Alektum is lid van de Nederlandse Vereniging van gecertificeerde incasso-ondernemingen (NVI) en draagt ook dat kwaliteitskeurmerk. Wat gaat de NVI doen met deze signalen en wanneer is «de maat vol» en wordt een keurmerk ingetrokken zodat een keurmerk ook waarde blijft houden?
De Nederlandse Vereniging van gecertificeerde Incasso-ondernemingen (hierna: NVI) is een brancheorganisatie die zelf verantwoordelijk is voor het toezicht op en de handhaving van de eigen gedragsregels en het bijbehorende keurmerk. Het gaat hier om een privaat kwaliteitskeurmerk waarbij de overheid niet betrokken is. Het is aan de NVI zelf om naar aanleiding van signalen over het handelen van een aangesloten partij in te grijpen conform het eigen kader. Wanneer iemand niet tevreden is met de afhandeling van de klacht door het incassobureau kan die deze voorleggen aan het Kifid.
Wie controleert of de NVI kritisch genoeg is richting haar deelnemers?
Het NVI-keurmerk is een vorm van zelfregulering, daarom is het aan de NVI zelf om de kwaliteit en de handhaving van dat keurmerk te borgen.
Hoe kijkt u naar het verbieden van het gebruikmaken door betaaldiensten van incassobedrijven die dit keurmerk niet hebben?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om een verbod in te stellen dat betaaldiensten zou beperken in hun keuze van incassodienstverleners op basis van het wel of niet bezitten van een privaat keurmerk. Sinds 1 april 2024 is de incassosector gereguleerd met de Wki. Alle partijen die onder de reikwijdte van de Wki vallen, dienen te voldoen aan dit wettelijke kader. Wanneer partijen zich niet houden aan de registratieplicht van de Wki is er onder andere sprake van een economisch delict waar tegen opgetreden kan worden. Voor een verdere uitleg verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen van het lid Ceder over hetzelfde bericht, die heden door mij naar uw Kamer zijn gestuurd.
Het bericht ‘Ouderen wonen in gouden kooi: ‘Onaantrekkelijk om te verhuizen’’ |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek omtrent doorstroming in relatie tot hypotheekverstrekking bij senioren, zoals beschreven in het artikel «Ouderen wonen in gouden kooi: «Onaantrekkelijk om te verhuizen»»?1
Ja. Ik ben bekend met de problematiek die in het artikel wordt geschetst. Ik herken dat veel ouderen beschikken over overwaarde maar ervaren dat verhuizen naar een passende woning financieel moeilijk haalbaar kan zijn.
Bent u bekend met de eerder gestelde schriftelijke vragen d.d. 2 april 2025: «Senioren geweigerd voor tijdelijke lening ondanks overwaarde».
Ja. De Kamervragen van 2 april 2025 naar aanleiding van de Radar-uitzending zijn op 12 mei 2025 beantwoord door de Minister van Financiën en mij. In die beantwoording ben ik onder andere ingegaan op knelpunten bij tijdelijke en overbruggingsfinanciering voor ouderen, de vervolgstappen via het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen2 en gesprekken die ik hierover met de sector voer.
Hoe staat het met de uitvoering van het convenant «Ouderen & Toekomstbestendig Wonen»2, ondertekend door diverse kredietverstrekkers, waarin is afgesproken dat de ondertekenaars de mogelijkheden van (hypotheek)financiering voor ouderen naar een hoger niveau willen tillen, onder andere door in kaart te brengen aan welke aanvullende financieringsmogelijkheden bij ouderen behoefte is, gezien hun woonwensen?
Het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen wordt uitgevoerd in samenwerking met kredietaanbieders, financieel adviseurs en belangenorganisaties. Doel is dat ouderen tijdig inzicht krijgen in hun woon- en financieringsmogelijkheden. Het convenant wordt uitgevoerd door de ondertekenaars. In de periodieke bijeenkomsten worden voortgang en knelpunten besproken en worden ervaringen gedeeld. Met de ondertekenaars is afgesproken dat het convenant na twee jaar integraal wordt geëvalueerd. Deze evaluatie zal zien op de uitvoering van de gemaakte afspraken en de zichtbare effecten daarvan. Ik verwacht uw Kamer rond de zomer van 2026 over de uitkomsten van deze evaluatie te informeren.
Heeft het gesprek met ouderenorganisaties, de Nederlandse Vereniging van Banken, de banken en de toezichthouders over de verbetering van de financieringsmogelijkheden voor senioren voor het sluiten van een overbruggingshypotheek zoals aangegeven in de beantwoording op eerdergenoemde schriftelijke vragen, plaatsgevonden? Zo ja, kan de Kamer een afschrift van het gespreksverslag ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het onderwerp woningfinanciering voor ouderen wordt meegenomen in de periodieke gesprekken binnen het convenant. Hierbij zijn kredietaanbieders, ouderenorganisaties en consumentenorganisaties betrokken. In het laatste gesprek is het onderwerp overbruggingshypotheken ook, mede op verzoek van uw Kamer, besproken. Hieruit is naar voren gekomen dat losse overbruggingshypotheken voor veel kredietaanbieders relatief duur zijn om aan te bieden en dat het verstrekken van een losse overbruggingslening in hun huidige systemen op dit moment niet of slechts beperkt kan worden ingepast. Daarbij is gesignaleerd dat de infrastructuur van het Hypotheken Data Netwerk het niet faciliteert om een losse overbruggingshypotheek aan te vragen.
Tegen deze achtergrond wordt in de praktijk in sommige gevallen door een aantal kredietaanbieders door middel van een combinatie van een (kleine) reguliere hypotheek en overbruggingsfinanciering de behoefte aan financiering ingevuld. Ook biedt een beperkt aantal kredietaanbieders voor bestaande klanten een losse overbruggingshypotheek aan. Deze routes bieden voor een deel van de ouderen een oplossing, maar niet voor de hele doelgroep.
In de gesprekken hebben de deelnemers daarnaast verschillende mogelijke oplossingsrichtingen benoemd om de toegankelijkheid van overbruggingsfinanciering voor ouderen te verbeteren. Deze variëren van verdere specialisatie door individuele of gezamenlijke aanbieders tot vormen van risicodeling, waaronder, een gezamenlijk of publiek georganiseerd fonds. Dit betreft suggesties vanuit de sector die zich nadrukkelijk in de verkennende fase bevinden. Hierover zijn nog geen keuzes gemaakt.
Ook is besproken welke procesverbeteringen in de adviespraktijk kunnen bijdragen aan betere ondersteuning van ouderen, zoals verbeterde informatievoorziening en duidelijkere hulpmiddelen voor adviseurs. Dit geldt ook zeker voor het aanvragen van overbruggingshypotheken. Deze inzichten worden meegenomen in de lopende verkenning naar verbetering van de financieringsmogelijkheden voor ouderen. De uitkomsten hiervan worden bij het evaluatiemoment van het convenant in de zomer van 2026 met uw Kamer gedeeld.
Ben u van mening dat er voldoende voortgang op dit dossier zit? Zo niet, wat gaat u doen om dit te versnellen?
Ik ben van mening dat er duidelijke inspanningen worden geleverd binnen dit dossier, al kost de uitwerking van oplossingen tijd. Binnen het convenant werken ondertekenaars onder andere aan verbeteringen in de informatievoorziening richting ouderen en adviseurs, zodat financieel adviseurs beter worden toegerust bij vragen over doorstroming. Dit heeft geleid tot concrete resultaten, zoals extra opleidingen en ondersteuning voor financieel adviseurs en aanpassingen in het productaanbod voor ouderen door enkele kredietaanbieders.
Daarnaast wordt binnen het convenant verkend hoe de kosten van overbruggingsfinanciering voor ouderen kunnen worden verlaagd, waarbij onder andere wordt gekeken naar de hoogte van advies-, taxatie- en notariskosten, zodat producten voor ouderen aantrekkelijker geprijsd kunnen worden. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de problematiek voor ouderen nog niet is opgelost. De komende periode wordt verder gewerkt aan deze verkenningen en worden de gemaakte afspraken betrokken bij de evaluatie van het convenant in 2026.
Zou u in kaart willen brengen hoe het gebrek aan financieringsmogelijkheden voor senioren doorwerkt op de doorstroming op de woningmarkt en welke groepen hierdoor het meest worden geraakt?
Daar ben ik toe bereid. Uit onderzoek blijkt dat slechts een beperkte groep ouderen een concrete verhuiswens heeft. Ouderen zijn minder geneigd om te verhuizen dan jongere huishoudens, en hechten vaker aan hun woning en woonomgeving.4 Uit het WoON-onderzoek 2024 komt naar voren dat ouderen de afgelopen twee jaar minder vaak zijn verhuisd dan in de periode voorafgaand aan WoON 2021 (een afname van ongeveer 10%).5
Dit onderstreept dat de beperkte verhuisbereidheid bij ouderen een belangrijke factor is voor de doorstroming. Financieringsbelemmeringen kunnen voor een deel van de ouderen een rol spelen bij een verhuizing, maar het is lastig om exact vast te stellen welk deel van de beperkte doorstroming hiermee samenhangt. Een verhuizing is immers een grote beslissing die met meerdere factoren samenhangt. Samen met kennisinstellingen en de sector, vergaar ik daarom meer informatie over dit onderwerp.
Zou u in overleg willen treden met hypotheekverstrekkers en ouderenorganisaties, waaronder de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen, over welke knelpunten senioren het vaakst ervaren bij het aanvragen van een overbruggingshypotheek of verhuishypotheek, en de Kamer informeren over de uitkomsten?
Ja, deze gesprekken zijn al gaande. Hierbij is naast de ANBO ook onder andere Vereniging Eigen Huis (VEH) uitgenodigd. De Kamer zal over de uitkomsten hiervan rond de zomer van 2026 worden geïnformeerd.
Hoe beziet u de huidige toetsingsnormen voor senioren, zoals de inkomens- en leencapaciteitscriteria van de Nationale Hypotheek Garantie en de richtlijnen van de toezichthouder, tegen de achtergrond van de toegenomen overwaarde en relatief lage risico’s bij deze doelgroep?
Samen met de Minister van Financiën stel ik jaarlijks de leennormen voor hypothecair krediet vast. De leennormen voor hypothecair krediet zorgen ervoor dat huishoudens op verantwoorde wijze een hypothecair krediet aangaan bij het kopen van een woning. Kredietaanbieders kunnen via maatwerk gemotiveerd afwijken van de leennormen wanneer een huishouden niet door de standaard krediettoets komt. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) kan via leidraden en de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) via haar Voorwaarden & Normen nadere invulling geven aan de wettelijke leennormen.
Mijn indruk is dat bij zowel de wettelijke leennormen zelf als bij de nadere invulling hiervan door de AFM en NHG geen belemmeringen zitten die ervoor zorgen dat senioren moeite hebben met doorstromen. Kredietaanbieders mogen in beginsel de lopende verplichtingen onder een hypotheek voor de financiering van een nog niet verkochte woning, inclusief de kosten die verband houden met het afsluiten van een overbruggingslening, buiten beschouwing laten bij de kredietbeoordeling voor de financiering van de nieuw gekochte woning. NHG heeft speciaal voor senioren een tweetal regelingen, de seniorenverhuisregeling en de tijdelijke tekortregeling bij verschillende aow leeftijden. Daarnaast heeft de AFM in 2017 verduidelijkt hoe kredietaanbieders verantwoord maatwerk kunnen bieden aan senioren. SEO concludeerde dit jaar in haar evaluatie van de leennormen dat kredietaanbieders en adviseurs hierdoor geen problemen ervaren bij het toepassen van maatwerk voor senioren.
Uit de gesprekken met marktpartijen komen andere factoren naar voren die verklaren waarom een overbruggingshypotheek voor senioren relatief beperkt beschikbaar en duur is. Vooral het feit dat een overbruggingshypotheek vaak relatief kort loopt is een belemmering voor het aanbod. Kredietaanbieders moeten dan immers in een korte tijd de gemaakte kosten terugverdienen. Dat kan leiden tot een hogere prijs (bijv. hypotheekrente) voor dergelijke producten. Het is nog niet duidelijk of ouderen bereid zijn een hogere prijs te betalen voor dit product dan voor een reguliere hypotheek. Zoals gezegd: ik ben met de partijen in gesprek en wil hier graag met ze tot een oplossing komen. Ik vind het namelijk van groot belang dat senioren makkelijker toegang krijgen tot een overbruggingslening. Mochten er toch belemmeringen zitten in de leennormen, dan ben ik uiteraard bereid om hiernaar te kijken. Uitgangspunt blijft daarbij wel dat een (overbruggings)hypotheek altijd financieel verantwoord moet zijn.
Zou u willen onderzoeken welke internationale voorbeelden bestaan van hypotheek- of financieringsconstructies die bijdragen aan doorstroming onder senioren, en of dergelijke modellen toepasbaar zijn in Nederland?
Een eerste verkenning bij beleidsmakers in andere Europese landen heeft het beeld opgeleverd dat veel landen weliswaar de problematiek van onderbenutting van de bestaande voorraad en gebrek aan doorstroming van senioren erkennen, maar dat de beleidsinspanningen veelal nog gericht zijn op het langer laten thuis wonen van ouderen door middel van aanpassingen aan de woning en levering van zorg aan huis. De regelingen die er zijn om onderbenutting tegen te gaan zijn vooral gericht op de sociale huursector en de huurtoeslag. Zo kunnen Vlaamse sociale huisvesters kleine huishoudens in grote woningen laten doorverhuizen naar meer passende woningen, hoewel men hier bij ouderen terughoudend mee omgaat. In het Verenigd Koninkrijk kunnen kleine huishoudens in grote sociale huurwoningen gekort worden op de huurtoeslag. Ouderen zijn hiervan echter nadrukkelijk uitgezonderd.
Vooralsnog verwacht ik niet dat nader internationaal vergelijkend onderzoek wel bruikbare casussen gericht op hypotheek- of financieringsconstructies zal opleveren. Dit vanwege de grote verschillen tussen lidstaten op het gebied van woningfinanciering. Passende innovatieve vormen die ontwikkeld worden, moeten toegesneden zijn op de Nederlandse context.
Wat gaat u doen met het gegeven dat veel senioren aangeven te willen verhuizen naar een passende woning, maar door financieringsbelemmeringen niet in staat zijn deze stap te zetten?
Zoals aangegeven bij vraag 6 heeft slechts een beperkt deel van de ouderen een concrete verhuiswens. Financieringsbelemmeringen kunnen echter voor een deel van de ouderen die wel willen verhuizen een rol spelen. Binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen en het Platform Hypotheken wordt daarom gewerkt aan het verbeteren van de informatievoorziening en aan het verder in beeld brengen en verminderen van financieringsknelpunten bij overbruggingshypotheken. Ook wordt verkend hoe deze producten beter toegankelijk en betaalbaar kunnen worden gemaakt. Daarnaast wordt binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen ingezet op het vergroten van het aanbod van passende ouderenwoningen, wat essentieel is voor doorstroming. Ik blijf in gesprek met ouderenorganisaties, kredietaanbieders en toezichthouders om knelpunten te adresseren.
Deelt u de opvatting dat het tekort aan geschikte en betaalbare seniorenwoningen een belangrijke factor is in het uitblijven van doorstroming, en zou u op een rij willen zetten welke aanvullende maatregelen op korte en langere termijn mogelijk zijn om dit aanbod te vergroten?
Ik ben het met u eens dat beschikbaarheid een belangrijke voorwaarde is voor ouderen om te kunnen verhuizen naar een passende woning, waarmee doorstroming op de woningmarkt ontstaat. Samen met het Ministerie van VWS zet ik sterk in op realisatie van voldoende passende woningen voor ouderen, waarbij we nauw samenwerken met medeoverheden en de verschillende partners uit het woon- en zorgdomein. Zo hebben we op de Woontop van december 2024 afspraken gemaakt over de schaalvergroting en versnelling in de realisatie van de opgave van de circa 290.000 woningen geschikt voor ouderen tot en met 2030. Ook zetten we in op maatregelen die eraan bijdragen dat ouderen die dat willen, een verhuisstap kunnen maken om passend te wonen.
In de voortgangsbrief ouderenhuisvesting van april jl.6 staan de acties die ik samen met het Ministerie van VWS in gang heb gezet om de realisatie van voldoende woningen, en het passend wonen van ouderen te stimuleren. Op 8 december is de Staat van de Volkshuisvesting naar uw Kamer gestuurd, waarin is ingegaan op de realisatie van het woningaanbod voor ouderen en het aandeel verhuisde ouderen. In de loop van 2026 informeren de Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg en ik uw Kamer weer over de voortgang op de opgave ouderenhuisvesting, waaronder de maatregelen op passend wonen en doorstroming.
Op welke wijze worden de inspanningen binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen afgestemd met de bredere ambities binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen?
Het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen komt voort uit een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van VRO en de hypothecaire sector, het Platform Hypotheken. Het convenant heeft als doel oplossingen te ontwikkelen voor knelpunten in de hypotheekadvisering en -verstrekking. Daarnaast worden tijdens de tussentijdse bijeenkomsten vanuit VRO ook relevante ontwikkelingen uit het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen gedeeld met de ondertekenaars, zodat zij deze kunnen meenemen in hun eigen beleidsvorming en verdere uitwerking van de samenwerking.
De ondertekenaars van het convenant gaan periodiek met elkaar en het Ministerie van VRO in gesprek om de ontwikkelingen omtrent woningfinanciering voor ouderen te bespreken en te onderzoeken of er meer mogelijkheden kunnen worden gecreëerd voor woningfinanciering voor ouderen. Dit heeft als doel om te stimuleren dat ouderen passend kunnen wonen, en te stimuleren dat ouderen die dat willen een verhuisstap kunnen maken. Daarmee sluiten de inspanningen vanuit het convenant aan bij de bredere ambities binnen de opgave ouderenhuisvesting en de inspanningen binnen het convenant worden ook gedeeld met de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen
Hoe betrekt u senioren bij de beleidsvorming rondom financieringsmogelijkheden en doorstroming, en op welke wijze worden hun ervaringen structureel benut bij het opstellen en evalueren van maatregelen?
Ik vind het belangrijk dat ouderen vertegenwoordigd zijn in het beleidsvormingsproces rondom financieringsmogelijkheden en passend wonen en doorstroming. De ANBO-PCOB is betrokken bij het periodiek overleg met de hypotheeksector dat voortkomt uit het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen, zoals beschreven bij antwoord 12. Ook is de ANBO-PCOB onderdeel van de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen. In deze werkgroep werken Ministerie van VRO en het Ministerie van VWS samen met medeoverheden en partners uit het woon- en zorgdomein aan de opgave ouderenhuisvesting. Daarnaast worden de ervaringen van ouderen meegenomen via verschillende onderzoeken, zoals het WoOn-onderzoek.7
De BOSA-subsidie 2026 |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat 5 januari de eerste mogelijkheid in 2026 was om de subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) aan te vragen?1
Dat klopt.
Klopt het dat de bereikbaarheid van de site slecht was en de server van de overheid er meerdere malen uit heeft gelegen?
Op 5 januari jongstleden om 09:00 uur opende het aanvraagloket van de subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties. Vanwege de grote belangstelling raakte de server al snel overbelast waardoor het tijdelijk niet mogelijk was om een subsidieaanvraag in te dienen. Rond 10:15 uur was deze storing verholpen en was het weer mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen.
Klopt het dat op 5 januari voor 15:00 uur de BOSA al voor het gehele jaar overvraagd was?2
Zoals aangegeven in mijn brief over sluiten aanvraagloket BOSA 2026 sloot het loket om 15:00 uur, toen door 2.435 aanvragers voor € 109 miljoen aan BOSA-subsidie was aangevraagd.3 Het subsidieplafond van de BOSA voor 2026 is € 43,5 miljoen. Dat betekent dat de regeling al snel overvraagd was. DUS-I zal de binnengekomen aanvragen behandelen op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen. Zoals opgenomen in de BOSA-regeling volgt reactie op een aanvraag binnen 22 weken.
Wat is de huidige status met betrekking tot enerzijds de hoeveelheid aanvragen, en anderzijds het reeds aangevraagde bedrag?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'Grote onwetendheid en zorgen over risico’s aflopende aflossingsvrije hypotheek' |
|
Jan Struijs (50PLUS), Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde onderzoek van Van Bruggen Adviesgroep, waaruit blijkt dat er bij huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek sprake is van een groot kennisgebrek over hun financiële situatie en de gevolgen van het aflopen van deze hypotheekvorm?1
Deelt u de zorgen over dit gebrek aan kennis en de potentiële impact daarvan, met name voor mensen in de leeftijd vanaf 57 jaar, omdat het aflopen van de aflossingsvrije hypotheek kan betekenen dat de maandlast stijgt doordat er moet worden afgelost, of zelfs geen nieuwe financiering verkregen kan worden op basis van een lager toetsinkomen in het zicht van pensioen?
Deelt u de mening dat er meer bewustwording nodig is rondom de risico’s van aflossingsvrije hypotheken, zeker nu de druk vanuit toezichthouders toeneemt om de omvang van deze hypotheekvorm verder te beperken?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met hypotheekverstrekkers en andere betrokken partijen om proactieve informatievoorziening richting huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek te verbeteren, bijvoorbeeld door het starten van een nieuwe publiekscampagne, naar analogie van de in 2017 gelanceerde campagne «Wordt ook aflossingsvrij»?
Herkent u het beeld dat met name bij oudere huishoudens sprake is van een stapeling van effecten (beperking aflossingsvrije hypotheek, inkomensnorm op basis van een lager pensioeninkomen, het deels wegvallen van hypotheekrenteaftrek na 30 jaar), waardoor het lastiger wordt om een hypotheek aan te vragen, over te sluiten of aan te passen?
Ziet u ook het risico dat mensen, om de hogere woonlasten te voorkomen, zo lang mogelijk in de huidige woning blijven wonen wat de de doorstroming op de woningmarkt kan belemmeren en wat ervoor zorgt dat ouderen niet in de woning terecht kunnen komen die het meest geschikt voor ze is?
Bent u bekend met signalen dat de Europese Centrale Bank het toezicht op aflossingsvrije hypotheken verder wil aanscherpen waardoor ouderen nog meer beperkingen opgelegd krijgen met betrekking tot het mogen aanhouden van aflossingsvrije hypotheken?
Zo ja, bent u bereid de mogelijke impact hiervan te laten onderzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de gevolgen voor individuele huishoudens, de doorstroming op de woningmarkt en het systeemrisico voor de bankensector in Nederland?
Hoe weegt u het risico van aflossingsvrije hypotheken in Nederland in relatie tot deze risico’s in andere Europese landen onder meer gezien ons pensioenstelsel en de daarmee samenhangende financiële buffers?
Welke actie wilt u gaan ondernemen om aantrekkelijke hypotheekproducten, zoals doorstroomhypotheken, voor ouderen verder te gaan brengen zoals opgenomen in het regeerakkoord? Momenteel zijn zulke producten in de markt nog te beperkt aanwezig en doorstroming wordt hierdoor belemmerd.
Het bericht ‘Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Vind u 3,9 miljard euro teveel betaalde belasting op voorlopige aanslag in 2022 te rechtvaardigen aan burgers en bedrijven?1
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van verschillen tussen de voorlopige en definitieve aanslag voor particulieren en voor het MKB?
Klopt het dat verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag ook in belangrijke mate komen door het gebrek aan samenwerking tussen de Afdeling Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH), die de voorlopige aanslagen oplegt en de specifieke directies Particulieren en MKB die de definitieve aanslagen opleggen?
Waarom worden voorlopige en definitieve aanslagen via verschillende processen behandeld, terwijl het over dezelfde belastingplichtigen en belastingsoort gaat?
Bent u het ermee eens dat het minimaliseren van verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag wél tot de taakopdracht en doelstellingen van CAP IB en de desbetreffende directies zou moeten behoren?
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van de samenwerking tussen deze onderdelen en betere afstemming van de controles die zij uitvoeren?
Welke verdere mogelijkheden ziet u om de aansluiting van voorlopige aanslag op definitieve aanslag te verbeteren, zodat de heffing bij burgers en bedrijven beter aansluit op de werkelijkheid?
Welke mogelijkheden ziet u om het gebrek aan vaktechnische slagkracht bij CAP IH op te lossen?
Het bericht 'Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u de budgettaire gevolgen in kaart brengen van het niet kunnen handhaven van de 30-jaarstermijn in de hypotheekrenteaftrek per 2031 en verder, als dit betekent dat huishoudens met een oude hypotheek ook na 30 jaar nog gebruik blijven maken van de hypotheekrenteaftrek?1
Kunt u uiteenzetten bij wat voor soort hypotheken hier een probleem ontstaat en wat de omvang hiervan is?
Waarom is nooit een goed administratiesysteem opgezet om te kunnen voldoen aan deze wettelijke verplichting en ter voorkoming van financiële derving?
Als er inderdaad sprake is van financiële derving, hoe dient deze dan begrotingstechnisch te worden gedekt?
Klopt het dat de overheid van mensen verwacht dat zij het verlopen van de 30-jaarstermijn zelf verwerken in de aangifte en ligt de bewijslast bij de burger. Hoe gaat de Belastingdienst dit vervolgens controleren?
Is het verschil wat dan ontstaat tussen mensen bij het niet kunnen handhaven juridisch houdbaar of kan dit leiden tot procedures van mensen die ook langer aftrek willen in het kader van gelijke behandeling?
Werkt de Belastingdienst aan oplossingsrichtingen over hoe om te gaan met het aflopen van de 30-jaarstermijn? Zo ja, wat zijn mogelijke oplossingsrichtingen en wat betekenen deze voor de uitvoering. Zo niet, waarom niet?
Het bericht 'Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls' |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls» en de daarin aangehaalde uitkomsten van onderzoek van ING, waaruit zou blijken dat bijna 80% van de jongvolwassenen (18–34 jaar) maandelijks een impulsaankoop doet en dat een op de drie van hen hierdoor wel eens in financiële problemen is gekomen?1
Deelt u de opvatting dat het zorgelijk is als impulsaankopen, mede door achteraf betalen, kunnen bijdragen aan structurele geldnood, zeker bij jongvolwassenen met een kleine financiële buffer, en dat hier een verantwoordelijkheid ligt voor bescherming van jongeren, zodat problematische schulden kunnen worden voorkomen en we financiële weerbaarheid kunnen versterken?
Bent u het ermee eens dat er een koopstopregister moet komen, zoals bepleit door de deskundigen, waarin jongeren uit zelfbescherming zich kunnen afmelden voor achteraf betalen, en bent u bereid te verkennen hoe (en door wie) een landelijk werkende zelfuitsluitingsoptie voor BNPL kan worden ingericht?
Bent u bereid hiervoor ook inspiratie op te doen bij het Crux-register, dat voor online gokken een effectieve zelfuitsluitingsoptie biedt?
Bent u bereid om strengere transparantie-eisen te stellen aan aanbieders van achteraf betalen over voorwaarden en risico’s (zoals betaaltermijnen, aanmanings- en incassokosten) en om te voorkomen dat deze informatie wordt «weggestopt», zoals in het artikel wordt gesignaleerd?
Kunt u aangeven hoe het inmiddels staat met de uitwerking van de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over onderzoeken of inkomensondersteunende regelingen van de overheid op een vast moment in de maand kunnen worden uitbetaald, zodat mensen daar hun vaste lasten beter op aan kunnen sluiten en zo een beter financieel overzicht krijgen?2
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheden voor het inbouwen van een «nadenkmoment» bij achteraf betalen?
Bent u bereid nogmaals uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn om achteraf betalen in fysieke winkels te verbieden, ook in relatie tot de per november 2026 in werking te treden Herziene richtlijn consumentenkrediet (Consumer Credit Directive II; CCDII) voor consumentenbescherming bij achteraf betaaldiensten?
Kunt u aangeven hoe ver de kredietcheck reikt die aanbieders van achteraf betalen moeten doen na het in werking treden van de CCDII per november 2026, en of dit inderdaad voldoende is om jongeren te beschermen tegen aankopen waar zij onvoldoende middelen voor hebben, of dat er aanvullende bescherming nodig is?
De BOSA-subsidie 2026 |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat 5 januari de eerste mogelijkheid in 2026 was om de subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) aan te vragen?1
Dat klopt.
Klopt het dat de bereikbaarheid van de site slecht was en de server van de overheid er meerdere malen uit heeft gelegen?
Op 5 januari jongstleden om 09:00 uur opende het aanvraagloket van de subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties. Vanwege de grote belangstelling raakte de server al snel overbelast waardoor het tijdelijk niet mogelijk was om een subsidieaanvraag in te dienen. Rond 10:15 uur was deze storing verholpen en was het weer mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen.
Klopt het dat op 5 januari voor 15:00 uur de BOSA al voor het gehele jaar overvraagd was?2
Zoals aangegeven in mijn brief over sluiten aanvraagloket BOSA 2026 sloot het loket om 15:00 uur, toen door 2.435 aanvragers voor € 109 miljoen aan BOSA-subsidie was aangevraagd.3 Het subsidieplafond van de BOSA voor 2026 is € 43,5 miljoen. Dat betekent dat de regeling al snel overvraagd was. DUS-I zal de binnengekomen aanvragen behandelen op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen. Zoals opgenomen in de BOSA-regeling volgt reactie op een aanvraag binnen 22 weken.
Wat is de huidige status met betrekking tot enerzijds de hoeveelheid aanvragen, en anderzijds het reeds aangevraagde bedrag?
Zie antwoord vraag 3.
De nieuwe fiscale regeling om medewerkersparticipatie voor startups en scale-ups te stimuleren |
|
Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de beoogde regeling bij een IPO met lock-up voorwaarden er pas na afloop van de lock-up periode fiscaal afgerekend hoeft te worden (Kamerstuk 32 140, nr. 285)?
Hoe geldt dit voor een reguliere bedrijfsverkoop die non-cash is (bijvoorbeeld een aandelenruil) of op een earn-out regeling gebaseerd is?
Hoe voorkomt het kabinet dat de aanbiedingsplicht van een individuele werknemer een blokkade wordt bij een beoogde overname van alle aandelen in de start / scale-up door een derde partij?
Bij verlopen van de status wordt teruggevallen op de bestaande regeling, waarin belastingheffing uiterlijk plaatsvindt bij verhandelbaarheid van aandelen, valt een beperkte interne verkoop-ronde ook onder de definitie van deze regeling?
Hoe mitigeert het kabinet het liquiditeitsrisico voor medewerkers bij het verlopen van de status (met bijvoorbeeld een betalingsregeling)?
Het bericht 'AFM: schade door beleggingsfraude kan oplopen tot €750 mln per jaar' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Van piramide tot ijsberg: de onzichtbare omvang van beleggingsfraude in Nederland» naar aanleiding van een door de Autoriteit Financiële Markten uitgevoerd onderzoek?1
Ja.
Deelt u de mening dat het, om beleggingen te stimuleren en het vertrouwen in de financiële markten hoog te houden, belangrijk is om beleggingsfraude stevig aan te pakken?
Die mening delen wij. Beleggingsfraude kan aanzienlijke financiële en emotionele schade veroorzaken bij slachtoffers en ondermijnt het vertrouwen in de financiële markten. Wij onderschrijven dat dit zorgelijk is en vinden dat beleggingsfraude hard aangepakt moet worden. Temeer omdat het – zowel op individueel als maatschappelijk niveau – wenselijk is dat Nederlandse huishoudens, die voldoende financiële buffers hebben en waar het past binnen hun risicoprofiel en -bereidheid, verantwoord meer gaan beleggen. Bij die aanpak is preventie het effectiefst: voorkomen dat mensen in beleggingsfraude trappen.
Waarin zitten wat u betreft de verschillen tussen het schadebedrag van 75 miljoen euro dat in 2024 door de politie is geregistreerd en de geschatte werkelijke schade-omvang van 750 miljoen euro door de AFM?
Volgens het rapport wordt het verschil tussen het schadebedrag van 75 miljoeneuro dat in 2024 door de politie is geregistreerd en de geschatte werkelijke schadeomvang van 750miljoeneuro vooral verklaard door onderrapportage en een lage meldingsbereidheid onder slachtoffers. Een groot deel van de beleggingsfraude blijft hierdoor onzichtbaar. De AFM baseert haar schatting op internationale vergelijkingen en een correctie voor het lage meldingspercentage, waardoor volgens het rapport de daadwerkelijke schade veel hoger ligt dan uit de politiecijfers blijkt.
Waarom kent Nederland geen centraal meldpunt voor beleggingsfraude waardoor en slechts gefragmenteerd zicht is op het aantal geregistreerde gevallen, terwijl het meldingspercentage in landen waar wel een dergelijk meldpunt aanwezig is duidelijk hoger is?
Er zijn inderdaad meerdere organisaties waartoe slachtoffers zich kunnen wenden, met elk hun eigen expertise en dienstverlening. De Fraudehelpdesk is een privaat en algemeen meldpunt voor alle vormen van fraude en ontvangt hiervoor subsidie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daarnaast kunnen slachtoffers aangifte doen bij de politie. Ook banken kunnen vermoedens van beleggingsfraude melden bij de AFM. Hierdoor vindt registratie plaats op meerdere punten. Het is belangrijk dat slachtoffers snel en deskundig worden geholpen, ongeacht waar zij zich melden en dat slachtoffers zo nodig worden doorverwezen naar gespecialiseerde hulp en schadeverhaal. Zoals ook staat in antwoord 6 op de schriftelijke vragen van het Kamerlid Van Eijk (VVD) aan de Minister van Financiën over het bericht «AFM: Schade door oplichting met beleggingstrucs tien keer hoger dan gedacht», kunnen wij op dit moment nog niet beoordelen of de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één centraal meldpunt voor beleggingsfraude verstandig en (juridisch) mogelijk is. We ondersteunen nadere gesprekken hierover.
Bent u bereid om in overleg met AFM, FIOD, politie, fraudehelpdesks, OM en DNB in overleg te gaan over nut en noodzaak van een dergelijk centraal meldpunt en hoe dit vormgegeven zou kunnen worden?
De AFM heeft in het rapport opgeroepen tot overleg met ketenpartners en opsporingsdiensten om te onderzoeken of de nut en noodzaak van een centraal meldpunt breder gedeeld wordt en, zo ja, hoe hier invulling aan gegeven kan worden. De AFM heeft ons laten weten hiertoe graag het initiatief te nemen. Wij ondersteunen dit initiatief van de AFM. Mede gezien de oproep van de AFM, zien wij op dit moment geen rol voor ons weggelegd in die gesprekken. Wel zullen wij bezien, indien nodig en mogelijk, welke ondersteuning te geven is aan eventuele vervolgstappen die hieruit voortvloeien.
In hoeverre is de privacywetgeving bij met name banken mogelijk belemmerend bij het op kunnen sporen van facilitators?
Wij vinden het van belang dat het betalingsverkeer toegankelijk en veilig is. Banken moeten daarom acties ondernemen om mogelijke fraude te detecteren en te voorkomen, met het doel hun klanten te beschermen. Vooropgesteld moet worden dat banken zich daarbij houden aan het geldende wettelijk kader, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Banken zijn, in het kader van hun verplichtingen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering (Wwft) en met het opsporen van frauduleuze transacties, verplicht transactiemonitoring uit te voeren. Als zij in dat kader de transactie bestempelen als ongebruikelijk, dienen zij op grond van de Wwft hiervan een melding te maken aan de FIU-Nederland. Ook heeft de bank een verantwoordelijkheid om de klant te beschermen indien er vermoedens zijn van frauduleuze transacties (bijvoorbeeld door het bevriezen van een transactie en door contact op te nemen met de klant). Uit het AFM-rapport blijkt ook dat banken, in geval zij een vermoeden hebben van beleggingsfraude, een melding daarvan doorsturen naar de AFM (zie p. 17 AFM-rapport). Voor deze gegevensuitwisseling hebben banken, toezichthouders en opsporingsinstanties reeds meerdere grondslagen, zoals de publiek-private samenwerking binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC PPS) en het verwijzingsportaal bankgegevens. Op grond van de Wwft, en straks de implementatie van het AML-pakket, krijgen toezichthouders en poortwachters nog meer grondslagen om gegevens onderling met elkaar uit te wisselen. Ons beeld is daarom niet dat de privacywetgeving op zichzelf belemmerend is voor banken bij het opsporen van facilitators.
Bent u bereid een algemene reactie te geven op het rapport waar het artikel naar verwijst met daarin een schets van de wijze waarop het kabinet zich gaat verhouden tot deze alarmerende signalen?
Het rapport maakt duidelijk dat beleggingsfraude een groeiende en zorgwekkende bedreiging vormt voor consumenten en het vertrouwen in de financiële markten. Het rapport laat zien dat beleggingsfraude in Nederland nog veel omvangrijker is dan gedacht. Het kabinet neemt deze signalen serieus en ziet het tegengaan van beleggingsfraude als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen. Aandacht voor preventie, verbeteringen van de meldingsbereidheid en registratie, samenwerking binnen de gehele keten en effectieve handhaving zijn cruciaal om deze problematiek het hoofd te bieden. In de integrale aanpak online fraude werken verschillende publieke en private partijen samen, waaronder de ministeries van Financiën, van Economische Zaken en van Justitie en Veiligheid, OM, politie, toezichthouders, financiële instellingen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en consumentenorganisaties om uiteenlopende vormen van online fraude te voorkomen, te signaleren en te bestrijden. Naar aanleiding van voornoemd overleg tussen de AFM en ketenpartners willen wij bezien of en welke nadere maatregelen gepast zijn om (online) beleggingsfraude te bestrijden.
Het FD-artikel ‘Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarah El Boujdaini (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Italië een btw-aanslag heeft opgelegd aan Meta, LinkedIn en X?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie van oordeel is dat er omzetbelasting geheven mag worden over sociale media als gebruikers de instellingen kunnen aanpassen waardoor de aanbieders persoonlijke data niet zomaar mogen verkopen en de gebruikers zelf minder functionaliteiten ter beschikking hebben?
Nee. De Europese Commissie heeft op verzoek van Italië slechts een eerste analyse1 gepresenteerd aan de andere lidstaten en gevraagd om een reactie daarop. In de analyse wordt beschreven dat heffing van btw in zulke situaties wellicht mogelijk is, omdat er dan bepaalde omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor gemakkelijker een «rechtstreeks verband» kan worden gelegd tussen de door de aanbieder verrichte digitale dienst en de door de gebruiker verstrekte data. De Commissie plaatst daar echter meteen een aantal kanttekeningen bij. Zij merkt onder meer op dat het vaststellen van de waarde van de data (de maatstaf van heffing; het bedrag waarover btw geheven zou kunnen worden) lastig is en dat om die reden van geval tot geval een zorgvuldige beoordeling zal moeten worden gemaakt om tot een rechtvaardige en werkbare uitkomst te komen.
Bovendien sluit de Commissie af met de opmerking dat het zogenoemde «Btw-comité»2 mogelijk niet het juiste gremium is om deze kwestie te bespreken en dat een aanpassing van de Europese btw-richtlijn wellicht noodzakelijk is. De lidstaten zijn in de gelegenheid gesteld om hun visie op de mening en analyse van de Commissie – die dus geen officiële, of bindende interpretatie van de btw-richtlijn is3 – te delen. De gesprekken in het Btw-Comité zullen worden vervolgd en hebben dus nog niet tot een zogenoemd «richtsnoer» geleid.
Kunt u uiteenzetten wanneer en onder welke voorwaarden er volgens de Europese Commissie omzetbelasting mag worden geheven over de data die aanbieders van sociale media van hun gebruikers krijgen?
Vragen over btw-heffing over «gratis» diensten van sociale mediabedrijven zijn niet nieuw. De centrale vraag is of tegenover de digitale («gratis») dienst een vergoeding in natura staat: de persoonlijke data van de gebruikers die bedrijven gebruiken om advertentie-inkomsten te verwerven.
Het Btw-comité heeft hierover in 2018 unaniem een richtsnoer aangenomen dat geen btw kan worden geheven over dergelijke «gratis» diensten, omdat het zogenoemde «rechtstreeks verband» tussen de digitale diensten en het verstrekken van persoonlijke data ontbreekt.4 Van een «rechtstreeks verband» is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.5 De persoonlijke data vormt niet de werkelijke tegenwaarde voor de digitale dienst. De diensten worden namelijk ook verleend als de gebruiker de persoonlijke data niet deelt. Dit richtsnoer geldt onverkort.
Italië meent dat er inmiddels situaties zijn waarvoor het unaniem aangenomen richtsnoer niet geldt. Daarom heeft Italië om de mening van het Btw-Comité gevraagd. Het gaat met name om de situatie waarin de mate van digitale dienstverlening afhankelijk is van de kwantiteit en kwaliteit van de persoonlijke data die de gebruiker verstrekt. Denk aan sociale mediabedrijven die minder foto's of video's zichtbaar maken als de gebruiker instellingen aanpast die het platform beperkt in het gebruik van persoonlijke data. In die situatie is volgens Italië wel een «rechtstreeks verband» aanwezig tussen de digitale diensten en het verstrekken van de persoonlijke data.
De Commissie beschrijft dat dit een situatie kan zijn waarin een «rechtstreeks verband» gemakkelijker kan worden gelegd. Zij tekent daarbij tegelijk aan dat het moeilijk is om te kwantificeren wat het belastbare bedrag is.
Daarnaast gaat de Commissie in op de situatie waarin de gebruiker het gebruik van de persoonlijke data niet beperkt en dus alle functionaliteiten behoudt. Zij merkt daarbij op dat het erop lijkt dat Italië – door de gewijzigde bedrijfsmodellen – ook in die gevallen van mening is dat (vanaf nu) toch sprake is van een «rechtstreeks verband» en daarbij voorbijgaat aan het unaniem aangenomen richtsnoer uit 2018. Volgens de Commissie kan ten aanzien van deze situatie nog altijd worden volgehouden dat er geen belastbare prestatie plaatsvindt, omdat het «rechtstreeks verband» ontbreekt.
Tot slot omschrijft de Commissie volledigheidshalve nog het bedrijfsmodel waarbij tegen betaling in geld een abonnement wordt afgesloten in ruil voor de volledige functionaliteiten, maar dan zonder (gepersonaliseerde) advertenties te tonen. Volgens de Commissie is het evident dat de gebruiker dan betaalt voor digitale diensten, zodat een met btw belastbare dienst door het sociale mediabedrijf wordt verricht.
Bent u van mening dat het verstrekken van persoonlijke data ten behoeve van gratis toegang tot sociale media een belastbare transactie vormt?
Nee. Uitgangspunt blijft het unaniem aangenomen richtsnoer van het Btw-comité uit 2018. Dat betekent dat in de regel over het verstrekken van persoonlijke data bij «gratis» toegang tot sociale media geen btw wordt geheven. Ik onderschrijf de mening van de Commissie op dit punt, zoals beschreven bij de tweede situatie van antwoord 3.
Hoewel het eerder unaniem aangenomen richtsnoer het uitgangspunt blijft, kunnen er zich situaties voordoen, zoals Italië aangeeft, die niet onder de reikwijdte van het richtsnoer vallen. Dat is geheel afhankelijk van de feiten en de omstandigheden van het geval. Ik onderschrijf echter de kanttekeningen die de Commissie voor deze situaties plaatst bij het vaststellen van het bedrag waarover btw zou kunnen worden geheven. De btw-richtlijn bevat op dit moment ook geen werkbare bepalingen om de maatstaf van heffing (de vergoeding) te bepalen. Bovendien is het gelet op het grensoverschrijdende karakter van digitale diensten van groot belang dat alle EU-lidstaten dezelfde benadering hanteren. Met de Commissie ben ik van mening dat dit mogelijk om aanpassing van de btw-richtlijn vraagt. De voortzetting van de gesprekken in het Btw-comité zijn om die reden zeer belangrijk. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Is het voor de Belastingdienst ook mogelijk in Nederland btw te heffen bij aanbieders van sociale media over de data, die zij van gebruikers krijgen en is de Belastingdienst voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn er voor nodig om dit te gaan doen en per wanneer zou de Belastingdienst hiertoe kunnen overgaan?
De Belastingdienst kan btw heffen als daarvoor een voldoende eenduidige juridische grondslag is.
Zoals gezegd blijft het richtsnoer het uitgangspunt voor de beoordeling of btw-heffing kan plaatsvinden over de waarde van persoonlijke data. Heffing van btw in situaties die buiten het richtsnoer vallen, komt pas aan de orde als er een «rechtstreeks verband» tussen de geleverde data en de dienstverlening kan worden vastgesteld én als vaststaat over welk bedrag btw geheven zou kunnen worden. Daarover is op dit moment geen duidelijkheid. Daarbij spelen ook andere heffingsaspecten zoals het bepalen van de lidstaat die heffingsbevoegdheid heeft en de vraag of het op regelmatige basis «verkopen» van persoonlijke data door de gebruikers tot ondernemerschap voor de btw leidt. Bovendien moeten eventuele uitstralingseffecten naar andere, soortgelijke situaties (bijvoorbeeld loyaliteitsprogramma’s) worden onderzocht. Op dit moment vindt in het Btw-comité nog gedachtenvorming plaats over deze kwestie. Nederland draagt constructief bij aan deze gesprekken.
Hoe hoog zou de jaarlijkse opbrengst zijn indien ook in Nederland btw wordt geheven over sociale media conform het Italiaanse voorbeeld?
Op dit moment bestaat onvoldoende inzicht om een betrouwbare raming te maken van een mogelijke btw-opbrengst over sociale media. Duidelijkheid over de maatstaf van heffing ontbreekt.
Italië geeft bovendien geen inzicht in de maatstaf van heffing noch de wijze van berekening waarop de (na)heffingsaanslag is gebaseerd. Ook de Commissie heeft geen richting gegeven aan de manier waarop de maatstaf van heffing kan worden bepaald. Zij geeft juist aan dat wellicht (aanvullende) EU-wetgeving noodzakelijk is. Gelet op deze onzekerheden op zowel juridisch als methodologisch vlak kan op dit moment geen opbrengst worden geraamd.
Indien wordt vastgesteld dat aanbieders van sociale media btw verschuldigd zijn over het verlenen van toegang tot de platforms, zal de Belastingdienst onderzoeken welke maatstaf van heffing van toepassing is. Daarnaast zal de Belastingdienst, binnen de geldende wettelijke kaders, beoordelen over welke periode en tot welke hoogte heffing kan plaatsvinden. In beginsel geldt daarbij een naheffingstermijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoe kijkt u naar het Italiaanse voorbeeld waar aanbieders van sociale media een naheffing opgelegd krijgen over eerdere jaren waarin geen btw is betaald? Kan dit met inachtneming van een betrouwbare overheid met terugwerkende kracht?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Ouderen wonen in gouden kooi: ‘Onaantrekkelijk om te verhuizen’’ |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek omtrent doorstroming in relatie tot hypotheekverstrekking bij senioren, zoals beschreven in het artikel «Ouderen wonen in gouden kooi: «Onaantrekkelijk om te verhuizen»»?1
Ja. Ik ben bekend met de problematiek die in het artikel wordt geschetst. Ik herken dat veel ouderen beschikken over overwaarde maar ervaren dat verhuizen naar een passende woning financieel moeilijk haalbaar kan zijn.
Bent u bekend met de eerder gestelde schriftelijke vragen d.d. 2 april 2025: «Senioren geweigerd voor tijdelijke lening ondanks overwaarde».
Ja. De Kamervragen van 2 april 2025 naar aanleiding van de Radar-uitzending zijn op 12 mei 2025 beantwoord door de Minister van Financiën en mij. In die beantwoording ben ik onder andere ingegaan op knelpunten bij tijdelijke en overbruggingsfinanciering voor ouderen, de vervolgstappen via het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen2 en gesprekken die ik hierover met de sector voer.
Hoe staat het met de uitvoering van het convenant «Ouderen & Toekomstbestendig Wonen»2, ondertekend door diverse kredietverstrekkers, waarin is afgesproken dat de ondertekenaars de mogelijkheden van (hypotheek)financiering voor ouderen naar een hoger niveau willen tillen, onder andere door in kaart te brengen aan welke aanvullende financieringsmogelijkheden bij ouderen behoefte is, gezien hun woonwensen?
Het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen wordt uitgevoerd in samenwerking met kredietaanbieders, financieel adviseurs en belangenorganisaties. Doel is dat ouderen tijdig inzicht krijgen in hun woon- en financieringsmogelijkheden. Het convenant wordt uitgevoerd door de ondertekenaars. In de periodieke bijeenkomsten worden voortgang en knelpunten besproken en worden ervaringen gedeeld. Met de ondertekenaars is afgesproken dat het convenant na twee jaar integraal wordt geëvalueerd. Deze evaluatie zal zien op de uitvoering van de gemaakte afspraken en de zichtbare effecten daarvan. Ik verwacht uw Kamer rond de zomer van 2026 over de uitkomsten van deze evaluatie te informeren.
Heeft het gesprek met ouderenorganisaties, de Nederlandse Vereniging van Banken, de banken en de toezichthouders over de verbetering van de financieringsmogelijkheden voor senioren voor het sluiten van een overbruggingshypotheek zoals aangegeven in de beantwoording op eerdergenoemde schriftelijke vragen, plaatsgevonden? Zo ja, kan de Kamer een afschrift van het gespreksverslag ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het onderwerp woningfinanciering voor ouderen wordt meegenomen in de periodieke gesprekken binnen het convenant. Hierbij zijn kredietaanbieders, ouderenorganisaties en consumentenorganisaties betrokken. In het laatste gesprek is het onderwerp overbruggingshypotheken ook, mede op verzoek van uw Kamer, besproken. Hieruit is naar voren gekomen dat losse overbruggingshypotheken voor veel kredietaanbieders relatief duur zijn om aan te bieden en dat het verstrekken van een losse overbruggingslening in hun huidige systemen op dit moment niet of slechts beperkt kan worden ingepast. Daarbij is gesignaleerd dat de infrastructuur van het Hypotheken Data Netwerk het niet faciliteert om een losse overbruggingshypotheek aan te vragen.
Tegen deze achtergrond wordt in de praktijk in sommige gevallen door een aantal kredietaanbieders door middel van een combinatie van een (kleine) reguliere hypotheek en overbruggingsfinanciering de behoefte aan financiering ingevuld. Ook biedt een beperkt aantal kredietaanbieders voor bestaande klanten een losse overbruggingshypotheek aan. Deze routes bieden voor een deel van de ouderen een oplossing, maar niet voor de hele doelgroep.
In de gesprekken hebben de deelnemers daarnaast verschillende mogelijke oplossingsrichtingen benoemd om de toegankelijkheid van overbruggingsfinanciering voor ouderen te verbeteren. Deze variëren van verdere specialisatie door individuele of gezamenlijke aanbieders tot vormen van risicodeling, waaronder, een gezamenlijk of publiek georganiseerd fonds. Dit betreft suggesties vanuit de sector die zich nadrukkelijk in de verkennende fase bevinden. Hierover zijn nog geen keuzes gemaakt.
Ook is besproken welke procesverbeteringen in de adviespraktijk kunnen bijdragen aan betere ondersteuning van ouderen, zoals verbeterde informatievoorziening en duidelijkere hulpmiddelen voor adviseurs. Dit geldt ook zeker voor het aanvragen van overbruggingshypotheken. Deze inzichten worden meegenomen in de lopende verkenning naar verbetering van de financieringsmogelijkheden voor ouderen. De uitkomsten hiervan worden bij het evaluatiemoment van het convenant in de zomer van 2026 met uw Kamer gedeeld.
Ben u van mening dat er voldoende voortgang op dit dossier zit? Zo niet, wat gaat u doen om dit te versnellen?
Ik ben van mening dat er duidelijke inspanningen worden geleverd binnen dit dossier, al kost de uitwerking van oplossingen tijd. Binnen het convenant werken ondertekenaars onder andere aan verbeteringen in de informatievoorziening richting ouderen en adviseurs, zodat financieel adviseurs beter worden toegerust bij vragen over doorstroming. Dit heeft geleid tot concrete resultaten, zoals extra opleidingen en ondersteuning voor financieel adviseurs en aanpassingen in het productaanbod voor ouderen door enkele kredietaanbieders.
Daarnaast wordt binnen het convenant verkend hoe de kosten van overbruggingsfinanciering voor ouderen kunnen worden verlaagd, waarbij onder andere wordt gekeken naar de hoogte van advies-, taxatie- en notariskosten, zodat producten voor ouderen aantrekkelijker geprijsd kunnen worden. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de problematiek voor ouderen nog niet is opgelost. De komende periode wordt verder gewerkt aan deze verkenningen en worden de gemaakte afspraken betrokken bij de evaluatie van het convenant in 2026.
Zou u in kaart willen brengen hoe het gebrek aan financieringsmogelijkheden voor senioren doorwerkt op de doorstroming op de woningmarkt en welke groepen hierdoor het meest worden geraakt?
Daar ben ik toe bereid. Uit onderzoek blijkt dat slechts een beperkte groep ouderen een concrete verhuiswens heeft. Ouderen zijn minder geneigd om te verhuizen dan jongere huishoudens, en hechten vaker aan hun woning en woonomgeving.4 Uit het WoON-onderzoek 2024 komt naar voren dat ouderen de afgelopen twee jaar minder vaak zijn verhuisd dan in de periode voorafgaand aan WoON 2021 (een afname van ongeveer 10%).5
Dit onderstreept dat de beperkte verhuisbereidheid bij ouderen een belangrijke factor is voor de doorstroming. Financieringsbelemmeringen kunnen voor een deel van de ouderen een rol spelen bij een verhuizing, maar het is lastig om exact vast te stellen welk deel van de beperkte doorstroming hiermee samenhangt. Een verhuizing is immers een grote beslissing die met meerdere factoren samenhangt. Samen met kennisinstellingen en de sector, vergaar ik daarom meer informatie over dit onderwerp.
Zou u in overleg willen treden met hypotheekverstrekkers en ouderenorganisaties, waaronder de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen, over welke knelpunten senioren het vaakst ervaren bij het aanvragen van een overbruggingshypotheek of verhuishypotheek, en de Kamer informeren over de uitkomsten?
Ja, deze gesprekken zijn al gaande. Hierbij is naast de ANBO ook onder andere Vereniging Eigen Huis (VEH) uitgenodigd. De Kamer zal over de uitkomsten hiervan rond de zomer van 2026 worden geïnformeerd.
Hoe beziet u de huidige toetsingsnormen voor senioren, zoals de inkomens- en leencapaciteitscriteria van de Nationale Hypotheek Garantie en de richtlijnen van de toezichthouder, tegen de achtergrond van de toegenomen overwaarde en relatief lage risico’s bij deze doelgroep?
Samen met de Minister van Financiën stel ik jaarlijks de leennormen voor hypothecair krediet vast. De leennormen voor hypothecair krediet zorgen ervoor dat huishoudens op verantwoorde wijze een hypothecair krediet aangaan bij het kopen van een woning. Kredietaanbieders kunnen via maatwerk gemotiveerd afwijken van de leennormen wanneer een huishouden niet door de standaard krediettoets komt. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) kan via leidraden en de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) via haar Voorwaarden & Normen nadere invulling geven aan de wettelijke leennormen.
Mijn indruk is dat bij zowel de wettelijke leennormen zelf als bij de nadere invulling hiervan door de AFM en NHG geen belemmeringen zitten die ervoor zorgen dat senioren moeite hebben met doorstromen. Kredietaanbieders mogen in beginsel de lopende verplichtingen onder een hypotheek voor de financiering van een nog niet verkochte woning, inclusief de kosten die verband houden met het afsluiten van een overbruggingslening, buiten beschouwing laten bij de kredietbeoordeling voor de financiering van de nieuw gekochte woning. NHG heeft speciaal voor senioren een tweetal regelingen, de seniorenverhuisregeling en de tijdelijke tekortregeling bij verschillende aow leeftijden. Daarnaast heeft de AFM in 2017 verduidelijkt hoe kredietaanbieders verantwoord maatwerk kunnen bieden aan senioren. SEO concludeerde dit jaar in haar evaluatie van de leennormen dat kredietaanbieders en adviseurs hierdoor geen problemen ervaren bij het toepassen van maatwerk voor senioren.
Uit de gesprekken met marktpartijen komen andere factoren naar voren die verklaren waarom een overbruggingshypotheek voor senioren relatief beperkt beschikbaar en duur is. Vooral het feit dat een overbruggingshypotheek vaak relatief kort loopt is een belemmering voor het aanbod. Kredietaanbieders moeten dan immers in een korte tijd de gemaakte kosten terugverdienen. Dat kan leiden tot een hogere prijs (bijv. hypotheekrente) voor dergelijke producten. Het is nog niet duidelijk of ouderen bereid zijn een hogere prijs te betalen voor dit product dan voor een reguliere hypotheek. Zoals gezegd: ik ben met de partijen in gesprek en wil hier graag met ze tot een oplossing komen. Ik vind het namelijk van groot belang dat senioren makkelijker toegang krijgen tot een overbruggingslening. Mochten er toch belemmeringen zitten in de leennormen, dan ben ik uiteraard bereid om hiernaar te kijken. Uitgangspunt blijft daarbij wel dat een (overbruggings)hypotheek altijd financieel verantwoord moet zijn.
Zou u willen onderzoeken welke internationale voorbeelden bestaan van hypotheek- of financieringsconstructies die bijdragen aan doorstroming onder senioren, en of dergelijke modellen toepasbaar zijn in Nederland?
Een eerste verkenning bij beleidsmakers in andere Europese landen heeft het beeld opgeleverd dat veel landen weliswaar de problematiek van onderbenutting van de bestaande voorraad en gebrek aan doorstroming van senioren erkennen, maar dat de beleidsinspanningen veelal nog gericht zijn op het langer laten thuis wonen van ouderen door middel van aanpassingen aan de woning en levering van zorg aan huis. De regelingen die er zijn om onderbenutting tegen te gaan zijn vooral gericht op de sociale huursector en de huurtoeslag. Zo kunnen Vlaamse sociale huisvesters kleine huishoudens in grote woningen laten doorverhuizen naar meer passende woningen, hoewel men hier bij ouderen terughoudend mee omgaat. In het Verenigd Koninkrijk kunnen kleine huishoudens in grote sociale huurwoningen gekort worden op de huurtoeslag. Ouderen zijn hiervan echter nadrukkelijk uitgezonderd.
Vooralsnog verwacht ik niet dat nader internationaal vergelijkend onderzoek wel bruikbare casussen gericht op hypotheek- of financieringsconstructies zal opleveren. Dit vanwege de grote verschillen tussen lidstaten op het gebied van woningfinanciering. Passende innovatieve vormen die ontwikkeld worden, moeten toegesneden zijn op de Nederlandse context.
Wat gaat u doen met het gegeven dat veel senioren aangeven te willen verhuizen naar een passende woning, maar door financieringsbelemmeringen niet in staat zijn deze stap te zetten?
Zoals aangegeven bij vraag 6 heeft slechts een beperkt deel van de ouderen een concrete verhuiswens. Financieringsbelemmeringen kunnen echter voor een deel van de ouderen die wel willen verhuizen een rol spelen. Binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen en het Platform Hypotheken wordt daarom gewerkt aan het verbeteren van de informatievoorziening en aan het verder in beeld brengen en verminderen van financieringsknelpunten bij overbruggingshypotheken. Ook wordt verkend hoe deze producten beter toegankelijk en betaalbaar kunnen worden gemaakt. Daarnaast wordt binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen ingezet op het vergroten van het aanbod van passende ouderenwoningen, wat essentieel is voor doorstroming. Ik blijf in gesprek met ouderenorganisaties, kredietaanbieders en toezichthouders om knelpunten te adresseren.
Deelt u de opvatting dat het tekort aan geschikte en betaalbare seniorenwoningen een belangrijke factor is in het uitblijven van doorstroming, en zou u op een rij willen zetten welke aanvullende maatregelen op korte en langere termijn mogelijk zijn om dit aanbod te vergroten?
Ik ben het met u eens dat beschikbaarheid een belangrijke voorwaarde is voor ouderen om te kunnen verhuizen naar een passende woning, waarmee doorstroming op de woningmarkt ontstaat. Samen met het Ministerie van VWS zet ik sterk in op realisatie van voldoende passende woningen voor ouderen, waarbij we nauw samenwerken met medeoverheden en de verschillende partners uit het woon- en zorgdomein. Zo hebben we op de Woontop van december 2024 afspraken gemaakt over de schaalvergroting en versnelling in de realisatie van de opgave van de circa 290.000 woningen geschikt voor ouderen tot en met 2030. Ook zetten we in op maatregelen die eraan bijdragen dat ouderen die dat willen, een verhuisstap kunnen maken om passend te wonen.
In de voortgangsbrief ouderenhuisvesting van april jl.6 staan de acties die ik samen met het Ministerie van VWS in gang heb gezet om de realisatie van voldoende woningen, en het passend wonen van ouderen te stimuleren. Op 8 december is de Staat van de Volkshuisvesting naar uw Kamer gestuurd, waarin is ingegaan op de realisatie van het woningaanbod voor ouderen en het aandeel verhuisde ouderen. In de loop van 2026 informeren de Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg en ik uw Kamer weer over de voortgang op de opgave ouderenhuisvesting, waaronder de maatregelen op passend wonen en doorstroming.
Op welke wijze worden de inspanningen binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen afgestemd met de bredere ambities binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen?
Het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen komt voort uit een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van VRO en de hypothecaire sector, het Platform Hypotheken. Het convenant heeft als doel oplossingen te ontwikkelen voor knelpunten in de hypotheekadvisering en -verstrekking. Daarnaast worden tijdens de tussentijdse bijeenkomsten vanuit VRO ook relevante ontwikkelingen uit het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen gedeeld met de ondertekenaars, zodat zij deze kunnen meenemen in hun eigen beleidsvorming en verdere uitwerking van de samenwerking.
De ondertekenaars van het convenant gaan periodiek met elkaar en het Ministerie van VRO in gesprek om de ontwikkelingen omtrent woningfinanciering voor ouderen te bespreken en te onderzoeken of er meer mogelijkheden kunnen worden gecreëerd voor woningfinanciering voor ouderen. Dit heeft als doel om te stimuleren dat ouderen passend kunnen wonen, en te stimuleren dat ouderen die dat willen een verhuisstap kunnen maken. Daarmee sluiten de inspanningen vanuit het convenant aan bij de bredere ambities binnen de opgave ouderenhuisvesting en de inspanningen binnen het convenant worden ook gedeeld met de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen
Hoe betrekt u senioren bij de beleidsvorming rondom financieringsmogelijkheden en doorstroming, en op welke wijze worden hun ervaringen structureel benut bij het opstellen en evalueren van maatregelen?
Ik vind het belangrijk dat ouderen vertegenwoordigd zijn in het beleidsvormingsproces rondom financieringsmogelijkheden en passend wonen en doorstroming. De ANBO-PCOB is betrokken bij het periodiek overleg met de hypotheeksector dat voortkomt uit het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen, zoals beschreven bij antwoord 12. Ook is de ANBO-PCOB onderdeel van de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen. In deze werkgroep werken Ministerie van VRO en het Ministerie van VWS samen met medeoverheden en partners uit het woon- en zorgdomein aan de opgave ouderenhuisvesting. Daarnaast worden de ervaringen van ouderen meegenomen via verschillende onderzoeken, zoals het WoOn-onderzoek.7
Het wegvallen van de inzet van vrijwillige duikteams bij opsporing en berging |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vrijwillige amateurduikers door nieuwe veiligheidsregels niet langer ingezet zouden mogen worden bij het bergen van vermiste personen of stoffelijke overschotten in wateren in Nederland?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat hiermee een waardevolle en betrokken vorm van burgerinitiatief en maatschappelijke dienstbaarheid ten onrechte verloren dreigt te gaan?
Nee, deze mening deel ik niet. Het beeld dat regels zijn aangescherpt en vrijwillige amateurduikers hierbij niet langer ingezet kunnen worden, klopt niet. Ik werk samen met de Stichting Werken onder Overdruk (SWOD) en andere belanghebbenden juist aan een versoepeling van de regels om vrijwilligersinitiatieven in de toekomst mogelijk te maken.
De versoepelde regels worden gebaseerd op het advies «Vrijwilligers en Duiken» van 4 juni 2025 van een werkgroep onder leiding van de SWOD. Dit advies is op mijn verzoek opgesteld en dit heb ik eerder aan uw Kamer gezonden.2 Aan de werkgroep namen deel: de Nederlandse Onderwatersportbond voor sportduikers (NOB), de Dutch National Scientific Diving Committee (DNSDC), de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), de civiele duikindustrie en het Ministerie van Defensie. De voorgestelde regels zijn tot stand gekomen na een volledige risicobeoordeling van het systeem. In het advies zijn ook de duikmedische normen opgenomen die eerder beoordeeld waren door de projectgroep «duikmedische zaken», eveneens onder leiding van de SWOD.
Het advies bevat voorstellen tot versoepeling van de regels voor vrijwilligers die duikarbeid verrichten zonder dat dit extra risico’s met zich meebrengt. Denk hierbij aan aangepaste lichtere medische keuringen op basis van geschikte sportduikbrevetten in plaats van registratie-eisen, zoals deze voor beroepsduikers gelden. Ik zal bij het vereenvoudigen van de voorschriften het advies van de werkgroep als uitgangspunt nemen.
Klopt het dat de politie op dit moment niet beschikt over voldoende professionele duikcapaciteit om op korte termijn overal in het land te kunnen reageren op vermissingen of mogelijke noodsituaties onder water?
De capaciteit van de politie, de brandweer en defensie blijkt in de praktijk voldoende te zijn voor de benodigde inzet bij zoek- en bergingstaken. Afhankelijk van de situatie en locatie zijn in Nederland verschillende organisaties verantwoordelijk voor de inzet van duikcapaciteit. Voor het zoeken naar en bergen van vermiste personen en bewijsmiddelen onder water heeft de politie een specialistisch team ingericht dat beschikt over duik-, sonar- en speurhonden capaciteit. Dit team opereert landelijk en wordt gemiddeld 180 keer per jaar ingezet.
Daarnaast beschikt de brandweer over duikteams die, in samenwerking met de politie, ingezet kunnen worden in geval van nood dan wel in het kader van openbare orde en veiligheid. En defensie heeft beschikbare duikcapaciteit voor inzet op de Noordzee, de kustwateren en het IJsselmeer. Ten slotte kan het Openbaar Ministerie een verzoek doen voor militaire bijstand van defensieduikteams als de politie hiervoor extra capaciteit nodig heeft voor onder andere vermissingen of het zoeken naar bewijslast.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als nabestaanden van vermiste personen langer in onzekerheid blijven omdat professionele duikcapaciteit beperkt is en niet direct inzetbaar is?
Voor vermiste personen en nabestaanden is het van belang dat adequaat wordt gehandeld en indien nodig duikcapaciteit beschikbaar is. Bij mij zijn geen gevallen bekend waarbij geen duikers en/of sonar konden worden ingezet vanwege onvoldoende duikcapaciteit. Beperkende factoren voor inzet kunnen zijn: de locatie, omstandigheden en duur van de zoekacties.
Kunt u inzicht geven in hoe vaak de afgelopen vijf jaar vrijwillige duikteams zijn ingezet, in hoeveel gevallen dat tot een succesvolle vondst leidde, en in hoeveel gevallen dit daadwerkelijk tot gevaarlijke situaties leidde?
De Werkgroep Ongevallen Registratie (WOR) van de Nederlandse Onderwatersport Bond (NOB) houdt de DOSA (Duik Ongevallen Statistiek Analyse) bij en rapporteert jaarlijks. De DOSA maakt geen onderscheid tussen ongevallen bij recreatief duiken, waarbij er geen organisatie verantwoordelijk is en vrijwillige duikarbeid, waarbij er wel een organisatie achter de activiteit verantwoordelijk is. Het is daarom niet mogelijk om uit deze registratie op te maken in hoeveel gevallen vrijwillige duikteams worden ingezet. En ook niet in welke gevallen dit tot gevaarlijke situaties leidde.
Ik heb daarom uw vraag voorgelegd aan de stichting Signi Zoekhonden en de stichting Onderzoek Maritieme Vermisten (OMV). De stichting Signi Zoekhonden geeft aan dat in de afgelopen vijf jaar in Nederland geen vrijwillige duikers zijn ingezet, behalve in het buitenland (Roemenië), waarbij de duikers het lichaam hebben gevonden en geborgen. De OMV houdt geen gegevens hierover bij.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke overwegingen en welk formeel besluit de inzet van deze vrijwillige duikers niet is toegestaan?
In de huidige situatie mogen sportduikers als vrijwilliger duikarbeid verrichten indien zij aan de voorschriften voor duikarbeid voldoen. Als zij daar niet aan voldoen, is dat niet toegestaan. Zodra een sportduiker meer doet dan recreatief duiken en als vrijwilliger arbeid verricht, is sprake van werken onder overdruk en gelden de reguliere voorschriften.
Klopt het dat het verbod voortkomt uit aangescherpte beroepsnormen die in de praktijk niet van toepassing zouden moeten zijn op vrijwilligerswerk zonder winstoogmerk? Zo ja, acht u die strikte toepassing proportioneel en noodzakelijk?
Nee, dit klopt niet. Er is momenteel geen verbod op duikarbeid door vrijwilligers. Als vrijwilligers duikarbeid willen verrichten, gelden de reguliere voorschriften. De normen voor beroepsduikers zijn ook niet aangescherpt. Op basis van het advies van de SWOD voor de aanpassing van de regels ga ik de bestaande regels juist vereenvoudigen. Omdat het advies tot stand is gekomen na een volledige risicobeoordeling van alle vormen van duiken, zowel in de beroepsmatige context als in de recreatieve context, geeft het advies de kans om de wettelijke voorschriften zo aan te passen dat voor alle vormen van duikactiviteiten de risico’s zijn bepaald en ook de daarbij behorende kwalificaties en beperkingen. Daarmee kan voor arbeid door vrijwilligers aangesloten worden bij bestaande kwalificaties in de sportduikwereld en zijn geen aanvullende kwalificaties nodig. En dit biedt ook duidelijkheid voor vrijwilligersorganisaties en hun verantwoordelijkheid richting de vrijwilligers die zij inzetten.
Klopt het dat de werkinstructie die nu opgesteld wordt slechts een leidraad is? Zo ja, onder welke voorwaarden kan daarvan afgeweken worden?
Vrijwilligersorganisaties moeten voor vrijwilligers die duikarbeid verrichten, in alle gevallen de risico’s inventariseren en werkinstructies opstellen voor de duikactiviteiten. Dat geldt nu ook al en dit zal niet veranderen na aanpassing van de wettelijke voorschriften. Om deze organisaties daarbij te ondersteunen, wordt door de NOB een document opgesteld dat de leidraad wordt genoemd of de werkinstructie, om te helpen daar op een goede manier invulling aan te geven. De leidraad bevat ook maatregelen volgens de laatste stand van de techniek en de professionele dienstverlening met ruimte voor de organisaties. Zolang het risico maar op gelijk niveau afgedekt blijft. Dit document is nog in de concept-fase. Het document is een hulpmiddel en heeft geen wettelijke status.
Als vrijwilligersorganisaties op een andere manier de risico- inventarisatie en de werkinstructie invulling willen geven is dat evengoed mogelijk. Zo lang de organisator van de duikactiviteit maar aan kan tonen dat de veiligheid van de vrijwilligersactiviteit op een vergelijkbaar niveau geborgd is.
In hoeverre is voldoende getoetst bij de toekomstige gebruikers of deze leidraad voldoende aansluit bij de gebruikelijke werkwijze of dat er waarschijnlijk veel afwijkingen noodzakelijk zijn?
Bij het opstellen van het advies hebben de leden van de projectgroep van SWOD, alle belanghebbende partijen geconsulteerd. Door de Nederlandse Onderwatersport Bond (NOB) is onder anderen met de Stichting Maritiem Onderzoek Nederland (STIMON) en de Landelijke Werkgroep Archeologie onder Water (LWAOW) afgestemd. Ik verwacht daarom niet dat de leidraad onvoldoende aansluit bij de gebruikelijke werkwijze of dat er veel afwijkingen noodzakelijk zijn. Naar aanleiding van het artikel in de Telegraaf heeft de NOB op haar website de vrijwilligersorganisaties aangeboden in overleg na te gaan over welke ondersteuning zij nodig hebben om zelf goede werkinstructies en risico- inventarisaties op te stellen.
In een persoonlijk gesprek met de LWAOW en de STIMON heb ik aanvullend aangeboden dit gesprek te willen organiseren. De partijen zijn op mijn uitnodiging ingegaan en zijn inmiddels uitgenodigd voor een workshop hierover begin 2026. In het gesprek heb ik ook aangegeven dat de partijen bij de wijziging van de regels hun visies kunnen inbrengen tijdens de consultatierondes.
Klopt het dat de Nederlandse Onderwatersport Bond (NOB) de werkinstructie dit najaar zal afronden en publiceren? Zo ja, kunt u toezeggen dat bij de publicatie van deze werkinstructie ook gecommuniceerd zal worden hoe vrijwillige amateurduikers hier van af kunnen wijken?
De publicatie van de leidraad of werkinstructie kan pas plaatsvinden als de regelgeving op het punt van vrijwillige duikarbeid is aangepast. Ik streef ernaar dit medio 2026 te doen. De NOB geeft vervolgens voorlichting over de conceptleidraad en heeft aangegeven om te assisteren bij het opstellen van de specifieke werkinstructies.
Wilt u de Kamer vóór het kerstreces informeren over de mogelijkheden om de inzet van amateurduikers op een veilige en verantwoorde manier weer mogelijk te maken?
Ik heb uw vragen voor het Kerstreces beantwoord. Zoals in mijn antwoorden aangegeven klopt het beeld niet dat regels zijn aangescherpt en vrijwillige amateurduikers niet langer ingezet kunnen worden. Ik werk samen met de Stichting Werken onder Overdruk (SWOD) en andere belanghebbenden juist aan een versoepeling van de regels om vrijwilligersinitiatieven in de toekomst mogelijk te maken. Ik streef ernaar de aanpassingen in de regelgeving medio 2026 gereed te hebben.
Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten |
|
Sarath Hamstra (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre gaat u de regels voor de «Buy now pay later»-bedrijven aanscherpen in het kader van consumentenbescherming?1
Buy Now, Pay Later (hierna: BNPL) is een krediet in de vorm van uitgestelde betaling. Deze kredietvorm is onder de Herziene richtlijn consumentenkrediet (de Consumer Credit Directive II, hierna: de CCDII) niet langer uitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn. Deze richtlijn wordt momenteel in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd, waarna de regels vanaf november van dit jaar van toepassing moeten zijn.
Zodra de nieuwe regels gelden, worden BNPL-aanbieders verplicht om een vergunning aan te vragen bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor het aanbieden van krediet. Naast de vergunningplicht worden de aanbieders onder meer verplicht om in alle gevallen een kredietwaardigheidstoets uit te voeren en krediet onder voorwaarden te registreren bij Bureau Krediet Registratie (BKR). Ook gaan er extra regels gelden over reclame en verplichte precontractuele informatie. BNPL-aanbieders zullen daarnaast consumenten die financiële problemen ondervinden moeten doorverwijzen naar schuldadviesdiensten (in de praktijk zal dit de schuldhulpverlening bij de gemeente zijn waar de consument woont). Tevens moeten kredietaanbieders, en vanaf november 2026 dus ook BNPL-aanbieders, waar passend zogenoemde respijtmaatregelen nemen voordat zij overgaan tot incasso of invordering van de schuld, zoals een betaalpauze of gedeeltelijke kwijtschelding.2 Hierbij dient rekening te worden gehouden met de omstandigheden van de consument. De kosten die een BNPL-aanbieder in rekening mag brengen, waaronder incassokosten, worden gemaximeerd. Ten slotte mag BNPL niet worden verstrekt aan minderjarigen.
Een concept van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet is op dit moment voor advies aanhangig bij de Raad van State. Het Implementatiebesluit herziene richtlijn consumentenkrediet wordt van 22 december 2025 tot 2 februari 2026 publiek geconsulteerd. Het streven is om het wetsvoorstel begin april bij uw Kamer in te dienen.
Klopt het dat hierbij geen rekening gehouden wordt met de praktijk van het doorverkopen van openstaande facturen en het nieuwe risico dat vervolgens ontstaat in het kader van consumentenbescherming?
Dat klopt niet. Indien de BNPL-aanbieder bij uitblijvende betaling ervoor kiest om een vordering op een consument over te dragen aan een andere partij (ook wel «cessie» genoemd), dan dient de consument daarvan op de hoogte te worden gesteld. Op grond van artikel 7:69 lid 1 BW kan de consument tegenover de nieuwe schuldeiser alle rechten en verweren inroepen die hij ook tegenover de oorspronkelijke kredietgever had. Ook als de overeenkomst wordt overgedragen, blijft er sprake van een kredietovereenkomst, waarvoor de wettelijke voorschriften gaan gelden zoals beschreven in het antwoord op vraag 1. Dit betekent bijvoorbeeld dat een nieuwe schuldeiser geen incassokosten in rekening mag brengen voor zover deze niet zijn toegelaten op grond van het Besluit kredietvergoeding en waar nodig en passend respijtmaatregelen moet nemen.
Als sluitstuk van de bescherming voor de consument kent de Wet kwaliteit incassodienstverlening (hierna Wki) een aantal verplichtingen voor de incassodienstverlener en rechten voor de schuldenaar. Een voorbeeld is het recht op een correcte en professionele behandeling door een geregistreerde incassodienstverlener. Dat geldt ook voor de incassodienstverleners die dat doen nadat de vordering aan hen is overgedragen.3
Waarom is hier niet integraal voor oplossingen gekozen, maar enkel voor het stukje dat de betaaldiensten direct raakt?
Zoals in mijn vorige antwoord aangegeven, kunnen consumenten tegen een nieuwe schuldeiser (aan wie een vordering is overgedragen) alle verweren inroepen die zij ook hadden tegen de oorspronkelijke kredietgever.
Daarnaast wordt uitwerking gegeven aan de aanpak van het civiele invorderingsstelsel.4 Er wordt gewerkt aan structurele maatregelen om kostenoploop, onwenselijke verdienprikkels en escalatie in incassotrajecten tegen te gaan. Deze maatregelen richten zich op de fase na het ontstaan van schulden, ook wanneer deze zijn doorverkocht.
Ik acht het van belang dat beide trajecten elkaar aanvullen: waar het Europese spoor ziet op verantwoord kredietgebruik en consumentenbescherming, richt de nationale herziening van het civiele invorderingsstelsel zich op het beperken van kostenoploop en het wegnemen van onwenselijke prikkels in het gehele civiele invorderingsproces. Samen moeten deze trajecten leiden tot een evenwichtiger en meer consumentvriendelijk stelsel.
Herkent u de strategie van bedrijven als Alektum, namelijk zo veel mogelijk niet-betalende klanten opzadelen met juridische procedures nadat hun facturen vermeerderd zijn met rente en incassokosten? Oftewel: hoe meer bulk het bedrijf verstuurt, hoe groter de kans dat er wel iemand betaalt?
Ik heb kennisgenomen van het artikel van Follow the Money van 8 november 2025. Dit beeld is ook terug te zien in verschillende rechterlijke uitspraken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Bent u bekend met de grote hoeveelheid zaken die Alektum aanhangig heeft gemaakt enerzijds versus de uitspraken die een aaneenschakeling tonen van fouten, slordigheden en zelfs misbruik van procesrecht en het feit dat Alektum opvallend vaak juridische procedures verliest anderzijds?
Ja, ik ben daarmee bekend. Voor een nadere toelichting naar de mogelijkheden van de rechter om in te grijpen als er misbruik wordt gemaakt van het procesrecht verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ceder (ChristenUnie) over hetzelfde bericht die heden door mij naar uw Kamer zijn gestuurd.
Alektum is lid van de Nederlandse Vereniging van gecertificeerde incasso-ondernemingen (NVI) en draagt ook dat kwaliteitskeurmerk. Wat gaat de NVI doen met deze signalen en wanneer is «de maat vol» en wordt een keurmerk ingetrokken zodat een keurmerk ook waarde blijft houden?
De Nederlandse Vereniging van gecertificeerde Incasso-ondernemingen (hierna: NVI) is een brancheorganisatie die zelf verantwoordelijk is voor het toezicht op en de handhaving van de eigen gedragsregels en het bijbehorende keurmerk. Het gaat hier om een privaat kwaliteitskeurmerk waarbij de overheid niet betrokken is. Het is aan de NVI zelf om naar aanleiding van signalen over het handelen van een aangesloten partij in te grijpen conform het eigen kader. Wanneer iemand niet tevreden is met de afhandeling van de klacht door het incassobureau kan die deze voorleggen aan het Kifid.
Wie controleert of de NVI kritisch genoeg is richting haar deelnemers?
Het NVI-keurmerk is een vorm van zelfregulering, daarom is het aan de NVI zelf om de kwaliteit en de handhaving van dat keurmerk te borgen.
Hoe kijkt u naar het verbieden van het gebruikmaken door betaaldiensten van incassobedrijven die dit keurmerk niet hebben?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om een verbod in te stellen dat betaaldiensten zou beperken in hun keuze van incassodienstverleners op basis van het wel of niet bezitten van een privaat keurmerk. Sinds 1 april 2024 is de incassosector gereguleerd met de Wki. Alle partijen die onder de reikwijdte van de Wki vallen, dienen te voldoen aan dit wettelijke kader. Wanneer partijen zich niet houden aan de registratieplicht van de Wki is er onder andere sprake van een economisch delict waar tegen opgetreden kan worden. Voor een verdere uitleg verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen van het lid Ceder over hetzelfde bericht, die heden door mij naar uw Kamer zijn gestuurd.
De kabinetsinzet bij de Ministeriële Conferentie van ESA 2025 |
|
Wytske de Pater-Postma (CDA), Joris Thijssen (PvdA), Joost Sneller (D66), Inge van Dijk (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Waarom kiest u ervoor om bij de komende Ministeriële Conferentie (MC25) van de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA) op hetzelfde nominale niveau van € 170 miljoen in te schrijven als in 2022, terwijl toen nog sprake was van € 53,6 miljoen aan incidentele ophogingen?1
Zoals aangegeven in de Kamerbrief en de eerder gestuurde kabinetsreactie op de Lange-termijn Ruimtevaartagenda (LTR) onderschrijf ik het belang van ruimtevaart voor Nederland. Er is echter binnen de budgettaire kaders van het demissionaire kabinet een beperkte financiële armslag om alle doelstellingen te behalen die in de LTR staan beschreven. Omdat de ruimtevaartsector belangrijk is, is het kabinet er na dit voorjaar wel in geslaagd om de basisbijdrage op peil te houden (exclusief de incidentele ophogingen vanuit NGF en de ophoging vanuit de begrotingsbehandeling).
Ondanks dat er geen ruimte voor investeringen in ESA is gevonden in het voorjaar, ben ik naar aanleiding van zorgen vanuit ESA aan het verkennen of er nog aanvullende middelen gevonden kunnen worden voor de conferentie.
Klopt het dat Nederland daarmee opnieuw ver onder de ESA-norm blijft (ongeveer 2,4% in plaats van 4,7% naar rato van het bruto binnenlands product (bbp)? Welke overwegingen liggen aan dit besluit ten grondslag?
De inzet voor de ESA-bijdrage vanuit EZ en OCW bedraagt samen € 343 miljoen voor de aankomende drie jaar. Nederland behoort volgens de ESA-norm momenteel 4,85% van de totale ESA-begroting bij te dragen. Op dit moment streeft ESA naar een totale inschrijving van € 22 miljard door alle lidstaten, wat zou neerkomen op ruim € 1 miljard voor Nederland voor de komende drie jaar. Zie voor de overwegingen van het kabinet om te komen tot de huidige inzet en de verkenning voor aanvullende middelen het antwoord onder vraag 1.
Erkent u dat deze nominale bevriezing, gecorrigeerd voor inflatie, feitelijk neerkomt op een reële bezuiniging van ongeveer 25%, zoals het Netherlands Space Office (NSO) in zijn advies constateert?2
Nee, het kabinet heeft niet actief bezuinigd op het ruimtevaartbudget. Wel geldt, zoals aangegeven in de Kamerbrief, dat er een tweetal incidentele ophogingen van in totaal € 53,5 miljoen nu vervallen in het ESA-budget. Het nu beschikbaar gestelde budget is daardoor ruim 25% lager dan de Nederlandse investeringen in 2022. Ook is het reële budget lager doordat er nu geen inflatiecorrectie is toegepast op het ESA-budget. Desondanks ben ik aan het verkennen of er nog aanvullende inschrijvingen mogelijk zijn.
Hoe beoordeelt u de constatering in het NSO-advies dat het huidige budget «circa 25 procent lager ligt dan wat Nederland in 2022 heeft ingeschreven in technologieontwikkelingen en productie via ESA-samenwerkingen» en dat hierdoor «invloed en toegang tot cruciale diensten onder druk staan»?
De inschrijvingen in ESA-programma’s leiden via de geo-return tot een Nederlands aandeel in technologieontwikkeling en productie van ESA-projecten waarin samen met andere ESA-lidstaten wordt samengewerkt. Zie voor een toelichting op het circa 25 procent lagere budget het antwoord bij vraag 3.
Wat betreft de tweede constatering: het NSO doelt erop dat Nederland pas meer zeggingskracht heeft bij overleggen van ESA en de EU over nieuwe ruimtemissies, als het zelf ook hoogwaardige technologie actief inbrengt. Zo kan Nederland sturen op missies en toepassingen die van direct nationaal belang zijn, bijvoorbeeld het sneller in beeld brengen van overstromingsrisico’s. Naarmate een land meer financieel en technologisch bijdraagt, groeit de invloed in de ontwikkeling van de diensten en missies. Een lagere bijdrage kan daarentegen mogelijk de toegang tot diensten die specifiek voor Nederland van groot belang kunnen zijn beperken. Daarbij komt dat op gebieden waar Nederland tot de top behoort, zoals in atmosfeerinstrumenten, Nederland haar leidende positie zou kunnen verliezen ten opzichte van andere landen.
Het NSO adviseert om het ruimtebudget «zo snel mogelijk in lijn te brengen met de door het kabinet onderschreven belangen en ambities» en waarschuwt dat Nederland anders «niet een stap voorwaarts maar een stap achteruit» zet, dit advies is nu niet opgevolgd; welke mogelijkheden ziet u nog om de investeringen in de ruimtevaart in lijn te brengen met de kabinetsreactie op de Langetermijnagenda Ruimtevaart? Bent u bereid dit in kaart te brengen voor de formatiegesprekken? (zie ook vraag 12)
Zoals ook toegelicht in de kabinetsreactie op de Lange-termijn Ruimtevaartagenda (LTR), onderschrijft het kabinet de visie en missies in de LTR, maar geldt dat het nationale ruimtevaartbudget ontoereikend is om alle doelstellingen in de LTR te behalen. Het kabinet kijkt daarom nadrukkelijk naar zowel acties die binnen de huidige budgetruimte genomen kunnen worden, als naar verkennende activiteiten die gestart kunnen worden om de investeringen op het benodigde niveau te krijgen. De keuze voor deze investeringen is niet aan het huidige kabinet. De inschrijvingen van Nederland tijdens de Ministeriële Conferentie van ESA vormen een belangrijke basis om te werken aan de doelstellingen uit de LTR, maar zijn lager dan de ESA-norm voorschrijft en niet voldoende om alle doelstellingen uit de LTR te halen. Naar aanleiding van zorgen vanuit ESA ben ik wel aan het verkennen of er nog aanvullende middelen gevonden kunnen worden voor de conferentie.
Daarnaast wordt ook gekeken naar andere manieren om voldoende middelen bij elkaar te krijgen voor de financiering van de LTR. Zo zal de verdere invulling van de Defensie Ruimte Agenda (DRA) ook mede in samenhang met de LTR gebeuren. In dat kader wordt besproken welke missies uit de LTR ook relevant kunnen zijn voor Defensie. Deze sector is namelijk van groot belang voor ons land zoals ook tot uiting komt in zowel de LTR als de DRA. Vervolgens is ook het volgende EU Space Programme vanuit de EU van belang, zodat een deel van de doelstellingen uit de LTR behaald zouden kunnen worden via Europese programma’s. Bij de onderhandelingen over het nieuwe EU Space Programme van 2027–2034 zullen de doelstellingen uit de LTR leidend zijn voor Nederland. Ook zal ik conform de motie Thijssen cs. uw Kamer voorafgaand aan de inhoudelijke formatiegesprekken informeren over welke financiële middelen nodig zijn om de Nederlandse ruimtevaartclusters te versterken.
Welke gevolgen heeft deze lagere ESA-inzet voor de Nederlandse geo-return (NL: geografische teruggave) en voor de opdrachten aan de kennis- en industriële partners die nu deelnemen aan programma’s zoals Ariane 6, Vega-C en Artemis?
ESA-opdrachten worden in competitie verworven, maar landen hebben wel de zekerheid dat een gegarandeerd percentage van hun inzet in hun land besteed wordt («georeturn»). Een lagere ESA-inzet leidt er dan ook toe dat de investeringen in de Nederlandse ruimtevaartindustrie vanuit ESA kleiner worden.
Op Ariane 6 en VEGA wordt de bestaande lijn voortgezet (zie ook verderop het antwoord op vraag 7), maar er zal geen ruimte zijn voor Nederlandse partijen om mee te werken aan nieuwe ontwikkelingen, zoals herbruikbare draagraketten. Bij het de verwachte inzet voor het ESA-exploratie programma, deels ondersteunend aan het ARTEMIS-maan programma, zal naar verwachting industrieel werk (zonnepanelen voor de maancapsule) uit Nederland verdwijnen. Dit heeft beperkte gevolgen voor de werkgelegenheid, vanwege toename van robuuste commerciële activiteiten.
Klopt het dat de Nederlandse bijdrage aan ESA’s lanceerdersprogramma (€ 40–45 miljoen) grotendeels verplicht is vanwege eerder aangegane toezeggingen bij de conferentie in 2021 en dus weinig ruimte laat voor nieuwe strategische investeringen?
Voor een deel van deze bijdrage geldt inderdaad dat het een verplichting betreft vanuit de Sevilla conferentie uit 2023. De rest van de investering is grotendeels gericht op het behoud en de versterking van de Europese toegang tot de ruimte door doorontwikkeling en kostenverlaging van de Ariane-6 en VEGA-raketten. Daarmee is inderdaad voor geheel nieuwe investeringen beperkte ruimte met het huidige budget.
Kunt u inzichtelijk maken hoe het budget met € 60 miljoen per jaar kan worden opgehoogd naar het niveau zoals in de kabinetsreactie op de Langetermijn Ruimtevaartagenda wordt voorgesteld?3
De kabinetsreactie op de Lange-termijn Ruimtevaartagenda (LTR) beschrijft welke budgettaire scenario’s mogelijk zijn om het ruimtevaartbudget in de komende jaren te verhogen, maar gaf aan dat een beslissing daarover in het voorjaar van 2025 zou vallen. Uiteindelijk heeft het kabinet tijdens de integrale weging in het voorjaar besloten het budget niet te verhogen. Desondanks ben ik naar aanleiding van zorgen vanuit ESA aan het verkennen of er nog aanvullende investeringen mogelijk zijn voor deze conferentie. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.
Bent u bekend met het recente interview van de ESA-topman in NRC: «ESA-baas: «Met zo’n lage bijdrage zal Nederland ruimtevaartactiviteiten verliezen»»?4 Wat vindt u ervan dat ESA activiteiten gaat weghalen bij het Europees Ruimteonderzoek- en Technologie Centrum (ESTEC) in Noordwijk omdat de Nederlandse bijdrage relatief veel lager is dan die van andere ESA-lidstaten? Vindt u het wenselijk dat met uw ambitie om meer te investeren in innovatie en onderzoek, in deze tijden van geopolitieke spanningen waarbij ruimtevaart essentieel is om de Europese veiligheid te waarborgen, ruimtevaartactiviteiten in Nederland worden weggehaald?
Ja, ik ben bekend met artikel. Een structureel lage investering in ESA kan ertoe leiden dat ESTEC gedeeltelijk activiteiten inricht in andere landen. Dat is bijvoorbeeld gebeurd met de verplaatsing van de directie van het Human and Robotic Exploration-centrum naar Keulen. Alhoewel het risico van verplaatsing van ESTEC-onderdelen reëel is, zet ik mij ten volle in om Nederland de thuisbasis te laten zijn van ESTEC en dat dit ook zo zal blijven in de toekomst. ESTEC is het technologisch hart van ESA en de grootste ruimtevaart onderzoeksfaciliteit in Europa. De vestiging van ESTEC in Nederland is van grote waarde voor de innovatiekracht, het verdienvermogen en de weerbaarheid van zowel Nederland als Europa. Ik ben dan ook in goed en continu overleg met de organisatie om de aantrekkelijkheid van Nederland voor ESTEC verder te versterken en daarbij hun zorgen zo goed mogelijk te adresseren.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit concrete negatieve consequenties gaat hebben voor de Nederlandse ruimtevaartindustrie? Hoewel de woorden in de brief mooi zijn en spreken van ambitie, verhouden zij zich niet tot de gepresenteerde getallen in de Kamerbrief; heeft u scherp of wegblijvende overheidsinvesteringen zullen zorgen voor het vertrekken van hoogwaardige kennisbedrijven uit Nederland?
De relatief lage bijdrage van Nederland aan ESA blijft een belangrijk punt van zorg, juist ook omdat een dergelijke stap impact kan hebben op het ruimtevaart ecosysteem, met name in Zuid-Holland. De Nederlandse ruimtevaartsector telt circa 10,500 FTE, vertegenwoordigt 0,3% van het bbp en omvat ruim 300 bedrijven waarvan een groot deel zich bevindt in het gebied rondom ESTEC. Vergelijkbaar met het semicon-ecosysteem in Eindhoven dat een belangrijk wereldwijd knooppunt is als het gaat om halfgeleiders, behoort het ecosysteem in Zuid-Holland in belangrijke niches tot de wereldtop op het gebied van ruimtevaarttechnologie. Nederlandse ruimtevaart bedrijven opereren ook in het buitenland en hebben in het verleden ook een deel van hun activiteiten naar het buitenland verplaatst. De redenen om dit te doen variëren per bedrijf. Sommige ondernemingen kunnen van mening zijn dat overheidsinvesteringen uitblijven en als gevolg daarvan naar het buitenland vertrekken.
Ik zet mij daarnaast in om het brede vestigingsklimaat in Nederland te versterken. Alhoewel overheidsinvesteringen daarbij een onderdeel kunnen vormen, zijn er meer factoren die ertoe leiden dat Nederland aantrekkelijk is en blijft voor bedrijven, zoals het fiscale klimaat en de aanwezigheid van een goed ecosysteem. Door te richten op al deze elementen, probeer ik een aantrekkelijk vestigingsklimaat te creëren voor bedrijven, zelfs als er minder financiële middelen beschikbaar zijn in tijden van budgettaire krapte.
Bent u zich ervan bewust dat ruimtevaart in negen van de 10 Nationale Technologiestrategiegebieden een rol speelt? Ziet u dat deze brief daar haaks op staat?
In de ruimtevaart worden negen van de tien NTS-technologieën toegepast en verder ontwikkeld. De brief waarin de kabinetsinzet bij de Ministeriële Conferentie van ESA 2025 wordt beschreven, staat hier niet haaks op aangezien er nog steeds honderden miljoenen in ESA geïnvesteerd worden de komende jaren. Elke geïnvesteerde euro in ESA zorgt namelijk ook voor een bijdrage aan de technologieën uit de NTS. De brief geeft wel aan dat op dit moment de budgettaire mogelijkheden om meer in te zetten op ruimtevaart beperkt zijn. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.
Met het actieplan om 3% van het bruto nationaal product (bnp) te besteden aan innovatie en onderzoek laat u zien te willen investeren in innovatie; dragen bestedingen aan ruimtevaart bij aan innovatie en onderzoek en daarmee aan het behalen van de 3% norm? Hoeveel euro krijgt de samenleving terug voor elke euro die wordt besteed aan ruimtevaart? Bent u het ermee eens dat deze brief over ruimtevaart en effectief een LAGER budget voor ruimtevaart haaks staan op de brief over de 3% innovatie en onderzoek norm? Bent u het ermee eens dat deze ruimtevaartbrief daarmee haaks staat op het lange termijn verdienvermogen van Nederland?5
De investeringen in ruimtevaart kunnen bijdragen aan het behalen van de genoemde 3%-doelstelling als deze plaatsvinden op het gebied van R&D. Ondanks de lagere ruimtevaartbudgetten, geldt dat dit kabinet vasthoudt aan het actieplan. Een lager budget voor ruimtevaart als gevolg van de huidige budgettaire mogelijkheden, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag één, leidt er niet toe dat de 3% norm direct uit zicht verdwijnt. Immers, dit percentage kan bijvoorbeeld ook worden gerealiseerd door vanuit andere relevante sectoren meer te investeren. Voor wat betreft het financiële rendement op het gebied van de ruimtevaartsector geldt dat hiervoor in Nederland geen specifiek onderzoek is uitgevoerd.
Bent u zich ervan bewust dat ruimtevaart per definitie een kritieke infrastructuur is en daarmee dual-use (NL: voor tweeërlei gebruik) is (1,5% bovenop het reguliere defensiebudget)?
Ruimtevaarttechnologie heeft (doorgaans) een dual-use karakter en kent civiele en militaire toepassingen. Met de verslechterde internationale veiligheidssituatie en daarmee het toegenomen belang van het militaire gebruik van de ruimte neemt de zwaarte en importantie van militaire toepassingen in dual-use toe. Synergie is daarom nodig om overlap van publiek gefinancierde activiteiten te voorkomen en om met bedrijven en kennisinstellingen te werken aan een robuust en concurrerend ruimte-ecosysteem in Nederland. Door de sterk veranderde veiligheidssituatie is het van belang dat Nederland haar weerbaarheid verhoogt, Defensie haar militaire paraatheid verhoogt en investeringen in het ruimtedomein dragen daaraan bij. Een eigen sterke technologische en industriële basis voor het ruimte-ecosysteem is daarin essentieel.
Kunt u voor de formatiegesprekken een BNC-fiche klaar hebben liggen waarin aangegeven wordt waaruit de 60 miljoen euro per jaar gehaald zou kunnen worden zodat, mochten de formerende partijen daartoe besluiten, deze alsnog neergelegd kan worden via de formatie?
Conform de motie Thijssen cs. zal ik uw Kamer voorafgaand aan de inhoudelijke formatiegesprekken informeren over welke financiële middelen nodig zijn om de Nederlandse ruimtevaartclusters te versterken. Ik zal géén BNC-fiche klaar hebben liggen. In een BNC-fiche wordt het standpunt van de Nederlandse regering ten aanzien van een (nieuw) voorstel van de Europese Commissie opgenomen. Daar is nu geen sprake van, aangezien ESA geen onderdeel van de EU is.
Wat is de inzet van Nederland voor de Ministeriële Conferentie die over vier weken plaatsvindt? Bent u bereid om naar zoveel mogelijk financiële middelen te zoeken zodat hier meer neergelegd kan worden dan in de brief wordt aangegeven?6
De Nederlandse inzet is beschreven in mijn brief over de kabinetsinzet bij de Ministeriële Conferentie van ESA 2025. Het kabinet moet continu lastige keuzes maken met financiële schaarste en de middelen op de EZ-begroting zijn daarbij beperkt. Daarbij zijn er in de uiteindelijke afweging geen extra middelen voor de Ministeriële Conferentie gevonden. Daarnaast is het niet mogelijk buiten de integrale weging van het voorjaar nieuwe middelen te alloceren. Desondanks zal ik de mogelijkheden voor aanvullende middelen vooraf aan de conferentie verkennen. Eventuele keuzes over additionele structurele middelen is voorbehouden aan het volgende kabinet.
Hierbij is het belangrijk om te vermelden dat er specifieke afspraken bestaan over het achteraf extra middelen toekennen aan ESA. In bepaalde programma's wordt direct na de Ministeriële Conferentie het werk verdeeld over de deelnemende landen. Daarbij is achteraf inschrijving niet mogelijk. Er zijn ook programma's waarbij het wel achteraf mogelijk is om extra budget in te schrijven, bijvoorbeeld ten aanzien van algemene technologieprogramma's.
Bent u bereid de Kamer vóór de ESA-Ministeriële Conferentie te informeren over:
Nee, dit kan ik niet toezeggen aangezien de definitieve verdeling van de ESA-middelen over de verschillende programma’s pas tijdens de Ministeriële Conferentie wordt bepaald. Alhoewel de indicatieve inzet is toegelicht in de Kamerbrief, wordt een marge aangehouden om tijdens de conferentie zelf in kunnen spelen op aanpassingen in de voorstellen vanuit ESA. Wel ben ik voornemens om in het eerste kwartaal van 2026 uw Kamer te informeren over de uitkomst van de conferentie. Daarin kan ik dan ook ingaan op de gevraagde uiteenzetting.
Het bericht dat spaarders en woningbeleggers de vermogenstaks eenvoudig kunnen ontwijken |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u reageren op de in het geciteerde bericht beschreven ontwijkingsroutes en kunt u de constatering bevestigen dat deze scenario’s daadwerkelijk kunnen worden als resultaat van de invoering van de nieuwe box 3-heffing?1
In het geciteerde bericht worden twee scenario’s in box 3 beschreven, namelijk de mogelijkheid om de huur van enkele jaren te cederen en de mogelijkheid om een rentetermijn in december te laten uitbetalen in plaats van in januari. Hieronder wordt eerst ingegaan op de cessie van huurtermijnen en daarna op de rentebetaling.
In het geciteerde bericht wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een cessie van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een cessie van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder deze toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20092 en in de bij dit arrest horende conclusie.3 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.4 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.5 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,6 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,7 hetzij als reguliere schuld.8 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.9 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».10 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.11 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.12 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.13 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.14 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.15 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.16 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.17 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.18 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.19 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.20 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.21 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.22 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.23 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.24 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.25 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.26 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
In het kader van de cessie van huurtermijnen wordt in het geciteerde bericht aandacht gevraagd voor het overgangsrecht dat geldt bij de invoering van het toekomstige stelsel voor box 3. Om die reden is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.27 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
De tweede route die in het geciteerde bericht wordt genoemd, betreft de rente die wordt ontvangen op spaarrekeningen. Het is niet uitgesloten dat er belastingplichtigen zullen zijn die via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden tot belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.28 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Op welke schaal vermoedt u dat beleggers gebruik zullen maken van de beschreven mogelijkheden om belasting te ontwijken? Hoeveel euro kost dit de schatkist?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is toegelicht, is de in het geciteerde bericht beschreven ontwijkingsroute voor beleggers met betrekking tot de cessie van huurtermijnen niet mogelijk. Het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening zal in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed hebben op het totale werkelijke rendement in box 3.
Kunt u reageren op de twijfel die fiscalisten hebben bij de zienswijze van het Ministerie van Financiën dat met de verkoop van huurtermijnen geen belasting in box 3 kan worden ontweken en bent u bereid dit nader uit te laten zoeken, zodat aan de voorkant duidelijkheid bestaat over deze constructie om te voorkomen dat mensen achteraf bij de rechter gelijk krijgen?
De zienswijze van het Ministerie van Financiën is voorafgaand aan de beantwoording van deze Kamervragen nog niet uitgebreid toegelicht. Er is voor gekozen om de benodigde duidelijkheid te verschaffen door bij de beantwoording van vraag 1 een uitgebreide onderbouwing te geven van de fiscaal-juridische gevolgen in box 3 van een cessie van huurtermijnen.
Deelt u de mening dat het ongeacht de schaal onacceptabel is dat de beschreven ontwijkingsroutes mogelijk worden met de invoering van de nieuwe box-3 heffing?
Er is voor de tegenbewijsregeling in box 3 geen reparatiewetgeving nodig. Een uitgebreide toelichting hierop is opgenomen in het antwoord op vraag 1. In het antwoord op vraag 1 wordt ook toegelicht dat in een separaat wetgevingstraject voor de aanpassingswetgeving in verband met het toekomstige stelsel een aanpassing wordt opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen.
Deelt u de bevindingen uit het artikel dat de mogelijkheid voor beleggers om belasting te ontwijken bij de invoering van de nieuwe box 3-heffing lastig te ondervangen is? Zo ja, wat maakt het moeilijk?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat de wetgever een lek in het belastingstelsel aan de voorkant zou moeten repareren? Zo ja, hoe bent u dit van plan te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid een externe fiscaal-juridische analyse uit te laten voeren over de mogelijkheid van beschreven constructies en oplossingen in kaart te laten brengen om deze te mitigeren?
Ik neem signalen over fiscale constructies serieus en artikelen over belastingontwijkingsmogelijkheden worden op het Ministerie van Financiën zorgvuldig bestudeerd. Er is geen aanleiding voor het inhuren van een externe adviseur.
Het bericht 'Gesol met kinderopvang verdient geen schoonheidsprijs' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen dat de personeelskrapte in de kinderopvangsector en het tekort aan plekken, met een grotere vraag naar «gratis» opvang zullen toenemen?1
Het belangrijkste doel van het nieuwe financieringsstelsel is om ouders meer eenvoud en zekerheid te bieden. Dat wordt onder meer bereikt door een inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. De verwachting is dat de vraag naar kinderopvang hierdoor zal stijgen. Dat kan positief zijn voor de arbeidsparticipatie. Wanneer de groei van het aanbod echter achterblijft bij de toename van de vraag, bijvoorbeeld door personeelskrapte en een tekort aan plekken, levert dit risico’s op voor de toegankelijkheid. Dit risico is een direct gevolg van de fundamentele keuze voor eenvoud, zekerheid en betaalbaarheid in het nieuwe stelsel.
In het verleden heeft de flexibele, ondernemende kinderopvangsector laten zien dat een flinke groei mogelijk is. Tussen 2019 en 2024 is het aantal vergoede uren kinderopvang namelijk toegenomen met 23,6%. Dat is vergelijkbaar met de vraagtoename die het kabinet verwacht van 2024 tot 2031 als gevolg van het nieuwe stelsel.2 Door middel van kwartaalrapportages wordt de ontwikkeling van het aanbod en tarieven gemonitord. Daarnaast voert het kabinet flankerend beleid. In mijn brief van 15 september 20253 geef ik aan welke maatregelen het kabinet neemt om de toegankelijkheid en doelmatigheid te borgen, zodat kinderen een zo goed mogelijke start maken, werken voor ouders meer loont, publieke uitgaven goed worden besteed en kinderopvang toegankelijk blijft.
Zo heeft het kabinet heeft eerder besloten om invoering van het nieuwe stelsel met twee jaar uit te stellen tot 1 januari 2029. Dit geeft de markt twee jaar extra tijd om zich aan te passen aan het nieuwe stelsel en de bijbehorende intensivering. Bovendien geeft dit handelingsperspectief om aanvullende maatregelen te nemen indien informatie uit de kwartaalrapportages daar aanleiding toe geven. Ook heeft het kabinet besloten om in 2026 niet te bezuinigen en de maximumuurprijs wél te indexeren. Daarnaast voert het kabinet arbeidsmarktbeleid om te stimuleren dat er meer personeel in de kinderopvang komt werken. Hiervoor worden samen met de sector doorlopend acties en maatregelen genomen. Dit omvat onder meer subsidies gericht op het aantrekken en behoud van personeel en het stimuleren van meer uren werken. Voorgenoemde brief uit september geeft daarnaast een overzicht van potentiële aanvullende maatregelen om de toegankelijkheid te borgen.
Deelt u de zorg dat dit tot een verdringingsrisico kan leiden voor veel werkende gezinnen, wat de kinderopvang als arbeidsmarktinstrument ondermijnt?
Voor een groot deel van de ouders wordt kinderopvang in het nieuwe stelsel beter betaalbaar. Zij krijgen immers momenteel minder vergoed dan de 96% die straks voor alle inkomens geldt. Dat betekent dat voor de meeste ouders meer werken ook meer gaat lonen. Dat versterkt kinderopvang als arbeidsmarktinstrument. Daar staat tegenover dat wanneer prijzen stijgen door krapte, kinderopvang duurder kan worden voor de groep ouders met lagere inkomens die momenteel al de maximale vergoeding van 96% ontvangen. Dat kan onder andere het risico op verdringing geven. Het kabinet voert flankerend beleid om de risico’s te beheersen. Specifiek gericht op de toegankelijkheid van ouders met lagere inkomens, krijgen gemeenten in het nieuwe stelsel meer mogelijkheden om de eigen bijdrage van ouders te vergoeden. Dit wordt mogelijk gemaakt door de huidige doelgroepen voor het vergoeden van de ouderbijdrage (artikel 1.13 van de Wet kinderopvang) los te laten in het wetsvoorstel.
Deze aanpassing geeft gemeenten meer ruimte om betaalbare kinderopvang voor meer kwetsbare groepen mogelijk te maken. Hier zijn in de afgelopen voorjaarsbesluitvorming ook extra budgettaire middelen voor gereserveerd.
Ziet u het risico dat met het invoeren van een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB)-regime, investeringen, kruissubsidiëring van onrendabele locaties en innovaties in de kinderopvangsector lastiger worden, terwijl we die met een toenemende vraag juist nodig hebben?
In het nieuwe stelsel verhoogt de overheid haar bijdrage aan kinderopvang aanzienlijk, met een structurele intensivering van circa € 3 miljard per jaar. De totale overheidsbijdrage stijgt daarmee naar ongeveer € 9 miljard per jaar, ruim anderhalf keer zoveel als nu. Het kabinet wil deze middelen inzetten voor betaalbare kinderopvang voor werkende ouders. Het invoeren van een DAEB draagt eraan bij dat overheidsmiddelen voor kinderopvang ook daadwerkelijk aan dit doel ten goede komen. Het vergroot de prikkel om opbrengsten te (her)investeren in kwaliteit en aanbod in de sector.
Door de hoge bedragen die aan kinderopvangorganisaties worden uitgekeerd is er in het nieuwe stelsel sprake van staatssteun. Door kinderopvang aan te merken als DAEB, wordt gewaarborgd dat de verleende staatssteun geoorloofd is en daarmee verenigbaar is met de Europese staatssteunregels. Het kabinet heeft met het nieuwe financieringsstelsel als doel om de kinderopvang stabiele, toekomstbestendige financiering te bieden. Het kabinet ziet het als zijn verantwoordelijkheid om een stelselontwerp te maken zonder het risico dat de Europese Commissie of een rechter in de toekomst concludeert dat sprake was van ongeoorloofde staatssteun. Dit zou namelijk enorme negatieve gevolgen hebben voor de kinderopvangsector en ouders. In dat geval moet alle verleende steun teruggevorderd worden bij de kindercentra en gastouderbureaus.
Het DAEB-kader is zo ontworpen dat marktpartijen actief kunnen blijven en ondernemen mogelijk blijft. De sector houdt binnen de DAEB de ruimte om te investeren in capaciteit en kwaliteit van de kinderopvang én kan daar een redelijke winst mee blijven maken. De komende periode wordt de DAEB nader uitgewerkt. Het uitgangspunt in deze uitwerking is dat de gebruikelijke activiteiten en diensten die worden aangeboden in het kader van het verzorgen, opvoeden en de ontwikkeling van kinderen kunnen blijven plaatsvinden. Het kabinet wil de diversiteit die kenmerkend is voor de kinderopvangsector behouden. Daarom wordt de sector actief betrokken bij het invullen van de regels van de DAEB.
Hoe weegt u de zorgen van de sector, niet alleen de commerciële partijen, ten aanzien hiervan?
Ik begrijp dat de DAEB tot onzekerheid leidt, omdat het instrument nieuw in de sector is en nog nader moet worden uitgewerkt. Tegelijkertijd biedt de DAEB juist ook zekerheid aan ondernemers, omdat het risico op toekomstige terugvorderingen op grond van ongeoorloofde staatssteun wordt voorkomen. Daarnaast investeert het kabinet circa € 3 miljard extra in de kinderopvang waarbij het debiteurenrisico voor het grootste deel wordt overgenomen door de overheid. Voor de maatschappij heeft de DAEB als voordeel dat belastinggeld dat bestemd is voor kinderopvang ook aan dat doel wordt besteed en niet wegvloeit als overwinst.
In de sector zijn verschillende geluiden te ontwaren. De geuite zorgen zien enerzijds op beperkingen bij het investeren in kinderopvang en anderzijds tot een stijging van de administratieve lasten. Bij de uitwerking van de DAEB zullen de sector en deskundigen worden betrokken om te borgen dat investeren, innoveren en ondernemen in de kinderopvangsector mogelijk blijft. De Europeesrechtelijke regels omtrent de DAEB bieden hier de ruimte voor. Kosten met betrekking tot investeringen worden gezien als toegestane kosten. De concrete norm voor redelijke winst binnen de toegestane compensatie vanuit de overheid zal nader worden onderzocht en periodiek worden vastgesteld en gecommuniceerd. De DAEB houdt investeren mogelijk en ondernemen in de kinderopvangsector aantrekkelijk.
Het is mijn streven om in de uitwerking de administratieve lasten van de invoering van de DAEB zo laag mogelijk te houden. In dat kader is in het wetsvoorstel financiering kinderopvang onderzocht of de DAEB de-minimisverordening4 kan worden toegepast op de steun die verleend wordt door de overheid. Dat is mogelijk als een onderneming voor het uitvoeren van de DAEB ten hoogste € 750.000 per drie jaar ontvangt. Het voordeel hiervan is dat er in dat geval geen nadere voorschriften over administratie en de maximale compensatie gelden. Gastouders mogen maximaal zes kinderen opvangen, daarom is het voor hen vooraf goed in te schatten of ze onder het de-minimisplafond blijven. Het kabinet heeft geconcludeerd dat de steun die de gastouder ontvangt binnen de DAEB de-minimisverordening valt. In het wetsvoorstel worden gastouders wel belast met het uitvoeren van de dienst kinderopvang, maar voor gastouders gelden de nadere voorschriften over administratie en de maximale compensatie niet.
Waarom heeft u het plan om een DAEB-regime voor de kinderopvangsector in te voeren niet eerder gecommuniceerd?
Aan een grote stelselwijziging als deze zitten veel nader uit te werken vraagstukken vast. Ik heb de afgelopen jaren meermaals aangegeven dat het thema staatssteun een van die vraagstukken is. Het risico op ongeoorloofde staatssteun wordt genoemd in de voortgangsrapportage over het nieuwe stelsel die op 26 april 20235 aan uw Kamer is verzonden. Ook wordt het risico genoemd in de hoofdlijnenbrief van 11 november 20246. Daarnaast zijn de onderwerpen staatssteun en de DAEB behandeld tijdens de beantwoording van twee sets Kamervragen van het lid Welzijn (NSC) op 17 februari7 en 14 april8 van dit jaar. Ook is staatssteun aan de orde gekomen tijdens de commissiedebatten kinderopvang op 23 januari en 3 juli jongstleden. Vanaf eind 2024 wordt aan dit thema gewerkt op basis van analyses van staatssteunjuristen, gesprekken met de EC en tevens een aantal bijeenkomsten met brancheorganisaties. Het kabinet heeft besloten het risico op ongeoorloofde staatssteun niet te willen lopen en heeft uw Kamer daar op 15 september per brief over geïnformeerd.9
Heeft u de sector voldoende meegenomen in uw plannen, wat niet zo lijkt te zijn gezien de verraste reacties?
Het staatssteunvraagstuk en de DAEB zijn op verschillende momenten besproken met de brancheorganisaties. De gesprekken hierover zijn gestart in het voorjaar van 2025. De verschillende brancheorganisaties hebben op heel verschillende manieren op de brief van 15 september gereageerd. Ik betreur de onrust die in een deel van de sector is ontstaan. De DAEB is nieuw voor de kinderopvang in Nederland en we staan nog aan het begin van de uitwerking. Ik begrijp de onzekerheid en daarmee de onrust in de sector en besef dat een concrete uitwerking noodzakelijk is voor de sector om een compleet beeld te kunnen vormen over het risico op staatssteun, de noodzaak om dit risico te beheersen, en de effecten van de DAEB op administratieve lasten en het ondernemerschap. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer de uitwerking vordert en er meer zicht komt op de effecten, er samen met het overgrote deel van de sector op constructieve wijze kan worden toegewerkt naar de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel in 2029.
Bent u bereid zo snel mogelijk de in uw brief toegezegde impactanalyse uit te laten voeren voor de kabinetsplannen voor gratis kinderopvang inclusief invoeren van een DAEB-regime, zodat de gevolgen voor de kinderopvang en voor werkende ouders uitvoerig worden getoetst, alvorens verdere stappen worden genomen?
Het wetsvoorstel dat in consultatie is gegaan bevat de hoofdlijnen van de DAEB. De concrete uitwerking van de DAEB wordt voor een belangrijk deel vastgelegd in lagere regelgeving. Het kabinet start dit najaar met deze uitwerking.
Onderdeel van de uitwerking is een onafhankelijk onderzoek naar een redelijk rendement voor de sector, waarbij het mogelijk blijft om te investeren en te innoveren. In dit onderzoek zal ook uitvoering worden gegeven aan de toezegging in de brief van 15 september en de verwachte impact op de sector worden geanalyseerd.
Deelt u onze mening dat dit noodzakelijk is voordat we de stelselwijziging doorvoeren, omdat elke keer dat barrières pas later in beeld komen en plannen moeten worden uitgesteld en aangepast, dit de sector in grote onzekerheid brengt, wat investeringen juist niet bevordert?
In juli van dit jaar heb ik samen met de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen een brief over de planning van invoering van het nieuwe stelsel naar uw Kamer gestuurd.10 In deze brief wordt toegelicht dat we ondanks uitstel van de invoeringsdatum van het nieuwe stelsel vasthouden aan het tijdpad van het wetgevingstraject zodat alle betrokkenen voldoende tijd krijgen om zich voor te bereiden op de invoering. De oorspronkelijke planning, die uitging van openstellen voor internetconsulatie einde zomer 2025, wordt zoveel mogelijk aangehouden. Op 17 oktober 2025 is het wetsvoorstel financiering kinderopvang opengesteld voor internetconsulatie. Hiermee wordt gestreefd de sector en alle andere belanghebbenden duidelijkheid te bieden over de inrichting van het nieuwe financieringsstelsel en hen de ruimte te geven om te reageren op het voorstel.
Bent u bereid samen met de sector een realistische vormgeving en tijdspad te onderzoeken, zodat we de sector en ook ouders duidelijkheid en zekerheid kunnen bieden?
Afgelopen voorjaar heeft het kabinet besloten de invoeringsdatum van een nieuw stelsel uit te stellen van 1 januari 2027 naar 1 januari 2029. Een belangrijke reden voor dit besluit was om de sector voldoende tijd te geven zich voor te bereiden op het nieuwe stelsel. Hiermee is er een realistisch tijdpad vastgesteld. Samen met de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen zal ik doorgaan met het uitwerken van het nieuwe stelsel en daarbij nauw optrekken met de kinderopvangsector.
Het rapport 'Rechtsbescherming in het geding – Onderzoek informatieverstrekking aan de rechter, deel 2' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Hoe duidt u de constatering dat er binnen de Belastingdienst een cultuur heerst waarin het «winnen van de zaak» prevaleert boven het eerlijk en volledig informeren van rechter en burger?1
Zoals ik ook in de kabinetsreactie op het IBTD-rapport heb aangegeven, vind ik het belangrijk om de bevindingen van de Inspectie in context te plaatsen. Op basis van een vijftal casussen constateert de IBTD dat zij een (proces)houding ziet bij medewerkers van «willen winnen». Echter, zo constateert de IBTD zelf ook, op basis van vijf casussen kunnen geen generieke uitspraken worden gedaan over de Belastingdienst. Dat onderschrijf ik.
Daarbij moet worden opgemerkt dat «op de zaak betrekking hebbende stukken», zoals geformuleerd in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een open norm is. De wetgever heeft het begrip niet nader ingevuld. De Belastingdienst spant zich bij iedere (hoger) beroepsprocedure – waarvan er jaarlijks ongeveer zesduizend worden ingesteld – in om te voldoen aan die open norm en de geldende jurisprudentie. Soms oordeelt de rechter dat de Belastingdienst in een concreet geval art. 8:42 Awb niet juist heeft toegepast. Die uitspraken dragen bij aan de rechtsontwikkeling van het begrip «op de zaak betrekking hebbende stukken», waardoor incidenten waarbij niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter worden verstrekt, verder worden voorkomen.
Onderschrijft u de conclusie dat de Belastingdienst structureel tekortschiet in de informatieverstrekking aan de rechter, waardoor de rechtsbescherming van burgers in het geding komt?
In het eerste deel van haar onderzoek spreekt de Inspectie over incidenten waarbij stukken ten onrechte niet of niet tijdig aan de rechter worden verstrekt.5 In het tweede deel, dat op 2 september jl. is gepubliceerd, verwijst de IBTD naar 168 rechtszaken6 in de periode tussen 1 januari 2022 en 20 oktober 2023 waarbij de informatieverstrekking aan de rechter onderdeel was van het geschil. In vergelijking worden er jaarlijks zo’n zesduizend (hoger) beroepsprocedures ingesteld waarbij de Belastingdienst optreedt als procespartij. In het merendeel van die procedures is de informatieverstrekking van de Belastingdienst aan de rechter dan ook geen onderwerp van geschil. In de kabinetsreactie op het rapport spreek ik de suggestie die uitgaat van de titel van het IBTD-rapport dat de rechtsbescherming van burgers en bedrijven in het geding zou zijn, dan ook tegen.
Daarbij bestrijd ik dat de Belastingdienst structureel tekortschiet in de informatieverstrekking aan de rechter. Het gaat om incidenten waarbij stukken ten onrechte niet of niet tijdig aan de rechter worden verstrekt. Om deze incidenten te allen tijde te voorkomen heeft de Belastingdienst mede naar aanleiding van het eerste onderzoek verbetermaatregelen getroffen. Die heb ik in de kabinetsreactie nader toegelicht. Ook heb ik toegezegd dat de Belastingdienst zelf onderzoek doet naar de meest recente casussen om een actueel beeld te krijgen van de huidige praktijk en het effect van de implementatie van de verbeteracties. Daarover wordt uw Kamer in een stand-van-zakenbrief Belastingdienst geïnformeerd.
Wat gaat u doen aan de constatering van de Inspectie Belastingen, Toeslagen en Douane dat de informatiehuishouding van de Belastingdienst niet op orde is (meerdere systemen, conversieproblemen, ontbrekende e-mails), waardoor de informatieverstrekking aan de rechter en burgers en bedrijven in het geding komt?
Het programma Informatie Op Orde (IOO) van de Belastingdienst levert een belangrijke bijdrage aan de strategische doelstelling om de basis van de Belastingdienst verder op orde te brengen. De planning is om het programma eind 2026 af te ronden zodat de randvoorwaarden zijn ingevuld om de basis op orde te hebben. Het op orde houden van de informatiehuishouding zal voortdurend de aandacht blijven vragen. Daarom heeft het programma IOO een brede bewustwordingscampagne gelanceerd onder medewerkers.
Verder is op 22 augustus een nieuw systeem in gebruik genomen: het Generieke platform voor Document- en Archiefbeheer (GDA). Samen met de keten Omzetbelasting is daarmee de eerste aansluiting op GDA gerealiseerd. De keten Schenk- en Erfbelasting wordt deze week aangesloten op GDZ. Documenten worden na opmaak en verzending automatisch gearchiveerd in GDA. Geautoriseerde gebruikers van de keten kunnen zo eenvoudig de verzonden documenten opzoeken en inzien.
Medewerkers van de Belastingdienst worden met deze nieuwe, centrale voorziening ondersteund bij het verder op orde brengen van hun informatiehuishouding. Dit systeem helpt om ontvangen en verzonden documenten automatisch op te slaan en terug te vinden. Medewerkers kunnen zo gemakkelijk de juiste documenten opzoeken en veilig duurzaam archiveren. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet richting een toekomstbestendige informatievoorziening die voldoet aan wet- en regelgeving, waaronder de Modernisering Elektronisch Berichtenverkeer, de Keuzeregeling Elektronisch Berichtenverkeer en de in 2025 aangenomen nieuwe Archiefwet.
Voor het archiveren van e-mails bestaan werkinstructies en de Belastingdienst werkt aan een centrale voorziening voor e-mailarchivering.
Welke (directe) gevolgen verbindt u aan de bevinding dat artikel 8:42 Awb door de Belastingdienst te beperkt wordt toegepast?
Mede naar aanleiding van het eerste rapport van de IBTD heeft de Belastingdienst verbeteracties doorgevoerd om de informatieverstrekking aan de rechter te verbeteren. De werkinstructie over het verstrekken van op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter is aangepast. Er worden sessies georganiseerd, bestaande uit een e-learning en workshops, die bijdragen aan de bewustwording over inzagerecht en transparantie onder medewerkers. En binnen het programma IOO lopen diverse initiatieven om de informatiehuishouding van de Belastingdienst verder te verbeteren.
De IBTD heeft geen onderzoek gedaan naar die verbeteracties, maar vijf casussen onderzocht die dateren van daarvóór. In de kabinetsreactie heb ik daarom een analyse aangekondigd naar de verbeteracties die de Belastingdienst heeft doorgevoerd. Deze analyse moet het gebruik van de werkinstructies, de verschillende sessies en andere hulpmiddelen voor medewerkers inzichtelijk maken. Over de uitkomsten van die analyse naar de verbeteracties en daaruit voortvloeiende maatregelen wordt uw Kamer geïnformeerd in een stand-van-zakenbrief Belastingdienst.
Herinnert u zich uw antwoord op de motie Inge van Dijk over een onderzoek naar de meerwaarde van het inrichten van een team monitoring hoger beroep (Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1463, bijlage 2025D09381)?
Ja.
Herinnert u zich de vraag dat uw onderzoek naar doorprocederen «aan het licht gebracht dat de Belastingdienst geen of weinig kwalitatieve informatie heeft over de afwegingen van de inspecteur om al dan niet in hoger beroep te gaan»? Kunt u dit onderzoek naar doorprocederen als bijlage bij uw antwoorden voegen?
De Tweede Kamer heeft in april 2024 de motie Inge van Dijk (CDA) aangenomen. Die motie verzoekt het kabinet te onderzoeken of het inrichten van een team, vergelijkbaar aan het Team Monitoring hoger beroep bij de Dienst Toeslagen, ook bij de Belastingdienst meerwaarde kan bieden bij het kritisch beoordelen wanneer de inspecteur hoger beroep instelt.7
Uit de ambtelijke verkenning die is verricht ter uitvoering van de motie blijkt dat er in belastingzaken meerdere waarborgen bestaan om onnodig doorprocederen door de inspecteur te voorkomen. Op grond van paragraaf 3 van het Besluit Beroep in Belastingzaken (BBIB) is de inspecteur verplicht zijn voornemen om hoger beroep in te stellen af te stemmen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren. Paragraaf 4 van het BBIB schrijft verder voor dat als de belanghebbende hoger beroep instelt, de inspecteur nagaat of niet alsnog aan de grieven van de belanghebbende tegemoet gekomen kan worden.
De beschikbare informatie geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake is van onnodig doorprocederen. Mede gelet op een eerste inschatting van de benodigde capaciteit en de bestaande waarborgen, inclusief de vaktechnische infrastructuur en het bestaande Team Cassatie bij de Belastingdienst, zag mijn ambtsvoorganger daarom geen meerwaarde van een Team Monitoring hoger beroep bij de Belastingdienst. Deze verkenning is met de Kamer gedeeld in de stand-van-zakenbrief Belastingdienst van 6 maart jl.8
De verkenning heeft aan het licht gebracht dat de Belastingdienst geen of weinig kwalitatieve informatie heeft over de afwegingen van de inspecteur om al dan niet in hoger beroep te gaan. Het vastleggen van (meer) informatie over procedures wordt opgepakt als onderdeel van het programma Klant- en Zaakbehandeling (KZB). Op dit moment worden de processen binnen KZB verder uitgewerkt. Zodra daarover meer bekend is, informeer ik u in een stand-van-zakenbrief Belastingdienst.
Bent u na het rapport van de Inspectie alsnog bereid om het procederen door de fiscus meer aandacht te geven en waar mogelijk minder tegenover burgers en bedrijven te staan?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van verbetermaatregelen en specifiek te rapporteren over de naleving van artikel 8:42 Awb?
In de kabinetsreactie heb ik aangekondigd de Kamer in een stand-van-zakenbrief Belastingdienst te informeren over de uitkomsten van de analyse naar de verbeteracties en eventuele aanvullende maatregelen. Als de uitkomsten of de eventuele aanvullende maatregelen daar aanleiding toe geven, wordt uw Kamer daar aanvullend over geïnformeerd.
Kunt u aangeven of dezelfde risico’s (selectieve dossiervorming, niet aanleveren interne stukken, onvoldoende reflectie) ook spelen bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT)?
Dienst Toeslagen heeft monitoring (hoger)beroep ingesteld. Indien er op basis van uitspraken door rechters gesignaleerd wordt dat er structureel sprake is van het ontbreken van relevante stukken dan wordt daar op gehandeld. Dat maakt dat deze risico’s kunnen voorkomen, maar specifiek voor UHT geldt dat er waarborgen zijn ingebouwd om deze risico’s zoveel mogelijk te ondervangen. Op verzoek kan de ouder het ouderdossier ontvangen dat alle mogelijke relevante gegevens uit de systemen van de Dienst Toeslagen bevat die betrekking hebben op de integrale beoordeling. De inhoud van dit dossier is onder andere met de werkgroep toeslagenadvocaten afgestemd en wordt sinds april 2024 door UHT actief of op verzoek verstrekt. Dit dossier vormt dus de basis, waar nodig worden gedurende het proces stukken toegevoegd, uit eigen beweging of op verzoek.
Zijn er specifieke waarborgen ingebouwd bij de UHT om te voorkomen dat stukken worden achtergehouden of selectief aangeleverd aan de rechter?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u garanderen dat interne notities, e-mails en verslagen binnen de UHT in beginsel conform artikel 8:42 Awb worden verstrekt aan gedupeerden en de rechter, tenzij artikel 8:29 Awb wordt toegepast?
In beginsel worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. Als blijkt dat er stukken ontbreken, dan worden deze uit eigen beweging of op verzoek in bezwaar toegevoegd.
Indien zulke waarborgen ontbreken, bent u bereid die alsnog in te voeren?
Bij UHT zijn net als bij Dienst Toeslagen waarborgen ingebouwd met de monitoring van (hoger)beroep. Daarnaast is er sprake van advisering door specialisten uit de vaktechnische lijn. Vaktechniek monitort of de juiste type stukken in het ouderdossier zitten. Dat neemt niet weg dat het altijd kan voorkomen dat stukken in individuele gevallen ontbreken. Ook worden waar nodig werkinstructies aan medewerkers als waarborg voor de kwaliteit en samenstelling van de dossiers aangescherpt.
De voortgang van de hersteloperatie toeslagen. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer informeren over de status van de versnelling van de schadeafhandeling die ouders vanaf september tegenmoet zouden kunnen zien, zowel met betrekking tot de route ontwikkeld door het ministerie, als de huidige situatie bij de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH)?
In de aanbiedingsbrief van de 20e VGR is aangekondigd dat het kabinet er alles aan doet om ouders per september een versnelde schadeafhandeling aan te bieden. Het kabinet zet momenteel de laatste stappen naar een vereenvoudiging met uiteindelijk twee routes voor aanvullende schade: de route MijnHerstel en de route van de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Ook zijn samen met diverse betrokkenen waaronder SGH, belangrijke stappen gezet rondom de uniformering van het schadekader. Ik verwacht dit op korte termijn hierover te kunnen communiceren zodat ouders duidelijkheid hebben over hoe we op een ruimhartige manier in de hersteloperatie schadeposten compenseren.
Met SGH zijn afspraken gemaakt over onder andere toegang voor de ouders met een IB-beschikking lager dan € 30.000,- en het overgaan op een systeem waarin schadestaten niet voor- maar achteraf gecontroleerd worden. Deze afspraken zijn gedurende de zomer in de praktijk gebracht, waardoor het nu nog te vroeg is om met zekerheid te zeggen wat voor effect dit heeft gehad op de gemiddelde doorlooptijd van schadeafhandeling bij SGH.
Met betrekking tot de ontwikkeling van Mijn Herstel heb ik u via een Kamerbrief geïnformeerd dat deze route niet in september live kan gaan. Wanneer een livegangsdatum bekend is, zal uw Kamer daarover worden geïnformeerd.
Zijn alle dossiers van gedupeerde ouders, zoals toegezegd, in augustus inderdaad opgepakt? Zo niet, waarom niet en om hoeveel dossiers gaat het?
Ja, op dit moment zijn ook de integrale beoordelingen van de laatste groep aangemelde ouders in behandeling. De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) ligt op koers om zoals toegezegd einde dit jaar de integrale beoordelingen af te ronden.
Is het kabinet inmiddels wel bereid om een regeringscommissaris aan te stellen voor het herstel van de toeslagenaffaire, zoals een meerderheid van de Kamer al vanaf 2023 vraagt vanwege de enorme snelheid waarmee de verantwoordelijk bewindspersonen wisselen en de grote onrust die dit iedere keer veroorzaakt bij gedupeerde ouders en kinderen, aangezien gedupeerden opnieuw te maken hebben met een wisseling van bewindspersoon?
Juist om te zorgen voor voortgang in de hersteloperatie toeslagen en om onrust bij gedupeerden te minimaliseren heeft het kabinet gekozen voor continuïteit op de portefeuille Herstel en Toeslagen, en zal ik de komende periode mijn werk, samen met onder andere uw Kamer voortzetten om ouders voorbij het onrecht te helpen. Eerder heb ik u met de reactie op het rapport van de Commissie Van Dam1 geïnformeerd over de afwegingen rondom het aanstellen van een regeringscommissaris. De primaire verantwoordelijkheid om de hersteloperatie in goede banen te leiden ligt bij het kabinet, ondersteund en gevoed door onder meer een programma-directoraat-generaal gericht op de coördinatie van de hersteloperatie. Het kabinet heeft ervoor gekozen in te zetten op gerichte versterking van het overzicht, de slagkracht en de menselijkheid en tegelijkertijd geen grootscheepse herstructurering door te voeren, zoals bestuurlijke lagen introduceren of organisatorische of juridische herinrichting doorvoeren.
Het bericht ’UEFA gaf clubs in Rusland 10,8 miljoen euro, maar weigerde steun aan Oekraïense clubs’. |
|
Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «UEFA gaf clubs in Rusland 10,8 miljoen euro, maar weigerde steun aan Oekraïense clubs»?1
Ja.
Hoe ziet u de afweging tussen het behouden van een internationaal gelijk speelveld in de sport en het uitsluiten van landen die internationaal als agressor acteren?
Het kabinet is voor een internationaal gelijk speelveld in de sport. Solidariteitsbijdragen kunnen daar een rol in spelen. De solidariteitsbijdragen van de UEFA zijn financiële bijdragen die verdeeld worden uit opbrengsten van Europese Kampioenschappen en Europese clubcompetities (zoals de Champions League). Deze bijdragen zijn bedoeld voor de clubs die niet deelnemen aan die Europese clubcompetities en worden via nationale bonden verdeeld. Het doel hiervan is het verkleinen van de kloof tussen deelnemende en niet-deelnemende clubs.
Tegelijkertijd ziet het kabinet dat Rusland sport inzet voor politieke doeleinden. Het kabinet spant zich daarom in om deelname van Russische en Belarussische atleten onder nationale vlag aan internationale sporttoernooien te voorkomen. Het kabinet doet dit door waar mogelijk, in samenwerking met gelijkgestemde landen, alle beschikbare informele kanalen aan te grijpen om het standpunt in deze voor het voetlicht te brengen. Daarbij is het van belang om te benadrukken dat de internationale sport autonoom is en overheden geen formele bevoegdheid hebben om deelname van Russische en Belarussische atleten onder nationale vlag aan internationale sporttoernooien tegen te gaan.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een Europese organisatie als de UEFA, waar Nederland deel van uit maakt, nog steeds geld overmaakt naar Rusland ondanks de agressie oorlog die het voert in Oekraïne? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op deze vraag hecht ik eraan te benadrukken dat de Nederlandse staat geen lid is van de UEFA. De leden van de UEFA zijn de nationale Europese voetbalbonden, in ons geval de KNVB.
Voorts deel ik uw mening dat het gezien de oorlog een onwenselijke situatie is dat Russische clubs geld ontvangen van de UEFA. Nederland veroordeelt de agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne en steunt de internationale sancties die zijn opgelegd om Rusland onder druk te zetten. In beginsel kunnen organisaties, zoals de UEFA, geld overmaken naar Russische clubs, mits zij voldoen aan de actuele regelgeving. Het is hierin belangrijk dat (Europese) organisaties zelf hun rol nemen in het naleven van internationale sancties. Op basis van de beschikbare informatie heeft het kabinet geen aanwijzingen dat het beleid conform de voorschriften van de UEFA strijdig is met sanctiemaatregelen.
Tegelijkertijd kunnen zowel sanctiewetgeving als financiële constructies complex zijn waardoor per geval bekeken moet worden wie de daadwerkelijke eigenaar van een Russische voetbalclub is en/of zeggenschap over de club heeft en of deze persoon of entiteit op de sanctielijst staat. In dat geval is het immers niet toegestaan om financiële steun te bieden aan de club.
Het kabinet moedigt echter aan dat organisaties zoals de UEFA ook buiten de sanctiemaatregelen ervoor kiezen om vanwege de illegale agressie tegen Oekraïne niet langer actief te willen zijn in Rusland, onder andere door haar standpunt nadrukkelijk en herhaaldelijk tijdens gesprekken met deze organisaties te bespreken.
Bent u van mening dat Rusland als lid van de UEFA voor onbepaalde tijd geschorst zou moeten worden als gevolg van de aanhoudende agressie oorlog tegen Oekraïne? Zo niet, waarom niet?
De UEFA heeft Russische clubs en het Russische nationale team geschorst sinds de Russische inval in Oekraïne op 24 februari 2022. Rusland is formeel nog wel lid van de UEFA, maar het kan geen actieve rol spelen bij internationale voetbaltoernooien. Russische clubs en het Russische nationale team mogen daardoor niet meer deelnemen aan internationale voetbalwedstrijden. Deze maatregel is bevestigd door het CAS (Court of Arbitration for Sport). Volgens de huidige regels van UEFA hebben Russische clubs – ondanks de schorsing – echter nog wel recht op de solidariteitsbijdrage.
Bent u bereid om zich in samenspraak met de KNVB ervoor in te zetten dat de UEFA niet langer geld overmaakt naar Rusland? Zo niet, waarom niet?
Zoals eerder benoemd in het antwoord op vraag 3 moedigt het kabinet aan dat organisaties zoals de UEFA ook buiten de sanctiemaatregelen ervoor kiezen om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te willen zijn in Rusland. Het kabinet zal alle beschikbare informele kanalen aangrijpen om zijn standpunt in deze voor het voetlicht te brengen en hierover ook contact hebben met de KNVB.
Deelt u de mening dat het verwerpelijk is dat Oekraïense clubs niet de steun ontvangen van de UEFA, die alle andere Europese competities wel ontvangen, omdat deze in een «zone van militaire operaties liggen» terwijl de agressor in het conflict wel steun ontvangt, ondanks de uitsluiting van Europese competities? Zo niet, waarom niet?
Het is opmerkelijk dat Oekraïense clubs niet de solidariteitsbijdrage van de UEFA hebben ontvangen, die andere Europese clubs wel ontvangen, omdat deze in een «zone van militaire operaties» zouden liggen. De achterliggende redenen hiervan zijn onduidelijk. Daarom heb ik contact opgenomen met de KNVB en om recht te doen aan uw vragen heeft de KNVB navraag gedaan bij de UEFA over de ontstane situatie. Daaruit blijkt dat de UEFA benadrukt dat zij nooit solidariteitsgelden heeft geweigerd aan Oekraïense clubs die daar aanspraak op zouden kunnen maken. Bij uitbetalingen aan nationale bonden moet UEFA de uiteindelijke begunstigde vermelden omdat dit vereist wordt door banken en autoriteiten. Voor bepaalde Oekraïense clubs kon de bank de transacties niet verwerken. UEFA geeft aan actief met banken en autoriteiten aan een oplossing te werken om deze blokkades op te heffen en de betalingen alsnog te realiseren.
Bent u bereid om zich in samenspraak met de KNVB ervoor in te zetten om de behandeling van Oekraïense betaald voetbalorganisaties gelijk te trekken met die van alle andere Europese landen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:1810)?1
Ja. Mede naar aanleiding van deze uitspraak bereid ik een wijziging voor van de Regeling basisregistratie personen en het Logisch Ontwerp Basisregistratie Personen2.
Waarom is er middels de «code 404» op indirecte wijze nog steeds in de Basisregistratie Personen geregistreerd dat een burger naast de Nederlandse een tweede nationaliteit heeft?
Sinds 6 januari 2014, bij inwerkingtreding van de wet Basisregistratie Personen3, wordt er bij inschrijving in de BRP geen vreemde nationaliteit naast de Nederlandse meer geregistreerd4. De vreemde nationaliteiten naast de Nederlandse die geregistreerd waren voor inwerkingtreding van de wet BRP zijn bewaard als historische gegevens, onder de code 404 («bijhouding gestopt»). Dit volgt uit het Logisch Ontwerp BRP, een bijlage bij de Regeling Brp. Voor deze wijze van implementatie is bij de inwerkingtreding van de wet gekozen omdat gebruikers van de BRP historische gegevens over nationaliteit nodig hebben bij uitvoering van hun wettelijke taken.
Deelt u het oordeel van de rechtbank dat een bij een burger opgenomen «code 404» een persoonsgegeven als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is?
Ik deel het oordeel van de rechtbank.
Welke noodzaak is er voor deze indirecte registratie van een tweede nationaliteit naast de Nederlandse?
Ik volg het oordeel van de rechtbank dat er geen noodzaak is voor de registratie als historisch gegeven (indirecte registratie) van de tweede nationaliteit in het in de rechtszaak behandelde geval.
Het is van belang bij de registratie van historische gegevens over nationaliteiten onderscheid te maken tussen twee situaties:
Naar aanleiding van klachten en vragen over de registratie van historische gegevens over nationaliteit in de BRP en met oog op datakwaliteit heeft BZK onderzocht of en hoe deze historische gegevens over vreemde nationaliteiten worden gebruikt door gebruikers van de BRP.
Uit deze inventarisatie is gebleken dat de noodzakelijkheid van deze historische gegevens in situatie 2 voor de uitvoeringspraktijk zeer beperkt is. Waar toch nodig, kunnen gebruikers gegevens via andere weg verkrijgen, bijvoorbeeld door een vreemde nationaliteit vast te stellen gedurende een gerechtelijke procedure. Dit toont aan dat de noodzaak van de verwerking ontbreekt.
De Rechtbank Rotterdam heeft in lijn hiermee op 11 februari jl. geoordeeld dat het in de BRP bewaren van de historische vreemde nationaliteiten naast de Nederlandse niet noodzakelijk is en daarmee in strijd met de Wet Brp en de AVG is. De rechtbank oordeelde in betreffende uitspraak dat de betreffende gegevens gewist moeten worden op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de AVG, omdat de gegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor ze verzameld of anderszins verwerkt zijn.
Uit de inventarisatie onder gebruikers van de BRP bleek dat gegevens over de vreemde nationaliteit vóór naturalisatie wel noodzakelijk zijn voor de uitvoering van publieke taken, bijvoorbeeld om vast te stellen welke nationaliteit de persoon vóór naturalisatie had. Ook zijn bepaalde besluiten gekoppeld aan een peildatum in het verleden. Dit is dus een andere situatie dan de situatie waar de rechtbank uitspraak over heeft gedaan.
Verandert uw antwoord op vraag vier als het gaat om een in Nederland geboren burger die de Nederlandse nationaliteit heeft?
Nee.
In het antwoord heb ik de verschillende situaties geschetst. Niet of iemand geboren is in Nederland is daarbij relevant, maar of iemand bij geboorte (registratie in de BRP) al de Nederlandse nationaliteit bezat. In dat geval is er, dat bleek ook uit de in 2024 gehouden inventarisaties, geen noodzaak voor het als historisch gegeven in de BRP geregistreerd blijven van een andere nationaliteit naast de Nederlandse. Die gaan dus worden verwijderd.
Had iemand nog niet de Nederlandse nationaliteit, dan is er, zoals toegelicht wel noodzaak aan registratie van het historische gegeven over een eerdere nationaliteit. Dus als een burger de Nederlandse nationaliteit nog niet had, dan blijft bij naturalisatie de vorige andere nationaliteit wel geregistreerd (als historisch gegeven, beschikbaar voor gebruikers van de BRP). Het is daarbij niet van belang of een burger al dan niet ook afstand heeft kunnen doen van zijn niet-Nederlandse nationaliteit.
Deelt u de mening dat burgers die in Nederland zijn geboren, de Nederlandse nationaliteit hebben en niet op de hoogte zijn van een door een andere mogendheid geclaimde nationaliteit van die burger, de keuze moeten hebben om elke verwijzing naar vermeldingen zoals een categorie 4, met betrekking tot de Turkse nationaliteit, als ook de daaropvolgende beëindiging met «code 404», volledig te laten verwijderen uit de Basisregistratie Personen?
Ja, die mening deel ik.
Het enkel op verzoek gaan verwijderen van de betreffende gegevens in de in de vraag geschetste situatie zou betekenen dat niet-noodzakelijke gegevens zouden blijven worden verwerkt in de BRP. Dat is onwenselijk. Ik ben daarom voornemens in alle gevallen dat een persoon al vanaf geboorte het Nederlanderschap bezat, de andere nationaliteit(en) uit de BRP te gaan verwijderen. Burgers hoeven daar dus geen verzoek voor in te dienen.
De Regeling Brp en het Logisch Ontwerp BRP5 zullen hiervoor in 2026 worden aangepast.
Ik zal gemeenten informeren in de tussentijd verzoeken van burgers om de gegevens te verwijderen te honoreren. Ik zal daarvoor een instructie laten opstellen.
Deze verwijdering/aanpassing geldt uitdrukkelijk niet voor de historische gegevens over de vreemde nationaliteit van personen die na hun inschrijving in de BRP zijn genaturaliseerd (situatie 1 bij beantwoording vraag6 Deze blijven beschikbaar voor uitvoeringsorganisaties die daarvoor geautoriseerd zijn. Het gaat in dat geval niet om een vreemde nationaliteit naast de Nederlandse, maar om «opeenvolgende» nationaliteiten. De genaturaliseerde persoon had bijvoorbeeld voorafgaand aan de naturalisatie de Spaanse nationaliteit, en na naturalisatie enkel de Nederlandse nationaliteit. De Spaanse nationaliteit blijft als historisch gegeven beschikbaar voor gebruikers van de BRP.
Welke selecties zijn er in de Basisregistratie Personen op «code 404» door wie uitgevoerd sinds 2000?
De code 404 is vanaf 1 februari 2015 gebruikt, sinds de technische implementatie van de regelgeving. De code houdt in «bijhouding gestopt» als invulling van het gegeven «reden beëindiging nationaliteit.»
De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens is nagegaan of er selecties op deze code zijn uitgevoerd. Dat is niet het geval.
Het artikel 'Zorgvuldige nieuwe wetgeving kan regelbrij voorkomen' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekent met het rapport van PricewaterhouseCoopers (PwC): Feiten en effecten wet- en regelgeving op uitvoeringsorganisaties?1
Ja.
Herkent u de gedane constateringen in het rapport en kunt u toelichten of deze in lijn zijn met de reeds gedane constateringen binnen het kabinet en of u van mening bent dat, gezien dit rapport, de acties vanuit het kabinet voldoende zijn om deze tendens te doorbreken?
Ja. Wij herkennen dat er uitvoeringsdruk is op uitvoeringsorganisaties door complexe wet- en regelgeving. Ook door de stijging van het aantal wetten dat eisen stelt op het gebied van privacy en (informatie)beveiliging (vaak wetgeving die voor alle uitvoerders geldt). En de hoeveelheid aan regels en uitzonderingen. De constateringen in het rapport zijn in lijn met de constateringen van het kabinet. In het regeerprogramma van dit kabinet was hier aandacht voor: «De complexiteit van regelgeving moet worden teruggedrongen. De (digitale) dienstverlening moet voor iedereen eenvoudig en te begrijpen zijn».Ook zet het kabinet-Schoof vanuit het programma Werk aan Uitvoering in op onder andere een actieagenda vereenvoudiging, waarin het terugdringen van complexiteit van regelgeving voor mensen en bedrijven centraal staat. In de kamerbrief WaU die in oktober aan uw Kamer wordt verzonden, wordt u hierover geïnformeerd. Een belangrijk initiatief hierin is de Hervormingsagenda Inkomensondersteuning, waarover de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) u eerder in een Kamerbrief informeerde.2
Om de tendens van toenemende complexiteit en opeenstapeling van wet- en regelgeving te doorbreken is het van belang om langdurig aandacht te besteden aan vereenvoudiging, niet alleen door het huidige kabinet, maar ook door toekomstige kabinetten. Vereenvoudiging is een gedeelde verantwoordelijkheid van de Kamers, kabinet en (uitvoerings)organisaties.
Daarbij is het ook van belang dat de uitvoeringsconsequenties van generieke wetgeving (zowel nationaal als internationaal) zo goed mogelijk in kaart worden gebracht. De implementatie hiervan vergt verandercapaciteit van uitvoeringsorganisaties en kan leiden tot prioriteringskeuzes in samenhang met onderhanden of voorgenomen beleid. Vooruitkijken is hierbij van groot belang.
Hoe verklaart u het grote verschil in de gedane analyse die aantoont dat sinds 2005 het aantal wetten en regels voor uitvoeringsorganisaties is toegenomen met 147% terwijl de toename van wetten en regels maatschappij breed aanzienlijk lager was namelijk 14%?
Het rapport van PwC geeft een overzicht van het aantal wetten en regels voor de 51 grootste uitvoeringsorganisaties die onder een groot aantal departementen vallen. Deze zijn niet uitgesplitst per departement. De achterliggende data zijn niet gepubliceerd en de onderzoeksmethode wordt globaal geduid in het rapport. Wij vinden het hoe dan ook belangrijk om door vereenvoudiging de complexiteit en hoeveelheid regelgeving te beperken. Dit is een opgave van ons allemaal.
Hoe kijkt u naar de constatering in het rapport dat, op basis van de adviezen van de Raad van State niet kan worden gesteld dat de kwaliteit van wet- en regelgeving noemenswaardig is afgenomen maar dat het wel zo kan zijn dat de uitvoerbaarheid (één van de vier toetsingscriteria) achteruit is gegaan?
De afdeling Advisering van de Raad van State hanteert een beoordelingskader met vier onderdelen, waaronder uitvoerbaarheid. De verschillende onderdelen hangen vaak met elkaar samen. Ook in de beleidsvoorbereiding wordt rekening gehouden met uitvoerbaarheid. Het kan zo zijn dat wetgeving leidt tot extra uitvoeringslasten voor de uitvoeringsorganisaties, bijvoorbeeld om het juiste dienstverleningsniveau of maatwerk te kunnen bieden aan specifieke groepen burgers en bedrijven. Een toename van wet- en regelgeving kan de uitvoering daarom complexer maken.
Ook internationale afspraken of gerechtelijke uitspraken die resulteren in nieuwe wetgeving leiden doorgaans tot aanvullende uitvoeringslasten. In antwoord 5 gaan wij verder in op hoe in de beleidsvoorbereiding met uitvoerbaarheid wordt omgegaan.
Indien u van mening bent dat dit inderdaad samenhangt met achteruitgang van de uitvoerbaarheid, bent u dan voornemens en hoe bent u voornemens, hier steviger op te gaan sturen aan de voorkant van het proces, namelijk bij de totstandkoming van regelgeving?
Bij totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving worden standaardprocessen gevolgd. Het Beleidskompas is hierbij leidend. Binnen het Beleidskompas is de uitvoerbaarheid van nieuwe wet- en regelgeving een van de verplichte kwaliteitseisen. Nauwe samenwerking tussen beleid en uitvoering is belangrijk om maatschappelijke wensen te kunnen vertalen naar uitvoerbare wetgeving. Het vroegtijdig en integraal in beeld brengen van de uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens stelt ons in staat om gewogen en zorgvuldig beslissingen te nemen.
Voor uitvoerders is het steeds belangrijker dat een bewuste afweging en prioritering wordt gemaakt in de eisen en wensen die op hen afkomen. Dat gaat bijvoorbeeld om nieuwe wetgeving, gewenste verbeteringen in de dienstverlening en het toezicht en de benodigde modernisering van de ICT. Vooruitblikken op aankomende wet- en regelgeving is hier onderdeel van. De meerjarige planning van het totaal aan opdrachten en ambities vergt goede afstemming tussen politiek, beleid en uitvoering.
Die politieke betrokkenheid en steun bij moeilijke keuzes in vereenvoudiging is ook vanuit de Kamer nodig. Alle partijen moeten hierin hun verantwoordelijkheid nemen.
Waarom worden, in plaats van belangrijk stelsels zoals het toeslagenstelsel, te herzien, deze regelmatig uitgebreid met nieuwe uitwerkingen van wetten en regels zonder stevige toetsing vooraf, bijvoorbeeld door een Raad van State?
Het kabinet vindt het belangrijk dat wetsvoorstellen, AmvB’s en regelingen een zorgvuldig wetgevingsproces doorlopen. Zoals gebruikelijk worden wetsvoorstellen en AmvB’s getoetst door de Raad van State. Ministeriële regelingen worden, zoals het rapport van PwC schetst, niet door dit orgaan getoetst. Hoewel de Raad van State bij ministeriële regelingen geen advies uitbrengt, betekent dit niet dat er geen sprake is van andere waarborgen in de totstandkoming van regelgeving. Regelingen kunnen, net zoals wetsvoorstellen en AmvB’s, door andere instanties worden getoetst, zoals de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad voor de Rechtspraak. Daarnaast is het bij alle wijzigen aan wetten en regels gebruikelijk dat de betreffende uitvoeringsorganisatie een uitvoeringstoets doet. Bovendien worden nieuwe trajecten ontwikkeld aan de hand van het Beleidskompas. Er vindt geen wijziging van wet- of regelgeving plaats zonder een zorgvuldige en diepgaande afweging.
Vindt u het verstandig dat, zeker bij een politiek gevoelig onderwerp, snelheid voor zorgvuldigheid dreigt te gaan (asielwetten en zorgen over uitvoerbaarheid bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is hier een voorbeeld van) en is ze zich bewust van de risico’s van deze keuze en zou ze die hieronder kunnen beschrijven?
In het wetgevingsproces zitten vaste checks and balances ingebouwd om te komen tot zorgvuldige wetgeving. Bijvoorbeeld uitvoeringstoetsen, wetgevingstoetsen, doenvermogenscans en adviezen van de Raad van State. Deze checks and balances zorgen ervoor dat verschillende perspectieven, zoals het uitvoerbaarheidsperspectief, tot hun recht komen. Daar waar dit proces onder tijdsdruk komt te staan, neemt het risico op onuitvoerbare wetgeving toe. Bijvoorbeeld bij amendementen. Daarom is eerder aangegeven om terughoudend en zorgvuldig te zijn bij het indienen van en het stemmen over amendementen. Het is belangrijk om de tijd te nemen voor het uitwerken van wet- en regelgeving en dat voor te laten gaan voor de snelheid van het proces. Investeren in zorgvuldige wetgeving aan de voorkant kent voordelen. Het doelbereik is groter en de noodzaak van reparaties achteraf kleiner. Het is een uitdaging om de juiste balans te vinden tussen het oplossen van maatschappelijke vraagstukken, grondigheid en snelheid. Wij vinden zorgvuldige wet- en regelgeving binnen de dynamiek van het politieke en wetgevingsproces van belang, dit vraagt om een goed samenspel.
Bent u bereid tijdelijk bedoelde maatregelen in beeld te brengen met een onderbouwing waarom deze nog niet zijn afgebouwd en dit overzicht naar de Kamer te sturen, aangezien het aantal uitzonderingen per wet of regel bijna is verdubbeld (+88%) en voor tijdelijk bedoelde uitzonderingen geldt vaak: niets is zo permanent als een tijdelijke maatregel?
Er is op dit moment geen Rijksbreed beeld van tijdelijke maatregelen of maatregelen met een horizonbepaling. Hiervoor draagt ieder departement zelf de verantwoordelijkheid. Tijdelijke maatregelen kunnen echter ook nuttig zijn om – in afwachting van een permanentere oplossing – sneller een probleem te kunnen oplossen of om invulling te kunnen geven aan de menselijke maat en maatwerk. Het is een uitdaging om tijdelijke maatregelen af te schaffen, zeker als deze begunstigend zijn.
Staat arbeidsproductiviteit hoog op de gezamenlijke agenda van ministeries en uitvoeringsorganisaties en hoe wordt hier gezamenlijk op geacteerd aangezien arbeidsproductiviteit in onze krappe arbeidsmarkt een grote zorg is en er is een sterk verband tussen de toename van het aantal uitzonderingen en de daling van de productiviteit van uitvoerders?
Grote maatschappelijke opgaven en arbeidskrapte verhouden zich lastig tot elkaar. Hoe om te gaan met (personele) schaarste is op dit moment bij zowel ministeries als uitvoeringsorganisaties een belangrijke vraag. Arbeidskrapte vraagt om keuzes maken en om innovatie in de wijze waarop het werk gedaan wordt. Grip op schaarste is een van de thema’s waarmee het overheidsbrede programma Werk aan Uitvoering aan de slag is. Hier bent u per brief van 20 juni jl. over geïnformeerd via de Voortgangsrapportage Programma Werk aan Uitvoering.3
Vereenvoudiging kan een middel zijn om de uitvoering van wet- en regelgeving te vergemakkelijken en daarmee minder arbeidsintensief te maken. Vereenvoudiging zorgt ook voor minder gerichte maatregelen. De afweging tussen eenvoud en gerichtheid heeft het kabinet samen met de publieke dienstverleners en met uw Kamer te maken.
Zou u per aanbeveling uit het rapport willen reageren hoe u voornemens bent hiermee om te gaan?
Reactie op aanbeveling 1)
In het ambtelijk rapport Fiscale Regelingen werkt FIN beleidsopties uit om te komen tot een eenvoudiger en beter belastingstelsel. Ook wordt in de Stand van de uitvoering Belastingdienst stilgestaan bij knelpunten en opgehaalde signalen van binnen en van buiten de organisatie. Daarnaast werkt FIN actief aan het in kaart brengen van uitvoeringswensen. Dit zijn kansen om via wetgeving omissies in wet- en regelgeving op te lossen, de interactie met burgers en bedrijven te stroomlijnen, het stelsel te vereenvoudigen en om naleving te bevorderen.
Bij SZW wordt hier ook invulling aan gegeven. Sinds 2018 publiceert SZW, samen met UWV en de SVB, halfjaarlijks de Stand van de uitvoering sociale zekerheid. In dit rapport wordt ingegaan op wat er goed gaat in de uitvoering, maar ook waar UWV en de SVB knelpunten signaleren. Sinds 2021 publiceren zij elk hun eigen knelpuntenbrief. Het doel van deze brieven is om uw Kamer te informeren over waar wetten en regels knellen voor burgers en uitvoering. De knelpuntenbrieven worden gevoed door signalen van cliënten en medewerkers. Tevens geeft de uitvoering oplossingsrichtingen mee. De Landelijke Cliëntenraad (LCR) publiceert sinds 2023 ook jaarlijks een knelpuntenbrief over domeinoverstijgende knelpunten binnen de sociale zekerheid.
Hervorming en vereenvoudiging gaan gepaard met politieke keuzes, omdat vereenvoudiging in veel gevallen betekent dat regelingen minder gericht worden. Dat kan gepaard gaan met negatieve inkomenseffecten of budgettaire effecten. Bij de concrete uitwerking van beleidsopties voor verschillende wetten zullen deze keuzes zorgvuldig in kaart worden gebracht en aan de Kamer worden voorgelegd.
Reactie op aanbeveling 2)
Modernisering van IT is essentieel. Deze opgave vraagt structureel middelen en tijd en vooral ook gerichte keuzes. Modernisering zorgt ervoor dat de technologie toekomstbestendig is en dat wijzigingen eenvoudiger, met minder capaciteit en in kortere tijd uitgevoerd kunnen worden. Dit draagt eraan bij om grotere wetswijzigingen of zelfs stelselwijzigingen te kunnen doorvoeren en de dienstverlening voor burgers en bedrijven te verbeteren. Daarvoor investeren onder andere het UWV, de SVB en de Belastingdienst, naast de vervanging van verouderde systemen, steeds meer in lifecyclemanagement. Bij de uitvoeringstoets door de uitvoerder(s) is de uitvoerbaarheid van beleid in relatie tot de IT-veranderopgave een belangrijk aandachtspunt. Voor maatwerkdossiers wordt verwezen naar antwoord 15.
Reactie op aanbeveling 3)
Het kabinet heeft aangekondigd het stelsel van inkomensondersteuning te willen vereenvoudigen en de regelingen te versimpelen. De realiteit laat zien dat de complexiteit die volgt uit een zo gericht mogelijke regeling, er juist voor kan zorgen dan burgers en bedrijven niet krijgen wat ze nodig hebben. Ons uitgangspunt is dan ook: hervorming en vereenvoudiging is nodig.
Bent u bereid heldere keuzes te maken waarmee huidige regels uitvoerbaarder worden en om per uitvoerder samen met de werkvloer te onderzoeken waar bestaande wetten en regels knellen in de uitvoering, zoals het rapport vraagt?
Wij hebben voorwerk gedaan voor – en verder gewerkt aan – stelselhervormingen. Dit blijkt uit onder andere de inzet van het programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen (VIM), de hervormingsagenda inkomensondersteuning, het ambtelijk rapport Fiscale Regelingen voor een eenvoudiger en beter belastingstelsel en de brief taakopdracht hervorming belasting en toeslagenstelsel. Deze hervormingen vragen om scherpe en heldere keuzes in afstemming met de uitvoeringsorganisaties en de politiek. Het is een belangrijke opgave voor een volgend kabinet om een (stelsel)hervorming verder te brengen.
Bent u bereid, zoals het rapport vraagt, tot vereenvoudig van wetsvoorschriften waar mogelijk door scherpe keuzes te maken: is de burger gebaat bij een complexere maatwerkregeling en maken we daar extra capaciteit voor beschikbaar, of versimpelen we de regeling zodat deze uitvoerbaar is met de bestaande capaciteit?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid werk te maken van stelselhervormingen met specifieke aandacht voor het inperken van de stapeling van wetten en uitzonderingen en waarbij grote stelsels periodiek worden opgeschoond, zoals het rapport vraagt?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid in beeld te brengen hoeveel middelen en tijd nodig zijn om binnen nu en acht jaar verouderde IT-systemen door te ontwikkelen ervan uitgaande dat de IT in de tussentijd niet met grote hoeveelheden nieuw beleid wordt belast?
Uitvoeringsorganisaties van FIN en SZW, zoals het UWV, de SVB en de BD beschikken over meerjarenplannen en portfolio overzichten waarin ook de vervanging van verouderde IT-systemen is opgenomen en er wordt ingezet op lifecyclemanagement om bestaande systemen up-to-date te houden. In deze plannen is expliciet aandacht voor de benodigde middelen, beschikbare capaciteit, prioritering, uitvoerbaarheid, en afhankelijkheden.
Bent u bereid te bekijken of ook maatwerkdossiers (semi-)automatisch kunnen worden verwerkt?
Zoals reeds aangegeven in de brief «Voortgang Professionals voor Maatwerk Multiproblematiek» van 8 juli 2025 worden maatwerkdossiers gekenmerkt door complexiteit: er zijn vaak meerdere wetten en regelingen van toepassing die met elkaar interacteren, en meerdere organisaties betrokken vanuit verschillende domeinen.4 De unieke omstandigheden van het individu wegen zwaarder dan de standaardregels. Persoonlijk contact is daarom noodzakelijk voor goede afhandeling van maatwerkdossiers. Deze dossiers kunnen hierdoor niet altijd (semi-)automatisch worden uitgevoerd en vragen om professionele beoordeling en menselijke afweging.
De uitspraak van de Raad van State over de verlening van subsidie door een gemeente aan een lokale welzijnsorganisatie |
|
Henri Bontenbal (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Raad van State over een geschil tussen de gemeente Peel en Maas en Negen B.V.?1
Ja.
Wat is uw reactie op deze uitspraak, waarin de Raad van State stelt dat begrotingssubsidies schaars kunnen zijn en als dat zo is, dat het bestuursorgaan dan gelijke kansen moet bieden via het bieden van mededingingsruimte of op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria moet motiveren dat er maar één serieuze gegadigde is?
De Afdeling heeft eerder al uitspraken gedaan waarin zij heeft overwogen dat in het Nederlandse recht een rechtsnorm geldt die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse subsidiemiddelen door het bestuur op enige wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare subsidiemiddelen mee te dingen. Er is sprake van schaarse subsidiemiddelen als de beschikbare middelen begrensd zijn en er meer gegadigden zijn.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 geoordeeld dat bestuursorganen bij het verstrekken van specifiek een subsidie gebaseerd op een begroting (een «begrotingssubsidie») in beginsel mededingingsruimte moeten bieden. In wezen merkt de Afdeling het verstrekken van een begrotingssubsidie aan als het verstrekken van een schaars recht.
Het gevolg daarvan is dat de criteria die zijn ontwikkeld in de Didam-arresten van de Hoge Raad ook gelden voor het verstrekken van begrotingssubsidies. Dat betekent dat i) een bestuursorgaan dat het voornemen heeft om subsidiemiddelen te verstrekken, ruimte moet bieden aan potentiële gegadigden om mee te dingen, ii) een bestuursorgaan op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria tot de conclusie mag komen dat er maar één serieuze gegadigde is en iii) bestuursorganen met het oog op gelijke kansen het voornemen tot het verstrekken van de subsidiemiddelen aan de serieuze gegadigde tijdig moeten publiceren. Daarbij geldt dat met de hoogte van de subsidie ook de zwaarte van de motivering toeneemt.
Kunt u aangeven wat in de praktijk de gevolgen zijn van deze uitspraak voor het decentrale bestuur en politieke organen zoals de gemeenteraad en de provinciale staten?
Het verstrekken van schaarse begrotingssubsidies zal – wellicht meer dan nu het geval is – moeten worden geformaliseerd in de zin dat er een (beleids)kader over de wijze van verdeling en bekendmaking van de subsidiegelden zal moeten worden vastgesteld en toegepast. Daarbij zij opgemerkt dat het verstrekken van een subsidie op grond van de begroting eerder uitzondering dan regel is.
Klopt het dat deze uitspraak ertoe leidt dat het bieden van mededingingsruimte bij het verlenen van begrotingssubsidie voortaan de hoofdregel is? Zo ja, wat vindt u hiervan?
De uitspraak van de Afdeling bevestigt dat ook bij een begrotingssubsidie een bestuursorgaan in beginsel mededingingsruimte moet bieden en de zogenaamde Didam-criteria – genoemd bij het antwoord op vraag 2 – moet toepassen. Dat kan aan de voorkant van een proces meer werkzaamheden met zich meebrengen, omdat bijvoorbeeld moet worden nagedacht over de beoordelingscriteria en de wijze waarop gegadigden gelijkelijk worden benaderd en behandeld. Anderzijds zorgt dit ook voor meer transparantie, een zorgvuldige motivering van besluiten en efficiëntere verantwoording bij het verstrekken van begrotingssubsidies, wat kan worden gezien als een positief gevolg. Zoals de Afdeling ook overweegt, maakt het feit dat de raad een gekozen orgaan is dit niet anders.
Vindt u dat deze uitspraak leidt tot toenemende en onwenselijke juridificering van lokale politieke besluiten over het verlenen van een begrotingssubsidie? In hoeverre komt hiermee de democratische legitimiteit in het geding?
Zie het antwoord op vraag 4. De verwachtingen ten aanzien van de werkwijze bij besluitvorming kan worden gezien als juridificering. Welke criteria bij de afweging zullen worden betrokken en welke afweging de doorslag geeft, blijft uiteindelijk een politieke en democratisch gelegitimeerde keuze. Deze uitspraak brengt daarin geen verandering.
Vindt u dat deze uitspraak kan leiden tot nog veel meer regeldruk(kosten) voor gemeenten en provincies? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen?
Het is aannemelijk dat het verstrekken van (begrotings)subsidies bewerkelijker wordt, vanwege de «Didam-eisen». In zoverre nemen de regeldruk en de kosten hiervan toe. Overigens is dit ook afhankelijk van de bestaande praktijk. Die kan per gemeente/provincie verschillen. Op dit moment heb ik geen overzicht van de wijze waarop gemeenten en provincies omgaan met het verstrekken van (begrotings)subsidies en wat de uitspraak dus precies voor gevolg heeft. Ik heb vooralsnog geen signalen ontvangen dat de uitspraak tot onwerkbare situaties leidt, maar ik laat dat verifiëren bij gemeenten.
Kunt u aangeven wat in de praktijk de gevolgen zijn voor lokale welzijnsorganisaties zonder winstoogmerk, die door deze en eerdere rechterlijke uitspraken over aanbestedingsregels steeds meer moeten concurreren met grotere commerciële organisaties?
Alle organisaties die in aanmerking willen komen voor een subsidie zullen mogelijk hun aanvraag beter moeten onderbouwen en kunnen daar mogelijk meer werk aan hebben. Of dit in de praktijk leidt tot ernstige complicaties voor lokale welzijnsorganisaties is niet bekend. Bij signalen dat dit inderdaad het geval is, kan onderzoek worden gedaan naar mogelijke oplossingen.
Wat vindt u ervan dat met name het sociaal domein door deze uitspraak en toenemende aanbestedingsregels steeds meer vercommercialiseert en juridificeert?
Meer transparantie bij het verstrekken van (begrotings)subsidies zie ik niet als een negatieve ontwikkeling, ook niet voor het sociaal domein. Dit neemt niet weg dat gewaakt moet worden voor excessieve procedures die ertoe leiden dat – zoals bij vraag 7 al is opgemerkt – kleine lokale organisaties de last van een aanvraag niet meer kunnen dragen en daardoor niet of moeilijk een subsidie kunnen krijgen. Ook moet worden voorkomen dat eisen van transparantie doorschieten in onderlinge concurrentie ten aanzien van de presentatie van diensten. Het moet uiteindelijk altijd om de dienstverlening zelf draaien omdat de inwoners daar de gevolgen van ondervinden.
Bent u van mening dat het lokale en provinciale bestuur ruimte moet hebben en houden om zonder aanbesteding te kiezen voor het verlenen van begrotingssubsidies en bijvoorbeeld verlenging van contracten met bewezen gecontracteerden, zoals lokale welzijnsorganisaties zonder winstoogmerk? Zo ja, vormt de uitspraak aanleiding om bestaande wet- en regelgeving aan te passen om die ruimte te blijven bieden?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1, volgt uit de uitspraak dat het bieden van mededinging niet noodzakelijk is als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie. In dat geval kan dus een subsidieverstrekker een begrotingssubsidie aan deze serieuze gegadigde verstrekken. Indien wel mededingingsruimte moet of wordt geboden, kunnen kwaliteit en lokale binding in de beoordelingscriteria worden meegenomen indien de criteria objectief, redelijk en toetsbaar zijn. Ik zie op dit moment geen aanleiding om bestaande wet- en regelgeving aan te passen naar aanleiding van de uitspraak.
Bent u van mening dat er met name in het sociaal domein alternatieven moeten zijn voor aanbesteding, zoals verlenging van contracten op basis van geleverde kwaliteit of lokale binding? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen?
Zie antwoord op vraag 9.