De jaarlijkse milieuschade van ruim 37 miljard euro |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Esther Ouwehand (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat Nederlandse bedrijven en consumenten jaarlijks ruim 37 miljard euro aan milieuschade veroorzaken?1
Dergelijke cijfers tonen mede aan hoe belangrijk milieubeleid is.
Erkent u dat met dit bedrag ook positieve bijdragen aan milieu en klimaat hadden kunnen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door de jaarlijkse kosten van de energietransitie te betalen (één tot drie procent van het BBP, oftewel 7 tot 21 miljard euro per jaar)?
Deze vergelijking gaat niet op. Het is niet zo dat uitgespaarde kosten voor milieuschade als middelen beschikbaar zouden komen voor energie- en/of klimaatbeleid.
Waarom is er in de prijsbepaling van broeikasgassen uitgegaan van milieuprijzen die een schade toestaan van 2,5 tot 3 graden Celcius temperatuurstijging in 2050, terwijl het streefcijfer 1,5 graad Celsius is? Kunt u schatten hoeveel Nederland aan milieuschade veroorzaakt wanneer het streefcijfer van 1,5 graad Celcius gehanteerd wordt?
Deze keuze van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) sluit aan bij de door het PBL en het Centraal Planbureau (CPB) gebruikte Welvaart en Leefomgevingsscenario’s.
In het rapport1 geeft het PBL aan dat bij het rekenen met 1,5 graad Celsius opwarming het schadebedrag hoger zou uitvallen. Daarbij wordt echter geen concreet bedrag genoemd.
Deelt u de mening dat de door het kabinet voorgenomen minimumprijs voor CO2 van 18 euro per ton CO2 in 2020 en 43 euro per ton CO2 in 2030 veel te laag is in vergelijking met de minimumprijs voor CO2 van 93 euro per ton CO2 die het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) hanteert om de klimaatdoelstelling van maximaal 2 graden Celcius opwarming te halen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Het betreft een minimumprijs. Deze prijs kan ook hoger uitvallen en richt zich overigens op elektriciteitsproducenten en niet de gehele ETS-sector. Bij het bepalen van deze prijs is mede rekening gehouden met de concurrentiepositie van de Nederlandse bedrijven en een gelijk Europees speelveld.
Deelt u de mening van het PBL dat Nederland met de aanpak van milieuproblemen sinds de jaren ’90 nog maar weinig resultaat heeft geboekt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?2
Voor zover het klimaatbeleid betreft, zijn we er in geslaagd een absolute daling in de uitstoot van broeikasgassen te bewerkstelligen en een ontkoppeling te realiseren tussen de uitstoot van broeikasgassen en de economische ontwikkeling. Ook voor veel andere milieuvraagstukken geldt dat we een aanzienlijke verbetering hebben gerealiseerd. De emissies van stikstofoxiden (NOx) en fijnstof door het wegverkeer zijn sinds 1990 jaarlijks gedaald en zijn in 2016 meer dan 70% lager dan in 1990. Dit ondanks dat in 2016 het aantal voertuigkilometers 36% hoger is dan in 1990.
Onderschrijft u de bevinding van het PBL dat verreweg de meeste door landbouw veroorzaakte milieuschade wordt veroorzaakt door de veeteelt?3 Zo nee, op basis van welke bronnen meent u dat het PBL ernaast zit?
Uit de berekeningen van het PBL blijkt dat de monetaire milieuschade in de landbouw vooral veroorzaakt wordt door de uitstoot van ammoniak en methaan en dat de uitstoot hiervan met name gerelateerd is aan de veehouderij.
Kent u de analyse van de voormalig VN-rapporteur voor het Recht op Voedsel, die stelt dat de prijs van ons eten in de supermarkt misleidend is, omdat we niet incalculeren wat het effect is op de leefomgeving en onze gezondheid, maar dat we die schade uiteindelijk alsnog betalen via de belasting?4 Deelt u deze visie? Zo nee, waarom niet? Kunt u op deze stelling reflecteren in het licht van de door het PBL berekende 6,5 miljard euro milieuschade die wordt veroorzaakt door de landbouw?
Ja, ik ben op de hoogte van deze analyse van de VN-rapporteur.
Het vraagstuk van de verborgen maatschappelijke kosten en onbetaalde of indirect betaalde rekeningen van de voedselproductie en -consumptie staat zowel in Nederland als internationaal steeds sterker in de belangstelling. De Minister van LNV verwijst in dit verband ook graag naar de brief over de accenten in het voedselbeleid, die u op 16 april jl. hebt ontvangen (Kamerstuk 31 532, nr. 193). Het onderwerp is ook meerdere keren in uw Kamer aan de orde gesteld. Over de exacte omvang van de externe kosten zijn de verschillende studies, die hier de afgelopen tijd over zijn verschenen, niet unaniem. Het PBL-rapport geeft ook aan dat onzekerheden over de berekeningen aanzienlijk zijn, onder andere vanwege verschillen in monetaire waardering.
Het is van belang dat de maatschappelijke kosten en baten, maar ook waarden die worden gerealiseerd met de productie van voedsel, transparant en zichtbaar worden gemaakt. Het meerjarenprogramma dat mij voor ogen staat moet meer inzicht in de afwentelingsmechanismen opleveren, evenals wat voor informatie verschillende actoren nodig hebben om hun rol en verantwoordelijkheid beter te kunnen nemen. Ofwel: hoe kunnen we betrokken partijen stimuleren en in staat stellen om meer duurzame keuzes te maken, zodat er geen kosten meer worden afgewenteld. Dit is true pricing en is een belangrijke doel van het meerjarenprogramma True Pricing, dat de Minister van LNV de komende jaren wil laten uitvoeren.
Wat de gezondheidskosten betreft, zet het kabinet stevig in op het stimuleren van de consumptie van gezonder en duurzaam voedsel. Ook bij de herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is het de inzet van het kabinet om de middelen, die uit het GLB in Nederland ter beschikking komen, meer te richten op de bijdrage aan de noodzakelijke verduurzaming van de landbouw en het realiseren van maatschappelijke doelen.
In het streven naar true pricing zijn de volgende fundamentele vragen richtinggevend: 1. hoe hoog zijn de onbetaalde rekeningen c.q. de negatieve externe maatschappelijke effecten van producten (productgroepen); 2.hoe worden kosten in het systeem afgewenteld, wat zijn de mechanismen en 3.wat zijn kansrijke richtingen voor het ontwikkelen van true pricing; wat voor informatie hebben verschillende partijen (bedrijven, burgers en overheid) nodig om hun rol en verantwoordelijkheid beter te kunnen nemen?
Er is de afgelopen jaren een groot aantal initiatieven en systemen ontwikkeld om meer zicht te kunnen krijgen en geven op externe maatschappelijke kosten en baten van het voedselsysteem. De stap van informatie naar gedragsverandering bij bedrijven en burgers gebeurt evenwel nog onvoldoende.
Kent u de analyse van de voormalig VN-rapporteur voor het Recht op Voedsel, die stelt dat we andere financiële prikkels nodig hebben, zoals het belasten van ongezond voedsel en het subsidiëren van duurzame landbouwproductie?5 Zo nee, waarom niet? Deelt u deze visie? Zo nee, waarom niet? Kunt u op deze stelling reflecteren in het licht van de door het PBL berekende 6,5 miljard euro milieuschade die wordt veroorzaakt door de landbouw?
Zie antwoord vraag 7.
Erkent u dat een daling van het aantal gehouden dieren in de landbouw zou bijdragen aan een daling van de uitstoot van ammoniak, methaan en lachgas? Zo nee, waarom niet?
De emissies van ammoniak en methaan zijn gerelateerd aan het houden van dieren en daarmee ook aan het aantal gehouden dieren.
Is de milieuschade van productieprocessen in het buitenland meegenomen (bijvoorbeeld sojaproductie voor de voeding van landbouwdieren)? Zo nee, kunt u schatten wat Nederland jaarlijks aan milieuschade veroorzaakt wanneer ook deze schade wordt meegenomen?
De milieuschade van productieprocessen in het buitenland is niet meegenomen. Er is veel informatie beschikbaar over de diversiteit en de omvang van de externe effecten (zoals klimaat en biodiversiteit) bij de productie van vlees, soja en palmolie voor het buitenland. Er zijn echter geen berekeningen bekend van geaggregeerde milieukosten die voortkomen uit het Nederlandse aandeel in de consumptie van deze producten.
Kent u het bericht «Luchtvaart blijft achter bij beperken uitstoot» en het onderliggende rapport van ING?6 7 Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de luchtvaartsector achterblijft bij het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen per euro toegevoegde waarde? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben bekend met het genoemde bericht. Het feit dat de klimaatefficiëntie van de luchtvaart zich minder sterk ontwikkelt dan die van andere sectoren is geruime tijd bekend. Brandstof is een belangrijke kostenpost voor luchtvaartmaatschappijen. Daarom is decennia lang geïnvesteerd in brandstofefficiëntie. Het wordt steeds moeilijker (en kostbaarder) om verdere reductie van brandstofverbruik en emissies binnen de luchtvaart te realiseren. In andere economische sectoren is dat minder kostbaar. Dat is één van de redenen waarom luchtvaart voor vluchten binnen de EU onderdeel uitmaakt van het EU emissiehandelssysteem (ETS) en dat er per 2021 een mondiaal CO2-compensatie en -reductiesysteem wordt ingevoerd (CORSIA). Dit stelt de luchtvaartsector in staat om rechten te kopen die (goedkopere) emissiereducties representeren van andere organisaties, veelal in andere sectoren. Daarnaast wordt blijvend geïnvesteerd in emissiereductie via technologische, operationele en infrastructurele maatregelen, als ook door de inzet van duurzame alternatieve brandstoffen.
Erkent u de stelling van het PBL dat de emissieregistratie van de luchtvaart incompleet is doordat emissies boven de 3.000 voet niet worden meegenomen? Wat is uw inzet om deze onvolkomenheid recht te trekken? Deelt u de mening dat de uitstoot van de luchtvaart desalniettemin zorgwekkend is? Zo nee, waarom niet?
Er zijn uiteenlopende manieren waarop de CO2-emissies van de luchtvaart worden geregistreerd. Daarbij kunnen verschillende onderdelen van een vlucht worden meegenomen, en desgewenst de uitstoot van luchthavens. De keuze voor één van de methoden is afhankelijk van hetgeen inzichtelijk gemaakt moet worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het onderscheid tussen emissies die nationaal dan wel internationaal plaatsvinden. Het is het vooral van belang dat verschillende informatiebronnen transparant zijn over hetgeen zij rapporteren.
Erkent u dat de enorme uitstoot van de luchtvaart wringt met het feit dat de luchtvaart niet is opgenomen in het Klimaatakkoord van Parijs, noch in het aanstaande Nederlandse Klimaatakkoord? Zo nee, waarom niet?
Ook de luchtvaartsector moet bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelstellingen van Parijs. Afgesproken is dat de hiervoor noodzakelijke CO2-emissiereductie wordt gerealiseerd via de VN-organisatie voor burgerluchtvaart (ICAO).
Voor wat betreft het Klimaatakkoord wordt aan de mobiliteitstafel gekeken hoe op nationaal niveau tot innovaties te komen en maatregelen te nemen om CO2-emissies verder te reduceren. Tot slot werkt het kabinet aan een vliegbelasting, bij voorkeur op EU-niveau.
Erkent u dat de belangen van latere generaties worden geschaad door het uitblijven van klimaatvooruitgang in de luchtvaartsector? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Deelt u de mening dat financiële doorrekeningen van beleid pas waardevol kunnen zijn wanneer tenminste ook de negatieve externe effecten zoals de milieuschade worden meegenomen? Zo nee, waarom niet? Kunt u schatten welke milieukosten microplastics met zich meebrengen? Zo nee, waarom niet?
Terecht moeten bij een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) de externe effecten zoals de milieuschade worden meegenomen. Dit is duidelijk vastgelegd in de algemene leidraad MKBA uit 2013. Financiële doorrekeningen die geen rekening houden met de maatschappelijke effecten van beleid dienen een ander doel: de directe financiële kosten en baten van een maatregel in beeld brengen.
Een algemene schatting van de milieukosten van microplastics is niet goed te geven. Het handboek milieuprijzen 2017 adviseert voor specifieke situaties op het gebied van toxiciteit geen gebruik te maken van milieuprijzen, maar onderzoek te doen naar verspreiding van toxische stoffen in het milieu, en de effecten op de menselijke gezondheid of de ecosysteemdiensten.
Grote problemen bij ROC Top |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat klopt er van het bericht «Grote problemen bij kleinschalig ROC Top»?1
Ik heb hiervoor contact opgenomen met het College van Bestuur van ROC TOP. Het College van Bestuur verwijst naar haar reactie die 23 juni 2018 na publicatie van het artikel in Het Parool is verzonden aan haar in- en externe stakeholders, waarin zij afstand nemen van de inhoud van dit artikel. Deze reactie is ondertekend door het College van Bestuur van ROC TOP, de voorzitters van de ondernemingsraad en de studentenraad van ROC TOP en het voltallig management van ROC TOP (zie ook bijlage).
Hangen de problemen van ROC Top mede samen met een concurrentieslag tussen ROC Top en ROC van Amsterdam, waarbij beide ROC’s dezelfde opleidingen aanboden en zich daarmee ook hebben gericht op dezelfde doelgroep studenten?
Nee. De mbo-scholen in Amsterdam werken al langer nauw samen aan de ontwikkeling en uitvoering van beroepsonderwijs binnen de «mbo agenda Amsterdam». Hiermee sluiten de mbo-scholen aan op het bestuursakkoord «2018–2022 Trots, vertrouwen en lef» waarin afspraken zijn gemaakt tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de MBO Raad over gezamenlijke ambities voor het mbo in de komende jaren.
Wat betekent de ontstane situatie voor de kwetsbare doelgroepen die wel bij ROC Top worden opgeleid, maar niet bij ROC van Amsterdam?
Beide mbo-scholen bedienen de kwetsbare doelgroepen in Amsterdam al jaren en dat verandert ook in de toekomst niet. Beide mbo-scholen bieden opleidingen op alle niveaus aan en hebben beiden een uitvalsvoorziening: ROC op Maat (ROC van Amsterdam) en Amsterdamse Plus (ROC TOP). De gemeente Amsterdam en de Amsterdamse mbo-scholen voeren constructieve gesprekken over het aanbod van onderwijs voor kwetsbare jongeren in de Amsterdamse context.
Is een nieuwe reorganisatie van ROC TOP in het belang van de mbo-studenten? Of is daarmee in de eerste plaats het belang en de continuïteit van de organisatie gediend?
Na de start 2012 heeft bij ROC TOP niet eerder een reorganisatie plaatsgevonden. Het College van Bestuur heeft mij benadrukt dat deze transitie het doel heeft om de studenten van TOP nog beter klaar te stomen voor hun toekomst. De accountant en de Raad van Toezicht van ROC TOP hebben geconstateerd dat de financiële continuïteit van ROC TOP gewaarborgd is (zie het Jaarverslag 2017 van ROC TOP).
Deelt u de mening dat de kwaliteit van het mbo meer gediend zou zijn met samenwerking en afstemming van het opleidingsportfolio dan de nu vaak voorkomende concurrentie tussen ROC’s met als doel zoveel mogelijk studenten binnen te halen en daarmee marktaandeel te verwerven?
Ik deel uw mening dat de kwaliteit van het mbo gediend is met samenwerking in plaats van groeien om te groeien in aantal studenten. De recente afspraken tussen ROC TOP, ROC van Amsterdam en ROC van Flevoland over een doelmatig aanbod laten zien dat in de regio Groot Amsterdam hier ook goede stappen in zijn gezet.
De berichten ‘Twaalf schapen afgeslacht in Overijssels weiland: was het een wolf?’, ‘Dit wil je niet nog een keer meemaken’ en ‘Wolf maakt mogelijk slachtoffers bij Aldtsjerk’ |
|
Helma Lodders (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Twaalf schapen afgeslacht in Overijssels weiland: was het een wolf?», «Dit wil je niet nog een keer meemaken» en «Wolf maakt mogelijk slachtoffers bij Aldtsjerk»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat boeren moeten vrezen voor het welzijn van hun dieren door de terugkeer van de wolf in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De wolf is een beschermde diersoort en bescherming van vee tegen predatie door wilde dieren, en huisdieren zoals honden, is een verantwoordelijkheid van dierhouders zelf. De provincie houdt de situatie goed in de gaten en ik laat mij op de hoogte stellen over de ontwikkelingen van het aantal wolven en de gevolgen die de opkomst van de wolf heeft.
Verder verwijs ik ook naar de website van BIJ12 van de provincies, waar voorbeelden staan van goede voorzorgsmaatregelen die de risico’s op schade door de wolf kunnen reduceren. Deze website kunt u vinden via de volgende link: https://www.bij12.nl/onderwerpen/faunazaken/faunaschade-preventiekit-fpk/module-wolven-vossen-en-marterachtigen/
Kunt u een overzicht geven van recente incidenten waarbij (landbouw)huisdieren gewond raakten of gedood werden door toedoen van een of meerdere wolven en van incidenten waarbij er een sterk vermoeden is dat er een wolf bij betrokken was?
De provincies houden bij in welke gevallen schade wordt veroorzaakt door wolven en ook in welke gevallen het blijkt te gaan om vossen of honden. Sinds maart 2015 is een 40-tal bevestigde meldingen van door wolven doodgebeten of verwonde schapen ingediend bij het provinciale uitvoeringsorgaan BIJ12.
Voor een overzicht daarvan verwijs ik u naar de website van BIJ12: https://www.bij12.nl/onderwerpen/faunazaken/faunaschade-informatie-per-diersoort/wolf/. Ik wijs er in dit verband op dat recent onderzoek heeft geïndiceerd dat er landelijk (zonder wolf) jaarlijks 4.000 tot 13.000 schapen worden gedood of verwond door honden en vossen.
Welke mogelijkheden biedt de overheid (landelijk of provinciaal) aan boeren om hun vee beter te beschermen tegen wolven?
Zie antwoord vraag 2.
Is recentelijk door provincies contact met u opgenomen om problematiek rondom wolven te bespreken en samen te kijken welke oplossingen mogelijk zijn?
De provincies hebben niet recent contact opgenomen met mijn departement, maar er is wel regelmatig contact met een provinciale werkgroep waarin de provincies gezamenlijk het wolvenbeleid afstemmen. Dit heeft onder andere geleid tot het operationeel draaiboek wolf, waarin ingegaan wordt op de consequenties van eventuele permanente vestiging van wolven in Nederland. Onderdelen daarvan zijn de wettelijke bescherming van wolven, mogelijkheden voor schadepreventie en intensieve monitoring.
Kunt u toelichten hoe de schadeafwikkeling bij aanvallen op dieren door een wolf op dit moment wordt uitgevoerd?
De provincies zijn in voorkomende gevallen verantwoordelijk voor de afhandeling van faunaschade. Een verzoek daartoe kan worden ingediend bij het BIJ12/Faunafonds. Daarbij wordt bepaald of de schade werkelijk door wolven is veroorzaakt en wordt een taxatie gemaakt van de hoogte van de schade. In het geval van bevestigde schade door wolven wordt deze schade – in tegenstelling tot faunaschade door andere soorten – volledig vergoed.
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om de wolf te verjagen of te bestrijden, zeker met het oog op de beschermde status van deze diersoort?
De wolf is een beschermde diersoort. Verjaging, vangen of doden is derhalve bij wet niet toegestaan. In het operationeel draaiboek wolf is voorzien in situaties waarin van deze bescherming kan worden afgeweken, bijvoorbeeld als er sprake is van afwijkend gedrag van een wolf door hondsdolheid.
Acht u het wenselijk dat op termijn meer mogelijkheden beschikbaar komen voor het verjagen of bestrijden van wolven, zeker in het geval dat de volksgezondheid in gevaar komt? Zo ja, aan welke maatregelen valt te denken? Zo nee, waarom niet?
De provincies hebben nu ook de mogelijkheid om over te gaan tot het vangen of doden van een wolf, als de noodzaak daartoe bestaat, bijvoorbeeld in het geval van een zieke wolf die gevaar voor mensen oplevert.
Bent u ervan op de hoogte dat in Duitsland een brede coalitie (met onder andere de Deutscher Bauernverband en de Deutsche Landwirtschafts-Gesellschaft) een plan heeft gepresenteerd waarbij de bescherming van mensen en landbouwhuisdieren centraal staat?2
Ja.
Acht u het wenselijk dat in Nederland ook een soortgelijk plan wordt ontwikkeld om conflicten met wolven te voorkomen? Zo ja, bent u bereid dit vorm te geven met provincies, boeren en belangenorganisaties, bijvoorbeeld door het aanpassen van het «operationeel draaiboek wolf»? Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat de provincies op dit moment bezig zijn met het aanpassen van het operationeel draaiboek wolf. Het lijkt mij wenselijk dat buitenlandse voorbeelden, zoals die in Duitsland, bij deze aanpassing worden meegewogen. Daarbij worden maatschappelijke organisaties zoals landbouworganisaties, natuurterreinbeheerders en dierenwelzijnorganisaties betrokken.
Ik heb er vertrouwen in dat deze samenwerking leidt tot een verantwoord beleid ten aanzien van het omgaan met wolven in Nederland.
Het bericht ‘het overmaken van de huurtoeslag aan woningcorporaties’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Leendert de Lange (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de Kamervragen over het bericht over het overmaken van de huurtoeslag aan woningcorporaties1?
Ja
Welk deel van de maandelijkse lasten zijn de woonlasten voor mensen die te maken hebben met schuldhulp of schuldsanering? Kunt u enkele voorbeelden geven van deze woonlasten voor verschillende soorten huishoudens en verschillende soorten sociale huurwoningen, bijvoorbeeld van € 300, € 500 en € 700 per maand?
De door u gevraagde informatie is helaas niet beschikbaar. Wel beschikbaar zijn de gemiddelde woonquotes van een aantal huishoudtypen bij de genoemde huurprijzen. Deze zijn in onderstaande tabel opgenomen.
huishouden
huur per maand
tot 300
300–500
500–700
eenpersoons
29%
37%
43%
paar zonder kinderen
–
27%
31%
paar met kinderen
–
24%
27%
1-ouder
–
29%
33%
Bron: WoON2015. Voor huren tot € 300 per maand zijn niet voldoende casussen om tot betrouwbare uitspraken over de woonquote te komen.
In het onderzoek Profielschets beslagene (uitgevoerd in het kader van de vereenvoudiging van de beslagvrije voet, https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/armoede-en-schulden/documenten/rapporten/2016/12/12/profielschets-beslagenen) zijn wel indicaties opgenomen over huishoudens die met loonbeslag te maken hebben. Hierin is onder meer opgenomen dat de meeste huurders met loonbeslag tussen de € 400 en € 710 aan huur betalen. Huishoudens die uit meerdere personen bestaan, betalen gemiddeld genomen meer huur. Alleenstaanden met kinderen en samenwonenden zonder kinderen betalen ongeveer evenveel huur per maand.
Kunt u een indicatie geven hoeveel mensen, die te maken hebben met schuldhulp of schuldsanering, kiezen voor een verhuizing naar een zo goedkoop mogelijke sociale huurwoning?
De door u gevraagde informatie is niet beschikbaar omdat de aanpak van de schulden maatwerk is waarvan landelijk geen cijfers worden bijgehouden.
Eerder heb ik op antwoorden van Kamervragen van de leden Koerhuis en De Lange (beiden VVD, Kamerstukken II, 2017–2018, 2018Z12625) over het overmaken van de huurtoeslag aan woningcorporaties aangegeven dat aan het ontstaan van problematische schulden dikwijls verschillende oorzaken ten grondslag liggen. Het is belangrijk om bij het oplossen van de financiële problemen daarvoor aandacht te hebben en de oorzaken zo mogelijk weg te nemen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor (integrale) schuldhulpverlening. Zij verlenen maatwerk om samen met de schuldenaar naar een structurele oplossing te zoeken om zijn of haar financiële problemen op te lossen. In dat kader kan het noodzakelijk zijn dat de woonlasten worden verlaagd. Per situatie kan een gemeente bij uitstek beoordelen hoe dat voor deze betreffende schuldenaar kan worden bewerkstelligd. Verhuizing naar een goedkopere woning kan in principe tot de mogelijkheid behoren.
Kunt u een indicatie geven voor hoeveel mensen in de schuldhulp of schuldsanering de corporaties meewerken aan het beschikbaar stellen van de goedkoopste sociale huurwoningen?
In 2017 hebben zich 94.200 mensen aangemeld bij de gemeentelijke schuldhulpverlening2. Gemeenten kijken bij elke schuldenaar op welke wijze de schulden het best zouden kunnen worden opgelost. Voor sommige schuldenaren kan onderdeel van de integrale oplossing zijn dat deze verhuist naar een goedkopere sociale huurwoning. In dat geval zal de gemeente hiervoor contact opnemen met de betrokken corporatie. Omdat het hier lokaal maatwerk betreft worden hierover geen landelijke gegevens bijgehouden. Ook Aedes, vereniging van woningcorporaties, heeft aangegeven hierover geen gegevens bij te houden.
Hoe gaan de landen om ons heen om met het verhuizen naar een zo goedkoop mogelijke sociale huurwoning voor mensen in de schuldhulpverlening? Zijn er «best-practices» die in Nederland overgenomen kunnen worden?
De hulpverlening aan mensen met problematische schulden is zeer divers georganiseerd in de landen om ons heen. Ook het geldende rechtssysteem en de woningmarkten zijn niet goed vergelijkbaar. Dat betekent dat mogelijke voorbeelden niet zonder meer toepasbaar zijn op de Nederlandse situatie. Over de Nederlandse situatie kan wel worden aangegeven dat corporaties veel doen om te voorkomen dat huurders met schulden in een problematische situatie terecht komen. Dat kan in de vorm van het passend toewijzen waardoor de te betalen huur en het inkomen in verhouding zijn, het vroegtijdig signaleren van huurachterstanden, en het bieden van maatwerk voor het oplossen hiervan.
De gemeentelijke schuldhulpverlening biedt voldoende ruimte om iemand met (dreigende) problematische schulden een passende oplossing te bieden. Daarvoor is het noodzakelijk dat partijen kijken op welke wijze de schuldhulpverlening het beste kan worden vormgegeven. Daarvoor is het niet per definitie nodig dat iemand naar een andere woning verhuist.
Deelt u de mening dat het verhuizen naar een zo goedkoop mogelijke sociale huurwoning helpt om minder woonlasten te hebben en zo een bijdrage kan leveren aan het voorkomen en oplossen van schulden en huurachterstanden? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij vraag 4 heb geantwoord, liggen aan problematische schulden dikwijls verschillende oorzaken ten grondslag. De aanpak vereist dan ook maatwerk. In dat kader kan het noodzakelijk zijn dat de woonlasten worden verlaagd. Verhuizing naar een woning met een lagere huur kan in principe tot de mogelijkheid behoren. Ook helpt hierbij dat woningcorporaties op grotere schaal dan in het verleden huurverlagingen toepassen.
Bent u bereid om met gemeenten en corporaties in overleg te gaan over oplossingen die een bijdrage leveren aan het voorkomen en oplossen van schulden en huurachterstanden?
Gemeenten en woningcorporaties kunnen belangrijke bijdragen leveren als het om het voorkomen van schulden en huisuitzettingen gaat. Huisuitzettingen, zeker als daar kinderen bij betrokken zijn, moeten zo veel mogelijk worden voorkomen. Dat vraagt dat gemeenten en woningcorporaties goede afspraken maken. Zoals in de brief over de brede schuldenaanpak (Kamerstuk 24 515, nr. 431) is aangegeven zal in de uitwerking van de afspraken met gemeenten ook aandacht zijn voor het voorkomen van huisuitzettingen.
Overigens doen corporaties al heel veel om huisuitzettingen te voorkomen. Al een paar jaar neemt het aantal huisuitzettingen uit corporatiewoningen af.
2006
7.500
2007
8.550
2008
7.650
2009
5.900
2010
5.900
2011
6.000
2012
6.480
2013
6.980
2014
5.900
2015
5.550
2016
4.800
2017
3.700
Woningcorporaties blijven op verschillende manieren alles doen om huisuitzettingen te voorkomen, ook al is er sprake van schulden. Zo hebben corporaties nog meer inspanningen en middelen ingezet om het snel oplopen van huurschuld te voorkomen.
De samenwerking met gemeenten (wijkteams) en schuldhulpverlening bij het vroeg signaleren van schulden is bijvoorbeeld versterkt door het afsluiten van convenanten en het maken van prestatieafspraken hierover. Daarnaast nemen corporaties zelf steeds meer maatregelen. Uit onderzoek is gebleken dat het goed werkt om bij de eerste signalen van huurachterstanden zo snel mogelijk persoonlijk contact op te nemen, hetzij via de telefoon hetzij met een huisbezoek. Corporaties maken steeds meer gebruik van andere middelen om oplopende huurachterstand te voorkomen. Ook na een gerechtelijk vonnis blijven corporaties zoeken naar manieren om huisuitzetting te voorkomen.
Gemeenten en corporaties doen alles wat in hun vermogen ligt om huurachterstanden te voorkomen en schulden zoveel mogelijk tegen te gaan. Aanvullend overleg over dit onderwerp acht ik op dit moment dan ook niet nodig.
Het te vroeg intreden van de zomerperiode voor het OV-studentenreisproduct van studenten in de regio Noord |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Weet u dat van 16 juli t/m 16 augustus er sprake is van de «zomerperiode» voor studenten, waarbinnen zij hun weekreisproduct voor het openbaar vervoer niet regulier kunnen gebruiken en alleen korting krijgen op hun reiskosten?1
Ja. Deze «zomerperiode» is in de jaren »90 van de vorige eeuw ingevoerd bij de introductie van het week-reisproduct en het weekend-reisproduct, om de kosten van het studentenreisproduct te beheersen.
Bent u ook bekend met het feit dat de regio Noord pas zomervakantie heeft vanaf 21 juli en dat studieverplichtingen voor studenten in deze regio dus langer door kunnen gaan dan het begin van de zomerperiode van het studentenreisproduct?2 Zo ja, hoe beoordeelt u dan de ophef die hierover onder studenten is ontstaan omdat zij door deze niet aansluitende data een week zelf flink kosten moeten maken voor hun vervoer van en naar hun onderwijsinstelling?
Ja, ik ben bekend met het feit dat er studenten in de regio Noord zijn die in de week van 16 tot en met 20 juli 2018 nog naar hun stageadres of onderwijsinstelling moeten reizen, bijvoorbeeld voor een les, een examen of een herkansing. Studenten met een week-studentenreisproduct, kunnen die week niet gratis reizen. Zij krijgen in die week wel korting (40% in de trein en 34% in de bus/tram/metro), maar ik begrijp dat een aantal van hen ontevreden zal zijn over de reiskosten die ze in die week hebben.
Overigens is het zo dat mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten zelf hun vakantiedata bepalen. Echter, zij kiezen er regelmatig voor aan te sluiten bij de schoolvakantie-data die voor die regio worden vastgesteld voor de scholen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Daarbij geldt dat de zomervakantie per regio elk jaar wisselt en dat regio’s twee jaar achterelkaar als eerste of als laatste aan de beurt zijn voor de zomervakantie. Daarmee wordt de eerste week vanaf 16 juli (waarin studenten met een week-reisproduct niet gratis maar met korting kunnen reizen) ook gerouleerd over de verschillende regio’s en betreft het dus niet altijd de regio Noord.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met DUO om de zomerperiode van het studentenreisproduct voor de regio Noord een week later in te laten gaan of om studenten te laten compenseren voor extra gemaakte reiskosten? Zo nee, waarom niet?
Het studentenreisproduct is een generiek product, dat voor alle studenten in Nederland precies hetzelfde is. Nadat DUO heeft vastgesteld dat een student recht heeft op een reisproduct, kan de student zijn week- of weekendproduct zelf op een ov-chipkaart laden bij een zogeheten ophaalautomaat. Hij kan met dit generieke product vervolgens in het hele land met het openbaar vervoer reizen.
De optie om het studentenreisproduct af te stemmen op bijvoorbeeld de regio waar de student woont of studeert, is momenteel niet beschikbaar. Om dit mogelijk te maken, zouden zowel aan de kant van DUO als aan de kant van het openbaar vervoer verstrekkende aanpassingen in de processen en systemen nodig zijn.
Het verstrekken van een financiële compensatie aan studenten die in de week van 16 tot en met 20 juli 2018 nog naar hun onderwijsinstelling of stageadres moeten reizen, vergt uitvoeringstechnisch grote inspanningen en brengt administratieve lasten met zich mee. Zo moeten er bijvoorbeeld administratieve processen worden ingericht om te kunnen controleren of de betreffende studenten daadwerkelijk onderwijsactiviteiten hadden in die week.
Het inkorten of afschaffen van de zomerperiode van het studentenreisproduct voor alle studenten in Nederland, zou ertoe leiden dat studenten veel meer niet-onderwijs-gerelateerde reizen maken. Deze aanpassing zou leiden tot extra gereisde kilometers en daarmee extra kosten en vergt een onderhandeling met de vervoersbedrijven in Nederland. Voor deze aanpassing is immers een wijziging nodig van het contract dat het Ministerie van OCW met hen heeft.
Juist omdat ik weet dat er vanuit uw Kamer ook een wens leeft om op het studentenreisproduct te besparen, zie ik als gevolg van het bovenstaande onvoldoende aanleiding om aanpassingen te maken in de zomerperiode van het studentenreisproduct.
Het plan om brievenbussen weg te halen in Gorinchem |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Acht brievenbussen weg in Gorinchem: «onbegrijpelijk»»?1
Ja.
Wat is de reden dat zeker twee brievenbussen die volgens de Stichting Gorinchems Platform voor Gehandicaptenbeleid (SGPG) op onmisbare plekken staan mogelijk worden weggehaald?
Met de wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening in 2016 heeft PostNL de ruimte gekregen om het aantal brievenbussen en postvestigingen te verminderen. Dit proces wordt gefaseerd uitgevoerd. In het kader van de herinrichting van haar locatienetwerk hanteert PostNL het zogenaamde «Locatiebeleid» (van december 2015), waarvan de uitgangspunten zijn afgestemd met koepelorganisaties als de ouderenbonden, Ieder(in), vertegenwoordigers van VNG, het RIVM en de Landelijke Vereniging van Kleine Kernen. Drie factoren zijn van belang bij de keuze voor de locatie van brievenbussen en dienstverleningspunten: het wettelijk kader waaraan PostNL moet voldoen, de klantbehoefte, en tot slot het daadwerkelijke gebruik van het netwerk. PostNL meet systematisch het gebruik van brievenbussen. Deze cijfers geven een betrouwbaar beeld van het gebruik van brievenbussen, inclusief seizoensinvloeden. Daarmee ontstaat gedegen informatie voor de optimale inrichting van het netwerk en voor de keuze tussen brievenbussen op lokaal niveau. Indien de benuttingsgraad onder een bepaald minimum komt, kost het in stand houden van de brievenbus meer dan dat het oplevert. PostNL heeft een sterke prikkel om haar netwerk zo kostenefficiënt mogelijk in te richten. Het optimaliseren van de benuttingsgraad van een brievenbus kan in dat verband leiden tot het opheffen of herplaatsen van een brievenbus op een andere locatie. Ook geografische en demografische factoren als een nieuwe wijk, toegangswegen, ontsluiting van OV-punten, winkelcentra of de nabijheid van een zorginstelling spelen daarbij een rol.
Voorafgaand aan een voorgenomen wijziging van het aantal brievenbussen start PostNL een adviesproces. In dat kader ontvangt een gemeente een informatieve brief over de voorgenomen herplaatsing van brievenbussen met de uitnodiging om belangenorganisaties aan te dragen. Lokaal vindt het adviesproces met lokale belangenverenigingen en plaatselijke afdelingen van landelijke organisaties voor kwetsbare gebruikers plaats. Dit overleg is bedoeld om PostNL in staat te stellen zoveel mogelijk rekening te houden met de behoeften van kwetsbare groepen. Deze inbreng wordt meegenomen bij de herplaatsingsplannen, waarna PostNL tot uitvoering overgaat. Het is aan PostNL om uiteindelijk een definitieve afweging te maken binnen de wettelijke kaders. Als er daarna toch nog nieuwe klachten binnenkomen, doet PostNL zo nodig nieuw onderzoek. Als daar aanleiding voor bestaat, kan dat bijvoorbeeld leiden tot herplaatsing van een brievenbus. Ik begrijp van PostNL dat in het geval van Gorinchem de werkzaamheden nog niet zijn gestart.
Kunt u aangeven of PostNL de adviezen van de SGPG (deels) niet heeft overgenomen? Zo ja, wat was hiervan de reden?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het bericht dat veel gebruikte brievenbussen moeten verdwijnen en veel minder «populaire» bussen blijven staan? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om aan PostNL te vragen of zij bereid is om opnieuw met de betreffende welzijnsorganisatie(s) en de gemeente Gorinchem in overleg te treden om te bezien op welke wijze de brievenbussen in Gorinchem voldoende toegankelijk kunnen blijven voor kwetsbare groepen, zoals senioren die minder goed ter been zijn en inwoners met een beperking?
De huidige wet- en regelgeving, tezamen met het door PostNL in samenspraak met belangenorganisaties ingerichte adviesproces zoals beschreven in het «Locatiebeleid», biedt reeds meer dan voldoende basis voor adequate afstemming tussen PostNL en lokale behoeften en wensen. Naar mijn stellige overtuiging doorloopt PostNL dit proces uitermate zorgvuldig, verzorgt zij tijdige communicatie met betrokken lokale vertegenwoordigers en bestuurders en tracht zij reeds zoveel mogelijk maatwerk te leveren. De ACM is verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van de regelgeving ten aanzien van de universele postdienst. Ik heb van de ACM geen signalen ontvangen die voor mij aanleiding zijn mij hierin te mengen.
Het Akkoord op Hoofdlijnen dat de Staat heeft gesloten met Shell en ExxonMobil |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom is het akkoord gezien het budgetrecht van de Kamer, zoals vastgelegd in de Comptabiliteitswet, niet van tevoren ter goedkeuring naar de Kamer gestuurd?
Conform de Comptabiliteitswet 2016 mag een Minister namens de Staat overeenkomsten aangaan zonder voorafgaande instemming van het parlement. Op basis van deze bevoegdheid is het de Staat die overeenkomsten met private partijen afsluit. Nu de onderhandelingen zijn afgerond kunt met mij in debat gaan over het akkoord en aan de hand van het parlementaire budgetrecht de financiële gevolgen hiervan controleren.
Waarom was het nodig nieuwe afspraken te maken? Twijfelde u aan de aansprakelijkheid van de NAM voor de schade geleden als gevolg van de gaswinning?
Op 29 maart heeft het kabinet besloten de gaswinning in Groningen op zo kort mogelijke termijn te beëindigen. Nu we de laatste fase van gaswinning in Groningen ingaan, hebben we ook heldere, toekomstbestendige afspraken nodig. Deze week heb ik met Shell en ExxonMobil, de aandeelhouders van NAM, een akkoord gesloten dat in het teken staat van een verantwoorde afbouw van de gaswinning. Ik heb nooit getwijfeld aan de aansprakelijkheid van NAM voor de gevolgen van bodembeweging.
Was de NAM aansprakelijk voor de kosten van de versteviging?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhouden de antwoorden op vragen 2 en 3 zich tot uw uitspraken in het verleden, waarin u altijd heeft gezegd dat de NAM aansprakelijk is voor alle schade als gevolg van de gaswinning (zoals «(d)e verplichting tot het vergoeden van aardbevingsschade ten opzichte van gedupeerden in Groningen, is een wettelijke verplichting van NAM»)?
Die sluiten daarbij aan.
Was deze overeenkomst noodzakelijk om ervoor te zorgen dat niet langer de NAM beslist hoeveel gas er wordt gewonnen? Is dit niet reeds verzekerd met het wetsvoorstel dat op 28 juni 2018 in de Kamer behandeld zal worden?
Nee, de overeenkomst was daartoe niet nodig. In de wijziging van de Mijnbouwwet wordt geregeld dat NAM een winningsverplichting krijgt. De overeenkomst regelt meer dan de hoeveelheid te winnen gas, zoals de garanties en het financieel robuust houden van NAM om de noodzakelijke hoeveelheid gas te kunnen blijven winnen.
Waarom staat overal in het Akkoord op Hoofdlijnen dat de inhoud vertrouwelijk zal blijven? Waarom is gekozen om de inhoud te openbaren? Waarom is dit niet van begin af aan de intentie en de houding geweest?
Het is gebruikelijk dat bedrijfsvertrouwelijke informatie niet openbaar wordt gemaakt. Aangezien op voorhand duidelijk was dat er bedrijfsvertrouwelijke informatie in dit Akkoord op Hoofdlijnen zou staan, is deze passage direct opgenomen. Vanaf het begin heeft het kabinet ingezet op maximale transparantie. Gedurende het proces is door partijen het gesprek over transparantie verder gevoerd met als resultaat om zoveel als mogelijk van dit Akkoord op Hoofdlijnen, buiten de bedrijfsvertrouwelijke informatie, openbaar te maken.
Wat wordt bedoeld met paragraaf 3.2 van het Akkoord op Hoofdlijnen? Betekent dit dat Shell en ExxonMobil weer inspraak krijgen in de hoeveelheid gas die gewonnen wordt als de winning onder de 12 miljard kuub duikt? Betekent dit dat de hoogte van de gaswinning afhankelijk wordt van de solvabiliteit van de NAM, terwijl partijen hadden verklaard hoe dan ook garant te staan voor de verplichtingen van de NAM? Hoe verhoudt paragraaf 3.2 zich tot paragraaf 3.3?
Shell en Exxon committeren zich aan het afbouwen van de winning. Echter, bij de lagere volumes in de laatste jaren van de winning zal moeten worden bezien op welke wijze de samenwerking met Shell en ExxonMobil vorm wordt gegeven. Het betekent niet dat Shell en Exxon inspraak krijgen op de hoogte van de winning en het betekent ook niet dat de hoogte van de winning wordt bepaald door de solvabiliteit van NAM. Paragraaf 3.3. heeft betrekking op de aanpassing van de Mijnbouwwet en paragraaf 3.2 over de aannames die gehanteerd worden bij de afbouw van de winning naar nul.
Wat betekent de tweede bullet van artikel 3.8 van het Akkoord op Hoofdlijnen? Betekent dit dat de leveringszekerheid boven de veiligheid van Groningers blijft staan? Staat hier dat de winning niet eerder naar nul mag dan wanneer ook de gasbehoefte nul is?
In de tweede bullet van artikel 3.8 staat dat als er geen volume meer nodig is uit het Groningenveld, het Groningenveld ook niet meer beschikbaar is voor capaciteit voor bijvoorbeeld back-up voorzieningen. Anders gezegd, als er geen gas meer nodig is uit het Groningenveld om aan de laagcalorische vraag te voldoen dan wordt het veld ingesloten. De stikstofinstallaties zijn dan in staat om aan de volledige laagcalorische vraag te voldoen. De tweede bullet gaat dus over de afbouw van de winning en zegt niets over de weging van veiligheid en leveringszekerheid.
Kunt u gedetailleerd beschrijven hoeveel geld er in welk jaar beschikbaar komt voor de versterking van de economie en de leefbaarheid in de regio Groningen? Hoe worden deze bijdragen verdeeld tussen ExxonMobil, Shell en de Staat? Hoe verhouden deze bijdragen zich tot de kostenverdeling tussen partijen, alsmede de dividendverdeling? Kunt u een reactie geven op de publicatie van het Financieel Dagblad (FD) en BNR1, waarin staat dat de Staat opdraait voor bijna 90% van de bijdrage? Waarom spiegelde u eerder bewust voor dat beide bedrijven een half miljard bijdragen aan de toekomst van Groningen?
Op dit moment zijn alleen de bedragen duidelijk die NAM en het Rijk in ieder geval zullen bijdragen. Er is nog geen uitsplitsing beschikbaar per jaar. Dit is afhankelijk van de uitkomsten van de gesprekken met de regio. Voor de rest van het antwoord op uw vraag verwijs ik naar mijn brief van vandaag over het artikel uit het FD over dit onderwerp.
Worden deze bedragen beïnvloed door de verminderde rechten van de Staat in de opbrengsten van de gasbaten? Hoe was de verhouding geweest als de verdeling tussen de Staat en Shell en Exxon gelijk was gebleven?
De uitgaven die NAM hiervoor doet worden beschouwd als kosten van winning en leiden dus tot een lagere winst uit de winning van Groningengas. De uitgaven van NAM worden niet beïnvloed door de wijziging van de financiële afdrachten. In de oude situatie leidden kosten van NAM tot lagere inkomsten voor de Staat van 64% van het desbetreffende bedrag en 36% verminderde winst voor Shell en Exxon. In de nieuwe situatie is dat 73% voor de Staat en 27% voor Shell en Exxon.
Vindt u ook dat de terminologie die door u gebezigd is, namelijk dat de Staat en de NAM ieder 50% zouden bijdragen, in het licht van het artikel van het FD op zijn minst misleidend is? Denkt u dat de onoplettende lezer dit had opgemaakt uit uw woorden?
Nee, want de Staat draagt direct bij aan 50% van de uitgaven en NAM de overige 50%. De bijdrage van NAM wordt vervolgens verwerkt op de gebruikelijke wijze via de afdrachtenregels.
Betekent het citaat «(d)e Staat heeft de intentie dat NAM niet meer zelf jegens gelaedeerden aansprakelijk zal zijn voor schade door Bodembeweging» dat het Fonds aansprakelijk wordt? Hoe is dit juridisch geregeld als de NAM primair aansprakelijk is voor schade als gevolg van gaswinning?
Nee, dit betekent dat ik voornemens ben om met een wetsvoorstel dat ik in voorbereiding heb te regelen dat personen die als gevolg van bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld of de gasopslag Norg voortaan niet meer de NAM maar de Staat moeten aanspreken voor hun schade. De Staat zorgt voor een adequate afwikkeling van de schade en verhaalt de kosten hiervan vervolgens op NAM, die financieel aansprakelijk blijft voor deze kosten.
Hoe is geborgd dat de NAM aansprakelijkheid behoudt mocht het fonds niet aan zijn verplichtingen kunnen voldoen?
In het wetsvoorstel dat ik in voorbereiding heb, is geborgd dat altijd een adequate afhandeling van schade als gevolg van bodembeweging zal plaatsvinden.
Waarom is voor Norg de omkering van de bewijslast niet van toepassing?
Het wettelijke bewijsvermoeden zoals opgenomen in artikel 177a, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geldt voor gaswinning uit het Groningenveld. De gasopslag Norg staat los van het Groningenveld. Er is echter wel een directe verbinding tussen het Groningenveld en de gasopslag Norg waardoor de gasopslag Norg, kan worden opgevat als onderdeel van de gaswinning uit het Groningenveld. Zo kan het bewijsvermoeden ook ten aanzien van de gasopslag bij Norg worden toegepast. Dat is staande praktijk bij de afhandeling van schade door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade. Hierin verandert door het Akkoord op Hoofdlijnen niets. Ook met het nieuwe wetsvoorstel voor de publieke afhandeling van schade, dat ik binnenkort voor consultatie openbaar maak, blijft dit het geval.
Wie vergoedt de kosten van het Fonds die zijn opgenomen in de uitzonderingen van artikel 5.3 van het Akkoord? Waarom vallen ook de huisvestingskosten onder deze uitzondering?
De Staat neemt deze kosten op zich. Om de onafhankelijkheid van degenen die besluiten over de toekenning van de schade volledig te borgen wordt zowel hun bezoldiging als de kosten voor de huisvesting door de Staat betaald.
Hoe wordt het bestuur van het fonds ingericht? Aan wie rapporteert het bestuur van het fonds? Hoe wordt onafhankelijkheid geborgd? Welke rechtsvorm zal het fonds kennen? Wie verschaft het aanvangskapitaal van het fonds, en hoe groot zal dit zijn?
In het Regeerakkoord 2017 «Vertrouwen in de Toekomst»2 is opgenomen dat er een schadefonds komt onder onafhankelijke publieke regie en dat de afhandeling van schade en herstel onafhankelijk plaatsvindt van NAM. Om dit te regelen start ik zeer binnenkort een consultatie voor het Wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen. In dit wetsvoorstel vraag ik alle geïnteresseerden onder andere te reageren op deze vragen.
Welke wettelijke heffing wordt bedoeld in Artikel 5.11 dat stelt dat betalingen door NAM zullen worden verricht op grond van een wettelijke heffing? Is dit een bestaande heffing?
In het Wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen dat binnenkort ter consultatie wordt gelegd stelt de Minister van EZK een nieuwe heffing voor.
Waarom kan de NAM niet langer btw verrekenen?
Vanaf 19 maart 2018 is de afhandeling van schade als gevolg van aardbevingen in publieke handen gekomen (bij de Tijdelijke Commissie Mijnschade Groningen, TCMG). Omdat de NAM geen directe opdrachtgever meer is van aannemers die schade herstellen, kan de NAM de betaalde BTW niet meer terugvorderen.
Kunt u in percentages aangeven welk percentage van de gasbaten naar de Staat vloeit, welk percentage naar Shell en welk percentage naar ExxonMobil? Kunt u aangeven hoe veranderende kostenniveaus van invloed zijn op de gasbaten voor de Staat? Kunt u aangeven hoe kosten precies worden verdeeld tussen de drie partijen? Hoe beïnvloedt dit het dividend?
De MOR-Afdracht is een afdracht aan de Staat die afhankelijk is van de omzet. Hierdoor ontving de Staat de afgelopen jaren gemiddeld 85 tot 90% van de winst van het Groningengas en NAM 10 tot 15% van de winst. De winst van NAM komt toe aan de aandeelhouders van NAM (50% Shell en 50% ExxonMobil). De kosten werden verdeeld in de 64/36 schijf, zodat uiteindelijk 64% voor rekening van de Staat komt en 36% voor NAM. Naar de toekomst toe wordt de winstverdeling in lijn gebracht met het wettelijk regime dat van toepassing is op bijna alle gasvelden in Nederland. Dit leidt er toe dat de Staat 73% van de winst ontvangt en NAM 27%. Opbrengsten en kosten worden hierbij op dezelfde manier verdeeld: 73% voor de Staat en 27% voor Shell en ExxonMobil. Het percentage van 27% is dus niet afhankelijk van het niveau van de kosten. Dit heeft geen invloed voor het dividend van NAM, want daar zijn apart afspraken over gemaakt.
Waarom is er voor gekozen om de NAM alleen over 2018 en 2019 geen dividend uit te laten keren?
Door over deze jaren geen dividend uit te keren worden de reserves van NAM flink versterkt. Vanaf 2020 kan slechts dividend worden uitgekeerd indien NAM voldoet aan overeengekomen eisen. Hiermee wordt zeker gesteld dat ook op de lange termijn NAM financieel robuust blijft.
Worden de intenties van artikel 6.5 van het Akkoord vastgelegd in duidelijk meetbare en toetsbare criteria? In hoeverre valt over een passage als «NAM in staat zal zijn haar bedrijfsactiviteiten te kunnen blijven uitvoeren» te onderhandelen?
De passage is voldoende concreet om uitvoering aan te geven en is de uitkomst van onderhandelingen.
Betekent artikel 6.9 van het Akkoord op Hooflijnen dat de overeenkomst geldig is totdat de situatie minder rooskleurig is dan nu? Wat is de houdbaarheid van dit Akkoord op Hooflijnen, nu partijen terecht stellen dat de omzet van de NAM onherroepelijk zal teruglopen? Betekent dit niet dat in het Akkoord op Hooflijnen nu al een passage is ingebouwd die terugonderhandelen door ExxonMobil en Shell uitlokt?
Het akkoord op hoofdlijnen is een gebalanceerd pakket waarbij op basis van de afbouw van de winning van Groningengas ook rekening is gehouden met de financiële situatie van NAM. Immers, NAM moet wel in staat zijn om de noodzakelijke hoeveelheid Groningengas te kunnen blijven winnen. Artikel 6.9 van het Akkoord ziet toe op de uitzonderlijke situatie in de eindfase van de winning, wanneer NAM niet meer in staat is aanzienlijke extra kosten op te vangen. Mocht dit optreden dan zal ik met Shell en Exxon in overleg treden. Dit betekent niet dat dit behoeft te leiden tot een aanpassing van het Akkoord.
Bent u van oordeel dat zonder artikel 6.11 de twee oliebedrijven succesvol een claim hadden kunnen indienen voor gasreserves die niet gewonnen zullen worden? Zo ja, hoe groot heeft u die claim beoordeeld? Hoe verhoudt dit zich tot het grotere aandeel dat de oliebedrijven nu zullen ontvangen in de komende gasopbrengsten?
Het Groningengas is eigendom van NAM. Door de keuze van het kabinet om de winning uit Groningen zo snel mogelijk te beëindigen blijft er 450 miljard m3 gas met een waarde van 70 miljard euro onder de grond blijft zitten. Dat is een grote hoeveelheid gas. Zoals ik eerder heb aangegeven was het mijn inzet om te voorkomen dat Shell en Exxon een claim zouden indienen en dat is gelukt. Hoe succesvol een dergelijke claim zou zijn geweest en hoeveel compensatie er al dan niet zou moeten worden betaald is op voorhand niet aan te geven. Dit zal moeten worden vastgesteld door middel van arbitrage, maar er moet rekening mee worden gehouden dat het hier gaat om miljarden. Voor mij is de uitkomst van de onderhandelingen relevant. Weliswaar neemt het aandeel van de oliebedrijven in de winst toe, maar hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de winning snel daalt en dus ook de winsten snel afnemen.
Het akkoord op hoofdlijnen is een gebalanceerd totaalpakket, waar het afzien van een claim voor niet gewonnen gas onderdeel van uit maakt.
Is het Akkoord op Hooflijnen reeds door alle partijen geaccordeerd? Waren zij over de hoofdlijnen van de inhoud al eerder op de hoogte gesteld?
Ja, het Akkoord op Hoofdlijnen is door alle partijen ondertekend nadat de onderhandelingen waren afgerond.
Heeft het Akkoord op Hooflijnen gevolgen voor de mensen met schade in Noord-Drenthe? Zo ja, welke?
Nee, het akkoord heeft geen gevolgen voor de afhandeling van schade voor de mensen in Noord-Drenthe.
Waarom hoeft conform uw stelling de daling van de gasbaten niet te worden ingepast onder het uitgavenplafond? Hoe verhoudt dit zich tot het regeerakkoord, waarin juist is besloten de gasbaten onder de kaders te plaatsen?
Alleen volumebesluiten hoeven te worden ingepast onder het uitgavenkader.
De afspraken in het Akkoord op hoofdlijnen hebben geen betrekking op het te produceren volume en dus is er ook geen effect op het uitgavenkader. De afspraken uit het regeerakkoord staan niet ter discussie. Zoals ook in mijn Kamerbrief van 25 juni jl. is aangegeven, zullen de budgettaire gevolgen van het Akkoord op Hoofdlijnen worden verwerkt in de Miljoenennota. In de begroting zal een meerjarige doorkijk voor de begrotingsperiode worden geboden van de totale aardgasbaten.
Heeft u spijt van deze afspraak in het regeerakkoord? Bent u bereid het regeerakkoord op dit punt te wijzigen?
Zie antwoord vraag 26.
Kunt u gedetailleerd aangeven welke financiële gevolgen van het Akkoord op Hooflijnen nu wel en niet volgens u gedekt moeten worden/onder de kaders vallen? Kunt u daarbij een jaarsgewijze raming tot 2030 maken en expliciet, maar niet limitatief, ingaan op de kosten voor schadeherstel, de kosten voor de versterkingsoperatie, de compensatie voor waardedaling van woningen en panden, de investeringen in de leefbaarheid in Groningen, de verminderende (of toenemende) gasbaten, opgesplitst naar mutaties door veranderingen in de prijs en veranderingen in het winningsvolume en de verwachte opbrengst en kosten voor de overheid, Exxon en Shell?
Zie antwoord vraag 26.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat van aanstaande donderdag 28 juni 2018, aangezien de coalitie bij meerderheid afdwong dat het Akkoord op Hoofdlijnen besproken moet worden bij het debat over de nieuwe gaswet?
Ja.
Het bericht ‘Rijbewijs vanaf 4 juni met toepassing inloggen DigiD’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, «Rijbewijs vanaf 4 juni met toepassing inloggen DigiD»?1
Ja.
Is het waar dat vanaf 26 mei 2018 rijbewijzen zijn uitgereikt met een nieuwe chip?
Ja. Dit is conform de aankondiging in mijn voortgangsbrief eID van 31 januari jl. (Kamerstuk 26 643, nr. 514) waarin ik heb opgemerkt dat volgens planning in het tweede kwartaal van dit jaar zal worden gestart met de uitgifte van rijbewijzen met een nieuwe chip op het hoogste DigiD betrouwbaarheidsniveau.
Is het waar dat de rijbewijzen vanaf 4 juni 2018 ook worden voorzien van de nieuwe functie om in de toekomst in te kunnen loggen via DigiD en rijbewijs op websites van overheid, zorg en pensioenfondsen? Zo ja, wat is er tussen 26 mei en 4 juni veranderd?
Ja. Dit is mogelijk gemaakt bij wijziging van de «Regeling vaststelling modellen rijbewijzen« (IENW/BSK-2018/96488, 2 juni 2018)2. Sinds 26 mei 2018 zijn rijbewijzen van een nieuwe chip voorzien. Sinds 4 juni 2018 staat op deze nieuwe chip de nieuwe e-functie (DigiD op het hoogste betrouwbaarheidsniveau).
Is het waar dat de burger de nieuwe inlogfunctie niet kan gebruiken, totdat de Wet digitale overheid zal zijn ingevoerd?
In mijn voortgangsrapportage programma eID (Kamerstuk 26 643, nr. 550) heb ik onder meer aangegeven dat er een pilot (met ongeveer 200 deelnemers) is gehouden met rijbewijzen met een nieuwe chip om daarmee in te loggen op websites van overheidsdienstverleners op het hoogste Europese betrouwbaarheidsniveau. De uitkomsten ervan worden momenteel verwerkt.
Bij een succesvolle uitkomst van de pilot kunnen burgers vanaf een nog nader te bepalen moment inloggen met gebruikmaking van de chip op het rijbewijs. Dit tijdstip wordt onder andere bepaald door het moment waarop de benodigde functionaliteit in productie is genomen en de vereiste onderdelen van de Wet digitale overheid in werking zijn getreden.
Een en ander wordt uitgewerkt in het implementatieplan zoals aangegeven in mijn voortgangsrapportage programma eID (Kamerstuk 26 643, nr. 550).
Sinds 4 juni worden rijbewijzen met deze nieuwe chip uitgegeven. Burgers kunnen tot het hierboven genoemde nader te bepalen moment ervoor kiezen de nieuwe inlogfunctie niet op het rijbewijs te laten plaatsen. Hiertoe zijn tot op heden geen verzoeken ontvangen.
Burgers die wel beschikken over de nieuwe inlogfunctie, worden actief geïnformeerd over het moment waarop met de nieuwe inlogfunctie kan worden ingelogd en kunnen online de pincode aanvragen om de nieuwe functionaliteit te activeren.
Wanneer zal de Wet digitale overheid naar verwachting in werking kunnen treden?
Het voorstel voor de Wet digitale overheid is op 19 juni ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstuk 34 972). Afhankelijk van de voortgang van de behandeling door de beide Kamers zal inwerkingtreding naar verwachting in 2019 kunnen plaatsvinden.
De wet zal overigens gefaseerd worden ingevoerd, afhankelijk van de mate waarin de uitvoerende organisaties in staat zijn te voldoen aan de gestelde eisen en gebruikers beschikken over de inlogmiddelen.
Een aantal artikelen, zoals die betreffende het rijbewijs, de grondslag voor het heffen van leges voor rijbewijzen met een nieuwe chip op het hoogste betrouwbaarheidsniveau en de grondslag voor het bij algemene maatregel van bestuur verplichten van standaarden, zal – zo is het voorstel – meteen na plaatsing in het Staatsblad in werking treden.
Hoeveel rijbewijzen met een inlogfunctionaliteit worden er uitgegeven tot de verwachte inwerkingtreding van de Wet digitale overheid?
Naar verwachting worden er tot aan 1 januari 2019 ruim 1 miljoen rijbewijzen uitgegeven. In 2019 worden er gemiddeld een half miljoen rijbewijzen per kwartaal uitgegeven.
Is het waar dat de burger de inlogfunctionaliteit van het nieuwe rijbewijs alleen kan activeren door tussenkomst van de gemeente? Zo ja, welke administratieve lasten brengt dit met zich mee voor de burger en voor de gemeenten?
Nee. De burger activeert zelf online de nieuwe inlogfunctie (het zgn. e-Rijbewijs), zonder hiervoor eerst weer naar de gemeente te gaan. De burger kan hierbij worden ondersteund door de helpdesk.
Vanaf het moment dat de nieuwe inlogfunctie kan worden gebruikt (zie antwoord op vraag 4) ontvangen burgers de pincode, waarmee zij op de DigiD website het e-rijbewijs kunnen activeren.
De burgers die vóór dat moment een rijbewijs met de nieuwe inlogfunctie hebben verkregen, kunnen vanaf dat moment de behorende pincode zelf aanvragen. De burger wordt hierover actief geïnformeerd en ontzorgd.
De initiële pin wordt op een dusdanig beveiligde wijze verstrekt dat die enkel bruikbaar is door de burger voor wie die initiële pin is bedoeld. Op de DigiD website kan de burger daarmee het e-Rijbewijs activeren en een zelfgekozen pin instellen.
Waarom verschilt het nieuwe beeldmerk op de achterkant van het rijbewijs (uitgegeven vanaf 4 juni 2018), dat aangeeft dat het rijbewijs een inlogfunctionaliteit heeft, van DigiD? Deelt u de mening dat dit verwarrend kan zijn voor de burger?
Die mening deel ik niet.
Het beeldmerk voor de nieuwe inlogfunctie op het rijbewijs geeft aan dat het een inlogmiddel is waarmee op het hoogste Europese betrouwbaarheidsniveau toegang gekregen kan worden tot digitale diensten. De burger kan zelf vaststellen of het rijbewijs, waarover de burger beschikt, daarvoor geschikt is.
Rijbewijzen met de nieuwe chip en inlogfunctie zijn daarmee geschikt gemaakt om via de DigiD app en NFC lezer op het mobiele device of aan de computer in te loggen bij websites van de overheidsdienstverleners op het hoogste Europese betrouwbaarheidsniveau. In dit geval vervult DigiD de rol van authenticatiedienst.
Verschillende beeldmerken maken het verschil tussen beide rollen, namelijk inlogmiddel versus authenticatiedienst, helder.
Daarnaast gaat een goede herkenbaarheid, namelijk dat het rijbewijs voor het hoogste Europese betrouwbaarheidsniveau geschikt is, straks helpen in de communicatie.
Het afschaffen van het vrijwillig eigen risico |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de analyse van de bestuursvoorzitter van zorgverzekeraar DSW dat het eigen risico omlaag kan als gestopt wordt met het geven van kortingen aan gezonde mensen via het vrijwillige eigen risico? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Uit cijfers van Vektis2 blijkt dat in 2018 12,6 procent van de verzekerden heeft gekozen voor een vrijwillig eigen risico.
De analyse van de bestuursvoorzitter van zorgverzekeraar DSW deel ik niet. De inkomsten van het verplicht eigen risico vallen onder het Uitgavenplafond Zorg (UPZ). De premiekortingen en extra inkomsten uit het vrijwillig eigen risico vallen neer in de private bedrijfsvoering van de zorgverzekeraar. Daarmee heeft het afschaffen van het vrijwillig eigen risico geen invloed op het UPZ, behalve dat er dan potentieel een stijging van zorguitgaven te verwachten valt als gevolg van een verminderd remgeldeffect. Hierdoor zal er derhalve geen budgettaire ruimte ontstaan om het verplicht eigen risico te verlagen.
Deelt u de mening van de bestuursvoorzitter DSW dat het afschaffen van de korting van het vrijwillige eigen risico enkel een verschuiving van de lasten is en dat daarmee de verdeling tussen ziek en gezond eerlijker wordt verdeeld? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Verzekerden met een vrijwillig eigen risico ontvangen een premiekorting, omdat zij meer financieel risico accepteren en een groter deel van de kosten zelf moeten betalen wanneer ze zorg gebruiken.
Het meest recente onderzoek van het CPB (zie Kamerstuk 29 689, nr. 783) laat zien dat er geen duidelijk bewijs is dat het vrijwillig eigen risico in de periode 2010–2013 de risicosolidariteit in het zorgstelsel heeft aangetast. Het CPB vindt een kleine verschuiving (van 5 euro) van verzekerden zonder vrijwillig eigen risico naar verzekerden met een vrijwillig eigen risico. Dit bedrag valt echter binnen de onzekerheidsmarges van het onderzoek. Daarnaast geven zorgverzekeraars de winsten die zij behalen op de verzekerden met een vrijwillig eigen risico niet geheel via de premiekorting terug aan deze verzekerden. De NZa heeft eerder aangegeven dat zorgverzekeraars de winsten inzetten om premiestijgingen van verliesgevende polissen te beperken (zie Kamerstuk 29 689, nr. 769).
Deelt u de mening dat het vrijwillig eigen risico de solidariteit ondergraaft, omdat verzekerden zonder vrijwillig eigen risico de premiekorting van verzekerden met vrijwillig eigen risico moeten opbrengen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid verzekeraars te vragen inzicht te geven in hoeveel mensen gebruik maken van het vrijwillig eigen risico en hoeveel het wettelijk eigen risico omlaag zou kunnen als zij het vrijwillige deel niet meer zouden hanteren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid met een voorstel te komen om het vrijwillige eigen risico af te schaffen, zodat voor iedereen het wettelijk eigen risico omlaag kan? Zo nee, waarom niet?
Ik zie op dit moment geen reden om het vrijwillig eigen risico af te schaffen. Het vrijwillig eigen risico maakt verzekerden bewust van de kosten van zorg en biedt hen een keuzemogelijkheid. Deze keuzemogelijkheid is van belang voor het draagvlak van gezonde verzekerden voor ons zeer solidaire zorgstelsel. Tot slot merk ik graag op dat zorgverzekeraars niet verplicht zijn een vrijwillig eigen risico aan te bieden.
Het bericht 'Het no cure no pay-verbod binnen de advocatuur moet worden opgeheven' |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Het no cure no pay-verbod binnen de advocatuur moet worden opgeheven»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel. Ik merk op dat hierin geen melding wordt gemaakt van het thans binnen de advocatuur lopende experiment met resultaat gerelateerd belonen.
In hoeverre kan «no cure no pay» in de advocatuur gunstige gevolgen hebben voor de kosten van de advocatuur en voor de toegang tot het recht?
In 2014 is een experiment gestart met resultaat gerelateerde beloning in letsel- en overlijdensschade zaken. Na zorgvuldige afweging is een wijziging in de verordening op de praktijkuitoefening (onderdeel resultaat gerelateerde beloning) vastgesteld waarin strikte voorwaarden zijn neergelegd waarbinnen resultaat gerelateerde beloning in dit experiment kan worden beproefd. Het doel van het experiment is het vergroten van de toegang tot het recht van cliënten die niet voor een toevoeging in aanmerking komen, maar voor wie rechtsbijstand door een advocaat toch een te hoge financiële drempel zou betekenen om hun recht te halen bij letselschadezaken. Momenteel wordt door de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) geëvalueerd of en in welke mate dit doel ook is bereikt.
Kunt u een overzicht geven van andere Europese landen die geen verbod op «no cure no pay» hebben? Wat zijn de effecten in die landen op de kosten van de advocatuur en de toegang tot het recht?
Ik heb geen overzicht van andere Europese landen die geen verbod op «no cure no pay» hebben, noch van de effecten in die landen op de kosten van de advocatuur en de toegang tot het recht. Op basis van de evaluatie van het experiment met resultaat gerelateerde beloning zal ik bezien of het opstellen van een dergelijk overzicht meerwaarde heeft.
Hoe verloopt de proef die momenteel loopt over «no cure no pay» bij letselschade- en overlijdensschadezaken? Klopt het dat deze proef per 1 januari 2019 stopt? Bent u bereid de proef voort te zetten?
De proef met resultaat gerelateerde beloning in letsel- en overlijdensschadezaken die in 2014 is gestart loopt inderdaad eind dit jaar af. Momenteel wordt de proef door de NOvA geëvalueerd. De uitkomsten zijn nog niet bekend. Een besluit over het al dan niet voortzetten van de regeling is mede afhankelijk van de uitkomsten van deze evaluatie. Voor het einde van dit jaar neemt de NOvA een beslissing over het al dan niet voortzetten van de proef met resultaat gerelateerde beloning in letsel- en overlijdensschadezaken.
Zou «no cure no pay» ook bij andere rechtsgebieden nuttig kunnen zijn? Zo nee, waarom niet?
In 2014 is bewust gekozen om het experiment te beperken tot letsel- en overlijdensschadezaken omdat dit rechtsgebied zich vanwege specifieke kenmerken leent voor een dergelijk experiment. Zo worden in letselschadezaken vaak lange procedures gevoerd en kunnen de kosten hoog oplopen. Of resultaat gerelateerde beloning ook bij andere rechtsgebieden nuttig zou kunnen zijn moet afzonderlijk worden bezien en is mede afhankelijk van de uitkomsten van het lopende experiment.
Het bericht dat Noord-Holland opheldering eist over uitspraken Wiebes over Pallas-reactor |
|
Maurits von Martels (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Noord-Holland eist opheldering over uitspraken Wiebes over Pallas-reactor»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de stichting Voorbereiding Pallas-reactor moet wachten of het laatste gedeelte van de beloofde lening van 40 miljoen euro van de provincie Noord-Holland wel komt?
Ik verwacht op korte termijn tot besluitvorming inzake de go/no-go te kunnen komen. Ik ben niet verantwoordelijk voor de besluitvorming van de provincie Noord-Holland. Ik ga ervan uit dat de provincie Noord-Holland zorgvuldig handelt en zo beoordeelt of het laatste gedeelte van de lening ook overgemaakt kan worden naar de stichting Voorbereiding Pallas-reactor.
Deelt u de mening dat in het belang van patiënten die medische isotopen nodig hebben geen vertraging moet ontstaan in het tijdschema van PALLAS?
Zoals ook in de brief2 over de vervolgonderzoeken van de Hoogambtelijke werkgroep nucleair landschap aan uw Kamer in dit voorjaar is aangegeven bereidt de stichting Voorbereiding Pallas-reactor een reactor voor die na 2025 de huidige Hoge Flux Reactor beoogt te vervangen.
Ik vind voorzieningszekerheid van medische isotopen voor de patiënten ook voor de volgende decennia essentieel. Dat is ook de reden dat het Rijk ook een lening aan de stichting Voorbereiding Pallas-reactor heeft verstrekt.
In welke mate beïnvloedt de opstelling van gedeputeerde staten van Noord-Holland uw besluit om tot 2020 te wachten met het besluit om al dan niet verder te gaan met Pallas en/ of Lighthouse?
Het is van belang dat de komende periode voortgang wordt gemaakt met beide initiatieven, daarom is een tijdig go/no-besluit voor Pallas van belang. De status van Ligthouse is nog te prematuur om van invloed te zijn op de huidige besluitvorming omtrent Pallas. Zoals in de eerder genoemde brief3 aan uw Kamer is beschreven, is er overlap tussen Pallas en Lighthouse, maar er zijn ook verschillen. Zo zal Pallas een breed arsenaal aan medische isotopen kunnen gaan produceren die in de gezondheidszorg gebruikt worden. Lighthouse richt zich voornamelijk op één diagnostische isotoop, Mobybdeen-99.
Het overmaken van het restant van de lening van de provincie Noord-Holland is van belang zodat de stichting Voorbereiding Pallas-reactor door kan gaan met de voorbereidingen voor de bouw van de reactor na 2020. Uitgangspunt daarbij is dat de bouw van de nieuwe Pallas reactor privaat gefinancierd zal worden.
Voor de goede orde, ook voor Lighthouse geldt dat dit privaat gefinancierd zal worden.
Bent u bereid het overleg met de provincie Noord-Holland op zeer korte termijn op te starten, zodat een gemeenschappelijk besluit over de derde tranche binnen twee weken genomen kan worden en voorkomen wordt dat PALLAS niet aan haar verplichtingen kan voldoen?
Er is intensief contact met de provincie Noord-Holland.
Meer dan 100 Nederlandse studenten die hun kamer moeten verlaten voor internationale studenten |
|
Harry van der Molen (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: UvA’er Robin: «Lullig dat ik eruit moet voor een internationale student» en het nieuwsbericht van de Universiteit van Amsterdam (UvA) «UvA realiseert 220 extra tijdelijke studentenkamers»?1 2
Ja.
In hoeverre is dit een uitkomst van gesprekken tussen huisvesters, instellingen en gemeenten zoals u aangeeft in uw internationaliseringsbrief van 4 juni jl.?
De huisvesting van internationale studenten is niet het gevolg van mijn brief over internationalisering in het hoger onderwijs, maar hangt wel samen met de problematiek rondom de huisvesting van (internationale) studenten die wij al vaker in uw Kamer besproken hebben en waarover mijn collega van BZK en ik onlangs ook een brief hebben gestuurd naar gemeenten, onderwijsinstellingen en huisvesters. De aanvang van de gesprekken tussen alle betrokken partijen bij de huisvesting van studenten in de Bijlmerbajes, te weten de eigenaar (AM), leegstandsbeheerder (Alvast) en de UvA/HvA/VU om internationale studenten vanaf augustus te huisvesten dateert van eind 2017. Dit initiatief was dus al genomen voor het verschijnen van de internationaliseringsbrief van 4 juni jl.
Wat is de reden dat in het nieuwsbericht van de Universiteit van Amsterdam van 7 juni jl. wordt aangegeven dat de extra kamers bovenop het al bestaande aanbod komen en uit het artikel van 22 juni jl. blijkt dat Nederlandse studenten uit hun kamer gezet worden voor internationale studenten?
Het beschikbare contingent studentenwoningen voor internationale studenten van UvA Student Housing bestaat momenteel uit 3.250 woningen. Dit betreft woningen van de huisvestingspartners van de UvA, die voor de middellange termijn beschikbaar zijn voor UvA en HvA studenten. In verband met de toegenomen vraag naar huisvesting heeft de UvA zich ingespannen om voor het academisch jaar 2018–2019 een aantal tijdelijke oplossingen aan het voornoemde contingent toe te voegen, één daarvan is op de locatie Bijlmerbajes. Op deze locatie wordt door de UvA en de VU gezamenlijk tijdelijke huisvesting voor internationale studenten gerealiseerd. Pas op het moment dat deze locatie geschikt is gemaakt voor internationale studenten, tellen de kamers als extra capaciteit op het bestaande aanbod.
Voorafgaand aan het geschikt maken van de kamers voor de tijdelijke huisvesting van internationale studenten, verbleef een mix van Nederlandse- en buitenlandse studenten via een anti-kraak constructie tijdelijk in de Bijlmerbajes. Een dergelijke anti-kraak constructie wordt vaak getroffen in het kader van leegstandsbeheer en is per definitie tijdelijk, maar behoort niet tot het bestaand aanbod van studentenhuisvesting. Aan betreffende studenten is op voorhand duidelijk gemaakt dat hun verblijf slechts tijdelijk zou zijn en zij zekerheid zouden hebben tot augustus 2018. Hopelijk vinden deze studenten snel alternatieve huisvesting. De betreffende leegstandsbeheerder beziet ook of hiervoor mogelijkheden zijn (zie ook vraag 6).
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat ruim 100 Nederlandse studenten hun kamer moeten verlaten voor internationale studenten en dat het gebouwen betreft die op de lijst staan om in februari 2019 te worden gesloopt?
Nee die mening delen wij niet, om twee redenen.
Er wordt door de gemeente, onderwijsinstellingen en huisvesters gezocht naar oplossingen om het kamertekort voor studenten het hoofd te bieden. De transformatie van de Bijlmerbajes is niet de enige nieuwe ontwikkeling op het gebied van studentenhuisvesting in Amsterdam. Dat, naast het zoeken naar structurele oplossingen, ook gezocht wordt naar tijdelijke oplossingen, zoals het tijdelijk benutten van leegstaande gebouwen, is in een zo’n krappe woningmarkt als Amsterdam alleen maar te begrijpen.
De tweede reden is dat er geen sprake is van verdringing, zoals de vraagstelling suggereert. De Bijlmerbajes wordt tot aan de sloop in 2019 geschikt gemaakt voor de tijdelijke huisvesting van internationale studenten. Ook daar is grote behoefte aan. Bovendien is de doelgroep van internationale studenten bij uitstek geschikt om tijdelijk te huisvesten omdat veel internationale studenten ook maar voor een deel van hun studie in Nederland verblijven.
Door de eigenaar en leegstandsbeheerder is besloten om, totdat de woningen voor internationale studenten gereed zijn, een anti-kraakwacht in de woningen te huisvesten. De leegstandsbeheerder heeft aan de huidige bewoners duidelijk gemaakt dat het om een anti-kraak gebruikersovereenkomst tegen een lage vergoeding gaat, waarbij gebruikers gewezen zijn op de opzegtermijn van 28 dagen. Ook is bij het aangaan van het contract aangegeven dat er zekerheid was tot augustus 2018.
Deelt u de mening dat het draagvlak voor internationale studenten niet toeneemt onder Nederlandse studenten als studenten aangeven «het voelt alsof ik minder belangrijk ben dan internationale studenten»? Wat wilt u doen om dit tegen te gaan? Was het voor de integratie niet beter geweest als Nederlandse en internationale studenten hier gemengd zouden gaan wonen?
De onjuiste beeldvorming die is ontstaan over deze situatie helpt inderdaad niet mee, waar het gaat om het draagvlak voor internationale studenten. Zoals u weet werken mijn collega en ik aan een nieuw actieplan studentenhuisvesting. Dit zal in het najaar gereed komen. Daarin zal lokaal maatwerk het uitgangspunt zijn. Uitgaande van de situatie in Amsterdam zien we dat kennisinstellingen, gemeenten en huisvesters samen naar oplossingen zoeken om de beschikbaarheid van studentenwoningen voor alle studenten, Nederlandse en internationale, te vergroten. Wat betreft de tijdelijke woonruimte op de locatie Bijlmerbajes is gekozen voor het huisvesten van internationale studenten om de druk op de Amsterdamse studentenwoningmarkt tijdelijk te verlichten. Het gaat hier ook echt om tijdelijke huisvesting, tot aan de sloop van de panden in 2019. Internationale studenten zijn hiervoor, zoals ook aangegeven bij vraag 4, een goede doelgroep, omdat zij ook vaak maar tijdelijk in Nederland verblijven.
Bent u bereid om er bij de UvA op aan te dringen dat zij ook voor de getroffen studenten huisvesting vinden?
De studenten die van te voren wisten dat hun verblijf in de Bijlmerbajes tijdelijk zou zijn, zullen op zoek moeten gaan naar een alternatieve oplossing voor de periode na augustus 2018. Via de UvA begrijpen we dat de betreffende leegstandsbeheerder hierbij behulpzaam wil zijn. De brief die ik samen met de Minister van BZK onlangs heb gestuurd naar alle gemeenten, onderwijsinstellingen en huisvesters in de studentensteden, roept deze partijen op om gezamenlijk naar een oplossing te zoeken voor alle studenten.
Welke situaties zijn er nog meer bekend, waarin Nederlandse studenten hun kamer moeten verlaten voor internationale studenten?
Die zijn ons niet bekend.
De niet nagekomen beloftes van de regering van Malta |
|
Harry van der Molen (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de commentaren die Jason Macallef, de directeur van culturele hoofdstad Valetta (Malta), gemaakt heeft over de vermoorde journaliste Daphne Caruana Galizia?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat velen daarop geschokt gereageerd hebben en zijn optreden veroordeeld hebben, waaronder tientallen schrijvers en de Europese Commissie?1 2
Ik heb kennis genomen van deze berichtgeving.
Heeft u gezien dat culturele hoofdstad Leeuwarden Fryslân 2018 daarop veel uitwisselingen heeft afgezegd en Minister Owen Bonnici van Malta beloofde uitleg te komen geven?3
Leeuwarden Fryslân 2018 heeft op 26 april jl. bekend gemaakt voorlopig geen officiële vertegenwoordigers naar Valletta af te vaardigen en geen officiële uitnodigingen naar de organisatie Malta-Valletta2018 te sturen. De projecten binnen het samenwerkingsprogramma Valletta2018 worden blijvend ondersteund. In reactie daarop heeft de Maltese Minister van Cultuur, Owen Bonnici, bekend gemaakt een bezoek aan Friesland te willen brengen.
Heeft u kennis genomen van het feit dat Minister Bonnici helemaal geen uitleg wil geven?
De Maltese Minister van Cultuur, dhr. Owen Bonnici, heeft aangekondigd op korte termijn een bezoek te zullen brengen aan Friesland.
Bent u bereid om contact op te nemen met de regering van Malta en er op aan te dringen dat zij wel publiek en meer specifiek Leeuwarden Fryslân opheldering verschaffing?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 4.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat drie leden van het Europees parlement onderzoek gedaan hebben en dat hun conclusies over het onderzoek schokkend zijn? Namelijk: «The investigation on the assassination of Daphne Caruana Galizia is stalling».4
Ik heb kennisgenomen van de bevindingen van de delegatie van drie Europarlementariërs, Mw. Ana Gomes, Mr. Sven Giegold en Mr. David Casa, aan Malta.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Europol van mening is dat er ruimte is voor verbetering in de samenwerking bij het onderzoek?5
Ja.
Kunt u aangeven welke rol de Nederlandse politie en forensische experts gespeeld hebben bij het onderzoek? Hoe lang zijn zij in Malta geweest en hoe lang hebben zij aan de zaak gewerkt?6
Op verzoek van de Maltese autoriteiten is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) assistentie verleend aan de Maltese politie bij hun onderzoek naar de moord. Dit verzoek is gebaseerd op een Memorandum van Overeenstemming uit 2016 tussen het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Maltese Ministerie van Sociale Dialoog, Consumentenzaken en Burgervrijheden op het terrein van forensische samenwerking. Het team, bestaande uit de drie forensisch deskundigen van het NFI en de forensisch deskundige van de politie, is op donderdag 19 oktober 2017 afgereisd naar Malta en is op zondag 22 oktober 2017 huiswaarts gekeerd. De sporen die het NFI heeft ontvangen, en die mogelijk resten van het gebruikte explosief bevatten, zijn onderzocht en geanalyseerd door het NFI. Het NFI werkte drie weken aan dit explosievenonderzoek, inclusief rapportage. De conservering van een item ten behoeve van digitaal onderzoek duurde vier dagen, inclusief rapportage.
Welke acties onderneemt u, als Nederland of in Europees verband, om er bij Malta op aan te dringen dat de onderste steen boven komt en degenen die opdracht gegeven hebben voor deze aanslag worden gestraft?
De Maltese autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het onderzoek naar de moord op journaliste Daphne Caruana Galizia en het opsporen en berechten van de daders. In Europees verband worden de Maltese autoriteiten daar ook op gewezen, onder andere door Commisaris Jourova tijdens haar bezoek aan Malta op 15 juni jl. (zie ook: http://europa.eu/rapid/press-release_SPEECH-18–4182_en.htm). Daarnaast is er in het kader van de Raad van Europa veel aandacht voor deze zaak. In bilateraal kader heeft Nederland het belang van het oplossen van de moord aan de orde gesteld.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
De steun van de Nederlandse regering aan de rebellen in Zuid-Syrië |
|
Martijn van Helvert (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in maart 2018 aan de Kamer schreef dat u de oppositie in het Zuiden van Syrië blijft steunen met Non Lethal Assistance?1
Ja.
Herinnert u zich dat u aan de Kamer schreef dat u op dat moment alleen groepen van het Vrije Syrische Leger steunde?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat president Donald Trump al halverwege 2017 besloot om de steun aan het Vrije Syrische Leger te beëindigen?2
Ja.
Welke andere landen geven publiekelijk toe dat zij rebellen in Zuid-Syrië steunen in 2018?
Naast Nederland stelt ook de VS publiekelijk dat het de gematigde gewapende oppositie in Zuid-Syrië in 2018 heeft gesteund.
Welke andere landen steunen verder nog rebellen in Zuid-Syrië in 2018?
Naast de VS is bij het kabinet bekend dat een andere EU-lidstaat steun heeft gegeven aan de gematigde gewapende oppositie in Zuid-Syrië in 2018. Of andere landen steun verlenen aan de gematigde oppositie maken landen niet bekend omdat het programma’s betreft die hoge risico’s dragen voor betrokken partijen waaronder de uitvoerders en gesteunde groepen. Van Jordanië is bekend dat het altijd steun heeft uitgesproken, maar behalve het faciliteren van steun van derden is onbekend of, en wat, Jordanië zelf hebben bijgedragen.
Met welke landen werkt Nederland samen om de oppositie in Zuid-Syrië te steunen?
Nederland leverde in Zuid-Syrië een bijdrage aan het NLA programma dat werd uitgevoerd door een andere EU-lidstaat (referte het verslag van het Schriftelijk Overleg van 11 mei 2018 Kamerstuk 32 623, nr. 219). Uitvoering van het programma werd afgestemd met Jordanië.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Syrië en Rusland met een offensief bezig zijn in Zuid-Syrië en dat de Amerikanen aan de oppositie hebben aangeven dat zij niet op steun hoeven te rekenen?3
Ja.
Herinnert u zich dat u met de Nederlandse steun aan rebellen in Noord-Syrië stopte nadat het Vrije Syrische Leger daar massaal samenwerkte met het Turkse leger?
De kamer is per brief op 23 januari 2018 vertrouwelijk geïnformeerd over de redenen van het stopzetten van een deel van de NLA in Noord-Syrië.
Kort daarna is besloten ook de resterende delen van het NLA programma in Noord-Syrië te beëindigen (waaronder in Idlib), zoals vermeld in de kamerbrief van 14 maart jl.
Zijn de rebellen in Zuid-Syrië, die door Nederland uitgerust zijn, overgelopen, hebben zij zich overgegeven of vechten zij nog steeds?
Op dit moment is er geen indicatie dat door Nederland eerder gesteunde gematigde gewapende groepen zijn overgelopen. Een aantal van de groepen bevindt zich in gebied waar gevochten wordt, andere groepen bevinden zich in gebieden waar niet wordt gevochten.
Welke concrete resultaten heeft het steunen van rebellen in Zuid-Syrië opgeleverd?
Steun aan de gewapende oppositie via Non-Lethal Assistance (NLA) was de afgelopen jaren onderdeel van geïntegreerd Nederlands beleid op Syrië. De kamer is gedurende de loop van het programma regelmatig via kamerbrieven en -antwoorden op schriftelijke vragen geïnformeerd over het NLA-programma, de Nederlandse bijdragen en resultaten. De belangrijkste doelen van het programma waren het bieden van een alternatief voor extremistische groeperingen en te voorkomen dat de gematigde oppositie in verdrukking zou raken tussen het Assad-regime en extremistische groeperingen. Hiermee werd zorg gedragen voor enige voet aan de grond voor de oppositie ter ondersteuning van het politiek proces onder leiding van speciaal VN-gezant Staffan de Mistura. Daarnaast beoogde steun aan de gematigde gewapende oppositie gunstigere voorwaarden voor gematigd bestuur en stabilisatie-projecten in Syrië te creëren. Deze doelen zijn gedurende het NLA programma overeind gebleven. Het programma in Zuid-Syrië heeft bovendien bijgedragen aan stabiliteit van Jordanië en Israël die beiden baat hebben bij een stabiel grensgebied. Zo hebben groepen aan de grens smokkel en illegale oversteek van ISIS-strijders tegengehouden.
Is het verstandig geweest om met Nederlands belastinggeld rebellen in Zuid-Syrië uit te rusten met zaken als medicijnen en voertuigen?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u van plan de steun aan rebellen in Syrië nog steeds voort te zetten?
Eind maart 2018 waren alle leveringen in Zuid-Syrië reeds afgerond, op één levering na die is aangehouden (het gaat om een veldhospitaal). Voor het veldhospitaal wordt een passende bestemming gezocht. Met het stopzetten van het NLA programma in Noord-Syrië, zoals vermeld in de kamerbrief van 14 maart jl. (zie antwoord op vraag 8), is daarmee het gehele NLA programma in Syrië beëindigd.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het asielbeleid voor LHBTI’s |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «LHBTI-asielbeleid is gebaseerd op ondeugdelijke stereotypen»1 en het onderliggende onderzoeksrapport «Trots of schaamte?»van het COC?2
Ja.
Deelt u de mening dat het door de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) gehanteerde criterium dat de asielzoeker een zogenaamd proces van bewustwording en zelfacceptatie van de seksuele identiteit heeft doorgemaakt, geen wetenschappelijk onderbouwing kent? Zo ja, waarom wordt dit criterium dan toch gebruikt voor de beoordeling van asielaanvragen door LHBTI’s? Zo nee, uit welk wetenschappelijk onderzoek blijkt dan dat er wel sprake is van een deugdelijk criterium?
In de brief aan uw Kamer over de beoordeling van de geloofwaardigheid van lbhti’s en bekeerlingen blijkt dat in de werkinstructie van de IND de nadruk bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van lhbti’s niet langer zal liggen op de termen bewustwording en zelfacceptatie.
Deelt u de mening dat het genoemde criterium ook voor de asielzoeker in kwestie onduidelijk is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en waar blijkt uit dat het wel duidelijk zou zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een asielzoeker ook LHBTI kan zijn zonder het genoemde proces van bewustwording en zelfacceptatie en wel om de eenvoudige reden dat dat proces in veel gevallen niet nodig is om je seksuele identiteit te leren kennen? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat veruit de meeste asielverzoeken van personen die vanwege hun seksuele identiteit asiel aanvragen afgewezen wordt op grond van het genoemde criterium? Zo nee, op grond van welke andere criteria beoordeelt de IND of een asielzoeker LHBTI is en in hoeveel gevallen leidt dat tot afwijzing van een asielverzoek?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden. De IND registreert niet of een asielverzoek wordt afgewezen op grond van (ongeloofwaardigheid van) seksuele gerichtheid.
Waarom worden andere bewijsmiddelen dat iemand een bepaalde seksuele identiteit heeft, waaronder getuigenverklaringen en foto’s, door de IND niet of minder zwaar meegewogen dan in het geval mensen een verblijfsvergunning vragen voor verblijf bij hun partner?
In genoemde brief aan uw Kamer over de geloofwaardigheidsbeoordeling van bekeerlingen en lhbti’s wordt aangegeven dat, hoewel seksueel getint beeldmateriaal door de IND niet mag worden gebruikt als bewijs, ander beeldmateriaal wel kan worden betrokken bij de beoordeling. De Vreemdelingencirculaire zal hierop worden aangepast.
Uit de brief blijkt tevens dat bij de beoordeling van asielverzoeken van lbhti’s de nadruk nog meer zal komen te liggen op het stellen van open vragen en op het authentieke, persoonlijke verhaal van de vreemdeling. Voor een meer uitgebreide toelichting verwijs ik u naar mijn brief.
Gaat u de vaste criteria of gronden, waarvan nu de seksuele identiteit van een asielzoeker wordt vastgesteld, loslaten en voortaan ieder asielverzoek van een LHBTI op zijn merites en zonder stereotypering vast laten stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het gebruik van de vierde baan op Schiphol |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de flight-tracking website Casper Flight Tracking?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat in de vijf tijdslots op 9 mei 2018 waarin sprake is geweest van een vierde baangebruik, er niet meer dan 80 vliegtuigbewegingen zijn geweest?
De voor de beantwoording van deze vragen benodigde informatie wordt momenteel uitgezocht naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam de dato 17 april 2018 en ten behoeve van een nog lopende bezwaarprocedure naar aanleiding van een handhavingsverzoek. Er moet nog een besluit worden genomen in deze bezwaarprocedure, daarom kan ik u geen informatie verstrekken die van belang is voor deze bezwaarprocedure. Op het moment dat het besluit op bezwaar is genomen, zal ik de Kamer hierover inlichten. Dat zal begin september zijn.
Kunt u aangeven hoeveel vliegtuigbewegingen er geweest zijn tijdens de vijf tijdslots waarin sprake is geweest van een vierde baangebruik? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is er volgens u sprake geweest van omstandigheden waardoor de regel van het gebruik van de vierde baan niet van toepassing zou zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u voor het jaar 2016 en 2017 per dag aangeven wat het aantal uren vierde baangebruik betrof en wat het aantal vliegtuigbewegingen was voor die die dagen op de vierde baan waarop het aantal van 80 werd overschreden? Kunt u telkens aangeven wat de reden was van de overschrijding, al dan niet vallend onder de omstandigheden waardoor de regel van het gebruik van de vierde baan niet van toepassing zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u voor het jaar 2017 aangeven hoeveel van de zakelijke vliegtuigbewegingen vallend onder «general aviation» (exclusief helikoptergebruik) een slot nodig hadden? Zo nee, waarom niet?
Wat de beantwoording van de vragen 6 en 7 betreft merk ik op dat de informatie afkomstig is van de Nederlandse slotcoördinator. De slotcoördinator is verantwoordelijk voor de allocatie en monitoring van de slots op de gecoördineerde Nederlandse luchthavens, waaronder Schiphol.
Onder General Aviation (GA) wordt door de Nederlandse slotcoördinator alle luchtvaart verstaan met uitzondering van het commerciële verkeer, waaronder maar niet beperkt tot Business Aviation, taxi-vluchten en technische vluchten. De GA-slots tellen niet mee voor de afgesproken planningslimiet van 500.000 vliegtuigbewegingen op jaarbasis omdat deze betrekking heeft op het commerciële verkeer.
De Nederlandse slotcoördinator heeft aangegeven dat in het IATA winter- en zomerseizoen 2016/2017 in totaal 10.789 GA-slots zijn gealloceerd; 3.609 slots in het winter- en 7.180 slots in het zomerseizoen. Helikopter verkeer is niet slot-plichtig en maakt derhalve geen onderdeel uit van de gepresenteerde aantallen. Volgens de Nederlandse slotcoördinator zijn in het lopende IATA winter- en zomerseizoen 2017/2018 in de winter in totaal 4.493 GA-slots gealloceerd. In het zomerseizoen zijn er tot 26 juni jl. 3.960 slots gealloceerd voor General Aviation. Dat aantal zal nog verder oplopen omdat het seizoen nog loopt. In Schiphol gebruiksjaar 2017 (1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017) zijn er 10.789 slots toegekend aan General Aviation (exclusief helikoptergebruik).
Kunt u aangeven hoeveel slots voor het lopende gebruiksjaar 2018 voor de zakelijke vliegtuigbewegingen zijn uitgegeven, daar het totaal aantal van 500.000 slots voor dit jaar al een tijd geleden is uitgegeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Kustwacht Bonaire niet versterkt’ |
|
André Bosman (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kustwacht Bonaire niet versterkt»?1
Ja.
Kunt u toelichten wat gezaghebber Edison Rijna precies aan het kabinet heeft verzocht?
De gezaghebber van Bonaire stuurde op 25 augustus 2017 een brief aan de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) waarin hij zijn zorgen uitte over de veiligheid van Bonaire vanwege de toenemende onrust in Venezuela. Specifiek waren de zorgen van de heer Rijna gericht op de inzet en de aanwezigheid van de Kustwacht in (de wateren rondom) Bonaire. Hierop vroeg de gezaghebber van Bonaire de Minister van BZK zijn zorgen over te brengen aan het presidium van de Kustwachtcommissie met het verzoek om de presentie van de Kustwacht in (de wateren rondom) Bonaire uit te breiden.
Het presidium van de Kustwachtcommissie heeft in twee van zijn vergaderingen over de brief van de gezaghebber gesproken en geconcludeerd dat extra inzet thans niet aan de orde is. Het beeld is dat de behoefte en noodzaak van Kustwachtinzet als gevolg van de toenemende onrust in Venezuela het grootst is bij Curaçao en Aruba en in mindere mate bij Bonaire. Indien er nieuwe gegevens of gegronde redenen naar voren zouden komen, zou dat aanleiding kunnen zijn tot bijstelling van de inzet. Deze conclusie is het afgelopen voorjaar door de Staatssecretaris van BZK overgebracht aan de gezaghebber van Bonaire. Desbetreffende boodschap is eveneens herhaald door de Minister van Defensie tijdens het Algemeen Overleg Kustwacht van 4 juli jl.
Welke problemen die Bonaire zou ondervinden van Venezolaanse migranten worden bedoeld? Kunt u bij de toelichting de conclusies van het genoemde verslag van de Raad van de Rechtshandhaving over het jaar 2017 betrekken?
In het rapport «Staat van de Rechtshandhaving Caribisch Nederland 2017»2 van de Raad van de Rechtshandhaving (hierna de Raad) stelt de Raad dat er problemen worden ondervonden op de Benedenwindse eilanden door de toestroom van Venezolanen, die hetzij illegaal het land binnenkomen, dan wel legaal binnenkomen maar langer dan de toegestane termijn verblijven («overstayers»). De Raad vraagt in deze context om een evenredige inzet van de Kustwacht bij Bonaire en bredere bestuurlijke aandacht voor de geschetste problematiek op Bonaire. Over mijn reactie op de bevindingen van de Raad heb ik uw Kamer bij brief van 19 juni 20183 geïnformeerd.
Klopt de bewering dat de kustwacht voor de kust van Bonaire meer vaaruren zou maken? Betreft het preventieve patrouilles of zijn er meer vaartuigen met Venezolaanse migranten voor de kust van Bonaire gesignaleerd? Zo ja, hoeveel?
Ja, dit klopt. De Kustwacht is sinds 2017 permanent met vaar-/presentiedagen aanwezig bij Bonaire. Blijkens het Jaarverslag van 2017 zijn hiervan 309 dagen gerealiseerd terwijl de norm in 2016 nog 10 dagen per maand was. Patrouilles vinden waar mogelijk plaats op basis van tevoren verzamelde informatie en analyses (informatie-gestuurd optreden) maar hebben evenzeer een preventieve werking. In de eerste zes maanden van 2018 zijn er 99 illegale immigranten door de Kustwacht onderschept bij de Benedenwindse eilanden.
Zijn er schattingen over het aantal Venezolanen dat nu op Bonaire – en dus in het Caribische deel van Nederland – verblijft?
Inzake de beschikbare officiële cijfers kan ik het volgende melden. Op Bonaire is de afdeling Burgerzaken van het Openbaar Lichaam Bonaire verantwoordelijk voor de «Basisadministratie persoonsgegevens». Uit haar gegevens blijkt dat er momenteel 791 personen met de Venezolaanse nationaliteit zijn ingeschreven op Bonaire. Hoeveel illegale Venezolanen zich op Bonaire bevinden is mij niet bekend.
Deelt u de mening dat problemen ten gevolge van de Venezolaanse crisis in en rondom Bonaire extra aandacht verdienen, aangezien deze Nederland direct raken? Zo ja, hoe geeft het kabinet hier invulling aan?
Ja. Voor Bonaire draagt Nederland immers een bijzondere verantwoordelijkheid. Bij een grote toestroom van om bescherming vragende migranten heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid in samenwerking met het Openbaar Lichaam Bonaire, de uitvoeringsorganisaties (o.a. Koninklijke Marechaussee, Korps Politie Caribisch Nederland en de Immigratie- en Naturalisatiedienst Caribisch Nederland) en Defensie een noodplan ontwikkeld. Nederland monitort de situatie in Caribisch Nederland nauwgezet en zal passende maatregelen nemen als de situatie daarom vraagt.
Het MH17 strafproces te voeren in de zittingslocatie Schiphol |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de nabestaanden of organisaties of personen die opkomen voor de nabestaanden, tevoren geraadpleegd over het voeren van het strafproces op Schiphol?1 Zo nee, waarom niet? Zo ja, met wie heeft u gesproken?
Bij het zoeken naar een geschikte locatie hebben verschillende aspecten een rol gespeeld. Het internationale karakter van een MH17-strafproces maakt dat er veel eisen worden gesteld aan de zittingslocatie. Het openbaar ministerie (OM) en de rechtspraak hebben een programma van eisen opgesteld waaraan een zittingslocatie zou moeten voldoen. De positie van nabestaanden is een belangrijk element dat nadrukkelijk in dit programma van eisen is opgenomen. Alle nabestaanden, die afkomstig zijn uit 17 verschillende landen, dienen een plek te krijgen binnen het strafproces, zowel juridisch als eventueel fysiek. Daarnaast valt te denken aan tijdige beschikbaarheid, voldoende ruimte voor de media, de mate waarin veiligheidsrisico’s kunnen worden ondervangen en voldoende kantoorruimte.
Het JCS beschikt over de benodigde faciliteiten voor een proces van dit karakter en deze omvang en voldoet daarmee het meest als geschikte locatie voor een strafrechtelijk MH17-proces.
Wat heeft u doen besluiten niet te kiezen voor de stad Den Haag, die door de Nederlandse regering vaak wordt neergezet als de internationale hoofdstad van recht?
Op 6 september 2017 (Kamerstukken II 2016/2017, 33 997 nr. 110) heeft mijn ambtsvoorganger tijdens het plenair debat over MH17 al aangegeven dat de Rechtbank Den Haag een zaak zal behandelen. Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, hebben het OM en de rechtspraak een programma van eisen opgesteld waaraan een zittingslocatie zou moeten voldoen. Er was in Den Haag geen locatie beschikbaar die aan de gestelde eisen voldeed. Het JCS beschikt wel over de benodigde faciliteiten voor een proces van dit karakter en deze omvang en voldoet daarmee het meest als geschikte locatie voor een strafrechtelijk MH17-proces.
Op welke wijze heeft u zich er rekenschap van gegeven, dat het voor nabestaanden bezwarend kan zijn naar Schiphol, waar de laatste vlucht MH17 vertrok en waar zij afscheid namen van hun geliefden, te komen voor het bijwonen van het strafproces? Wat heeft u doen besluiten desondanks voor Schiphol als zittingsplaats te kiezen?
Het kabinet is zich ervan bewust dat Schiphol voor sommige nabestaanden een beladen plek kan zijn. Maar Schiphol is ook de plek waar vandaan hun dierbaren onbevangen zijn vertrokken. Het kan daarmee een plek zijn die nauw verbonden is met de nagedachtenis van de slachtoffers.
Bent u bereid de keuze te heroverwegen, als blijkt dat nabestaanden moeite hebben met deze zittingsplaats? Zo nee, waarom niet?
Het besluit over de zittingslocatie is zorgvuldig voorbereid en gemaakt. Zoals in de antwoorden op de vragen 1 en 2 al is aangegeven hebben het OM en de rechtspraak een programma van eisen opgesteld waaraan een zittingslocatie zou moeten voldoen. In dit programma van eisen is de positie van nabestaanden nadrukkelijk meegenomen. Het JCS beschikt over de benodigde faciliteiten voor een proces van dit karakter en deze omvang en voldoet daarmee het meest als geschikte locatie voor een strafrechtelijk MH17-proces.
Ziet u mogelijkheden nabestaanden tegemoet te komen, die wel het strafproces of delen daarvan willen bijwonen, zonder dat dat op Schiphol zou moeten gebeuren?
De nabestaanden van de 298 slachtoffers van het neerhalen van vlucht MH17 komen uit 17 verschillende landen. Er wordt naar gestreefd dat nabestaanden over de hele wereld ook via een live stream het zittingsproces kunnen volgen. Nabestaanden kunnen er dan ook voor kiezen om in een zelf gekozen omgeving een MH17-strafproces te volgen.
Het gesprek met Shell |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom een Staatssecretaris van Financiën een gesprek voert met de grootste multinational van ons land (Shell)?1
Bewindspersonen van het kabinet voeren met enige regelmaat gesprekken met maatschappelijke organisaties, belangengroeperingen en individuele bedrijven. Het voeren van dergelijke gesprekken levert een bijdrage aan de beoordeling van de maatschappelijke impact van voorgenomen kabinetsbeleid. Deze gesprekken geven ook inzicht in relevante maatschappelijke ontwikkelingen. Ook ikzelf voer om die reden zulke gesprekken, waaronder mijn kennismakingsgesprek van 15 maart jl. met mevrouw Van Loon, President-Directeur Shell Nederland. Ik hecht eraan op te merken dat ik bij mijn gesprekken streef naar een zeker evenwicht in de keuze van mijn gesprekspartners en dat ik niet alleen gesprekken voer met multinationals. Verder beoog ik transparantie over dergelijke gesprekken door openbaarmaking van mijn agenda.2 Mijn gesprek met Shell heb ik eveneens op deze wijze publiek bekendgemaakt.
Wie nam het initiatief tot dit gesprek dat op 15 maart 2018 plaatsvond?
Het voorstel voor een gesprek is gekomen van Shell.
Met wie voerde u dit gesprek?
Dit gesprek is gevoerd met mevrouw Van Loon. Zij heeft zich daarbij laten vergezellen door twee van haar medewerkers. Ikzelf ben bij dit gesprek bijgestaan door twee ambtenaren van mijn departement.
Wat waren de onderwerpen tijdens dit gesprek?
Het is staand beleid van het kabinet om documenten die zijn opgesteld voor intern beraad, zoals notities, memo’s en gespreksverslagen geen onderwerp te maken van het politieke debat. Voor het goed functioneren is noodzakelijk dat mogelijk is om in vertrouwelijke sfeer van gedachten te wisselen. Desgevraagd geef ik wel de relevante informatie uit de gevraagde documenten in geobjectiveerde vorm aan uw Kamer. Tijdens het gesprek stonden als onderwerpen geagendeerd: de fiscale beleidsvoornemens van het kabinet zoals verwoord in het regeerakkoord en de impact van internationale ontwikkelingen als de belastingherziening in de Verenigde Staten en de EU-voorstellen voor een grondslagharmonisatie in de vennootschapsbelasting (CCTB en CCCTB). In de notitie is ten behoeve van mijn eigen gedachtevorming (achtergrond)informatie verstrekt over openbare uitlatingen die ik reeds had gedaan over enkele in het regeerakkoord verwoorde fiscale beleidsvoornemens, de CCTB en de CCCTB, de Amerikaanse belastingherziening, dat partijen die als belanghebbenden worden aangemerkt bij een Wob-verzoek de gelegenheid hebben een zienswijze te geven, en de stand van zaken rondom het Groningengas.
Is er een gespreksverslag of notulen gemaakt van dit gesprek? Kunt u deze aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u op grond van artikel 68 van de Grondwet de voorbereidende memo’s en/of notities ten behoeve van het gesprek, alsmede eventuele memo’s en/of notities naar aanleiding van het gesprek openbaar maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de dividendbelasting van 26 juni 2018?
Ja.
Het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Waarom is voor Amsterdam CS gekozen voor negen sporen en niet voor tien of de tussenvariant van negen en een half waarbij het meest noordelijke spoor voor internationale verbindingen zou kunnen blijven bestaan?1
Samen met de regio ben ik voor over de infrastructuur in Amsterdam tot keuzes gekomen. Hierover heb ik uw Kamer op 18 juni 2018 geïnformeerd (Kamerstuk 32 404, nr. 86). Met de samenhangende keuze voor negen sporen op Amsterdam Centraal en zes sporen op Amsterdam Zuid kan een robuuste en hoogfrequente dienstregeling worden gereden. De westelijke sporen (westtak) in Amsterdam kunnen hiermee worden vrijgespeeld, waardoor een hoogfrequente OV-verbinding op het spoor tussen Schiphol en Amsterdam Centraal mogelijk wordt. Het vrijmaken van de westtak leidt tot een robuustere treindienst, omdat het lokaal en internationaal treinverkeer bij Schiphol ontvlochten wordt. Het creëert ruimte voor een hoogfrequente stedelijke OV-verbinding in combinatie met woningbouw langs de verbinding Schiphol – Amsterdam Centraal. Hiermee kan een bijdrage worden geleverd aan de oplossing van de forse woningbouwopgave. Om die reden is er vanuit de regio een nadrukkelijke wens voor het realiseren van een vijfde en zesde spoor op Amsterdam Zuid.
Een variant met tien sporen op Amsterdam Centraal is naar verwachting circa € 100 miljoen duurder. Vanuit vervoersvraag zie ik op dit moment geen reden voor een extra investering. Met het besluit wordt wel ruimte gelaten om hierover later een besluit te nemen om in te kunnen spelen op eventuele gewijzigde inzichten. Dit geldt ook voor een variant waarbij het tiende spoor niet met volledige functionaliteit kan worden gebruikt (een zogenaamde negen-en-een-half variant).
Wat is nodig om in de toekomst, als daar behoefte aan blijkt, alsnog een extra spoor toe te kunnen voegen? Wat zijn de meerkosten van een tiende spoor als daar nu al (bouwkundig) rekening mee wordt gehouden voor de toekomst ten opzichte van het nu alvast behouden?
Voor het volledig kunnen gebruiken van tien sporen in een nieuwe situatie zijn aanpassingen nodig aan een tweetal perrons. Daarnaast is verbreden dan nodig op de plek waar nu het busstation is gelegen. Nu meenemen van deze maatregelen is geraamd op circa € 100 miljoen extra. Bovendien waarschuwt ProRail voor extra risico’s die gepaard gaan met het realiseren van tien sporen. Uitstel is niet duurder. De inschatting is dat uitbreiding van negen naar tien sporen in de periode na 2030 vergelijkbare kosten met zich mee zal brengen als de huidige meerkosten van een tiensporig Amsterdam Centraal.
Hoe toekomstbestendig is de nu gekozen variant van negen en zes sporen?
De reizigersstromen die in 2030 verwacht worden kunnen worden verwerkt. Ook voor richting 2040 is de verwachting dat de keuze voor negen en zes sporen voldoet. In aanloop naar de besluitvorming is door ProRail aangetoond dat deze variant flexibel is voor meer treinen dan nu binnen het programma hoogfrequent spoorvervoer voorzien. Er is dus ruimte voor enige groei. Daarnaast wordt latere aanleg van een tiende spoor niet onmogelijk gemaakt als na 2030 nieuwe inzichten vragen om andere netwerkkeuzes.
Hoe wordt de toenemende reizigersstroom van en naar Amsterdam Zuid afgewikkeld? Is er met de komst van de Noord/Zuidlijn voldoende capaciteit?
Amsterdam Zuid wordt met het project Zuidasdok geheel verbouwd. Daarbij is natuurlijk ook plek voor de Noord/Zuidlijn die vanaf deze zomer gaat rijden. In de huidige plannen voor Amsterdam Zuid en bij de Noord/Zuidlijn is reeds rekening gehouden met aanzienlijke groei van het spoorvervoer, de nieuwe positie die Zuid inneemt en het te verwachten gebruik van de metro.
Is bij de keus voor Amsterdam Zuid als primair station voor internationale treinen ook gekeken naar de behoeften en bestemmingen van internationale reizigers of alleen naar de infrastructurele aspecten? Is rekening gehouden met de mogelijkheid dat op meer Europese bestemmingen de trein in plaats van het vliegtuig gekozen wordt?
Amsterdam Centraal is voor de meeste internationale reizigers geen eindbestemming. Veelal wordt gebruik gemaakt van vervolgtransport om op de gewenste locatie te komen om te werken of verblijven. Dit vergroot de drukte op Amsterdam CS waar al een grote reizigersgroei verwacht wordt. Op de Zuidas zijn veel internationaal georiënteerde bedrijven gevestigd en vanaf Amsterdam Zuid is onder andere het centrum van Amsterdam goed bereikbaar via de Noord/Zuidlijn.
Een negensporig Amsterdam Centraal brengt met zich mee dat de Thalys, Eurostar, IC-direct en IC-Brussel afgeleid worden naar Amsterdam Zuid. Internationale treinen van en naar Duitsland kunnen op Amsterdam Centraal blijven aanlanden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport?
Ja.