Een Instagrampost van de minister over een onderhoud van de minister met leden van de Moslim Studenten Associatie (MSA) |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de post op Instagram van 11 juni 2026 waarin u vertelt over uw ontmoeting met leden van de Moslim Studenten Associatie (hierna: MSA)?1
Ja.
In deze post zegt u dat «veel moslimstudenten» zich «nog niet altijd» thuis voelen op hun onderwijsinstelling, heeft u een idee hoeveel studenten dit betreft en wat hun klachten precies zijn?
Voor het onderwijs zijn er geen cijfers over thuisgevoel uitgesplitst naar religie. Breder onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse samenleving.2
Moslimstudenten geven aan, onder andere op basis van een eigen enquête3 die zij aan één van mijn ambtsvoorgangers hebben aangeboden, dat (gebrek aan) thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is. Tevens hebben zij mij en mijn ambtsvoorgangers er in gesprekken op gewezen dat zij te maken krijgen met incidenten zoals koranverscheuringen, onveiligheid tijdens stages met angst om te melden en meer beveiligingscontroles op basis van uiterlijke kenmerken (zoals het dragen van een hoofddoek). Ook noemen zij dat moslimstudenten vaak de eerste in hun familie zijn die naar het hoger onderwijs gaan. Dit brengt prestatiedruk met zich mee, vaak ook een financiële druk thuis, en vraagt om aandacht voor thuisgevoel.
Was u ervan op de hoogte dat de MSA is aangesloten bij Femyso, het Forum of European Muslim Youth and Student Organisations, dat volgens de inlichtingendiensten van België, Duitsland en Frankrijk en verschillende wetenschappers de officieuze jongerentak is van de Council of European Muslims, een organisatie die de strategie voor de Europese Unie coördineert van de Moslimbroederschap die streeft naar de islamisering van het Westen? Zo ja, heeft u hierover gesproken met de delegatie van MSA?2, 3, 4, 5, 6, 7
Het is openbare informatie dat MSA lid is van Femyso. Dit is tijdens het gesprek niet aan de orde gekomen. Het gesprek ging over studentenwelzijn en thuisgevoel. Daarover spreek ik met meerdere studenten. Dat vind ik belangrijk en blijf ik doen. De MSA heeft mij naar aanleiding van deze vragen laten weten dat zij is aangesloten bij Femyso, maar dat zij geen enkele verbinding heeft met de Moslimbroederschap.
Wat vindt u van de bevinding dat Femyso en de bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA strijden volgens de in vraag 3 genoemde inlichtingendiensten en wetenschappers tegen islamofobie of moslimdiscriminatie en voor «sociale veiligheid» omdat officieel erkend slachtofferschap helpt bij het behouden en verkrijgen van subsidies en het verwezenlijken van faciliteiten zoals bijvoorbeeld gebeds- of stilteruimten waarmee de «ongelovige» omgeving kan worden aangepast aan de islamitische norm?
Ik deel dit beeld niet. Discriminatie van welke groep dan ook is bij wet verboden. Dit kabinet zet zich in voor het tegengaan van discriminatie en het verbeteren van sociale veiligheid voor iedereen. Zoals ik ook in het debat over mentale gezondheid van scholieren en studenten van 24 juni jl. heb aangegeven, spreek ik met allerlei studenten over onderwerpen waar zij mee zitten, met welke achtergrond dan ook. Ik vind het enorm belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs en zie het als mijn rol om daarover in gesprek te gaan.
Er is geen subsidierelatie tussen het ministerie en de MSA. Voorts blijft het al dan niet verwezenlijken van stilteruimten een verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen zelf. Net als de toekenning van bestuursbeurzen voor studentenverenigingen.
Wat vindt u van de bevinding dat volgens de Franse sociologe en kenner van de ideologie van de Moslimbroederschap Florence Bergeaud-Blackler en van een in mei vorig jaar verschenen onderzoek dat is verricht in opdracht van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken dat Femyso en bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA opleidingsstructuren voor hooggekwalificeerde kaderleden van de Moslimbroederschap zijn die een rol moeten spelen in de strategie die entryismwordt genoemd, dat wil zeggen het ideologisch bewerken en verleiden van overheidsorganisaties om deze een «inclusieve» koers te laten varen die de islam accommodeert? Bent u bekend met het onderzoek van Florence Bergeaud-Blackler en hoe beoordeelt u de bevindingen en waarschuwingen daarin?8
Hier ben ik niet bekend mee.
Het onderzoek van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken was voor de Franse president Macron aanleiding om aan te dringen op maatregelen, het rapport waarschuwt onder andere dat de organisaties van het moslimbroedernetwerk heel bedreven zijn in het exploiteren van slachtofferschap («victimisation») om de eigen agenda vooruit te helpen, herkent u het beeld? Zo nee, waarom niet?9, 10
Ik beschik niet over de informatie om dit beeld te duiden.
Meent u – in het licht van deze waarschuwing – dat het verstandig was om leden van de MSA niet alleen te ontvangen maar ook hun narratief over te nemen dat «veel moslimstudenten» zich niet thuis voelen op universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen waardoor deze klacht die draait om een niet nader omschreven gevoel wint aan legitimiteit? Graag een toelichting.
Ik vind het belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs. Thuisgevoel is, los van een op zichzelf staande waarde, ook van invloed op studiesucces. Ik spreek met een brede groep studenten met verschillende achtergronden, waarbij ik geen enkele groep studenten boven de andere plaats. Op die manier leer ik wat er speelt onder studenten. Ik wijs uw suggestie af dat ik door gesprekken te voeren een bepaald narratief overneem in relatie tot de uitdagingen die moslimstudenten ervaren.
Lokale afdelingen van de MSA – zoals de MSA Rotterdam (Erasmus Universiteit), de MSA UAS (Amsterdam) en de EMSA (Universiteit Twente) – zijn erkende studentenorganisaties die in aanmerking komen voor subsidies van de onderwijsinstellingen zoals «bestuursmaanden» en activiteitensubsidies, daarnaast kunnen zij een beroep doen bij gemeenten op een bijdrage uit welzijns- en diversiteitspotjes, bent u bereid met de betrokken onderwijsinstellingen en gemeenten in overleg te treden om te zien hoeveel subsidie de MSA via al deze kanalen ontvangt?
Nee, ik ben daartoe niet bereid. Onderwijsinstellingen en gemeenten gaan zelf over hun uitgaven, binnen de kaders die er gelden. Ik heb er vertrouwen in dat zij hun keuzes en afwegingen zorgvuldig maken.
Hoe beoordeelt u de financiering van deze organisaties, in het licht van de formele banden van MSA met Femyso en vindt u het wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 8.
Bent u bereid kennis te nemen van de actuele wetenschappelijke literatuur over de Moslimbroederschap en het zogenoemde «broederisme» alsmede het rapport van de Franse overheid dat beschrijft hoe verenigingen die zich presenteren als ngo’s voor burgerrechten en non-discriminatie in feite religieuze lobbyorganisaties zijn die de taal spreken van diversiteit en inclusie om groepsprivileges af te dwingen zoals gebedsruimten, inclusief tentamenbeleid – flexibiliteit rondom religieuze feestdagen – en halal-opties in de kantine? Graag een toelichting.11, 12
Ik neem kennis van uiteenlopende wetenschappelijke publicaties en rapporten over verschillende onderwerpen. Daarbij baseer ik mijn oordeel niet op één specifieke analyse of denkrichting, maar op een brede weging van beschikbare feiten en onderzoek.
Bent u bekend met het feit dat debatcentrum Pakhuis de Zwijger heeft besloten de eminente migratiedeskundige Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn, niet deel te laten nemen aan een debat op 1 juni dit jaar, nadat hij hier eerder wel voor was uitgenodigd?1
Ja.
Pakhuis de Zwijger motiveerde de intrekking van de uitnodiging aan Koopmans met «persoonlijke uitingen op sociale media» van Koopmans, die niet zouden passen bij de «eigen waarden en omgangsvormen» Wat vindt u van deze motivatie?
Voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen geldt dat zij artistiek en inhoudelijk autonoom zijn. Dit is een belangrijk uitgangspunt in een democratische rechtsstaat. Wel geldt in algemene zin dat van instellingen met een publieke debat- of dialoogfunctie mag worden verwacht dat zij een podium geven aan verschillende stemmen en opvattingen in het debat. Het is echter niet aan het kabinet om programmering inhoudelijk te beoordelen of te sturen op specifieke politieke of ideologische vertegenwoordiging.
Hoe een instelling invulling geeft aan de programmering en hoe dit wordt georganiseerd is ter beoordeling van de instelling. De uiteindelijke afweging blijft altijd aan de instelling zelf. De Raad voor Cultuur bevordert het gesprek in de culturele sector over invulling van de maatschappelijke doelstellingen. Een belangrijke aanjager hiervan is het advies «Maken (z)onder druk» dat de Raad voor Cultuur begin dit jaar heeft uitgebracht. In dit advies wordt ingegaan op in welke mate de artistieke vrijheid in Nederland onder druk staat, wat daar mogelijke oorzaken van zijn en welke handelingsperspectieven er zijn voor overheid, het culturele veld en het onderwijs om die vrijheid te beschermen.
Pakhuis de Zwijger ontvangt een subsidie in de context van de Regeling vierjarige instellingssubsidie 2025–2028 van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Het is aan het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie om de toegevoegde waarde van de activiteiten en de programmering van een aanvragende instelling onder deze regeling inhoudelijk te beoordelen. Indien het gaat om BIS- aanvragen: bij de beantwoording van BIS- aanvragen heeft de Raad voor Cultuur, zoals in al zijn advisering, rekening gehouden met de in «Advies aanvraag- en beoordelingsproces BIS 2025–2028» genoemde doelstellingen.
Pakhuis de Zwijger trad in 2023 na een juridische strijd toe tot de Culturele Basisinfrastructuur (BIS), waarna het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie Pakhuis de Zwijger in juli 2024 voor de periode 2025–2028 in het kader van de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» een zogenoemde categorie 1 subsidie toekende van 2,2 miljoen euro. Is uw ministerie betrokken geweest bij deze toekenning en zo, ja hoe?2
OCW is niet betrokken geweest bij het toekennen van de subsidie via de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Dit fonds maakt eigen afwegingen op grond van de in vraag 3 genoemde «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie». De regeling beschrijft ook het selectieproces. Zie hiervoor de eindnoot (a).3
Pakhuis de Zwijger heeft ook aanvragen voor subsidie gedaan bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) en Europese subsidiegelden. Is u bekend of deze aanvragen zijn gehonoreerd en zo ja, om welke bedragen het gaat en wat het totale aandeel is van subsidie in de financieringsmix van Pakhuis de Zwijger?
Verschillende aanvragen zijn gehonoreerd. Voor 2026 zijn de structurele subsidies voor Pakhuis de Zwijger:
De totale begroting van Pakhuis de Zwijger in 2026 bedraagt € 5.760.500. Het percentage subsidie is 19.1%.
Incidentele eenmalige subsidie die ontvangen is in 2026:
€ 35.000 voor 2026 (deel uitmakend van een projectsubsidie voor 2025–2026).
Tevens is Pakhuis de Zwijger de penvoerder van een tweejarige projectsubsidie van de gemeente Amsterdam. Dit gaat om € 250.000 ten bate van de «Alliantie Samen tegen Racisme» die wordt uitgevoerd met een grote groep samenwerkingspartners. Deze subsidie is voor het project, niet voor Pakhuis de Zwijger.
Deelt u de opvatting dat Pakhuis de Zwijger als debatcentrum natuurlijk vrijheid van vereniging geniet en vrij is sprekers uit te nodigen volgens eigen criteria, maar dat het tegelijk door de ruimhartige rijkssubsidie en de status van nationaal debatpodium gehouden is aan een maatschappelijke opdracht om een debat een echt debat te laten zijn door ook ruimte te geven aan standpunten waar de organisatie het niet mee eens is, omdat anders het risico dreigt dat Pakhuis de Zwijger een echokamer wordt die alleen nog de eigen opvattingen van de leiding van de instelling bevestigt?
Zie het antwoord op vraag 2
Hoe beoordeelt u de behandeling van Ruud Koopmans door Pakhuis de Zwijger in het licht van het advies van de Raad voor Cultuur uit 2023 dat «pluriformiteit» noemt als een van de vier doelstellingen waaraan cultuurbeleid in het kader van de BIS moet bijdragen («cultuur geldt als vrijhaven en plek voor debat binnen de maatschappij»)?3
Zie het antwoord op vraag 2
Bent u het eens met de stelling dat het cancelen van Ruud Koopmans niet past bij de inclusiviteit die Pakhuis de Zwijger zelf zegt na te streven zoals blijkt uit de eigen website – «wij willen mensen samenbrengen en zoeken naar de gemeenschappelijke delers, daarbij zijn we niet bang om ongemakkelijke gesprekken aan te gaan» – en uit de aanvraag van Pakhuis de Zwijger voor de Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie die benadrukt dat het debatcentrum in de periode 2025–2028 de focus wil leggen op «het vormgeven van een toekomst waarin iedereen zich thuis kan voelen?»4
Zie het antwoord op vraag 2
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Ja
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Het proces van plaatsing en inschrijving voor studiejaar 2026–2027 loopt op dit moment nog. Daarom zijn cijfers over de resultaten van de selectieprocedure waarover in het artikel wordt geschreven nog niet te geven. Om die reden zijn hieronder de cijfers voor studiejaar 2025–2026 weergegeven.
Aanmeldingen en instroom bij bacheloropleidingen TU/e met een numerus fixus naar herkomst voor studiejaar 2025–20262
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
382
(30,0%)
340
(36,2%)
217
(23,1%)
939
(100%)
Deelgenomen aan selectie
274
(50,3%)
198
(36,3%)
73
(13,4%)
545
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
244
(47,7%)
194
(38,0%)
70
(13,7%)
511
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
194
(58,7%)
110
(33,2%)
27
(8,2%)
331
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
336
(16,3%)
841
(40,9%)
881
(42,8%)
2058
(100%)
Deelgenomen aan selectie
242
(19,4%)
591
(47,3%)
416
(33,3%)
1249
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
122
(17,1%)
382
(53,7%)
208
(29,2%)
712
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
88
(24,8%)
165
(46,5%)
102
(28,7%)
355
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
454
(23,8%)
841
(44,2%)
609
(40,0%)
1904
(100%)
Deelgenomen aan selectie
336
(27,2%)
599
(48,5%)
301
(24,4%)
1236
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
232
(26,7%)
446
(51,4%)
190
(21,9%)
868
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
192
(40,9%)
204
(43,5%)
73
(15,6%)
469
(100%)
Zoals is te zien, valt er een hoop studenten af tussen de vooraanmeldingen en de uiteindelijke deelname aan selectie, en wordt aan veel meer studenten een plaats aangeboden dan uiteindelijk ook daadwerkelijk worden ingeschreven. Dit heeft verschillende redenen. Veel studenten melden zich bij meerdere opleidingen aan en kiezen pas later waar ze ook daadwerkelijk meedoen aan de selectie of waar ze een aangeboden plaats accepteren. Ook vallen studenten af die niet aan de vooropleidingseisen voldoen. Ter vergelijking: ook bij niet-selecterende opleidingen valt een groot deel van de studenten die zich aanmelden nog af, voordat de opleiding is gestart. De TU/e laat weten dat van de 7570 vooraanmeldingen bij niet-selecterende opleidingen uiteindelijk slechts 1870 studenten zijn gestart.
Voor de context, en omdat de opleiding Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek van de TU Delft in deze vragen expliciet genoemd wordt, geef ik hierbij ook de instroomcijfers voor de opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek.
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen1
668 (19,7%)
1560
(45,9%)
1168 (34,4%)
3396
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 20252
101
(23,1%)
261
(59,7%)
75
(17,2%)
437
(100%)
Bron: TU Delft.
Bron: DUO.
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Voor de genoemde klasgenoten is het natuurlijk jammer dat zij niet direct kunnen worden toegelaten. Het is heel fijn als studenten kunnen starten op de opleiding van hun eerste keus. Tegelijkertijd is dit vanwege capaciteitsgebrek en onvoldoende beschikbaarheid van docenten niet altijd overal mogelijk. Nederland kent een zeer toegankelijk onderwijsstelsel, waarbij in principe iedereen die een havo- of vwo-diploma heeft behaald met het juiste vakkenpakket, meteen toelaatbaar is voor een bacheloropleiding. Er zijn slechts zeer beperkt uitzonderingen hierop. Een numerus fixus is hier een voorbeeld van. Instellingen mogen enkel een numerus fixus instellen als een opleiding onvoldoende capaciteit heeft om alle studenten die zich aanmelden ook daadwerkelijk toe te laten, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende docenten beschikbaar zijn om kwalitatief goed onderwijs te kunnen geven.
Van alle Nederlandse bacheloropleidingen heeft, op basis van cijfers van DUO, slechts 5% zo’n numerus fixus. De ervaring leert dat uiteindelijk veel kandidaten hun plaats niet accepteren, bijvoorbeeld omdat ze zich bij meerdere opleidingen hebben aangemeld voor selectie en pas nadat zij de uitslag daarvan hebben gehoord een keuze maken. Vaak maken ook studenten die lager op de ranglijst staan nog een reële kans om een plaats aangeboden te krijgen. Uiteindelijk kan slechts ± 5% van de aspirant-studenten niet starten op de eerste keus opleiding. Zij kunnen wel altijd terecht bij een tweede keus opleiding.3
Ik ben in dit kader overigens verheugd om te zien dat Nederlandse studenten het op basis van de cijfers van de TU/e bij antwoord 2 goed lijken te doen in de selectie. In alle gevallen is, afgezet tegen het aandeel internationale studenten, het percentage Nederlandse studenten dat start aan de opleiding groter dan het percentage Nederlandse studenten dat zich voor de opleiding had aangemeld en meedeed aan de selectie.
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Het Nederlandse vervolgonderwijs leidt primair op voor de Nederlandse gemeenschap en arbeidsmarkt.4 Ik ben er trots op dat in Nederland onderwijs van zulke hoogwaardige kwaliteit wordt aangeboden, dat dit studenten trekt van over de hele wereld. De opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is hier een voorbeeld van. We kunnen dit internationale talent heel goed gebruiken, zeker ook in de technieksector. Die internationalisering moet wel in balans zijn, zodat kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs geborgd blijven.
De instroom bij een opleiding zoals Luchtvaart- en ruimtevaart beoordeel ik vanuit het breder perspectief op het onderwijsstelsel, dat ook voor Nederlandse aspirant-studenten goed toegankelijk is. Gezien het feit dat op dit moment slechts een beperkt aantal bacheloropleidingen in de technieksector een numerus fixus heeft,5 maak ik mij nog geen zorgen over de toegankelijkheid van het stelsel – en hierbinnen de techniekopleidingen – voor Nederlandse studenten. Hoe vervelend het ook is dat een aspirant-student niet (meteen) kan worden toegelaten tot de opleiding van de eerste keuze, is er binnen Nederland altijd een hoogwaardig alternatief beschikbaar in de technieksector dat wel vrij toegankelijk is, regelmatig ook (gedeeltelijk) in het Nederlands.6 Het kan wel zijn dat daarvoor verder gereisd moet worden.
Tegelijkertijd zien we dat het aantal aanmeldingen bij deze zeer populaire studies nog altijd sterk stijgt. Het aantal aanmeldingen voor Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is vanaf 2022 bijvoorbeeld bijna verdubbeld van ruim 2200 naar bijna 4400 aanmeldingen in 2026. Die stijging komt met name van internationale studenten. Het aandeel niet-EER-studenten steeg van 30% naar 42%. Het is ook zeer moeilijk om te sturen op aanmeldingen. Wel kan er binnen bepaalde grenzen ingegrepen worden op wie wordt toegelaten. De reeds aangekondigde mogelijkheid voor een fixus op niet-EER-studenten zou de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten en andere EU-studenten op deze opleidingen dus ten goede komen (zie ook antwoord 9). Instellingen vragen ook al jaren om deze mogelijkheid. Voor het overige kan alleen worden geselecteerd op basis van (ten minste twee) kwalitatieve selectiecriteria. Daarbinnen gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Op dit moment zijn er geen indicaties dat grote groepen studenten buiten de boot vallen als gevolg van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding. Mocht dat in de toekomst wel dreigen te gebeuren, dan kunnen de in het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans voorgestelde aanvullende fixusinstrumenten mogelijk een oplossing bieden (zie ook antwoord 9), naast de reeds bestaande mogelijkheid om bij bacheloropleidingen een aparte fixus in te stellen voor een Nederlandstalig en Engelstalig traject binnen dezelfde opleiding.
De universiteiten hebben eerder in hun zelfregieplannen rondom internationalisering ook voorgesteld om vaker een Nederlandstalig traject naast een Engelstalig traject te starten. Ik juich het van harte toe als instellingen dit vaker doen. Daarbij is wel voorwaardelijk dat er voldoende Nederlandstalig personeel beschikbaar is. Ik zal dit meenemen in mijn gesprekken met de instellingen over internationalisering en de zelfregie.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Zie antwoord vraag 7.
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Het stelsel van toelating en selectie bij numerus fixusopleidingen is gestoeld op de gedachte dat de meest geschikte student een van de beperkte plaatsen krijgt toegewezen. Er is binnen het EU-recht geen ruimte om daarbij onderscheid te maken naar nationaliteit en dus Nederlanders voorrang te geven. Wel kan het onder voorwaarden mogelijk gemaakt worden om onderscheid te maken tussen EER- en niet-EER-studenten. Het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans bevat een wijziging van de WHW om dit mogelijk te maken. De voorgestelde niet-EER-fixus zou echter altijd een instrument zijn voor instellingen zelf om in te zetten. Het is niet mogelijk om instellingen te verplichten hier gebruik van te maken.
Mede naar aanleiding van de afspraken in het coalitieakkoord wordt nu gewerkt aan een nota van wijziging voor dit wetsvoorstel, waardoor de behandeling van de wet vertraging oploopt. Ik heb uw Kamer eerder toegezegd u rond de zomer te informeren over het vervolg van dit wetsvoorstel.
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Vooropgesteld wil ik nogmaals benadrukken dat veruit de meeste Nederlandse studenten (95%) terecht kunnen bij de studie en onderwijsinstelling waar ze bij voorkeur willen studeren. Slechts 5% moet, als gevolg van een negatieve uitkomst van selectie, uitwijken naar een tweede keus opleiding.7 Ook in de technische sectoren waar het hier om gaat, heeft slechts 4,2% van de opleidingen een capaciteitsbeperking.8 In sommige gevallen van techniek-opleidingen met een numerus fixus, is er zelfs aan een andere Nederlandse universiteit een vrij toegankelijk alternatief beschikbaar.9 Er is in Nederland dus altijd voldoende ruimte om studenten op te leiden in de technieksector; in een enkel geval zal een aspirant-student echter moeten gaan voor een alternatieve techniekopleiding.
Het kabinet investeert daarnaast binnen het project Beethoven ook in het vergroten van de capaciteit van opleidingen binnen de technieksector. Voor 2025 en 2026 is incidenteel ruim € 80 miljoen beschikbaar gesteld voor het initiële onderwijs in de vier regio’s (Brainport, Twente, Zuid-Holland, Noorden). In totaal is incidenteel € 450 miljoen beschikbaar gesteld tot en met 2030 voor het initiële onderwijs en voor leven lang leren. Structureel is vanaf 2031 een bedrag van € 80 miljoen beschikbaar.
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Het ministerie noch DUO beschikken over aanmeldcijfers bij numerus fixusopleidingen. Bij DUO worden alleen daadwerkelijke inschrijvingen geregistreerd. Op basis van de beschikbare informatie is het niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen aanmeldingen en toelatingen. Als die informatie er wel was geweest, was het overigens ook moeilijk geweest om een causaal verband vast te stellen tussen de grote belangstelling van buitenlandse studenten voor bepaalde studies, en de kans om toegelaten te worden voor Nederlandse studenten. Zoals eerder aangegeven is niet alleen de selectieprocedure bepalend voor de vraag of een student die zich heeft aangemeld voor een opleiding, ook daadwerkelijk (kan) start(en) met die opleiding. Studenten maken in veel gevallen ook zelf vrijwillig de keus om toch aan een andere opleiding te beginnen.
Ik wil hier nogmaals benadrukken dat slechts 5% van de Nederlandse aspirant-studenten uiteindelijk niet aan de opleiding van de eerste keus kan beginnen, en er in Nederland altijd een alternatief beschikbaar is, ook in de technieksector, dat zonder selectie toegankelijk is.
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
Sommige instellingen bieden ondersteuning ter voorbereiding op de selectieprocedure, maar daarbij kan geen onderscheid worden gemaakt tussen Nederlandse aspirant-studenten en aspirant-studenten van buiten Nederland, vanwege het verbod op discriminatie op basis van nationaliteit binnen de EER. Ook zijn er commerciële bureaus die aspirant-studenten tegen betaling kunnen voorbereiden op selectie, hetgeen ik met het oog op kansengelijkheid een onwenselijke situatie vindt, maar wat helaas niet verboden kan worden binnen de vrije markt.
Het interview met een asielrechter in NRC Handelsblad. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente interview met een asielrechter in NRC Handelsblad?1
Ja.
Hoe heeft het aantal prejudiciële verzoeken vanuit Nederland aan het Europees Hof inzake asielkwesties zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
Met asielkwesties begrijp ik u dat u doelt op zaken gerelateerd aan asielverzoeken, inclusief opvang en asielzaken die we niet in behandeling willen nemen op grond van de Dublinverordening. Zaken die gerelateerd zijn aan reguliere verblijfsdoelen en -vergunningen, laat ik hier buiten.
Uitgaande van deze afbakening kan ik u zeggen dat vanaf 2015 in 66 zaken asielgerelateerde prejudiciële vragen zijn gesteld. In 2015 ging het om 2 zaken, in 2016 om 3 zaken, in 2017 om 9 zaken, in 2018 om 1 zaak, in 2019 om 3 zaken, in 2020 om 1 zaak, in 2021 om 13 zaken, in 2022 om 6 zaken, in 2023 om 5 zaken, in 2024 om 5 zaken, in 2025 om 14 zaken en in 2026 (tot nu toe) om 4 zaken.
Welk deel van het totale aantal prejudiciële vragen over asielkwesties is de afgelopen tien jaar gesteld vanuit Nederland?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden. De definitie van asielzaken van het Hof van Justitie van de EU in haar zoekmachine, te vinden op www.curia.europa.eu, lijkt een andere te zijn dan die door mij gehanteerd.
Zijn dergelijke verzoeken in voorgaande jaren ook voor een groot deel terug te voeren op één of enkele specifieke rechter(s)?
Dat is feitelijk te constateren omdat deze uitspraken worden gepubliceerd op openbaar te raadplegen bronnen. De namen van de rechters worden daarbij vermeld. In zoverre is dus na te gaan welke rechters daarbij betrokken zijn.
Ziet u grote verschillen in de manier waarop asielzaken worden behandeld door verschillende rechtbanken? Kunt u dit nader toelichten en specificeren?
De wijze waarop een rechter een asielbesluit toetst wordt in grote mate bepaald door de Procedurerichtlijn, de Vreemdelingenwet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Grondwet. Belangrijk uitgangspunt is daarbij dat rechters onafhankelijk en onpartijdig zijn. In algemene zin merk ik op dat ik geen fundamentele verschillen zie in de manier waarop asielzaken worden behandeld door rechters van de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag. Zo worden in de regel door alle rechtbanken beroepen tegen de weigering een verblijfsvergunning asiel te verlenen (of in geval van intrekking) ter zitting behandeld. De rechter heeft gelet op het bepaalde in artikel 8:72 van de Awb verschillende uitspraakbevoegdheden. Onder andere de achtergrond van de individuele zaak, de rechtsvraag die voorligt en de motivering van het besluit zal mede bepalen of een rechter aanleiding ziet om al dan niet meer regie te voeren, door een geconstateerd motiveringsgebrek te laten herstellen in beroep, of bijvoorbeeld een zaak door een meervoudige kamer te laten behandelen.
Uiteraard worden er ook verschillen gezien waarbij bijvoorbeeld de ene rechter vaker aanleiding ziet om een geschil finaal te beslechten (in plaats van na constatering van een motiveringsgebrek terug te verwijzen) dan de ander, of eerder aanleiding ziet om een prejudiciële vraag te stellen, of dat er door rechters verschillend aangekeken wordt tegen een voorliggende rechtsvraag hetgeen tot verschillende uitkomsten leidt. Zo zien we, of hebben we in het verleden gezien, dat door rechtbanken verschillend wordt aangekeken tegen bijvoorbeeld de wijze waarop de IND de geloofwaardigheid beoordeelt, het landenbeleid (zoals ten aanzien van de huidige 15c situatie in Syrië) danwel of iemand op grond van de Dublinverordening aan een bepaalde lidstaat kan worden overgedragen. Gelet op de onafhankelijkheid van de rechter is divergerende jurisprudentie inherent aan het systeem en belangrijk voor de ontwikkeling van het recht. Indien de IND of de rechtszoekende zich niet in dit oordeel kan vinden kan dit aanleiding zijn om hoger beroep in te stellen. Het instrument hoger beroep is daarmee erg belangrijk om de rechtseenheid te bewaken en te bevorderen, maar eventueel ook om aan de Afdeling te vragen uitspraken te beoordelen, bijvoorbeeld in het geval de IND van mening is dat de vreemdeling – anders dan de rechtbank meent – niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
Welke aanpassingen zijn de afgelopen vijf jaar gedaan aan de asielprocedure en/of de beoordeling van asielverzoeken als gevolg van de antwoorden op prejudiciële vragen? Hoe beoordeelt u de aanpassingen?
Tussen 2021 en 2026 zijn ongeveer 30 wijzigingen doorgevoerd in nationale regelgeving of uitvoeringsbeleid naar aanleiding van arresten gewezen vanuit het HvJEU, in zowel Nederlandse zaken als andere lidstaten. Sommige van deze wijzigingen hebben een minder vergaande impact dan andere gehad, bijvoorbeeld omdat de omvang van de betreffende doelgroep relatief klein was of omdat de wijziging relatief eenvoudig te implementeren was. Andere uitspraken hebben meer impact gehad, zoals de volgende twee voorbeelden.
Een eerste voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Y t. Duitsland.2 In deze zaak was door Griekenland een vluchtelingenstatus verleend, maar was het voor Duitsland niet mogelijk om het aldaar gedane verzoek niet-ontvankelijk te verklaren omdat er sprake was een reëel risico in Griekenland onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artike 4 van het Handvest. Het Hof komt in deze zaak tot de conclusie dat Duitsland niet verplicht is om de vluchtelingenstatus van deze verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status hem in Griekenland is verleend, maar moet zij niettemin ten volle rekening houden met die beslissing en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. Als gevolg van dit arrest zal Nederland indien het asielverzoek van een statushouder in een andere lidstaat niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard, altijd het volledige asieldossier van de andere lidstaat moeten opvragen, welke vervolgens moet worden vertaald om inzichtelijk te krijgen welke elementen ten grondslag hebben gelegen aan de verleende internationale bescherming in die lidstaat en zal gemotiveerd moeten worden aangegeven waarom er desondanks geen verblijfsvergunning wordt verleend. Met het opvragen van het dossier en het vervolgens vertalen van dit dossier gaat veelal veel tijd gemoeid, in deze periode zit de vreemdeling in de opvang bij het COA en zal veelal de inhoud van het dossier niet maken dat IND alsnog de verblijfsvergunning gaat inwilligen. Dit ook omdat de vreemdeling niet altijd (uitgebreid) gehoord is in de betreffende lidstaat.
Een ander voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 20233 waaruit volgt dat bij de beoordeling van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet langer volstaan kan worden met het beoordelen van de algemene veiligheidssituatie in een bepaald of een bepaald gebied binnen dit land. Ook individuele en persoonlijke omstandigheden van de vreemdelingen moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of er een reëel risico is op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling heeft vervolgens in de uitspraak van 17 juli 20244 geoordeeld dat er geen «drempel» is om individuele en persoonlijke omstandigheden in het kader van 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn te betrekken. Indien er sprake is van willekeurig geweld en dit geweld plaatsvindt binnen een internationaal of binnenlands conflict is er een verplichting voor de IND om deze individuele aspecten te betrekken. Indien de mate van willekeurig geweld zodanig is dat dit slechts een zeer beperkt aantal burgerslachtoffers geeft, is niet voorstelbaar dat de individuele omstandigheden daadwerkelijk aanleiding gaan geven tot de conclusie dat de vreemdeling een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dit geeft daarmee extra motiveringslasten terwijl het niet leidt tot vaker bescherming moeten bieden.
Deelt u de opvatting dat de asielprocedure de afgelopen jaren steeds complexer en tijds- en arbeidsintensiever is geworden, mede als gevolg van prejudiciële vragen en antwoorden en nieuwe jurisprudentie en dat dit onwenselijk is? Welke mogelijkheden ziet u om dit effect tegen te gaan?
Ik deel de opvatting dat de afgelopen jaren de asielprocedure steeds complexer en daarmee tijds- en arbeidsintensiever is geworden, wat veel impact heeft op de uitvoering. Belangrijk is dat migratierecht uitvoerbaar blijft.
In richtlijnen en verordeningen worden vaak open normen opgenomen, of blijkt dat onderwerpen niet opgenomen zijn of onvoldoende duidelijk zijn ingeregeld. Dit is veelal de aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Daarnaast toetst het Hof van Justitie aan het Europees recht, zoals de richtlijnen en verordeningen opgenomen in het Migratiepact en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie stelt het recht vast zoals het is en toetst dus niet het mogelijke effect op de uitvoering.
Mijn inzet is dan ook om zoveel mogelijk concrete bepalingen uit te onderhandelen. Dit verkleint het risico op invulling door het Hof op een wijze die de lidstaten niet hebben voorzien. Daarnaast bespreek ik waar nodig met de Commissie en like-minded lidstaten of, en zo ja, op welke wijze aanpassingen van Unierechtelijke bepalingen noodzakelijk zijn. Ook bezie ik na rechterlijke uitspraken kritisch wat de reikwijdte van het arrest is, zodat het effect van de uitspraak zo uitvoerbaar als mogelijk is.
Welke specifieke aanpassingen van de asielprocedure of de beoordeling van aanvragen als gevolg van prejudiciële vragen acht u onwenselijk, gezien de gevolgen?
In de loop der jaren zijn verschillende aanpassingen gedaan in het asielbeleid. Het past bij de aard van het migratiebeleid dat dit niet statisch is, maar evolueert al naar gelang veranderingen in de geopolitieke situatie, de doelstellingen van kabinet of uw Kamer, of actuele inzichten. Daaronder kan jurisprudentie van het Hof vallen die tot wijzigingen noopt, wiens taak het is om ervoor te zorgen dat het recht van de Unie in de hele EU op dezelfde wijze wordt uitgelegd en toegepast. Het is dus inherent aan het op Europees niveau willen streven naar één gemeenschappelijk asielsysteem. Het kabinet acht het niet passend om gelet op de taak en het ambt van het Hof eventuele gevolgen van de jurisprudentie als «onwenselijk» te typeren. Uiteraard kan het wel zo zijn -zoals in de beantwoording op vraag 7 ook aangegeven- dat een uitleg van een Unierechtelijke asielbepaling door het Hof verstrekkende gevolgen heeft voor de uitvoering. Het kabinet zal bij een dergelijke uitspraak in Europees verband bespreken of deze uitleg aanleiding geeft tot een aanpassing en/of verduidelijking van de betreffende Unierechtelijke bepaling, waarbij ook de opportuniteit ervan zal worden meegenomen. Als voorbeeld hiervan noemt het kabinet de Nederlandse inzet op het punt van de toetsing van het beginsel van non-refoulement in de terugkeerprocedure, hetgeen een weerslag heeft gevonden in de Raadspositie van de Terugkeerverordening.
Zijn er aanpassingen in dit kader waarvan u het wenselijk en mogelijk acht om de wetgeving op Europees niveau aan te passen om onwenselijke gevolgen recht te zetten? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet verwijst allereerst naar de Raadspositie op de Terugkeerverordening waarin, in reactie op de uitleg van het Hof van bepalingen van de Terugkeerrichtlijn, enkele bepalingen zijn verduidelijkt en/of aangepast, met het oog op een effectief terugkeersysteem. Ook in de verordeningen en richtlijn van het Asiel- en migratiepact, hebben meerdere van de Nederlandse standpunten een plaats gekregen. Zoals geantwoord op vraag 8, zal het kabinet ook naar aanleiding van toekomstige rechterlijke uitspraken, zoals over de uitleg van de bepalingen van het Asiel- en migratiepact, bezien of de uitwerking daarvan in de uitvoeringspraktijk aanleiding geeft tot een aanpassing van de regelgeving. Het behoud van een efficiënte asielprocedure is een belangrijk uitgangspunt daarbij. Hierbij is ook van belang dat in enkele van de verordeningen van het Pact is opgenomen dat de Commissie voor medio 2028, en vervolgens om de vijf jaar, verslag uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordeningen in de lidstaten en stelt, zo nodig, wijzigingen voor.
Kunt u zo specifiek mogelijk aangeven hoe vaak het gebeurt dat een rechter de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opdraagt om een asielzoeker een verblijfsvergunning toe te kennen, zoals in het artikel wordt gemeld? Hoe heeft deze praktijk zich in de afgelopen jaren ontwikkeld?
Vragen 10 en 11 zal ik tezamen beantwoorden. Het wordt door de IND niet in de systemen geregistreerd wanneer een rechtbank naast gegrondverklaring van het beroep tevens de opdracht geeft om een verblijfsvergunning (asiel) toe te kennen. Om die reden zijn geen aantallen te noemen. Hoewel exacte cijfers niet worden bijgehouden, komt dit naar indruk van de IND slechts enkele malen per jaar voor. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Zijn ook deze besluiten voor een groot deel door te voeren op één of enkele specifieke rechtbank(en)? Om welke verhoudingen gaat het?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is de concrete stand van zaken rond de verkenning van de vraag of nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving kunnen bijdragen aan het inkaderen van jurisprudentie op het gebied van asiel en migratie, waarnaar ook wordt verwezen in de brief van 19 december 2025 aan de informateur in reactie op haar vragen aan de Ministers van en voor Asiel en Migratie en waaraan gerefereerd wordt in het artikel van NRC? Wat heeft deze verkenning tot nu toe opgeleverd?
Hierover bent u op 22 mei jl. geïnformeerd.
Wat is uw oordeel over het feit dat de rechter in het artikel aangeeft dat zij in februari bij een uitspraak heeft voorgesteld dat de IND bij oude zaken niet meer tot de hoogste rechter moet doorprocederen? Vindt u dat het de taak van een rechter is om dergelijke opmerkingen te plaatsen? Welke gevolgen worden hieraan verbonden?
Het past mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke rechterlijke uitspraak. In zijn algemeenheid geldt dat het de taak is van de rechter om over een concrete zaak te oordelen die aan hem wordt voorgelegd (artikel 13 van de Wet algemene bepalingen). De rechter heeft verschillende uitspraakbevoegdheden waaronder de overweging ten overvloede. Bij een overweging ten overvloede maakt de rechter gebruik van de gelegenheid die het doen van een uitspraak biedt om in de motivering daarvan iets te zeggen wat voor de uitspraak strikt genomen niet noodzakelijk is, maar wat hij toch naar aanleiding van de zaak mee wil geven aan partijen. Dit kan bijvoorbeeld een signaal betreffen ten behoeve van de uitvoering.
De IND maakt steeds een zorgvuldige afweging bij de beoordeling wel of geen hoger beroep in te stellen, waarbij zowel de individuele belangen van de vreemdeling worden meegenomen, als de belangen van de Staat en de samenleving bij rechtszekerheid en rechtsgelijkheid vanwege mogelijke precedentwerking.
Bent u van mening dat met dergelijke oproepen en uitspraken de grens tussen rechtspreken en (politiek) activisme in de rechtszaal vervaagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijk is en welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13 past het mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke rechterlijke uitspraak. Zoals eveneens aangegeven in het antwoord op vraag 13, behoort het opnemen in een uitspraak van een overweging ten overvloede tot de uitspraakbevoegdheden van de rechter. Dit kan bijvoorbeeld een signaal zijn ten behoeve van de uitvoering. Rechterlijke uitspraken in zaken die in de maatschappelijke belangstelling staan kunnen en mogen voorwerp zijn van discussie. Onze rechtsstaat is gebaat bij debat en dialoog, zowel binnen als met de rechtspraak.
Een Instagrampost van de minister over een onderhoud van de minister met leden van de Moslim Studenten Associatie (MSA) |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de post op Instagram van 11 juni 2026 waarin u vertelt over uw ontmoeting met leden van de Moslim Studenten Associatie (hierna: MSA)?1
Ja.
In deze post zegt u dat «veel moslimstudenten» zich «nog niet altijd» thuis voelen op hun onderwijsinstelling, heeft u een idee hoeveel studenten dit betreft en wat hun klachten precies zijn?
Voor het onderwijs zijn er geen cijfers over thuisgevoel uitgesplitst naar religie. Breder onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse samenleving.2
Moslimstudenten geven aan, onder andere op basis van een eigen enquête3 die zij aan één van mijn ambtsvoorgangers hebben aangeboden, dat (gebrek aan) thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is. Tevens hebben zij mij en mijn ambtsvoorgangers er in gesprekken op gewezen dat zij te maken krijgen met incidenten zoals koranverscheuringen, onveiligheid tijdens stages met angst om te melden en meer beveiligingscontroles op basis van uiterlijke kenmerken (zoals het dragen van een hoofddoek). Ook noemen zij dat moslimstudenten vaak de eerste in hun familie zijn die naar het hoger onderwijs gaan. Dit brengt prestatiedruk met zich mee, vaak ook een financiële druk thuis, en vraagt om aandacht voor thuisgevoel.
Was u ervan op de hoogte dat de MSA is aangesloten bij Femyso, het Forum of European Muslim Youth and Student Organisations, dat volgens de inlichtingendiensten van België, Duitsland en Frankrijk en verschillende wetenschappers de officieuze jongerentak is van de Council of European Muslims, een organisatie die de strategie voor de Europese Unie coördineert van de Moslimbroederschap die streeft naar de islamisering van het Westen? Zo ja, heeft u hierover gesproken met de delegatie van MSA?2, 3, 4, 5, 6, 7
Het is openbare informatie dat MSA lid is van Femyso. Dit is tijdens het gesprek niet aan de orde gekomen. Het gesprek ging over studentenwelzijn en thuisgevoel. Daarover spreek ik met meerdere studenten. Dat vind ik belangrijk en blijf ik doen. De MSA heeft mij naar aanleiding van deze vragen laten weten dat zij is aangesloten bij Femyso, maar dat zij geen enkele verbinding heeft met de Moslimbroederschap.
Wat vindt u van de bevinding dat Femyso en de bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA strijden volgens de in vraag 3 genoemde inlichtingendiensten en wetenschappers tegen islamofobie of moslimdiscriminatie en voor «sociale veiligheid» omdat officieel erkend slachtofferschap helpt bij het behouden en verkrijgen van subsidies en het verwezenlijken van faciliteiten zoals bijvoorbeeld gebeds- of stilteruimten waarmee de «ongelovige» omgeving kan worden aangepast aan de islamitische norm?
Ik deel dit beeld niet. Discriminatie van welke groep dan ook is bij wet verboden. Dit kabinet zet zich in voor het tegengaan van discriminatie en het verbeteren van sociale veiligheid voor iedereen. Zoals ik ook in het debat over mentale gezondheid van scholieren en studenten van 24 juni jl. heb aangegeven, spreek ik met allerlei studenten over onderwerpen waar zij mee zitten, met welke achtergrond dan ook. Ik vind het enorm belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs en zie het als mijn rol om daarover in gesprek te gaan.
Er is geen subsidierelatie tussen het ministerie en de MSA. Voorts blijft het al dan niet verwezenlijken van stilteruimten een verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen zelf. Net als de toekenning van bestuursbeurzen voor studentenverenigingen.
Wat vindt u van de bevinding dat volgens de Franse sociologe en kenner van de ideologie van de Moslimbroederschap Florence Bergeaud-Blackler en van een in mei vorig jaar verschenen onderzoek dat is verricht in opdracht van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken dat Femyso en bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA opleidingsstructuren voor hooggekwalificeerde kaderleden van de Moslimbroederschap zijn die een rol moeten spelen in de strategie die entryismwordt genoemd, dat wil zeggen het ideologisch bewerken en verleiden van overheidsorganisaties om deze een «inclusieve» koers te laten varen die de islam accommodeert? Bent u bekend met het onderzoek van Florence Bergeaud-Blackler en hoe beoordeelt u de bevindingen en waarschuwingen daarin?8
Hier ben ik niet bekend mee.
Het onderzoek van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken was voor de Franse president Macron aanleiding om aan te dringen op maatregelen, het rapport waarschuwt onder andere dat de organisaties van het moslimbroedernetwerk heel bedreven zijn in het exploiteren van slachtofferschap («victimisation») om de eigen agenda vooruit te helpen, herkent u het beeld? Zo nee, waarom niet?9, 10
Ik beschik niet over de informatie om dit beeld te duiden.
Meent u – in het licht van deze waarschuwing – dat het verstandig was om leden van de MSA niet alleen te ontvangen maar ook hun narratief over te nemen dat «veel moslimstudenten» zich niet thuis voelen op universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen waardoor deze klacht die draait om een niet nader omschreven gevoel wint aan legitimiteit? Graag een toelichting.
Ik vind het belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs. Thuisgevoel is, los van een op zichzelf staande waarde, ook van invloed op studiesucces. Ik spreek met een brede groep studenten met verschillende achtergronden, waarbij ik geen enkele groep studenten boven de andere plaats. Op die manier leer ik wat er speelt onder studenten. Ik wijs uw suggestie af dat ik door gesprekken te voeren een bepaald narratief overneem in relatie tot de uitdagingen die moslimstudenten ervaren.
Lokale afdelingen van de MSA – zoals de MSA Rotterdam (Erasmus Universiteit), de MSA UAS (Amsterdam) en de EMSA (Universiteit Twente) – zijn erkende studentenorganisaties die in aanmerking komen voor subsidies van de onderwijsinstellingen zoals «bestuursmaanden» en activiteitensubsidies, daarnaast kunnen zij een beroep doen bij gemeenten op een bijdrage uit welzijns- en diversiteitspotjes, bent u bereid met de betrokken onderwijsinstellingen en gemeenten in overleg te treden om te zien hoeveel subsidie de MSA via al deze kanalen ontvangt?
Nee, ik ben daartoe niet bereid. Onderwijsinstellingen en gemeenten gaan zelf over hun uitgaven, binnen de kaders die er gelden. Ik heb er vertrouwen in dat zij hun keuzes en afwegingen zorgvuldig maken.
Hoe beoordeelt u de financiering van deze organisaties, in het licht van de formele banden van MSA met Femyso en vindt u het wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 8.
Bent u bereid kennis te nemen van de actuele wetenschappelijke literatuur over de Moslimbroederschap en het zogenoemde «broederisme» alsmede het rapport van de Franse overheid dat beschrijft hoe verenigingen die zich presenteren als ngo’s voor burgerrechten en non-discriminatie in feite religieuze lobbyorganisaties zijn die de taal spreken van diversiteit en inclusie om groepsprivileges af te dwingen zoals gebedsruimten, inclusief tentamenbeleid – flexibiliteit rondom religieuze feestdagen – en halal-opties in de kantine? Graag een toelichting.11, 12
Ik neem kennis van uiteenlopende wetenschappelijke publicaties en rapporten over verschillende onderwerpen. Daarbij baseer ik mijn oordeel niet op één specifieke analyse of denkrichting, maar op een brede weging van beschikbare feiten en onderzoek.
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
Bent u bekend met het feit dat debatcentrum Pakhuis de Zwijger heeft besloten de eminente migratiedeskundige Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn, niet deel te laten nemen aan een debat op 1 juni dit jaar, nadat hij hier eerder wel voor was uitgenodigd?1
Ja.
Pakhuis de Zwijger motiveerde de intrekking van de uitnodiging aan Koopmans met «persoonlijke uitingen op sociale media» van Koopmans, die niet zouden passen bij de «eigen waarden en omgangsvormen» Wat vindt u van deze motivatie?
Voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen geldt dat zij artistiek en inhoudelijk autonoom zijn. Dit is een belangrijk uitgangspunt in een democratische rechtsstaat. Wel geldt in algemene zin dat van instellingen met een publieke debat- of dialoogfunctie mag worden verwacht dat zij een podium geven aan verschillende stemmen en opvattingen in het debat. Het is echter niet aan het kabinet om programmering inhoudelijk te beoordelen of te sturen op specifieke politieke of ideologische vertegenwoordiging.
Hoe een instelling invulling geeft aan de programmering en hoe dit wordt georganiseerd is ter beoordeling van de instelling. De uiteindelijke afweging blijft altijd aan de instelling zelf. De Raad voor Cultuur bevordert het gesprek in de culturele sector over invulling van de maatschappelijke doelstellingen. Een belangrijke aanjager hiervan is het advies «Maken (z)onder druk» dat de Raad voor Cultuur begin dit jaar heeft uitgebracht. In dit advies wordt ingegaan op in welke mate de artistieke vrijheid in Nederland onder druk staat, wat daar mogelijke oorzaken van zijn en welke handelingsperspectieven er zijn voor overheid, het culturele veld en het onderwijs om die vrijheid te beschermen.
Pakhuis de Zwijger ontvangt een subsidie in de context van de Regeling vierjarige instellingssubsidie 2025–2028 van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Het is aan het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie om de toegevoegde waarde van de activiteiten en de programmering van een aanvragende instelling onder deze regeling inhoudelijk te beoordelen. Indien het gaat om BIS- aanvragen: bij de beantwoording van BIS- aanvragen heeft de Raad voor Cultuur, zoals in al zijn advisering, rekening gehouden met de in «Advies aanvraag- en beoordelingsproces BIS 2025–2028» genoemde doelstellingen.
Pakhuis de Zwijger trad in 2023 na een juridische strijd toe tot de Culturele Basisinfrastructuur (BIS), waarna het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie Pakhuis de Zwijger in juli 2024 voor de periode 2025–2028 in het kader van de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» een zogenoemde categorie 1 subsidie toekende van 2,2 miljoen euro. Is uw ministerie betrokken geweest bij deze toekenning en zo, ja hoe?2
OCW is niet betrokken geweest bij het toekennen van de subsidie via de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Dit fonds maakt eigen afwegingen op grond van de in vraag 3 genoemde «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie». De regeling beschrijft ook het selectieproces. Zie hiervoor de eindnoot (a).3
Pakhuis de Zwijger heeft ook aanvragen voor subsidie gedaan bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) en Europese subsidiegelden. Is u bekend of deze aanvragen zijn gehonoreerd en zo ja, om welke bedragen het gaat en wat het totale aandeel is van subsidie in de financieringsmix van Pakhuis de Zwijger?
Verschillende aanvragen zijn gehonoreerd. Voor 2026 zijn de structurele subsidies voor Pakhuis de Zwijger:
De totale begroting van Pakhuis de Zwijger in 2026 bedraagt € 5.760.500. Het percentage subsidie is 19.1%.
Incidentele eenmalige subsidie die ontvangen is in 2026:
€ 35.000 voor 2026 (deel uitmakend van een projectsubsidie voor 2025–2026).
Tevens is Pakhuis de Zwijger de penvoerder van een tweejarige projectsubsidie van de gemeente Amsterdam. Dit gaat om € 250.000 ten bate van de «Alliantie Samen tegen Racisme» die wordt uitgevoerd met een grote groep samenwerkingspartners. Deze subsidie is voor het project, niet voor Pakhuis de Zwijger.
Deelt u de opvatting dat Pakhuis de Zwijger als debatcentrum natuurlijk vrijheid van vereniging geniet en vrij is sprekers uit te nodigen volgens eigen criteria, maar dat het tegelijk door de ruimhartige rijkssubsidie en de status van nationaal debatpodium gehouden is aan een maatschappelijke opdracht om een debat een echt debat te laten zijn door ook ruimte te geven aan standpunten waar de organisatie het niet mee eens is, omdat anders het risico dreigt dat Pakhuis de Zwijger een echokamer wordt die alleen nog de eigen opvattingen van de leiding van de instelling bevestigt?
Zie het antwoord op vraag 2
Hoe beoordeelt u de behandeling van Ruud Koopmans door Pakhuis de Zwijger in het licht van het advies van de Raad voor Cultuur uit 2023 dat «pluriformiteit» noemt als een van de vier doelstellingen waaraan cultuurbeleid in het kader van de BIS moet bijdragen («cultuur geldt als vrijhaven en plek voor debat binnen de maatschappij»)?3
Zie het antwoord op vraag 2
Bent u het eens met de stelling dat het cancelen van Ruud Koopmans niet past bij de inclusiviteit die Pakhuis de Zwijger zelf zegt na te streven zoals blijkt uit de eigen website – «wij willen mensen samenbrengen en zoeken naar de gemeenschappelijke delers, daarbij zijn we niet bang om ongemakkelijke gesprekken aan te gaan» – en uit de aanvraag van Pakhuis de Zwijger voor de Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie die benadrukt dat het debatcentrum in de periode 2025–2028 de focus wil leggen op «het vormgeven van een toekomst waarin iedereen zich thuis kan voelen?»4
Zie het antwoord op vraag 2
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Ja
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Het proces van plaatsing en inschrijving voor studiejaar 2026–2027 loopt op dit moment nog. Daarom zijn cijfers over de resultaten van de selectieprocedure waarover in het artikel wordt geschreven nog niet te geven. Om die reden zijn hieronder de cijfers voor studiejaar 2025–2026 weergegeven.
Aanmeldingen en instroom bij bacheloropleidingen TU/e met een numerus fixus naar herkomst voor studiejaar 2025–20262
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
382
(30,0%)
340
(36,2%)
217
(23,1%)
939
(100%)
Deelgenomen aan selectie
274
(50,3%)
198
(36,3%)
73
(13,4%)
545
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
244
(47,7%)
194
(38,0%)
70
(13,7%)
511
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
194
(58,7%)
110
(33,2%)
27
(8,2%)
331
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
336
(16,3%)
841
(40,9%)
881
(42,8%)
2058
(100%)
Deelgenomen aan selectie
242
(19,4%)
591
(47,3%)
416
(33,3%)
1249
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
122
(17,1%)
382
(53,7%)
208
(29,2%)
712
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
88
(24,8%)
165
(46,5%)
102
(28,7%)
355
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
454
(23,8%)
841
(44,2%)
609
(40,0%)
1904
(100%)
Deelgenomen aan selectie
336
(27,2%)
599
(48,5%)
301
(24,4%)
1236
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
232
(26,7%)
446
(51,4%)
190
(21,9%)
868
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
192
(40,9%)
204
(43,5%)
73
(15,6%)
469
(100%)
Zoals is te zien, valt er een hoop studenten af tussen de vooraanmeldingen en de uiteindelijke deelname aan selectie, en wordt aan veel meer studenten een plaats aangeboden dan uiteindelijk ook daadwerkelijk worden ingeschreven. Dit heeft verschillende redenen. Veel studenten melden zich bij meerdere opleidingen aan en kiezen pas later waar ze ook daadwerkelijk meedoen aan de selectie of waar ze een aangeboden plaats accepteren. Ook vallen studenten af die niet aan de vooropleidingseisen voldoen. Ter vergelijking: ook bij niet-selecterende opleidingen valt een groot deel van de studenten die zich aanmelden nog af, voordat de opleiding is gestart. De TU/e laat weten dat van de 7570 vooraanmeldingen bij niet-selecterende opleidingen uiteindelijk slechts 1870 studenten zijn gestart.
Voor de context, en omdat de opleiding Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek van de TU Delft in deze vragen expliciet genoemd wordt, geef ik hierbij ook de instroomcijfers voor de opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek.
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen1
668 (19,7%)
1560
(45,9%)
1168 (34,4%)
3396
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 20252
101
(23,1%)
261
(59,7%)
75
(17,2%)
437
(100%)
Bron: TU Delft.
Bron: DUO.
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Voor de genoemde klasgenoten is het natuurlijk jammer dat zij niet direct kunnen worden toegelaten. Het is heel fijn als studenten kunnen starten op de opleiding van hun eerste keus. Tegelijkertijd is dit vanwege capaciteitsgebrek en onvoldoende beschikbaarheid van docenten niet altijd overal mogelijk. Nederland kent een zeer toegankelijk onderwijsstelsel, waarbij in principe iedereen die een havo- of vwo-diploma heeft behaald met het juiste vakkenpakket, meteen toelaatbaar is voor een bacheloropleiding. Er zijn slechts zeer beperkt uitzonderingen hierop. Een numerus fixus is hier een voorbeeld van. Instellingen mogen enkel een numerus fixus instellen als een opleiding onvoldoende capaciteit heeft om alle studenten die zich aanmelden ook daadwerkelijk toe te laten, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende docenten beschikbaar zijn om kwalitatief goed onderwijs te kunnen geven.
Van alle Nederlandse bacheloropleidingen heeft, op basis van cijfers van DUO, slechts 5% zo’n numerus fixus. De ervaring leert dat uiteindelijk veel kandidaten hun plaats niet accepteren, bijvoorbeeld omdat ze zich bij meerdere opleidingen hebben aangemeld voor selectie en pas nadat zij de uitslag daarvan hebben gehoord een keuze maken. Vaak maken ook studenten die lager op de ranglijst staan nog een reële kans om een plaats aangeboden te krijgen. Uiteindelijk kan slechts ± 5% van de aspirant-studenten niet starten op de eerste keus opleiding. Zij kunnen wel altijd terecht bij een tweede keus opleiding.3
Ik ben in dit kader overigens verheugd om te zien dat Nederlandse studenten het op basis van de cijfers van de TU/e bij antwoord 2 goed lijken te doen in de selectie. In alle gevallen is, afgezet tegen het aandeel internationale studenten, het percentage Nederlandse studenten dat start aan de opleiding groter dan het percentage Nederlandse studenten dat zich voor de opleiding had aangemeld en meedeed aan de selectie.
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Het Nederlandse vervolgonderwijs leidt primair op voor de Nederlandse gemeenschap en arbeidsmarkt.4 Ik ben er trots op dat in Nederland onderwijs van zulke hoogwaardige kwaliteit wordt aangeboden, dat dit studenten trekt van over de hele wereld. De opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is hier een voorbeeld van. We kunnen dit internationale talent heel goed gebruiken, zeker ook in de technieksector. Die internationalisering moet wel in balans zijn, zodat kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs geborgd blijven.
De instroom bij een opleiding zoals Luchtvaart- en ruimtevaart beoordeel ik vanuit het breder perspectief op het onderwijsstelsel, dat ook voor Nederlandse aspirant-studenten goed toegankelijk is. Gezien het feit dat op dit moment slechts een beperkt aantal bacheloropleidingen in de technieksector een numerus fixus heeft,5 maak ik mij nog geen zorgen over de toegankelijkheid van het stelsel – en hierbinnen de techniekopleidingen – voor Nederlandse studenten. Hoe vervelend het ook is dat een aspirant-student niet (meteen) kan worden toegelaten tot de opleiding van de eerste keuze, is er binnen Nederland altijd een hoogwaardig alternatief beschikbaar in de technieksector dat wel vrij toegankelijk is, regelmatig ook (gedeeltelijk) in het Nederlands.6 Het kan wel zijn dat daarvoor verder gereisd moet worden.
Tegelijkertijd zien we dat het aantal aanmeldingen bij deze zeer populaire studies nog altijd sterk stijgt. Het aantal aanmeldingen voor Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is vanaf 2022 bijvoorbeeld bijna verdubbeld van ruim 2200 naar bijna 4400 aanmeldingen in 2026. Die stijging komt met name van internationale studenten. Het aandeel niet-EER-studenten steeg van 30% naar 42%. Het is ook zeer moeilijk om te sturen op aanmeldingen. Wel kan er binnen bepaalde grenzen ingegrepen worden op wie wordt toegelaten. De reeds aangekondigde mogelijkheid voor een fixus op niet-EER-studenten zou de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten en andere EU-studenten op deze opleidingen dus ten goede komen (zie ook antwoord 9). Instellingen vragen ook al jaren om deze mogelijkheid. Voor het overige kan alleen worden geselecteerd op basis van (ten minste twee) kwalitatieve selectiecriteria. Daarbinnen gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Op dit moment zijn er geen indicaties dat grote groepen studenten buiten de boot vallen als gevolg van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding. Mocht dat in de toekomst wel dreigen te gebeuren, dan kunnen de in het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans voorgestelde aanvullende fixusinstrumenten mogelijk een oplossing bieden (zie ook antwoord 9), naast de reeds bestaande mogelijkheid om bij bacheloropleidingen een aparte fixus in te stellen voor een Nederlandstalig en Engelstalig traject binnen dezelfde opleiding.
De universiteiten hebben eerder in hun zelfregieplannen rondom internationalisering ook voorgesteld om vaker een Nederlandstalig traject naast een Engelstalig traject te starten. Ik juich het van harte toe als instellingen dit vaker doen. Daarbij is wel voorwaardelijk dat er voldoende Nederlandstalig personeel beschikbaar is. Ik zal dit meenemen in mijn gesprekken met de instellingen over internationalisering en de zelfregie.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Zie antwoord vraag 7.
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Het stelsel van toelating en selectie bij numerus fixusopleidingen is gestoeld op de gedachte dat de meest geschikte student een van de beperkte plaatsen krijgt toegewezen. Er is binnen het EU-recht geen ruimte om daarbij onderscheid te maken naar nationaliteit en dus Nederlanders voorrang te geven. Wel kan het onder voorwaarden mogelijk gemaakt worden om onderscheid te maken tussen EER- en niet-EER-studenten. Het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans bevat een wijziging van de WHW om dit mogelijk te maken. De voorgestelde niet-EER-fixus zou echter altijd een instrument zijn voor instellingen zelf om in te zetten. Het is niet mogelijk om instellingen te verplichten hier gebruik van te maken.
Mede naar aanleiding van de afspraken in het coalitieakkoord wordt nu gewerkt aan een nota van wijziging voor dit wetsvoorstel, waardoor de behandeling van de wet vertraging oploopt. Ik heb uw Kamer eerder toegezegd u rond de zomer te informeren over het vervolg van dit wetsvoorstel.
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Vooropgesteld wil ik nogmaals benadrukken dat veruit de meeste Nederlandse studenten (95%) terecht kunnen bij de studie en onderwijsinstelling waar ze bij voorkeur willen studeren. Slechts 5% moet, als gevolg van een negatieve uitkomst van selectie, uitwijken naar een tweede keus opleiding.7 Ook in de technische sectoren waar het hier om gaat, heeft slechts 4,2% van de opleidingen een capaciteitsbeperking.8 In sommige gevallen van techniek-opleidingen met een numerus fixus, is er zelfs aan een andere Nederlandse universiteit een vrij toegankelijk alternatief beschikbaar.9 Er is in Nederland dus altijd voldoende ruimte om studenten op te leiden in de technieksector; in een enkel geval zal een aspirant-student echter moeten gaan voor een alternatieve techniekopleiding.
Het kabinet investeert daarnaast binnen het project Beethoven ook in het vergroten van de capaciteit van opleidingen binnen de technieksector. Voor 2025 en 2026 is incidenteel ruim € 80 miljoen beschikbaar gesteld voor het initiële onderwijs in de vier regio’s (Brainport, Twente, Zuid-Holland, Noorden). In totaal is incidenteel € 450 miljoen beschikbaar gesteld tot en met 2030 voor het initiële onderwijs en voor leven lang leren. Structureel is vanaf 2031 een bedrag van € 80 miljoen beschikbaar.
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Het ministerie noch DUO beschikken over aanmeldcijfers bij numerus fixusopleidingen. Bij DUO worden alleen daadwerkelijke inschrijvingen geregistreerd. Op basis van de beschikbare informatie is het niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen aanmeldingen en toelatingen. Als die informatie er wel was geweest, was het overigens ook moeilijk geweest om een causaal verband vast te stellen tussen de grote belangstelling van buitenlandse studenten voor bepaalde studies, en de kans om toegelaten te worden voor Nederlandse studenten. Zoals eerder aangegeven is niet alleen de selectieprocedure bepalend voor de vraag of een student die zich heeft aangemeld voor een opleiding, ook daadwerkelijk (kan) start(en) met die opleiding. Studenten maken in veel gevallen ook zelf vrijwillig de keus om toch aan een andere opleiding te beginnen.
Ik wil hier nogmaals benadrukken dat slechts 5% van de Nederlandse aspirant-studenten uiteindelijk niet aan de opleiding van de eerste keus kan beginnen, en er in Nederland altijd een alternatief beschikbaar is, ook in de technieksector, dat zonder selectie toegankelijk is.
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
Sommige instellingen bieden ondersteuning ter voorbereiding op de selectieprocedure, maar daarbij kan geen onderscheid worden gemaakt tussen Nederlandse aspirant-studenten en aspirant-studenten van buiten Nederland, vanwege het verbod op discriminatie op basis van nationaliteit binnen de EER. Ook zijn er commerciële bureaus die aspirant-studenten tegen betaling kunnen voorbereiden op selectie, hetgeen ik met het oog op kansengelijkheid een onwenselijke situatie vindt, maar wat helaas niet verboden kan worden binnen de vrije markt.
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Zie de inhoudelijke beantwoording hieronder.
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
De cijfers die in het artikel worden aangehaald zien op het aantal eerste asielaanvragen en de nationaliteiten van de aanvragers. Deze cijfers worden maandelijks door de IND gepubliceerd in Asylum Trends, te vinden via https://ind.nl/nl/over-ons/cijfers-en-publicaties/asieltrends.
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
De samenstelling van de categorie «nationaliteit onbekend» kan niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden.
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Het klopt dat er niet altijd duidelijkheid is over de nationaliteit van de vreemdeling. De beoordeling van de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is onderdeel van de asielprocedure. Dat een vreemdeling geregistreerd staat met onbekende nationaliteit hoeft hier echter niet mee te maken te hebben. Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten of om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld dan wel om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een vreemdeling met onbekende nationaliteit geregistreerd staat, wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. Als de vreemdeling geen bekende nationaliteit heeft, maar er is geen twijfel over de identiteit en herkomst van de vreemdeling, kan de aanvraag getoetst worden aan het land van gebruikelijk verblijf. Het niet kunnen toewijzen van een nationaliteit hoeft dus niet in de weg te staan aan het kunnen beoordelen van de aanvraag.
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Zoals aangegeven in de voorgaande beantwoording lijkt het hier grotendeels te gaan om personen die al een asielstatus hebben in Griekenland. In algemene zin is niet te zeggen door hoeveel landen deze vreemdelingen hebben gereisd alvorens ze een aanvraag indienden in Nederland.
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Nee, niet zover mij bekend.
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 6 en 9.
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND standaard of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, of dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zogenaamde 1F-gedragingen (ernstige misdrijven). Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Dit kabinet wil meer grip krijgen op migratie. Naast de specifieke inzet beschreven in antwoord 9, geldt dat belangrijke stappen daarin de inwerkingtreding van het Pact en de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel zijn.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de afdeling sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een vacature heeft geplaatst die uitsluitend is bedoeld voor wetenschappers van kleur?1
Uit navraag bij de Erasmus Universiteit Rotterdam heb ik begrepen dat de vacature niet uitsluitend bedoeld was voor wetenschappers van kleur. En dat de Erasmus Universiteit Rotterdam de vacature heeft aangepast om te verduidelijken dat ze geen sollicitanten uitsluit.
Wat vindt u ervan dat de EUR een methode van personeelswerving gebruikt die is gebaseerd op huidskleur, die ertoe leidt dat een groot aantal kandidaten bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij de «niet de goede huidskleur» hebben?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van vacatures van een universiteit. Instellingen geven zelf hun werving- en selectiebeleid vorm. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders.
Wie kunnen er precies solliciteren op vacatures voor «scholars of color» en wie niet en deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om mensen in te delen in twee categorieën, zoals hier lijkt te gebeuren, namelijk wel of niet «of color»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk wervingsbeleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat is vastgelegd in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en dat discriminatie «op welke grond dan ook» verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1 van de Grondwet is voor wat betreft de verhouding tussen werkgever en werknemer nader geconcretiseerd in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Op basis van artikel 2 lid 3 Awgb mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan. Het moet dan gaan om het wegnemen of verminderen van feitelijke nadelen die verband houden met de grond ras of geslacht en het onderscheid moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel.
Deelt u de mening dat het vreemd en zorgelijk is dat een faculteit voor sociale wetenschappen die commitment claimt tot «antiracisme» juist raciale eisen stelt?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Wat vindt u van de aan deze vacature kennelijk onderliggende opvatting van de faculteit voor sociale wetenschappen van de EUR dat wetenschappers van kleur bijzondere expertise hebben voor de studie van ongelijkheid die andere wetenschappers ontberen?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, heb ik begrepen dat de vacature openstaat voor alle wetenschappers.
Hoe beoordeelt u het feit dat de twee vacatures geen eisen stellen aan specialisaties of methodologische vaardigheden?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Bent u van mening dat een vacaturetekst als «Commitment to integrating progressive, antiracist and social justice resources and pedagogy in the classroom is an essential component of both positions» academici met conservatieve opvattingen lijkt uit te sluiten? Graag een toelichting.
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Is u bekend of er buiten de ESSB van de EUR nog meer faculteiten zijn die vacatures plaatsen die uitsluitend zijn bedoeld voor «scholars of color»?
Ik heb van de Erasmus Universiteit Rotterdam begrepen dat die er niet zijn.
Bent u bereid met de universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat procedures om personeel te werven gevrijwaard blijven van discriminatoire criteria?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met het wervingsbeleid op universiteiten. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders. Ik zie geen noodzaak om additionele afspraken te maken met de universiteiten.
Deelt u het oordeel van dit voorval als een voorbeeld van positieve discriminatie?
Het aanmoedigen van kandidaten van kleur om te solliciteren is geen voorkeursbeleid, oftewel positieve discriminatie, ook anderen zijn welkom om te solliciteren. Bovendien betekent voorkeursbeleid voor mensen van kleur niet per definitie dat er sprake is van verboden onderscheid. Een werkgever mag voorkeursbeleid voeren als een bepaalde groep mensen onvoldoende vertegenwoordigd is en er is voldaan aan een aantal andere vereisten. Het is niet aan mij om te oordelen over individuele gevallen.
Zo ja, acht u dit soort discriminatie onwenselijk en gaat u daar actief actie tegen nemen in uw nieuwe nationale programma tegen racisme en discriminatie?
Uw Kamer heeft het kabinet gevraagd een overkoepelend programma tegen discriminatie en racisme te maken. Daarin zal het kabinet actie ondernemen tegen alle vormen van verboden onderscheid. Verder wijs ik graag naar mijn antwoorden op vragen 4 en 11.
Het bericht ‘UvA sloeg onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten over tijdens campusprotesten’ |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) tijdens de campusbezettingen van 2024 een jaarlijkse peiling naar de sociale veiligheid van studenten over heeft geslagen?1
Ja
Klopt het bericht dat de UvA in 2024 heeft besloten de jaarlijkse monitor naar sociale veiligheid onder studenten niet uit te voeren met als argument dat de gegevens dan niet vergelijkbaar zouden zijn? Hoe beoordeelt u het besluit en de onderbouwing ervan?
Uit navraag bij de UvA heb ik begrepen dat dit klopt. In het voorjaar van 2024, wanneer bovengenoemde jaarlijkse monitor doorgaans wordt uitgevraagd, vonden grootschalige protesten plaats aan de UvA. De UvA geeft aan dat zij de monitor gebruikt om de effecten van beleid onder reguliere omstandigheden in kaart te brengen. Door de waarschijnlijke invloed van de protesten op de uitkomsten zouden de resultaten van dit meetmoment niet goed vergelijkbaar zijn met eerdere en latere metingen. Dit zou voor de UvA de interpretatie van beleidseffecten bemoeilijken.
De UvA laat weten dat in 2024 de jaarverslagen van de ombudsfunctionaris, vertrouwenspersonen, de vertrouwenspersoon individuele rechtspositie en de klachtencommissie volgens de reguliere werkwijze zijn opgesteld. Deze bieden jaarlijks inzicht in aard, omvang en duiding van signalen rond sociale veiligheid. De inzichten uit deze verschillende bronnen worden door de UvA in samenhang beschouwd en gebruikt voor de verdere ontwikkeling van beleid en aanpak. De UvA heeft de monitor sociale veiligheid in 2025 weer afgenomen.
Ik heb als Minister geen bemoeienis met interne monitors van een universiteit.
Deelt u de opvatting dat juist in een periode van soms intimiderende protesten het belangrijk is om de veiligheid systematisch te meten? Zo nee, waarom niet?
Het is van belang dat de ervaren sociale veiligheid van studenten en medewerkers van hogescholen en universiteiten structureel wordt gemonitord. Ik ga als Minister niet over de frequentie en wijze waarop een instelling haar metingen verricht. Wel spreek ik met de koepelorganisaties Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH) regelmatig over de ervaren sociale veiligheid op sectorniveau. Zo hebben wij afgesproken dat zij voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij zullen delen.
Hoe verhoudt het overslaan van deze monitor zich tot het Convenant Sociale Veiligheid in het hoger onderwijs (2024–2027)?
Het convenant sociale veiligheid is een landelijke afspraak met verschillende partijen uit de sector (OCW, UNL, VH, de Landelijke Studentenvakbond, het Interstedelijk Studenten Overleg, Promovendi Netwerk Nederland (mede namens PostdocNL), Federatie Nederlandse Vakbeweging en Algemene Onderwijsbond) over het bevorderen van de sociale veiligheid in de sector met behoud van de autonomie van de instellingen. Doel van het convenant is richting geven aan een gezamenlijke aanpak om de sociale veiligheid binnen de sector te bevorderen. De convenantpartners geven deze gezamenlijke aanpak vorm door het inrichten van een regiegroep sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap. De regiegroep is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van een vierjarig programmaplan om de sociale veiligheid in de sector te bevorderen. De regiegroep is ingesteld door mijn ambtsvoorganger en is onafhankelijk.
Over monitoring is in het convenant niets afgesproken. In het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap (2022) zijn al afspraken gemaakt over de monitoring van sociale veiligheid. Instellingen gaan zelf zorgdragen voor een eenduidige en structurele monitor van ervaren sociale veiligheid. Daarnaast maken zij inclusie onder studenten en personeel zichtbaar. Hiervoor zullen bestaande instrumenten worden aangepast. De monitoringsvragen worden door de instellingen onderling uniform bepaald. Periodiek, en in 2024 voor de eerste maal, stellen UNL (in samenspraak met de NFU) en VH de resultaten geaggregeerd op sectorniveau (nooit op instellingsniveau) beschikbaar aan OCW.
Welke afspraken bestaan er momenteel met universiteiten over de frequentie en continuïteit van onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten?
Er bestaat geen afspraak met de individuele instellingen. Een van de beleidsmaatregelen is dat de instellingen zullen zorgen voor een monitor van de ervaren sociale veiligheid onder studenten en medewerkers. Ik spreek daarom regelmatig met UNL en VH over het inrichten van zo’n structurele monitor. UNL en VH zullen in ieder geval, net als vorig jaar met mijn ambtsvoorganger, voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij delen.
Welke onderzoeken zijn er op die universiteit wel gedaan naar de sociale veiligheid onder studenten?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of andere universiteiten in Nederland in recente jaren vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen? Zo ja, welke en waarom?
Universiteiten hoeven mij niet te rapporteren over welke onderzoeken ze wanneer uitvoeren. Ik heb noch informatie noch signalen ontvangen over andere universiteiten die vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen.
Bent u bereid met universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat metingen naar sociale veiligheid niet worden overgeslagen juist in perioden van verhoogde spanning?
Ik verwijs voor de bestaande afspraken graag naar mijn antwoord op vraag 5. Aanvullende afspraken acht ik niet nodig.
Het interview met een asielrechter in NRC Handelsblad. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente interview met een asielrechter in NRC Handelsblad?1
Ja.
Hoe heeft het aantal prejudiciële verzoeken vanuit Nederland aan het Europees Hof inzake asielkwesties zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
Met asielkwesties begrijp ik u dat u doelt op zaken gerelateerd aan asielverzoeken, inclusief opvang en asielzaken die we niet in behandeling willen nemen op grond van de Dublinverordening. Zaken die gerelateerd zijn aan reguliere verblijfsdoelen en -vergunningen, laat ik hier buiten.
Uitgaande van deze afbakening kan ik u zeggen dat vanaf 2015 in 66 zaken asielgerelateerde prejudiciële vragen zijn gesteld. In 2015 ging het om 2 zaken, in 2016 om 3 zaken, in 2017 om 9 zaken, in 2018 om 1 zaak, in 2019 om 3 zaken, in 2020 om 1 zaak, in 2021 om 13 zaken, in 2022 om 6 zaken, in 2023 om 5 zaken, in 2024 om 5 zaken, in 2025 om 14 zaken en in 2026 (tot nu toe) om 4 zaken.
Welk deel van het totale aantal prejudiciële vragen over asielkwesties is de afgelopen tien jaar gesteld vanuit Nederland?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden. De definitie van asielzaken van het Hof van Justitie van de EU in haar zoekmachine, te vinden op www.curia.europa.eu, lijkt een andere te zijn dan die door mij gehanteerd.
Zijn dergelijke verzoeken in voorgaande jaren ook voor een groot deel terug te voeren op één of enkele specifieke rechter(s)?
Dat is feitelijk te constateren omdat deze uitspraken worden gepubliceerd op openbaar te raadplegen bronnen. De namen van de rechters worden daarbij vermeld. In zoverre is dus na te gaan welke rechters daarbij betrokken zijn.
Ziet u grote verschillen in de manier waarop asielzaken worden behandeld door verschillende rechtbanken? Kunt u dit nader toelichten en specificeren?
De wijze waarop een rechter een asielbesluit toetst wordt in grote mate bepaald door de Procedurerichtlijn, de Vreemdelingenwet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Grondwet. Belangrijk uitgangspunt is daarbij dat rechters onafhankelijk en onpartijdig zijn. In algemene zin merk ik op dat ik geen fundamentele verschillen zie in de manier waarop asielzaken worden behandeld door rechters van de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag. Zo worden in de regel door alle rechtbanken beroepen tegen de weigering een verblijfsvergunning asiel te verlenen (of in geval van intrekking) ter zitting behandeld. De rechter heeft gelet op het bepaalde in artikel 8:72 van de Awb verschillende uitspraakbevoegdheden. Onder andere de achtergrond van de individuele zaak, de rechtsvraag die voorligt en de motivering van het besluit zal mede bepalen of een rechter aanleiding ziet om al dan niet meer regie te voeren, door een geconstateerd motiveringsgebrek te laten herstellen in beroep, of bijvoorbeeld een zaak door een meervoudige kamer te laten behandelen.
Uiteraard worden er ook verschillen gezien waarbij bijvoorbeeld de ene rechter vaker aanleiding ziet om een geschil finaal te beslechten (in plaats van na constatering van een motiveringsgebrek terug te verwijzen) dan de ander, of eerder aanleiding ziet om een prejudiciële vraag te stellen, of dat er door rechters verschillend aangekeken wordt tegen een voorliggende rechtsvraag hetgeen tot verschillende uitkomsten leidt. Zo zien we, of hebben we in het verleden gezien, dat door rechtbanken verschillend wordt aangekeken tegen bijvoorbeeld de wijze waarop de IND de geloofwaardigheid beoordeelt, het landenbeleid (zoals ten aanzien van de huidige 15c situatie in Syrië) danwel of iemand op grond van de Dublinverordening aan een bepaalde lidstaat kan worden overgedragen. Gelet op de onafhankelijkheid van de rechter is divergerende jurisprudentie inherent aan het systeem en belangrijk voor de ontwikkeling van het recht. Indien de IND of de rechtszoekende zich niet in dit oordeel kan vinden kan dit aanleiding zijn om hoger beroep in te stellen. Het instrument hoger beroep is daarmee erg belangrijk om de rechtseenheid te bewaken en te bevorderen, maar eventueel ook om aan de Afdeling te vragen uitspraken te beoordelen, bijvoorbeeld in het geval de IND van mening is dat de vreemdeling – anders dan de rechtbank meent – niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
Welke aanpassingen zijn de afgelopen vijf jaar gedaan aan de asielprocedure en/of de beoordeling van asielverzoeken als gevolg van de antwoorden op prejudiciële vragen? Hoe beoordeelt u de aanpassingen?
Tussen 2021 en 2026 zijn ongeveer 30 wijzigingen doorgevoerd in nationale regelgeving of uitvoeringsbeleid naar aanleiding van arresten gewezen vanuit het HvJEU, in zowel Nederlandse zaken als andere lidstaten. Sommige van deze wijzigingen hebben een minder vergaande impact dan andere gehad, bijvoorbeeld omdat de omvang van de betreffende doelgroep relatief klein was of omdat de wijziging relatief eenvoudig te implementeren was. Andere uitspraken hebben meer impact gehad, zoals de volgende twee voorbeelden.
Een eerste voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Y t. Duitsland.2 In deze zaak was door Griekenland een vluchtelingenstatus verleend, maar was het voor Duitsland niet mogelijk om het aldaar gedane verzoek niet-ontvankelijk te verklaren omdat er sprake was een reëel risico in Griekenland onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artike 4 van het Handvest. Het Hof komt in deze zaak tot de conclusie dat Duitsland niet verplicht is om de vluchtelingenstatus van deze verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status hem in Griekenland is verleend, maar moet zij niettemin ten volle rekening houden met die beslissing en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. Als gevolg van dit arrest zal Nederland indien het asielverzoek van een statushouder in een andere lidstaat niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard, altijd het volledige asieldossier van de andere lidstaat moeten opvragen, welke vervolgens moet worden vertaald om inzichtelijk te krijgen welke elementen ten grondslag hebben gelegen aan de verleende internationale bescherming in die lidstaat en zal gemotiveerd moeten worden aangegeven waarom er desondanks geen verblijfsvergunning wordt verleend. Met het opvragen van het dossier en het vervolgens vertalen van dit dossier gaat veelal veel tijd gemoeid, in deze periode zit de vreemdeling in de opvang bij het COA en zal veelal de inhoud van het dossier niet maken dat IND alsnog de verblijfsvergunning gaat inwilligen. Dit ook omdat de vreemdeling niet altijd (uitgebreid) gehoord is in de betreffende lidstaat.
Een ander voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 20233 waaruit volgt dat bij de beoordeling van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet langer volstaan kan worden met het beoordelen van de algemene veiligheidssituatie in een bepaald of een bepaald gebied binnen dit land. Ook individuele en persoonlijke omstandigheden van de vreemdelingen moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of er een reëel risico is op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling heeft vervolgens in de uitspraak van 17 juli 20244 geoordeeld dat er geen «drempel» is om individuele en persoonlijke omstandigheden in het kader van 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn te betrekken. Indien er sprake is van willekeurig geweld en dit geweld plaatsvindt binnen een internationaal of binnenlands conflict is er een verplichting voor de IND om deze individuele aspecten te betrekken. Indien de mate van willekeurig geweld zodanig is dat dit slechts een zeer beperkt aantal burgerslachtoffers geeft, is niet voorstelbaar dat de individuele omstandigheden daadwerkelijk aanleiding gaan geven tot de conclusie dat de vreemdeling een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dit geeft daarmee extra motiveringslasten terwijl het niet leidt tot vaker bescherming moeten bieden.
Deelt u de opvatting dat de asielprocedure de afgelopen jaren steeds complexer en tijds- en arbeidsintensiever is geworden, mede als gevolg van prejudiciële vragen en antwoorden en nieuwe jurisprudentie en dat dit onwenselijk is? Welke mogelijkheden ziet u om dit effect tegen te gaan?
Ik deel de opvatting dat de afgelopen jaren de asielprocedure steeds complexer en daarmee tijds- en arbeidsintensiever is geworden, wat veel impact heeft op de uitvoering. Belangrijk is dat migratierecht uitvoerbaar blijft.
In richtlijnen en verordeningen worden vaak open normen opgenomen, of blijkt dat onderwerpen niet opgenomen zijn of onvoldoende duidelijk zijn ingeregeld. Dit is veelal de aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Daarnaast toetst het Hof van Justitie aan het Europees recht, zoals de richtlijnen en verordeningen opgenomen in het Migratiepact en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie stelt het recht vast zoals het is en toetst dus niet het mogelijke effect op de uitvoering.
Mijn inzet is dan ook om zoveel mogelijk concrete bepalingen uit te onderhandelen. Dit verkleint het risico op invulling door het Hof op een wijze die de lidstaten niet hebben voorzien. Daarnaast bespreek ik waar nodig met de Commissie en like-minded lidstaten of, en zo ja, op welke wijze aanpassingen van Unierechtelijke bepalingen noodzakelijk zijn. Ook bezie ik na rechterlijke uitspraken kritisch wat de reikwijdte van het arrest is, zodat het effect van de uitspraak zo uitvoerbaar als mogelijk is.
Welke specifieke aanpassingen van de asielprocedure of de beoordeling van aanvragen als gevolg van prejudiciële vragen acht u onwenselijk, gezien de gevolgen?
In de loop der jaren zijn verschillende aanpassingen gedaan in het asielbeleid. Het past bij de aard van het migratiebeleid dat dit niet statisch is, maar evolueert al naar gelang veranderingen in de geopolitieke situatie, de doelstellingen van kabinet of uw Kamer, of actuele inzichten. Daaronder kan jurisprudentie van het Hof vallen die tot wijzigingen noopt, wiens taak het is om ervoor te zorgen dat het recht van de Unie in de hele EU op dezelfde wijze wordt uitgelegd en toegepast. Het is dus inherent aan het op Europees niveau willen streven naar één gemeenschappelijk asielsysteem. Het kabinet acht het niet passend om gelet op de taak en het ambt van het Hof eventuele gevolgen van de jurisprudentie als «onwenselijk» te typeren. Uiteraard kan het wel zo zijn -zoals in de beantwoording op vraag 7 ook aangegeven- dat een uitleg van een Unierechtelijke asielbepaling door het Hof verstrekkende gevolgen heeft voor de uitvoering. Het kabinet zal bij een dergelijke uitspraak in Europees verband bespreken of deze uitleg aanleiding geeft tot een aanpassing en/of verduidelijking van de betreffende Unierechtelijke bepaling, waarbij ook de opportuniteit ervan zal worden meegenomen. Als voorbeeld hiervan noemt het kabinet de Nederlandse inzet op het punt van de toetsing van het beginsel van non-refoulement in de terugkeerprocedure, hetgeen een weerslag heeft gevonden in de Raadspositie van de Terugkeerverordening.
Zijn er aanpassingen in dit kader waarvan u het wenselijk en mogelijk acht om de wetgeving op Europees niveau aan te passen om onwenselijke gevolgen recht te zetten? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet verwijst allereerst naar de Raadspositie op de Terugkeerverordening waarin, in reactie op de uitleg van het Hof van bepalingen van de Terugkeerrichtlijn, enkele bepalingen zijn verduidelijkt en/of aangepast, met het oog op een effectief terugkeersysteem. Ook in de verordeningen en richtlijn van het Asiel- en migratiepact, hebben meerdere van de Nederlandse standpunten een plaats gekregen. Zoals geantwoord op vraag 8, zal het kabinet ook naar aanleiding van toekomstige rechterlijke uitspraken, zoals over de uitleg van de bepalingen van het Asiel- en migratiepact, bezien of de uitwerking daarvan in de uitvoeringspraktijk aanleiding geeft tot een aanpassing van de regelgeving. Het behoud van een efficiënte asielprocedure is een belangrijk uitgangspunt daarbij. Hierbij is ook van belang dat in enkele van de verordeningen van het Pact is opgenomen dat de Commissie voor medio 2028, en vervolgens om de vijf jaar, verslag uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordeningen in de lidstaten en stelt, zo nodig, wijzigingen voor.
Kunt u zo specifiek mogelijk aangeven hoe vaak het gebeurt dat een rechter de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opdraagt om een asielzoeker een verblijfsvergunning toe te kennen, zoals in het artikel wordt gemeld? Hoe heeft deze praktijk zich in de afgelopen jaren ontwikkeld?
Vragen 10 en 11 zal ik tezamen beantwoorden. Het wordt door de IND niet in de systemen geregistreerd wanneer een rechtbank naast gegrondverklaring van het beroep tevens de opdracht geeft om een verblijfsvergunning (asiel) toe te kennen. Om die reden zijn geen aantallen te noemen. Hoewel exacte cijfers niet worden bijgehouden, komt dit naar indruk van de IND slechts enkele malen per jaar voor. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Zijn ook deze besluiten voor een groot deel door te voeren op één of enkele specifieke rechtbank(en)? Om welke verhoudingen gaat het?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is de concrete stand van zaken rond de verkenning van de vraag of nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving kunnen bijdragen aan het inkaderen van jurisprudentie op het gebied van asiel en migratie, waarnaar ook wordt verwezen in de brief van 19 december 2025 aan de informateur in reactie op haar vragen aan de Ministers van en voor Asiel en Migratie en waaraan gerefereerd wordt in het artikel van NRC? Wat heeft deze verkenning tot nu toe opgeleverd?
Hierover bent u op 22 mei jl. geïnformeerd.
Wat is uw oordeel over het feit dat de rechter in het artikel aangeeft dat zij in februari bij een uitspraak heeft voorgesteld dat de IND bij oude zaken niet meer tot de hoogste rechter moet doorprocederen? Vindt u dat het de taak van een rechter is om dergelijke opmerkingen te plaatsen? Welke gevolgen worden hieraan verbonden?
Het past mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke rechterlijke uitspraak. In zijn algemeenheid geldt dat het de taak is van de rechter om over een concrete zaak te oordelen die aan hem wordt voorgelegd (artikel 13 van de Wet algemene bepalingen). De rechter heeft verschillende uitspraakbevoegdheden waaronder de overweging ten overvloede. Bij een overweging ten overvloede maakt de rechter gebruik van de gelegenheid die het doen van een uitspraak biedt om in de motivering daarvan iets te zeggen wat voor de uitspraak strikt genomen niet noodzakelijk is, maar wat hij toch naar aanleiding van de zaak mee wil geven aan partijen. Dit kan bijvoorbeeld een signaal betreffen ten behoeve van de uitvoering.
De IND maakt steeds een zorgvuldige afweging bij de beoordeling wel of geen hoger beroep in te stellen, waarbij zowel de individuele belangen van de vreemdeling worden meegenomen, als de belangen van de Staat en de samenleving bij rechtszekerheid en rechtsgelijkheid vanwege mogelijke precedentwerking.
Bent u van mening dat met dergelijke oproepen en uitspraken de grens tussen rechtspreken en (politiek) activisme in de rechtszaal vervaagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijk is en welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13 past het mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke rechterlijke uitspraak. Zoals eveneens aangegeven in het antwoord op vraag 13, behoort het opnemen in een uitspraak van een overweging ten overvloede tot de uitspraakbevoegdheden van de rechter. Dit kan bijvoorbeeld een signaal zijn ten behoeve van de uitvoering. Rechterlijke uitspraken in zaken die in de maatschappelijke belangstelling staan kunnen en mogen voorwerp zijn van discussie. Onze rechtsstaat is gebaat bij debat en dialoog, zowel binnen als met de rechtspraak.
Het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend ‘inhumane’ opeenvolgende IBS-periodes. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Rechtbank van Noord-Holland, waarbij de bewaring van een criminele en als ongewenst vreemdeling aangemerkte Marokkaanse onderdaan is opgeheven omdat meerdere opeenvolgende perioden van vreemdelingenbewaring bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, terwijl betrokkene op het punt stond te worden uitgezet en de laissez-passer al gereed lag?
Ik ben bekend ben met het arrest «Aroja» van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en verschillende uitspraken die daarnaar verwijzen van de Nederlandse rechtspraak.
Kunt u uiteenzetten op welke juridische grond in deze zaak de opeenvolgende inbewaringstellingperiodes (IBS-periodes) zijn samengeteld en tot «inhumane» bewaring zijn bestempeld, en hoe dit zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn én het door de Europese Commissie opgestelde Return Handbook, waarin juist wordt benadrukt dat bij een reëel vooruitzicht op verwijdering – bijvoorbeeld wanneer een laissez-passer (LP) gereed is – de uitvoering van de terugkeer voorrang behoort te hebben op invrijheidstelling? Waarom wijkt de Nederlandse praktijk in dit geval af van deze duidelijke aanbevelingen, nota bene met betrekking tot een criminele en ongewenst verklaarde vreemdeling?
Zoals uw Kamer bekend, kan ik niet ingaan op individuele gevallen. In algemene zin kan ik aangeven dat het Hof in haar arrest nader gepreciseerd heeft hoe de maximale termijn voor vreemdelingenbewaring op basis van de Terugkeerrichtlijn, in Nederland geïmplementeerd in artikel 59 Vreemdelingenwet 2000, moet worden berekend. De uitspraak van het Hof luidt dat per direct de maximale termijn van 18 maanden (6 maanden + 12 maanden verlenging) berekend moet worden door alle periodes van vreemdelingenbewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar op te tellen. Tot nu toe ging de Nederlandse rechtspraktijk er van uit dat deze termijn per opgelegde bewaringsmaatregel steeds opnieuw inging. Dit heeft als gevolg dat vreemdelingen die in totaal 18 maanden of langer in vreemdelingenbewaring hebben gezeten op basis van één en hetzelfde terugkeerbesluit, niet langer in vreemdelingenbewaring ter fine van terugkeer gesteld kunnen worden. Dit maakt het al complexe bewaringsproces nog ingewikkelder. Het Hof onderbouwt haar oordeel door te verwijzen naar het verbod op willekeurige bewaring. Het Hof wijst lidstaten wel op mogelijkheden om in hun nationale wetgeving handelingsperspectieven te scheppen met strafrechtelijke sancties.
Hoe beoordeelt u het risico voor de openbare orde en veiligheid wanneer criminele vreemdelingen die uitzetbaar zijn, voor wie reisdocumenten gereed liggen en die bovendien als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt, toch in vrijheid worden gesteld enkel vanwege de optelling van eerdere IBS-periodes?
Vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland zijn dienen Nederland te verlaten. Het uitgangspunt is daarbij dat een vreemdeling zelfstandig vertrekt. Indien de vreemdeling niet of onvoldoende medewerking verleent aan zijn vertrek dan wordt er overgegaan tot gedwongen vertrek. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan overlastgevende en criminele vreemdelingen. Onder de Terugkeerrichtlijn kunnen vreemdelingen in bestuursrechtelijke vreemdelingenbewaring worden gesteld wanneer er een onttrekkingsrisico is of wanneer zij de terugkeerprocedure ontwijken of belemmeren. Er is thans geen op zichzelf staande grond voor terugkeerbewaring om de enkele reden dat personen een risico vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Voor vreemdelingen in het strafrecht geldt dat de (gedwongen) terugkeer zoveel als mogelijk aansluitend op het einde van de strafrechtelijke detentie wordt georganiseerd.
In gevallen waarbij de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling vaststaat, zal doorgaans de maximale termijn van 18 maanden bewaring met het oog op uitzetting volstaan, ook als eerdere bewaringsperiodes op grond van de Terugkeerrichtlijn bij elkaar moeten worden opgeteld. Daarbij is van belang dat periodes van rechtmatig verblijf gedurende de behandeling van een asielprocedure niet vallen onder de Terugkeerrichtlijn en dus geen onderdeel uitmaken van de maximale termijn van 18 maanden. Ook bewaring in het kader van de Dublinprocedure telt niet mee. Het herhaald indienen van een toelatingsprocedure zal de vreemdeling dus maar beperkt baten.
Het Aroja-arrest heeft echter wel een negatieve impact op de bewaring van vreemdelingen die niet over geldige reisdocumenten beschikken. Voor hen zal een vervangend reisdocument moeten worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het (mogelijke) land van herkomst. Afhankelijk van het land van herkomst en de mate van medewerking van de vreemdeling, kan het geruime tijd duren voordat het onderzoek door het land van herkomst is afgerond. Bij een negatieve uitkomst is aanvullend onderzoek nodig. Dit kunnen langdurige trajecten zijn die veel tijd in beslag nemen. Met dit arrest bestaat het risico dat de maximale bewaringstermijn is volgelopen, zonder dat terugkeer geeffectueerd kon worden. Daarnaast wordt verwacht dat vreemdelingen die niet meewerken aan terugkeer zich nog heftiger zullen verzetten om uitzetting te voorkomen als de maximale termijn van 18 maanden in beeld komt. Daarom zal de vreemdelingenketen de inzet van vreemdelingenbewaring nog scherper moeten afzetten tegen de spoedige effectuering van terugkeer.
Waar terugkeer in 18 maanden niet mogelijk is gebleken, zal naar andere handelingsperspectieven moeten worden gekeken. Strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 197 Wetboek van Strafrecht is in een aanzienlijk aantal gevallen binnen deze categorie een mogelijkheid, als een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd. De aanpassing van de wetgeving met betrekking tot de ongewenst verklaring en de strafbaarstelling van illegaal verblijf, welke thans in de Eerste Kamer ter behandeling liggen, kunnen een ingang bieden om dit handelingsperspectief te versterken.
Daarnaast zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord tussen de Raad van de EU en het Europees Parlement over de Terugkeerverordening. Beide instellingen versterkten het voorstel van de Europese Commissie om de maximale terugkeerbewaring te verlengen naar 24 maanden (12+12 maanden) en bovendien geen formele limiet te stellen aan de bewaringsduur voor personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een meerderheid van lidstaten is daarnaast voorstander van de mogelijkheid om, na het verloop van de maximale bewaringsduur van 24 maanden, opnieuw maximaal 6 maanden terugkeerbewaring te kunnen opleggen wanneer zich een onderduikrisico voordoet en er uitzicht ontstaat op uitzetting, bijvoorbeeld omdat de terugkeersamenwerking met een derde land verbetert. Verder biedt de verordening onder meer een nieuwe en op zichzelf staande bewaringsgrond voor personen die een veiligheidsrisico vormen. Hoewel de definitieve verordening nog niet gereed is, ziet het kabinet hierin perspectief om de door het arrest toegevoegde complexiteit deels weg te nemen.
Deelt u, mede gelet op het uitgangspunt dat lidstaten onder het Unierecht primair verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde, en op het feit dat de Terugkeerrichtlijn expliciet voorziet in detentie van illegaal verblijvende derdelanders die een risico vormen voor de openbare orde of de uitvoering van de terugkeerprocedure, de mening dat hiermee de effectieve bescherming van de Nederlandse samenleving tegen gevaarlijke en ongewenst verklaarde recidivisten onaanvaardbaar wordt ondermijnd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat deze uitspraak in de praktijk betekent dat niet-meewerken aan terugkeer, het traineren van procedures en het strategisch indienen en weer intrekken van asielaanvragen en rechtsmiddelen door vreemdelingen en hun advocaten wordt beloond, omdat de door hen zelf veroorzaakte vertraging vervolgens wordt aangegrepen om bewaring op te heffen, zelfs wanneer het gaat om een criminele, ongewenst verklaarde vreemdeling voor wie een LP gereed ligt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke concrete maatregelen bent u bereid op korte termijn en op langere termijn te nemen om te voorkomen dat dit soort misbruik van recht nog langer loont en om te waarborgen dat ongewenst verklaarde criminelen met een groot recidiverisico zoals deze daadwerkelijk kunnen worden uitgezet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met andere gevallen waarin vreemdelingenbewaring van (criminele) derdelanders, al dan niet ongewenst verklaard, is opgeheven omdat meerdere IBS-periodes bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, ondanks dat er uitzicht bestond op uitzetting en in voorkomende gevallen sprake was van recidivegevaar? Zo ja, om hoeveel zaken gaat het in de afgelopen twaalf maanden, wat is de aard van deze zaken, en kunt u de Kamer daarover een overzicht sturen inclusief delictcategorie, ongewenststatus, en reden voor opheffing van de bewaring?
Naar aanleiding van dit arrest zijn de dossiers van alle vreemdelingen die op dat moment in bewaring verbleven (circa 430) onderzocht. In totaal zijn ongeveer 30 bewaringsmaatregelen opgeheven als een direct gevolg van deze uitspraak. Bij ongeveer 10 vreemdelingen ging dat om maatregelen waarin de maximale termijn van 18 maanden is overschreden. In ongeveer 20 gevallen is het formele vereiste, om voor ommekomst van een periode van 6 maanden een verlengingsbesluit te nemen, niet goed toegepast wat tot opheffingen heeft geleid. In die gevallen is bij opnieuw aantreffen van de vreemdeling in het toezicht opnieuw bewaring mogelijk, met een verbeterde motivering. In andere gevallen is een nieuwe bewaringsmaatregel beschouwd als verlengingsmaatregel om meer opheffingen te voorkomen.
Het arrest dateert van 5 maart 2026. Van een overzicht over de afgelopen 18 maanden in relatie tot deze uitspraak, kan dan ook geen sprake zijn.
Hoe verhoudt de in deze uitspraak gevolgde lijn zich volgens u tot de nieuwe aanstaande Europese Terugkeerverordening, die juist beoogt het terugkeerbeleid te versterken en te uniformeren, en deelt u de analyse dat met dergelijke uitspraken Nederland zichzelf klem zet als we het Europese kader zo uitleggen dat criminele, ongewenst verklaarde vreemdelingen eerder profiteren van juridische subtiliteiten dan dat de samenleving wordt beschermd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6, biedt de Terugkeerverordening perspectief op het versterken van het terugkeerbeleid. Het kabinet zet dan ook in op de vlotte afronding van de triloogonderhandelingen.
Deelt u de opvatting dat criminele derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare orde, die ongewenst zijn verklaard, bij wie recidivegevaar bestaat en die in principe uitzetbaar zijn, zeker wanneer de LP al gereed ligt, in bewaring moeten blijven totdat hun terugkeer daadwerkelijk is gerealiseerd, en dat het onacceptabel is dat zij door juridisch getouwtrek toch op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Ik wil hier graag verwijzen naar het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6 en het antwoord op vraag 8.
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen het huidige Unierechtelijke kader, nationaal beleid en regelgeving zo aan te scherpen dat opeenstapeling van detentieperiodes en procedureel getraineer niet langer kan leiden tot een de facto immuniteit tegen uitzetting voor criminele, ongewenst verklaarde en recidivegevoelige vreemdelingen zonder verblijfsrecht? Bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn concrete voorstellen te doen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om in Europees verband, onder verwijzing naar deze casuïstiek, te pleiten voor verduidelijking en aanscherping van de regels rond (hernieuwde) bewaring in de nieuwe Terugkeerverordening, zodat lidstaten niet langer worden gehinderd om dergelijke criminele, overlastgevende en ongewenstverklaarde vreemdelingen vast te houden totdat hun uitzetting feitelijk is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven is het kabinet van mening dat het onderhandelingsmandaad van de Raad van de EU, dat de inzet vormt van de gesprekken in de triloog, een goed alternatief biedt om het handelingsperspectief te versterken. Zoals eerder opgemerkt zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord op de Terugkeerverordening.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór 23 april 2026?
Waar mogelijk heb ik de vragen één voor één beantwoord. Waar de vragen in elkaars verlengde lagen of hetzelfde antwoord hadden heb ik de beantwoording gebundeld.
Samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS) |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Welke Nederlandse universiteiten en hogescholen hebben in het kader van het Europese Erasmus+ programma samengewerkt met de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)?
Op basis van de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ op het openbare Erasmus+ Project Result Platform maak ik op dat de Universiteit Maastricht de enige instelling is die in het kader van het Erasmus+ programma heeft samengewerkt met de Iraanse instelling Tehran University of Medical Sciences (TUMS).
Hoe lang en in welke periode hebben deze samenwerkingen plaatsgevonden en zijn er Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs die op dit moment nog in enige vorm samenwerken met TUMS?
Uit de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ volgt dat de samenwerking van de Universiteit Maastricht en TUMS in het kader van het Erasmus+ programma drie jaar duurde: van halverwege januari 2020 tot halverwege januari 2023.
Of er Nederlandse instellingen zijn die buiten het kader van Erasmus+ op dit moment nog samenwerken met TUMS weet ik niet. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Ik verwacht dat instellingen daar op zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
Waren de samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse universiteiten in lijn met het sanctierecht van de Europese Unie gezien het feit dat de paramilitaire vrijwilligersorganisatie Student Basij Organisation (SBO) op Iraanse universiteiten als de «ogen en oren van het regime» fungeert en sinds 22 mei 2023 op een sanctielijst van de Europese Unie staat?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Kennisinstellingen zijn rechtstreeks gebonden aan de naleving van geldende sancties. In verschillende sanctieverordeningen zijn verboden opgenomen op samenwerking met gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook wordt bij verschillende sanctiemaatregelen specifiek verwezen naar het verbod op het verlenen van technische bijstand voor specifieke goederen en technologie. Wanneer iets geldt als technische bijstand is door de Europese Commissie nader geduid in een formele opinie. Deze opinie bevat onder andere de toelichting dat ook het aanbieden van hoger onderwijs kan vallen onder de definitie van technische bijstand.
Sanctienaleving is voor kennisinstellingen niet eenvoudig. Daarom is er vanuit de rijksoverheid een aantal handvatten die zij kunnen gebruiken bij het vormgeven van hun interne processen. Zo bevat de nationale leidraad kennisveiligheid toelichting op het belang en de grondbeginselen van sanctienaleving en kunnen instellingen bij het loket kennisveiligheid terecht met vragen. Ook zijn er vanuit de Europese Commissie specifiek voor onderzoeksorganisaties richtsnoeren (Aanbeveling 2021/1700) ontwikkeld om hen te helpen om de risico’s in verband met deze producten en technologie in kaart te brengen, te beheren en te beperken en daarmee de naleving te bevorderen.
Welke Nederlandse universiteiten hebben een «ethische commissie» die samenwerkingsbanden van advies voorziet en bij welke universiteiten is de samenwerking met Tehran University behandeld of onderzocht en beoordeeld door een ethische commissie?
UNL heeft bij een eerdere uitvraag aangegeven dat elke universiteit beschikt over één of meerdere structuren die adviseren over ethische aspecten van het aangaan van onderzoekssamenwerkingen, zoals een ethische commissie. Ik heb geen inzicht in welke samenwerkingen zijn behandeld of beoordeeld want dit betreft een verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.
Ik verwacht als Minister uiteraard wel dat kennisinstellingen dit zorgvuldig uitvoeren. Daarom verwacht ik van instellingen dat zij een aantal belangrijke uitgangspunten betrekken bij het inrichten van deze processen. Hierover heb ik uw kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
In hoeverre hebben Nederlandse universiteiten de aanwezigheid van de Basij meegewogen in hun stappenplan voor «due dilligence» in het kader van het sluiten van hun overeenkomsten met TUMS?
Daar heb ik geen inzicht in, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bij het maken van een eigen afweging kunnen instellingen uiteraard wel terecht bij het Loket Kennisveiligheid voor advies en informatie. In het geval van samenwerking met Iran wijst het loket uiteraard op het risico op ongewenste kennisoverdracht en het risico dat kennis en technologie voor onethische doeleinden kunnen worden gebruikt. Het is vervolgens aan de instelling zelf om te beoordelen of en onder welke voorwaarden zij een samenwerking aan kunnen gaan.
Klopt het dat de Universiteit Maastricht (UM) in 2022 n.a.v. de zogenoemde «Woman. Life. Freedom»-protesten de banden met TUMS niet beëindigde om de onderzoekers en studenten van deze instelling niet in de steek te laten? Graag een toelichting.
Ook hiervoor geldt dat het aan de instelling zelf is om dergelijke afwegingen te maken.
Is bij u bekend waarom het argument dat je «onderzoekers en studenten niet in de steek moet laten» blijkbaar geen rol speelde toen de Universiteit Maastricht in oktober 2025 besloot de samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op te schorten en hoe beoordeelt u dit verschil in benadering?
Instellingen hebben de vrijheid om hun samenwerkingen tegen het licht te houden, bijvoorbeeld naar aanleiding van geopolitieke verschuivingen. Dat geldt ook voor de Universiteit Maastricht. Ik heb de Universiteit Maastricht gevraagd om een toelichting.
De Universiteit Maastricht geeft aan dat het Toetsingskader Internationale Samenwerkingen en Kennisveiligheid medio 2023 is geïmplementeerd, en dat sinds april 2025 een Human Rights Advisory Committtee (HRAC) actief is. Het eerdergenoemde Erasmus+ programma werd afgerond voordat het kader of de commissie actief waren.
Het College van Bestuur neemt op basis van de adviezen van HRAC alleen besluiten over institutionele samenwerkingen. De instelling heeft nadrukkelijk geen zeggenschap over de samenwerking en uitwisseling van kennis tussen individuele wetenschappers en hun internationale collega’s, mits er geen beperkingen in het kader van kennisveiligheid van toepassing zijn. Dat geldt ook ten aanzien van individuele samenwerkingen met de wetenschappers van de Hebrew University of Jerusalem. Continuering van samenwerking tussen wetenschappers onderling, ook met wetenschappers afkomstig van een partnerinstelling waarmee het College van Bestuur de institutionele banden verbreekt, kan van cruciale waarde zijn. De Universiteit Maastricht noemt deze academische vrijheid onontbeerlijk.
Deze afwegingen sluiten aan bij de uitgangspunten voor beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden die de Minister van OCW eerder met de kamer en de sector heeft gedeeld (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Is bij u bekend of de zeker zeven Nederlandse universiteiten die in 2024–2025 hun samenwerking met Israëlische universiteiten of instellingen opgeschort of beëindigd hebben – vaak na advies van ethische commissies – in de afgelopen jaren ook de samenwerking met partners in andere landen dan Israël hebben opgeschort of beëindigd? Zo ja, om welke Nederlandse universiteiten en welke landen gaat het dan?
Nee. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 2.
Deelt u de vrees dat als samenwerkingsbanden met Israëlische instellingen worden bevroren of stopgezet met verwijzing naar mogelijke mensenrechtenschendingen, maar mensenrechtenschendingen door regimes in andere landen niet leiden tot vergelijkbare maatregelen, dit een onrechtvaardig en/of discriminerend onderscheid maakt? Graag een toelichting.
Ik deel het belang van rechtvaardigheid en non-discriminatie in de totstandkoming van de afwegingen van instellingen. Tegelijkertijd hecht ik ook aan het belang van institutionele autonomie. Dit vormt ook onderdeel van de uitgangspunten voor het beoordelen van internationale samenwerkingsverbanden. Ik vertrouw erop dat kennisinstellingen hier zorgvuldig mee omgaan.
Bestaan er op dit moment uniforme sanctie- en compliancerichtlijnen voor het hoger onderwijs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven waarom de naam van de Universiteit Maastricht en de naam van prof. dr. Anja Krumeich van de afdeling Health, Ethics and Society van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van de UM op dit moment nog steeds prominent vermeld staan als partner op de website van TUMS?
Zie ook het antwoord op vraag 6. De Universiteit Maastricht geeft aan dat deze vermelding niet in overleg met of met toestemming van de Universiteit Maastricht of van Prof. Dr. Krumeich op de website gekomen is. De samenwerking was ten einde in 2023, conform de afronding van het project.
Scholen voor voortgezet onderwijs die donderdag 5 maart zijn geblokkeerd door activisten van Extinction Rebellion |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat activisten van Extinction Rebellion donderdag 5 maart meer dan dertig Amsterdamse middelbare scholen hebben afgesloten door kettingen aan hekken te hangen en/of sloten onklaar te maken?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat in veel gevallen de politie moest komen om de deuren open te krijgen, dat meerdere scholen lessen dus moesten laten vervallen, en kinderen dus geen onderwijs konden krijgen?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen. Inderdaad konden niet alle scholen hun volledige lesdag draaien.
Deelt u de mening dat dit onacceptabel, abject en verwerpelijk is en moet worden ontmoedigd, (moreel) veroordeeld, vervolgd en bestraft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onderwijs is een grondrecht. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op de toekomst, en juist daarom zou dat altijd ongehinderd mogelijk moeten zijn. Ik vind het dan ook onacceptabel wanneer leerlingen en medewerkers niet naar school kunnen vanwege een gepoogde blokkade. Het is aan de scholen zelf om waar nodig aangifte te doen tegen de organisatoren van de demonstratie. Bij vermoedens van strafbare feiten adviseert het kabinet altijd om aangifte te doen. Het is vervolgens aan het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Deelt u de mening dat de schade moet worden verhaald op de daders, zodat scholen en de overheid niet opdraaien voor deze kosten, en om ervoor te zorgen dat dergelijke praktijken niet worden aangemoedigd?
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat meerdere scholen aangifte hebben gedaan?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Kunt u aangeven welke wetten bij deze actie zijn overtreden? In hoeverre is het strafbaar om kinderen te verhinderen om naar school te kunnen gaan?
Het recht op onderwijs is in Nederland verankerd in artikel 23 van de Grondwet. Of en zo ja welke wetten worden overtreden wanneer iemand dit recht inperkt is afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval; die beoordeling is aan het OM.
Het Wetboek van Strafrecht kent geen zelfstandige bepaling die het verhinderen van kinderen om naar school te kunnen gaan als zodanig strafbaar stelt. In hoeverre dit onder een andere strafbepaling zou kunnen vallen is eveneens afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden en in de eerste plaats ter beoordeling van het OM.
In hoeverre kan de organisatie Extinction Rebellion uit wier naam deze acties worden gevoerd verantwoordelijk worden gesteld voor de schade en/of vervolgd voor dergelijke acties?
Opgemerkt zij dat Extinction Rebellion geen rechtspersoon is. De bepalingen die een rechtspersoon rechten en verplichtingen toekennen (artikel 2:5 Burgerlijk Wetboek) en die het aanmerken van een rechtspersoon en als zodanig strafrechtelijk vervolgen van die rechtspersoon (artikel 51 Wetboek van Strafrecht) mogelijk maken, zijn dan ook niet van toepassing. In het geval van Extinction Rebellion zullen voor het verhalen van schade en eventuele strafrechtelijke vervolging dus steeds de verantwoordelijke natuurlijke personen moeten worden geïdentificeerd.
Op welk moment kan een organisatie die structureel ertoe aanzet om wetten te overtreden, worden aangemerkt als een criminele organisatie en als zodanig worden vervolgd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Artikel 140 Wetboek van Strafrecht stelt de deelname aan een criminele organisatie strafbaar. Deze wetgeving is gericht op de bescherming van onze samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties. Om te kunnen worden aangemerkt als een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht moet het oogmerk van de organisatie gericht zijn op het plegen van misdrijven. De afweging of hier sprake van is, is uiteindelijk aan de rechter.
Deelt u de opvatting dat klimaatactivisten voor ontwrichtende acties niet anders behandeld zouden mogen worden dan anderen op grond van hun activistisch oogpunt?
Ja. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk opgetreden worden.
Overwegende dat het onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) is gefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ISN Academie, een onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland (ISN), de Nederlandse tak van Diyanet, het Turkse Presidium voor Godsdienstzaken, dat moskeeën beheert, imams opleidt en de politieke ideologie van de AKP-partij van president Recep Tayyip Erdogan uitdraagt, waarom is gekozen voor samenwerking met Diyanet? Graag een toelichting welke overwegingen en opvattingen daaraan ten grondslag liggen.1
In deze set Kamervragen worden vragen gesteld over twee onderzoeken. Het onderzoek van Regioplan en de Universiteit Utrecht is uitgevoerd naar aanleiding van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 20222 en het daaropvolgende amendement van het lid Van Baarle (DENK) van 13 oktober 2022, waarin is verzocht om een onafhankelijk nationaal onderzoek naar moslimdiscriminatie.3 Met dit onderzoek is de wens van uw Kamer uitgevoerd.
Het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) van 10 februari 2026 en het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Regioplan en de Universiteit Utrecht van 31 januari 2025.
KIS ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Een onderdeel van dat werkplan is de uitvoering van het zogenoemde KIS-portaal, waar vraagstukken uit de samenleving aangaande integratie en samenleven gesteld kunnen worden en door KIS worden onderzocht. Deze vragen kunnen leiden tot zogenaamde portaalprojecten.
Het portaalproject-onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is uitgevoerd naar aanleiding van vragen van vijf organisaties: ISN Academie, Stichting School & Veiligheid, SPIOR/K9, Collectief Jonge Moslims en Moslimstudenten Associatie Nederland. Eén van deze partijen heeft het onderzoek voor een deel mede gefinancierd, ISN Academie (zie ook vraag 5).
KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen. Bij navraag bij KIS naar de aard van de samenwerking met ISN Academie geeft KIS aan dat ISN Academie het onderzoek alleen mede gefinancierd heeft en geen inhoudelijke betrokkenheid heeft gehad bij het onderzoek. De uitvoering van het onderzoek lag bij KIS.
Na publicatie van het rapport is bekend geworden dat er een huwelijksverband bestaat tussen de hoofdonderzoeker van het onderzoek en de directeur van ISN Academie. Zoals ik uw Kamer reeds heb geïnformeerd, heb ik KIS gevraagd om een tweetal onderzoeken uit te laten voeren om dit goed uit te zoeken (een accountantsonderzoek en een onafhankelijke wetenschappelijke review) en waar nodig maatregelen te treffen.4
Volgens de wetenschapster Semiha Sözeri van de Universiteit Utrecht e.a. vormen de imams en de koranscholen van Diyanet een schild tegen wat als «assimilatiekrachten» in de Nederlandse samenleving wordt ervaren. Vindt u dat Diyanet in het licht van deze achtergrond een geschikte partner is om mee samen te werken in een onderzoek naar moslimdiscriminatie?
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In dit geval is die schijn wél ontstaan, en dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Het ministerie heeft dit in het verleden ook besproken ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken niet te schaden te en waarborgen. In deze context vind ik de samenwerking met ISN geen verstandige keuze. Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking met ISN is uitgesloten.
Het nieuwe kabinet werkt, zoals aangekondigd in de Voortgangsbrief van 2 maart 2026, aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners. Ik hoop uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk verder te kunnen informeren.
Overwegende dat de onderzoeken van Regioplan en de Universiteit Utrecht en van het Kennisplatform Inclusief Samenleven berusten op zeer bescheiden steekproeven (het gaat om respectievelijk 38 en 57 respondenten), en zijn aangevuld met een literatuurstudie, bent u van mening dat onderzoek met een dergelijke beperkte opzet de conclusie kan rechtvaardigen dat moslimdiscriminatie in Nederland een «structureel probleem» is? Zo ja waarom bent u die opvatting toegedaan?
Een oordeel over de robuustheid van een specifiek onderzoek laat ik graag aan de wetenschap.
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) heeft de 57 respondenten voor «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» deels geworven via een oproep op sociale media en deels gebruik gemaakt van personen die eerder meewerkten aan onderzoek van KIS; bent u van mening dat deze methode voldoende robuust is? Zo ja, waar baseert u dat op?
Zie antwoord vraag 3.
Wat heeft het ministerie uitgegeven aan beide onderzoeken? Meent u dat dit geld welbesteed is?
Voor het KIS onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is 40.000 euro subsidie van het Ministerie van SZW. De totale kosten van dat onderzoek bedroegen 45.000 euro.
Met betrekking tot het KIS onderzoek gaat het om, zoals bij antwoord 1 aangegeven, een portaalonderzoek welke KIS op basis van aanvraag van vijf maatschappelijke organisaties heeft uitgevoerd.
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Universiteit Utrecht en Regioplan (2025)5 kostte 302.500 euro en is gegund na een openbare aanbesteding volgens de richtlijnen van Europese aanbestedingen. Het kabinet heeft op 12 december 2025 opvolging gegeven aan dit onderzoek middels de Kabinetsreactie «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en versterking aanpak moslimdiscriminatie».6
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» is zoals bij antwoord 1 aangegeven uitgevoerd naar aanleiding van een verzoek van uw Kamer en het Nationale Programma tegen Discriminatie en Racisme 2022.
Bent u bekend met het werk van de Franse antropologe en kenner van de netwerken van de Moslimbroederschap in Europa Florence Bergeaud-Blackler, die erop wijst dat de klacht over islamofobie een cruciaal onderdeel is van een «soft power strategie» van islamistische lobbyisten? En dat deze lobbyisten steeds herhalen dat men slachtoffer is van haat en discriminatie omdat zij op die manier de kans denken te vergroten dat hun eisen voor bijvoorbeeld gebedsruimtes op scholen en hoofddoeken bij de politie worden ingewilligd? Bergeaud-Blackler waarschuwt autoriteiten om zich niet te laten lenen voor deze agenda. Wat vindt u van deze analyse?
De analyse waarnaar wordt gerefereerd raakt aan bredere zorgen over buitenlandse beïnvloeding, religieus geïnspireerde druk en organisaties die proberen invloed uit te oefenen op onze open samenleving. Die zorgen neem ik serieus.
Tegelijkertijd weten we dat discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie, in Nederland voorkomt en dat dit een reëel probleem is dat we moeten aanpakken. Om te zorgen dat iedereen, wat je achtergrond ook is, een eerlijke kans krijgt om mee te doen en aan het werk te gaan.
De publicatie van ‘Het 7 Oktober-effect’, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering, een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Er is in onze samenleving, en zeker ook op onze onderwijsinstellingen, geen plek voor antisemitisme. Ik vind het dan ook onacceptabel dat Joodse studenten en medewerkers antisemitisme ervaren en zich niet altijd veilig voelen op hun onderwijsinstelling. Ik blijf mij daarom samen met onderwijsinstellingen inzetten om antisemitisme te bestrijden en de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers te verbeteren.
Om na te gaan welke maatregelen mogelijk zijn om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op universiteiten en hogescholen te verbeteren heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding (hierna: Taskforce) ingesteld. Deze Taskforce heeft begin februari 2026 haar eindverslag gepubliceerd.2 Het kabinet zal uw Kamer in het voorjaar een beleidsreactie op dit eindverslag sturen en aangeven op welke wijze we antisemitisme op universiteiten en hogescholen bestrijden.
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes: de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?2
Ja, ik ben van mening dat onderwijsinstellingen zich continue inzetten om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers te verbeteren. Ook zetten zij zich dagelijks in om klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren. Het kabinet heeft eind 2024, grofweg gelijktijdig met publicatie van het door u aangehaalde onderzoek, de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme gepubliceerd.4 Als onderdeel van deze strategie is in juli 2025, in opdracht van het Ministerie van OCW, een verkenning naar de ervaringen van Joodse studenten en medewerkers met klacht- en meldvoorzieningen uitgevoerd, als onderdeel van een breed onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen.5 Uit het onderzoek blijkt dat (Joodse) studenten en medewerkers een gebrek aan opvolging bij klachten ervaren en dat zij bij ongelijke machtsverhoudingen afhoudend zijn bij het doen van meldingen over een docent of collega. De onderzoekers concluderen dat er soms beperkte kennis lijkt te zijn bij functionarissen van meld- en klachtvoorzieningen en andere medewerkers die met Joodse studenten werken over welke uitingen, specifiek voor Joden, als kwetsend of antisemitisch kunnen worden ervaren. Voor een uitgebreide reactie op dit onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen, verwijs ik u naar de Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger over sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen.6
Om, in lijn met de aanbevelingen uit de verkenning, de kennis over antisemitisme bij functionarissen en medewerkers van klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Ook hebben instellingen in reactie op de verkenning aangegeven, dat zij nagaan hoe de infrastructuur in den brede beter kan worden ingericht op kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, waaronder Joodse studenten en medewerkers.
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
Ik herken het beeld dat Joodse studenten en medewerkers zich niet (altijd) veilig voelen op de instelling en dat zij daar ernstige gevolgen van ondervinden. Zoals in mijn beantwoording van vraag 2 aangegeven heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding ingesteld, voor de duur van één jaar. De Taskforce heeft gewerkt aan voorstellen om de veiligheid van Joden te bevorderen, in het bijzonder de veiligheid van Joodse studenten op universiteiten, het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten en veiligheidsconsequenties van de sit-ins op ov-stations. De Taskforce heeft onlangs haar eindverslag opgeleverd.7
De Taskforce concludeert dat, ondanks inspanningen van instellingen, Joodse studenten en medewerkers (sociale) onveiligheid ervaren op onderwijsinstellingen. De Taskforce constateert daarbij ook dat Joodse studenten en medewerkers hier ernstige gevolgen van ondervinden, zoals het zich genoodzaakt voelen om de identiteit te verbergen, het mijden van de campus of het stoppen met de opleiding aan de instelling. Ik vind dit onacceptabel. Studenten en medewerkers moeten zich veilig weten op hun onderwijsinstelling.
Er wordt niet gemonitord hoe vaak studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen wegens (ervaren) antisemitisme of onveiligheid. Universiteiten en hogescholen registreren de geloofsovertuigingen van studenten en medewerkers niet. Het is daarom niet bekend hoe vaak en waarom Joodse studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen. Ik vind het van groot belang dat Joodse studenten en medewerkers zich veilig voelen op hun instelling. In de kabinetsreactie op het advies van de Taskforce zal ik hier nader op ingaan.
Het kabinet stuurt uw Kamer in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding.
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Zie antwoord vraag 4.
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Zie ook mijn antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Er worden, zowel door mij als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.8 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook zijn er gesprekken met de veiligheidsdiensten om effectief te kunnen handelen als protesten uit de hand lopen. Ik werk aan een handreiking voor vertrouwenspersonen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Daarnaast bespreek ik het onderwerp en alle lopende acties regelmatig met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en met Joodse studenten en medewerkers.
Zoals aangegeven ontvangt uw Kamer nog een uitgebreide kabinetsreactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding. In deze reactie gaat het kabinet ook in op de aanbevelingen uit het eindverslag.
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inspannen om de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers op de instelling te borgen. Ook zie ik dat er veel acties worden en zijn verricht op dit vlak (zie ook mijn antwoord op vraag9. Het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en geeft aan dat instellingen acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten10, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek.
De Taskforce geeft ook aan dat er nog verbeteringen mogelijk zijn en doet verschillende aanbevelingen. Zoals aangegeven in beantwoording op voorgaande vragen ontvangt u in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?3, 4, 5
Het spreekt voor zich dat ik het verheerlijken van en het uitspreken van steun aan terreurorganisaties van de hand wijs. Het is verder niet aan mij als Minister van OCW om uitspraken te doen over individuele casuïstiek. Instellingen hebben aangegeven dat zij altijd aangifte doen bij vermoedens van strafbare feiten, en zij studenten en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde docent?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving, ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen. Het is aan een instellingsbestuur om, als werkgever, zo nodig maatregelen te nemen richting haar medewerkers. Het is dan ook niet aan mij als Minister van OCW om het handelen van een instellingsbestuur in een van haar arbeidsrelaties te beoordelen. Ik vind dat in het onderwijs, onderzoek en bij verschillende activiteiten die op instellingen georganiseerd worden van docenten mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren ten aanzien van deze situatie?
Zie mijn antwoord op vraag 10. Daarbij heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.14 In deze brief gaat mijn ambtsvoorganger onder andere in op het gezamenlijk leren van instellingen in de vorm van kennisdeling tussen instellingen, wat bijdraagt aan een gedeelde kennispositie en harmonisering van advisering aan besturen. Daarbij geeft hij aan dat de managers Integrale Veiligheid van de universiteiten wekelijks bij elkaar komen om een gezamenlijk dreigingsbeeld te maken door onder andere de actuele situatie te bespreken en ervaringen, kennis en good practices uit te wisselen. De hogescholen delen kennis en ervaringen met name tussen instellingen die in hetzelfde geografische gebied liggen, tussen instellingen van vergelijkbaar karakter, tussen (vertrouwens)functionarissen en breder in het landelijke Platform Integrale Veiligheid en op bestuurlijk niveau. Zo wordt eenduidig en efficiënt omgegaan met de ontwikkelde kennis en ervaring.
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Zie mijn antwoord op vraag 13 voor een algemene toelichting.
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van zijn?
Wanneer de Inspectie van het Onderwijs na gedegen onderzoek in een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer maatregelen. Het geven van een aanwijzing is het ultimum remedium en dient daarom, net als de inhoud, proportioneel te zijn. Eerst moet worden geprobeerd om het doel van de aanwijzing met een minder zwaar middel te bereiken. In welke gevallen en op welk moment ik overga tot het geven van een aanwijzing moet ik per casus en binnen de context daarvan bezien.
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
De Taskforce Antisemitismebestrijding gaat in haar aanbevelingen ook in op de kennis over antisemitisme bij (vertrouwenspersonen van) instellingen. Zoals aangegeven zal het kabinet aan het eind van het voorjaar uitgebreid reageren op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Ik kan niet ingaan op de betrokkenheid en activiteiten van organisaties bij Nederlandse universiteiten en hogescholen. Deze bevoegdheid ligt bij de lokale driehoek, zijnde de burgemeester, de politie en het Openbaar Ministerie. Het is niet aan mij als Minister van OCW om in deze bevoegdheid te treden.
Het artikel 'Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen' |
|
Diederik Boomsma (CDA), Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen»?1
Ja.
Kunt u het beschreven risico op massale ontsnappingen door oplopende gevechten bevestigen?
In januari hebben er gevechten plaatsgevonden in Noordoost-Syrië tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF). In deze regio bevinden zich ook de opvangkampen en detentiecentra waar aan ISIS-gelieerde personen zich bevinden. Het is inmiddels bekend dat aan ISIS-gelieerde personen zijn ontsnapt; een deel zou in de tussentijd ook weer zijn aangehouden door de veiligheidsdiensten van de Syrische overgangsregering, met ondersteuning vanuit de Verenigde Staten. Het is nog niet bevestigd of hier personen met een Nederlandse link onderdeel van uitmaken. Sinds 30 januari geldt een permanent staakt-het-vuren tussen de Syrische overgangsregering en de SDF. Op dit moment zijn er geen indicaties dat vrouwelijke uitreizigers met een Nederlandse link en hun kinderen, die in de kampen verbleven, zich op dit moment buiten de door de Syrische overgangsregering beveiligde kampen bevinden.
Heeft de Nederlandse overheid zicht op hoeveel Nederlandse jihadisten, veroordeelden en geradicaliseerde familieleden zich daar momenteel nog bevinden?
De situatie in Syrië is erg veranderlijk en de ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Dit maakt snelle informatievoorziening en een accuraat beeld van de ontwikkelingen in Syrië moeilijk. Desalniettemin staan de betrokken nationale en internationale partners goed met elkaar in contact en houden zij de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten om een zo compleet mogelijk beeld te vormen. Dit is de afgelopen tijd gebeurd. Zo is uw Kamer op 19 februari jl. geïnformeerd over de aanwezigheid van mannelijke uitreizigers met een Nederlandse link in Irak.2 Voor de meest recente en openbare aantallen uitreizigers, verwijs ik uw Kamer het recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.3
Acht u het scenario reëel dat ontsnapte Nederlandse IS-strijders opnieuw proberen Europa of Nederland te bereiken, en welke concrete maatregelen zijn getroffen om dit te voorkomen?
Dat is inderdaad een scenario waarmee rekening wordt gehouden. Om onopgemerkte terugkeer te voorkomen zijn verschillende maatregelen getroffen. Het openbaar ministerie heeft waar opportuun tegen alle onderkende uitreizigers met een Nederlandse link een strafrechtelijk onderzoek lopen. Daarnaast is ten aanzien van alle onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daar waar mogelijk is het Nederlanderschap ingetrokken en zijn deze personen ongewenst verklaard. Ook zijn de reisdocumenten van uitreizigers waar mogelijk ongeldig verklaard en staan deze personen gesignaleerd. Alle betrokken veiligheidspartners zijn alert en wordt voortdurend onderzocht waar en op welke wijze eventuele aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.
Kunt u met klem verzekeren dat Nederland op geen enkele wijze actie onderneemt om mannelijke IS-terroristen naar Nederland te halen?
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat berechting van uitreizigers en de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen in de regio moet plaatsvinden. Conform dit standpunt is er intensief contact tussen onder andere het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Iraakse autoriteiten om hierover – binnen de (internationale) wettelijke vereisten – afspraken te maken. Er zijn op dit moment geen voornemens om uitreizigers met een Nederlandse link terug te halen. Indien sprake is van verzoeken tot repatriëring zal het kabinet in iedere casus alle omstandigheden en factoren wegen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de nationale veiligheid. In algemene zin geldt dat mannelijke uitreizigers, ten opzichte van vrouwelijke uitreizigers, een grotere potentiële geweldsdreiging vormen vanwege hun veelal grotere rol in de strijd en gevechtstraining en -ervaring. Dit maakt vanzelfsprekend onderdeel uit van besluitvorming over repatriëring. Deze afwegingen hebben er tot op heden toe geleid dat, in het kader van strafzaken tegen vrouwelijke uitreizigers, alleen vrouwelijke uitreizigers en hun kinderen zijn gerepatrieerd.
In hoeverre wordt actief ingezet op het intrekken van het Nederlanderschap bij jihadisten met een dubbele nationaliteit, en waarom gebeurt dit niet structureel?
Ja, dit kabinet hanteert als uitgangspunt dat mensen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie hun recht op het Nederlanderschap hebben verspeeld. Om die reden is het Nederlanderschap, daar waar mogelijk, van hen afgenomen en zijn zij ongewenst verklaard. Het kabinet zet hier ook in de toekomst onverminderd op in.
Op grond van artikel 14, lid 4 RWN kan het Nederlanderschap worden ingetrokken bij personen die ouder zijn dan 18 jaar, die zich nog in het buitenland bevinden en als uit hun gedragingen is gebleken dat zij zich – na 11 maart 2017 – hebben aangesloten bij een terroristische organisatie die een dreiging vormt voor de nationale veiligheid. In deze gevallen wordt de betreffende persoon tevens ongewenst verklaard op grond van de Vreemdelingenwet en gesignaleerd in SIS III, waardoor legale terugkeer naar Nederland niet mogelijk is.4
Ten aanzien van het intrekken van de Nederlandse nationaliteit geldt dat op verschillende momenten alle dossiers van onderkende uitreizigers zijn doorlopen om te bezien of het Nederlanderschap ingetrokken kon worden op grond van artikel 14, lid 4 RWN. Bij de personen waar dit mogelijk is gebleken is het Nederlanderschap ingetrokken. Gevallen die eerder niet in aanmerking kwamen voor intrekking, kunnen in de toekomst mogelijk wel hiervoor in aanmerking komen als nieuwe informatie beschikbaar komt waarmee aan de juridische voorwaarden wordt voldaan. De betrokken organisaties blijven alert op eventuele nieuwe informatie waardoor intrekking alsnog tot de mogelijkheden kan behoren. Dit heeft in 2024 alsnog geleid tot een intrekking van het Nederlanderschap.5
Bent u bereid als uitgangspunt te hanteren dat personen die zich vrijwillig hebben aangesloten bij IS hun recht op terugkeer naar Nederland hebben verspeeld, en het beleid hier expliciet op aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 6.
De organisatie van chanoekaconcerten en andere concerten met een joods karakter in het Concertgebouw |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Foort van Oosten (VVD), Becking , Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanvankelijke beslissing van het Concertgebouw in Amsterdam om het jaarlijkse chanoekaconcert van de Stichting Chanukah Concert te cancelen vanwege de aanwezigheid van een zanger uit Israël, omdat hij ook cantor is voor en optreedt bij bijeenkomsten van het Israëlische leger?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het zogenaamde compromis op grond waarvan, naast een eerder programma, het concert met de betreffende cantor alleen in beslotenheid werd gehouden? Hoe beoordeelt u dat het daarmee niet mogelijk is voor niet-genodigden om dit chanoekaconcert bij te wonen?
Ja, wij zijn bekend met het compromis, en dat de viering in een andere vorm doorgang heeft kunnen vinden. Er is uitgebreid overleg gevoerd tussen de partijen. Wij staan positief tegenover het feit dat het is gelukt om tot een oplossing te komen die voor de verschillende betrokken partijen acceptabel is.
Kent u andere voorbeelden van culturele instellingen en zaalverhuurders waarbij de (subsidie-ontvangende) organisatie eist dat individuele artiesten of musici van een groep worden vervangen wegens andere optredens, functies of werkzaamheden in het land van herkomst? Zo ja, welke? Graag een toelichting.
Wij kennen geen vergelijkbare casus waarbij een organisatie verzoekt een individuele artiest te vervangen. Wel zijn er door sommige instellingen keuzes gemaakt om voorstellingen te vervangen die niet aansluiten bij de profilering van de betreffende instelling.
Heeft u kennisgenomen van de manier waarop het chanoekaconcert op 14 december 2025 bij het Concertgebouw heeft plaatsgevonden en dat daarbij rookbommen zijn gegooid en «leve Hamas» werd geroepen?
Ja.
Heeft u gezien dat bij de ingang van het Concertgebouw een bord omhoog werd gehouden met de tekst die de pogrom van 7 oktober 2023 verheerlijkte? Kunt u aangeven wanneer de politie kan optreden tegen het verheerlijken van recente moord- en martelpraktijken en wanneer dergelijke teksten als intimidatie en opruiing kunnen worden bestempeld? Graag een toelichting.
In het wetboek van Strafrecht zijn verschillende uitingsdelicten opgenomen, zoals strafbare vormen van persoonlijke belediging (zie de artikelen 261, 262 en 266 Sr), bedreiging (artikel 285 Sr), groepsbelediging (artikel 137c Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen een groep mensen (artikel 137d Sr) en opruiing (artikel 131 Sr). Het in het openbaar tonen van een bepaald symbool, tekst of afbeelding of het roepen van leuzen kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een uitingsdelict opleveren. Daarvoor is vereist dat de wettelijke bestanddelen van het desbetreffende uitingsdelict zijn vervuld. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht niet zodanig specifiek zijn dat bijvoorbeeld het roepen van leus X of het tonen van symbool Y telkens afzonderlijk strafbaar is gesteld. Ter verzekering van een breed toepassingsbereik zijn de uitingsdelicten vrij algemeen omschreven.
Onder opruiing (artikel 131 Sr) wordt verstaan het aanzetten tot een strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Intimidatie is niet zelfstandig strafbaar gesteld, maar kan afhankelijk van de feiten en omstandigheden een uitingsdelict opleveren. Bijvoorbeeld wanneer de uiting kwalificeert als zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen vanwege wegens hun ras/hun godsdienst/hun levensovertuiging/hun seksuele gerichtheid/hun handicap (artikel 137c Sr). Het wetsvoorstel om verheerlijking van terrorisme strafbaar te stellen ligt op dit moment bij de Raad van State.
De politie en het Openbaar Ministerie (OM) zijn verantwoordelijk voor het ingrijpen bij mogelijke strafbare uitingen tijdens een demonstratie. Of er (direct) ingegrepen kan worden om strafbare feiten te beëindigen, hangt af van de context waarbinnen overtredingen of strafbare feiten plaatsvinden.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat met de andere organisator van een jaarlijks chanoekaconcert in het Concertgebouw (dat jaarlijks plaatsvond in de grote zaal en een van de grootste joodse culturele evenementen in Europa was), The Jewish Amsterdam Chamber Ensemble, het huurcontract al eerder niet was verlengd voor 2025 en dat dit concert daarom dit jaar ook al niet zoals de afgelopen jaren kan doorgaan in het concertgebouw?
De Chanukah-concerten in Het Concertgebouw worden alternerend georganiseerd door de Stichting Chanukah Concerts en door de Stichting Jewish Music Concerts. De Stichting Jewish Music Concerts (organisator van het concert van The Jewish Amsterdam Chamber Ensemble) heeft de Chanukah-vieringen georganiseerd in 2022 en 2024. In 2025 werd de viering door de Stichting Chanukah Concerts georganiseerd.
Hoe beoordeelt u de beslissing van het Concertgebouw om deze concerten te weren, mede in het licht van de vele andere joodse evenementen die worden gecanceld en geweerd, en bijvoorbeeld het feit dat joodse organisaties moeite ondervinden om zalen te huren voor bijeenkomsten?
Voorop staat dat het onacceptabel is als een concert geen doorgang kan vinden wegens een Joods thema of Joodse achtergrond van een organisatie. Culturele instellingen gaan wel zelf over de programmering. Wij zien ook dat de spanningen in de samenleving voor instellingen lastig te hanteren zijn. Om die reden is in het kader van de «strategie bestrijding antisemitisme» een subsidieverzoek ingewilligd van Kunsten«92 in samenwerking met het Verwey-Jonker instituut om de culturele en creatieve sector handvatten te bieden voor het omgaan met maatschappelijke spanningen en polarisatie. Deze is 20 januari 2026 gepubliceerd. Zoals blijkt uit dit rapport, hangt een besluit om iets wel of niet te programmeren naast de kernwaarden in de praktijk ook af van de risico’s op onveiligheid voor medewerkers, bezoekers en artiest/maker/kunstenaar; en mogelijke schade aan materialen en gebouwen. Daarmee heeft dit probleem ook een financieel component (i.e. beveiligingskosten).
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het personeel van het Concertgebouw vorig jaar bij het lustrumconcert heeft gedreigd om niet te werken om zo tot afblazen van dat concert te dwingen en dat de directie bovendien zou hebben geëist dat er geen Israëlische vlaggen zouden worden getoond en dat daarna de samenwerking is stopgezet? Hoe beoordeelt u dat?
Ja, het geplande concert heeft tot ophef onder het personeel geleid. Hoe daarmee wordt omgegaan is aan de organisatie. Wel is het onacceptabel als een concert geen doorgang kan vinden wegens een Joods thema of Joodse achtergrond van een organisatie. Het is daarom goed dat het lustrumconcert door is gegaan.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het Concertgebouw een optreden van het Jerusalem String Quartet in mei vorig jaar aanvankelijk had geannuleerd, na hetze kritiek van de pro-Palestijnse pressiegroepen, omdat men aangaf te vrezen voor demonstraties en de veiligheid, maar zonder dat hierover eerst contact of overleg was gezocht met de Amsterdamse driehoek om die veiligheidssituatie te verbeteren?
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zo een patroon is ontstaan waarbij joodse en/of Israëlische evenementen worden ontmoedigd, afgeblazen en/of geweerd in het Concertgebouw of alleen mogelijk zijn onder druk van allerlei concessies op de inhoud, en ook op veel andere locaties? Welke stappen wilt u zetten om daar een einde aan te maken om ervoor te zorgen dat joodse en/of Israëlische evenementen gewoon veilig en ongestoord kunnen doorgaan?
Ja. Een van de maatregelen in de Strategie Bestrijding Antisemitisme is het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen. Het primaire doel hiervan is dat Joods leven gewoon door moet kunnen gaan in Nederland en dat daarom middelen beschikbaar zijn voor veiligheidsinspanningen die helaas nodig zijn om dit mogelijk te maken. De organisator van het Chanoekaconcert heeft hier in 2025 gebruik gemaakt.
Deelt u de mening dat, wanneer concertzalen of andere podia vrezen voor intimidatie en onveiligheid wanneer daar Joden en/of Israëli’s optreden, het cruciaal is dat men daar niet voor buigt maar juist extra moet inzetten op het laten doorgaan ervan, en dat de overheid dan indien nodig aanvullende maatregelen treft? En zo ja, welke stappen heeft de regering gezet om dat te bewerkstelligen en te laten landen en wat doet de regering om ervoor te zorgen dat die veiligheid dan wordt geboden?
Ja, wij verwachten dat concertzalen of andere podia zich tot het uiterste inspannen om doorgang te geven aan culturele uitingen. De primaire verantwoordelijkheid voor een ordentelijk en veilig verloop van een bijeenkomst ligt bij de organisator en/of accommodatie. Dat geldt ook voor de mogelijke onveiligheid van betrokken personen (publiek, artiesten, personeel, enzovoorts). De burgemeester kan aanvullende maatregelen nemen als de aard en de omvang van de dreiging dermate is dat de organisatie en/of accommodatie hier zelf geen weerstand (meer) tegen kunnen bieden. De burgemeester is namelijk verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid, waar hij in de driehoek samen optrekt met het OM en de politie. Inspanningen van het kabinet zijn erop gericht het lokaal bestuur zo effectief en efficiënt als mogelijk in staat te stellen de lokale veiligheid te vergroten. Binnen dit systeem zijn al extra maatregelen mogelijk, bijvoorbeeld bewaking van instellingen door politie of KMAR wanneer er concrete informatie over onveiligheid is. In het kader van maatregelen verwijzen wij u ook naar het antwoord van vraag 10.
Hoe beoordeelt en hoe betitelt u het wanneer joodse of Israëlische organisaties of evenementen volgens andere standaarden lijken te worden beoordeeld dan andere groepen of nationaliteiten?
Het anders beoordelen op basis van achtergrond of religie van personen, organisaties of evenementen is ontoelaatbaar in een democratische rechtsstaat zoals Nederland dat is. Het is dan ook onacceptabel als een concert, voorstelling of culturele activiteit geen doorgang vindt wegens een Joods thema of Joodse achtergrond van een artiest.
Welke wetten, verordeningen en regelingen, enerzijds in algemene zin, en anderszins in het kader van de subsidies die worden verstrekt vanuit het Rijk, zien op de vraag wanneer een (culturele) instelling mag weigeren om een zaal te verhuren aan bepaalde organisaties of personen vanwege hun achtergrond of positie, en op welke gronden?
Als algemene wet- en regelgeving die op deze vraag van toepassing zijn gelden de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het Wetboek van Strafrecht en de Grondwet. Als specifieke wetgeving voor de culturele instellingen die door OCW worden bekostigd gelden in casu de Wet, het besluit en de Regeling op het specifiek cultuurbeleid (hierna: Wsc, Bsc en Rsc) dan wel de Erfgoedwet en Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen (hierna: Rbr).
Hieruit vloeit voort dat het instellingen vrij staat om te bepalen aan wie zij hun zalen verhuren, tenzij daar specifieke verplichtingen over zijn opgenomen in de subsidieregelingen, dan wel in de verleningsbeschikkingen. Ook geldt dat instellingen niet in strijd met het wetboek van Strafrecht mogen handelen. Dit betekent dat zij bijvoorbeeld niet mogen discrimineren.
In de Wsc, Bsc, Rsc, noch in de Erfgoedwet en de Rbr zijn specifieke regels opgenomen over aan wie culturele instellingen hun zalen mogen verhuren. Ook in de subsidiebeschikkingen voor de culturele instellingen is hierover niets opgenomen.
Tijdens het wetgevingsoverleg van de OCW-begroting, onderdeel Cultuur van 19 januari 2026 is door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap toegezegd dat een verkenning wordt uitgevoerd naar het niet mogen uitsluiten van landen in de subsidievoorwaarden en de mogelijkheid van het korten van subsidie in het geval een land geboycot wordt. De Kamer ontvangt hierover in mei een brief.
In welke gevallen is het in strijd met voorwaarden voor subsidieverstrekking wanneer organisaties weigeren een zaal te verhuren of ruimte te bieden aan een optreden, vanwege de nationaliteit of afkomst van de betreffende personen of organisaties, dan wel vanwege criteria die voor personen met de desbetreffende nationaliteit zeer moeilijk te vermijden of voorkomen zijn? Graag een toelichting.
Wanneer de redenen tot het weigeren om een zaal te verhuren, dan wel de redenen om te weigeren om een ruimte te bieden aan een optreden als strafbare discriminatie zijn aan te merken, dan is ook sprake van strijd met de voorwaarden en verplichtingen waaronder subsidie wordt verleend. Een impliciete voorwaarde is immers dat subsidie-activiteiten niet in strijd met de wet mogen zijn. Er moet dan wel echt sprake zijn van een feit dat strafbaar is onder het Wetboek van strafrecht. Dit is aan het OM en de rechter om te bepalen, niet aan een Minister.
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving waaruit blijkt dat journalisten tijdens de pro-Palestijnse demonstraties rond het chanoekaconcert in Amsterdam zijn belaagd, bedreigd en in hun werkzaamheden zijn belemmerd?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat journalisten op de openbare weg door de politie zijn weggestuurd terwijl zij werden bedreigd en geïntimideerd door demonstranten?
Vindt u het acceptabel dat agenten ervoor kozen om niet op te treden tegen personen die journalisten met geweld en de dood bedreigden, maar wél ingrepen richting de pers?
Hoe beoordeelt u het innemen van een politieperskaart bij een journalist die doelwit was van intimidatie en deelt u de opvatting dat hiermee feitelijk de verkeerde partij werd gesanctioneerd?
Wat zegt het volgens u over de staat van persvrijheid wanneer journalisten moeten wijken «om escalatie te voorkomen» terwijl extremistische demonstranten hun gang kunnen gaan?
Vindt u dat de politie in deze gevallen haar beschermende taak jegens journalisten voldoende heeft ingevuld? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dat oordeel?
Wij achten het van groot belang dat journalisten ook tijdens demonstraties hun werk op een goede en veilige manier kunnen doen. Politie heeft, onder verantwoordelijkheid van het lokaal gezag, een belangrijke rol bij het in goede banen leiden van demonstraties en het waarborgen van de veiligheid van alle aanwezigen, zo ook die van journalisten. In zijn algemeenheid helpt het hierbij als de journalisten hun aanwezigheid bij de demonstratie waar mogelijk vooraf kenbaar maken aan de politie, bijvoorbeeld door het dragen van een geldige Politieperskaart.
Wij vertrouwen hierbij op de deskundigheid van de politie. Wanneer een journalist toch te maken krijgt met agressie of geweld, dan kan er altijd aangifte worden gedaan.
Hoe kijkt u aan tegen het argument van «de-escalatie» wanneer dit er in de praktijk toe leidt dat strafbare feiten tegen journalisten onbestraft blijven?
Afwegingen over de politie-inzet rondom demonstraties worden gemaakt in afstemming met het bevoegd gezag op basis van kennis van de lokale omstandigheden. Het klopt inderdaad dat hierbij dialoog en de-escalatie het uitgangspunt is.
In gevallen waarbij de openbare orde ernstig wordt verstoord of dreigt te worden verstoord, kan de politie overgaan tot beperking van de journalistieke bewegingsvrijheid op een bepaalde plaats. Bijvoorbeeld om de veiligheid van journalisten te kunnen waarborgen. Vanzelfsprekend is de politie terughoudend bij het beperken of aanhouden van journalisten.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat journalisten, joodse organisaties en instellingen niet langer het zwijgen wordt opgelegd door intimidatie en geweld?
Bent u bereid het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten, waaronder strafrechtelijke vervolging, gebiedsverboden en bestuurlijke maatregelen, om deze vormen van intimidatie, vernieling en chantage effectief te bestrijden?
De nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat in de nacht van vrijdag 12 tot zaterdag 13 december vernielingen zijn aangebracht aan drie monumentale panden van de Universiteit van Utrecht, die met rode verf zijn besmeurd?
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat extremisten deze actie op instagram hebben opgeëist door «Palestine Action» en daarbij hebben gedreigd dat de universiteit banden met Israëlische universiteiten moet verbreken of de daders nog veel meer schade gaan veroorzaken («or we will be back and double the damage»)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de universiteit Utrecht op deze manier wordt gechanteerd en wat gaat u doen om Nederlandse universiteiten beter te vrijwaren van dergelijke antidemocratische, extremistische en antisemitische agressie?
Het spreekt voor zich dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) en ik iedere vorm van agressie en geweld of dreiging daarmee van de hand wijzen. Instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting als de veiligheid op de campus te waarborgen. Daarnaast hebben zij in hun Richtlijn protesten universiteiten en hogescholen2 aangegeven het recht om te demonstreren te ondersteunen. Ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen.
Er worden verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Ik heb uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practiceste delen. Ook werkt de Taskforce Antisemitismebestrijding momenteel aan gerichte voorstellen om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. De Taskforce zal dit advies in februari publiceren. Naar aanleiding van dit advies ga ik na of er extra maatregelen nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten te borgen.
Indien sprake is van strafbare feiten zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM) verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging daarvan.
Bent u het eens met de stelling dat universiteiten of andere organisaties onder geen enkele voorwaarde mogen buigen of toegeven aan dergelijke dreigementen?
Het is van groot belang dat instellingen altijd de vrijheid voelen om zelfstandig en weloverwogen de afweging te maken met welke instellingen of organisaties, zowel nationaal als internationaal, zij willen samenwerken of zij de samenwerking willen beëindigen. Dit kan zijn om verschillende redenen en gebaseerd op verschillende criteria, maar altijd in lijn met wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat op sociale media dergelijke dreigementen worden geuit in een poging om de universiteit te chanteren en vindt u dat deze oproepen dienen te worden verwijderd? Graag een toelichting.
Indien er sprake is van bedreiging is dat nooit acceptabel. Als het gaat om strafbare bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) kan dat gemeld worden bij het betreffende online platform om deze te laten verwijderen. Online platformen, zoals social media kanalen, dienen zich te houden aan de Digitaledienstenverordening (DSA). Zo verduidelijkt deze verordening in artikel 16, derde lid, dat een melding van illegale inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moeten zij onmiddellijk handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan kunnen ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Daarnaast kan de officier van justitie op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Dezelfde organisatie, Palestine Action, die nu dreigt met meer vernielingen, heeft eerder vernielingen geclaimd en in het verleden opgeroepen om de terroristen en moordenaars van 7 oktober te eren; welke stappen worden tegen deze organisatie ondernomen?
Zoals de Minister van JenV eerder aan uw Kamer communiceerde naar aanleiding van schriftelijke vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP)4, biedt het demonstratierecht onder geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties om de wet te overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten. Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van geweld en het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van demonstraties en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen, is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan de Minister van JenV of aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Bent u het eens met de stelling dat het dringend noodzakelijk is om alles op alles te zetten om een einde te maken aan de vernielingen, intimidatie en chantage van pro-Palestijnse extremisten, en dus om het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten van politie en justitie om de daders op te sporen, te vervolgen en zwaar te bestraffen? Graag een toelichting.
Binnen onze democratische rechtsstaat is het een groot goed dat eenieder de vrijheid heeft en voelt om zijn mening te laten horen, ook door middel van een demonstratie of protest. Dit grondrecht is echter niet onbegrensd. Waar strafbare feiten worden gepleegd, vormt het strafrecht een duidelijke grens. Het plegen van misdrijven, zoals bedreiging, geweld en openlijke geweldpleging heeft niks te maken met het recht om te demonstreren en hiervoor vindt in beginsel strafvervolging plaats. Opsporing en vervolging van dit soort misdrijven vindt plaats onder het gezag van het OM. Het is aan de opsporingsdiensten hoe in concrete gevallen middelen en capaciteit worden ingezet – daar hebben zowel de Minister van JenV als ik zich niet in te mengen. Aangerichte schade wordt zo mogelijk verhaald op de dader(s); hierover heeft de Minister van JenV eerder richting uw Kamer gecommuniceerd.5
Bent u het eens met de stelling dat vervolging van de daders een zeer hoge prioriteit verdient en op welke manier wordt deze prioriteit opgepakt door de bevoegde instanties? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Eerder werd het Paleis op de Dam eveneens door tuig met rode verf besmeurd, en op dat gebouw staan meerdere camera’s gericht; zijn deze beelden uitgelezen? Hoe loopt het onderzoek naar de daders? Hoe loopt het onderzoek naar de bekladding met rode verf van het Koninklijk Instituut voor de Tropen?
Naar beide incidenten is onderzoek gedaan. Uit die onderzoeken zijn geen mogelijke verdachten naar voren gekomen. Om die reden zijn de onderzoeken beëindigd.
Bent u het eens met de stelling dat inmiddels een patroon is ontstaan van bekladding en vernieling door pro-Palestina extremisten van monumentale panden? Kunt u een overzicht geven van dergelijke vernielingen en bekladdingen door pro-Palestijnse activisten sinds 7 oktober 2023, met een schatting van de schade?
Een dergelijk overzicht is niet te genereren. De registratie door politie en OM van enkel strafbare feiten, maakt het niet mogelijk deze te koppelen aan specifieke acties en/of organisaties.
Hoeveel pro-Palestijnse activisten zijn opgenomen in een persoonsgerichte anti-radicaliseringsaanpak?
In de lokale persoonsgerichte aanpak tegen radicalisering worden personen besproken die een (potentieel) gevaar vormen voor de (nationale) veiligheid, doordat zij vanuit hun ideologische overtuigingen (indirect) geweld legitimeren of de bereidheid hebben om activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen. Activisme valt niet onder de reikwijdte van de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Het besluit over het al dan niet opnemen van een persoon in de persoonsgerichte aanpak radicalisering ligt bij de lokale weegploeg. Deze bestaat uit de betreffende gemeente, politie en het OM. In artikel 5, derde lid, van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten is opgenomen, dat de weging plaatsvindt aan de hand van objectieve criteria, die luiden: de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te propageren, de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische denkbeelden, zijn/haar sociale relaties, de mate van identificatie met een extremistische groep of ideologie en zijn/haar zelfredzaamheid. Aangezien de weging lokaal wordt uitgevoerd, zijn de ideologische motieven van personen die zijn opgenomen in de aanpak enkel op lokaal niveau bekend.
Bent u van mening dat het zaak is om universiteiten extra ondersteuning te bieden om hun gebouwen te beveiligen zolang extremistische clubs dreigen met vernieling en deze ook ten uitvoer brengen? Welke stappen zet u om hier een einde aan te maken?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid op hun instelling. Zij spannen zich dagelijks in om een gedegen invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid. Om instellingen te ondersteunen in de belangrijke verantwoordelijkheid die zij hebben, ga ik met de instellingen aan de slag met de evaluatie van het subsidieprogramma «Integrale Veiligheid» 2016–2023. Het onderzoek besteedt enerzijds aandacht aan de wijze waarop instellingen hun veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek zich nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en de rol van uniformering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid op de instellingen. Dit onderzoek zal inventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma in de instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen worden. Momenteel ben ik in gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van dit onderzoek. Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Ik hecht er aan om, zoals ook vermeld in mijn Kamerbrief d.d. 18 december6, ook hier te benadrukken dat ik het belangrijk vind dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, waar mogelijk, lokaal wordt genomen. Instellingen werken nauw samen met de politie en lokale driehoek. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Hierover kan ik uw Kamer melden dat de hogeronderwijsinstellingen op initiatief van Universiteiten van Nederland (UNL) met de politie momenteel procesafspraken maken over hun onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn onderdeel van de inspanningen die instellingen en politie verrichten om de demonstraties op campussen in goede banen te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen.
Het over de Nederlandse grens zetten van onderschepte personen bij grenscontroles door de Duitse autoriteiten. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving over het over de Nederlandse grens zetten van personen door de Duitse autoriteiten?1, 2, 3
Ja.
Hoe zien de bilaterale afspraken tussen Nederland en Duitsland, waar in het artikel van De Gelderlander naar wordt verwezen, eruit en in hoeverre hebben deze betrekking op de zogeheten «koude» overdrachten?
Een overdracht kan plaatsvinden middels een «warme overdracht», waarbij een persoon fysiek wordt overgedragen door de autoriteit van het ene land aan de autoriteit van het andere land, of een «koude overdracht», waarbij deze fysieke overdracht niet plaatsvindt.
Overdrachten van Nederland aan Duitsland en vice versa in het kader van grenstoezicht vinden al jaren op basis van bilaterale afspraken plaats. Deze afspraken zijn van toepassing op zowel «warme» als «koude» overdrachten. Dit is dus niet iets dat met de herinvoering van binnengrenscontroles is gestart.
Wanneer een vreemdeling «warm» wordt overgedragen van Duitsland aan Nederland of vice versa, vindt contact plaats tussen de Duitse en Nederlandse grensautoriteiten over de operationele vormgeving van deze overdracht, waaronder tijd en locatie. Ook bij «koude» overdrachten is er altijd contact.
Het is niet altijd mogelijk om een door Duitsland geweigerde vreemdeling via een «warme» overdracht over te nemen. Bij de keuze of overdrachten «warm» of «koud» gebeuren, wordt rekening gehouden met specifieke doelgroepen, zoals kwetsbare personen. In deze gevallen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In andere gevallen zit deze zorg met name in het faciliteren van de door- of terugreis. In alle gevallen wordt rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen.
Deze overdrachten vinden plaats langs de gehele landsgrens tussen Nederland en Duitsland. Gemeenten waarin deze overdrachten plaatsvinden worden hier niet per geval van op de hoogte gesteld.
Houden deze bilaterale afspraken in dat de handelwijze van beide landen in de praktijk precies hetzelfde is? Zo nee, hoe wijken deze af?
De bilaterale afspraken schrijven een identieke handelwijze voor zowel Nederland als Duitsland voor.
Hoe verhoudt zowel het aantal «warme» als «koude» overdrachten van Duitsland naar Nederland sinds de invoering van de Duitse grenscontroles zich tot het aantal overdrachten vóór invoering van de grenscontroles? Kunt u de overdrachten sinds invoering van de grenscontroles specificeren naar de periode voor en na de aangescherpte Duitse controles in mei?
De Koninklijke Marechaussee (KMar) registreert niet of door Duitsland geweigerde personen worden overgedragen middels een «warme» overdracht of een «koude» overdracht. Sinds de herinvoering van de binnengrenscontroles door Duitsland is het aantal grensweigeringen en overdrachten van Duitsland naar Nederland gestegen, omdat Duitsland relatief veel capaciteit inzet voor binnengrenscontroles.
Hoe is überhaupt zeker of de personen die door de Duitse politie over de Nederlandse grens worden gezet ook daadwerkelijk onderschept zijn toen zij vanuit Nederland de Duitse grens wilden oversteken? Hoe kan dit door Nederland worden geverifieerd, zeker in het geval van «koude» overdrachten?
De KMar staat dagelijks in contact met de Bundespolizei over overdrachten van in het kader van grenstoezicht geweigerde vreemdelingen. Ook bij «koude» overdrachten van Duitsland aan Nederland wordt er door de Bundespolizei altijd contact opgenomen met de KMar.
Wat is er te zeggen over de achtergronden van de betrokken personen? Om welke nationaliteiten gaat het hierbij doorgaans en wat is er bekend over de route die zij hebben afgelegd voordat ze – indien dit inderdaad het geval is – vanuit Nederland de Duitse grens poogden over te steken?
Duitsland weigert personen aan de binnengrenzen die niet voldoen aan de toegangsvoorwaarden van artikel 6 van de Schengengrenscode. Wanneer een persoon vanuit Nederland Duitsland probeert in te reizen en niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, dan wordt deze persoon in regel door Duitsland aan de grens wordt geweigerd en overgedragen aan Nederland. Uit Duitse jurisprudentie lijkt naar voren te komen dat Duitsland daarnaast mensen aan de grens weigert die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoen en zich beroepen op internationale bescherming. De KMar registreert geen gegevens over de nationaliteit van door Duitsland geweigerde personen.
Kunt u aangeven welke personen met welke status, achtergrond, papieren en fase van het asielproces precies door de Duitse overheid worden teruggestuurd naar Nederland en welke niet? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Welke informatie heeft de Duitse grenscontroles opgeleverd over mensensmokkel en in hoeverre wordt deze gedeeld met de Nederlandse politie en het Openbaar Ministerie en betrokken bij de bestrijding en vervolging ervan?
Bij binnengrenscontroles hebben aanhoudingen plaatsgevonden in het kader van migratiecriminaliteit, zoals documentfraude en mensensmokkel. Nederland en Duitsland werken nauw samen om mensensmokkel en andere vormen van grensoverschrijdende criminaliteit tegen te gaan. Hiertoe voeren Nederland (KMar en Nationale Politie) en Duitsland (Bundespolizei en Landespolizei) middels Grensoverschrijdende Politieteams gezamenlijk patrouilles uit. De informatie die hierbij ontsloten wordt, wordt waar mogelijk met de betrokken organisaties gedeeld.
Hoeveel en welke incidenten met personen die door de Duitse politie in Nederlandse (grens)gemeenten zijn afgezet zijn u over de afgelopen twee jaar bekend? Wat was de aard van deze incidenten en hoe is hierop geacteerd?
Het ministerie is bekend met situaties waarbij personen die door Duitsland worden overgedragen aan Nederland onvoldoende worden gefaciliteerd bij hun door- of terugreis en hierdoor niet spoedig kunnen verder reizen. Er is periodiek contact tussen het Ministerie van Asiel en Migratie, de KMar en bestuurders uit de grensregio’s over de gevolgen van binnengrenscontroles voor de grensregio’s. Signalen vanuit de grensregio’s worden zeer serieus genomen. Na recente berichtgeving over overdrachten van door Duitsland geweigerde vreemdelingen is hierover contact geweest tussen het ministerie en bestuurders uit de grensregio’s. Naar aanleiding hiervan heeft de KMar contact opgenomen met de Bundespolizei over de werkwijze bij overdrachten, waaronder over het faciliteren van de door- of terugreis.
Wat doet u op dit moment om de negatieve gevolgen van deze werkwijze voor de inwoners van Nederlandse grensgemeenten tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat uit de ervaringen in onder andere ’s-Heerenberg blijkt dat deze inzet niet toereikend is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende maatregelen gaat u treffen?
Zie antwoord vraag 9.
Het voorstel van Eurocommissaris Brunner voor het verspreiden van asielzoekers over Europa |
|
Diederik Boomsma (CDA), Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het voorstel van Eurocommissaris Brunner ontvangen voor de herverdeling van asielzoekers in het kader van de implementatie van dat deel van het Asiel- en Migratiepact?
Ja
Kunt u deze cijfers en het voorstel voor van de Europese Commissie (desnoods geheim) delen met de leden van de Tweede Kamer?
Het stuk is op 26 november aan uw Kamer aangeboden ter vertrouwelijk inzage.
Kunt u tevens aangeven wat de inzet is van het kabinet ten aanzien van dit voorstel en dat op zo kort mogelijke termijn delen?
Uw Kamer heeft de appreciatie van het kabinet en de inzet ten aanzien van het voorstel ontvangen in de Geannoteerde Agenda voor de JBZ Raad van 7-8 december.
Klopt het dat Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië en Oostenrijk een korting of volledige vrijstelling krijgen, vanwege grote opvangproblemen, zoals de Telegraaf meldt?1
De Commissie heeft vastgesteld dat er sprake is van een significante migratiesituatie in Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië, Oostenrijk en Polen. Deze lidstaten kunnen conform de AMMR bij de Europese Commissie een verzoek doen voor (gehele of gedeeltelijke) vermindering van hun solidariteitsbijdrage, waarover vervolgens de Raad een besluit neemt.
Komt Nederland in aanmerking voor een korting dan wel volledige vrijstelling, en zo nee, waarom niet, gezien de grote opvangproblemen die ook ons land kent? Op grond van welke criteria en argumenten is dit bepaald – en op welke manier is het kabinet in staat geweest daar invloed op uit te oefenen?
Nederland is aangemerkt als een lidstaat waar sprake is van een risico op migratiedruk. Hiermee krijgt Nederland voorrang in de toegang tot de EU Migration Support Toolbox, waar onder andere aanspraak kan worden gemaakt op technische, operationele vanuit de Europese agentschappen en financiële steun.
Voorts heeft Nederland samen met andere lidstaten aandacht gevraagd voor de impact van secundaire migratie. De Commissie heeft daarop in het besluit tevens de mogelijkheid opgenomen om Dublinzaken die niet konden worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat mee te laten tellen voor de solidariteitsbijdrage als daar bilateraal toe wordt overeengekomen.
Welke gegevens heeft het kabinet verstrekt aan de Europese Commissie op basis waarvan die het besluit heeft genomen om ons land wel of geen korting of vrijstelling te geven?
De Commissie beoordeelt of er sprake is van migratiedruk, een risico van migratiedruk of een significante migratiesituatie aan de hand van de informatie zoals opgenomen in artikel 9 in de AMMR. Daarbij maakt de Commissie gebruik van de cijfermatige gegevens die reeds door de lidstaten met het Europees statistiekbureau Eurostat en de agentschappen worden gedeeld. De lidstaten hebben geen aanvullende cijfermatige gegevens hoeven verschaffen.
Kunt u aangeven hoe u de aangenomen motie van het lid Eerdmans (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2062) heeft uitgevoerd?
Zoals aangegeven in de Geannoteerde Agenda voor de JBZ raad van 7-8 december zal het kabinet solidariteit in de vorm van een financiële bijdrage toezeggen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat op 27 november 2025 over de JBZ-raad op 8 en 9 december 2025 en de gevraagde gegevens zo snel mogelijk ter inzake leggen (indien nodig geheim) zodat de leden van de commissie daar kennis van kunnen nemen voorafgaand aan het commissiedebat?
Ja.
Strafbaarstelling illegaliteit |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van o.a. maatschappelijke organisaties over de consequenties van aanvaarding van het amendement van het lid Vondeling (Kamerstuk 36 704, nr. 44)?
Ja
Kunt u ingaan op de uitvoeringsconsequenties van dit amendement, indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, en specifiek ten aanzien van de inzet van het kabinet inzake het bieden van humanitaire hulp aan illegale vreemdelingen?
Het op 1 juli aangenomen amendement van lid Vondeling op het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet houdt in dat middels een wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 niet-rechtmatig verblijf in Nederland strafbaar wordt gesteld. Ook het verlenen van hulp aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen wordt strafbaar. Uiteraard voer ik als Minister de wens van de meerderheid van uw Kamer uit. Het OM gaat over de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, waaronder de handhaving van deze strafbaarstelling. De capaciteit van de uitvoerende ketenpartners, waaronder politie, OM, de Rechtspraak en DJI, is echter beperkt, zoals u weet. Mocht het zo zijn dat er keuzes gemaakt moeten worden vanwege beperkte capaciteit, zal het kabinet de betrokken ketenpartners vragen om in de praktijk prioriteit te geven aan de handhaving ten aanzien van die doelgroepen waarbij het vertrekbelang het grootst is, zoals overlastgevende en/of criminele vreemdelingen die op negatieve wijze in het zicht van de overheid komen en veel ellende veroorzaken voor de samenleving en zij die niet meewerken aan terugkeer. Deze prioritering heeft dan ook betrekking op de mogelijke vervolging voor het verlenen van hulp aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen.
Met deze prioritering kan ik mij voorstellen dat het handhaven op het bieden van hulp door bijvoorbeeld een kerk of het Leger des Heils niet snel aan de orde is. Op deze manier zorgen we ervoor dat illegaal verblijf met prioriteit wordt aangepakt, zodat mensen die hier niet mogen blijven Nederland verlaten. Het Nederlandse beleid wordt daarmee dus strenger en in overeenstemming met de handhaving van onder andere Duitsland, België en Italië.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de stemming?
Ja
Het preventiefonds en schaderegelingen voor ondernemers in Ter Apel |
|
Diederik Boomsma (CDA), Kati Piri (PvdA), Michiel van Nispen (SP), Queeny Rajkowski (VVD), Claudia van Zanten (BBB), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Klopt het dat er recent een bedrag van 800.000 euro aan de gemeente Ter Apel is uitgekeerd voor preventiemaatregelen voor de gemeente Ter Apel en de ondernemers? Klopt het dat dit fonds al bijna is uitgeput na compensatie van reeds gedane investeringen in preventie?
Onlangs is een bedrag van € 0,8 mln. aan de gemeente Westerwolde uitgekeerd. Dit bedrag is onder andere beschikbaar gesteld voor het financieren van preventieve maatregelen. De gemeente heeft aangegeven dit preventiebedrag te besteden aan een leefbaarheidsfonds om Ter Apel weer op de kaart te zetten, winkelbeveiliging, plaatsing van camera’s en weerbaarheidstraining. De gemeente zal – in afstemming met de ondernemers – zorgdragen voor het werkelijk uitgeven van deze bedragen. Daarnaast heeft het Ministerie van Asiel en Migratie ca € 0,8 mln. aan de gemeente uitgekeerd ten behoeve van het overlastbudget voor eerder gemaakte kosten.
Op welke manier denkt u de overige kosten te kunnen financieren?
Zoals beschreven in het antwoord bij vraag 1, is recent circa € 1,6 mln. beschikbaar gesteld aan de gemeente Westerwolde in het kader van het overlastbudget en preventiemaatregelen. Er is bijgedragen aan veiligheidsmaatregelen waaronder winkelbeveiliging in de Hema, Jumbo, Aldi en Lidl in Ter Apel. De inzet van deze preventieve maatregelen bieden een structurele oplossing voor de lange termijn. Naast de uitgekeerde bedragen heeft de gemeente Westerwolde de mogelijkheid tot het aanvragen van een decentralisatie uitkering voor toekomstige financieringen.
Bent u bereid toe te zeggen dat de aanpassingen in de afhandeling van complexe schades (denk aan uitval personeel, schade aan goederen en kantoor) uiterlijk deze zomer zijn geregeld? Zo nee, waarom niet?
Zoals aan de Kamer toegezegd en benoemd in de Kamerbrief op 11 maart 2025, zal de schaderegeling verruimd worden. Een financiële verstrekking uit de tegemoetkomingsfaciliteit aan inwoners en ondernemers uit de gemeente Westerwolde kan, onder omstandigheden, kwalificeren als staatssteun. Het is afhankelijk van de omstandigheden per geval welk type schade in aanmerking komt om vergoed te worden uit de tegemoetkomingsfaciliteit. In bijzondere gevallen kan gedacht worden aan gederfde winst of inkomstenderving. Dit zal per aanvraag beoordeeld worden. Hiermee ontstaat voor ondernemers en bewoners extra ruimte om gebruik te maken van de tegemoetkomingsfaciliteit. Er is een aanvullende opdracht aan het externe bureau verleend, dat de afhandeling van de verzoeken doet.
Bent u bereid om er zorg voor te dragen dat er uiterlijk dit najaar één loket is voor schadeafhandelingen en regelingen voor ondernemers in Ter Apel, zodat ondernemers minder tijd kwijt zijn met aangiftes, rapportages en indienen schades? Hoe wordt de financiering van dit loket geregeld? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van mijn gesprek met de ondernemers uit Ter Apel en gemeente Westerwolde wordt, in samenwerking met de gemeente Westerwolde, de mogelijkheid verkend om bij de gemeente één loket in te richten voor de indiening van verzoeken van compensatie. Dit loket kan als vervanging dienen voor de huidige diverse regelingen ten aanzien van opgelopen schade. Vooruitlopend op de uitwerking van deze verkenning wordt een decentrale uitkering voorbereid waarmee dit initiatief voor één loket gefinancierd kan worden. De gemeente Westerwolde dient hier uiteindelijk een besluit over te nemen. Ik zal mijn uiterste best doen de gemeente Westerwolde te faciliteren in de oprichting van het loket, waar dit nodig zal blijken.
Bent u bereid te bezien of het mogelijk is ook het preventiefonds door ditzelfde loket te laten afhandelen?
Het preventiebudget was een eenmalige verstrekking vanuit het Ministerie van Asiel en Migratie bestemd voor de inzet van preventieve maatregelen. Voor toekomstige investeringen heeft de gemeente Westerwolde de mogelijkheid tot het aanvragen van een decentralisatie uitkering.
Bent u bereid deze vragen, in verband met de benodigde aanpassingen in de meicirculaire, uiterlijk 23 april te beantwoorden?
Ja.