De levensbedreigende gezondheidstoestand van de Palestijnse arts dr. Hussam Abu Safiya in Israëlische detentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat dr. Hussam Abu Safiya, directeur van het Kamal Adwan-ziekenhuis te Gaza, na achttien maanden Israëlische detentie in kritieke, levensbedreigende toestand verkeert, en volgens zijn advocaat vrijwel onherkenbaar, ernstig verzwakt en zichtbaar gewond is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat dr. Abu Safiya sinds zijn arrestatie op 27 december 2024 zonder aanklacht of proces wordt vastgehouden, op grond van de Israëlische wet op Unlawful Combatants, de detentie voor onbepaalde tijd zonder juridische toetsing mogelijk maakt?
De situatie van dr. Abu Safiya past binnen het beeld en de zorgen die het kabinet heeft ten aanzien van de toepassing van arbitraire detentie. Het kabinet acht het gebruik van administratieve detentie door Israël, alsook de duur en schaal hiervan, zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting Israël.
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie dat de gevangenhouding van dr. Abu Safiya in strijd is met internationale mensenrechtenverdragen zoals het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, alsmede hun oproep hem onmiddellijk vrij te laten? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?2
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het langdurig vasthouden van een persoon zonder aanklacht, zonder regulier strafproces en op grond van geheim bewijs dat niet door de verdediging kan worden betwist, fundamenteel in strijd is met het recht op vrijheid en een eerlijk proces? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de oproep van VN-experts en Amnesty International dat dr. Abu Safiya onmiddellijk moet worden vrijgelaten? Zo nee, welke concrete feiten rechtvaardigen volgens u zijn voortdurende detentie zonder aanklacht of proces?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de verklaring van zijn advocaat Nasser Odeh dat dr. Abu Safiya nauwelijks herkenbaar is als gevolg van ernstige verwondingen en ernstig gewichtsverlies, dat hij zich nu sinds een maand in eenzame opsluiting bevindt en dat hij tegen zijn advocaat heeft verklaard dat hij naar de Rakefet ondergrondse gevangenis is overgebracht om te worden vermoord?
Dit zijn zorgelijke berichten en beelden. Het kabinet onderstreept dat het menslievend behandelen van gevangenen een van de basisregels van het humanitair oorlogsrecht is, en dat daarnaast ook op basis van de mensenrechten, onder andere op basis van artikel 7 IVBPR, niemand mag worden onderworpen aan folteringen, of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
Hoe verhoudt de behandeling van dr. Abu Safiya zich tot de verplichtingen van Israël onder de Vierde Conventie van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd en het absolute verbod op foltering?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de arrestatie van medisch personeel tijdens de uitoefening van hun taken een ernstige schending vormt van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
Volgens het humanitair oorlogsrecht moet geneeskundig personeel onder alle omstandigheden worden ontzien en beschermd, tenzij deze buiten hun humanitaire taak voor de vijand schadelijke handelingen verricht.
Heeft de Nederlandse regering sinds de arrestatie van dr. Abu Safiya op 27 december 2024 bij de Israëlische autoriteiten geïnformeerd naar zijn verblijfplaats, gezondheidstoestand, detentieomstandigheden en juridische status? Zo ja, wanneer, op welk niveau en met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet brengt zorgen op het gebied arbitraire detentie, de detentieomstandigheden zelf, en het gebrek aan toegang tot gevangenen, met regelmaat op bij de Israëlische autoriteiten. De Nederlandse Mensenrechtenambassadeur heeft o.a. deze zorgen bij Israël opgebracht tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november. Daarnaast heeft de Europese Unie Israël recentelijk aangesproken op de zaak van dr. Abu Safiya. Middels een lokale verklaring met gelijkgestemde landen heeft Nederland eveneens aandacht voor zijn casus gevraagd en Israël opgeroepen alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur met spoed te ontbieden en te eisen dat dr. Abu Safiya onmiddellijk toegang krijgt tot onafhankelijke artsen, zijn advocaten, zijn familie en het Internationale Comité van het Rode Kruis?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid van Israël te verlangen dat een onafhankelijk medisch onderzoek plaatsvindt, waarvan de bevindingen aan zijn familie en juridische vertegenwoordigers worden verstrekt, en dat hij onmiddellijk wordt overgebracht naar een geschikte medische instelling wanneer zijn gezondheidstoestand dat vereist?
Het kabinet verlangt dat eenieder de juiste medische hulp ontvangt, zie ook het antwoord op vragen 6 en 7. In de lokale verklaring met gelijkgestemden roept Nederland Israël ook op alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid om bij de Israëlische regering, bilateraal dan wel in EU-verband, aan te dringen op de onmiddellijke vrijlating van dr. Abu Safiya, op toegang tot adequate medische zorg en juridische bijstand voor alle Palestijnse gedetineerden, en op onafhankelijk onderzoek naar de omstandigheden van zijn detentie?
Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de zorg dat de arrestatie en behandeling van dr. Abu Safiya onderdeel vormen van een breder patroon van aanvallen op de Palestijnse gezondheidszorg en de detentie van Palestijnse artsen en andere zorgverleners? Hoe beoordeelt u in dit verband de berichtgeving dat minstens veertien artsen uit Gaza al langer dan een jaar zonder aanklacht door Israël worden vastgehouden?
Het kabinet ziet inderdaad dat er herhaaldelijk sprake is van beperking van handelen van medisch en humanitair personeel, in Gaza en wereldwijd. Het kabinet maakt zich hier ernstig zorgen over. Zie ook de antwoorden op vragen 2 t/m 8.
Bent u bereid bij Israël een volledige lijst op te vragen van alle uit Gaza gevangengenomen Palestijnse zorgverleners, met vermelding van hun verblijfplaats, juridische status, gezondheidstoestand, toegang tot advocaten en medische zorg en eventuele tegen hen ingediende aanklachten?
Het monitoren en documenteren van behandeling en detentieomstandigheden van gedetineerden valt binnen het mandaat van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Nederland zet zich daarom consequent in voor de toegang van het ICRC tot Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten.
Welke consequenties verbindt u eraan wanneer Israël geloofwaardige beschuldigingen van foltering en mishandeling niet onafhankelijk laat onderzoeken en de verantwoordelijken niet vervolgt? Bent u bereid in dat geval te pleiten voor gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische functionarissen en leidinggevenden binnen het gevangeniswezen?
Zoals u stelt is het aan het land zelf onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet constateert eveneens dat Israël tekort schiet in het doen van onderzoek hiernaar. Dit onderstreept het belang van de lopende onderzoeken en processen via bestaande internationale organisaties en onderzoeksmechanismen naar de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden, waaronder het onderzoek van het Internationaal Strafhof en het werk van de Commission of Inquiry. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Deelt u de opvatting dat Nederland geen militaire, veiligheids- of andere samenwerking mag onderhouden met Israëlische diensten of instellingen die betrokken zijn bij willekeurige detentie, foltering of andere ernstige mensenrechtenschendingen? Bent u bereid de bestaande samenwerking hierop met spoed door te lichten?
Bilaterale samenwerking die Nederland aangaat met Israëlische partijen vindt plaats binnen het kader van het (inter)nationaal recht. Het kabinet beoordeelt de samenwerking op verschillende terreinen ook binnen dit kader.
Bent u bekend met het antwoord van uw voorganger Van Weel dat het kabinet zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten en dat het kabinet de zorgen deelt die door het VN-Comité tegen foltering zijn gepresenteerd in hun concluding observations on the sixth periodic report of Israel van 22 december 20253. Welke stappen heeft het kabinet nadien richting Israël ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Nederland heeft samen met Canada Syrië voor het Internationaal Gerechtshof gedaagd wegens schending van het VN-Verdrag tegen Foltering. Welke juridische of feitelijke reden bestaat er om ernstige en structurele meldingen van foltering van Palestijnse gevangenen door Israël niet met een vergelijkbare mate van urgentie, consequentie en bereidheid tot internationale aansprakelijkstelling te behandelen? Welke uitvoering hebben jullie aan de aangenomen motie Teunissen over «ondeonderzoeken welke juridische stappen Nederland kan zetten opdat Israël het Verdrag tegen foltering van de Verenigde Naties naleeft»?4
Zoals uw Kamer onder meer is medegedeeld in het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025, kan geen van de verdragspartijen stappen zetten die leiden tot een bindende uitspraak van een internationaal hof of tribunaal over de naleving door Israël van het Antifolteringverdrag. Het verschil tussen Syrië en Israël is in dit geval dat Israël een voorbehoud heeft gemaakt bij de geschillenbeslechtingsclausule van artikel 30 van het Antifolterverdrag. Als gevolg daarvan bestaat geen mogelijkheid tot bindende geschillenbeslechting met Israël over de naleving van dit verdrag.
Dit neemt niet weg dat het kabinet bij Israël consequent wijst op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Welke mogelijkheden ziet u om onafhankelijk internationaal onderzoek naar de arrestatie, detentie en behandeling van dr. Abu Safiya te ondersteunen, onder meer door VN-mechanismen, het Internationaal Strafhof en Palestijnse en Israëlische mensenrechtenorganisaties?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human rights Inquires Branch, ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast in 2026 het landenkantoor van het OHCHR in de Palestijnse Gebieden met iets meer dan EUR 2 miljoen. De afgelopen paar jaren heeft Nederland een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van in totaal EUR 6 miljoen, voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. In verband met de onafhankelijkheid van het Strafhof is het niet mogelijk vrijwillige bijdragen te oormerken voor specifieke onderzoeken. Ten slotte steunt Nederland verschillende Israëlische en Palestijnse organisaties die bijdragen aan het verzamelen van feiten ten aanzien van vermeende schendingen van het internationaal recht.
Bent u bereid Israël te verzoeken al het bewijsmateriaal veilig te stellen dat betrekking heeft op de detentie en behandeling van dr. Abu Safiya, waaronder medische dossiers, camerabeelden, registraties van overplaatsingen en namen van betrokken functionarissen en bewakers?
Het kabinet roept Israël consequent op onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het veiligstellen van bewijsmateriaal is relevant voor het doen van onderzoek. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vragen en antwoorden met eenzelfde strekking zijn gecombineerd.
Bescherming van Bonaire tegen de klimaatcrisis |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel over het bezoek van premier Jetten aan Bonaire1, bezien in samenhang met het nieuwe rapport van Greenpeace waaruit blijkt dat de kosten van klimaatverandering op Bonaire in de toekomst fors zullen oplopen2?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat u naar Bonaire afreist met niets meer dan woorden, terwijl de inwoners van het eiland al jaren wachten op daadwerkelijke bescherming tegen de gevolgen van de klimaatcrisis?
Het bezoek van de Minister-President aan Bonaire stond in het teken van kennismaking, er hebben geen specifieke gesprekken plaatsgevonden over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie. Wel is uiteraard geluisterd naar de punten van zorg die tijdens de gesprekken aan de orde kwamen.
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in als het gaat om klimaatadaptatie op Caribisch Nederland, bijvoorbeeld door in op het vaststellen van een klimaatadaptatieplan om ervoor te zorgen dat Caribisch Nederland klimaatbestendig is, nu en in de toekomst. Het kabinet streeft ernaar om nog dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie vast te stellen, waarin nadrukkelijk aandacht is voor Caribisch Nederland. Ook zet dit kabinet de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland voort, zoals aangegeven in het coalitieakkoord. Zie ook het antwoord op de vragen 10 en 11.
Welke boodschap denkt u af te geven aan de inwoners van Bonaire door in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak in de klimaatzaak, terwijl diezelfde inwoners juist dringend meer bescherming nodig hebben?
Het kabinet is na een zeer zorgvuldige afweging tot de conclusie gekomen dat er zwaarwegende (juridische) redenen zijn voor het laten toetsen van de uitspraak door het gerechtshof Den Haag. In de Kamerbrief van 10 april3 is een toelichting gegeven op de redenen van het kabinet voor het instellen van hoger beroep. Daarnaast zijn de acties beschreven waar het kabinet op inzet, zowel op het gebied van klimaatmitigatie in Europees Nederland als op klimaatadaptatie van Caribisch Nederland. Het kabinet kan zich voorstellen dat de keuze om in hoger beroep te gaan hard aankomt bij de inwoners van Bonaire. Het kabinet hecht er daarom aan om uit te spreken dat zij oog heeft voor de zorgen die de inwoners van Caribisch Nederland hebben over klimaatverandering en deze uiterst serieus neemt. Dit vertaalt zich in het handelen van dit kabinet. Het kabinet gaat door met alle inspanningen op het gebied van klimaat, zowel op het gebied van mitigatie als adaptatie. Inhoudelijk zet het kabinet de komende jaren in op het klimaatbestendig maken van Bonaire.
Begrijpt u dat het hoger beroep door veel inwoners van Bonaire zal worden ervaren alsof de Staat hun veiligheid, gezondheid en toekomst nog altijd niet serieus neemt?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat Caribisch Nederland bij een volgend bezoek opnieuw met lege handen blijft achter in beleid, bescherming en middelen?
Het klimaatadaptatiebeleid voor Bonaire staat los van de vraag of de Minister-President in de toekomst Bonaire nog zal bezoeken. Zie voorts het antwoord op de vragen 10 en 11. Ook zet dit kabinet de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland voort, zoals reeds aangegeven in het coalitieakkoord.
Kunt u aangeven welke gesprekken er zijn gevoerd met het Openbaar Lichaam Bonaire over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie? Hoe zijn deze gesprekken verlopen?
Het bezoek van de Minister-President aan Bonaire stond in het teken van kennismaking, er waren geen specifieke gesprekken voorzien over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie.
Overweegt u de eilanden nog eens in de zomer te bezoeken, zodat u zelf kunt ervaren hoe ondraaglijk de hitte daar werkelijk kan worden?
Het klimaatadaptatiebeleid en meer specifiek het hittebeleid staat los van de vraag of de Minister-President in de toekomst Bonaire nog zal bezoeken.
Waarom kiest u ervoor om tijd en geld te steken in een hoger beroep, terwijl die energie ook direct kan worden ingezet voor uitvoering, bescherming en financiering van urgente maatregelen op Bonaire?
In de Kamerbrief van 10 april jl. heeft het kabinet aangegeven dat het na een zeer zorgvuldige afweging tot de conclusie gekomen dat er zwaarwegende (juridische) redenen zijn om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag. Ongeacht hoger beroep zet het kabinet zich in voor een klimaatbestendig Bonaire. Er wordt onder meer al ondersteuning geboden aan Bonaire bij het maken van plannen, het nemen van maatregelen en het uitvoeren van onderzoek. Het kabinet zal deze ondersteuning dan ook voortzetten.
Deelt u de conclusie van Greenpeace dat de kosten voor bescherming van Bonaire fors kunnen oplopen als nu niet wordt ingegrepen? Zo nee, op welke grond wijkt u daarvan af?
Het klopt in algemene zin dat investeren in klimaatadaptatiemaatregelen minder kost dan de schade die deze investeringen veroorzaken. Met deze maatregelen kan ook de schade worden beperkt die veroorzaakt wordt door natuurrampen zoals overstromingen en orkanen. Let wel, adaptatiemaatregelen kunnen ook inhouden dat bepaalde functies op termijn verplaatst moeten worden naar minder risicovolle locaties. Zie voorts het antwoord op de vragen 10 en 11.
Welke nieuwe feiten of omstandigheden uit het recente rapport van Greenpeace zijn voor u aanleiding geweest om de schade en kosten van uitblijvend beleid op Bonaire opnieuw te beoordelen?
Eind mei is het Klimaatplan Bonaire aangeboden aan het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire. Dit plan is opgesteld in opdracht van het Openbare Lichaam met ondersteuning van het Rijk. In dit plan zijn voorstellen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Het rapport van Greenpeace4 verscheen kort voor de aanbieding van het Klimaatplan Bonaire. Het kabinet zal bestuderen of dit rapport aanvullende elementen bevat die niet in het Klimaatplan Bonaire zijn meegenomen.
Kunt u aangeven welke concrete aanvullende maatregelen u op korte termijn neemt om Bonaire beter te beschermen tegen zeespiegelstijging, droogte, hittestress en andere klimaatrisico’s?
Het Rijk neemt continu maatregelen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Op Bonaire gaat het bijvoorbeeld om ondersteuning bieden aan het grootschalig herstel van regenwateropvang, ondersteuning aan de lokale GGD voor het opstellen van een hitteplan en onderzoeken ten behoeve van lange termijn verkenningen over de gevolgen van zeespiegelstijging. Daarnaast maakt klimaatadaptatie onderdeel uit van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland. De tweede fase hiervan wordt momenteel vormgegeven, hierover zal de Kamer dit najaar verder worden geïnformeerd.
Op het gebied van adaptatie zet het kabinet in op het vaststellen van het klimaatadaptatiebeleid, inclusief Caribisch Nederland. Het kabinet streeft ernaar om nog dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie vast te stellen, waarin nadrukkelijk aandacht is voor Caribisch Nederland, inclusief een uitvoeringsprogramma.
Klimaatadaptatie is een gedeelde verantwoordelijkheid. Net als gemeenten in Europees Nederland heeft ook het openbaar lichaam Bonaire een belangrijke rol bij de uitvoering van klimaatadaptatiemaatregelen. Dit geldt met name voor laagdrempelige maatregelen, zoals het tegengaan van hittestress, het vergroten van groen voor verkoeling en het beter opvangen van hevige regenval.
Bent u bereid om de financiering voor de bescherming van Bonaire structureel te borgen door deze onder te brengen in het Deltafonds of een vergelijkbare systematiek van meerjarige begrotingsreserveringen in plaats van te werken met incidentele bijdragen?
De bepalingen over het Deltafonds zijn onderdeel van de Waterwet. De reikwijdte van de Waterwet is beperkt tot Europees Nederland. Hierdoor maken de BES-eilanden (Caribisch Nederland) geen onderdeel uit van de scope van het Deltafonds. Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor nodig is. Voor de BES-eilanden geldt verder dat financiering van infrastructuur, klimaatadaptatie en waterbeheer via andere instrumenten verloopt, zoals bijzondere uitkeringen, het BES-fonds en aanvullende, thematische programma’s.
Bent u bereid om, gelet op het bezoek aan Bonaire, het hoger beroep in de klimaatzaak opnieuw te bezien en prioriteit te geven aan snelle uitvoering van beschermende maatregelen?
Zie antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het plenaire debat over de gerechtelijke uitspraak inzake de klimaatzaak Bonaire beantwoorden?
Ja, echter zijn vanwege de inhoudelijke overeenkomst vraag 3 en 4 gezamenlijk beantwoord.
Bent u bekend met het nieuws via Israël’s Channel 14 dat er een besluit is genomen om Palestijnen te verdrijven uit Gaza?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er onder leiding van de Israëlische veiligheidsraad een dergelijk besluit is genomen?
Nee. Het kabinet heeft geen toegang tot besluiten van de Israëlische veiligheidsraad tenzij deze informatie formeel naar buiten wordt gebracht.
Kunt u bevestigen dat het verdrijven van Palestijnen uit Gaza onderdeel zou zijn van de afspraken tussen de VS en Iran?
Nee.
Deelt het kabinet de mening dat een plan om Palestijnen uit Gaza te verdrijven, neer komt op etnische zuivering?
Het is onduidelijk of dergelijke plannen daadwerkelijk bestaan. Het uitgangspunt van het kabinet is dat Gaza toebehoort aan de Palestijnen. Het kabinet staat achter het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen en de inzet is erop gericht om de situatie in Gaza voor de Palestijnse burgers te verbeteren.
Welke consequentie verbindt het kabinet eraan als deze berichten kloppen?
Er is geen bevestiging dat deze plannen daadwerkelijk bestaan.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voor woensdag 1 juli?
Er is getracht om de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De gevolgen van de dagvaarding van Tata Steel voor de maatwerkafspraken |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de dagvaarding van Tata Steel door het Openbaar Ministerie in het licht van de door u in het plenaire debat genoemde mogelijkheid dat een uitkomst van een onderzoek van een bevoegde autoriteit een grond kan vormen voor opzegging van de «Joint Letter of Intent» (JLoI), indien die naar redelijk oordeel van de Staat ernstige zorgen doet ontstaan over de maatwerkafspraak?
Betekent deze dagvaarding voor u aanleiding om opnieuw te beoordelen of voortzetting van de JLoI nog verenigbaar is met de belangen van de Staat, de omwonenden en de kwaliteit van de uiteindelijke maatwerkafspraken? Waarom wel of waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt u aan deze ontwikkeling voor de onderhandelingen over de definitieve, bindende maatwerkafspraken met Tata Steel?
Kunt u uiteenzetten welke «borging van de risico’s» inmiddels is uitgewerkt, en op welke wijze daarin rekening wordt gehouden met een strafzaak, mogelijke aansprakelijkheid en de gezondheidsschade voor omwonenden?
Het verminderen van gezondheidsrisico's is en blijft één van de hoofddoelstellingen van de beoogde maatwerkafspraak. In artikel 2.11 van de Joint Letter of Intent is overeengekomen dat partijen zullen bespreken welke omstandigheden en risico's kunnen worden opgenomen in de maatwerkafspraak voor de uitvoering van de projecten. De uitwerking hiervan loopt. Hier kan niet op vooruit worden gelopen. Voor wat betreft de impact van de strafrechtelijke vervolging op de maatwerkafspraak, zie het antwoord op vraag 1 t/m 3.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer een uitkomst van een onderzoek of strafzaak zó ernstig is dat opzegging van de JLoI of heronderhandeling van de maatwerkafspraken aan de orde is?
Bent u bereid de Kamer vóór verdere stappen in het maatwerktraject te informeren over de juridische en inhoudelijke consequenties van deze dagvaarding voor de onderhandelingspositie van de Staat?
Bent u bereid om niet tot afronding van de maatwerkafspraak over te gaan zolang de strafzaak tegen Tata Steel nog loopt?
De duurzaamheidsvoorwaarden aan de subsidie van Indirecte Kosten Compensatie (IKC) |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bedrijven die de subsidie op grond van de Subsidieregeling Indirecte Kosten Compensatie (IKC) toegewezen krijgen, moeten voldoen aan de voorwaarde dat voor elk jaar dat de IKC is toegekend, de maatregelen die met de subsidie gefinancierd worden moeten resulteren in minimaal 3% minder CO2-uitstoot vergeleken met 2020?
Klopt het dat er een uitzondering is voor bedrijven die menen dat «de gevraagde CO2-vermindering van 3% per subsidiejaar in uw specifieke bedrijfssituatie niet haalbaar» is, waarna ze een extra plan moeten indienen om aan te tonen dat minstens 30% van het elektriciteitsverbruik uit koolstofvrije bronnen komt?
Kunt u voor elk jaar sinds 2020 waarin de IKC is opengesteld aangeven hoeveel bedrijven gebruik hebben gemaakt van de genoemde uitzondering, en voor welk subsidiebedrag deze bedrijven IKC (voorlopig) toegekend hebben gekregen of hebben aangevraagd?
Hoe vaak is er inmiddels IKC subsidie toegekend waarvoor CO2-reductie een voorwaarde was?
Is er voor IKC toegekend in eerdere jaren inmiddels een eerste controle geweest of de CO2-reductie die als voorwaarde werd gesteld ook daadwerkelijk gehaald is? Zo ja, wat kunt u zeggen over de uitkomsten hiervan?
Van de bedrijven die eerder IKC-subsidie toegekend hebben gekregen, hoeveel daarvan hebben de 3% reductie voor elk jaar dat ze subsidie kregen niet gehaald?
Hoeveel geld is er al teruggevorderd van de IKC vanwege het niet behalen van de CO2-reductiedoelstellingen?
Kunt u per bedrijf dat IKC-subsidie toegekend heeft gekregen sinds 2020 aangeven hoeveel IKC ze per jaar hebben ontvangen, hoeveel CO2-reductie er is gerealiseerd door maatregelen die zijn gefinancierd door de IKC-subsidie en hoeveel CO2-reductie voor de komende jaren nog is toegezegd als voorwaarde voor het verkrijgen van de IKC-subsidie?
Als u dit niet per bedrijf kunt aangeven, kunt u dit dan per sector uitsplitsen?
Kunt u aangeven of de RVO elke monitoringsrapportage controleert of dat dit slechts steekproefsgewijs gebeurt? Op welke andere manieren wordt gecontroleerd of een bedrijf heeft voldaan aan de vereisten voor de subsidie?
Welke instantie is verantwoordelijk voor het terugvorderen van de IKC-subsidie als niet wordt voldaan aan de CO2-reductie vereisten? Hoe werkt dit proces en wat zijn de tijdslijnen daarbij?
Bent u bereid op regelmatige basis meer transparantie te geven over de inzet van de IKC, waaronder de geplande en gerealiseerde CO2-reductie als gevolg van deze subsidie? Zo nee, waarom niet?
Heeft Tata Steel gebruikgemaakt van de uitzonderingsregeling en dus de verplichting om 30% van het elektriciteitsverbruik uit duurzame bronnen te halen? Zo nee, welke reductie wordt er volgens het bedrijf behaald?
Hoe kan het dat de Nederlandse Emmissieautoriteit de CO2-uitstoot van Tata Steel (inclusief Vattenfall centrales) tussen 2020 (basisjaar) en 2025 nagenoeg gelijk is gebleven met 10,9 Mton uitstoot en de uitstoot per ton geproduceerd staal volgens de jaarverslagen van het bedrijf afgenomen is van 1,77 naar 1,72 ton CO2 per ton vloeibaar staal (2,3% in 5 jaar), terwijl ze in de periode 2021–2025 ruim 120 miljoen euro IKC-subsidie ontvingen?
Kan Tata Steel hun «Heracless groen staal plan» aandragen om te voldoen aan de uitzondering voor de IKC-subsidie? Zo ja, hoe voorkomt u dat er dubbele subsidie wordt gegeven voor de CO2-reductie die Tata zegt te zullen reduceren?
Indien u niet op individuele situaties in wilt gaan, kunt u in algemene bewoording aangeven hoe u ervoor zorgt dat bedrijven geen dubbele subsidie krijgen in de vorm van maatwerksubsidie en IKC-subsidie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de beantwoordingstermijn beantwoorden?
Het instellen van een uitzondering voor de import van Russisch sabelbont bij de nieuwe EU-sanctieverordening tegen Rusland |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u meegekregen dat de Europese Raad in zijn recent aangenomen nieuwe sanctieverordening tegen Rusland ((EU) 2026/1848), een uitzondering heeft gemaakt voor de import van Russisch sabelbont (van de sabelmarter) naar de Europese Unie (EU), terwijl deze import eerder wel verboden was?1
Bent u bekend met de gruwelijke wijze waarop de sabelmarters in hele kleine kooitjes worden gehouden?2
Bent u ermee bekend dat er voor één bontjas 40 sabelmarters worden gedood?3
Bent u ermee bekend dat uit onderzoek van Politico blijkt dat de International Fur Federation haar Europese beleidswerk heeft gefinancierd via een Liechtensteins trustfonds dat ook Russisch veilinggeld ontving?4 En bent u ermee bekend dat uit de jaarrekening van 2023 van de lobbyorganisatie blijkt dat 223 870 EUR afkomstig was van het Russische bontveilinghuis Sojoezpoesjnina, dat gevestigd is in Sint-Petersburg, en dat 216 000 EUR daarvan zou zijn gebruikt om de lobbyist van de International Fur Federation in Brussel te betalen?5
Deelt u de mening dat lobbyorganisaties die Russische inkomsten ontvangen, geen invloed zouden mogen hebben op EU-beleid?
Wat vindt u ervan dat, met risico voor de Oekraïense en Europese veiligheid, op dit moment sancties op Rusland worden verlicht? Wat vindt u ervan dat dit dan specifiek ook nog eens sancties zijn die mogelijk dierenleed verminderen?
Kunt u bevestigen dat bepaalde EU-lidstaten hebben verzocht tot het invoeren van de uitzondering? Zo ja, welke lidstaten? Zo nee, kunt u bevestigen of dit een voorstel was van de Hoge Vertegenwoordiger en de Europese Commissie?
Hoe beoordeelt u het feit dat mogelijk bepaalde EU-lidstaten en bedrijven zich verzetten tegen sancties op Rusland vanwege belangen van de dieronvriendelijke luxe-industrie?
Heeft u zich tegen deze uitzondering expliciet verzet in Europees verband in de afgelopen maanden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het Nederlandse standpunt, «dat het op ethische gronden niet verantwoord is om dieren te houden enkel om hun pels» (Kamerstuk 22 112, nr. 4224), per brief bekend te maken aan andere lidstaten en de Europese Commissie? Zo nee, op welke andere wijze blijft u medelidstaten hierop wijzen?
Op welke momenten en in welke Europese gremia zal Nederland zich de komende periode concreet inzetten voor een EU-breed verbod op bont en het opheffen van deze uitzondering?
Kan de Staatssecretaris de Kamer per brief over de Nederlandse positie informeren zodra een voorstel over bont op de agenda staat van een Europees overleg?
Kunt u aangeven welke juridische en beleidsmatige mogelijkheden momenteel worden onderzocht om bont, dons van levend geplukte dieren, angorawol en kangoeroeleer uit Nederlandse winkels te weren, ter uitvoering van de aangenomen motie-Van Esch (Kamerstuk 36 254, nr. 16)?
Bent u bereid om in de Europese Raad aan te kaarten dat het voor Nederland onbestaanbaar is dat de oorlogskas van Vladimir Poetin gespekt wordt met geld uit deze walgelijke industrie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, als een Europees bontverbod uitblijft, dan wel als de uitzondering op de sancties tegen Rusland blijft bestaan, te onderzoeken welke nationale maatregelen juridisch mogelijk zijn om de verkoop en import van (Russisch) bont in Nederland alsnog te beperken? Zo nee, waarom niet?
Welk precedent schept het invoeren van deze uitzondering op sancties tegen Rusland volgens u voor de belangen van andere industrieën in Europa? Deelt u de mening dat door het toekennen van deze uitzondering een hellend vlak ontstaat en andere particuliere bedrijfsbelangen ook voorrang kunnen krijgen boven het belang van de Oekraïense en Europese veiligheid?
Hoe straalt deze uitzondering af volgens u op het imago van Europa, waar men zich erop voor laat staan dat regelgeving rechtvaardig moet zijn en niet corrupt? Wat denkt u dat dit doet met het vertrouwen van Europese burgers in Europees beleid en Europese beleidsmakers?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het buitensporige watergebruik van een nieuw datacenter in Amsterdam |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan , de Bat |
|
|
|
|
Erkent u dat het onwenselijk is dat een nieuw commercieel datacenter jaarlijks circa 1,1 miljard liter drinkwater gebruikt, zeker tijdens een periode van uitzonderlijke droogte?1
Deelt u de opvatting dat drinkwater niet gebruikt zou moeten worden voor de koeling van datacenters, zeker wanneer alternatieve koeltechnieken beschikbaar zijn?
Bent u ervan op de hoogte dat het directe watergebruik van datacenters slechts een beperkt deel vormt van hun totale watervoetafdruk en dat het overgrote deel van het waterverbruik indirect is?
Kunt u actuele, onafhankelijke cijfers over de totale watervoetafdruk van datacenters (direct en indirect) in Nederland met de Kamer delen, uitgesplitst naar:
Kunt u aangeven welk aandeel dit vormt van de totale Nederlandse waterconsumptie?
Wordt bij de vergunningverlening en ruimtelijke afweging van datacenters rekening gehouden met de watervoetafdruk van de benodigde elektriciteitsproductie? Zo nee, waarom niet?
Welke landelijke wettelijke mogelijkheden heeft u om het gebruik van drinkwater door datacenters te verbieden of aan een bindend maximum te onderwerpen, mede gelet op de aangenomen motie-Grinwis c.s.?2
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Grinwis c.s. over het aanscherpen van de juridische criteria voor hyperscale datacenters en het stellen van effectieve wettelijke voorwaarden aan datacenters?3 Wat is de tijdlijn en wanneer krijgen we resultaten te zien?
Waarom gelden er op dit moment vooral landelijke vestigingsregels voor hyperscale datacenters, maar geen vergelijkbare landelijke begrenzingen voor watergebruik, elektriciteitsgebruik en maatschappelijke en ecologische belasting door andere grote datacenters?
Bent u bereid de bestaande landelijke regels uit te breiden naar datacenters die op dit moment niet onder de huidige definitie van hyperscale vallen, maar wel een groot beslag leggen op drinkwater of het elektriciteitsnet?
Bent u bereid om in landelijke regelgeving vast te leggen dat nieuwe datacenters geen drinkwater mogen gebruiken voor koeling?
Als een volledig verbod volgens u niet mogelijk is, bent u dan bereid een strikt landelijk maximum per datacenter en voor de sector als geheel vast te leggen? Zo nee, welke andere effectieve maatregelen bent u dan wel bereid te nemen?
Erkent u dat de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en de daarmee samenhangende groei van datacenters zo snel verloopt dat wet- en regelgeving, democratische controle en maatschappelijke besluitvorming deze ontwikkeling onvoldoende kunnen bijbenen? Zo nee, hoe onderbouwt u dat?
Welke publieke voorwaarden moeten volgens u worden gesteld voor nieuwe datacenters of grootschalige AI-infrastructuur, zodat de baten aantoonbaar ten goede komen aan de Nederlandse samenleving en niet hoofdzakelijk terechtkomen bij buitenlandse technologiebedrijven?
Hoeveel van de datacenters in Nederland komt ten goede aan de Nederlandse en Europese digitale autonomie?
Bent u het eens met de stelling dat er gezien de schaarse ruimte in Nederland geen ruimte moet zijn voor datacenters voor big-tech-bedrijven buiten Europa? Zo nee, waarom niet en ten koste waarvan mogen zulke big-tech-datacenters dan gaan volgens u?
Bent u bereid om per direct een tijdelijk landelijk moratorium in te stellen op datacenters, totdat bindende landelijke wetgeving is vastgesteld over onder meer het directe en indirecte watergebruik, het energiegebruik, de belasting van het elektriciteitsnet en de gevolgen voor woningbouw en andere maatschappelijke functies? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is wanneer woningbouwprojecten door netcongestie vertragen of stilvallen, terwijl nieuwe energie-intensieve datacenters wel capaciteit kunnen krijgen en een datacenter al snel een capaciteit van 40 MW vraagt, wat in dezelfde ordergrootte is als 100.000 huishoudens? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel elektriciteit gebruikt het voorgenomen datacenter in Amsterdam naar verwachting maximaal, en hoeveel netcapaciteit is daarvoor nodig?
Deelt u de opvatting dat woningbouw, zorg, openbaar vervoer, verpleeghuizen, scholen en andere vitale maatschappelijke functies voorrang moeten hebben op commerciële datacenters bij de verdeling van schaarse netcapaciteit? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn datacenters niet als afzonderlijke categorie opgenomen in het prioriteringskader voor nieuwe aansluitingen op het elektriciteitsnet? Welke prioriteit krijgen datacenters precies op dit moment in het kader?
Staat er een evaluatie van dit prioriteringskader gepland, om te zien in hoeverre netbeheerder hierdoor maatschappelijke aspecten meewegen bij het verdelen van netcapaciteit? Zo nee, bent u bereid deze evaluatie alsnog te doen?
Bent u bereid wettelijk vast te leggen dat nieuwe datacenters geen aansluiting krijgen zolang daardoor capaciteit wordt verdrongen die nodig is voor woningbouw of andere maatschappelijke prioriteiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een landelijke vergunningsvoorwaarde in te voeren waarin datacenters verplicht worden hun elektriciteitsvraag flexibel af te schakelen tijdens piekbelasting en netcongestie?
Welke mogelijkheden ziet u om datacenters verplicht te laten bijdragen aan netverzwaring, flexibiliteit, opslag en lokaal energiebeheer, zodat de kosten niet op huishoudens en andere gebruikers worden afgewenteld?
Erkent u dat de gevolgen van datacenters voor drinkwater, elektriciteit, ruimte, warmte en klimaat het lokale belang overstijgen en daarom om landelijke regie vragen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Racistisch en seksistisch geweld en intimidatie tegen mensen die asiel zoeken en inwoners die zich uitspreken voor opvang |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat inwoners van Engelen en Bokhoven die steun hebben uitgesproken voor vreedzaam samenleven door middel van een poster slachtoffer zijn geworden van intimidatie, bedreigingen en bekladdingen van woningen en andere eigendommen? Wat is uw reactie daarop?1
Heeft u gezien dat in Geesteren de auto van een Syrisch gezin in brand is gestoken, nadat eerder tot drie keer toe stenen met intimiderende en bedreigende briefjes door de ruiten van hun woning waren gegooid? Wat is uw reactie daarop?2
Heeft u gezien dat in Engelen de auto van mensen die een «Samen Leven»-poster hadden opgehangen in het water is geduwd? Wat is uw reactie daarop?3
Wat vindt u ervan dat inwoners van Engelen zich de afgelopen maanden al niet vrij voelden om hun mening te geven over een opvanglocatie voor kinderen die asiel zoeken in Nederland, omdat ze geïntimideerd werden door tegenstanders, waarbij onder meer hakenkruizen in appgroepen werden verspreid?4
Deelt u de analyse van onder andere Jelle Postma, voormalig AIVD'er en expert op het gebied van maatschappelijke manipulatie, dat hiermee een nieuwe, zorgelijke fase ingaat, waarbij geweld en intimidatie zich nu niet alleen maar richten op de overheid, maar ook op gewone burgers? Deelt u zijn analyse dat er «blijkbaar een gevoel is ontstaan dat je anderen straffeloos mag intimideren om je zin door te drijven»? Zo nee, wat is dan uw analyse?5
Erkent u dat een klimaat waarin inwoners zich niet meer vrij voelen zich publiekelijk uit te spreken over de opvang van asielzoekers, uit angst voor intimidatie of geweld, een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarin voor het kabinet?
Erkent u dat u als Minister-President een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om u steeds tijdig en duidelijk uit te spreken tegen niet alleen haat en ophitsing richting mensen die asiel zoeken, maar ook tegen het geweld en de intimidatie die steeds meer plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u of een lid van uw kabinet zich tot nu toe niet helder uitgesproken over wat er in Engelen, Bokhoven en Geesteren heeft plaatsgevonden en waarom heeft het kabinet nog geen actie ondernomen? Gaat u het Syrische gezin en de inwoners van Engelen en Bokhoven die slachtoffer zijn geworden van haat en geweld bezoeken om uw steun en medeleven te betuigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken of de doelgerichte intimidatie, bedreigingen, brandstichting en vernielingen die in Engelen, Bokhoven en Geesteren hebben plaatsgevonden, mede gelet op het kennelijke doel om angst aan te jagen en maatschappelijke of politieke besluitvorming over de opvang van asielzoekers te beïnvloeden, gedreven zijn door terroristische motieven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen in elk geval beantwoorden voor de aankomende Algemene Politieke Beschouwingen?
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
De gevolgen van de dagvaarding van Tata Steel voor de maatwerkafspraken |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de dagvaarding van Tata Steel door het Openbaar Ministerie in het licht van de door u in het plenaire debat genoemde mogelijkheid dat een uitkomst van een onderzoek van een bevoegde autoriteit een grond kan vormen voor opzegging van de «Joint Letter of Intent» (JLoI), indien die naar redelijk oordeel van de Staat ernstige zorgen doet ontstaan over de maatwerkafspraak?
Betekent deze dagvaarding voor u aanleiding om opnieuw te beoordelen of voortzetting van de JLoI nog verenigbaar is met de belangen van de Staat, de omwonenden en de kwaliteit van de uiteindelijke maatwerkafspraken? Waarom wel of waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt u aan deze ontwikkeling voor de onderhandelingen over de definitieve, bindende maatwerkafspraken met Tata Steel?
Kunt u uiteenzetten welke «borging van de risico’s» inmiddels is uitgewerkt, en op welke wijze daarin rekening wordt gehouden met een strafzaak, mogelijke aansprakelijkheid en de gezondheidsschade voor omwonenden?
Het verminderen van gezondheidsrisico's is en blijft één van de hoofddoelstellingen van de beoogde maatwerkafspraak. In artikel 2.11 van de Joint Letter of Intent is overeengekomen dat partijen zullen bespreken welke omstandigheden en risico's kunnen worden opgenomen in de maatwerkafspraak voor de uitvoering van de projecten. De uitwerking hiervan loopt. Hier kan niet op vooruit worden gelopen. Voor wat betreft de impact van de strafrechtelijke vervolging op de maatwerkafspraak, zie het antwoord op vraag 1 t/m 3.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer een uitkomst van een onderzoek of strafzaak zó ernstig is dat opzegging van de JLoI of heronderhandeling van de maatwerkafspraken aan de orde is?
Bent u bereid de Kamer vóór verdere stappen in het maatwerktraject te informeren over de juridische en inhoudelijke consequenties van deze dagvaarding voor de onderhandelingspositie van de Staat?
Bent u bereid om niet tot afronding van de maatwerkafspraak over te gaan zolang de strafzaak tegen Tata Steel nog loopt?
De levensbedreigende gezondheidstoestand van de Palestijnse arts dr. Hussam Abu Safiya in Israëlische detentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat dr. Hussam Abu Safiya, directeur van het Kamal Adwan-ziekenhuis te Gaza, na achttien maanden Israëlische detentie in kritieke, levensbedreigende toestand verkeert, en volgens zijn advocaat vrijwel onherkenbaar, ernstig verzwakt en zichtbaar gewond is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat dr. Abu Safiya sinds zijn arrestatie op 27 december 2024 zonder aanklacht of proces wordt vastgehouden, op grond van de Israëlische wet op Unlawful Combatants, de detentie voor onbepaalde tijd zonder juridische toetsing mogelijk maakt?
De situatie van dr. Abu Safiya past binnen het beeld en de zorgen die het kabinet heeft ten aanzien van de toepassing van arbitraire detentie. Het kabinet acht het gebruik van administratieve detentie door Israël, alsook de duur en schaal hiervan, zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting Israël.
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie dat de gevangenhouding van dr. Abu Safiya in strijd is met internationale mensenrechtenverdragen zoals het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, alsmede hun oproep hem onmiddellijk vrij te laten? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?2
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het langdurig vasthouden van een persoon zonder aanklacht, zonder regulier strafproces en op grond van geheim bewijs dat niet door de verdediging kan worden betwist, fundamenteel in strijd is met het recht op vrijheid en een eerlijk proces? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de oproep van VN-experts en Amnesty International dat dr. Abu Safiya onmiddellijk moet worden vrijgelaten? Zo nee, welke concrete feiten rechtvaardigen volgens u zijn voortdurende detentie zonder aanklacht of proces?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de verklaring van zijn advocaat Nasser Odeh dat dr. Abu Safiya nauwelijks herkenbaar is als gevolg van ernstige verwondingen en ernstig gewichtsverlies, dat hij zich nu sinds een maand in eenzame opsluiting bevindt en dat hij tegen zijn advocaat heeft verklaard dat hij naar de Rakefet ondergrondse gevangenis is overgebracht om te worden vermoord?
Dit zijn zorgelijke berichten en beelden. Het kabinet onderstreept dat het menslievend behandelen van gevangenen een van de basisregels van het humanitair oorlogsrecht is, en dat daarnaast ook op basis van de mensenrechten, onder andere op basis van artikel 7 IVBPR, niemand mag worden onderworpen aan folteringen, of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
Hoe verhoudt de behandeling van dr. Abu Safiya zich tot de verplichtingen van Israël onder de Vierde Conventie van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd en het absolute verbod op foltering?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de arrestatie van medisch personeel tijdens de uitoefening van hun taken een ernstige schending vormt van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
Volgens het humanitair oorlogsrecht moet geneeskundig personeel onder alle omstandigheden worden ontzien en beschermd, tenzij deze buiten hun humanitaire taak voor de vijand schadelijke handelingen verricht.
Heeft de Nederlandse regering sinds de arrestatie van dr. Abu Safiya op 27 december 2024 bij de Israëlische autoriteiten geïnformeerd naar zijn verblijfplaats, gezondheidstoestand, detentieomstandigheden en juridische status? Zo ja, wanneer, op welk niveau en met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet brengt zorgen op het gebied arbitraire detentie, de detentieomstandigheden zelf, en het gebrek aan toegang tot gevangenen, met regelmaat op bij de Israëlische autoriteiten. De Nederlandse Mensenrechtenambassadeur heeft o.a. deze zorgen bij Israël opgebracht tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november. Daarnaast heeft de Europese Unie Israël recentelijk aangesproken op de zaak van dr. Abu Safiya. Middels een lokale verklaring met gelijkgestemde landen heeft Nederland eveneens aandacht voor zijn casus gevraagd en Israël opgeroepen alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur met spoed te ontbieden en te eisen dat dr. Abu Safiya onmiddellijk toegang krijgt tot onafhankelijke artsen, zijn advocaten, zijn familie en het Internationale Comité van het Rode Kruis?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid van Israël te verlangen dat een onafhankelijk medisch onderzoek plaatsvindt, waarvan de bevindingen aan zijn familie en juridische vertegenwoordigers worden verstrekt, en dat hij onmiddellijk wordt overgebracht naar een geschikte medische instelling wanneer zijn gezondheidstoestand dat vereist?
Het kabinet verlangt dat eenieder de juiste medische hulp ontvangt, zie ook het antwoord op vragen 6 en 7. In de lokale verklaring met gelijkgestemden roept Nederland Israël ook op alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid om bij de Israëlische regering, bilateraal dan wel in EU-verband, aan te dringen op de onmiddellijke vrijlating van dr. Abu Safiya, op toegang tot adequate medische zorg en juridische bijstand voor alle Palestijnse gedetineerden, en op onafhankelijk onderzoek naar de omstandigheden van zijn detentie?
Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de zorg dat de arrestatie en behandeling van dr. Abu Safiya onderdeel vormen van een breder patroon van aanvallen op de Palestijnse gezondheidszorg en de detentie van Palestijnse artsen en andere zorgverleners? Hoe beoordeelt u in dit verband de berichtgeving dat minstens veertien artsen uit Gaza al langer dan een jaar zonder aanklacht door Israël worden vastgehouden?
Het kabinet ziet inderdaad dat er herhaaldelijk sprake is van beperking van handelen van medisch en humanitair personeel, in Gaza en wereldwijd. Het kabinet maakt zich hier ernstig zorgen over. Zie ook de antwoorden op vragen 2 t/m 8.
Bent u bereid bij Israël een volledige lijst op te vragen van alle uit Gaza gevangengenomen Palestijnse zorgverleners, met vermelding van hun verblijfplaats, juridische status, gezondheidstoestand, toegang tot advocaten en medische zorg en eventuele tegen hen ingediende aanklachten?
Het monitoren en documenteren van behandeling en detentieomstandigheden van gedetineerden valt binnen het mandaat van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Nederland zet zich daarom consequent in voor de toegang van het ICRC tot Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten.
Welke consequenties verbindt u eraan wanneer Israël geloofwaardige beschuldigingen van foltering en mishandeling niet onafhankelijk laat onderzoeken en de verantwoordelijken niet vervolgt? Bent u bereid in dat geval te pleiten voor gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische functionarissen en leidinggevenden binnen het gevangeniswezen?
Zoals u stelt is het aan het land zelf onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet constateert eveneens dat Israël tekort schiet in het doen van onderzoek hiernaar. Dit onderstreept het belang van de lopende onderzoeken en processen via bestaande internationale organisaties en onderzoeksmechanismen naar de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden, waaronder het onderzoek van het Internationaal Strafhof en het werk van de Commission of Inquiry. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Deelt u de opvatting dat Nederland geen militaire, veiligheids- of andere samenwerking mag onderhouden met Israëlische diensten of instellingen die betrokken zijn bij willekeurige detentie, foltering of andere ernstige mensenrechtenschendingen? Bent u bereid de bestaande samenwerking hierop met spoed door te lichten?
Bilaterale samenwerking die Nederland aangaat met Israëlische partijen vindt plaats binnen het kader van het (inter)nationaal recht. Het kabinet beoordeelt de samenwerking op verschillende terreinen ook binnen dit kader.
Bent u bekend met het antwoord van uw voorganger Van Weel dat het kabinet zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten en dat het kabinet de zorgen deelt die door het VN-Comité tegen foltering zijn gepresenteerd in hun concluding observations on the sixth periodic report of Israel van 22 december 20253. Welke stappen heeft het kabinet nadien richting Israël ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Nederland heeft samen met Canada Syrië voor het Internationaal Gerechtshof gedaagd wegens schending van het VN-Verdrag tegen Foltering. Welke juridische of feitelijke reden bestaat er om ernstige en structurele meldingen van foltering van Palestijnse gevangenen door Israël niet met een vergelijkbare mate van urgentie, consequentie en bereidheid tot internationale aansprakelijkstelling te behandelen? Welke uitvoering hebben jullie aan de aangenomen motie Teunissen over «ondeonderzoeken welke juridische stappen Nederland kan zetten opdat Israël het Verdrag tegen foltering van de Verenigde Naties naleeft»?4
Zoals uw Kamer onder meer is medegedeeld in het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025, kan geen van de verdragspartijen stappen zetten die leiden tot een bindende uitspraak van een internationaal hof of tribunaal over de naleving door Israël van het Antifolteringverdrag. Het verschil tussen Syrië en Israël is in dit geval dat Israël een voorbehoud heeft gemaakt bij de geschillenbeslechtingsclausule van artikel 30 van het Antifolterverdrag. Als gevolg daarvan bestaat geen mogelijkheid tot bindende geschillenbeslechting met Israël over de naleving van dit verdrag.
Dit neemt niet weg dat het kabinet bij Israël consequent wijst op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Welke mogelijkheden ziet u om onafhankelijk internationaal onderzoek naar de arrestatie, detentie en behandeling van dr. Abu Safiya te ondersteunen, onder meer door VN-mechanismen, het Internationaal Strafhof en Palestijnse en Israëlische mensenrechtenorganisaties?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human rights Inquires Branch, ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast in 2026 het landenkantoor van het OHCHR in de Palestijnse Gebieden met iets meer dan EUR 2 miljoen. De afgelopen paar jaren heeft Nederland een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van in totaal EUR 6 miljoen, voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. In verband met de onafhankelijkheid van het Strafhof is het niet mogelijk vrijwillige bijdragen te oormerken voor specifieke onderzoeken. Ten slotte steunt Nederland verschillende Israëlische en Palestijnse organisaties die bijdragen aan het verzamelen van feiten ten aanzien van vermeende schendingen van het internationaal recht.
Bent u bereid Israël te verzoeken al het bewijsmateriaal veilig te stellen dat betrekking heeft op de detentie en behandeling van dr. Abu Safiya, waaronder medische dossiers, camerabeelden, registraties van overplaatsingen en namen van betrokken functionarissen en bewakers?
Het kabinet roept Israël consequent op onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het veiligstellen van bewijsmateriaal is relevant voor het doen van onderzoek. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vragen en antwoorden met eenzelfde strekking zijn gecombineerd.
Bent u bekend met het nieuws via Israël’s Channel 14 dat er een besluit is genomen om Palestijnen te verdrijven uit Gaza?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er onder leiding van de Israëlische veiligheidsraad een dergelijk besluit is genomen?
Nee. Het kabinet heeft geen toegang tot besluiten van de Israëlische veiligheidsraad tenzij deze informatie formeel naar buiten wordt gebracht.
Kunt u bevestigen dat het verdrijven van Palestijnen uit Gaza onderdeel zou zijn van de afspraken tussen de VS en Iran?
Nee.
Deelt het kabinet de mening dat een plan om Palestijnen uit Gaza te verdrijven, neer komt op etnische zuivering?
Het is onduidelijk of dergelijke plannen daadwerkelijk bestaan. Het uitgangspunt van het kabinet is dat Gaza toebehoort aan de Palestijnen. Het kabinet staat achter het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen en de inzet is erop gericht om de situatie in Gaza voor de Palestijnse burgers te verbeteren.
Welke consequentie verbindt het kabinet eraan als deze berichten kloppen?
Er is geen bevestiging dat deze plannen daadwerkelijk bestaan.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voor woensdag 1 juli?
Er is getracht om de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De detentie van de Nederlandse staatsburger Omar Elshal in Egypte |
|
Stephan van Baarle (DENK), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Eindhovense Omar kwijnt al acht maanden weg in Egyptische cel: een nachtmerrie»?1
Ja.
Welke consulaire en diplomatieke ondersteuning heeft Nederland sinds zijn arrestatie verleend aan de heer Elshal en zijn familie?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de diplomatieke inspanningen. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Wereldwijd zetten het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambassades zich ten volle in voor consulaire bijstand aan en toegang tot Nederlandse gedetineerden die dat op prijs stellen. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de door u opgebrachte gedetineerde Nederlander in Egypte.
Heeft de Nederlandse ambassade de heer Elshal bezocht tijdens zijn detentie? Zo ja, wat waren de bevindingen van deze bezoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke contacten heeft Nederland sinds zijn arrestatie onderhouden met de Egyptische autoriteiten over zijn detentie, rechtspositie, detentieomstandigheden en mogelijke vrijlating?
Zie het antwoord op vraag 2. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade blijven – als nodig in het individuele geval – de lokale autoriteiten verzoeken in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Heeft het kabinet bij de Egyptische autoriteiten zorgen geuit over zijn gezondheid, toegang tot medische zorg, juridische bijstand en contact met zijn familie? Zo ja, welke reactie heeft Egypte daarop gegeven?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de signalen van familieleden en vrienden dat de heer Elshal al maanden vastzit op basis van een volgens hen vage aanklacht en dat zijn voorlopige hechtenis herhaaldelijk wordt verlengd?
Zie het antwoord op vraag 2. De Nederlandse overheid mengt zich niet in het juridische proces van de staat van detentie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade dringen er wel bij de lokale autoriteiten op aan om, in lijn met internationale wet- en regelgeving, een eerlijke rechtsgang te waarborgen.
Hoe beoordeelt u de signalen van familieleden en vrienden dat zij de Nederlandse inzet tot nu toe als onvoldoende ervaren en aandringen op actievere betrokkenheid van de Nederlandse ambassade?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een Nederlandse staatsburger die al acht maanden vastzit in een buitenlandse gevangenis recht heeft op maximale diplomatieke inzet van de Nederlandse regering? Zo ja, hoe geeft u daar in deze zaak invulling aan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid deze zaak op politiek niveau bij de Egyptische autoriteiten aan de orde te stellen en alle beschikbare diplomatieke middelen in te zetten om de vrijlating van de heer Elshal en zijn terugkeer naar Nederland te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Een reclameverbod voor ultra fast fashion |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de EenVandaag-uitzending over een reclameverbod op ultra fast fashion?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat reclame voor ultra fast fashion-producten via sociale media (zoals TikTok Shop), aanbevelingsalgoritmen en influencermarketing bijdraagt aan overconsumptie van textiel en daarmee op gespannen voet staat met de Nederlandse én Europese doelstellingen op het gebied van circulaire economie en grondstoffengebruik? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het sterk groeiende verdienmodel van ultra fast fashion platforms staan hiermee op gespannen voet en stimuleren het tegenovergestelde. Deze producten bestaan vaak uit textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur en worden tegen lage prijzen aangeboden. Daarnaast zorgt de instroom van grote hoeveelheden laagwaardig textiel ervoor dat hergebruik en hoogwaardige recycling onder druk staat. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport benoemt deze problemen.2Bovendien maken bepaalde platforms gebruik van diverse reclame- en marketingtechnieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, om consumenten te verleiden tot het kopen van grote hoeveelheden trendgevoelige kleding.
In hoeverre acht u het wenselijk dat met name jongeren en financieel kwetsbare consumenten via ultra fast fashion-platforms worden blootgesteld aan koopprikkels voor goedkope kledingproducten? Ziet u een relatie tussen dergelijke verkooptechnieken, impulsaankopen en de financiële weerbaarheid van consumenten?
Het is belangrijk dat consumenten, met name jongeren en financieel kwetsbare groepen, hun keuzes kunnen baseren op duidelijke en betrouwbare informatie en niet worden beïnvloed door misleidende verkooptechnieken. Daarom zetten de ACM3 en Europese toezichthouders4 zich actief in voor de naleving van de consumentenregels en spreken zij deze platforms hierop aan. Eerder hebben Europese consumententoezichthouders vastgesteld dat bepaalde ultra fast fashion-platforms gebruikmaken van technieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, die consumenten kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en in strijd zijn met het consumentenrecht. De consumententoezichthouders roepen de platforms op hun handelspraktijken in overeenstemming te brengen met het consumentenrecht. Omdat deze platforms in meerdere Europese landen dezelfde mogelijke overtredingen begaan, is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van de Europese consumententoezichthouders. Ook de ACM neemt deel aan deze actie. Het overtreden van consumentenregels kan de financiële weerbaarheid van consumenten onder druk zetten.
In hoeverre acht u een benadering voor ultra fast fashion-producten juridisch en beleidsmatig haalbaar, zoals in verschillende sectoren waarbij beperkingen of verboden gelden op reclame wanneer producten of diensten aantoonbaar negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, zoals bij tabak, kansspelen en bepaalde financiële producten?
Het kabinet ziet dat er zorgen bestaan over de impact van ultra fast fashion en de wijze waarop deze producten worden gepromoot. Voor ultra fast fashion ontbreekt op dit moment een dergelijke juridische afbakening. Om een eventueel verbod of vergaande beperking van reclame juridisch houdbaar te maken, is een dergelijke heldere definitie nodig van wat onder ultra fast fashion wordt verstaan en op welke gronden een beperking gerechtvaardigd is.
Daarbij geldt dat reclameregulering een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en daarom alleen mogelijk is wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend algemeen belang bestaat en de maatregel proportioneel en goed afgebakend is. Het kabinet ziet het vaststellen van een duidelijke definitie als eerste stap. Dit onderwerp wordt op Europees niveau opgepakt, gezien het belang van harmonisatie binnen de textielsector. Nederland, Duitsland en Frankrijk brengen een non-paper in bij de Milieuraad waarin wij pleiten voor een Europese definitie van ultra fast fashion.
Daarna worden de juridische mogelijkheden verder onderzocht. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Op het gebied van illegale reclame gelden er Europese regels onder de Digital Services Act (DSA). Deze regels zijn sinds 2024 van kracht. Zij verplichten platforms om illegale content en misleiding tegen te gaan. Ook het gebruik van misleidende verkooptechnieken en zogenoemde dark patterns valt hieronder.
Bent u bekend met de maatregelen die in Frankrijk en Italië zijn genomen of voorgesteld om reclame voor ultra fast fashion te beperken?
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van Frankrijk en Italië, te onderzoeken of een Nederlandse definitie van ultra fast fashion kan worden opgesteld?
Ja, Nederland bepleit samen met andere lidstaten een Europese definitie en gezamenlijke aanpak van ultra fast fashion. Hierbij kan worden gekeken naar bestaande voorbeelden, zoals in Frankrijk.
Wat is uw beleidsambitie op de breed aangenomen motie Stoffer c.s. over voor het begrotingsdebat IenW komen met een actieplan om ultrafast fashion aan te pakken (Kamerstuk 32 852, nr. 372) die oproept om de Franse anti ultra fast fashionwet te vertalen naar Nederland? Wanneer kunnen we concrete beleidsacties verwachten hieromtrent?
In de voortgangsrapportage textiel van 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak ultra fast fashion naar aanleiding van motie Stoffer c.s. Daarnaast heeft de Textieltafel, onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Steven van Eijck, partijen uit de textielketen samengebracht om te werken aan oplossingen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel. In het rapport «Samen verder in Circulair Textiel» doet de Textieltafel aanbevelingen om de circulaire textielketen te versterken. De Kamer ontvangt voor de zomer een kabinetsreactie, inclusief de verdere uitwerking van de aanpak van ultra fast fashion.
De ontvoering, vernedering en mishandeling van de Global Sumud Flotilla activisten door Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u de video van de Israëlische Minister Ben Gvir gezien waarin de gekidnapte opvarenden van de Global Sumud Flotilla vernederd en mishandeld worden?1 Wat is uw reactie?
Bent u bereid dit geweld, dat regelrecht ingaat tegen het internationaal recht, ondubbelzinnig te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om onmiddellijke vrijlating van de opvarenden, waaronder de Nederlandse opvarenden, te eisen? Zo nee, waarom niet?
Welke sanctiemaatregelen gaat u treffen tegen Israël voor de op de video zichtbare ontvoering, vernedering en mishandeling van de Flotilla-opvarenden?
Verleent Nederland consulaire hulp aan de Nederlandse opvarenden die zijn gekidnapt in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de ontboden ambassadeur aan te dringen op excuses aan de ontvoerde opvarenden van de Global Sumud Flotilla? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om er in de EU voor te pleiten om de hele regering Netanyahu op de sanctielijst te zetten? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u Israel dwingen om de humanitaire blokkade van Gaza door Israël op te heffen?
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek te starten naar mishandelingen en martelingen van Nederlandse staatsburgers die gekidnapt zijn door Israël in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u binnen 24 uur antwoord geven op de vragen?
De stapeling van overtredingen en niet voldoen aan wet- en regelgeving door Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u de brief die de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) op 23 april 2026 naar Tata Steel verstuurde, die ziet op de intrekking van de vergunningen voor de Kooksgasfabrieken (KGF) 1 en 2, ontvangen?
De Ministeries van EZK en IenW hebben de brief op 23 april 2026 ter informatie ontvangen van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG).
Wanneer wist u dat de ODNZKG voornemens was de vergunningen van de KGF 1 en 2 in te trekken? Kunt u aangeven of dit voor of na het plenaire debat van 7 april jl. was?
De ministeries zijn op 20 april jl. mondeling vertrouwelijk geïnformeerd over de situatie. Dat is dus na het plenaire debat van 7 april 2026. Voor Kooksgasfabriek 2 geldt dat de OD NZKG al eerder heeft aangegeven intrekking van de vergunning te overwegen, daar liep immers al een aanzeggingsprocedure.5
Indien u de brief op hetzelfde moment of rond dezelfde tijd ontving: waarom heeft u die brief dan niet meteen met de Kamer gedeeld?
Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. Het is dan ook allereerst aan de provincie en de OD NZKG om publiekelijk te informeren over stappen op dit gebied. De Kamer is steeds zo snel mogelijk daarna geïnformeerd in het kader van het maatwerktraject, bijvoorbeeld met de brief van 19 mei jl.6
Bent u het ermee eens dat de Staat zeer zorgvuldig en terughoudend moet omgaan met het uitgeven van geld van burgers aan een commercieel, Indiaas bedrijf, al helemaal in tijden waarin het kabinet kiest voor harde bezuinigingen op o.a. de Nederlandse zorg? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het (algemene) principe dat er zeer zorgvuldig omgegaan moet worden met de besteding van middelen. Het kabinet heeft de intentie om deze subsidie te verstrekken aan Tata Steel Nederland omdat verduurzaming van het bedrijf hiermee mogelijk wordt gemaakt en dit tot positieve effecten voor het klimaat en het milieu leidt. Het kabinet toetst de haalbaarheid van de plannen en de businesscase van het bedrijf (doorlopend) zorgvuldig en maakt hierbij ook gebruik van externe deskundigen. In de uiteindelijke overeenkomst zullen allerlei (financiële) zekerheden door de staat gevraagd worden aan TSN. Voor de staat is het essentieel dat de ondersteuning gebruikt gaat worden voor het beoogde doel: gezondheidswinst en verduurzaming van de productiefaciliteit.
Weet u nog dat de Partij voor de Dieren in debatten en in schriftelijke vragen van de afgelopen jaren de regering er meermaals op heeft gewezen dat Tata Steel zich al jaren niet houdt aan wet- en regelgeving en dat er een grote kans bestaat dat niet alleen KGF 2, maar ook KGF 1 gedwongen dicht moet, dat dat het plan waar de Staat over aan het onderhandelen is zou veranderen en dat geld geven aan Tata Steel een extra risico vormt voor de belastingbetaler? Zo ja, bent u het ermee eens dat deze signalen te licht zijn opgevat in het verleden, en hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort signalen in de toekomst evenwichtig worden meegenomen?
Het kabinet is zich bewust van de diverse handhavingszaken die bij het bedrijf lopen. Hierover is de Kamer in de afgelopen jaren ook regelmatig geïnformeerd.7
Het is mede om die reden dat het kabinet in de Joint Letter of Intent (JLoI) specifieke afspraken overeen is gekomen op het gebied van compliance en cultuur. Zo is in artikel 12.4 van de JLoI vastgelegd dat het bedrijf een cultuurverandering moet doormaken en de control en compliance van haar operaties moet verbeteren. TSN moet hiervoor een plan aanleveren bij de staat. Dit plan wordt extern getoetst. Dit is belangrijk om tot een maatwerkafspraak te komen en het kabinet is hier dan ook intensief over in gesprek met het bedrijf. Daarnaast zijn in de JLoI ook afspraken vastgelegd met als doel om de (financiële) risico's voor de staat te minimaliseren.
Zoals in de eerdere Kamerbrief aangegeven8 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Bent het ermee eens – tegen de achtergrond dat de omgevingsdienst overgaat tot intrekking van de vergunningen voor beide kooksfabrieken, omdat Tata Steel de normen stelselmatig jarenlang overschrijdt en er geen reden is om te veronderstellen dat dat nog gaat veranderen – dat er in lijn met de Joint Letter of Intent (JLoI) art.15.3 (d) sprake is van een (potentiële) opzeggingsgrond? Waarom wel/niet?
Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop primair bij het bevoegd gezag – in dit geval de provincie Noord-Holland – ligt, is compliance van TSN van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Zoals opgenomen in het antwoord op vraag 5 moet TSN een plan aanleveren bij de staat voor het verbeteren van de compliance en cultuur. Dit plan wordt extern getoetst. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Bent u voornemens deze opzeggingsgrond aan te wenden om de inspanningsverplichting te stoppen, aangezien in de kabinetsbrief van 7 april jl. (Kamerstuk 28 089, nr. 350) wordt gesteld dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft»? Zo nee, kunt u dat heel nauwkeurig onderbouwen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat gebeurt er op het moment dat uit het lopende strafrechtelijk onderzoek1 blijkt dat Tata Steel opzettelijk en onrechtmatig de gezondheid van mensen in gevaar heeft gebracht? Welke invloed heeft het lopende onderzoek op de gesprekken over de maatwerkafspraken?
Hoewel de vraag begrijpelijk is, kan het kabinet niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomsten van een onafhankelijk strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging. Het kabinet hecht zeer aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven. Daarom gelden bepaalde uitkomsten van onderzoeken en strafrechtelijke veroordelingen ook als mogelijke opzeggrond voor de JLoI. Bij de vormgeving van de definitieve maatwerkafspraak wordt hier rekening mee gehouden.
Kunt u bevestigen dat er geen enkele invloed op de ILT en de ILT-IOD, direct of indirect, wordt uitgeoefend vanuit het ministerie in hun werk rondom Tata Steel en dat de instanties onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraken tot hun oordeel kunnen komen?
De ILT en ILT-IOD doen hun onderzoek onafhankelijk en kunnen dus ook onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraak tot hun oordeel komen.
Bent u ermee bekend dat experts zeggen dat KGF 2 zo verouderd is dat het al in de jaren negentig gesloten had moeten worden, maar dat het nooit gebeurd is, omdat kortetermijnwinst belangrijker werd geacht dan de gezondheid voor omwonenden?
Het kabinet verwijst hiervoor naar eerdere antwoorden op schriftelijke vragen uit 2023.10 Zie verder het antwoord op vraag 5 t/m 7.
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het stilleggen van een bedrijfsonderdeel door Tata Steel op verzoek van de toezichthouder, omdat na metingen is gebleken dat het te veel van de kankerverwekkende stof chroom-6 uitstoot? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overschrijden van verschillende normen voor gevaarlijke stoffen bij de Sinterfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overtreden van regels bij de Oxystaalfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het feit dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat Tata Steel toezicht en controles belemmert en vertraagt? Welke consequenties zijn er vanuit het kabinet richting Tata Steel als belemmering en vertraging van de toezichthoudende taken nogmaals worden geconstateerd?
Wat vindt u ervan dat de omgevingsdienst al in 2025 heeft geconstateerd dat Tata Steel een aanzienlijk hogere uitstoot van schadelijke stoffen rapporteert in het elektronisch milieujaarverslag (e-MJV) van 2024 ten opzichte van voorgaande jaren, en dat de omgevingsdienst nog steeds geen goede verklaring voor deze veel hogere uitstoot heeft ontvangen van Tata Steel? Wat zegt dit over de bedrijfscultuur en betrouwbaarheid van Tata Steel?
De OD NZKG is vaker eigen metingen gaan uitvoeren en heeft daarmee meer inzicht gekregen in de emissies van het bedrijf. Zo heeft de OD NZKG in 2024 stoffen gemeten die niet eerder door Tata Steel zijn gemeten of gerapporteerd. Ook meet de OD NZKG op meerdere plaatsen op andere manieren dan het staalbedrijf dat zelf eerder heeft gedaan. Tata Steel heeft deze nieuwe metingen op aandringen van de OD NZKG meegenomen in het e-MJV over 2024. Er kunnen ook andere oorzaken zijn voor verschillen tussen uitstootgegevens, bijvoorbeeld wijzigingen in de productie- of procesomstandigheden van de fabriek.
Verder is het noodzakelijk dat Tata Steel zich open en transparant opstelt om te voorkomen dat dit soort zaken zich in de toekomst opnieuw voordoen. Dit is ook afgesproken in artikel 8.2 van de JLoI, waarin Tata Steel zich heeft gecommitteerd om te onderzoeken hoe onafhankelijke en transparante monitoring versterkt kan worden.
Klopt het dat Tata Steel tot nu toe meer dan 25 miljoen euro aan boetes heeft moeten betalen voor het overtreden van regels? Zo nee, wat is het bedrag precies?
Navraag bij de OD NZKG levert op dat Tata Steel in de periode 2025–2026 € 22.215.000 aan dwangsommen heeft voldaan. Op de website van de OD NZKG is een overzicht te zien van alle handhavingsacties, zo ook het verbeuren van dwangsommen.12
Wat vindt u van de cultuur van het buitenlandse bedrijf, dat zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt, handhaving en toezicht traineert en belemmert, onvolledige of misleidende cijfers en informatie deelt, door de toezichthouder «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, en onvoldoende en ontijdig heeft geïnvesteerd in gezonde bedrijfsvoering en onderhoud?
Een goede cultuur is van belang om compliant te kunnen zijn met regelgeving. De cultuurverandering die in de JLoI (artikel 12.4) genoemd wordt, moet eraan bijdragen dat het bedrijf zich proactief en transparant opstelt in het voldoen aan de wet- en regelgeving. Zie hiervoor ook antwoord 5 t/m 7.
Welke risico’s voor de maatwerkafspraken, de Staat en de belastingbetaler zijn er door de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving (waarvan een aantal in vorige vragen genoemd), de bovengeschetste cultuur van het bedrijf en door de lopende rechtszaken? Kunt u met de Kamer delen welke adviezen u daarover heeft ontvangen?
Het kabinet zal een analyse van de juridische consequenties en risico’s voor de staat van (bepaalde bepalingen uit) de maatwerkafspraken laten uitvoeren door een externe juridisch adviseur. Dat is conform de motie Van Oosterhout en Kostic,13 ingediend tijdens het debat over de JLoI met Tata Steel op 7 april jl. Deze analyse is op dit moment nog niet beschikbaar. Voor het belang van een transparant en compliant bedrijf, zie antwoorden op de vragen 5 t/m 7.
Kunt u uitgebreid uitleggen en onderbouwen hoe u de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving en lopende onderzoeken en rechtszaken beoordeelt vanuit art.15.3 van de JLoI?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met deze situatie.
Aangezien u eerder schreef dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft», en Tata Steel zich al jaren niet aan wet- en regelgeving houdt, tot wanneer precies geeft u Tata Steel de tijd om eindelijk aan de wet- en regelgeving te voldoen?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet hiermee omgaat.
Kunt u uitsluiten dat u een maatwerkafspraak maakt met Tata Steel, als het bedrijf zich nog steeds niet aan wet- en regelgeving kan houden? Zo nee, wat is dan uw uitspraak over het belang van naleving van wet- en regelgeving waard?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vragen 6 en 7 dienen bedrijven in Nederland zich aan de wet te houden, ook TSN. Compliance van TSN is van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Aangezien Tata Steel zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt en door toezichthouders «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, welk signaal denkt u dat het afgeeft dat de Staat alsnog bereid is om zo’n bedrijf belastinggeld te geven? Waarom zou u Tata Steel belonen voor het jarenlang overtreden van regels, het traineren van handhaving en toezicht, het onvoldoende investeren in onderhoud en tijdige vervanging van fabrieken en het uitstoten van te veel kankerverwekkende stoffen waar mensen aantoonbaar ziek van worden?
De maatwerkafspraak waarover het kabinet onderhandelt met Tata Steel dient ertoe afspraken met het bedrijf te maken om te komen tot CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving voor gezondheid van omwonenden. Dit is de snelste manier om, binnen een bredere belangenafweging, tot een verbetering van de leefomgeving rond het bedrijf en klimaatwinst te komen.
Zoals eerder in deze beantwoording al benoemd is onderdeel van de JLoI het verbeteren van de cultuur en compliance. In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met dit onderwerp.
Hoe beïnvloedt het vroegtijdig sluiten van KGF 2 en met name KGF 1 de levensvatbaarheid van de plannen zoals vastgelegd in de JLoI, aangezien het originele plan op basis waarvan de Staat de onderhandelingen in is gegaan, uitgaat van het nog jarenlang openhouden van KGF 1? Op welke onafhankelijke experts baseert u zich hierin?
Zoals eerder aangegeven14 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Zoals bekend toetst het kabinet of de plannen van het bedrijf haalbaar zijn en leiden tot een levensvatbaar bedrijf. De staat heeft experts ingehuurd om de voorstellen en businesscase juridisch, technisch en financieel te toetsten, zoals KPMG en Mott Macdonald. Ook de Europese Commissie (EC) hanteert als uitgangspunt voor steunverlening dat een bedrijf economisch levensvatbaar moet zijn.
Hoe ziet het plan van Tata er dan nu precies uit, welke wijzigingen zijn/worden gemaakt ten opzichte van het plan op basis waarvan de Staat een JLoI is aangegaan?
De provincie Noord-Holland en de OD NZKG volgen voor de intrekking van de vergunningen een zorgvuldige procedure. Voor beide KGF’en is een vooraankondiging gestuurd. Hierna volgen ontwerp-intrekkingsbesluiten, waarop zienswijzen ingediend kunnen worden. Na het wegen van de zienswijzen, volgen definitieve intrekkingsbesluiten van de vergunningen. Voor de termijn waarbinnen sluiting plaats moet vinden worden onder andere het gedrag van de overtreder, de milieueffecten van de sluiting zelf, de bescherming van het milieu in het algemeen, verschillende technische aspecten en de bedrijfsvoering van Tata Steel in overweging genomen. De provincie Noord-Holland heeft recent ook een brief gestuurd waarin uitgebreide toelichting staat over dit proces15. Wanneer er meer duidelijkheid is over de termijn waarop sluiting plaats moet vinden, kan ook inzichtelijk gemaakt worden of en in hoeverre de huidige plannen aangepast moeten worden. Zodra hierover meer bekend is zullen wij de Kamer informeren.
Aangezien Tata Steel Nederland in 2025 een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert, welk financieel risico neemt de Staat bij de toekenning van 2 miljard euro subsidie? Hoe is dit risico bepaald en afgewogen en kunt u de exacte onderbouwing daarvan delen met de Kamer?
In het proces wordt er doorlopend getoetst op de levensvatbaarheid van het bedrijf en de (langetermijn) vooruitzichten. Dit gebeurt zowel door externe adviseurs van de staat als door de EC aangezien er op basis van het staatssteunkader dat van toepassing is geen staatssteun mag worden verleend om een verlieslatend bedrijf overeind te houden.
Daarnaast is de staat voornemens om garanties en zekerheden in te bouwen in de maatwerkafspraak. Zo wordt de maximaal 2 miljard euro aan subsidie niet in één keer overgemaakt, maar in tranches na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen en na bewijs van gemaakte kosten en volledige financiering van het project. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. Door aan de voorkant zekerheden voor de verstrekte tranches te stellen kan in het uiterste geval het uitbetaalde voorschot worden teruggevorderd.
Tot slot kijken TSL en externe financiers ook kritisch naar de financiering van hun eigen investering en de levensvatbaarheid van het bedrijf voor er geld beschikbaar wordt gesteld.
Is dit risico volgens u nog verantwoord, nu de materiële en financiële situatie bij Tata Steel Nederland volledig anders is dan bij het ondertekenen van de JLoI en nu de auditor van Tata Steel spreekt van «material uncertainty to going concern»?2 Kunt u nauwkeurig onderbouwen waarom wel/niet?
De eerdere sluiting van de Kookgasfabrieken heeft naar verwachting impact op het verdienvermogen van het bedrijf. Het bedrijf moet haar processen versneld aanpassen en dit brengt kosten en risico's met zich mee. Om die reden heeft TSL ook melding gemaakt over deze materiële onzekerheden. Het doen van deze melding in het jaarverslag is immers een verplichting voor beursgenoteerde ondernemingen zoals TSL. Zoals hiervoor aangegeven wordt de mogelijke impact op de maatwerkafspraak nog verder onderzocht.
Hoe verhoudt de geambieerde staatssteun zich nog tot de financiële feiten, gezien het oordeel van de auditor van Tata Steel dat de aangekondigde intrekking van vergunningen «material uncertainty to going concern» oplevert, gezien het feit dat Tata Nederland een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert én gezien het feit dat volgens Europese regels geen staatssteun gegeven mag worden aan een financieel noodlijdend bedrijf? Hoe onderbouwt u dit en op welke onafhankelijke experts baseert u zich?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is TSL, in het kader van de accountantsverplichtingen die TSL als beursgenoteerd bedrijf heeft, verplicht elke zogenaamde materiele onzekerheid over de continuïteit van de onderneming te vermelden.
Daarbij betekent het feit dat het bedrijf een verlies heeft gemaakt van ruim 200 miljoen euro nog niet dat het bedrijf ook een financieel noodlijdend bedrijf is. Zoals eerder aangegeven wordt momenteel onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft. Hierbij wordt ook de levensvatbaarheid van het bedrijf en de financiële haalbaarheid betrokken.
Heeft u naar aanleiding van de ontstane situatie al contact gehad met de Europese Commissie, die de eventuele subsidie moet goedkeuren in lijn met de Europese regels? Zo ja, kunt u de inhoudelijke reactie van de Commissie met de Kamer delen?
Vooruitlopend op formele toetsing door de EC, wordt informeel met de EC gesproken over alle voor de staatssteunbeoordeling relevante aspecten. Gelet op het informele en vertrouwelijke karakter van het overleg van de EC worden geen inhoudelijke reacties van de EC gedeeld. Voor zover er (financiële) gevolgen zijn voor de plannen en de businesscase, wat naar verwachting zo zal zijn zoals in antwoord 25 aangegeven, is dit relevant voor de formele beoordeling van de EC. Op dit moment zijn de consequenties nog niet precies bekend en kan dus ook geen beoordeling op grond van de staatssteunregels worden gemaakt. Helder is dat het bedrijf zich aan de wet- en regelgeving dient te houden, dat geen staatssteun mag worden verleend voor activiteiten die niet aan Europese regelgeving voldoen en dat een eventuele maatwerksubsidie moet (blijven) voldoen aan de Europese voorwaarden voor staatssteun onder het geldende staatssteunkader, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 (CEEAG).
Aangezien tijdens de aandeelhoudersvergadering op 16 mei jongstleden CEO Thachat Narendran de volgende uitspraak over de winstgevendheid van Tata Steel Nederland bij het sluiten van de beide kooksfabrieken heeft gedaan: «So going forward, if the coke ovens close, we expect it to continue to be EBITDA positive, maybe making less EBITDA than we had hopefully would make, but it will always be EBITDA positive. And so far, the Netherlands operation has operated without any support from India. So I think we expect that to continue»3, onderschrijft de Minister dat de overgangstermijn voor het sluiten van de beide kooksgasfabrieken beperkt kan worden tot de technische haalbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 24 volgen de provincie Noord-Holland en de OD NZKG een zorgvuldige procedure, waarin verschillende belangen gewogen worden. De OD NZKG heeft (in mandaat van de provincie Noord-Holland) de expertise om te bepalen welke termijn Tata Steel krijgt voor een veilige, verantwoorde en gecontroleerde sluiting.
Is de datum van de sluiting van de kooksgasfabrieken onderwerp van de onderhandelingen, of is dit een zuiver technische afweging van de omgevingsdienst?
De datum van de sluiting is een afweging van het bevoegd gezag. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 24.
Wat vindt u ervan dat de omwonenden al heel lang aandringen op sluiting van de kooksgasfabrieken wegens jarenlange overtredingen van de regels, maar dat Tata Steel de provincie Noord-Holland en de Tweede Kamer steeds heeft voorgehouden dat het een vroegtijdige sluiting van alleen al KGF 2 financieel niet kan dragen?
Het klopt dat hier sprake is van een andere positie van het bedrijf dan voorheen. Hierover is navraag gedaan bij het bedrijf. Het bedrijf geeft aan dat het in de context van de handhavingstrajecten door de OD NZKG en in reactie op de aanvullende normen uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), waar KGF1 niet op korte termijn aan kan voldoen, op basis van nieuwe inzichten is gaan kijken naar mogelijkheden om de Kooksgasfabrieken eerder te sluiten en de financiële gevolgen hiervan. Zoals bekend zijn hier ook gesprekken met de staat over gevoerd.18
Deze ontwikkeling benadrukt het belang van zorgvuldige en onafhankelijke beoordeling van de plannen en de businesscase, wat de staat dus ook doet met financieel adviseur KPMG en ook de beoordeling van de EC voordat eventuele goedkeuring voor de staatssteun wordt verleend.
Het kabinet wil nogmaals benadrukken dat de staat alleen bovenwettelijke maatregelen kan steunen en niet meer steun zal verlenen dan zij in de JLoI maximaal heeft toegezegd.
Beweert Tata Steel nu wel die vroegtijdige sluiting van de kooksgasfabrieken te kunnen betalen en, zo ja, hoe en wat is er dan precies veranderd in die korte tijd?
Zie antwoord vraag 31.
Gezien artikel 15.4 van de JLoI waarin opzeggronden voor Tata zijn bepaald voor de inspanningsverplichting rondom de maatwerkafspraken, hoe interpreteert u deze zin uit het persbericht van Tata India: «Tata Steel Netherlands is also engaged with the regulators on evolving standards relating to classification and disposal of steel slag, where local requirements in Netherlands now not only exceed EU standards but are threatening to become infeasible.»?
De inhoud van deze presentatie laat ik voor rekening van het bedrijf. Het kabinet maakt een eigenstandige afweging over het al dan niet aangaan van de maatwerkafspraak en over beleid en wet- en regelgeving. Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen aangegeven maakt de staat beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid. De opzeggronden in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in, noch geven ze enige financiële garanties of enig recht op subsidies aan TSN.19
Aangezien de beslisnota van 18 mei schrijft dat het kabinet een vinger aan de pols hierover houdt en dat wordt onderzocht of en, zo ja, welke implicaties dit voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft, kunt u precies uitleggen wat u bedoelt met het onderzoek en welke implicaties mogelijk zijn?
Zoals aangegeven in de beslisnota van 18 mei jl. heeft TSL in het jaarverslag aangegeven dat TSN in gesprek is met de regelgevende instanties over de classificatie en verwijdering van staalslakken. De lokale eisen in Nederland overschrijden momenteel volgens TSL de EU-normen en dreigen onhaalbaar te worden. Naar aanleiding hiervan heeft de staat haar technische en financiële adviseurs gevraagd deze ontwikkeling en de implicaties voor de maatwerkafspraak te onderzoeken.
Houdt u daarbij de uitvoering van de opdracht van de moties-Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343) en -Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428) nog scherp, en zorgt u ervoor dat onderhandelingen over de maatwerkafspraken op geen enkele manier invloed hebben op de noodzakelijke beleidsstappen die moeten worden gezet om mens, dier en milieu (uit voorzorg) te beschermen tegen staalslakken?
Het kabinet heeft deze moties scherp. Zoals eerder ook aangegeven laten de JLoI en beoogde maatwerkafspraak met TSN de mogelijkheden voor het kabinet om nationaal beleid op staalslakken aan te passen onverlet.20 Daarbij staan ook in de maatwerkafspraak de verbetering van gezondheid en leefomgeving centraal.
Hoe interpreteert u het feit dat in het laatste kwartaalverslag van Tata Steel India voor het eerst in twee jaar (en dus acht kwartaalverslagen) het «Groen» Staalplan en de maatwerkafspraken niet worden genoemd in de investeerderspresentatie?
De inhoud van deze investeerderspresentatie laat het kabinet voor rekening van het bedrijf.
Aangezien Tata India investeerders liet weten dat er onzekerheid is rondom de plannen in Nederland en de CFO tijdens de investors call zei; «there is an alternative path forward too», bent u op de hoogte van dat alternatieve pad? Zo ja, kunt u de Kamer daar zo snel mogelijk, maar in ieder geval bij de beantwoording van deze vragen, schriftelijk over informeren?
Het kabinet is niet bekend met een alternatief pad.
Bent u zelf ook bezig met een plan B, tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen van die ontwikkelingen voor de inwoners van de IJmond en meer specifiek de werknemers van Tata Steel? Waarom wel/niet? Zo ja, kunt u de Kamer dan zo snel mogelijk informeren over alternatieve plannen?
Zoals in de beantwoording van eerdere Kamervragen21 al aangegeven, zet het kabinet in op een maatwerkafspraak met TSN. Met een maatwerkafspraak met TSN wil het kabinet de verduurzaming en het schoner worden van de staalproductie met oog op de gezondheid van omwonenden in de IJmond helpen realiseren en de staalindustrie, en de economische en strategische waarde daarvan, behouden in Nederland. Er wordt nog onderzocht of en zo ja welke implicaties het intrekken van de vergunningen heeft voor de maatwerkafspraak met het bedrijf. Op basis van die uitkomsten worden vervolgstappen geformuleerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór half juni 2026 beantwoorden, gezien de urgentie?
Vanwege de hoeveelheid vragen en de benodigde interbestuurlijke afstemming is het niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
De vleesgigant JBS |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Greenpeace wil uitbreidingsplannen vleesgigant JBS in Nigeria blokkeren via Nederlandse rechtbank»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een bedrijf met een Nederlands hoofdkantoor volledige transparantie moet bieden over de impact van dergelijke miljardenprojecten op het klimaat, de lokale biodiversiteit en de rechten van lokale gemeenschappen in Nigeria?
De EU-richtlijn inzake de duurzaamheidsrapportering, de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), waarvan de implementatievoorstellen momenteel in het parlement aanhangig zijn, verplicht een onderneming niet tot transparantie over de duurzaamheidsgevolgen van een specifiek voorgenomen project tot uitbreiding van de onderneming. Pas zodra de uitbreiding is gerealiseerd, dient die meegenomen te worden in de duurzaamheidsrapportering door de onderneming als zij onder de CSRD-verplichtingen valt.
Een onderneming valt onder de CSRD-verplichtingen in Nederland indien zij een statutaire zetel in Nederland heeft of een beursvennootschap is met Nederland als land van herkomst, een netto-omzet van meer dan € 450 miljoen heeft en meer dan duizend werknemers. Indien de onderneming een dochtermaatschappij met statutaire zetel in Nederland is met een netto-omzet van meer dan € 200 miljoen, waarvan de moedermaatschappij buiten de EU is gevestigd en in de EU een netto-omzet van meer dan € 450 miljoen heeft, dan dient die dochtermaatschappij een verslag inzake duurzaamheid openbaar maken waarin verslag wordt gedaan over de duurzaamheid van het hele concern van de moedermaatschappij.
Bent u bereid om te onderzoeken of de groeiplannen van JBS in Nigeria (waaronder zes nieuwe vleesverwerkingsfabrieken) verenigbaar zijn met de internationale klimaatdoelen die Nederland heeft onderschreven?
Elke partij levert volgens het Parijs-akkoord op basis van hun «National Determined Contribution» een bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering. Dat zijn vrijwillige bijdragen van de individuele landen. Het is dus niet aan Nederland om naar bovenstaande onderzoek te gaan doen in Nigeria; dit is aan Nigeria als partij aan het Parijs-akkoord.
Wel zal de Nederlandse regering via de Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen (Wivo) de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) implementeren en handhaven. De Wivo ziet erop toe dat in Nederland gevestigde bedrijven zich wereldwijd inspannen om misstanden, zoals klimaatschade en mensenrechtenschendingen, te voorkomen.
Gaat de Nederlandse overheid de «zorgplicht» actief handhaven nu JBS een Nederlands bedrijf is, zeker gezien de link met illegale ontbossing in de Amazone en de recente schikkingen wegens kinderarbeid in de VS?
Als met zorgplicht de verplichting voor bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen bedoeld wordt, is het inderdaad de bedoeling hiervoor adequaat toezicht in te richten. Gepaste zorgvuldigheid komt terug in verschillende Europese wetten die binnenkort van kracht worden. Zo is het kabinet momenteel bezig eerdergenoemde CSDDD te implementeren met de eerdergenoemde Wivo. De CSDDD dient uiterlijk 26 juli 2028 omgezet te zijn in nationale wetgeving en een jaar later moeten bedrijven aan de wet voldoen. De Wivo zal ondernemingen die binnen het toepassingsbereik van de wet vallen verplichten om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun waardeketen. Dit betekent dat grote ondernemingen feitelijke en potentiële nadelige gevolgen voor mens en milieu, inclusief meetbare milieuschade zoals schadelijke emissies, in hun keten moeten identificeren en deze vervolgens moeten voorkomen, beperken of beëindigen. Beoogd toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM) zal op de naleving hiervan toezien.
Daarnaast zal de Europese Ontbossingsverordening (EUDR) van toepassing worden vanaf 2027. Deze verordening verplicht bedrijven die onder haar toepassingsbereik vallen om aan te tonen dat hun producten niet afkomstig zijn van recent ontboste gebieden en dat zij legaal zijn geproduceerd. De bevoegde autoriteiten zullen toezicht houden op de naleving en kunnen bij overtredingen handhavend optreden. Of in een specifiek geval, zoals dat van JBS, handhaving aan de orde is, hangt af van de specifieke omstandigheden en het oordeel van de toezichthouders.
Is de regering bereid om, in het kader van de Wet Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO), strengere eisen te stellen aan bedrijven die Nederland enkel als juridische uitvalsbasis gebruiken voor activiteiten die elders ter wereld leiden tot grootschalige natuurverwoesting (klimaatverandering en mensenrechtenschendingen)?
De Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen (Wivo), de wet die de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) implementeert, wordt momenteel geschreven en geldt nog niet. De CSDDD dient uiterlijk 26 juli 2028 omgezet te zijn in nationale wetgeving en een jaar later moeten bedrijven aan de wet voldoen. De Wivo zal ondernemingen die binnen het toepassingsbereik van de wet vallen verplichten om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun waardeketen. Dit betekent dat grote ondernemingen feitelijke en potentiële nadelige gevolgen voor mens en milieu, inclusief meetbare milieuschade zoals schadelijke emissies, in hun keten moeten identificeren en deze vervolgens moeten voorkomen, beperken of beëindigen.
Ondernemingen vallen onder het toepassingsbereik van de Wivo wanneer zij binnen Nederland gevestigd zijn en een jaaromzet van ten minste € 1,5 miljard en 5.000 medewerkers hebben. Indien JBS aan deze criteria voldoet wanneer de wet in juli 2028 in werking treedt, zal het onder de handhaving van de Nederlandse toezichthouder vallen.
Nederland hecht groot belang aan een zo hoog mogelijk niveau van harmonisatie bij de implementatie van de CSDDD in de lidstaten, om een gelijk speelveld binnen de Europese Unie te waarborgen. De Wivo wordt mede daarom zuiver en lastenluw geïmplementeerd.
Welke stappen gaat u ondernemen om te voorkomen dat Nederland een «safe haven» wordt voor multinationals die hun expansie financieren ten koste van het klimaat en de natuur elders?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 5, wordt momenteel gewerkt aan de implementatie van de CSDDD in de nationale wetgeving. Daarmee ontstaat een gelijk speelveld op het gebied van gepaste zorgvuldigheid in de Europese Unie en kan Nederland op dat gebied geen «safe haven» worden.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat financiële instellingen buiten de reikwijdte van de EU-ontbossingsverordening (EUDR) vallen, waardoor investeringen in ontbossingsbedrijven zoals JBS ongehinderd doorgaan, en bent u bereid zich in Europees verband hard te maken om deze tekortkoming in de wetgeving alsnog aan te pakken?
Het kabinet is van mening dat de EUDR in de huidige vorm geen geschikt instrument is voor het controleren van financiële stromen, omdat deze zich richt op toeleveringsketens van fysieke producten.
De illegale onderschepping van de Global Sumud Flotilla en het gevangennemen van opvarenden door Israël op internationale wateren |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de illegale onderschepping van de Global Sumud Flotilla door het Israëlische leger op internationale wateren?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover.
Bent u bekend met de berichten eerder deze week over de onderschepping van de Global Sumud Flotilla door het Israëlische leger op internationale wateren voor de kust van Cyprus?2 Zo ja, hoe beoordeelt u deze illegale actie?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten ter zake om opheldering verzocht. Deze is tot dusverre niet ontvangen, zoals weergegeven in het antwoord op vragen 8 en 10. Voorts heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Klopt het dat de onderschepping volgens berichtgeving plaatsvond op internationale wateren? Hoe beoordeelt u dit in het licht van het internationaal zeerecht?
Het klopt dat de onderschepping volgens berichtgeving plaatsvond op internationale wateren. Zie overigens het antwoord op vraag 2.
Welke informatie had het kabinet vooraf over de geplande onderschepping van de Flotilla en de aanwezigheid van Nederlandse burgers aan boord?
Naast de berichtgeving in de media heeft het kabinet voorafgaand aan de onderschepping geen informatie ontvangen over de planning van de onderschepping. Verder was het kabinet bekend met de aanwezigheid van Nederlandse burgers aan boord vanwege de berichtgeving daarover. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Bent u op de hoogte dat bij de entering op 19 mei 2026 er ook Nederlandse journalisten van De Marker (BNNVARA) op internationale wateren zijn gevangengenomen?3 Zo ja, wat vindt het kabinet dat Israël op internationale wateren Nederlandse journalisten gevangenneemt?
Ja. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Zie overigens het antwoord op vraag 2. Verder benadrukt het kabinet dat journalisten altijd ongehinderd en veilig hun werk moeten kunnen doen.
Welke consulaire bijstand is sinds de onderschepping verleend aan de Nederlandse opvarenden?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederlandse deelnemers aan de Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Verder heeft het kabinet rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten.
Welke concrete stappen zet het kabinet om ervoor te zorgen dat de Nederlandse opvarenden onmiddellijk en ongedeerd kunnen terugkeren naar Nederland?
Zie het antwoord op vraag 6 en 8.
Hoe beoordeelt u de berichten dat opvarenden tijdens en na de onderschepping zijn mishandeld, gemarteld en vernederd?4
Het kabinet heeft kennisgenomen van de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die de Israëlische Minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld, de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd en ze zo snel mogelijk moeten worden vrijgelaten. Ook heeft het kabinet om formele excuses van de Israëlische regering gevraagd. Deze oproep heeft Nederland ook herhaald in Europees verband in lijn met de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3421). Israël ging de dag erna, op 21 mei jl., over tot vrijlating van alle deelnemers.
Bent u bereid om in internationaal verband aan te dringen op onafhankelijk onderzoek naar de gewelddadige onderschepping van de Flotilla, de mogelijke marteling van opvarenden en de rol van betrokken staten? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., richting de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden. Het kabinet zal in dat kader ook in contact blijven met landen die ook duidelijkheid willen over de behandeling van Flotilla-opvarenden, ook in Europees verband.
Klopt het dat het kabinet na een eerdere Israëlische onderschepping van een Flotilla in oktober 2025 vragen heeft gesteld aan Israël over de rechtsbasis voor het ingrijpen?5 Zo ja, heeft Israël daarop inmiddels inhoudelijk gereageerd en bent u bereid die reactie met de Kamer te delen?
Zoals onder meer aangegeven in de beantwoording van Kamervragen van Dassen (Volt), Teunissen (PvdD), Dobbe (SP), Piri en Hirsch (beiden GroenLinks- PvdA) op 15 december 2025, heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten naar aanleiding van de onderschepping in oktober 2025 verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen rondom de onderschepping van de schepen. Het kabinet heeft, ondanks herhaald verzoek, geen reactie ontvangen van de Israëlische autoriteiten.
Kunt u deze vragen binnen 48 uur beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De evacuatie van Gazanen met een Nederlandse verblijfsvergunning |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van State en de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire ondersteuning moet bieden aan Gazanen met een geldige Nederlandse verblijfsvergunning bij hun vertrek uit Gaza?1
Het kabinet is bekend met de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van State en de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire bijstand moet bieden aan betrokkenen, die een positief besluit op hun machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)-aanvraag hebben ontvangen.
Klopt het dat het gaat om tientallen Palestijnen uit Gaza die beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) voor studie en werk in Nederland?
Het gaat om een groep personen in het bezit van een inwilliging voor een machtiging tot voorlopig verblijf op grond van verschillende verblijfsdoelen, waaronder studie en wetenschappelijk onderzoek. De feitelijke afgifte van de mvv kan pas plaatsvinden na biometrie-afname en vaststelling van de identiteit bij een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland.
Klopt het dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich momenteel beperkt tot het versturen van een zogenaamde Note Verbale, terwijl bekend zou zijn dat dit op zichzelf onvoldoende is om evacuatie daadwerkelijk mogelijk te maken?
Nee. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken geeft conform de uitspraak uitvoering aan de opgelegde voorlopige voorziening, zodat betrokkenen Gaza op korte termijn kunnen verlaten.
In dat kader zijn de Israëlische autoriteiten al eerder verzocht toestemming te verlenen voor de uitreis van betrokkenen uit de Gazastrook. Voor twee personen werd de toestemming voorafgaand aan de organisatie van een transport door een ander land ontvangen. Zij hebben Gaza op 1 juni via dit transport verlaten. Voor een gedeelte van de resterende groep werd toestemming na de coördinatie van dit transport ontvangen. Over die personen staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met de relevante autoriteiten.
COGAT heeft tegenover de NOS verklaard dat Nederland de betreffende personen niet heeft aangemeld voor evacuatie, terwijl daar volgens COGAT wel de mogelijkheid toe bestaat.2 Hoe moet dit beoordeeld worden in het licht van uw inzet om aan de verplichting als opgelegd door de voorzieningenrechter te voldoen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft bij de Israëlische autoriteiten, waaronder COGAT, een verzoek ingediend voor de uitreis van de betrokkenen. Voor een gedeelte van de groep is inmiddels toestemming ontvangen. Twee van hen hebben inmiddels Gaza verlaten. Over de rest van de groep staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met de relevante autoriteiten. Daarmee wordt voldaan aan de inspanningsverplichting die door de voorzieningenrechter is opgelegd.
Heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds de uitspraken de namen van MVV-houders actief doorgegeven aan de Israëlische autoriteiten of andere betrokken instanties ten behoeve van evacuatie? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Welke contacten heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds maart 2026 onderhouden met Jordaanse autoriteiten, COGAT, internationale organisaties of andere landen over de praktische uitvoering van evacuatie van deze MVV-houders?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op verschillende momenten contact gehad met de relevante autoriteiten over deze groep. Over de exacte inhoud van diplomatieke contacten doen wij in het openbaar terughoudend mededelingen om de vertrouwelijkheid en effectiviteit van diplomatieke contacten te waarborgen.
Hoe verhoudt deze beperkte inzet zich volgens u tot de rechterlijke uitspraken waarin is geoordeeld dat Nederland consulaire hulp moet verlenen?
In de uitspraak van de voorzieningenrechter is bepaald dat de Minister zich diplomatiek moet inspannen zodat de verzoekers Gaza kunnen verlaten. De opgelegde inspanningsverplichting wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat het bieden van uitsluitend minimale administratieve ondersteuning, terwijl bekend is dat dit feitelijk niet leidt tot evacuatie, onvoldoende uitvoering geeft aan de zorgplicht van de Nederlandse staat?
In de uitspraak is nadrukkelijk overwogen dat de opgelegde inspanningsverplichting uitsluitend ziet op een diplomatieke inspanning. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inspanningsverplichting vloeit daarmee voort uit de door de rechter opgelegde voorziening. Overigens ligt er in deze gevallen geen (juridische) zorgplicht bij de Nederlandse staat.
Kunt u uiteenzetten welke belemmeringen het kabinet momenteel ziet om de betrokken personen daadwerkelijk uit Gaza te laten vertrekken, en welke diplomatieke inspanningen worden verricht om deze belemmeringen weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 5.
In de NOS-rapportage werd melding gemaakt van het feit dat u heeft aangegeven dat er sprake is van een situatie die nog «onder de rechter is»3; bent u er zich van bewust dat er tegen de voorlopige voorzieningen die zijn opgelegd, op basis waarvan u dient te doen wat nodig is om evacuatie te realiseren, geen beroep aangetekend kan worden en deze per direct uitgevoerd dienen te worden?
Ja. Aan de voorlopige voorzieningen wordt dan ook uitvoering gegeven. Desalniettemin heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het oordeel van de voorzieningenrechter niet bindend in de bodemprocedure, waar de zaak inhoudelijk wordt behandeld.
In hoeverre onderscheidt het bewust uitvoeren van een rechterlijke opdracht op een wijze die bij voorbaat ineffectief is zich volgens u van het feitelijk niet uitvoeren van die opdracht?
De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inspanningsverplichting vloeit voort uit de door de rechter opgelegde voorziening. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid om, mede gezien de humanitaire situatie in Gaza en de uitspraken van de rechter, per direct intensievere consulaire en diplomatieke inspanningen te leveren om deze mensen veilig uit Gaza te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie zal zich conform de uitspraak van de voorzieningenrechter blijven inspannen zodat deze groep Gaza op korte termijn kan verlaten om de mvv op te halen.
Zoals aan uw Kamer gecommuniceerd op 1 december jl. is het Ministerie van Buitenlandse Zaken per 1 december jl. teruggekeerd naar de reguliere consulaire bijstandverlening in Gaza, waarmee de ondersteuning bij vertrek uit Gaza in het geheel is beëindigd. Wel zal het ministerie blijven voorzien in de reguliere consulaire dienstverlening aan houders van een mvv-inwilliging uit Gaza, in de vorm van visumafgifte en in voorkomend geval (nood-)reisdocumentenafgifte.
Kunt u deze vragen met spoed binnen twee weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Bescherming van Bonaire tegen de klimaatcrisis |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel over het bezoek van premier Jetten aan Bonaire1, bezien in samenhang met het nieuwe rapport van Greenpeace waaruit blijkt dat de kosten van klimaatverandering op Bonaire in de toekomst fors zullen oplopen2?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat u naar Bonaire afreist met niets meer dan woorden, terwijl de inwoners van het eiland al jaren wachten op daadwerkelijke bescherming tegen de gevolgen van de klimaatcrisis?
Het bezoek van de Minister-President aan Bonaire stond in het teken van kennismaking, er hebben geen specifieke gesprekken plaatsgevonden over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie. Wel is uiteraard geluisterd naar de punten van zorg die tijdens de gesprekken aan de orde kwamen.
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in als het gaat om klimaatadaptatie op Caribisch Nederland, bijvoorbeeld door in op het vaststellen van een klimaatadaptatieplan om ervoor te zorgen dat Caribisch Nederland klimaatbestendig is, nu en in de toekomst. Het kabinet streeft ernaar om nog dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie vast te stellen, waarin nadrukkelijk aandacht is voor Caribisch Nederland. Ook zet dit kabinet de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland voort, zoals aangegeven in het coalitieakkoord. Zie ook het antwoord op de vragen 10 en 11.
Welke boodschap denkt u af te geven aan de inwoners van Bonaire door in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak in de klimaatzaak, terwijl diezelfde inwoners juist dringend meer bescherming nodig hebben?
Het kabinet is na een zeer zorgvuldige afweging tot de conclusie gekomen dat er zwaarwegende (juridische) redenen zijn voor het laten toetsen van de uitspraak door het gerechtshof Den Haag. In de Kamerbrief van 10 april3 is een toelichting gegeven op de redenen van het kabinet voor het instellen van hoger beroep. Daarnaast zijn de acties beschreven waar het kabinet op inzet, zowel op het gebied van klimaatmitigatie in Europees Nederland als op klimaatadaptatie van Caribisch Nederland. Het kabinet kan zich voorstellen dat de keuze om in hoger beroep te gaan hard aankomt bij de inwoners van Bonaire. Het kabinet hecht er daarom aan om uit te spreken dat zij oog heeft voor de zorgen die de inwoners van Caribisch Nederland hebben over klimaatverandering en deze uiterst serieus neemt. Dit vertaalt zich in het handelen van dit kabinet. Het kabinet gaat door met alle inspanningen op het gebied van klimaat, zowel op het gebied van mitigatie als adaptatie. Inhoudelijk zet het kabinet de komende jaren in op het klimaatbestendig maken van Bonaire.
Begrijpt u dat het hoger beroep door veel inwoners van Bonaire zal worden ervaren alsof de Staat hun veiligheid, gezondheid en toekomst nog altijd niet serieus neemt?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat Caribisch Nederland bij een volgend bezoek opnieuw met lege handen blijft achter in beleid, bescherming en middelen?
Het klimaatadaptatiebeleid voor Bonaire staat los van de vraag of de Minister-President in de toekomst Bonaire nog zal bezoeken. Zie voorts het antwoord op de vragen 10 en 11. Ook zet dit kabinet de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland voort, zoals reeds aangegeven in het coalitieakkoord.
Kunt u aangeven welke gesprekken er zijn gevoerd met het Openbaar Lichaam Bonaire over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie? Hoe zijn deze gesprekken verlopen?
Het bezoek van de Minister-President aan Bonaire stond in het teken van kennismaking, er waren geen specifieke gesprekken voorzien over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie.
Overweegt u de eilanden nog eens in de zomer te bezoeken, zodat u zelf kunt ervaren hoe ondraaglijk de hitte daar werkelijk kan worden?
Het klimaatadaptatiebeleid en meer specifiek het hittebeleid staat los van de vraag of de Minister-President in de toekomst Bonaire nog zal bezoeken.
Waarom kiest u ervoor om tijd en geld te steken in een hoger beroep, terwijl die energie ook direct kan worden ingezet voor uitvoering, bescherming en financiering van urgente maatregelen op Bonaire?
In de Kamerbrief van 10 april jl. heeft het kabinet aangegeven dat het na een zeer zorgvuldige afweging tot de conclusie gekomen dat er zwaarwegende (juridische) redenen zijn om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag. Ongeacht hoger beroep zet het kabinet zich in voor een klimaatbestendig Bonaire. Er wordt onder meer al ondersteuning geboden aan Bonaire bij het maken van plannen, het nemen van maatregelen en het uitvoeren van onderzoek. Het kabinet zal deze ondersteuning dan ook voortzetten.
Deelt u de conclusie van Greenpeace dat de kosten voor bescherming van Bonaire fors kunnen oplopen als nu niet wordt ingegrepen? Zo nee, op welke grond wijkt u daarvan af?
Het klopt in algemene zin dat investeren in klimaatadaptatiemaatregelen minder kost dan de schade die deze investeringen veroorzaken. Met deze maatregelen kan ook de schade worden beperkt die veroorzaakt wordt door natuurrampen zoals overstromingen en orkanen. Let wel, adaptatiemaatregelen kunnen ook inhouden dat bepaalde functies op termijn verplaatst moeten worden naar minder risicovolle locaties. Zie voorts het antwoord op de vragen 10 en 11.
Welke nieuwe feiten of omstandigheden uit het recente rapport van Greenpeace zijn voor u aanleiding geweest om de schade en kosten van uitblijvend beleid op Bonaire opnieuw te beoordelen?
Eind mei is het Klimaatplan Bonaire aangeboden aan het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire. Dit plan is opgesteld in opdracht van het Openbare Lichaam met ondersteuning van het Rijk. In dit plan zijn voorstellen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Het rapport van Greenpeace4 verscheen kort voor de aanbieding van het Klimaatplan Bonaire. Het kabinet zal bestuderen of dit rapport aanvullende elementen bevat die niet in het Klimaatplan Bonaire zijn meegenomen.
Kunt u aangeven welke concrete aanvullende maatregelen u op korte termijn neemt om Bonaire beter te beschermen tegen zeespiegelstijging, droogte, hittestress en andere klimaatrisico’s?
Het Rijk neemt continu maatregelen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Op Bonaire gaat het bijvoorbeeld om ondersteuning bieden aan het grootschalig herstel van regenwateropvang, ondersteuning aan de lokale GGD voor het opstellen van een hitteplan en onderzoeken ten behoeve van lange termijn verkenningen over de gevolgen van zeespiegelstijging. Daarnaast maakt klimaatadaptatie onderdeel uit van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland. De tweede fase hiervan wordt momenteel vormgegeven, hierover zal de Kamer dit najaar verder worden geïnformeerd.
Op het gebied van adaptatie zet het kabinet in op het vaststellen van het klimaatadaptatiebeleid, inclusief Caribisch Nederland. Het kabinet streeft ernaar om nog dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie vast te stellen, waarin nadrukkelijk aandacht is voor Caribisch Nederland, inclusief een uitvoeringsprogramma.
Klimaatadaptatie is een gedeelde verantwoordelijkheid. Net als gemeenten in Europees Nederland heeft ook het openbaar lichaam Bonaire een belangrijke rol bij de uitvoering van klimaatadaptatiemaatregelen. Dit geldt met name voor laagdrempelige maatregelen, zoals het tegengaan van hittestress, het vergroten van groen voor verkoeling en het beter opvangen van hevige regenval.
Bent u bereid om de financiering voor de bescherming van Bonaire structureel te borgen door deze onder te brengen in het Deltafonds of een vergelijkbare systematiek van meerjarige begrotingsreserveringen in plaats van te werken met incidentele bijdragen?
De bepalingen over het Deltafonds zijn onderdeel van de Waterwet. De reikwijdte van de Waterwet is beperkt tot Europees Nederland. Hierdoor maken de BES-eilanden (Caribisch Nederland) geen onderdeel uit van de scope van het Deltafonds. Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor nodig is. Voor de BES-eilanden geldt verder dat financiering van infrastructuur, klimaatadaptatie en waterbeheer via andere instrumenten verloopt, zoals bijzondere uitkeringen, het BES-fonds en aanvullende, thematische programma’s.
Bent u bereid om, gelet op het bezoek aan Bonaire, het hoger beroep in de klimaatzaak opnieuw te bezien en prioriteit te geven aan snelle uitvoering van beschermende maatregelen?
Zie antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het plenaire debat over de gerechtelijke uitspraak inzake de klimaatzaak Bonaire beantwoorden?
Ja, echter zijn vanwege de inhoudelijke overeenkomst vraag 3 en 4 gezamenlijk beantwoord.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord' |
|
Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de Israëlische marine die humanitaire schepen van de Global Sumud Flotilla voor de kust van het Griekse eiland Kreta heeft geënterd en opvarenden heeft ontvoerd?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover.
Bent u ermee bekend dat Nederlandse deelnemers zich aan boord bevonden van de geënterde schepen?
Ja.
Welke maatregelen neemt u om hun veiligheid en die van de overige Nederlanders te garanderen?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden. Verder heeft het kabinet aan de Griekse en Cypriotische autoriteiten verzocht Nederlandse deelnemers aan de Flotilla in nood desgevraagd bij te staan.
Erkent u dat het enteren en aanvallen van schepen met burgers en hulpgoederen in internationale wateren een ernstige schending van internationaal recht is?
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Flotilla een schending van het internationaal recht.
Bent u bereid publiekelijk steun uit te spreken voor het recht van burgers en organisaties om zich vreedzaam in te zetten voor humanitaire doeleinden en solidariteit te tonen met de Palestijnse bevolking, ook als dit betekent dat zij blokkades vreedzaam proberen te doorbreken?
Het kabinet maakt zich ernstig zorgen over de humanitaire situatie in Gaza. Zowel in bilateraal als in multilateraal (EU-)verband roept Nederland de Israëlische autoriteiten op om veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke humanitaire toegang te faciliteren. Nederland spreekt zich in dit kader ook uit over de Israëlische herregistratieplicht voor internationale ngo’s, onder meer door het initiëren van een gezamenlijke verklaring die werd medeondertekend door een grote groep landen. Nederland heeft binnen de EU benadrukt dat de ontwikkelingen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israëlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Welke stappen heeft Nederland tot nu toe ondernomen, of is het bereid te nemen, om veilige en ongehinderde toegang van humanitaire hulp tot Gaza te bevorderen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt het optreden tegen humanitaire schepen zich volgens u tot de verplichtingen van staten onder het internationaal recht?
In algemene zin is het standpunt van het kabinet zoals bekend dat het blokkeren van humanitaire hulp evident indruist tegen het humanitair oorlogsrecht.
In oktober 2025 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat Israël als bezettende macht verplicht is essentiële humanitaire hulp door onpartijdige (VN-)organisaties toe te staan, wanneer de lokale bevolking onvoldoende voorzien is van dergelijke hulpgoederen. Professionele en gemandateerde humanitaire organisaties dienen veilige, ongehinderde, en onvoorwaardelijke toegang te krijgen tot Gaza.
Deelt u de opvatting dat het blokkeren van humanitaire hulp in strijd kan zijn met de verplichting om levensreddende hulp toe te laten tot een burgerbevolking in nood? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden gezien de noodsituatie?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De uitzonderlijk grote natuurbrand door een explosieve militaire oefening op de Veluwe |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws over de uitzonderlijk grote brand in een beschermd natuurgebied op de Veluwe dat wordt gebruikt als militair oefenterrein?1
Ja.
Klopt het dat de brand is ontstaan tijdens de oefening «Geweer- en mitrailleurvuur, kanon en werken met explosieven» op 29 april 2026 die op hetzelfde moment op dat terrein plaatsvond, zoals vermeld op de website van Defensie? Klopt het dat deze oefening plaatsvond terwijl in vrijwel geheel Nederland een verhoogd risico op natuurbranden gold?2
Op het moment van uitbreken van de brand gold natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. De brand is veroorzaakt bij het tot ontploffing brengen van explosieven. Het plan voor het springen van deze munitie was goedgekeurd volgens de juiste procedures, door de relevante autoriteiten van het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde).
Wat is uw reactie op deze brand en de verantwoordelijkheid van Defensie hierin?
Ik betreur de situatie zeer en ik spreek mijn waardering uit naar de samenwerkende nationale en internationale hulpverleners. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht, realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Toch zijn bij oefeningen branden ontstaan op en rond militaire terreinen die een impact hebben op de samenleving en waarvan de natuurschade nog duidelijk moet worden.
Hoeveel oppervlakte natuurgebied is door deze brand verloren gegaan? Kunt u specificeren welke natuurtypen en welke (beschermde) dier- en plantensoorten door de brand zijn getroffen of leefgebied hebben verloren?
Er is ongeveer 427 hectare afgebrand. Het getroffen gebied betreft een half open landschap met heideterreinen, vergraste heideterreinen en naaldbossen bestaande uit grove den. De heideterreinen die zijn afgebrand, zijn de terreinen waar de schade voor de natuur het grootst is. Met name de naaldbossen zijn vooral eenvormig en hebben daardoor een lagere natuurwaarde. De overige heideterreinen betreffen vooral vergraste en zogenaamde droge struikheide terreinen met een lagere natuurwaarde. Een klein deel van het getroffen gebied bestaat uit semi-vochtige heide. De vegetatie, waarvoor dit deel een hogere natuurwaarde heeft, is in deze tijd van het jaar nog nauwelijks aanwezig.
Schade aan de fauna in het totale gebied betreft vooral insecten, reptielen en broedende vogels en hun nesten voor zover deze zich bevonden op de bodem of in struiken. Er zijn observaties ten tijde van de brand waaruit blijkt dat grotere fauna voor het vuur konden wegkomen. Er zijn geen resten van grotere fauna gevonden in de dagen na de brand.
In het verbrande deel nestelt sinds vier jaar een visarend met jaarlijks broedsucces. Het terrein rondom het nest is verbrand. Direct na de brand bleken beide oudervogels nog op het nest te zitten en vertonen op dit moment natuurlijk broedgedrag.
Welke gevolgen heeft deze brand voor de biodiversiteit en ecologische kwaliteit van het getroffen gebied op de korte en lange termijn?
Voor al het bodemleven geldt dat een groot deel de brand kan hebben overleefd; het vuur is erg snel over het gebied gegaan en de humuslaag is maar enkele millimeters ingebrand. Enkele dagen na de brand zijn veel vlinders en insecten waargenomen, evenals actieve rode bosmieren en er zijn op de zwarte bodem veel zandspoortjes aanwezig van insecten die weer uit de bodem naar boven zijn gekomen.
In opdracht van Defensie is het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) direct na de brand gestart met herstelmaatregelen. Het beheer is gericht op het tegengaan van vergrassing en herstel van de structuur van bodem en vegetatie. In de delen van het terrein waar de vergraste heide is afgebrand, is gestart om de regeneratie van gras te hinderen, zodat de hei kan uitlopen en de natuurwaarde in dit deel van het terrein zal profiteren. Tevens zijn stobben in het gebied gelegd om reptielen en insecten schuilgelegenheid te bieden. Een afgebrand deel van het terrein herbergt grote aantallen grauwe klauwwier. Het broedseizoen van deze trekvogel is nog niet begonnen. Om deze soort te helpen, zijn takkenhopen van grove den aangebracht, omdat de grauwe klauwier een voorkeur heeft om in omgewaaide grove dennen nesten te bouwen. Deze natuurbeheer maatregel heeft het RVB de afgelopen jaren ook als regulier beheer voor deze Natura2000 soort toegepast.
In de bossen wordt geen beheer uitgevoerd. Het is de verwachting dat de komende jaren de aangetaste bossen zullen verloofen. Het getroffen naaldbos zal versneld worden omgevormd naar meer ecologisch waardevol loofbos door komende winter loofhout aan te planten. Hierdoor zal de natuurwaarde stijgen, ook ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.
Bovenstaande betekent dat er schade is aan het terrein, maar dat op lange termijn de ecologische kwaliteit kan worden versterkt.
Welke risicoanalyses zijn voorafgaand aan deze oefening uitgevoerd met betrekking tot droogte, hitte en natuurbrandgevaar? Welke preventieve maatregelen zijn voorafgaand aan de oefening wel en niet getroffen?
Bij het uitbreken van de brand gold de door de veiligheidsregio afgekondigde natuurbrandrisico fase 2. Voor elke oefening worden risico-inventarisaties uitgevoerd. Hierin worden alle mogelijke aspecten meegenomen, waaronder zaken gerelateerd aan de omgeving zoals omgang met droogte. De preventieve maatregelen zoals vermeld in ons protocol zijn genomen, zoals de aanwezigheid van brandbestrijdingscapaciteit. Voor het Artillerieschietkamp gelden tevens afspraken over extra mitigerende maatregelen ten aanzien van brandbestrijding en risicobeperking. Deze afspraken zijn vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Beschikt Defensie over een specifiek droogteprotocol voor oefeningen met vuurwapens, explosieven of andere pyrotechnische middelen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid een dergelijk protocol alsnog op te stellen?
Ja. Het interne Defensieprotocol sluit wat betreft droogte aan bij het landelijk protocol van Brandweer Nederland. In beide documenten wordt onderscheid gemaakt in twee fasen: fase 1 waarin nog geen extra maatregelen worden getroffen maar wel voorzichtigheid wordt geadviseerd en fase 2 in tijden van langere droogte. In fase 2 wordt ook publiekelijk een oproep gedaan om extra alert te zijn en in sommige natuurgebieden is open vuur verboden.
Welke criteria worden momenteel gehanteerd bij de beslissing om oefeningen met pyrotechnische middelen wel of niet door te laten gaan tijdens periodes van droogte of verhoogd natuurbrandrisico? Is er een verschil in criteria tussen oefeningen op beschermd en onbeschermd natuurgebied als het gaat om oefeningen met pyrotechnische middelen?
De veiligheidsregio kondigt de natuurbrandrisicofase af. Op basis van de actieve fase staat in het protocol welke maatregelen noodzakelijk zijn. Er is geen onderscheid tussen soorten terreinen. Bij alle activiteiten, waaronder oefeningen, worden risico-inventarisaties gedaan. Hierin worden, zoals gezegd, zowel de activiteiten als de specifieke omgeving meegewogen. Bij natuurbrandrisicofase 2 hanteert Defensie een protocol dat beperkingen oplegt aan de toegestane activiteiten en verplichtingen oplegt voor aanvullende risicobeperkende maatregelen. Voor het Artillerieschietkamp houdt Defensie zich ook aan de extra mitigerende maatregelen uit het convenant met Defensie en de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Herinnert u zich dat, na de brand op de Ginkelse heide vorig jaar april, Defensie aankondigde dat oefeningen niet zouden worden stilgelegd, maar dat soldaten extra alert zouden worden gemaakt op bestaande procedures? Bent u van mening dat soldaten nu extra alert zijn gemaakt? Op welke wijze is dit gebeurd?3
Na de brand op de Ginkelse Heide in april vorig jaar is specifiek aandacht gevraagd voor het bestaande protocol, zowel in de operationele lijn naar commandanten van eenheden als naar terreinopzichters en veiligheidsfunctionarissen. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol nogmaals te bespreken.
Bent u bereid dit soort explosieve oefeningen tijdelijk op te schorten zolang sprake is van aanhoudende droogte en verhoogd natuurbrandgevaar in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In grote delen van Nederland zijn we terug naar natuurbrandrisico fase 1 waarin geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen, maar we gebruiken tot 18 mei geen lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen. In het geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, oefenmunitie en pyrotechnische, spring- en onstekingsmiddelen op oefenterreinen tijdelijk stilgelegd, totdat de eventuele aanpassingen aan het protocol helder zijn. Voor de grote schietterreinen ISK en ASK geldt dat een risico analyse moet uitwijzen wat ten tijde van een oefening de beperkende maatregelen zijn omdat op deze locaties een brandweerorganisatie aanwezig is.
Bent u bereid om dit soort explosieve militaire oefeningen met pyrotechnische middelen te verbieden in beschermd natuurgebied, zodat niet mogelijk nog meer beschermde natuur verloren gaat? Zo nee, waarom niet?
Nee, we zullen dergelijke oefeningen niet verbieden op onze schiet- en oefenterreinen. Oefeningen zijn essentieel voor de gereedheid van onze krijgsmacht. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving om deze situaties zoveel mogelijk te voorkomen. Het Artillerieschietkamp is ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en nadrukkelijk ook -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie ook bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden.
Welke gezondheidsgevolgen kan deze grote brand hebben voor omwonenden, hulpverleners, dieren en de natuur, onder andere vanwege rook, fijnstof en mogelijke uitstoot van schadelijke stoffen?
De veiligheidsregio maakt een inschatting van de eventuele gezondheidsgevolgen en kan, via een NL Alert, de omgeving bijvoorbeeld adviseren om ramen en deuren gesloten te houden. Dit om eventuele gezondheidsgevolgen voor omwonenden te beperken. Bij de natuurbrand op het terrein van het ASK is dit middel ook ingezet.
Leiden de uitbreidingsplannen van Defensie mogelijk tot extra gezondheids- en brandrisico’s voor Nederlanders en Nederlandse natuur?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s. De noodzakelijke uitbreidingsplannen van Defensie leiden daarom niet per definitie tot extra gezondheids- en brandrisico’s.
Op welke wijze gaat u zich inzetten voor herstel van de getroffen natuur? Welke concrete herstelmaatregelen worden overwogen of uitgevoerd?
Zie de beantwoording op vraag 5.
Worden militaire oefeningen in het getroffen gebied tijdelijk stilgelegd totdat op zijn minst de natuur voldoende is hersteld? Zo nee, waarom niet?
Direct na de brand zijn de geplande militaire activiteiten op het Artillerieschietkamp tijdelijk stilgelegd om de veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen de natuurbrand te bestrijden. Het bestaande protocol blijft gelden, waarbij Defensie rekening houdt met de herstellende natuur. Dit betekent onder andere dat het rustgebied voor fauna wordt gerespecteerd en dat beschermde habitattypen worden behouden.
Bent u bereid de bestaande procedures rond militaire oefeningen in natuurgebieden aan te scherpen om herhaling van dergelijke branden te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
We gaan de uitzonderingsprocedures zoals benoemd in het huidige protocol voor oefeningen in droge periodes opnieuw bekijken. Er zijn momenteel uitzonderingen mogelijk op het verbod om gebruik te maken van bijvoorbeeld spring- en ontstekingsmiddelen. Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Aanvullend op het huidige protocol is besloten om het gebruik van lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen tot 18 mei 2026 niet toe te staan. We zijn in gesprek met o.a. de veiligheidsregio’s om ons protocol, de processen en procedures tegen het licht te houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) heeft Defensie verzocht om het veiligheidsbeleid (voorschriften en protocollen) rondom oefeningen te evalueren en uiterlijk 1 juli 2026 de uitkomsten te rapporteren aan IL&T. Defensie gaat dit uitvoeren.
De Kamer zal worden geïnformeerd over deze evaluatie en de eventuele aanpassingen van het veiligheidsbeleid.
Bent u het ermee eens dat dit soort risicovolle explosieve oefeningen in tijden van droogte in beschermd natuurgebied buiten de reikwijdte vallen van de geldende natuur- en milieuwetgeving en daarmee strijdig zijn met de door de Kamer aangenomen motie over opereren binnen de natuur- en milieuwetgeving (Kamerstuk 36 592, nr. 50)? Zo nee, waarom niet?
Nee. Defensie houdt zich aan de geldende wet- en regelgeving, ook als zij op een militair oefenterrein aan oefenen is.
Bent u bereid om in de toekomst zo veel mogelijk te kiezen voor ander militair oefenterrein dan natuur?
Nee. Militaire oefenterreinen worden zo ingericht en beheerd dat militairen veilig en natuurgetrouw kunnen oefenen. Dat is het primaire doel van de terreinen. Daarnaast wordt op de terreinen veel inzet gepleegd om de natuurwaarden te optimaliseren, waardoor op meerdere terreinen een positieve dynamiek is ontstaan met voor Nederland bijzondere natuur. Hierover is de Kamer in 2023 geïnformeerd.4
Veel Defensieterreinen liggen vanwege de benodigde ruimte en inrichting in of naast natuurgebieden. Defensie en natuur gaan over het algemeen goed samen, zoals onder andere blijkt uit het rapport dat naar uw Kamer is verzonden in juni 2023. Het is ook om die reden dat ik het betreur dat branden zijn ontstaan op onze terreinen waardoor natuurschade is opgetreden. Ik heb er alle vertrouwen in dat door de genomen herstelmaatregelen de natuur zal herstellen en mogelijk zal verbeteren.
Bent u het eens dat provincies, als medeverantwoordelijken voor natuurbescherming en -herstel, bij extreme droogte zouden moeten kunnen ingrijpen op explosieve militaire oefeningen in en bij natuur?
Het convenant brandveiligheidsplan van het Artillerieschietkamp is in gezamenlijkheid met de Veiligheidsregio en de betreffende gemeenten opgesteld.
Kunt u deze vragen, gezien de aanhoudende droogte en de vooralsnog continuerende oefeningen van Defensie, één voor één spoedig beantwoorden?
Ja.