Samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS) |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Welke Nederlandse universiteiten en hogescholen hebben in het kader van het Europese Erasmus+ programma samengewerkt met de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)?
Op basis van de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ op het openbare Erasmus+ Project Result Platform maak ik op dat de Universiteit Maastricht de enige instelling is die in het kader van het Erasmus+ programma heeft samengewerkt met de Iraanse instelling Tehran University of Medical Sciences (TUMS).
Hoe lang en in welke periode hebben deze samenwerkingen plaatsgevonden en zijn er Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs die op dit moment nog in enige vorm samenwerken met TUMS?
Uit de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ volgt dat de samenwerking van de Universiteit Maastricht en TUMS in het kader van het Erasmus+ programma drie jaar duurde: van halverwege januari 2020 tot halverwege januari 2023.
Of er Nederlandse instellingen zijn die buiten het kader van Erasmus+ op dit moment nog samenwerken met TUMS weet ik niet. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Ik verwacht dat instellingen daar op zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
Waren de samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse universiteiten in lijn met het sanctierecht van de Europese Unie gezien het feit dat de paramilitaire vrijwilligersorganisatie Student Basij Organisation (SBO) op Iraanse universiteiten als de «ogen en oren van het regime» fungeert en sinds 22 mei 2023 op een sanctielijst van de Europese Unie staat?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Kennisinstellingen zijn rechtstreeks gebonden aan de naleving van geldende sancties. In verschillende sanctieverordeningen zijn verboden opgenomen op samenwerking met gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook wordt bij verschillende sanctiemaatregelen specifiek verwezen naar het verbod op het verlenen van technische bijstand voor specifieke goederen en technologie. Wanneer iets geldt als technische bijstand is door de Europese Commissie nader geduid in een formele opinie. Deze opinie bevat onder andere de toelichting dat ook het aanbieden van hoger onderwijs kan vallen onder de definitie van technische bijstand.
Sanctienaleving is voor kennisinstellingen niet eenvoudig. Daarom is er vanuit de rijksoverheid een aantal handvatten die zij kunnen gebruiken bij het vormgeven van hun interne processen. Zo bevat de nationale leidraad kennisveiligheid toelichting op het belang en de grondbeginselen van sanctienaleving en kunnen instellingen bij het loket kennisveiligheid terecht met vragen. Ook zijn er vanuit de Europese Commissie specifiek voor onderzoeksorganisaties richtsnoeren (Aanbeveling 2021/1700) ontwikkeld om hen te helpen om de risico’s in verband met deze producten en technologie in kaart te brengen, te beheren en te beperken en daarmee de naleving te bevorderen.
Welke Nederlandse universiteiten hebben een «ethische commissie» die samenwerkingsbanden van advies voorziet en bij welke universiteiten is de samenwerking met Tehran University behandeld of onderzocht en beoordeeld door een ethische commissie?
UNL heeft bij een eerdere uitvraag aangegeven dat elke universiteit beschikt over één of meerdere structuren die adviseren over ethische aspecten van het aangaan van onderzoekssamenwerkingen, zoals een ethische commissie. Ik heb geen inzicht in welke samenwerkingen zijn behandeld of beoordeeld want dit betreft een verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.
Ik verwacht als Minister uiteraard wel dat kennisinstellingen dit zorgvuldig uitvoeren. Daarom verwacht ik van instellingen dat zij een aantal belangrijke uitgangspunten betrekken bij het inrichten van deze processen. Hierover heb ik uw kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
In hoeverre hebben Nederlandse universiteiten de aanwezigheid van de Basij meegewogen in hun stappenplan voor «due dilligence» in het kader van het sluiten van hun overeenkomsten met TUMS?
Daar heb ik geen inzicht in, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bij het maken van een eigen afweging kunnen instellingen uiteraard wel terecht bij het Loket Kennisveiligheid voor advies en informatie. In het geval van samenwerking met Iran wijst het loket uiteraard op het risico op ongewenste kennisoverdracht en het risico dat kennis en technologie voor onethische doeleinden kunnen worden gebruikt. Het is vervolgens aan de instelling zelf om te beoordelen of en onder welke voorwaarden zij een samenwerking aan kunnen gaan.
Klopt het dat de Universiteit Maastricht (UM) in 2022 n.a.v. de zogenoemde «Woman. Life. Freedom»-protesten de banden met TUMS niet beëindigde om de onderzoekers en studenten van deze instelling niet in de steek te laten? Graag een toelichting.
Ook hiervoor geldt dat het aan de instelling zelf is om dergelijke afwegingen te maken.
Is bij u bekend waarom het argument dat je «onderzoekers en studenten niet in de steek moet laten» blijkbaar geen rol speelde toen de Universiteit Maastricht in oktober 2025 besloot de samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op te schorten en hoe beoordeelt u dit verschil in benadering?
Instellingen hebben de vrijheid om hun samenwerkingen tegen het licht te houden, bijvoorbeeld naar aanleiding van geopolitieke verschuivingen. Dat geldt ook voor de Universiteit Maastricht. Ik heb de Universiteit Maastricht gevraagd om een toelichting.
De Universiteit Maastricht geeft aan dat het Toetsingskader Internationale Samenwerkingen en Kennisveiligheid medio 2023 is geïmplementeerd, en dat sinds april 2025 een Human Rights Advisory Committtee (HRAC) actief is. Het eerdergenoemde Erasmus+ programma werd afgerond voordat het kader of de commissie actief waren.
Het College van Bestuur neemt op basis van de adviezen van HRAC alleen besluiten over institutionele samenwerkingen. De instelling heeft nadrukkelijk geen zeggenschap over de samenwerking en uitwisseling van kennis tussen individuele wetenschappers en hun internationale collega’s, mits er geen beperkingen in het kader van kennisveiligheid van toepassing zijn. Dat geldt ook ten aanzien van individuele samenwerkingen met de wetenschappers van de Hebrew University of Jerusalem. Continuering van samenwerking tussen wetenschappers onderling, ook met wetenschappers afkomstig van een partnerinstelling waarmee het College van Bestuur de institutionele banden verbreekt, kan van cruciale waarde zijn. De Universiteit Maastricht noemt deze academische vrijheid onontbeerlijk.
Deze afwegingen sluiten aan bij de uitgangspunten voor beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden die de Minister van OCW eerder met de kamer en de sector heeft gedeeld (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Is bij u bekend of de zeker zeven Nederlandse universiteiten die in 2024–2025 hun samenwerking met Israëlische universiteiten of instellingen opgeschort of beëindigd hebben – vaak na advies van ethische commissies – in de afgelopen jaren ook de samenwerking met partners in andere landen dan Israël hebben opgeschort of beëindigd? Zo ja, om welke Nederlandse universiteiten en welke landen gaat het dan?
Nee. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 2.
Deelt u de vrees dat als samenwerkingsbanden met Israëlische instellingen worden bevroren of stopgezet met verwijzing naar mogelijke mensenrechtenschendingen, maar mensenrechtenschendingen door regimes in andere landen niet leiden tot vergelijkbare maatregelen, dit een onrechtvaardig en/of discriminerend onderscheid maakt? Graag een toelichting.
Ik deel het belang van rechtvaardigheid en non-discriminatie in de totstandkoming van de afwegingen van instellingen. Tegelijkertijd hecht ik ook aan het belang van institutionele autonomie. Dit vormt ook onderdeel van de uitgangspunten voor het beoordelen van internationale samenwerkingsverbanden. Ik vertrouw erop dat kennisinstellingen hier zorgvuldig mee omgaan.
Bestaan er op dit moment uniforme sanctie- en compliancerichtlijnen voor het hoger onderwijs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven waarom de naam van de Universiteit Maastricht en de naam van prof. dr. Anja Krumeich van de afdeling Health, Ethics and Society van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van de UM op dit moment nog steeds prominent vermeld staan als partner op de website van TUMS?
Zie ook het antwoord op vraag 6. De Universiteit Maastricht geeft aan dat deze vermelding niet in overleg met of met toestemming van de Universiteit Maastricht of van Prof. Dr. Krumeich op de website gekomen is. De samenwerking was ten einde in 2023, conform de afronding van het project.
De publicatie van ‘Het 7 Oktober-effect’, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering, een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Er is in onze samenleving, en zeker ook op onze onderwijsinstellingen, geen plek voor antisemitisme. Ik vind het dan ook onacceptabel dat Joodse studenten en medewerkers antisemitisme ervaren en zich niet altijd veilig voelen op hun onderwijsinstelling. Ik blijf mij daarom samen met onderwijsinstellingen inzetten om antisemitisme te bestrijden en de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers te verbeteren.
Om na te gaan welke maatregelen mogelijk zijn om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op universiteiten en hogescholen te verbeteren heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding (hierna: Taskforce) ingesteld. Deze Taskforce heeft begin februari 2026 haar eindverslag gepubliceerd.2 Het kabinet zal uw Kamer in het voorjaar een beleidsreactie op dit eindverslag sturen en aangeven op welke wijze we antisemitisme op universiteiten en hogescholen bestrijden.
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes: de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?2
Ja, ik ben van mening dat onderwijsinstellingen zich continue inzetten om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers te verbeteren. Ook zetten zij zich dagelijks in om klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren. Het kabinet heeft eind 2024, grofweg gelijktijdig met publicatie van het door u aangehaalde onderzoek, de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme gepubliceerd.4 Als onderdeel van deze strategie is in juli 2025, in opdracht van het Ministerie van OCW, een verkenning naar de ervaringen van Joodse studenten en medewerkers met klacht- en meldvoorzieningen uitgevoerd, als onderdeel van een breed onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen.5 Uit het onderzoek blijkt dat (Joodse) studenten en medewerkers een gebrek aan opvolging bij klachten ervaren en dat zij bij ongelijke machtsverhoudingen afhoudend zijn bij het doen van meldingen over een docent of collega. De onderzoekers concluderen dat er soms beperkte kennis lijkt te zijn bij functionarissen van meld- en klachtvoorzieningen en andere medewerkers die met Joodse studenten werken over welke uitingen, specifiek voor Joden, als kwetsend of antisemitisch kunnen worden ervaren. Voor een uitgebreide reactie op dit onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen, verwijs ik u naar de Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger over sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen.6
Om, in lijn met de aanbevelingen uit de verkenning, de kennis over antisemitisme bij functionarissen en medewerkers van klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Ook hebben instellingen in reactie op de verkenning aangegeven, dat zij nagaan hoe de infrastructuur in den brede beter kan worden ingericht op kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, waaronder Joodse studenten en medewerkers.
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
Ik herken het beeld dat Joodse studenten en medewerkers zich niet (altijd) veilig voelen op de instelling en dat zij daar ernstige gevolgen van ondervinden. Zoals in mijn beantwoording van vraag 2 aangegeven heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding ingesteld, voor de duur van één jaar. De Taskforce heeft gewerkt aan voorstellen om de veiligheid van Joden te bevorderen, in het bijzonder de veiligheid van Joodse studenten op universiteiten, het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten en veiligheidsconsequenties van de sit-ins op ov-stations. De Taskforce heeft onlangs haar eindverslag opgeleverd.7
De Taskforce concludeert dat, ondanks inspanningen van instellingen, Joodse studenten en medewerkers (sociale) onveiligheid ervaren op onderwijsinstellingen. De Taskforce constateert daarbij ook dat Joodse studenten en medewerkers hier ernstige gevolgen van ondervinden, zoals het zich genoodzaakt voelen om de identiteit te verbergen, het mijden van de campus of het stoppen met de opleiding aan de instelling. Ik vind dit onacceptabel. Studenten en medewerkers moeten zich veilig weten op hun onderwijsinstelling.
Er wordt niet gemonitord hoe vaak studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen wegens (ervaren) antisemitisme of onveiligheid. Universiteiten en hogescholen registreren de geloofsovertuigingen van studenten en medewerkers niet. Het is daarom niet bekend hoe vaak en waarom Joodse studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen. Ik vind het van groot belang dat Joodse studenten en medewerkers zich veilig voelen op hun instelling. In de kabinetsreactie op het advies van de Taskforce zal ik hier nader op ingaan.
Het kabinet stuurt uw Kamer in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding.
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Zie antwoord vraag 4.
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Zie ook mijn antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Er worden, zowel door mij als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.8 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook zijn er gesprekken met de veiligheidsdiensten om effectief te kunnen handelen als protesten uit de hand lopen. Ik werk aan een handreiking voor vertrouwenspersonen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Daarnaast bespreek ik het onderwerp en alle lopende acties regelmatig met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en met Joodse studenten en medewerkers.
Zoals aangegeven ontvangt uw Kamer nog een uitgebreide kabinetsreactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding. In deze reactie gaat het kabinet ook in op de aanbevelingen uit het eindverslag.
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inspannen om de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers op de instelling te borgen. Ook zie ik dat er veel acties worden en zijn verricht op dit vlak (zie ook mijn antwoord op vraag 7). Het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en geeft aan dat instellingen acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten9, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek.
De Taskforce geeft ook aan dat er nog verbeteringen mogelijk zijn en doet verschillende aanbevelingen. Zoals aangegeven in beantwoording op voorgaande vragen ontvangt u in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?3, 4, 5
Het spreekt voor zich dat ik het verheerlijken van en het uitspreken van steun aan terreurorganisaties van de hand wijs. Het is verder niet aan mij als Minister van OCW om uitspraken te doen over individuele casuïstiek. Instellingen hebben aangegeven dat zij altijd aangifte doen bij vermoedens van strafbare feiten, en zij studenten en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde docent?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving, ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen. Het is aan een instellingsbestuur om, als werkgever, zo nodig maatregelen te nemen richting haar medewerkers. Het is dan ook niet aan mij als Minister van OCW om het handelen van een instellingsbestuur in een van haar arbeidsrelaties te beoordelen. Ik vind dat in het onderwijs, onderzoek en bij verschillende activiteiten die op instellingen georganiseerd worden van docenten mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren ten aanzien van deze situatie?
Zie mijn antwoord op vraag 10. Daarbij heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.13 In deze brief gaat mijn ambtsvoorganger onder andere in op het gezamenlijk leren van instellingen in de vorm van kennisdeling tussen instellingen, wat bijdraagt aan een gedeelde kennispositie en harmonisering van advisering aan besturen. Daarbij geeft hij aan dat de managers Integrale Veiligheid van de universiteiten wekelijks bij elkaar komen om een gezamenlijk dreigingsbeeld te maken door onder andere de actuele situatie te bespreken en ervaringen, kennis en good practices uit te wisselen. De hogescholen delen kennis en ervaringen met name tussen instellingen die in hetzelfde geografische gebied liggen, tussen instellingen van vergelijkbaar karakter, tussen (vertrouwens)functionarissen en breder in het landelijke Platform Integrale Veiligheid en op bestuurlijk niveau. Zo wordt eenduidig en efficiënt omgegaan met de ontwikkelde kennis en ervaring.
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Zie mijn antwoord op vraag 13 voor een algemene toelichting.
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van zijn?
Wanneer de Inspectie van het Onderwijs na gedegen onderzoek in een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer maatregelen. Het geven van een aanwijzing is het ultimum remedium en dient daarom, net als de inhoud, proportioneel te zijn. Eerst moet worden geprobeerd om het doel van de aanwijzing met een minder zwaar middel te bereiken. In welke gevallen en op welk moment ik overga tot het geven van een aanwijzing moet ik per casus en binnen de context daarvan bezien.
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
De Taskforce Antisemitismebestrijding gaat in haar aanbevelingen ook in op de kennis over antisemitisme bij (vertrouwenspersonen van) instellingen. Zoals aangegeven zal het kabinet aan het eind van het voorjaar uitgebreid reageren op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Overwegende dat het onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) is gefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ISN Academie, een onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland (ISN), de Nederlandse tak van Diyanet, het Turkse Presidium voor Godsdienstzaken, dat moskeeën beheert, imams opleidt en de politieke ideologie van de AKP-partij van president Recep Tayyip Erdogan uitdraagt, waarom is gekozen voor samenwerking met Diyanet? Graag een toelichting welke overwegingen en opvattingen daaraan ten grondslag liggen.1
In deze set Kamervragen worden vragen gesteld over twee onderzoeken. Het onderzoek van Regioplan en de Universiteit Utrecht is uitgevoerd naar aanleiding van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 20222 en het daaropvolgende amendement van het lid Van Baarle (DENK) van 13 oktober 2022, waarin is verzocht om een onafhankelijk nationaal onderzoek naar moslimdiscriminatie.3 Met dit onderzoek is de wens van uw Kamer uitgevoerd.
Het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) van 10 februari 2026 en het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Regioplan en de Universiteit Utrecht van 31 januari 2025.
KIS ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Een onderdeel van dat werkplan is de uitvoering van het zogenoemde KIS-portaal, waar vraagstukken uit de samenleving aangaande integratie en samenleven gesteld kunnen worden en door KIS worden onderzocht. Deze vragen kunnen leiden tot zogenaamde portaalprojecten.
Het portaalproject-onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is uitgevoerd naar aanleiding van vragen van vijf organisaties: ISN Academie, Stichting School & Veiligheid, SPIOR/K9, Collectief Jonge Moslims en Moslimstudenten Associatie Nederland. Eén van deze partijen heeft het onderzoek voor een deel mede gefinancierd, ISN Academie (zie ook vraag 5).
KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen. Bij navraag bij KIS naar de aard van de samenwerking met ISN Academie geeft KIS aan dat ISN Academie het onderzoek alleen mede gefinancierd heeft en geen inhoudelijke betrokkenheid heeft gehad bij het onderzoek. De uitvoering van het onderzoek lag bij KIS.
Na publicatie van het rapport is bekend geworden dat er een huwelijksverband bestaat tussen de hoofdonderzoeker van het onderzoek en de directeur van ISN Academie. Zoals ik uw Kamer reeds heb geïnformeerd, heb ik KIS gevraagd om een tweetal onderzoeken uit te laten voeren om dit goed uit te zoeken (een accountantsonderzoek en een onafhankelijke wetenschappelijke review) en waar nodig maatregelen te treffen.4
Volgens de wetenschapster Semiha Sözeri van de Universiteit Utrecht e.a. vormen de imams en de koranscholen van Diyanet een schild tegen wat als «assimilatiekrachten» in de Nederlandse samenleving wordt ervaren. Vindt u dat Diyanet in het licht van deze achtergrond een geschikte partner is om mee samen te werken in een onderzoek naar moslimdiscriminatie?
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In dit geval is die schijn wél ontstaan, en dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Het ministerie heeft dit in het verleden ook besproken ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken niet te schaden te en waarborgen. In deze context vind ik de samenwerking met ISN geen verstandige keuze. Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking met ISN is uitgesloten.
Het nieuwe kabinet werkt, zoals aangekondigd in de Voortgangsbrief van 2 maart 2026, aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners. Ik hoop uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk verder te kunnen informeren.
Overwegende dat de onderzoeken van Regioplan en de Universiteit Utrecht en van het Kennisplatform Inclusief Samenleven berusten op zeer bescheiden steekproeven (het gaat om respectievelijk 38 en 57 respondenten), en zijn aangevuld met een literatuurstudie, bent u van mening dat onderzoek met een dergelijke beperkte opzet de conclusie kan rechtvaardigen dat moslimdiscriminatie in Nederland een «structureel probleem» is? Zo ja waarom bent u die opvatting toegedaan?
Een oordeel over de robuustheid van een specifiek onderzoek laat ik graag aan de wetenschap.
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) heeft de 57 respondenten voor «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» deels geworven via een oproep op sociale media en deels gebruik gemaakt van personen die eerder meewerkten aan onderzoek van KIS; bent u van mening dat deze methode voldoende robuust is? Zo ja, waar baseert u dat op?
Zie antwoord vraag 3.
Wat heeft het ministerie uitgegeven aan beide onderzoeken? Meent u dat dit geld welbesteed is?
Voor het KIS onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is 40.000 euro subsidie van het Ministerie van SZW. De totale kosten van dat onderzoek bedroegen 45.000 euro.
Met betrekking tot het KIS onderzoek gaat het om, zoals bij antwoord 1 aangegeven, een portaalonderzoek welke KIS op basis van aanvraag van vijf maatschappelijke organisaties heeft uitgevoerd.
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Universiteit Utrecht en Regioplan (2025)5 kostte 302.500 euro en is gegund na een openbare aanbesteding volgens de richtlijnen van Europese aanbestedingen. Het kabinet heeft op 12 december 2025 opvolging gegeven aan dit onderzoek middels de Kabinetsreactie «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en versterking aanpak moslimdiscriminatie».6
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» is zoals bij antwoord 1 aangegeven uitgevoerd naar aanleiding van een verzoek van uw Kamer en het Nationale Programma tegen Discriminatie en Racisme 2022.
Bent u bekend met het werk van de Franse antropologe en kenner van de netwerken van de Moslimbroederschap in Europa Florence Bergeaud-Blackler, die erop wijst dat de klacht over islamofobie een cruciaal onderdeel is van een «soft power strategie» van islamistische lobbyisten? En dat deze lobbyisten steeds herhalen dat men slachtoffer is van haat en discriminatie omdat zij op die manier de kans denken te vergroten dat hun eisen voor bijvoorbeeld gebedsruimtes op scholen en hoofddoeken bij de politie worden ingewilligd? Bergeaud-Blackler waarschuwt autoriteiten om zich niet te laten lenen voor deze agenda. Wat vindt u van deze analyse?
De analyse waarnaar wordt gerefereerd raakt aan bredere zorgen over buitenlandse beïnvloeding, religieus geïnspireerde druk en organisaties die proberen invloed uit te oefenen op onze open samenleving. Die zorgen neem ik serieus.
Tegelijkertijd weten we dat discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie, in Nederland voorkomt en dat dit een reëel probleem is dat we moeten aanpakken. Om te zorgen dat iedereen, wat je achtergrond ook is, een eerlijke kans krijgt om mee te doen en aan het werk te gaan.
Het artikel 'Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen' |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen»?1
Ja.
Kunt u het beschreven risico op massale ontsnappingen door oplopende gevechten bevestigen?
In januari hebben er gevechten plaatsgevonden in Noordoost-Syrië tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF). In deze regio bevinden zich ook de opvangkampen en detentiecentra waar aan ISIS-gelieerde personen zich bevinden. Het is inmiddels bekend dat aan ISIS-gelieerde personen zijn ontsnapt; een deel zou in de tussentijd ook weer zijn aangehouden door de veiligheidsdiensten van de Syrische overgangsregering, met ondersteuning vanuit de Verenigde Staten. Het is nog niet bevestigd of hier personen met een Nederlandse link onderdeel van uitmaken. Sinds 30 januari geldt een permanent staakt-het-vuren tussen de Syrische overgangsregering en de SDF. Op dit moment zijn er geen indicaties dat vrouwelijke uitreizigers met een Nederlandse link en hun kinderen, die in de kampen verbleven, zich op dit moment buiten de door de Syrische overgangsregering beveiligde kampen bevinden.
Heeft de Nederlandse overheid zicht op hoeveel Nederlandse jihadisten, veroordeelden en geradicaliseerde familieleden zich daar momenteel nog bevinden?
De situatie in Syrië is erg veranderlijk en de ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Dit maakt snelle informatievoorziening en een accuraat beeld van de ontwikkelingen in Syrië moeilijk. Desalniettemin staan de betrokken nationale en internationale partners goed met elkaar in contact en houden zij de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten om een zo compleet mogelijk beeld te vormen. Dit is de afgelopen tijd gebeurd. Zo is uw Kamer op 19 februari jl. geïnformeerd over de aanwezigheid van mannelijke uitreizigers met een Nederlandse link in Irak.2 Voor de meest recente en openbare aantallen uitreizigers, verwijs ik uw Kamer het recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.3
Acht u het scenario reëel dat ontsnapte Nederlandse IS-strijders opnieuw proberen Europa of Nederland te bereiken, en welke concrete maatregelen zijn getroffen om dit te voorkomen?
Dat is inderdaad een scenario waarmee rekening wordt gehouden. Om onopgemerkte terugkeer te voorkomen zijn verschillende maatregelen getroffen. Het openbaar ministerie heeft waar opportuun tegen alle onderkende uitreizigers met een Nederlandse link een strafrechtelijk onderzoek lopen. Daarnaast is ten aanzien van alle onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daar waar mogelijk is het Nederlanderschap ingetrokken en zijn deze personen ongewenst verklaard. Ook zijn de reisdocumenten van uitreizigers waar mogelijk ongeldig verklaard en staan deze personen gesignaleerd. Alle betrokken veiligheidspartners zijn alert en wordt voortdurend onderzocht waar en op welke wijze eventuele aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.
Kunt u met klem verzekeren dat Nederland op geen enkele wijze actie onderneemt om mannelijke IS-terroristen naar Nederland te halen?
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat berechting van uitreizigers en de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen in de regio moet plaatsvinden. Conform dit standpunt is er intensief contact tussen onder andere het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Iraakse autoriteiten om hierover – binnen de (internationale) wettelijke vereisten – afspraken te maken. Er zijn op dit moment geen voornemens om uitreizigers met een Nederlandse link terug te halen. Indien sprake is van verzoeken tot repatriëring zal het kabinet in iedere casus alle omstandigheden en factoren wegen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de nationale veiligheid. In algemene zin geldt dat mannelijke uitreizigers, ten opzichte van vrouwelijke uitreizigers, een grotere potentiële geweldsdreiging vormen vanwege hun veelal grotere rol in de strijd en gevechtstraining en -ervaring. Dit maakt vanzelfsprekend onderdeel uit van besluitvorming over repatriëring. Deze afwegingen hebben er tot op heden toe geleid dat, in het kader van strafzaken tegen vrouwelijke uitreizigers, alleen vrouwelijke uitreizigers en hun kinderen zijn gerepatrieerd.
In hoeverre wordt actief ingezet op het intrekken van het Nederlanderschap bij jihadisten met een dubbele nationaliteit, en waarom gebeurt dit niet structureel?
Ja, dit kabinet hanteert als uitgangspunt dat mensen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie hun recht op het Nederlanderschap hebben verspeeld. Om die reden is het Nederlanderschap, daar waar mogelijk, van hen afgenomen en zijn zij ongewenst verklaard. Het kabinet zet hier ook in de toekomst onverminderd op in.
Op grond van artikel 14, lid 4 RWN kan het Nederlanderschap worden ingetrokken bij personen die ouder zijn dan 18 jaar, die zich nog in het buitenland bevinden en als uit hun gedragingen is gebleken dat zij zich – na 11 maart 2017 – hebben aangesloten bij een terroristische organisatie die een dreiging vormt voor de nationale veiligheid. In deze gevallen wordt de betreffende persoon tevens ongewenst verklaard op grond van de Vreemdelingenwet en gesignaleerd in SIS III, waardoor legale terugkeer naar Nederland niet mogelijk is.4
Ten aanzien van het intrekken van de Nederlandse nationaliteit geldt dat op verschillende momenten alle dossiers van onderkende uitreizigers zijn doorlopen om te bezien of het Nederlanderschap ingetrokken kon worden op grond van artikel 14, lid 4 RWN. Bij de personen waar dit mogelijk is gebleken is het Nederlanderschap ingetrokken. Gevallen die eerder niet in aanmerking kwamen voor intrekking, kunnen in de toekomst mogelijk wel hiervoor in aanmerking komen als nieuwe informatie beschikbaar komt waarmee aan de juridische voorwaarden wordt voldaan. De betrokken organisaties blijven alert op eventuele nieuwe informatie waardoor intrekking alsnog tot de mogelijkheden kan behoren. Dit heeft in 2024 alsnog geleid tot een intrekking van het Nederlanderschap.5
Bent u bereid als uitgangspunt te hanteren dat personen die zich vrijwillig hebben aangesloten bij IS hun recht op terugkeer naar Nederland hebben verspeeld, en het beleid hier expliciet op aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de afdeling sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een vacature heeft geplaatst die uitsluitend is bedoeld voor wetenschappers van kleur?1
Wat vindt u ervan dat de EUR een methode van personeelswerving gebruikt die is gebaseerd op huidskleur, die ertoe leidt dat een groot aantal kandidaten bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij de «niet de goede huidskleur» hebben?
Wie kunnen er precies solliciteren op vacatures voor «scholars of color» en wie niet en deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om mensen in te delen in twee categorieën, zoals hier lijkt te gebeuren, namelijk wel of niet «of color»?
Deelt u de opvatting dat een dergelijk wervingsbeleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat is vastgelegd in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en dat discriminatie «op welke grond dan ook» verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het vreemd en zorgelijk is dat een faculteit voor sociale wetenschappen die commitment claimt tot «antiracisme» juist raciale eisen stelt?
Wat vindt u van de aan deze vacature kennelijk onderliggende opvatting van de faculteit voor sociale wetenschappen van de EUR dat wetenschappers van kleur bijzondere expertise hebben voor de studie van ongelijkheid die andere wetenschappers ontberen?
Hoe beoordeelt u het feit dat de twee vacatures geen eisen stellen aan specialisaties of methodologische vaardigheden?
Bent u van mening dat een vacaturetekst als «Commitment to integrating progressive, antiracist and social justice resources and pedagogy in the classroom is an essential component of both positions» academici met conservatieve opvattingen lijkt uit te sluiten? Graag een toelichting.
Is u bekend of er buiten de ESSB van de EUR nog meer faculteiten zijn die vacatures plaatsen die uitsluitend zijn bedoeld voor «scholars of color»?
Bent u bereid met de universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat procedures om personeel te werven gevrijwaard blijven van discriminatoire criteria?
Deelt u het oordeel van dit voorval als een voorbeeld van positieve discriminatie?
Zo ja, acht u dit soort discriminatie onwenselijk en gaat u daar actief actie tegen nemen in uw nieuwe nationale programma tegen racisme en discriminatie?
Het bericht ‘UvA sloeg onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten over tijdens campusprotesten’ |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) tijdens de campusbezettingen van 2024 een jaarlijkse peiling naar de sociale veiligheid van studenten over heeft geslagen?1
Klopt het bericht dat de UvA in 2024 heeft besloten de jaarlijkse monitor naar sociale veiligheid onder studenten niet uit te voeren met als argument dat de gegevens dan niet vergelijkbaar zouden zijn? Hoe beoordeelt u het besluit en de onderbouwing ervan?
Deelt u de opvatting dat juist in een periode van soms intimiderende protesten het belangrijk is om de veiligheid systematisch te meten? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het overslaan van deze monitor zich tot het Convenant Sociale Veiligheid in het hoger onderwijs (2024–2027)?
Welke afspraken bestaan er momenteel met universiteiten over de frequentie en continuïteit van onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten?
Welke onderzoeken zijn er op die universiteit wel gedaan naar de sociale veiligheid onder studenten?
Kunt u aangeven of andere universiteiten in Nederland in recente jaren vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen? Zo ja, welke en waarom?
Bent u bereid met universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat metingen naar sociale veiligheid niet worden overgeslagen juist in perioden van verhoogde spanning?
Het interview met een asielrechter in NRC Handelsblad. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente interview met een asielrechter in NRC Handelsblad?1
Hoe heeft het aantal prejudiciële verzoeken vanuit Nederland aan het Europees Hof inzake asielkwesties zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
Welk deel van het totale aantal prejudiciële vragen over asielkwesties is de afgelopen tien jaar gesteld vanuit Nederland?
Zijn dergelijke verzoeken in voorgaande jaren ook voor een groot deel terug te voeren op één of enkele specifieke rechter(s)?
Ziet u grote verschillen in de manier waarop asielzaken worden behandeld door verschillende rechtbanken? Kunt u dit nader toelichten en specificeren?
Welke aanpassingen zijn de afgelopen vijf jaar gedaan aan de asielprocedure en/of de beoordeling van asielverzoeken als gevolg van de antwoorden op prejudiciële vragen? Hoe beoordeelt u de aanpassingen?
Deelt u de opvatting dat de asielprocedure de afgelopen jaren steeds complexer en tijds- en arbeidsintensiever is geworden, mede als gevolg van prejudiciële vragen en antwoorden en nieuwe jurisprudentie en dat dit onwenselijk is? Welke mogelijkheden ziet u om dit effect tegen te gaan?
Welke specifieke aanpassingen van de asielprocedure of de beoordeling van aanvragen als gevolg van prejudiciële vragen acht u onwenselijk, gezien de gevolgen?
Zijn er aanpassingen in dit kader waarvan u het wenselijk en mogelijk acht om de wetgeving op Europees niveau aan te passen om onwenselijke gevolgen recht te zetten? Kunt u dit toelichten?
Kunt u zo specifiek mogelijk aangeven hoe vaak het gebeurt dat een rechter de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opdraagt om een asielzoeker een verblijfsvergunning toe te kennen, zoals in het artikel wordt gemeld? Hoe heeft deze praktijk zich in de afgelopen jaren ontwikkeld?
Zijn ook deze besluiten voor een groot deel door te voeren op één of enkele specifieke rechtbank(en)? Om welke verhoudingen gaat het?
Wat is de concrete stand van zaken rond de verkenning van de vraag of nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving kunnen bijdragen aan het inkaderen van jurisprudentie op het gebied van asiel en migratie, waarnaar ook wordt verwezen in de brief van 19 december 2025 aan de informateur in reactie op haar vragen aan de Ministers van en voor Asiel en Migratie en waaraan gerefereerd wordt in het artikel van NRC? Wat heeft deze verkenning tot nu toe opgeleverd?
Wat is uw oordeel over het feit dat de rechter in het artikel aangeeft dat zij in februari bij een uitspraak heeft voorgesteld dat de IND bij oude zaken niet meer tot de hoogste rechter moet doorprocederen? Vindt u dat het de taak van een rechter is om dergelijke opmerkingen te plaatsen? Welke gevolgen worden hieraan verbonden?
Bent u van mening dat met dergelijke oproepen en uitspraken de grens tussen rechtspreken en (politiek) activisme in de rechtszaal vervaagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijk is en welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan?
Het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend ‘inhumane’ opeenvolgende IBS-periodes. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Rechtbank van Noord-Holland, waarbij de bewaring van een criminele en als ongewenst vreemdeling aangemerkte Marokkaanse onderdaan is opgeheven omdat meerdere opeenvolgende perioden van vreemdelingenbewaring bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, terwijl betrokkene op het punt stond te worden uitgezet en de laissez-passer al gereed lag?
Kunt u uiteenzetten op welke juridische grond in deze zaak de opeenvolgende inbewaringstellingperiodes (IBS-periodes) zijn samengeteld en tot «inhumane» bewaring zijn bestempeld, en hoe dit zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn én het door de Europese Commissie opgestelde Return Handbook, waarin juist wordt benadrukt dat bij een reëel vooruitzicht op verwijdering – bijvoorbeeld wanneer een laissez-passer (LP) gereed is – de uitvoering van de terugkeer voorrang behoort te hebben op invrijheidstelling? Waarom wijkt de Nederlandse praktijk in dit geval af van deze duidelijke aanbevelingen, nota bene met betrekking tot een criminele en ongewenst verklaarde vreemdeling?
Hoe beoordeelt u het risico voor de openbare orde en veiligheid wanneer criminele vreemdelingen die uitzetbaar zijn, voor wie reisdocumenten gereed liggen en die bovendien als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt, toch in vrijheid worden gesteld enkel vanwege de optelling van eerdere IBS-periodes?
Deelt u, mede gelet op het uitgangspunt dat lidstaten onder het Unierecht primair verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde, en op het feit dat de Terugkeerrichtlijn expliciet voorziet in detentie van illegaal verblijvende derdelanders die een risico vormen voor de openbare orde of de uitvoering van de terugkeerprocedure, de mening dat hiermee de effectieve bescherming van de Nederlandse samenleving tegen gevaarlijke en ongewenst verklaarde recidivisten onaanvaardbaar wordt ondermijnd? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat deze uitspraak in de praktijk betekent dat niet-meewerken aan terugkeer, het traineren van procedures en het strategisch indienen en weer intrekken van asielaanvragen en rechtsmiddelen door vreemdelingen en hun advocaten wordt beloond, omdat de door hen zelf veroorzaakte vertraging vervolgens wordt aangegrepen om bewaring op te heffen, zelfs wanneer het gaat om een criminele, ongewenst verklaarde vreemdeling voor wie een LP gereed ligt? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen bent u bereid op korte termijn en op langere termijn te nemen om te voorkomen dat dit soort misbruik van recht nog langer loont en om te waarborgen dat ongewenst verklaarde criminelen met een groot recidiverisico zoals deze daadwerkelijk kunnen worden uitgezet?
Bent u bekend met andere gevallen waarin vreemdelingenbewaring van (criminele) derdelanders, al dan niet ongewenst verklaard, is opgeheven omdat meerdere IBS-periodes bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, ondanks dat er uitzicht bestond op uitzetting en in voorkomende gevallen sprake was van recidivegevaar? Zo ja, om hoeveel zaken gaat het in de afgelopen twaalf maanden, wat is de aard van deze zaken, en kunt u de Kamer daarover een overzicht sturen inclusief delictcategorie, ongewenststatus, en reden voor opheffing van de bewaring?
Hoe verhoudt de in deze uitspraak gevolgde lijn zich volgens u tot de nieuwe aanstaande Europese Terugkeerverordening, die juist beoogt het terugkeerbeleid te versterken en te uniformeren, en deelt u de analyse dat met dergelijke uitspraken Nederland zichzelf klem zet als we het Europese kader zo uitleggen dat criminele, ongewenst verklaarde vreemdelingen eerder profiteren van juridische subtiliteiten dan dat de samenleving wordt beschermd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat criminele derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare orde, die ongewenst zijn verklaard, bij wie recidivegevaar bestaat en die in principe uitzetbaar zijn, zeker wanneer de LP al gereed ligt, in bewaring moeten blijven totdat hun terugkeer daadwerkelijk is gerealiseerd, en dat het onacceptabel is dat zij door juridisch getouwtrek toch op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen het huidige Unierechtelijke kader, nationaal beleid en regelgeving zo aan te scherpen dat opeenstapeling van detentieperiodes en procedureel getraineer niet langer kan leiden tot een de facto immuniteit tegen uitzetting voor criminele, ongewenst verklaarde en recidivegevoelige vreemdelingen zonder verblijfsrecht? Bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn concrete voorstellen te doen?
Bent u bereid om in Europees verband, onder verwijzing naar deze casuïstiek, te pleiten voor verduidelijking en aanscherping van de regels rond (hernieuwde) bewaring in de nieuwe Terugkeerverordening, zodat lidstaten niet langer worden gehinderd om dergelijke criminele, overlastgevende en ongewenstverklaarde vreemdelingen vast te houden totdat hun uitzetting feitelijk is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór 23 april 2026?
Samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS) |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Welke Nederlandse universiteiten en hogescholen hebben in het kader van het Europese Erasmus+ programma samengewerkt met de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)?
Op basis van de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ op het openbare Erasmus+ Project Result Platform maak ik op dat de Universiteit Maastricht de enige instelling is die in het kader van het Erasmus+ programma heeft samengewerkt met de Iraanse instelling Tehran University of Medical Sciences (TUMS).
Hoe lang en in welke periode hebben deze samenwerkingen plaatsgevonden en zijn er Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs die op dit moment nog in enige vorm samenwerken met TUMS?
Uit de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ volgt dat de samenwerking van de Universiteit Maastricht en TUMS in het kader van het Erasmus+ programma drie jaar duurde: van halverwege januari 2020 tot halverwege januari 2023.
Of er Nederlandse instellingen zijn die buiten het kader van Erasmus+ op dit moment nog samenwerken met TUMS weet ik niet. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Ik verwacht dat instellingen daar op zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
Waren de samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse universiteiten in lijn met het sanctierecht van de Europese Unie gezien het feit dat de paramilitaire vrijwilligersorganisatie Student Basij Organisation (SBO) op Iraanse universiteiten als de «ogen en oren van het regime» fungeert en sinds 22 mei 2023 op een sanctielijst van de Europese Unie staat?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Kennisinstellingen zijn rechtstreeks gebonden aan de naleving van geldende sancties. In verschillende sanctieverordeningen zijn verboden opgenomen op samenwerking met gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook wordt bij verschillende sanctiemaatregelen specifiek verwezen naar het verbod op het verlenen van technische bijstand voor specifieke goederen en technologie. Wanneer iets geldt als technische bijstand is door de Europese Commissie nader geduid in een formele opinie. Deze opinie bevat onder andere de toelichting dat ook het aanbieden van hoger onderwijs kan vallen onder de definitie van technische bijstand.
Sanctienaleving is voor kennisinstellingen niet eenvoudig. Daarom is er vanuit de rijksoverheid een aantal handvatten die zij kunnen gebruiken bij het vormgeven van hun interne processen. Zo bevat de nationale leidraad kennisveiligheid toelichting op het belang en de grondbeginselen van sanctienaleving en kunnen instellingen bij het loket kennisveiligheid terecht met vragen. Ook zijn er vanuit de Europese Commissie specifiek voor onderzoeksorganisaties richtsnoeren (Aanbeveling 2021/1700) ontwikkeld om hen te helpen om de risico’s in verband met deze producten en technologie in kaart te brengen, te beheren en te beperken en daarmee de naleving te bevorderen.
Welke Nederlandse universiteiten hebben een «ethische commissie» die samenwerkingsbanden van advies voorziet en bij welke universiteiten is de samenwerking met Tehran University behandeld of onderzocht en beoordeeld door een ethische commissie?
UNL heeft bij een eerdere uitvraag aangegeven dat elke universiteit beschikt over één of meerdere structuren die adviseren over ethische aspecten van het aangaan van onderzoekssamenwerkingen, zoals een ethische commissie. Ik heb geen inzicht in welke samenwerkingen zijn behandeld of beoordeeld want dit betreft een verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.
Ik verwacht als Minister uiteraard wel dat kennisinstellingen dit zorgvuldig uitvoeren. Daarom verwacht ik van instellingen dat zij een aantal belangrijke uitgangspunten betrekken bij het inrichten van deze processen. Hierover heb ik uw kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
In hoeverre hebben Nederlandse universiteiten de aanwezigheid van de Basij meegewogen in hun stappenplan voor «due dilligence» in het kader van het sluiten van hun overeenkomsten met TUMS?
Daar heb ik geen inzicht in, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bij het maken van een eigen afweging kunnen instellingen uiteraard wel terecht bij het Loket Kennisveiligheid voor advies en informatie. In het geval van samenwerking met Iran wijst het loket uiteraard op het risico op ongewenste kennisoverdracht en het risico dat kennis en technologie voor onethische doeleinden kunnen worden gebruikt. Het is vervolgens aan de instelling zelf om te beoordelen of en onder welke voorwaarden zij een samenwerking aan kunnen gaan.
Klopt het dat de Universiteit Maastricht (UM) in 2022 n.a.v. de zogenoemde «Woman. Life. Freedom»-protesten de banden met TUMS niet beëindigde om de onderzoekers en studenten van deze instelling niet in de steek te laten? Graag een toelichting.
Ook hiervoor geldt dat het aan de instelling zelf is om dergelijke afwegingen te maken.
Is bij u bekend waarom het argument dat je «onderzoekers en studenten niet in de steek moet laten» blijkbaar geen rol speelde toen de Universiteit Maastricht in oktober 2025 besloot de samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op te schorten en hoe beoordeelt u dit verschil in benadering?
Instellingen hebben de vrijheid om hun samenwerkingen tegen het licht te houden, bijvoorbeeld naar aanleiding van geopolitieke verschuivingen. Dat geldt ook voor de Universiteit Maastricht. Ik heb de Universiteit Maastricht gevraagd om een toelichting.
De Universiteit Maastricht geeft aan dat het Toetsingskader Internationale Samenwerkingen en Kennisveiligheid medio 2023 is geïmplementeerd, en dat sinds april 2025 een Human Rights Advisory Committtee (HRAC) actief is. Het eerdergenoemde Erasmus+ programma werd afgerond voordat het kader of de commissie actief waren.
Het College van Bestuur neemt op basis van de adviezen van HRAC alleen besluiten over institutionele samenwerkingen. De instelling heeft nadrukkelijk geen zeggenschap over de samenwerking en uitwisseling van kennis tussen individuele wetenschappers en hun internationale collega’s, mits er geen beperkingen in het kader van kennisveiligheid van toepassing zijn. Dat geldt ook ten aanzien van individuele samenwerkingen met de wetenschappers van de Hebrew University of Jerusalem. Continuering van samenwerking tussen wetenschappers onderling, ook met wetenschappers afkomstig van een partnerinstelling waarmee het College van Bestuur de institutionele banden verbreekt, kan van cruciale waarde zijn. De Universiteit Maastricht noemt deze academische vrijheid onontbeerlijk.
Deze afwegingen sluiten aan bij de uitgangspunten voor beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden die de Minister van OCW eerder met de kamer en de sector heeft gedeeld (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Is bij u bekend of de zeker zeven Nederlandse universiteiten die in 2024–2025 hun samenwerking met Israëlische universiteiten of instellingen opgeschort of beëindigd hebben – vaak na advies van ethische commissies – in de afgelopen jaren ook de samenwerking met partners in andere landen dan Israël hebben opgeschort of beëindigd? Zo ja, om welke Nederlandse universiteiten en welke landen gaat het dan?
Nee. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 2.
Deelt u de vrees dat als samenwerkingsbanden met Israëlische instellingen worden bevroren of stopgezet met verwijzing naar mogelijke mensenrechtenschendingen, maar mensenrechtenschendingen door regimes in andere landen niet leiden tot vergelijkbare maatregelen, dit een onrechtvaardig en/of discriminerend onderscheid maakt? Graag een toelichting.
Ik deel het belang van rechtvaardigheid en non-discriminatie in de totstandkoming van de afwegingen van instellingen. Tegelijkertijd hecht ik ook aan het belang van institutionele autonomie. Dit vormt ook onderdeel van de uitgangspunten voor het beoordelen van internationale samenwerkingsverbanden. Ik vertrouw erop dat kennisinstellingen hier zorgvuldig mee omgaan.
Bestaan er op dit moment uniforme sanctie- en compliancerichtlijnen voor het hoger onderwijs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven waarom de naam van de Universiteit Maastricht en de naam van prof. dr. Anja Krumeich van de afdeling Health, Ethics and Society van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van de UM op dit moment nog steeds prominent vermeld staan als partner op de website van TUMS?
Zie ook het antwoord op vraag 6. De Universiteit Maastricht geeft aan dat deze vermelding niet in overleg met of met toestemming van de Universiteit Maastricht of van Prof. Dr. Krumeich op de website gekomen is. De samenwerking was ten einde in 2023, conform de afronding van het project.
Scholen voor voortgezet onderwijs die donderdag 5 maart zijn geblokkeerd door activisten van Extinction Rebellion |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat activisten van Extinction Rebellion donderdag 5 maart meer dan dertig Amsterdamse middelbare scholen hebben afgesloten door kettingen aan hekken te hangen en/of sloten onklaar te maken?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat in veel gevallen de politie moest komen om de deuren open te krijgen, dat meerdere scholen lessen dus moesten laten vervallen, en kinderen dus geen onderwijs konden krijgen?
Deelt u de mening dat dit onacceptabel, abject en verwerpelijk is en moet worden ontmoedigd, (moreel) veroordeeld, vervolgd en bestraft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Deelt u de mening dat de schade moet worden verhaald op de daders, zodat scholen en de overheid niet opdraaien voor deze kosten, en om ervoor te zorgen dat dergelijke praktijken niet worden aangemoedigd?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat meerdere scholen aangifte hebben gedaan?
Kunt u aangeven welke wetten bij deze actie zijn overtreden? In hoeverre is het strafbaar om kinderen te verhinderen om naar school te kunnen gaan?
In hoeverre kan de organisatie Extinction Rebellion uit wier naam deze acties worden gevoerd verantwoordelijk worden gesteld voor de schade en/of vervolgd voor dergelijke acties?
Op welk moment kan een organisatie die structureel ertoe aanzet om wetten te overtreden, worden aangemerkt als een criminele organisatie en als zodanig worden vervolgd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Deelt u de opvatting dat klimaatactivisten voor ontwrichtende acties niet anders behandeld zouden mogen worden dan anderen op grond van hun activistisch oogpunt?
Overwegende dat het onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) is gefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ISN Academie, een onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland (ISN), de Nederlandse tak van Diyanet, het Turkse Presidium voor Godsdienstzaken, dat moskeeën beheert, imams opleidt en de politieke ideologie van de AKP-partij van president Recep Tayyip Erdogan uitdraagt, waarom is gekozen voor samenwerking met Diyanet? Graag een toelichting welke overwegingen en opvattingen daaraan ten grondslag liggen.1
In deze set Kamervragen worden vragen gesteld over twee onderzoeken. Het onderzoek van Regioplan en de Universiteit Utrecht is uitgevoerd naar aanleiding van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 20222 en het daaropvolgende amendement van het lid Van Baarle (DENK) van 13 oktober 2022, waarin is verzocht om een onafhankelijk nationaal onderzoek naar moslimdiscriminatie.3 Met dit onderzoek is de wens van uw Kamer uitgevoerd.
Het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) van 10 februari 2026 en het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Regioplan en de Universiteit Utrecht van 31 januari 2025.
KIS ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Een onderdeel van dat werkplan is de uitvoering van het zogenoemde KIS-portaal, waar vraagstukken uit de samenleving aangaande integratie en samenleven gesteld kunnen worden en door KIS worden onderzocht. Deze vragen kunnen leiden tot zogenaamde portaalprojecten.
Het portaalproject-onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is uitgevoerd naar aanleiding van vragen van vijf organisaties: ISN Academie, Stichting School & Veiligheid, SPIOR/K9, Collectief Jonge Moslims en Moslimstudenten Associatie Nederland. Eén van deze partijen heeft het onderzoek voor een deel mede gefinancierd, ISN Academie (zie ook vraag 5).
KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen. Bij navraag bij KIS naar de aard van de samenwerking met ISN Academie geeft KIS aan dat ISN Academie het onderzoek alleen mede gefinancierd heeft en geen inhoudelijke betrokkenheid heeft gehad bij het onderzoek. De uitvoering van het onderzoek lag bij KIS.
Na publicatie van het rapport is bekend geworden dat er een huwelijksverband bestaat tussen de hoofdonderzoeker van het onderzoek en de directeur van ISN Academie. Zoals ik uw Kamer reeds heb geïnformeerd, heb ik KIS gevraagd om een tweetal onderzoeken uit te laten voeren om dit goed uit te zoeken (een accountantsonderzoek en een onafhankelijke wetenschappelijke review) en waar nodig maatregelen te treffen.4
Volgens de wetenschapster Semiha Sözeri van de Universiteit Utrecht e.a. vormen de imams en de koranscholen van Diyanet een schild tegen wat als «assimilatiekrachten» in de Nederlandse samenleving wordt ervaren. Vindt u dat Diyanet in het licht van deze achtergrond een geschikte partner is om mee samen te werken in een onderzoek naar moslimdiscriminatie?
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In dit geval is die schijn wél ontstaan, en dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Het ministerie heeft dit in het verleden ook besproken ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken niet te schaden te en waarborgen. In deze context vind ik de samenwerking met ISN geen verstandige keuze. Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking met ISN is uitgesloten.
Het nieuwe kabinet werkt, zoals aangekondigd in de Voortgangsbrief van 2 maart 2026, aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners. Ik hoop uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk verder te kunnen informeren.
Overwegende dat de onderzoeken van Regioplan en de Universiteit Utrecht en van het Kennisplatform Inclusief Samenleven berusten op zeer bescheiden steekproeven (het gaat om respectievelijk 38 en 57 respondenten), en zijn aangevuld met een literatuurstudie, bent u van mening dat onderzoek met een dergelijke beperkte opzet de conclusie kan rechtvaardigen dat moslimdiscriminatie in Nederland een «structureel probleem» is? Zo ja waarom bent u die opvatting toegedaan?
Een oordeel over de robuustheid van een specifiek onderzoek laat ik graag aan de wetenschap.
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) heeft de 57 respondenten voor «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» deels geworven via een oproep op sociale media en deels gebruik gemaakt van personen die eerder meewerkten aan onderzoek van KIS; bent u van mening dat deze methode voldoende robuust is? Zo ja, waar baseert u dat op?
Zie antwoord vraag 3.
Wat heeft het ministerie uitgegeven aan beide onderzoeken? Meent u dat dit geld welbesteed is?
Voor het KIS onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is 40.000 euro subsidie van het Ministerie van SZW. De totale kosten van dat onderzoek bedroegen 45.000 euro.
Met betrekking tot het KIS onderzoek gaat het om, zoals bij antwoord 1 aangegeven, een portaalonderzoek welke KIS op basis van aanvraag van vijf maatschappelijke organisaties heeft uitgevoerd.
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Universiteit Utrecht en Regioplan (2025)5 kostte 302.500 euro en is gegund na een openbare aanbesteding volgens de richtlijnen van Europese aanbestedingen. Het kabinet heeft op 12 december 2025 opvolging gegeven aan dit onderzoek middels de Kabinetsreactie «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en versterking aanpak moslimdiscriminatie».6
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» is zoals bij antwoord 1 aangegeven uitgevoerd naar aanleiding van een verzoek van uw Kamer en het Nationale Programma tegen Discriminatie en Racisme 2022.
Bent u bekend met het werk van de Franse antropologe en kenner van de netwerken van de Moslimbroederschap in Europa Florence Bergeaud-Blackler, die erop wijst dat de klacht over islamofobie een cruciaal onderdeel is van een «soft power strategie» van islamistische lobbyisten? En dat deze lobbyisten steeds herhalen dat men slachtoffer is van haat en discriminatie omdat zij op die manier de kans denken te vergroten dat hun eisen voor bijvoorbeeld gebedsruimtes op scholen en hoofddoeken bij de politie worden ingewilligd? Bergeaud-Blackler waarschuwt autoriteiten om zich niet te laten lenen voor deze agenda. Wat vindt u van deze analyse?
De analyse waarnaar wordt gerefereerd raakt aan bredere zorgen over buitenlandse beïnvloeding, religieus geïnspireerde druk en organisaties die proberen invloed uit te oefenen op onze open samenleving. Die zorgen neem ik serieus.
Tegelijkertijd weten we dat discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie, in Nederland voorkomt en dat dit een reëel probleem is dat we moeten aanpakken. Om te zorgen dat iedereen, wat je achtergrond ook is, een eerlijke kans krijgt om mee te doen en aan het werk te gaan.
De publicatie van ‘Het 7 Oktober-effect’, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering, een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Er is in onze samenleving, en zeker ook op onze onderwijsinstellingen, geen plek voor antisemitisme. Ik vind het dan ook onacceptabel dat Joodse studenten en medewerkers antisemitisme ervaren en zich niet altijd veilig voelen op hun onderwijsinstelling. Ik blijf mij daarom samen met onderwijsinstellingen inzetten om antisemitisme te bestrijden en de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers te verbeteren.
Om na te gaan welke maatregelen mogelijk zijn om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op universiteiten en hogescholen te verbeteren heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding (hierna: Taskforce) ingesteld. Deze Taskforce heeft begin februari 2026 haar eindverslag gepubliceerd.2 Het kabinet zal uw Kamer in het voorjaar een beleidsreactie op dit eindverslag sturen en aangeven op welke wijze we antisemitisme op universiteiten en hogescholen bestrijden.
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes: de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?2
Ja, ik ben van mening dat onderwijsinstellingen zich continue inzetten om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers te verbeteren. Ook zetten zij zich dagelijks in om klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren. Het kabinet heeft eind 2024, grofweg gelijktijdig met publicatie van het door u aangehaalde onderzoek, de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme gepubliceerd.4 Als onderdeel van deze strategie is in juli 2025, in opdracht van het Ministerie van OCW, een verkenning naar de ervaringen van Joodse studenten en medewerkers met klacht- en meldvoorzieningen uitgevoerd, als onderdeel van een breed onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen.5 Uit het onderzoek blijkt dat (Joodse) studenten en medewerkers een gebrek aan opvolging bij klachten ervaren en dat zij bij ongelijke machtsverhoudingen afhoudend zijn bij het doen van meldingen over een docent of collega. De onderzoekers concluderen dat er soms beperkte kennis lijkt te zijn bij functionarissen van meld- en klachtvoorzieningen en andere medewerkers die met Joodse studenten werken over welke uitingen, specifiek voor Joden, als kwetsend of antisemitisch kunnen worden ervaren. Voor een uitgebreide reactie op dit onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen, verwijs ik u naar de Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger over sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen.6
Om, in lijn met de aanbevelingen uit de verkenning, de kennis over antisemitisme bij functionarissen en medewerkers van klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Ook hebben instellingen in reactie op de verkenning aangegeven, dat zij nagaan hoe de infrastructuur in den brede beter kan worden ingericht op kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, waaronder Joodse studenten en medewerkers.
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
Ik herken het beeld dat Joodse studenten en medewerkers zich niet (altijd) veilig voelen op de instelling en dat zij daar ernstige gevolgen van ondervinden. Zoals in mijn beantwoording van vraag 2 aangegeven heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding ingesteld, voor de duur van één jaar. De Taskforce heeft gewerkt aan voorstellen om de veiligheid van Joden te bevorderen, in het bijzonder de veiligheid van Joodse studenten op universiteiten, het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten en veiligheidsconsequenties van de sit-ins op ov-stations. De Taskforce heeft onlangs haar eindverslag opgeleverd.7
De Taskforce concludeert dat, ondanks inspanningen van instellingen, Joodse studenten en medewerkers (sociale) onveiligheid ervaren op onderwijsinstellingen. De Taskforce constateert daarbij ook dat Joodse studenten en medewerkers hier ernstige gevolgen van ondervinden, zoals het zich genoodzaakt voelen om de identiteit te verbergen, het mijden van de campus of het stoppen met de opleiding aan de instelling. Ik vind dit onacceptabel. Studenten en medewerkers moeten zich veilig weten op hun onderwijsinstelling.
Er wordt niet gemonitord hoe vaak studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen wegens (ervaren) antisemitisme of onveiligheid. Universiteiten en hogescholen registreren de geloofsovertuigingen van studenten en medewerkers niet. Het is daarom niet bekend hoe vaak en waarom Joodse studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen. Ik vind het van groot belang dat Joodse studenten en medewerkers zich veilig voelen op hun instelling. In de kabinetsreactie op het advies van de Taskforce zal ik hier nader op ingaan.
Het kabinet stuurt uw Kamer in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding.
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Zie antwoord vraag 4.
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Zie ook mijn antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Er worden, zowel door mij als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.8 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook zijn er gesprekken met de veiligheidsdiensten om effectief te kunnen handelen als protesten uit de hand lopen. Ik werk aan een handreiking voor vertrouwenspersonen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Daarnaast bespreek ik het onderwerp en alle lopende acties regelmatig met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en met Joodse studenten en medewerkers.
Zoals aangegeven ontvangt uw Kamer nog een uitgebreide kabinetsreactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding. In deze reactie gaat het kabinet ook in op de aanbevelingen uit het eindverslag.
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inspannen om de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers op de instelling te borgen. Ook zie ik dat er veel acties worden en zijn verricht op dit vlak (zie ook mijn antwoord op vraag 7). Het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en geeft aan dat instellingen acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten9, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek.
De Taskforce geeft ook aan dat er nog verbeteringen mogelijk zijn en doet verschillende aanbevelingen. Zoals aangegeven in beantwoording op voorgaande vragen ontvangt u in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?3, 4, 5
Het spreekt voor zich dat ik het verheerlijken van en het uitspreken van steun aan terreurorganisaties van de hand wijs. Het is verder niet aan mij als Minister van OCW om uitspraken te doen over individuele casuïstiek. Instellingen hebben aangegeven dat zij altijd aangifte doen bij vermoedens van strafbare feiten, en zij studenten en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde docent?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving, ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen. Het is aan een instellingsbestuur om, als werkgever, zo nodig maatregelen te nemen richting haar medewerkers. Het is dan ook niet aan mij als Minister van OCW om het handelen van een instellingsbestuur in een van haar arbeidsrelaties te beoordelen. Ik vind dat in het onderwijs, onderzoek en bij verschillende activiteiten die op instellingen georganiseerd worden van docenten mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren ten aanzien van deze situatie?
Zie mijn antwoord op vraag 10. Daarbij heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.13 In deze brief gaat mijn ambtsvoorganger onder andere in op het gezamenlijk leren van instellingen in de vorm van kennisdeling tussen instellingen, wat bijdraagt aan een gedeelde kennispositie en harmonisering van advisering aan besturen. Daarbij geeft hij aan dat de managers Integrale Veiligheid van de universiteiten wekelijks bij elkaar komen om een gezamenlijk dreigingsbeeld te maken door onder andere de actuele situatie te bespreken en ervaringen, kennis en good practices uit te wisselen. De hogescholen delen kennis en ervaringen met name tussen instellingen die in hetzelfde geografische gebied liggen, tussen instellingen van vergelijkbaar karakter, tussen (vertrouwens)functionarissen en breder in het landelijke Platform Integrale Veiligheid en op bestuurlijk niveau. Zo wordt eenduidig en efficiënt omgegaan met de ontwikkelde kennis en ervaring.
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Zie mijn antwoord op vraag 13 voor een algemene toelichting.
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van zijn?
Wanneer de Inspectie van het Onderwijs na gedegen onderzoek in een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer maatregelen. Het geven van een aanwijzing is het ultimum remedium en dient daarom, net als de inhoud, proportioneel te zijn. Eerst moet worden geprobeerd om het doel van de aanwijzing met een minder zwaar middel te bereiken. In welke gevallen en op welk moment ik overga tot het geven van een aanwijzing moet ik per casus en binnen de context daarvan bezien.
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
De Taskforce Antisemitismebestrijding gaat in haar aanbevelingen ook in op de kennis over antisemitisme bij (vertrouwenspersonen van) instellingen. Zoals aangegeven zal het kabinet aan het eind van het voorjaar uitgebreid reageren op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Het artikel 'Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen' |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen»?1
Ja.
Kunt u het beschreven risico op massale ontsnappingen door oplopende gevechten bevestigen?
In januari hebben er gevechten plaatsgevonden in Noordoost-Syrië tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF). In deze regio bevinden zich ook de opvangkampen en detentiecentra waar aan ISIS-gelieerde personen zich bevinden. Het is inmiddels bekend dat aan ISIS-gelieerde personen zijn ontsnapt; een deel zou in de tussentijd ook weer zijn aangehouden door de veiligheidsdiensten van de Syrische overgangsregering, met ondersteuning vanuit de Verenigde Staten. Het is nog niet bevestigd of hier personen met een Nederlandse link onderdeel van uitmaken. Sinds 30 januari geldt een permanent staakt-het-vuren tussen de Syrische overgangsregering en de SDF. Op dit moment zijn er geen indicaties dat vrouwelijke uitreizigers met een Nederlandse link en hun kinderen, die in de kampen verbleven, zich op dit moment buiten de door de Syrische overgangsregering beveiligde kampen bevinden.
Heeft de Nederlandse overheid zicht op hoeveel Nederlandse jihadisten, veroordeelden en geradicaliseerde familieleden zich daar momenteel nog bevinden?
De situatie in Syrië is erg veranderlijk en de ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Dit maakt snelle informatievoorziening en een accuraat beeld van de ontwikkelingen in Syrië moeilijk. Desalniettemin staan de betrokken nationale en internationale partners goed met elkaar in contact en houden zij de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten om een zo compleet mogelijk beeld te vormen. Dit is de afgelopen tijd gebeurd. Zo is uw Kamer op 19 februari jl. geïnformeerd over de aanwezigheid van mannelijke uitreizigers met een Nederlandse link in Irak.2 Voor de meest recente en openbare aantallen uitreizigers, verwijs ik uw Kamer het recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.3
Acht u het scenario reëel dat ontsnapte Nederlandse IS-strijders opnieuw proberen Europa of Nederland te bereiken, en welke concrete maatregelen zijn getroffen om dit te voorkomen?
Dat is inderdaad een scenario waarmee rekening wordt gehouden. Om onopgemerkte terugkeer te voorkomen zijn verschillende maatregelen getroffen. Het openbaar ministerie heeft waar opportuun tegen alle onderkende uitreizigers met een Nederlandse link een strafrechtelijk onderzoek lopen. Daarnaast is ten aanzien van alle onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daar waar mogelijk is het Nederlanderschap ingetrokken en zijn deze personen ongewenst verklaard. Ook zijn de reisdocumenten van uitreizigers waar mogelijk ongeldig verklaard en staan deze personen gesignaleerd. Alle betrokken veiligheidspartners zijn alert en wordt voortdurend onderzocht waar en op welke wijze eventuele aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.
Kunt u met klem verzekeren dat Nederland op geen enkele wijze actie onderneemt om mannelijke IS-terroristen naar Nederland te halen?
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat berechting van uitreizigers en de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen in de regio moet plaatsvinden. Conform dit standpunt is er intensief contact tussen onder andere het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Iraakse autoriteiten om hierover – binnen de (internationale) wettelijke vereisten – afspraken te maken. Er zijn op dit moment geen voornemens om uitreizigers met een Nederlandse link terug te halen. Indien sprake is van verzoeken tot repatriëring zal het kabinet in iedere casus alle omstandigheden en factoren wegen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de nationale veiligheid. In algemene zin geldt dat mannelijke uitreizigers, ten opzichte van vrouwelijke uitreizigers, een grotere potentiële geweldsdreiging vormen vanwege hun veelal grotere rol in de strijd en gevechtstraining en -ervaring. Dit maakt vanzelfsprekend onderdeel uit van besluitvorming over repatriëring. Deze afwegingen hebben er tot op heden toe geleid dat, in het kader van strafzaken tegen vrouwelijke uitreizigers, alleen vrouwelijke uitreizigers en hun kinderen zijn gerepatrieerd.
In hoeverre wordt actief ingezet op het intrekken van het Nederlanderschap bij jihadisten met een dubbele nationaliteit, en waarom gebeurt dit niet structureel?
Ja, dit kabinet hanteert als uitgangspunt dat mensen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie hun recht op het Nederlanderschap hebben verspeeld. Om die reden is het Nederlanderschap, daar waar mogelijk, van hen afgenomen en zijn zij ongewenst verklaard. Het kabinet zet hier ook in de toekomst onverminderd op in.
Op grond van artikel 14, lid 4 RWN kan het Nederlanderschap worden ingetrokken bij personen die ouder zijn dan 18 jaar, die zich nog in het buitenland bevinden en als uit hun gedragingen is gebleken dat zij zich – na 11 maart 2017 – hebben aangesloten bij een terroristische organisatie die een dreiging vormt voor de nationale veiligheid. In deze gevallen wordt de betreffende persoon tevens ongewenst verklaard op grond van de Vreemdelingenwet en gesignaleerd in SIS III, waardoor legale terugkeer naar Nederland niet mogelijk is.4
Ten aanzien van het intrekken van de Nederlandse nationaliteit geldt dat op verschillende momenten alle dossiers van onderkende uitreizigers zijn doorlopen om te bezien of het Nederlanderschap ingetrokken kon worden op grond van artikel 14, lid 4 RWN. Bij de personen waar dit mogelijk is gebleken is het Nederlanderschap ingetrokken. Gevallen die eerder niet in aanmerking kwamen voor intrekking, kunnen in de toekomst mogelijk wel hiervoor in aanmerking komen als nieuwe informatie beschikbaar komt waarmee aan de juridische voorwaarden wordt voldaan. De betrokken organisaties blijven alert op eventuele nieuwe informatie waardoor intrekking alsnog tot de mogelijkheden kan behoren. Dit heeft in 2024 alsnog geleid tot een intrekking van het Nederlanderschap.5
Bent u bereid als uitgangspunt te hanteren dat personen die zich vrijwillig hebben aangesloten bij IS hun recht op terugkeer naar Nederland hebben verspeeld, en het beleid hier expliciet op aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 6.
De organisatie van chanoekaconcerten en andere concerten met een joods karakter in het Concertgebouw |
|
Annabel Nanninga (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD), Becking |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanvankelijke beslissing van het Concertgebouw in Amsterdam om het jaarlijkse chanoekaconcert van de Stichting Chanukah Concert te cancelen vanwege de aanwezigheid van een zanger uit Israël, omdat hij ook cantor is voor en optreedt bij bijeenkomsten van het Israëlische leger?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het zogenaamde compromis op grond waarvan, naast een eerder programma, het concert met de betreffende cantor alleen in beslotenheid werd gehouden? Hoe beoordeelt u dat het daarmee niet mogelijk is voor niet-genodigden om dit chanoekaconcert bij te wonen?
Ja, wij zijn bekend met het compromis, en dat de viering in een andere vorm doorgang heeft kunnen vinden. Er is uitgebreid overleg gevoerd tussen de partijen. Wij staan positief tegenover het feit dat het is gelukt om tot een oplossing te komen die voor de verschillende betrokken partijen acceptabel is.
Kent u andere voorbeelden van culturele instellingen en zaalverhuurders waarbij de (subsidie-ontvangende) organisatie eist dat individuele artiesten of musici van een groep worden vervangen wegens andere optredens, functies of werkzaamheden in het land van herkomst? Zo ja, welke? Graag een toelichting.
Wij kennen geen vergelijkbare casus waarbij een organisatie verzoekt een individuele artiest te vervangen. Wel zijn er door sommige instellingen keuzes gemaakt om voorstellingen te vervangen die niet aansluiten bij de profilering van de betreffende instelling.
Heeft u kennisgenomen van de manier waarop het chanoekaconcert op 14 december 2025 bij het Concertgebouw heeft plaatsgevonden en dat daarbij rookbommen zijn gegooid en «leve Hamas» werd geroepen?
Ja.
Heeft u gezien dat bij de ingang van het Concertgebouw een bord omhoog werd gehouden met de tekst die de pogrom van 7 oktober 2023 verheerlijkte? Kunt u aangeven wanneer de politie kan optreden tegen het verheerlijken van recente moord- en martelpraktijken en wanneer dergelijke teksten als intimidatie en opruiing kunnen worden bestempeld? Graag een toelichting.
In het wetboek van Strafrecht zijn verschillende uitingsdelicten opgenomen, zoals strafbare vormen van persoonlijke belediging (zie de artikelen 261, 262 en 266 Sr), bedreiging (artikel 285 Sr), groepsbelediging (artikel 137c Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen een groep mensen (artikel 137d Sr) en opruiing (artikel 131 Sr). Het in het openbaar tonen van een bepaald symbool, tekst of afbeelding of het roepen van leuzen kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een uitingsdelict opleveren. Daarvoor is vereist dat de wettelijke bestanddelen van het desbetreffende uitingsdelict zijn vervuld. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht niet zodanig specifiek zijn dat bijvoorbeeld het roepen van leus X of het tonen van symbool Y telkens afzonderlijk strafbaar is gesteld. Ter verzekering van een breed toepassingsbereik zijn de uitingsdelicten vrij algemeen omschreven.
Onder opruiing (artikel 131 Sr) wordt verstaan het aanzetten tot een strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Intimidatie is niet zelfstandig strafbaar gesteld, maar kan afhankelijk van de feiten en omstandigheden een uitingsdelict opleveren. Bijvoorbeeld wanneer de uiting kwalificeert als zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen vanwege wegens hun ras/hun godsdienst/hun levensovertuiging/hun seksuele gerichtheid/hun handicap (artikel 137c Sr). Het wetsvoorstel om verheerlijking van terrorisme strafbaar te stellen ligt op dit moment bij de Raad van State.
De politie en het Openbaar Ministerie (OM) zijn verantwoordelijk voor het ingrijpen bij mogelijke strafbare uitingen tijdens een demonstratie. Of er (direct) ingegrepen kan worden om strafbare feiten te beëindigen, hangt af van de context waarbinnen overtredingen of strafbare feiten plaatsvinden.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat met de andere organisator van een jaarlijks chanoekaconcert in het Concertgebouw (dat jaarlijks plaatsvond in de grote zaal en een van de grootste joodse culturele evenementen in Europa was), The Jewish Amsterdam Chamber Ensemble, het huurcontract al eerder niet was verlengd voor 2025 en dat dit concert daarom dit jaar ook al niet zoals de afgelopen jaren kan doorgaan in het concertgebouw?
De Chanukah-concerten in Het Concertgebouw worden alternerend georganiseerd door de Stichting Chanukah Concerts en door de Stichting Jewish Music Concerts. De Stichting Jewish Music Concerts (organisator van het concert van The Jewish Amsterdam Chamber Ensemble) heeft de Chanukah-vieringen georganiseerd in 2022 en 2024. In 2025 werd de viering door de Stichting Chanukah Concerts georganiseerd.
Hoe beoordeelt u de beslissing van het Concertgebouw om deze concerten te weren, mede in het licht van de vele andere joodse evenementen die worden gecanceld en geweerd, en bijvoorbeeld het feit dat joodse organisaties moeite ondervinden om zalen te huren voor bijeenkomsten?
Voorop staat dat het onacceptabel is als een concert geen doorgang kan vinden wegens een Joods thema of Joodse achtergrond van een organisatie. Culturele instellingen gaan wel zelf over de programmering. Wij zien ook dat de spanningen in de samenleving voor instellingen lastig te hanteren zijn. Om die reden is in het kader van de «strategie bestrijding antisemitisme» een subsidieverzoek ingewilligd van Kunsten«92 in samenwerking met het Verwey-Jonker instituut om de culturele en creatieve sector handvatten te bieden voor het omgaan met maatschappelijke spanningen en polarisatie. Deze is 20 januari 2026 gepubliceerd. Zoals blijkt uit dit rapport, hangt een besluit om iets wel of niet te programmeren naast de kernwaarden in de praktijk ook af van de risico’s op onveiligheid voor medewerkers, bezoekers en artiest/maker/kunstenaar; en mogelijke schade aan materialen en gebouwen. Daarmee heeft dit probleem ook een financieel component (i.e. beveiligingskosten).
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het personeel van het Concertgebouw vorig jaar bij het lustrumconcert heeft gedreigd om niet te werken om zo tot afblazen van dat concert te dwingen en dat de directie bovendien zou hebben geëist dat er geen Israëlische vlaggen zouden worden getoond en dat daarna de samenwerking is stopgezet? Hoe beoordeelt u dat?
Ja, het geplande concert heeft tot ophef onder het personeel geleid. Hoe daarmee wordt omgegaan is aan de organisatie. Wel is het onacceptabel als een concert geen doorgang kan vinden wegens een Joods thema of Joodse achtergrond van een organisatie. Het is daarom goed dat het lustrumconcert door is gegaan.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het Concertgebouw een optreden van het Jerusalem String Quartet in mei vorig jaar aanvankelijk had geannuleerd, na hetze kritiek van de pro-Palestijnse pressiegroepen, omdat men aangaf te vrezen voor demonstraties en de veiligheid, maar zonder dat hierover eerst contact of overleg was gezocht met de Amsterdamse driehoek om die veiligheidssituatie te verbeteren?
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zo een patroon is ontstaan waarbij joodse en/of Israëlische evenementen worden ontmoedigd, afgeblazen en/of geweerd in het Concertgebouw of alleen mogelijk zijn onder druk van allerlei concessies op de inhoud, en ook op veel andere locaties? Welke stappen wilt u zetten om daar een einde aan te maken om ervoor te zorgen dat joodse en/of Israëlische evenementen gewoon veilig en ongestoord kunnen doorgaan?
Ja. Een van de maatregelen in de Strategie Bestrijding Antisemitisme is het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen. Het primaire doel hiervan is dat Joods leven gewoon door moet kunnen gaan in Nederland en dat daarom middelen beschikbaar zijn voor veiligheidsinspanningen die helaas nodig zijn om dit mogelijk te maken. De organisator van het Chanoekaconcert heeft hier in 2025 gebruik gemaakt.
Deelt u de mening dat, wanneer concertzalen of andere podia vrezen voor intimidatie en onveiligheid wanneer daar Joden en/of Israëli’s optreden, het cruciaal is dat men daar niet voor buigt maar juist extra moet inzetten op het laten doorgaan ervan, en dat de overheid dan indien nodig aanvullende maatregelen treft? En zo ja, welke stappen heeft de regering gezet om dat te bewerkstelligen en te laten landen en wat doet de regering om ervoor te zorgen dat die veiligheid dan wordt geboden?
Ja, wij verwachten dat concertzalen of andere podia zich tot het uiterste inspannen om doorgang te geven aan culturele uitingen. De primaire verantwoordelijkheid voor een ordentelijk en veilig verloop van een bijeenkomst ligt bij de organisator en/of accommodatie. Dat geldt ook voor de mogelijke onveiligheid van betrokken personen (publiek, artiesten, personeel, enzovoorts). De burgemeester kan aanvullende maatregelen nemen als de aard en de omvang van de dreiging dermate is dat de organisatie en/of accommodatie hier zelf geen weerstand (meer) tegen kunnen bieden. De burgemeester is namelijk verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid, waar hij in de driehoek samen optrekt met het OM en de politie. Inspanningen van het kabinet zijn erop gericht het lokaal bestuur zo effectief en efficiënt als mogelijk in staat te stellen de lokale veiligheid te vergroten. Binnen dit systeem zijn al extra maatregelen mogelijk, bijvoorbeeld bewaking van instellingen door politie of KMAR wanneer er concrete informatie over onveiligheid is. In het kader van maatregelen verwijzen wij u ook naar het antwoord van vraag 10.
Hoe beoordeelt en hoe betitelt u het wanneer joodse of Israëlische organisaties of evenementen volgens andere standaarden lijken te worden beoordeeld dan andere groepen of nationaliteiten?
Het anders beoordelen op basis van achtergrond of religie van personen, organisaties of evenementen is ontoelaatbaar in een democratische rechtsstaat zoals Nederland dat is. Het is dan ook onacceptabel als een concert, voorstelling of culturele activiteit geen doorgang vindt wegens een Joods thema of Joodse achtergrond van een artiest.
Welke wetten, verordeningen en regelingen, enerzijds in algemene zin, en anderszins in het kader van de subsidies die worden verstrekt vanuit het Rijk, zien op de vraag wanneer een (culturele) instelling mag weigeren om een zaal te verhuren aan bepaalde organisaties of personen vanwege hun achtergrond of positie, en op welke gronden?
Als algemene wet- en regelgeving die op deze vraag van toepassing zijn gelden de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het Wetboek van Strafrecht en de Grondwet. Als specifieke wetgeving voor de culturele instellingen die door OCW worden bekostigd gelden in casu de Wet, het besluit en de Regeling op het specifiek cultuurbeleid (hierna: Wsc, Bsc en Rsc) dan wel de Erfgoedwet en Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen (hierna: Rbr).
Hieruit vloeit voort dat het instellingen vrij staat om te bepalen aan wie zij hun zalen verhuren, tenzij daar specifieke verplichtingen over zijn opgenomen in de subsidieregelingen, dan wel in de verleningsbeschikkingen. Ook geldt dat instellingen niet in strijd met het wetboek van Strafrecht mogen handelen. Dit betekent dat zij bijvoorbeeld niet mogen discrimineren.
In de Wsc, Bsc, Rsc, noch in de Erfgoedwet en de Rbr zijn specifieke regels opgenomen over aan wie culturele instellingen hun zalen mogen verhuren. Ook in de subsidiebeschikkingen voor de culturele instellingen is hierover niets opgenomen.
Tijdens het wetgevingsoverleg van de OCW-begroting, onderdeel Cultuur van 19 januari 2026 is door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap toegezegd dat een verkenning wordt uitgevoerd naar het niet mogen uitsluiten van landen in de subsidievoorwaarden en de mogelijkheid van het korten van subsidie in het geval een land geboycot wordt. De Kamer ontvangt hierover in mei een brief.
In welke gevallen is het in strijd met voorwaarden voor subsidieverstrekking wanneer organisaties weigeren een zaal te verhuren of ruimte te bieden aan een optreden, vanwege de nationaliteit of afkomst van de betreffende personen of organisaties, dan wel vanwege criteria die voor personen met de desbetreffende nationaliteit zeer moeilijk te vermijden of voorkomen zijn? Graag een toelichting.
Wanneer de redenen tot het weigeren om een zaal te verhuren, dan wel de redenen om te weigeren om een ruimte te bieden aan een optreden als strafbare discriminatie zijn aan te merken, dan is ook sprake van strijd met de voorwaarden en verplichtingen waaronder subsidie wordt verleend. Een impliciete voorwaarde is immers dat subsidie-activiteiten niet in strijd met de wet mogen zijn. Er moet dan wel echt sprake zijn van een feit dat strafbaar is onder het Wetboek van strafrecht. Dit is aan het OM en de rechter om te bepalen, niet aan een Minister.
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving waaruit blijkt dat journalisten tijdens de pro-Palestijnse demonstraties rond het chanoekaconcert in Amsterdam zijn belaagd, bedreigd en in hun werkzaamheden zijn belemmerd?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat journalisten op de openbare weg door de politie zijn weggestuurd terwijl zij werden bedreigd en geïntimideerd door demonstranten?
Vindt u het acceptabel dat agenten ervoor kozen om niet op te treden tegen personen die journalisten met geweld en de dood bedreigden, maar wél ingrepen richting de pers?
Hoe beoordeelt u het innemen van een politieperskaart bij een journalist die doelwit was van intimidatie en deelt u de opvatting dat hiermee feitelijk de verkeerde partij werd gesanctioneerd?
Wat zegt het volgens u over de staat van persvrijheid wanneer journalisten moeten wijken «om escalatie te voorkomen» terwijl extremistische demonstranten hun gang kunnen gaan?
Vindt u dat de politie in deze gevallen haar beschermende taak jegens journalisten voldoende heeft ingevuld? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dat oordeel?
Wij achten het van groot belang dat journalisten ook tijdens demonstraties hun werk op een goede en veilige manier kunnen doen. Politie heeft, onder verantwoordelijkheid van het lokaal gezag, een belangrijke rol bij het in goede banen leiden van demonstraties en het waarborgen van de veiligheid van alle aanwezigen, zo ook die van journalisten. In zijn algemeenheid helpt het hierbij als de journalisten hun aanwezigheid bij de demonstratie waar mogelijk vooraf kenbaar maken aan de politie, bijvoorbeeld door het dragen van een geldige Politieperskaart.
Wij vertrouwen hierbij op de deskundigheid van de politie. Wanneer een journalist toch te maken krijgt met agressie of geweld, dan kan er altijd aangifte worden gedaan.
Hoe kijkt u aan tegen het argument van «de-escalatie» wanneer dit er in de praktijk toe leidt dat strafbare feiten tegen journalisten onbestraft blijven?
Afwegingen over de politie-inzet rondom demonstraties worden gemaakt in afstemming met het bevoegd gezag op basis van kennis van de lokale omstandigheden. Het klopt inderdaad dat hierbij dialoog en de-escalatie het uitgangspunt is.
In gevallen waarbij de openbare orde ernstig wordt verstoord of dreigt te worden verstoord, kan de politie overgaan tot beperking van de journalistieke bewegingsvrijheid op een bepaalde plaats. Bijvoorbeeld om de veiligheid van journalisten te kunnen waarborgen. Vanzelfsprekend is de politie terughoudend bij het beperken of aanhouden van journalisten.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat journalisten, joodse organisaties en instellingen niet langer het zwijgen wordt opgelegd door intimidatie en geweld?
Bent u bereid het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten, waaronder strafrechtelijke vervolging, gebiedsverboden en bestuurlijke maatregelen, om deze vormen van intimidatie, vernieling en chantage effectief te bestrijden?
De nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat in de nacht van vrijdag 12 tot zaterdag 13 december vernielingen zijn aangebracht aan drie monumentale panden van de Universiteit van Utrecht, die met rode verf zijn besmeurd?
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat extremisten deze actie op instagram hebben opgeëist door «Palestine Action» en daarbij hebben gedreigd dat de universiteit banden met Israëlische universiteiten moet verbreken of de daders nog veel meer schade gaan veroorzaken («or we will be back and double the damage»)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de universiteit Utrecht op deze manier wordt gechanteerd en wat gaat u doen om Nederlandse universiteiten beter te vrijwaren van dergelijke antidemocratische, extremistische en antisemitische agressie?
Het spreekt voor zich dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) en ik iedere vorm van agressie en geweld of dreiging daarmee van de hand wijzen. Instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting als de veiligheid op de campus te waarborgen. Daarnaast hebben zij in hun Richtlijn protesten universiteiten en hogescholen2 aangegeven het recht om te demonstreren te ondersteunen. Ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen.
Er worden verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Ik heb uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practiceste delen. Ook werkt de Taskforce Antisemitismebestrijding momenteel aan gerichte voorstellen om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. De Taskforce zal dit advies in februari publiceren. Naar aanleiding van dit advies ga ik na of er extra maatregelen nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten te borgen.
Indien sprake is van strafbare feiten zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM) verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging daarvan.
Bent u het eens met de stelling dat universiteiten of andere organisaties onder geen enkele voorwaarde mogen buigen of toegeven aan dergelijke dreigementen?
Het is van groot belang dat instellingen altijd de vrijheid voelen om zelfstandig en weloverwogen de afweging te maken met welke instellingen of organisaties, zowel nationaal als internationaal, zij willen samenwerken of zij de samenwerking willen beëindigen. Dit kan zijn om verschillende redenen en gebaseerd op verschillende criteria, maar altijd in lijn met wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat op sociale media dergelijke dreigementen worden geuit in een poging om de universiteit te chanteren en vindt u dat deze oproepen dienen te worden verwijderd? Graag een toelichting.
Indien er sprake is van bedreiging is dat nooit acceptabel. Als het gaat om strafbare bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) kan dat gemeld worden bij het betreffende online platform om deze te laten verwijderen. Online platformen, zoals social media kanalen, dienen zich te houden aan de Digitaledienstenverordening (DSA). Zo verduidelijkt deze verordening in artikel 16, derde lid, dat een melding van illegale inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moeten zij onmiddellijk handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan kunnen ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Daarnaast kan de officier van justitie op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Dezelfde organisatie, Palestine Action, die nu dreigt met meer vernielingen, heeft eerder vernielingen geclaimd en in het verleden opgeroepen om de terroristen en moordenaars van 7 oktober te eren; welke stappen worden tegen deze organisatie ondernomen?
Zoals de Minister van JenV eerder aan uw Kamer communiceerde naar aanleiding van schriftelijke vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP)4, biedt het demonstratierecht onder geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties om de wet te overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten. Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van geweld en het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van demonstraties en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen, is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan de Minister van JenV of aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Bent u het eens met de stelling dat het dringend noodzakelijk is om alles op alles te zetten om een einde te maken aan de vernielingen, intimidatie en chantage van pro-Palestijnse extremisten, en dus om het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten van politie en justitie om de daders op te sporen, te vervolgen en zwaar te bestraffen? Graag een toelichting.
Binnen onze democratische rechtsstaat is het een groot goed dat eenieder de vrijheid heeft en voelt om zijn mening te laten horen, ook door middel van een demonstratie of protest. Dit grondrecht is echter niet onbegrensd. Waar strafbare feiten worden gepleegd, vormt het strafrecht een duidelijke grens. Het plegen van misdrijven, zoals bedreiging, geweld en openlijke geweldpleging heeft niks te maken met het recht om te demonstreren en hiervoor vindt in beginsel strafvervolging plaats. Opsporing en vervolging van dit soort misdrijven vindt plaats onder het gezag van het OM. Het is aan de opsporingsdiensten hoe in concrete gevallen middelen en capaciteit worden ingezet – daar hebben zowel de Minister van JenV als ik zich niet in te mengen. Aangerichte schade wordt zo mogelijk verhaald op de dader(s); hierover heeft de Minister van JenV eerder richting uw Kamer gecommuniceerd.5
Bent u het eens met de stelling dat vervolging van de daders een zeer hoge prioriteit verdient en op welke manier wordt deze prioriteit opgepakt door de bevoegde instanties? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Eerder werd het Paleis op de Dam eveneens door tuig met rode verf besmeurd, en op dat gebouw staan meerdere camera’s gericht; zijn deze beelden uitgelezen? Hoe loopt het onderzoek naar de daders? Hoe loopt het onderzoek naar de bekladding met rode verf van het Koninklijk Instituut voor de Tropen?
Naar beide incidenten is onderzoek gedaan. Uit die onderzoeken zijn geen mogelijke verdachten naar voren gekomen. Om die reden zijn de onderzoeken beëindigd.
Bent u het eens met de stelling dat inmiddels een patroon is ontstaan van bekladding en vernieling door pro-Palestina extremisten van monumentale panden? Kunt u een overzicht geven van dergelijke vernielingen en bekladdingen door pro-Palestijnse activisten sinds 7 oktober 2023, met een schatting van de schade?
Een dergelijk overzicht is niet te genereren. De registratie door politie en OM van enkel strafbare feiten, maakt het niet mogelijk deze te koppelen aan specifieke acties en/of organisaties.
Hoeveel pro-Palestijnse activisten zijn opgenomen in een persoonsgerichte anti-radicaliseringsaanpak?
In de lokale persoonsgerichte aanpak tegen radicalisering worden personen besproken die een (potentieel) gevaar vormen voor de (nationale) veiligheid, doordat zij vanuit hun ideologische overtuigingen (indirect) geweld legitimeren of de bereidheid hebben om activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen. Activisme valt niet onder de reikwijdte van de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Het besluit over het al dan niet opnemen van een persoon in de persoonsgerichte aanpak radicalisering ligt bij de lokale weegploeg. Deze bestaat uit de betreffende gemeente, politie en het OM. In artikel 5, derde lid, van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten is opgenomen, dat de weging plaatsvindt aan de hand van objectieve criteria, die luiden: de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te propageren, de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische denkbeelden, zijn/haar sociale relaties, de mate van identificatie met een extremistische groep of ideologie en zijn/haar zelfredzaamheid. Aangezien de weging lokaal wordt uitgevoerd, zijn de ideologische motieven van personen die zijn opgenomen in de aanpak enkel op lokaal niveau bekend.
Bent u van mening dat het zaak is om universiteiten extra ondersteuning te bieden om hun gebouwen te beveiligen zolang extremistische clubs dreigen met vernieling en deze ook ten uitvoer brengen? Welke stappen zet u om hier een einde aan te maken?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid op hun instelling. Zij spannen zich dagelijks in om een gedegen invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid. Om instellingen te ondersteunen in de belangrijke verantwoordelijkheid die zij hebben, ga ik met de instellingen aan de slag met de evaluatie van het subsidieprogramma «Integrale Veiligheid» 2016–2023. Het onderzoek besteedt enerzijds aandacht aan de wijze waarop instellingen hun veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek zich nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en de rol van uniformering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid op de instellingen. Dit onderzoek zal inventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma in de instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen worden. Momenteel ben ik in gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van dit onderzoek. Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Ik hecht er aan om, zoals ook vermeld in mijn Kamerbrief d.d. 18 december6, ook hier te benadrukken dat ik het belangrijk vind dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, waar mogelijk, lokaal wordt genomen. Instellingen werken nauw samen met de politie en lokale driehoek. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Hierover kan ik uw Kamer melden dat de hogeronderwijsinstellingen op initiatief van Universiteiten van Nederland (UNL) met de politie momenteel procesafspraken maken over hun onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn onderdeel van de inspanningen die instellingen en politie verrichten om de demonstraties op campussen in goede banen te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen.
Het over de Nederlandse grens zetten van onderschepte personen bij grenscontroles door de Duitse autoriteiten. |
|
Simon Ceulemans (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving over het over de Nederlandse grens zetten van personen door de Duitse autoriteiten?1, 2, 3
Ja.
Hoe zien de bilaterale afspraken tussen Nederland en Duitsland, waar in het artikel van De Gelderlander naar wordt verwezen, eruit en in hoeverre hebben deze betrekking op de zogeheten «koude» overdrachten?
Een overdracht kan plaatsvinden middels een «warme overdracht», waarbij een persoon fysiek wordt overgedragen door de autoriteit van het ene land aan de autoriteit van het andere land, of een «koude overdracht», waarbij deze fysieke overdracht niet plaatsvindt.
Overdrachten van Nederland aan Duitsland en vice versa in het kader van grenstoezicht vinden al jaren op basis van bilaterale afspraken plaats. Deze afspraken zijn van toepassing op zowel «warme» als «koude» overdrachten. Dit is dus niet iets dat met de herinvoering van binnengrenscontroles is gestart.
Wanneer een vreemdeling «warm» wordt overgedragen van Duitsland aan Nederland of vice versa, vindt contact plaats tussen de Duitse en Nederlandse grensautoriteiten over de operationele vormgeving van deze overdracht, waaronder tijd en locatie. Ook bij «koude» overdrachten is er altijd contact.
Het is niet altijd mogelijk om een door Duitsland geweigerde vreemdeling via een «warme» overdracht over te nemen. Bij de keuze of overdrachten «warm» of «koud» gebeuren, wordt rekening gehouden met specifieke doelgroepen, zoals kwetsbare personen. In deze gevallen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In andere gevallen zit deze zorg met name in het faciliteren van de door- of terugreis. In alle gevallen wordt rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen.
Deze overdrachten vinden plaats langs de gehele landsgrens tussen Nederland en Duitsland. Gemeenten waarin deze overdrachten plaatsvinden worden hier niet per geval van op de hoogte gesteld.
Houden deze bilaterale afspraken in dat de handelwijze van beide landen in de praktijk precies hetzelfde is? Zo nee, hoe wijken deze af?
De bilaterale afspraken schrijven een identieke handelwijze voor zowel Nederland als Duitsland voor.
Hoe verhoudt zowel het aantal «warme» als «koude» overdrachten van Duitsland naar Nederland sinds de invoering van de Duitse grenscontroles zich tot het aantal overdrachten vóór invoering van de grenscontroles? Kunt u de overdrachten sinds invoering van de grenscontroles specificeren naar de periode voor en na de aangescherpte Duitse controles in mei?
De Koninklijke Marechaussee (KMar) registreert niet of door Duitsland geweigerde personen worden overgedragen middels een «warme» overdracht of een «koude» overdracht. Sinds de herinvoering van de binnengrenscontroles door Duitsland is het aantal grensweigeringen en overdrachten van Duitsland naar Nederland gestegen, omdat Duitsland relatief veel capaciteit inzet voor binnengrenscontroles.
Hoe is überhaupt zeker of de personen die door de Duitse politie over de Nederlandse grens worden gezet ook daadwerkelijk onderschept zijn toen zij vanuit Nederland de Duitse grens wilden oversteken? Hoe kan dit door Nederland worden geverifieerd, zeker in het geval van «koude» overdrachten?
De KMar staat dagelijks in contact met de Bundespolizei over overdrachten van in het kader van grenstoezicht geweigerde vreemdelingen. Ook bij «koude» overdrachten van Duitsland aan Nederland wordt er door de Bundespolizei altijd contact opgenomen met de KMar.
Wat is er te zeggen over de achtergronden van de betrokken personen? Om welke nationaliteiten gaat het hierbij doorgaans en wat is er bekend over de route die zij hebben afgelegd voordat ze – indien dit inderdaad het geval is – vanuit Nederland de Duitse grens poogden over te steken?
Duitsland weigert personen aan de binnengrenzen die niet voldoen aan de toegangsvoorwaarden van artikel 6 van de Schengengrenscode. Wanneer een persoon vanuit Nederland Duitsland probeert in te reizen en niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, dan wordt deze persoon in regel door Duitsland aan de grens wordt geweigerd en overgedragen aan Nederland. Uit Duitse jurisprudentie lijkt naar voren te komen dat Duitsland daarnaast mensen aan de grens weigert die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoen en zich beroepen op internationale bescherming. De KMar registreert geen gegevens over de nationaliteit van door Duitsland geweigerde personen.
Kunt u aangeven welke personen met welke status, achtergrond, papieren en fase van het asielproces precies door de Duitse overheid worden teruggestuurd naar Nederland en welke niet? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Welke informatie heeft de Duitse grenscontroles opgeleverd over mensensmokkel en in hoeverre wordt deze gedeeld met de Nederlandse politie en het Openbaar Ministerie en betrokken bij de bestrijding en vervolging ervan?
Bij binnengrenscontroles hebben aanhoudingen plaatsgevonden in het kader van migratiecriminaliteit, zoals documentfraude en mensensmokkel. Nederland en Duitsland werken nauw samen om mensensmokkel en andere vormen van grensoverschrijdende criminaliteit tegen te gaan. Hiertoe voeren Nederland (KMar en Nationale Politie) en Duitsland (Bundespolizei en Landespolizei) middels Grensoverschrijdende Politieteams gezamenlijk patrouilles uit. De informatie die hierbij ontsloten wordt, wordt waar mogelijk met de betrokken organisaties gedeeld.
Hoeveel en welke incidenten met personen die door de Duitse politie in Nederlandse (grens)gemeenten zijn afgezet zijn u over de afgelopen twee jaar bekend? Wat was de aard van deze incidenten en hoe is hierop geacteerd?
Het ministerie is bekend met situaties waarbij personen die door Duitsland worden overgedragen aan Nederland onvoldoende worden gefaciliteerd bij hun door- of terugreis en hierdoor niet spoedig kunnen verder reizen. Er is periodiek contact tussen het Ministerie van Asiel en Migratie, de KMar en bestuurders uit de grensregio’s over de gevolgen van binnengrenscontroles voor de grensregio’s. Signalen vanuit de grensregio’s worden zeer serieus genomen. Na recente berichtgeving over overdrachten van door Duitsland geweigerde vreemdelingen is hierover contact geweest tussen het ministerie en bestuurders uit de grensregio’s. Naar aanleiding hiervan heeft de KMar contact opgenomen met de Bundespolizei over de werkwijze bij overdrachten, waaronder over het faciliteren van de door- of terugreis.
Wat doet u op dit moment om de negatieve gevolgen van deze werkwijze voor de inwoners van Nederlandse grensgemeenten tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat uit de ervaringen in onder andere ’s-Heerenberg blijkt dat deze inzet niet toereikend is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende maatregelen gaat u treffen?
Zie antwoord vraag 9.
Het voorstel van Eurocommissaris Brunner voor het verspreiden van asielzoekers over Europa |
|
Diederik Boomsma (CDA), Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het voorstel van Eurocommissaris Brunner ontvangen voor de herverdeling van asielzoekers in het kader van de implementatie van dat deel van het Asiel- en Migratiepact?
Ja
Kunt u deze cijfers en het voorstel voor van de Europese Commissie (desnoods geheim) delen met de leden van de Tweede Kamer?
Het stuk is op 26 november aan uw Kamer aangeboden ter vertrouwelijk inzage.
Kunt u tevens aangeven wat de inzet is van het kabinet ten aanzien van dit voorstel en dat op zo kort mogelijke termijn delen?
Uw Kamer heeft de appreciatie van het kabinet en de inzet ten aanzien van het voorstel ontvangen in de Geannoteerde Agenda voor de JBZ Raad van 7-8 december.
Klopt het dat Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië en Oostenrijk een korting of volledige vrijstelling krijgen, vanwege grote opvangproblemen, zoals de Telegraaf meldt?1
De Commissie heeft vastgesteld dat er sprake is van een significante migratiesituatie in Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië, Oostenrijk en Polen. Deze lidstaten kunnen conform de AMMR bij de Europese Commissie een verzoek doen voor (gehele of gedeeltelijke) vermindering van hun solidariteitsbijdrage, waarover vervolgens de Raad een besluit neemt.
Komt Nederland in aanmerking voor een korting dan wel volledige vrijstelling, en zo nee, waarom niet, gezien de grote opvangproblemen die ook ons land kent? Op grond van welke criteria en argumenten is dit bepaald – en op welke manier is het kabinet in staat geweest daar invloed op uit te oefenen?
Nederland is aangemerkt als een lidstaat waar sprake is van een risico op migratiedruk. Hiermee krijgt Nederland voorrang in de toegang tot de EU Migration Support Toolbox, waar onder andere aanspraak kan worden gemaakt op technische, operationele vanuit de Europese agentschappen en financiële steun.
Voorts heeft Nederland samen met andere lidstaten aandacht gevraagd voor de impact van secundaire migratie. De Commissie heeft daarop in het besluit tevens de mogelijkheid opgenomen om Dublinzaken die niet konden worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat mee te laten tellen voor de solidariteitsbijdrage als daar bilateraal toe wordt overeengekomen.
Welke gegevens heeft het kabinet verstrekt aan de Europese Commissie op basis waarvan die het besluit heeft genomen om ons land wel of geen korting of vrijstelling te geven?
De Commissie beoordeelt of er sprake is van migratiedruk, een risico van migratiedruk of een significante migratiesituatie aan de hand van de informatie zoals opgenomen in artikel 9 in de AMMR. Daarbij maakt de Commissie gebruik van de cijfermatige gegevens die reeds door de lidstaten met het Europees statistiekbureau Eurostat en de agentschappen worden gedeeld. De lidstaten hebben geen aanvullende cijfermatige gegevens hoeven verschaffen.
Kunt u aangeven hoe u de aangenomen motie van het lid Eerdmans (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2062) heeft uitgevoerd?
Zoals aangegeven in de Geannoteerde Agenda voor de JBZ raad van 7-8 december zal het kabinet solidariteit in de vorm van een financiële bijdrage toezeggen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat op 27 november 2025 over de JBZ-raad op 8 en 9 december 2025 en de gevraagde gegevens zo snel mogelijk ter inzake leggen (indien nodig geheim) zodat de leden van de commissie daar kennis van kunnen nemen voorafgaand aan het commissiedebat?
Ja.
Strafbaarstelling illegaliteit |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van o.a. maatschappelijke organisaties over de consequenties van aanvaarding van het amendement van het lid Vondeling (Kamerstuk 36 704, nr. 44)?
Ja
Kunt u ingaan op de uitvoeringsconsequenties van dit amendement, indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, en specifiek ten aanzien van de inzet van het kabinet inzake het bieden van humanitaire hulp aan illegale vreemdelingen?
Het op 1 juli aangenomen amendement van lid Vondeling op het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet houdt in dat middels een wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 niet-rechtmatig verblijf in Nederland strafbaar wordt gesteld. Ook het verlenen van hulp aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen wordt strafbaar. Uiteraard voer ik als Minister de wens van de meerderheid van uw Kamer uit. Het OM gaat over de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, waaronder de handhaving van deze strafbaarstelling. De capaciteit van de uitvoerende ketenpartners, waaronder politie, OM, de Rechtspraak en DJI, is echter beperkt, zoals u weet. Mocht het zo zijn dat er keuzes gemaakt moeten worden vanwege beperkte capaciteit, zal het kabinet de betrokken ketenpartners vragen om in de praktijk prioriteit te geven aan de handhaving ten aanzien van die doelgroepen waarbij het vertrekbelang het grootst is, zoals overlastgevende en/of criminele vreemdelingen die op negatieve wijze in het zicht van de overheid komen en veel ellende veroorzaken voor de samenleving en zij die niet meewerken aan terugkeer. Deze prioritering heeft dan ook betrekking op de mogelijke vervolging voor het verlenen van hulp aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen.
Met deze prioritering kan ik mij voorstellen dat het handhaven op het bieden van hulp door bijvoorbeeld een kerk of het Leger des Heils niet snel aan de orde is. Op deze manier zorgen we ervoor dat illegaal verblijf met prioriteit wordt aangepakt, zodat mensen die hier niet mogen blijven Nederland verlaten. Het Nederlandse beleid wordt daarmee dus strenger en in overeenstemming met de handhaving van onder andere Duitsland, België en Italië.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de stemming?
Ja
Het preventiefonds en schaderegelingen voor ondernemers in Ter Apel |
|
Kati Piri (PvdA), Michiel van Nispen (SP), Queeny Rajkowski (VVD), Diederik Boomsma (CDA), Claudia van Zanten (BBB), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Klopt het dat er recent een bedrag van 800.000 euro aan de gemeente Ter Apel is uitgekeerd voor preventiemaatregelen voor de gemeente Ter Apel en de ondernemers? Klopt het dat dit fonds al bijna is uitgeput na compensatie van reeds gedane investeringen in preventie?
Onlangs is een bedrag van € 0,8 mln. aan de gemeente Westerwolde uitgekeerd. Dit bedrag is onder andere beschikbaar gesteld voor het financieren van preventieve maatregelen. De gemeente heeft aangegeven dit preventiebedrag te besteden aan een leefbaarheidsfonds om Ter Apel weer op de kaart te zetten, winkelbeveiliging, plaatsing van camera’s en weerbaarheidstraining. De gemeente zal – in afstemming met de ondernemers – zorgdragen voor het werkelijk uitgeven van deze bedragen. Daarnaast heeft het Ministerie van Asiel en Migratie ca € 0,8 mln. aan de gemeente uitgekeerd ten behoeve van het overlastbudget voor eerder gemaakte kosten.
Op welke manier denkt u de overige kosten te kunnen financieren?
Zoals beschreven in het antwoord bij vraag 1, is recent circa € 1,6 mln. beschikbaar gesteld aan de gemeente Westerwolde in het kader van het overlastbudget en preventiemaatregelen. Er is bijgedragen aan veiligheidsmaatregelen waaronder winkelbeveiliging in de Hema, Jumbo, Aldi en Lidl in Ter Apel. De inzet van deze preventieve maatregelen bieden een structurele oplossing voor de lange termijn. Naast de uitgekeerde bedragen heeft de gemeente Westerwolde de mogelijkheid tot het aanvragen van een decentralisatie uitkering voor toekomstige financieringen.
Bent u bereid toe te zeggen dat de aanpassingen in de afhandeling van complexe schades (denk aan uitval personeel, schade aan goederen en kantoor) uiterlijk deze zomer zijn geregeld? Zo nee, waarom niet?
Zoals aan de Kamer toegezegd en benoemd in de Kamerbrief op 11 maart 2025, zal de schaderegeling verruimd worden. Een financiële verstrekking uit de tegemoetkomingsfaciliteit aan inwoners en ondernemers uit de gemeente Westerwolde kan, onder omstandigheden, kwalificeren als staatssteun. Het is afhankelijk van de omstandigheden per geval welk type schade in aanmerking komt om vergoed te worden uit de tegemoetkomingsfaciliteit. In bijzondere gevallen kan gedacht worden aan gederfde winst of inkomstenderving. Dit zal per aanvraag beoordeeld worden. Hiermee ontstaat voor ondernemers en bewoners extra ruimte om gebruik te maken van de tegemoetkomingsfaciliteit. Er is een aanvullende opdracht aan het externe bureau verleend, dat de afhandeling van de verzoeken doet.
Bent u bereid om er zorg voor te dragen dat er uiterlijk dit najaar één loket is voor schadeafhandelingen en regelingen voor ondernemers in Ter Apel, zodat ondernemers minder tijd kwijt zijn met aangiftes, rapportages en indienen schades? Hoe wordt de financiering van dit loket geregeld? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van mijn gesprek met de ondernemers uit Ter Apel en gemeente Westerwolde wordt, in samenwerking met de gemeente Westerwolde, de mogelijkheid verkend om bij de gemeente één loket in te richten voor de indiening van verzoeken van compensatie. Dit loket kan als vervanging dienen voor de huidige diverse regelingen ten aanzien van opgelopen schade. Vooruitlopend op de uitwerking van deze verkenning wordt een decentrale uitkering voorbereid waarmee dit initiatief voor één loket gefinancierd kan worden. De gemeente Westerwolde dient hier uiteindelijk een besluit over te nemen. Ik zal mijn uiterste best doen de gemeente Westerwolde te faciliteren in de oprichting van het loket, waar dit nodig zal blijken.
Bent u bereid te bezien of het mogelijk is ook het preventiefonds door ditzelfde loket te laten afhandelen?
Het preventiebudget was een eenmalige verstrekking vanuit het Ministerie van Asiel en Migratie bestemd voor de inzet van preventieve maatregelen. Voor toekomstige investeringen heeft de gemeente Westerwolde de mogelijkheid tot het aanvragen van een decentralisatie uitkering.
Bent u bereid deze vragen, in verband met de benodigde aanpassingen in de meicirculaire, uiterlijk 23 april te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Tienduizenden arbeidsmigranten van buiten de EU zonder papieren in Nederland’ |
|
Pieter Omtzigt (NSC), Diederik Boomsma (CDA) |
|
Marjolein Faber (PVV), Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tienduizenden arbeidsmigranten van buiten de EU zonder papieren in Nederland»?1
Ja.
Erkent u dat het huidige systeem van Registratie Niet-ingezetenen (RNI) structureel misbruikt wordt doordat er geen of gebrekkige controle plaatsvindt op verblijfsrecht, met als gevolg dat duizenden personen zonder rechtmatig verblijf een BSN verkrijgen?
Ik vind het zeer onwenselijk dat onrechtmatig toegang wordt verkregen tot de Nederlandse arbeidsmarkt door met het aan het RNI-loket verkregen BSN rechtmatig verblijf in Nederland en andere rechten te veinzen. Het verrichten van illegale arbeid door arbeidsmigranten maakt hen kwetsbaar voor misstanden en arbeidsuitbuiting. Ik werk samen met de Minister van SZW aan maatregelen naar aanleiding van het nieuwsbericht en eerdere signalen2. Uw Kamer wordt in september daarover geïnformeerd, conform de motie van de leden Saris en Ceder3.
Het is hierbij goed om te benadrukken dat het BSN zelf geen recht geeft op een verblijf in Nederland of het werken in Nederland, maar hiermee ten onrechte een schijn van legaliteit wordt verondersteld. De Wet arbeid vreemdelingen (Wav) verbiedt werkgevers om buitenlandse krachten die geen vrije toegang hebben tot de Nederlandse arbeidsmarkt, zonder geldige tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid voor zich te laten werken. Het maakt niet uit of de betreffende persoon of personen in bezit is/zijn van een BSN.
Het BSN is namelijk een informatieloos nummer, dat geen enkel recht of plicht geeft aan de persoon aan wie het BSN is toegekend. Dat personen zonder rechtmatig verblijf een BSN kunnen krijgen, is noodzakelijk vanwege de manier waarop het contact tussen burger en overheid is georganiseerd. Een BSN is daarin een cruciaal administratief, uniek persoonsidentificerend nummer voor contact van de overheid met de burger en voor eenduidige communicatie tussen overheidsorganen en een aantal niet-overheidsorganen. Ook van mensen die niet (meer) rechtmatig in Nederland zijn, of buiten Nederland wonen, moet de overheid het BSN kunnen gebruiken in processen. Het BSN wordt breed gebruikt binnen de Nederlandse samenleving, niet alleen in overheidsprocessen maar bijvoorbeeld ook in de zorg en financiële sector. De overheid moet er voor zorgen dat mensen die een BSN nodig hebben, er een kunnen krijgen. Om een BSN te kunnen krijgen, moet iemand ingeschreven worden in de Basisregistratie Personen (BRP). Bij registratie in de BRP wordt het BSN toegekend. Dat geldt zowel bij registratie als ingezetene (inwoner van een gemeente), als bij registratie als «niet-ingezetene» (RNI). Bij inschrijving in de RNI, is verblijfsrecht geen voorwaarde. Daarover meer in het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om zo snel mogelijk maatregelen te nemen waarbij het verkrijgen van een burgerservicenummer (BSN) via de RNI alleen nog mogelijk is voor personen met aantoonbaar verblijfsrecht, behoudens strikt afgebakende uitzonderingen (zoals diplomaten)?
Zoals ook bij vraag 2 toegelicht, werk ik samen met de Minister van SZW aan maatregelen. Dit bovenop al eerder ingezette maatregelen om de registratie van niet-ingezetenen (met name arbeidsmigranten) in de Basisregistratie Personen te verbeteren. Bij die maatregelen ligt de nadruk op het verbeteren van het zicht op verblijf van arbeidsmigranten, maar er is ook aandacht voor de kwaliteit van de gegevens en voorkomen van fraude. In de jaarrapportages Arbeidsmigratie4 en in diverse Kamerbrieven5 zijn diverse maatregelen beschreven, waaronder het gaan registreren van verblijfsadressen in de RNI en de inzet van gelaatsscanners bij de RNI-loketten6.
Naar aanleiding van de signalen van misbruik van de RNI-registratie voor (onder andere) onrechtmatige toegang tot de arbeidsmarkt, wordt nu onderzocht hoe drempels opgeworpen kunnen worden om dat zoveel mogelijk tegen te gaan. Het helemaal niet meer verstrekken van BSN’s aan mensen zonder verblijfsrecht (of die verblijfsrecht niet kunnen aantonen) is echter niet wenselijk en niet uitvoerbaar. Hiervoor zijn verschillende redenen.
Ten eerste kan rechtmatig verblijf niet als voorwaarde opgelegd worden aan mensen die in het buitenland zijn (het grootste deel van de niet-ingezetenen verblijft niet in Nederland)7. Er zijn groepen niet-ingezetenen zoals grensarbeiders maar ook andere buitenlandse werknemers die op afstand werken voor een Nederlands bedrijf. Deze personen hebben mogelijk geen (aantoonbaar) verblijfsrecht in Nederland maar hebben wel een BSN nodig. Uitzonderingen maken voor al deze groepen zal tot zeer complexe regelgeving leiden, met veel administratieve lasten voor de overheid en regeldruk voor bedrijven en burgers tot gevolg.
Het is bovendien niet wenselijk rechtmatig verblijf in alle gevallen als voorwaarde te stellen, omdat het de basis onder het BSN-stelsel vandaan haalt. Zoals hiervoor toegelicht is het BSN rechtenvrij en informatieloos. Het enkel verstrekken van BSN’s aan personen met verblijfsrecht zou dat veranderen. Er ontstaan grotere risico’s op het gebied van identiteitsfraude en handel in BSN’s. Het BSN krijgt dan een waarde die het nu niet heeft. Als arbeidsmigranten dan mogelijk het BSN van een ander gaan gebruiken, vermindert daarbij ook het zicht op arbeidsmigranten.
Met betrekking tot uitvoerbaarheid is het probleem dat verblijfsrecht geen statisch gegeven is. Het verblijfsrecht van een persoon kan in de loop van de tijd veranderen, terwijl het BSN onveranderd geldig blijft. Daarmee wordt de «zweem van legaliteit» die aan het BSN gekoppeld wordt door rechtmatig verblijf als voorwaarde te stellen bij inschrijving in de RNI8 alleen maar groter in plaats van kleiner. Een eenmaal toegekend BSN kan – gelet op het feit dat het BSN onmisbaar is voor de administratie van overheidsorganisaties en de eenduidige uitwisseling van persoonsgegevens tussen die organisaties – ook niet worden ingetrokken. Zie voor meer uitleg daarover bij het antwoord op vraag 9 over het «op non-actief zetten» van het BSN.
Bij het gesignaleerde misbruik gaat het uiteraard om mensen die in Nederland zijn. Zij laten zich inschrijven aan een RNI-loket, waar (inderdaad) niet getoetst wordt op verblijfsrecht. Ook hier speelt dat verblijfsrecht geen statisch gegeven is. Veel mensen komen in Nederland aan met een (kortdurend) verblijfsrecht. Het probleem ontstaat pas als mensen langer dan dit verblijfsrecht in Nederland blijven. Het kan dus in de loop van de tijd veranderen, terwijl het BSN al verstrekt is en onveranderd geldig blijft.
Dat geldt overigens niet alleen voor derdelanders maar ook voor werkloze EU-arbeidsmigranten die op grond van Richtlijn 2004/38 geen verblijfsrecht meer hebben, bijvoorbeeld omdat zij zichzelf niet meer kunnen onderhouden. Ook bij inwoners (als ingezetenen geregistreerd in de BRP) kan het verblijfsrecht vervallen, ook dan blijft het BSN geldig, en de inwoner wordt ook niet uitgeschreven uit de gemeente. Dat gebeurt pas bij vertrek naar het buitenland, waarbij de persoon dan wel als niet-ingezetene in de BRP ingeschreven blijft.
Hoe verantwoordt u het feit dat personen die illegaal in Nederland verblijven, blijkbaar met een via de RNI verkregen BSN volledig kunnen deelnemen aan het economisch verkeer – inclusief loonbetaling, bankrekening en belastingaangifte – zonder enige toets op hun verblijfsstatus of -adres?
Zoals hiervoor aangegeven geeft het BSN geen rechten. Als er in de praktijk ten onterechte vanuit wordt gegaan dat het hebben van een BSN een bepaald recht geeft, kan misbruik plaatsvinden. Dat is zeer ongewenst. Er zijn door onder andere de Nederlandse Arbeidsinspectie meerdere casussen aangedragen. Zoals bij vraag 2 al toegezegd, werk ik samen met de Minister van SZW aan maatregelen.
Hoe verklaart u dat in slechts één jaar tijd (2023) vijf RNI-loketten verantwoordelijk waren voor 60% van alle gemelde fraude-incidenten met documenten? Welke maatregelen zijn uitgevoerd om deze fraude te voorkomen? Welke maatregelen bent u van plan uit te voeren om dit te voorkomen?
De gegevens waarop deze constatering is gebaseerd heb ik niet beschikbaar, maar dat een klein aantal loketten de meeste meldingen doet is waarschijnlijk te verklaren door de verschillen tussen de loketten. De 19 RNI-loketgemeenten verschillen onderling van elkaar qua aantallen inschrijvingen per jaar. De vijf grootste RNI-loketten waren in 2023 verantwoordelijk voor bijna 60% van alle inschrijvingen. Dit lijkt de verhouding die wordt geschetst te verklaren.
De RNI-loketten kunnen uiteraard niet voorkomen dat mensen frauduleuze identiteitsdocumenten overleggen aan de balie. Maatregelen richten zich erop deze documenten te herkennen en te voorkomen dat daarmee ingeschreven wordt. Onderkende en gemelde ID- of documentfraudes leiden juist níet tot een RNI-inschrijving en uitgifte van een BSN.
Maatregelen die al eerder zijn genomen zijn gericht op het signaleren, tegengaan en melden van frauduleuze handelingen aan de balie. Alle baliemedewerkers zijn getraind in het beoordelen van de echtheid van identiteitsdocumenten, daarnaast worden alle identiteitsdocumenten door professionele scanapparatuur uitgelezen en op echtheid gecontroleerd. Ook wordt een gezichtsscan gemaakt en automatisch vergeleken met de foto in het identiteitsdocument. In alle gevallen controleert een tweede medewerker de lokethandelingen van de eerste medewerker; dit «vierogenprincipe» wordt door RNI-applicatie afgedwongen en kan niet overruled worden.
Bij twijfel over de echtheid van het document wordt contact opgenomen met het Expertisecentrum Identiteitsfraude en Documenten (ECID). Wanneer fraude geconstateerd wordt, neemt de RNI-loketgemeente contact op met de Politie.
De RNI-applicatie is zodanig opgezet dat een identiteitsdocument dat aan één van de RNI-loketten afgewezen is, automatisch herkend wordt als het daarna nog een keer aangeboden zou worden op een ander moment of aan een van de andere RNI-loketten.
Meer informatie over het proces, waaronder over alle verplichte controles staat in Werkinstructies Registratie Niet-ingezetenen (WIR) die alle loketgemeenten moeten volgen.9
Hoeveel mensen hebben volgens u (desnoods naar uw beste schatting) een BSN en géén recht om te werken?
De Arbeidsinspectie kan alleen informatie uit haar risicogerichte toezichtspraktijk en haar opsporingspraktijk geven. In dat kader heeft de Arbeidsinspectie geconstateerd dat er duizenden derdelanders zijn die niet gerechtigd zijn om in Nederland te werken en via inschrijving in de RNI een BSN hebben verkregen. De Arbeidsinspectie verwijst hierbij naar enkele voorbeelden, zoals de «Braziliaanse casus10» waaraan alleen al ruim 6500 Brazilianen gelieerd worden, de casus met 235 gevallen van fraude met Europese identiteitsdocumenten11, en het bericht over honderden mensen die via uitzendbureaus werkzaam zijn in de schoonmaakbranche12. De Arbeidsinspectie merkt nadrukkelijk op dat – vanwege de hoge aantallen – het misbruik van de RNI-inschrijving meer is dan een marginaal verschijnsel.
Hoeveel signalen over frauduleuze tussenpersonen zijn sinds 2021 actief opgevolgd met strafrechtelijk onderzoek? Hoeveel van deze zaken hebben geleid tot vervolging of veroordeling?
Waarom wordt het nog steeds toegestaan dat personen met een via de RNI verkregen BSN zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK) als zelfstandig ondernemer, terwijl zij aantoonbaar geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben?
Zoals in bovenstaande antwoorden aangegeven, zegt een RNI-inschrijving niets over het rechtmatig verblijf van een persoon. Als het gaat om voorwaarden rondom RNI-inschrijvingen bij de KVK is Uw Kamer daar eerder over geïnformeerd. Op 11 december 2024 is de motie Patijn c.s. ingediend die de regering verzoekt «de beleidsregels voor de KVK aan te passen, zodat zzp’ers zich alleen kunnen inschrijven als zij ingeschreven staan in het bevolkingsregister (BRP)».14 In de kamerbrief van 27 maart jl. heeft de Minister van SZW een reactie gegeven op deze motie.15
Als het gaat om het toestaan van een inschrijving als zzp’er in de KVK van personen met een RNI-inschrijving is het volgende van belang. Het weigeren van een inschrijving als zzp’er in de KVK van een niet-ingezetene is niet verenigbaar met het vrij verkeer van vestiging. Ook niet-ingezetenen – denk bijvoorbeeld aan een persoon die net over de grens woont – hebben het recht om zich te vestigen als zzp’er in Nederland. Als tijdens de inschrijving blijkt dat er mogelijke risico’s zijn op uitbuiting, mensenhandel of mensensmokkel, wordt dit als een risicosignaal doorgegeven aan de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), zoals bepaald in de Handelsregisterwet en beschreven in de memorie van toelichting bij de wijziging van die wet per 1 januari 2020.16 Voorts is de KVK bezig met het versterken van haar Poortwachtersrol, waarbij wordt onderzocht hoe het Handelsregister kan bijdragen aan het voorkomen van schijnzelfstandigheid en arbeidsuitbuiting.
Hoe beoordeelt u het feit dat honderden personen zich via de RNI kunnen inschrijven op een loods of schuur zonder woonbestemming? Waarom blijft het wettelijk toegestaan om willekeurige adressen – die nota bene niet in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) geregistreerd staan – te gebruiken als verblijfsadres?
Registratie van het verblijfsadres in de RNI heeft als doel zicht te krijgen op verblijf in Nederland, het gaat niet om registratie van een formeel woonadres (zoals bij inschrijving bij de gemeente). De registratie op het verblijfsadres betekent niet dat er ook daadwerkelijk verbleven mag worden.
Het tijdelijk verblijfadres is in 2022 ingevoerd in de RNI om beter zicht te kunnen gaan krijgen op de groep niet-ingezetenen die in Nederland verblijft (veelal arbeidsmigranten). Deze mensen zitten vaak in kwetsbare situaties waar misstanden plaatsvinden, en daarom is de aanbeveling van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten opgevolgd om verblijfsadressen te gaan registreren in de BRP.
Het tijdelijk verblijfsadres dat geregistreerd wordt, moet altijd een volledig adres zijn met straatnaam, huisnummer, postcode. Het is inderdaad wel mogelijk om een tijdelijk verblijfadres te registreren dat (nog) niet in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) staat. Juist bij mensen in kwetsbare situaties is het belangrijk te registreren waar ze verblijven, ook al is dat ergens waar het eigenlijk niet gewenst is. Wanneer een dergelijk adres niet geregistreerd zou worden, heeft de betreffende gemeente waar de niet-ingezetene verblijft geen enkele mogelijkheid om ter plaatse adresonderzoek te doen.
Er wordt door BZK samen met gemeenten gewerkt aan maatregelen om de kwaliteit van de verblijfsadressen te verbeteren, onder andere via een experiment met vijf gemeenten die de verblijfsadressen controleren en bijhouden.
Hebben gemeenten anno 2025 nog steeds geen toegang tot vrijwillig opgegeven RNI-gegevens, terwijl dit al in 2023 was toegezegd? Acht u dit aanvaardbaar gezien de omvang van de problematiek? Wanneer zal dat geregeld zijn?
Dit is al geregeld. Gemeenten hebben sinds de invoering van de RNI in 2014 al toegang tot de gegevens van niet-ingezetenen. Gegevens over de tijdelijke verblijfsadressen en contactgegevens van personen kunnen worden opgevraagd met de bestaande systemen. Gemeenten kunnen ook automatisch updates gaan ontvangen vanuit de centrale BRP-voorzieningen over nieuwe en gewijzigde tijdelijke verblijfsadressen. Echter, daarvoor moeten de gemeentelijke systemen worden aangepast en dat is helaas nog niet gebeurd (door de gemeentelijke softwareleveranciers). In de tussentijd heeft de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) ervoor gezorgd dat gemeenten tijdelijke verblijfsadressen kunnen opvragen in selectiebestanden. Op dit moment hebben zeventig gemeenten al een of meerdere selectiebestanden ontvangen.
Bovendien worden op de website van de RvIG de actuele cijfers van de tijdelijke verblijfadressen van niet-ingezetenen van de afgelopen vier maanden getoond17.
Aan de hand van de getoonde aantallen kan de gemeente bepalen of het opportuun is om te ontvangen welke personen zich op welk tijdelijk verblijfsadres hebben laten registreren. Hetzij eenmalig of structureel.
Gemeenten die gegevens willen krijgen of vragen hebben hierover, kunnen zich wenden tot RvIG.
Bent u bereid om het verblijfadres en contactgegevens bij RNI-inschrijving verplicht te stellen, inclusief een verplichting tot adreswijziging bij verhuizing, én gemeenten geautomatiseerd te waarschuwen bij signalen van overbewoning of ongebruikelijke patronen?
Het overgrote deel van de geregistreerden in de RNI woont in het buitenland. Het verplicht stellen van het registreren van een verblijfsadres in Nederland is dus niet als algemene maatregel mogelijk. Denk daarbij ook aan grensarbeiders die zich via een RNI-loket inschrijven.
Zoals bij vraag 2 al toegezegd, laat ik samen met de Minister van SZW aanvullende maatregelen uitwerken. Daarbij wordt ook gedacht aan een verplichte aanwezigheidsmelding (met registratie verblijfsadres) bij verblijf in Nederland. Conform de motie van de leden Vijlbrief en Podt18 wordt daarbij onderzocht in hoeverre het Belgische model toepasbaar is in Nederland en welke juridische, praktische en beleidsmatige aanpassingen nodig zouden zijn.
Automatische signalering bij overbewoning en ongebruikelijke patronen is voor de verblijfsadressen nog niet mogelijk, maar gemeenten kunnen (zoals bij vraag 6 toegelicht) selectielijsten opvragen waarmee ze kunnen zien welke adressen zijn geregistreerd als verblijfsadres en hoeveel personen daar geregistreerd staan. Gemeenten gebruiken dit al in combinatie met gegevens uit de eigen administratie.
RvIG is bezig met verkenning of en hoe de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA)19 kan worden ingezet om de registratie van verblijfsadressen in de RNI te verbeteren. Vanuit LAA worden op basis van profielen signalen naar gemeenten gestuurd over vermoedens van onjuiste registratie op een adres.
Waarom wordt de bestaande verplichting om na vier maanden verblijf in Nederland over te stappen naar een BRP-inschrijving in praktijk niet gehandhaafd? Bent u bereid om het BSN automatisch op non-actief te zetten indien deze overstap uitblijft?
BZK werkt aan het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten, en voert daarbij de adviezen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten uit. Daaronder valt een groot aantal maatregelen, juist om te bevorderen dat arbeidsmigranten zich tijdig gaan inschrijven bij de gemeente. Nu verblijfsadressen beschikbaar zijn, kan onderscheid gemaakt worden tussen verschillende groepen in de RNI (het overgrote deel van de geregistreerden verblijft niet in Nederland, daar zit het probleem niet), kan er gemonitord en gesignaleerd gaan worden. In de jaarrapportage Arbeidsmigranten20 is de stand van zaken van de verschillende maatregelen toegelicht. BZK en SZW zijn ook nog in overleg over extra maatregelen.
Het automatisch op non-actief zetten van het BSN is echter onwenselijk en onuitvoerbaar. Het op non-actief zetten van het BSN in de BRP (eerder ook wel benoemd als «bevriezen», zie ook de schriftelijke beantwoording van vragen bij de behandeling van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten21) gaat onherroepelijk leiden tot ongewenste uitval in ketens, waaronder de loonaangifteketen.
«Op non-actief zetten» (net als intrekken, bevriezen of ongeldig maken) houdt gebruik van een BSN daarbij ook niet tegen. De persoon heeft het BSN immers zelf beschikbaar en kan dit ook delen. Het BSN van een persoon wordt op heel veel plekken binnen en buiten de overheid gebruikt, zit al in administraties, vaak ook zonder koppeling aan de BRP, ook in papieren processen. Werkgevers zullen bijvoorbeeld niet aan een BSN kunnen zien of het mogelijk een status «non-actief» heeft gekregen in de BRP. Organisaties die niet zijn aangesloten op de BRP kunnen niet weten dat het BSN is bevroren; werkgevers ook niet. Organisaties die wel aangesloten zijn op de BRP (of beheervoorziening BSN) zouden een status «bevroren» meegeleverd kunnen krijgen bij het BSN, maar dat moet dan wel kunnen worden verwerkt in de eigen systemen.
In 2021 heeft BZK onderzoek laten uitvoeren naar de impact van wijzigen van een BSN22. De conclusie van dit onderzoek is dat dit zowel voor de burger als voor de overheid een zeer grote impact heeft. Het leidt tot problemen in ketens, zoals de loonaangifteketen.
Klopt het dat gemeenten niet zelfstandig kunnen overgaan tot uitschrijving uit de RNI, zelfs bij fraude of langdurig illegaal verblijf? Waarom is deze juridische leemte nog altijd niet gedicht?
De BRP bestaat uit de gegevens van inwoners van gemeenten (ingezetenen) en de gegevens van niet-ingezetenen (RNI). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de gegevens van hun inwoners, de Minister van BZK is verantwoordelijk voor de RNI. Indien een gemeente vaststelt dat iemand langere tijd in de gemeente verblijft, dan kan de gemeente diegene ambtshalve inschrijven als ingezetene van de gemeente. Een gemeente kan iemand ook «uitschrijven» uit de gemeente. De persoon kan dan of ingeschreven zijn bij een andere gemeente, of de persoonslijst gaat naar de RNI (als er aangifte van vertrek naar het buitenland is gegaan, of ambtshalve nadat de gemeente na onderzoek heeft geconstateerd dat iemand vertrokken is).
Uitschrijven uit de RNI kan niet, niet door de gemeente en ook niet door de Minister. Voor de hele BRP geldt het uitgangspunt: eenmaal opgenomen gegevens blijven opgenomen. Met andere woorden: eenieder die in de BRP wordt geregistreerd (zowel ingezetenen als niet-ingezetenen) blijft erin geregistreerd staan. De gegevens moeten beschikbaar blijven voor de overheid, ook na vertrek naar het buitenland of overlijden. Dat is nodig, zodat de honderden gebruikers van de BRP zaken kunnen afhandelen na vertrek uit Nederland, zodat zij later kunnen bewijzen dat zij beslissingen hebben genomen op basis van de toen geregistreerde gegevens, en zodat burgers (na vertrek uit Nederland) nog steeds zaken af kunnen handelen met overheidsinstanties.
Uitschrijving uit de RNI is daarom niet mogelijk en onwenselijk. Dus ook personen die bijvoorbeeld ongewenst vreemdeling worden verklaard of Nederland verlaten en daardoor niet-ingezetene worden, blijven geregistreerd in de BRP.
Voor zowel RNI als de gemeente is de enige uitzondering op deze regel dat er in gevallen van identiteitsfraude of dubbele registratie een persoon uitgeschreven kan worden. Dan wordt de persoon (of beter gezegd: de persoonslijst in de BRP van die persoon) uit de registratie gehaald.
Hoeveel personen stonden per 1 januari 2025 langer dan vier maanden ingeschreven in de RNI zonder BRP-registratie? Hoeveel van hen zijn (desnoods grofweg) derdelanders zonder verblijfsrecht?
In de RNI staan ongeveer 5 miljoen personen geregistreerd. Het overgrote deel langer dan vier maanden. De viermaandentermijn is voor de meeste geregistreerden niet relevant. Hetzelfde geldt voor verblijfsrecht. Dat licht ik hieronder toe.
De 5 miljoen personen bestaan uit twee groepen. Ongeveer de helft is emigrant. Dit zijn mensen die in Nederland ingeschreven stonden als ingezetene, en vanwege vestiging in het buitenland zijn uitgeschreven. Zij worden dan niet-ingezetene. Of deze mensen verblijfsrecht in Nederland hebben, is in principe niet relevant, want ze zijn niet in Nederland. Uiteraard wordt dat wel relevant op het moment dat ze tijdelijk of permanent terugkeren naar Nederland.
De andere helft bestaat uit mensen die nooit in Nederland hebben gewoond (dat wil zeggen nooit als inwoner van Nederland ingeschreven zijn geweest bij een Nederlandse gemeente). Daarbij kan het gaan om mensen die nooit in Nederland hebben verbleven, denk aan partners van Nederlanders in het buitenland of mensen met slechts een zakelijk belang in Nederland. Of om mensen die slechts tijdelijk in Nederland waren. Voor al deze mensen is het verblijfsrecht in Nederland pas relevant als zij daadwerkelijk voor een langere periode in Nederland gaan verblijven.
In de RNI is alleen een verblijfstitel vastgelegd als de betrokken vreemdeling eerder in het ingezetenendeel van de BRP opgenomen is geweest en vanwege vertrek uit Nederland verhuisd is naar het RNI-deel. In die gevallen wordt de verblijfstitel geactualiseerd door de IND.
In de Migrantenmonitor van het CBS zijn gegevens beschikbaar die inzicht geven in het aantal derdelanders in de RNI die in Nederland aan het werk zijn. Op 31 december 2023 waren er in totaal ruim 43.000 migranten uit derde landen in Nederland aan het werk en ingeschreven als niet-ingezetene in het BRP.23 Dit zegt echter niets over aantallen die zonder verblijfsrecht werken.
Hoe beoordeelt u het feit dat arbeidsmigranten via een frauduleuze RNI-inschrijving een BSN kunnen verkrijgen en daarmee rechten opbouwen die toegang geven tot uitkeringen, terwijl zij feitelijk onrechtmatig in Nederland verblijven? Acht u het aanvaardbaar dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) dergelijke aanvragen in behandeling neemt zonder toetsing aan de BRP-inschrijving?
Met alleen het BSN worden geen rechten opgebouwd. Het BSN wordt gebruikt voor eenduidige uitwisseling van persoonsgegevens tussen overheidsorganisaties en voor persoonsidentificatie/verificatie. Bij een uitkeringsaanvraag controleert UWV of in de BRP een verblijfstitel is vastgelegd.
Hoeveel uitkeringen of toeslagen zijn sinds 2020 verstrekt aan personen die enkel via de RNI geregistreerd stonden, ondanks het ontbreken van een verblijfsstatus die hen daartoe zou kwalificeren?
De registratie in de RNI geeft geen recht op uitkeringen of toeslagen.
Aan het ontbreken van een verblijfstitel in de BRP van mensen die enkel als niet-ingezetene geregistreerd staan, kan niet de conclusie verbonden worden dat zij geen recht op verblijf, werk of een uitkering hebben.
Deze vraag kan zodoende niet beantwoord worden.
De Arbeidsinspectie stelt dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties al jarenlang structureel wordt gewaarschuwd voor misbruik van de RNI, maar dat «er niets verandert» en dat het ministerie «geen plannen heeft om wijzigingen aan te brengen»; klopt dit, en kunt u dat verklaren?
In 2019 en 2024 zijn Bestuurlijke signalen ontvangen waarin knelpunten rond de RNI zijn aangekaart. Per brief van 21 december 202024 heeft de toenmalige Staatssecretaris maatregelen toegelicht, waaronder het gaan registreren van verblijfsadressen in de RNI en de inzet van gelaatsscanners bij de RNI-loketten. Op 13 juni 2024 heeft de Staatssecretaris van BZK mede namens de andere aangeschreven bewindspersonen van Sociale Zaken en Justitie en Veiligheid een reactie gestuurd naar de indieners van een tweede bestuurlijk signaal25. Op de knelpunten en aanbevelingen werd gereageerd en er is een overzicht bijgevoegd van lopende en nieuwe acties26.
Samen met de Minister van SZW laat ik daarbij nog aanvullende maatregelen uitwerken naar aanleiding van het nieuwsbericht en eerdere signalen. Gedacht wordt aan het niet meer registreren van derdelanders aan RNI-loketten. Overigens moet daarbij wel worden opgemerkt dat de processen aan het RNI-loket juist ook bijdragen aan signalering van fraude. De casus met de illegale Brazilianen kwam mede aan het licht door signalen van RvIG vanuit de RNI-loketten. Indien derdelanders helemaal niet meer bij het RNI-loket komen omdat zij niet worden ingeschreven, wordt het nog moeilijker om misstanden te signaleren. Er zijn ook mogelijkheden (blijkt ook uit de uitzending van Nieuwsuur) om illegaal te verblijven zonder BSN.
Bent u het eens met de conclusie van de Arbeidsinspectie dat de huidige RNI-systematiek de arbeidsmarkt ondermijnt en fraude structureel faciliteert? Zo ja, wanneer komt er eindelijk maatregel of wetswijziging die deze praktijken beëindigt?
Ik vind het zeer onwenselijk dat onrechtmatig toegang wordt verkregen tot de Nederlandse arbeidsmarkt door met het aan het RNI-loket verkregen BSN rechtmatig verblijf in Nederland en andere rechten te veinzen. Zoals bij vraag 2 toegezegd, werk ik samen met de Minister van SZW aan maatregelen.
Het is hierbij goed om te benoemen dat het BSN zelf geen recht geeft op het werken in Nederland, maar er hiermee een rechtmatig verblijf wordt geveinsd. De Wet arbeid vreemdelingen (Wav) verbiedt werkgevers om buitenlandse krachten die geen vrije toegang hebben tot de Nederlandse arbeidsmarkt, zonder geldige tewerkstellingsvergunning twv of een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid gvva voor zich te laten werken. Het maakt niet uit of de betreffende persoon of personen in bezit zijn van een BSN. De Nederlandse Arbeidsinspectie controleert of de Wav wordt nageleefd door werkgevers en kan bij overtredingen boetes en sancties opleggen.
Erkent de u dat het faciliteren van een «schijnlegale» status via RNI-inschrijving en BSN-verstrekking arbeidsmigranten structureel afhankelijk maakt van malafide bemiddelaars, uitzendbureaus en werkgevers? Wat gaat u doen om te voorkomen dat het overheidsstelsel bijdraagt aan de instandhouding van uitbuiting en mensenhandel?
Zie het antwoord op vraag 17 en 18.
Wilt u deze vragen uiterlijk woensdag 16 april 2025 15:00 uur (24 uur voorafgaand aan het commissiedebat Regulier Verblijf), één voor één beantwoorden?
Dat is niet gelukt vanwege noodzakelijke informatieverstrekking van, en afstemming met en tussen de ministeries van BZK, SZW en JenV/A&M en de verschillende betrokken uitvoeringsorganisaties.
Het bericht ‘Onlogische, lange en onnodige ritten: misbruik taxivervoer asielzoekers blootgelegd’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Diederik Boomsma (CDA), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onlogische, lange en onnodige ritten: misbruik taxivervoer asielzoekers blootgelegd»?1
Ja.
Wanneer werd hierover een Woo-verzoek ingediend, en klopt het dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers op verzoek van GZA weigerde om die stukken openbaar te maken? Op welke wettelijke grondslag werd openbaarmaking aanvankelijk afgewezen?
Het Woo-verzoek naar medisch taxivervoer is op 30 april 2024 bij het COA ingediend. Onderdeel van de Woo-procedure is dat derden, die bij een document dat voor openbaarmaking in aanmerking komt betrokken zijn, om een zienswijze wordt verzocht. Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) is om deze reden ook om een zienswijze verzocht. Het COA heeft het betreffende document geweigerd op de grond dat het concurrentie- en bedrijfsgevoelige informatie bevat die vertrouwelijk aan het COA ter beschikking zijn gesteld. Openbaarmaking hiervan kan schadelijk zijn voor de opdrachtnemer van het COA. Kennis hiervan bij andere partijen kan ertoe leiden dat zij daarmee hun voordeel zullen doen. Daarnaast ging het om een casus waarbij met openbaarmaking vertrouwelijke en mogelijk tot een persoon herleidbare (medische en persoonlijke) informatie openbaar wordt.
Hoeveel kosten heeft het COA in 2023 en in 2024 gemaakt aan taxiritten voor asielzoekers met een medische indicatie (graag uitsplitsen per jaar)?
In 2023 heeft de GZA voor zittend ziekenvervoer 72.527 ritten (dit is inclusief de retour ritten van de zorginstelling naar het azc) geboekt voor de bewoners met een medische indicatie. De totale kosten hiervan bedroegen € 4.710.433. In 2024 heeft de GZA voor zittend ziekenvervoer 72.257 ritten geboekt, de totale kosten hiervan bedroegen € 4.941.716. Voor schadejaar 2024 betreft dit een voorlopig resultaat, nog niet alle kosten zijn namelijk gedeclareerd.
Voor de volledigheid dient hierbij wel vermeld dat een deel van het jaarlijkse aantal taxiritten dat vanuit het COA wordt geboekt ook ingezet wordt voor zorgvervoer, zie hiervoor verder het antwoord op vraag 7.
Klopt het dat in 2023 11.000 asielzoekers een taxi-indicatie kregen? Zo nee, hoeveel wel?
Uit de meest recente informatie blijkt dat in 2023 in totaal 12.700 asielzoekers de indicatie voor zittend ziekenvervoer kregen van GZA.
Hoeveel asielzoekers vielen in 2023 onder de verantwoordelijkheid van het COA en welk percentage hiervan heeft een taxi-indicatie gekregen?
Het aantal unieke asielzoekers en vergunninghouders onder de verantwoordelijkheid van het COA bedroeg in 2023 94.419 personen. Er waren in 2023 12.700 asielzoekers en vergunninghouders die de medische indicatie voor zittend ziekenvervoer hebben ontvangen. Dit is ca. 13%. Een indicatie is tijdelijk en afhankelijk van de duur behandeling/medische noodzaak.
Met welke medische indicaties kan een asielzoeker een taxi-indicatie krijgen?
De lijst met de indicaties voor zittend ziekenvervoer is onderdeel van de Regeling Medische zorg Asielzoekers (RMA), de volledige lijst is hier te vinden. Een aantal elementen dat op deze lijst staat is bijvoorbeeld:
Op welke manier controleert het COA dat een taxirit daadwerkelijk wordt ingezet voor een medische afspraak?
Het uitgangspunt bij alle ritten zittend ziekenvoer is een medische indicatie. Bij het boeken van een taxirit naar een zorginstelling controleert de Praktijklijn van GZA altijd op de aanwezigheid van een geldige medische indicatie. In sommige gevallen, zoals op de centrale ontvangstlocaties en de Handhavings en Toezichtlocatie (HTL) waar geen medische indicatie vereist is boekt het COA (in plaats van GZA) een taxi voor een asielzoeker die niet zelfstandig kan reizen voor vervoer naar een zorginstelling. De bewoners van de col hebben geen financiële verstrekkingen en alleen recht op medisch noodzakelijke zorg, op basis van oordeel van een arts. Wanneer zij naar het ziekenhuis moeten dan wordt daarom het zittend ziekenvervoer (met een taxi) ingezet. Bewoners van de htl krijgen standaard een zorgtaxi toegewezen als ze naar een zorgverlener buiten de locatie moeten.
In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer er slechts beperkte mogelijkheden zijn voor gebruik van het openbaar vervoer, boekt het COA een taxi voor een asielzoeker voor vervoer naar een zorginstelling. Dit is naar inzicht van de locatie zelf op grond van bijvoorbeeld de fysieke gesteldheid van de bewoner. Wel dient de asielzoeker dan informatie over de medische afspraak te overhandigen aan het COA.
Klopt het dat er niet standaard wordt gecontroleerd of asielzoekers met een taxi-indicatie daadwerkelijk een medische afspraak hebben? Zo ja, waarom vindt er geen check plaats?
Bij het boeken van een medische afspraak door de Praktijklijn GZA waarbij een taxi wordt verzocht, controleert de GZA of sprake is van een medische indicatie. Indien de Praktijklijn GZA zelf geen afspraak boekt omdat het om een vervolgafspraak gaat (bijvoorbeeld in het ziekenhuis), dan kan de Praktijklijn GZA op dit moment alleen de aanwezigheid van een geldige indicatie checken. Het COA en GZA doen momenteel onderzoek of en zo ja welke aanvullende controlemogelijkheden binnen de geldende wettelijke kaders gerealiseerd zouden kunnen worden. Op basis van de signalen is er door het COA opdracht gegeven om vervolgonderzoek te doen naar mogelijke onregelmatigheden.
Hoeveel vermoedens van fraude met taxiritten door asielzoekers met een taxi-indicatie heeft het COA in 2023 en in 2024 onderzocht?
Bij vermoeden van fraude wordt dit onderzocht. GZA heeft naar aanleiding van signalen van fraude met de zorgtaxi’s een onderzoek laten doen. Voor de accountants van GZA en COA is dit onderzoek echter nog niet voldoende. Zij hebben aangegeven in onzekerheid te zijn of er sprake is van onregelmatigheden en dus is er aanleiding voor een vervolgonderzoek dat de komende tijd wordt uitgevoerd. Er is door het COA dus opdracht gegeven om vervolgonderzoek te doen hiernaar.
Klopt het dat er regelmatig sprake is van «spookritten»: ritten die zijn aangevraagd door taxichauffeurs die zich voordoen als asielzoeker? Zo ja, hoe vaak kwam dit in 2023 en 2024 voor en welk bedrag is hiermee gemoeid?
Het COA heeft voor de taxiritten van bewoners een vaste contractpartner. Deze contractpartner is na zorgvuldige Europese aanbesteding tot stand is gekomen. Voor het zittend ziekenvervoer heeft het COA een contract met de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA), onderdeel van Arts en Zorg, en ook deze partij is geselecteerd na zorgvuldige Europese aanbesteding. De GZA heeft een contract gesloten met een zorgverzekeraar die op haar beurt weer contacten heeft gesloten met een tweetal taxibedrijven. Arts en Zorg controleert de medische uitgaven, inclusief taxiritten, vergelijkbaar met de zorgverzekeringswet, op formele aspecten en materiele aspecten op basis van een risicoanalyse aan de hand van een jaarlijks vastgesteld controleplan. Het COA stelt jaarlijks een controleprotocol vast, op basis waarvan de onafhankelijke accountant van Arts en Zorg de zorgkosten van asielzoekers controleert. De accountant van Arts en Zorg wordt jaarlijks gereviewd door de onafhankelijke accountant van het COA. De uitkomst van de review kan voor het COA aanleiding zijn om het controleprotocol aan te scherpen.
Voor het COA geldt, dat het daadwerkelijk boeken van een taxi veelal lokaal plaatsvindt. Gecontracteerde vervoerders hebben een verplichting naar het COA om te melden wanneer sprake is van een vermoeden dat taxichauffeurs niet bonafide zijn. Zij hebben inzicht in de ritten van de chauffeurs en geven ook annuleringen en no shows door aan het COA. Aangezien er vooralsnog geen indicaties zijn van grootschalige fraude met spookritten, ligt het voor het COA niet direct voor de hand om een controlesysteem hierop in te richten. Wel monitort het COA de signalen en zal hiernaar handelen wanneer daar reden toe is. Verder is er wel opdracht gegeven tot vervolgonderzoek naar eventuele onregelmatigheden ten aanzien van de taxiritten.
De GZA boekt als gesteld uitsluitend de taxi’s voor zittend ziekenvervoer. Of hiervoor aanvullende controlemaatregelen nodig zijn, zal moeten blijken uit het vervolgonderzoek dat zoals aangegeven bij de beantwoording op vraag 9 de komende tijd plaats zal vinden.
Controleert het COA of taxichauffeurs bonafide zijn? Zo ja, hoe vindt deze controle plaats? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit te regelen?
Zie antwoord vraag 10.
Hoeveel vermoedens van spookritten heeft het COA in 2023 en 2024 onderzocht?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft het boeken van spookritten door taxichauffeurs bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke consequenties?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe vaak heeft het COA in 2023 en in 2024 aangifte gedaan tegen taxichauffeurs voor het aanvragen van spookritten?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat een taxi-indicatie alleen bedoeld is voor asielzoekers die vanwege medische redenen onder geen enkele andere voorwaarde gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden genomen zodat er beter gecontroleerd wordt op de taxi-indicatie?
Het uitgangspunt bij alle ritten zittend ziekenvoer is een medische indicatie die wordt verstrekt door het GZA. Voor overige taxiritten was tot nu toe het uitgangspunt dat hier terughoudend mee wordt omgegaan. Bewoners konden om diverse redenen gebruik maken van regulier taxivervoer, bijvoorbeeld bij afspraken inzake de asielprocedure of vervoer naar een zorgverlener zonder medische indicatie.
Ik ga snoeien in de reguliere taxiritten. Daarom start het COA per 1 juni met de standaard dat bij ritten om niet medische redenen uitsluitend gereisd kan worden met het openbaar vervoer, tenzij het onmogelijk is om door middel van openbaar vervoer op de gewenste tijd op de betreffende plaats te verschijnen. De uitzondering geldt alleen voor ritten naar de IND. Taxivervoer kan ook noodzakelijk zijn in het kader van terugkeer en vertrek en in acute spoedsituaties. Ik merk hierbij nadrukkelijk op dat deze ritten afzonderlijk worden gewogen.
De bezuiniging op Vluchtelingenwerk |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Minister Faber bezuinigt miljoenen op juridische begeleiding van asielzoekers» en klopt dat bericht?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht.
Waarom is dit niet eerst met de Tweede Kamer besproken en aan de Kamer voorgelegd?
Voor 2025 is een bedrag van circa 13 miljoen euro voor VWN beschikbaar op de begroting van AenM, terwijl VWN voor 2025 een subsidie van 34 miljoen euro heeft aangevraagd. In lijn met de systematiek in eerdere jaren, is voor 2025 het volledig beschikbare budget (13 miljoen euro) aan VWN beschikt. Het toekennen van een subsidie binnen de beschikbare financiële kaders vergt geen expliciete goedkeuring van de Kamer.
In voorgaande jaren was de aanvraag van VWN ook hoger dan het beschikbare bedrag op de begroting en is ook het volledig beschikbare budget aan VWN (11,6 miljoen in 2023 en 12,4 miljoen in 2024) beschikt. In 2023 en 2024 is later een aanvullend subsidiebedrag toegekend doordat bij de voorjaarsnotabesluitvorming extra middelen voor VWN beschikbaar zijn gesteld. Zo is in 2024 in aanvulling op de 12,4 miljoen euro voor VWN op mijn begroting een aanvullende subsidie verstrekt bij de voorjaarsnota van 10 miljoen euro en een loonprijsbijstelling van 0,6 miljoen euro. waardoor in totaal ca. 23 miljoen euro subsidie aan VWN is toegekend.
Het structurele beschikbare budget voor VWN is al enige jaren gelijk, afgezien van de verhogingen als gevolg van loon- en prijsbijstellingen. In 2024 was dit 12,4 mln. en in 2025 is dit 13 miljoen euro geworden door de loonbijstelling van ca. 6 ton.
Omdat Rijksbreed bezuinigingen zijn ingezet heb ik voor 2025 kritisch gekeken naar de hoogte van het subsidiebedrag voor VWN. Ik heb naar aanleiding hiervan besloten om VWN dit jaar geen aanvullend bedrag bovenop het reeds beschikbare bedrag van circa 13 miljoen euro toe te kennen. In 2024 zijn op ambtelijk niveau meerdere gesprekken met VWN gevoerd over het beschikbare budget op de begroting van AenM voor 2025. VWN is in een besluit van 21 mei 2024 geïnformeerd dat het beschikbare financiële kader vanaf 2025 terugvalt naar 12.366.000 miljoen euro. Op 19 december jl. is VWN formeel per subsidiebeschikking geïnformeerd over het te ontvangen bedrag voor 2025 van maximaal circa 13 miljoen euro.
Wanneer is het besluit genomen en wanneer is Vluchtelingenwerk geïnformeerd over dit besluit?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de onderbouwing van het besluit om de subsidie aan Vluchtelingenwerk zo sterk in te korten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn de verwachte gevolgen van dat besluit?
Welke andere organisatie zou de taken die tot dusverre werden uitgevoerd door Vluchtelingenwerk met die subsidie dan gaan uitvoeren of is daar geen zicht op?
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft aangegeven dat dit grote gevolgen heeft voor de druk op de asielketen en ook extra druk legt op die organisatie?
Klopt het dat de IND taken moet overnemen van Vluchtelingenwerk? Zo ja, is de uitvoerbaarheid daarvan bekeken?
Is er een plan om de taken die nu worden uitgevoerd door Vluchtelingenwerk over te laten nemen door IND, COA en/of andere organisaties? Zo ja, kunt u dat plan aan de Tweede Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Waarom is niet gekozen voor een overgangsperiode?
Kunt u deze vragen één-voor-één, uiterlijk 24 uur vóór aanvang van het commissiedebat over vreemdelingen- en asielbeleid van 5 februari a.s. beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.