Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
Erkent u dat de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden, Francesca Albanese, het mikpunt is van een aanhoudende lastercampagne van pro-Israëlische lobbyisten?1 Zo ja, veroordeelt u deze lastercampagne? Zo nee, waar baseert u dit op?
Zoals aangegeven in beantwoording van eerdere Kamervragen is het kabinet bekend met de in de artikelen genoemde vermeende uitspraak van mevrouw Albanese.2 Het blijkt dat zij deze uitspraak zo niet heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding – en daarmee een eventuele lastercampagne – betrof. Evenwel is het kabinet kritisch op de gedane uitspraken en roept het de Speciaal Rapporteur op om af te zien van polariserende uitspraken in het publieke domein.
Erkent u dat dat de pro-Israëlische lobbygroep UN Watch desinformatie als wapen heeft gebruikt tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur?2 Zo nee, wat was het wel en waar baseert u dit oordeel op?
Zoals gesteld in antwoord op vraag 1 bleek dat mevrouw Albanese de betreffende uitspraak niet zo heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding betrof.
Wat vindt u ervan dat de Franse Minister van Buitenlandse Zaken, Jean-Noël Barrot, naar aanleiding van deze desinformatie Albanese opriep om af te treden, en dat Oostenrijkse, Tsjechische, Duitse en Italiaanse Ministers daarop soortgelijke uitspraken deden?3
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Erkent u dat Francesca Albanese als Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur voor de Palestijnse gebieden een onafhankelijke positie heeft en werkt in opdracht van de VN-mensenrechtenraad? Zo nee, waarom niet?
Ja. VN Speciaal Rapporteurs zijn onafhankelijke deskundigen die opereren op basis van een mandaat van de VN-mensenrechtenraad. Speciaal Rapporteurs werken onbezoldigd maar krijgen ondersteuning van het kantoor van de Hoge Commissaris (OHCHR). Speciaal Rapporteurs spreken niet namens de VN als organisatie. Zij dienen zich wel te houden aan de VN-gedragscode.
Deelt u de opvatting van meer dan 150 (oud-) politici en diplomaten dat het legitimeren van deze desinformatiecampagne tegen Albanese het instituut van de Verenigde Naties ondermijnt en dat het essentieel is om de legitimiteit van internationale instituties te beschermen om ervoor te zorgen dat het internationaal recht kan functioneren?4 Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Onderschrijft u de oproep van deze 150 (oud-) diplomaten en politici dat de valse beschuldigingen aan het adres van de speciaal VN-rapporteur voor de Palestijnse gebieden moeten worden gecorrigeerd? Zo ja, waarom heeft u zich nog niet uitgesproken tegen het gebruik van desinformatie als wapen tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de opvatting dat de eerdere weigering van het toenmalige Nederlandse kabinet in februari 2025 om Albanese te ontmoeten een ondermijning is van het VN-instituut en een gevaar vormt voor de legitimiteit van Nederland binnen de VN en binnen de internationale rechtsorde? Zo nee, waarom niet?
Voor alle VN Speciaal Rapporteurs hanteert Nederland – net als de overgrote meerderheid van VN-lidstaten – een zogenaamd «standing invitation» beleid. Dit betekent dat alle Speciaal Rapporteurs altijd welkom zijn om Nederland te bezoeken. De afweging om al dan niet op politiek of op hoog ambtelijk niveau in gesprek te gaan met een Speciaal Rapporteur wordt van geval tot geval bekeken. Mevrouw Albanese heeft het kabinet geïnformeerd voorafgaand aan haar meest recente bezoek aan Nederland op 23 en 24 maart 2026. Hierbij heeft zij niet verzocht om een onderhoud met een lid van het kabinet.
Heeft het nieuwe kabinet, dat onder uw leiding staat, VN-rapporteur Albanese uitgenodigd voor een officieel bezoek om de schade te herstellen?
Zie antwoord vraag 7.
Onderschrijft u het oordeel van het VN-coördinatiecomité dd. 28 maart 2025, en in de notulen van de bijeenkomst van het dagelijks bestuur van de Mensenrechtenraad, dd. 1 april 2025, dat er geen schending van de gedragscode is vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen reden om van deze vaststelling af te wijken.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken voor het respecteren van het mandaat van Francesca Albanese als Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden en zo bij te dragen aan het bevorderen van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt zich binnen de VN met regelmaat uit voor het belang van het werk en de onafhankelijkheid van alle VN-Speciaal Rapporteurs, waaronder ook het mandaat van de «Special Rapporteur on the situation of human rights in the Palestinian territory occupied since 1967». Dit VN-mandaat bestaat als sinds 1993 en Nederland heeft dit mandaat altijd ondersteund.
Bent u bereid Francesca Albanese uit te nodigen voor een bezoek en steun over te brengen, om op deze wijze te laten zien dat Nederland pal staat voor het internationaal recht en voor het mandaat van de Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur van de Palestijnse gebieden? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7 en 8.
Bent u bereid om Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië, Duitsland en Italië op te roepen zich alsnog publiekelijk te verontschuldigen, hun oproepen tot het aftreden van Francesca Albanese te corrigeren en het gevaar van desinformatie te erkennen?
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de vermeende uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Bent u bereid deze landen ook op te roepen zich, in plaats van het luidkeels naroepen van desinformatie, luid en duidelijk uit te spreken tegen de Israëlische regering die zich schuldig maakt aan genocide, illegale bezetting en apartheid en om maximale sancties daartegen in te stellen? En bent u bereid om als Nederlands kabinet hetzelfde te doen? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 12. Het kabinet zet in op een combinatie van druk en dialoog om de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden te verbeteren, zowel bilateraal als in breder verband.
Wat gaat uw kabinet doen om (de verspreiding van) dit soort schadelijke desinformatie met betrekking tot de Palestijnse gebieden te voorkomen, dan wel zo snel mogelijk de kop in te drukken of te ontzenuwen wanneer dit wordt ingezet door pro-Israëlische lobbygroepen zoals UN-Watch en/of wordt rondgepompt door bepaalde media? Mogen we van uw kabinet een pro-actieve houding verwachten op dit punt? Zo ja, hoe gaat die pro-actieve houding eruitzien? Zo nee, waarom denkt u dat een pro-actieve houding ten aanzien van het bestrijden van schadelijke desinformatie ten aanzien van de (VN-rapporteur voor de) Palestijnse gebieden niet nodig is voor het bevorderen van de internationale rechtsorde en de mensenrechten, gezien uw kabinet in het coalitieakkoord dit beloofde te gaan doen en wat bovendien uw grondwettelijke plicht is?
Het is niet primair de taak van de overheid om berichten te fact checken en te ontkrachten. Dat is een taak voor onder andere onafhankelijke media en organisaties uit het maatschappelijk middenveld. Het kabinet acht het van belang dat deze organisaties hun werk adequaat kunnen doen. Daarom steunt het kabinet bijvoorbeeld het fact-check-netwerk BENEDMO. Ook gaat de Europese Commissie onder het European Democracy Shield 5 miljoen euro aan subsidies verlenen aan onafhankelijke fact checking. Ook het Mensenrechtenfonds wordt onder meer ingezet voor de steun aan het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media.
De uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek 'Kosten Kinderopvang Pleegouders' |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders» uit mei 2024, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS, waaruit blijkt dat pleegouders gemiddeld 213 euro per maand zelf betalen aan kinderopvangkosten en dat uitschieters oplopen tot 1.500 euro per maand, de recente berichtgeving hierover, zoals in het Parool?1, 2
Hoe verklaart u dat ondanks deze onderzoeksuitkomsten en het vrijgemaakte budget van ruim 10 miljoen euro per jaar pleegouders volgens recente berichtgeving nog steeds massaal zelf opdraaien voor de kosten van de kinderopvang?
In het onderzoek geeft slechts 45 procent van de pleegouders aan te weten op welke vergoedingen zij recht hebben en weet slechts iets meer dan de helft hoe deze aangevraagd moeten worden, welke stappen heeft u de afgelopen twee jaar genomen om de onduidelijkheid weg te nemen?
Kunt u aangeven hoeveel van het beschikbare budget sinds 2025 daadwerkelijk is uitgekeerd aan pleegouders en welk bedrag tot op heden onbenut is gebleven?
Deelt u de zorg dat deze situatie, zoals ook in het artikel wordt benoemd, een drempel vormt om pleegouder te worden of te blijven?
Deelt u de in het artikel getrokken conclusie dat onduidelijkheid de overkoepelende oorzaak is? Wat vindt u van het feit dat 87 procent van de pleegouders zegt niet te weten hoe de regeling werkt? Op welke manier gaat u zorgen dat pleegouders actief geïnformeerd worden over hun recht op een tegemoetkoming?
Het onderzoek laat ook zien dat pleegouders grote verschillen ervaren tussen gemeenten en pleegzorgorganisaties, en de behoefte hebben naar een landelijke en uniforme aanpak en ondersteuning, bent u bereid om te komen tot een landelijk loket of uniforme landelijke regeling, zodat pleegouders niet langer afhankelijk zijn van gemeentelijke verschillen en onduidelijke procedures? Zo ja, wat is hier voor het tijdspad? Zo niet, waarom?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik afneemt en dat pleegouders niet langer honderden euro’s per maand uit eigen zak hoeven te betalen en wat is hierbij het tijdspad?
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
De Amerikaanse MATCH Act en de gevolgen daarvan voor ASML |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden ingediende MATCH Act, waarin Republikeinse en Democratische politici voorstellen de exportbeperkingen voor chipfabricage machines naar China verder aan te scherpen?
Klopt het dat dit wetsvoorstel beoogt ook voor bedrijven uit bondgenootschappelijke landen, waaronder Nederland en Japan, dezelfde beperkingen te laten gelden als voor Amerikaanse bedrijven?
Klopt het dat de MATCH Act er in de praktijk toe kan leiden dat ASML geen immersie-DUV-lithografiemachines meer aan China mag verkopen en evenmin onderhoud of service mag verrichten aan reeds geleverde machines, onder meer aan bedrijven als SMIC, Hua Hong, Huawei, CXMT en YMTC?
Deelt u de opvatting dat een verbod op onderhoud en service van reeds verkochte machines feitelijk kan neerkomen op gedwongen contractbreuk en daarmee grote juridische en economische risico’s voor ASML met zich mee kan brengen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel voor ASML, de Nederlandse toeleveringsketen en de werkgelegenheid, mede in het licht van het gegeven dat China in 2025 goed was voor 33 procent van de omzet van ASML en ASML zelf aangaf dat dit aandeel in 2026 naar circa 20 procent zou dalen?
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat de Verenigde Staten via eigen wetgeving feitelijk verdere beperkingen opleggen aan de exportmogelijkheden en dienstverlening van een Nederlands bedrijf?
Is het kabinet hierover reeds in gesprek met de Verenigde Staten, Japan, Taiwan, Zuid-Korea en de Europese Commissie, en wat is daarbij concreet de Nederlandse inzet?
Kunt u aangeven wat de verwachte verdere behandeling van de MATCH Act in de Verenigde Staten is, zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat, en op welke termijn hierover meer duidelijkheid wordt verwacht?
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Bent u op de hoogte van de hack bij ChipSoft, het bedrijf dat software voor patiëntendossiers en andere digitale systemen voor ziekenhuizen levert?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de ernst is van de hack en hoeveel ziekenhuizen, huisartsenpraktijken en eventuele andere zorgverleners zijn geraakt door de hack?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Chipsoft voert momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uit om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. ChipSoft levert software aan ongeveer 70% van de Nederlandse ziekenhuizen. Uit voorzorg zijn sinds 8 april 20:00 uur de verbindingen met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar geweest. Inmiddels is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het gefaseerd opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met de klanten die dat betrof dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd3. ChipSoft heeft geen gedetailleerde inzage gegeven in welke klanten op welke wijze getroffen zijn. In de zojuist genoemde Kamerbrief heb ik ons inzicht met u gedeeld. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
Wat zijn de gevolgen van de hack voor zorgverleners en hun patiënten, bijvoorbeeld doordat zorginstellingen hun systemen offline hebben moeten halen?
Navraag bij de betrokken zorginstellingen leert dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien. Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen digitale verwijzingen niet goed plaatsvinden.
Ziekenhuizen zijn hier echter op dit soort incidenten voorbereid en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel.
Is bepaalde zorg uitgesteld vanwege de hack en zo ja, op welke schaal?
Nee, de zorgprocessen lopen door.
Is er gevoelige data, zoals patiëntgegevens, in handen gekomen van criminelen?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Welke exacte patiëntgegevens hierbij zijn buitgemaakt is nog in onderzoek. Ik heb de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april hierover geïnformeerd.4 Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe verklaart u de verschillende aanpak van ziekenhuizen na de hack, bijvoorbeeld in het wel of niet offline halen van systemen?
Ziekenhuizen die klant zijn bij ChipSoft hebben op advies van Z-CERT, het expertisecentrum cybersecurity in de zorg, preventieve maatregelen genomen en hebben monitoring op hun lopende systemen geïntensiveerd. De keuzes die gemaakt worden, zijn door de ziekenhuizen of organisaties zelf gemaakt op basis van eigen specifieke situatie en risico inschatting.
Verschilt de impact van de hack tussen ziekenhuizen die hun gegevens lokaal, hybride of juist in een cloudomgeving opslaan? Kunt u uitleggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt?
De gegevens van de zorgaanbieders die gebruikmaken van de cloudomgeving van ChipSoft zijn gestolen. Van instellingen die de software van ChipSoft in eigen beheer uitvoeren of door derden laten beheren, zijn geen gegevens gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd.5
Er valt niet in z’n algemeenheid te zeggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt. Dit hangt af van de lokale context van de zorgaanbieder en de risicoafweging die gedaan is en de beheersmaatregelen die daarbij genomen zijn.
Welke rol speelt de overheid in de afwikkeling van de hack?
Wat betreft de afwikkeling van de hack en opsporing en/of vervolging ligt de verantwoordelijkheid bij de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Diverse toezichthouders doen onderzoek naar de hack. Vanuit onze stelselverantwoordelijkheid ondersteunen we de koepelorganisaties die in het Informatieberaad Zorg zitten met informatie over de digitale aanval en een woordvoeringslijn die zij kunnen gebruiken naar hun leden.
Ook worden bijvoorbeeld handelingsperspectieven uitgewisseld. VWS en organisaties die gesubsidieerd worden door VWS ondersteunen de getroffen zorginstellingen zoveel als mogelijk. Zo financiert de overheid Z-CERT, het expertise centrum cybersecurity in de zorg. Z-CERT, biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie. Vanuit het ministerie volgen we de ontwikkelingen zeer nauw, adviseren we koepels en zorgaanbieders en duiden we de rollen en bevoegdheden, waar nodig.
Zijn er alternatieven voorhanden bij een hack als deze, bijvoorbeeld alternatieve software waar ziekenhuizen en andere zorgverleners op kunnen terugvallen?
Ziekenhuizen hebben draaiboeken en protocollen voor als systemen niet werken om te zorgen dat het zorgproces door kan blijven gaan. Dit volgt uit de verplichte risico analyse die zij moeten doen. Zo gaan bijvoorbeeld verwijzingen van huisartsen naar Chipsoft-ziekenhuizen niet meer digitaal, maar per mail of telefonisch. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het is aan zorgverleners zelf om deze protocollen, gegeven de specifieke situatie van de betreffende zorgverlener, in te richten. De ingebruikname van een ander elektronisch patiëntendossier of andere alternatieve software is niet iets wat in enkele dagen of weken geregeld kan worden. Dit is technisch zeer complex en kent een lange doorlooptijd. Bovendien brengt het hoge kosten en andere risico’s met zich mee.
Welke eisen gelden er voor leveranciers van cruciale zorg-ICT?
Nederlandse zorgaanbieders zijn wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat.
In de nabije toekomst zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2-richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. De European Health Data Space-verordening (EHDS) draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening6.
Is de ketenweerbaarheid op het gebied van ICT in de zorg wat u betreft op orde, onder andere in de domeinen hosting, beheer, en koppelingen? Waarom wel of niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast gaat de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, verplichten om hun leveranciersketen in kaart te brengen, en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen. De Cbw is voorzien medio 2026 in te gaan.
Deelt u de opvatting dat dit geen incident is, maar een symptoom van te grote afhankelijkheid van een paar dominante leveranciers in de zorg, waarbij een incident bij één leverancier meteen een nationale zorgvraag wordt?
Nee, ik deel die opvatting niet. Zorgaanbieders dienen afspraken te maken met zorg-ICT-leveranciers en hierbij risico’s af te wegen. Het is wel zo dat de omvang van een hack groter kan zijn wanneer een leverancier met een groot marktaandeel wordt getroffen waarbij ook nog eens patiëntgegevens zijn opgeslagen.
Deelt u de zorgen over de risico’s wanneer één dominante marktpartij de infrastructuur levert voor zorginstellingen of andere essentiële publieke voorzieningen?
Het is belangrijk dat er sprake is van een gezonde marktwerking op de zorg-ICT-markt. Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze marktconcentratie zorgt voor minder concurrentie, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook is er een definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM7 gepubliceerd. Het Ministerie van VWS maakt hieruit op dat het voor nieuwe innovatieve spelers moeilijk is voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico’s te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in onze zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan overwegingen van digitale autonomie.
In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 2026 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken, ga ik de komende tijd aan de slag om de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT te vergroten. Ook wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden. Daarnaast wordt er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel opgezet. Daar kunnen signalen over zorg-ICT worden gedeeld en kan vanuit bestaand instrumentarium bekeken worden of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is. Naast de hierboven genoemde acties zet ik in op de European Health Data Space (EHDS) om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en aan een verplicht loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden op zorg-ICT.
Zijn er maatregelen die u neemt om dergelijke marktdominantie tegen te gaan, bijvoorbeeld door afspraken te maken over het inkoop- en aanbestedingsbeleid in de zorgsector? Waarom wel of niet?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering van zorg-ICT. Wel blijkt uit het NZa rapport «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT» januari 2025 dat de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarom wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door de inzet van externe expertise om gezamenlijke inkoop van een kernapplicatie te laten slagen. Dit zorgt voor schaalvoordelen en vergroot de kans op samenwerking. Over dit soort onderwerpen heeft mijn ministerie ook regelmatig overleg met de ICT-gebruikersverenigingen van de ziekenhuizen.
Hoe zorgt u voor voldoende diversificatie tussen ICT-leveranciers bij zorginstellingen? Is het uw verantwoordelijkheid om monopolievorming in de zorg-ICT tegen te gaan?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op eerlijke concurrentie en marktwerking, zo ook op de zorg-ICT markt. In eerste instantie is zij de toezichthouder op basis van de Mededingingswet die toezicht houdt op de markt en ook concentraties (fusies/overnames) beoordeelt. Zij heeft in haar brief op 28 januari 20258 aangegeven dat de zorg-ict markt niet goed werkt omdat ICT-systemen gesloten zijn. De ACM geeft aan dat zij op dit moment onvoldoende instrumenten heeft om eerlijke concurrentie en marktwerking structureel af te dwingen en adviseert het Ministerie van VWS om openheid van digitale informatiesystemen via wetgeving te verplichten.
Ik vind het belangrijk dat de zorg-ICT-markt toegankelijk is, zodat concurrentie en innovatie worden gestimuleerd. Met de EHDS wordt ook ingezet op een zo open mogelijke markt voor onder andere EPD-leveranciers. Ik onderzoek de mogelijkheden om als randvoorwaardelijk onderdeel van de EHDS, te komen tot additionele regulerende instrumenten.
Is het wenselijk dat zorginstellingen individueel ICT-diensten inkopen en hierover onderhandelen? Welke voor- en nadelen ziet u bij een meer gezamenlijke vorm van inkoop?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering. Gezamenlijke inkoop kan schaalvoordelen opleveren, vergroot de kans op samenwerking en versterkt de positie van de zorgaanbieders. Een nadeel kan zijn dat er minder maatwerk wordt geleverd.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Bevers om bij de evaluatie van de Wet vifo te bezien of bij fusies en overnames vanuit het buitenland van digitale zorginfrastructuur vergelijkbare voorwaarden gesteld kunnen worden als bij andere cruciale sectoren, zoals de chip-, energie- en telecomsector?2
Sinds juni 2023 is de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (vifo) van kracht. De Wet vifo introduceerde een mechanisme voor investeringstoetsing in Nederland. Recent is de wet, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, geëvalueerd.
Tevens is in december 2025 de herziene Foreign Direct Investment (FDI)-screeningsverordening vastgesteld. Met de wijziging van de Verordening worden de reikwijdte en procedures van de nationale investeringstoetsingsregimes in de Europese Unie gestroomlijnd om economische veiligheidsrisico’s van investeringen op een meer coherente manier aan te pakken. Nadat de herziene FDI verordening formeel is vastgesteld, start de termijn voor omzetting van de Verordening in nationale wetgeving. In Nederland wordt deze Verordening geïmplementeerd in de Wet vifo. Ik koers aan op een verwijzing in de wet vifo naar de (terminologie van de) Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Hiermee zullen kritieke entiteiten in de zorg in het geval van vijandige investeringen, fusies of overnames kunnen worden getoetst.
Deelt u de zorgen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over gesloten datastandaarden bij ICT-aanbieders in de zorg, aangezien systemen daardoor niet goed met elkaar communiceren en zorgaanbieders minder keuze hebben in hun leveranciers, met monopolievorming tot gevolg?
Ja ik deel deze zorgen. Het niet gebruiken van open standaarden en de geslotenheid van ICT-systemen bevordert niet de door de Nationale, Visie en Strategie10 gewenste interoperabiliteit op weg naar databeschikbaarheid. Om dat te veranderen zal een mix van Europese verplichtingen en nationale keuzes nodig zijn. Met de European Health Data Space (EHDS) verordening wordt ingezet op een zo open mogelijke markt voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen. Vanuit de NVS-ambitie stuur ik op openstelling van systemen via open gestandaardiseerde koppelvlakken: publiek beschikbare koppelvlakken,
zodat data veilig, herbruikbaar en leverancier-onafhankelijk kan stromen door het hele stelsel. De specificaties van deze open koppelvlakken zijn een publieke verantwoordelijkheid. Zo nodig zal ik deze koppelvlakken ook als open source laten ontwikkelen en beschikbaar stellen aan marktpartijen.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Kathmann over een routekaart waarlangs ICT-leveranciers in de zorg de komende jaren verplicht worden gebruik te maken van open datastandaarden?3
In mijn brief «stand van zaken landelijk dekkend netwerk» die ik voor het commissiedebat digitale zorg (gepland op 21 mei) naar uw Kamer zal sturen, zal ik dieper ingaan op dit vraagstuk.
Welke structurele problemen in de zorg-ICT legt deze hack bloot? Wie is er aan zet om deze op te lossen?
Het onderzoek naar deze hack is nog in volle gang. Het is daarmee te vroeg om een verband te leggen tussen deze hack en structurele problemen in de zorg-ICT.
Welke maatregelen neemt u om de cyberveiligheid en weerbaarheid van zorginstellingen structureel te vergroten?
In het versterken van de cyberweerbaarheid van de zorg neem ik een kader stellende, toezichthoudende, stimulerende en faciliterende rol in. In de brief over informatieveiligheid in de zorg van 4 december 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die mijn ministerie neemt12. Ik ondersteun zorginstellingen bij het voorkomen van incidenten door het verhogen van bewustzijn van zorgmedewerkers in het programma Informatieveilig gedrag in de zorg. Een groot deel van cyberincidenten zijn mede veroorzaakt door menselijk handelen. Daarnaast bied ik hulpmiddelen aan om te voldoen aan de NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg. Deze norm schrijft organisatorische, mensgerichte, fysieke en technologische beheersmaatregelen voor die de digitale weerbaarheid van een organisatie concreet verhogen. Dit met het doel om dreigingen te voorkomen, detecteren of erop te reageren. Tot slot helpt het expertisecentrum cybersecurity in de zorg (Z-CERT) zorginstellingen in het voorkomen van incidenten door te monitoren en eventuele dreigingsinformatie te delen. Daarnaast biedt Z-CERT ondersteuning bij het beperken van de gevolgen wanneer er onverhoopt een incident heeft plaatsgevonden.
Wat wordt de rol van de Cyberbeveiligingswet, zodra deze is aangenomen, om dergelijke hacks te voorkomen en sneller af te wikkelen? Wat gaat er concreet veranderen in een casus zoals deze?
Voor alle zorgaanbieders is de NEN 7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, nu al wettelijk verplicht. De Cyberbeveiligingswet (Cbw) gaat bredere eisen stellen aan netwerk- en informatiebeveiliging voor diverse sectoren waaronder de sector zorg. Zodra de Cbw van kracht is (voorzien medio 2026), hebben organisaties die onder de wet vallen een meldplicht. Dit houdt in dat een significante cyberincident13 binnen 24 uur wordt gemeld bij het portaal van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het NSCS werkt nauw samen met Z-CERT, het expertisecentrum op het gebied van het cybersecurity in de zorg. Deze meldplicht zorgt ervoor dat alle significante meldingen worden gemonitord en er tijdig wordt gewaarschuwd tegen cyberdreigingen. Daarnaast stelt de Cbw een zorgplicht voor organisaties verplicht. Dit houdt in dat organisaties vallend onder Cbw maatregelen moeten nemen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen tegen significante incidenten. De Cbw zal cyberincidenten niet voorkomen, maar de cyberweerbaarheid in Nederland en daarmee ook in de sector zorg wordt verhoogd doordat significante cyberincidenten worden gemonitord en vervolgens snel wordt gehandeld om de beveiliging van informatiesystemen en bedrijfscontinuïteit te waarborgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over digitale ontwikkelingen in de zorg van 21 mei 2026 beantwoorden?
Ja.
De arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw antwoorden van 16 maart 2026 over de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland?1
Ja.
Kunt u het door u aangehaalde rapport van de Nederlands Arbeidsinspectie (NLA) over de laatste inspectie bij Walibi Holland met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van haar laatste bezoek aan het bedrijf geen rapport opgemaakt, omdat toen geen overtredingen zijn vastgesteld. In de beantwoording van de onder vraag 1 genoemde Kamervragen wordt overigens niet verwezen naar een rapport, maar alleen naar de uitkomst van het betreffende bezoek.
Welke onderdelen van de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland zijn er toen door de NLA onderzocht?
Walibi Holland B.V. heeft op 17 juni 2025 een arbeidsongeval bij de Arbeidsinspectie gemeld. Hierop is een inspecteur op 19 juni 2025 ter plaatse gegaan. Hij heeft de locatie bekeken en het ongeval besproken met het bedrijf en de betreffende medewerker. Hij heeft geconstateerd dat het ongeval niet te voorzien was en dat de werkgever redelijkerwijze niets had kunnen doen om het ongeval te voorkomen. Dit is door de Arbeidsinspectie op 23 juni 2025 in een brief aan het bedrijf kenbaar gemaakt.
Is er door de NLA ook gekeken naar de contractvormen bij Walibi Holland? Zo ja, waarop baseert de NLA de conclusie dat er geen overtredingen zijn geconstateerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, vond het laatste bezoek van de Arbeidsinspectie plaats naar aanleiding van een arbeidsongeval. Het onderzoek was daarop gericht en zag niet op de contractvormen bij het bedrijf, omdat het gemelde arbeidsongeval hier geen relatie mee had.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zie hierboven.
Het aankomende bezoek van de minister-president en het koninklijk paar aan Donald Trump |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de analyse van onder andere Amnesty International dat het dreigen met het laten sterven van een hele beschaving, wat Donald Trump heeft gedaan, gelijk staat aan het dreigen met grootschalige oorlogsmisdaden? Zo nee, welke argumenten heeft u om deze analyse te verwerpen?1
Heeft u gezien dat het The Hague Centre for Strategic Studies heeft opgeroepen om naar aanleiding van de uitlatingen van Trump over Iran uw bezoek en dat van het Koningspaar aan het Witte Huis te annuleren? Wat vindt u daarvan?
Welk signaal denkt u dat uitgaat van een bezoek van de Koning en Koningin aan een autoritaire president die het internationaal recht overschrijdt, de positie van Poetin tegenover Oekraïne heeft versterkt, zich laat meeslepen in de illegale oorlog van Netanyahu tegen Iran, die Israël aan wapens tegen de Palestijnse bevolking helpt, die Venezuela illegaal is binnengevallen, die heeft gedreigd met het innemen van Groenland en Cuba en dreigt met het vernietigen van «een hele beschaving»?
Ziet u het risico dat het bezoek wordt gezien als een vorm van politieke legitimatie of steun aan Trump? Zo nee, waarom niet?
Ziet u het risico dat andere landen Nederland zien als blijvende bondgenoot van de VS in het schenden van het internationaal recht, en dat dat nadelige consequenties kan hebben voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welk signaal denkt u dat er vanuit gaat als de Koning en Koningin op de foto gaan met Donald Trump? Ziet u het risico dat de Koning en Koningin door de Trump-regering kunnen worden misbruikt om het imago van Trump op te poetsen, nadat hij na de illegale oorlog tegen Iran in binnen- en buitenland zeer veel kritiek heeft gekregen?
Ziet u nog andere risico’s van uw bezoek en dat van de Koning en Koningin aan Trump?
Heeft u in uw overweging om al dan niet te gaan meegenomen dat de Koning als staatshoofd alle Nederlanders vertegenwoordigt, en dat het van groot belang is dat de Koning bij officiële bezoeken de waarden uitstraalt die Nederland internationaal wil uitdragen, zoals democratie, rechtsstaat, inclusiviteit, internationaal recht en respect voor mensenrechten? Zo ja, op welke manier is het bezoek van het Koninklijk paar aan Trump in lijn met deze waarden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om naar aanleiding van het dreigen met grootschalige oorlogsmisdaden door de Amerikaanse president het bezoek aan Trump te annuleren? Zo nee, bent u dan tenminste bereid het bezoek van het Koninklijk paar te annuleren, zodat u alleen gaat?
Indien u uw bezoek toch doorzet, kunt u de inzet van de regering bij dit bezoek met de Kamer delen?
Kunt u een verslag van de gesprekken van de regering met Trump met de Kamer delen?
Hoeveel Iraanse en Libanese burgers zijn er zover bekend door de VS en Israël gedood?
Erkent u dat de illegale oorlog van de VS en Israël de hele wereld raakt, met name de armste bevolking?
Heeft u, met de kennis van nu, nog steeds begrip voor de volgens het internationaal recht illegale aanval van de VS en Israël? Bent u bereid de aanval alsnog te veroordelen?
Bent u bereid om tijdens uw bezoek bij Trump aan te dringen op een einde aan deze illegale oorlog, het stoppen van het geweld in Libanon en het stoppen van de aanhoudende genocide op de Palestijnen en tegen Trump te zeggen dat Nederland verwacht dat de VS zich houden aan het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid dit ook publiekelijk klip en klaar uit te dragen, zodat duidelijk wordt dat Nederland weer staat voor het internationaal recht?
Kunt u de vragen 9 en 10 beantwoorden voor het aanstaande bezoek op maandag 13 april?
Het artikel ‘Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger’ |
|
Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger»1 en de onderliggende analyse van Innovatiespotter in het artikel «Whitepaper Regionale groeimatrix»?2
Herkent u het beeld dat met name kleine innovatieve ondernemers relatief weinig gebruik maken van het beschikbare ondersteuningsinstrumentarium? Zo ja, wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken hiervan op basis van de signalen die bij het ministerie zelf binnenkomen?
Deelt u de conclusie dat dit problematisch is en om verbetering vraagt?
Bent u voornemens om de toegankelijkheid en de vindbaarheid van het ondersteuningsinstrumentarium te verbeteren en zo ja, wat is hierop uw inzet?
Bent u daarbij bereid te onderzoeken of relevante regelingen en subsidies van het Rijk, regionale overheden en de Europese Unie (EU) beter centraal kunnen worden ontsloten, bijvoorbeeld via één overzichtelijk platform, om versnippering tegen te gaan?
Op welke wijze wordt bij het ontwikkelen van regelingen en subsidies, en bij de communicatie daarover, rekening gehouden met de specifieke noden en behoeften van kleinere ondernemingen en wordt er ook gekeken of een maatregel inderdaad echt aanvullend is aan wat er al is?
In hoeverre worden complexiteit en regeldruk voor aanvragers meegenomen in het ontwerp en de evaluatie van dergelijke regelingen?
Hoe beoordeelt u het feit dat veel bedrijven zich genoodzaakt zien subsidieadviesbureaus in te huren bij het aanvragen van innovatiegelden?
Heeft u inzicht in de vraag welk aandeel van de subsidieaanvragen (bijvoorbeeld binnen de innovatie-instrumenten) tot stand komt met ondersteuning van subsidieadviesbureaus?
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.
Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d. 8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643-1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?
Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink, zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?
Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie, waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?
Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief, beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt te laten financieren?
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...] zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange, onzekere terugverdientermijnen.»?
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige private én publieke investeringen nodig.»?
Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van cherry picking? Zo nee, waarom niet?
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?
Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private investeringen?
In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag, innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al aanwezig is?
Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?
De wanordelijkheden rond de wedstrijd Go Ahead Eagles – PEC Zwolle |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de wanordelijkheden rond Go Ahead Eagles – PEC Zwolle, waaronder het bericht dat uiteindelijk moest worden ingegrepen door de ME?1 Wat is uw reactie op het verloop van deze gebeurtenissen?
Ja.
Hoe kan het dat, ondanks vooraf aangekondigde strengere controles en overleg met supporters, toch wanordelijkheden zijn ontstaan? Waar is het volgens u concreet misgegaan?
Voordat ik deze vragen beantwoord, wil ik schetsen hoe de beslisstructuur op het gebied van veilig en gastvrij voetbal plaatsvindt. De wedstrijdvoorbereiding is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek, bestaande uit de burgemeester, het Openbaar Ministerie, de politie en de betaald voetbal organisatie (BVO). Hier ben ik niet bij betrokken en hier hoor ik ook niet bij betrokken te zijn. De landelijke overheid neemt wel deel aan de Regiegroep Voetbal en Veiligheid.2 Binnen de Regiegroep worden afspraken gemaakt en adviezen gegeven om de veiligheid en gastvrijheid in en rond Nederlandse voetbalstadions te verbeteren en de samenwerking tussen de deelnemende partners te bevorderen. De Regiegroep treedt echter niet in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van decentrale overheden. Tegen deze achtergrond beperk ik mij tot een toelichting op algemene beleidslijnen en ga ik niet in op de concrete omstandigheden van deze situatie. De burgemeester van Deventer legt daarover desgevraagd verantwoording af aan de gemeenteraad.
In de wedstrijdvoorbereiding op decentraal niveau worden er heldere afspraken gemaakt over de voorwaarden voor de toelating van het maximaal aantal supporters in het gastenvak. Het verdient waardering dat op decentraal niveau vooraf in goede onderlinge afstemming alles in het werk is gesteld om een gastvrije en veilige ontvangst van supporters te waarborgen. Helaas hebben deze voorwaarden in dit geval niet het beoogde effect gehad op het gedrag van een deel van de uitsupporters. De evaluatie van de wedstrijd is nog niet afgerond. Op dit moment valt daarom niet aan te geven waarom deze groep supporters de gemaakte afspraken en regels heeft genegeerd.
Zoals aangegeven is de wedstrijdvoorbereiding een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek waar ik vanuit mijn rol niet betrokken bij ben. Van de voetbalvierhoeken van Deventer en Zwolle heb ik overigens begrepen dat zij voorafgaand aan deze wedstrijd nauw met elkaar samen hebben gewerkt om de derbywedstrijd veilig en gastvrij te laten verlopen. De lokale vierhoeken zien deze derby namelijk al jaren als een hoog-risicowedstrijd.
Welke risico-inschatting is vooraf gemaakt ten aanzien van deze wedstrijd, en in hoeverre is daarbij rekening gehouden met de specifieke spanningen rond deze derby?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol heeft het advies van de politie gespeeld in de voorbereiding, en in hoeverre zijn deze adviezen overgenomen door de gemeente mede in het licht van het latere besluit om zonder uitpubliek te spelen?
In het algemeen kan ik aangeven dat de politie deel uitmaakt van de lokale vierhoek en dat hun adviezen bij de wedstrijdvoorbereiding worden meegenomen en direct invloed hebben op de besluitvorming over de voorwaarden waaronder een wedstrijd gespeeld wordt.
Kunt u toelichten hoe de voorbereiding en afstemming tussen burgemeester, politie, Openbaar Ministerie, clubs en de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) is verlopen, en of er op enig moment daarin is bijgestuurd?
Zoals hierboven aangegeven heb ik inhoudelijk geen bemoeienis met de wedstrijdvoorbereidingen van de verschillende wedstrijden. Dat betekent dat ik niet beschik over de bevoegdheid om in dit proces bij te sturen en dat ik niet kan ingaan op de wijze waarop de afstemming in dit specifieke geval is verlopen.
Hoe beoordeelt u het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot het uiteindelijk spelen zonder uitpubliek? Had dit besluit, gelet op de beschikbare informatie en risico-inschattingen, eerder genomen kunnen dan wel moeten worden?
De wedstrijdvoorbereiding en het besluitvormingsproces is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek. Het past niet dat ik daar een oordeel over geef. Het is aan de gemeenteraad van Deventer en/of Zwolle om hier desgewenst een oordeel over te vellen. Wel vind ik het lovenswaardig dat de vierhoeken hier nauw hebben samengewerkt.
Waren de getroffen maatregelen, waaronder toegangscontroles, supportersscheiding en inzet van stewards en politie, naar uw oordeel voldoende en proportioneel gezien het risicoprofiel? Zo nee, waar schoot dit tekort?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete lessen trekt u uit dit incident voor de voorbereiding en besluitvorming rond risicowedstrijden, en hoe worden deze vertaald naar structurele verbeteringen en betere verankering van risicobeperking?
Op dit moment is de gemeente Deventer de casus aan het evalueren. De burgemeester van Deventer zal hierover, indien door de gemeenteraad gewenst, verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.
De gemeenten met een BVO overleggen na iedere speelronde gezamenlijk over incidenten, en komen daarnaast tweemaal per jaar bij de KNVB bijeen en onderhouden onderling goed contact. De geleerde lessen na incidenten worden doorgaans onderling gedeeld en meegenomen bij wedstrijdvoorbereidingen. Binnen dit proces heeft mijn departement via de Regiegroep enkel een ondersteunende rol.
Kunt u verklaren hoe vuurwerk en rookbommen ondanks een dubbele fouillering het stadion zijn binnengekomen? Zijn er aanvullende maatregelen of best practices bekend om deze producten nog beter te kunnen weren?
In het algemeen kan ik aangeven dat het fouilleren bij de toegangscontrole tot een (voetbal)stadion wettelijk is beperkt tot een oppervlakkige controle van kleding en controle van tassen en jassen. Ontkleding en het fouilleren van intieme zones is niet toegestaan. De ervaring leert dat compact vuurwerk daardoor lastig is op te sporen. In hoeverre dit in dit geval een rol heeft gespeeld, zal mogelijk uit de evaluatie blijken.
Zoals aangegeven in de Voortgangsbrief veilig en gastvrij betaald voetbal van 19 december 2025 voert het Auditteam Voetbal en Veiligheid3 momenteel een onderzoek uit naar de impact van het illegaal gebruik van vuurwerk bij voetbal.4 Tevens heeft mijn ministerie verzocht om een aanvullend onderzoek uit te voeren naar de samenstelling van vuurwerk en de mogelijke effecten op de gezondheid van stadionbezoekers en medewerkers. De resultaten zullen in samenhang worden bezien met het onderzoek van het Auditteam, zodat beide trajecten elkaar kunnen versterken en kunnen worden meegenomen bij het nieuwe plan van aanpak. De uitkomsten van deze onderzoeken worden naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 opgeleverd. Tevens worden hierbij de inzichten van de nieuwe, landelijk geldende KNVB-richtlijnen met betrekking tot het gebruik van vuurwerk in stadions meegenomen.
Het artikel waarin wordt vermeld dat werken aan het spoor, drie jaar na het ongeval in Voorschoten, nog steeds onveilig is |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de inhoud van dit artikel?1
Hoe is het mogelijk dat de Arbeidsinspectie bij 11 van de 12 onderzochte locaties, twee jaar na het verschijnen van het OVV-rapport over het ongeval in Voorschoten, moet concluderen dat er geen verbeteringen ten aanzien van de veiligheid hebben plaatsgevonden?
Bent u het met de stelling uit het artikel eens dat goederen en passagiers centraal staan en dat de veiligheid van werknemers achteraan komt? Zo ja, waarom en zo nee waarom niet?
Bent u van mening dat u gefaald heeft in het tijdig implementeren van de aanbevelingen van het OVV-rapport, nu uit het artikel blijkt dat de veiligheid niet beter is geworden tijdens spoorwerkzaamheden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Waarom is de aangenomen motie-Heutink, die de regering opdraagt om spoorwerkers onder de Arbeidstijdenwet te laten vallen, niet uitgevoerd?
Bent u van mening dat het ongeval in Voorschoten in 2023 niet van zodanige ernstige aard was dat het opvolgen van OVV-aanbevelingen niet nodig is? Zo nee, waarom is de situatie op veel locaties dan nog zo onveilig?
Kunt u een lijst doen toekomen waarin u per OVV-aanbeveling weergeeft of er in de afgelopen twee jaar stappen zijn gezet? Zo ja, wat er precies is gedaan of waarom er met een aspect uit het OVV-rapport juist niets gedaan is?
Welke concrete maatregelen bent u van plan op korte termijn te nemen om de veiligheid van alle spoorwerkers te verbeteren?
De positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Longevity Shift: A New Era of Physician Engagement in Longevity Medicine» (Ipsos, maart 2026), waaruit blijkt dat artsen in toenemende mate worden geconfronteerd met patiënten die vragen stellen over longeviteitsgeneeskunde, maar dat zij daarvoor onvoldoende zijn opgeleid, en dat bestaande bekostigingsstructuren preventieve en op gezondheidsoptimalisatie gerichte zorg structureel ontmoedigen?
Deelt u de analyse dat de huidige fee-for-servicebekostiging een structurele drempel opwerpt voor preventieve en longeviteitsgerichte zorg, doordat artsen niet of nauwelijks worden gecompenseerd voor tijdsintensieve consulten bij gezonde patiënten zonder gediagnosticeerde aandoening? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit knelpunt weg te nemen?
In hoeverre is longeviteitsgeneeskunde als interventioneel vakgebied geïntegreerd in de basisopleiding en nascholing van huisartsen en medisch specialisten in Nederland? Bent u bereid dit te onderzoeken (met de Minister van OCW) en of de opleidingseisen op dit punt aanvulling behoeven, mede in het licht van de toenemende vraag vanuit de samenleving naar gezondheidsoptimalisatie en verlenging van de gezonde levensduur?
Bent u bekend met het signaal uit het rapport dat artsen bij longeviteitsgeneeskunde interventies voorschrijven aan mensen die zich gezond voelen, zonder dat er sprake is van een vastgestelde aandoening, terwijl de standaard van zorg op dit terrein grotendeels ongedefinieerd blijft? Welke rol ziet u voor de overheid bij het ontwikkelen van klinische richtlijnen en evidence-based standaarden voor longeviteitsgerichte preventiezorg, zodat artsen niet zonder professioneel kader opereren?
Bent u bereid te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg binnen de Nederlandse bekostigingssystematiek een structurele plek kan krijgen, bijvoorbeeld via uitkomstbekostiging of een gerichte aanvulling op de Zorgverzekeringswet, naar voorbeeld van ouderenzorgmodellen in Denemarken en Finland.
In hoeverre acht u het wenselijk dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken van een vergoedingsstructuur, primair ontwikkelt in de cash-pay en conciergegeneeskunde en daarmee feitelijk voorbehouden blijft aan vermogenden? Welke maatregelen overweegt u om de toegankelijkheid van preventieve longeviteitszorg voor een breed publiek te waarborgen?
Bent u bereid te bezien hoe longeviteitsgerichte preventiezorg beter kan worden ingebed in bestaande beleidskaders, zoals het Nationaal Preventieakkoord, het Integraal Zorgakkoord en de Wet publieke gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad, beroepsverenigingen en relevante wetenschappelijke instituten, een Nationale Strategie Longeviteitsgeneeskunde te ontwikkelen, met concrete doelstellingen voor de integratie van longeviteitsgerichte preventiezorg in het zorgstelsel, de opleiding van zorgprofessionals, wetenschappelijk onderzoek en de toegankelijkheid van deze zorg voor alle Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken hoe de bestaande onderzoeksinfrastructuur van onder andere Maastricht University en Maastricht UMC+, waaronder The Maastricht Study met haar grootschalige biobanking en deep phenotyping en het MERLN Institute for Technology Inspired Regenerative Medicine, strategisch kan worden ingezet als nationaal expertisecentrum voor longeviteitsgeneeskunde, door koppeling van biobankdata, biomarkers van biologische veroudering en klinische toepassingen? En hoe deze kennisinfrastructuur structureel kan worden ingebed in de nationale onderzoeks- en zorgagenda?
Bent u bereid de Kamer te faciliteren met een technische briefing over longeviteitsgeneeskunde, waarbij in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad en academische centra de stand van de wetenschap, de klinische toepasbaarheid, de ethische en maatschappelijke implicaties en de mogelijke inbedding in het Nederlandse zorgstelsel integraal worden toegelicht?
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
Het bericht 'Nederlands grootste pensioenfonds stapt uit techbedrijf dat zaken doet met ICE' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het besluit van het grootste Nederlandse pensioenfonds (ABP) om zich terug te trekken uit Palantir vanwege zorgen over mensenrechten en ethisch verantwoord investeren?1
Deelt u de zorg dat afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven zoals Palantir de digitale soevereiniteit van Nederland kan ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten waar binnen de overheid de diensten en producten van Palantir worden gebruikt en waarvoor deze worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het gebruikmaken door Nederlandse (semi-)overheidsorganisaties van technologie van bedrijven zoals Palantir, waarover ernstige zorgen bestaan over betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen? En op welke gronden wordt dit beoordeeld?
Welke ethische kaders hanteert het kabinet bij de inkoop en inzet van data-analyse- en AI-systemen van commerciële partijen zoals Palantir, en hoe worden deze kaders in de praktijk toegepast en gehandhaafd?
Welke concrete waarborgen, zoals toezicht, impact assessments en transparantiemechanismen, worden ingezet om te voorkomen dat het gebruik van dergelijke technologie leidt tot discriminatie, profilering of schending van privacyrechten?
Bent u bereid om aanvullende richtlijnen of toetsingskaders te ontwikkelen voor samenwerking met technologiebedrijven die actief zijn in veiligheids- en surveillancedomeinen, die de digitale soevereiniteit ten goede komen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in navolging van het besluit van ABP, voortaan expliciet en vooraf te toetsen of samenwerkingen met technologiebedrijven zoals Palantir verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen, en deze toets openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zou u deze vragen afzonderlijk van elkaar kunnen beantwoorden?
Heeft u kennisgenomen van het bericht «KLM-topvrouw pakt 30 procent meer salaris ondanks financiële problemen en interne onrust bij vliegmaatschappij: Rintel verdient 1,6 miljoen euro»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de opvatting dat terughoudendheid in de stijging van beloningen van de top gepast is bij ondernemingen waar de overheid een belang in heeft en die het, door financiële druk, hoge energieprijzen en operationele problemen moeilijk heeft, terwijl het verdienvermogen onder druk staat door de onrust in Oekraïne en het Midden-Oosten?
Ik acht het, zeker gezien de huidige uitdagingen bij KLM, van groot belang dat de onderneming terughoudend is met stijging van de (variabele) beloning. Daarnaast vind ik dat er een verkeerd signaal uitgaat van een ruime beloning voor bestuurders. De financiële positie van KLM staat namelijk onder druk en KLM wil de winstgevendheid verhogen. Dat betekent dat er op de kosten bespaard moet worden. Hoge variabele beloningen voor de top dragen hier niet aan bij.
Hoe verhoudt de toegenomen beloning zich met eventuele afspraken of verwachtingen die samenhangen met de uitlatingen van de Minister in 2025 en ook met de eerdere staatssteun aan KLM?
Het deelnemingenbeleid is duidelijk over het verwachte beleid bij deelnemingen rondom variabele beloningen. Een variabele beloning mag maximaal 20% van de vaste beloning zijn. De variabele beloning bij KLM ligt hier ruimschoots boven. Daarom heeft mijn voorganger in 2024 tegen het huidige beloningsbeleid gestemd en heb ik vorig jaar bezwaar geuit tegen de hoogte van de variabele beloning. De staat is echter als minderheidsaandeelhouder (5,9%) overstemd door andere aandeelhouders.
Op 18 april 2023 is het steunpakket aan KLM beëindigd.2 De financiële voorwaarden die zijn gesteld aan het verlenen van het steunpakket, waaronder de afspraken over beloningen, zijn op dat moment komen te vervallen.
Heeft u de intentie om, binnen de bestaande governance-structuur, invloed uit te oefenen op het beloningsbeleid van KLM en, zo ja, hoe?
De raad van commissarissen is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van het beloningsbeleid van de directie. Alleen een wijziging van het beloningsbeleid wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de algemene vergadering van aandeelhouders. In 2024 heb ik tegen het huidige beloningsbeleid gestemd, omdat het niet past binnen het deelnemingenbeleid van maximaal 20% variabele beloning ten opzichte van het vaste salaris. Omdat de Nederlandse staat slechts een minderheidsbelang van 5,9% heeft en de meerderheid van de aandeelhouders destijds vóór het voorstel heeft gestemd, is het beloningsbeleid ondanks ons bezwaar vastgesteld. Niettemin zal ik mij ook in de toekomst blijven uitspreken tegen dit beleid en het standpunt van de Nederlandse staat duidelijk onder de aandacht blijven brengen.
Bent u bereid om, naast het uitoefenen van druk als aandeelhouder, bij KLM en ook Air France-KLM aan te dringen op een gesprek om te benadrukken dat maatschappelijk draagvlak en voorbeeldgedrag van de top essentieel zijn voor het vertrouwen in het bedrijf en de staatsdeelname in het bedrijf?
Ik voer regelmatig gesprekken met de directies van zowel KLM als Air France-KLM, waarin ik het belang van passende beloningen benadruk. Gezien de huidige uitdagingen waar KLM mee te maken heeft, vind ik het belangrijk om hierover in gesprek te blijven.
Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van KLM op 23 april 2026 heb ik mijn bezwaar tegen de ruimere variabele beloningen over 2025 ook formeel kenbaar gemaakt.
Het nieuwsbericht 'Wees alert bij afkeuring eco-regeling' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Wees alert bij afkeuring eco-regeling», waarin staat dat er steeds meer zorgelijke signalen zijn dat eco-activiteiten voor het jaar 2025 worden afgekeurd terwijl de onderbouwing van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) minimaal is en dat een aantal boeren hierover recent een beschikking hebben gekregen van de RVO?1
Ja, dit bericht en de signalen zijn mij bekend.
Deelt u de mening dat het moment van beschikken te laat is, gezien het feit dat de Gecombineerde opgave 2026 van de RVO op 1 maart reeds gestart is en vele duizenden boeren reeds de aanvraag hebben ingediend en op land bezig zijn met zaaien, planten en bemesten? Wat wilt u doen om het proces te versnellen?
Ik begrijp dat het voor boeren vervelend is als beschikkingen laat komen, juist in een periode waarin zij al volop bezig zijn met zaaien, planten en bemesten. Die onzekerheid wil ik net als RVO zoveel mogelijk beperken. RVO kon vanaf 10 maart 2026 beginnen met het definitief beschikken van de aanvragen en heeft nu 94% van de aanvragen uit 2025 beschikt.
Voor 2026 zetten we extra in op verdere versnelling. Daarbij blijft het uitgangspunt dat boeren tot 18 mei voor deze Gecombineerde Opgave hun aanvraag kunnen indienen.
Klopt het dat RVO voor de beoordeling van eco-activiteiten gebruik maakt van een algoritme? Klopt het ook dat dit voor de eerste keer is?
Voor de beoordeling van een aantal eco-activiteiten is in 2025 voor het eerst gebruik gemaakt van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Dat systeem combineert gegevens uit satellietbeelden en remote sensing en maakt een geautomatiseerde beoordeling van percelen aan de hand van een algoritme.
Is dit algoritme rijp voor gebruik in de praktijk, gezien de vele klachten? Indien niet, wanneer wel?
De inzet van het Areaalmonitoringssysteem (AMS) en de onderliggende algoritmes is gericht op het ondersteunen van de uitvoering en is gebaseerd op uitgebreide ontwikkeling, testen en validatie met historische en actuele gegevens. Met de bredere toepassing van AMS op de controle van eco-activiteten zijn ook kwaliteitscontroles geïmplementeerd om na te gaan of de AMS-controle voldoende functioneert. Tegelijkertijd blijft het systeem in ontwikkeling en wordt het continu gemonitord en waar nodig verbeterd. Gezien eerder geconstateerde niet-nalevingen door steekproeven in het veld liggen de huidige aantallen afwijzingen in lijn der verwachting.
Tijdens het groeiseizoen worden eco-activiteiten soms ingetrokken: de boer kiest dan bijvoorbeeld voor het inzaaien van een ander gewas; worden die wijzigingen door de RVO meegenomen in de beoordeling van de aanvraag?
Boeren moeten voor de eco-regeling gedurende de periode 15 mei tot en met 15 oktober hun aanvraag actueel houden. Dit betekent dat boeren die niet aan de voorwaarden van een eco-activiteit voldoen en dus het resultaat niet halen, deze zelf moeten terugtrekken uit de aanvraag. Wijzigingen die boeren aanbrengen worden meegenomen in de definitieve aanvraag op 15 oktober en de beoordeling daarvan door RVO.
Als het algoritme een eco-activiteit afwijst, kan een boer met eigen fotomateriaal dan alsnog bezwaar maken en aantonen dat de eco-activiteit wel is uitgevoerd?
Als boeren het niet eens zijn met de beoordeling van hun aanvraag door RVO kunnen zij bezwaar maken.
Telt dode bodembedekking, bijvoorbeeld een doodgevroren gewas, mee voor de berekening van het percentage bodembedekking, gegeven het feit dat voor bepaalde eco-activiteiten minimaal 80 procent bodembedekking door een gewas gedurende een bepaalde periode is vereist? Zo nee, waarom niet?
Voor de eco-activiteit Groenbedekking telt een doodgevroren gewas mee voor de bodembedekking. Dit staat ook expliciet in de subsidievoorwaarden. Het doodvriezen van het gewas is als mogelijkheid opgenomen voor het vernietigen van het gewas voorafgaand aan de volgende teelt. Het levende of doodgevroren gewas moet het perceel wel voor 80% bedekken.
Hoeveel procent van de aanvragen van de eco-regeling wordt namens de boer gedaan door een adviseur of andere tussenpersoon?
In 2025 is iets meer dan de helft van de Gecombineerde opgaves verstuurd door een gemachtigde. Het is mij niet bekend bij hoeveel procent van de aanvragen van de Eco-regeling een adviseur of bedrijfsaccountant is betrokken.
Deelt u de mening dat de eco-regeling in principe en eenvoudig door de boer zelf gedaan moet kunnen worden? Wat wilt u doen om dit te bevorderen?
Die mening deel ik. De norm dient wat mij betreft te zijn dat boeren zelfstandig de opgave kunnen doen. Hier is volop ondersteuning toe. Zo is er veel informatie beschikbaar over de activiteiten en werking van de eco-regeling. Ook zijn er in de aanvraag verwijzingen naar informatie die benodigd is. Hiernaast wordt er hard gewerkt om informatievoorziening uit te breiden met (meer) voorbeelden van hoe activiteiten uitgevoerd dienen te worden, informatie over de werking van de resultaatverplichting in de eco-regeling en het klantvriendelijker maken van de RVO dienstverlening. Ook zijn automatische meldingen en validaties ingebouwd om boeren te helpen. Ik ben mij ervan bewust dat de huidige Eco-regeling complex is. Stabiel en voorspelbaar beleid, vereenvoudiging van regels en investeringen in betere ICT ondersteuning zijn daarom blijvende aandachtspunten.
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Ja.
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
Hier streven wij naar.