De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Inclusiviteit ligt ten grondslag aan de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s die het ministerie financiert. Deze programma’s zijn daarom zo veel mogelijk toegankelijk voor diverse groepen in een samenleving, waaronder mensen met een beperking. Conform de motie Ceder en Bamenga (Kamerstuk 36 180, nr. 149) blijf ik op reguliere basis in gesprek met relevante organisaties, zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD).
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Binnen de sectoren water, voedsel en gezondheid wordt inclusie als uitgangspunt gehanteerd bij de ontwikkeling en de uitvoering van programma’s. Hieronder valt ook het waarborgen van toegang tot interventies voor mensen met een beperking, naast andere kwetsbare groepen.
Een voorbeeld binnen de watersector is het door Nederland medegefinancierde Global Water Security and Sanitation Partnership met de Wereldbank. Dit programma stimuleert toegang voor mensen met een beperking tot werk en diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen en bevordert dat zij een rol spelen in besluitvorming.
Binnen de programmering op voedselzekerheid is het landrechtenprogramma in Benin (Projet de Préparation de la Mise à l'Échelle du Cadastre national) een voorbeeld van een project gericht op het bevorderen van toegang tot land voor vrouwen, jongeren en kwetsbare groepen, zoals mensen met een beperking.
Binnen de programmering op gezondheid werken partners in Mozambique bijvoorbeeld met afbeeldingen voor betere communicatie met mensen met een auditieve beperking. Ook start dit jaar in Burkina Faso een programma op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) dat rekening houdt met de informatiebehoeften van mensen met een beperking.
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert regulier overleg met organisaties zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD), waarin onder meer wordt gesproken over de inclusie van mensen met een beperking in ontwikkelingsbeleid en -programma’s.
Ook in de SRHR NEXT-alliantie van Nederlandse organisaties wordt specifiek aandacht besteed aan de behoeften en toegang van mensen met een beperking.
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Dat betekent dat de betrokkenheid van kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperking, niet systematisch gemonitord wordt. Het is dan ook niet uitvoerbaar uw Kamer periodiek te informeren over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies. Uiteraard blijft inclusie van mensen met een beperking een belangrijk aandachtspunt binnen onze beleidsontwikkeling en programmatische inzet. In onze reguliere rapportages, zoals het BHOS-Jaarverslag, zal ik, waar mogelijk, blijven aangeven hoe dit in de praktijk wordt ingevuld.
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Bij het uitwerken van de nieuwe visie op ontwikkelingssamenwerking wordt gekeken naar advisering door de AIV. Bij de totstandkoming van haar advies, heeft de AIV een openbare oproep gedaan om bij te dragen met schriftelijke input. Daarop hebben diverse organisaties kunnen reageren, waaronder hopelijk organisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen of programma’s voor en met mensen met een beperking uitvoeren. Bij de verdere uitwerking van de visie zal ik, waar passend, het gesprek voeren met relevante organisaties.
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Hierdoor wordt niet bijgehouden hoeveel van de investeringen ten goede komen aan het welzijn van kinderen. Wel is er in specifieke programma’s bijzondere aandacht voor kinderen. In lijn met de motie van de leden Ceder cs. (motie 36 800 XVII, nr. 51) zal ik voortaan jaarlijks in het BHOS-jaarverslag inzicht geven in een aantal specifieke programma’s waar welzijn en belangen van kinderen nadrukkelijk meewegen.
Voorbeelden zijn programma’s van UNICEF en Max Foundation, die direct bijdragen aan gezondheid van kinderen via voedselzekerheid en toegang tot water, sanitaire voorzieningen en hygiëne; het ACCEL-programma van de International Labour Organization, dat kinderarbeid tegengaat in internationale waardeketens voor cacao, katoen, thee en goud, in Ivoorkust, Mali, Nigeria, Ghana, Kenia en Uganda; en het PROSPECTS partnerschap, waarin inclusie van vluchtelingenkinderen in onderwijssystemen en nationale kinderbescherming wordt meegenomen als onderdeel van sociale bescherming van vluchtelingen in landen van opvang. Tevens ondersteunt PROSPECTS kinderen uit gastgemeenschappen en uit de populatie van intern ontheemden in toegang tot onderwijs. In het Future4Binti-programma (2026–2030, EUR 50 mln.) is er specifiek aandacht voor meisjes om schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking en kindhuwelijken in Oost-Afrika tegen te gaan. Ook het Global Programme to End Child Marriage van UNICEF (2024–2027, EUR 18 mln.) zet in op bescherming van kinderen en specifiek meisjes tegen kindhuwelijken. Daarnaast zijn er andere door Nederland gefinancierde programma’s gericht op levensreddende hulp en bescherming voor alle mensen in nood met extra aandacht voor de meest kwetsbaren, waaronder kinderen.
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Het vorige kabinet heeft besloten de jongerenagenda geen prioriteit meer te geven. Gegeven capaciteitsbeperkingen en vele noden moeten keuzes worden gemaakt. Na een effectieve fase van bewustwording en internationaal aanjagen van het jongerenthema (Youth at Heart) is het nu tijd voor verankering van deze aanpak in het OS-beleid via de reguliere werkprocessen. Het is dan ook niet logisch om de aanjaagfunctie van de (onder het vorige kabinet opgeheven functie) Ambassadeur Jongeren, Onderwijs en Werk opnieuw in het leven te roepen.
Jongeren blijven primair benaderd worden als partners met een stem die gehoord moet worden; jongerenparticipatie wordt vormgegeven door reeds bestaande structuren zoals de VN-Jongerenvertegenwoordigerprogramma, SRGR- jongerenambassadeur, de WestWing en lokale jongerenadviescommissies bij posten. Ook worden programma’s gericht op jongeren, zoals Orange Corners, PROSPECTS en KEY, (door)ontwikkeld en uitgevoerd.
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Aandacht voor het welzijn en belangen van kwetsbare groepen, waaronder kinderen liggen aan de basis van mijn ontwikkelingsbeleid.
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
De bevindingen zijn zeer zorgelijk. Antisemitisme, zowel offline als online, is onacceptabel. Joden moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen. Het kabinet zet zich daarom actief in voor de bestrijding van antisemitisme, waaronder online antisemitisme.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Dat het onderzoek laat zien dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media in enkele jaren is verdubbeld en het aantal directe bedreigingen zelfs is vervijfvoudigd, is een uiterst ernstige ontwikkeling. Hoewel het kabinet terughoudend is met het trekken van conclusies uit één onderzoek, sluiten de bevindingen aan bij bredere signalen van onder meer politie, het Openbaar Ministerie, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en maatschappelijke organisaties dat online antisemitisme de afgelopen jaren is toegenomen.
Antisemitisme tast niet alleen de veiligheid van Joden aan, maar ook de open en democratische rechtsstaat. Het kabinet veroordeelt deze ontwikkeling daarom nadrukkelijk.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Het kabinet beoordeelt deze ontwikkeling als buitengewoon ernstig. Oproepen tot moord, uitroeiing of geweld tegen Joden zijn niet «slechts» kwetsende uitingen, maar kunnen afhankelijk van de inhoud en context strafbare feiten opleveren, zoals het aanzetten tot haat of geweld of bedreiging. Dergelijke uitingen dragen bovendien bij aan een online klimaat waarin intimidatie en discriminatie worden genormaliseerd en kunnen ook leiden tot reële veiligheidsrisico's voor Joden.
Waar sprake is van strafbare uitingen en een aangifte daarvan, is het aan politie en OM om daartegen op te treden. Wanneer uitingen kwalificeren als terroristische online-inhoud kan er daarnaast melding worden gemaakt bij het online meldpunt van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). De ATKM is bevoegd om verwijderbevelen uit te vaardigen aan platformen en hostingbieders om terroristische content binnen één uur offline te halen of ontoegankelijk te maken.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Het klopt dat antisemitisme zich breed manifesteert en dat dit zeker niet alleen uit rechts-radicale en complotgerichte online kringen komt. Vanuit allerlei extremistische ideologische hoeken, van links tot rechts, alsook vanuit religieus extremisme, komt jodenhaat voor. Internationale spanningen werken daarbij door in het publieke debat en op sociale media, waar antisemitische uitingen in sommige kringen steeds vaker openlijk worden geuit of genormaliseerd. Antisemitisme is onacceptabel, waar het ook vandaan komt.
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Het kabinet onderkent dat buitenlandse extremistische netwerken en influencers steeds meer gebruik maken van sociale media om antisemitische propaganda, complottheorieën en haatdragende narratieven internationaal te verspreiden. Online platformen kennen geen landsgrenzen, waardoor dergelijke boodschappen ook Nederlandse gebruikers bereiken en polarisatie kunnen versterken.
De Digital Services Act (DSA) verplicht zeer grote online platformen om illegale content te modereren en systeemrisico's, waaronder de verspreiding van illegale content alsook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten met name o.a. het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrecht op non-discriminatie, te analyseren en passende maatregelen te nemen. Daarnaast werkt Nederland nauw samen met de Europese Commissie en andere lidstaten om grensoverschrijdende online risico’s op beïnvloeding aan te pakken. Tegelijkertijd blijft het versterken van digitale weerbaarheid en mediawijsheid essentieel om gebruikers weerbaarder te maken tegen dergelijke beïnvloeding.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan. De aanpak van online antisemitisme maakt deel uit van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–20302. Deze strategie vormt het samenhangende beleidskader voor de bestrijding van antisemitisme en omvat maatregelen op het gebied van bescherming en handhaving, onderwijs, preventie en het versterken van Joods leven en herdenken.
Ten aanzien van de online omgeving zet het kabinet in op een combinatie van regulering, handhaving en samenwerking met nationale en internationale partners.
Online platformen zijn gebonden aan de DSA. Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Voor dat doel bevat de DSA verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen voor verschillende typen tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Zo moeten zij een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14). Zij moeten verder een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud, waaronder haatzaaiende of discriminerende inhoud, en dat leidt tot tijdige en zorgvuldige besluiten over die meldingen (artikel 16). Zeer ernstige strafbare feiten moeten worden gemeld bij de bevoegde rechtshandhavende autoriteiten (artikel 18). De verordening verplicht aanbieders van online platforms verder om gebruikers die frequent kennelijk illegale inhoud verspreiden, tijdelijk te schorsen (artikel 23 van de verordening).
De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie,3 moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten, waaronder het grondrecht op non-discriminatie. Risicobeperkende maatregelen van zeer grote online platforms kunnen onder meer de naleving van gedragscodes omvatten. In dat kader is relevant dat de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online+ in 2025 in de DSA is geïntegreerd. Deze gedragscode heeft tot doel de verspreiding van illegale haatzaaiende uitlatingen op onlineplatforms te voorkomen en aan te pakken door middel van toezeggingen op het gebied van algemene voorwaarden, herziening van de tijd van kennisgevingen, transparantie van inhoudsmoderatieacties, samenwerking tussen meerdere belanghebbenden en bewustmaking. De ondertekenaars,4 waaronder zeven zeer grote online platforms, verbinden zich ertoe de verbintenissen uit de code na te leven.
In Nederland is Meld Online Discriminatie (MOD) aangewezen als betrouwbare flagger onder de DSA. MOD beoordeelt meldingen van mogelijk illegale discriminatoire content en kan platforms verzoeken deze content te verwijderen.
Daarnaast blijft het kabinet online platforms aanspreken op hun verantwoordelijkheid om een veilige online omgeving te creëren. Nederland neemt deel aan internationale samenwerking, waaronder een meerjarige werkgroep van de Europese Commissie over de bestrijding van antisemitisme. Ook heeft het kabinet tijdens het ministeriële EU Internet Forum5 van 4 maart aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van platforms om online antisemitisme effectief tegen te gaan.
De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) speelt eveneens een belangrijke rol. De NCAB zit een internationale werkgroep voor van nationale coördinatoren en speciaal gezanten die online platforms aanspreekt op de aanpak van online antisemitisme en organiseert jaarlijks de International Prosecutors Summit on Antisemitism (IPSA), waarin Europese openbaar aanklagers samenwerken aan de versterking van de strafrechtelijke aanpak van onder meer online antisemitisme. Ook laat de NCAB jaarlijks onderzoek naar online antisemitisme in Nederland.
Voor wat betreft het tegengaan van online radicalisering, extremisme en terrorisme coördineert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de Versterkte Aanpak Online (VAO). De aanpak omvat diverse interventies onder andere op het gebied van preventie en bewustwording, normerende gesprekken met de internetsector, en de inzet van het bestaande wettelijke kader – waaronder de DSA en de verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI). Ook wordt door middel van ondersteunende bijeenkomsten, regionale adviezen via lokaal adviseurs en een verkenning naar een communicatie aanpak over online gevaren, gewerkt aan het versterken van de digitale weerbaarheid van de samenleving. Over deze beleidsinzet en recente ontwikkelingen is uw Kamer op 22 mei jl. geïnformeerd via de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content.6
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Nee. Voor het onderzoek heeft Textgain data van Twitter/X Facebook, Instagram, TikTok en YouTube geanalyseerd, maar ook kleinere sites als Dumpert, geenstijl.nl en Marokko.nl en internetfora als 4chan en Soyzellig. De onderzoekers concluderen dat antisemitisme op deze platforms zou zijn toegenomen, maar het onderzoek betreft geen juridisch onderzoek naar de naleving van de DSA door zeer grote online platforms. Het is aan de Europese Commissie als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms- en zoekmachine, om te beoordelen of zij hun verplichtingen onder de DSA naleven. De Commissie is daarin onafhankelijk.
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, biedt de DSA een belangrijk Europees kader voor een veiligere online omgeving. De DSA bevat enerzijds een kader voor aansprakelijkheid en anderzijds zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Deze verplichtingen zijn erop gericht illegale inhoud op online platforms terug te dringen en ervoor te zorgen dat met name zeer grote online platforms hun verantwoordelijkheid nemen om systeemrisico’s te beperken. De integratie van de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online in de DSA draagt bij aan de naleving en doeltreffende handhaving van de DSA op dit gebied.
Op dit moment heeft het kabinet geen reden om te twijfelen aan de toereikendheid van dit kader. Het toezicht op de DSA begint op stoom te komen, zoals onder meer blijkt uit de handhavingsacties van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders. Tegelijkertijd vormt de DSA één onderdeel van een bredere aanpak. Effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt eveneens om strafrechtelijke handhaving, internationale samenwerking, onderwijs en maatschappelijke weerbaarheid.
Het kabinet blijft de werking van de DSA volgen. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Deze evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA maar kan desalniettemin kansen bieden om de werking in de praktijk te verbeteren. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse betrokkenheid bij de evaluatie en gaat hiervoor in gesprek met betrokken ministeries en toezichthouders.
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
Het kabinet blijft de dialoog met de internetsector zoeken over zowel schadelijke als illegale content, waaronder trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. In alle gesprekken die we met online platforms voeren worden deze onderwerpen, waaronder ook de bestrijding van antisemitische content, aan de orde gesteld. Daarnaast ondersteun ik, samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken – Digitale Economie en Soevereiniteit, de Publiek private Samenwerking Online Content onder neutraal voorzitterschap van ECP.
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Voor zover mij bekend, betreffen 4chan en Soyzellig beide user-generated content platforms, waarop gebruikers tekst, afbeeldingen en reacties kunnen plaatsen. Of zij onder de reikwijdte van de DSA vallen, hangt af van de vraag of zij kwalificeren als «tussenhandeldienst», meer specifiek als «hosting dienst» en «online platform» als subcategorie van hostingdiensten. Hoewel het aan de bevoegde toezichthouders en/of rechter is om dit vast te stellen, lijkt dit voor beide platforms voorshands het geval, in welk geval zij zullen moeten voldoen aan de verplichtingen in de DSA die gelden voor online platforms. Het betreft onder meer de zorgvuldigheidsverplichtingen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, met de kanttekening dat 4chan en Soyzellig niet zijn aangewezen als «zeer groot online platform» en dus niet aan de verplichtingen inzake systeemrisico’s hoeven te voldoen. Die verplichtingen gelden enkel voor de platforms met een gemiddeld aantal maandelijks actieve afnemers van 45 miljoen of meer.
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Zowel de politie als het OM hebben expertisecentra gericht op de aanpak van discriminatiezaken. Bij de politie levert het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie-Politie (ECAD-P) op verschillende manieren expertise met betrekking tot de aanpak van discriminatie (waaronder antisemitisme) aan de politieorganisatie. De capaciteit van het ECAD-P is het afgelopen jaar uitgebreid en bestendigd met structurele middelen. Bij het ECAD-P leveren discriminatierechercheurs ondersteuning aan collega’s in regionale eenheden bij de behandeling van discriminatiezaken en helpen zij de basisteams proactief bij het herkennen en oppakken van meldingen en aangiftes met een discriminatoir karakter. Wanneer iemand melding of aangifte doet van discriminatie in een politie-eenheid dan pakt de medewerker uit die eenheid deze zaak op en rondt deze zelf af. Bij complexere zaken kan een beroep worden gedaan op de discriminatierechercheur die aan de eenheid is gekoppeld. Daarnaast zijn thematische discriminatierechercheurs bij het ECAD-P werkzaam, onder andere specifiek op de thema’s antisemitisme en online discriminatie.
Het Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LECD) van het OM zorgt voor het adviseren en informeren van officieren en andere medewerkers binnen het OM op het gebied van de aanpak van discriminatiezaken. Elk arrondissementsparket heeft officieren van justitie die gespecialiseerd zijn in strafbare discriminatie. Zij behandelen complexe discriminatiezaken en zijn vraagbaak voor andere collega’s. De discriminatieofficieren en andere gespecialiseerde OM-medewerkers komen meerdere keren per jaar met het LECD samen om geïnformeerd te blijven en tijdig nieuwe ontwikkelingen rondom strafbare discriminatie, waaronder online antisemitisme, te signaleren. Het OM is op dit moment bezig om de aanpak van online discriminatie te intensiveren. Binnen het huidige beleid bestaat ruimte om in uitzonderlijke gevallen ook ambtshalve discriminatiezaken op te pakken. Die ruimte wordt binnen het OM de komende periode beter benut door vanuit de discriminatieaanpak nadrukkelijker samen te werken met de aanpak van (online) terrorismezaken.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de strijd tegen (online) antisemitisme en voor de veiligheid van Joden in Nederland. De bevindingen van dit onderzoek neemt het kabinet dan ook serieus en zal deze betrekken bij de verdere uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 en het Plan van aanpak online discriminatie waar antisemitisme deel van uitmaakt.
De beantwoording van de feitelijke vragen over het nationaal sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn advies van 19 juli 2024 Israël oproept om zo spoedig mogelijk een einde te maken aan zijn onrechtmatige aanwezigheid in de bezette Palestijnse gebieden en alle nieuwe nederzettingsactiviteiten onmiddellijk te beëindigen, en dat Israël de kolonisten uit de bezette Palestijnse gebieden dient te evacueren?
Ja.
Klopt het dat Nederland dit IGH-advies van 19 juli 2024 en de rechtsgevolgen omarmt?
In het advies van het Internationaal Gerechtshof wordt het geldende internationaal recht uitgelegd, wat geldt voor alle staten, dus ook voor Nederland. Het kabinet erkent in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is.
Is de grondslag van de sancties van het kabinet nog steeds zoals het kabinet dit in de nota van toelichting verwoordde: «Dit sanctiebesluit dient om nadere invulling te geven aan het onder paragraaf 1 besproken IGH-advies van 19 juli 2024, VNVR-resolutie 465 (1980), VNVR-resolutie 497 (1981) en AVVN-resoluties ES-10/24 en A-79/90.»?
De grondslag van het besluit is artikel 2, eerste lid, van de Sanctiewet 1977, die het mogelijk maakt om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels te stellen ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme. Zowel het IGH-advies als de genoemde resoluties van de Veiligheidsraad en Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zijn aanbevelingen van organen van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van de Sanctiewet 1977 en hebben voorts betrekking op de uitleg en toepassing van het internationaal recht. De regering kan daarom op grond van de Sanctiewet 1977 bij AMvB regels stellen ter voldoening aan deze aanbevelingen van volkenrechtelijke organen van de VN.
Hoe verhoudt het IGH-advies uit 2024 en het daarin besloten rechtsgevolg om kolonisten te evacueren zich tot de antwoorden op de feitelijke vragen eerder deze week (Kamerstuk 23 432, nr. 774), waarin het kabinet stelt dat het niet beoogt om tot een volledige evacuatie van Israëlische kolonisten uit de bezette Palestijnse gebieden te komen (bijv. vraag 116)?
Het evacueren van de eigen burgerbevolking die het onrechtmatig heeft overgebracht naar bezet gebied is een verplichting van Israël, niet van derde staten. Dat is geldend internationaal recht. De praktische invulling van dit vraagstuk zal onderdeel moeten zijn van de afspraken tussen de partijen over een tweestatenoplossing. Uiteindelijk zullen afspraken hierover onderdeel moeten zijn van een breed akkoord waarin beide partijen hun veiligheid en identiteit gewaarborgd zien. Het kabinet kan niet vooruitlopen op de invulling hiervan. De visie van het kabinet is daarmee dat het internationaal recht leidend is, en de invulling van de evacuatie van kolonisten in de praktijk onderdeel moeten zijn van afspraken tussen de partijen; dit heeft het kabinet willen laten reflecteren in de beantwoording van de feitelijke vragen.
Kan het kabinet ondubbelzinnig aangeven of het Nederlandse standpunt is dat Israël uitvoering moet geven aan de oproep van het IGH om de kolonisten uit de bezette Palestijnse gebieden te evacueren, conform het advies IGH 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24?
Zie het antwoord op vraag 4.
Klopt het dat de definitie van een kolonist/settler in het IGH-advies 2024 in ieder geval de Israëlische staatsburgers woonachtig in een OPT omvat? Zo nee, wat is dan wel de definitie?
Het IGH-advies bevat geen expliciete definitie van de term kolonist («settler»), maar refereert aan kolonisten als bewoners van nederzettingen en buitenposten.
Hoeveel Israëliërs vallen onder de noemer «kolonisten/settlers», zoals bedoeld in het IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24?
Het IGH-advies 2024 verwijst naar een rapport van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten, waarin staat dat per 2023 ongeveer 465.000 kolonisten zich in de Westelijke Jordaanoever bevonden en ongeveer 230.000 kolonisten in Oost-Jeruzalem.
Klopt het dat uit openbare bronnen blijkt dat het naar alle waarschijnlijkheid in ieder geval om meer dan 700.000 mensen gaat?
Ja, zie het antwoord op vraag 7.
Indien het inderdaad om meer dan 700.000 mensen gaat; klopt het dat een praktische invulling van het IGH-advies inhoudt dat 700.000 Israëliërs woonachtig in OPT’s zo snel mogelijk verplaatst moeten worden? Zo nee, wat betekent het dan wel?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien vraag 9 bevestigend is beantwoord, wat was de reden dat het kabinet in de feitelijke vragen een soortgelijke vraag ontkennend beantwoordde terwijl het een kernpunt van het IGH advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24 is? (vraag 116)
Zie het antwoord op vraag 4.
Het kabinet erkent in de beantwoording op feitelijke vragen dat meerdere groepen «kolonisten» legitieme eigendomsrechten hebben (zie vragen 39, 40 en 42); wat moet volgens het kabinet met deze huishoudens gebeuren volgens het IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24?
Het Israëlisch optreden in de bezette gebieden leidt er toe dat de gehele bezetting als zodanig onrechtmatig is. Daarnaast richt het Tijdelijk Sanctiebesluit zich op de mogelijke oorsprong van goederen, en niet op de al dan niet rechtmatige eigenaar van een bepaald stuk grond.
Zijn deze eigendomsrechten volgens het kabinet ondergeschikt aan invulling geven aan het IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 11.
Waarom stelt het kabinet in de beantwoording van de feitelijke vragen (vraag 45) dat de status van Jeruzalem nog onderwerp van discussie is, terwijl het IGH in zijn advies uit 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24 expliciet ingaat op de Israëlische aanwezigheid in de bezette Palestijnse gebieden inclusief Oost-Jeruzalem en de juridische gevolgen daarvan die het kabinet zegt te onderschrijven?
In het advies van het Internationaal Gerechtshof wordt het geldende internationaal recht uitgelegd en de verplichtingen die daaruit volgen. Wat het kabinet in de feitelijke vragen heeft willen reflecteren, is zijn positie dat de status van Jeruzalem onderdeel zal moeten zijn van een breed akkoord waarin de beide partijen hun veiligheid en identiteit gewaarborgd zien. Het kabinet benadrukt hierbij dat alle religieuze groepen, waaronder Joden, altijd welkom en veilig moeten zijn in heel Jeruzalem, Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogvlakte. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Klopt het, dat door de maatregel te baseren op de verplichtingen voortvloeiend uit IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24, noch het bevriezen van de plannen van de E1-nederzettingen, noch het sanctioneren van extremistische kabinetsleden, noch een wisseling van Israëlische regering, noch vrede in Gaza, noch een effectieve aanpak van gewelddadige kolonisten allen individueel of gezamenlijk voldoende zijn om te voldoen aan de juridische verplichting die in het IGH-advies uit 2024?
Nederland heeft de verplichting niet bij te dragen aan de door Israël gecreëerde onrechtmatige situatie in de bezette Gebieden. Het kabinet heeft echter een bepaalde beleidsvrijheid hoe het invulling geeft aan zijn internationaalrechtelijke verplichting. Het kabinet zal blijven wegen, mede gegeven de actuele situatie ter plaatse, hoe het exact invulling geeft aan die verplichting en hoe het dus omgaat met dit Tijdelijke Sanctiebesluit en andere maatregelen.
Klopt het dat de juridische grondslag om nationale sancties te treffen na alle genoemde maatregelen in vraag 13 overeind blijft volgens de rechtsgevolgen uit het IGH 2024 advies die het kabinet onderschrijft? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 14.
Hoe verhoudt de aangenomen motie Ceder/Stoffer (Kamerstuk 26 150, nr. 239) en vooral de beantwoording van het kabinet op de feitelijke vragen (vraag 45) op de verplichtingen voortvloeiend uit het IGH 2024 advies en AVVN-resolutie ES-10/24?
Zie het antwoord op vraag 4 en vraag 13.
Geldt het sanctiebesluit ook voor goederen uit oorspronkelijke Druzendorpen op de Golanhoogvlakten, nu dit gebied is geannexeerd door Israël?
Voor zover het producten betreft uit een postcodegebied dat op de EU-postcodelijst staat, inclusief de nederzettingen op de door Israël geannexeerde Golanhoogvlakte, valt dat product in beginsel onder de reikwijdte van dit besluit.
Kan het kabinet deze verduidelijkende spoedvragen voor het commissiedebat over het sanctiebesluit op donderdag 3 september beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen worden gecompenseerd?
Ja.
Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?
Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen voor een stemming.
Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?
Ja.
Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija «de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen»?
Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002–2021, net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS: in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.
Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit tegen individuele vergoedingen – zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie er schade hebben geleden –, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee, op welke wijze is deze optie onderzocht?
De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.
Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken met de Kamer delen?
Binnen zowel het Ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd, en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9
Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja, waarom?
De motie-Fritsma verzoekt de regering «op actieve wijze zeker te stellen dat geen cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija terechtkomt bij (oud-)IS’ers».10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.
Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs voor hebben aangeleverd?
Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele tegemoetkomingen.12
Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026» en «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.
Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Hooggerechtshof Pakistan bevestigt doodstraf Pakistaanse christen wegens godslastering’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Hooggerechtshof Pakistan bevestigt doodstraf Pakistaanse christen wegens godslastering»?1
Welke juridische mogelijkheden staan na deze uitspraak nog verder open?
Bent u bereid om, zowel bilateraal als in EU-verband, aan te dringen op vrijlating van deze man en u in te spannen om hem in veiligheid te brengen?
Heeft u in beeld hoeveel mensen in Pakistan momenteel vanwege godslastering in de dodencel zitten? Wat is uw inzet om hen vrij te krijgen?
Welke betekenis heeft de recente rapportage van de Europese Commissie in het kader van de status van Generalized Scheme of Preferences Plus (GSP+) die geldt voor Pakistan, inclusief het gedeelte over de blasfemiewetgeving?2
Welke concrete maatregelen worden van Pakistan op het gebied van mensenrechten verwacht, binnen welke termijn moeten deze worden genomen en welke consequenties volgen er als deze maatregelen zullen uitblijven? Zijn effectieve maatregelen van Pakistan tegen het misbruik van blasfemiewetgeving voorwaardelijk voor de voortzetting van de GSP+-status?
Bent u bereid om, mede in het licht van de rapportage van de Europese Commissie, het misbruik van blasfemiewetgeving in Pakistan aan te kaarten bij de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken? Zo ja, wat is uw inzet? Zo nee, waarom niet?
De vermissing van de Nederlandse staatsburger Rodney Leysner in Suriname |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vermissing van de Nederlandse staatsburger Rodney Leysner, die sinds 15 augustus 2026 wordt vermist in Suriname? Welke informatie heeft u over de huidige stand van zaken in deze zaak?1
Vanaf welk moment heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken contact onderhouden met de Surinaamse regering, de familie en andere direct betrokkenen?
Welke concrete consulaire en diplomatieke inspanningen heeft de Nederlandse regering sinds de melding van de vermissing geleverd om de mogelijke verblijfplaats van Rodney Leysner te achterhalen en zijn familie te ondersteunen?
Welke contacten heeft de Nederlandse regering over deze zaak onderhouden met de Surinaamse regering, de Surinaamse politie en het Openbaar Ministerie? Heeft u op politiek of diplomatiek niveau aangedrongen op maximale inzet om Rodney Leysner te vinden en de toedracht van zijn verdwijning op te helderen?
Is door Nederland aan Suriname concrete ondersteuning aangeboden bij de zoektocht en het onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van specialistische zoekteams, forensische expertise, informatie-uitwisseling of andere operationele bijstand? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Surinaamse autoriteiten en waar nodig en op verzoek van de bevoegde autoriteiten aanvullende ondersteuning aan te bieden?
Kunt u toelichten welke rol de Nederlandse ambassade in Paramaribo speelt bij de coördinatie van de Nederlandse inzet?
Bent u bekend met de berichtgeving dat een verdachte wordt gezocht in verband met de vermissing van Rodney Leysner? Hoe wordt hier, bijvoorbeeld in samenwerking met Interpol, invulling aan gegeven?
Welke mogelijkheden bestaan er om, in overleg met de Surinaamse regering, aanvullende internationale samenwerking te bevorderen, bijvoorbeeld via rechtshulpverzoeken, internationale opsporingskanalen of samenwerking met andere landen indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft?
Welke ondersteuning kan de Nederlandse overheid de familie van Rodney Leysner bieden, naast de reguliere consulaire bijstand, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van informatie over het onderzoek, of het leggen van contacten met lokale autoriteiten? Bent u bereid de familie actief te informeren over de beschikbare mogelijkheden en te bezien waar aanvullende ondersteuning nodig is?
De uitspraak van een Israëlische militaire commissies over herregistratie grond Tent of Nations |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws dat een militaire commissie de registratie van het land van de familie Nassar (Tent of Nations) op 8 oktober 2026 heeft afgewezen, ondanks dat het Israëlische Hooggerechtshof in 2006 reeds opdracht had gegeven tot registratie van het land? Hoe luidt uw reactie op dit nieuws?
Klopt het dat de militaire commissie als reden voor deze afwijzing geeft dat de familie niet alleen haar eigen grond (427 dunam, omgerekend circa 42 hectare) zou moeten registreren, maar ook de omliggende grond van andere eigenaren (in totaal ca. 1.000 dunam), en dat tot die tijd het land geclassificeerd blijft als «staatsland»? Deelt u de mening dat het een zeer onredelijke eis is om de familie te verplichten grond te registreren die niet haar eigendom is, te meer in het licht van de uitspraak van het Hooggerechtshof?
Welke juridische mogelijkheden staan verder open voor de familie Nassar na deze uitspraak?
Klopt het dat sinds de beantwoording van eerdere Kamervragen de bewegingsvrijheid van de familie op het eigen land nog verder is ingeperkt?1 Kunt u dit verder toelichten?
Ziet u positieve effecten van de Nederlandse inzet voor de situatie van de familie Nassar, haar land en haar gasten? Zo ja, welke? Zo nee, welke stappen bent u bereid extra te zetten?
Heeft het Israëlische besluit om de status van Nederlandse diplomaten in Ramallah in te trekken gevolgen voor de Nederlandse inzet voor de zaak van Tent of Nations? Zo ja, welke? Hoe wordt de Nederlandse inzet zo georganiseerd dat deze niet vermindert door het besluit van de Israëlische autoriteiten?
Bent u bereid om met spoed, zowel in bilateraal als in Europees verband, bij de Israëlische autoriteiten aan te dringen op de registratie en wettelijke erkenning van de 427 dunam grond, zonder dat de familie Nassar wordt verplicht om ook grond van andere eigenaren te registreren, oftewel naleving van de uitspraak van het Israëlische Hooggerechtshof en het beëindigen van de aanvullende voorwaarden die de uitvoering daarvan belemmeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u tevens bereid om met spoed, zowel in bilateraal als in Europees verband, bij de Israëlische autoriteiten aan te dringen op het onmiddellijk opheffen van de beperkingen op de toegang tot en de bewerking van de grond van de familie, en het voorkomen van verdere inbreuken op haar eigendomsrechten? Zo nee, waarom niet?
Bent u ten slotte bereid om met spoed, zowel in bilateraal als in Europees verband, bij de Israëlische autoriteiten aan te dringen op de bescherming van de familie tegen intimidatie en verdere pogingen om haar land in bezit te nemen, zodat zij haar land vreedzaam kan blijven bewonen, onderhouden en ontwikkelen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Ontbossing en mensenrechtenschendingen in West-Papua |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de reactie vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken op de brief van de Samenwerkende Organisaties voor West-Papua van 4 juni 2026?
Welke informatie heeft u over de schaal van de ontbossing in Zuid-Papua, de betrokken bedrijven en de gevolgen hiervan voor de landrechten, voedselvoorziening en bestaanszekerheid van de Papoea’s aldaar?
In hoeverre wordt bij grootschalige landbouw-, palmolie- en energieprojecten in Papua daadwerkelijk de vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de gemeenschappen aldaar verkregen, conform artikel 32 van de VN-Verklaring over de Rechten van Inheemse Volken (UNDRIP)? Welke waarborgen bestaan hiervoor?
Klopt het dat lokale bewoners en mensenrechtenverdedigers die zich uitspreken tegen ontbossing en landonteigening te maken krijgen met intimidatie of andere vormen van druk? Welke informatie is daarover bij u bekend?
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan motie-Ceder over bij Indonesië aandringen op het waarborgen van de veiligheid en eerbiediging van de mensenrechten van de Papoea’s en activisten in het bijzonder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3436)?
Heeft u ook in bilateraal verband bij Indonesië aangedrongen op het waarborgen van de veiligheid en eerbiediging van de mensenrechten van de Papoea’s, en activisten in het bijzonder, en op veilige vertoningen van de documentaire Pesta Babi wanneer gewenst? Zo ja, wat was de reactie van de Indonesische autoriteiten? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen?
Welke concrete uitvoering heeft u gegeven aan de motie over de Europese Commissie verzoeken om verbetering van de mensenrechtensituatie in West-Papoea bespreekbaar te maken (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3406)? Is de situatie inmiddels ook onderdeel van de gesprekken over de relatie tussen de EU en Indonesië en het EU-Indonesia Comprehensive Economic Partnership Agreement (CEPA)?
Kunt u inzicht geven in eventuele Nederlandse betrokkenheid bij palmolie-, landbouw- of energieprojecten in het gebied? Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse of Europese bedrijven en financiële instellingen bijdragen aan ontbossing of mensenrechtenschendingen in Papua? Liggen hier onafhankelijke risicoanalyses aan ten grondslag?
Welke waarborgen bieden de EU-ontbossingsverordening en de afspraken binnen CEPA dat producten uit Papua die de Europese markt bereiken niet afkomstig zijn van recent ontbost gebied en dat daarbij ook de landrechten van Papua-gemeenschappen worden gerespecteerd? Welke onafhankelijke risicoanalyses liggen hieraan ten grondslag?
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor een integrale aanpak waarbij de bescherming van het regenwoud, de landrechten en mensenrechten van de Papoea’s en de bescherming van mensenrechtenverdedigers expliciet onderdeel worden van de EU-Indonesiërelatie, en de Kamer hierover vóór de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken te informeren?
Kunt u, in het licht van bovenstaande vragen, reflecteren op de bijzondere historische en morele verantwoordelijkheid die Nederland draagt voor de bescherming van de rechten van de Papoea’s? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
De uitvoering van de motie-Ceder c.s. inzake de erkenning van de Molukse gemeenschap |
|
Don Ceder (CU) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen heeft het kabinet sinds het aannemen van de motie-Ceder c.s. en de uitgesproken excuses van Minister-President Jetten gezet om uitvoering te geven aan de drie onderdelen van de motie: het onafhankelijke onderzoek, het consultatietraject met de Molukse gemeenschap en de verkenning naar een nationale agenda?1
Kunt u per onderdeel aangeven wie binnen de regering verantwoordelijk is, welke opdrachten zijn uitgezet en welke vervolgstappen gepland staan? Indien nog geen concrete stappen zijn gezet, kunt u toelichten waarom niet?
Acht u de gestelde deadlines uit de motie (eerste resultaten van het onafhankelijke onderzoek uiterlijk in het eerste kwartaal van 2027 en de verkenning naar een nationale agenda uiterlijk in het tweede kwartaal van 2027) nog steeds haalbaar? Zo nee, waarom niet?
Is de opdracht tot een onafhankelijk onderzoek reeds verstrekt? Zo ja, aan wie? Kan de onderzoeksopzet met de Kamer worden gedeeld?
Bent u bereid om voor de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een brief naar de Kamer te sturen met een toelichting over de voortgang en stand van zaken van het traject?
De deelname van Nederlandse diplomaten aan de door Azerbeidzjan georganiseerde tour in Nagorno-Karabach |
|
Don Ceder (CU), Henk Vermeer (BBB), Chris Stoffer (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Klopt het dat Nederlandse diplomaten hebben deelgenomen aan een door Azerbeidzjan georganiseerde tour in Nagorno-Karabach?1
Welke afwegingen spelen doorgaans een rol in het besluit om al dan niet in te gaan op dergelijke uitnodigingen?
In hoeverre heeft Azerbeidzjan volgens u reeds opvolging gegeven aan de voorlopige maatregelen uit de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 17 november 2023?2
In hoeverre heeft Azerbeidzjan volgens u opvolging gegeven aan de voorlopige maatregel over Armeens cultureel erfgoed uit de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 7 december 2021?3
Klopt het dat Azerbeidzjan plaatsnamen in Nagorno-Karabach wijzigt4 en Armeense kerken en ander cultureel erfgoed vernietigt? Wat is uw oordeel hierover?
Heeft er in Nagorno-Karabach volgens het kabinet een etnische zuivering plaatsgevonden in 2023? Zo nee, waarom niet? Welke reactie acht de regering passend op de ontstane situatie en de verdrijving van meer dan 100.000 personen naar Armenië?
Bent u ermee bekend dat Azerbeidzjan eerder in de Azerbeidzjaanse exclave Nachitsjevan Armeens cultureel erfgoed met de grond gelijk heeft gemaakt?5 Deelt u de vrees dat het erfgoed in Nagorno-Karabach hetzelfde kan overkomen?
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger over schriftelijke vragen over de vernietiging van Armeens erfgoed en de toezegging die Nederland van Azerbeidzjan had gekregen om het cultureel erfgoed te beschermen?6 Welke inzet is er vanuit Nederland daarna geweest op dit thema?
Heeft Azerbeidzjan zich volgens u aan de toezegging gehouden? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Kloppen de berichten dat tijdens de tour door de Azerbeidzjaanse regering desinformatie is verteld door de Armeense kloosters van Gandzasar en Dadivank «een integraal onderdeel van het oude Albanese christelijke erfgoed» te noemen, smalend werd gedaan over «voorbeelden van oude manuscripten» en er werd gedanst? Hoe taxeert u dit?
Vindt u het, in het licht van bovenstaande, gepast dat Nederlandse diplomaten mee hebben gedaan aan deze door Azerbeidzjan georganiseerde tour? Zo ja, waarom?
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van vraag 4, het X-bericht van de Speciaal Vertegenwoordiger van de EU voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië, waarin wordt gesteld dat de diep uiteenlopende opvattingen en narratieven, bijvoorbeeld over de oorsprong van sommige locaties, zouden moeten worden aangepakt tussen Azerbeidzjan en Armenië?7 Heeft de delegatie desinformatie over de oorsprong van het cultureel erfgoed aangekaart of weersproken? Zo nee, waarom niet?
Welke internationaalrechtelijke verplichtingen volgen voor Nederland voort uit de eerdergenoemde uitspraken van het Internationaal Gerechtshof? Kan het AIV hierover om advies worden gevraagd?
Tekortkomingen in Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hoe duidt u de aanhoudende tekorten in het personeelsbestand van alle zes de justitiële jeugdinstellingen? Erkent u dat dit tekort ertoe leidt dat de kwaliteit van de taakuitvoering van Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) langdurig onder druk staat?
Onderschrijft u de kritiek van de Kinderombudsman dat de jongeren in JJI’s momenteel geen goed onderwijs wordt aangeboden, dat er geen goede vrijetijdsinvulling bestaat, dat er te vaak geen behandeling wordt geboden waarmee meerdere kinderrechten worden geschonden zoals beschreven in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen?
Onderschrijft u het belang van de scholing en begeleiding van jongeren in JJI’s? Deelt u de zorgen dat jongeren in JJI’s omwille van personeelstekorten nu niet voldoende worden begeleid in de voorbereiding op terugkeer in de maatschappij? Onderkent u dat het pedagogisch uitgangspunt van het jeugdstrafrecht wordt ondermijnd?
Waarom heeft intensief toezicht van inspecties op JJI’s van 2021 tot 2023 geen vervolg gekregen, waardoor deze personeelstekorten al minstens acht jaar lang spelen?1
Kunt u verklaren waarom er, ondanks de kritische rapportage van de Inspectie van het Onderwijs, de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, nog geen verbetering van de tekorten is opgetreden?2
Heeft u in beeld wat de tekorten zijn aan personeel en de daaraan gekoppelde tekortkomingen in rechten van de jongeren?
Wat doet u om de aanwas van personeel te verbeteren in dit segment? Kan er inzicht worden verstrekt in het door de Dienst Justitiële Inrichtingen besproken inzet op werving, opleiding en behoud van medewerkers?3
Op welke manier werkt u met de JJI’s om naar alternatieven te zoeken om op korte termijn de druk te verminderen? Wordt daarin gekeken naar samenwerking met Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd (KVJJ's) voor vervroegde uitstroom?
Het statement van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN over de “crackdown on fundamental freedoms” in Uganda |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het statement van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN van 30 juli 2026 over de «crackdown on fundamental freedoms» in Uganda?1
Bent u bereid om de in het statement genoemde mensenrechtenschendingen publiekelijk en in niet mis te verstane bewoordingen te veroordelen, zowel bilateraal als in multilateraal verband? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de rol en de uitspraken van generaal Kainerugaba, die op sociale media onder meer oppositieleider Bobi Wine heeft bedreigd en herhaaldelijk heeft opgeschept over het martelen en gevangenhouden van opposanten, waaronder de veiligheidschef en lijfwacht van Bobi Wine, Eddy Mutwe, en die publiekelijk heeft verklaard dat de veiligheidsdiensten oppositieleden hebben gedood?
Bent u bereid om, al dan niet in EU-verband, gerichte sancties te overwegen tegen personen die verantwoordelijk zijn voor deze mensenrechtenschendingen?
Bent u bereid om zich, bilateraal en in EU-verband, in te zetten voor de onmiddellijke vrijlating van Kizza Besigye, die inmiddels bijna twee jaar zonder proces vastzit op een vermeende hoogverraadaanklacht en die eind juli 2026 in kritieke, levensbedreigende toestand op de intensive care belandde na een instorting tijdens zijn rechtszaak? Bent u bereid om bij de Ugandese autoriteiten aan te dringen op toegang tot onafhankelijke medische zorg voor Besigye?
Bent u bereid om binnen de EU te pleiten voor een gezamenlijk, onafhankelijk onderzoek naar het verloop van deze verkiezingen, en voor het koppelen van eventuele EU-steun aan Uganda aan de uitkomsten daarvan?
Kunt u een overzicht geven van de huidige bilaterale samenwerking met Uganda, inclusief lopende trajecten op het gebied van migratie, veiligheid, handel en ontwikkelingssamenwerking? Bent u bereid om de samenwerking, in het licht van bovenstaande, te herzien? Zo nee, waarom niet?
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat Nederlandse steun of samenwerking direct of indirect bijdraagt aan de genoemde mensenrechtenschendingen?
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, stelling te nemen tegen de geleidelijke uitholling van de rechtsstaat en ter bescherming van fundamentele vrijheden in Uganda?
Bent u bereid te onderzoeken hoe onafhankelijke steun aan mensenrechtenverdedigers, journalisten en het maatschappelijk middenveld in Uganda kan worden vergroot, mede in het licht van de beperkingen die de «Protection of Sovereignty Act» oplegt aan internationale financiering? Bent u tevens bereid te verkennen hoe Nederland specifiek kan bijdragen aan de bescherming en opvang van Ugandese politieke vluchtelingen? Zo nee, waarom niet?
De Wereld Suïcide Preventie Week |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er elke dag gemiddeld vijf mensen in Nederland overlijden door zelfdoding, van wie gemiddeld de helft1 (ex-)werknemers?2
Op welke manier bevordert u het kabinetsbeleid inzake mentale gezondheid op het terrein van werk? Welke inzet pleegt u, als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangaande de Wet integrale suïcidepreventie? In hoeverre worden werkgevers, bedrijfsartsen, arbodiensten en preventiemedewerkers momenteel ondersteund bij het herkennen van signalen van suïcidaliteit en het voeren van het gesprek daarover? Acht u het bestaande aanbod voldoende?
In hoeverre maakt mentale gezondheid, met suïcidepreventie als onderdeel daarvan, al regulier onderdeel uit van goed werkgeverschap, bijvoorbeeld via gezondheids- en vitaliteitsbeleid en beleid gericht op duurzame inzetbaarheid? Bent u bereid hierover met de Sociaal-Economische Raad (SER) en de sociale partners in gesprek te gaan om meer aandacht te schenken aan suïcidepreventie en signalering op de werkvloer?
Zijn de economische gevolgen van uitval door psychische oorzaken uitgedrukt in euro’s en fte bekend?
Bent u bekend met het Jaarverslag 2025 van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin staat dat in 2024 twee slachtoffers door zelfdoding en één slachtoffer van een ongeval buiten de werksfeer als dodelijk arbeidsongeval zijn meegerekend, en dat zelfdodingen vanaf 2025 niet meer als arbeidsongeval worden aangemerkt, maar apart worden gerapporteerd?3 Kunt u aangeven waar en over wat er apart wordt gerapporteerd?
Worden deze gevallen, ook wanneer zij niet als arbeidsongeval worden aangemerkt, onderzocht op mogelijke arbeidsgerelateerde factoren of omstandigheden, zodat hieruit lessen kunnen worden getrokken voor de preventie van zelfdoding?
Bent u bereid om in samenwerking met de Arbeidsinspectie, sociale partners en 113 Zelfmoordpreventie, de relatie tussen werk, arbeidsomstandigheden en suïcide nader in kaart te brengen, zodat beter kan worden vastgesteld welke arbeidsgerelateerde factoren een rol spelen en waar preventieve maatregelen het meest effectief kunnen worden ingezet?
Zijn er verklaringen voor de regionale verschillen in suïcidecijfers?4 Acht u nader onderzoek naar de oorzaken voor deze verschillen wenselijk? Welke regio's vragen volgens u nadere aandacht, gezien de opmerkelijke verschillen (ook ten aanzien van het regionale suïcidepercentage specifiek voor tieners5)?
De beantwoording van de feitelijke vragen over het nationaal sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn advies van 19 juli 2024 Israël oproept om zo spoedig mogelijk een einde te maken aan zijn onrechtmatige aanwezigheid in de bezette Palestijnse gebieden en alle nieuwe nederzettingsactiviteiten onmiddellijk te beëindigen, en dat Israël de kolonisten uit de bezette Palestijnse gebieden dient te evacueren?
Ja.
Klopt het dat Nederland dit IGH-advies van 19 juli 2024 en de rechtsgevolgen omarmt?
In het advies van het Internationaal Gerechtshof wordt het geldende internationaal recht uitgelegd, wat geldt voor alle staten, dus ook voor Nederland. Het kabinet erkent in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is.
Is de grondslag van de sancties van het kabinet nog steeds zoals het kabinet dit in de nota van toelichting verwoordde: «Dit sanctiebesluit dient om nadere invulling te geven aan het onder paragraaf 1 besproken IGH-advies van 19 juli 2024, VNVR-resolutie 465 (1980), VNVR-resolutie 497 (1981) en AVVN-resoluties ES-10/24 en A-79/90.»?
De grondslag van het besluit is artikel 2, eerste lid, van de Sanctiewet 1977, die het mogelijk maakt om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels te stellen ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme. Zowel het IGH-advies als de genoemde resoluties van de Veiligheidsraad en Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zijn aanbevelingen van organen van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van de Sanctiewet 1977 en hebben voorts betrekking op de uitleg en toepassing van het internationaal recht. De regering kan daarom op grond van de Sanctiewet 1977 bij AMvB regels stellen ter voldoening aan deze aanbevelingen van volkenrechtelijke organen van de VN.
Hoe verhoudt het IGH-advies uit 2024 en het daarin besloten rechtsgevolg om kolonisten te evacueren zich tot de antwoorden op de feitelijke vragen eerder deze week (Kamerstuk 23 432, nr. 774), waarin het kabinet stelt dat het niet beoogt om tot een volledige evacuatie van Israëlische kolonisten uit de bezette Palestijnse gebieden te komen (bijv. vraag 116)?
Het evacueren van de eigen burgerbevolking die het onrechtmatig heeft overgebracht naar bezet gebied is een verplichting van Israël, niet van derde staten. Dat is geldend internationaal recht. De praktische invulling van dit vraagstuk zal onderdeel moeten zijn van de afspraken tussen de partijen over een tweestatenoplossing. Uiteindelijk zullen afspraken hierover onderdeel moeten zijn van een breed akkoord waarin beide partijen hun veiligheid en identiteit gewaarborgd zien. Het kabinet kan niet vooruitlopen op de invulling hiervan. De visie van het kabinet is daarmee dat het internationaal recht leidend is, en de invulling van de evacuatie van kolonisten in de praktijk onderdeel moeten zijn van afspraken tussen de partijen; dit heeft het kabinet willen laten reflecteren in de beantwoording van de feitelijke vragen.
Kan het kabinet ondubbelzinnig aangeven of het Nederlandse standpunt is dat Israël uitvoering moet geven aan de oproep van het IGH om de kolonisten uit de bezette Palestijnse gebieden te evacueren, conform het advies IGH 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24?
Zie het antwoord op vraag 4.
Klopt het dat de definitie van een kolonist/settler in het IGH-advies 2024 in ieder geval de Israëlische staatsburgers woonachtig in een OPT omvat? Zo nee, wat is dan wel de definitie?
Het IGH-advies bevat geen expliciete definitie van de term kolonist («settler»), maar refereert aan kolonisten als bewoners van nederzettingen en buitenposten.
Hoeveel Israëliërs vallen onder de noemer «kolonisten/settlers», zoals bedoeld in het IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24?
Het IGH-advies 2024 verwijst naar een rapport van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten, waarin staat dat per 2023 ongeveer 465.000 kolonisten zich in de Westelijke Jordaanoever bevonden en ongeveer 230.000 kolonisten in Oost-Jeruzalem.
Klopt het dat uit openbare bronnen blijkt dat het naar alle waarschijnlijkheid in ieder geval om meer dan 700.000 mensen gaat?
Ja, zie het antwoord op vraag 7.
Indien het inderdaad om meer dan 700.000 mensen gaat; klopt het dat een praktische invulling van het IGH-advies inhoudt dat 700.000 Israëliërs woonachtig in OPT’s zo snel mogelijk verplaatst moeten worden? Zo nee, wat betekent het dan wel?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien vraag 9 bevestigend is beantwoord, wat was de reden dat het kabinet in de feitelijke vragen een soortgelijke vraag ontkennend beantwoordde terwijl het een kernpunt van het IGH advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24 is? (vraag 116)
Zie het antwoord op vraag 4.
Het kabinet erkent in de beantwoording op feitelijke vragen dat meerdere groepen «kolonisten» legitieme eigendomsrechten hebben (zie vragen 39, 40 en 42); wat moet volgens het kabinet met deze huishoudens gebeuren volgens het IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24?
Het Israëlisch optreden in de bezette gebieden leidt er toe dat de gehele bezetting als zodanig onrechtmatig is. Daarnaast richt het Tijdelijk Sanctiebesluit zich op de mogelijke oorsprong van goederen, en niet op de al dan niet rechtmatige eigenaar van een bepaald stuk grond.
Zijn deze eigendomsrechten volgens het kabinet ondergeschikt aan invulling geven aan het IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 11.
Waarom stelt het kabinet in de beantwoording van de feitelijke vragen (vraag 45) dat de status van Jeruzalem nog onderwerp van discussie is, terwijl het IGH in zijn advies uit 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24 expliciet ingaat op de Israëlische aanwezigheid in de bezette Palestijnse gebieden inclusief Oost-Jeruzalem en de juridische gevolgen daarvan die het kabinet zegt te onderschrijven?
In het advies van het Internationaal Gerechtshof wordt het geldende internationaal recht uitgelegd en de verplichtingen die daaruit volgen. Wat het kabinet in de feitelijke vragen heeft willen reflecteren, is zijn positie dat de status van Jeruzalem onderdeel zal moeten zijn van een breed akkoord waarin de beide partijen hun veiligheid en identiteit gewaarborgd zien. Het kabinet benadrukt hierbij dat alle religieuze groepen, waaronder Joden, altijd welkom en veilig moeten zijn in heel Jeruzalem, Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogvlakte. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Klopt het, dat door de maatregel te baseren op de verplichtingen voortvloeiend uit IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24, noch het bevriezen van de plannen van de E1-nederzettingen, noch het sanctioneren van extremistische kabinetsleden, noch een wisseling van Israëlische regering, noch vrede in Gaza, noch een effectieve aanpak van gewelddadige kolonisten allen individueel of gezamenlijk voldoende zijn om te voldoen aan de juridische verplichting die in het IGH-advies uit 2024?
Nederland heeft de verplichting niet bij te dragen aan de door Israël gecreëerde onrechtmatige situatie in de bezette Gebieden. Het kabinet heeft echter een bepaalde beleidsvrijheid hoe het invulling geeft aan zijn internationaalrechtelijke verplichting. Het kabinet zal blijven wegen, mede gegeven de actuele situatie ter plaatse, hoe het exact invulling geeft aan die verplichting en hoe het dus omgaat met dit Tijdelijke Sanctiebesluit en andere maatregelen.
Klopt het dat de juridische grondslag om nationale sancties te treffen na alle genoemde maatregelen in vraag 13 overeind blijft volgens de rechtsgevolgen uit het IGH 2024 advies die het kabinet onderschrijft? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 14.
Hoe verhoudt de aangenomen motie Ceder/Stoffer (Kamerstuk 26 150, nr. 239) en vooral de beantwoording van het kabinet op de feitelijke vragen (vraag 45) op de verplichtingen voortvloeiend uit het IGH 2024 advies en AVVN-resolutie ES-10/24?
Zie het antwoord op vraag 4 en vraag 13.
Geldt het sanctiebesluit ook voor goederen uit oorspronkelijke Druzendorpen op de Golanhoogvlakten, nu dit gebied is geannexeerd door Israël?
Voor zover het producten betreft uit een postcodegebied dat op de EU-postcodelijst staat, inclusief de nederzettingen op de door Israël geannexeerde Golanhoogvlakte, valt dat product in beginsel onder de reikwijdte van dit besluit.
Kan het kabinet deze verduidelijkende spoedvragen voor het commissiedebat over het sanctiebesluit op donderdag 3 september beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen worden gecompenseerd?
Ja.
Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?
Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen voor een stemming.
Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?
Ja.
Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija «de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen»?
Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002–2021, net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS: in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.
Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit tegen individuele vergoedingen – zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie er schade hebben geleden –, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee, op welke wijze is deze optie onderzocht?
De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.
Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken met de Kamer delen?
Binnen zowel het Ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd, en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9
Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja, waarom?
De motie-Fritsma verzoekt de regering «op actieve wijze zeker te stellen dat geen cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija terechtkomt bij (oud-)IS’ers».10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.
Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs voor hebben aangeleverd?
Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele tegemoetkomingen.12
Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026» en «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.
Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Inclusiviteit ligt ten grondslag aan de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s die het ministerie financiert. Deze programma’s zijn daarom zo veel mogelijk toegankelijk voor diverse groepen in een samenleving, waaronder mensen met een beperking. Conform de motie Ceder en Bamenga (Kamerstuk 36 180, nr. 149) blijf ik op reguliere basis in gesprek met relevante organisaties, zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD).
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Binnen de sectoren water, voedsel en gezondheid wordt inclusie als uitgangspunt gehanteerd bij de ontwikkeling en de uitvoering van programma’s. Hieronder valt ook het waarborgen van toegang tot interventies voor mensen met een beperking, naast andere kwetsbare groepen.
Een voorbeeld binnen de watersector is het door Nederland medegefinancierde Global Water Security and Sanitation Partnership met de Wereldbank. Dit programma stimuleert toegang voor mensen met een beperking tot werk en diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen en bevordert dat zij een rol spelen in besluitvorming.
Binnen de programmering op voedselzekerheid is het landrechtenprogramma in Benin (Projet de Préparation de la Mise à l'Échelle du Cadastre national) een voorbeeld van een project gericht op het bevorderen van toegang tot land voor vrouwen, jongeren en kwetsbare groepen, zoals mensen met een beperking.
Binnen de programmering op gezondheid werken partners in Mozambique bijvoorbeeld met afbeeldingen voor betere communicatie met mensen met een auditieve beperking. Ook start dit jaar in Burkina Faso een programma op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) dat rekening houdt met de informatiebehoeften van mensen met een beperking.
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert regulier overleg met organisaties zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD), waarin onder meer wordt gesproken over de inclusie van mensen met een beperking in ontwikkelingsbeleid en -programma’s.
Ook in de SRHR NEXT-alliantie van Nederlandse organisaties wordt specifiek aandacht besteed aan de behoeften en toegang van mensen met een beperking.
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Dat betekent dat de betrokkenheid van kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperking, niet systematisch gemonitord wordt. Het is dan ook niet uitvoerbaar uw Kamer periodiek te informeren over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies. Uiteraard blijft inclusie van mensen met een beperking een belangrijk aandachtspunt binnen onze beleidsontwikkeling en programmatische inzet. In onze reguliere rapportages, zoals het BHOS-Jaarverslag, zal ik, waar mogelijk, blijven aangeven hoe dit in de praktijk wordt ingevuld.
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Bij het uitwerken van de nieuwe visie op ontwikkelingssamenwerking wordt gekeken naar advisering door de AIV. Bij de totstandkoming van haar advies, heeft de AIV een openbare oproep gedaan om bij te dragen met schriftelijke input. Daarop hebben diverse organisaties kunnen reageren, waaronder hopelijk organisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen of programma’s voor en met mensen met een beperking uitvoeren. Bij de verdere uitwerking van de visie zal ik, waar passend, het gesprek voeren met relevante organisaties.
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Hierdoor wordt niet bijgehouden hoeveel van de investeringen ten goede komen aan het welzijn van kinderen. Wel is er in specifieke programma’s bijzondere aandacht voor kinderen. In lijn met de motie van de leden Ceder cs. (motie 36 800 XVII, nr. 51) zal ik voortaan jaarlijks in het BHOS-jaarverslag inzicht geven in een aantal specifieke programma’s waar welzijn en belangen van kinderen nadrukkelijk meewegen.
Voorbeelden zijn programma’s van UNICEF en Max Foundation, die direct bijdragen aan gezondheid van kinderen via voedselzekerheid en toegang tot water, sanitaire voorzieningen en hygiëne; het ACCEL-programma van de International Labour Organization, dat kinderarbeid tegengaat in internationale waardeketens voor cacao, katoen, thee en goud, in Ivoorkust, Mali, Nigeria, Ghana, Kenia en Uganda; en het PROSPECTS partnerschap, waarin inclusie van vluchtelingenkinderen in onderwijssystemen en nationale kinderbescherming wordt meegenomen als onderdeel van sociale bescherming van vluchtelingen in landen van opvang. Tevens ondersteunt PROSPECTS kinderen uit gastgemeenschappen en uit de populatie van intern ontheemden in toegang tot onderwijs. In het Future4Binti-programma (2026–2030, EUR 50 mln.) is er specifiek aandacht voor meisjes om schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking en kindhuwelijken in Oost-Afrika tegen te gaan. Ook het Global Programme to End Child Marriage van UNICEF (2024–2027, EUR 18 mln.) zet in op bescherming van kinderen en specifiek meisjes tegen kindhuwelijken. Daarnaast zijn er andere door Nederland gefinancierde programma’s gericht op levensreddende hulp en bescherming voor alle mensen in nood met extra aandacht voor de meest kwetsbaren, waaronder kinderen.
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Het vorige kabinet heeft besloten de jongerenagenda geen prioriteit meer te geven. Gegeven capaciteitsbeperkingen en vele noden moeten keuzes worden gemaakt. Na een effectieve fase van bewustwording en internationaal aanjagen van het jongerenthema (Youth at Heart) is het nu tijd voor verankering van deze aanpak in het OS-beleid via de reguliere werkprocessen. Het is dan ook niet logisch om de aanjaagfunctie van de (onder het vorige kabinet opgeheven functie) Ambassadeur Jongeren, Onderwijs en Werk opnieuw in het leven te roepen.
Jongeren blijven primair benaderd worden als partners met een stem die gehoord moet worden; jongerenparticipatie wordt vormgegeven door reeds bestaande structuren zoals de VN-Jongerenvertegenwoordigerprogramma, SRGR- jongerenambassadeur, de WestWing en lokale jongerenadviescommissies bij posten. Ook worden programma’s gericht op jongeren, zoals Orange Corners, PROSPECTS en KEY, (door)ontwikkeld en uitgevoerd.
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Aandacht voor het welzijn en belangen van kwetsbare groepen, waaronder kinderen liggen aan de basis van mijn ontwikkelingsbeleid.
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten |
|
Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan het middelenvereiste te blijven voldoen, zoals blijkt uit signalen die bij de IND bekend zijn?1
Ik vind dat buitengewoon vervelend voor de desbetreffende Iraanse studenten.
Ik heb instellingen dan ook gevraagd om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden.
Klopt het dat Iraanse studenten door sommige onderwijsinstellingen wordt aangeraden om asiel aan te vragen? Bent u het eens dat dat niet de juiste oplossing is als een financiële regeling het probleem ook zou oplossen?
Ik heb dit nagevraagd bij de koepels van de onderwijsinstellingen (de Vereniging Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UNL)); bij hen zijn geen onderwijsinstellingen bekend die Iraanse studenten aanraden om asiel aan te vragen. Onderwijsinstellingen wijzen bijna-afgestudeerde studenten op de mogelijkheden van een zoekjaar (of verlenging van studie in geval van studievertraging). In een bijeenkomst van het Landelijk Overleg Afdelingshoofden Studentzaken van de onderwijsinstellingen is ondersteuning van Iraanse studenten besproken maar ook daar is zover mij bekend dit advies niet gegeven.
Ik deel de mening dat een asielaanvraag niet de juiste oplossing is voor een financieel probleem.
Vindt u het wenselijk als onderwijsinstellingen besluiten níet gebruik te maken van de ruimte die ze onder de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) hebben om maatwerk te verzorgen, als dat tot gevolg heeft dat Iraanse studenten worden gedwongen hun studie te stoppen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor uw inzet?
Hogescholen en universiteiten spannen zich waar mogelijk in om te voorkomen dat betalingsproblemen van Iraanse studenten leiden tot uitschrijving. Zij maken hierbij gebruik van de ruimte die de Wet Hoger Onderwijs en Wetenschap (WHW) biedt om voorzieningen te treffen voor de (financiële) ondersteuning van een individuele student. Zij gaan echter zelf over de invulling die zij hieraan geven om zo goed mogelijk aan te kunnen sluiten bij de specifieke situatie van een student. De omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven kunnen per student verschillen. Maatwerk betekent ook dat een instelling kan besluiten dat in individuele gevallen ondersteuning niet passend is.
Bent u bereid om de financiële regelingen die onderwijsinstellingen hanteren voor Iraanse studenten te inventariseren en de Kamer hierover in september te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord 3 betrachten instellingen zorgvuldigheid en maatwerk in het bieden van ondersteuning aan studenten om zo goed mogelijk aan te sluiten bij hun specifieke situatie. Hierdoor lopen de financiële regelingen zodanig uiteen dat een centraal overzicht van welke onderwijsinstellingen financiële ondersteuning bieden en waaruit die getroffen regelingen precies bestaan, lastig in kaart te brengen is. De koepelorganisaties VH en UNL beschikken hier ook niet over. Maatwerk kan bovendien directe financiële ondersteuning betreffen, zoals een betalingsregeling of het openstellen van een noodfonds, maar ook non-financiële ondersteuning, bijvoorbeeld het tijdelijk opheffen van herinschrijfblokkades, (mentale) begeleiding via studentpsychologen, studentendecanen en social workers voor internationale studenten en het organiseren van steunbijeenkomsten voor studenten en medewerkers. Het is dan ook ondoenlijk om uw Kamer te informeren over de ondersteuningsvoorzieningen die specifiek geboden worden aan de betreffende studenten, inclusief de gehanteerde financiële regelingen.
Bent u bereid om bij Iraanse studenten de vinger aan de pols te houden of de regelingen van de onderwijsinstellingen toereikend zijn en de Kamer over de uitkomsten van deze gesprekken te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb momenteel geen apart overleg met Iraanse studenten. Wel spreek ik regelmatig met de formele studentvertegenwoordigende organisaties LSVb en ISO. Zij kunnen de situatie van Iraanse studenten agenderen voor overleg en doen dat ook. Iraanse studenten weten hen te vinden. Verder ben ik met onderwijsinstellingen in gesprek over de situatie van Iraanse studenten in Nederland en de problemen die een deel van de Iraanse studenten in Nederland ervaren gaan ons aan het hart. Ik vraag instellingen om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden. Ik zie dat instellingen dit ook doen.
Welke wettelijke ruimte is er om af te wijken van de regel dat niet-EER-studenten met een studievisum maximaal 16 uur per week mogen werken als de situatie, zoals die van Iraanse studenten, zich daartoe noodzaakt?
Artikel 8.3.c.7 van de Regeling tot uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen biedt internationale studenten de mogelijkheid om 16 uur per week of in de maanden juni, juli en augustus voltijds te werken zonder dat de daarvoor benodigde tewerkstellingsvergunning wordt getoetst op prioriteitgenietend arbeidsaanbod. Er is geen wettelijke ruimte om van deze regel af te wijken.
Wilt u zich zodanig inzetten dat geen enkele Iraanse student gedwongen wordt zijn of haar studie in Nederland te stoppen en terug te keren naar Iran doordat de student in de praktijk geen toegang meer heeft tot eigen geld of geld van de familie? Zo ja, wat betekent dat voor uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord 3 aangegeven bepalen instellingen zelf de invulling die zij geven aan de ruimte die de WHW biedt om voorzieningen te treffen voor de (financiële) ondersteuning van een individuele student. Daarnaast geldt dat als een internationale student niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning is afgegeven, dat in beginsel reden is om de verblijfsvergunning in te trekken. Wel dient Nederland in elk besluit tot intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd (artikel 21, zevende lid). Voordat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, beoordeelt de IND per geval of er individuele redenen zijn om van intrekking c.q. niet-verlenging af te zien. Vanwege deze mogelijkheid tot maatwerk zie ik geen reden om het beleid te wijzigen.
Wanneer bent u wél bereid om aanvullende maatregelen te nemen om Iraanse studenten in Nederland financieel te ondersteunen, bijvoorbeeld door hen te laten studeren tegen het wettelijke collegegeld?
Ik overweeg op dit moment geen aanvullende algemene maatregelen voor studenten en onderwijsinstellingen. Zoals eerder gezegd, het verschilt per student waar behoefte aan is en er zijn op instellingen al mogelijkheden voor maatwerk en financiële voorzieningen. Instellingen kunnen het instellingscollegegeldtarief voor bepaalde groepen studenten verlagen tot minimaal het wettelijk collegegeldtarief. Het is aan de instelling zelf om te bepalen of zij van deze mogelijkheid gebruik maken en in te schatten wat per student nodig en mogelijk is.
Heeft u kennisgenomen van de berichten «As reports of anti-Christian incidents in Israel increase, advocates press police to act»1 en «Jerusalem Patriarchate: Silwan Land Grab Violates Church Rights and Jerusalem’s Historic Christian Presence»?2
Ja.
Hoe luidt uw reactie op deze berichten?
Het kabinet vindt de signalen over toenemende druk op christenen in Oost-Jeruzalem en christelijke gemeenschappen in Israël zorgelijk.
Bent u het eens met het Orthodoxe Patriarchaat van Jeruzalem over de classificatie van het incident gericht op kerkelijk eigendom in Silwan op 15 juni jongstleden als «een onrechtmatige en illegitieme inbeslagname van gevestigd kerkelijk eigendom in het hart van Jeruzalem»?
Het Orthodoxe Patriarchaat van Jeruzalem heeft een rechtszaak aangespannen tegen de gemeente Jeruzalem om de werkzaamheden van de gemeente Jeruzalem te stoppen. In navolging daarop zijn het Patriarchaat en de gemeente in juni reeds tot een overeenkomst gekomen waarbij het land het kerkelijk eigendom blijft.
Herkent u de trend van een toename van antichristelijke intimidatie in Israël, zoals te zien is in de toename van het aantal gerapporteerde incidenten door het Religious Freedom Data Center? Welke oorzaken liggen hier volgens u aan ten grondslag?
De afgelopen jaren neemt de druk op christelijke gemeenschappen in Israël toe. Zo ondervinden religieuze minderheden, waaronder christenen, beperkingen bij het betreden van de Oude Stad van Jeruzalem, vooral tijdens religieuze feestdagen. In maart dit jaar werd het Latijns Patriarchaat van Jeruzalem de toegang tot de Heilige Grafkerk ontzegd door de Israelische politie. Dit zijn zorgelijke ontwikkelingen, die in het licht kunnen worden gezien van verdere uitbreiding van Israëlische controle in Oost-Jeruzalem.
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op Kamervragen over de positie van (christelijke) minderheden in Jeruzalem, evenals de antwoorden van uw ambtsvoorganger?3 4 Welke extra stappen gaat u, eventueel in EU-verband, zetten gezien de trend en de toename van het aantal incidenten?
Nederland zet zich wereldwijd actief in voor de bescherming van de vrijheid van religie en levensovertuiging als een fundamenteel mensenrecht. Dit doet Nederland onder andere via het Mensenrechtenfonds, het werk van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de Mensenrechtenambassadeur, bilaterale diplomatie en in multilaterale gremia. Daarbij komt Nederland op voor de rechten van alle religieuze groepen, met speciale aandacht voor kleine en of kwetsbare geloofsgemeenschappen.
Nederland en de EU spreken Israël consequent aan op zijn verantwoordelijkheden onder internationaal recht en de mensenrechtenverdragen, waaronder op het gebied van godsdienstvrijheid. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november 2025 is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem. In dat kader is onder meer gesproken met de Grieks-Orthodoxe Kerk. Ook staat de Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden regulier in contact met de verschillende religieuze instellingen in Jeruzalem.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met kerkelijke autoriteiten in Jeruzalem over de extra inzet die Nederland kan doen, eventueel in EU-verband, ter bescherming van de positie van religieuze minderheden en kerkelijk erfgoed in Jeruzalem? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
De bevindingen zijn zeer zorgelijk. Antisemitisme, zowel offline als online, is onacceptabel. Joden moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen. Het kabinet zet zich daarom actief in voor de bestrijding van antisemitisme, waaronder online antisemitisme.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Dat het onderzoek laat zien dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media in enkele jaren is verdubbeld en het aantal directe bedreigingen zelfs is vervijfvoudigd, is een uiterst ernstige ontwikkeling. Hoewel het kabinet terughoudend is met het trekken van conclusies uit één onderzoek, sluiten de bevindingen aan bij bredere signalen van onder meer politie, het Openbaar Ministerie, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en maatschappelijke organisaties dat online antisemitisme de afgelopen jaren is toegenomen.
Antisemitisme tast niet alleen de veiligheid van Joden aan, maar ook de open en democratische rechtsstaat. Het kabinet veroordeelt deze ontwikkeling daarom nadrukkelijk.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Het kabinet beoordeelt deze ontwikkeling als buitengewoon ernstig. Oproepen tot moord, uitroeiing of geweld tegen Joden zijn niet «slechts» kwetsende uitingen, maar kunnen afhankelijk van de inhoud en context strafbare feiten opleveren, zoals het aanzetten tot haat of geweld of bedreiging. Dergelijke uitingen dragen bovendien bij aan een online klimaat waarin intimidatie en discriminatie worden genormaliseerd en kunnen ook leiden tot reële veiligheidsrisico's voor Joden.
Waar sprake is van strafbare uitingen en een aangifte daarvan, is het aan politie en OM om daartegen op te treden. Wanneer uitingen kwalificeren als terroristische online-inhoud kan er daarnaast melding worden gemaakt bij het online meldpunt van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). De ATKM is bevoegd om verwijderbevelen uit te vaardigen aan platformen en hostingbieders om terroristische content binnen één uur offline te halen of ontoegankelijk te maken.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Het klopt dat antisemitisme zich breed manifesteert en dat dit zeker niet alleen uit rechts-radicale en complotgerichte online kringen komt. Vanuit allerlei extremistische ideologische hoeken, van links tot rechts, alsook vanuit religieus extremisme, komt jodenhaat voor. Internationale spanningen werken daarbij door in het publieke debat en op sociale media, waar antisemitische uitingen in sommige kringen steeds vaker openlijk worden geuit of genormaliseerd. Antisemitisme is onacceptabel, waar het ook vandaan komt.
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Het kabinet onderkent dat buitenlandse extremistische netwerken en influencers steeds meer gebruik maken van sociale media om antisemitische propaganda, complottheorieën en haatdragende narratieven internationaal te verspreiden. Online platformen kennen geen landsgrenzen, waardoor dergelijke boodschappen ook Nederlandse gebruikers bereiken en polarisatie kunnen versterken.
De Digital Services Act (DSA) verplicht zeer grote online platformen om illegale content te modereren en systeemrisico's, waaronder de verspreiding van illegale content alsook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten met name o.a. het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrecht op non-discriminatie, te analyseren en passende maatregelen te nemen. Daarnaast werkt Nederland nauw samen met de Europese Commissie en andere lidstaten om grensoverschrijdende online risico’s op beïnvloeding aan te pakken. Tegelijkertijd blijft het versterken van digitale weerbaarheid en mediawijsheid essentieel om gebruikers weerbaarder te maken tegen dergelijke beïnvloeding.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan. De aanpak van online antisemitisme maakt deel uit van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–20302. Deze strategie vormt het samenhangende beleidskader voor de bestrijding van antisemitisme en omvat maatregelen op het gebied van bescherming en handhaving, onderwijs, preventie en het versterken van Joods leven en herdenken.
Ten aanzien van de online omgeving zet het kabinet in op een combinatie van regulering, handhaving en samenwerking met nationale en internationale partners.
Online platformen zijn gebonden aan de DSA. Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Voor dat doel bevat de DSA verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen voor verschillende typen tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Zo moeten zij een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14). Zij moeten verder een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud, waaronder haatzaaiende of discriminerende inhoud, en dat leidt tot tijdige en zorgvuldige besluiten over die meldingen (artikel 16). Zeer ernstige strafbare feiten moeten worden gemeld bij de bevoegde rechtshandhavende autoriteiten (artikel 18). De verordening verplicht aanbieders van online platforms verder om gebruikers die frequent kennelijk illegale inhoud verspreiden, tijdelijk te schorsen (artikel 23 van de verordening).
De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie,3 moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten, waaronder het grondrecht op non-discriminatie. Risicobeperkende maatregelen van zeer grote online platforms kunnen onder meer de naleving van gedragscodes omvatten. In dat kader is relevant dat de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online+ in 2025 in de DSA is geïntegreerd. Deze gedragscode heeft tot doel de verspreiding van illegale haatzaaiende uitlatingen op onlineplatforms te voorkomen en aan te pakken door middel van toezeggingen op het gebied van algemene voorwaarden, herziening van de tijd van kennisgevingen, transparantie van inhoudsmoderatieacties, samenwerking tussen meerdere belanghebbenden en bewustmaking. De ondertekenaars,4 waaronder zeven zeer grote online platforms, verbinden zich ertoe de verbintenissen uit de code na te leven.
In Nederland is Meld Online Discriminatie (MOD) aangewezen als betrouwbare flagger onder de DSA. MOD beoordeelt meldingen van mogelijk illegale discriminatoire content en kan platforms verzoeken deze content te verwijderen.
Daarnaast blijft het kabinet online platforms aanspreken op hun verantwoordelijkheid om een veilige online omgeving te creëren. Nederland neemt deel aan internationale samenwerking, waaronder een meerjarige werkgroep van de Europese Commissie over de bestrijding van antisemitisme. Ook heeft het kabinet tijdens het ministeriële EU Internet Forum5 van 4 maart aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van platforms om online antisemitisme effectief tegen te gaan.
De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) speelt eveneens een belangrijke rol. De NCAB zit een internationale werkgroep voor van nationale coördinatoren en speciaal gezanten die online platforms aanspreekt op de aanpak van online antisemitisme en organiseert jaarlijks de International Prosecutors Summit on Antisemitism (IPSA), waarin Europese openbaar aanklagers samenwerken aan de versterking van de strafrechtelijke aanpak van onder meer online antisemitisme. Ook laat de NCAB jaarlijks onderzoek naar online antisemitisme in Nederland.
Voor wat betreft het tegengaan van online radicalisering, extremisme en terrorisme coördineert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de Versterkte Aanpak Online (VAO). De aanpak omvat diverse interventies onder andere op het gebied van preventie en bewustwording, normerende gesprekken met de internetsector, en de inzet van het bestaande wettelijke kader – waaronder de DSA en de verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI). Ook wordt door middel van ondersteunende bijeenkomsten, regionale adviezen via lokaal adviseurs en een verkenning naar een communicatie aanpak over online gevaren, gewerkt aan het versterken van de digitale weerbaarheid van de samenleving. Over deze beleidsinzet en recente ontwikkelingen is uw Kamer op 22 mei jl. geïnformeerd via de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content.6
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Nee. Voor het onderzoek heeft Textgain data van Twitter/X Facebook, Instagram, TikTok en YouTube geanalyseerd, maar ook kleinere sites als Dumpert, geenstijl.nl en Marokko.nl en internetfora als 4chan en Soyzellig. De onderzoekers concluderen dat antisemitisme op deze platforms zou zijn toegenomen, maar het onderzoek betreft geen juridisch onderzoek naar de naleving van de DSA door zeer grote online platforms. Het is aan de Europese Commissie als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms- en zoekmachine, om te beoordelen of zij hun verplichtingen onder de DSA naleven. De Commissie is daarin onafhankelijk.
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, biedt de DSA een belangrijk Europees kader voor een veiligere online omgeving. De DSA bevat enerzijds een kader voor aansprakelijkheid en anderzijds zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Deze verplichtingen zijn erop gericht illegale inhoud op online platforms terug te dringen en ervoor te zorgen dat met name zeer grote online platforms hun verantwoordelijkheid nemen om systeemrisico’s te beperken. De integratie van de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online in de DSA draagt bij aan de naleving en doeltreffende handhaving van de DSA op dit gebied.
Op dit moment heeft het kabinet geen reden om te twijfelen aan de toereikendheid van dit kader. Het toezicht op de DSA begint op stoom te komen, zoals onder meer blijkt uit de handhavingsacties van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders. Tegelijkertijd vormt de DSA één onderdeel van een bredere aanpak. Effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt eveneens om strafrechtelijke handhaving, internationale samenwerking, onderwijs en maatschappelijke weerbaarheid.
Het kabinet blijft de werking van de DSA volgen. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Deze evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA maar kan desalniettemin kansen bieden om de werking in de praktijk te verbeteren. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse betrokkenheid bij de evaluatie en gaat hiervoor in gesprek met betrokken ministeries en toezichthouders.
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
Het kabinet blijft de dialoog met de internetsector zoeken over zowel schadelijke als illegale content, waaronder trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. In alle gesprekken die we met online platforms voeren worden deze onderwerpen, waaronder ook de bestrijding van antisemitische content, aan de orde gesteld. Daarnaast ondersteun ik, samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken – Digitale Economie en Soevereiniteit, de Publiek private Samenwerking Online Content onder neutraal voorzitterschap van ECP.
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Voor zover mij bekend, betreffen 4chan en Soyzellig beide user-generated content platforms, waarop gebruikers tekst, afbeeldingen en reacties kunnen plaatsen. Of zij onder de reikwijdte van de DSA vallen, hangt af van de vraag of zij kwalificeren als «tussenhandeldienst», meer specifiek als «hosting dienst» en «online platform» als subcategorie van hostingdiensten. Hoewel het aan de bevoegde toezichthouders en/of rechter is om dit vast te stellen, lijkt dit voor beide platforms voorshands het geval, in welk geval zij zullen moeten voldoen aan de verplichtingen in de DSA die gelden voor online platforms. Het betreft onder meer de zorgvuldigheidsverplichtingen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, met de kanttekening dat 4chan en Soyzellig niet zijn aangewezen als «zeer groot online platform» en dus niet aan de verplichtingen inzake systeemrisico’s hoeven te voldoen. Die verplichtingen gelden enkel voor de platforms met een gemiddeld aantal maandelijks actieve afnemers van 45 miljoen of meer.
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Zowel de politie als het OM hebben expertisecentra gericht op de aanpak van discriminatiezaken. Bij de politie levert het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie-Politie (ECAD-P) op verschillende manieren expertise met betrekking tot de aanpak van discriminatie (waaronder antisemitisme) aan de politieorganisatie. De capaciteit van het ECAD-P is het afgelopen jaar uitgebreid en bestendigd met structurele middelen. Bij het ECAD-P leveren discriminatierechercheurs ondersteuning aan collega’s in regionale eenheden bij de behandeling van discriminatiezaken en helpen zij de basisteams proactief bij het herkennen en oppakken van meldingen en aangiftes met een discriminatoir karakter. Wanneer iemand melding of aangifte doet van discriminatie in een politie-eenheid dan pakt de medewerker uit die eenheid deze zaak op en rondt deze zelf af. Bij complexere zaken kan een beroep worden gedaan op de discriminatierechercheur die aan de eenheid is gekoppeld. Daarnaast zijn thematische discriminatierechercheurs bij het ECAD-P werkzaam, onder andere specifiek op de thema’s antisemitisme en online discriminatie.
Het Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LECD) van het OM zorgt voor het adviseren en informeren van officieren en andere medewerkers binnen het OM op het gebied van de aanpak van discriminatiezaken. Elk arrondissementsparket heeft officieren van justitie die gespecialiseerd zijn in strafbare discriminatie. Zij behandelen complexe discriminatiezaken en zijn vraagbaak voor andere collega’s. De discriminatieofficieren en andere gespecialiseerde OM-medewerkers komen meerdere keren per jaar met het LECD samen om geïnformeerd te blijven en tijdig nieuwe ontwikkelingen rondom strafbare discriminatie, waaronder online antisemitisme, te signaleren. Het OM is op dit moment bezig om de aanpak van online discriminatie te intensiveren. Binnen het huidige beleid bestaat ruimte om in uitzonderlijke gevallen ook ambtshalve discriminatiezaken op te pakken. Die ruimte wordt binnen het OM de komende periode beter benut door vanuit de discriminatieaanpak nadrukkelijker samen te werken met de aanpak van (online) terrorismezaken.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de strijd tegen (online) antisemitisme en voor de veiligheid van Joden in Nederland. De bevindingen van dit onderzoek neemt het kabinet dan ook serieus en zal deze betrekken bij de verdere uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 en het Plan van aanpak online discriminatie waar antisemitisme deel van uitmaakt.
Het bericht ‘Zorgverzekeraars: premieopslag bij betalingsachterstand voor laagste inkomens naar 0%’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de wens van Zorgverzekeraars Nederland om de premieopslag in de wanbetalersregeling in de Zorgverzekeringswet te verlagen van 10% naar 0%? Wat is volgens u het effect van de huidige premieopslag in de wanbetalersregeling?1 Heeft de premieopslag volgens u het effect wat ermee is beoogd? Deelt u de conclusie van Zorgverzekeraars Nederland dat de huidige premieopslag een extra belasting is voor kwetsbare verzekerden?
Wat zegt het u dat zowel de uitvoerder van de wanbetalersregeling2 (het CAK) als de zorgverzekeraars het standpunt hebben dat de premieopslag verlaagd moet worden naar 0%?
Bent u bereid deze verlaging te gaan realiseren door een wetsvoorstel aanhangig te maken? Zo nee, wat houdt u tegen?
Zijn er (relevante) (advies)organen voorstander van het behouden van de premieopslag van 10%? Zo ja, welke en met welke argumentatie?
Heeft u informatie over hoeveel verzekerden in de wanbetalersregeling terechtgekomen zijn vanwege hun problematische schuldensituatie? Zo ja, wat zeggen deze cijfers u over de effectiviteit en het doel van de wanbetalersregeling met premieopslag?
Bent u bereid om met het CAK en Zorgverzekeraars Nederland in gesprek te gaan over hoe een wanbetalersregeling (waarbij verzekerden wel verzekerd blijven ondanks hun betalingsachterstand) eruit kan zien zonder premieopslag? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zou dit uitvoeringstechnisch haalbaar zijn?
Hoeveel levert de premieopslag nu aan inkomsten op, na verrekening van incasso- en deurwaarderskosten? Hoeveel van de opgelegde premieopslag wordt daadwerkelijk geïnd? Hoeveel incasso- en deurwaarderskosten worden hiervoor gemaakt?
Welke financiële gevolgen heeft het verlagen van de premieopslag naar 0% voor de Rijksbegroting?
Sluit u zich aan bij de Kamerbrede uitspraak (motie Ceder, Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) dat de premieopslag in de wanbetalersregeling moet verdwijnen? Zo nee, op welke wijze geeft u dan navolging aan de aangenomen motie? Zo ja, wanneer kan de Kamer een wetsvoorstel verwachten?
Kunt u de Kamer (alsnog) informeren over de in motie Ceder (Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) gevraagde informatie over wat er nodig is om de premieopslag uit de wanbetalersregeling te schrappen?
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals verankerd in de Nederlandse Grondwet, geldt voor iedereen in Nederland, ook in de asielopvang. Tegen bedreiging en intimidatie van asielzoekers vanwege hun (bekering tot het) (christelijke) geloof moet daarom krachtig worden opgetreden. Uitgangspunt is dat iedere asielzoeker, ongeacht geloofsovertuiging, zich (sociaal) veilig moeten weten op de COA-locatie.
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Het klopt dat er op het azc Vlissingen sprake was van spanningen tussen bewoners waarbij religie een rol speelde. Zonder op de individuele casus in te gaan, kan ik in zijn algemeenheid aangeven dat wanneer op een locatie sprake is van onderlinge spanningen of een incident, het COA een feitenonderzoek doet en in gesprek gaat met de betrokken bewoners.
Bij signalen van onveiligheid zoekt het COA met bewoners naar een passende oplossing. Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Jaarlijks publiceert het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum een overzicht van incidenten en verdachtenregistraties van misdrijven onder de COA-bewoners die betrokken zijn bij overlast of verdacht worden van een misdrijf. Op 2 juli jl. heeft het WODC de Incidentenmonitor over 2019–2025 gepubliceerd.3 Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. In hoeverre de incidenten religieus van aard zijn, wordt echter niet systematisch geregistreerd.
N.a.v. de aangenomen motie van de leden Ceder en Van Dijk4 werkt mijn ministerie op dit moment in samenspraak met de strafrechtketen uit hoe religieus gemotiveerd geweld op COA-locaties beter inzichtelijk kan worden gemaakt. Ik verwacht na de zomer uw Kamer te informeren hoe dit vorm krijgt.
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen. Als opvangorganisatie heeft COA de bevoegdheid om maatregelen conform het Maatregelenbeleid COA op te leggen wanneer sprake is van overlast of overtreding van de huisregels, zoals discriminatie, intimidatie of geweld.
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Op basis van de tot nu toe bekende signalen, die incidenteel van aard zijn, herkent het COA zich niet in het beeld dat op locaties sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie. Dat neemt niet weg dat op sommige locaties door incidenten die hebben plaatsgevonden, ook in relatie tot religie, het veiligheidsgevoel van bewoners onder druk kan staan. In aanvulling op de geldende kaders zoals toegelicht in antwoord 5, heeft COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. De signalen worden de komende tijd gerichter gemonitord om te bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Ja, wanneer een asielzoeker vanwege zijn geloofsovertuiging wordt lastiggevallen, is dat een onwenselijke aantasting van de godsdienstvrijheid. Dat sluit niet uit dat daarbij sprake is van een complexer spanningsveld.
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Mijn ministerie heeft recent een gesprek gevoerd met Stichting Gave om zo vanuit het maatschappelijk middenveld geïnformeerd te worden over signalen en aandachtspunten. Zoals benoemd in antwoord op vraag 6, heeft het COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. COA is alert op dergelijke signalen. De komende tijd wordt in samenspraak tussen departement en COA bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Elke bewoner van het COA wordt geïnformeerd over de huisregels. Daarin is onder meer opgenomen dat discriminatie, intimidatie en geweld niet is toegestaan. Uitgangspunt is dat het COA conform het maatregelenbeleid normerend optreedt jegens bewoners die zich niet aan de huisregels houden, waaronder discriminatie, intimidatie en geweld. Wanneer daarbij sprake is van een strafbaar feit, wordt melding of aangifte bij de politie gedaan door COA en/of worden bewoners gestimuleerd melding of aangifte te doen.
De normering vanuit het COA als opvang- en begeleidingsinstantie wordt in de praktijk soms bemoeilijkt, wanneer bijvoorbeeld medewerkers geen getuige zijn van een incident en betrokken bewoners naderhand een verschillend feitenrelaas aanvoeren. Bovendien kan negatief gedrag tegen kwetsbare doelgroepen in de opvang, waar ook christelijke asielzoekers toe behoren, soms heel subtiel plaatsvinden. Daarom blijft het doen van aangifte en/of melding door bewoners en COA van belang, om met de sterke arm ook langs de strafrechtelijke band gedrag te normeren.
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Uitgangspunt is dat een asielzoeker die wordt verdacht van een strafbaar feit, duidelijk moet merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Dit is in veel gevallen wel afhankelijk van het doen van aangifte. Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties.
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Het maatregelenbeleid bij het COA voor de HTL geeft thans al de ruimte om bij agressie en geweld tegen medewerkers, medebewoners en/ of derden met een (zeer) grote impact, zoals intimidatie op grond van iemands geloofsovertuiging, een HTL-maatregel op te leggen. Een dergelijke maatregel door het COA laat onverlet dat het bij dergelijke gedragingen primair van belang blijft dat strafrechtelijke opvolging plaatsvindt. Het COA gaat immers niet over vervolging en toepassing van het strafrecht. Ik zal voorts in samenspraak met COA bezien of de mogelijkheden die het staande kader dus reeds biedt, in de praktijk ook optimaal worden benut.
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
In eerdere berichtgeving5 is hierover reeds bekend gemaakt dat de politie in en rond de locatie meerdere meldingen van bedreiging en incidenten heeft onderzocht. Ik kan verder niet ingaan op dit individuele geval, maar hecht eraan nogmaals te benadrukken dat kwetsbare bewoners, minderjarigen in het bijzonder, recht hebben op een veilige opvang en dat het COA daarom bij signalen van intimidatie conform het Maatregelenbeleid optreedt.
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Het COA heeft een Klachtenregeling voor bewoners en derden. Bewoners van het COA worden hierover bij binnenkomst geïnformeerd. Iedere bewoner kan een klacht over zijn bejegening bij het COA indienen. Hiervoor zijn klachtenformulieren beschikbaar bij de infobalie op iedere locatie. Conform de Klachtenregeling wordt de klacht behandeld en beoordeeld door de locatiemanager, die zelf niet bij de klacht betrokken is. De afstand tot klager en beklaagde en de professionaliteit van de locatiemanager zorgen ervoor dat de klacht zorgvuldig en zonder vooringenomenheid behandeld wordt. Desgewenst kan de klacht ook door Juridische Zaken van het COA worden behandeld en beoordeeld. Na de beslissing op de klacht kan vervolgens de Nationale ombudsman om een oordeel worden verzocht.
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Ja, ik acht het onaanvaardbaar dat personen die gevlucht zijn uit vrees voor vervolging vanwege hun religieuze overtuiging, in Nederland opnieuw geïntimideerd of bedreigd worden. Inzet van dit kabinet is om daders sneller onder verscherpt toezicht te plaatsen en af te wijzen voor een verblijfsvergunning. In dat verband wordt nu met de vreemdelingenketen uitgewerkt hoe de vrijheidsbeperkende maatregel effectiever kan worden ingezet. Om ook verblijfsrechtelijke consequenties toe te passen, blijft COA in den brede het doen van aangifte stimuleren zodat daadwerkelijk strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Mijn departement staat reeds in contact met COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties. In de aanpak van overlast en criminaliteit door asielzoekers is bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare doelgroepen, waaronder bekeerlingen. Vanzelfsprekend zetten wij dit overleg voort.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
Ja, uw vragen geprobeerd zoveel als mogelijk aldus te beantwoorden.
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
De Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) kent drie vrijstellingen voor de plicht van ouders2 hun kind als leerling in te schrijven op een school. Deze vrijstellingen volgen uit artikel 5 Lpw, en houden kort samengevat in dat een kind wordt vrijgesteld, wanneer a) deze om lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is voor het onderwijs, b) de ouders overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, en c) het kind al staat ingeschreven op een school in het buitenland en hier ook regelmatig heengaat. Ouders met een 5(a)- of 5(b)-vrijstelling kunnen ervoor kiezen om thuisonderwijs te geven, maar er bestaat geen «vrijstelling voor thuisonderwijs».
In het schooljaar 2024–2025 waren er 2860 5(b)-vrijstellingen. Deze cijfers berusten op de leerplichttelling.3 Het is niet bekend of er bij al deze vrijstellingen ook vervangend (thuis)onderwijs wordt geboden.
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Dit klopt niet. De Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) belet niet dat deze gegevens worden geregistreerd. Artikel 6 Lpw schrijft voor dat ouders aan de gemeente waarin zij wonen kennisgeven op welke grond zij menen een beroep te mogen doen op een vrijstelling. Indien zij een beroep doen op de 5(b)-vrijstelling moet die kennisgeving de verklaring bevatten dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden.
In het kader van hun toezichthoudende taak moeten de leerplichtambtenaren van de gemeente, als een kind niet is ingeschreven op een school, kunnen vaststellen of er beroep op vrijstelling is gedaan en zo ja, of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het doen van beroep op vrijstelling. Hiervoor is het bewaren van genoemde kennisgevingen en verklaringen noodzakelijk. In dit verband verwijs ik naar een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarin de rechtbank het standpunt dat de gemeente voor het bewaren van de verklaring over de richtingbezwaren geen beroep kon doen op de wettelijke plicht tot verwerking als bedoeld in de AVG, verwierp.5 De rechtbank achtte het bewaren van de verklaring noodzakelijk, evenredig, proportioneel en evenwichtig.
DUO registreert dat een leerling een vrijstelling heeft op grond van artikel 5 Lpw, maar niet of dit is op grond van onderdeel a, b of c. DUO maakt dus niet de koppeling op persoonsniveau tussen de leerling en de reden van vrijstelling. Voor de leerplichttelling baseert DUO zich op informatie van de leerplichtambtenaren die per gemeente het totaal aantal vrijstellingen doorgeven. Hierbij wordt wel een uitsplitsing gemaakt per onderdeel a, b, of c, maar omdat dit om totalen gaat, is er geen sprake van gegevensverwerking.
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Dat klopt. In het derde kwartaal van dit jaar wordt deze evaluatie gestart en de uitkomsten worden in de eerste helft van 2027 verwacht. Op dit moment is nog niet precies vastgelegd op welke elementen deze evaluatie precies ziet. Uw suggestie wordt meegenomen in de besluitvorming hierover.
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Het modelformulier waarnaar wordt verwezen in de vraagstelling is een hulpmiddel voor gemeenten en heeft geen juridische status. In dat formulier uit 1995 werd ouders verzocht een feitelijke verklaring te geven dat zij overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning.
In de Nederlandse rechtsstaat is de rechter bevoegd tot interpretatie van wetten en regels en langs die weg wordt het positieve recht mede vormgegeven. Die interpretatie kan door de jaren heen veranderen, omdat juridische of maatschappelijke ontwikkelingen daartoe nopen. Mede daarom bevat de wet (bewust) abstracte termen, die in de rechtspraktijk nader vorm krijgen. Zo kan het recht meebewegen met de tijd. Het arrest van de HR van 21 april 2026 is daar een goed voorbeeld van. Het arrest geeft duidelijkheid over de wijze waarop de Lpw moet worden uitgelegd en toegepast.
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Ik ben bekend met deze jurisprudentie over het van rechtswege ontstaan van de vrijstelling. Deze jurisprudentie betreft slechts de afbakening van de bevoegdheid van de bestuursrechter ten opzichte van die van de strafrechter. Er is dus geen sprake van verschillende inhoudelijke lijnen in de rechtspraak over de voorwaarden waaronder een vrijstelling ontstaat.
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
De redenering van de Hoge Raad is gebaseerd op een uitvoerige analyse van de reeds ingezette perspectiefwisseling ten aanzien van de rechten van het kind. De Hoge Raad baseert zich daarbij vooral op internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke bepalingen. De Hoge Raad is bevoegd om een eerder standpunt aan te scherpen. In de praktijk waren er veel vragen over het bestaande toetsingskader en de manier waarop die zou moeten worden toegepast, die leidden tot verschillende procedures bij verschillende gemeenten. De Hoge Raad heeft met het recente arrest het toetsingskader willen verduidelijken en aanscherpen.
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Ik ben bekend met de jurisprudentie waarin het EHRM heeft geoordeeld dat staten beoordelingsruimte hebben bij het bepalen of zij thuisonderwijs toestaan.8 Het EHRM heeft in diezelfde jurisprudentie benadrukt dat het niet in strijd is met het EVRM om thuisonderwijs te verbieden of om dit niet actief mogelijk te maken. Nederland kan hierin een eigen afweging maken.
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
De Hoge Raad is bevoegd om de Lpw te interpreteren. Die interpretatie vindt plaats met inachtneming van de voor de rechtsvraag relevante juridische context. Het is aan de rechter om te bepalen op welke wijze die interpretatie plaatsvindt, wat het resultaat daarvan is en hoe die wordt gemotiveerd. Het recht op onderwijs van het kind is als zodanig niet expliciet in het nationale recht neergelegd. In artikel 2 EP EVRM is het recht op onderwijs én het ouderlijk opvoedingsrecht wel neergelegd. De kern van de zaak werd uiteindelijk gevormd door de verhouding tussen die twee rechten en daar sluit de HR bij aan. Daarover is ook jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorhanden, waarnaar de Hoge Raad verwijst. De Hoge Raad betrekt overigens ook het nationale recht, voor zover hij verwijst naar de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten waar de leerplicht kan worden vervuld.
Ik volg de stelling dat het thuisonderwijs en de vrijstelling onder de Grondwet een status hebben die niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen niet. Bij de invoering van de Lpw in 1969 is thuisonderwijs als onderwijsvorm juist afgeschaft. Van een vanzelfsprekende status van het thuisonderwijs was dus allerminst sprake. Dat geldt ook voor de vrijstelling. Hoewel het geven van thuisonderwijs in het wetsontwerp van de Lpw 1969 nog was opgenomen als vrijstellingsgrond, is deze mogelijkheid in de definitieve wet vervallen. Hierbij was geen overweging dat het thuisonderwijs een zo vanzelfsprekende status had dat het niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen in de wet.
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Ik deel niet dat de Hoge Raad relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing heeft gelaten. Daarbij heeft de Hoge Raad in zijn arrest rekenschap gegeven van de vrijheid van onderwijs uit artikel 23 Grondwet door te wijzen op de mogelijkheden voor ouders om geschikt onderwijs te kiezen voor hun kind en de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten.11
Wanneer de veroordeelde meent dat de Hoge Raad een oordeel heeft gegeven dat in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kan diegene hierover een klacht indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de vorm van een verzoekschrift. Indien deze klacht slaagt, kan een verzoek tot herziening bij de Hoge Raad worden gedaan op grond van artikel 457, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Alleen wanneer er een 5(b)-vrijstelling is ontstaan, is er geen sprake van een strafbaar feit en kan niet worden toegekomen aan de vraag of er van een strafuitsluitingsgrond (rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond) van toepassing zou kunnen zijn. Er is dan namelijk geen verplichting om te handelen in lijn met artikel 2 Lpw, zodat een overtreding daarvan ook niet mogelijk is.
Ik deel dat zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie.
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
De rechtsgelijkheid en rechtszekerheid worden gewaarborgd omdat het arrest voor alle gemeenten geldt, ook in lopende zaken. Ook hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Ingrado naar aanleiding van het arrest een handreiking opgesteld.12 De handreiking biedt duidelijkheid aan gemeenten en leerplichtambtenaren.
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Uit de Grondwet volgt dat onderwijs een voorwerp van aanhoudende zorg van de regering is en dat het geven van onderwijs vrij is. Hieruit vloeit concreet voort dat de overheid zorg draagt voor een toegankelijk stelsel met voldoende openbaar onderwijs en dat het stichten van een school naar de eigen richting mogelijk is en een dergelijk initiatief vanuit de overheid gefinancierd kan worden. Het onderwijs op openbare scholen is levensbeschouwelijk neutraal. Van deze uitgangspunten wordt in het arrest van de Hoge Raad rekenschap gegeven. Overigens is in Nederland 31% van de basisscholen openbaar, 30% van de scholen is katholiek, 30% protestants-christelijk en 9% heeft een andere denominatie.13 Voor 98% van de leerlingen (po en vo) geldt dat er een openbare school op redelijke afstand beschikbaar is.
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Het is niet aan het kabinet om rechterlijke uitspraken te becommentariëren. De door de Hoge Raad gehanteerde criteria volgen uit Europese jurisprudentie.14
De brede vorming die we van elke school verwachten in het kader van burgerschapsonderwijs (en dus ook openbare) komt terug in de wettelijke vereisten om onder andere kennis over en respect bij te brengen voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap en seksuele gerichtheid.
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
Ik zie geen noodzaak tot een dergelijke verkenning. Het uitgangspunt is dat openbare scholen hieraan voldoen. In de wet is immers bepaald dat openbare scholen toegankelijk zijn voor leerlingen van alle achtergronden en dat het onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.15 Scholen worden hierop gecontroleerd door de Inspectie van het Onderwijs.
Zoals aangekondigd stuur ik u spoedig een kamerbrief over artikel 5(b) Lpw, waarbij ook het arrest van de Hoge Raad wordt meegenomen. Een aanvullende verkenning acht ik niet noodzakelijk.
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Ja, ik kan deze vragen afzonderlijk beantwoorden en de antwoorden met u delen voor ik de brief stuur.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
De positie van christenen in India |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Harde maatregelen tegen christenen in India: water en werk geweigerd»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving over de situatie van christelijke gemeenschappen in het district Kanker in de Indiase deelstaat Chhattisgarh, maar kan deze berichten in dit specifieke district niet verifiëren. Dat laat vanzelfsprekend onverlet dat het kabinet berichten over het mogelijk ontzeggen van toegang tot water, banen en andere bestaansmiddelen aan christelijke families zorgwekkend acht.
In algemene zin geldt dat de oorzaken van geweld tegen religieuze minderheden in India zich niet altijd eenduidig vast laten stellen. Er zijn grote verschillen in de dynamiek op nationaal niveau en op niveau van de verschillende deelstaten. Voorts is niet steeds mogelijk om helder te differentiëren of er sprake is van conflict van religieuze of etnische aard, gerelateerd aan sociale klasse, aan economisch conflict (bijvoorbeeld conflict over land of grondstoffen), of aan een combinatie van dergelijke factoren. Dit geldt zeker voor een deelstaat als Chhattisgarh die reeds decennialang geteisterd wordt door conflict.
Beschikt u over eigen informatie over de in het artikel beschreven situatie? Klopt het dat christelijke gemeenschappen via boycotmaatregelen onder druk worden gezet om hun geloof af te zweren?
Meldingen van sociale uitsluiting, discriminatie of druk in verband met religieuze identiteit zijn zorgelijk. De beschreven situatie zou passen binnen bredere spanningen rond religieuze bekeringen en de positie van religieuze minderheden waarover regelmatig gerapporteerd wordt door religieuze organisaties en mensenrechtenorganisaties. De Nederlandse ambassade in New Delhi volgt deze situatie nauwgezet. Zoals hierboven evenwel uiteengezet beschikt het kabinet momenteel niet over onafhankelijk geverifieerde informatie over de in het artikel beschreven situatie.
Bent u bereid om deze situatie, zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen van de Indiase autoriteiten en daarbij aan te dringen op bescherming van de getroffen christelijke gemeenschappen en op toegang tot de waterbronnen, banen binnen het overheidsprogramma en de producten uit het bos? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als samen met EU-partners, in om zorgen over de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, bij de Indiase autoriteiten aan de orde te stellen. In EU-verband gebeurt dit onder meer via de jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en andere relevante politieke contacten, waar aandacht wordt gevraagd voor bescherming van kwetsbare groepen en hun toegang tot basisvoorzieningen en bestaansmiddelen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid. Een van de prioriteiten van het kabinet in het mensenrechtenbeleid is vrijheid van religie en geloofsovertuiging. Nederland maakt gebruik van bilaterale en multilaterale kanalen om zorgen over vrijheid van religie en levensovertuiging over te brengen, in lijn met de inzet zoals uiteengezet in de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026.
Hoe taxeert u de antibekeringswet die is aangenomen door de Indiase deelstaat Chhattisgarh?2 Is deze wet inderdaad in strijd met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Op welke wijze heeft u deze kwestie aangekaart, zowel in bilateraal als in EU-verband?
Antibekeringswetgeving bestaat in verschillende Indiase deelstaten en is gericht op het voorkomen van bekeringen die volgens de wetgever tot stand komen door dwang, fraude of misleiding. De nieuwe wet in Chhattisgarh bevat onder meer bepalingen die personen die van religie willen veranderen verplichten dit vooraf te melden bij de autoriteiten. Daarnaast voorziet de wet in zware straffen voor bekeringen die volgens de wet door verboden middelen tot stand zijn gekomen.
De gevolgen van dergelijke wetgeving voor de vrijheid van religie en levensovertuiging baren het kabinet zorgen. Zowel artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) als artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) erkennen het recht om van religie of overtuiging te veranderen als onderdeel van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Wetgeving die religieuze bekeringen onderwerpt aan voorafgaande meldings- of toestemmingsvereisten staat daarmee op gespannen voet met deze internationale mensenrechtenstandaarden. Zie overigens het antwoord op vraag 3.
Kunt u in bredere context de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India schetsen? Deelt u de zorgen over onderdrukking van deze minderheden in India?
Naast christenen worden ook andere groepen zoals moslims in toenemende mate geconfronteerd met discriminatie, geweld en beperkende maatregelen. Dit past in een breder patroon van druk op religieuze minderheden in meerdere Indiase deelstaten. Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader dat zich richt op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, ongeacht geloofsovertuiging. In de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026 heeft het kabinet bevestigd dat bescherming van religieuze minderheden, waaronder christenen, een prioriteit is.
Wordt de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in India expliciet betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de betrekkingen met India? Zo ja, op welke wijze?
De situatie van religieuze minderheden maakt onderdeel uit van de bredere Nederlandse inzet op mensenrechten in India. Nederland volgt de situatie van religieuze minderheden in India nauwgezet, zowel bilateraal als in EU- en VN-verband. De Nederlandse ambassade in New Delhi onderhoudt contacten met maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers om zicht te houden op ontwikkelingen rondom vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook spreekt de ambassade, samen met andere EU-lidstaten, regelmatig met vertegenwoordigers van religieuze minderheden over de situatie ter plaatse. Daarnaast wordt de positie van religieuze minderheden, inclusief die van christenen, geadresseerd in de EU-India mensenrechtendialoog.
Is christenvervolging als gespreksonderwerp aan bod gekomen tijdens het recente bezoek van Minister-President Modi aan Nederland, conform motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet handelt conform de motie-Bikker/Stoffer en betrekt vrijheid van religie en levensovertuiging structureel bij contacten met landen waar dit aan de orde is. Over de specifieke inhoud van diplomatieke gesprekken met Minister-President Modi doet het kabinet in het openbaar geen mededelingen. Mensenrechten vormen een vast onderdeel van de Nederlandse inzet in contacten met India. De inzet op dit thema is in lijn met de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder.
Welke concrete stappen zet Nederland momenteel in EU- en VN-verband ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India? Bent u bereid tot extra inzet? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, samen met EU-partners, in voor de bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India. Onder meer middels de EU-mensenrechtendialoog met India en in relevante bilaterale contacten.
Daarnaast wordt via de Nederlandse ambassade in New Delhi en de EU-delegatie nauw contact onderhouden met mensenrechtenverdedigers, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van religieuze en andere kwetsbare gemeenschappen in India, om ontwikkelingen te volgen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid, waarin vrijheid van religie en levensovertuiging een prioriteit is. Nederland is actief lid van de International Freedom of Religion or Belief Alliance en zet zich daarbinnen in voor de bescherming van religieuze minderheden wereldwijd. In VN-verband steunt Nederland resoluties die vrijheid van religie bevorderen en spreekt het landen aan op schendingen. De diplomatieke inzet wordt ondersteund door programmatische instrumenten, waaronder het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma (2026–2031, EUR 35 miljoen), actief in landen waar religieuze gemeenschappen aantoonbaar onder druk staan. De inzet richt zich naast concrete schendingen ook op onderliggende oorzaken zoals conflict, sociaaleconomische ongelijkheid en zwak bestuur, met als doel duurzame verbetering van de positie van religieuze minderheden.
Het bericht ‘Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord»?1
Het kabinet veroordeelt dergelijke gewelddadige aanvallen in Oost-Congo ten zeerste en deelt de zorgen over het grote aantal slachtoffers dat hierbij valt, waaronder veel christenen.
Hoe taxeert u momenteel de conflictsituatie in Oost-Congo? Wat is de inzet van Nederland, zowel bilateraal als in EU-verband, voor duurzame vrede in de regio? Welke stappen worden de komende tijd gezet?
De veiligheidssituatie in Oost-Congo blijft uitermate zorgwekkend. In de regio zijn verschillende gewapende groeperingen actief, waaronder de Allied Democratic Forces (ADF). Er is in het gebied sprake van ernstige mensenrechtenschendingen, ontheemding en een fragiele humanitaire situatie.
De internationale gemeenschap spant zich middels lopende vredesprocessen in om tot een politieke oplossing van het conflict te komen. Ook draagt Nederland via de EU en de Internationale Contactgroep voor de Grote Meren bij aan het uitoefenen van diplomatieke druk op de strijdende partijen, om gemaakte afspraken in de vredesprocessen na te komen. Ook de EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren draagt deze boodschap uit in de gesprekken die hij voert met de verschillende partijen. Onlangs bracht de Speciaal Vertegenwoordiger een bezoek aan Den Haag om te spreken over de ontwikkelingen in de regio en de Europese inzet. Ook verkent de EU mogelijkheden om het vredesproces onder leiding van de Afrikaanse Unie te ondersteunen. Tot slot blijft Nederland zich samen met de EU uitspreken tegen mensenrechtenschendingen en schendingen van internationaal recht.
Heeft u aanwijzingen dat burgers gericht werden aangevallen vanwege het feit dat ze christen zijn? Zo ja, wat betekent dit voor de inzet van het kabinet?
Ja. Op basis van recente rapportages, onder meer van de VN en van maatschappelijke organisaties, zijn er aanwijzingen dat gewapende groeperingen in Oost-Congo christelijke gemeenschappen selectief aanvallen. Onafhankelijke verificatie is echter vaak moeilijk vanwege de complexe veiligheidssituatie.
Religieus gemotiveerd geweld en discriminatie op grond van religie of levensovertuiging zijn voor het kabinet onacceptabel. In de bilaterale contacten met de DRC benadrukt Nederland daarom stelselmatig het belang van bescherming van burgers, en het respecteren van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
Daarnaast zet Nederland zich in voor het tegengaan van straffeloosheid door te pleiten voor onderzoek naar en vervolging van daders van religieus gemotiveerd geweld, onder meer via VN-mechanismen en, waar van toepassing, nationale of internationale gerechtelijke instanties.
Welke mogelijkheden komen uit het onderzoek om de Allied Democratic Forces (ADF) op de Europese terrorisme-sanctielijst te plaatsen?2
Nederland heeft de ADF, ook wel IS Centraal-Afrikaanse Provincie genoemd, voorgedragen voor plaatsing op de EU IS/Al-Qaida sanctielijst. Deze listing is op 24 november 2025 aangenomen door de Raad van de Europese Unie. Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken heeft de Minister van Justitie uw Kamer hier eerder per brief van 19 maart 20263 over geïnformeerd.
Wat is de inzet van het kabinet, juist gezien de ebola-uitbraak in de regio, om bij te dragen aan zo goed mogelijke toegang tot medische zorg?
Het kabinet volgt de situatie nauwgezet en maakt zich zorgen over de ontwikkelingen rondom ebola. Het kabinet draagt 3 miljoen euro bij ter ondersteuning van de door de WHO gecoördineerde ebolarespons in de Democratische Republiek Congo (DRC), Oeganda en de regio. De WHO werkt hierin samen met het Afrikaanse centrum voor ziektebestrijding en -preventie (CDC) en nationale overheden en versterkt onderzoek, kennisuitwisseling en laboratoriumcapaciteit.
Bij de bepaling van de omvang van deze bijdrage houdt het kabinet rekening met het feit dat Nederland via bestaande programma’s en flexibele financiering al een forse bijdrage levert aan de huidige hulpverlening. Het gaat hierbij om kernbijdragen aan VN-organisaties zoals de WHO, UNICEF, UNOCHA, maar ook aan de Global Alliance for Vaccines and Immunizations (GAVI) en het Global Fund ter bestrijding van aids, malaria en tuberculose (GFATM). Met deze flexibele bijdragen kunnen partners direct reageren op de meest acute noden.
Ook hebben onder meer het VN-noodhulpfonds Central Emergency Response Fund (CERF) en de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen, waaraan Nederland financieel bijdraagt, respectievelijk 10 miljoen euro en meer dan EUR 2,5 miljoen toegewezen voor de respons op de ebola-uitbraak.
Daarnaast stelt Nederland via RVO een waterexpert en mentale gezondheidsexpert beschikbaar, die naar Democratische Republiek Congo (DRC) afreizen om UNICEF en WHO te ondersteunen.
Voor meer informatie over de ebola-uitbraak en de inspanningen van het kabinet verwijs ik naar de Kamerbrief over de actuele situatie rondom de recente ebola-uitbraak in de DRC en Oeganda4, d.d. 12 juni 2026.