De positie van alleenverdieners met een uitkering bij het extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) |
|
André Flach (SGP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2023 over de uitleg van het begrip arbeidsinkomen voor de toepassing van de AKW+1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2025 over de toepassing van de inkomenseis bij paren waarvan één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is?2
Ja, ik ben bekend met beide uitspraken van de Centrale Raad voor Beroep (hierna: CRvB) over de AKW+.
Wat vindt u van het feit dat ouders als gevolg van de uitspraak uit 2023 onverwacht geconfronteerd werden met het wegvallen van een aanzienlijk bedrag aan extra kinderbijslag?
De uitspraak van de CRvB in 2023 leidde tot een andere uitvoering van de AKW+. Voor een groep ouders heeft de uitspraak een gunstig effect gehad en voor een deel van de ouders heeft de uitspraak een negatief effect gehad. Als gevolg van de uitspraak waren er ouders die recht kregen op het extra bedrag, dat één keer per jaar wordt betaald, of dit recht eventueel verloren. Door de uitspraak werd de wet op de juiste manier toegepast waardoor duidelijkheid gegeven kon worden aan ouders over de toepassing van de inkomenseis.
Hoe beoordeelt u de inconsistentie dat partners met een uitkering als gevolg van de uitspraak uit 2023 in beginsel geen recht meer hebben op AKW+, terwijl alleenstaande ouders met een uitkering dat recht behouden, en dat de Centrale Raad van Beroep voor bepaalde IVA-gevallen inmiddels een uitzondering noodzakelijk heeft geacht? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Er zijn verschillende groepen ouders voor wie de uitspraak uit 2023 gevolgen had. Alleenverdieners met een periodieke uitkering zoals een WIA-uitkering, WW-uitkering of Wajong-uitkering hadden vanwege de uitleg van het begrip «arbeidsinkomen» door de CRvB vóór de uitspraak wel recht en na de uitspraak geen recht meer op de AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders tegemoet te komen die voor hun kind met intensieve zorgbehoefte zorgen en daardoor niet beiden kunnen werken. Hierdoor lopen zij de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK) mis. De IACK is bedoeld om ouders met jonge kinderen te stimuleren te blijven werken, en arbeid en zorg te combineren. De AKW+ compenseert het verlies van dit bedrag wanneer deze groep ouders voldoen aan de inkomenseis (inkomen uit tegenwoordige arbeid). Voor alleenstaande ouders geldt deze inkomenseis niet. De gedachte hierbij is dat een alleenstaande ouder die zorgt voor een kind met intensieve zorgbehoefte, dat mag doen met een uitkering omdat de zorg niet gedeeld kan worden met een partner. Als gevolg van de uitspraak van de CRvB uit 2025 wordt een uitzondering gemaakt voor partners waarbij één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; dan geldt de inkomenseis niet.
Wat was de exacte uitvoeringspraktijk tot aan de genoemde rechterlijke uitspraken ten aanzien van uitkering van AKW+ aan alleenverdieners met een bijstands-, WIA-, WW- of Wajong-uitkering? Welke wijzigingen in de uitvoeringspraktijk hebben plaatsgevonden naar aanleiding van genoemde uitspraken, en per wanneer zijn deze ingegaan? Aan welke ouders keert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de AKW+ momenteel wel uit en aan welke niet?
Tot aan de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 interpreteerde de SVB de inkomenseis zo dat slechts het inkomen van één van beide partners meetelde. Dit gold wanneer het inkomen van één van beide partners in het alleenverdienershuishouden niet hoger was dan het bedrag dat wordt genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (in het peiljaar 2023 was dat bedrag € 5.547,00). De SVB keek dus niet naar het inkomen van beide partners. Als inkomen telde de SVB mee:
Tot en met 30 november 2023, de sluitingsdatum voor aanvragen over het peiljaar 2022, beoordeelde de SVB of werd voldaan aan de inkomenseis op de manier zoals zij dat sinds 2015 had gedaan. Door de uitspraak van 28 juni 2023 was de SVB verplicht de inkomenseis op een andere manier te beoordelen. De nieuwe beoordeling heeft de SVB toegepast vanaf het peiljaar 2023. Dat betekent dat ook ouders die na de datum van de uitspraak AKW+ voor het peiljaar 2022 aanvroegen, nog werden beoordeeld aan de hand van de sinds 2015 gehanteerde werkwijze. Op deze wijze zijn ouders die bijvoorbeeld in januari 2023 een aanvraag voor AKW+ hebben ingediend voor het peiljaar 2022 gelijk behandeld met ouders die na de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 voor ditzelfde jaar AKW+ hebben aangevraagd. Op grond van de uitspraak van 28 juni 2023 is vanaf het peiljaar 2023 het inkomen van beide partners relevant. Eén van de partners moet een arbeidsinkomen hebben boven het grensbedrag en de andere partner heeft geen arbeidsinkomen of een arbeidsinkomen van ten hoogste het grensbedrag. Periodieke uitkeringen vormen inkomen uit vroegere arbeid en vallen daardoor niet langer onder het inkomensbegrip van artikel 7a AKW. Onder inkomen wordt verstaan:
Onderstaand is schematisch in beeld gebracht wat de uitspraak uit 2023 van de CRvB heeft betekend voor de doelgroepen van de AKW+. Volledigheidshalve wordt hierbij benadrukt dat de uitspraak geen betrekking heeft op alleenstaande ouders, maar alleen op situaties waarbij sprake is van een fiscaal partner.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen (tot ten hoogste het grensbedrag).
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van één partner is boven grensbedrag, andere partner heeft geen inkomen.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft een uitkering (inkomen uit vroegere dienstbetrekking).
Geen recht op AKW+. Een uitkering is relevant inkomen, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van de ene partner is boven het grensbedrag, de andere partner heeft geen arbeidsinkomen.
Eén partner ontvangt een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW). De andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Een socialezekerheidsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Eén partner is met pensioen en ontvangt AOW plus aanvullend pensioen. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Pensioen en AOW is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Geen van de partners ontvangt inkomen; ze leven van (inkomsten uit) vermogen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Inkomen uit vermogen is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een volledige bijstandsuitkering.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is relevant inkomen. Omdat het inkomen (gesplitst over beide partners) van beiden te hoog is, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW/ZW) boven het grensbedrag of een combinatie van uitkeringen.
Geen recht op AKW+. Niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een uitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
De uitspraak van de CRvB van 18 april 2025 heeft tot gevolg gehad dat de inkomenseis niet toegepast mag worden als ten minste één van de ouders van een alleenverdienershuishouden volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
De SVB acht een persoon volledig en duurzaam arbeidsongeschikt indien deze:
De uitkeringen waarbij sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zijn limitatief. WGA 80–100% valt bijvoorbeeld buiten de reikwijdte van de uitspraak. Als een aanvrager deze uitkering krijgt, is geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Alleenverdienende ouders die arbeidsongeschikt zijn, hebben mogelijk vanwege de uitspraak van 2023 geen aanvraag ingediend of hebben een afwijzing ontvangen omdat ze niet aan de inkomenseis voldeden. De SVB heeft daarom alle alleenverdieners in september 2025 aangeschreven om hen in de gelegenheid te stellen om alsnog of nogmaals een aanvraag in te dienen, wanneer zij onder de reikwijdte van de uitspraak van 18 april 2025 vallen.
Wat was de betrokkenheid van het ministerie bij de wijzigingen in de uitvoeringspraktijk, en wie heeft hieraan goedkeuring verleend?
Naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB van 2023 en 2025 zijn door het ministerie samen met de SVB de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk, alsmede de juridische en financiële consequenties, in kaart gebracht. Uw Kamer is over de gevolgen van de uitspraak geïnformeerd in de Stand van de uitvoering van 7 april 2026.3 De toenemende complexiteit voor ouders en de uitvoering onderschrijft de noodzaak om opnieuw te kijken naar de regeling, nu de IACK wordt afgeschaft, en dit goed te analyseren in het kader van de nieuwe kindregeling.
Klopt het dat de gevolgen van de uitspraak uit 2025 in de uitvoering vooralsnog worden beperkt tot situaties waarin sprake is van een IVA-uitkering en dat SVB op haar website3 aangeeft dat IVA-uitkeringsgerechtigden recht hebben op AKW+ en dat dat niet geldt voor WGA-uitkeringsgerechtigden? Zo ja, kunt u uitleggen waarom hiervoor is gekozen?
De SVB beperkt de gevolgen van de uitspraak van 18 april 2025 niet tot slechts uitkeringsgerechtigden met een IVA-uitkering. In het antwoord op vraag 4 is kenbaar gemaakt welke groepen uitkeringsgerechtigden onder de reikwijdte van de uitspraak vallen. De CRvB heeft in de uitspraak kenbaar gemaakt dat het gaat om mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn en waarvoor niet wordt ingezet op re-integratie. Als gevolg van de uitspraak rekent de SVB arbeidsongeschikten met een WGA-uitkering niet tot de doelgroep die valt onder de reikwijdte van de uitspraak. Ten aanzien van WGA-gerechtigden in de categorie 80%–100% staat de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid namelijk nog niet vast. Op grond van artikel 29 en 30 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) bestaan voor WGA-gerechtigden verschillende re-integratieverplichtingen die de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid vergroten. Deze verplichtingen gelden niet voor IVA-gerechtigden vanwege het duurzame (en volledige) karakter van de arbeidsongeschiktheid. Dat maakt ook dat arbeidsparticipatie voor deze groep geen doel is en daarmee zou volgens de CRvB de compensatie van de AKW+ niet achterwege moeten blijven. De SVB heeft hiermee feitelijk uitvoering gegeven aan de uitspraak.
Acht u een onderscheid tussen IVA- en WGA-gerechtigden gerechtvaardigd indien de feitelijke gezins- en zorgsituatie vergelijkbaar is? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
De termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn bepalend voor de reikwijdte van de uitspraak van de CRvB van 2025. Voor de groep WGA-gerechtigden (80–100%) geldt dat de arbeidsongeschiktheid niet per definitie duurzaam is en daarmee niet binnen de reikwijdte van de uitspraak valt. Daarnaast geldt voor deze groep een re-integratieverplichting zoals uiteengezet onder het antwoord op vraag 6. De arbeidsparticipatie is bij deze groep dus nog wel een doel. Bij een IVA-gerechtigde wordt niet ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt. De feitelijke gezins- en zorgsituatie is geen onderdeel van het juridisch kader.
Onderschrijft u dat de Centrale Raad van Beroep zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de feitelijke gezins- en zorgsituatie en niet uitsluitend op de omstandigheid dat betrokkene een IVA-uitkering ontving? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft getoetst binnen de wettelijke kaders van de AKW+ in combinatie met gelijke behandelingswetgeving en geoordeeld dat huishoudens met een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouder vergelijkbaar zijn met eenoudergezinnen die wel recht hebben op AKW+ waarbij de inkomenseis niet wordt gesteld. In beide gevallen is immers sprake van één partner die vanwege de intensieve zorg voor het kind geen arbeidsinkomen ontvangt en die de zorg niet of slechts in geringe mate met een partner kan delen. Volgens de CRvB valt niet in te zien dat een huishouden waarin voor de ene partner blijkens de ontvangst van een IVA-uitkering niet meer wordt ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt, en de andere partner de zorg voor het kind draagt, en dus voor beide ouders bevordering van de arbeidsmarktparticipatie niet aan de orde is, de compensatie van de AKW+ achterwege zou moeten blijven. Het oordeel van de CRvB is dus gebaseerd op de gelijke behandeling van de kenmerken van de IVA-gerechtigde in combinatie met het toepassen van de inkomenseis in de AKW+.
Deelt u het standpunt dat op basis van deze uitspraak niet de conclusie kan worden getrokken dat uitsluitend IVA-uitkeringsgerechtigden aanspraak moeten kunnen maken op AKW+? Zo ja, bent u bereid de uitvoeringspraktijk hierop aan te passen?
Voor de reikwijdte van de uitspraak zijn de termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en inzet op re-integratie op de arbeidsmarkt bepalend. Zoals in het antwoord op vraag 4 is uiteengezet, is de reikwijdte breder dan IVA-uitkeringsgerechtigden. De uitvoeringspraktijk is hierop aangepast. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen.
Deelt u de mening dat ouders die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de zorg voor een kind met een intensieve zorgvraag grotendeels zelf op zich te nemen, daarvoor niet financieel benadeeld zouden moeten worden? En hoe beoordeelt u het feit dat gezinnen die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de intensieve zorg zelf te organiseren hierdoor juist financieel worden benadeeld?
Ouders met een zorgintensief kind kunnen allereerst aanspraak maken op een verdubbeling van het kinderbijslagbedrag: de dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (DKIZ). Dit is ook één van de voorwaarden om aanspraak te maken op AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders te compenseren voor het mislopen van de IACK.5 Er wordt gekeken naar het arbeidsinkomen, omdat dit ook een voorwaarde is om IACK te ontvangen. Inmiddels is besloten dat de IACK gefaseerd wordt afgeschaft vanaf 2027.6 7 8 De recente uitspraken van de CRvB hebben mede geleid tot een toename van de complexiteit in de uitvoering van de regeling en zorgen voor meer handmatig werk, klantcontact, bezwaar- en beroepszaken. De toegenomen complexiteit in de uitvoering en de stapsgewijze afbouw naar nul van de IACK zijn aanleiding om opnieuw te kijken naar de regeling. Naast dat het doel van de AKW+ door de afbouw van de IACK wegvalt, loopt de invulling van de AKW+ uiteen met de werking van de IACK. Via een amendement is de groep alleenstaanden toegevoegd aan de doelgroep van de AKW+, terwijl deze groep wel recht heeft op een IACK en compensatie dus niet aan de orde was. De voorwaarden voor alleenstaanden en voor alleenverdieners zijn niet hetzelfde doordat voor alleenstaanden geen inkomenseis geldt en voor alleenverdieners wel. Het resultaat is dat bijvoorbeeld een alleenstaande ouder met een hoog inkomen wél recht heeft op AKW+, maar twee partners in de bijstand niet. Dit leidt tot vragen en onbegrip bij burgers en is moeilijk uit te leggen. Daarnaast bestaat het recht op IACK totdat het jongste kind 12 jaar wordt. De AKW+ loopt door tot 18 jaar.
Deelt u de opvatting dat het voor de draagkracht van een gezin weinig verschil maakt of het inkomen afkomstig is uit arbeid of uit een socialezekerheidsuitkering, wanneer dat inkomen het gezinsinkomen vormt en de andere ouder vanwege de intensieve zorg voor een kind geen betaalde arbeid verricht?
Of het gezinsinkomen afkomstig is uit arbeid of een uitkering maakt voor de feitelijke draagkracht nauwelijks verschil, wanneer dat het enige gezinsinkomen vormt. Echter, de AKW+ maakt dat onderscheid wel, omdat er wordt gekeken naar de aard van het inkomen zoals opgenomen in artikel 7a AKW en niet naar de feitelijke draagkracht.
De AKW+ is een instrument om het besteedbaar inkomen van de betreffende huishoudens tot op zekere hoogte te compenseren voor het verlies van de IACK. De overkoepelende gedachte achter de doelstellingen van de AKW+ is dat de wetgever op de algemene beleidsdoelstelling van bevordering van de arbeidsmarktparticipatie een uitzondering heeft willen maken voor een ouder die ervoor kiest zelf voor zijn of haar zorgintensieve kind te zorgen in plaats van inkomensvormende arbeid te verrichten.
Erkent u dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2025 laat zien dat de arbeidsinkomenseis in bepaalde gevallen op gespannen voet kan komen te staan met het doel van de regeling om gezinnen met een zorgintensief kind te ondersteunen? Welke conclusies verbindt u daaraan?
De regeling is mede door de recente uitspraken complex geworden voor ouders en de uitvoering. De AKW+ is één van de regelingen waarmee binnen het huidige stelsel van de kindregelingen ouders worden ondersteund in bijzondere omstandigheden. Deze gerichte ondersteuning kan tegelijkertijd leiden tot meer complexiteit. Bij de verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling wil ik daarom onderzoeken of en hoe deze doelgroepen op een eenvoudigere manier ondersteund kunnen worden.9
Deelt u de mening dat de regeling ten aanzien van AKW+ primair zou moeten aansluiten bij de zorgbehoefte van het kind en de feitelijke draagkracht van het gezin? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te bezien of de wetgeving op dit punt aanpassing behoeft?
Om te bepalen of en hoe de ondersteuning van deze groep in de toekomst vormgegeven moet worden, wil ik de AKW+ meenemen in onderzoek binnen de uitwerking van een nieuwe kindregeling waar op dit moment aan wordt gewerkt. De beschreven complexiteit en het afschaffen van de IACK zijn belangrijke elementen voor deze herijking.
Kunt u per categorie aangeven hoeveel huishoudens als gevolg van genoemde uitspraken4 het recht op AKW+ verloren,5 voor een aanvraag zijn afgewezen of6 alsnog AKW+ kregen toegekend? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen alleenverdieners en overige huishoudens?
Het recht op AKW+ van alleenverdieners wordt beoordeeld aan de hand van de inkomenseis uit artikel 7a van de AKW. De overige huishoudens zijn de alleenstaande ouders. De inkomenseis wordt niet gesteld aan de alleenstaande ouders. De reden daarvan is dat deze ouders geen zorg kunnen delen. De uitspraken hebben dan ook geen gevolgen voor alleenstaande ouders.
De uitspraak van 28 juni 2023 heeft geleid tot zowel een uitbreiding als een beperking van de doelgroep van de AKW+ (zie ook de tabel onder vraag13. Er zijn op basis van deze uitspraak geen bestaande rechten op AKW+ herzien of anders beoordeeld in het nadeel van de burger. Bestaande rechten over het peiljaar 2022 zijn in stand gebleven en aanvragen over het peiljaar 2022 na de uitspraak zijn beoordeeld tegen het tot dan toe geldende toetsingskader. Het kan wel dat ouders voor de uitspraak nog wel recht hadden op AKW+, maar na de uitspraak niet meer. Die wijziging ging in met ingang van het peiljaar 2023.
De jaarsystematiek van de AKW+ brengt met zich mee dat ieder jaar opnieuw aan de voorwaarden moet worden voldaan. Er kan ook een andere reden zijn dan die uit de uitspraak voortvloeit waarom de AKW+ over het specifieke peiljaar niet aan de alleenverdiener wordt toegekend. Op basis van de gegevens van de SVB kan niet worden vastgesteld hoeveel ouders op grond van deze uitspraak geen recht meer hebben op, of juist wel recht hebben gekregen op het extra bedrag aan kinderbijslag.
De SVB heeft geen zicht op het soort inkomen van de AKW+ aanvragers. De SVB vraagt die informatie niet uit bij de aanvrager en krijgt ook geen inkomenssoorten geleverd van de Belastingdienst bij de inkomenscontrole omdat deze informatie niet van belang is voor de uitvoering van deze regeling. De uitspraak van 18 april 2025 heeft geleid tot een uitbreiding van de kring van gerechtigden. Er zijn dus geen mensen die op basis van deze uitspraak het recht op AKW+ zijn kwijtgeraakt. Het totaal aantal toekenningen AKW+ over 2024 was ongeveer 18.000. Ongeveer 12.000 daarvan betreft alleenstaanden. Voor het overige (ongeveer 6.000) betreft het aanvragers met fiscaal partner (alleenverdieners). Bij ongeveer 1.600 daarvan is sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (bij aanvrager zelf of bij de partner).
In onderstaande tabel zijn de totale aantallen toekenningen AKW+ opgenomen. Dit geeft een algemeen beeld van de ontwikkeling van het aantal AKW+-gerechtigden. Deze ontwikkeling is afhankelijk van meerdere factoren. De uitspraak is hier slechts één van.
2017
5.054
2.903
7.957
2018
5.478
2.911
8.389
2019
6.465
3.120
9.585
2020
7.210
3.237
10.447
2021
7.313
3.064
10.377
2022
8.024
3.057
11.081
2023
9.603
4.301
13.904
2024
11.907
6.115
18.022
2025
14.128
7.249
21.377
Bron: SVB, peildatum 23 juli 2026.
Wat zijn de verwachte budgettaire effecten van eventuele uitbreiding van de doelgroep van AKW+ naar andere uitkeringsgerechtigden, uitgesplitst naar WIA, WW, Wajong en Participatiewet?
Het huidige doel van de AKW+ is verbonden aan de IACK. Vanwege de afschaffing van de IACK en het onderzoek naar de AKW+ in het kader van de nieuwe kindregeling zie ik geen aanleiding om de doelgroep van de AKW+ verder te verbreden. Bovendien zou dat leiden tot nog meer complexiteit in de uitvoering, omdat uitkeringsgebruik bij een bredere groep vastgesteld dient te worden.
Ik interpreteer deze vraag zo dat het gaat om een verbreding van de huidige doelgroep van de AKW+ die nu bestaat uit alleenstaande ouders, eenverdienersgezinnen en volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouders (in alle gevallen met een zorgintensief kind). Voor een berekening van budgettaire gevolgen wordt daarbij uitgegaan van een verbreding van de doelgroep met uitkeringsgerechtigden die niet per definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (WGA, WW, Wajong en Participatiewet).
Een eerste grove inschatting is dat de meerkosten van een uitbreiding van de doelgroep naar WGA, WW, Wajong en Participatiewet naar verwachting maximaal circa € 10 miljoen per jaar bedragen. Deze raming is zeer onzeker, omdat voor een aantal relevante criteria, zoals het hebben van een fiscale partner, het hebben van kinderen in de leeftijd tot 18 jaar en de hoogte van het arbeidsinkomen, momenteel geen openbare gegevens beschikbaar zijn.
De raming is gebaseerd op maximaal circa 3.700 extra huishoudens die recht zouden krijgen op de AKW+, ter hoogte van € 2.713 per jaar. Hierbij is de huidige omvang van de groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikten die recht heeft op AKW+ (circa 1.000 gevallen) geschaald met een geschatte potentiële doelgroep onder WGA, WW, Wajong en Participatiewet.
Klopt het dat naar aanleiding van deze uitspraken een verkenning plaatsvindt naar de gevolgen voor de uitvoering en de doelgroep van de regeling en dat die verkenning al geruime tijd loopt? Wat is de stand van zaken van deze verkenning en bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn te informeren, met als doel duidelijkheid te bieden aan deze ouders?
Een verkenning naar mogelijke vereenvoudigingsopties van deze regeling is op ambtelijk niveau gestart. Hierbij opgedane inzichten worden meegenomen in het brede onderzoek naar de ondersteuning van specifieke doelgroepen. Dit onderzoek is onderdeel van de vormgeving van de nieuwe kindregeling. Het instrument van de AKW+ wordt in het onderzoek ook meegenomen. De vormgeving van de nieuwe regeling vraagt om een weloverwogen politieke afweging. Ik verwacht in de eerste helft van 2027 uw Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten van het genoemde onderzoek en de volgende stappen in de uitwerking van de nieuwe kindregeling.
Nu de Centrale Raad van Beroep in zijn beoordeling uitdrukkelijk betekenis heeft toegekend aan de feitelijke gezins- en zorgsituatie, bent u bereid expliciet te onderzoeken of ook andere alleenverdienersgezinnen, waaronder alleenverdieners met een WGA-uitkering, in een vergelijkbare feitelijke positie ten onrechte van AKW+ zijn uitgesloten? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft expliciet gemaakt dat de uitspraak van 2025 geldt voor volledig en duurzame arbeidsongeschikten. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen. In het onderzoek in het kader van de nieuwe kindregeling zal nader ingegaan worden op deze specifieke groepen.
Wordt in de lopende verkenning expliciet onderzocht of de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ook gevolgen heeft voor andere uitkeringsgerechtigden die zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ wordt meegenomen in een onderzoek binnen de verkenning naar de nieuwe kindregeling. Daarbij wordt ook meegenomen dat de IACK wordt afgebouwd, waardoor het doel van de AKW+, het compenseren van het mislopen van deze korting, wegvalt.
Bent u bereid daarbij ook in te gaan op de gevolgen voor de rechtsgelijkheid tussen verschillende groepen alleenverdieners en de mogelijke noodzaak van aanpassing van wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ is een complexe regeling voor ouders én uitvoering. Bij de verkenning naar de nieuwe kindregeling wordt de AKW+ meegenomen en worden de gevolgen voor de verschillende groepen in kaart gebracht in het licht van bovengenoemde uitspraken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Conform uw verzoek heb ik uw vragen afzonderlijk beantwoord.
De impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief |
|
Jan Struijs (50PLUS), André Flach (SGP), Maarten Goudzwaard (JA21), Pieter Grinwis (CU) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden, waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel, een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren. We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector. Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders, ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op 20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende maatregelen.
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke, maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni jl.3 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw? Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de zones?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht, waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof. Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake Lieftinghsbroek4, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt, en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen (lid 3), PAS-melders en interim-mers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden, en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig maar versterken zij elkaar juist.
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019 al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen. Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer. Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert) en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een «alternatieve invulling» voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik, borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief (geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura 2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan (een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte. Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten. De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte aanpak.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering. Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden. Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk, provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor 500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen, het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties, bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone van 1.000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen. Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: «Bredere inzet op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de Aanpak Veluwe.» Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van 500 meter naar 1.000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%) op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe, wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit. Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming van de zoneringsaanpak:
Omschrijving
Bron
Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering van drukfactoren in Natura 2000-gebieden
RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden
Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland
Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie Zuid-Holland
PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden
Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel
Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM & WUR
Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario met zone van 1km
WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek rond gewasbeschermingsmiddelen
Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek in Nederland
PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden
Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied.
Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit.
Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen te halen.
RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie- en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden, aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk gebied?
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en -depositie in/uit de zones is gebruik gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn.
1. Groenendijk, P. (2021). Kansen van de stikstofaanpak voor het doelbereik van de KRW voor nutriënten: Memo.
2. Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research.1
3. Van der Bolt, F., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2025). Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3461). Wageningen Environmental Research.2
4. Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
5. Deltares uit 2023: Effectiviteit van bufferzones voor grondwaterstandsverhoging in grondwaterafhankelijke natuurgebieden op de zandgronden
6. Cleassens et al. 2016. (RIVM) Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden
7. Ravensbergen et al. 2024. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – quickscan
8. Ravensbergen et al. 2025. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – verdiepende studie op quickscan
9. Van Driezum et al. 2025. (KWR) Bestrijdingsmiddelen in Nederlandse bronnen voor drinkwater (2018–2022)
10. Gies et al. 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied
11. Ercan et al. 2025. Landbouw in klimaatrobuuste beeklandschappen
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen, onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang, waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd. In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp10.
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid) ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas11 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen, waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk. Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren, met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee, waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander generiek en gebiedsgericht beleid.
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van 26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang, eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht? Waarom wel/niet?
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn. Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven. Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies. Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend jaar.
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen. Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen, het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie. Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven. Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers. Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering worden uitgewerkt.
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop? Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking? Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Beantwoording onder vraag 18.
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport «Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij»12 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers13. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel. Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten, zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen, extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat (stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de Ministeries IenW en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen, zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven) en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische en/of extensieve bedrijfsvoering?
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk, hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen.
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing? Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern- en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet leiden tot mogelijke significante effecten.
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket, specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen, blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
De afwezigheid van het habitattype grijze duinen in Natura 2000 gebied Westerschelde |
|
André Flach (SGP) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Integrale Effectenanalyse voor de locatiekeuze voor nieuwe kerncentrales (Kamerstuk 2026D31307), waarin wordt aangegeven: «In de verkenning zijn hoge depositiebijdragen berekend op nabijgelegen (zoekgebied voor) grijze duinen. Dit zoekgebied/ deze habitat die is opgenomen in Aerius blijkt echter niet aanwezig. Dit vraagt om aanpassing van Aerius.»?
Ja.
Deelt u de analyse dat het habitattype grijze duinen niet voorkomt in het betreffende Natura 2000-gebied?
In aanwijzingsbesluit van Westerschelde & Saeftinghe is het habitattype grijze duinen (kalkrijk) opgenomen met het doel «behoud oppervlakte en kwaliteit». Dit habitattype is aanwezig en beschermd in het betreffende N2000-gebied.
De opmerking in de Effectenanalyse gaat over de aanwezigheid op een specifieke locatie. Het is aan de voortouwnemer van het gebied om de habitatkartering actueel te houden. In dit geval is Rijkswaterstaat de voortouwnemer.
Bent u voornemens ervoor te zorgen dat Aerius hier zo snel mogelijk op wordt aangepast?
AERIUS bevat de habitatkaarten zoals deze worden aangeleverd door de voortouwnemers. Ieder jaar wordt AERIUS geactualiseerd, onder andere om de habitatkartering bij te werken naar de laatste versie. Over deze specifieke casus ben ik in gesprek met Rijkswaterstaat.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
De handhaving van het UBO-register bij verenigingen en stichtingen. |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Belastingdienst handhaaft op de inschrijving van Ultimate Beneficial Owners (UBO’s) in het UBO-register?
Klopt het dat er brieven vanuit de Belastingdienst worden verstuurd waarin aangegeven wordt dat er binnen een bepaalde termijn een inschrijving gedaan moet worden, omdat er anders boetes worden uitgedeeld?
Herkent u de signalen vanuit verenigingen en stichtingen over de grote gevolgen van handhavingsbrieven?
Hoe is bij deze brieven en in verdere communicatie rekening gehouden met de positie van verenigingen en stichtingen, waarbij vaak sprake is van heel veel vrijwilligers, waarvan een deel een hoge(re) leeftijd heeft bereikt, weinig kennis heeft van dit soort verplichtingen dan wel moeite heeft om aan dit soort verplichtingen te voldoen?
Kunt u toezeggen dat er voorlopig geen boetes worden uitgedeeld en dat de handhaving gepauzeerd wordt, ook niet als verenigingen en stichtingen hun UBO’s nog niet aangeleverd hebben?
Bent u bereid om, indien er in de toekomst overgegaan wordt tot het daadwerkelijk uitdelen van boetes, onderscheid te maken tussen goedwillenden en personen die doelbewust de wet overtreden? Is het kortom mogelijk om risicogericht te handhaven?
Erkent u dat dit soort verplichtingen, en het dreigen met hoge boetes, grote druk zet op het doen van vrijwilligerswerk en enorme gevolgen heeft voor verenigingen en stichtingen?
Hoe kunt u, in overleg met bijvoorbeeld overkoepelende organisaties, bijdragen aan het ondersteunen van verenigingen en stichtingen bij het aanleveren van hun UBO’s?
Het gebrek aan gegevens over het energie- en watergebruik van datacenters |
|
André Flach (SGP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat van veel datacenters in Nederland geen informatie beschikbaar is over het energie- en watergebruik1?
Hoe waardeert u de gebrekkige beschikbaarheid van genoemde gegevens, gelet op de geldende verplichtingen op basis van de Energie-Efficiëntierichtlijn en de Nederlandse implementatie daarvan via onder meer de Omgevingsregeling en op de netcongestie- en milieuproblematiek?
Is de constatering juist dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) slechts van 104 datacenters gegevens heeft ontvangen, terwijl in Nederland meer dan 180 datacenters aanwezig zijn die verplicht zijn om onder meer gegevens over energie- en watergebruik te verstrekken? Zo ja, kunt u hier een verklaring voor geven?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat alle meldingsplichtige datacenter hun gegevens met betrekking tot energie- en watergebruik gaan verstrekken?
Kunt u aangeven welk deel van de datacenters die genoemde gegevens verstrekt hebben de betreffende gegevens als bedrijfsvertrouwelijk heeft aangemerkt?
Is de veronderstelling juist dat bij milieu-informatie de overheid de afweging kan maken om het publieke belang van transparantie zwaarder te laten wegen dan het belang van de individuele bedrijven?
Hoe weegt u in het geval van datacenters, mede gelet op de grote impact van hun energie- en watergebruik op het energiesysteem en het lokale watersysteem, het publieke belang van transparantie ten opzichte van het belang van de individuele bedrijven?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er meer transparantie komt inzake het energie- en watergebruik van individuele datacenter?
De bijdrage van boomsingels aan reductie van de stikstofdepositie |
|
André Flach (SGP) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat boomsingels om veehouderijbedrijven en in bufferzones om stikstofgevoelige natuur een effectieve rol kunnen spelen bij het wegvangen van stikstofuitstoot en het verlagen van depositiebijdragen op nabijgelegen natuurgebieden1?
Deelt u de mening dat de aanplant van boomsingels naast andere maatregelen een relevante bijdrage kan leveren aan het verminderen van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats (bij stallen mogelijk meer dan 15 procent reductie)?
Is de veronderstelling juist dat boomsingels nu geen rol spelen bij het bepalen van de ammoniakuitstoot van individuele stallen?
In hoeverre wordt bij berekeningen van de regionale ammoniakuitstoot, -verspreiding en depositie rekening gehouden met de genoemde rol van boomsingels bij veehouderijbedrijven?
In hoeverre is opvolging gegeven aan het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om een impactanalyse uit te voeren naar de bijdrage van landschapselementen, als windsingels, aan de reductie van concentraties en deposities2? Zo niet, wordt dit alsnog opgepakt?
Is de constatering juist dat in Duitsland bedrijven ruimte hebben om middels fijnmazigere verspreidingsberekeningen ten opzichte van het standaardmodel te laten zien dat ze minder depositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden? Zo ja, ziet u mogelijkheden hiertoe voor Nederlandse bedrijven?
Heeft u kennisgenomen van de Britse tool voor het berekenen van de ammoniakreductie door boomsingels?
Ziet u mogelijkheden om ervoor te zorgen dat bij het bepalen van de ammoniakuitstoot van individuele bedrijven rekening gehouden kan worden met de aanwezigheid van een goed ontwikkelde boomsingel, bijvoorbeeld door gebruik van een tool vergelijkbaar met de hiervoor genoemde Britse tool?
Hebben provincies ruimte om de aanwezigheid van genoemde boomsingels te verdisconteren in hun emissie- en depositieberekeningen? Zo ja, hoe?
Op welke wijze wordt de aanleg van boomsingels om veehouderijbedrijven gestimuleerd, gelet op de bijdrage aan de reductie van de stikstofuitstoot en andere milieu en natuurvoordelen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de bijdrage van boomsingels aan het verminderen van de stikstofproblematiek op enigerlei wijze erkend gaat worden, zodat het loont om deze aan te planten, te versterken en te behouden?
De impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief |
|
Jan Struijs (50PLUS), André Flach (SGP), Maarten Goudzwaard (JA21), Pieter Grinwis (CU) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden, waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel, een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren. We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector. Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders, ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op 20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende maatregelen.
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke, maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni jl.3 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw? Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de zones?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht, waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof. Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake Lieftinghsbroek4, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt, en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen (lid 3), PAS-melders en interim-mers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden, en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig maar versterken zij elkaar juist.
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019 al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen. Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer. Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert) en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een «alternatieve invulling» voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik, borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief (geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura 2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan (een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte. Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten. De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte aanpak.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering. Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden. Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk, provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor 500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen, het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties, bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone van 1.000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen. Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: «Bredere inzet op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de Aanpak Veluwe.» Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van 500 meter naar 1.000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%) op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe, wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit. Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming van de zoneringsaanpak:
Omschrijving
Bron
Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering van drukfactoren in Natura 2000-gebieden
RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden
Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland
Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie Zuid-Holland
PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden
Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel
Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM & WUR
Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario met zone van 1km
WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek rond gewasbeschermingsmiddelen
Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek in Nederland
PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden
Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied.
Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit.
Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen te halen.
RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie- en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden, aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk gebied?
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en -depositie in/uit de zones is gebruik gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn.
1. Groenendijk, P. (2021). Kansen van de stikstofaanpak voor het doelbereik van de KRW voor nutriënten: Memo.
2. Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research.1
3. Van der Bolt, F., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2025). Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3461). Wageningen Environmental Research.2
4. Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
5. Deltares uit 2023: Effectiviteit van bufferzones voor grondwaterstandsverhoging in grondwaterafhankelijke natuurgebieden op de zandgronden
6. Cleassens et al. 2016. (RIVM) Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden
7. Ravensbergen et al. 2024. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – quickscan
8. Ravensbergen et al. 2025. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – verdiepende studie op quickscan
9. Van Driezum et al. 2025. (KWR) Bestrijdingsmiddelen in Nederlandse bronnen voor drinkwater (2018–2022)
10. Gies et al. 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied
11. Ercan et al. 2025. Landbouw in klimaatrobuuste beeklandschappen
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen, onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang, waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd. In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp10.
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid) ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas11 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen, waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk. Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren, met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee, waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander generiek en gebiedsgericht beleid.
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van 26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang, eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht? Waarom wel/niet?
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn. Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven. Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies. Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend jaar.
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen. Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen, het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie. Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven. Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers. Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering worden uitgewerkt.
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop? Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking? Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Beantwoording onder vraag 18.
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport «Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij»12 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers13. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel. Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten, zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen, extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat (stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de Ministeries IenW en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen, zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven) en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische en/of extensieve bedrijfsvoering?
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk, hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen.
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing? Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern- en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet leiden tot mogelijke significante effecten.
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket, specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen, blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
De positie van alleenverdieners met een uitkering bij het extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) |
|
André Flach (SGP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2023 over de uitleg van het begrip arbeidsinkomen voor de toepassing van de AKW+1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2025 over de toepassing van de inkomenseis bij paren waarvan één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is?2
Ja, ik ben bekend met beide uitspraken van de Centrale Raad voor Beroep (hierna: CRvB) over de AKW+.
Wat vindt u van het feit dat ouders als gevolg van de uitspraak uit 2023 onverwacht geconfronteerd werden met het wegvallen van een aanzienlijk bedrag aan extra kinderbijslag?
De uitspraak van de CRvB in 2023 leidde tot een andere uitvoering van de AKW+. Voor een groep ouders heeft de uitspraak een gunstig effect gehad en voor een deel van de ouders heeft de uitspraak een negatief effect gehad. Als gevolg van de uitspraak waren er ouders die recht kregen op het extra bedrag, dat één keer per jaar wordt betaald, of dit recht eventueel verloren. Door de uitspraak werd de wet op de juiste manier toegepast waardoor duidelijkheid gegeven kon worden aan ouders over de toepassing van de inkomenseis.
Hoe beoordeelt u de inconsistentie dat partners met een uitkering als gevolg van de uitspraak uit 2023 in beginsel geen recht meer hebben op AKW+, terwijl alleenstaande ouders met een uitkering dat recht behouden, en dat de Centrale Raad van Beroep voor bepaalde IVA-gevallen inmiddels een uitzondering noodzakelijk heeft geacht? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Er zijn verschillende groepen ouders voor wie de uitspraak uit 2023 gevolgen had. Alleenverdieners met een periodieke uitkering zoals een WIA-uitkering, WW-uitkering of Wajong-uitkering hadden vanwege de uitleg van het begrip «arbeidsinkomen» door de CRvB vóór de uitspraak wel recht en na de uitspraak geen recht meer op de AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders tegemoet te komen die voor hun kind met intensieve zorgbehoefte zorgen en daardoor niet beiden kunnen werken. Hierdoor lopen zij de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK) mis. De IACK is bedoeld om ouders met jonge kinderen te stimuleren te blijven werken, en arbeid en zorg te combineren. De AKW+ compenseert het verlies van dit bedrag wanneer deze groep ouders voldoen aan de inkomenseis (inkomen uit tegenwoordige arbeid). Voor alleenstaande ouders geldt deze inkomenseis niet. De gedachte hierbij is dat een alleenstaande ouder die zorgt voor een kind met intensieve zorgbehoefte, dat mag doen met een uitkering omdat de zorg niet gedeeld kan worden met een partner. Als gevolg van de uitspraak van de CRvB uit 2025 wordt een uitzondering gemaakt voor partners waarbij één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; dan geldt de inkomenseis niet.
Wat was de exacte uitvoeringspraktijk tot aan de genoemde rechterlijke uitspraken ten aanzien van uitkering van AKW+ aan alleenverdieners met een bijstands-, WIA-, WW- of Wajong-uitkering? Welke wijzigingen in de uitvoeringspraktijk hebben plaatsgevonden naar aanleiding van genoemde uitspraken, en per wanneer zijn deze ingegaan? Aan welke ouders keert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de AKW+ momenteel wel uit en aan welke niet?
Tot aan de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 interpreteerde de SVB de inkomenseis zo dat slechts het inkomen van één van beide partners meetelde. Dit gold wanneer het inkomen van één van beide partners in het alleenverdienershuishouden niet hoger was dan het bedrag dat wordt genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (in het peiljaar 2023 was dat bedrag € 5.547,00). De SVB keek dus niet naar het inkomen van beide partners. Als inkomen telde de SVB mee:
Tot en met 30 november 2023, de sluitingsdatum voor aanvragen over het peiljaar 2022, beoordeelde de SVB of werd voldaan aan de inkomenseis op de manier zoals zij dat sinds 2015 had gedaan. Door de uitspraak van 28 juni 2023 was de SVB verplicht de inkomenseis op een andere manier te beoordelen. De nieuwe beoordeling heeft de SVB toegepast vanaf het peiljaar 2023. Dat betekent dat ook ouders die na de datum van de uitspraak AKW+ voor het peiljaar 2022 aanvroegen, nog werden beoordeeld aan de hand van de sinds 2015 gehanteerde werkwijze. Op deze wijze zijn ouders die bijvoorbeeld in januari 2023 een aanvraag voor AKW+ hebben ingediend voor het peiljaar 2022 gelijk behandeld met ouders die na de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 voor ditzelfde jaar AKW+ hebben aangevraagd. Op grond van de uitspraak van 28 juni 2023 is vanaf het peiljaar 2023 het inkomen van beide partners relevant. Eén van de partners moet een arbeidsinkomen hebben boven het grensbedrag en de andere partner heeft geen arbeidsinkomen of een arbeidsinkomen van ten hoogste het grensbedrag. Periodieke uitkeringen vormen inkomen uit vroegere arbeid en vallen daardoor niet langer onder het inkomensbegrip van artikel 7a AKW. Onder inkomen wordt verstaan:
Onderstaand is schematisch in beeld gebracht wat de uitspraak uit 2023 van de CRvB heeft betekend voor de doelgroepen van de AKW+. Volledigheidshalve wordt hierbij benadrukt dat de uitspraak geen betrekking heeft op alleenstaande ouders, maar alleen op situaties waarbij sprake is van een fiscaal partner.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen (tot ten hoogste het grensbedrag).
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van één partner is boven grensbedrag, andere partner heeft geen inkomen.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft een uitkering (inkomen uit vroegere dienstbetrekking).
Geen recht op AKW+. Een uitkering is relevant inkomen, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van de ene partner is boven het grensbedrag, de andere partner heeft geen arbeidsinkomen.
Eén partner ontvangt een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW). De andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Een socialezekerheidsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Eén partner is met pensioen en ontvangt AOW plus aanvullend pensioen. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Pensioen en AOW is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Geen van de partners ontvangt inkomen; ze leven van (inkomsten uit) vermogen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Inkomen uit vermogen is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een volledige bijstandsuitkering.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is relevant inkomen. Omdat het inkomen (gesplitst over beide partners) van beiden te hoog is, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW/ZW) boven het grensbedrag of een combinatie van uitkeringen.
Geen recht op AKW+. Niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een uitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
De uitspraak van de CRvB van 18 april 2025 heeft tot gevolg gehad dat de inkomenseis niet toegepast mag worden als ten minste één van de ouders van een alleenverdienershuishouden volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
De SVB acht een persoon volledig en duurzaam arbeidsongeschikt indien deze:
De uitkeringen waarbij sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zijn limitatief. WGA 80–100% valt bijvoorbeeld buiten de reikwijdte van de uitspraak. Als een aanvrager deze uitkering krijgt, is geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Alleenverdienende ouders die arbeidsongeschikt zijn, hebben mogelijk vanwege de uitspraak van 2023 geen aanvraag ingediend of hebben een afwijzing ontvangen omdat ze niet aan de inkomenseis voldeden. De SVB heeft daarom alle alleenverdieners in september 2025 aangeschreven om hen in de gelegenheid te stellen om alsnog of nogmaals een aanvraag in te dienen, wanneer zij onder de reikwijdte van de uitspraak van 18 april 2025 vallen.
Wat was de betrokkenheid van het ministerie bij de wijzigingen in de uitvoeringspraktijk, en wie heeft hieraan goedkeuring verleend?
Naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB van 2023 en 2025 zijn door het ministerie samen met de SVB de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk, alsmede de juridische en financiële consequenties, in kaart gebracht. Uw Kamer is over de gevolgen van de uitspraak geïnformeerd in de Stand van de uitvoering van 7 april 2026.3 De toenemende complexiteit voor ouders en de uitvoering onderschrijft de noodzaak om opnieuw te kijken naar de regeling, nu de IACK wordt afgeschaft, en dit goed te analyseren in het kader van de nieuwe kindregeling.
Klopt het dat de gevolgen van de uitspraak uit 2025 in de uitvoering vooralsnog worden beperkt tot situaties waarin sprake is van een IVA-uitkering en dat SVB op haar website3 aangeeft dat IVA-uitkeringsgerechtigden recht hebben op AKW+ en dat dat niet geldt voor WGA-uitkeringsgerechtigden? Zo ja, kunt u uitleggen waarom hiervoor is gekozen?
De SVB beperkt de gevolgen van de uitspraak van 18 april 2025 niet tot slechts uitkeringsgerechtigden met een IVA-uitkering. In het antwoord op vraag 4 is kenbaar gemaakt welke groepen uitkeringsgerechtigden onder de reikwijdte van de uitspraak vallen. De CRvB heeft in de uitspraak kenbaar gemaakt dat het gaat om mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn en waarvoor niet wordt ingezet op re-integratie. Als gevolg van de uitspraak rekent de SVB arbeidsongeschikten met een WGA-uitkering niet tot de doelgroep die valt onder de reikwijdte van de uitspraak. Ten aanzien van WGA-gerechtigden in de categorie 80%–100% staat de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid namelijk nog niet vast. Op grond van artikel 29 en 30 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) bestaan voor WGA-gerechtigden verschillende re-integratieverplichtingen die de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid vergroten. Deze verplichtingen gelden niet voor IVA-gerechtigden vanwege het duurzame (en volledige) karakter van de arbeidsongeschiktheid. Dat maakt ook dat arbeidsparticipatie voor deze groep geen doel is en daarmee zou volgens de CRvB de compensatie van de AKW+ niet achterwege moeten blijven. De SVB heeft hiermee feitelijk uitvoering gegeven aan de uitspraak.
Acht u een onderscheid tussen IVA- en WGA-gerechtigden gerechtvaardigd indien de feitelijke gezins- en zorgsituatie vergelijkbaar is? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
De termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn bepalend voor de reikwijdte van de uitspraak van de CRvB van 2025. Voor de groep WGA-gerechtigden (80–100%) geldt dat de arbeidsongeschiktheid niet per definitie duurzaam is en daarmee niet binnen de reikwijdte van de uitspraak valt. Daarnaast geldt voor deze groep een re-integratieverplichting zoals uiteengezet onder het antwoord op vraag 6. De arbeidsparticipatie is bij deze groep dus nog wel een doel. Bij een IVA-gerechtigde wordt niet ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt. De feitelijke gezins- en zorgsituatie is geen onderdeel van het juridisch kader.
Onderschrijft u dat de Centrale Raad van Beroep zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de feitelijke gezins- en zorgsituatie en niet uitsluitend op de omstandigheid dat betrokkene een IVA-uitkering ontving? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft getoetst binnen de wettelijke kaders van de AKW+ in combinatie met gelijke behandelingswetgeving en geoordeeld dat huishoudens met een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouder vergelijkbaar zijn met eenoudergezinnen die wel recht hebben op AKW+ waarbij de inkomenseis niet wordt gesteld. In beide gevallen is immers sprake van één partner die vanwege de intensieve zorg voor het kind geen arbeidsinkomen ontvangt en die de zorg niet of slechts in geringe mate met een partner kan delen. Volgens de CRvB valt niet in te zien dat een huishouden waarin voor de ene partner blijkens de ontvangst van een IVA-uitkering niet meer wordt ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt, en de andere partner de zorg voor het kind draagt, en dus voor beide ouders bevordering van de arbeidsmarktparticipatie niet aan de orde is, de compensatie van de AKW+ achterwege zou moeten blijven. Het oordeel van de CRvB is dus gebaseerd op de gelijke behandeling van de kenmerken van de IVA-gerechtigde in combinatie met het toepassen van de inkomenseis in de AKW+.
Deelt u het standpunt dat op basis van deze uitspraak niet de conclusie kan worden getrokken dat uitsluitend IVA-uitkeringsgerechtigden aanspraak moeten kunnen maken op AKW+? Zo ja, bent u bereid de uitvoeringspraktijk hierop aan te passen?
Voor de reikwijdte van de uitspraak zijn de termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en inzet op re-integratie op de arbeidsmarkt bepalend. Zoals in het antwoord op vraag 4 is uiteengezet, is de reikwijdte breder dan IVA-uitkeringsgerechtigden. De uitvoeringspraktijk is hierop aangepast. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen.
Deelt u de mening dat ouders die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de zorg voor een kind met een intensieve zorgvraag grotendeels zelf op zich te nemen, daarvoor niet financieel benadeeld zouden moeten worden? En hoe beoordeelt u het feit dat gezinnen die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de intensieve zorg zelf te organiseren hierdoor juist financieel worden benadeeld?
Ouders met een zorgintensief kind kunnen allereerst aanspraak maken op een verdubbeling van het kinderbijslagbedrag: de dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (DKIZ). Dit is ook één van de voorwaarden om aanspraak te maken op AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders te compenseren voor het mislopen van de IACK.5 Er wordt gekeken naar het arbeidsinkomen, omdat dit ook een voorwaarde is om IACK te ontvangen. Inmiddels is besloten dat de IACK gefaseerd wordt afgeschaft vanaf 2027.6 7 8 De recente uitspraken van de CRvB hebben mede geleid tot een toename van de complexiteit in de uitvoering van de regeling en zorgen voor meer handmatig werk, klantcontact, bezwaar- en beroepszaken. De toegenomen complexiteit in de uitvoering en de stapsgewijze afbouw naar nul van de IACK zijn aanleiding om opnieuw te kijken naar de regeling. Naast dat het doel van de AKW+ door de afbouw van de IACK wegvalt, loopt de invulling van de AKW+ uiteen met de werking van de IACK. Via een amendement is de groep alleenstaanden toegevoegd aan de doelgroep van de AKW+, terwijl deze groep wel recht heeft op een IACK en compensatie dus niet aan de orde was. De voorwaarden voor alleenstaanden en voor alleenverdieners zijn niet hetzelfde doordat voor alleenstaanden geen inkomenseis geldt en voor alleenverdieners wel. Het resultaat is dat bijvoorbeeld een alleenstaande ouder met een hoog inkomen wél recht heeft op AKW+, maar twee partners in de bijstand niet. Dit leidt tot vragen en onbegrip bij burgers en is moeilijk uit te leggen. Daarnaast bestaat het recht op IACK totdat het jongste kind 12 jaar wordt. De AKW+ loopt door tot 18 jaar.
Deelt u de opvatting dat het voor de draagkracht van een gezin weinig verschil maakt of het inkomen afkomstig is uit arbeid of uit een socialezekerheidsuitkering, wanneer dat inkomen het gezinsinkomen vormt en de andere ouder vanwege de intensieve zorg voor een kind geen betaalde arbeid verricht?
Of het gezinsinkomen afkomstig is uit arbeid of een uitkering maakt voor de feitelijke draagkracht nauwelijks verschil, wanneer dat het enige gezinsinkomen vormt. Echter, de AKW+ maakt dat onderscheid wel, omdat er wordt gekeken naar de aard van het inkomen zoals opgenomen in artikel 7a AKW en niet naar de feitelijke draagkracht.
De AKW+ is een instrument om het besteedbaar inkomen van de betreffende huishoudens tot op zekere hoogte te compenseren voor het verlies van de IACK. De overkoepelende gedachte achter de doelstellingen van de AKW+ is dat de wetgever op de algemene beleidsdoelstelling van bevordering van de arbeidsmarktparticipatie een uitzondering heeft willen maken voor een ouder die ervoor kiest zelf voor zijn of haar zorgintensieve kind te zorgen in plaats van inkomensvormende arbeid te verrichten.
Erkent u dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2025 laat zien dat de arbeidsinkomenseis in bepaalde gevallen op gespannen voet kan komen te staan met het doel van de regeling om gezinnen met een zorgintensief kind te ondersteunen? Welke conclusies verbindt u daaraan?
De regeling is mede door de recente uitspraken complex geworden voor ouders en de uitvoering. De AKW+ is één van de regelingen waarmee binnen het huidige stelsel van de kindregelingen ouders worden ondersteund in bijzondere omstandigheden. Deze gerichte ondersteuning kan tegelijkertijd leiden tot meer complexiteit. Bij de verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling wil ik daarom onderzoeken of en hoe deze doelgroepen op een eenvoudigere manier ondersteund kunnen worden.9
Deelt u de mening dat de regeling ten aanzien van AKW+ primair zou moeten aansluiten bij de zorgbehoefte van het kind en de feitelijke draagkracht van het gezin? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te bezien of de wetgeving op dit punt aanpassing behoeft?
Om te bepalen of en hoe de ondersteuning van deze groep in de toekomst vormgegeven moet worden, wil ik de AKW+ meenemen in onderzoek binnen de uitwerking van een nieuwe kindregeling waar op dit moment aan wordt gewerkt. De beschreven complexiteit en het afschaffen van de IACK zijn belangrijke elementen voor deze herijking.
Kunt u per categorie aangeven hoeveel huishoudens als gevolg van genoemde uitspraken4 het recht op AKW+ verloren,5 voor een aanvraag zijn afgewezen of6 alsnog AKW+ kregen toegekend? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen alleenverdieners en overige huishoudens?
Het recht op AKW+ van alleenverdieners wordt beoordeeld aan de hand van de inkomenseis uit artikel 7a van de AKW. De overige huishoudens zijn de alleenstaande ouders. De inkomenseis wordt niet gesteld aan de alleenstaande ouders. De reden daarvan is dat deze ouders geen zorg kunnen delen. De uitspraken hebben dan ook geen gevolgen voor alleenstaande ouders.
De uitspraak van 28 juni 2023 heeft geleid tot zowel een uitbreiding als een beperking van de doelgroep van de AKW+ (zie ook de tabel onder vraag13. Er zijn op basis van deze uitspraak geen bestaande rechten op AKW+ herzien of anders beoordeeld in het nadeel van de burger. Bestaande rechten over het peiljaar 2022 zijn in stand gebleven en aanvragen over het peiljaar 2022 na de uitspraak zijn beoordeeld tegen het tot dan toe geldende toetsingskader. Het kan wel dat ouders voor de uitspraak nog wel recht hadden op AKW+, maar na de uitspraak niet meer. Die wijziging ging in met ingang van het peiljaar 2023.
De jaarsystematiek van de AKW+ brengt met zich mee dat ieder jaar opnieuw aan de voorwaarden moet worden voldaan. Er kan ook een andere reden zijn dan die uit de uitspraak voortvloeit waarom de AKW+ over het specifieke peiljaar niet aan de alleenverdiener wordt toegekend. Op basis van de gegevens van de SVB kan niet worden vastgesteld hoeveel ouders op grond van deze uitspraak geen recht meer hebben op, of juist wel recht hebben gekregen op het extra bedrag aan kinderbijslag.
De SVB heeft geen zicht op het soort inkomen van de AKW+ aanvragers. De SVB vraagt die informatie niet uit bij de aanvrager en krijgt ook geen inkomenssoorten geleverd van de Belastingdienst bij de inkomenscontrole omdat deze informatie niet van belang is voor de uitvoering van deze regeling. De uitspraak van 18 april 2025 heeft geleid tot een uitbreiding van de kring van gerechtigden. Er zijn dus geen mensen die op basis van deze uitspraak het recht op AKW+ zijn kwijtgeraakt. Het totaal aantal toekenningen AKW+ over 2024 was ongeveer 18.000. Ongeveer 12.000 daarvan betreft alleenstaanden. Voor het overige (ongeveer 6.000) betreft het aanvragers met fiscaal partner (alleenverdieners). Bij ongeveer 1.600 daarvan is sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (bij aanvrager zelf of bij de partner).
In onderstaande tabel zijn de totale aantallen toekenningen AKW+ opgenomen. Dit geeft een algemeen beeld van de ontwikkeling van het aantal AKW+-gerechtigden. Deze ontwikkeling is afhankelijk van meerdere factoren. De uitspraak is hier slechts één van.
2017
5.054
2.903
7.957
2018
5.478
2.911
8.389
2019
6.465
3.120
9.585
2020
7.210
3.237
10.447
2021
7.313
3.064
10.377
2022
8.024
3.057
11.081
2023
9.603
4.301
13.904
2024
11.907
6.115
18.022
2025
14.128
7.249
21.377
Bron: SVB, peildatum 23 juli 2026.
Wat zijn de verwachte budgettaire effecten van eventuele uitbreiding van de doelgroep van AKW+ naar andere uitkeringsgerechtigden, uitgesplitst naar WIA, WW, Wajong en Participatiewet?
Het huidige doel van de AKW+ is verbonden aan de IACK. Vanwege de afschaffing van de IACK en het onderzoek naar de AKW+ in het kader van de nieuwe kindregeling zie ik geen aanleiding om de doelgroep van de AKW+ verder te verbreden. Bovendien zou dat leiden tot nog meer complexiteit in de uitvoering, omdat uitkeringsgebruik bij een bredere groep vastgesteld dient te worden.
Ik interpreteer deze vraag zo dat het gaat om een verbreding van de huidige doelgroep van de AKW+ die nu bestaat uit alleenstaande ouders, eenverdienersgezinnen en volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouders (in alle gevallen met een zorgintensief kind). Voor een berekening van budgettaire gevolgen wordt daarbij uitgegaan van een verbreding van de doelgroep met uitkeringsgerechtigden die niet per definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (WGA, WW, Wajong en Participatiewet).
Een eerste grove inschatting is dat de meerkosten van een uitbreiding van de doelgroep naar WGA, WW, Wajong en Participatiewet naar verwachting maximaal circa € 10 miljoen per jaar bedragen. Deze raming is zeer onzeker, omdat voor een aantal relevante criteria, zoals het hebben van een fiscale partner, het hebben van kinderen in de leeftijd tot 18 jaar en de hoogte van het arbeidsinkomen, momenteel geen openbare gegevens beschikbaar zijn.
De raming is gebaseerd op maximaal circa 3.700 extra huishoudens die recht zouden krijgen op de AKW+, ter hoogte van € 2.713 per jaar. Hierbij is de huidige omvang van de groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikten die recht heeft op AKW+ (circa 1.000 gevallen) geschaald met een geschatte potentiële doelgroep onder WGA, WW, Wajong en Participatiewet.
Klopt het dat naar aanleiding van deze uitspraken een verkenning plaatsvindt naar de gevolgen voor de uitvoering en de doelgroep van de regeling en dat die verkenning al geruime tijd loopt? Wat is de stand van zaken van deze verkenning en bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn te informeren, met als doel duidelijkheid te bieden aan deze ouders?
Een verkenning naar mogelijke vereenvoudigingsopties van deze regeling is op ambtelijk niveau gestart. Hierbij opgedane inzichten worden meegenomen in het brede onderzoek naar de ondersteuning van specifieke doelgroepen. Dit onderzoek is onderdeel van de vormgeving van de nieuwe kindregeling. Het instrument van de AKW+ wordt in het onderzoek ook meegenomen. De vormgeving van de nieuwe regeling vraagt om een weloverwogen politieke afweging. Ik verwacht in de eerste helft van 2027 uw Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten van het genoemde onderzoek en de volgende stappen in de uitwerking van de nieuwe kindregeling.
Nu de Centrale Raad van Beroep in zijn beoordeling uitdrukkelijk betekenis heeft toegekend aan de feitelijke gezins- en zorgsituatie, bent u bereid expliciet te onderzoeken of ook andere alleenverdienersgezinnen, waaronder alleenverdieners met een WGA-uitkering, in een vergelijkbare feitelijke positie ten onrechte van AKW+ zijn uitgesloten? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft expliciet gemaakt dat de uitspraak van 2025 geldt voor volledig en duurzame arbeidsongeschikten. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen. In het onderzoek in het kader van de nieuwe kindregeling zal nader ingegaan worden op deze specifieke groepen.
Wordt in de lopende verkenning expliciet onderzocht of de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ook gevolgen heeft voor andere uitkeringsgerechtigden die zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ wordt meegenomen in een onderzoek binnen de verkenning naar de nieuwe kindregeling. Daarbij wordt ook meegenomen dat de IACK wordt afgebouwd, waardoor het doel van de AKW+, het compenseren van het mislopen van deze korting, wegvalt.
Bent u bereid daarbij ook in te gaan op de gevolgen voor de rechtsgelijkheid tussen verschillende groepen alleenverdieners en de mogelijke noodzaak van aanpassing van wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ is een complexe regeling voor ouders én uitvoering. Bij de verkenning naar de nieuwe kindregeling wordt de AKW+ meegenomen en worden de gevolgen voor de verschillende groepen in kaart gebracht in het licht van bovengenoemde uitspraken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Conform uw verzoek heb ik uw vragen afzonderlijk beantwoord.
De afwezigheid van het habitattype grijze duinen in Natura 2000 gebied Westerschelde |
|
André Flach (SGP) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Integrale Effectenanalyse voor de locatiekeuze voor nieuwe kerncentrales (Kamerstuk 2026D31307), waarin wordt aangegeven: «In de verkenning zijn hoge depositiebijdragen berekend op nabijgelegen (zoekgebied voor) grijze duinen. Dit zoekgebied/ deze habitat die is opgenomen in Aerius blijkt echter niet aanwezig. Dit vraagt om aanpassing van Aerius.»?
Ja.
Deelt u de analyse dat het habitattype grijze duinen niet voorkomt in het betreffende Natura 2000-gebied?
In aanwijzingsbesluit van Westerschelde & Saeftinghe is het habitattype grijze duinen (kalkrijk) opgenomen met het doel «behoud oppervlakte en kwaliteit». Dit habitattype is aanwezig en beschermd in het betreffende N2000-gebied.
De opmerking in de Effectenanalyse gaat over de aanwezigheid op een specifieke locatie. Het is aan de voortouwnemer van het gebied om de habitatkartering actueel te houden. In dit geval is Rijkswaterstaat de voortouwnemer.
Bent u voornemens ervoor te zorgen dat Aerius hier zo snel mogelijk op wordt aangepast?
AERIUS bevat de habitatkaarten zoals deze worden aangeleverd door de voortouwnemers. Ieder jaar wordt AERIUS geactualiseerd, onder andere om de habitatkartering bij te werken naar de laatste versie. Over deze specifieke casus ben ik in gesprek met Rijkswaterstaat.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
André Flach (SGP), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Enneüs Heerma (CDA), van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Ja
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
De keuze tussen bezwaar en beroep is niet aan het bestuursorgaan of de verzoeker, maar volgt dwingend uit de wet. Tegen een beslissing op bezwaar staat volgens de Algemene wet bestuursrecht alleen beroep bij de rechtbank open. Bij Woo/2023/066 was op 17 februari 2026 al een beslissing op bezwaar genomen in de door de verzoeker gestarte bezwaarprocedure. Er kan dan geen sprake zijn van een nieuwe bezwaarfase. Er is voor betrokkenen voor dit Woo-verzoek geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar geboden, omdat deze mogelijkheid juridisch niet meer bestaat, als al een bezwaarfase open heeft gestaan.
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
In het primaire besluit van 24 maart 2025 is besloten het verzoek af te wijzen.2 Op 17 februari 2026 is in de beslissing op bezwaar besloten de gevraagde informatie over de jaren 1989 tot en met 2022 openbaar te maken.3 Deze wijziging ingegeven door het bezwaar op het primaire besluit en de bezwaargronden die daarbij zijn aangevoerd. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik u naar de betreffende besluiten.
Dit betekent niet dat de gegevens meteen openbaar zullen worden gemaakt. Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Helaas is de verwijzing van de belanghebbenden bij het Woo-verzoek naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Naar aanleiding van deze fout zijn interne processen aangescherpt.
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bezwaar (d.w.z. heroverweging door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen) en beroep (rechtmatigheidstoetsing door een onafhankelijk rechter) verschillen op wezenlijke punten van elkaar. Bezwaar is laagdrempeliger, minder formeel en minder kostbaar dan beroep. Als op een bezwaar is beslist, zoals hier, dan staat alleen de weg naar de rechter nog open door middel van beroep. Hiermee is gewaarborgd dat de overheid eerst de kans krijgt zelfstandig een besluit te heroverwegen, voordat de onafhankelijke rechter de uiteindelijke rechtmatigheid toetst wanneer partijen er samen echt niet uitkomen.
Het maken van bezwaar is doorgaans kosteloos, terwijl voor beroep griffierecht verschuldigd is. Daarnaast liggen de proceskosten bij beroep doorgaans hoger, omdat de procedure complexer is en partijen zich vaker laten bijstaan door een advocaat of andere (rechts)bijstandsverlener.
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: Een verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar.
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Ik snap dat er verwarring kan zijn ontstaan doordat helaas in de brief werd gesproken over het instellen van «bezwaar» waar dat «beroep» had moeten zijn. Met de herstelactie is zo veel als mogelijk ingezet om deze verwarring weg te nemen. Alle bezwaarmakers zijn per brief geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie is daarom ook de ruimte om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank geboden om daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en kosten maakt.
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die opvatting niet. De termijn van zeven dagen is geboden aan betrokkenen zodat zij kunnen afwegen of zij hun bezwaar wel of niet willen laten doorzenden aan de rechtbank. De termijn van zeven dagen was daarmee geen voorbereidingstermijn voor een gerechtelijke procedure. Met de termijn van zeven dagen wordt tegemoetgekomen aan de verplichting uit artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht om zo spoedig mogelijk voor doorzending te zorgen. Na het doorzenden aan de rechtbank zal de rechtbank een factuur voor het griffierecht toezenden en – na betaling van het griffierecht – het als beroep in behandeling nemen. Er is dan nog voldoende voorbereidingstijd.
Daarnaast verwijs ik ook naar de beantwoording van vraag 2. Zolang er procedures rond voorlopige voorzieningen lopen worden van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar gemaakt.
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (7) hierboven.
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5) en (6). Uw vraag veronderstelt een keuzemogelijkheid die er (juridisch/bestuursrechtelijk) niet is.
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
De belanghebbenden die geïnformeerd zijn met de door RVO verzonden brief, waarin zij onjuist verwezen werden naar bezwaar, zijn opnieuw geïnformeerd als zij in navolging van die brief bezwaar hebben ingediend. Hiermee voorkomen we dat een veel grotere groep nogmaals wordt geconfronteerd met een brief over het Woo-verzoek, terwijl zij in eerste instantie geen rechtsmiddel hebben ingesteld.
Op grond van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht was de RVO verplicht om zo spoedig mogelijk de ontvangen bezwaarschriften, die beroepschriften hadden moeten zijn, door te zenden naar de rechtbank (de doorzendplicht). Betrokkenen is de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen aan te geven geen prijs te stellen op deze doorzending, de wet vereist dit niet. Hiermee is er nu een laagdrempeliger manier gevonden om tegemoet te komen aan de wensen van de betrokkenen. Ik wijs er verder graag op dat indien betrokkene nadien alsnog geen prijs stelde op het instellen van beroep bij de bestuursrechter, deze procedure kon worden beëindigd door het niet betalen van de griffierechten.
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5), (6), (7), (9) en (10).
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (4).
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Een betrouwbare en menselijke overheid toont zich door open te zijn over wat goed ging en wat niet. Het openstaande rechtsmiddel is in de beslissing op bezwaar juist opgenomen, maar in de kennisgevende brief aan betrokkenen hierover niet. Dat had niet mogen gebeuren. We geven daarom inzicht in de stappen die zijn gezet, leggen uit wat is misgegaan, en schetsen de vervolgstappen. Zo bieden we perspectief én laten we zien dat transparantie meer is dan woorden.
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
In het bestuursrecht is het een algemeen uitgangspunt dat besluiten onmiddellijk uitvoerbaar zijn (artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht). Het idee hierachter is dat het openbaar bestuur niet telkens kan worden vertraagd door elk bezwaarschrift. Het uitgangspunt draagt bij aan doelmatigheid van bestuur en rechtszekerheid. De Woo kent wel een vorm van uitgestelde openbaarmaking. Artikel 4.4 lid 5 van de Woo bepaalt dat als een bestuursorgaan besluit informatie openbaar te maken waartegen een belanghebbende naar verwachting bedenkingen heeft, de feitelijke openbaarmaking van de informatie pas mag plaatsvinden twee weken nadat het besluit is bekendgemaakt.
Deze mogelijkheid tot «uitgestelde openbaarmaking» bestaat om belanghebbenden de tijd te geven om een voorlopige voorziening (vovo) aan te vragen bij de rechter. Wordt de vovo-aanvraag binnen die twee weken ingediend, dan dient de feitelijke openbaarmaking in de praktijk te worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter over het verzoek heeft beslist of het verzoek is ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat de informatie al openbaar is gemaakt voordat een rechter de betrokken belangen heeft kunnen afwegen.
De huidige wetgeving biedt geen ruimte voor automatische opschorting gedurende de héle bezwaartermijn (van zes weken). Een kerndoel van de Woo is om informatie zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor de samenleving. Automatische opschorting in het geval van bezwaar zou betekenen dat elke derde een publicatie gedurende de volledige bezwaarprocedure – die inclusief beslistermijn en mogelijke verlenging al snel meerdere maanden kan beslaan – zou kunnen vertragen door enkel een bezwaarschrift in te dienen. Door een gang naar de rechter te eisen via de voorlopige voorziening, voorziet de wet in een rechterlijke toets om alleen bij een werkelijk spoedeisend en gewichtig belang de openbaarmaking langer dan twee weken op te schorten.
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Een voorzieningenrechter kan bij spoedeisend en gewichtig belang besluiten de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Op basis van de naar voren gebrachte belangen kan een voorzieningenrechter besluiten de gevraagde voorlopige voorziening – het opschorten van de openbaarmaking van de gegevens voor de duur van de hoofdzaak, zoals beroep – toe te wijzen. Hierbij is relevant dat openbaarmaking van gegevens onomkeerbaar is, gezien ook de publicatie op het internet.
Een voorzieningenrechter kan echter ook tot de conclusie komen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook onmiddellijk uitspraak doen in het beroep (artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht). Bijvoorbeeld omdat de opgevraagde informatie emissiegegevens zijn en op deze emissiegegevens op grond van artikel 5.1 lid 7 Woo geen uitzonderingsgronden mogen worden toegepast.4
Of een voorlopige voorziening wordt toegewezen hangt daarmee af van de omstandigheden van het geval. Een algemene uitspraak dat voorlopige voorzieningen in Woo-zaken vrijwel altijd worden toegekend of vrijwel altijd worden afgewezen, kan dan ook niet worden gedaan. Systematische cijfers over de uitkomsten van dit soort procedures zijn niet beschikbaar.5
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Dit jaar wordt de wetsevaluatie van de Woo uitgevoerd. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. Eén van de onderdelen die daarin wordt meegenomen is het automatisch opschorten van openbaarmaking als er bezwaar is ingediend (motie-Van der Plas Kamerstuk 32 802, nr. 114).
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het onderzoek naar sociale veiligheid wordt uitgevoerd via het WODC, het kennisinstituut voor de rechtsstaat. Het onderzoek richt zich op de achtergrond en de aard en omvang van door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie en het daaruit voortvloeiende gevoel van onveiligheid. De resultaten verwacht ik begin 2028.
Het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar 2026–2027 gaan sluiten?
Voor kleine scholen die drie aaneengesloten jaren een leerlingenaantal hebben dat onder de gemeentelijke opheffingsnorm zit en die geen beroep kunnen doen op een van de uitzonderingsgronden, stopt de bekostiging. De meeste van deze scholen moeten dan fuseren of sluiten. Er zijn ook schoolbesturen die kleine scholen uit eigen beweging fuseren of sluiten. Bijvoorbeeld omdat de kwaliteit van het onderwijs op deze scholen onder druk staat, of omdat de scholen kampen met personeelstekorten.
Het totaal aantal scholen dat per schooljaar 2026–2027 gaat sluiten, is pas na het einde van het schooljaar 2025–2026 bekend. Ieder jaar peilt DUO op 1 oktober hoeveel scholen er het afgelopen schooljaar gesloten zijn. In december wordt het overzicht openbaar gemaakt. In de overzichten is te zien dat in de afgelopen vijf jaar telkens tussen de 45 en 65 basisscholen per schooljaar gesloten zijn.2
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan worden?
Ik deel de constatering dat de aanwezigheid van een school in de omgeving van belang is voor de leefbaarheid van de lokale gemeenschap. Het sturen op een bereikbaar scholenaanbod is dan ook een van de uitgangspunten van de voorgenomen stelselherziening in het primair onderwijs. Hierover is uw Kamer vorig jaar zomer voor het laatst per brief geïnformeerd en hierover zal ik uw Kamer deze zomer nader over informeren.
Dit kabinet wil het stelsel herzien omdat het grote aantal te kleine scholen extra druk legt op de tekorten in onderwijspersoneel en onderwijshuisvesting, zeker in de stedelijke context. Één doel van de stelselherziening is om het zogenoemde scholenlandschap toekomstbestendig te maken. Met het oog op het belang van leefbaarheid en bereikbaarheid, stelt dit kabinet een uitzonderingsgrond voor waarmee de laatste school in de omgeving kan worden behouden. Onderdeel van de voorgenomen stelselwijziging is het omvormen van de huidige kleinescholentoeslag naar een dunbevolktheidstoeslag, waarmee kleine scholen in de regio extra ondersteund worden.
Bij het uitwerken van de genoemde voornemens betrekt mijn ministerie alle relevante partners, waaronder ook de VNG en de PO-raad.
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig, bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Ieder schoolbestuur heeft de plicht om de kwaliteit van het onderwijs aan haar leerlingen te waarborgen. Dit geeft een schoolbestuur bepaalde verantwoordelijkheden in geval van een schoolsluiting. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed moet worden begeleid. Dat vraagt van het bevoegd gezag dat ze het voornemen tot sluiting tijdig bekend maken. In de wet bestaat hiervoor geen vaste termijn. De acute noodzaak en reden kan immers ook van geval tot geval verschillen.
Behalve de zorgplicht die schoolbesturen hebben ten aanzien van hun leerlingen, staan in de Wet medezeggenschap op scholen (hierna: WMS) de rechten van de medezeggenschapsraad (hierna: MR) bij een voorgenomen sluiting. Zo heeft een MR adviesbevoegdheid bij een (voorgenomen) sluiting van een school (artikel 11 lid 1 WMS). Het bevoegd gezag moet de MR tijdig voorzien van informatie over de voorgenomen sluiting zodat de MR voldoende tijd heeft advies uit te brengen.
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?2 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
De berekening van de verwachte leerlingengroei is van veel verschillende factoren afhankelijk. Alleen bij het stichten van een school speelt de verwachte leerlingengroei een formele rol. Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur namelijk aantonen dat de nieuwe school in het 11e jaar na aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Hiervoor wordt door het schoolbestuur een belangstellingsmeting uitgevoerd waar ook de prognose van het aantal leerlingen in het voedingsgebied in het 11e jaar na aanvraag mee wordt genomen.
Op de website van DUO staat meer informatie over deze belangstellingsmeting. Voor de prognose wordt gekeken naar data die in de eerste plaats door de betrokken gemeente zelf zijn aangeleverd bij het CBS. Mij is niet bekend dat gemeenten bij het verzamelen van deze data tegen onduidelijkheden aanlopen, daarom zie ik onvoldoende reden om gemeenten nader te ondersteunen.
In de artikelen waarnaar de vraagstellers verwijzen, staat een voorgenomen schoolsluiting centraal. Schoolbesturen kunnen er in zo’n geval voor kiezen om de verwachte leerlingengroei in kaart te brengen om op basis daarvan te bepalen of zij hun school voldoende toekomstbestendig vinden.
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de 23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Voor een school stopt de bekostiging pas als het leerlingenaantal zich drie jaar op rij onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt. Dit belangrijke uitgangspunt wil ik graag behouden, ook in een toekomstig stelsel. Deze drie jaar zijn namelijk bedoeld om schommeling van leerlingenaantal op te vangen en te voorkomen dat scholen onnodig moeten sluiten. Het is niet ondenkbaar dat zo’n school na nog een aantal extra jaren toch weer boven de gemeentelijke opheffingsnorm zou kunnen komen, bijvoorbeeld door de bouw van nieuwe woningen. Dit is echter te onzeker. Zowel het sturen op een bereikbaar scholenaanbod als het sturen op kwalitatief goed onderwijs in relatie tot een doelmatige verdeling van mensen en middelen zijn belangrijke uitgangspunten bij het vormen van beleid.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
De rechtspersoon waaronder een school valt, mag de school overdragen naar een nieuwe rechtspersoon. Deze zal vanaf dat moment het bevoegd gezag zijn over de school. De meest voor de hand liggende route is een bestuursoverdracht. Er is een aantal wettelijke eisen waaraan rechtspersonen in het geval van een bestuursoverdracht moeten voldoen, die als doel hebben om de kwaliteit en wenselijkheid van de overdracht te waarborgen. Ik heb op dit moment onvoldoende reden om aan te nemen dat deze wettelijke eisen een kansrijke overdracht in de weg staan. Wel ben ik bereid om in de vorm van een handreiking lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Oostenbrink naar aanleiding van de heropening van de Driessenschool in Grootschermer4. Deze handreiking zal ik in de loop van dit kalenderjaar met uw Kamer delen. Ook onderzoek ik hoe de samenwerking tussen schoolbesturen in algemene zin kan worden ondersteund.
Natuurvriendelijk isoleren |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Erkent u dat er in de sector veel onduidelijkheid heerst over de geldende regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Toezicht en handhaving rondom natuurwetgeving en soortenbescherming zijn grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat provincies ruimte hebben om zelf uitvoeringsbeleid te maken binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie. Vanuit het bedrijfsleven en gemeenten krijg ik signalen dat de diversiteit van provinciaal beleid lastig wordt gevonden. Daarom ben ik met provincies, gemeenten, soortenorganisaties en de sector in gesprek over oplossingen.
Klopt het dat de Ministeries van LVVN en VRO, het IPO, de provincies, de VNG en de soortenorganisaties aan een gedragscode werken, zodat er voor bepaalde activiteiten geen vergunningplicht meer geldt?
Het klopt dat momenteel aan een gedragscode wordt gewerkt. Dat doe ik samen met de Minister van LVVN, provincies, het IPO, de VNG, soortenorganisaties en de isolatiebranche. Op basis van een gedragscode is vrijstelling van de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten in verband met isolatiewerkzaamheden mogelijk, mits aan de eisen van de gedragscode wordt voldaan.
Wanneer is deze gedragscode afgerond en kan ermee worden gewerkt?
Het streven is om de gedragscode uiterlijk 1 januari 2027 in werking te laten treden.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat er zo snel mogelijk meer ruimte komt voor innovatieve onderzoeksmethoden, zoals eDNA?
Innovatie wordt door verschillende trajecten vanuit de overheid gestimuleerd, bijvoorbeeld via de Challenge Startup in Residence Intergov. Daarnaast komt de markt zelf ook met innovatieve oplossingen. Ten aanzien van de eDNA-methode heeft het Rijk verschillende onderzoeken laten doen om de betrouwbaarheid van de methode te borgen. Inmiddels is een nieuw onderzoek gepubliceerd naar de betrouwbaarheid van de eDNA methode: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/11/24/edna-als-methode-voor-detectie-van-vleermuisverblijven-in-woningen
Op welke manier wordt bewerkstelligd dat er meer uniformiteit komt in de regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Het beleid rondom soortenbescherming is zoals gezegd grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat de provincies het bevoegd gezag voor onder andere vergunningverlening, toezicht en handhaving in relatie tot soortenbescherming, voor zover deze taken niet expliciet aan het Rijk zijn voorbehouden. Als bevoegd gezag bepalen zij zelf hun beleid in deze binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie.
Om landelijke tot meer uniformiteit en duidelijkheid te komen wordt gewerkt aan een gedragscode. Dit doen we samen met de belangrijkste stakeholders op dit onderwerp. De gedragscode zal via een ministeriële regeling worden aangewezen. De gedragscode zal dan dus, net als de eDNA-regeling, landelijk gelden.
Erkent u dat de onduidelijkheden rond het natuurvriendelijk isoleren negatieve effecten hebben op de bereidheid van particuliere huiseigenaren om hun woningen te isoleren?
Dat erken ik en daarom werken we met grote urgentie aan oplossingen zoals de gedragscode. Ondertussen kunnen isolatiewerkzaamheden gewoon doorgaan, op basis van de huidige eDNA regeling en provinciaal beleid. Dat betekent dat als uit onderzoek (bijvoorbeeld een negatieve test afkomstig uit eDNA-onderzoek) blijkt er geen sprake is van het verstoren of doden van beschermde soorten en het vernielen van nesten of verblijfplaatsen, er direct geïsoleerd mag worden, omdat er geen verbodsbepalingen worden overtreden. Als er sprake is van een positieve test, dan moet op dit moment een initiatiefnemer contact opnemen met de provincie en checken of een vergunning nodig is.
In de gedragscode willen we het handelingsperspectief na een positieve test verbeteren.
Hoe kunnen particuliere woningeigenaren meer gestimuleerd worden om hun woningen natuurvriendelijk te isoleren?
Hiervoor is vooral eenduidige en heldere communicatie nodig. Zowel vanuit het Rijk, vanuit de medeoverheden, als vanuit de isolatiebedrijven. Ook dit neem ik mee in de lopende gesprekken.
De ruimte voor efficiënte biomassaketels in warmtetransitiegebieden |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke wijze u tot uw stelling bent gekomen dat een goede, efficiënte bioketel met eenvoudige aanvullingen, zoals isolatie en inregelen, aan de voorgestelde grenswaarde van 0,7 voor de energieprestatie van technische bouwsystemen voor ruimteverwarming in het Ontwerpbesluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie kan voldoen (Kamerstuk 36 387, nr. 50)?
Tijdens het tweeminutendebat op 13 januari 2026 over het Besluit gemeentelijk instrumenten warmtetransitie (verder: Bgiw) heeft mijn ambtsvoorganger in reactie op de motie van het lid Flach aangegeven dat biomassaketels onder voorwaarden kunnen voldoen aan de in het Bgiw opgenomen grenswaarde voor de energieprestatie van 0,7.1 Het antwoord is gebaseerd op informatie van Stichting W/E adviseurs, die in 2023 ook het onderzoek naar de betreffende grenswaarde hebben uitgevoerd, enkele andere energieadviseurs en medewerkers van mijn ministerie.2 De genoemde energieprestatie is haalbaar bij toepassing van een biomassaketel met een hoge efficiëntie, leidingisolatie en goed ingeregeld systeem.
Wat zijn de aanvullingen die nodig zijn voor een bioketel om aan de grenswaarde van 0,7 te voldoen en in hoeverre acht u deze aanvullingen eenvoudig te zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de bijbehorende berekeningen met de Kamer delen?
Ik heb de Stichting W/E adviseurs gevraagd na te gaan in welke gevallen biomassaketels voldoen aan een energieprestatie van 0,7. De resultaten van de berekeningen heb ik als bijlage bijgevoegd. De berekeningen zijn gemaakt met de digitale rekentool die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft ontwikkeld.3 Uit de berekeningen van Stichting W/E adviseurs blijkt dat biomassaketels vanaf een rendement van 90% voldoen aan de vereiste energieprestatie. In het memo is een aantal voorbeelden gegeven van biomassaketels die in de markt verkrijgbaar zijn met een dergelijk rendement.
Op welke wijze gaat u, zoals aangegeven tijdens het genoemde tweeminutendebat, de vinger aan de pols houden om na te gaan of er in de praktijk problemen ontstaan nadat het genoemde besluit in werking is getreden?
Ik verwacht geen problemen met het voldoen aan de nieuwe grenswaarde aangezien een groot aantal biomassaketels nu al aan de eisen kan voldoen. Het is de verwachting dat, zoals ook de Stichting W/E adviseurs aangeeft, de efficiëntie van biomassaketels zal toenemen waardoor steeds meer ketels uiteindelijk aan de grenswaarde voldoen. In zowel bilaterale gesprekken met de branche als ook via de formele overlegstructuur van het Overlegplatform Bouwregelgeving zullen mijn medewerkers hierover de vinger aan de pols houden.
Het bericht ‘Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog’ |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Rijkaart , Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog»?1
Gemeenten hebben na de Tweede Wereldoorlog op grond van artikel 24 van de toenmalige Begraafwet (Stb 1869,2 in overleg met de Joodse gemeenschap enkele tientallen Joodse begraafplaatsen gesloten en hebben daartoe de overledenen na de opgraving – en voor zover bekend onder rabbinaal toezicht – herbegraven op een andere (Joodse) begraafplaats. Dat Joodse begraafplaatsen ruimte maakten voor de aanleg van nieuwe voorzieningen of infrastructuur voor uitbreidende stedelijke gebieden was niet uniek, ook andere begraafplaatsen moesten hiervoor wijken.
Ik vind het pijnlijk dat uitgerekend de Joodse gemeenschap zo vlak na de Holocaust getroffen werd door de sluiting van hun begraafplaatsen, waarmee de eeuwigdurende grafrust van vele overleden dierbaren is verstoord, ook gelet op de kille behandeling vanuit de overheid die hen op veel andere terreinen ten deel viel. Ik heb begrip voor de reacties die dit nu oproept.
Wat is uw reactie op de conclusie dat na de oorlog tientallen keren Joodse begraafplaatsen zijn geruimd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat zich op sommige begraafplaatsen die als geruimd te boek stonden nog steeds graven bevonden?
Tot 1991 was er geen wettelijke verplichting voor begraafplaatsen om een register bij te houden met een nauwkeurige aanduiding van waar de graven zich bevonden. Veel begraafplaatsen hielden voor 1991 wel een register bij van degenen die op de begraafplaats begraven lagen, bijvoorbeeld om kosten in rekening te kunnen brengen. Veel van deze registers zijn helaas tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Ook is er veel kennis verloren gegaan doordat de houder van de begraafplaats ten tijde van de opgravingen niet meer in leven was.
Op welke wijze wilt u richting de Joodse gemeenschap erkenning geven van deze pijnlijke situaties, zeker gezien de status die binnen de Joodse gemeenschap aan het begraven wordt toegekend?
Hoe wilt u bijdragen aan meer duidelijkheid over de precieze omvang van het probleem en de noodzakelijke stappen die op basis daarvan gezet dienen te worden?
Gaat u in overleg met betrokken (overheids)organisaties om nader onderzoek en een betere verantwoording en inventarisatie mogelijk te maken?
Op welke wijze zorgt u er in samenwerking met gemeenten voor dat van alle voormalige Joodse begraafplaatsen duidelijk wordt of er zich ondanks de gewijzigde bestemming toch nog graven bevinden en hoe verdere schade wordt voorkomen? Wilt u hiervoor in samenwerking met de VNG een plan opstellen?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over de wijze waarop de overheid kan bijdragen aan erkenning en verwerking van deze gebeurtenissen en de gevolgen ervan voor nabestaanden en het treffen van gedragen maatregelen waar dat nodig blijkt?
De aanhoudende problemen met zwerfstroom bij veehouderijbedrijven |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanhoudende problemen met zwerfstroom bij onder meer veehouderijbedrijven1?
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgevingen over zwerfstroom bij veehouderijen in Ooltgensplaat.
Kunt u in afstemming met onder meer provincies, gemeenten en sectororganisaties aangeven in hoeverre in andere regio’s in het land bij veehouderijbedrijven ook problemen ervaren worden die mogelijk in verband staan met zwerfstroom?
Ik heb op dit moment geen kennis van situaties op veehouderijbedrijven elders in Nederland waar soortgelijke problemen worden ervaren zoals die in berichtgeving is beschreven. Indien onbegrepen problemen bestaan op een veehouderij zal normaliter de eigen dierenarts hierover geconsulteerd worden. Ook kunnen veehouders en dierenartsen contact opnemen met de Gezondheidsdienst voor Dieren, via de Veekijker2, voor advies. De Veekijker is onderdeel van de basismonitoring diergezondheid, een instrument om trends en ontwikkelingen in de diergezondheid bij landbouwhuisdieren te volgen.
In het verleden is, naar aanleiding van meldingen van onbegrepen gedrag, door sectorpartijen geïnventariseerd in welke mate onbegrepen gedrag van dieren door veehouders wordt gezien, waar geen duidelijke verklaring (binnen of buiten het bedrijf) voor aan te wijzen was. Er is een oproep gedaan voor bedrijven om zich te melden. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft in 2018 een onderzoek gedaan, waaraan 31 bedrijven die zich gemeld hadden, hebben deelgenomen3. Er is geconcludeerd dat veel factoren een rol kunnen spelen, er is niet één specifieke oorzaak gevonden. Mogelijk was de oorzaak per bedrijf ook verschillend. Associaties met zonnepanelen, of zendmasten en hoogspanningskabels in de omgeving zijn in dit onderzoek niet gevonden.
Deelt u de mening dat het vanwege de toenemende elektrificatie goed is om tijdig onderzoek te doen naar mogelijke risico’s van zwerfstroom en de mogelijkheden om dit te voorkomen?
Toenemende elektrificatie brengt in zichzelf geen risico op zwerfstroom. Zwerfstroom ontstaat wanneer elektrische installaties niet goed geaard zijn of bedradingen niet goed geïsoleerd zijn. Ook kunnen zwerfstromen ontstaan als de opbouw en capaciteit van de elektrische installatie onvoldoende is of apparatuur wordt gebruikt die niet voldoet aan de Europese veiligheidsregels.
Indien een bestaande elektrische installatie van een bedrijf wordt uitgebreid met bijvoorbeeld een zonnepaneel-installatie, een batterij of een kleine windturbine is het zaak dat deze installatie blijft voldoen aan de elektrotechnische veiligheidseisen zoals beschreven in de NEN1010. Onoordeelkundige uitbreidingen kunnen tot problemen leiden. Het is daarom belangrijk dat elektrische installaties altijd aangelegd, onderhouden en gecontroleerd worden door gecertificeerde elektrotechnische installatiedeskundigen.
Waarom is door de provincie Zuid-Holland gevraagd multidisciplinair onderzoek naar de zwerfstroomproblematiek geweigerd2, terwijl verschillende experts wijzen op de mogelijkheid van bedrijfsoverstijgende oorzaken3, 4?
De provincie Zuid-Holland heeft inderdaad per brief verzocht om het uitvoeren van multidisciplinair onderzoek door het Rijk. De provincie gaf aan dat de casuïstiek de mogelijkheden en het kennisveld van de provincie oversteeg. Nadat de veehouder eerst zelf onderzoek heeft laten uitvoeren, heeft de provincie een second opinion laten uitvoeren.
Dit second opinion-onderzoek concludeert dat er geen externe oorzaken zijn aan te wijzen voor de problemen op het bedrijf. Uit het onderzoek bleek bovendien dat de metingen uit het onderzoek dat de veehouder heeft laten uitvoeren, ongeschikt waren om zwerfstromen te detecteren en dat er aanwijzingen waren dat de elektrische installatie op het bedrijf verbetering behoeft.
Tevens staat de veehouder onder verscherpt toezicht van de NVWA en is veroordeeld door de rechter vanwege het onthouden van de nodige zorg en het hebben van onvoldoende capaciteit voor het aantal gehouden dieren. Overwogen is dat deze situatie nog altijd niet volledig is verbeterd en dat de problematiek op het bedrijf toe te schrijven is aan de omstandigheden waaronder de dieren worden of werden gehouden. De houder is tevens gewezen op het bestaan van het vertrouwensloket welzijn landbouwhuisdieren voor hulp en ondersteuning.
Bent u alsnog bereid het gevraagde multidisciplinaire onderzoek op te pakken?
Ik kan mij goed voorstellen dat de veehouders zorgen hebben, gezien de klachten die zij ervaren. Het gevraagde multidisciplinair onderzoek is echter pas zinvol als er in de monodisciplines geen mogelijke oorzaak van de problemen worden gevonden. In dit geval zijn er geen externe oorzaken gevonden, zijn er wel zorgen over het dierenwelzijn en diergezondheid bij de veehouderij en waren er verbeteringen mogelijk in de elektrische installatie. Tevens ken ik geen voorbeelden van onderling vergelijkbare casuïstiek die op externe oorzaken wijzen.
Uiteraard blijf ik alert op eventuele ongewenste gevolgen die samen zouden kunnen hangen met de energie-transitie en de (elektrische) infrastructuur die in de omgeving wordt geplaatst.
De bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater |
|
André Flach (SGP) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving waarnaar wordt verwezen?1 2
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater door stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater op het conto van de landbouw geschreven?
Binnen de Emissieregistratie worden emissies toegerekend aan de verschillende sectoren, zoals landbouw, industrie en verkeer. Daarvoor is het nodig vast te stellen welke bronnen aan de sectoren worden toegerekend. In de toerekening van bronnen aan sectoren worden ook de minder goed beïnvloedbare bronnen meegerekend, omdat ook deze bronnen een bijdrage leveren aan de totale nutriëntenopgave. Het is echter niet zo dat extern inlaatwater aan de sector landbouw wordt toegerekend.
Voor de sector landbouw is uitgegaan van de uit- en afspoeling van landbouwgronden, direct meemesten van sloten, lozingen vanuit de glastuinbouw en erfemissies. In de uit- en afspoeling van landbouwgronden zit ook de bijdrage van kwel en bodemprocessen zoals de mineralisatie van veengrond. De kennisinstellingen achter Emissieregistratie beargumenteren dat kwel en mineralisatie van veen deels een gevolg zijn van keuzes in het waterbeheer ten behoeve van agrarisch gebruik.Deze bronnen die in de uit- en afspoeling van landbouwgronden zijn opgenomen, worden dus niet volledig aan landbouw toegeschreven. Anderzijds wordt bij de bronnen voor de verontreiniging van oppervlaktewater de post «depositie op open water» apart onderscheiden. Deze post bestaat voor stikstof gemiddeld voor de helft uit stikstof afkomstig van landbouw.
De Emissieregistratie maakt een pragmatische keuze om deze bronnen toe te delen aan sectoren. Deze registratie is vooral bedoeld om trendmatige ontwikkelingen weer te geven en niet om op basis van deze toedelingen beleidsmatige keuzes voor afzonderlijke sectoren te maken. Bij de bronnenanalyse (zie het antwoord op de vragen 7 en 8) was wel het doel om beleidsmatige keuzes te maken. Daarom zijn daarin aanvullende uitgangspunten gekozen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en het Compendium voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen de landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling enerzijds en stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie het antwoord op vraag 2. De instituten die gezamenlijk aan de Emissieregistratie werken (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) stellen in onderling overleg vast op welke wijze de emissies worden geregistreerd en toegerekend. Ik ga er van uit dat deze kennisinstellingen op een eerlijke en betrouwbare wijze inzicht geven in de bijdrage van de verschillende sectoren. Ik ga uw verzoek wel overbrengen aan de kennisinstellingen. Het is vervolgens aan hen om te wegen welke informatie betrouwbaar genoeg is om weer te geven. De instituten hebben naar aanleiding van de gerezen vragen, zoals onder andere door Agrifacts zijn gesteld, reeds de omschrijving van de bron landbouwgronden op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) verduidelijkt.
Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn wat betreft de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakt tussen de directe bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?3
In de Nitraatrapportage wordt gebruik gemaakt van verschillende meetnetten om te rapporteren over de waterkwaliteit in Nederland. In de monitoring van de waterkwaliteit is het niet altijd mogelijk een onderscheid te maken tussen de verschillende bronnen die bijdragen aan de nutriëntenbelasting.
Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is ontwikkeld om het effect van het Nederlandse mestbeleid op de nutriëntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Met het LMM kunnen zo de effecten van de actieprogramma’s in beeld worden gebracht (zie Hoofdstuk 2 in Nitraatrapportage 2024). In het LMM wordt zo dicht mogelijk bij de bron gemeten, namelijk op de landbouwpercelen zelf en in de aangrenzende sloten.
Voor de rapportage van het grondwater dieper dan 5 meter onder het maaiveld wordt gebruik gemaakt van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG). Voor dit meetnet wordt in de monitoringsgegevens een onderscheid gemaakt tussen verschillende typen van landgebruik (voor de Nitraatrapportage wordt voor het LMG onderscheid gemaakt in de categorieën landbouw, natuur en overig). Indien dit het geval is, wordt dit duidelijk aangegeven in de begeleidende tekst.
Bij de meetnetten voor het oppervlaktewater is het niet altijd mogelijk dit onderscheid te maken vanwege de specifieke opzet van deze meetnetten, zoals het geval is bij de KRW-monitoringslocaties. Aan het begin van hoofdstuk 6 (zie Figuur 6.1–6.4) van de Nitraatrapportage (over oppervlaktewater) wordt ingegaan op de verschillende bronnen van nutriënten in het oppervlaktewater waarbij onder andere een onderscheid wordt gemaakt tussen uit- en afspoeling vanuit natuurgronden en uit- en afspoeling vanuit landbouwbronnen. Daarnaast worden de monitoringsgegevens over de nutriëntenbelasting en (deels ook voor) eutrofiëring van het oppervlaktewater afzonderlijk getoond voor landbouwspecifieke oppervlaktewateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren. Hierbij wordt opgemerkt dat de invloed van belasting vanuit de landbouw op deze wateren afneemt in de volgorde van landbouwsloten, landbouwspecifieke wateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren.
Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de daarin genoemde relatieve landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling?
Ja. De Europese Commissie (EC) is op 14 juli 2025 geïnformeerd over de Landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research (WEnR).
Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatie voor Nederland door de EC? Zo ja, welke?
De EC heeft in haar reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie een eigen analyse opgenomen van de ontwikkeling van de waterkwaliteit4. De EC heeft zich voor de analyse van de waterkwaliteit in Nederland gebaseerd op monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Nitraatrapportage van de periode 2020–2023 en monitoringsgegevens vanuit het LMM5. Voor wat betreft het aandeel van de verschillende bronnen in de nutriëntenbelasting van het Nederlandse oppervlaktewater wordt in de Nitraatrapportage verwezen naar de Emissieregistratie 2024. Daarnaast wordt in de bijlage bij de brief van Eurocommissaris Roswall ook verwezen naar monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Kaderrichtlijn Water.
Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water (KRW)-waterlichamen door waterschappen en provincies is gebaseerd op bronnenanalyses?
Regionale overheden mogen bij het afleiden van doelen voor nutriënten rekening houden met natuurlijke processen. Daarvoor zijn handreikingen opgesteld. Zo kan rekening worden gehouden met de zogenaamde «natuurlijke achtergrondbelasting». Daarbij hebben de waterbeheerders regionale kennis van de verschillende bronnen gebruikt en is er rekening gehouden met de specifieke gebiedskenmerken. De KRW-normstelling is een doelwaarde die past bij wat ecologisch nodig is voor het KRW-waterlichaam. Er bestaat dus geen aparte «norm voor landbouw» en een «norm voor kwel». Bronnenanalyses helpen bij het bepalen waar de belasting vandaan komt en welke maatregelen nodig zijn. Alle waterschappen werken daarbij op basis van een handreikingen die door het Rijk is opgesteld.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid is gemaakt tussen de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemesting en erfafspoeling enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie antwoord vraag 7.
Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemleverantie verrekend in de nutriëntennormen?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8. Als er meer recente en betere informatie beschikbaar is, dan zijn en worden de nutriëntennormen daarop aangepast. Ook kan in bepaalde gevallen gebruik worden gemaakt van legitieme uitzonderingen, als KRW-normen niet tijdig worden behaald. Zie daarvoor de informatie die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat naar uw Kamer is gestuurd, zoals (Kamerstuk 27625, nr. 716).
Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan met het al dan niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting in de normen, waardoor deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoe waardeert u dat?
Zoals in het antwoord op vragen 7 en 8 is aangegeven is er enerzijds sprake van een uniforme werkwijze die in de handreiking is beschreven, en anderzijds kan dit worden ingevuld met gebiedsspecifieke kenmerken. Het is bekend dat er verschillen kunnen optreden in de manier waarop door waterschappen natuurlijke omstandigheden (zoals kwel, bodemtype en hydromorfologie) worden meegewogen in de onderbouwing van KRW-doelen. Dat hangt samen met verschillen in gebiedskenmerken. In het Wetgevingsoverleg Water van 2 februari jl. is door de Minister van IenW aan het lid Van der Plas (BBB) toegezegd om de Kamer te informeren over het gesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn Water (BO KRW) over het verwerken van natuurlijke achtergrondconcentraties in de KRW-doelen.
Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerder genoemde emissiecijfers?
De Emissieregistratie inventariseert veel gegevens van verschillende bronnen. Dat gaat ook verder dan alleen de bronnen voor water. Deze informatie wordt in veel beleidstrajecten toegepast.
Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de eigen regionale bronnenanalyses van waterschappen? In hoeverre is sprake van verschillen in de toewijzing van bronnen?
Voor het opstellen van de landelijke bronnenanalyse door WEnR is samengewerkt met de waterschappen en is gebruikgemaakt van de data en kennis van de waterschappen en de regionale bronnenanalyses van de waterschappen, indien deze beschikbaar waren. Voor de landelijke bronnenanalyse is op een landelijk geharmoniseerde wijze een methodiek gevolgd voor de toewijzing van alle bronnen. De regionale analyses worden uitgevoerd voor een afgebakende regio, met keuzes die bij die regio passen. De regionale analyses verschillen onderling, bijvoorbeeld de wijze waarop wordt omgegaan met het ingelaten water vanuit het hoofdwatersysteem.
Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitsproblemen en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschillende regio’s, in te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied op grond van de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen van verschillende actieprogramma’s voor verschillende regio’s, inclusief eventuele derogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. Conform artikel 3, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn, zijn de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing.
De motie Flach en Grinwis6 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. Lidstaten zijn verplicht op grond van criteria genoemd in bijlage I van de Nitraatrichtlijn vast te stellen welke wateren door verontreiniging worden beïnvloed en welke wateren zouden kunnen worden beïnvloed indien maatregelen achterwege zouden blijven. In de beantwoording op Kamervragen van het lid De Vos (Fvd) is reeds aangegeven dat ik in lijn met de motie Flach en Grinwis en conform het Hoofdlijnenakkoord aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) heb gevraagd om hierover te adviseren7. Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet8. Op 26 januari 2026 is aan uw Kamer de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma aan uw Kamer toegestuurd. Hierbij is ook het voornoemde advies van de CDM gevoegd. Ik laat de besluitvorming naar aanleiding van dit advies over aan het volgende kabinet.
Het Landbouwbesluit |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Heijnen , Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wiersma, roep uw BBB-collega tot de orde» inzake de wijziging van de regels voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling en de grote zorgen over de gevolgen voor de gewenste vruchtwisseling en kringlooplandbouw?1
Ja, wij onderschrijven het belang van noodzakelijke vruchtwisseling en, zoals in het bericht genoemd, omarmen wij de kringloopgedachte. Gezien het verdere verloop van de vragen willen we hieronder alvast een toelichting geven op de fiscale gevolgen bij vruchtwisseling. We benadrukken graag dat vruchtwisseling zowel voor toepassing van de landbouwvrijstelling als de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR ab) relevant is. Het effect van vruchtwisseling op deze faciliteiten is echter verschillend.
De landbouwvrijstelling is in beginsel niet van toepassing als de grond ter beschikking wordt gesteld aan een ander. Hierop is in de jurisprudentie een uitzondering geformuleerd in het geval van vruchtwisseling.2 Belangrijk is dat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling beoordeeld moet worden of vruchtwisseling noodzakelijk is vanuit het perspectief van de grondeigenaar (of terbeschikkingsteller) bij de uitoefening van het landbouwbedrijf.3 Het recent gepubliceerde beleidsbesluit biedt hierover de gewenste duidelijkheid voor de praktijk.4 Melkveehouders kunnen de landbouwvrijstelling niet toepassen over de periode dat hun grasland ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld een akkerbouwer. Voor die melkveehouder is er geen noodzaak om het grasland tijdelijk te ruilen voor het behoud van de bodemkwaliteit van die grond. Het ter beschikking stellen van grond in het kader van bijvoorbeeld derogatie kwalificeert dus niet voor de landbouwvrijstelling.
Vruchtwisseling heeft een ander effect voor de BOR en DSR ab. Onroerende zaken die ter beschikking worden gesteld aan een ander komen sinds 1 januari 2024 niet langer in aanmerking voor de BOR en DSR ab, de zogenoemde vastgoedmaatregel. Er geldt echter een uitzondering op deze maatregel voor de terbeschikkingstelling van los land in het kader van teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is als bedoeld in de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in Titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).5 Teeltpacht wordt beoordeeld vanuit het perspectief van de pachter (of gebruiker van de grond). Bepaalde gewassen zoals gras of maïs zijn uitgezonderd van de teeltpachtwetgeving, omdat voor deze gewassen vruchtwisseling niet noodzakelijk is. Als een akkerbouwer grond verpacht aan de melkveehouder die hier gras of maïs op teelt, kan geen teeltpachtovereenkomst worden gesloten. De BOR en DSR ab zijn dan niet van toepassing. Momenteel wordt onderzocht hoe een verruiming van de uitzondering op de vastgoedmaatregel kan worden vormgegeven (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer6 en de motie Grinwis c.s.7 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd).
Kunt u aangeven waarom u na het jarenlang functioneren van de werkafspraak uit 2014 met betrekking tot de beoordeling van vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling niet alleen gekozen hebt voor het vastleggen van de werkafspraak in het Landbouwbesluit, maar ook voor aanscherping van de voorwaarden?2
In het verleden heeft de Belastingdienst een werkafspraak gemaakt met Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO Nederland). In de bijlage bij de beantwoording van de vragen is een kopie van die werkafspraak uit 2014 opgenomen.9 De afspraken uit deze werkafspraak zijn het vertrekpunt geweest voor de invulling van het onderdeel over vruchtwisseling in het beleidsbesluit. De kern van die werkafspraak is geweest dat gevallen waarbij de grond voor één jaar ter beschikking wordt gesteld of voor één jaar wordt verpacht als vruchtwisseling is aan te merken. Dit wel onder de strikte voorwaarde dat uit de feiten niet blijkt dat de grond om andere redenen dan vruchtwisseling ter beschikking wordt gesteld (zoals dat het geval is bij derogatie). In de werkafspraak is door de Belastingdienst aangegeven dat duidelijk uit de feiten moet blijken dat het perceel in beginsel om het jaar in gebruik moet zijn geweest in het kader van de eigen landbouwonderneming. De invulling die in het recent gepubliceerde beleidsbesluit aan het begrip vruchtwisseling wordt gegeven, is op hoofdlijnen hieraan gelijk. De werkwijze die het beleidsbesluit voorschrijft verschilt dus niet wezenlijk van de werkwijze die al sinds de genoemde werkafspraak wordt gehanteerd. Zoals hiervoor benoemd, is de werkafspraak met één van de vertegenwoordigers van de agrarische sector afgesloten. Op bepaalde onderdelen bestond verschil van inzicht tussen LTO Nederland en de Belastingdienst. Omdat behoefte bestaat aan duidelijkheid en transparantie over het standpunt van de Belastingdienst over de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling, is dit standpunt opgenomen in deze actualisatie van het beleidsbesluit. Op de website van de Belastingdienst zal een verwijzing worden opgenomen naar de vindplaats van het beleidsbesluit. Een beleidsbesluit heeft een bredere werking dan een werkafspraak. De verschillen tussen de werkafspraak en het beleidsbesluit komen tot uitdrukking in de vormgeving van de voorwaarden in het beleidsbesluit. Een aantal van deze voorwaarden lijkt op het eerste gezicht strikter dan die in de werkafspraak, maar hoeven dat – afhankelijk van de feiten en omstandigheden – niet te zijn. Zoals hiervoor aangegeven, is in de werkafspraak opgenomen dat bij een periode van ter beschikking stellen van de grond aangesloten wordt bij een periode van één jaar. In het beleidsbesluit geldt echter als uitgangspunt dat de periode van ter beschikking stellen vanuit het perspectief van de grondeigenaar niet langer mag zijn dan één teeltseizoen (in één jaar kan sprake zijn van meerdere teeltseizoenen). Op dit punt lijkt het beleidsbesluit dus strikter. Vervolgens geldt dit uitgangspunt niet als de teeltduur van het in het kader van vruchtwisseling geteelde gewas bij de gebruiker van de grond langer is dan één jaar (dus soepeler dan de werkafspraak). Daarbij geldt verder nog de uitzondering dat de termijn van terbeschikkingstelling niet langer mag zijn dan strikt noodzakelijk is voor de teelt van het gewas in de eigen landbouwonderneming van de grondeigenaar. Daarmee kan de termijn dus ook langer zijn dan één jaar. Verder wordt, om onduidelijkheid tussen partijen te voorkomen en om de bewijspositie van de agrariërs te verbeteren in het beleidsbesluit tot uitdrukking gebracht dat de onderhandse overeenkomst tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker, die vereist is voor toepassing van de landbouwvrijstelling, schriftelijk moet zijn vastgelegd. De voorwaarden in het beleidsbesluit bieden de inspecteur meer ruimte om met de concrete feiten en omstandigheden van het specifieke geval rekening te houden. Op die manier wordt naar onze mening meer recht aan de praktijk gedaan dan eerder in de werkafspraak het geval was.
Komen de voorgestelde aanpassingen voort uit de wens om de landbouwvrijstelling te beperken, of liggen er andere redenen aan de wijziging ten grondslag?
Het beleidsbesluit is een actualisering van het besluit van 23 november 201810 en bevat beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector. Beleidsbesluiten worden regelmatig geactualiseerd. Een beleidsbesluit geeft een invulling van de zienswijze die de Staatssecretaris van Financiën heeft als uitvoerder van belastingwetgeving over – in dit geval – landbouwgerelateerde vraagstukken. Meer specifiek is het een leidraad voor de belastinginspecteur hoe om te gaan met de genoemde vraagstukken. Dit beleidsbesluit biedt de praktijk onder andere de gewenste duidelijkheid over de standpunten van de Belastingdienst bij de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling. Bovendien wordt met het beleidsbesluit concrete invulling gegeven aan de eerdere niet-gepubliceerde werkafspraak uit 2014 met LTO Nederland. Het beleidsbesluit geeft belastingplichtigen nog steeds de mogelijkheid om een andersluidend standpunt in te nemen en dat te laten toetsen door de rechter. Binnen de bestaande wet en jurisprudentie geeft dit beleidsbesluit een zo ruim mogelijke uitleg van het begrip vruchtwisseling voor toepassing van de landbouwvrijstelling.
Een conceptversie van het beleidsbesluit is in de zomer van 2025 voorgelegd aan de Werkgroep Fiscaal Uitvoeringsbeleid (FUB). Namens de Werkgroep FUB hebben fiscale vertegenwoordigers van de agrarische sector (belastingadviseurs) gereageerd. Het commentaar vanuit de Werkgroep FUB is dat een aantal voorwaarden uit het besluit te beperkend wordt uitgelegd. Naar aanleiding van dat commentaar is het besluit op een aantal punten aangepast (verduidelijkt en versoepeld). Gelet op de wettekst, jurisprudentie en de doelstelling van de landbouwvrijstelling kon niet aan alle punten tegemoet worden gekomen.
Het beleidsbesluit is in nauw overleg met de inspecteurs tot stand gekomen die in hun dagelijkse praktijk te maken hebben met de landbouwgerelateerde vraagstukken. Het beleidsbesluit blijft binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie. Aan het beleid – dat grotendeels een codificatie is van de bestaande werkafspraak met LTO Nederland – werd voor publicatie van dit beleidsbesluit ook al uitvoering gegeven door de Belastingdienst. Er zijn geen uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst, omdat het beleidsbesluit binnen de bestaande kaders van wetgeving en jurisprudentie past. Wanneer eventueel sprake is van aanpassing van wetgeving zal in de regel een uitvoeringstoets plaatsvinden.
In hoeverre is de wijziging in het Landbouwbesluit in overleg met sectorpartijen opgesteld?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de uitvoeringsgevolgen vooraf in kaart gebracht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hier meer inzicht in geven?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat het overgangsrecht ook voor mondelinge overeenkomsten geldt?
Voor het toepassen van de landbouwvrijstelling op grond die in het kader van vruchtwisseling aan een ander ter beschikking is gesteld, is vereist dat tussen de gebruiker en de terbeschikkingsteller van de grond een onderhandse overeenkomst is gesloten. Daarbij moet ook aan de overige voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn voldaan. Een onderhandse overeenkomst vereenvoudigt de beoordeling voor de betrokken partijen en de inspecteur. In de werkafspraak met LTO Nederland is destijds niets opgenomen over de wijze van vastlegging van de overeenkomst. In het beleidsbesluit is een overgangsbepaling opgenomen voor (vaststellings)overeenkomsten tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker met inachtneming van de werkafspraak. Voor aantoonbare bestaande (vaststellings)overeenkomsten geldt onder meer dat deze ongemoeid blijven als deze beschikken over een einddatum tot en met twee jaar na datum van de publicatie van het beleidsbesluit. Dat kunnen ook mondelinge overeenkomsten zijn. In de praktijk is het complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als geen schriftelijke overeenkomst is opgesteld. Echter, als de aanwezigheid van een mondelinge overeenkomst aannemelijk kan worden gemaakt dan is het overgangsrecht uiteraard ook van toepassing op die mondelinge overeenkomst. De overgangsbepaling zal in de praktijk in alle redelijkheid worden toegepast door de inspecteur.
Is de veronderstelling juist dat zodra een teler zelf een niet uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen bij uitgebruikgeving geen beroep meer gedaan kan worden op de landbouwvrijstelling? Zo ja, wat betekent dit dan voor de maatschappelijk gewenste teelt van rustgewassen? Zo nee, kunt u precies aangeven welke ruimte er blijft voor eigen teelt van rustgewassen zonder bij uitgebruikgeving de landbouwvrijstelling te verliezen?
In het beleidsbesluit is de voorwaarde opgenomen dat het ter beschikking stellen van de grond noodzakelijk moet zijn voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop door de terbeschikkingsteller van de grond te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren. Als de terbeschikkingsteller van de grond om hem moverende redenen zelf een niet-uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen, is er niet langer de noodzaak om de grond ter beschikking te stellen ten behoeve van de bodemgesteldheid en kwaliteit van de grond. Mocht de eigenaar de grond toch ter beschikking stellen, dan is de landbouwvrijstelling niet van toepassing over de waardeontwikkeling van de grond over de periode dat de grond niet in het eigen landbouwbedrijf is aangewend. Als de grondeigenaar dus zelf aan de (maatschappelijk) gewenste vruchtwisseling doet, is er vanuit dat perspectief geen reden om ruimere terbeschikkingstellingsregels te hanteren.
Hoe moeten telers aantonen dat het uit gebruik geven van de grond noodzakelijk is voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren?
In het beleidsbesluit is als toelichting op de voorwaarden opgenomen dat de terbeschikkingsteller de noodzaak van het ter beschikking stellen van de grond of de toepassing van een uitzondering aannemelijk moet maken. In het beleidsbesluit is als voorbeeld genoemd dat dit kan door middel van (vak)studies met betrekking tot de termijn van de terbeschikkingstelling die noodzakelijk is voor de teelt in de eigen landbouwonderneming. De manier waarop bewijs kan worden aangeleverd is vormvrij. Een andere manier dan met (vak)studies is ook mogelijk. Gedacht kan worden aan het overleggen van het bouwplan, mits daaruit blijkt dat sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling. De inspecteur neemt alle feiten van het geval in ogenschouw en beoordeelt in alle redelijkheid of de landbouwvrijstelling op de ter beschikking gestelde grond van toepassing is.
Hoe waardeert u de analyse dat het vastgestelde besluit zal leiden tot aanzienlijke regeldruk? Dit omdat alle uitgebruikgevingen in het kader van vruchtwisseling schriftelijk vastgelegd moeten worden, terwijl dat eerder veel op basis van mondelinge afspraken werd gedaan, en de noodzakelijkheid voor bodemgesteldheid en plantgezondheid aangetoond moet worden?
Het vereiste dat sprake moet zijn van een onderhandse (schriftelijke) overeenkomst heeft een praktische achtergrond. Zoals aangegeven, is het in de praktijk complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als er geen schriftelijke overeenkomst is. Een schriftelijke overeenkomst is voor de inspecteur eenvoudig te toetsen. Het betekent ook dat de belastingplichtige beter kan aantonen dat de grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling. Daarmee heeft de belastingplichtige een sterkere positie om aan zijn bewijslast te voldoen. Daarnaast geeft deze voorwaarde duidelijkheid voor alle partijen. Wij realiseren ons dat deze voorwaarde kan worden ervaren als verzwaring van de administratieve lasten in die gevallen dat eerst alleen een mondelinge overeenkomst bestond. Daarbij gaat het echter wel om een fiscale faciliteit waarvan mag worden verwacht dat de belastingplichtige die kan onderbouwen. In situaties waarin sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling kunnen de terbeschikkingsteller en gebruiker van de grond relatief eenvoudig een overeenkomst opstellen. Er gelden, naast schriftelijke vastlegging, geen bijzondere vereisten voor deze overeenkomst. Ter vergelijking: voor de teeltpachtwetgeving is vereist dat sprake is van een bij de grondkamer geregistreerde pachtovereenkomst. Voor de landbouwvrijstelling is een onderhandse overeenkomst al voldoende. Bij bedrijfsoverdracht spelen echter de BOR en DSR ab een rol (zie het antwoord op vraag 1). In dat geval zal de overdrager van het landbouwbedrijf moeten voldoen aan de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in het BW om de zogenoemde vastgoedmaatregel achterwege te laten. Achtergrond van die maatregel is dat een dergelijke uitzondering op de zogenoemde vastgoedmaatregel voor de Belastingdienst goed is te toetsen door aan te sluiten bij de bestaande teeltpachtwetgeving.11
Deelt u de analyse dat de gevolgen voor telers groot kunnen zijn, zeker ook bij bedrijfsoverdracht, omdat vanwege de economische druk sprake is van forse stijgingen van grondprijzen?
Zoals aangegeven, is de landbouwvrijstelling niet van toepassing voor de periode dat de grond die ter beschikking wordt gesteld aan een ander zonder noodzaak tot vruchtwisseling. Daarbij wordt opgemerkt dat de eigenaar van de grond dus niet de toepassing van de landbouwvrijstelling verliest voor de waardeontwikkeling van de grond voor de tijd dat deze in het eigen landbouwbedrijf werd gebruikt. Aan de landbouwvrijstelling is inherent dat de beoordeling of de grond in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, wordt beoordeeld vanuit de positie van de eigenaar van de grond. Het beleidsbesluit geeft daarover naar onze mening duidelijkheid binnen de geschetste kaders en is inhoudelijk niet wezenlijk anders dan de uitgangspunten uit de werkafspraak die sinds 2014 door de Belastingdienst worden gehanteerd. Het ligt niet voor de hand om deze uitzondering op de reikwijdte van de landbouwvrijstelling verder uit te breiden voor situaties waarbij de grond ook ter beschikking wordt gesteld maar waarin geen sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling vanuit het perspectief van de agrariër die de grond bezit.12 Dit doet afbreuk aan de systematiek dat waardeaangroei belast wordt op het moment dat landbouwgronden niet meer aan de eigen onderneming ter beschikking staan (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer13 en de motie Grinwis c.s.14 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd). Tot slot hechten we er aan op te merken dat voortdurend overleg plaatsvindt tussen de Belastingdienst en vertegenwoordigers van de agrarische sector door middel van het zogenoemde Platform Landbouw. In het Platform Landbouw worden fiscale vraagstukken behandeld over landbouwgerelateerde zaken. Daarin bestaat ook ruimte voor overleg en discussie over de invulling van het onderdeel vruchtwisseling in het recent gepubliceerde beleidsbesluit. Dit overleg kan aanleiding zijn om het beleidsbesluit op punten te verduidelijken of aan te passen, mits dat uiteraard past binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie.
Hoe waardeert u de analyse dat de vastgelegde, aangescherpte voorwaarden negatieve gevolgen zullen hebben voor de gewenste vruchtwisseling, teelt van rustgewassen en kringlooplandbouw, omdat eerder sprake zal zijn van het verliezen van de landbouwvrijstelling bij uitgebruikgevingen?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de analyse dat, gelet op de dynamiek in de landbouw en de veelzijdige vormen van samenwerking tussen telers, de aangescherpte voorwaarden in de praktijk voor veel onduidelijkheid zullen zorgen en mogelijk lastig werkbaar zullen blijken te zijn?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid het vastgestelde kader voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling in overleg met de sector te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 10.
Het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen over het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat?1
Deze zorgen zijn mij bekend.
Vanaf wanneer kunnen Renure-producten worden toegepast?
In het Nitraatcomité van 19 september jl. is positief geadviseerd over de door de Europese Commissie voorgestelde toelating van Renure-producten als kunstmestvervanger binnen de Europese Unie. Tot en met 8 januari konden de Raad en het Europees parlement nog bezwaar maken. Dit is niet gebeurd, zodat de Europese Commissie het voorstel zal vaststellen. Momenteel wordt er gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie. De internetconsultatie over dit voorstel is 8 december gesloten. Ik zal op korte termijn de concept regeling voor Renure ter notificatie aanbieden aan de Europese Commissie. De verwachting is dat de daadwerkelijke implementatie in de nationale regelgeving in het tweede kwartaal van 2026 zal plaatsvinden.
Deelt u de analyse dat ook de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft?
De analyse dat de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft deel ik. De in het antwoord op vraag 2 genoemde regeling voor Renure is in internetconsultatie geweest, waarmee de producenten kennis hebben kunnen nemen van de voorgenomen plannen en hiermee de eerste voorbereidingen kunnen gaan treffen.
Deelt u de analyse dat het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat, terwijl er nog geen Renure-producten kunnen worden toegepast, risico’s met zich meebrengt voor onder meer de bedrijfsprocessen van betrokken bedrijven?
Deze analyse deel ik. Om geen gat te laten vallen in de productie tussen het einde van de pilot en de daadwerkelijke toelating van Renure en de continuïteit binnen de keten te waarborgen heb ik voorzien in een overgangssituatie. Op 19 december jl. heb ik uw kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 636).
Bent u bereid de pilot mineralenconcentraat te verlengen tot Renure in de praktijk toepasbaar is?
Ja, zoals ik in mijn brief van 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 636) heb aangegeven heb ik voorzien in een overgangssituatie tussen de pilot mineralenconcentraat en de inwerkingtreding van de algemene Nederlandse regelgeving voor producenten en afnemers van Renure-meststoffen die in 2025 deelnamen aan de pilot. Hetzelfde geldt voor de pilot Kunstmestvrije Achterhoek uit het 7e actieprogramma.
Deze overgangssituatie geldt vanaf het einde van de bezwaarperiode van de Raad en het Europees parlement (8 januari) tot 6 weken na inwerkingtreding van de Renure-regeling, of – als dat eerder is – tot het moment dat de producent is geregistreerd of gecertificeerd. Daarbij gelden de voorwaarden en voorschriften van de eerdere pilots, de voorwaarden uit de aangepaste Nitraatrichtlijn én van de notificatieversie van de beoogde Renure-implementatieregeling.
Dit betekent dat al voor inwerkingtreding van de Renure-regeling mineralenconcentraat in lijn met het voorstel voor Renure, tot maximaal 80 kilogram stikstof per hectare mag worden gebruikt bovenop de norm voor stikstof uit dierlijke mest. Het mineralenconcentraat dat voor inwerkingtreding van de Renure-regeling wordt gebruikt telt daarbij mee voor de 80 kilogram Renure die per kalenderjaar en per hectare bovenop de gebruiksnorm dierlijke mest mag worden gebruikt, als de nationale regeling die uitvoering geeft aan de Europese Renuretoelating (de Renure-implementatieregeling) in werking is getreden. De producenten van mineralenconcentraat blijven tijdens de overgangsperiode mestcode 120 gebruiken voor het melden van het transport in rVDM.
De voornoemde deelnemers aan de pilots zijn nader geïnformeerd over de exacte voorwaarden.
Het bericht 'Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten' |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Het Financieele Dagblad van 12 november 2025, getiteld «Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten»?1
Ja.
Klopt het dat Ahold Delhaize in Servië vanwege aanzienlijke financiële verliezen 25 winkels heeft moeten sluiten en dat honderden werknemers hun baan verliezen als direct gevolg van het prijsplafond dat de Servische regering heeft ingevoerd? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Volgens Ahold Delhaize heeft het door de Servische regering ingestelde prijsplafond aanzienlijke gevolgen gehad voor de activiteiten van Delhaize Servië, waaronder de sluiting van een aantal winkels. Nederland volgt de situatie met zorg en heeft het belang van een voorspelbaar investerings- en ondernemingsklimaat op verschillende niveaus bij Servië onder de aandacht gebracht. Servië voerde deze maatregel in, vanwege hoge inflatiecijfers. Deze zijn echter weer gedaald.
Zo heb ik persoonlijk bij de Servische Ministers van Handel en van Financiën mijn zorgen geuit over de impact van het retail margin cap-decreet op het zaken- en investeringsklimaat in Servië en de gevolgen voor Ahold Delhaize in Servië.
Deelt u de mening dat de Servische regering met deze maatregel ingrijpt in de vrije interne markt?
Het kabinet acht de maatregel marktverstorend en is van mening dat deze op gespannen voet staat met de economische criteria bij EU-toetreding, zoals ook benoemd in de recente kabinetsappreciatie van het jaarlijkse uitbreidingspakket (Kamerstuk 23 987, nr. 398). Nederland weegt dit daarom zeker mee bij het EU-toetredingsproces van Servië. Servië maakt geen onderdeel uit van de interne markt van de EU.
Bent u bereid de Servische regering op te roepen deze maatregel zo spoedig mogelijk in te trekken, omdat deze in strijd is met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië en de nodige vragen oproept over het Servische EU-kandidaat-lidmaatschap?
Ik heb er bij mijn Servische collega’s voor gepleit de maatregelen zo snel mogelijk in te trekken en geen andere maatregel in te voeren met vergelijkbare gevolgen en impact op het zaken- en investeringsklimaat in Servië.
Bent u bereid de Servische ambassadeur te ontbieden om uitleg te vragen over deze maatregel, die verliezen voor supermarkten veroorzaakt en banen op het spel zet?
Nederland heeft de Servische autoriteiten op verschillende niveaus aangesproken om uitleg te vragen over deze maatregelen en de Servische autoriteiten aan te sporen deze zo spoedig mogelijk op te heffen.
Deelt u de kritiek op Servië, zoals verwoord in het recente toetredingsrapport van de Europese Commissie, dat maatregelen als een prijsplafond de markt verstoren en buitenlandse investeringen ontmoedigen?
Ja, het kabinet deelt de zienswijze dat de maatregelen marktverstorend zijn en een negatieve impact kunnen hebben op het ondernemings- en investeringsklimaat in Servië, en daarmee buitenlandse investeringen ontmoedigen.
Welke acties ondernemen het kabinet en de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat marktverstorende maatregelen door de regering-Vucic zo snel mogelijk worden beëindigd?
Het kabinet heeft de Servische autoriteiten hier op verschillende niveaus op aangesproken. Ook heeft het kabinet de Europese Commissie opgeroepen om haar contacten met Servië aan te wenden om de kwestie ter discussie te stellen. Zowel het kabinet als de Europese Commissie zijn in contact met de Servische autoriteiten over de negatieve gevolgen van het maatregelenpakket.
De interpretatie van de Europese jurisprudentie inzake het additionaliteitsvereiste bij de Habitatrichtlijn |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de juridische analyses waarin aangegeven wordt dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste waarschijnlijk niet automatisch voortvloeit uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU)?1, 2
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Ik wil benadrukken dat het gaat om een juridisch-wetenschappelijke discussie van verschillende auteurs. Ik volg deze discussie met interesse. Daarom heb ik een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) ingediend. Tegelijkertijd zijn de uitspraken van de Afdeling uiteraard leidend voor zowel de overheid als initiatiefnemers. Hieronder ga ik specifieker in op de standpunten die worden genoemd.
Deelt u de analyse van de auteurs dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS)-arrest weliswaar duidelijk maakte dat bij vergunningverlening geen beroep kan worden gedaan op de positieve effecten van (bestaande) instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen, maar dat daaruit niet is af te leiden dat hetzelfde geldt voor een maatregel die het bevoegd gezag uitdrukkelijk beoogt in te zetten als mitigerende maatregel en niet als instandhoudings- of passende maatregel?
Zoals hiervoor aangegeven, volg ik deze lijn met interesse en zie ik aanknopingspunten in deze analyse. Een vergelijkbaar standpunt is naar voren gebracht namens de Staatssecretaris als bevoegd gezag in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling.
Deelt u de analyse van de auteurs dat noch in arresten van het HvJ-EU noch in richtsnoeren van de Europese Commissie wordt aangegeven dat een mitigerende maatregel slechts kan worden ingezet ten behoeve van een plan of project in een passende beoordeling als die naar zijn aard niet ook nodig is als een instandhoudings- of passende maatregel?
Ik ben van mening dat mitigerende maatregelen die niet al door de beheerder van het betrokken Natura 2000-gebied, de provincie of het Rijk, zijn aangewezen als instandhoudings- of passende maatregel naar hun aard niet als zodanig zijn aan te merken. Dat standpunt is naar voren gebracht in de hoger beroepsprocedures, bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse van de auteurs dat een strikte interpretatie van het additionaliteitsvereiste voorbij gaat aan het feit dat via het nemen van passende maatregelen op grond van artikel zes, tweede lid, van de Habitatrichtlijn alsnog kan worden ingegrepen in bestaande, vergunde situaties mocht dat nodig zijn om verslechtering te voorkomen?
Ik zie aanknopingspunten in deze analyse. Dat doet niet af aan het feit dat ik me, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, houd aan de geldende jurisprudentie.
Deelt u de mening van de auteurs dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste op gespannen voet staat met het «nuttig effect» van het Unierecht, omdat het ervoor zorgt dat op dit moment ook vergunningen die uiteindelijk juist zorgen voor uitstootreductie nauwelijks meer kunnen worden afgegeven?
Die mening kan ik op zichzelf volgen. Ik krijg signalen dat op dit moment vergunningen die zorgen voor emissiereductie beperkt worden afgegeven naar aanleiding van de recente jurisprudentie. Ook een aangescherpt additionaliteitsvereiste zou wat mij betreft niet tot gevolg moeten hebben dat verduurzaming onmogelijk wordt. Ik wacht de jurisprudentie op dit punt af.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de inzet van de gehele referentiesituatie van een bestaande activiteit bij de additionaliteitstoets dat dit niet in alle gevallen maatregelen betreffen die naar hun aard kunnen worden ingezet als instandhoudings- of passende maatregel?
Die analyse kan ik volgen. In de procedures aangehaald in het antwoord op vraag 2 wordt namens de Staatssecretaris naar voren gebracht dat projecten die grote sociaaleconomische belangen dienen niet zouden moeten worden ingetrokken als passende maatregel. Een intrekking zou immers niet in overeenstemming zijn met de vereisten uit artikel 2, derde lid, Habitatrichtlijn. Daaruit volgt dat instandhoudings- en passende maatregelen in overeenstemming moeten zijn met sociaaleconomische vereisten en lokale en regionale bijzonderheden.
Op welke wijze zou ten aanzien van de genoemde referentiesituatie van bestaande activiteiten kunnen worden voorkomen dat deze onnodig ingezet worden bij de additionaliteitstoets?
Uit de recente jurisprudentie van de Afdeling wordt duidelijk dat op het moment dat aantoonbaar voldoende andere passende maatregelen worden genomen die leiden tot een voor de betrokken Natura 2000-gebieden noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, het niet langer nodig zal zijn om de referentiesituatie van bestaande activiteiten te beëindigen om te voldoen aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, om verslechtering van de kwaliteit van habitat te voorkomen. In die situatie zal in z’n algemeenheid kunnen worden aangetoond dat mitigerende maatregelen aanvullend zijn op hetgeen nodig is voor de natuur (additionaliteitsvereiste). Dit vereist wel dat op gebiedsniveau op dit punt een analyse is gemaakt en een plan of programma kan worden overgelegd waaruit blijkt welke maatregelen wanneer worden genomen en wanneer daarvan welke effecten kunnen worden verwacht, en dat aannemelijk kan worden gemaakt dat daarmee verslechtering in het Natura 2000-gebied wordt voorkomen en perspectief blijft bestaan op de realisatie van eventuele verbeter- of uitbreidingsdoelstellingen. Met het startpakket en vervolgpakket heeft het kabinet onder de Ministeriële Commissie voor Economie en Natuurherstel een aanpak neergezet om de natuur te herstellen en vergunningverlening weer mogelijk te gaan maken. Daarbij zijn middelen vrijgemaakt voor de landbouwsector (doelsturing, extensivering, beëindiging, mest), die deels al in uitvoering zijn of gaan. En daarnaast voor een gebiedsgerichte aanpak en voor gericht natuurherstel. Het vervolgpakket zet in aanvulling daarop in op verdere emissiereductie en natuurherstel, in combinatie met een verbeterde borging van de aanpak.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de stellingname van de Raad van State dat de omvang van de in te zetten referentiesituatie geen rol mag spelen bij de toets aan het additionaliteitsvereiste en dat verschil zou moeten worden gemaakt tussen het al dan niet sprake zijn van significante gevolgen bij mogelijke passende maatregelen ten aanzien van bestaande activiteiten?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van de auteurs dat de jurisprudentie bij plannen ruimte laat voor toepassing van intern salderen zonder additionaliteitstoets als maatregelen met positieve gevolgen, zoals het niet langer bemesten van agrarische gronden in verband met woningbouw, onlosmakelijk onderdeel van het plan zijn?
Die analyse kan ik volgen. Ik verwacht dat de Afdeling binnen afzienbare tijd een richtinggevende uitspraak zal doen over intern salderen bij plannen in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Aan die lijn hebben overheden zich vervolgens te houden. Ik wacht de verdere jurisprudentie op dit punt af.
Welke mogelijkheden ziet u voor adequate toepassing van het additionaliteitsvereiste binnen de kaders van de bestaande jurisprudentie, zodanig dat plannen en projecten niet onnodig belemmerd worden?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid advies te vragen aan de Raad van State en/of de Europese Commissie over de reikwijdte van het additionaliteitsvereiste?
Zoals eerder gezegd heeft de Staatssecretaris een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling ingediend. Ik ben daarnaast bereid om de Afdeling in voorkomende passende zaken het voorstel te doen om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie om te toetsen of de huidige jurisprudentie in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Het Europese Hof is de hoogste instantie die beslist over de uitleg van het Europees recht (de Habitatrichtlijn). De Afdeling beslist zelf of daartoe wordt overgegaan en welke vragen er vervolgens aan het Hof worden gesteld.
Het aanvullend onderzoek naar de staat van instandhouding van de wolf |
|
André Flach (SGP) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Wordt in het aanvullend onderzoek met betrekking tot de staat van instandhouding van de wolf niet alleen gekeken naar de staat van instandhouding van de wolf in relatie tot de habitatgeschiktheid in Nederland (Kamerstuk 2025D47367), maar ook naar de (redelijke) Nederlandse bijdrage aan een gunstige staat van instandhouding van de Centraal Europese wolvenpopulatie (500 roedels) vanuit het oogpunt van de relatieve habitatgeschiktheid?
Ja.
Wordt in het aanvullend onderzoek specifiek gekeken naar de habitatgeschiktheid in andere Europese landen waar de Centraal Europese wolvenpopulatie aanwezig is en de bijbehorende oppervlakte in vergelijking met de habitatgeschiktheid in Nederland?
In het aanvullend onderzoek wordt gekeken naar de habitatgeschiktheid van Nederland, rekening houdend met de omvang van Nederland en de ecologische kenmerken. Dit in relatie tot de habitatgeschiktheid in andere landen waar de Centraal-Europese wolvenpopulatie zich bevindt.
Deelt u de mening dat vergeleken met de Favourable reference population (FRP), zoals vastgesteld in andere lidstaten, ten opzichte van het bosoppervlak (Spanje: 0,002 wolf per vierkante kilometer; Roemenië: 0,04 wolf per vierkante kilometer; Bulgarije: 0,02 wolf per vierkante kilometer; Zweden: 0,001 wolf per vierkante kilometer; Letland: 0,009 wolf per vierkante kilometer) Nederland met ongeveer 100 tot 120 wolven (dus 0,03 wolf per vierkante kilometer) nu al een meer dan redelijke bijdrage levert aan de gunstige staat van instandhouding van de wolf in Europa, terwijl Nederland ook nog eens veel dichter bevolkt is dan genoemde lidstaten? Wordt een dergelijke vergelijking in het aanvullend onderzoek meegenomen?1
Ik maak mij ernstige zorgen over de aanwezigheid van wolven in Nederland als klein en dichtbevolkt land en heb de internationale deskundige onderzoekspartij gevraagd kennis en informatie over andere landen mee te nemen in het aanvullend onderzoek.
Het bericht ‘ Demonstrant aangehouden bij abortuskliniek in Amsterdam’ |
|
André Flach (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in Het Parool van 6 november jl. over de aanhouding van een persoon die een eenmensprotest houdt bij de abortuskliniek in Amsterdam-Oost?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een eenmensprotest niet onder de Wet openbare manifestaties (Wom) valt en derhalve niet aan een kennisgevingsplicht is onderworpen, maar primair onder artikel 7 van de Grondwet valt? Zo nee, waarom niet?
Kenmerkend voor een demonstratie is dat hierbij een collectieve mening wordt geuit. Eenmensprotesten vallen daarom niet onder de bescherming van het demonstratierecht en de Wet openbare manifestaties (Wom), maar onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Dit betekent dat zulke protesten niet zijn onderworpen aan de kennisgevingsplicht, die de Wom voor demonstraties voorschrijft. Een gemeente kan wel in de algemene plaatselijke verordening (APV) regels stellen voor eenmensacties. Die regels mogen, net zoals bij demonstraties, niet gaan over de inhoud van de uiting.
Indien een waarnemer aanwezig is bij het eenmensprotest kan dit reden geven voor het lokaal gezag om te beoordelen of er nog langer sprake is van een eenmensprotest of van een demonstratie. Om te blijven spreken van een eenmensprotest is, zoals benoemd door de Nationale ombudsman, van belang dat er sprake is van een duidelijk onderscheid tussen de (eenmans)activist en de waarnemer. De politie gaat bij die beoordeling af op hetgeen zij waarneemt. Of de aanwezigheid van een waarnemer in een concrete situatie een collectief karakter geeft is afhankelijk van de context van deze situatie en is aan het lokaal gezag om te beoordelen.
Hoe beoordeelt u de door sommige gemeenten gehanteerde opvatting dat de aanwezigheid van een waarnemer op afstand ertoe leidt dat sprake is van een «collectieve actie», in het licht van de opvatting van de Nationale ombudsman2 en juridische vakliteratuur3 dat een eenmensprotest haar karakter niet verliest door de aanwezigheid van een waarnemer?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat gemeenten, politie en Openbaar Ministerie grote terughoudendheid moeten betrachten bij het beperken of beëindigen van vreedzame eenmensprotesten, gelet op de ruime grondrechtelijke bescherming daarvan? Zo nee, waarom niet?
De wijze waarop specifiek wordt opgetreden en de vraag of een bepaalde activiteit onder de Wom of de APV valt, is aan het lokaal gezag. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent oordeelde geldt dat bij een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen. Dit kan worden meegewogen in de beoordeling om op te treden4.
Is het naar uw oordeel juridisch houdbaar dat gemeenten formele waarschuwingen of beperkingen baseren op de veronderstelling dat een eenpersoonsactie onder de Wom valt? Zo ja, op welke wettelijke grondslag berust dit?
Het is in de eerste plaats aan het lokaal gezag, in het bijzonder de burgemeester, om te bepalen of een protestactie kan worden aangemerkt als een demonstratie en derhalve onder de Wom valt of niet. Het is niet aan het kabinet om in een concrete casus te oordelen of een dergelijke afweging juist is. Of iets juridisch houdbaar is, is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen.
Welke criteria worden door Politie en Openbaar Ministerie gehanteerd bij het besluit om een persoon die een vreedzaam eenmensprotest houdt aan te houden, indien er geen aanwijzingen bestaan voor strafbare feiten of verstoring van de openbare orde, bovendien in de wetenschap dat het aanmerken van een eenmensprotest als demonstratie discutabel is? Hoe wordt in dit kader de proportionaliteit en noodzakelijkheid van vrijheidsbeneming gewaarborgd?
Zoals genoemd is het in de eerste plaats aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of een bepaalde actie onder het demonstratierecht valt en of er sprake is van strafbare feiten of een verstoring van de openbare orde. De politie en het OM treden niet op als er geen aanwijzingen zijn voor strafbare feiten. De wijze waarop wordt gehandhaafd en welk strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk optreden passend is, is afhankelijk van de omstandigheden waarbij de burgemeester en het Openbaar Ministerie (hierna: OM) dit ieder op hun eigen terrein zorgvuldig afstemmen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent oordeelde geldt in het bijzonder bij een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen, dat kan in de beoordeling worden betrokken5. Dergelijke besluiten kunnen getoetst worden bij de rechter. De rechter toetst in haar beoordeling ook op proportionaliteit en noodzakelijkheid. Ik en de Minister van Justitie en Veiligheid treden hier niet in.
Erkent u dat de aanhouding van personen die op vreedzame wijze een eenmensprotest houden een intimiderende werking kan hebben en mogelijk een ontmoedigend effect op de uitoefening van grondrechten veroorzaakt? Hoe wordt dit effect voorkomen en op welke wijze wordt hiermee rekening gehouden in de beleidskaders voor het politieoptreden?
Iedereen in Nederland heeft het recht om te demonstreren en gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting. Hierbij geldt dat iedereen die protesteert, waaronder eenmensactivisten, zich moet houden aan de wet- en regelgeving. In de APV van een gemeente kunnen beperkingen worden verbonden aan een eenmensprotest. Het is aan het lokaal gezag om te beoordelen of een eenmensprotest vreedzaam is en aan de burgemeester en het OM of bestuursrechtelijk of strafrechtelijk optreden nodig is.
Uit de praktijk blijkt dat gemeenten dit zorgvuldig doen en zich inspannen om de vrijheid van meningsuiting en de demonstratievrijheid zoveel mogelijk te faciliteren. Wanneer een eenmensactivist zich niet houdt aan de beperkingen die uit de APV volgen of anderszins strafbare feiten pleegt, kan worden besloten de politie in te zetten om de situatie te beëindigen. Dat is in lijn met de geldende wet- en regelgeving. De geldende wet- en regelgeving bieden immers ruimschoots mogelijkheden aan burgers om van hun vrijheid van meningsuiting en demonstratievrijheid gebruik te maken binnen de regels die daarvoor gelden.
Hoe heeft u uw toezegging4 van 22 januari 2025 gestand gedaan om gemeenten te voorzien van nadere richtlijnen of een geactualiseerde handreiking inzake de omgang met eenmensprotesten, opdat duidelijk is dat dit niet onder de Wom valt, en hoe de grondrechtelijke bescherming van artikel 7 lid 3 concreet moet worden toegepast? Kunt u de door u verspreide handreiking ook met de Kamer delen?
Naar aanleiding van deze toezegging zijn de bestaande instrumentaria met betrekking tot richtlijnen voor gemeenten inzake demonstraties en eenmensprotesten geanalyseerd. De conclusie is dat er al voldoende instructies zijn. Er bestaan diverse handreikingen over het demonstratierecht, zoals de handreiking van de gemeente Amsterdam.7 Hierin wordt ook ingegaan op eenmensprotesten. Daarnaast is er door de Rijksuniversiteit van Groningen een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen gratis en vrij toegankelijk informatie over het demonstratierecht kan inwinnen en een online adviestool kan raadplegen.8 Op deze website kan ook informatie worden gevonden over de thematiek van eenmensprotesten. Tot slot verwijzen wij naar de website van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.9 Hierop is praktische informatie over het demonstratierecht voorhanden, die toegankelijk is voor zowel adviseurs als bestuurders.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te waarborgen dat personen die een vreedzaam eenmensprotest houden in de toekomst niet onterecht worden belemmerd, bedreigd met sancties of aangehouden?
Voor zowel eenmensprotesten als demonstraties geldt dat zij niet onnodig mogen worden belemmerd wanneer zij als vreedzaam kunnen worden aangemerkt en zich begeven binnen de grenzen van de wet. In beide gevallen staat voorop dat de inhoud van de uiting, behalve wanneer dit strafbaar is gesteld, geen grond mag vormen voor beperkend overheidsoptreden. Tegelijkertijd vinden wij het belangrijk om te markeren dat eenmensprotesten en demonstraties niet in een vacuüm plaatsvinden en dat hierbij de rechten van anderen in het gedrang kunnen komen. In die gevallen is het belangrijk dat het lokaal gezag over de wettelijke ruimte beschikt om een adequate afweging te maken tussen de verschillende betrokken belangen. Bij de kabinetsreactie op het WODC-rapport «Het recht om te demonstreren in de democratische rechtstaat» zal het kabinet ingaan op de aanbevelingen met betrekking tot protestacties bij abortusklinieken. Dit doen wij tegen de achtergrond van recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip wanordelijkheden in de context van demonstreren bij abortusklinieken.