Het door Israël insluiten van Palestijnen in Gaza met een aarden wal |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u het NRC-artikel «Israël bouwt een aarden wal en omsluit en controleert hiermee de bevolking van Gaza. Dat is in strijd met het internationaal recht» van 6 augustus 2026 en de eerdere berichtgeving van Associated Press, waarin op basis van satellietbeelden wordt beschreven dat Israël langs de zogenoemde Gele Lijn een meer dan 23 kilometer lange aarden wal aanlegt gelezen?1
Ja.
Heeft u gezien dat de Israëlische premier Netanyahu heeft aangegeven «nooit een Palestijnse staat te accepteren in Gaza of de Westelijke Jordaanoever zolang hij premier is» en «niet van plan is het Israëlische Defensieleger terug te trekken uit Gaza totdat Hamas volledig ontwapend is»?2 Wat vindt u van deze uitspraken?
Ik heb hier kennis van genomen. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. De betreffende uitspraak van de Israëlische premier nooit een Palestijnse staat te accepteren gaat daar tegen in en is dan ook zorgwekkend. Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van het vredesplan van president Trump. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803.
Kunt u bevestigen dat deze aarden wal zich inmiddels over tientallen kilometers uitstrekt, Gaza verder opdeelt en de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking nog verder beperkt? Wordt dit door de Nederlandse regering gemonitord? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest dit ter plaatse te bevestigen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza.
Bent u bereid bij uw Israëlische collega en de Israëlische ambassadeur onmiddellijk duidelijk te maken dat deze aarden wal meteen weer moet worden afgebroken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Gaza nauwgezet. Voor de toekomst van Gaza is het noodzakelijk dat resolutie 2803 van de VN-Veiligheidsraad en daarmee het vredesplan van president Trump worden geïmplementeerd. Deze boodschap brengt het kabinet regulier over in diplomatieke contacten met Israël.
Kunt u bevestigen dat de Gele Lijn in oktober 2025 in eerste instantie werd gepresenteerd als een tijdelijke militaire terugtrekkingslijn, in afwachting van verdere Israëlische terugtrekking uit Gaza? Wat vindt u ervan dat Israël helemaal niet van plan is zich terug te trekken?
Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van dit vredesplan. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803. In artikel 16 is opgenomen dat Israël Gaza niet zal bezetten of annexeren.
Hoe beoordeelt u de aanleg van een grootschalige fysieke barrière en bijbehorende militaire infrastructuur langs deze tijdelijke lijn? Vindt u dergelijke (semi-)permanente infrastructuur in bezet gebied verenigbaar met het tijdelijke karakter van een bezetting en met andere relevante regels van internationaal recht? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke rechtsregels worden volgens u geschonden?
In beginsel geeft het humanitair oorlogsrecht ruimte om op basis van overwegingen van militaire noodzaak militaire installaties, zoals een aarden wal, te bouwen. Dat moet echter worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht, zoals het verbod op het vernietigen van goederen als daar geen militaire noodzaak voor is. Tevens zijn er verplichtingen onder het bezettingsrecht ter bescherming van de burgerbevolking waaronder het verbod op gedwongen verplaatsing, zoals ook toegelicht in het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, het verbod op annexatie en de door het IGH vastgestelde plicht van Israël om de onrechtmatige aanwezigheid in de bezette Palestijnse Gebieden zo spoedig mogelijk te beëindigen.
Heeft Israël tegenover Nederland of de Europese Unie toegelicht of deze barrière en bijbehorende infrastructuur tijdelijk dan wel permanent bedoeld is? Zo nee, bent u bereid expliciet aan Israël opheldering hierover te vragen en de Kamer daarover te informeren? Hoe verhoudt de aanleg van deze fysieke barrière zich volgens u tot het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024, waarin werd vastgesteld dat Israëls onrechtmatige aanwezigheid in het bezette Palestijnse gebied zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd?
De overwegingen rond de bouw van de wal zijn niet toegelicht door Israël. Wel heeft de IDF aan de media bevestigd dat er een barrière in het gebied van de Gele Lijn wordt gebouwd. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 moet de bouw van een aarden wal worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht. Nederland brengt regelmatig in gesprekken met Israël de onrechtmatigheid van de bezetting van de Palestijnse Gebieden op. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Dergelijke politieke afspraken doen echter geen afbreuk aan de Israëlische verplichtingen onder internationaal recht.
Vindt u de juridische beoordeling van het Internationaal Gerechtshof in zijn Advisory Opinion van 9 juli 2004 over de Muur op de Westelijke Jordaanoever leidend voor de Nederlandse en Europese beoordeling van deze nieuwe fysieke barrière in Gaza? Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3 heeft het kabinet onvoldoende informatie over deze mogelijke barrière en kan daarom geen vergelijking maken tussen deze twee zaken. Nederland en andere staten beschouwden de aanleg van de muur op de Westelijke Jordaanoever als onrechtmatig en Israëlische soevereiniteit over de Palestijnse Gebieden is nimmer erkend.
Deelt u de opvatting dat in het advies van 2004 niet alleen de fysieke constructie zelf centraal stond, maar vooral de gevolgen daarvan voor onder meer zelfbestuur (territoriale integriteit), bewegingsvrijheid, toegang tot land en de uitoefening van het Palestijnse recht op zelfbeschikking? Welke betekenis heeft dat volgens u als u het advies van toen toepast op de huidige situatie in Gaza?
Ik deel die opvatting. Zie daarnaast beantwoording op vraag 3 en 6.
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de aanleg van deze barrière en infrastructuur voor de uitvoering van de verplichtingen van Nederland zoals geformuleerd door het Internationaal Gerechtshof op 19 juli 2024?
Derde staten, zoals Nederland, zijn verplicht om de situatie die voortvloeit uit de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden niet als rechtmatig te erkennen. Ook mogen zij geen hulp of bijstand verlenen aan het in stand houden van de situatie die is ontstaan door de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden. VN-lidstaten zijn bovendien verplicht om veranderingen in het fysieke karakter, de demografische samenstelling, de institutionele structuur of de status van het door Israël bezette gebied niet te erkennen, tenzij overeengekomen door de partijen door middel van onderhandelingen. Het kabinet erkent in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Het kabinet zal zich blijven uitspreken tegen de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband.
Deelt u de enorme zorg dat deze barrière en de bijbehorende militaire zones kunnen bijdragen aan feitelijke annexatie, gedwongen verplaatsing, territoriale fragmentatie, genocide en langdurige opsluiting van de Palestijnse bevolking in een steeds kleiner deel van Gaza? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft benadrukken dat Israël zo spoedig mogelijk de bezetting van de Palestijnse Gebieden moet beëindigen, in lijn met het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024. Als gesteld, is het voor de toekomst van Gaza noodzakelijk het vredesplan van president Trump, als bekrachtigd in VNVR-resolutie 2803, zo snel mogelijk te implementeren.
Welke gevolgen verwacht het kabinet voor de bewegingsvrijheid van Palestijnen, de toegang tot landbouwgrond, de terugkeer naar woonplaatsen, humanitaire hulp en de wederopbouw van Gaza? Klopt het dat Israël inmiddels circa zestig procent van de Gazastrook onder militaire controle heeft en deze controle verder uitbreidt? Welke gegevens en bronnen hanteert het kabinet zelf?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest de situatie in Gaza te beoordelen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza. Uit verschillende bronnen, zoals de Verenigde Naties, humanitaire organisaties en het Israëlische kabinet, blijkt dat Israël inmiddels ruim zestig procent van Gaza onder militaire controle heeft. Daarnaast heeft Netanyahu in mei jl. de opdracht gegeven om zeventig procent van Gaza te bezetten. Het is van belang dat zo snel mogelijk stappen worden gezet om het vredesplan van president Trump te implementeren.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur te ontbieden? Zo nee, waarom niet?
In bilaterale contacten wordt de onrechtmatige bezetting van de Palestijnse Gebieden door Israël, de humanitaire situatie in Gaza en de noodzaak dat alle partijen zich houden aan het vredesplan regelmatig opgebracht.
Is Nederland bereid extra nationale sancties te nemen om te voorkomen dat Israël deze vorm van territoriale controle, gebiedsverwerving en fragmentatie van Gaza voortzet? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet geeft de voorkeur aan inzet in Europees verband en is nu niet voornemens aanvullende nationale sancties te treffen.
Bent u bereid meer geld vrij te maken voor steun aan de Palestijnse bevolking? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ondersteunt de Palestijnse bevolking onder andere door de ontwikkelingssamenwerking met de Palestijnse Autoriteit, de VN en maatschappelijke organisaties op het gebied van water, private sector-, en rechtsstaatontwikkeling en mensenrechten. Het kabinet beziet continue hoe het op de meest effectieve manier kan bijdragen aan het verbeteren van de situatie voor de Palestijnse bevolking. Zo heeft Nederland in april dit jaar een bijdrage van 5 miljoen euro aangekondigd voor het VN-fonds voor herstel van de Palestijnse Gebieden, en in juli een bijdrage van 5 miljoen euro aan het PEGASE-instrument van de EU ten behoeve van steun voor de Palestijnse Autoriteit. Nederland draagt in 2026 bij aan de humanitaire respons via de ongeoormerkte bijdragen aan belangrijke humanitaire actoren als UNRWA, WFP en UNICEF.3 Daarnaast draagt Nederland 16 miljoen euro bij aan het landen specifieke humanitaire fonds van de VN.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat Nederlandse overheidsinstanties, bedrijven, financiële instellingen of andere Nederlandse actoren bijdragen aan de instandhouding van een mogelijk onrechtmatige territoriale situatie in Gaza?
Staten dienen zich te houden aan internationaal recht. Het kabinet benadrukt het belang van naleving van het internationaal recht en neemt hierin zijn verantwoordelijkheid. In het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 wordt geen uitspraak gedaan over de reikwijdte van de verantwoordelijkheid van derde staten voor de activiteiten van private partijen. Samenwerking van de Nederlandse overheidsinstanties vindt altijd plaats binnen de internationaal erkende grenzen van Israël van voor 1967. Dat wil zeggen dat op geen enkele manier samen wordt gewerkt in de door Israël bezette gebieden. Het Nederlandse ontmoedigingsbeleid beperkt zich daarbij tot illegale Israëlische nederzettingen in bezet gebied.
Hoe verhoudt het huidige Nederlandse beleid zich tot de verplichtingen van derde staten zoals geformuleerd in de Advisory Opinions van het Internationaal Gerechtshof uit 2004 en 2024? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de verplichtingen tot niet-erkenning, niet-bijstand en samenwerking om de onrechtmatige situatie te beëindigen? Kunt u uitsluiten dat Nederland, direct of indirect, erkenning, hulp of bijstand verleent aan een situatie waarin een aanzienlijk deel van Gaza blijvend onder Israëlische controle wordt gebracht? Hoe waarborgt het kabinet in dit verband de Nederlandse verplichtingen tot niet-erkenning en niet-bijstand?
Zie de beantwoording op vraag 10. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het AIV advies van 9 december 2024, erkent het kabinet in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Dit is aanvullend op de reeds jarenlang bestaande kabinetspositie dat uitbreidingen van nederzettingen, vernielingen of uithuisplaatsingen in de bezette gebieden in strijd zijn met internationaal recht. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband. Het kabinet zal zich hierover blijven uitspreken. Nederland geeft daarnaast via het actieve ontmoedigingsbeleid, nationale maatregelen die moeten voorkomen dat Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie die strijdig is met het internationaal recht, en zijn inzet in EU-verband voor handelsmaatregelen, invulling aan de juridische verplichtingen die voortvloeien uit het advies. In het geval van Gaza blijft het noodzakelijk dat er stappen worden gezet ten aanzien van het vredesplan van president Trump, waarbij de afspraken over het staakt-het-vuren volledig worden nageleefd. Het kabinet zet zich naar vermogen in om de situatie ter plaatse te verbeteren, bijvoorbeeld door het leveren van humanitaire hulp, en bij te dragen aan de uitvoering van het vredesplan.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering, samen met talloze wetenschappers, humanitaire organisaties en de VN, expliciet uit te spreken dat Israël genocide pleegt op de Palestijnen in Gaza? Zo ja, wanneer en hoe maakt u dit kenbaar aan de Israëlische regering en kunt u hier de Kamer over informeren? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Nederland is in de regel terughoudend met het kwalificeren van situaties als genocide.
Tegelijkertijd moet de terughoudendheid om zaken te kwalificeren als genocide zeker niet worden gezien als ontkenning van de ernst van de situatie in Gaza. In de Kamerbrief van 21 januari 20254 en van 18 juni 20255 is de Nederlandse visie over het kwalificeren van genocide in Gaza in meer detail uiteengezet.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering om, in het actuele belang van de territoriale soevereiniteit van de Palestijnen, samen met al zo’n 150 landen wereldwijd (o.a. Frankrijk, Spanje, België, Noorwegen, Canada, Oekraïne, Ierland en Zweden), de Palestijnse staat te erkennen? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Erkenning van de Palestijnse staat moet voor het kabinet dienstbaar zijn aan het politieke proces, waarbij beide partijen onderhandelen over hoe te komen tot een veilig Israël en een levensvatbare Palestijnse staat.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het niet voldoen aan de uitspraak van de rechter inzake de Bonaire-klimaatzaak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Vindt u dat iedereen in Nederland zich aan rechterlijke bevelen moet houden, inclusief de Staat? Ziet u ook het gevaar van ondermijning van de rechtsstaat door de Staat zelf als zij zich niet aan rechterlijke uitspraken houdt?
Ja.
Erkent u de urgentie van het voldoen aan het Bonaire-vonnis in het licht van de klimaatcrisis?
Ja.
Klopt de bevinding van de NOS dat het kabinet de datum waarop het kabinet inzage moet geven in de emissieruimte van Nederland, namelijk gisteren, naast zich neerlegt?
Nee, dat klopt niet. De rechtbank Den Haag heeft bij herstelvonnis van 18 maart 20261 bevestigd dat de Staat 18 maanden de tijd heeft om de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken. Die termijn is nog niet verstreken.
Erkent u dat het in kaart brengen van de emissieruimte het allereerste begin zou zijn van wat er moet gebeuren, en dat het een slecht signaal is dat het kabinet die eerste stap zelfs negeert?
Ik erken het belang van het in kaart brengen van de emissieruimte. Het inzichtelijk maken daarvan hangt samen met de reductiedoelen voor de gehele economie die op basis van rechtsoverweging 12.2 door de Staat moeten worden vastgesteld. Als de doelen zijn vastgesteld kan daaruit de (resterende) emissieruimte voor Nederland opgemaakt worden.
Realiseert u zich dat het uitvoeren van het vonnis hierdoor in het geding komt, aangezien het kabinet binnen 18 maanden bindende klimaatdoelen moet hebben vastgesteld, gebaseerd op de resterende emissieruimte?
De uitvoering van het vonnis komt hierdoor niet in het geding. De Staat werkt momenteel aan de uitvoering van het vonnis.
Hoe denkt u alsnog tijdig aan de uitspraak te voldoen bij het ontbreken van een onderbouwde berekening van de emissieruimte? Kunt u dit uiteenzetten in een gedegen planning?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 5 wordt hard gewerkt aan het tijdig uitvoeren van het vonnis.
Waarom heeft u nog geen advies gevraagd aan de Wetenschappelijke Klimaatraad of het Planbureau voor de Leefomgeving om een berekening te maken van de resterende emissieruimte voor Nederland? Bent u bereid dat alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
De Staat baseert zich bij het vaststellen van reductiedoelen op wetenschappelijke rapporten van het IPCC. Dat doet de Staat omdat de rechtbank zich in het vonnis ook op deze rapporten van het IPCC baseert. Daar wil de Staat bij aansluiten. Volgend op de vastgestelde doelen zal de (resterende) emissieruimte voor Nederland berekend worden. Vanwege deze aanpak wordt het niet nodig geacht om de genoemde instellingen hierover om advies te vragen.
Onderschrijft het kabinet het bevel van de rechtbank dat de Staat inzichtelijk moet maken wat de resterende emissieruimte voor Nederland is waarvan de Staat uitgaat bij het nemen en uitvoeren van klimaatmaatregelen, en dat gisteren, een half jaar na de uitspraak, dit inzicht gegeven moet worden? Zo ja, waarom voldoet het kabinet hier niet aan?
Het kabinet werkt hard aan de uitvoering van het vonnis. Een onderdeel van het vonnis is dat de Staat de emissieruimte inzichtelijk moet maken. Hiervoor geldt echter geen termijn van 6, maar van 18 maanden. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Kunt u de beschikbare berekeningen delen met de Kamer, aangezien de Staat tijdens de rechtszaak heeft aangegeven reeds te beschikken over emissiegegevens? Zo nee, waarom niet?
Gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis zal inzichtelijk gemaakt worden hoe de omvang van de emissieruimte is bepaald.
Bent u bereid alsnog de emissieruimte die nog mogelijk is binnen het Akkoord van Parijs inzichtelijk te maken, zoals de rechter heeft bevolen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze emissieruimte zal inzichtelijk worden gemaakt gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis.
Het bericht dat een Nederlands schip wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat een Nederlands schip deze week wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël?1
Ja.
Kunt u bevestigen of dit Nederlandse schip wapens of onderdelen daarvoor heeft afgeleverd in Israël, en zo ja, welk type goederen, met welke eindgebruiker? Zo niet, bent u bereid dat te verifiëren bij Hartel, de Nederlandse eigenaar van dat schip?
Het Nederlandse exportcontrolebeleid richt zich op export van militaire goederen uit Nederland. Export van militaire goederen is vergunningplichtig in Nederland, net als doorvoer met overlading via Nederlands grondgebied. Dit houdt in dat goederen in Nederland overgeladen worden naar een ander transportmiddel.
Voor het vervoer buiten Nederlands grondgebied van militaire goederen door schepen varend onder de Nederlandse vlag of Nederlandse transportbedrijven geldt het wapenexportbeleid van het exporterende land. Wel kan rechtsmacht door Nederland worden uitgeoefend over schepen varend onder Nederlandse vlag of Nederlandse transportbedrijven indien sprake is van overtreding van Nederlandse wet- en regelgeving, zoals sanctiewetgeving. Daarvan is hier echter geen sprake.
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Zijn afgelopen jaren vaker Nederlandse schepen gebruikt voor levering van wapens of onderdelen daarvoor in Israël? Zo ja, hoe vaak? Als dit niet bekend is, waarom is hier geen kennis over?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat Nederlandse bedrijven geen transporten mogen faciliteren wanneer die een duidelijk risico vormen op inzet bij schendingen van het internationaal humanitair recht?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vragen 2 en 3 is het exportcontrolebeleid van Nederland niet van toepassing op schepen varend onder Nederlandse vlag, indien er geen sprake is van export vanuit Nederland, of doorvoer via Nederlands grondgebied.
Er kan wel rechtsmacht door Nederland worden uitgeoefend over schepen varend onder Nederlandse vlag of Nederlandse transportbedrijven indien sprake is van overtreding van Nederlandse wet- en regelgeving, zoals sanctiewetgeving. Daarvan is hier geen sprake.
In hoeverre heeft het kabinet vooraf kennis gehad van dit transport, en welke mogelijkheden heeft het kabinet om dergelijke transporten te voorkomen of tegen te houden, wanneer een schip onder Nederlandse vlag vaart? Zijn deze mogelijkheden in dit geval benut?
Zie antwoord vraag 4.
Is de afgelopen jaren ooit opgetreden tegen een Nederlands schip dat wapens of onderdelen daarvoor levert in Israël?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt deze casus zich tot de verplichtingen van Nederland onder het Genocideverdrag, in het bijzonder de verplichting om genocide te voorkomen?
De kabinetsreactie van 2 oktober 2025 op het advies «De verplichting van derde staten om genocide te voorkomen» van de Commissie van Advies voor Volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) van 4 augustus 2025, bevat het standpunt van het kabinet over de verplichting om genocide te voorkomen. In het geval van transport van militaire goederen door Nederlandse partijen naar Israël betekent dit dat Nederland als derde staat verplicht is om alle redelijkerwijs beschikbare maatregelen te nemen om een mogelijke genocide te voorkomen. Het kabinet constateert dat het in het geval van schepen varend onder de Nederlandse vlag naar Israël zonder dat het export vanuit of doorvoer via Nederland betreft, geen rederlijkerwijs beschikbare maatregelen heeft om in te grijpen.
Deelt u de opvatting dat ook indirecte betrokkenheid, zoals transport of logistieke ondersteuning, kan bijdragen aan schendingen van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
In het geval van staten is het juridisch kader voor aansprakelijkheid voor het bijdragen aan schendingen van het internationaal recht beschreven in de Kamerbrief van 12 januari 2024 over zienswijze op concept van medeplichtigheid onder internationaal recht.2
Van bedrijven verwacht het kabinet dat zij verantwoordelijkheid nemen door conform de OESO-richtlijnen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en de Guiding Principles on Business and Human Rights van de Verenigde Naties (UNGP’s) te opereren.
Is voor dit transport sprake van een vergunningplicht, bijvoorbeeld voor een export- of doorvoervergunning, of een vergunning strategische diensten? Zo ja, is die ook aangevraagd en verleend, en op basis van welke criteria? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2 en 3 en vraag 4,5, 6 en 8.
Bent u bekend met het bericht dat via de haven van Rotterdam een schip wapens of onderdelen naar Israël zou hebben vervoerd? Klopt dit, wat was de exacte lading, en welke afweging is gemaakt om dit transport via de Rotterdamse haven toe te staan?2
Het kabinet is bekend met dit bericht en gaat niet in op individuele gevallen.
In hoeverre kan de Nederlandse overheid vooraf controleren of via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag wapens of militaire goederen worden vervoerd naar conflictgebieden waar oorlogsmisdaden worden gepleegd?
Voor vervoer van militaire goederen door Nederlandse transportbedrijven en/of schepen varend onder Nederlandse vlag buiten Nederlands grondgebied, indien dus geen sprake is van export vanuit of doorvoer via Nederland, zie antwoord op vraag 2 en 3 en vraag 4,5, 6 en 8.
Voor de uit- en doorvoer en overdracht van militaire goederen die het Nederlands grondgebied verlaten gelden exportvereisten. Daar waar een vergunningplicht geldt, heeft de overheid de mogelijkheid om voorafgaand aan export te controleren. De verantwoordelijkheid voor het aanvragen van een vergunning ligt bij de exporteur van de goederen. De overheid kan handhaven indien een exporteur niet aan de vergunningplicht voldoet.
Export van militaire goederen is vergunningsplichting. Doorvoer zonder overlading is conform het Besluit Strategische Goederen niet vergunningplichtig op het moment dat het transport afkomstig is uit, of als eindbestemming heeft, een EU- of NAVO-land of een daaraan gelijkgesteld land (Australië, Japan, Nieuw-Zeeland of Zwitserland), gelet op het vertrouwen in de wapenexporttoets door deze gelijkgezinde landen.
Voor dergelijke transacties geldt een meldplicht. De verantwoordelijkheid voor het tijdig en correct indienen van de melding ligt bij de betrokken logistieke partijen. De Douane houdt hier toezicht op.
Doorvoer van militaire goederen naar Israël mét overlading in Nederland is vergunningplichtig.
Dergelijke transacties worden net als export van militaire goederen en dual use goederen met militair eindgebruik, zorgvuldig getoetst aan de Europese wapenexportcriteria. Hiermee wordt dus vooraf gecontroleerd.
Welke rol en verantwoordelijkheid heeft de haven van Rotterdam in het controleren of faciliteren van transporten met mogelijk militaire lading richting Israël?
Welke instrumenten hebben havenautoriteiten en gemeenten momenteel om dergelijke transporten te stoppen, en acht u deze voldoende?
Is het kabinet van mening dat lokale overheden en havenautoriteiten voldoende instrumenten hebben om transporten met mogelijk risicovolle lading te weigeren of te stoppen? Zo ja, welke zijn dat concreet?
Hoe wordt uitgesloten dat Nederlandse schepen of via Nederlandse havens militair materieel dat ingezet kan worden in Gaza naar Israël vervoerd wordt?
Is het kabinet bereid aanvullende maatregelen te onderzoeken om te voorkomen dat via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag transporten plaatsvinden die bij kunnen dragen aan oorlogsmisdaden?
Hoe gaat er worden opgetreden tegen schepen en rederijen die via Nederlandse havens wapens of militaire goederen naar Israël vervoeren, gezien de risico’s op betrokkenheid bij schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza en Libanon?
De aangifte van seksueel geweld door Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla aangifte hebben gedaan van seksueel geweld door Israëlische militairen?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja, ik heb kennis genomen van de berichtgeving over de aangekondigde aangifte. Als er aangifte wordt gedaan, is het aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Heeft het kabinet inmiddels contact gehad met de Nederlandse opvarenden of hun advocaat naar aanleiding van deze aangifte? Zo ja, welke ondersteuning is daarbij aangeboden?
Zoals bekend, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Nederlandse deelnemers aan de Global Sumud Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan rondom de onderscheppingen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten in april en mei jongstleden. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
In Frankrijk en Italië lopen inmiddels strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla. Ziet het kabinet aanleiding vergelijkbare stappen in Nederland te zetten?2 Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord 1 is aangegeven, is het – als er aangifte wordt gedaan – aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Is het kabinet bereid zich ervoor in te spannen dat de Nederlandse aangiften worden betrokken bij internationale strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van de opvarenden? Zo nee, waarom niet?
Indien er een strafrechtelijk onderzoek en eventueel (vervolgens) vervolging wordt ingesteld is het aan het Openbaar Ministerie om al dan niet internationale afstemming te zoeken.
Welke medische, psychologische en juridische ondersteuning wordt aan de Nederlandse slachtoffers aangeboden sinds ze weer terug zijn in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid te inventariseren of daar alsnog behoefte aan is?
Zowel Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN) als het Centrum voor Seksueel Geweld (hierna: CSG) gaan, in verband met de privacy van betrokkenen, niet in op individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik melden dat herstel van autonomie van slachtoffers voorop staat, waarbij zij zelf regie hebben over de gewenste hulp, en dus ook over of, hoe en aan wie zij over hun ervaringen vertellen.
SHN is altijd beschikbaar voor alle slachtoffers indien daar behoefte aan is. Met slachtoffers die in Nederland aangifte doen van seksueel geweld wordt, indien zij toestemming verlenen om de gegevens met SHN te delen, binnen drie dagen contact opgenomen door SHN. In dit eerste contact worden de impact en behoefte geïnventariseerd, en wordt uitleg gegeven over welke psychosociale en juridische ondersteuning geboden kan worden. De ondersteuning is altijd maatwerk, in aansluiting op de noden en behoeften van het slachtoffer. Als opvarenden van de Flotilla seksueel geweld hebben meegemaakt en twijfelen over of zij hulp nodig hebben, nodigt het CSG hen uit om contact op te nemen. Het is aan henzelf om te beslissen wat zij wel of niet willen delen. Dit kan telefonisch, per chat of in Amsterdam en Rotterdam op inloop.
Bent u bereid zich er bij de Israëlische autoriteiten voor in te zetten dat volledige medewerking wordt verleend aan onderzoeken naar de aangiften van seksueel geweld en andere ernstige misdrijven tegen de opvarenden?
Zoals bekend heeft het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President richting de Israëlische autoriteiten tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden gesteund.3
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Overeenkomstig uw verzoek zijn de vragen afzonderlijk beantwoord.
Het nieuws dat 500.000 Palestijnen in Gaza voedselhulp verliezen wegens geldproblemen bij het Wereldvoedselprogramma |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de nieuwsberichten «Wereldvoedselprogramma schroeft noodhulp in Gaza terug: half miljoen mensen verliezen voedselhulp» en «500.000 Palestijnen in Gaza voortaan zonder noodhulp van Wereldvoedselprogramma»?1, 2
Wat is uw reactie op deze berichten? Wat vindt u ervan dat hierdoor 500.000 Palestijnen zonder voedselhulp komen te zitten?
Kunt u bevestigen dat een groot deel van de Palestijnen lijdt onder acute voedselonzekerheid of erger, en dat de komende winter ook nog eens extra risico’s met zich meebrengt voor de mensen aldaar?
Bent u bereid om, eventueel samen met andere bereidwillige landen, incidenteel dit financieringstekort van het Wereldvoedselprogramma op te lossen, zodat 500.000 Palestijnen niet zonder voedselhulp zitten de komende winter? Zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat ook de financiering voor voedselhulp aan de Westelijke Jordaanoever drastisch is geslonken?
Bent u ook bereid om te kijken wat Nederland hierin, samen met bereidwillige partners, kan betekenen? Zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in VN-verband te onderzoeken hoe er voorzien kan worden in extra structurele financiering voor het Wereldvoedselprogramma, in het bijzonder voor de hulp aan Palestijnen? Zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel heeft Nederland in 2024, 2025 en 2026 bijgedragen aan het Wereldvoedselprogramma, zowel vrij besteedbaar als specifiek voor de Palestijnse Gebieden? En hoeveel is Nederland van plan bij te dragen in 2027 en 2028? Kunt u hier een overzicht van geven?
Welke landen hebben hun bijdrage aan het Wereldvoedselprogramma voor Palestina in 2026 verlaagd? En welke landen hebben hun bijdrage verhoogd?
Hoeveel geld voor extra noodhulp in 2026 is op dit moment nog niet uitgegeven?
Kunt u bevestigen dat veel noodhulp Palestijnen niet bereikt omdat veel hulpgoederen bij de grens worden tegengehouden, waardoor talloze vrachtwagens met hulpgoederen voor de grens staan te wachten? Hoe spant u zich in, zowel nationaal als binnen EU- en VN-verband, om hier verandering in te brengen?
Kunt u bevestigen dat door de Israëlische blokkades de kosten voor de VN oplopen? Zo nee, waarom niet?
Is de herstelde bijdrage van Nederland aan UNRWA naar 19 miljoen euro per jaar inmiddels volledig overgemaakt? Zo nee, waarom niet, en wanneer gebeurt dit?
Bent u van mening dat Israël schuldig is aan de honger van Palestijnen? Zo ja, vertelt u dit de Israëlische regering, en welke sancties past u op hen toe? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom u dit niet vindt?
Hoeveel controles zijn er sinds het ingaan van het nationale verbod op de invoer, aankoop en verkoop van goederen uit onrechtmatige Israëlische nederzettingen uitgevoerd? Hoeveel overtredingen zijn vastgesteld? Hoeveel capaciteit hebben de douane en de NVWA hiervoor?
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Gewonden bij aanval kolonisten op olijfboomgaard Westelijke Jordaanoever»?3
Bent u van mening dat de continue bedreigingen en geweldplegingen van Israëlische kolonisten aan de Palestijnen daar onacceptabel zijn en zo snel mogelijk moeten stoppen? Zo nee, waarom niet?
Ziet u ook dat Israël systematisch het leven van Palestijnen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever onmogelijk maakt, zo bezig is om de gebieden etnisch te zuiveren, en dat er dus sprake is van genocide? Zo nee, waarom niet?
Wat kan Nederland volgens u nog meer doen om het geweld op de Westelijke Jordaanoever door Israëlische kolonisten te voorkomen? Bent u bereid deze maatregelen te nemen?
Hoeveel landbouwgrond is er in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever vernietigd in de afgelopen jaren? Bent u bereid hierover cijfers op te vragen bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het debat over de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
De prijsvorming en toegankelijkheid van biologisch eten |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Herbert , van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van de Keuringsdienst van Waarde over de prijzen van biologische producten, waaruit blijkt dat er in supermarkten enorme en onverklaarbare prijsverschillen bestaan tussen niet-biologische en biologische producten (tot wel 350% duurder), en tussen biologische producten onderling, waaronder biologische bonen met vergelijkbare productiekosten maar sterk uiteenlopende verkoopprijzen?
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat meer mensen biologisch eten, omdat het beter is voor de bodemkwaliteit, biodiversiteit, waterkwaliteit en gezondheid van mens en dier?
Bent u het ermee eens dat biologische voeding niet alleen beschikbaar moet zijn voor mensen met een hoger besteedbaar inkomen, maar ook toegankelijk moet zijn voor huishoudens die minder te besteden hebben?
Deelt u de zorg dat hoge prijsverschillen tussen biologische en niet-biologische producten in de supermarkt de consumptie van biologische producten remt en dat daarmee ook de realisatie van de doelstelling van 15% biologisch landbouwareaal in 2030 wordt afgeremd?
Hoe verklaart u dat biologische boeren lagere contractprijzen ontvangen dan drie jaar geleden, terwijl de consumentenprijzen van voedsel in de supermarkt zijn gestegen? Kunt u aangeven welke onderdelen van de prijsvorming van biologische producten in de supermarkt verantwoordelijk zijn voor de beschreven prijsverschillen?
Bent u al met supermarkten in gesprek gegaan over het onderzoek van de Consumentenbond over prijsverschillen tussen biologische en niet-biologische producten (zoals aangekondigd in de brief aan de Kamer van 6 juli 2026?1 Hebben deze gesprekken al plaatsgevonden, of moeten ze nog plaatsvinden? Met welke supermarkten bent u in gesprek, wat is er besproken of wat gaat er besproken worden en wat zijn de (beoogde) uitkomsten? Hebben supermarkten uitgelegd hoe de prijsverschillen ontstaan?
Welke concrete maatregelen overweegt u om onevenredige marges en ondoorzichtige prijsvorming tegen te gaan?
Wat verstaat u onder «margemixen» in de voedselketen, en in hoeverre wordt dit gebruikt bij de prijsbepaling van biologische en niet-biologische producten? Bent u bereid om beleid te ontwikkelen om margemixen ten nadele van biologische producten tegen te gaan?
Welke maatregelen gaat u nemen om producenten te beschermen tegen onevenredige machtsposities?
Bent u bereid om met supermarkten afspraken te maken over bindende prijsdoelen voor biologische producten, zowel voor boeren als voor consumenten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Autoriteit Consument & Markt (ACM) of een andere instantie onderzoek te laten doen naar de prijsvorming en marges van supermarkten voor biologische producten, met bijzondere aandacht voor machtsposities in de voedselketen?
Bent u bereid maatregelen te treffen of onderzoek te doen naar manieren om de werkelijke milieuschade van producten – zoals uitstoot, bodemdegradatie, watervervuiling en verlies van biodiversiteit – beter door te berekenen in de prijs van (voedsel)producten, bijvoorbeeld door differentiatie van btw-tarieven, heffingen op milieubelasting, of een herziening van subsidies en fiscale stimulansen? Zo nee, waarom niet, en welke alternatieve instrumenten overweegt u om ervoor te zorgen dat vervuilers opdraaien voor de milieuschade die wordt aangericht?
Aangezien u zelf heeft aangegeven dat het doel van 15% biologisch in 2030 met het huidige beleid «nog buiten bereik» is, wat is het verwachte aandeel biologische landbouw in 2030 met het huidige beleid zoals beschreven in de brief van 6 juli 2026?2
Hoe gaat u de 15%-doelstelling voor 2030 een concrete impuls geven, aangezien het aandeel biologisch nu schommelt tussen de 5 en 6%?
Wat zijn de uitkomsten van het gesprek dat u heeft gehad met stakeholders op 23 september 2026 over aanvullende maatregelen?
Wanneer kan de Kamer de tussentijdse beleidsevaluatie verwachten van het actieplan «Groei van biologische productie en consumptie»?
Welke mogelijkheden ziet u om biologisch eten betaalbaarder en toegankelijker te maken?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Kostić over het verkennen van de vraag hoe het aandeel biologische producten bij de inkoop verhoogd kan worden en dat zo veel mogelijk wordt afgenomen van Nederlandse boeren?3
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om zowel het aanbod van biologische producten als de vraag ernaar te versterken, bijvoorbeeld via publieke inkoop, steun voor omschakeling voor boeren, prijsbeleid en afspraken met de sector?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De Nederlandse inzet voor de 31e Conferentie van Partijen van het VN-Klimaatverdrag (COP31) |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u in meer detail dan in uw brief van 23 september 2026 toelichten1 hoe Nederland op de COP31 meer expliciet aandacht wil vragen voor de afbouw van fossiele brandstoffendeze?
Is Nederland bereid op de COP31 expliciet steun te geven aan de Braziliaanse roadmap voor uitfasering van fossiele brandstoffen, zodat het onderwerp op de UNFCCC-agenda blijft?
Deelt u de opvatting dat concrete einddata en afspraken in een nationaal uitfaseerplan essentieel zijn om te zorgen dat de Nederlandse klimaatambities waargemaakt kunnen worden, maar ook om geloofwaardig internationaal op te treden als voorloper op dit onderwerp?
Bent u het ermee eens dat het uitfaseerplan voor fossiele brandstoffen van een rijk land met hoge historische uitstoot ten minste de volgende elementen zou moeten omvatten: concrete einddata voor de verschillende fossiele brandstoffen, geen nieuwe gasexploratie en productie, verdere afbouw van fossiele subsidies een beperking van reclame voor fossiele producten, een verplichting voor bedrijven om hun plannen in lijn te brengen met het 1,5°C-doel? Bent u bereid om deze elementen alsnog uit te werken in het Nederlandse uitfaseerplan? Zo nee, waarom niet, en kunt u dan toezeggen dat er zo snel mogelijk concrete einddata komen voor elke soort fossiele brandstof?
Bent u bereid om in het Nederlandse uitfaseerplan in het NPE een einddatum op te nemen voor kolen in 2030, voor gas in 2035 en voor olie in 2040? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid actief te pleiten voor het opnemen van deze einddata in de nog uit te werken Europese roadmap om fossiel uit te faseren2?
Hoe gaat u de plannen voor nieuwe gasexploratie, zoals onder het nieuwe verdrag met Duitsland voor exploitatie van gas onder de Noordzee, in lijn brengen met de uitfaseerplannen voor fossiele brandstoffen en hoe verenigt u deze stap met de anayse van het IEA dat in het scenario waarin de wereld in 2050 netto nul uitstoot bereikt, geen nieuwe langlopende olie- en gasprojecten nodig? Heeft u ook onafhankelijk onderzoek laten doen naar de lock-in risico’s van het openen van nieuwe gasproductievelden? Zo niet, bent u bereid deze risico’s in beeld te brengen?
Hoe waarborgt u dat de verdere uitwerking van adaptatie-indicatoren en de coördinatie richting COP32 leidt tot meer en betere adaptatiefinanciering, die voorspelbaar is, als gift wordt verstrekt en lokaal kan worden ingezet?
Kunt u toelichten welke afweging wordt gemaakt om de verantwoordelijkheid voor een groot deel van de internationale klimaatfinanciering over te laten aan de private sector, met name op het gebied van adaptatie, terwijl op adaptatie weinig winst kan worden gemaakt in tegenstelling tot groene energie?
Bent u bereid zich in het zetten voor heldere afspraken en meer duidelijkheid over de verdrievoudiging van adaptatiefinanciering, inclusief een helder basispad?
Hoe wordt de «fair share» van Nederland in klimaatfinanciering bepaald, en vindt u dat het huidige niveau van financiering volstaat, gezien er sterk wordt uitgegaan van private financiering, waarbij gebrek is aan perspectief op het terugverdienen van de investeringen op adaptatieprojecten?
Bent u bereid het Nederlandse aandeel in klimaatfinanciering op te schalen?
Hoe kijkt u naar de resultaten uit onderzoek van ActionAid3, waaruit blijkt dat de landen die het meest kwetsbaar zijn voor klimaatverandering vaak weinig actie in de vorm van adaptatie of mitigatie kunnen ondernemen, doordat de kosten van hun schulden te hoog zijn?
Bent u, gezien de druk van deze schulden, bereid om maatregelen op tafel te leggen bij de aanstaande COP31 om te verzekeren dat landen met een hoge staatsschuld ook mee kunnen doen aan klimaatmaatregelen en niet het slachtoffer worden van de effecten van de klimaatcrisis? Zo ja, welke maatregelen zal u hierbij bespreken?
Kunt u toelichten waarom een onafhankelijk Just Transition-mechanisme niet op Nederlandse steun kan rekenen, ondanks dat zo’n onafhankelijke instantie een formele rol voor sociale inclusie van minderheden kan verzekeren?
Deelt u de opvatting dat Nederland, als land dat gedurende de geschiedenis per persoon een relatief hoge uitstoot had, een extra verantwoordelijkheid heeft om zowel de Nederlandse uitstoot drastisch te verminderen, als ook de initiatieven in andere landen om hun uitstoot te verminderen moet ondersteunen?
Hoe rijmt u enerzijds de lof die Nederland ontvangt door de vooraanstaande positie in het organiseren van de TAFF-conferentie en anderzijds het Nederlandse plan rondom fossiele subsidies, waarbij weinig sprake is van afbouw?
Kunt u toezeggen dat er nieuwe stappen zullen worden gezet in de afbouw van fossiele subsidies? Zo nee, waarom niet? Kunt u een stappenplan of ander vooruitzicht opstellen om duidelijkheid te geven over dit proces?
Herinnert u zich dat Nederland tijdens de Santa Marta conferentie andere landen heeft aangespoord hun fossiele subsidies en voordelen in kaart te brengen volgens de methodologie van de internationale coalitie COFFIS en landen daarvoor uitgenodigd? Kunt u inzichtelijk maken wat de stand van zaken is?
Kunt u toezeggen dat Nederland zich op COP31 actief zal inzetten tegen klimaatobstructie, waaronder pogingen om wetenschappelijke conclusies te verzwakken, besluitvorming te vertragen of fossiele-uitfasering van de agenda te houden?
Kun u uiteenzetten of u zich herkent in de kritiek van India op de IPCC-methodologie dat rechtvaardigheid en de verschillen in verantwoordelijkheden en mogelijkheden tussen landen onvoldoende wordt meegenomen en bent u het met India eens dat gelijkheidsanalyses integraal mee moeten worden genomen in IPCC-rapporten?
Welke mogelijkheden ziet u om zowel deze gelijkheidsaspecten als ook de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het IPCC beter te beschermen?
Kunt u verzekeren dat Nederland zich ondubbelzinnig uitspreekt voor een ambitieuze Methane Pledge en zich actief inzet voor bindende, meetbare en snel uitvoerbare methaanreducties?
Welke voedselgerelateerde initiatieven ondersteunt Nederland op COP31, bijvoorbeeld rondom duurzame voedselsystemen, vermindering van emissies uit de veehouderij, voedselzekerheid en vermindering van voedselverspilling?
Is Nederland bereid zich in te zetten voor internationale afspraken die de koppeling maken tussen voedselsystemen, methaanreductie, ontbossing en een rechtvaardige transitie?
Kunt u deze vragen één voor één en voorafgaand aan COP31 op 9 november beantwoorden?
De inbeslagname van een server door de Amsterdamse politie op verzoek van de Amerikaanse regering |
|
Sarah Dobbe (SP), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het NRC over de Amsterdamse politie die een server in beslag genomen van de Italiaanse internetdienstverlener Autistici/Inventati (A/I), op basis van een Amerikaans rechtshulpverzoek en dat een kopie van de inhoud van de server naar de VS wordt gestuurd?1
Wat vindt u van de reactie van de Amsterdamse politie die tegen het NRC heeft gezegd dat wanneer een dergelijk verzoek komt: „Dat voer je dan gewoon uit»?
Op welke juridische basis is dit verzoek van de Verenigde Staten uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat ongeacht de juridische basis «een verzoek niet mag leiden tot een schending van mensenrechten en dat daarom een rechtshulpverzoek altijd eerst wordt getoetst aan internationale verdragen en de Nederlandse wetgeving»?2 Heeft u deze toets uitgevoerd en zo ja, wat is er uit deze toets gekomen? Kunt u de uitkomsten van deze toets voor dit specifieke geval met de Kamer delen?
Hoe verhoudt deze toets zich tot de uitspraken van de Amsterdamse politie die zegt dat een dergelijk verzoek «gewoon» wordt uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat de server in bezit was van een Italiaanse antifascistische en feministische organisatie die zichzelf heeft opgeheven nadat ze door de Amerikaanse regering op de sanctielijst zijn geplaatst?3
Klopt het dat de Amerikaanse regering uit politieke motieven deze organisatie op de sanctielijst heeft gezet? Wat is uw standpunt over het plaatsen van deze organisatie op de sanctielijst?
Kunt u bevestigen dat de Amsterdamse politie van plan is een kopie van de server naar Amerika te sturen? Op basis van welke rechtsgrond gaat dat gebeuren? Bent u bereid om in te grijpen om te voorkomen dat een kopie van de server naar Amerika wordt gestuurd?
Heeft de Amerikaanse regering vergelijkbare rechtsverzoeken gedaan aangaande het Internationaal Strafhof, omdat ook het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst gezet en eveneens in Nederland zetelt?
Hoe beoordeelt u de uitvoering van het Amerikaans verzoek in het licht van pogingen van de Amerikaanse regering om de technologische afhankelijkheid van Europese lidstaten in te zetten als politiek en economisch drukmiddel?
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Kunt u in ieder geval per direct uitvoering geven aan vraag 8?
De gevolgen van de Braziliaanse verkiezingen voor het Amazonegebied en ontbossing |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Sjoerd Sjoerdsma (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van Carbon Brief1 dat het Braziliaanse beleid en de uitkomst van de presidentsverkiezingen van grote invloed kunnen zijn op de toekomst van het Amazonegebied en de mate van ontbossing?
Deelt u de opvatting dat de bescherming van het Amazonewoud van groot belang is voor het tegengaan van klimaatverandering en de bescherming van biodiversiteit, en dat deze bescherming zwaar moet wegen in het Nederlandse en Europese buitenland-, klimaat- en handelsbeleid?
Erkent u dat de politieke koers van een toekomstige Braziliaanse regering gevolgen kan hebben voor ontbossing, de handhaving van milieuwetgeving en de bescherming van inheemse gemeenschappen? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete diplomatieke en politieke stappen zet u om de Braziliaanse regering aan te sporen ontbossing tegen te gaan, bestaande natuurbescherming te handhaven en inheemse gemeenschappen te beschermen? Bent u bereid deze inzet op te voeren wanneer dreigt dat de Braziliaanse regering de bescherming van het Amazonegebied afzwakt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de bijdrage van de veehouderij aan ontbossing in het Amazonegebied? Welke mogelijkheden ziet u om de Europese afhankelijkheid van geïmporteerd rundvlees te verminderen en de consumptie van dierlijke producten terug te dringen als maatregel tegen ontbossing? Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre deze maatregelen ontbossing tegen kunnen gaan? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen neemt u, mede in Europees verband, om te voorkomen dat de vraag naar producten op de Europese markt bijdraagt aan ontbossing in Brazilië? Hoe verhouden deze maatregelen zich tot het EU-Mercosurverdrag?
Erkent u dat het Mercosurverdrag de druk op de natuur, waaronder in het Amazonegebied, kan vergroten? Zo nee, waarop baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat de extra handelsmogelijkheden leiden tot meer ontbossing?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat een handelsverdrag nieuwe of ruimere toegang tot de Europese markt voor rundvlees biedt, terwijl er ernstige vragen bestaan over de controle op productiemethoden en naleving van Europese normen? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat het Mercosurverdrag extra handelsvoordelen oplevert voor een Braziliaanse regering die natuurbeschermingsregels afzwakt of klimaat- en natuurverplichtingen niet nakomt? Welke mogelijkheden heeft de EU om handelsvoordelen op te schorten wanneer Brazilië zijn klimaat- en natuurverplichtingen niet nakomt?
Wat zijn de meest recente ontwikkelingen rond de tijdelijke importstop op rundvlees uit Brazilië2, en welke invloed heeft dit op het handelsdeel en het nog te ratificeren deel van het Mercosurverdrag? Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat de invoer pas wordt hervat pas nadat aanvullende controles en waarborgen zijn vastgesteld, die naleving van Europese regels aantoonbaar verzekeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zich in te zetten voor herziening, opschorting of beëindiging van de handelsvoordelen uit het Mercosurverdrag voor bijvoorbeeld rundvlees als blijkt dat die voordelen leiden tot extra druk op natuurgebieden, waaronder het Amazonegebied, of tot invoer van producten die niet aantoonbaar voldoen aan Europese productie- en gezondheidsnormen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Bent u bekend met het rapport « Who Gets Deepfaked? Measuring the exposure of European parliamentarians in deepfake pornography», het rapport «Targeted and Ignored. Sexualised Deepfakes of Women MEPs and the Failure of Platform Responses», het artikel «Unicum: vrouwelijke Kamerleden slaan handen ineen in strijd tegen gruwelijk online seksueel misbruik» en het statement «AI kent geen grenzen. Wij wel.» dat 15 vrouwelijke Tweede Kamerleden van acht verschillende politieke partijen hebben uitgestuurd?1, 2, 3
Wat zegt het volgens u dat vrouwelijke parlementariërs in Europa 33 keer vaker slachtoffer zijn van deepfake pornografie dan mannen en dat zeker een kwart van de vrouwelijke parlementariërs in Nederland hier slachtoffer van is?
Bent u het ermee eens dat dergelijke cijfers schrikbarend zijn? Kunt u zich voorstellen dat dit een chilling effect heeft op vrouwen die politiek actief willen worden? Zo ja, wat gaat u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat deepfake pornografie een groot maatschappelijk probleem is dat heel veel vrouwen in Nederland treft, waaronder ook vrouwen die niet het platform hebben van vrouwelijke Tweede Kamerleden en vrouwelijke BN’ers? Wat doet het volgens u met de positie van de vrouw in onze maatschappij dat deepfake pornografie zo gemakkelijk te genereren is, dat het eenmaal gemaakt niet tot nauwelijks van het internet verdwijnt en dat zeer grote aantallen vrouwen slachtoffer zijn van dit soort video’s?
Deelt u de mening van de onderzoekers van de twee rapporten dat naast goede wetgeving om deepfakepornografie te verbieden er ook sprak moet zijn van strikte handhaving? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u ook per voorstel apart ingaan op de beleidsvoorstellen die de onderzoekers in hun twee rapporten doen om deepfake pornografie te bestrijden? Kunt u tevens aangeven welk van deze voorstellen nationaal kunnen worden opgepakt en voor welke van deze voorstellen u zich in Europees verband wilt inzetten?
Kunt u ingaan op de drie eisen namelijk een meldpunt waarop slachtoffers op een laagdrempelige manier melding kunnen maken van digitaal seksueel misbruik en waar ze meteen makkelijk aangifte kunnen doen (1), handhaving van het uitkleedverbod (2) en een landelijke campagne om het bewustzijn rondom deepfakes te vergroten (3)? Bent u van plan deze uit te voeren?
Kunt u deze vragen los van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Het gebruik van mogelijk excessief geweld door de politie op geweldloze klimaatactivisten |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Groetjes van Puk – het verhaal van de XR-activist die door de politie thuis opgehaald werd nadat ze haar pols en rib gebroken hadden» en de daarin beschreven gebeurtenissen?1
Wat is uw reactie op het in dit verhaal beschreven politieoptreden? Acht u het acceptabel wanneer een vreedzame klimaatactivist bij politieoptreden dusdanig gewond raakt dat zij een gebroken pols en rib oploopt?
Kunt u uiteenzetten welk geweld in dit geval door de politie is toegepast, waarom dit geweld volgens de politie noodzakelijk en proportioneel was en of hierbij overeenkomstig de geldende geweldsinstructies is gehandeld?
Waarom is deze activist vervolgens thuis door de politie opgehaald in plaats van uitgenodigd voor verhoor? Klopt het dat haar daarbij door de politie is verteld dat dit gebeurde omdat zij «geen fan» van de politie zou zijn en de politie daarom verwachtte dat zij niet zou komen opdagen?
Wat zijn de geldende richtlijnen uit het Landelijk Reglement Arrestantenzorg Politie als het gaat om arrestanten te voorzien zijn van eten en drinken, rekening houdend met bijvoorbeeld vegan, halal of koosjer eten, het recht op een advocaat en het recht medische zorg? Heeft de politie in dit geval volgens deze richtlijnen opgetreden?
Wat is er gebeurd met de uitspraak van de klachtencommissie van de politie Den Haag in 2024 als «disproportioneel» en «niet behoorlijk» is beoordeeld?2 Welke maatregelen zijn naar aanleiding van deze uitspraak genomen om disproportioneel en niet behoorlijk geweld van de politie tegen vreedzame demonstranten te voorkomen?
Deelt u de zorg dat (herhaaldelijk) hardhandig politieoptreden tegen vreedzame klimaatactivisten mensen kan afschrikken om gebruik te maken van hun demonstratierecht? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat klimaatactivisten veilig gebruik kunnen maken van dit grondrecht?
Bent u bereid het in dit specifieke geval mogelijk toegepaste politiegeweld te laten onderzoeken en de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan en over eventuele maatregelen die naar aanleiding hiervan worden genomen?
De vestiging van de Amerikaanse medicijnfabriek Eli Lilly in Katwijk |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Herbert , Bertram , Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Katwijk kan haast geen nee zeggen tegen komst van enorme pillenfabriek» in Trouw?1
Klopt het dat er vanuit de Rijksoverheid en door Ministers druk is uitgeoefend op gemeente Katwijk en wethouders om te zorgen dat de pillenfabriek in Katwijk wordt toegelaten? Hebben Ministers hierover gebeld met Katwijkse bestuurders zoals in de krant staat? Zo ja, wat hebben de Ministers aan de gemeente Katwijk gevraagd? Zo nee, hoe is dit wel gegaan?
Waarom is in de bestuurlijke afspraken als voorwaarde opgenomen dat Eli Lilly zich daadwerkelijk in Katwijk vestigt? Welke overwegingen zijn daarbij gemaakt en wie is daarbij betrokken geweest? Op welke wijze is rekening gehouden met belangen van omwonenden, gezondheid, natuur en milieu? Kunt u per rijksbijdrage en per overige afspraak uiteenzetten welke gevolgen het heeft als Eli Lilly zich niet in Katwijk vestigt, waaronder welke bijdragen en afspraken in dat geval vervallen, worden gewijzigd of onverkort van kracht blijven?
Waarom zijn rijksmiddelen voor bereikbaarheid en afspraken over woningbouw gekoppeld aan de vestiging van één individueel bedrijf, terwijl de bestuurlijke afspraken zelf ook spreken over autonome verkeersgroei en over de reeds bestaande woningbouwopgaven in Valkenhorst en Zijlhoek-De Woerd?
Kunt u zich voorstellen dat dit als een vorm van chantage wordt gezien door inwoners van Katwijk? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat tijdens het overleg met de gemeente Katwijk de mogelijkheid aan de orde is geweest dat de Rijksoverheid of de provincie Zuid-Holland bevoegdheden zou inzetten indien de gemeente niet zou meewerken aan de vestiging van Eli Lilly? Zo ja, wanneer is dit besproken, door welke vertegenwoordigers van het Rijk en op welke wettelijke bevoegdheden werd daarbij gedoeld?
Kunt u in het kader van artikel 68 van de Grondwet een overzicht geven van de contacten die bewindspersonen, secretarissen-generaal, directeuren-generaal en andere vertegenwoordigers van het Rijk in maart en april 2025 met het gemeentebestuur van Katwijk hebben gehad over de mogelijke vestiging van Eli Lilly, inclusief datum, deelnemers en onderwerp van het contact? Bent u bereid de bijbehorende verslagen, e-mails en andere bestuurlijke stukken aan de Kamer te verstrekken?
Op welke informatie baseerde u aanvankelijk de verwachting dat de vestiging van Eli Lilly een belangrijke onderzoeks- en ontwikkelingscomponent zou bevatten? Wanneer werd u ervan op de hoogte dat informatie van Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) volgens het college van burgemeester en Wethouders van Katwijk juist leek te wijzen op «veel productie en weinig Research & Development», en heeft dit geleid tot een herbeoordeling van de meerwaarde van de vestiging voor het Leiden Bio Science Park?
Klopt het dat onder de Omgevingswet afzonderlijk toestemming kan worden verleend voor het realiseren van een industrieel gebouw, terwijl nog geen definitief besluit is genomen over de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteiten waarvoor dat gebouw is bedoeld? Zo ja, acht u het wenselijk dat hierdoor een megafabriek reeds grotendeels of geheel kan worden gebouwd voordat vaststaat dat het beoogde productieproces milieurechtelijk kan worden toegestaan? Welke mogelijkheden heeft u om de bouw op te schorten tot een besluit is genomen over de milieuvergunning, in het licht van de zorgen van de inwoners van Katwijk?
Deelt u de zorgen van omwonenden over het grote waterverbruik van de beoogde fabriek van Eli Lilly, mede gezien de bestaande druk op de drinkwatervoorziening in de regio? Kunt u schetsen hoeveel water de megafabriek gaat verbruiken en hoeveel huishoudens met die hoeveelheid zouden kunnen worden voorzien?
Hoe wordt geborgd dat het watergebruik van de fabriek niet ten koste gaat van de drinkwatervoorziening voor inwoners, natuur, woningbouw en andere maatschappelijke functies, en dat lozingen van proces- en afvalwater geen negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit?
Hoe beoordeelt u de zorgen van omwonenden over de mogelijke gevolgen van luchtverontreiniging, chemische emissies, geluid, geur en andere milieubelasting van de megafabriek voor hun gezondheid en leefomgeving, in het bijzonder voor kinderen en toekomstige bewoners van Valkenhorst? Bent u bereid te bevorderen dat vóór ingebruikname een onafhankelijke nulmeting wordt uitgevoerd?
Begrijpt u de zorgen van omwonenden over de opslag en het gebruik van grote hoeveelheden brandbare en andere gevaarlijke stoffen op een locatie nabij bestaande en toekomstige woongebieden en recreatievoorzieningen? Hoe wordt gewaarborgd dat gedurende de gehele bedrijfsduur onafhankelijk wordt gecontroleerd op de hoeveelheden gevaarlijke stoffen, de Seveso-drempelwaarden en de naleving van veiligheidsvoorschriften, en dat omwonenden vooraf duidelijk weten wat zij bij een calamiteit moeten doen?
Bent u bereid om te overleggen met gemeente Katwijk en haar inwoners om te kijken of de komst van de megafabriek alsnog moet worden voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en met spoed beantwoorden, gezien het besluitvormingsproces?
Het door NS weigeren van een oproep om op dierendag geen dieren te eten, terwijl vleesreclames wel zijn toegestaan. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS weert campagne Wakker Dier op stations vanwege «te controversiële» boodschap»?1
Kunt u bevestigen dat deze «controversiële boodschap» een oproep betrof om op dierendag één dag geen dieren te eten? Vindt u dit geen censuur?
Kunt u bevestigen dat de NS een staatsdeelneming is met 100 procent eigenaarschap van de Nederlandse Staat en dat het uw eigen beleid is dat u verwacht dat de NS een voorbeeldrol vervult op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen?2, 3
Kunt u bevestigen dat de NS vleesreclames wel toestaat?
Hoe rijmt u dit met het besluit om deze oproep wel te weigeren?
Vindt u het niet verontrustend dat Wakker Dier naar de rechter moet stappen om af te dwingen dat de NS deze reclame niet mag weigeren?
Bent u bereid om met NS-directeur Wouter Koolmees in gesprek te treden om hem om opheldering te vragen over het (door de rechter gecorrigeerde) besluit om de reclame van Wakker Dier niet te plaatsen met verwijzing naar uw eigen beleid over wat u zelf van de NS verwacht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om zelf ook uit te dragen dat het op dierendag beter is om eens een dagje geen dieren te eten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat minder vlees eten ook nog eens ontzettend goed is voor het klimaat, waarmee Wakker Dier met deze campagne het kabinet gratis en voor niets een dienst bewijst voor het halen van de eigen klimaatdoelen?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 2 oktober 2026 beantwoorden?
De voortgaande oorlog en buitenlandse steun aan strijdende partijen in Soedan |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwe rapport van de onafhankelijke VN-Fact-Finding Mission (FFM), waarin wordt geconcludeerd dat buitenlandse rekruterings- en steunnetwerken de militaire capaciteit van strijdende partijen in Soedan vergroten en daarmee het conflict en de schade aan burgers aanjagen?1 Welke concrete maatregelen, naast hetgeen genoemd in uw Kamerbrief, gaat Nederland naar aanleiding van deze nieuwe bevindingen nemen om deze netwerken daadwerkelijk te ontmantelen?2
Hoe beoordeelt u dat de Verenigde Arabische Emiraten deel uitmaken van de Quad die een staakt-het-vuren in Soedan probeert te bewerkstelligen, terwijl de FFM tegelijkertijd rapporteert dat private entiteiten, logistieke tussenpersonen en recruiters die onder meer vanuit de VAE opereren betrokken zijn bij het leveren van personeel, training, wapens en logistieke steun aan de RSF?
Acht u het onder deze omstandigheden wenselijk dat de VAE deze rol in het vredesproces blijft vervullen, en gaat Nederland dit binnen de EU en met de andere betrokken landen aan de orde stellen?
Bent u bekend met de bevindingen van Amnesty International dat kinderen in Noord-Darfur niet slechts slachtoffer waren van het geweld, maar onder meer doelgericht werden gedood, verkracht, ontvoerd, vastgehouden en onder dwang gerekruteerd, en dat Amnesty verschillende RSF-commandanten heeft geïdentificeerd die verantwoordelijk zouden zijn voor ernstige schendingen? Bent u bereid een onderzoek in te stellen naar deze specifieke commandanten en voor gerichte sancties tegen degenen tegen wie voldoende bewijs bestaat?
Welke specifieke steun biedt Nederland aan kinderen die in Soedan slachtoffer zijn van onder meer gedwongen rekrutering, seksueel geweld en ontvoering? Bent u bereid deze steun te intensiveren?
Hoe beoordeelt u dat de EU onderhandelt over een vrijhandelsakkoord met de Verenigde Arabische Emiraten, terwijl de VAE volgens het FFM betrokken zijn bij het aanjagen van de oorlog in Soedan? Bent u bereid ervoor te pleiten deze onderhandelingen op te schorten zolang deze betrokkenheid voortduurt? Deelt het kabinet de zorgen dat de VAE dankzij dit verdrag mogelijk meer aanjaagt op de oorlog, doordat er geen duidelijke Europese ethische grens wordt getrokken?
Hoe beoordeelt u de bevindingen dat in Soedan militaire goederen van onder meer Britse, Franse en Bulgaarse makelij zijn aangetroffen die vermoedelijk via de VAE bij de RSF terecht zijn gekomen?3 Bent u, gezien deze concrete aanwijzingen voor de omleiding van Europees militair materieel, bereid binnen de EU te pleiten voor een gezamenlijke aanscherping van de wapenexport naar de VAE zolang het risico op verdere omleiding naar Soedan niet is weggenomen?
Bent u bereid te onderzoeken of de Europese waarborgen voor wapenexport naar de VAE, die voor Nederland in 2023 aanleiding waren om eerdere beperkingen op te heffen, in de praktijk voldoende effectief zijn gebleken nu Europees militair materieel via de VAE in Soedan is aangetroffen, en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de bevindingen van de FFM dat maximaal 2.000 voormalige Colombiaanse militairen naast de RSF zouden hebben geopereerd en onder meer gevechtsdrones, artillerie en geavanceerde wapens zouden hebben bediend, en dat netwerken van private ondernemingen, recruiters en logistieke tussenpersonen hun inzet zouden hebben gefaciliteerd? Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat personen en entiteiten die dergelijke rekrutering, training, financiering of logistieke ondersteuning mogelijk maken gericht worden onderzocht en, waar daarvoor voldoende grond bestaat, op de Europese sanctielijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen neemt Nederland om te voorkomen dat de Europese handel in Arabische gom en andere Soedanese grondstoffen inkomsten oplevert voor strijdende partijen?
Hoe voorkomt het kabinet dat het tegengaan van irreguliere migratie opnieuw leidt tot samenwerking met autoritaire of gewapende actoren, nu eerdere Europese migratiedeals met Soedan volgens Amnesty en Clingendael hebben bijgedragen aan de versterking en legitimatie van actoren waaruit de huidige RSF is voortgekomen?
Hoe beoordeelt u de oproep van Amnesty International tot de inzet van een onafhankelijke en goed uitgeruste internationale troepenmacht om burgers in Soedan te beschermen tegen misdrijven door alle partijen bij het conflict, en bent u bereid de mogelijkheden voor een dergelijke internationale beschermingsmissie in VN-verband te onderzoeken of te ondersteunen?
Deelt het kabinet de zorgen van Amnesty International en de VN-Fact-Finding Mission over mogelijke genocide in Soedan?4 Welke concrete maatregelen neemt Nederland om genocide te voorkomen?
De duurzaamheidsvoorwaarden aan de subsidie van Indirecte Kosten Compensatie (IKC) |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat bedrijven die de subsidie op grond van de Subsidieregeling Indirecte Kosten Compensatie (IKC) toegewezen krijgen, moeten voldoen aan de voorwaarde dat voor elk jaar dat de IKC is toegekend, de maatregelen die met de subsidie gefinancierd worden moeten resulteren in minimaal 3% minder CO2-uitstoot vergeleken met 2020?
Klopt het dat er een uitzondering is voor bedrijven die menen dat «de gevraagde CO2-vermindering van 3% per subsidiejaar in uw specifieke bedrijfssituatie niet haalbaar» is, waarna ze een extra plan moeten indienen om aan te tonen dat minstens 30% van het elektriciteitsverbruik uit koolstofvrije bronnen komt?
Kunt u voor elk jaar sinds 2020 waarin de IKC is opengesteld aangeven hoeveel bedrijven gebruik hebben gemaakt van de genoemde uitzondering, en voor welk subsidiebedrag deze bedrijven IKC (voorlopig) toegekend hebben gekregen of hebben aangevraagd?
Hoe vaak is er inmiddels IKC subsidie toegekend waarvoor CO2-reductie een voorwaarde was?
Is er voor IKC toegekend in eerdere jaren inmiddels een eerste controle geweest of de CO2-reductie die als voorwaarde werd gesteld ook daadwerkelijk gehaald is? Zo ja, wat kunt u zeggen over de uitkomsten hiervan?
Van de bedrijven die eerder IKC-subsidie toegekend hebben gekregen, hoeveel daarvan hebben de 3% reductie voor elk jaar dat ze subsidie kregen niet gehaald?
Hoeveel geld is er al teruggevorderd van de IKC vanwege het niet behalen van de CO2-reductiedoelstellingen?
Kunt u per bedrijf dat IKC-subsidie toegekend heeft gekregen sinds 2020 aangeven hoeveel IKC ze per jaar hebben ontvangen, hoeveel CO2-reductie er is gerealiseerd door maatregelen die zijn gefinancierd door de IKC-subsidie en hoeveel CO2-reductie voor de komende jaren nog is toegezegd als voorwaarde voor het verkrijgen van de IKC-subsidie?
Als u dit niet per bedrijf kunt aangeven, kunt u dit dan per sector uitsplitsen?
Kunt u aangeven of de RVO elke monitoringsrapportage controleert of dat dit slechts steekproefsgewijs gebeurt? Op welke andere manieren wordt gecontroleerd of een bedrijf heeft voldaan aan de vereisten voor de subsidie?
Welke instantie is verantwoordelijk voor het terugvorderen van de IKC-subsidie als niet wordt voldaan aan de CO2-reductie vereisten? Hoe werkt dit proces en wat zijn de tijdslijnen daarbij?
Bent u bereid op regelmatige basis meer transparantie te geven over de inzet van de IKC, waaronder de geplande en gerealiseerde CO2-reductie als gevolg van deze subsidie? Zo nee, waarom niet?
Heeft Tata Steel gebruikgemaakt van de uitzonderingsregeling en dus de verplichting om 30% van het elektriciteitsverbruik uit duurzame bronnen te halen? Zo nee, welke reductie wordt er volgens het bedrijf behaald?
Hoe kan het dat de Nederlandse Emmissieautoriteit de CO2-uitstoot van Tata Steel (inclusief Vattenfall centrales) tussen 2020 (basisjaar) en 2025 nagenoeg gelijk is gebleven met 10,9 Mton uitstoot en de uitstoot per ton geproduceerd staal volgens de jaarverslagen van het bedrijf afgenomen is van 1,77 naar 1,72 ton CO2 per ton vloeibaar staal (2,3% in 5 jaar), terwijl ze in de periode 2021–2025 ruim 120 miljoen euro IKC-subsidie ontvingen?
Kan Tata Steel hun «Heracless groen staal plan» aandragen om te voldoen aan de uitzondering voor de IKC-subsidie? Zo ja, hoe voorkomt u dat er dubbele subsidie wordt gegeven voor de CO2-reductie die Tata zegt te zullen reduceren?
Indien u niet op individuele situaties in wilt gaan, kunt u in algemene bewoording aangeven hoe u ervoor zorgt dat bedrijven geen dubbele subsidie krijgen in de vorm van maatwerksubsidie en IKC-subsidie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de beantwoordingstermijn beantwoorden?
Het instellen van een uitzondering voor de import van Russisch sabelbont bij de nieuwe EU-sanctieverordening tegen Rusland |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u meegekregen dat de Europese Raad in zijn recent aangenomen nieuwe sanctieverordening tegen Rusland ((EU) 2026/1848), een uitzondering heeft gemaakt voor de import van Russisch sabelbont (van de sabelmarter) naar de Europese Unie (EU), terwijl deze import eerder wel verboden was?1
Bent u bekend met de gruwelijke wijze waarop de sabelmarters in hele kleine kooitjes worden gehouden?2
Bent u ermee bekend dat er voor één bontjas 40 sabelmarters worden gedood?3
Bent u ermee bekend dat uit onderzoek van Politico blijkt dat de International Fur Federation haar Europese beleidswerk heeft gefinancierd via een Liechtensteins trustfonds dat ook Russisch veilinggeld ontving?4 En bent u ermee bekend dat uit de jaarrekening van 2023 van de lobbyorganisatie blijkt dat 223 870 EUR afkomstig was van het Russische bontveilinghuis Sojoezpoesjnina, dat gevestigd is in Sint-Petersburg, en dat 216 000 EUR daarvan zou zijn gebruikt om de lobbyist van de International Fur Federation in Brussel te betalen?5
Deelt u de mening dat lobbyorganisaties die Russische inkomsten ontvangen, geen invloed zouden mogen hebben op EU-beleid?
Wat vindt u ervan dat, met risico voor de Oekraïense en Europese veiligheid, op dit moment sancties op Rusland worden verlicht? Wat vindt u ervan dat dit dan specifiek ook nog eens sancties zijn die mogelijk dierenleed verminderen?
Kunt u bevestigen dat bepaalde EU-lidstaten hebben verzocht tot het invoeren van de uitzondering? Zo ja, welke lidstaten? Zo nee, kunt u bevestigen of dit een voorstel was van de Hoge Vertegenwoordiger en de Europese Commissie?
Hoe beoordeelt u het feit dat mogelijk bepaalde EU-lidstaten en bedrijven zich verzetten tegen sancties op Rusland vanwege belangen van de dieronvriendelijke luxe-industrie?
Heeft u zich tegen deze uitzondering expliciet verzet in Europees verband in de afgelopen maanden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het Nederlandse standpunt, «dat het op ethische gronden niet verantwoord is om dieren te houden enkel om hun pels» (Kamerstuk 22 112, nr. 4224), per brief bekend te maken aan andere lidstaten en de Europese Commissie? Zo nee, op welke andere wijze blijft u medelidstaten hierop wijzen?
Op welke momenten en in welke Europese gremia zal Nederland zich de komende periode concreet inzetten voor een EU-breed verbod op bont en het opheffen van deze uitzondering?
Kan de Staatssecretaris de Kamer per brief over de Nederlandse positie informeren zodra een voorstel over bont op de agenda staat van een Europees overleg?
Kunt u aangeven welke juridische en beleidsmatige mogelijkheden momenteel worden onderzocht om bont, dons van levend geplukte dieren, angorawol en kangoeroeleer uit Nederlandse winkels te weren, ter uitvoering van de aangenomen motie-Van Esch (Kamerstuk 36 254, nr. 16)?
Bent u bereid om in de Europese Raad aan te kaarten dat het voor Nederland onbestaanbaar is dat de oorlogskas van Vladimir Poetin gespekt wordt met geld uit deze walgelijke industrie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, als een Europees bontverbod uitblijft, dan wel als de uitzondering op de sancties tegen Rusland blijft bestaan, te onderzoeken welke nationale maatregelen juridisch mogelijk zijn om de verkoop en import van (Russisch) bont in Nederland alsnog te beperken? Zo nee, waarom niet?
Welk precedent schept het invoeren van deze uitzondering op sancties tegen Rusland volgens u voor de belangen van andere industrieën in Europa? Deelt u de mening dat door het toekennen van deze uitzondering een hellend vlak ontstaat en andere particuliere bedrijfsbelangen ook voorrang kunnen krijgen boven het belang van de Oekraïense en Europese veiligheid?
Hoe straalt deze uitzondering af volgens u op het imago van Europa, waar men zich erop voor laat staan dat regelgeving rechtvaardig moet zijn en niet corrupt? Wat denkt u dat dit doet met het vertrouwen van Europese burgers in Europees beleid en Europese beleidsmakers?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het buitensporige watergebruik van een nieuw datacenter in Amsterdam |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
de Bat , Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat het onwenselijk is dat een nieuw commercieel datacenter jaarlijks circa 1,1 miljard liter drinkwater gebruikt, zeker tijdens een periode van uitzonderlijke droogte?1
Deelt u de opvatting dat drinkwater niet gebruikt zou moeten worden voor de koeling van datacenters, zeker wanneer alternatieve koeltechnieken beschikbaar zijn?
Bent u ervan op de hoogte dat het directe watergebruik van datacenters slechts een beperkt deel vormt van hun totale watervoetafdruk en dat het overgrote deel van het waterverbruik indirect is?
Kunt u actuele, onafhankelijke cijfers over de totale watervoetafdruk van datacenters (direct en indirect) in Nederland met de Kamer delen, uitgesplitst naar:
Kunt u aangeven welk aandeel dit vormt van de totale Nederlandse waterconsumptie?
Wordt bij de vergunningverlening en ruimtelijke afweging van datacenters rekening gehouden met de watervoetafdruk van de benodigde elektriciteitsproductie? Zo nee, waarom niet?
Welke landelijke wettelijke mogelijkheden heeft u om het gebruik van drinkwater door datacenters te verbieden of aan een bindend maximum te onderwerpen, mede gelet op de aangenomen motie-Grinwis c.s.?2
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Grinwis c.s. over het aanscherpen van de juridische criteria voor hyperscale datacenters en het stellen van effectieve wettelijke voorwaarden aan datacenters?3 Wat is de tijdlijn en wanneer krijgen we resultaten te zien?
Waarom gelden er op dit moment vooral landelijke vestigingsregels voor hyperscale datacenters, maar geen vergelijkbare landelijke begrenzingen voor watergebruik, elektriciteitsgebruik en maatschappelijke en ecologische belasting door andere grote datacenters?
Bent u bereid de bestaande landelijke regels uit te breiden naar datacenters die op dit moment niet onder de huidige definitie van hyperscale vallen, maar wel een groot beslag leggen op drinkwater of het elektriciteitsnet?
Bent u bereid om in landelijke regelgeving vast te leggen dat nieuwe datacenters geen drinkwater mogen gebruiken voor koeling?
Als een volledig verbod volgens u niet mogelijk is, bent u dan bereid een strikt landelijk maximum per datacenter en voor de sector als geheel vast te leggen? Zo nee, welke andere effectieve maatregelen bent u dan wel bereid te nemen?
Erkent u dat de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en de daarmee samenhangende groei van datacenters zo snel verloopt dat wet- en regelgeving, democratische controle en maatschappelijke besluitvorming deze ontwikkeling onvoldoende kunnen bijbenen? Zo nee, hoe onderbouwt u dat?
Welke publieke voorwaarden moeten volgens u worden gesteld voor nieuwe datacenters of grootschalige AI-infrastructuur, zodat de baten aantoonbaar ten goede komen aan de Nederlandse samenleving en niet hoofdzakelijk terechtkomen bij buitenlandse technologiebedrijven?
Hoeveel van de datacenters in Nederland komt ten goede aan de Nederlandse en Europese digitale autonomie?
Bent u het eens met de stelling dat er gezien de schaarse ruimte in Nederland geen ruimte moet zijn voor datacenters voor big-tech-bedrijven buiten Europa? Zo nee, waarom niet en ten koste waarvan mogen zulke big-tech-datacenters dan gaan volgens u?
Bent u bereid om per direct een tijdelijk landelijk moratorium in te stellen op datacenters, totdat bindende landelijke wetgeving is vastgesteld over onder meer het directe en indirecte watergebruik, het energiegebruik, de belasting van het elektriciteitsnet en de gevolgen voor woningbouw en andere maatschappelijke functies? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is wanneer woningbouwprojecten door netcongestie vertragen of stilvallen, terwijl nieuwe energie-intensieve datacenters wel capaciteit kunnen krijgen en een datacenter al snel een capaciteit van 40 MW vraagt, wat in dezelfde ordergrootte is als 100.000 huishoudens? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel elektriciteit gebruikt het voorgenomen datacenter in Amsterdam naar verwachting maximaal, en hoeveel netcapaciteit is daarvoor nodig?
Deelt u de opvatting dat woningbouw, zorg, openbaar vervoer, verpleeghuizen, scholen en andere vitale maatschappelijke functies voorrang moeten hebben op commerciële datacenters bij de verdeling van schaarse netcapaciteit? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn datacenters niet als afzonderlijke categorie opgenomen in het prioriteringskader voor nieuwe aansluitingen op het elektriciteitsnet? Welke prioriteit krijgen datacenters precies op dit moment in het kader?
Staat er een evaluatie van dit prioriteringskader gepland, om te zien in hoeverre netbeheerder hierdoor maatschappelijke aspecten meewegen bij het verdelen van netcapaciteit? Zo nee, bent u bereid deze evaluatie alsnog te doen?
Bent u bereid wettelijk vast te leggen dat nieuwe datacenters geen aansluiting krijgen zolang daardoor capaciteit wordt verdrongen die nodig is voor woningbouw of andere maatschappelijke prioriteiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een landelijke vergunningsvoorwaarde in te voeren waarin datacenters verplicht worden hun elektriciteitsvraag flexibel af te schakelen tijdens piekbelasting en netcongestie?
Welke mogelijkheden ziet u om datacenters verplicht te laten bijdragen aan netverzwaring, flexibiliteit, opslag en lokaal energiebeheer, zodat de kosten niet op huishoudens en andere gebruikers worden afgewenteld?
Erkent u dat de gevolgen van datacenters voor drinkwater, elektriciteit, ruimte, warmte en klimaat het lokale belang overstijgen en daarom om landelijke regie vragen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Het door Israël insluiten van Palestijnen in Gaza met een aarden wal |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u het NRC-artikel «Israël bouwt een aarden wal en omsluit en controleert hiermee de bevolking van Gaza. Dat is in strijd met het internationaal recht» van 6 augustus 2026 en de eerdere berichtgeving van Associated Press, waarin op basis van satellietbeelden wordt beschreven dat Israël langs de zogenoemde Gele Lijn een meer dan 23 kilometer lange aarden wal aanlegt gelezen?1
Ja.
Heeft u gezien dat de Israëlische premier Netanyahu heeft aangegeven «nooit een Palestijnse staat te accepteren in Gaza of de Westelijke Jordaanoever zolang hij premier is» en «niet van plan is het Israëlische Defensieleger terug te trekken uit Gaza totdat Hamas volledig ontwapend is»?2 Wat vindt u van deze uitspraken?
Ik heb hier kennis van genomen. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. De betreffende uitspraak van de Israëlische premier nooit een Palestijnse staat te accepteren gaat daar tegen in en is dan ook zorgwekkend. Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van het vredesplan van president Trump. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803.
Kunt u bevestigen dat deze aarden wal zich inmiddels over tientallen kilometers uitstrekt, Gaza verder opdeelt en de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking nog verder beperkt? Wordt dit door de Nederlandse regering gemonitord? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest dit ter plaatse te bevestigen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza.
Bent u bereid bij uw Israëlische collega en de Israëlische ambassadeur onmiddellijk duidelijk te maken dat deze aarden wal meteen weer moet worden afgebroken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Gaza nauwgezet. Voor de toekomst van Gaza is het noodzakelijk dat resolutie 2803 van de VN-Veiligheidsraad en daarmee het vredesplan van president Trump worden geïmplementeerd. Deze boodschap brengt het kabinet regulier over in diplomatieke contacten met Israël.
Kunt u bevestigen dat de Gele Lijn in oktober 2025 in eerste instantie werd gepresenteerd als een tijdelijke militaire terugtrekkingslijn, in afwachting van verdere Israëlische terugtrekking uit Gaza? Wat vindt u ervan dat Israël helemaal niet van plan is zich terug te trekken?
Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van dit vredesplan. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803. In artikel 16 is opgenomen dat Israël Gaza niet zal bezetten of annexeren.
Hoe beoordeelt u de aanleg van een grootschalige fysieke barrière en bijbehorende militaire infrastructuur langs deze tijdelijke lijn? Vindt u dergelijke (semi-)permanente infrastructuur in bezet gebied verenigbaar met het tijdelijke karakter van een bezetting en met andere relevante regels van internationaal recht? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke rechtsregels worden volgens u geschonden?
In beginsel geeft het humanitair oorlogsrecht ruimte om op basis van overwegingen van militaire noodzaak militaire installaties, zoals een aarden wal, te bouwen. Dat moet echter worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht, zoals het verbod op het vernietigen van goederen als daar geen militaire noodzaak voor is. Tevens zijn er verplichtingen onder het bezettingsrecht ter bescherming van de burgerbevolking waaronder het verbod op gedwongen verplaatsing, zoals ook toegelicht in het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, het verbod op annexatie en de door het IGH vastgestelde plicht van Israël om de onrechtmatige aanwezigheid in de bezette Palestijnse Gebieden zo spoedig mogelijk te beëindigen.
Heeft Israël tegenover Nederland of de Europese Unie toegelicht of deze barrière en bijbehorende infrastructuur tijdelijk dan wel permanent bedoeld is? Zo nee, bent u bereid expliciet aan Israël opheldering hierover te vragen en de Kamer daarover te informeren? Hoe verhoudt de aanleg van deze fysieke barrière zich volgens u tot het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024, waarin werd vastgesteld dat Israëls onrechtmatige aanwezigheid in het bezette Palestijnse gebied zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd?
De overwegingen rond de bouw van de wal zijn niet toegelicht door Israël. Wel heeft de IDF aan de media bevestigd dat er een barrière in het gebied van de Gele Lijn wordt gebouwd. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 moet de bouw van een aarden wal worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht. Nederland brengt regelmatig in gesprekken met Israël de onrechtmatigheid van de bezetting van de Palestijnse Gebieden op. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Dergelijke politieke afspraken doen echter geen afbreuk aan de Israëlische verplichtingen onder internationaal recht.
Vindt u de juridische beoordeling van het Internationaal Gerechtshof in zijn Advisory Opinion van 9 juli 2004 over de Muur op de Westelijke Jordaanoever leidend voor de Nederlandse en Europese beoordeling van deze nieuwe fysieke barrière in Gaza? Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3 heeft het kabinet onvoldoende informatie over deze mogelijke barrière en kan daarom geen vergelijking maken tussen deze twee zaken. Nederland en andere staten beschouwden de aanleg van de muur op de Westelijke Jordaanoever als onrechtmatig en Israëlische soevereiniteit over de Palestijnse Gebieden is nimmer erkend.
Deelt u de opvatting dat in het advies van 2004 niet alleen de fysieke constructie zelf centraal stond, maar vooral de gevolgen daarvan voor onder meer zelfbestuur (territoriale integriteit), bewegingsvrijheid, toegang tot land en de uitoefening van het Palestijnse recht op zelfbeschikking? Welke betekenis heeft dat volgens u als u het advies van toen toepast op de huidige situatie in Gaza?
Ik deel die opvatting. Zie daarnaast beantwoording op vraag 3 en 6.
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de aanleg van deze barrière en infrastructuur voor de uitvoering van de verplichtingen van Nederland zoals geformuleerd door het Internationaal Gerechtshof op 19 juli 2024?
Derde staten, zoals Nederland, zijn verplicht om de situatie die voortvloeit uit de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden niet als rechtmatig te erkennen. Ook mogen zij geen hulp of bijstand verlenen aan het in stand houden van de situatie die is ontstaan door de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden. VN-lidstaten zijn bovendien verplicht om veranderingen in het fysieke karakter, de demografische samenstelling, de institutionele structuur of de status van het door Israël bezette gebied niet te erkennen, tenzij overeengekomen door de partijen door middel van onderhandelingen. Het kabinet erkent in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Het kabinet zal zich blijven uitspreken tegen de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband.
Deelt u de enorme zorg dat deze barrière en de bijbehorende militaire zones kunnen bijdragen aan feitelijke annexatie, gedwongen verplaatsing, territoriale fragmentatie, genocide en langdurige opsluiting van de Palestijnse bevolking in een steeds kleiner deel van Gaza? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft benadrukken dat Israël zo spoedig mogelijk de bezetting van de Palestijnse Gebieden moet beëindigen, in lijn met het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024. Als gesteld, is het voor de toekomst van Gaza noodzakelijk het vredesplan van president Trump, als bekrachtigd in VNVR-resolutie 2803, zo snel mogelijk te implementeren.
Welke gevolgen verwacht het kabinet voor de bewegingsvrijheid van Palestijnen, de toegang tot landbouwgrond, de terugkeer naar woonplaatsen, humanitaire hulp en de wederopbouw van Gaza? Klopt het dat Israël inmiddels circa zestig procent van de Gazastrook onder militaire controle heeft en deze controle verder uitbreidt? Welke gegevens en bronnen hanteert het kabinet zelf?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest de situatie in Gaza te beoordelen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza. Uit verschillende bronnen, zoals de Verenigde Naties, humanitaire organisaties en het Israëlische kabinet, blijkt dat Israël inmiddels ruim zestig procent van Gaza onder militaire controle heeft. Daarnaast heeft Netanyahu in mei jl. de opdracht gegeven om zeventig procent van Gaza te bezetten. Het is van belang dat zo snel mogelijk stappen worden gezet om het vredesplan van president Trump te implementeren.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur te ontbieden? Zo nee, waarom niet?
In bilaterale contacten wordt de onrechtmatige bezetting van de Palestijnse Gebieden door Israël, de humanitaire situatie in Gaza en de noodzaak dat alle partijen zich houden aan het vredesplan regelmatig opgebracht.
Is Nederland bereid extra nationale sancties te nemen om te voorkomen dat Israël deze vorm van territoriale controle, gebiedsverwerving en fragmentatie van Gaza voortzet? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet geeft de voorkeur aan inzet in Europees verband en is nu niet voornemens aanvullende nationale sancties te treffen.
Bent u bereid meer geld vrij te maken voor steun aan de Palestijnse bevolking? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ondersteunt de Palestijnse bevolking onder andere door de ontwikkelingssamenwerking met de Palestijnse Autoriteit, de VN en maatschappelijke organisaties op het gebied van water, private sector-, en rechtsstaatontwikkeling en mensenrechten. Het kabinet beziet continue hoe het op de meest effectieve manier kan bijdragen aan het verbeteren van de situatie voor de Palestijnse bevolking. Zo heeft Nederland in april dit jaar een bijdrage van 5 miljoen euro aangekondigd voor het VN-fonds voor herstel van de Palestijnse Gebieden, en in juli een bijdrage van 5 miljoen euro aan het PEGASE-instrument van de EU ten behoeve van steun voor de Palestijnse Autoriteit. Nederland draagt in 2026 bij aan de humanitaire respons via de ongeoormerkte bijdragen aan belangrijke humanitaire actoren als UNRWA, WFP en UNICEF.3 Daarnaast draagt Nederland 16 miljoen euro bij aan het landen specifieke humanitaire fonds van de VN.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat Nederlandse overheidsinstanties, bedrijven, financiële instellingen of andere Nederlandse actoren bijdragen aan de instandhouding van een mogelijk onrechtmatige territoriale situatie in Gaza?
Staten dienen zich te houden aan internationaal recht. Het kabinet benadrukt het belang van naleving van het internationaal recht en neemt hierin zijn verantwoordelijkheid. In het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 wordt geen uitspraak gedaan over de reikwijdte van de verantwoordelijkheid van derde staten voor de activiteiten van private partijen. Samenwerking van de Nederlandse overheidsinstanties vindt altijd plaats binnen de internationaal erkende grenzen van Israël van voor 1967. Dat wil zeggen dat op geen enkele manier samen wordt gewerkt in de door Israël bezette gebieden. Het Nederlandse ontmoedigingsbeleid beperkt zich daarbij tot illegale Israëlische nederzettingen in bezet gebied.
Hoe verhoudt het huidige Nederlandse beleid zich tot de verplichtingen van derde staten zoals geformuleerd in de Advisory Opinions van het Internationaal Gerechtshof uit 2004 en 2024? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de verplichtingen tot niet-erkenning, niet-bijstand en samenwerking om de onrechtmatige situatie te beëindigen? Kunt u uitsluiten dat Nederland, direct of indirect, erkenning, hulp of bijstand verleent aan een situatie waarin een aanzienlijk deel van Gaza blijvend onder Israëlische controle wordt gebracht? Hoe waarborgt het kabinet in dit verband de Nederlandse verplichtingen tot niet-erkenning en niet-bijstand?
Zie de beantwoording op vraag 10. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het AIV advies van 9 december 2024, erkent het kabinet in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Dit is aanvullend op de reeds jarenlang bestaande kabinetspositie dat uitbreidingen van nederzettingen, vernielingen of uithuisplaatsingen in de bezette gebieden in strijd zijn met internationaal recht. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband. Het kabinet zal zich hierover blijven uitspreken. Nederland geeft daarnaast via het actieve ontmoedigingsbeleid, nationale maatregelen die moeten voorkomen dat Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie die strijdig is met het internationaal recht, en zijn inzet in EU-verband voor handelsmaatregelen, invulling aan de juridische verplichtingen die voortvloeien uit het advies. In het geval van Gaza blijft het noodzakelijk dat er stappen worden gezet ten aanzien van het vredesplan van president Trump, waarbij de afspraken over het staakt-het-vuren volledig worden nageleefd. Het kabinet zet zich naar vermogen in om de situatie ter plaatse te verbeteren, bijvoorbeeld door het leveren van humanitaire hulp, en bij te dragen aan de uitvoering van het vredesplan.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering, samen met talloze wetenschappers, humanitaire organisaties en de VN, expliciet uit te spreken dat Israël genocide pleegt op de Palestijnen in Gaza? Zo ja, wanneer en hoe maakt u dit kenbaar aan de Israëlische regering en kunt u hier de Kamer over informeren? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Nederland is in de regel terughoudend met het kwalificeren van situaties als genocide.
Tegelijkertijd moet de terughoudendheid om zaken te kwalificeren als genocide zeker niet worden gezien als ontkenning van de ernst van de situatie in Gaza. In de Kamerbrief van 21 januari 20254 en van 18 juni 20255 is de Nederlandse visie over het kwalificeren van genocide in Gaza in meer detail uiteengezet.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering om, in het actuele belang van de territoriale soevereiniteit van de Palestijnen, samen met al zo’n 150 landen wereldwijd (o.a. Frankrijk, Spanje, België, Noorwegen, Canada, Oekraïne, Ierland en Zweden), de Palestijnse staat te erkennen? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Erkenning van de Palestijnse staat moet voor het kabinet dienstbaar zijn aan het politieke proces, waarbij beide partijen onderhandelen over hoe te komen tot een veilig Israël en een levensvatbare Palestijnse staat.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De afwezigheid van Omar Elshal tijdens zijn rechtszitting in Egypte. |
|
Stephan van Baarle (DENK), Sarah Dobbe (SP), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onverwachte wending bij zaak ASML’er Omar (33): hij was tot ieders verrassing niet in de rechtbank aanwezig»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Teunissen en Van Baarle over de detentie van de Nederlandse ASML-medewerker Omar Elshal?2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke diplomatieke inspanningen de Nederlandse regering sinds de beantwoording van deze Kamervragen heeft verricht om de rechtspositie, consulaire toegang en het welzijn van de heer Elshal te bevorderen?
Wereldwijd zet het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich ten volle in voor consulaire bijstand aan en toegang tot Nederlandse gedetineerden die dat willen. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de door u opgebrachte gedetineerde Nederlander in Egypte. De Nederlandse overheid kan niet treden in de rechtsgang van een ander land, dat zou andersom ook onwenselijk zijn. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft zich inzetten om consulaire bijstand te verlenen aan de gedetineerde en brengt deze casus op in gesprekken op verschillende niveaus.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Was de Nederlandse ambassade voorafgaand aan de rechtszitting ervan op de hoogte dat de heer Elshal niet naar de rechtbank zou worden overgebracht? Zo ja, wanneer is de ambassade hiervan op de hoogte gesteld en door wie?
Nee.
Heeft de Nederlandse regering inmiddels bij de Egyptische autoriteiten opheldering gevraagd over de reden waarom de heer Elshal niet bij zijn eigen rechtszitting aanwezig was? Zo ja, wat is daarop geantwoord? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Klopt het dat de Nederlandse vertegenwoordiging aanwezig was bij de betreffende rechtszitting met het voornemen om de heer Elshal na afloop consulaire bijstand te verlenen? Welke gevolgen heeft zijn afwezigheid gehad voor de mogelijkheid om consulaire toegang te verkrijgen?
De Nederlandse vertegenwoordiging was aanwezig, maar kreeg geen toegang tot de zitting.
Klopt het dat pas nadat bekend was geworden dat medewerkers van de Nederlandse ambassade bij de rechtszitting aanwezig zouden zijn, bleek dat de heer Elshal niet was voorgeleid? Deelt u de opvatting dat deze gang van zaken ernstige vragen oproept en dat hierover volledige opheldering dient te worden verkregen? Welke concrete stappen onderneemt u om deze opheldering van de Egyptische autoriteiten te verkrijgen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Welke concrete stappen onderneemt de regering momenteel om alsnog spoedig consulaire toegang tot de heer Elshal te verkrijgen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft zich onverminderd inzetten, ook op politiek niveau, om de lokale autoriteiten te bewegen, in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving, te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Is het kabinet bereid de diplomatieke druk op de Egyptische autoriteiten te intensiveren teneinde onverwijld consulaire toegang en een eerlijke rechtsgang voor de heer Elshal te bewerkstelligen? Zo ja, op welke wijze zal de regering deze diplomatieke druk intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Is de Minister bereid om de voortgang van nieuwe Nederlandse samenwerkingsprojecten met Egypte afhankelijk te maken van aantoonbare verbeteringen in de behandeling van de heer Elshal en de naleving van internationale consulaire verplichtingen? Zo ja, op welke wijze zal de Minister hier uitvoering aan geven? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderzoekt bij individuele consulaire zaken steeds welke diplomatieke en beleidsmatige manieren in een specifieke zaak het meest effect hebben, bijvoorbeeld om consulaire toegang te krijgen. Over de aard en inhoud van de concrete handelingen en interventies kan echter geen inzicht worden gegeven, om de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de consulaire belangenbehartiging niet te schaden.
Is de Minister bereid deze zaak actief onder de aandacht te brengen van de Europese Unie en de EU-delegatie in Egypte, met het verzoek de kwestie van de detentie van de heer Elshal en de toegang tot consulaire bijstand nadrukkelijk aan de orde te stellen in de contacten met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld onder antwoord 10, beoordeelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij individuele consulaire zaken continu welke manieren om consulaire toegang te krijgen in een specifieke zaak het meest effectief zijn. Daarbij worden politieke en diplomatieke relaties in EU-verband ook in de afweging opgenomen.
Is de Minister bereid de Egyptische ambassadeur in Nederland te ontbieden om opheldering te verlangen over de afwezigheid van de heer Elshal tijdens zijn rechtszitting en om aan te dringen op onmiddellijke consulaire toegang? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in antwoord 13 en 14, heb ik in dit geval ervoor gekozen de zaak van de heer Elshal direct op te brengen en bespreken bij mijn Egyptische ambtgenoot.
Heeft de Minister deze zaak inmiddels persoonlijk besproken met zijn Egyptische ambtgenoot? Zo ja, wanneer en wat was de uitkomst van dat gesprek?
Bij een recente ontmoeting met mijn Egyptische ambtgenoot heb ik zaak van de heer Elshal nadrukkelijk onder de aandacht gebracht en besproken. Over de inhoud van het gesprek doe ik om de bij antwoord 3 genoemde redenen geen uitspraken.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal zich onverminderd blijven inzetten om de lokale autoriteiten te bewegen, in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving, te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Indien de Minister dit nog niet persoonlijk met zijn Egyptische ambtgenoot heeft besproken, is hij bereid dit op de kortst mogelijke termijn alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het onverklaard uitblijven van de heer Elshal bij zijn eigen rechtszitting, terwijl de Nederlandse vertegenwoordiging aanwezig was om de zitting bij te wonen en consulaire bijstand te verlenen, een zeer zorgwekkende ontwikkeling is die aanleiding geeft tot intensivering van de Nederlandse diplomatieke inzet? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat de rechter tijdens de betreffende rechtszitting heeft verklaard dat de heer Omar Elshal de enige van in totaal 71 verdachten in deze strafzaak was die niet naar de rechtbank was overgebracht? Zo ja, op welke informatie baseert de regering zich om de juistheid van deze mededeling te beoordelen? Welke mogelijkheden heeft de regering om de juistheid hiervan zelfstandig of via diplomatieke kanalen te verifiëren? Deelt u de opvatting dat, indien deze mededeling juist is, dit de zorgen over de behandeling van de heer Elshal verder vergroot? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke concrete maatregelen zal de regering nemen om te waarborgen dat een dergelijke situatie zich bij toekomstige rechtszittingen niet opnieuw voordoet en dat medewerkers van de Nederlandse ambassade daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld de rechtszittingen van de heer Elshal bij te wonen en hem aansluitend consulaire bijstand te verlenen? Is de regering bereid hierover vooraf duidelijke afspraken te maken met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid mengt zich niet in de rechtsgang van de staat van detentie, dat zouden we andersom in de Nederlandse rechtsgang ook onwenselijk achten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken dringt er wel bij de lokale autoriteiten op aan om, in lijn met internationale wet- en regelgeving, een eerlijke rechtsgang te waarborgen en consulaire toegang te verlenen.
Is de Minister bereid de Kamer onverwijld te informeren zodra duidelijkheid bestaat over de reden waarom de heer Elshal niet bij zijn rechtszitting aanwezig was en over de uitkomsten van de diplomatieke contacten die hierover met de Egyptische autoriteiten zijn gevoerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Racistisch en seksistisch geweld en intimidatie tegen mensen die asiel zoeken en inwoners die zich uitspreken voor opvang |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat inwoners van Engelen en Bokhoven die steun hebben uitgesproken voor vreedzaam samenleven door middel van een poster slachtoffer zijn geworden van intimidatie, bedreigingen en bekladdingen van woningen en andere eigendommen? Wat is uw reactie daarop?1
Heeft u gezien dat in Geesteren de auto van een Syrisch gezin in brand is gestoken, nadat eerder tot drie keer toe stenen met intimiderende en bedreigende briefjes door de ruiten van hun woning waren gegooid? Wat is uw reactie daarop?2
Heeft u gezien dat in Engelen de auto van mensen die een «Samen Leven»-poster hadden opgehangen in het water is geduwd? Wat is uw reactie daarop?3
Wat vindt u ervan dat inwoners van Engelen zich de afgelopen maanden al niet vrij voelden om hun mening te geven over een opvanglocatie voor kinderen die asiel zoeken in Nederland, omdat ze geïntimideerd werden door tegenstanders, waarbij onder meer hakenkruizen in appgroepen werden verspreid?4
Deelt u de analyse van onder andere Jelle Postma, voormalig AIVD'er en expert op het gebied van maatschappelijke manipulatie, dat hiermee een nieuwe, zorgelijke fase ingaat, waarbij geweld en intimidatie zich nu niet alleen maar richten op de overheid, maar ook op gewone burgers? Deelt u zijn analyse dat er «blijkbaar een gevoel is ontstaan dat je anderen straffeloos mag intimideren om je zin door te drijven»? Zo nee, wat is dan uw analyse?5
Erkent u dat een klimaat waarin inwoners zich niet meer vrij voelen zich publiekelijk uit te spreken over de opvang van asielzoekers, uit angst voor intimidatie of geweld, een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarin voor het kabinet?
Erkent u dat u als Minister-President een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om u steeds tijdig en duidelijk uit te spreken tegen niet alleen haat en ophitsing richting mensen die asiel zoeken, maar ook tegen het geweld en de intimidatie die steeds meer plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u of een lid van uw kabinet zich tot nu toe niet helder uitgesproken over wat er in Engelen, Bokhoven en Geesteren heeft plaatsgevonden en waarom heeft het kabinet nog geen actie ondernomen? Gaat u het Syrische gezin en de inwoners van Engelen en Bokhoven die slachtoffer zijn geworden van haat en geweld bezoeken om uw steun en medeleven te betuigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken of de doelgerichte intimidatie, bedreigingen, brandstichting en vernielingen die in Engelen, Bokhoven en Geesteren hebben plaatsgevonden, mede gelet op het kennelijke doel om angst aan te jagen en maatschappelijke of politieke besluitvorming over de opvang van asielzoekers te beïnvloeden, gedreven zijn door terroristische motieven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen in elk geval beantwoorden voor de aankomende Algemene Politieke Beschouwingen?
Het niet voldoen aan de uitspraak van de rechter inzake de Bonaire-klimaatzaak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Vindt u dat iedereen in Nederland zich aan rechterlijke bevelen moet houden, inclusief de Staat? Ziet u ook het gevaar van ondermijning van de rechtsstaat door de Staat zelf als zij zich niet aan rechterlijke uitspraken houdt?
Ja.
Erkent u de urgentie van het voldoen aan het Bonaire-vonnis in het licht van de klimaatcrisis?
Ja.
Klopt de bevinding van de NOS dat het kabinet de datum waarop het kabinet inzage moet geven in de emissieruimte van Nederland, namelijk gisteren, naast zich neerlegt?
Nee, dat klopt niet. De rechtbank Den Haag heeft bij herstelvonnis van 18 maart 20261 bevestigd dat de Staat 18 maanden de tijd heeft om de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken. Die termijn is nog niet verstreken.
Erkent u dat het in kaart brengen van de emissieruimte het allereerste begin zou zijn van wat er moet gebeuren, en dat het een slecht signaal is dat het kabinet die eerste stap zelfs negeert?
Ik erken het belang van het in kaart brengen van de emissieruimte. Het inzichtelijk maken daarvan hangt samen met de reductiedoelen voor de gehele economie die op basis van rechtsoverweging 12.2 door de Staat moeten worden vastgesteld. Als de doelen zijn vastgesteld kan daaruit de (resterende) emissieruimte voor Nederland opgemaakt worden.
Realiseert u zich dat het uitvoeren van het vonnis hierdoor in het geding komt, aangezien het kabinet binnen 18 maanden bindende klimaatdoelen moet hebben vastgesteld, gebaseerd op de resterende emissieruimte?
De uitvoering van het vonnis komt hierdoor niet in het geding. De Staat werkt momenteel aan de uitvoering van het vonnis.
Hoe denkt u alsnog tijdig aan de uitspraak te voldoen bij het ontbreken van een onderbouwde berekening van de emissieruimte? Kunt u dit uiteenzetten in een gedegen planning?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 5 wordt hard gewerkt aan het tijdig uitvoeren van het vonnis.
Waarom heeft u nog geen advies gevraagd aan de Wetenschappelijke Klimaatraad of het Planbureau voor de Leefomgeving om een berekening te maken van de resterende emissieruimte voor Nederland? Bent u bereid dat alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
De Staat baseert zich bij het vaststellen van reductiedoelen op wetenschappelijke rapporten van het IPCC. Dat doet de Staat omdat de rechtbank zich in het vonnis ook op deze rapporten van het IPCC baseert. Daar wil de Staat bij aansluiten. Volgend op de vastgestelde doelen zal de (resterende) emissieruimte voor Nederland berekend worden. Vanwege deze aanpak wordt het niet nodig geacht om de genoemde instellingen hierover om advies te vragen.
Onderschrijft het kabinet het bevel van de rechtbank dat de Staat inzichtelijk moet maken wat de resterende emissieruimte voor Nederland is waarvan de Staat uitgaat bij het nemen en uitvoeren van klimaatmaatregelen, en dat gisteren, een half jaar na de uitspraak, dit inzicht gegeven moet worden? Zo ja, waarom voldoet het kabinet hier niet aan?
Het kabinet werkt hard aan de uitvoering van het vonnis. Een onderdeel van het vonnis is dat de Staat de emissieruimte inzichtelijk moet maken. Hiervoor geldt echter geen termijn van 6, maar van 18 maanden. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Kunt u de beschikbare berekeningen delen met de Kamer, aangezien de Staat tijdens de rechtszaak heeft aangegeven reeds te beschikken over emissiegegevens? Zo nee, waarom niet?
Gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis zal inzichtelijk gemaakt worden hoe de omvang van de emissieruimte is bepaald.
Bent u bereid alsnog de emissieruimte die nog mogelijk is binnen het Akkoord van Parijs inzichtelijk te maken, zoals de rechter heeft bevolen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze emissieruimte zal inzichtelijk worden gemaakt gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis.
De beperkte opname van klimaatindicatoren in de BHOS-indicatorenlijst |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in het nieuwe BHOS-indicatorenoverzicht op het thema klimaat slechts één indicator staat, namelijk het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie?
Ja.
Bent u van mening dat klimaatadaptatie en -weerbaarheid een substantieel onderdeel moeten vormen van het Nederlandse klimaatbeleid, mede gegeven dat meer dan 50% van de klimaatfinanciering naar adaptatie gaat?
Ja, dat is ook het geval.
Waarom is klimaat beperkt tot één indicator, terwijl adaptatie de helft van de klimaatfinanciering beslaat en beleidsmatig als prioriteit wordt benoemd?
De aan de Kamer toegezonden lijst betreft het BHOS-indicatorenoverzicht dat tot nu toe werd opgenomen in deel D, bijlage 4, van het BHOS-jaarverslag. In dit overzicht was het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie de afgelopen jaren de enige indicator voor het thema klimaat.
Zoals toegelicht in de brief van 11 mei jl. (Kamerstuk 31 865, nr. 302) wordt de verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag BHOS 2027 verbeterd. De afzonderlijke indicatorentabel vervalt en indicatoren en streefwaarden worden voortaan in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag. Daarmee ontstaat meer ruimte om de resultaten op klimaat, waaronder adaptatie, in samenhang en in context te presenteren.
Bent u van mening dat de huidige klimaatindicatoren ontoereikend zijn, gegeven de beperkte reikwijdte en discrepantie met de financiering (meer dan 50% naar adaptatie)?
De nieuwe verantwoordingssystematiek is erop gericht een completer en samenhangender beeld te geven van de behaalde resultaten op de beleidsdoelstellingen, waaronder resultaten op het gebied van klimaatadaptatie. Daarbij wordt gebruikgemaakt van zowel kwantitatieve gegevens als informatie over bredere ontwikkelingen en resultaten. Ook resultaten op het gebied van klimaatadaptatie binnen andere beleidsterreinen worden hierbij meegenomen. Zo wordt binnen de inzet op water en voedselzekerheid onder meer gemonitord hoeveel mensen toegang krijgen tot een verbeterde waterbron en hoeveel hectare landbouwgrond wordt bereikt met activiteiten gericht op duurzaam landgebruik. De resultaten worden in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes? Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes?
Zie antwoord vraag 4.
Zo nee, waarom acht u het aanvaardbaar dat een substantieel deel van het klimaatbeleid en de klimaatfinanciering onzichtbaar blijft in de BHOS-verantwoording?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen worden gecompenseerd?
Ja.
Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?
Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen voor een stemming.
Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?
Ja.
Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija «de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen»?
Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002–2021, net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS: in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.
Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit tegen individuele vergoedingen – zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie er schade hebben geleden –, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee, op welke wijze is deze optie onderzocht?
De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.
Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken met de Kamer delen?
Binnen zowel het Ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd, en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9
Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja, waarom?
De motie-Fritsma verzoekt de regering «op actieve wijze zeker te stellen dat geen cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija terechtkomt bij (oud-)IS’ers».10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.
Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs voor hebben aangeleverd?
Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele tegemoetkomingen.12
Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026» en «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.
Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De uitbreiding van Amerikaanse sancties tegen het Internationaal Strafhof |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat de Amerikaanse regering een nieuwe campagne is gestart tegen het Internationaal Strafhof (ICC), waarbij onder meer aanvullende sancties, visumbeperkingen en diplomatieke druk worden overwogen tegen personen die betrokken zijn bij het werk van het Hof?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen hebben deze aangekondigde Amerikaanse maatregelen volgens u voor lopende onderzoeken van het Internationaal Strafhof, waaronder onderzoeken naar de oorlogen in Oekraïne, Sudan en de Palestijnse gebieden?
De onderzoeken die het Internationaal Strafhof uitvoert, vormen een essentieel onderdeel van de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en mengt zich derhalve niet in het onderzoeks- en vervolgingsbeleid van het Hof. Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Momenteel gaat het Hof gestaag door met zijn belangrijke werkzaamheden. Wel bestaat een risico dat partijen, zoals non-gouvernementele organisaties, minder bereid zijn informatie te delen met het Hof uit angst voor de gevolgen.
Welke concrete maatregelen neemt Nederland als gastland om het Hof en zijn medewerkers te beschermen tegen de aangekondigde Amerikaanse maatregelen, aangezien Nederland als gastland heeft verklaard achter het Internationaal Strafhof en zijn medewerkers te staan?
Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren. Als gastland heeft Nederland daarbij een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland. Nederland staat dan ook in zeer nauw contact met het Hof en heeft zich de afgelopen jaren op verschillende terreinen ingezet voor de mitigatie van de gevolgen van de Amerikaanse sancties. Deze inzet zal de komende tijd onverminderd worden voortgezet.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van de laatste ontwikkelingen samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig.
Welke concrete diplomatieke stappen heeft Nederland sinds de aankondiging van deze campagne richting de Verenigde Staten ondernomen? Acht u de tot nu toe genomen stappen afdoende? Zo ja, waarom?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS, en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door. Onze zorgen over deze VS campagne tegen het Internationaal Strafhof worden sinds de aankondiging in deze gesprekken overgebracht. We blijven ons tegelijkertijd inzetten voor de dialoog met de VS ter voorkoming van verdere escalatie.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en verdragspartijen bij het Statuut van Rome. Nederland staat in voortdurend contact met gelijkgezinde partners om te bespreken welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig, inclusief door gezamenlijke outreach. Tijdens de komende UN High Level Week in New York zal in overleggen met gelijkgezinde partners de toegenomen druk op en campagne tegen het Hof aan bod komen.
Hoe beoordeelt u de aankondiging van de Amerikaanse regering andere landen te willen bewegen hun steun aan het Internationaal Strafhof in te trekken en landen die afhankelijk zijn van Amerikaanse veiligheids- of ontwikkelingssteun onder druk te willen zetten om zich tegen het Hof uit te spreken? Welke gevolgen verwacht u hiervan voor de internationale steun voor het Internationaal Strafhof en de internationale rechtsorde en welke concrete inzet pleegt Nederland om die steun te behouden en te versterken?
Het kabinet heeft kennis genomen van de VS-boodschappen. De VS-positie is niet nieuw, maar de toon is wel zorgelijk evenals de directe druk op alle verdragspartijen. Nederland is in nauw overleg met andere verdragspartijen bij het Statuut van Rome om te kijken of, en zo ja, welke concrete maatregelen er na de aankondiging volgen en welke stappen ondernomen moeten worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Het is belangrijk om samen met gelijkgezinde partners achter het Hof te blijven staan. Ondanks uitdagingen, zoals de diplomatieke inzet van de VS om het Hof te ondermijnen, is het belangrijk een constructieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
Hoe beoordeelt u de bredere gevolgen van deze Amerikaanse sancties voor de geloofwaardigheid van het internationaal recht en in het bijzonder voor de bescherming van slachtoffers van internationale misdrijven?
Het Internationaal Strafhof belichaamt het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap. Ernstige en grootschalige mensenrechtenschendingen en internationale misdrijven zoals agressie, oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide, mogen niet onbestraft blijven. Juist voor slachtoffers is het van groot belang dat daders ter verantwoording worden geroepen. Mede daarom staat Nederland pal achter het Hof en keurt het acties die het Hof ondermijnen ten zeerste af. Ondanks reeds opgelegde VS sancties, gaat het Hof gestaag door met zijn belangrijke werkzaamheden.
Bent u bereid binnen de Europese Unie te pleiten voor concrete gezamenlijke maatregelen om de gevolgen van de Amerikaanse sancties voor het Internationaal Strafhof te beperken en het onafhankelijke functioneren van het Hof te beschermen? Zo nee, waarom niet?2
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld, pleit het kabinet al geruime tijd in Europees verband voor maatregelen ter bescherming van het onafhankelijk functioneren van het Hof en ter mitigatie van sancties, en blijft het kabinet dit doen. In EU-verband worden hierop belangrijke stappen gezet. Dit werk is echter gebaat bij een zekere mate van vertrouwelijkheid. Wel zichtbaar is de publieke steun die vanuit de EU duidelijk is, bijvoorbeeld in de conclusies van de Europese Raad (juni 2026) en de verklaringen van de Europese Commissie en Hoge Vertegenwoordiger Kallas (op International Justice Day 2026). Nederland heeft deze initiatieven sterk aangemoedigd en gesteund.
Bent u bereid aanvullende financiële, diplomatieke of praktische ondersteuning aan het Internationaal Strafhof te bieden als de aangekondigde Amerikaanse maatregelen het functioneren van het Hof verder belemmeren? Zo nee, waarom niet?
Indien de Verenigde Staten overgaan tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof verder belemmeren, zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof diplomatiek en praktisch te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig en mogelijk.
Daar waar de Europese Commissie de bedreigingen aan het adres van functionarissen van het Internationaal Strafhof heeft geduid als «We willen straffeloosheid bestrijden. Bedreigingen aan het adres van functionarissen van het hof zijn onaanvaardbaar»3, acht u de huidige Nederlandse inzet voldoende om het Hof daadwerkelijk te beschermen? Zo ja, welke concrete resultaten heeft deze inzet tot dusver opgeleverd?
Nederland deelt het door de Europese Commissie geuite standpunt dat bedreigingen aan het adres van functionarissen van het Hof onaanvaardbaar zijn. Het kabinet acht de huidige Nederlandse inzet in lijn met de verantwoordelijkheid van Nederland als gastland en verdragspartij en blijft deze inzet voortdurend evalueren en bijstellen waar nodig.
Het voornaamste concrete resultaat is dat de Nederlandse inzet er aan heeft bijgedragen dat het Hof ondanks de opgelegde sancties tegen functionarissen van het Internationaal Strafhof, tot dusverre in staat is geweest verreweg de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het Hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien de Verenigde Staten daadwerkelijk overgaan tot verdere sancties, visumbeperkingen of andere maatregelen tegen het Internationaal Strafhof of personen die werkzaam zijn voor of betrokken zijn bij het Hof?
Nederland heeft ook naar aanleiding van de Amerikaanse sancties van 18 augustus jl. publiekelijk verklaard de sancties af te keuren en als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers te staan. Ook heeft Nederland benadrukt dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder inmenging moeten kunnen uitvoeren. We voeren al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken zetten we onverminderd voort. Het is belangrijk een constructieve relatie met de VS te onderhouden en te blijven inzetten op een diplomatieke oplossing.
Bij verdere sancties of andere maatregelen tegen het Hof zal Nederland, afhankelijk van de aard en omvang daarvan, in nauwe samenwerking met het Hof en de overige verdragspartijen inzetten op passende maatregelen om de effecten zo veel mogelijk te mitigeren. Hier kan nu nog niet op vooruit worden gelopen. Indien dit aan de orde komt, wordt de Kamer hierover zoals gebruikelijk geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.