Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Felix Klos (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
van Marum , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in Koerdische wijken in Aleppo |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op berichten, onder meer van Reuters, over gevechten tussen het Syrische leger en de Syrian Democratic Forces (SDF)?1
In dit stadium is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor welk geweld, en hoe de situatie tussen de Syrische overgangsregering en de SDF zich verder zal ontwikkelen. Wel is helder dat sprake is van meerdere dodelijke burgerslachtoffers en tientallen gewonden en dat duizenden burgers hun huis door het geweld hebben moeten ontvluchten. Het kabinet is bezorgd over het geweld in Aleppo en monitort de situatie, die inmiddels gestabiliseerd lijkt, nauwgezet.
Voor de stabiliteit van Syrië en de veiligheid en het welzijn van alle Syrische burgers is het cruciaal dat de betrokken partijen met elkaar in gesprek blijven en niet over gaan tot geweld. In rechtstreeks contact, en ook via de EU, roepen wij hiertoe expliciet op. De EU riep via een verklaring op 10 januari jl. op tot een eind aan de vijandelijkheden, bescherming van burgers en toegang van humanitaire hulp.3
In de Kamerbrief van 19 september 20254 heeft het kabinet de inzet ten behoeve van een veilig en stabiel Syrië nader uiteen gezet.
Meent u dat een militaire operatie tegen de SDF in deze wijken gerechtvaardigd is? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is, in EU-verband, uw inzet om het vechten zo snel mogelijk te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat deze gevechten de veiligheid en gelijke rechten van de Koerden in gevaar brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan, mede in het licht van de aangenomen motie-Ceder c.s.?2
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot acht u de kans op verdere escalatie? Wat is uw inzet voor een vrij en democratisch Syrië waarin alle minderheden, inclusief de Koerden, veilig zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad op vrijdag 9 januari een bezoek brengen aan Syrië en de interim president ontmoeten? Acht u dit bezoek wenselijk in het licht van deze berichten? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid dit in EU-verband aan de orde te stellen?
Ja, de voorzitter van de Europese Commissie, mevrouw Von der Leyen, en de voorzitter van de Europese Raad, de heer Costa, bezochten de Syrische overgangsregering op 9 januari in Damascus. Bij dit bezoek is het belang van een vreedzame en inclusieve politieke transitie expliciet benoemd.
Syrië bevindt zich in een uitzonderlijke en fragiele situatie. Juist in deze overgangsfase is het van belang dat sprake is van directe contacten met de overgangsautoriteiten. Deze contacten stellen ons immers in staat om onze verwachtingen, waaronder ten aanzien van inclusiviteit, bescherming van burgers en mensenrechten, consequent onder de aandacht te brengen van de Syrische overgangsregering.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor het commissiedebat van 13 januari aanstaande over de Raad Buitenlandse Zaken 29 januari 2026?
De Kamervragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het artikel 'Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Heijnen , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump» van 6 januari 2026?
Ja.
Deelt u de opvatting dat de OESO-minimumwinstbelasting van 15% onder andere bedoeld is om voor alle grote multinationals een gelijk minimum te creëren zodat er geen «race to the bottom» plaatsvindt en belastingontwijking wordt tegengegaan? Zo ja, kunt u reflecteren wat het effect is van de gemaakte uitzondering voor Amerikaanse multinationals hierop? Zo nee, waarom niet?
De OESO-minimumwinstbelasting, ook wel Pijler 2 genoemd, beoogt ervoor te zorgen dat multinationale groepen met een omzet van ten minste € 750 miljoen ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Pijler 2 voorziet in een bijheffing als in een jurisdictie effectief te weinig winstbelasting is betaald. Het doel van Pijler 2 is tweeledig. Ten eerste beoogt Pijler 2 de prikkel voor bedrijven te verminderen om winsten te verschuiven naar laagbelastende jurisdicties. Ten tweede beoogt Pijler 2 een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties. Hiermee wordt een race naar de bodem in de winstbelasting tegengegaan en een gelijker speelveld gecreëerd voor internationaal opererende ondernemingen. Pijler 2 zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen.
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veilige haven niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Erkent u dat het niet toepassen van het OESO-minimumtarief op Amerikaanse multinationals, terwijl deze wel van toepassing wordt op Europese en Nederlandse multinationals, het beoogde gelijke speelveld onder druk zet?
Het kabinet vindt het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehavenjurisdicties. Het is daarom van belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Welke signalen heeft u ontvangen van Nederlandse en/of Europese bedrijven over het belang van een wereldwijde minimumwinstbelasting die zonder uitzonderingen wordt toegepast met het oog op een gelijk speelveld?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.1 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven er op dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is daarom positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veilige haven-jurisdicties.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de uitzondering voor Amerikaanse multinationals ertoe leidt dat grote, zeer winstgevende Amerikaanse multinationals die actief zijn op de Nederlandse en Europese markt niet in alle gevallen een vergelijkbare minimumwinstbelasting betalen als Europese bedrijven?
De dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals in Nederland en in de meeste andere EU-lidstaten zijn onderworpen aan de binnenlandse bijheffing voor zover hun effectieve belastingdruk minder dan 15% bedraagt. In deze gevallen betalen zij over de winsten in Nederland en andere EU-lidstaten een vergelijkbare minimumwinstbelasting als Europese multinationals zouden betalen.
Deelt u de analyse dat het internationale belastingstelsel, dat nog grotendeels is gebaseerd op fysieke aanwezigheid, fundamenteel tekortschiet in een economie waarin waardecreatie steeds vaker digitaal plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
De nationale wetten en bilaterale belastingverdragen binnen het huidige internationale belastingstelsel sluiten voor de verdeling van heffingsrechten over winsten inderdaad grotendeels aan bij de fysieke aanwezigheid van een bedrijf in een land. Ook het huidige Nederlandse verdragsbeleid sluit grotendeels aan bij dit uitgangspunt.2 In mijn brief over digitale diensten belastingen geef ik aan dat in internationale fora en in het publieke debat inderdaad de vraag speelt of de eis van fysieke aanwezigheid nog wel passend is in de huidige tijd van digitalisering.3 Bedrijven hebben namelijk door digitale mogelijkheden steeds minder een fysieke aanwezigheid nodig om in een land actief te zijn en omzet te genereren. Dat geldt bij uitstek voor digitale bedrijven, maar is ook bij andere bedrijven aan de orde.
Zijn er concrete alternatieven om alsnog een gelijk speelveld te creëren tussen Europese multinationals en Amerikaanse multinationals? Bijvoorbeeld door in te zetten op een Europese Digitale Dienstenbelasting?
De discussies over de digitaliserende economie lopen al langere tijd. In mijn brief over digitale dienstenbelastingen loop ik een aantal belangrijke initiatieven langs die de afgelopen jaren de revue zijn gepasseerd, waaronder Pijler 1 van het IF en eerdere richtlijnvoorstellen in de Europese Unie. Op dit moment is een akkoord op Pijler 1 op korte termijn niet realistisch en zijn de voorstellen in de Europese Unie niet aangenomen. Mede daarom wordt de discussie over een digitale dienstenbelasting in meerdere landen weer gevoerd. De invoering van een (Europese) digitaledienstenbelasting is echter complex en kent verschillende risico’s en onzekerheden. Het is onduidelijk of de mogelijke voordelen van een digitaledienstenbelasting opwegen tegen de risico’s en onzekerheden. Voor een overzicht en verdere uitwerking van deze aspecten daarvan verwijs ik naar de eerdergenoemde brief. Uiteraard neem ik nota van de aangenomen motie van het lid Dassen om te verkennen hoe een Europese digitaledienstenbelasting kan worden ingevoerd.4 Gelet op de demissionaire status van het kabinet is die verkenning aan een volgend kabinet.
Bent u bereid om samen met gelijkgezinde EU-lidstaten op te trekken om te komen tot een gecoördineerde Europese digitale dienstenbelasting? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de demissionaire status van het kabinet zijn beleidskeuzes omtrent een digitale dienstenbelasting op dit moment niet aan de orde.
Acht u het een reëel risico dat bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar de Verenigde Staten om onder het mondiale minimumtarief uit te komen? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om dit tegen te gaan?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Deelt u de opvatting dat dreigementen zoals de «revenge tax» geen reden mag zijn om af te zien van eerlijke belastingheffing en nationale fiscale soevereiniteit? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt.
Het bericht ‘2026 begint rampzalig voor treinreizigers: chaos op het spoor door hevige sneeuw, storingen bij wissels en IT-perikelen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «2026 begint rampzalig voor treinreizigers: chaos op het spoor door hevige sneeuw, storingen bij wissels en IT-perikelen»?1
Extreem winterweer heeft grote impact op de hele samenleving, waaronder het spoor. Dat is onlangs nog eens duidelijk geworden. Ik begrijp goed dat het voor reizigers en goederenvervoerders heel vervelend is wanneer zij te maken krijgen met uitgevallen of vertraagde treinen als gevolg van sneeuw en vorst. Het Nederlandse spoorsysteem is betrouwbaar en het uitgangspunt blijft dat ProRail en NS zich zo goed mogelijk voorbereiden op winterweer om de gevolgen voor reizigers en goederenvervoerders te beperken. Helaas zijn storingen tijdens uitzonderlijke weersomstandigheden niet altijd te voorkomen.
Acht u het (maatschappelijk) acceptabel dat het treinverkeer vaak deels of zelfs volledig plat lag en ligt? Zo ja, waarom?
Niemand wil dat het treinverkeer deels of volledig stilvalt. Tegelijkertijd moet worden erkend dat bij extreme weersomstandigheden verstoringen niet altijd te voorkomen zijn. ProRail en NS treffen uitgebreide voorbereidingen om het spoor ook bij winterse omstandigheden operationeel te houden, maar Nederland beschikt over een zeer intensief bereden spoornetwerk waarin verstoringen snel kunnen doorwerken.
Grote verstoringen als gevolg van extreem winterweer doen zich in Nederland relatief weinig voor, gemiddeld eens in de vijf jaar en doorgaans gedurende een beperkt aantal dagen.
Klopt het dat u met ProRail in het kader van basiskwaliteitsniveau spoor (BKN) heeft afgesproken dat de helft van de wisselverwarmingen uit kan om geld te besparen? Hoeveel geld wordt met dit besluit bespaard? Welke maatschappelijke kosten/baten-afweging ligt daaraan ten grondslag?
Het klopt dat in het kader van het basiskwaliteitsniveau spoor (BKN) is afgesproken om een deel van de wisselverwarmingsinstallaties te saneren. De wissels die gesaneerd worden liggen verspreid door het land. ProRail past na de sanering alleen nog wisselverwarming toe bij alle wissels die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de normale dienstregeling voor reizigers en goederen. Dit geldt in grote lijnen ook voor de wissels die nodig zijn om emplacementen of terminals te bereiken, zodat de winterdienstregeling gewoon doorgang kan vinden. Deze maatregel leidt tot een besparing van ongeveer € 100 miljoen tot en met 2030.
Bij deze afweging is nadrukkelijk gekeken naar de effectiviteit van de installaties, de gebruiksfrequentie van de betreffende wissels en de kosten van instandhouding. Alleen wisselverwarmingsinstallaties die aantoonbaar bijdragen aan de robuustheid van het netwerk bij winterweer blijven behouden. Vervoerders zijn bij deze afweging geconsulteerd.
Is het aantal wisselverwarmingen dat deze winter is uitgezet conform het beleid van BKN? Indien is afgeweken van BKN, wat was daarvan de reden?
Het uitzetten van bepaalde wisselverwarmingsinstallaties deze winter is conform de afspraken binnen het BKN. De sanering van installaties vindt zorgvuldig en gefaseerd plaats. Vooruitlopend hierop zijn al installaties buiten gebruik gesteld. Van afwijking van het BKN-beleid is geen sprake.
Is het uitzetten van de wisselverwarmingen deze winter gebeurd met instemming van de vervoerders? Zo nee, wat waren de bezwaren van deze vervoerders?
Vervoerders zijn bij de afweging rondom de sanering van wisselverwarmingsinstallaties door ProRail om inbreng gevraagd. ProRail heeft hiervoor een landelijke kaart gedeeld met de te saneren installaties. Vervoerders hebben in dat kader aandachtspunten en zorgen ingebracht, met name over mogelijke effecten op de flexibiliteit van de operatie. Deze reacties zijn meegewogen. Op basis hiervan zijn enkele wijzigingen in te saneren locaties doorgevoerd. Daarnaast is in brede zin door ProRail geconcludeerd dat de kosten van instandhouding van de betreffende installaties niet opwegen tegen de beperkte logistieke meerwaarde.
Kunt u een grove inschatting maken van de verergering van de problemen op het spoor door dit besluit? Kunt u tevens een inschatting maken van de totale (maatschappelijke) kosten van de spoorproblemen deze winterdagen en van de (maatschappelijke) kosten van de verergering door het uitzetten van een deel van de wisselverwarmingen?
Bij dit soort winterse omstandigheden, waarvan de laatste vergelijkbare situatie in 2021 plaatsvond, is hinder niet te voorkomen. Ook niet met wisselverwarming. ProRail geeft aan dat ondanks de aanwezigheid van werkende wisselverwarmingsinstallaties ze merken dat (nu en in eerdere situaties) wissels door sneeuw of ijs toch kunnen blokkeren of installaties gaan storen tijdens hevige sneeuwval.
In de afweging binnen het BKN is vastgesteld dat de sanering een bescheiden impact heeft op de robuustheid van het netwerk. Wel geldt dat het systeem hierdoor minder reservecapaciteit heeft, waardoor bijvoorbeeld bij winters weer sneller kan worden besloten tot het inzetten van een landelijk uitgedunde dienstregeling (LUD). De maatschappelijke kosten van verstoringen door heftig winterweer zijn lastig te isoleren en toe te rekenen aan individuele maatregelen. Ze moeten worden gezien als onderdeel van de bredere maatschappelijke impact van uitzonderlijke weersomstandigheden.
In hoeverre was mankracht een bottleneck in het oplossen van de storingen? Was er voldoende opgeleid reservepersoneel beschikbaar om storingen snel te verhelpen? Zo nee, bent u bereid om hier afspraken over te maken en daarvoor ook voldoende middelen beschikbaar te stellen?
De storingsploegen van ProRail en de betrokken aannemers hebben zich maximaal ingespannen om storingen zo snel mogelijk op te lossen. Die inspanning wordt door mij zeer gewaardeerd. Vooral ook omdat de inzetbaarheid van personeel werd bemoeilijkt door de weersomstandigheden, bijvoorbeeld doordat monteurs te maken kregen met slechte bereikbaarheid en verkeershinder terwijl ze op weg waren naar de storingen.
Er was geen sprake van een structureel tekort aan opgeleid personeel, maar bij grootschalige en gelijktijdige verstoringen wordt de beschikbare capaciteit zwaar belast. Het structureel aanhouden van extra reservepersoneel dat slechts incidenteel nodig is, brengt aanzienlijke kosten met zich mee. Gezien het uitzonderlijke karakter van winters weer acht ik het niet doelmatig om hiervoor permanent extra capaciteit te organiseren. Wel worden ervaringen uit deze situatie betrokken bij de evaluaties door ProRail en NS.
Op welke manier gaat u lessen trekken uit de grote problemen op het spoor en hoe deze (deels) voorkomen hadden kunnen worden, bijvoorbeeld als het gaat over de IT-problemen, de bereikbaarheid van de reisplanner en de keuze om al dan niet met een winterdienstregeling te rijden?
Na grote verstoringen voeren ProRail en NS standaard evaluaties uit. Deze situatie vormt daarop geen uitzondering. In deze evaluaties worden ook de werking van IT-systemen, de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van reisinformatie en de inzet van de landelijk uitgedunde dienstregeling meegenomen. De uitkomsten van deze evaluaties worden gebruikt om waar nodig verbetermaatregelen te treffen in de operatie en de voorbereiding op toekomstige situaties.
Bent u het eens met de oproep van Rover om te zorgen voor eerlijke reisinformatie, in plaats van met steeds verschillende prognoses te komen die zo voor onduidelijkheid zorgen?2 Bent u bereid om hier met de vervoerders afspraken over te maken? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het belang van duidelijke, betrouwbare en consistente reisinformatie. Reizigers en goederenvervoerders moeten ook bij verstoringen kunnen rekenen op heldere communicatie. De wijze waarop reisinformatie wordt verstrekt, maakt onderdeel uit van de evaluaties door NS en ProRail. Dit onderwerp zal worden geagendeerd in het overleg met betrokken partijen.
Hoe reflecteert u op het besluit van diverse busvervoerders om de dienstregeling voor dagen of dagdelen plat te leggen? Acht u dat maatschappelijk acceptabel? Bent u het eens dat een basisdienstregeling moet blijven bestaan, ook als reizigers wordt afgeraden te reizen? Zo nee, waarom niet?
Het besluit om (delen van) de busdienstregeling tijdelijk stil te leggen is in Nederland een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid van de decentrale ov-autoriteiten en vervoerders. Zij maken deze afweging op basis van de lokale omstandigheden, waarbij de veiligheid van reizigers en personeel zwaar weegt. Bij extreme weersomstandigheden, zoals hevige sneeuwval en gladheid, kan het onverantwoord zijn om busvervoer in stand te houden. Het is aan de decentrale overheden en vervoerders om deze afweging te maken en hierover transparant te communiceren.
Zou u deze vragen willen beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van Infrastructuur en Waterstaat?
Ja.
Het bericht ‘Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door»?1
Ja.
Vindt u het redelijk dat tentamens voor studenten gewoon doorgaan wanneer Rijkswaterstaat en de NS adviseren het reizen uit te stellen en het openbaar vervoer in de regio rond instellingen niet rijdt?
Omdat de lokale weeromstandigheden en bereikbaarheid als gevolg hiervan enorm kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van instellingen. Het uitgangspunt is dat het onderwijs zoveel mogelijk wordt gecontinueerd. Dit is ook in het belang van studenten. Daarom zijn de onderwijsinstellingen aan zet om zelf een afgewogen besluit te nemen over de wijze waarop het onderwijs en de tentaminering zijn georganiseerd en daarbij rekening te houden met de lokale omstandigheden.
Welke verplichtingen rusten op instellingen om te voorkomen dat studenten met studievertraging en extra kosten te maken krijgen vanwege dit soort situaties van overmacht?
In het geval dat een instelling besluit een tentamen op te schorten vanwege weersomstandigheden, hebben instellingen de plicht om studenten een ander examenmoment aan te bieden.
In de Onderwijs- en examenregeling wordt onder meer het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens opgenomen alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden. Ook mogelijkheden tot herkansing worden hierin opgenomen. Op deze wijze wordt rekening gehouden met (persoonlijke) omstandigheden die het deelnemen aan een tentamen in de weg staan. Het is hierbij goed om op te merken dat het missen van een tentamen niet per definitie leidt tot studievertraging en extra kosten. Vaak zijn er mogelijkheden om binnen de nominale studieduur te herkansen.
Vindt u het wenselijk dat in dit soort situaties landelijk grote verschillen tussen instellingen ontstaan terwijl de omstandigheden voor alle studenten hetzelfde zijn?
Onderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor een goede organisatie van hun onderwijs. Begin januari hebben de weersomstandigheden ertoe geleid dat onderwijsinstellingen minder goed bereikbaar waren. Hierbij waren er op lokaal niveau grote verschillen. In sommige regio’s gold dat er geen regionaal vervoer meer beschikbaar was; in andere regio’s reed het regionale of lokale vervoer gewoon (al dan niet met een aangepaste dienstregeling). Daarom vind ik het van belang dat onderwijsinstellingen zelf een afgewogen besluit nemen over de organisatie van het onderwijs gebaseerd op de lokale omstandigheden.
Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met de koepelorganisaties?
Omdat de weersomstandigheden en bereikbaarheid per regio kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van de onderwijsinstelling. Wel zal ik steeds blijven uitdragen dat ik het van belang vind dat het onderwijs zoveel mogelijk doorgang blijft vinden en wanneer de omstandigheden dat niet toe laten dat instellingen – conform hun bestaande verantwoordelijkheid – studenten op de hoogte te stellen van mogelijkheden voor het inhalen van onderwijs of het herkansen van tentamens of examens.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
Het bericht 'Illegale prijsafspraken Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Illegale prijsafspraken Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel»?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat de Indiase mededingingsautoriteit (Competition Commission of India) heeft vastgesteld dat meerdere Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel, zich schuldig hebben gemaakt aan illegale prijsafspraken?
Ja.
Kunt u een reflectie geven op de mogelijke illegale prijsafspraken die zijn gemaakt door Indiase staalbedrijven waaronder Tata Steel?
Er is op dit moment nog weinig informatie bekend over de bevindingen van de Competition Commission of India (CCI), de omvang van de vermeende overtredingen en het mogelijke aandeel van Tata Steel India hierin. De tussentijdse rapportage van de CCI is niet gepubliceerd. Het is niet aan het kabinet om hier op dit moment op te reflecteren.
Hoe beoordeelt u het feit dat een bedrijf dat in India mogelijk wordt veroordeeld voor kartelvorming, in Nederland nog steeds kan rekenen op politieke steun, maatwerkafspraken en mogelijke staatssteun voor verduurzaming?
Op dit moment zijn er geen conclusies verbonden aan of (gerechtelijke) stappen ondernomen naar aanleiding van de bevindingen van de CCI. Het is ook niet aan het kabinet om een beoordeling te geven, maar op dergelijke onderwerpen is het aan de daarvoor ingestelde onafhankelijke instanties om gedegen onderzoek te doen en tot een oordeelsvorming te komen. Het kabinet kan en wil hier niet op vooruitlopen. Het Ministerie van KGG blijft de ontwikkelingen volgen.
De gesprekken met Tata Steel Nederland over een maatwerkafspraak hebben als doel om de leefomgeving en gezondheid van omwonenden in de IJmond te verbeteren en CO2-reductie te bewerkstelligen. Het behalen van die doelen is van belang voor de omwonenden en de maatschappij als geheel. Het kabinet werkt daarom toe naar een maatwerkafspraak omdat dit de snelste manier is om die doelen te behalen. Uiteindelijk zal een afweging moeten worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Welke risico’s loopt de Nederlandse staat indien zij steun blijft geven aan Tata Steel terwijl het moederbedrijf mogelijk veroordeeld wordt voor illegale prijsafspraken?
Er zijn (nog) geen (gerechtelijke) stappen genomen naar aanleiding van de bevindingen van de CCI. Deze vraag gaat daarnaast uit van de aanname dat de staat nu al steun geeft aan het bedrijf in het kader van de maatwerkafspraken. Hier is geen sprake van. De staat overweegt Tata Steel Nederland steun te geven voor het verduurzamen van de staalproductie in de IJmond. Hiervoor dient eerst een definitieve maatwerkafspraak te worden ondertekend met daarin voldoende waarborgen om zeker te stellen dat de subsidie ook daadwerkelijk zorgt voor het behalen van de doelen. Het behalen van de doelen voor de verbetering van de gezondheid en het reduceren van de CO2-uitstoot is immers de reden dat we in dit traject met Tata Steel zitten. Het voornemen van de partijen is om uiterlijk eind september 2026 overeenstemming te bereiken over de definitieve maatwerkafspraak.
Had Tata Steel Nederland u op de hoogte gesteld van de ingestelde onderzoeken? Zo ja wanneer en wat hebben zij hierover vermeld?
TSN heeft het Ministerie van KGG feitelijk geïnformeerd na publicatie van het artikel dat het onderzoek loopt en aangegeven de verdere ontwikkelingen af te wachten. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven is er nog weinig informatie bekend.
Kunt u aangeven wat de consequenties zijn voor de maatwerkafspraken als Tata Steel Limited daadwerkelijk schuldig wordt bevonden aan illegale prijsafspraken? Zo niet, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording op vragen 3, 4 en 5 is er nog geen maatwerkafspraak en de Indiase autoriteiten hebben nog geen juridische procedure opgestart of conclusies verbonden n.a.v. een afgerond onderzoek. Laat staan dat er een veroordeling heeft plaatsgevonden. Het kabinet kan daarom nu niet ingaan op de mogelijke consequenties bij een eventuele veroordeling.
In hoeverre is Tata Steel Nederland betrokken bij en/of op de hoogte van de illegale prijsafspraken die in India zijn gemaakt?
Hierover heeft het kabinet geen informatie.
Acht u in, in het licht van het onderzoek, Tata Steel nog steeds een betrouwbare partner van de Nederlandse overheid? Zo ja waarom?
Vooropgesteld staat dat het bedrijf, net als ieder ander bedrijf, moet voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Het is aan de bevoegde instanties om de naleving van wet- en regelgeving te controleren en waar zij dat nodig achten te besluiten om onderzoek te doen en eventuele vervolgstappen te nemen. Op dit moment is er nog geen definitieve conclusie en het is ook niet aan het kabinet om hier nu een oordeel over te vormen of op vooruit te lopen. De inzet in de maatwerkafspraak is om zo snel mogelijk tot verbetering van de leefomgeving en gezondheid van de omwonenden in de IJmond te komen en CO2-reductie te bewerkstelligen. Zoals ook in de beantwoording van vraag 4 aangegeven, is dat waar het kabinet op inzet, waarbij uiteindelijk ook een afweging moet worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Bent u van plan op basis van deze bevindingen de Joint Letter of Intent te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om de JLoI te beëindigen. De onderhandelingen worden voortgezet. Uitstel of afstel van een maatwerkafspraak leidt er immers toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via een maatwerkafspraak. Daarnaast is ook relevant dat het om een onderzoek gaat waar nog geen definitieve conclusie uit is gekomen. Het spreekt voor zich dat het Ministerie van KGG de ontwikkelingen zal blijven volgen. Uiteindelijk zal een afweging moeten worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Kunt de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater |
|
André Flach (SGP) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving waarnaar wordt verwezen?1 2
Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater door stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater op het conto van de landbouw geschreven?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en het Compendium voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen de landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling enerzijds en stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn wat betreft de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakt tussen de directe bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?3
Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de daarin genoemde relatieve landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling?
Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatie voor Nederland door de EC? Zo ja, welke?
Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water (KRW)-waterlichamen door waterschappen en provincies is gebaseerd op bronnenanalyses?
Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid is gemaakt tussen de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemesting en erfafspoeling enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemleverantie verrekend in de nutriëntennormen?
Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan met het al dan niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting in de normen, waardoor deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoe waardeert u dat?
Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerder genoemde emissiecijfers?
Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de eigen regionale bronnenanalyses van waterschappen? In hoeverre is sprake van verschillen in de toewijzing van bronnen?
Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitsproblemen en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschillende regio’s, in te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied op grond van de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen van verschillende actieprogramma’s voor verschillende regio’s, inclusief eventuele derogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?
Bedreigingen van kardinaal Sako in Irak |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Cardinal Sako Targeted After Christmas Homily Misinterpreted as Political «Normalization»»1 en op de oproep van de Aramese Beweging voor Mensenrechten?2
Ik deel de zorgen over de bedreigingen, net als de zorgen over de positie van verschillende etnische en religieuze gemeenschappen, waaronder christenen, in Irak. In reactie op de oproep van de Aramese Beweging voor Mensenrechten heeft de Speciaal Gezant voor Vrijheid en Religie en Levensbeschouwing de Beweging uitgenodigd om over de oproep in gesprek te gaan.
Bent u bereid deze bedreigingen publiekelijk te veroordelen en de Iraakse regering te vragen hetzelfde te doen?
Voorop staat dat kardinaal Sako zijn werk moet kunnen blijven doen. Onze ambassade in Bagdad staat in contact met hem. Na publiekelijke toelichting van de kardinaal op de uitspraken in zijn Kersttoespraak is de aandacht in de media en de maatschappij significant afgenomen. Het kabinet zal de situatie blijven monitoren. Het kabinet vraagt ook in de doorlopende contacten met de Iraakse autoriteiten aandacht voor religieuze gemeenschappen en benadrukt hierbij het belang van behoud van religieuze pluriformiteit en interreligieuze dialoog.
Bent u bereid om, eventueel in EU-verband, de Iraakse regering te vragen om alles te doen om de veiligheid van kardinaal Sako en zijn omgeving te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorgen over de onveiligheid en kwetsbare positie van Aramese christenen en andere christelijke bevolkingsgroepen in Irak? Op welke manieren stelt u hun veiligheid en positie aan de orde in bilateraal en multilateraal verband? Wat kan daarnaast de Speciaal Gezant voor Vrijheid en Religie en Levensbeschouwing hierin betekenen?
Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de vijf Nederlandse prioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid. Het kabinet deelt de zorgen over de kwetsbare positie van minderheden, waaronder christenen, in Irak en agendeert deze zorgen in bilaterale contacten en in VN- en EU-verband, onder meer tijdens de EU-Iraq Cooperation Council. De bescherming van kwetsbare gemeenschappen en het bevorderen van sociale cohesie maken integraal onderdeel uit van de Nederlandse inzet, waarbij in contacten met de Iraakse autoriteiten het belang van religieuze pluriformiteit en interreligieuze dialoog wordt benadrukt.
Ook via projecten zet Nederland zich in voor vrijheid van religie en levensovertuiging. In de afgelopen vijf jaar is Nederland in Irak actief geweest via het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA), dat zich richtte op interreligieuze dialoog, sociale cohesie en de positie van religieuze minderheden, onder wie christenen. Daarnaast financiert Nederland wereldwijd projecten uit het Mensenrechtenfonds. Voor de periode 2026–2031 wordt via het FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» EUR 35 miljoen gealloceerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging. Aangezien de voorstellen voor de aanbesteding nog niet zijn ontvangen, kan op dit moment nog niet worden aangegeven in welke landen deze programmering actief zal zijn.
De Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ondersteunt de inzet in Irak door het thema internationaal te agenderen, met specifieke aandacht voor de positie van religieuze minderheden. Daarnaast onderhoudt de Speciaal Gezant contact met relevante maatschappelijke en religieuze actoren en draagt hij bij aan de diplomatieke inzet van Nederland binnen EU- en VN-verband.
Wanneer wordt er eindelijk een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid aangesteld? Bent u bereid om opnieuw hiertoe aan te dringen, samen met gelijkgezinde landen? Zo nee, waarom niet?
De benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid ligt bij de Europese Commissie. De Commissie heeft aangegeven dat de selectieprocedure loopt, maar op dit moment is nog geen concrete datum bekend voor afronding en aanstelling.
Nederland blijft zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief inzetten voor een spoedige benoeming. Dit gebeurt via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie consequent te benadrukken in EU-verband. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant noodzakelijk voor een consistente en zichtbare inzet van de EU op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging.
Het artikel 'Van ‘arrogant takkewijf’ tot ‘val dood’: Delta-schandaal veel groter, provider start meldpunt' |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over agressieve en mogelijk misleidende verkoopmethoden door medewerkers van DELTA Fiber, waaronder intimidatie, bedreigingen en het onder valse voorwendselen afsluiten van abonnementen?1
Deelt u de kwalificatie dat hier sprake lijkt van structurele problematiek in plaats van op zichzelf staande incidenten?
Welke specifieke normen gelden voor colportage en huis-aan-huisverkoop in de telecomsector (waaronder omgang met nee/nee- en geen-colportage-stickers)? Worden deze normen naar uw oordeel effectief gecontroleerd en gehandhaafd? Zo nee, welke middelen heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) nodig om dit wel effectief te doen?
Wat vindt u ervan dat juist ouderen en andere kwetsbare groepen doelwit lijken te zijn van deze verkooppraktijken? Welke aanvullende beschermingsmaatregelen acht u hier passend?
Hoe beoordeelt u de meldingen over ongevraagde graaf- en installatiewerkzaamheden in tuinen en woningen, met schade en kosten voor bewoners tot gevolg? Vindt u dat telecombedrijven voldoende zorgvuldig omgaan met toestemming en herstel?
Wat is uw reactie op signalen dat monteurs contante betalingen zonder factuur vragen («zwart geld»), onder het mom van aanvullende werkzaamheden?
Acht u de door Delta geopende meldpuntregeling een toereikende reactie? Hoe wordt voorkomen dat klachten blijven liggen of intern worden weggeboekt zonder daadwerkelijke oplossing?
Bent u bereid om een verdiepend onderzoek te doen naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt, inclusief de rol van ingehuurde verkooporganisaties en onderaannemers?
Overweegt u aanscherping van regelgeving, bijvoorbeeld een verbod of zwaardere beperking op huis-aan-huisverkoop in telecom, verplichte cooling off (herroepingsrecht) bevestigingen via onafhankelijke kanalen, zwaardere boetes bij misleiding van kwetsbare consumenten, een verplicht klachtenregister dat openbaar wordt gemaakt, etc.?
Wat is bekend over deur-aan-deurverkoop in andere sectoren zoals energie, mobiele telefonie en internetdiensten?
In welke mate wordt deze deur-aan-deurverkoop in deze sectoren gecontroleerd en gehandhaafd, en door welke toezichthouders?
Hoe beoordelen consumenten deze verkooppraktijken, bijvoorbeeld wat betreft transparantie, ervaren druk aan de deur en het risico op misleiding?
Ziet u in de gesignaleerde agressieve verkooppraktijken een verband met sterke commerciële prikkels zoals concurrentie op groei, marktaandeel en winst? Zo ja, welke voorstellen heeft u om deze prikkels weg te nemen?
Acht u deze dynamiek van commerciële prikkels problematisch voor diensten die feitelijk essentieel zijn voor burgers?
In hoeverre acht u het wenselijk om, ter voorkoming van dit soort praktijken en ter verhoging van efficiëntie, deze voorzieningen meer publiek of collectief te organiseren?
Bent u bereid scenario’s en beleidsopties voor zulke vormen van publieke of collectieve organisatie te laten uitwerken en naar de Kamer te sturen?
De BOSA-subsidie 2026 |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat 5 januari de eerste mogelijkheid in 2026 was om de subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) aan te vragen?1
Dat klopt.
Klopt het dat de bereikbaarheid van de site slecht was en de server van de overheid er meerdere malen uit heeft gelegen?
Op 5 januari jongstleden om 09:00 uur opende het aanvraagloket van de subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties. Vanwege de grote belangstelling raakte de server al snel overbelast waardoor het tijdelijk niet mogelijk was om een subsidieaanvraag in te dienen. Rond 10:15 uur was deze storing verholpen en was het weer mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen.
Klopt het dat op 5 januari voor 15:00 uur de BOSA al voor het gehele jaar overvraagd was?2
Zoals aangegeven in mijn brief over sluiten aanvraagloket BOSA 2026 sloot het loket om 15:00 uur, toen door 2.435 aanvragers voor € 109 miljoen aan BOSA-subsidie was aangevraagd.3 Het subsidieplafond van de BOSA voor 2026 is € 43,5 miljoen. Dat betekent dat de regeling al snel overvraagd was. DUS-I zal de binnengekomen aanvragen behandelen op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen. Zoals opgenomen in de BOSA-regeling volgt reactie op een aanvraag binnen 22 weken.
Wat is de huidige status met betrekking tot enerzijds de hoeveelheid aanvragen, en anderzijds het reeds aangevraagde bedrag?
Zie antwoord vraag 3.
De aanschaf van Chinese slimme meters door netbeheerders. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat netbeheerders Alliander (Liander), Enexis en Stedin onderdelen voor circa vier miljoen (slimme) meters betrekken van Kaifa uit China?1, 2, 3
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen over deze berichtgeving (Kamerstuk 2025Z227414) gaat het in dit nieuwsbericht over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten. Zie voor een verdere toelichting op dataveiligheid ook de antwoorden op vraag 7, 8 en 9 in Kamerstuk 2025Z22741.5
Is deze gunning volgens uw beoordeling wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het hier gaat om een aanbesteding/gunning voor «sensoronderdelen» en kunt u de Kamer een feitenoverzicht sturen met scope, aantallen, contractwaarde, looptijd, opties en betrokken entiteiten, inclusief Kaifa Technology Netherlands?
Zoals toegelicht in het voorgaande antwoord gaat het hier over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet.
De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – deze component gegund middels een aanbesteding met openbare selectie. Het gevraagde feitenoverzicht is te vinden in het door de netbeheerders openbaar gepubliceerde aanbestedingsdocument. In het aanbestedingsdocument is opgenomen dat de verwachte aantallen voor deze meetmodule 7.933.740 eenheden zijn en de contractwaarde € 592.517.432 is. De totale opdracht zal worden geleverd door 2 leveranciers: 60% door Kaifa Technology Netherlands B.V. uit China en 40% door Sagemcom Energy & Telecom uit Frankrijk. De afzonderlijke netbeheerders zijn overeenkomsten aangegaan voor een initiële periode van acht jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met 3 keer 2 jaar. Het is aan de netbeheerders om te beslissen of zij gebruik maken van deze verlengingsoptie. Verdere details zijn te vinden in het aanbestedingsdocument dat is opgesteld door de netbeheerders.6
Kunt u toelichten welke onderdelen van de meter(s) uit China komen (sensor, printplaten, communicatiemodule, firmware, etcetera) en welke onderdelen in Nederland en de Europese Unie worden geproduceerd of geassembleerd?
In de nieuwe generatie slimme meter zijn in de basis vijf separate componenten te onderscheiden die ieder apart worden ingekocht.
(1) Basis elektriciteit meetmodule (hardware). Deze inkoop is verlopen zoals beschreven in de beantwoording van deze Kamervragen en in Kamerstuk 2025Z227417.
(2) De gateway (hardware met een besturingssysteem). Voor dit onderdeel loopt op dit moment de aanbestedingsprocedure. Als eis is assemblage en productie van kritieke onderdelen in een GPA-land opgenomen.8
(3) De applicatielaag (software). Dit onderdeel is gegund aan een Nederlandse partij.
(4) De gasmeter (hardware). Dit onderdeel is gegund aan twee Europese leveranciers.
(5) De Public Key Infrastructure (encryptie). Bij dit onderdeel zijn vertrouwelijke veiligheidsmaatregelen toegepast en het onderdeel wordt geleverd door een Nederlandse partij.
Kunt u bevestigen welke (in)directe staatsinvloed er is en hoe dit is meegewogen in de risicoafweging, aangezien in de berichtgeving wordt gesteld dat China Electronics Corporation (CEC) een belang van 35% heeft in Kaifa?
Dat er mogelijk sprake kan zijn van (in)directe staatsinvloed is een van de redenen geweest waarom de netbeheerders een risicoanalyse hebben uitgevoerd. Hierbij is onder andere gekeken naar cyber- en energie leveringszekerheidsrisico’s, zoals beïnvloeding op afstand, ongeautoriseerde toegang tot meterdata, alsook naar productleveringszekerheidsrisico’s.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Om zo goed mogelijk te verifiëren of er eventueel sprake zou zijn van een inschrijving onder kostprijs, hebben de netbeheerders een uitvraag gedaan bij de Europese Commissie in het «Foreign Subsidies Regulation» mechanisme. Het Foreign Subsidies Regulation (FSR) is een EU-verordening die bedoeld is om oneerlijke concurrentie op de interne markt tegen te gaan wanneer bedrijven financiële steun krijgen van landen buiten de EU. Uit deze melding heeft de Europese Commissie geen belemmeringen waargenomen en gecommuniceerd aan de netbeheerders.
Is vooraf door of namens het kabinet een nationale veiligheids- of ketenafhankelijkheidsanalyse uitgevoerd voor deze aanbesteding (AIVD/MIVD/NCTV/RDI of anders)? Zo ja, door wie en met welke hoofdconclusies? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in beantwoording van eerdere Kamervragen9 hebben de netbeheerders een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter.
De nieuwe generatie slimme meters is opgebouwd uit verschillende hard- en softwarecomponenten en voor ieder van deze componenten geldt een ander risicoprofiel. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274110, kent de elektriciteit meetmodule daardoor een laag risicoprofiel. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is. Het betreft mitigerende maatregelen ten aanzien van de energie- en productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Heeft u in dit dossier geïntervenieerd of een toets gevraagd, aangezien in 2022 door het kabinet is gesteld dat de overheid bij een Nederlands project kan interveniëren als de nationale veiligheid in het geding is? Zo nee, waarom is dit niet als «veiligheidsdossier» behandeld?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u (slimme) energiemeters, gezien hun rol in netbeheer en gegevensverwerking, onderdeel van vitale infrastructuur of «kritieke ketencomponenten»? Welke definitie hanteert u, en wie beslist daarover?
Binnen de Aanpak Vitaal11 zijn door het kabinet processen binnen de energiesector aangemerkt als vitaal. Het betreft elektriciteit (transport, distributie en productie van elektriciteit op land en op zee) en gas (transport, distributie, productie, hervergassing en opslag van gas op land en op zee)12. Een vitaal proces is een proces waarvan uitval, verstoring of manipulatie tot dusdanig ernstige effecten kan leiden dat dit de nationale veiligheid kan schaden en daarmee maatschappelijke ontwrichting kan veroorzaken.
Binnen deze processen gelden de regionale netbeheerders als vitale aanbieders. De regionale netbeheerders Alliander, Enexis en Stedin verwerven gezamenlijk de nieuwe slimme meter. De netbeheerders hebben zelf de verantwoordelijkheid om de mate waarin een component kritiek is vast te stellen en daar ook rekening mee te houden bij hun verwervingstrategieën. De Minister van Klimaat en Groene Groei kan, indien nodig, de netbeheerders opdragen om maatregelen te treffen.
Netbeheer Nederland stelt dat het om een meetsensor zonder schakelaar of telecommunicatietechnologie gaat en dat audits niets hebben opgeleverd; welke audits waren dit (scope, frequentie, onafhankelijke partij, bevindingen) en kan de Kamer inzage krijgen?
De audit rapporten zijn vertrouwelijk omdat deze bedrijfsgevoelige informatie bevatten. De netbeheerders hebben contractueel vastgelegd deze concurrentiegevoelige informatie niet te delen.
Kunt u uitsluiten dat via deze componenten (direct of indirect) manipulatie van meetwaarden, (direct of indirect) aanvallen op de toeleveringsketen of ongeautoriseerde toegang tot meterdata mogelijk is? Zo nee, zijn er mitigatieplannen aanwezig door het Rijk dan wel de netbeheerders, die de risico’s zoveel als mogelijk beperken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe borgt u dat burgers niet worden gedwongen een meter te accepteren waarvan de risico’s niet transparant zijn beoordeeld, aangezien de Energiewet per 1 januari 2026 is ingegaan en de vervanging van analoge meters verplicht maakt (meewerkingsplicht)?
Bij de vervanging van de laatste analoge meters wordt dit jaar en volgend jaar nog de huidige (5e generatie) slimme meter aangeboden en nog niet de nieuwe meter, aangezien de bestaande voorraad naar verwachting strekt tot in het najaar van 2027. Consumenten kunnen de vervanging van een oude analoge meter met de Energiewet niet meer weigeren, maar er zijn wel twee alternatieven als iemand bezwaar heeft tegen het op afstand uitlezen van de meter. Zo kan de communicatiefunctionaliteit van de slimme meter op verzoek van de afnemer worden uitgezet. Ook kan worden gekozen voor een zogeheten digitale meter. Beide meten verbruik en invoeding apart. Als consumenten hiervoor kiezen, moeten ze net als nu wel de meterstanden zelf blijven doorgeven aan de energieleverancier.
Welke aanbestedingsruimte hebben netbeheerders benut om leveringszekerheid, staatsinvloeden en cybersecurity als (uitsluitings)criteria te hanteren, en welke ruimte is volgens u onbenut gebleven?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274113 is de slimme meter modulair ontworpen en is voor de afzonderlijke componenten een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn Europese leveranciers in dit traject aantoonbaar in staat geweest om mee te dingen en te leveren (volume/tijd), en kunt u de Kamer informeren welke Europese aanbieders zijn afgevallen en om welke redenen?
Ja, Europese aanbieders hebben zich kunnen inschrijven voor deze aanbesteding. De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – dit onderdeel gegund middels een openbare aanbesteding. Er is geen restrictie geweest op deelname uit landen. Iedere aanbieder heeft kunnen inschrijven voor de selectiefase van de aanbesteding. Gekwalificeerde aanbieders konden in de gunningsfase van de aanbesteding een aanbieding doen.
Kandidaten kunnen niet openbaar gemaakt worden. Deze gegevens zijn bedrijfsvertrouwelijk en concurrentiegevoelig. De gegunde leveranciers bestaan uit Kaifa Technology Netherlands B.V. en Sagemcom Energy & Telecom SAS. Dit is weergegeven op Tenderned.14
Is onderzocht of sprake is van een abnormaal lage inschrijving (onder kostprijs) en/of een verstorend effect van staatssteun? Zo ja, wat was de uitkomst. Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke scenario’s zijn uitgewerkt voor het geval leveringen/onderhoud/updates vanuit China (tijdelijk) wegvallen door geopolitieke spanningen, en welke buffer/alternatieve leveranciers zijn (contractueel) geborgd?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274115 zijn betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA).16 In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Welke concrete artikelen en AMvB’s in de huidige Energiewet geven netbeheerders nu wél/geen handvatten om hoog-risico leveranciers te weren bij (digitale/slimme) meters, aangezien in 2022 het kabinet aangaf dat wijzigingen (o.a. mogelijkheid tot gebruik Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid) in de Energiewet zouden landen?
Netbeheerders hebben op grond van de Energiewet de verplichting om de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en het transport over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Daarnaast geldt de verplichting de netten te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Dit is een wettelijke taak van netbeheerders.
De netbeheerders kunnen via drie kaders producten of diensten aanschaffen. Deze kaders hebben ieder in meer of mindere mate mogelijkheden om de veiligheid van de producten en diensten en daarmee de nationale veiligheid te waarborgen.17 Er zijn veiligheidsmaatregelen mogelijk in de Aanbestedingswet 2012 (AW2012), de Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheidsgebied (ADV) en er kan gebruik gemaakt worden van het inroepen van artikel 346 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.18
Om een veilige energietransitie te borgen, heeft het kabinet besloten de mogelijkheden voor de netbeheerders om veiligheidsmaatregelen te nemen uit te breiden en te uniformeren. Er wordt tevens verkend in hoeverre harmonisatie van bevoegdheden op termijn mogelijk en wenselijk is, met het oog op een meer uniforme en uitvoerbare systematiek. De nieuwe Energiewet creëert onder artikel 3.18 de bevoegdheid voor de Minister van Klimaat en Groene Groei om aanvullende eisen te stellen aan kritieke processen van de netbeheerders ter bescherming van de nationale veiligheid. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving. Hierdoor wordt het voor de netbeheerders gemakkelijker om gebruik te maken van de veiligheidsmaatregelen in de hierboven beschreven wettelijke kaders.
Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel in de onderliggende conceptwetgeving van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet, te weten het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten en het Cyberbeveiligingsbesluit, een artikel opgenomen waarbij entiteiten verplicht kunnen worden om bepaalde producten of diensten van specifieke leveranciers niet te gebruiken. De desbetreffende vakminister kan een dergelijke bevoegdheid inzetten – in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid – indien dat noodzakelijk is om risico’s voor de nationale veiligheid te voorkomen, te beperken of te beheersen. De vakminister dient hiervoor een beoordelingskader te doorlopen en aan de hand daarvan te bepalen of er al dan niet sprake is van de noodzaak om de verplichting op te leggen.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met een kader voor vertrouwde leveranciers voor vitale energiecomponenten (incl. meters) te komen, met heldere criteria (staatsinvloed, ketentransparantie, cybersecurity) en een toetsingsproces voor netbeheerders?
Zie antwoord vraag 16.
Het Israëlische besluit om humanitaire organisaties te weren uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het besluit van Israël om enkele tientallen hulporganisaties de toegang te ontzeggen in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever?1
Waarom heeft u niet meegedaan aan de gezamenlijke verklaring van de Ministers van Buitenlandse Zaken van Canada, Denemarken, Finland, Frankrijk, IJsland, Japan, Noorwegen, Zweden, Zwitserland en Groot-Brittannië, die het besluit onaanvaardbaar noemen? Bent u bereid deze verklaring openlijk en integraal mede te ondersteunen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Heeft u contact gehad met de humanitaire organisaties die geraakt worden door dit besluit en die ook vanuit Nederland werken, over de gevolgen die dit heeft en welke actie nodig is vanuit Nederland om ervoor te zorgen dat zij ongehinderd hun werk kunnen blijven doen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit met spoed te doen en de Kamer over de uitkomsten te informeren? Zo ja, wat was de uitkomst van deze gesprekken?
Hebt u kennisgenomen van cijfers van de Verenigde Naties dat Gaza door dit besluit van Israël de helft van de gezondheidsposten zal verliezen, een derde van de medische hulpgoederen van internationale hulporganisaties, en dat 90 procent van de mobiele medische teams zullen wegvallen? Wat is uw reactie?
Bent u het ermee eens dat het een oorlogsmisdaad is om een bevolking toegang tot medische hulp en humanitaire hulp te ontzeggen?
Bent u het ermee eens dat de humanitaire gevolgen van dit besluit absoluut onacceptabel zijn en dat alles gedaan moet worden om te zorgen voor vrije toegang van humanitaire hulp in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever?
Heeft u contact gehad met de Israëlische regering over dit besluit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer was dit, met wie was dit en wat waren daar de uitkomsten van?
Aangezien de Israëlische regering niet is teruggekomen op dit besluit, welke aanvullende acties gaat u ondernemen om de druk op te voeren, zodat dit wel gebeurt? Kunt u toelichten welke actie en maatregelen u neemt en wanneer u de Kamer over de uitkomsten hiervan zult informeren?
Wat heeft u gedaan om dit besluit van de Israëlische regering te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe effectief acht u de inspanningen die u verricht heeft en wat heeft u ondernomen toen duidelijk werd dat deze inspanning onvoldoende was om dit besluit te voorkomen?
Vindt u dat u alles heeft gedaan wat kon om dit besluit van de Israëlische regering te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid deze vragen een voor een en met spoed te beantwoorden?
De Chinese militaire oefeningen en simulatie van een blokkade rond Taiwan. |
|
Tom van der Lee (GL), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Eric van der Burg (VVD), Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Taiwan: China’s massive military drills stir invasion fears» van Deutsche Welle1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze grootste militaire oefeningen rondom Taiwan ooit?
De Chinese autoriteiten treden in toenemende mate assertief op in de eigen regio en in het multilaterale systeem en verhogen structureel de druk op Taiwan en landen die met Taiwan samenwerken. Sinds 2022 omvat dit onder andere reguliere, grootschalige militaire oefeningen en (des)informatiecampagnes. Deze zijn onderdeel van de Chinese strategie om onder andere met hybride activiteiten de inlijving van Taiwan in de Volksrepubliek China te bewerkstelligen. De recente militaire oefening past binnen deze inzet maar was omvangrijker dan recente voorgaande oefeningen. De boodschap van de Chinese autoriteiten was daarbij expliciet ook gericht aan externe partijen die zich, volgens China, inmengen in Taiwan. De inzet van het kabinet en de EU is gericht op behoud van de status quo.
Deelt u de mening van de Europese Commissie, die middels een verklaring van EDEO heeft aangegeven dat deze oefeningen een nieuwe bedreiging zijn voor internationale vrede en stabiliteit, en oproept af te zien van zulke acties die voor escalatie kunnen zorgen?
Ik deel de zorgen zoals uitgedragen door de woordvoerder van EDEO over de recente Chinese militaire oefening rond Taiwan; dat heb ik via sociale media ook duidelijk gemaakt. Conform diverse moties spreekt Nederland zich binnen de kaders van het één-Chinabeleid samen met de EU en gelijkgezinde landen uit vóór de-escalatie en tégen destabiliserende unilaterale acties die de status quo bedreigen. Het Taiwan-vraagstuk dient op vreedzame wijze te worden opgelost, waarbij rekening gehouden moet worden met de wensen van de Taiwanese bevolking. Alle betrokken partijen dienen zich te onthouden van unilaterale acties, dreiging of geweld gericht op het wijzigen van de status quo.
Deelt u de mening dat Nederland een extra groot belang heeft bij het handhaven van de status quo in China en Taiwan, mede gezien onze positie in wereldwijde logistiek en de halfgeleiderindustrie?
Het kabinet en de EU zijn zich bewust van de mogelijke repercussies van een crisis rond Taiwan, niet alleen voor de Taiwanese bevolking maar ook voor de hele regio en de wereldeconomie. Een eventueel conflict zou rampzalig zijn voor alle betrokkenen, maar ook grote mondiale repercussies hebben, inclusief voor Nederland. Dat betekent dat dit meer is dan een lokale kwestie en de internationale gemeenschap zich in dient te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen.
Dat vergt overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn. Dit is evenwel geen exercitie die in het openbaar kan worden gedaan.
Heeft u zicht op de exacte impact voor de Nederlandse economie van een langdurige blokkade van Taiwanese havens?
Ik kan niet speculeren over de exacte impact voor de Nederlandse economie in het hypothetische geval van een langdurige blokkade van Taiwanese havens. Zoals gezegd dient de internationale gemeenschap zich in te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen en vergt dat overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn, maar kan ik daar niet verder op ingaan in het openbaar.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor het commissiedebat van 13 januari over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
De brand in de Vondelkerk te Amsterdam en het aanstaande herstel daarvan |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brand in de Vondelkerk te Amsterdam, een rijksmonument ontworpen door Pierre Cuypers?
Ja.
Klopt het dat bij deze brand de hoofdmuren van de kerk behouden zijn gebleven en dat ook een aanzienlijk deel van het historische glaswerk intact is gebleven, waardoor het gebouw als geheel constructief behouden is gebleven?
Ja, het klopt dat delen van de gevels en het glas nog aanwezig zijn, mede door het zorgvuldige bluswerk van de brandweer. Er wordt nu door de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, samen met een constructeur, gekeken hoe de gevels te stutten. Daarna worden de verbrande elementen uit de kerk verwijderd. Pas dan kan er een definitieve analyse gemaakt worden van de constructieve staat.
Is het kabinet bekend met het feit dat de Vondelkerk in 1904 reeds deels door brand is getroffen en dat de destijds beschadigde onderdelen historisch getrouw zijn hersteld, zonder moderniserende of interpretatieve ingrepen?
Dit is niet geheel juist. De Vondelkerk is inderdaad in 1904 eerder getroffen door brand. Daarbij is onder meer de toren verwoest. Deze is toen herbouwd volgens een gewijzigd plan. Ook in latere tijd is de kerk verbouwd. In het bijzonder toen de kerk in de jaren ’80 door Stadsherstel Amsterdam werd gerestaureerd en herbestemd voor maatschappelijk gebruik. Zoals veel historische gebouwen toont de Vondelkerk in zijn huidige staat het resultaat van een reeks van bouwfases.
Deelt u de opvatting dat dit eerdere herstel na de brand van 1904 een relevant precedent vormt voor de wijze waarop ook nu met de herbouw van dit rijksmonument dient te worden omgegaan?
Gebouwen (en andere objecten) zijn beschermd als rijksmonument vanwege hun bijzondere erfgoedwaarden. Uitgangspunt in de omgang daarmee is het in stand houden van deze erfgoedwaarden. Tegelijkertijd zijn de meeste gebouwen voor de eigenaar een gebruiksobject. Het doel van de monumentenzorg is om behoud en gebruik op zorgvuldige wijze te verenigen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft dit vastgelegd in de Uitgangspunten voor de adviespraktijk (laatste versie 2024, Uitgangspunten en overwegingen advisering gebouwde en groene rijksmonumenten | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Deelt u de opvatting dat bij rijksmonumenten die door calamiteiten zijn beschadigd, historische reconstructie op basis van beschikbare documentatie het uitgangspunt dient te zijn?
Wat er na een calamiteit met een rijksmonument gebeurt, is in de eerste plaats aan de eigenaar. Bij de Vondelkerk heeft de eigenaar al verklaard dat alles er op gericht is de kerk te herstellen. Bij de huidige eigenaar is alle kennis over de vorige restauratie nog aanwezig. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Acht u het wenselijk dat bij de herbouw van de Vondelkerk wordt gekozen voor eigentijdse of interpretatieve ingrepen (zoals een moderne of glazen dakconstructie), indien een historisch getrouwe reconstructie technisch mogelijk is?
Het is nu te vroeg om daar een uitspraak over te doen. Eerst moet worden bekeken wat de schade precies is. Alle inspanningen zijn erop gericht de Vondelkerk te herstellen. Voor deze herstelwerkzaamheden zal door de eigenaar een vergunningaanvraag worden ingediend waarover de RCE advies zal uitbrengen aan de gemeente Amsterdam. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat van historische reconstructie uitsluitend mag worden afgeweken indien sprake is van aantoonbare technische of veiligheidsnoodzaak, en niet op basis van esthetische, beleidsmatige of functionele voorkeuren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke rol ziet u voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bij het vaststellen van de uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, en bent u bereid deze uitgangspunten expliciet vast te leggen voordat ontwerptrajecten of architectenselecties plaatsvinden?
De RCE adviseert de gemeente Amsterdam (vergunningverlener) en de eigenaar. Er is reeds intensief contact tussen de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, de gemeente en de RCE. Bij de vergunningverlening voor ingrijpende wijzigingen aan rijksmonumenten is een advies van de RCE noodzakelijk. Op die manier wordt bewaakt dat zoveel mogelijk erfgoedwaarden in stand blijven. Zie verder het antwoord op vraag 4.
In hoeverre acht u het van belang dat bij de herbouw recht wordt gedaan aan het oorspronkelijke ontwerp, de materiaalkeuze en het architectonisch silhouet van Pierre Cuypers, mede gezien de nationale betekenis van diens oeuvre?
De kerk is niet voor niets een rijksmonument. Voor nu is het uitgangspunt van alle betrokkenen om de kerk te herstellen, afhankelijk van de (technische) mogelijkheden en de financiering. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid rijksmiddelen voor herstel of herbouw van de Vondelkerk te verbinden aan de voorwaarde van historisch getrouwe reconstructie conform het oorspronkelijke ontwerp, en zo ja, onder welke voorwaarden?
De financiering van het herstel van de Vondelkerk is in eerste instantie een zaak tussen de eigenaar en de verzekeraar.
Hoe voorkomt u dat bij de herbouw van rijksmonumenten na calamiteiten een precedent ontstaat waarbij «reconstructie» in de praktijk leidt tot modernisering of herinterpretatie van monumentaal erfgoed?
Bij herstel van rijksmonumenten na calamiteiten staat het behoud van de monumentale waarden centraal. Advisering door de RCE aan de gemeente Amsterdam over herstel en eventuele reconstructie vindt plaats binnen de hierboven aangehaalde uitgangspunten, waarin zorgvuldigheid, terughoudendheid en het behoud van authenticiteit leidend zijn. Daarbij kan ook ruimte zijn voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen, indien die ondersteunend zijn aan het behoud en de toekomstige instandhouding van het monument en geen afbreuk doen aan de monumentale waarden. De te nemen maatregelen worden uiteindelijk door de vergunningverlener, de gemeente Amsterdam, afzonderlijk en integraal afgewogen.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de door het kabinet en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, voordat onomkeerbare ontwerpkeuzes worden gemaakt?
De uitgangspunten die bij de advisering door de RCE worden gehanteerd zijn reeds openbaar. Zie het antwoord op vraag 4.
Het verbieden van hulporganisaties in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving, waarin wordt gemeld dat Israël tientallen internationale hulporganisaties, waaronder Artsen zonder Grenzen, Save the Children, CARE en Oxfam Novib, per 1 januari de toegang tot Gaza en de Westelijke Jordaanoever ontzegt? Wat is uw beoordeling van deze ontwikkeling?
Deelt u de kwalificatie van landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Canada, Noorwegen en Japan dat de humanitaire situatie in Gaza opnieuw is verslechterd en inmiddels als catastrofaal moet worden aangemerkt? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de open brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken van onder meer Frankrijk, Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Noorwegen, waarin Israël wordt opgeroepen het besluit terug te draaien om humanitaire hulporganisaties te weren uit Gaza? Waarom heeft Nederland zich tot op heden niet bij deze verklaring aangesloten en bent u bereid dit alsnog te doen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Acht u het aanvaardbaar dat hulporganisaties die levensreddende medische zorg, voedselhulp en onderdak bieden, hun werkzaamheden moeten staken terwijl miljoenen Palestijnen, met name in de winterperiode, afhankelijk zijn van deze hulp? Welke risico’s ziet u hierbij voor ondervoeding, ziekte, hongersnood en onderkoeling, gezien het feit dat veel mensen in provisorische tentenkampen leven die al meerdere overstromingen en noodweer hebben moeten doorstaan?
Deelt u de zorg dat deze Israëlische maatregelen tot gevolg kunnen hebben dat naar schatting één op de drie zorginstellingen in Gaza moet sluiten en dat de humanitaire hulpverlening grotendeels kan instorten? Zo ja, welke stappen acht u noodzakelijk om dit te voorkomen?
Welke concrete stappen zet u op dit moment, bilateraal of in EU-verband, om te voorkomen dat de toegang van hulporganisaties per 1 januari daadwerkelijk wordt stopgezet en om ervoor te zorgen dat levensreddende humanitaire hulp doorgang kan blijven vinden?
Hoe beoordeelt u het nieuwe Israëlische registratieproces voor humanitaire ngo’s, waarbij organisaties uitgebreide personeels- en familiegegevens moeten aanleveren en kunnen worden afgewezen op basis van politieke uitingen van individuele medewerkers?
Deelt u de opvatting dat deze registratie-eisen de humanitaire hulp politiseren en daarmee strijdig zijn met de humanitaire beginselen van neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de nieuwe Israëlische wetgeving tegen de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) in het licht van de bindende uitspraken van het Internationaal Gerechtshof, waarin expliciet is vastgesteld dat Israël verplicht is de werkzaamheden van UNRWA te faciliteren en niet te belemmeren? Acht u deze wetgeving verenigbaar met het internationaal recht?
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van UNRWA van de VN-Conventie inzake Privileges en Immuniteiten, het afsluiten van water, elektriciteit en communicatie en het dreigen met onteigening van VN-eigendom een ernstige schending vormt van de verplichtingen van Israël als VN-lidstaat en een gevaarlijk precedent schept voor de bescherming van VN-organisaties wereldwijd?
Bent u bereid deze kwestie met urgentie te agenderen binnen Europa en in VN-verband om gezamenlijk druk uit te oefenen, opdat humanitaire hulp niet verder wordt belemmerd? Welke concrete stappen heeft u hiertoe reeds ondernomen?
Welke gevolgen heeft het weren van een aanzienlijk deel van de hulporganisaties volgens u voor de naleving door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal humanitair recht, waaronder de plicht van een bezettende macht om humanitaire hulp toe te laten?
Kunt u toezeggen de Kamer op zeer korte termijn te informeren over de inzet van Nederland in de komende dagen en weken, gezien de acute deadline van 1 januari en de directe gevolgen voor honderdduizenden mensen die afhankelijk zijn van humanitaire hulp?
Het bericht ‘Coffeeshops maken volop reclame voor ‘space donuts’ ondanks streng verbod: ‘Online kan blijkbaar alles’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Coffeeshops maken volop reclame voor «space donuts» ondanks streng verbod:«Online kan blijkbaar alles»»?1
Klopt het dat het reclameverbod voor coffeeshops uit de AHOJGI-criteria niet alleen ziet op fysieke uitingen, maar ook op online reclame via sociale media, zoals Instagram? En hoe zit het met websites? Mogen coffeeshops hun producten presenteren via (publiek toegankelijke) websites?
Herkent u het beeld uit het artikel in De Telegraaf dat coffeeshops online structureel reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten, terwijl fysieke reclame streng wordt gehandhaafd?
Deelt u de opvatting dat online reclame voor softdrugs door coffeeshops, al dan niet via eigen websites, in strijd is met het geldende gedoogbeleid, ook als deze reclame niet expliciet gericht is op minderjarigen?
Hoe beoordeelt u het risico dat minderjarigen via sociale media worden geconfronteerd met online reclame voor softdrugs, zoals beschreven in het Telegraaf-artikel?
Bent u bekend met signalen dat gemeenten moeite hebben met de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops, ondanks dat dit verbod juridisch duidelijk is?
Deelt u de zorg dat het uitblijven van effectieve handhaving van online reclame de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid ondermijnt en daarmee de gezondheid van tieners (en volwassenen) in gevaar brengt?
Welke instrumenten hebben gemeenten momenteel tot hun beschikking om op te treden tegen online reclame door coffeeshops, en acht u deze instrumenten voldoende effectief?
Kunt u gemeenten landelijk ondersteunen of faciliteren bij de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops? Bijvoorbeeld door landelijke richtlijnen, expertise of samenwerking met andere instanties?
Ziet u een rol voor landelijke toezichthouders bij het tegengaan van online reclame voor softdrugs door coffeeshops? Bent u bereid met sociale-mediaplatforms het gesprek aan te gaan om te voorkomen dat coffeeshops reclame maken voor drugs via de sociale media?
Op welke wijze wordt binnen het kabinet samengewerkt tussen de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport op dit dossier, gezien de raakvlakken met zowel handhaving als jeugd- en preventiebeleid?
Bent u bereid te bezien of aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen nodig zijn om te voorkomen dat het reclameverbod voor coffeeshops online een dode letter blijft, zoals geschetst in het Telegraaf-artikel?
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Pieter Grinwis (CU), Jan Paternotte (D66), Henk Jumelet (CDA), Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD), Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
Het bericht Noodpakket vaak te duur voor mensen in armoede, ze hebben die spullen nu al dagelijks nodig |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het staat met het bekijken welke hulp vanuit bestaande organisaties beschikbaar is voor mensen die vanwege een laag inkomen zich geen noodpakket kunnen veroorloven, waar u in uw beantwoording van eerdere vragen over dit onderwerp aan refereert? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Zoals aangegeven in de eerdere beantwoording2 wordt momenteel bekeken welke ondersteuning vanuit bestaande organisaties beschikbaar is voor mensen in een kwetsbare financiële positie. Daarbij wordt gekeken naar initiatieven van maatschappelijke organisaties en gemeenten. Op dit moment zie ik geen financiële ruimte om hier binnen afzienbare tijd aanvullende stappen in te zetten.
Recent heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) aangegeven dat er bij gemeenten vragen leven over de beschikbaarheid en financiering van noodpakketten voor minima en dat sommige gemeenten verkennen welke rol zij hierin kunnen spelen. Dit bevestigt het beeld dat er lokaal beweging ontstaat en dat gemeenten, vanuit hun nabijheid tot inwoners, een belangrijke rol kunnen hebben in het bieden van passende ondersteuning. Met de VNG heb ik afgesproken te verkennen wat er aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen. Waar mogelijk willen we voorkomen dat er verschil ontstaat in de ondersteuning van mensen in een vergelijkbare positie.
Wij streven ernaar de Kamer hier verder over te informeren in Q2 2026.
Kunt u een stand van zaken geven van het nagaan op verschillende betrokken ministeries wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten, waar u in dezelfde beantwoording aan refereert? Kunt u ook hier aangeven wanneer de Kamer hierover geïnformeerd wordt?
Alle ministeries werken samen om de maatschappelijke weerbaarheid te versterken. Zoals eerder aangegeven wordt door de verschillende betrokken ministeries nagegaan wat aanvullend nodig is, in samenhang met het bestaande beleid, om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar bestaande structuren en voorzieningen en naar de rol van verschillende betrokken departementen.
Uitgangspunt daarbij is dat ondersteuning zoveel mogelijk aansluit bij de leefwereld van mensen en geen extra druk of stigmatisering veroorzaakt. De signalen van gemeenten, waaronder de recente aandacht die de VNG vraagt voor de positie van minima bij noodvoorbereiding, worden meegenomen. Daarbij is het startpunt dat we uitgaan van bewustwording en zelfredzaamheid van inwoners en enkel inspringen waar dat noodzakelijk blijkt.
Wij streven ernaar de Kamer hier verder over te informeren in Q2 2026.
Bent u bereid in overleg met maatschappelijke organisaties en medeoverheden in overleg te treden teneinde in kaart te brengen hoe op een zo efficiënt mogelijke wijze gezorgd kan worden dat voor huishoudens die op of onder het sociaal minimum leven een basisnoodpakket beschikbaar is?
Met de VNG en maatschappelijke organisaties als Voedselbanken Nederland, het Armoedefonds en het Rode Kruis vindt overleg plaats over de vraag welke ondersteuning beschikbaar is en wat aanvullend nodig kan zijn om mensen in kwetsbare posities te ondersteunen bij noodvoorbereiding. In dit overleg wordt niet alleen gekeken naar de beschikbaarheid van middelen, maar ook naar bredere vormen van ondersteuning.
Het artikel Bonje tussen nieuwe en oude eigenaar ggz-organisatie Inter-Psy: ‘We zitten in een vechtscheiding’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Bruijn |
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de escalerende ruzie tussen de huidige en voormalige eigenaar van Inter-Psy, inclusief de dreigende rechtszaken en de faillissementsaanvraag?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat een grote ggz-instelling, die grotendeels met publieke middelen wordt gefinancierd, zo kwetsbaar blijkt te zijn voor zakelijke conflicten tussen aandeelhouders en vastgoedpartijen?
Er is mij onvoldoende bekend over de zakelijke conflicten die spelen in deze specifieke situatie om hierover te oordelen.
Meer algemeen is het zo dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen (financiële) bedrijfsvoering. Op basis van huidige wet- en regelgeving en de Governancecode Zorg worden randvoorwaarden en eisen gesteld aan de bedrijfsvoering en het bestuur van zorginstellingen. En in toekomstige wet- en regelgeving, het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), worden deze randvoorwaarden en eisen verder aangescherpt. Op basis van signalen en meldingen kunnen toezichthouders nader onderzoek doen en waar nodig maatregelen opleggen. Deze voorwaarden zijn erop gericht te zorgen dat de maatschappelijke belangen zoals kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en jeugdhulp voorop blijven staan.
Maar dit voorkomt niet dat partijen bijvoorbeeld contractueel afspraken kunnen maken op onderdelen die niet wettelijk zijn vastgelegd of zaken juist onvoldoende juridisch vastleggen, waarover zakelijke conflicten kunnen ontstaan.
Deelt u de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren direct risico’s kunnen opleveren voor de continuïteit van zorg, wachttijden en de positie van cliënten en medewerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke waarborgen zijn nu concreet aanwezig?
Ja, ik deel de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren onwenselijk kunnen zijn. En dat dit risico’s kan opleveren voor de continuïteit en kwaliteit van zorg en dat dit niet bevorderlijk is voor de werkomstandigheden van medewerkers.
De toezichthouders Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houden toezicht op respectievelijk de continuïteit en de kwaliteit van zorg. Zodra er signalen zijn dat de continuïteit of de kwaliteit in het geding dreigt te komen, hebben toezichthouders de mogelijkheid om een onderzoek te starten en indien nodig maatregelen op te leggen.
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bevestigen of er signalen zijn over continuïteitsrisico’s bij Inter-Psy? Welke acties zijn of worden genomen?
De NZa houdt toezicht op continuïteit van zorg in relatie tot de zorgplicht. De NZa heeft aangegeven bekend te zijn met deze aanbieder, maar kan geen uitspraken doen over al dan niet lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. In het algemeen kan ik verwijzen naar de early-warning-systeem-afspraken die er liggen tussen de NZa en zorgverzekeraars2.
Klopt het dat Inter-Psy recent een kapitaalinjectie van € 1,5 miljoen nodig had om salarissen en lopende verplichtingen te kunnen voldoen? Wat zegt dit volgens u over de financiële gezondheid en bedrijfsvoering?
Er is mij onvoldoende bekend, anders dan de berichtgeving waar u naar verwijst, over deze specifieke casus en een eventuele kapitaalinjectie. Het is primair aan de instelling om zorg te dragen voor een gezonde bedrijfsvoering en voldoende liquiditeit om aan lopende verplichtingen te kunnen voldoen. Dat een organisatie tijdelijk externe financiering nodig heeft, kan verschillende oorzaken hebben, zoals investeringen of veranderingen in contractering. Het is niet aan mij als bewindspersoon om een oordeel te geven over de financiële gezondheid en de bedrijfsvoering van Inter-psy.
Hoe verklaart u dat een instelling die volgens het jaarverslag 2024 winstgevend was, binnen enkele maanden afhankelijk lijkt van noodkapitaal? Ziet u hier aanwijzingen voor mismanagement of risicovolle financieringsconstructies?
Het is niet ongebruikelijk dat een instelling die over een boekjaar winstgevend is, op enig moment te maken krijgt met liquiditeitsdruk. Jaarverslagen geven een beeld op hoofdlijnen over een afgesloten periode, terwijl de liquiditeitspositie sterk kan worden beïnvloed door actuele omstandigheden, zoals vertraagde betalingen, stijgende kosten of incidentele uitgaven. Zoals ook hierboven al benoemd, is het niet aan een bewindspersoon om te concluderen dat sprake is van mismanagement of risicovolle financieringsconstructies. Het is in ons zorgstelsel de NZa die toezicht houdt op een professionele en transparante bedrijfsvoering bij zorgaanbieders. De NZa kan geen uitspraken doen over al dan niet lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. De zorgverzekeraar en interne toezichthouder spelen hierin ook een belangrijke rol.
Wat is uw oordeel over constructies waarbij zorgondernemers vastgoed in een aparte BV onderbrengen, en vervolgens als verhuurder hoge of strategisch bepalende huren vragen aan de zorginstelling die met publiek geld wordt bekostigd? Acht u dit moreel en maatschappelijk verantwoord?
Ik heb geen bezwaren tegen het feit dat zorgondernemers vastgoed in een aparte BV onderbrengen. Ik vind het daarentegen wel onwenselijk als deze constructie wordt misbruikt voor persoonlijk gewin. Om dergelijk misbruik tegen te gaan wordt in de Wibz een norm voor van betekenis zijnde transacties geïntroduceerd. Een vastgoedtransactie, zoals verkoop of verhuur, valt onder deze norm. De norm zegt dat deze transacties alleen plaats mogen vinden tegen marktconform tarief als er sprake is van verbonden partijen (bijvoorbeeld als de bestuurder van de zorg BV dezelfde bestuurder is als van de vastgoed BV). Met deze norm wordt zelfverrijking met vastgoedtransacties verboden. Met de voorgestelde norm kan de NZa dergelijke meldingen over dergelijke transacties nader onderzoeken en waar nodig handhaven door een aanwijzing te geven of een boete op te leggen. Zoals aangekondigd in een brief van 11 december 2025 aan de Tweede Kamer3 ga ik onderzoeken of verdere aanscherping van het kader voor normale marktvoorwaarden zowel wenselijk als mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dergelijke vastgoed-constructies in de zorg leiden tot onredelijke financiële druk en continuïteitsrisico’s? Zo nee, waarom niet?
Deze analyse deel ik niet. Zorgaanbieders zijn van oudsher private organisaties en het huidige stelsel van marktwerking leidt bovendien tot concurrentieprikkels die kunnen leiden tot verbetering van kwaliteit. Winstgevendheid van een zorgaanbieder (anders dan winstuitkering) is daarbij noodzakelijk om te kunnen innoveren en investeren in de zorg, en noodzakelijk om onderhoud te kunnen uitvoeren. Dit komt de zorg ten goede. Dat betekent niet dat financieel gewin de boventoon mag voeren, zoals dat wel het geval is bij partijen die gericht zijn op snel geld verdienen.
Herkent u het signaal dat winst- en bezoldigingsbeperkingen in de zorg via vastgoedconstructies worden omzeild? Welke maatregelen overweegt u om dit te voorkomen, bijvoorbeeld door integrale toetsing van totale opbrengsten richting zorgondernemers?
De NZa en IGJ hebben in een gezamenlijke signalering «Versterk de integriteit en professionaliteit van de bedrijfsvoering in de zorgsector»4 gewezen op meldingen en signalen die zij ontvangen over het oneigenlijk besteden van zorggeld en twijfelachtige financiële of organisatorische constructies. Daarbij wijzen zij onder andere op normen zoals vastgelegd in de Governancecode Zorg ten aanzien van belangenverstrengeling en integere bedrijfsvoering, maar ook het door bestuurlijke en/of financiële constructies omzeilen van wettelijke bepalingen waardoor zorggelden oneigenlijk worden besteed. Deze signalering is aanleiding geweest om in het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) de verplichting op te nemen dat aanbieders bij van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen normale marktvoorwaarden moeten hanteren. Deze norm is ook toegelicht in de beantwoording van vraag 7.
Hoe beoordeelt u het risico dat een verhuurder, die tevens (minderheids)aandeelhouder is, via huurconflicten druk kan uitoefenen op de bedrijfsvoering van een zorginstelling?
Het is onwenselijk als vanwege een huurconflict druk wordt uitgeoefend op de bedrijfsvoering van een zorginstelling. Als daarbij sprake is van niet-integer handelen verwacht ik, naast optreden van de interne toezichthouder, dat het wetsvoorstel Wibz de NZa mogelijkheden geeft om in een dergelijk geval nader onderzoek te doen en waar nodig maatregelen op te leggen.
Wat betekent een faillissementsaanvraag door een (voormalig) eigenaar/verhuurder voor cliënten, medewerkers en lopende behandelingen? Is de huidige wet- en regelgeving voldoende om te voorkomen dat patiënten de rekening betalen?
Het zal per situatie verschillen wat een faillissementsaanvraag betekent voor cliënten, medewerkers en lopende behandelingen. In de zorg geldt dat continuïteit van zorg voor patiënten en cliënten moet worden geborgd. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in eerste instantie bij zorgverzekeraars middels de zorgplicht. De NZa houdt vervolgens toezicht op de naleving van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
De huidige wet- en regelgeving, waaronder Zvw en Wlz, en het toezichtkader van de IGJ en de NZa, is erop gericht om de continuïteit en toegankelijkheid van zorg zoveel mogelijk te waarborgen. Tegelijkertijd kan niet in alle gevallen worden uitgesloten dat cliënten hinder ondervinden van financiële of organisatorische problemen bij een zorgaanbieder. Om ongecontroleerde faillissementen van instellingen, waar patiënten en cliënten de dupe van kunnen worden, te voorkomen heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) sinds enige jaren het zogenoemde continuïteitsbeleid. Dit beleid beschrijft hoe om te gaan met instellingen in financiële problemen. Het is erop gericht continuïteit van zorg te borgen, wat niet hetzelfde hoeft te zijn als de continuïteit van de instelling. Ook is het gericht op het voorkomen van ongecontroleerde faillissementen.
De kern is dat zorgaanbieders verplicht zijn om continuïteitsproblemen te melden bij zorginkopende partijen (zoals zorgkantoren en zorgverzekeraars). Zorgkantoren en zorgverzekeraars zijn weer verplicht dit te melden bij de NZa. Dit heet het early-warning-systeem (EWS). Bij problemen in instellingen zijn de zorginkopende partijen op grond van hun zorgplicht verplicht de continuïteit van zorg te borgen en de NZa ziet hierop toe. Pas in het uiterste geval wanneer betrokken partijen er zelf niet in slagen om tot een passende oplossing te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. De inzet van VWS geldt als laatste redmiddel5.
De IGJ verwacht van zorgaanbieders dat zij voorbereid zijn op een scenario waarin discontinuïteit van de zorgverlening aan patiënten, cliënten of bewoners dreigt te ontstaan. Bijvoorbeeld als gevolg van een mogelijk faillissement of voorgenomen besluit om te stoppen met het aanbieden van bepaalde vormen van zorg. Wanneer er daadwerkelijk discontinuïteit van zorg lijkt te ontstaan, moeten de activiteiten van alle betrokkenen gericht zijn op een warme overdracht van de zorgverlening. In de leidraad continuïteit van zorg en jeugdhulp6 legt de IGJ uit wat zij concreet verwacht van zorgaanbieders waarbij bijvoorbeeld vanwege faillissement risico’s voor de continuïteit van zorg aan patiënten en cliënten ontstaan.
Hiernaast is in het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders een maatregel opgenomen waarbij een zorgaanbieder geen onverantwoorde risico’s mag nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Dit ook om te voorkomen dat deze onverantwoorde risico’s moeten worden terugverdiend waarbij het risico ontstaat dat de kwaliteit of continuïteit van zorg in het geding komt.
Kunt u uiteenzetten welke instrumenten de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en IGJ hebben om in te grijpen wanneer zakelijke conflicten de zorgcontinuïteit bedreigen? Zijn deze instrumenten in dit dossier benut?
Hier verwijs ik naar de early-warning-systeem-afspraken en bevoegdheden van de IGJ, zoals omschreven in mijn antwoord op vraag 11. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht via de as van de zorgverzekeraar.
Acht u de productiviteitsdruk (zes van de acht uur cliëntencontact) medisch verantwoord, gelet op de noodzaak van voorbereiding, overleg en dossiervoering? Ziet u risico’s voor kwaliteit en werkdruk?
De beoordeling of zorg medisch verantwoord is, ligt primair bij de professionele beroepsgroepen en bij de individuele zorgverlener. Wat kwalitatieve zorg is, is vastgelegd in wet- en regelgeving en uitgewerkt in professionele standaarden, richtlijnen en zorgstandaarden. In het huidige zorgstelsel is de zorgaanbieder verantwoordelijkheid om kwalitatieve goede zorg te leveren en het is aan de zorgverzekeraar om voldoende zorg in te kopen tegen een tarief waardoor een aanbieder zorg kan aanbieden die voldoet aan de kwaliteitsstandaarden. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van zorg.
Wat is uw oordeel over het gegeven dat diverse leidinggevenden en behandelaars zijn vertrokken na de overname?
Bij een overname is het niet ongebruikelijke dat er personeelswisselingen plaatsvinden. Wanneer leidinggevenden en behandelaren een zorginstelling verlaten, is het belangrijk dat de zorgcontinuïteit en de kennisoverdracht goed worden gewaarborgd. Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder dat zij de maatregelen nemen die daarvoor nodig zijn. Verder is er een rol weggelegd voor de NZa en IGJ om toezicht te houden op, respectievelijk, de continuïteit en kwaliteit van zorg.
Hoe waarborgt u dat bij overnames van zorginstellingen niet primair financiële motieven, maar publieke waarden (kwaliteit, continuïteit, bereikbaarheid) centraal staan?
De zorgspecifieke fusietoets van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toetst fusies en overnames, met als doel om de publieke waarden te waarborgen. De NZa moet een concentratie of fusie eerst goedkeuren alvorens deze bij de Autoriteit, Consument en Markt (ACM) wordt getoetst. De ACM toetst overnames en fusies wanneer deze boven een bepaalde omzetdrempel vallen en kijkt daarbij onder andere of een organisatie niet te groot wordt. Met de aangekondigde aanscherpingen van de zorgspecifieke fusietoets krijgt de NZa ook de bevoegdheid om een concentratie tegen te houden als er risico’s zijn op een onrechtmatige bedrijfsvoering bij een of meer van de betrokken zorgaanbieders. Ook kan de NZa concentraties tegenhouden wanneer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) risico’s ziet voor de kwaliteit van zorg. Hiernaast heeft de intern toezichthouder ook een belangrijke rol bij het waarborgen van de kwaliteit, continuïteit en bereikbaarheid bij fusies en overnames.
Welke lessen trekt u breder voor het zorgstelsel uit dit conflict? Ziet u aanleiding voor aanscherping van toezicht, wetgeving of voorwaarden rond private investeerders in de ggz?
Zonder op dit specifieke geval in te gaan, kan ik stellen dat financieel gewin nooit de boventoon mag voeren in de zorg. Zeker wanneer daarbij geen oog is voor het belang van patiënt en voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. In de Wibz zit een voorwaarde waardoor er geen onverantwoorde risico’s bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen mogen worden genomen. Dit moet voorkomen dat private investeerders of andersoortige investeerders de continuïteit van de zorgaanbieder in het geding brengen. Hiernaast wordt met de herbezinning op de Wibz ook gekeken naar aanscherpingen die zien op (private) investeerders met niet zuivere intenties. Een andere belangrijke rol is weggelegd voor de NZa, zij houden toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders. Zij heeft op dit moment al de mogelijkheid om bij signalen een onderzoek in te stellen. Op basis van de uitkomst van dit onderzoek kan de NZa eventueel maatregelen opleggen.
Ziet u het conflict rond Inter-Psy als een incident, of als symptoom van een structureel probleem waarin marktprikkels en aandeelhoudersbelangen botsen met het publieke belang in de zorg? Kunt u dat onderbouwen?
In de brief van 14 maart 20257 heeft mijn ambtsvoorganger uitgebreid stilgestaan bij de marktwerking in de zorg en de uitdagingen die het huidige stelsel met zich meebrengt. In deze brief wordt uitvoerig toegelicht dat marktprikkels in het zorgstelsel historisch gezien een rol hebben gespeeld bij het bevorderen van efficiëntie en keuzevrijheid, maar dat tegelijkertijd duidelijk is geworden dat ongebreidelde marktwerking niet altijd vanzelf leidt tot betere toegankelijkheid, samenwerking of continuïteit van zorg. Destijds werd gesignaleerd dat er op onderdelen aanpassingen nodig zijn om de publieke doelstellingen van kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit beter te borgen, zoals regels rond winstuitkeringen, het voorkomen van evident onwenselijke fusies en een meer gelijkgerichte inkoop in cruciale sectoren van de zorg8. Dat gezegd hebbende, kan ik niet ingaan in op individuele casussen.
Deelt u de analyse dat het huidige stelsel zorginstellingen stimuleert om te denken in termen van groei, rendement en vastgoedposities, in plaats van stabiliteit, nabijheid en kwaliteit van zorg? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat private investeerders, vaak georganiseerd in complexe holdings, strategische zeggenschap hebben over essentiële ggz-voorzieningen? Welke risico’s ziet u voor democratische controle en publieke verantwoording?
Ik vind het van groot belang dat bestuurders van zorginstellingen de kwaliteit en continuïteit van zorg voorop zetten, onafhankelijk van het type investeerder. Met het wetsvoorstel Wibz stel ik maatregelen aan het uitkeren van winst. Zo mag winst alleen worden uitgekeerd als de NZa geen maatregel heeft opgelegd vanwege tariefdelicten of overtreden van transparantiebepalingen.
Dit om de kwaliteit en continuïteit van zorg te beschermen en te voorkomen dat strategische keuzes of persoonlijk financieel gewin de overhand krijgen. Hiernaast ben ik met de aanscherping van de Wibz aan het kijken of er aanvullende maatregelen mogelijk zijn om het gedrag van investeerders die financieel gewin voorop stellen te mitigeren.
Bent u bereid om de Kamer een integrale analyse te sturen van de effecten van private investeringen, vastgoedconstructies en overnames op continuïteit, werkdruk, wachttijden en kwaliteit in de ggz – inclusief beleidsopties voor structurele hervorming?
Uit het rapport van EY uit 2024 worden geen verschillen in kwaliteit gevonden tussen PE-gefinancierde ggz instellingen, en niet-PE-gefinancierde instellingen9. Onderzoek van SiRM en Finance Ideas10 geeft aan dat private investeringen leiden tot nieuwe toetreders en innovatie en investeringen, wat erg belangrijk is in tijde van schaarste. Echter benoemt dit onderzoek ook risico’s verbonden aan private investeringen, zoals een focus op financiële resultaten en ongewenste risicoselectie. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een soortgelijke integrale analyse uit te voeren. Met de herbezinning van de Wibz wordt onder andere gekeken naar aanscherpingen om eventuele negatieve effecten van private investeringen verder tegen te gaan.