De afhandeling van mijnschade in Limburg |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het nog 2 tot 3 jaar moeten wachten op de definitieve schaderegeling voor mijnbouwschade in Limburg, vriendelijke uitgedrukt, uitermate teleurstellend is?
Het streven om de regeling eerder te openen is helaas niet gelukt omdat de afhandeling van de mijnbouwschade niet bij een bestaande organisatie kon worden ondergebracht. De doorlooptijd van het oprichten van een structurele organisatie is lang. Het kabinet heeft daarom besloten om een tijdelijke organisatie op te zetten. Deze organisatie zal een digitaal en een fysiek loket hebben. De schadeafhandeling zal eind 2025 worden gestart. Particuliere huiseigenaren met mijnbouwschade aan hun woning zullen zich per postcode tranche kunnen melden. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de door de gemeenten aangeleverde postcodes, de deelnemers van de pilot en de door de stichting Calamiteitenfonds afgewezen schadegevallen. Het kabinet vindt het vervelend dat mensen in Limburg langer moeten wachten voordat zij een beroep kunnen doen op deze onverplichte tegemoetkoming.
Hoe kan het dat de overheid jarenlang gedupeerden heeft laten wachten, toen beloofde dat er voorjaar 2024 een regeling zou zijn en nu het grootste deel van de gedupeerden zal moeten wachten tot 2027 of 2028 tot er een definitieve regeling is?
Het is het kabinet in 2024 helaas niet gelukt om de schadeafhandeling bij een bestaande en geschikte organisatie onder te brengen. In juni 2024 zijn twee kwartiermakers aan de slag gegaan om een advies te geven over de organisatie van de schadeafhandeling. Eind 2024 hebben de kwartiermakers advies uitgebracht. Op grond van dit advies wil het kabinet zo snel mogelijk een tijdelijke organisatie opzetten die van start gaat met de schadeafhandeling. Deze taak zal daarna door een definitieve organisatie worden uitgevoerd. Zoals aangegeven in de Kamerbrief1 van 31 januari zal de regeling eind 2025 worden geopend. De openstelling van de regeling zal in tranches verlopen zodat de schadeafhandeling niet vastloopt door een mogelijke toevloed van aanmeldingen.
Klopt het dat u met de zin «Binnen het stelsel van deze coulanceregeling zal het kabinet andere keuzes maken dan bijvoorbeeld de keuzes die gemaakt zijn met betrekking tot het schadeherstel in Groningen» lijkt te impliceren dat het bewijsvermoeden niet zal worden toegepast in Limburg?
Uitgangspunt van de schadeafhandeling Limburg is dat het nog op te richten Instituut Mijnbouwschade Limburg en de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade de bewijslast van huiseigenaren volledig overneemt, op het moment dat zij een aanvraag indienen. De particuliere huiseigenaar wordt ontzorgd en geïnformeerd over de vervolgstappen. In het kader van deze regeling hoeft er geen causaal verband te worden bewezen, maar is voldoende dat het «voldoende aannemelijk» is dat schade aan een woning het gevolg is van bodembeweging door de voormalige steenkoolwinning. Dit hoeft de particuliere huiseigenaar voor deze regeling ook niet zelf te doen. De Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade onderzoekt naar aanleiding van de aanvraag of het voldoende aannemelijk is dat de schade aan de woning het gevolg is van bodembeweging door de voormalige steenkoolwinning en adviseert hierover. Het kabinet zal u op korte termijn informeren over hoe invulling wordt gegeven aan de motie van de leden Beckerman en Bushoff2, waarin de regering wordt verzocht om het wettelijk bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden.
Zo ja, waarom gebruikt u zulk verhullend taalgebruik om te zeggen dat bewoners minder rechten krijgen dan andere bewoners elders in het land? Zo nee, hoe moeten we deze zin dan lezen?
Bewoners in Limburg krijgen niet minder rechten dan andere bewoners in Nederland. Met deze regeling biedt het kabinet particuliere huiseigenaren in Limburg met fysieke schade aan hun woning, vanwege de bijzondere omstandigheden in het gebied, juist een oplossing waar er in de meeste gevallen geen recht (meer) op een vergoeding van de schade aan hun woning bestaat.
Er is in het betreffende gebied sprake van aanzienlijke na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning en dit veroorzaakt schade of heeft in het verleden schade veroorzaakt. Maar omdat de steenkoolwinning al meer dan vijftig jaar geleden is beëindigd zijn er in veel gevallen geen mijnbouwondernemingen of rechtsopvolgers meer om aansprakelijk te stellen. Waar dit nog wel kan, is er in veel gevallen op grond van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht geen recht op vergoeding.
De particuliere huiseigenaren worden met de regeling ontzorgd en hen wordt ook een lang en onzeker juridisch traject bespaard. In de gevallen waar er nog een rechtsopvolger is neemt de Staat deze vorderingen van de particuliere huiseigenaren over en zal dit op de rechtsopvolgers van de mijnbouwbedrijven verhalen. Het verhalen van deze kosten zal niet lukken als de aansprakelijkheid is verjaard of als het voormalige mijnbouwbedrijf geen rechtsopvolger heeft.
Waarom weigert u de aangenomen motie van de leden Beckerman en Bushoff (Kamerstuk 33 529, nr. 1219) uit te voeren, waarin de Kamer de regering verzoekt het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden?
Het kabinet zal u op korte termijn informeren over hoe invulling gegeven wordt aan de motie van de leden Beckerman en Bushoff.3
Erkent u dat de Stichting Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg (Het calamiteitenfonds) die acute mijnschade afhandelde in Limburg, al uitging van «aannemelijkheid» bij de schadebeoordeling? Deelt u de mening dat het er door uw woorden sterk op lijkt dat de toekomstige praktijk een stap terug is voor Limburgse gedupeerden?
Nee, deze mening deelt het kabinet niet. De voorziening die door de stichting Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg (hierna: stichting) uitgevoerd wordt, is een tijdelijke maatregel voor zeer ernstige gevallen. Het gaat daarbij om bijzondere en niet veel voorkomende situaties. Het kabinet is tevreden dat de stichting een aantal ernstige en schrijnende schadegevallen heeft opgelost. In de afgelopen jaren heeft het kabinet ervoor gekozen om de stichting te blijven financieren zodat zij haar werk kon doen. Het kabinet is van plan om alle particuliere huiseigenaren (ook als lid van een Vereniging van Eigenaren) die te maken hebben met mijnbouwschade aan hun woning te helpen zodat de schade kan worden hersteld. Het doel van het kabinet komt daarmee overeen met het doel van de stichting, maar heeft een breder bereik.
Herrinert u zich dat eind vorig jaar het laatste punt dat een definitieve schaderegeling voor Limburg in de weg stond, de te kiezen rechtsvorm was? Waarom is er nu nog steeds onduidelijkheid over de rechtsvorm en blijkt er nu ook onduidelijkheid over tal van andere aspecten rondom de schadeafhandeling?
Het kabinet heeft besloten om te beginnen met een tijdelijke organisatie die onder de vlag van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei zo spoedig mogelijk aan de slag zal gaan. Daar wordt nu hard aan gewerkt. Zoals eerder aangegeven zal de schadeafhandeling eind 2025 van start gaan.
Welke adviezen heeft u gekregen over de te kiezen rechtsvorm en kunt u deze met de Kamer delen?
Het kabinet heeft op 14 juni 2024 een advies gekregen van het bureau AEF. Dit advies «Onderzoek rechts- en organisatievorm I3ML» is bij deze brief gevoegd. Het kabinet heeft eind december 2024 van de kwartiermakers Van der Broeck en Ploumen een advies gekregen. Dit advies is als bijlage bij de Kamerbrief4 van 31 januari al naar de Tweede Kamer gestuurd.
Kunt u zich voorstellen dat gedupeerden denken dat het onwil is van de overheid om na al die jaren weer met een teleurstellende boodschap te komen over de schadeafhandeling?
Ja. Tijdens het werkbezoek op 10 maart heb ik gesproken met enkele gedupeerden. Zij hebben mij verteld over het leed dat zij ervaren vanwege de schade aan hun woning en de teleurstelling dat de schadeafhandeling nog niet is begonnen. Ik hoop dat ik tijdens ons gesprek de gedupeerden heb kunnen laten zien dat er door het kabinet hard gewerkt wordt om dit jaar te starten met de schadeafhandeling.
Herrinert u zich dat er twee weken geleden media-aandacht was voor de schadeafhandeling in Limburg toen bekend werd gemaakt dat er een proef zou komen met tien mensen? Klopt het dat deze mensen weliswaar hun schade mogen indienen maar daarna zullen moeten wachten op uitbetaling tot de definitieve regeling er is?
Zodra de tijdelijke organisatie gereed is, kunnen de schademeldingen worden afgehandeld en kan er een voorziening worden toegekend. De tien particuliere huiseigenaren die meedoen aan de proef zijn door de kwartiermakers hiervoor gevraagd. Deze mensen weten dat de proef, ook in het geval van mijnbouwschade, niet direct zal leiden tot het uitkeren van een vergoeding. Het kabinet heeft met de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade afgesproken dat de aanvragen van deze huiseigenaren (ook als lid van een Vereniging van Eigenaren) met prioriteit worden behandeld zodra de schadeafhandeling is gestart.
Is hiermee niet in de media de illusie van tempo gewekt, terwijl er in praktijk juist sprake is van vertraging?
Het kabinet vindt van niet. Deze proef heeft geen invloed op de snelheid van het inrichten van de tijdelijke organisatie. Het leidt niet tot vertraging. De uitkomsten van de proef kunnen door de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade worden gebruikt om haar proces en beoordelingsmethodiek, waar nodig, aan te passen.
Erkent u dat uw brief veel vage taal bevat waardoor het onduidelijk is voor welke organisatiestructuur er daadwerkelijk wordt gekozen? Kunt u, bijvoorbeeld met een organogram, verduidelijken hoe de organisatiestructuur eruit komt te zien en wie welke besluiten neemt?
Het kabinet kan op dit moment nog geen organogram laten zien. Een projectteam van KGG/RVO werkt op dit moment aan het ontwerp van de tijdelijke organisatie. Het kabinet zal in juni de Tweede Kamer nader informeren over de organisatiestructuur en wie welke besluiten neemt.
Klopt het dat er in Limburg weliswaar een loket komt, maar de commissie Mijnbouwschade ook een belangrijke rol krijgt? Hoeveel macht krijgen zij precies? Erkent u dat deze commissie tot nu toe zeer weinig aanvragen daadwerkelijk heeft toegekend?
De mijnbouwschade in Limburg zal eerst door een tijdelijke organisatie worden afgehandeld. Parallel hieraan zal een definitieve organisatie worden ingericht. Beide organisaties worden het Instituut Mijnbouwschade Limburg (IML) genoemd. Particuliere huiseigenaren kunnen een aanvraag om een voorziening indienen via de website ofwel via het fysieke loket. Het instituut zorgt voor verdere afhandeling van de aanvraag. De Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade (hierna: commissie) heeft in dit proces de taak om advies uit te brengen over deze aanvragen aan de uitvoeringsorganisatie. De commissie onderzoekt daartoe of het voldoende aannemelijk is dat de schade is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van de voormalige steenkoolwinning. Indien dit het geval is, zal de commissie de uitvoeringsorganisatie adviseren om de schade te vergoeden dan wel te herstellen.
In 2024 heeft de Commissie Mijnbouwschade ten aanzien van veertien schademeldingen bij Ekehaar geadviseerd om een schadevergoeding toe te kennen. Het kabinet heeft op 18 maart per brief5 de Tweede Kamer geïnformeerd over evaluaties van de Commissie Mijnbouwschade voor de periode juli 2021-juni 2023.
Klopt het dat er nog steeds van 2024 tot en met 2026 19,5 miljoen euro beschikbaar is en vanaf 2027 structureel 1 miljoen euro?
Voor de periode 2025 tot 2029 zijn de volgende bedragen beschikbaar: € 5,7 mln. (2025), € 2,2 mln. (2026), € 4,0 mln. (2027), € 4,0 mln. (2028), € 4,0 mln. (2029). Vanaf 2030 is structureel € 1,0 mln. beschikbaar.6
Welk deel van dit budget zal naar schatting daadwerkelijk naar inwoners gaan?
Het kabinet wil alle particuliere huiseigenaren in Zuid-Limburg met fysieke schade aan hun woning als gevolg van voormalig steenkoolwinning helpen. Omdat het hier gaat om een onverplichte tegemoetkoming waarvan de kosten voor een deel ten laste van algemene, door de belastingbetaler opgebrachte middelen zal worden gefinancierd, is wenselijk dat wordt vastgesteld dat het voldoende aannemelijk is dat de schade is veroorzaakt door de voormalige steenkoolwinning. Dit vergt onderzoek. Daarnaast wil het kabinet de kosten van de uitvoering van de regeling waar mogelijk verhalen op de resterende rechtsopvolgers van de voormalige mijnbouwbedrijven. Dit betekent dat de Staat het verband tussen de schade en de voormalige mijnbouw moet aantonen. De gedupeerde wordt hier niet bij betrokken en heeft hier ook geen last van. Dit onderzoek brengt aanzienlijke kosten met zich mee wat doorwerkt in de totale uitvoeringskosten. Welk deel van het budget naar het schadeherstel zal gaan, is nu nog niet bekend.
Deelt u, mede gelet op de hoge apparaatskosten bij de schadeafhandeling in Groningen, de zorgen, ook vanwege de gekozen opzet, dat een groot deel van het geld ook in Limburg zal worden besteed aan overhead? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het ontzorgen van bewoners en het bepalen van de aannemelijkheid van de schadeoorzaak zijn noodzakelijke en helaas kostbare stappen in het afhandelingsproces. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 15, verwacht het kabinet dat de kosten van de uitvoering van deze regeling hoog zullen zijn. De kosten voor onderzoeken worden gemaakt om een claim te kunnen indienen bij de rechtsopvolgers van mijnbouwbedrijven.
Voor de particuliere huiseigenaren met mijnbouwschade is de verhouding tussen uitgekeerde vergoedingen en de apparaatskosten niet van belang. Huiseigenaren zullen door de vergoeding van de schade een erkenning daarvoor ervaren. Deze aanpak past goed bij de aanbevelingen van de Nationale ombudsman om de lessen uit andere hersteloperaties te benutten.
Is het huidige budget reëel gezien de kosten voor complexe schades, zoals de herstelkosten van panden die zijn aangepakt onder de schaderegeling via de Stichting Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg, op gemiddeld circa 100.000 euro uitkwamen?
De stichting is opgericht om de ernstige en schrijnende schadegevallen af te handelen. De stichting heeft circa 30 schadegevallen afgehandeld. Het kabinet verwacht dat er veel meer kleinere schades van circa 10.000 euro zullen zijn dan grotere schades.
Wat gebeurt er wanneer het budget niet toereikend blijkt? Gaat u de schade «koste wat kost» vergoeden of kunnen financiële belangen boven de belangen van Limburgers met schade worden gesteld?
Het kabinet zal de schade aan woningen waarvan het voldoende aannemelijk is dat deze is veroorzaakt door de voormalige steenkoolwinning vergoeden.
Erkent u dat ook voor de financiële kant van de schadeafhandeling kiest voor verhullend of vaag taalgebruik? Herkent u dat de woorden over coulance, aansprakelijkheid en de gekozen opzet erop lijken te wijzen dat u vooral wil bezuinigen op de kosten voor schadeherstel? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet herkent dat niet. Het uitgangspunt is dat schade aan huizen van particuliere eigenaren waarvan het voldoende aannemelijk is dat deze schade is veroorzaakt door de voormalige mijnbouw zal worden vergoed zodat gedupeerden niet met schade blijven zitten. Het Rijk is niet aansprakelijk voor deze schade en spreekt daarom over een coulanceregeling. Het kabinet zal waar mogelijk proberen om de kosten van de schadeafhandeling en de schadevergoedingen te verhalen op de rechtsopvolgers van de voormalige mijnbouwbedrijven.
Erkent u, wanneer u schrijft dat u lessen wilt leren van de schadeafhandeling in Groningen, dat een belangrijke les daar was dat duurzaam herstel de beste methode is om te zorgen dat schade niet snel terugkeert? Klopt het dat het er toch op lijkt dat u ervoor kiest dit deel van het advies van de kwartiermakers geheel over te nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Duurzaam schadeherstel zoals dat in Groningen wordt toegepast is erop gericht onderliggende constructieve gebreken aan te pakken, die geen direct gevolg zijn van de gaswinning, maar een gebouw wel gevoelig maken voor terugkerende schade door bevingen.
De tijdelijke organisatie voor de schadeafhandeling in Limburg zal zich richten op het vergoeden van kleine schades waarvan het voldoende aannemelijk is dat deze zijn veroorzaakt door de voormalige steenkoolwinning. Het valt niet helemaal uit te sluiten dat ook na het herstel van de woning er toch weer schade optreedt. Dit kan voor komen omdat het herstel van de woning de in de diepe ondergrond schade veroorzakende effecten niet kan wegnemen. Als er na herstel opnieuw schade optreedt dan kan de gedupeerde weer een beroep doen op de regeling.
Na het uitvoeren van de pilot rond herstel in natura7, zal wanneer dit deel van de uitvoering ingeregeld is, in het geval van een grote schade, een aannemer een opdracht krijgen om de schade te herstellen.
De kwartiermakers hebben verder geadviseerd om voorafgaand aan het herstel van de woning te inventariseren of er herstelmaatregelen mogelijk zijn waarmee ook de duurzaamheid in de zin van energieverbruik van de woning kan worden verbeterd. Dit kan volgens de kwartiermakers worden gedaan door te verwijzen naar of een samenwerking aan te gaan met de WoonWijzerWinkel Limburg. Bij het inrichten van de definitieve organisatie zal dit verder onderzocht worden.
Met welk schadeprotocol zal worden gewerkt?
De schadeafhandeling wordt opgezet conform de in oktober 2023 met de regio afgesproken inrichtingsprincipes. De wijze waarop de schadeafhandeling wordt vormgegeven en het schadeprotocol worden vastgelegd in een beleidsregel en een wijziging van het Instellingsbesluit van de Commissie Mijnbouwschade. De Commissie Mijnbouwschade bepaalt conform de beleidsregel en het instellingsbesluit haar werkwijze. Zo heeft de Commissie Mijnbouwschade het begrip «voldoende aannemelijk» verder uitgewerkt in het zogenoemde stappenplan. Deze concepten worden binnenkort in de stuurgroep I3ML en met de kwartiermakers besproken. De concepten kunnen naar aanleiding van dit overleg worden aangepast.
Hoe gaat de tijdelijke organisatie werken? Wat betekent uw opmerking dat deze organisatie «onder de vlag van het ministerie» de regeling uitvoert?
De tijdelijke organisatie wordt vanuit het ministerie geleid door een kwartiermaker. De tijdelijke organisatie wordt grotendeels bemenst door RVO. De tijdelijke organisatie wordt zo ingericht dat deze kan overvloeien in een definitieve organisatie.
Klopt het dat voordat er een tijdelijke organisatie operationeel kan zijn alle stappen moeten worden genomen die ook voor een definitieve regeling moeten worden genomen? Zo nee, kan de tijdelijke organisatie dan wel zorgen dat er daadwerkelijk schade wordt uitgekeerd?
Ja dat klopt. De tijdelijke organisatie wordt zo opgezet dat deze schade kan vergoeden. De definitieve organisatie wordt zo opgezet dat deze schade kan vergoeden en ook het herstel in natura kan laten uitvoeren.
Waarom is er gekozen voor een rol voor Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in de schadeafhandeling?
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. RVO heeft ervaring met het behandelen van aanvragen en vergoedingen. De rol van RVO beperkt zich tot het bemensen en anderszins ondersteunen (bijvoorbeeld met het ICT-systeem) van de tijdelijke organisatie. Een andere optie had bijvoorbeeld een regionale uitvoeringsorganisatie kunnen zijn. Dit werd echter niet gesteund door de regio. Er is ook aan gedacht om deze taak te beleggen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG). Het IMG heeft weliswaar de relevante ervaring maar op dit moment vergt de afhandeling van de mijnbouwschade in Groningen nog steeds de volledige aandacht.
Herinnert u zich dat voor gedupeerden van de gaswinning in Groningen door amendement van het lid Beckerman (Kamerstuk 35 603, nr. 38) de mogelijkheid bestaat om kosteloos onafhankelijk technisch, juridisch en financieel advies te krijgen? Gaat u ervoor zorgen dat een dergelijke mogelijkheid er ook voor gedupeerde Limburgers komt? Erkent u dat een dergelijke regeling ervoor zorgt dat gedupeerden het niet alleen hoeven op te nemen tegen de (machtige) staat?
Zoals eerder toegelicht is de situatie in Limburg anders. In Limburg hebben particuliere huiseigenaren in veel gevallen geen recht (meer) op een vergoeding van hun schade en is het in andere gevallen, mede als gevolg van het tijdsverloop zeer moeilijk om deze schade te verhalen op de resterende rechtsopvolgers. Het kabinet wil dat deze particuliere huiseigenaren (ook als lid van een Vereniging van Eigenaren) niet met mijnbouwschade blijven zitten en treft daarom uit coulance een bijzondere voorziening. De onafhankelijke Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade (hierna: commissie) brengt advies uit over de aard en oorzaak van de schade en de kosten die gepaard gaan met het herstel. De commissie gaat hierbij niet uit van causaliteit maar van voldoende aannemelijkheid. De kosten van dit advies komen niet voor rekening van de aanvrager. Met inachtneming van dit advies wordt door de daartoe gemandateerde uitvoeringsorganisatie een besluit genomen. De hele regeling is ingesteld om de burger zoveel mogelijk te ontzorgen.
Hoe reëel is het dat de staat schadevergoedingen kan verhalen op de rechtsopvolgers van de mijnbouwbedrijven? Is er inmiddels een inschatting gemaakt van de hoeveelheid te verwachten schades? Kan dit uitgesplitst worden naar verschillende categorieën schades?
Het is moeilijk om op voorhand iets te zeggen over de kans van slagen van vorderingen waarmee de kosten van de getroffen voorzieningen worden verhaald op de rechtsopvolgers van de voormalige mijnbouwbedrijven. In het algemeen kan wel worden opgemerkt dat dit alleen mogelijk is ten aanzien van woningen in de concessiegebieden waar nog rechtsopvolgers zijn. Ook is het voor het verhalen van deze kosten noodzakelijk dat er naar aanleiding van de aanvraag goed wordt onderzocht en is vastgesteld dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van de voormalige steenkoolwinning. Ook hier zorgt de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade voor.
Het aantal schadegevallen is op dit moment niet goed in te schatten. Dit blijkt ook uit het advies8 van de Technische commissie bodembeweging (Tcbb).
Kunt u concreet aangeven hoeveel invloed Limburg zal krijgen op de definitieve regeling en alle besluiten die daarmee gemoeid zijn?
Binnenkort worden de concepten van de besluiten in de stuurgroep I3ML besproken. Dit kan leiden tot aanpassing daarvan. In de afgelopen twee jaar hebben ambtenaren van de provincie Limburg, gemeente Heerlen, gemeente Kerkrade en de stichting Calamiteitenfonds gereageerd op eerdere concepten van de besluiten.
Op het moment dat er iets significants gaat veranderen in de schadeafhandeling dan zal de regio eerst om advies worden gevraagd.
Erkent u dat het invloed geven aan de regio’s over mijnbouw heel veel ellende had kunnen besparen?
Als uw vraag betrekking heeft op de schade-afhandeling van nu dan is het zo dat de regio Limburg de afgelopen jaren vaak aandacht gevraagd voor mijnbouwschade als gevolg van de voormalige steenkoolwinning. In eerste instantie zag het Rijk hier geen rol voor zich weggelegd vanwege het standpunt aangaande de verjaring van mijnbouwschade. Door de uitspraak9 van de Raad van State werd het duidelijk dat de rechtsvolgers van de voormalige mijnbouwbedrijven nog steeds aansprakelijk kunnen zijn. Het bleek voor een inwoner echter ondoenlijk om deze schade te verhalen. Vanaf dat moment is de inzet van het Rijk geweest om er voor te zorgen dat particuliere huiseigenaren niet met schade zouden blijven zitten, ook niet als de schade al verjaard is. Sindsdien is samen met de regio gesproken om te komen tot een regeling en schadeprotocol waarin rekening wordt gehouden met de specifieke situatie in Limburg. Hier is nadrukkelijk samen met de regio opgetrokken en hier heeft de regio dan ook veel bereikt.
Erkent u dat de conclusies en aanbevelingen van de parlementaire enquête Groningen ook zeggingskracht hebben voor Limburg, omdat er zeer veel parallellen zitten hoe beide regio’s zijn gebruikt als wingewest en achterbleven met de ellende?
Er zijn zeker relevante aanbevelingen uit de parlementaire enquête Groningen die worden benut voor de afhandeling van mijnbouwschade in Limburg. Zie onder andere het antwoord op vraag 30 en 31. Er zijn ook verschillen. In veel gevallen is er, anders dan in Groningen, op grond van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht geen recht (meer) op vergoeding van schade.
Ook is de schaal van de problemen in Groningen een heel andere dan die in Limburg. Op dit moment zijn er bijna 250.000 meldingen van fysieke schade door het IMG afgehandeld.10 De Technische commissie bodembeweging heeft in de periode 2012 tot eind 2023 circa 120 schademeldingen uit Zuid-Limburg ontvangen. Het kabinet verwacht dat op het moment dat de schadeafhandeling in Limburg van start gaat er meer schademeldingen zullen komen, maar dan nog blijft de situatie een andere dan in Groningen.
De parlementaire enquête Groningen gaat over de gaswinning in Groningen waarin ook de staat een rol heeft gespeeld. Lange tijd heeft er nog gaswinning plaatsgevonden terwijl er al zorgen waren over de gevolgen hiervan.
Welke lessen die zijn getrokken bij de parlementaire enquête Groningen neemt u mee bij het komen tot een schaderegeling voor Limburg?
Het kabinet heeft vooral de conclusie over de gebrekkige schadeafhandeling voor ogen. Het kabinet wil voorkomen dat een gebrekkige schadeafhandeling leidt tot meer leed bij de gedupeerden. Het kabinet neemt de volgende aanbevelingen ter harte:
Het kabinet zal ervoor zorgen dat er een lokaal loket komt waar de particuliere huiseigenaren uitleg kunnen krijgen en ook hun aanvraag kunnen indienen. De mensen hoeven na de aanvraag niets meer te doen. Men wordt geïnformeerd over de stappen, de schade wordt onderzocht, en er wordt een voorziening getroffen indien het voldoende aannemelijk is dat de schade is veroorzaakt door de voormalige mijnbouw.
Erkent u dat één van de aanbevelingen van de parlementaire enquête Groningen was het versterk van de kennisontwikkeling over de ondergrond? Zo ja, herkent u dat kennisontwikkeling ook voor Limburg cruciaal is? Neemt u daarom de aanbevelingen over kennis van de kwartiermakers over? Kunt u uw antwoord toelichten?
De toenmalige Minister van Economische Zaken heeft in 2017 met Limburg afspraken gemaakt over de uitvoering van een technisch pakket van maatregen. Deze maatregelen bestaan onder andere uit het inrichten van het Informatiecentrum Nazorg Steenkoolwinning, gericht onderzoek naar na-ijlende effecten, opsporen en saneren van schachten, monitoring van bodembeweging, monitoren van de stand van het mijnwater en het inrichten van een risicosignaleringssysteem. De regio voert het pakket uit en krijgt hiervoor financiering van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Dit betreft circa twee miljoen euro per jaar.
Ook TNO voert binnen haar wettelijke taak onderzoek uit naar de na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en de risico’s. De regio, TNO, Staatstoezicht op de Mijnen en het ministerie overleggen regelmatig over de resultaten en de programmering van het onderzoek.
De kwartiermakers adviseren om de taken van het informatiecentrum aangaande kennisontsluiting onder de vlag te brengen van I3ML en de kennisontwikkeling buiten I3ML te organiseren. Het kabinet kan zich hierin vinden. Er zal nog moeten worden gezocht naar een vorm om dit te organiseren. Met de regio is eind oktober 2023 afgesproken dat zij aangaande deze taak het initiatief neemt.
Onlangs heeft de Open Universiteit een groot Europese onderzoeksproject EUMINDA (staat voor European Mining Damage) binnengehaald. Het ontvangt hiervoor een subsidie van 2.3 miljoen euro van Interreg Europe. Het belangrijkste doel van EUMINDA is om beleid te ontwikkelen voor regio’s die te maken hebben met de langdurige gevolgen van mijnbouwactiviteiten.
Krijgt de Limburg Kamer, met specifieke kennis over de Limburgse bodemproblematiek, een plek in de schadebeoordeling en afhandeling? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade krijgt die plek. De Limburg Kamer wordt om advies gevraagd over aanvragen die op grond van de regeling worden ingediend. Ten behoeve van deze advisering doet de Limburg Kamer onderzoek. De Limburg Kamer heeft een eigen voorzitter, die tevens vicevoorzitter is van de Commissie Mijnbouwschade, en er wordt voorzien in specifieke deskundigheid over de gesteldheid van de bodem in het voormalige steenkoolwinningsgebied en over de na-ijlende effecten van de steenkoolwinning. De verdere afhandeling van de aanvragen zal worden opgepakt door het Instituut Mijnbouwschade Limburg.
Kunt u deze vragen binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Voor de beantwoording van de vragen was afstemming met de regio, RVO en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties nodig. Het kabinet heeft de Tweede Kamer daarom geïnformeerd dat de termijn van drie weken niet gehaald kon worden.
Mijnbouwherstel in Limburg |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is er tussen 2020 en 2024 ondernomen om de openstelling van de schadeafhandeling mogelijk te maken?
Vanaf 2020 zijn met rechtsopvolgers van voormalige mijnbouwbedrijven gesprekken gevoerd. Helaas lukte het niet om met de rechtsopvolgers tot een passende oplossing te komen voor de afhandeling van schade door voormalige steenkoolwinning. Vanaf 2022 zijn er gesprekken gevoerd met de regio over de vormgeving van een regeling waarbij het uitgangspunt een onverplichte tegemoetkoming vanuit de overheid was voor mijnbouwschade aan woningen van particuliere huiseigenaren. In mei 2023 heeft het kabinet samen met de regio gezamenlijke uitgangspunten vastgesteld en in oktober 2023 is dit verder uitgewerkt tot de zogenoemde inrichtingsprincipes.
Vervolgens is geprobeerd om de uitvoering van de beoogde regeling bij een bestaande organisatie te beleggen. Dit bleek helaas niet mogelijk. Hierbij is ook gekeken naar regionale oplossingen. Omdat het twee tot drie jaar kan duren voordat er een nieuwe organisatie met een wettelijke taak is opgericht en ingericht, is er nu voor gekozen om eerst een tijdelijke organisatie in te richten die vervolgens over kan vloeien in een definitieve organisatie. De implementatie hiervan vergt tijd. Ook voor een tijdelijke organisatie geldt bijvoorbeeld dat er een ICT-systeem moet worden ingericht en mensen moeten worden geworven. Het streven is om de tijdelijke organisatie zo spoedig mogelijk te laten starten met de afhandeling van schades. De schadeafhandeling zal eind 2025 worden gestart.
Kunt u nu bevestigen dat u alles scherp op de radar heeft zodat het gerechtvaardigd is te zeggen dat het Rijk kan garanderen dat de regeling op 2 januari 2026 uiterlijk voor burgers opengaat?
Ja, het kabinet heeft de benodigde stappen scherp op de radar. De grootste stap is het inrichten van de tijdelijke organisatie. Deze zal bemenst worden vanuit RVO en werken onder de vlag van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Parallel hieraan zal begonnen worden met het inrichten van een definitieve organisatie. Dit traject zal twee tot drie jaar duren. Ik zal mij maximaal inspannen om ervoor te zorgen dat de regeling, en als eerste het digitale loket, eind 2025 open kan.
Op welke wijze kunt u versnelling organiseren binnen het voorbereidingsproces, zodat zorgvuldigheid en daadkracht worden gecombineerd en de regeling mogelijk al in 2025 open kan voor de gedupeerde eigenaren?
De huidige planning voor het inrichten van de tijdelijke organisatie is ambitieus, maar haalbaar. Het kabinet begrijpt dat u daadkracht wil zien. De kennis en ervaring die is opgedaan bij de oprichting van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG), de voorganger van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG), zal worden gebruikt om de uitvoering van de regeling via de tijdelijke organisatie in te richten. Die ervaring leert ook dat het juist in deze fase belangrijk is om zorgvuldig te zijn, om te zorgen voor een soepele implementatie en uitvoering van de regeling. Het kabinet zal de regeling eind 2025 openstellen.
Welke zwaarwegende redenen zouden er kunnen zijn om eventueel van een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) af te zien? Zijn er alternatieve rechtsvormen die voor de betrokken burgers sneller of betere uitkomsten kunnen bieden?
Het kabinet heeft in het voorjaar van 2024 aan het adviesbureau AEF gevraagd om mogelijke organisatievormen te onderzoeken. Uit het advies kan geconcludeerd worden dat een Rijksdienst de meest haalbare optie is. In juni 2024 zijn twee kwartiermakers aan de slag gegaan. Zij hebben in december 2024 geadviseerd om een zelfstandig bestuursorgaan in te richten.
Het kabinet werkt nu, naar het advies van de kwartiermakers, verder uit hoe de uitvoering kan worden vormgegeven. Dit moet gebeuren in lijn met het kabinetsbeleid inzake verzelfstandiging1 en in een wet.2 Dit beleid vereist terughoudendheid bij het opzetten van (nieuwe) zelfstandige bestuursorganen. Om die reden vergt dit instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als verantwoordelijk Minister voor de organisatie van het openbaar bestuur. Ook worden de aanbevelingen van de Nationale ombudsman gevolgd om de lessen uit andere hersteloperaties te benutten.3
Kunt u toelichten welke processen parallel geschakeld zijn of worden teneinde de burgers niet nodeloos te laten wachten op openstelling, in het licht van de oprichting van een Tijdelijke Organisatie (TO)?
Een operationele Tijdelijke Organisatie is nodig om de regeling open te kunnen stellen. Hier zit straks de menskracht, de systemen en het fysieke loket om – samen met de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade – de aanvragen te kunnen behandelen. Conform planning zal de regeling eind 2025 open gaan. Een projectteam vanuit KGG-RVO zal tot en met medio december werken aan de volgende parallelle trajecten. Dit zijn:
Deelt u dat de burgers die schade hebben niet nodeloos in schadetoerekeningformules betrokken moeten worden? Als het aannemelijk is dat de aangetroffen schade voortkomt uit de mijnbouw, is dat dan afdoende?
Ja, dat deelt het kabinet. Het kabinet wil dat de schadeafhandeling laagdrempelig en transparant is. Het kabinet deelt ook dat het criterium «voldoende aannemelijk» voor deze schade afhandeling zal worden gebruikt. Fysieke schade aan woningen van particuliere huiseigenaren waarvan het voldoende aannemelijk is dat deze is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van de voormalige steenkoolwinning zal worden vergoed. Wat voldoende aannemelijk is, zal objectief en op eenduidige en begrijpelijke wijze moeten worden vastgesteld. Zo moet bijvoorbeeld worden vastgesteld of de schade geen andere autonome oorzaak heeft. De Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade (hierna: commissie) heeft de definitie van «voldoende aannemelijk» nader uitgewerkt in de werkgroep «Aannemelijkheid». De commissie wordt gevraagd om advies uit te brengen over aanvragen op grond van de regeling, doet in dat kader onderzoek en geeft een advies over het schadebedrag. De commissie zal in de komende maanden via een pilot project bekijken hoe het criterium «voldoende aannemelijk» in de praktijk werkt.
De besluiten op basis van de adviezen van de commissie worden ten tijde van de Tijdelijke Organisatie genomen door de Minister, en later door Instituut Mijnbouwschade Limburg (IML) op het moment dat het IML daartoe wordt gemandateerd.
De regeling zal ook gaan gelden voor particuliere huiseigenaren die lid zijn van een Vereniging van Eigenaren.
Is het volgen van een medezeggenschapstraject een vereiste voor het oprichten van een Tijdelijke Organisatie? Is het noodzakelijk dat de selectie van directeur en bestuur via de Algemene Bestuursdienst verloopt, of is dit een keuze die u zelf kunt maken?
Het kabinet verwacht dat het medezeggenschaptraject voor de tijdelijke organisatie nodig zal zijn. Het functieniveau van de bestuurlijke en de leidinggevende functies van de tijdelijke organisatie en een definitieve organisatie vereisen dat de werving via de Algemene Bestuursdienst verloopt. De regio zal betrokken worden bij het opstellen van de functieprofielen en bij de selectie van de kandidaten.
Is de gehele post «Schadeafhandeling Mijnbouw Limburg» in de begroting van Klimaat en Groene Groei bedoeld voor schade-uitkeringen aan gedupeerde burgers, of worden hier ook andere kosten uit gefinancierd?
De post «Schadeafhandeling Mijnbouw Limburg» is bedoeld voor de schadevergoedingen, onderzoekskosten en uitvoeringskosten. Voor de periode 2025 tot 2029 zijn de volgende bedragen beschikbaar: € 5,7 mln. (2025), € 2,2 mln. (2026), € 4,0 mln. (2027), € 4,0 mln. (2028), € 4,0 mln. (2029). Vanaf 2030 is structureel € 1,0 mln. beschikbaar.4 De inzet van het kabinet is om de kosten te verhalen op de rechtsopvolgers van de voormalige mijnbouwbedrijven.
Is de begrotingspost van 19,5 miljoen euro bedoeld als een eerste aanzet, en is voorzien dat deze wordt aangevuld zolang dat nodig is?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat in de nieuwe structuur die nu wordt ingericht, de samenwerking tussen de drie overheidslagen geborgd blijft? Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de nieuwe organisaties onafhankelijk kunnen adviseren, terwijl er tegelijkertijd voldoende draagvlak in de regio blijft bestaan?
De betrokkenheid van de regio bij deze regeling is heel belangrijk en daarmee een sleutel voor succes. Uiteraard zal op bestuurlijk niveau in een adequate overlegstructuur worden voorzien. In de komende maanden zal met de regio verder worden verkend op welke wijze haar rol bij de afhandeling van schade door de uitvoeringsorganisatie kan worden vormgegeven. Dat dit de vorm krijgt van een adviesrecht voor de regio deelt het kabinet echter niet op voorhand. Het is bijvoorbeeld onduidelijk wat de status van zo’n advies zou zijn op het moment dat de schadeafhandeling wordt uitgevoerd door een zelfstandige uitvoeringsorganisatie.
Deelt u de zienswijze dat het opteren voor een adviesrecht door de regio een sleutel voor succes is, en bent u bereid zich maximaal in te spannen om dit te realiseren?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u toezeggen dat de Commissie Mijnbouwschade aan de slag gaat met de 10 pilotgevallen, en dat de Kamer op de hoogte wordt gehouden van het verloop van deze pilots?
Ja, de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade (hierna: commissie) heeft hiervoor onlangs een opdracht gekregen. Via deze pilot kan de commissie onder meer testen hoe het uitgangspunt voldoende aannemelijkheid in de praktijk werkt. De commissie heeft op 21 maart jl. met de tien bewoners gesproken en heeft hen geïnformeerd over de planning van de pilot. De commissie zal over de pilot een rapport opstellen. Het rapport zal naar verwachting na de zomer gereed zijn. Het zal in de stuurgroep I3ML worden besproken en naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
Kunt u toelichten hoe een samenwerking met het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) concreet zal worden ingevuld en welke voordelen dit oplevert voor de schadeafhandeling in Limburg?
Zijn er mogelijkheden om een digitaal loket eerder te openen dan december 2025, bijvoorbeeld in een beperkte vorm, zodat burgers zich tijdig kunnen melden en voorbereiden op de aanvraagprocedure?
Kunt u aangeven hoe dit adviesloket wordt ingericht, welke diensten het biedt en op welke termijn het operationeel zal zijn?
Kunt u aangeven hoe deze pilotgevallen met kleine schadegevallen worden geselecteerd en of de lessen hieruit direct worden meegenomen in de verdere uitrol van de regeling?
De hoge warmtetarieven |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Energiereuzen vragen ook in 2025 de maximale tarieven voor warmte?1
Ja.
Bent u er ook mee bekend dat de vaste leveringskosten voor huishoudens met een warmteaansluiting dit jaar niet zijn gedaald?2
Het kabinet is ermee bekend dat de maximale door de ACM vastgestelde vaste kosten per huishouden nagenoeg hetzelfde zijn gebleven (759,88 euro per jaar in 2024 en 760,77 euro in 2025).
Deelt u de mening dat dit niet de suggestie is die is gewekt bij het indienen van de spoedwet warmtetarieven (Kamerstuk 36 387, nr. 10) die het vorige kabinet op verzoek van de Kamer (Kamerstuk 29 023, nr. 488) heeft opgesteld?
Die mening deelt het kabinet niet. Zonder deze wijziging zou het warmtetarief in 2025 veel hoger zou zijn uitgekomen. Bij de aankondiging van de wetswijziging is ingegaan op het positieve deeleffect van de voorgestelde wijzigingen op het warmtetarief, namelijk de vergelijking tussen de tarieven met en zonder de wijzigingen. Dat is iets anders dan de verwachte hoogte van het warmtetarief voor 2025. Dat zou op dat moment ook niet mogelijk zijn geweest: ACM bepaalt de hoogte van het maximumtarief pas in december. Daar zijn immers ook andere factoren op van toepassing, zoals inflatie en de ontwikkelingen van de netbeheerkosten voor aardgas. Het kabinet licht dit graag in meer detail toe.
De aanpassing van de Warmtewet, en de daaropvolgende aanpassingen van het Warmtebesluit en de Warmteregeling zijn gedaan om invulling te geven aan de motie van het lid Kröger, waarin is gevraagd om de methodiek voor het berekenen van tarieven voor warmte op korte termijn aan te passen op een reële en rechtvaardige wijze.3 De twee belangrijkste wijzigingen die daarna in regelgeving zijn ingevoerd zijn het niet meer meenemen van de stijging van de energiebelasting op gas in de warmtetarieven, en een aanpassing van de methodiek voor het berekenen van de kosten van onderhoud van de cv-ketel. De laatste aanpassing houdt in dat er niet meer uitgegaan zal worden van de prijs van een all-in onderhoudscontract, maar van een gemiddelde van alle type onderhoudscontracten. In de Kamerbrief waarin de wijzigingen zijn aangekondigd, is de verwachting uitgesproken dat dankzij de wijzigingen de toekomstige warmtetarieven eerlijker worden en beter aansluiten bij de praktijk.4 Het kabinet is van mening dat dit ook het geval is.
In de aanvullende reactie heeft het vorige kabinet op verzoek van het lid Kröger een inschatting gegeven van de impact van de wijzigingen.5 Daarbij is vermeld dat het om de eerste ambtelijke inschattingen ging, omdat de ACM bevoegd is om de rekenmethode naar eigen inzicht toe te passen. De ingeschatte verlaging van het vastrecht was 43,92 euro per jaar exclusief btw en 53,14 euro inclusief 21% btw. Zoals gebruikelijk bij het inschatten van de impact, ging het daarbij om de inschatting van de verlaging van het vastrecht ten opzichte van wat de vaste kosten zouden zijn geweest zonder de voorgestelde aanpassing. De definitieve impact van de aanpassing van de methodiek in 2025 is 47 euro inclusief btw; dat is 6 euro minder dan eerder verwacht.6 Zonder wijzigingen in de Warmtewet en de lagere regelgeving zouden de maximale vaste kosten 47 euro hoger zijn.
Er is ten tijde van de wijziging van de Warmtewet geen inschatting gemaakt van de ontwikkeling van tarieven over de tijd. Het was in maart 2024 niet mogelijk om een inschatting van de kosten voor 2025 te geven. Volgens de geldende wet- en regelgeving bepaalt de ACM warmtetarieven voor een bepaald jaar op basis van de aardgasprijzen voor eindverbruikers in jaarcontracten met een vaste prijs aangeboden voor dat jaar (in dit geval 2025). Deze prijzen zijn pas in december van het voorgaande jaar bekend (in dit geval in december 2024). Pas in december 2024 is het bekend geworden wat de tarieven voor 2025 zullen zijn.
Overigens zijn de variabele tarieven in 2025 gedaald in vergelijking met 2024 zodat de totale warmterekening in 2025 bij een rekenverbruik van 37 GJ met 106 euro lager uitvalt dan in 2024. In juni 2024 heeft de ACM een herstelbesluit genomen waardoor de vaste kosten halverwege het jaar 2024 met 36 euro inclusief btw zijn gedaald. Deze correctie werkt door in 2025. In 2025 vallen de vaste kosten daarom 36 euro en de totale warmterekening 142 (106+36) euro lager uit dan bij de toepassing van de tarieven zoals die ten tijde van de wijziging van de Warmtewet, in maart 2024, geldig waren. Dit is een sterkere daling dan de toenmalige ambtelijke inschatting van de totale impact van de wijzigingen van de Warmtewet (68,99 euro ex btw en 83,40 euro inclusief btw bij het rekenverbruik van 37 GJ).
Onderschrijft u dat deze spoedwet destijds was ingegeven vanwege zorgen over de hoge warmterekening van (veelal kwetsbare) huishoudens en de funeste gevolgen van die rekening voor het draagvlak voor warmtenetten, in combinatie met het uitblijven van de behandeling van de Wet Collectieve Warmte?
De aanpassingen van de Warmtewet en lagere regelgeving zijn ingevoerd om invulling te geven aan de motie van het lid Kröger, waarin zorgen zijn uitgesproken over de hoogte van de warmterekening. In de Kamerbrief waarin de wijziging in de Warmtewet en lagere regelgeving is aangekondigd heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven de zorgen over de hoogte van de warmterekening te delen. In de motie is gevraagd om al in 2024 de methodiek voor warmtetarieven aan te passen op een eerlijke en reële wijze. Omdat de inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte pas voor 2026 is gepland en niet versneld kon worden, is de methodiek aangepast middels een aanpassing in de Warmtewet en de daarmee samenhangende lagere regelgeving.
Onderschrijft u ook dat deze problemen nog steeds niet zijn opgelost en daarmee de geest van de spoedwet niet is gevolgd bij het tarievenbesluit voor 2025?
Het kabinet is van mening dat de bedoeling van de «spoedwet» is gevolgd, maar dat er verdergaande stappen nodig zijn in de hervorming van de tariefregulering die zullen worden doorgevoerd na aanvaarding van de Wet Collectieve Warmte. Het doel van de «spoedwet» was om de huidige rekenmethodiek van het maximumwarmtetarief (NMDA) ook op korte termijn al eerlijker en reëler te maken, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4. Tegelijk zullen bepaalde groepen warmteverbruikers de huidige tarieven die gebaseerd zijn op de gasreferentie nog steeds als hoog ervaren. Ten eerste herkennen verbruikers zich niet altijd in de gasreferentie. Deze is namelijk gebaseerd op een bepaalde inschatting van gemiddelde gasprijzen, terwijl in de praktijk gasverbruikers hele verschillende kosten hebben. Deze kosten zijn namelijk afhankelijk van de leverancier, het soort contract, het type cv-ketel etc. Ten tweede betalen sommige verbruikers met een referentietarief meer dan hun warmtebedrijf nodig heeft om warmte te kunnen leveren. Een referentietarief is namelijk hetzelfde voor alle warmtebedrijven. Sommige warmtebedrijven zouden ook met een lager tarief hun kosten inclusief een redelijk rendement kunnen terugverdienen, terwijl er ook warmtebedrijven zijn voor wie de huidige tarieven niet voldoende zijn om hun kosten terug te verdienen. Met de huidige methodiek is het echter niet mogelijk om het maximumtarief alleen te verlagen voor warmtebedrijven die overrendementen hebben, een eventuele verlaging moet gelden voor alle warmtebedrijven, ook degene die een laag of een negatief rendement hebben. Dit brengt risico’s voor leveringszekerheid en investeringsbereidheid met zich mee. In de nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening, waarvan het voorstel op dit moment in de Kamer ligt, wordt op termijn een overstap voorzien naar kostengebaseerde tarieven. Daarin kan rekening worden gehouden met kostenverschillen tussen warmtebedrijven en is er meer zekerheid dat warmtebedrijven niet meer in rekening brengen dan nodig is om warmte te kunnen te leveren. Om te voorkomen dat verbruikers geconfronteerd worden met een hoge warmterekening als de kosten van het warmtebedrijf hoog zijn, kan wel aanvullend beleid nodig zijn. Dit wordt nader toegelicht in de Nota naar aanleiding van het Verslag op de Wet collectieve warmte en de Kamerbrief die beiden voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel naar de Kamer zullen worden gestuurd.
Bent u ook van mening dat bij de communicatie over de spoedwet niet het hele verhaal is verteld, door wél de (slechts deels uitgevoerde) besparing te noemen maar niet de op handen zijnde kostenverhogingen?
Nee, de Kamer vroeg destijds om een inschatting van de impact van de voorgestelde aanpassingen in de methodiek, niet om de verwachte ontwikkelingen van de warmtetarieven in 2025. In de aanvullende Kamerbrief over het wijzigingsvoorstel is, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3, in maart 2024 op verzoek van de Kamer een inschatting gemaakt van de impact van de wijzigingen, dat wil zeggen van het verschil tussen de warmtekosten voor verbruikers zonder en met de aanpassingen. Dat effect heeft zich zoals hierboven toegelicht, ook voorgedaan, waardoor de warmtetarieven 47 euro lager uitvallen dan zonder de wijziging. Er is destijds geen inschatting gemaakt van de hoogte van de warmtetarieven in 2025, en er is geen verwachting uitgesproken over de daling van tarieven in 2025 in vergelijking met 2024. Het was in maart 2024 ook nog niet mogelijk om een dergelijke inschatting te maken.
Wat denkt u dat de gelijk gebleven hoge vaste leveringskosten doet met het toch al broze vertrouwen in en draagvlak voor warmtenetten?
De totale warmterekening is in 2025 gedaald (zie ook het antwoord op vraag 3), terwijl de vaste kosten voor aardgas en elektriciteit wel zijn gestegen. Dit verhoogt naar verwachting in lichte mate de financiële aantrekkelijkheid van warmtenetten voor verbruikers in 2025 in vergelijking met 2024. Voor draagvlak en vertrouwen zijn echter vooral ontwikkelingen op langere termijn van belang. Verbruikers moeten het vertrouwen krijgen dat warmte in de toekomst betaalbaar blijft. Daarnaast is het voor de warmtetransitie ook nodig dat warmtebedrijven vertrouwen hebben dat ze hun kosten kunnen terugverdienen. Voor de warmtetransitie moet er namelijk draagvlak zijn bij zowel verbruikers als warmtebedrijven. Met kostengebaseerde tariefregulering in de Wet collectieve warmte, waarmee verbruikers niet meer betalen dan nodig en warmtebedrijven hun efficiënte kosten kunnen terugverdienen, wordt de eerste stap in die richting gezet. Om in alle situaties betaalbaarheid van collectieve warmte te waarborgen is daarnaast mogelijk aanvullend beleid nodig. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Waarom heeft u ervoor gekozen om de dure all-in servicecontracten apart mee te laten wegen in de referentiebepaling van de onderhoudskosten cv-ketel in plaats van een gemiddelde van alle onderhoudscontracten zoals toegezegd in reactie op de aangenomen gewijzigde motie van het lid Kröger c.s. over zo gedetailleerd mogelijk inzicht geven in de reële kosten van en tarifering door warmteleveranciers (Kamerstuk 29023, nr, 488)? Was het niet meer in de geest van de eerder aangehaalde spoedwet geweest om bij die eerdere toezegging te blijven?
In de motie Kröger is gevraagd om een aanpassing van de niet-meer-dan-anders (NMDA)-methodiek op een eerlijke en reële wijze. In de Kamerbrief heeft mijn voorganger aangegeven dat de wijziging naar verwachting zal leiden tot een methodiek die eerlijker en een betere weergave van de werkelijkheid is. Dit is geïnterpreteerd als een betere aansluiting bij de werkelijke kosten van een gemiddelde gasverbruiker. In de oude methodiek waren de onderhoudskosten van een cv-ketel geschat op basis van de prijs van all-in onderhoudscontracten. Deze kosten zijn een overschatting van de onderhoudskosten van een gemiddelde gasverbruiker, omdat deze all-in contracten in praktijk weinig worden afgenomen, en de prijs daarvan een risicopremie bevat. Bij niet all-in onderhoudscontracten hebben gasverbruikers echter ook bijkomende kosten voor reparaties en onderdelen, waardoor deze contracten een onderschatting zijn van de kosten van een gemiddelde gasverbruiker. De werkelijke gemiddelde onderhoudskosten liggen dus naar verwachting ergens tussen de kosten van all-in contracten en een ongewogen gemiddelde van alle door verbruikers afgenomen onderhoudscontracten. Met de gekozen benadering is er gekozen voor een bedrag dat precies tussen deze twee bedragen ligt.
Wat ook meegespeeld heeft in deze beslissing is dat het kabinet meerdere signalen heeft ontvangen dat warmtebedrijven financieel onder druk staan. In de Kamerbrief waarin de wijziging van de Warmtewet is aangekondigd, heeft mijn ambtsvoorganger toegelicht dat er niet gekozen is voor een grotere verlaging van warmtetarieven omdat dit zou kunnen leiden tot onderrendementen bij warmtebedrijven, met als gevolg een vertraging van aanleg van nieuwe warmtenetten.7 Als er voor de onderhoudskosten van de cv-ketel uitgegaan zou worden van een ongewogen gemiddelde van alle onderhoudscontracten, zou de negatieve impact op warmtebedrijven in 2025 veel hoger zijn dan verwacht toen de Warmtewet werd aangepast. In juni 2024 heeft de ACM de rendementsmonitor gepubliceerd, waaruit een gemiddeld rendement bleek van warmtebedrijven in 2023 gelijk aan 1%. Er is weliswaar sprake van een grote variatie van rendementen en de mate van detail van de gegevens is niet altijd toereikend, maar op basis van deze cijfers kon de conclusie worden getrokken dat er een grote kans is dat een substantieel aantal warmtebedrijven een heel laag of negatief rendement haalt.8 Naar aanleiding van de consultatie van het Warmtebesluit hebben meerdere warmtebedrijven aangegeven dat hun financiële situatie moeilijk wordt als gevolg van de combinatie van beleidsmaatregelen en algehele kostenstijging. Met de voorgestelde oplossing is er een balans gezocht tussen de korte termijn belangen van verbruikers (lagere tarieven) en investeerbaarheid en leveringszekerheid.
Wat bent u van plan om op korte termijn te betekenen voor huishoudens met torenhoge kosten voor warmte en het draagvlak voor warmtenetten?
Met de wijziging van de Warmtewet en daaropvolgende wijzigingen van het Warmtebesluit en Warmteregeling is betaalbaarheid van warmte op korte termijn verbeterd, waarbij ook rekening is gehouden met de investeerbaarheid en leveringszekerheid. Om betaalbaarheid, investeerbaarheid en leveringszekerheid in samenhang te borgen zijn tegelijk andere maatregelen nodig, zoals kostengebaseerde tarieven in combinatie met aanvullend beleid zoals genoemd in het antwoord op vraag 5. Hoe snel deze maatregelen operationeel kunnen worden, hangt mede samen met de snelheid van behandeling van de Wet collectieve warmte in de Kamer.
De uitspraken van de CEO van ASML over het Nederlandse vestigingsklimaat. |
|
Wytske de Pater-Postma (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD), Dirk Beljaarts (minister economische zaken) (PvdV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van ASML-CEO Christophe Fouquet in het programma Buitenhof op 2 februari 2025, waarin hij stelt dat ASML binnen twee à drie jaar duidelijkheid nodig heeft over de vestigingsvoorwaarden in Nederland?
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de heer Fouquet dat het Nederlandse vestigingsklimaat voor hightechbedrijven onder druk staat? Welke concrete knelpunten worden door ASML en andere bedrijven binnen de sector benoemd?
De hoogwaardige, innovatieve, semicon maak- en procesindustrie is één van de belangrijkste pijlers voor het duurzame verdienvermogen van Nederland. We verdienen hier ons geld mee; de toeleverende mkb’ers profiteren mee en het draagt voor de inwoners van Nederland bij aan de brede welvaart. De heer Fouquet benadrukt dat als Nederland en Europa onvoldoende stappen zetten voor het verbeteren vestigingsklimaat, het niet vanzelfsprekend is dat bedrijven in Nederland kunnen blijven.
Als onderdeel van de snel groeiende wereldwijde chipindustrie, verwacht ASML flink te groeien en staat het bedrijf momenteel voor grote investeringsbeslissingen ten behoeve van haar verdere uitbreiding in Nederland. De heer Fouquet heeft aangegeven binnen twee à drie jaar duidelijkheid nodig is over de vestigingsvoorwaarden voor groei in Nederland.
In de brief richting ASML als onderdeel van kamerbrief1 van maart 2024 worden de knelpunten m.b.t. het vestigingsklimaat voor onder andere ASML ook benoemd. Deze knelpunten betreffen de beschikbaarheid van praktisch en theoretisch geschoold personeel, mobiliteit, woningbouw en energie-infrastructuur. Daarnaast wordt ASML geconfronteerd met geopolitieke uitdagingen en is een aantal regelgevende en financiële kaders onderwerp van herziening en maatschappelijke discussie. Deze knelpunten gelden in hoge mate ook voor andere bedrijven in de halfgeleidersector.
Project Beethoven is in uitvoering gebracht om deze knelpunten te adresseren en om de juiste randvoorwaarden te scheppen om de ambitieuze groeiambities in Nederland te kunnen realiseren. Hierbij is specifiek aandacht voor de doorontwikkeling van de Brainportregio als zwaartepunt van het Nederlandse halfgeleiderecosysteem.
Het maatregelenpakket bestaat uit: meer talent voor de gehele sector op alle onderwijsniveaus, een betere infrastructuur en betaalbare woningen, voldoende fiscale armslag voor het bedrijfsleven, samenwerking rondom exportcontrole en een nationale agenda voor de sector (thans Semicon Board NL). Rijk, regio en het bedrijfsleven hebben hiervoor € 2,51 miljard uitgetrokken. Daarvan wordt € 1,73 miljard bijgedragen door het Rijk (waarvan € 450 mln. voor het nationaal versterkingsplan van microchiptalent) en € 778 miljoen euro door de regio en het bedrijfsleven. De uitvoering van het maatregelenpakket loopt volop.
Fouquet benoemde dat toegang tot voldoende elektriciteit een knelpunt is voor de verdere groei van ASML in Nederland. Hoe beoordeelt u de impact van netcongestie op de uitbreidingsplannen van ASML? Welke maatregelen neemt u om te zorgen dat dit bedrijf tijdig de benodigde aansluiting en capaciteit krijgen?
Netcongestie is een belangrijk aandachtspunt in de realisatie van zowel de uitbreidingsinvesteringen van ASML als de daarmee verbonden schaalsprong van de Brainportregio. Om de netcongestieproblematiek op te lossen werken de Minister van KGG en ik nauw samen met de provincie Noord-Brabant, de gemeentelijke overheden in de Brainportregio en netbeheerders TenneT en Enexis. Dit gebeurt in goede afstemming met ASML. Daartoe worden verschillende oplossingsrichtingen in kaart gebracht, waarbij ook het benodigde tijdspad scherp in het oog wordt gehouden.
In de Kamerbrief over de voortgang van het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) en nationale energieprojecten2 heeft de Minister van KGG gemeld dat het project «Pocket Noordoost-Brabant» is opgenomen in het MIEK. Dit betreft de vorming van een nieuw deelnet in het hoogspanningsnet van TenneT bij Wijchen en Oss waarmee ook meer ruimte ontstaat op het netwerk van de Brainportregio. Het onderzoek naar dit project, dat één van de afspraken was in het Beethovenconvenant, is hiermee succesvol afgerond.
Ook zijn er vanuit het Ministerie van KGG gelden beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van energy hubs. In 2024 was dit voor provincie Noord-Brabant € 2,8 miljoen. In 2025 volgt nogmaals hetzelfde bedrag. Medio 2025 volgt besluitvorming over de resterende middelen voor het Stimuleringsprogramma Energiehubs over de periode 2026–2030.
Via de processen van het nationale en provinciale MIEK wordt momenteel samen met de Brainportregio verkend welke verzwaringen van het energiesysteem nog verder noodzakelijk zijn.
Ik heb er vertrouwen in, samen met Minister van Klimaat en Groene Groei dat ASML op basis van de combinatie van bovengenoemde maatregelen tijdig de voor de uitbreiding benodigde aansluiting en capaciteit kan krijgen.
Fouquet geeft aan dat stikstofproblematiek één van de knelpunten is voor de groei van ASML in Nederland. Hoe beoordeelt u de impact van de recente uitspraak van de Raad van State op de uitbreidingsmogelijkheden van ASML? Welke extra maatregelen overweegt het kabinet om ervoor te zorgen dat ASML niet wordt belemmerd door stikstofrestricties?
De recente uitspraak van de Raad van State heeft een brede impact op diverse terreinen die belangrijk zijn voor de schaalsprong in de Brainport-regio, waarvoor de investering van ASML een belangrijke pijler is: de industrie, de woningbouw, defensie, landbouw en het bedrijfsleven in de breedte. Vanuit EZ-perspectief maak ik me zorgen omdat dit het ondernemers-, investerings- en vestigingsklimaat van Nederland raakt. Gezien de brede impact heeft het kabinet een Ministeriele Commissie «Economie en Natuurherstel» (MCEN) ingesteld om tot een samenhangend maatregelenpakket te komen met het doel om Nederland van het slot te halen. Ik neem hieraan deel. Ik zal me via de MCEN blijven inzetten op een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor Nederland, maar kan niet op de te nemen maatregelen vooruitlopen.
Hoe beoordeelt u de beschikbaarheid van hoogopgeleid technisch personeel in Nederland en welke maatregelen neemt u om de aantrekkelijkheid van Nederland als hightech-werklocatie te versterken?
Verschillende sectoren in Nederland hebben momenteel te maken met een tekort aan voldoende hoogopgeleid technisch personeel. Dit kabinet werkt aan het Actieplan Groene en Digitale Banen om bij te dragen aan de beschikbaarheid van technisch geschoold personeel in Nederland, zowel theoretisch als praktisch opgeleid. Het tekort verdient blijvende aandacht. Daarom investeert het kabinet ruim € 350 miljoen euro in Techkwadraat zodat iedere leerling in aanraking komt met techniek. Ook verstevigt het kabinet € 210 miljoen euro publiek-private samenwerkingsverbanden zodat het onderwijs beter aansluit op de vraag van de arbeidsmarkt.
Specifiek voor het realiseren van de groeiambities van de Nederlandse semicon sector zijn tot en met 2030 landelijk naar verwachting circa 38.000 extra technisch opgeleide mensen nodig op MBO-, HBO- en WO-niveau. Een belangrijk deel daarvan zal benodigd zijn in de Brainportregio. Dit is een grote opgave. Vandaar dat het kabinet tot en met 2030 incidenteel € 450 miljoen en vanaf 2031 structureel € 80 miljoen per jaar heeft gereserveerd voor een nationaal versterkingsplan voor microchip-talent. De regio’s Brainport, Delft, Twente en Groningen/Noorden hebben hiervoor inmiddels plannen ingediend om extra talent op te leiden voor de semicon sector, voor de zomer zullen de eerste commitments worden vastgelegd. Hiervoor is in totaal ruim € 300 miljoen euro aan cofinanciering toegezegd. Gezamenlijk verwachten de regio’s ongeveer 33.000 extra technici voor de semicon sector op te kunnen leiden. De regio’s zetten onder andere in op het aantrekken van internationaal talent, het innoveren van het onderwijsaanbod, om- en bijscholing en samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. Op deze manier zorgen de regio’s ervoor dat het volgen van een opleiding voor de semicon sector aantrekkelijker wordt gemaakt. Hiernaast is het aan werkgevers om meer werk te maken van het behoud van technici voor deze sector en om in te zetten op het verhogen van de arbeidsproductiviteit.
Fouquet stelt dat ASML geen eigen nationale veiligheidsanalyse maakt en zich slechts voegt naar wetgeving. Hoe beoordeelt u deze passieve houding en hoe wordt gewaarborgd dat exportbeperkingen daadwerkelijk bijdragen aan nationale veiligheid?
Het kabinet heeft kennis genomen van de uitspraken van de heer Fouquet op dit punt. De verantwoordelijkheid voor nationale veiligheidsanalyses en het ontwikkelen van wetgeving die de nationale veiligheid beschermen ligt bij het Rijk. Onderdeel hiervan is het Nederlandse exportcontrolebeleid in het kader waarvan maatregelen zijn genomen die betrekking hebben op machines en technologie die geschikt zijn voor de ontwikkeling en productie van geavanceerde halfgeleiders. Deze geavanceerde halfgeleiders kunnen naast civiele toepassingen ook een cruciale bijdrage leveren aan militaire toepassingen zoals de ontwikkeling van hoogwaardige militaire (wapen)systemen. Daarmee kan de ongecontroleerde uitvoer van dergelijke apparatuur risico’s voor de nationale veiligheid met zich meebrengen. Bij de beoordeling van vergunningaanvragen wordt per geval gekeken naar onder meer het eindgebruik en de eindgebruiker, en een afweging gemaakt van de risico’s voor de nationale veiligheid.
Fouquet wees op de noodzaak van een stabiel en voorspelbaar overheidsbeleid voor bedrijven zoals ASML. Hoe zorgt u ervoor dat het kabinetsbeleid en wetgeving voorspelbaarheid bieden aan bedrijven die strategisch belangrijk zijn voor de Nederlandse economie?
Stabiel en betrouwbaar overheidsbeleid is uitermate belangrijk voor ons bedrijfsleven: bedrijven moeten zekerheid ervaren bij het maken van plannen voor de lange termijn. Dit onderwerp is ook geadresseerd in de kamerbrief «Investeringen in ondernemingsklimaat microchipsector» van 28 maart 2024. Hierin werd bijvoorbeeld gewezen op het belang van voldoende fiscale armslag voor het bedrijfsleven. Voorspelbaar overheidsbeleid is ook de reden dat het kabinet de afschaffing van de inkoopfaciliteit voor inkoop van eigen aandelen en de versobering van de 30%-regeling grotendeels heeft teruggedraaid, wat beide zeer belangrijke regelingen zijn voor ons bedrijfsleven. Ook bij nieuw kabinetsbeleid en nieuwe wetgeving zullen wij de gevolgen voor het bedrijfsleven zorgvuldig wegen.
Fouquet waarschuwde dat te strenge Europese AI-regulering innovatie kan vertragen en Europa op achterstand kan zetten ten opzichte van de VS en China. Hoe beoordeelt u deze waarschuwing?
Het kabinet is van mening dat de Europese AI-verordening cruciaal is voor het garanderen van een veilige toepassing van AI en het creëren van vertrouwen in AI. De AI-verordening zorgt ervoor dat AI in de EU betrouwbaar en veilig blijft en niet schadelijk is voor fundamentele rechten en de gezondheid van burgers. Door met een duidelijke set aan regels het vertrouwen in AI te vergroten, zullen bedrijven en burgers naar verwachting minder terughoudend zijn in het toepassen van AI. Daarnaast zal door het toestaan van uitzonderingen voor onderzoek en ontwikkeling en het gebruik van ondersteunende instrumenten binnen de AI-verordening, zoals regulatory sandboxes, ruimte worden gelaten voor AI-innovatie. Ook draagt de AI-verordening bij aan een gelijk speelveld in Europa, en creëert het marktkansen voor innovatieve bedrijven op het gebied van verantwoorde AI. AI-innovatie en een wettelijk kader voor betrouwbare en veilige AI gaan volgens het kabinet daarom hand in hand.
Bent u bereid om op zeer korte termijn opnieuw in gesprek te gaan met ASML over hun zorgen en verwachtingen en om de Kamer te informeren over de uitkomsten van dat gesprek? Zo ja, wanneer?
Ik ben voortdurend in gesprek met ASML over de maatregelen die nodig zijn om in Nederland te kunnen doorgroeien en doorinvesteren. Samen met ASML, met andere departementen en met de regionale partners werk ik er aan om de groei in Nederland maximaal te accommoderen. In dit kader is er structureel overleg op allerlei niveaus met het bedrijf. In de Semicon Board NL werk ik met mijn collega’s van OCW, BHO en Defensie samen met de sector, onder meer ASML, aan de opgaven voor het versterken van het technologisch leiderschap, het internationaal concurrentievermogen, strategische autonomie, voldoende microchip talent en het vergroten van de weerbaarheid. In het BO Brainport werk ik aan de gebiedsgerichte opgaven voor de woningbouw, de bereikbaarheid van economische toplocaties waar ook ASML is gevestigd en aan oplossingen voor knelpunten zoals netcongestie en stikstof.
Kunt u deze vragen voor het debat over het Verdienvermogen van Nederland op 13 februari 2025 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Minister wijst verder onderzoek naar eilanden met zonnepanelen in IJsselmeer definitief van de hand' |
|
Joost Eerdmans (JA21), Henk Vermeer (BBB) |
|
Dirk Beljaarts (minister economische zaken) (PvdV), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Welke procedures, zoals de rijkscoördinatieregeling, lopen er op dit moment nog om project Wieringerhoek alsnog doorgang te laten vinden?1
Er lopen op dit moment geen procedures. Onlangs heeft het kabinet het besluit genomen om de aanvraag van Meerlicht B.V., tot het nemen van een projectbesluit voor het project Buitendijks Plan, af te wijzen.
Is het definitieve standpunt van u dat het project Wieringerhoek geen doorgang kan vinden?
De ontwikkeling van een zon-op-waterproject in de Wieringerhoek staat op gespannen voet met een aantal andere belangrijke opgaven in het gebied (waterberging, zoetwatervoorraad, ecologie en Defensie). Als Rijk vinden wij het van belang om deze opgaven, die al onder druk staan, niet verder in de verdrukking te brengen met de ontwikkeling van een zon-op-waterproject. Daarmee concludeert het kabinet dat er op dit moment geen of onvoldoende zicht is op het verkrijgen van de vereiste toestemmingen en vergunningen voor het project.
Bent u op de hoogte dat provincie Noord-Holland en gemeente Medemblik stappen zetten om het project Wieringerhoek alsnog te realiseren?
Het is het kabinet bekend dat de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik het project een warm hart toedragen, maar het kabinet is niet op de hoogte van eventuele stappen die zij zetten om het project alsnog mogelijk te maken.
Vindt u het ook een vreemde en onwenselijke situatie dat de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik doorgaan om project Wieringerhoek te realiseren, ondanks dat de Minister heeft aangegeven het project stop te zetten? Bent u voornemens om alle verdere stappen van de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik een halt toe te roepen?
Het Rijk is eigenaar van het IJsselmeer. Dit betekent dat medewerking van het Rijk vereist is voor het verkrijgen van de voor het project benodigde gronden. Bovendien geldt dat Rijksenergieprojecten (waar ook zonprojecten met een capaciteit van ten minste 50 megawatt (MW) onder vallen), onder de Omgevingswet de projectprocedure dienen te doorlopen. Ik ben samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) bevoegd gezag voor deze projectprocedure. Gezien dit gegeven en het kabinet de aanvraag van Meerlicht B.V. tot toepassing van de projectprocedure reeds heeft afgewezen, ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om gevolg te geven aan uw oproep.
Het artikel 'Regionale industrie krijgt geen stroom, maar betaalt wel voor CO2-uitstoot' |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel?1
Ja.
Hoe apprecieert u het feit dat driekwart van de verduurzamingsprojecten van grote industriële bedrijven in de regio niet voor 2030 gerealiseerd kan worden omdat zij geen nieuwe of zwaardere elektriciteitsaansluiting kunnen krijgen, maar zij wel extra belasting moeten gaan betalen over hun CO2-uitstoot?
Het beeld dat hieruit naar voren komt is verontrustend. Bedrijven in de regio zijn een belangrijk onderdeel van onze economie en het is wenselijk dat deze bedrijven ook in de toekomst de mogelijkheid hebben om in Nederland op een duurzame wijze te produceren. Hiervoor is het nodig dat deze bedrijven kunnen verduurzamen. Het kabinet blijft zich er dan ook op inzetten om de randvoorwaarden hiertoe zo snel mogelijk te realiseren.
Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie werkt aan acties waardoor de infrastructuur sneller gebouwd wordt. Dit is in de Kamerbrief Netcongestie van 21 november jl. met de Kamer gedeeld2. Daarnaast ontwikkelt het programma, conform het amendement Erkens c.s.3, instrumenten waardoor het effect van netcongestie voor grootverbruikers kan worden verminderd, bijvoorbeeld met de nieuwe subsidieregeling, de Flex-e-regeling. Deze regeling ondersteunt grootverbruikers om meer inzicht te krijgen in hoe ze hun elektriciteitsverbruik kunnen flexibiliseren. Ook wordt er een investeringssubsidie geboden om flexibiliteit te realiseren. Daarnaast is er een Wegwijzer netcongestie ontwikkeld en komt er een centraal informatie- en contactpunt voor bedrijven en instellingen met vragen over netcongestie.
Ook wordt via het nationale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (nMIEK) gewerkt aan de programmering van de energiehoofdinfrastructuur. Door de provincies wordt met het provinciaal MIEK (pMIEK) gewerkt aan de uitrol van het regionale energiesysteem. Naast de realisatie van infrastructuur is een van de randvoorwaarden het versnellen van vergunningen. Hier wordt in vraag 9 verder op ingegaan. Hiermee streeft het kabinet er naar een groter deel van de verduurzamingsopties voor 2030 mogelijk te maken. Voor die bedrijven die toch niet tijdig kunnen verduurzamen, bijvoorbeeld door het ontbreken van deze randvoorwaarden, onderzoekt het kabinet op dit moment additionele flexibiliteitsmogelijkheden binnen de CO2-heffing. Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is dat deze bedrijven wel extra belasting moeten gaan betalen over hun CO2-uitstoot terwijl zij wél willen verduurzamen maar dit niet kunnen omdat er geen ruimte op het net is?
Het is inderdaad niet de bedoeling dat bedrijven die geen handelingsperspectief hebben geconfronteerd worden met hoge kosten. De CO2-heffing heeft immers als doel om verduurzaming te stimuleren ervan uitgaande dat bedrijven hiertoe handelingsperspectief hebben. Mede daarom is bij het introduceren van de CO2-heffing reeds rekening gehouden met het feit dat bedrijven niet altijd in staat zullen zijn om tijdig te verduurzamen waardoor tijdelijk de situatie kan ontstaan waarin bedrijven heffing moeten betalen. Binnen de vormgeving is hier rekening mee gehouden door bedrijven in staat te stellen uitstootrechten van bedrijven met een overschot op te kopen en om betaalde heffing in het verleden te verrekenen met een eigen overschot. Echter, dit biedt beperkte mogelijkheden voor bedrijven die, bijvoorbeeld vanwege ontbrekende randvoorwaarden, niet tijdig in staat zijn om verregaande verduurzaming te realiseren. Daarom onderzoekt het kabinet op dit moment additionele flexibiliteitsmaatregelen zoals de ontwikkeling van een handelsplatform om handel te faciliteren en zoals genoemd onder vraag 2. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4.
In hoeverre zou de extra belasting die deze bedrijven moeten gaan betalen in de vorm van de CO2-heffing kunnen worden uitgesteld totdat deze bedrijven wel de mogelijkheid hebben om te verduurzamen?
Het voorstel om bedrijven die niet kunnen maar willen verduurzamen de mogelijkheid te geven om belastingafdracht uit te stellen is begrijpelijk. Ook het kabinet acht het immers onwenselijk dat deze bedrijven met hoge kosten worden geconfronteerd. Dit verzoek komt in de kern echter overeen met het introduceren van een hardheidsclausule, wat juridisch en uitvoeringstechnisch niet mogelijk is. De Kamer is in het voorjaar van 2024 geïnformeerd dat het implementeren van een dergelijke clausule juridisch en uitvoeringstechnisch niet haalbaar is4. In het najaar van 2024 is een studie gedeeld waarin verschillende additionele flexibiliteitsopties binnen de CO2-heffing zijn onderzocht5. Sindsdien werkt het kabinet verschillende opties uit om bedrijven additionele flexibiliteit te bieden binnen de CO2-heffing industrie. Zo wordt er onder andere gekeken naar de mogelijkheid om een handelsplatform op te richten om handel in dispensatierechten te bevorderen. Dit voorjaar vindt de besluitvorming plaats over deze additionele maatregelen. Daarnaast is gekeken naar de mogelijkheid om bedrijven eigen toekomstige dispensatierechten te laten lenen. Echter, deze maatregel blijkt niet doelmatig vanwege het beperkte aantal bedrijven dat hier gebruik van zal maken en vanwege de aanzienlijke additionele complexiteit. Ten slotte onderzoekt het kabinet op dit moment de mogelijkheid om de carry-back te versterken zodat bedrijven ook na 2029 betaalde heffing terug kunnen vorderen wanneer zij een overschot aan dispensatierechten hebben gegenereerd. De Kamer wordt dit voorjaar hierover geïnformeerd.
Het generiek verlagen van de CO2-heffing verlaagt de verduurzamingsprikkel bij alle bedrijven (met name bij de bedrijven die wel voldoende handelingsperspectief hebben) waardoor de klimaatdoelen verder uit zicht raken. Dit is niet in lijn met de kabinetsinzet om het klimaatdoel in 2030 te halen. Een regionale of sectorale differentiatie binnen de CO2-heffing druist in tegen het generieke karakter van de heffing en zal leiden tot een verstoring van de concurrentie binnen sectoren in verschillende regio's. Hier zullen de Europese staatssteunkaders knellen. Om deze redenen zal het kabinet deze opties niet meenemen bij het uitwerken van de alternatieven.
Hoe staat het met de uitwerking van alternatieven naar aanleiding van de motie Erkens c.s. (Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 40) over het uitwerken en implementeren van een hardheidsclausule in de CO2-heffing industrie gericht op vermijdbare uitstoot per 1 januari 2025? Wanneer wordt dit met de Kamer gedeeld?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u bij het uitwerken van de alternatieven ingaan op de volgende opties: differentiatie van de CO2-heffing voor deze regionale bedrijven en sectoren, een lagere CO2-heffing, een handelsplatform en eventuele andere opties die mogelijk zijn?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u met deze bedrijven in gesprek over mogelijke oplossingen? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Ja, via verschillende routes, waaronder de casus-aanpak maar ook via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, is het kabinet in gesprek met bedrijven over hun verduurzamingsplannen. Voor Cluster 6 hebben wij een specifieke aanpak in het Actieplan Cluster 6 waarbij het kabinet met bedrijven, netbeheerders en de decentrale overheden kijkt hoe knelpunten, zoals netcongestie of vergunningen, voor deze specifieke doelgroep opgelost kunnen worden, zodat ook deze bedrijven de verduurzamingsslag kunnen maken. Op basis van de ervaringen die daarmee zijn opgedaan, is de afgelopen maanden gewerkt aan het Actieplan 2.0. In dat kader wordt momenteel een voorstel voor een regionale aanpak uitgewerkt. Dit Actieplan zal eind dit voorjaar gedeeld worden met de Tweede Kamer ten behoeve van het geplande Commissiedebat Cluster 6.
De regionale bedrijven geven aan harde afspraken te willen maken met netbeheerders over wanneer zijn hun aansluiting of uitbreiding kunnen krijgen zodat zij ook weten wanneer zij kunnen investeren; in hoeverre kunt u dit faciliteren?
Het is begrijpelijk dat bedrijven harde afspraken willen maken met netbeheerders.
Zeker bij bedrijven waarvan de levensduur van de (fossiele) installatie afloopt en die genoodzaakt zijn deze binnen een bepaalde termijn te vervangen. In het kader van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie lopen gesprekken over het vergroten van transparantie over wanneer grootverbruikers toegang tot aansluitingen of uitbreidingen kunnen krijgen door duidelijkheid te geven over wanneer welk vermogen verwacht wordt en hoe dit zich verhoudt tot het gevraagde vermogen op de wachtlijst. Dit wordt gedaan in samenwerking met industrie, Netbeheer Nederland en het ministerie. De realiteit is wel dat naarmate de beoogde oplevertermijnen van infrastructuurprojecten verder in de toekomst liggen de zekerheid over de realisatietermijn afneemt. Het is voor netbeheerders niet mogelijk hier harde, bindende afspraken over te maken, omdat de oplevertermijn voor uitbreidingen deels buiten de invloedsfeer van netbeheerders ligt.
Welke mogelijkheden zijn er om de procedures te versnellen, aangezien verduurzamingsprojecten ook dreigen om te vallen vanwege de lange vergunningstrajecten van soms wel 6 à 7 jaar? Wordt hier al werk van gemaakt?
In de Kamerbrief over de voortgang van het MIEK en nationale energieprojecten van 10 december jl.6 zijn diverse versnellingsmaatregelen waaraan wordt gewerkt toegelicht. Dit is zowel op landelijk niveau door te kijken naar mogelijkheden voor natuurvergunningen als op Europees niveau, bijvoorbeeld door de aanwijzing van versnellingsgebieden.
In de Kamerbrief Netcongestie van 21 november jl.7 is uiteengezet welke versnellingsmogelijkheden er worden ingezet om procedures voor energie-infrastructuur te verkorten. Voorbeelden hiervan zijn het aanwijzen van projecten van zwaarwegend maatschappelijk belang en verbetering van de samenwerking tussen netbeheerders en overheden.
Verder zijn voor zowel projecten bij bedrijven als projecten in de openbare ruimte verschillende acties in gang gezet om kennis en capaciteit voor vergunningsprocedures vrij te maken:
In de casusaanpak uit het Actieplan Cluster 6 zijn knelpunten rondom vergunningverlening geïdentificeerd samen met het betrokken bedrijf en bevoegd gezag. Het doel is om oplossingen te zoeken voor de knelpunten die zich voordoen bij de aangevraagde vergunning. Door optimale afstemming tussen betrokken partijen wordt, waar mogelijk, de vergunningverlening versneld binnen wettelijke termijnen om zo de kortst mogelijke doorlooptijd te realiseren.
Hoe zorgt u ervoor dat bedrijven toch besluiten om deze investeringen in Nederland te doen en zo de werkgelegenheid te behouden, aangezien in buurlanden België en Duitsland het goedkoper is om te verduurzamen?
Het kabinet ziet dat het concurrentievermogen van de Nederlandse industrie onder druk staat en investeringen in verduurzaming in Nederland moeizaam op gang komen. Om te zorgen dat bedrijven in Nederland investeren en verduurzamen, is het dan ook van belang hier maatregelen voor te treffen. Een belangrijke voorwaarde voor een goede concurrentiepositie voor de industrie is betaalbare energie. In het Regeerprogramma heeft het kabinet dan ook opgenomen dat energiekosten niet significant uit de pas dienen te lopen met buurlanden, zodat Nederlandse bedrijven kunnen concurreren met het buitenland.
Het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) bekostiging elektriciteitsinfrastructuur moet leiden tot concrete beleidsopties die bijdragen aan ons concurrentievermogen en de betaalbaarheid. Aan de hand van de uitkomsten van het IBO zal het kabinet een besluit nemen over de mogelijke verlenging van de IKC-regeling. Hierover wordt de Kamer geïnformeerd bij voorjaarsnota.
De Kamerbrief wijziging ontwikkelkader windenergie op zee |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom wordt in het Ontwikkelkader windenergie op zee geen aandacht besteed aan de impact op de visserijsector, terwijl in het hoofdlijnenakkoord en regeerprogramma deze sector expliciet als prioriteit wordt genoemd?
Het Ontwikkelkader windenergie op zee is een document waarin het kabinet enerzijds de technische kaders geeft voor het net op zee en anderzijds de volgorde van de ontwikkeling van windenergiegebieden op zee bepaalt. Dit laatste deel betreft de routekaart windenergie op zee. De laatste wijzigingen in de routekaart heeft het kabinet toegelicht in een brief van 21 november 20241 waarin is ingegaan op de mogelijkheden voor visserij in en rond windparken. Deze mogelijkheden onderzoekt het kabinet in aanloop naar de volgende tenderprocedures. De beleidsmatige afweging tussen visserij en windenergie op zee wordt gemaakt in het Programma Noordzee, niet in het Ontwikkelkader. Bij het inpassen van nieuwe windenergiegebieden in de Partiële Herziening van het Programma Noordzee, eind 2025 voorzien, kijkt het kabinet eerst naar ruimte voor de visserij. Ook zorgt het kabinet samen met de partijen van het Noordzeeoverleg voor een zorgvuldige balans met andere activiteiten op de Noordzee, waaronder naast visserij ook mijnbouw, scheepvaart en defensie, met oog voor de natuur, kustverdediging, zandwinning en maritiem erfgoed. De uitkomsten van wijzigingen van het Programma Noordzee zullen, waar nodig, wel verwerkt worden in het Ontwikkelkader.
De huidige wijzigingen betreffen het deel van het Ontwikkelkader dat gaat over het net op zee. Deze wijzigingen zijn technisch van aard en hebben geen betrekking op de visserij.
Met de wijziging van het Ontwikkelkader in december 2024 zijn de volgende wijzigingen gemaakt:
Hoe wordt geborgd dat windenergieprojecten niet ten koste gaan van de toekomst en economische positie van de visserij, zoals afgesproken in het hoofdlijnenakkoord?
Op verschillende momenten wordt er geborgd dat windenergieprojecten zo min mogelijk gevolgen hebben voor de visserij. Dit doet het kabinet allereerst door het betrekken van de visserij bij het aanwijzen van windenergiegebieden op zee, zoals momenteel plaatsvindt in een Partiële Herziening van het Programma Noordzee 2022–2027. Daarbij zoekt het kabinet nieuwe windenergiegebieden zoveel mogelijk buiten waardevolle visgronden. Ook heeft het kabinet in het Programma Noordzee 2022–2027 twee eerder aangewezen windenergiegebieden3 op waardevolle visgronden geschrapt. Zo heeft het kabinet ruimte behouden op het voor de visserij meest waardevolle, zuidelijke deel van de Nederlandse Noordzee.
Verder is er in het Programma Noordzee 2022–2027 afgesproken om windparken op zee zo compact mogelijk te bouwen, door de windturbines relatief dicht op elkaar te plaatsen, namelijk met een dichtheid van 10 megawatt per vierkante kilometer. Op die manier blijft er zoveel mogelijk ruimte buiten de windparken beschikbaar voor o.a. visserij. In vergelijking met het eerste grootschalige windpark Borssele wordt vanaf de windparken in IJmuiden Ver bijna 2,5 keer zoveel productiecapaciteit per vierkante kilometer gerealiseerd en heeft dit windpark daarmee een 60% kleinere omvang dan in het geval de uitgangspunten van windpark Borssele zouden zijn gebruikt. Nog compactere windparken zouden leiden tot te veel productieverlies doordat de windturbines dan in te sterke mate elkaars wind afvangen.
Ook wordt economische impact verminderd door het faciliteren van passieve visserij binnen bepaalde windparken. Zo is er ruimte aangewezen voor passieve visserij in de gebiedspaspoorten van al gerealiseerde windparken – in Borssele en in Hollandse Kust (zuid) en (noord).
Tot slot onderzoekt de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur óf en zo ja onder welke voorwaarden vormen van actieve visserij op termijn in windparken toegestaan kunnen worden, rekening houdend met ecologie en ander gebruik. Dit ook ter invulling van de gewijzigde motie Van der Plas4 (BBB). Als deze onderzoeken aanleiding geven tot het aanpassen van het beleid voor medegebruik kan dit opgenomen in het volgende Programma Noordzee 2028–2033.
Wordt de visserijsector structureel betrokken bij de planning van wind op zee, volgens de toezegging om stakeholders vroegtijdig te betrekken?
Ja. Het kabinet betrekt de visserijsector structureel bij de planning van windenergie op zee. Dat gebeurt via bilaterale gesprekken met sectorvertegenwoordigers en via het Noordzeeoverleg, waaraan de visserijorganisaties deelnemen. Over de Partiële Herziening van het Programma Noordzee heeft het Noordzeeoverleg zijn aanbevelingen gegeven aan het kabinet. Die worden meegenomen bij besluitvorming.
Welke stappen zet u om de cumulatieve effecten van windenergie op visserij en mariene ecosystemen in kaart te brengen, in lijn met de uitgangspunten van duurzaam beleid uit het regeerprogramma?
Zowel bij het aanwijzen van windenergiegebieden in (een Partiële Herziening van) het Programma Noordzee 2022–2027 als bij de kavelbesluiten voor de individuele windparken onderzoekt het kabinet de milieueffecten van windenergie op zee. De gevolgen voor de natuur en andere gebruikers op zee, waaronder visserij, staan samengevat in milieueffectrapportages die voor deze besluiten worden opgesteld. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de best beschikbare en meest recente informatie die onder andere voortkomt uit gerichte onderzoeksopdrachten uitgevoerd door onafhankelijke expertise- of onderzoeksbureaus en uit langjarige onderzoeksprogramma’s, zoals het Wind op zee ecologisch onderzoeksprogramma (Wozep), dat in mijn opdracht de cumulatieve ecologische effecten van windparken op zee onderzoekt. Ook werkt het Rijk aan het in kaart brengen van de stapeling van effecten door verschillende ruimtelijke ontwikkelingen op de visserij. Daarnaast wordt in de Partiële Herziening van het Programma Noordzee 2022–2027 ook vastgelegd dat er onder andere aandacht moet zijn voor de cumulatieve effecten van voorgestelde en geplande gebiedssluitingen en -beperkingen voor visserij op de primaire Nederlandse aanvoersector en de visserijketen en -gemeenschappen.
Is compensatie of ondersteuning voor getroffen vissers voorzien, zoals overeengekomen om sectoren een duurzame toekomst te bieden?
Bij de vaststelling van het Programma Noordzee 2022–2027 heeft het kabinet middelen gereserveerd voor de inpassing van windenergie op zee in relatie tot andere gebruikers van de Noordzee. Hierin is er ook geld gereserveerd voor de visserijsector. Een budget van 199 miljoen euro is vanuit het Klimaatfonds beschikbaar gesteld voor de aanpassing en verdere verduurzaming van de visserij en deels reeds ingezet voor subsidieregelingen voor verduurzaming van de visserij. Daarnaast is hiervan 30 miljoen ter beschikking gesteld voor de landzijdige keten en visserijgemeenschappen om zich aan te passen aan de gevolgen van de krimp van de visserij. In 2024 zijn daartoe afspraken gemaakt tussen het Rijk en het Bestuurlijk Platform Visserij over de besteding van deze middelen via het Visserij Ontwikkel Plan5.
Daarnaast zijn er in het Noordzeeakkoord door het Rijk afspraken gemaakt over de balans tussen de transities van energie, visserij/voedsel en natuur op zee. Tevens is een budget beschikbaar gesteld van 45 miljoen euro (10 miljoen nationale middelen die op de begroting staan bij de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, 35 miljoen EMFAF gelden) voor de verduurzaming van de kottervisserijsector. Ook deze middelen zijn deels via subsidieregelingen reeds ter beschikking van de sector gesteld.
In hoeverre is visserij binnen bestaande en/of nieuwe windmolenparken mogelijk?
In het Noordzeeakkoord en in het Programma Noordzee 2022–2027 is de mogelijkheid van medegebruik in windparken opgenomen. Er zijn momenteel vier vormen van medegebruik toegestaan, waaronder passieve visserij en aquacultuur. Ruimte voor deze vormen van voedselwinning uit zee wordt aangewezen in de gebiedspaspoorten die de Minister van Infrastructuur en Waterstaat vaststelt. Daarin wordt een afweging gemaakt tussen alle vormen van medegebruik. Niet alle vormen van medegebruik kunnen in combinatie met elkaar plaatsvinden.
Andere vormen van visserij zijn vooralsnog niet toegestaan vanuit veiligheidsoogpunt en om schade aan windparken en bekabeling te voorkomen. In 2019 hebben er drie studies6 plaatsgevonden naar de mogelijkheden voor actieve visserij binnen windparken op zee. Op basis van de resultaten van deze studies is indertijd in het Noordzeeakkoord vastgelegd actieve visserij in windparken niet toe te staan. Dit had vooral te maken met de meerkosten voor de inrichting van het windpark en hoogte van verzekeringspremies voor de vissers.
Door de toegenomen druk op de ruimte en naar aanleiding van de gewijzigde motie Van der Plas (BBB)7 acht het Kabinet een nadere overweging van dit beleid noodzakelijk. De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur onderzoekt om die reden wederom óf en zo ja onder welke voorwaarden toch vormen van actieve visserij op termijn in windparken toegestaan kunnen worden, rekening houdend met haalbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid. Als deze onderzoeken aanleiding geven tot het aanpassen van het beleid voor medegebruik, kan dit worden opgenomen in het volgende Programma Noordzee 2028–2033.
Is het mogelijk om natuurcompensatie voor windmolens op zee te realiseren binnenin de kavel van het te bouwen windmolenpark op zee? Zo ja, wat zijn de richtlijnen en vereisten voor natuurcompensatie bij dit type projecten?
Er zijn tot op heden, anders dan de wettelijke kaders zoals die volgen uit de Omgevingswet, geen vereisten of voorschriften voor actief natuurherstel of natuurcompensatie binnen windparken.
Het kavelbesluit, dat bepaalt waar en onder welke voorwaarden een windpark op zee aangelegd wordt en in bedrijf genomen mag worden, wordt getoetst aan de wettelijke kaders uit de Omgevingswet. Op grond van die toets kunnen mitigerende maatregelen noodzakelijk blijken, die de negatieve effecten op de Noordzeenatuur verminderen. Voor de noodzakelijke mitigerende maatregelen bevatten de kavelbesluiten verplichtende voorschriften.
De noodzaak voor, en aard van mitigerende maatregelen wordt bepaald op basis van de milieueffectrapportage en een Passende beoordeling die voor elk kavelbesluit worden opgesteld. De noodzaak en aard hangen af van de specifieke locatie van het kavel en de daar voorkomende soorten en habitat(s). Daarbij worden ook alle fasen van een windpark beschouwd: zo is er een geluidsbelasting voor zeezoogdieren bij de aanleg en ontstaat een aanvaringsrisico voor vogels in de operationele fase.
Wanneer met natuurcompensatie compensatie wordt bedoeld in de zin van Natura 2000 wetgeving, dan gaat dat specifiek om de zogenoemde ADC-toets. Het gaat hier om de effecten op eventueel naast gelegen Natura 2000-gebieden, windparken worden namelijk niet in deze gebieden gebouwd. Deze ADC-toets is de laatste stap die genomen kan worden wanneer een Passende beoordeling significant negatieve effecten niet op voorhand kan uitsluiten. Voor de betreffende activiteit mogen er dan geen reële alternatieven zijn, moet er sprake zijn van een dwingende reden van groot openbaar belang en moet natuurcompensatie plaatsvinden. Voor deze vorm van natuurcompensatie gelden strenge juridische voorwaarden. In het geval de ADC-toets succesvol wordt doorlopen, zijn de compenserende maatregelen onderdeel van de voorwaarde waaronder de vergunning wordt verleend. Tot nu toe is voor windparken op zee geen gebruik gemaakt van de ADC-toets.
Bovenop de mitigerende maatregelen bevatten recente kavelbesluiten ook voorschriften voor natuur-inclusief bouwen, dat wil zeggen een zo natuurvriendelijk mogelijke aanleg van windparken, die kansen voor natuurontwikkeling stimuleert. Daarmee dragen de windparken bij aan herstel en versterking van de Noordzeenatuur en daarmee aan het vergroten van de ecologische draagkracht.
Een andere manier waarop nu al wordt ingezet op versterking en herstel van de Noordzeenatuur vindt plaats via de criteria van de procedures (tenders) waarmee de vergunningen voor de windparken op zee worden verstrekt. Die criteria dagen de biedende partijen uit tot het toepassen van nieuwe innovatieve maatregelen.
Ten slotte kunnen er ook kansen zijn voor natuurherstel en -versterking in de ruimte tussen de windturbines, die niet tot het windpark behoort. Het gaat dan om een vorm van medegebruik. Via een gebiedspaspoort wordt aangegeven welke vorm van medegebruik waar binnen een windpark kan plaatsvinden. Dit gebiedspaspoort wordt door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat opgesteld. Actief natuurherstel is één van de vormen van medegebruik.
In hoeverre zijn de mogelijke negatieve effecten van de bouw en exploitatie van windmolenparken op zee op de natuur goed in kaart gebracht? Zijn er specifieke studies of rapporten die hierover zijn opgeleverd?
De effecten van windparken op de Noordzeenatuur behoren tot de meest grondig in kaart gebrachte effecten van alle menselijke activiteiten op zee. Toch zijn er ook nog kennislacunes, mede doordat meten en monitoren op zee kostbaar en tijdrovend is. Het Rijk werkt samen met veel partijen om de kennisbasis zo snel mogelijk te vergroten en de impact op natuur zo te minimaliseren. Dit vindt voornamelijk plaats via het langjarige Wind op zee ecologisch onderzoeksprogramma (Wozep), dat in mijn opdracht de cumulatieve ecologische effecten van windparken op zee onderzoekt. Daarnaast is er het bredere programma Monitoring-Onderzoek-Natuurversterking-Soortbescherming (MONS), dat als doel heeft de vraag te beantwoorden of en hoe het veranderende gebruik van de Noordzee past binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee. De meest recente wetenschappelijke kennis van Wozep en MONS wordt verzameld op het Noordzeeloket8.
Ten behoeve van besluitvorming voor windenergie op zee wordt steeds de meest recente kennis gebruikt. Voor de analyse van de effecten van windenergie op de Noordzeenatuur wordt gebruik gemaakt van het speciaal ontwikkelde Kader ecologie en cumulatie (KEC), dat de impact van alle windparken op de Noordzee tezamen op o.a. zeezoogdieren, vogels en vleermuizen in kaart brengt. Voor andere menselijke activiteiten op zee is een dergelijke cumulatieve aanpak nog niet gemeengoed. Ook het in kaart brengen van de cumulatieve effecten van alle drukfactoren, zoals wind op zee, scheepvaart en visserij, tezamen op de Noordzeenatuur vergt nog aanvullend onderzoek, dat nu onder andere via het Greater North Sea Basin Initiative samen met de andere Noordzeeladen in gang is gezet.
Alle kennis wordt verwerkt in de milieueffectrapportages die ten grondslag liggen aan de besluitvorming voor windenergie op zee. Voor het aanwijzen van windenergiegebieden in het Programma Noordzee stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat verplicht een plan-milieueffectrapport en Passende beoordeling op. Deze gaan – op hoog abstractieniveau – ook in op de effecten op natuur. Voor ieder afzonderlijk kavelbesluit wordt vervolgens verplicht een gedetailleerd project-milieueffectrapport, Passende beoordeling en soortenbeschermingstoets opgesteld. Deze rapporten worden tezamen met de kavelbesluiten gepubliceerd.
Is het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) betrokken bij de planning of/en evaluatie van de effecten van windmolenparken op zee op de natuur?
Ja, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is verantwoordelijk voor toetsing van projecten op natuurwetgeving. In een vroegtijdig stadium is de Staatssecretaris betrokken bij de aanwijzing van windenergiegebieden op zee in het Programma Noordzee. Daarnaast worden kavelbesluiten in overeenstemming met deze Staatssecretaris genomen. Het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is ook betrokken bij de stuurgroep Wozep.
In hoeverre is het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) «Schipperen met ruimte» meegenomen in de wijziging ontwikkelkader windenergie op zee?
De recente wijziging van het Ontwikkelkader windenergie op zee betreft technische wijzigingen voor het net op zee. Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de scheepvaartveiligheid.
Met hoeveel schepen moet de Kustwacht uitbreiden voor de bewaking van de veiligheid op zee door het toenemende aantal windmolenparken op zee?
De Kustwacht heeft opdracht gegeven tot het verwerven van een extra 24/7 handhavingsvaartuig. Dat betekent extra capaciteit voor het handhaven van wet- en regelgeving in- en rondom windparken op zee. Binnen het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur wordt er ook gekeken naar de capaciteiten van de Kustwacht om een grotere rol, in het beschermen van de infrastructuur op de Noordzee, te kunnen spelen. Overigens heeft de Koninklijke Marine hierin ook een actieve betrokkenheid en een samenwerking met de Kustwacht. Over het Actieplan ter bescherming van de infrastructuur is de Kamer geïnformeerd op 10 juli 20249. In deze brief is de Kamer ook geïnformeerd over de incidentele middelen die voor 2024 en 2025 zijn vrijgemaakt om dit Actieplan te kunnen gaan uitvoeren. Van deze incidentele middelen zijn ook investeringen gedaan in de middelen voor de Kustwacht. Over welke dit zijn wordt de Kamer in het tweede kwartaal van dit jaar nader geïnformeerd. Hierin zal de Kamer ook worden geïnformeerd welke middelen structureel nodig zijn om vanaf 2026 de Noordzee te kunnen beschermen.
Wordt de Kustwacht betrokken bij de bescherming van windmolenparken op zee?
Ja, de Kustwacht is intensief betrokken bij de bescherming van windmolenparken op zee.
Hoe wordt er samengewerkt met de Kustwacht en andere schepen om de veiligheid en het beheer van de parken te waarborgen?
Er wordt samengewerkt met zes opdrachtgevende departementen en de beheerder binnen de Raad voor de Kustwacht.
Wordt er in de plannen voor de aanleg van onderzeese kabels voor windmolenparken op zee rekening gehouden met de toegenomen dreigingen vanuit Rusland, zoals schade aan kabels?
Ja, TenneT heeft hierin als netbeheerder van het net op zee een eigen verantwoordelijkheid om de integriteit en veiligheid van het net op zee te waarborgen. Zie ook antwoord vraag 15.
Zijn er specifieke maatregelen getroffen om de kabels te beveiligen?
Nederland heeft groot belang bij de aansluiting van windparken op zee. Incidenten, zoals de sabotage van de Nord-Streamleidingen in september 2022 en recentere sabotage in de Oostzee, laten het belang zien van de beveiliging van infrastructuur. Sabotage, manipulatie of spionage zou de energievoorziening kunnen verstoren en daarmee een grote economische en sociale impact kunnen hebben.
Voor de beveiliging van energie-infrastructuur werkt de Rijksoverheid nauw samen met TenneT en Gasunie en de veiligheidsdiensten om te zorgen dat securityintegraal wordt meegewogen bij de aanleg van de onderzeese infrastructuur. Ook nemen TenneT en Gasunie conform hun wettelijke taak zelf verantwoordelijkheid om de weerbaarheid van kabels en leidingen te verhogen.
Momenteel worden de European Critical Entities Resilience (CER), de Network and Information Security directive (NIS2) omgezet in de Nederlandse Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyber beveiligingswet. Deze wetgevingen leiden tot een verdere versterking van de digitale en fysieke weerbaarheid van de vitale infrastructuur. Entiteiten die onder deze wetgevingen komen te vallen moeten aanvullend passende en evenredige weerbaarheidsverhogende maatregelen nemen. Daarnaast is op 13 juni 2024 de Netcode Cybersecurity (NCCS) in werking getreden. Deze sectorspecifieke Europese wetgeving over grensoverschrijdende cybersecurity in de elektriciteitssector stelt aanvullend op de NIS2 concretere en bindende grensoverschrijdende cybersecurityeisen vast voor elektriciteitsentiteiten.
Daarnaast zet het kabinet in op een robuuste aanpak om de bescherming van de infrastructuur op de Noordzee te kunnen borgen en waar nodig te verbeteren. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat coördineert het Programma Bescherming Noordzee infrastructuur (PBNI). Over de strategie en het Actieplan ter bescherming van de infrastructuur is de Kamer geïnformeerd op 10 juli 202410. Mijn departement, inclusief de programma’s voor wind op zee en netten op zee, is op het PBNI aangesloten.
Is er een plan voor het vervangen van verouderde windmolens op zee en voor het efficiënter plaatsen van nieuwe windmolens, bijvoorbeeld door betere technologie of optimalisatie van de locaties of dichter op elkaar zetten op een kavel?
Aan het eind van de vergunningsduur moet een windpark op zee in z’n geheel worden verwijderd. Dit is bepaald in de Omgevingswet. Voor oudere windparken, die destijds onder de Waterwet zijn vergund, kan de vergunninghouder een verlenging van de vergunning aanvragen. Het initiatief daarvoor ligt bij de vergunninghouder.
Voor de recentere windparken die zijn vergund onder de Wet windenergie op zee bepaalt die wet dat de maximale vergunningsduur 40 jaar bedraagt. Dit is inclusief de bouw- en verwijdertijd.
De ontwikkeling van windturbines laat nog steeds vooruitgang zien. Turbines worden nog steeds groter en efficiënter, waardoor er meer energie tegen lagere kosten is te produceren. Grotere windturbines zijn daarnaast ook gunstiger voor het beperken van aanvaringsslachtoffers van vogels en vleermuizen.
De ontwikkeling naar grotere windturbines en de resultaten van de in antwoord 6 vermelde studies naar de mogelijkheden voor actieve visserij binnen windparken op zee hebben er toe geleid dat windparken op zee steeds «compacter» zijn geworden, in de zin dat er meer productievermogen (uitgedrukt in megawatt, MW) per oppervlakte-eenheid (uitgedrukt in vierkante kilometer (km2)) wordt gerealiseerd. Waar er bij de windparken in het windenergiegebied Borssele nog ongeveer 4 MW/km2 staat is er in het Programma Noordzee 2022–2027 bepaald dat 10 MW/km2 voortaan het uitgangspunt is. De meest recent vergunde windparken in windenergiegebieden Hollandse Kust (west) en IJmuiden Ver hanteren al dit uitgangspunt. Oftewel voor hetzelfde productievermogen wordt nog maar 40% van de oorspronkelijke ruimte gebruikt. Daarmee blijft er meer ruimte over voor andere activiteiten buiten het windpark. Keerzijde is wel dat de businesscase van de windparken nadelig wordt beïnvloed, doordat de windturbines in grotere mate elkaar wind afvangen, en dat ruimte-intensief medegebruik, zoals actieve visserij, binnen windparken uitdagend(er) is.
Wat zijn de verwachte kosten voor de bouw en exploitatie van windmolenparken op zee? Hoe worden deze kosten gedekt?
De geschatte investeringskosten voor een windpark op zee zijn 2 tot 2,5 miljard euro per gigawatt geïnstalleerd windvermogen. De geschatte operationele kosten voor een windpark op zee bedragen ongeveer 120 miljoen euro per jaar per gigawatt geïnstalleerd windvermogen. Dit zijn private kosten, die door de windparkontwikkelaar worden betaald.
Is het mogelijk om subsidie te verkrijgen voor de bouw van windmolenparken op zee op basis van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Op basis van het huidige Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie is het niet mogelijk om subsidie te verlenen aan windparken op zee. In het verleden hebben windparken wel subsidiebeschikkingen verkregen op basis van dit Besluit, maar de laatste jaren zijn windparken op zee zonder subsidie verleend en is deze mogelijkheid er niet meer.
Gaat het Rijk de toegenomen kosten voor de bouw en exploitatie van windmolenparken compenseren door middel van subsidies?
De toegenomen kosten zullen niet worden gecompenseerd zolang deze kosten passen binnen de businesscase van de windparkontwikkelaar. Indien blijkt dat de bouw van een windpark op zee niet meer uit kan zonder subsidie, dan zal het kabinet verschillende maatregelen overwegen die de businesscase kunnen verbeteren.
Wat zijn de plannen voor het beheer van windmolenparken na het einde van hun levensduur?
Aan het eind van de vergunningsduur moet een windpark op zee op grond van de Omgevingswet in z’n geheel worden verwijderd. Onder de Wet windenergie op zee is de vergunninghouder van het windpark verplicht de kosten voor verwijdering te dragen. Hiertoe dient zij een bankgarantie te overleggen.
Het bericht dat de Europese Commissie subsidies heeft verstrekt aan milieuorganisaties om specifieke wetgevingsvoorstellen te promoten, zoals de Natuurherstelwet |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Dirk Beljaarts (minister economische zaken) (PvdV), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van De Telegraaf dat de Europese Commissie subsidies heeft verstrekt aan milieuorganisaties om specifieke wetgevingsvoorstellen te promoten, zoals de Natuurherstelwet?
Ja
Deelt u de mening dat het gebruik van subsidies om lobbyactiviteiten te financieren transparant en democratisch verantwoord moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, het gebruik van subsidies moet zo transparant en democratisch verantwoord mogelijk zijn. Om in aanmerking te komen voor een subsidie, moet worden voldaan aan vastgestelde eisen die staan beschreven in een openbaar gepubliceerde subsidieregeling. In de subsidieregeling is beschreven welke doelgroep onder welke voorwaarden en voor welke activiteiten in aanmerking komt voor een subsidie.
De Ministeries van KGG, van BZK/VRO en van EZ zetten subsidies niet in met als doel om lobbyactiviteiten van derde partijen richting de overheid te financieren. Subsidieverstrekking geschiedt uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Maatschappelijke organisaties kunnen – net als overigens bedrijven – een aanvraag doen voor een subsidie. Maatschappelijke organisaties hebben daarbij een bijzondere positie omdat zij burgers vertegenwoordigen en zo bijdragen aan het pluriforme debat dat past bij onze representatieve democratie.
Kunt u een overzicht geven van alle subsidies die door de Nederlandse overheid de afgelopen vijf jaar zijn verstrekt aan milieuorganisaties en niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die actief zijn op het gebied van klimaat en natuurbeleid?
Nee. Het kabinet houdt geen centraal overzicht bij van alle rijkssubsidies. Elk departement publiceert met de jaarlijkse ontwerpbegroting een subsidieoverzicht. Daarbij geldt dat verleende subsidies die zijn te herleiden tot individueel bedrijfs- of organisatieniveau niet openbaar worden gemaakt.
Voor subsidiebeschikkingen waarin sprake is van staatssteun moet binnen twintig werkdagen na de steunverlening een ad-hoc-kennisgeving gedaan worden, gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl. De betreffende beschikkingen worden dan wel eerst geanonimiseerd. Indien de staatssteun aan een individuele onderneming meer dan 100.000 euro bedraagt, geldt dat bepaalde gegevens (zoals de bedrijfsnaam van de steunontvanger, KVK-nummer en het steunbedrag) moeten worden gepubliceerd in de State Aid Transparency Award Module (TAM) van de Europese Commissie.
Welke voorwaarden zijn verbonden aan deze subsidies, en hoe wordt gecontroleerd of deze subsidies uitsluitend worden gebruikt voor de afgesproken doelstellingen?
De afzonderlijke departementen hebben eigen wet- en regelgeving op het gebied van subsidies. Het Raamwerk Uitvoering Subsidies (RUS)1, ook wel bekend als het Uniform Subsidiekader (USK), is bedoeld als algemeen kader voor het opstellen van deze wet- en regelgeving. Dit is een bindend raamwerk voor subsidieverstrekking dat overal binnen de Rijksoverheid moet worden toegepast.
De Ministeries van KGG, BZK en van EZ hanteren ook een eigen kaderwet voor subsidies. Voor subsidies van de Ministeries van BZK en VRO is de kaderwet overige BZK-subsidies2 van toepassing. In deze kaderwetgeving is onder meer bepaald dat een subsidie slechts wordt verstrekt voor activiteiten die passen binnen beleidskaders. Bij het verstrekken van een subsidie wordt op basis van de aanvraag, waarin beschreven staat voor welke activiteiten subsidie wordt aangevraagd, getoetst of deze activiteiten passen binnen het beleid. In de subsidiebeschikking worden voorwaarden en verplichtingen gesteld waar de subsidieontvanger aan moet voldoen. Bij de subsidievaststelling wordt gecontroleerd of de subsidieontvanger hier aan heeft voldaan.
Is het mogelijk dat Nederlandse subsidiegelden direct of indirect worden gebruikt voor lobbyactiviteiten bij Europese instellingen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 gebruiken de Ministeries van KGG, van BZK en van EZ subsidieverstrekking uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Er worden geen subsidies verstrekt met als doel om lobbyactiviteiten van derde partijen richting de overheid te financieren.
Bent u bereid de onderliggende subsidieovereenkomsten met milieuclubs en ngo’s openbaar te maken en deze naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn subsidies voor economische activiteiten boven de 100.000 Euro die vanwege staatssteunaspecten formeel bij de Europese Commissie moeten worden aangemeld in het TAM-register, openbaar. Overige subsidies worden niet openbaar gemaakt.
Welke stappen onderneemt u om te waarborgen dat publieke middelen niet worden ingezet voor lobbyactiviteiten die gericht zijn op het beïnvloeden van nationaal of Europees beleid?
Zie ook antwoord op vraag 2. De Ministeries van KGG en van EZ gebruiken subsidieverstrekking uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken op respectievelijk het terrein van klimaat, energie en economie. Het Ministerie van BZK en van VRO zet subsidiëring in voor respectievelijk het bevorderen van de democratische rechtsstaat, het ondersteunen van decentraal bestuur en het versterken van het bouwen, het wonen en de woonomgeving. Er worden geen subsidies verstrekt om lobbyactiviteiten van derde partijen richting de overheid te financieren.
Wat is uw reactie op het feit dat het European Environmental Bureau expliciete opdrachten kreeg om wetgevingsvoorstellen ambitieuzer te maken, en hoe beoordeelt u de rol van milieuorganisaties in het publieke debat in dit licht?
Via de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel heeft Nederland recentelijk contact gehad met Commissaris Serafin. De Commissaris heeft aangegeven nader onderzoek te zullen doen naar de subsidieverlening door de Europese Commissie. Het kabinet wacht nadere stappen van de Commissie af. Het kabinet heeft van de Commissie geen signalen ontvangen dat geldende transparantie- en lobbyregels zijn overtreden. Het European Environmental Bureau heeft bovendien eind januari in een reactie duidelijk gemaakt dat de berichtgeving ongegrond is en berust op misinformatie.
Ziet u aanleiding om het huidige Nederlandse subsidiebeleid te herzien om te voorkomen dat dergelijke praktijken plaatsvinden?
Nee. De huidige subsidieregels en uitvoeringscontroles waarborgen dat het subsidiebeleid uitsluitend gericht blijft op het bevorderen van beleidsdoelen die de Rijksoverheid nastreeft.
Hoe waarborgt u een eerlijke balans tussen de inspraak van organisaties die zakelijke belangen vertegenwoordigen en organisaties die zich inzetten voor milieu- en klimaatzaken bij de totstandkoming van beleid?
De Rijksoverheid gaat altijd in gesprek met een brede groep belanghebbenden en waarborgt een evenwichtige afweging tussen verschillende perspectieven, zowel van organisaties met zakelijke belangen als van partijen die zich inzetten voor milieu en klimaatzaken. De kwaliteit, relevantie en onderbouwing van inbreng staan daarbij centraal, ongeacht het profiel van de organisatie.
In het klimaatbeleid gebeurt dit onder andere via de sectorale uitvoeringsoverleggen, die als opvolgers van de klimaattafels fungeren binnen het Nationaal Klimaatakkoord. Hierin geven zowel bedrijven als maatschappelijke organisaties advies aan de verantwoordelijke vakminister. Daarnaast is recent een publieke consultatie gehouden op het concept-Klimaatplan, waarbij burgers, bedrijven en organisaties hun visie konden delen zonder onderscheid tussen organisaties of personen met zakelijke of maatschappelijke belangen.
In het ruimtelijk domein is verder de toepassing van de Omgevingswet relevant. Deze wet kent ook regels voor participatie waarbij is aangegeven dat alle relevante belanghebbenden (inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit moeten worden betrokken.
Op vele manieren vindt dus een brede en evenwichtige inspraak plaats, zodat alle belanghebbenden kunnen bijdragen aan beleidsprocessen.
Het Nationaal Klimaat Platform |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het Nationaal Klimaat Platform aan de ondersteunende financiële middelen komt?
De middelen van het Nationaal Klimaat Platform (NKP) komen uit de «projecten klimaat en energieakkoord» van de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG). De financiële middelen worden overgeheveld naar het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL) binnen de directie Participatie van het Ministerie van Infrastructuur &Waterstaat (I&W). Het NKP is onderdeel van het Overlegorgaan Fysieke leefomgeving.
Hoeveel financiële middelen en/of subsidie ontvangt het Nationaal Klimaat Platform jaarlijks van de Rijksoverheid?
Het NKP ontvangt maximaal 2,4 miljoen per jaar, voor de jaren 2023 tot en met 2026. De 2,4 miljoen per jaar is opgebouwd uit twee delen: (1) de salariskosten voor de medewerkers en de voorzitter, ongeveer 1,4 miljoen euro en (2) een bijdrage aan het programma van het NKP, maximaal 1 miljoen euro. In 2023 is die 1 miljoen voor minder dan de helft benut, vanwege de opstartfase.
Waarom is ertoe besloten het Nationaal Klimaat Platforrm niet onder de Wet open overheid (Woo) te laten vallen?
Bij de oprichting van het NKP was de uitkomst van juridische analyse dat het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (en dus ook het NKP) niet onder de Wet open overheid (Woo) valt, omdat het onafhankelijke secretariaat van OFL niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het ministerie.
Die analyse is opnieuw gedaan en leidt tot de conclusie dat dit niet terecht was. Het OFL is een bestuursorgaan, omdat het bij wet is ingesteld (de Wet overleg fysieke leefomgeving) en bestuursorganen vallen onder de Woo.
De passage over het niet vallen onder de Woo is per februari 2024 verwijderd van de website van het NKP.
Hoe en aan wie legt het Nationaal Klimaat Platforrm dan financiële verantwoording af over de ontvangen publieke middelen?
Het inhoudelijke werkprogramma bespreekt het Nationaal Klimaat Platform altijd in september met het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Deze inhoudelijke gesprekken zijn richtinggevend voor de inzet van de beschikbare middelen. De financiële verantwoording maakt onderdeel uit van de verantwoording die het Ministerie I&W jaarlijks aflegt over de financiën. In het financieel jaarverslag van IenW vallen de uitgaven van directie Participatie (inclusief het OFL) en de andere stafdiensten onder begrotingsartikel 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement. Dat is een «niet beleidsartikel» en hierover wordt op hoofdlijnen gerapporteerd en niet op het niveau van directies of afdelingen daarbinnen, of projecten zoals het NKP.
Waar kan het jaarverslag met financiële verantwoording van het Nationaal Klimaat Platform worden ingezien?
Het inhoudelijk jaarverslag is beschikbaar op de website van het NKP (www.nationaalklimaatplatform.nl). De financiële verantwoording wordt nu nog niet separaat gepubliceerd op de website. De tabel hieronder bevat een overzicht op hoofdlijnen van de jaarlijkse projectbegroting.
Personele kosten (voorzitter + medewerkers, 10 FTE)
1,4 miljoen euro
Huisvesting en kantoorfaciliteiten
130.000 euro
Opdrachten voor onderzoek en advies
340.000 euro
Evenementen (waaronder Top van Onderop)
300.000 euro
Werkbijeenkomsten en webinars
175.000 euro
Overig (o.m. communicatie, website, opleiding)
55.000 euro
Indien het jaarverslag met financiële verantwoording niet in kan worden gezien, bent is de bereid om dit alsnog openbaar te maken? Zo ja, op welke termijn kan dit verwacht worden?
Jazeker, het kabinet en het NKP vinden het wenselijk dat deze informatie publiek beschikbaar is. Het NKP is publicatie van de financiële verantwoording van de afgelopen twee jaar nu aan het voorbereiden en zal deze voor 10 maart op hun website publiceren.
Kunt u inzicht geven in de salarishuishouding van het Nationaal Klimaat Platform, inclusief de salarissen van de directie/secretariaat en andere leidinggevende posities?
Voorzitter NKP (32 uur)
Schaal 18
Programma directeur NKP (36 uur)
Schaal 16
Werknemers secretariaat
Gemiddeld schaal 12
Hoe worden de salarissen van de medewerkers van het Nationaal Klimaat Platform vastgesteld en welke richtlijnen worden hierbij gehanteerd?
Voorzitter en secretariaat zijn aangesteld als ambtenaren van het Ministerie van I&W. Salarissen zijn vastgesteld volgens de standaard richtlijnen voor salarissen van ambtenaren binnen de rijksoverheid, via het functiegebouw Rijk, waarbij de zwaarte van de functie bepalend is voor de salarisschaal, zie hiervoor de Handleiding Overheidstarieven 20251.
Ben u van plan het mandaat van Nationaal Klimaat Platform, dat tot november 2026 loopt, te verlengen?
Bij instelling van het NKP is besloten na twee jaar een korte externe evaluatie uit te voeren van de functie van het NKP in de context van de gehele klimaat-governance. De uitkomsten hiervan verwacht het kabinet in Q2 met de Kamer te delen. Op basis van de uitkomsten van die evaluatie neemt het kabinet een besluit over het eventueel voortzetten van het NKP.
Welke criteria zijn daar mee gemoeid om dat besluit af te wegen?
De belangrijkste criteria zijn of het NKP nog past bij de huidige fase van de klimaat- en energietransitie en of het NKP op een zinvolle wijze invulling weet te geven aan hun mandaat2. Het mandaat bestaat uit twee kerntaken:
De toenemende klimaatschade in Nederland |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stijgende verzekeringspremies na bosbranden in LA: gaat Nederland ook deze kant op?» in de Volkskrant van 17 januari 2025?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing in het artikel dat de klimaatschade in Nederland de komende jaren sterk kan toenemen?
Het is te verwachten dat de schade de komende decennia zal toenemen. Ook verzekeraars zien dat schade door toenemend extreem weer groeit en verwachten dat schade door extreem weer zal toenemen2, 3.
De klimaatscenario’s (KNMI 2023)4 voor Nederland wijzen bijvoorbeeld op een verdere toename in frequentie en intensiteit van extreme weersgebeurtenissen. Wat dit exact gaat betekenen in termen van schade is niet aan te geven, maar in onderzoek vanuit het Nationaal Kennisprogramma Water en Klimaat5 is becijferd dat de klimaatgerelateerde schadein de orde grootte ligt van 77,5 tot 173,6 miljard euro schade over de periode tot 2050. Op de website www.klimaatschadeschatter.nl zijn de getallen te vinden.
Kanttekeningen hierbij zijn dat dit onderzoek gedateerd is (in 2019 voor het laatst geactualiseerd), niet uitgaat van de meest recente klimaatscenario’s en niet alle schademechanismen zijn meegenomen (vanwege hiaten in de kennis). Er wordt op dit moment verkend of en hoe dit geactualiseerd gaat worden.
Kunt u een overzicht geven van de geschatte klimaatschade in Nederland over de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar verschillende sectoren zoals landbouw, infrastructuur, natuur en waterbeheer?
Er is geen overzicht beschikbaar van de geschatte klimaatschade over de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst per sector. Wel heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in haar rapport Klimaatrisico's in Nederland (2024)6 de impact van een aantal extreme weergebeurtenissen in Nederland uiteengezet. Zo hebben de overstromingen in Limburg in 2021 geleid tot meer dan 430 miljoen euro schade. Ook noemenswaardig is de schade als gevolg van extreme droogte in 2018. De totale economische schade voor de landbouw, binnenvaart en waterbeheerders bedroeg 450–2080 miljoen euro. Naast schade is er overigens ook sprake van slachtoffers: zo heeft de hittegolf in 2019 geresulteerd in 400 extra sterfgevallen7.
Het Verbond van Verzekeraars houdt al enkele jaren een klimaatschademonitor8 bij, maar dit betreft alleen verzekerde schade van particulieren en de grootste zakelijke schades als gevolg van extreem weer. Voor de verzekerbare schade geldt dat ook portefeuillegroei en inflatie bijdragen aan de omvang van de uitgekeerde schade.
Kunt u een overzicht geven van de geschatte klimaatschade in Nederland voor de komende 25 jaar, uitgesplitst naar verschillende sectoren zoals landbouw, infrastructuur natuur en waterbeheer?
Op dit moment is alleen de informatie uit de klimaatschadeschatter beschikbaar, zie het antwoord op vraag 1.
Begin 2026 publiceert het PBL een rapport over de risico’s in het toekomstige klimaat, op basis van onder meer de nieuwe klimaatscenario’s (2023) van het KNMI. Hierin zullen de risico’s voor een groter aantal sectoren worden onderzocht.
Hoe verhoudt de klimaatschade in Nederland zich tot andere Europese landen?
De economische schade in de EU in de periode 1980–2020 als gevolg van klimaatverandering wordt in Europese studies geschat op € 433–487 miljard en het aantal (voortijdige) sterfgevallen op 86.000–138.0009. Voor Nederland geven deze studies over dezelfde periode een geschatte schade van € 9,3–9,6 miljard en het aantal voortijdige sterfgevallen op 1 734 – 3 919. De economische schade in Nederland ligt, met 2% van de totale schade in de EU, ver onder het gemiddelde van de EU, zowel op lidstaatniveau als per hoofd van de bevolking. Hetzelfde geldt voor het aantal voortijdige sterfgevallen.
Welke gebieden in Nederland lopen het grootste risico op ernstige klimaatschade en welke specifieke maatregelen neemt u voor deze regio's?
Er zijn grote regionale verschillen in Nederland voor wat betreft de kwetsbaarheid voor de effecten van klimaatverandering. Schade door extreme neerslag kan lokaal overal voorkomen, maar op regionale schaal meer tot problemen leiden in heuvellandschap, beekdalen en polders. Met name in het westen van het land, maar ook andere gebieden met veenbodems speelt ook het probleem van bodemdaling, waardoor de schade door wateroverlast toe kan nemen. Dit zijn ook gebieden die gevoelig zijn voor funderings- en zettingsschade aan gebouwen en infrastructuur. Schade en inkomstenderving door zoetwatertekort speelt meer op de hoge zandgronden van Nederland, en daar waar de zoetwaterbeschikbaarheid afhankelijk is van de aanvoer vanuit de rivieren.
Voor de BES-eilanden geldt dat daar specifieke dreigingsbeelden van klimaateffecten bestaan, zo is bijvoorbeeld schade door orkanen een veel prominenter risico dan in Europees Nederland. IenW ontsluit gedetailleerdere informatie over gevolgen van klimaatverandering voor bepaalde gebieden via de Klimaateffectatlas10 en de Klimaateffectatlas voor Caribisch Nederland11.
De benodigde maatregelen zijn erg afhankelijk van de lokale en regionale problematiek. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) werken het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samen aan de opgave om Nederland zo in te richten dat we schade als gevolg van toenemende droogte, hevige neerslag en overstromingen kunnen beperken. Via dit programma heeft het Rijk met de Tijdelijke Impulsregeling Klimaatadaptatie 2021–202712 200 miljoen euro beschikbaar gesteld voor een versnelling in de uitvoering van lokale en regionale klimaatadaptatiemaatregelen. Daarbij was sprake van cofinanciering, de bijdrage van andere overheden bedroeg 400 miljoen euro. Ook voor de aanpak van hittestress heeft dit meekoppelkansen geboden.
Welke aanvullende investeringen of maatregelen acht u noodzakelijk om de verwachte klimaatschade te beperken?
Voor het beperken van klimaatschade is inzet nodig op het gebied van mitigatie en op het gebied van klimaatadaptatie. Zoals aangekondigd in de Klimaatnota 2024 werkt het kabinet momenteel aan maatregelen om het 2030-doel van 55% reductie binnen bereik te brengen. Hierover vindt in het voorjaar besluitvorming plaats.
Ook werkt het kabinet aan het tweede Klimaatplan op basis van de Klimaatwet. Dit plan wordt uiterlijk 1 april 2025 aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit Klimaatplan gaat in op het beleid dat in gang wordt gezet richting klimaatneutraliteit in 2050, en bevat het ontwerp van de beleidsagenda voor de jaren 2025–2035.
Zoals afgesproken in het Regeerprogramma komt het kabinet in 2026 met een nieuwe Nationale Klimaatadaptatiestrategie waarin aangegeven wordt wat het Rijk zal doen om de verwachte klimaatschade te beperken, maar ook welke maatregelen andere partijen – zoals bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden- kunnen nemen. Het beperken van klimaatschade is namelijk niet alleen de verantwoordelijkheid van het Rijk.
Daarnaast worden onder regie van de Minister van IenW bovenregionale stresstesten wateroverlast uitgevoerd. Dit moet eind 2025 een landelijk beeld opleveren met knelpunten als gevolg van grootschalige extreme neerslag. Dit beeld zal de basis zijn voor verdere dialogen over mogelijke maatregelen.
In de kabinetsappreciatie van de KNMI ’23 scenario’s is aangegeven hoe de scenario’s doorwerken in rijksbeleid13.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de klimaatschade eerlijk wordt verdeeld, volgens de principes van de vervuiler/veroorzaker betaalt en niet onevenredig voor rekening komt van burgers en al helemaal niet burgers met lagere inkomens?
Het kabinet werkt aan het tweede Klimaatplan op basis van de Klimaatwet. Dit zal uiterlijk 1 april worden aangeboden aan de TK. Het Klimaatplan beschrijft rechtvaardigheid als uitgangspunt in het klimaatbeleid, en maakt concreet vanuit welke principes het kabinet hieraan invulling heeft. Er wordt gewerkt aan een evaluatiekader om in evaluaties het beleid aan deze principes te kunnen toetsen. De principes die vraagsteller noemt, zijn onderdeel van de principes die het kabinet heeft geformuleerd en waarmee in de besluitvorming over het klimaatbeleid rekening wordt gehouden.
Ten behoeve van het ontwikkelen van de in het regeerprogramma aangekondigde Nationale Klimaatadaptatiestrategie (2026) wordt een sociale impactanalyse opgesteld met als doel om inzicht te geven in het verdelingsvraagstuk achter klimaatadaptatiebeleid, ook voor Caribisch Nederland. De inzichten uit de sociale impactanalyse worden ingezet in de Nationale Klimaatadaptatiestrategie om bij te dragen aan beleidskeuzes die de gevolgen van klimaatverandering eerlijker verdelen tussen verschillende groepen.
Daarnaast is naar aanleiding van de motie van de leden De Hoop en Bromet een interdepartementale werkgroep opgericht om een verkenning te doen naar oplossingsrichtingen om te voorkomen dat mensen met lage- en middeninkomens achterblijven in de minst toekomstbestendige woningen. Hierover is de Kamer geïnformeerd in de verzamelbrief voor het WGO Water van 19 november 202414.
In hoeverre wordt bij (economische) beleidsafwegingen rekening gehouden met klimaatschade, aangezien de klimaatdoelen uit zicht raken en noodzakelijke hervormingen en structurele oplossingen voor de klimaatcrisis uitblijven, zowel op het gebied van de eiwittransitie als de ideologie van oneindige en «groene» groei?
Economisch beleid wordt geformuleerd vanuit het perspectief van brede welvaart. Het voorkomen van klimaatschade is daar een onderdeel van, net als materiële welvaart. Daarom streeft het kabinet naar groene groei. Brede welvaart wordt op drie manieren meegenomen in de economische beleidsafweging:
Verder heeft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) op 12 juni 2024 het advies «Ruimtelijke ordening in een veranderend klimaat» uitgebracht. Daarbij werd door de Rli terecht geconstateerd dat financiële prikkels om klimaatverandering mee te laten wegen bij investeringsbeslissingen onvoldoende ontwikkeld zijn. In de kabinetsreactie is aangegeven hoe het Rijk de aanbevelingen oppakt.15
Daarnaast wordt door het Ministerie van IenW gewerkt aan het goed ontsluiten van bestaande data en beleidsinformatie over overstromings- en klimaatrisico’s, zodat er betere inschattingen gemaakt kunnen worden door financiële instellingen en bedrijven. Dit is belangrijk omdat banken, verzekeraars en bedrijven vanuit hun toezicht- en rapportageverplichtingen rekening moeten houden met hoe fysieke risico’s als gevolg van overstromingen en klimaatverandering hun portefeuilles en bedrijfsprocessen raken. Ook aanbieders van vitale infrastructuur, zoals netbeheerders en het Rijk zelf moeten, mede als gevolg van de implementatie van CER-richtlijn (de Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten), beter nadenken over hoe overstromings- en klimaatrisico’s tot uitval kan leiden die enorme gevolgen kan hebben voor de maatschappij. Beter inzicht in risico’s en onzekerheden helpt hen om goede investeringsbeslissingen te nemen.
Het Nationaal Burgerberaad Klimaat |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre vindt u de deelnemers van het Nationaal Burgerberaad Klimaat daadwerkelijk een afspiegeling van de samenleving en representatief, aangezien mensen zich hier zelf voor konden aanmelden (na een loting) waardoor de verwachting is dat vooral klimaat-geïnteresseerden zich hiervoor aanmelden?
Het burgerberaad is qua samenstelling een soort Nederland in het klein. Het is een afspiegeling van onze samenleving, ook als het gaat om hun opvattingen en zorgen over het klimaat. De samenstelling van de 175 deelnemers aan het Nationaal Burgerberaad Klimaat (hierna: burgerberaad) kunt u zien in bijgevoegde infographic1. Deze is gemaakt door de onafhankelijk voorzitter van het burgerberaad. De deelnemers zijn geselecteerd op een vijftal kenmerken2: leeftijd, geslacht, geografische spreiding, opleidingsniveau en mening over klimaatbeleid.
Kunt u inzichtelijk maken wie de hoofdvraag «Hoe kunnen we als Nederland eten, spullen gebruiken en reizen op een manier die beter is voor het klimaat?» van het Nationaal Burgerberaad Klimaat heeft bedacht? Mocht deze vraag vanuit het vorige kabinet bepaald zijn, waarom is besloten deze vraag niet te wijzigen?
Zowel het ontwerp als de hoofvraag van het burgerberaad zijn tot stand gekomen in een zorgvuldig gezamenlijk proces van de Kamer en het kabinet. Na een uitnodiging door het kabinet3 heeft een voorbereidingsgroep vanuit de Kamer verkend hoe een burgerberaad zou kunnen worden vormgegeven. Deze verkenning is besproken met het vorige kabinet (d.d. 5 april 2023). Het kabinet heeft vervolgens een voorstel voor het ontwerp en de vraag gedaan.4 Dit ontwerp is besproken met de Kamer (d.d. 28 juni 2023). Het kabinet heeft de vraagstelling daarna vastgelegd in het Instellingsbesluit.5 Het huidige kabinet heeft vastgesteld dat de vraagstelling nog steeds voldoet aan de eisen6 voor een geschikte vraag: de vraag is concreet en behapbaar, technisch niet te ingewikkeld, raakt aan de persoonlijke levenssfeer, heeft voldoende dilemma’s en geeft voldoende ruimte in beleidsontwikkeling.
Waarom heeft dit nieuwe kabinet besloten geen einde te maken aan het traject Nationaal Burgerberaad Klimaat dat door voormalig Minister voor Klimaat en Energie Rob Jetten is ingezet?
De totstandkoming van het Nationaal Burgerberaad Klimaat is een zorgvuldig en gezamenlijk proces van kabinet en Kamer geweest. Dit kabinet hecht eraan dat burgers zich gehoord voelen en meer zeggenschap hebben over zaken die hen aangaan. Het klimaat gaat ons allemaal aan. Op 20 december 2024 heeft het kabinet dan ook een brief aan uw Kamer gestuurd7 waarin het kabinet aangeeft uit te kijken naar een spoedige start van het burgerberaad klimaat.
Kunt u zo specifiek mogelijk inzichtelijk maken wat de verwachte kosten zijn van het gehele traject van het Nationaal Burgerberaad Klimaat?
Het burgerberaad klimaat is begroot op 6,18 miljoen euro en wordt bekostigd uit het Klimaatfonds. De voorzitter van het burgerberaad heeft in de voortgangsrapportage8 aangegeven dat, op basis van het begrote bedrag, circa 10–15% aanvullende middelen nodig zijn. Deze aanvullende claim wordt op dit moment beoordeeld door beide verantwoordelijke ministeries en zal meelopen in de reguliere begrotingscyclus.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel middelen er zijn gereserveerd voor de uitvoering van de uitkomsten van het Nationaal Burgerberaad Klimaat?
Het kabinet besluit per advies of het wel of niet wordt overgenomen, waarbij een zorgvuldige motivatie van de afweging wordt gegeven. Daarbij wordt ook geïnventariseerd welke middelen nodig zijn voor uitvoering van de adviezen.
Kunt u inzicht geven op welke manier de uitkomsten van het Burgerberaad geborgd zijn en wat de waarde is van de uitkomsten en adviezen?
Het kabinet committeert zich om recht te doen aan de tijd, moeite en expertise die in het advies van het burgerberaad zit. Zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit9 stuurt het kabinet uiterlijk zes maanden na ontvangst van de adviezen een kabinetsreactie naar de Kamer. Hierbij wordt op ieder advies afzonderlijk ingegaan (motiveringsplicht). Het kabinet heeft tevens het voornemen om bij elk overgenomen advies een tijdspad m.b.t. de opvolging te schetsen en de kabinetsreactie in begrijpelijke taal te publiceren. De Kamer heeft toegezegd het advies en de kabinetsreactie te bespreken (besprekingsplicht).10 In een slotbijeenkomst bespreekt het kabinet samen met de deelnemers op welke wijze opvolging is gegeven aan het advies. Deze bijeenkomst vindt twaalf maanden na de overhandiging van de adviezen plaats.
Het bericht 'Noodfonds Energie stopt in 2025 door gebrek aan bedrijfssteun' |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Noodfonds Energie stopt in 2025 door gebrek aan bedrijfssteun» van 20 december 2024?1
Ja.
Erkent u dat het Noodfonds Energie de afgelopen jaren een effectieve manier was om kwetsbare huishoudens met een erg hoge energierekening ondersteunen?
Ja. Het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft in 2023 en 2024 in totaal zo’n 160.000 huishoudens geholpen bij het betalen van de energierekening. Het Noodfonds heeft laten zien dat het op een zeer gerichte wijze heel veel kwetsbare huishoudens kan helpen, waarbij huishoudens ontzorgd worden bij de aanvraag en de vergoeding direct verrekend werd met de energierekening. De inzet van dit Kabinet is altijd geweest om voor 2025 te komen tot een fonds dat huishoudens met een laag (midden) inkomen en een hoge energierekening ondersteunt bij het betalen van hun energierekening, maar dat hierbij ook een koppeling wordt gemaakt met verduurzaming van de woning.
Erkent u dat ook in 2025 een serieuze groep mensen baat zou hebben bij het energiefonds en zij niet kunnen wachten tot een mogelijk nieuw fonds in 2026?
Ja. Een deel van de huishoudens in Nederland heeft op dit moment moeite met het betalen van de energierekening. Daarom zijn er na het kerstreces wederom constructieve gesprekken gevoerd met onder andere de energieleveranciers en Netbeheer Nederland. Er is daarbij breed gekeken naar mogelijke partijen die kunnen bijdragen. Na deze nieuwe ronde gesprekken zijn betrokken partijen het erover eens dat er ook voor dit jaar een energiefonds moet komen.
Het kabinet zoekt actief naar een oplossing om dit mogelijk te maken. Er wordt nu met alle betrokken partijen verder gewerkt om dit publiek-private fonds zo snel mogelijk te kunnen openen. Een van de punten die nader wordt uitgewerkt, is de bijdrage vanuit de energiesector aan de uitvoeringskosten van het energiefonds. Diverse energieleveranciers2 zijn reeds bereid om (opnieuw) een financiële bijdrage beschikbaar te stellen, waar wij hen erkentelijk voor zijn. Het is belangrijk dat de uitvoeringskosten om het energiefonds op te zetten niet door het Rijk bekostigd worden en daarmee het risico op staatssteun te mitigeren. Van een dergelijk risico is sprake als er geen Europese aanbesteding wordt doorlopen. Een Europese aanbesteding kent een lange doorlooptijd. Deze opzet voor een energiefonds in 2025 is niet aan de Europese Commissie voorgelegd om te laten toetsen op eventuele staatsteunaspecten.
Het energiefonds 2025 geldt als nieuw beleid dat in verband met het budgetrecht van de Eerste en Tweede Kamer pas van start kan gaan nadat de beide Kamers met de ontwerpbegrotingen hebben ingestemd. Om huishoudens zo snel mogelijk te kunnen ondersteunen bij de energierekening is subsidieverlening op korte termijn belangrijk. Om de effectiviteit van het beleid te waarborgen is het daarom van groot belang dat het wij zo snel mogelijk over kunnen gaan tot subsidieverlening. en niet hoeven te wachten op de stemmingen in de Eerste Kamer over de ontwerpbegroting 2025 van SZW. Hiermee kan het fonds een aantal weken eerder open. Dat maakt echt een verschil voor kwetsbare huishoudens.
De subsidieaanvraag en -verlening zal zo snel mogelijk worden gestart zodra de inleg vanuit de energiesector duidelijk is en de uitvoeringkosten gedekt zijn. De beschikbare middelen kunnen vervolgens direct aan Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) worden betaald, zodat het energiefonds na subsidieverlening zo snel als mogelijk operatief kan zijn. Daarom willen wij voor het energiefonds een beroep doen op artikel 2.25 lid 2 van de Comptabiliteitswet, zodat kwetsbare huishoudens zo snel mogelijk ondersteund kunnen worden bij het betalen van de energierekening (bijlage 1). Het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft minimaal 8 weken nodig vanaf het moment dat het formele verzoek van het kabinet wordt ingediend.
Wat is de reden dat het dit jaar niet is gelukt om met energieleveranciers, banken, gemeenten en maatschappelijke organisaties tot een afspraak te komen?
De gesprekken lopen nog. Zie het antwoord op vraag 3.
Zijn er nog andere partijen die zouden kunnen bijdragen aan het energiefonds, bijvoorbeeld netbeheerders, bedrijven of particulieren?
We zijn op dit moment nog met de netbeheerders in gesprek. Zie het antwoord op vraag 3.
Is de bijdrage van energieleveranciers, banken, gemeenten en maatschappelijke organisaties echt nodig om het Noodfonds Energie door te zetten?
Een bijdrage is nodig omdat de uitvoeringskosten van het energiefonds niet door het Rijk bekostigd mogen worden om het risico op staatssteun te mitigeren. Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om, ook met een kleinere bijdrage van de sector, de gereserveerde 60 miljoen voor het energiefonds beschikbaar te maken aan stichting Noodfonds Energie?
Het kabinet zoekt met alle betrokken partijen actief naar een oplossing om het energiefonds mogelijk te maken. Een van de punten die nader wordt uitgewerkt, is de bijdrage vanuit de energiesector aan de uitvoeringskosten van het energiefonds. Het is belangrijk dat de uitvoeringskosten om het energiefonds op te zetten niet door het Rijk bekostigd worden en daarmee het risico op staatssteun te mitigeren. Hiervan is sprake als er geen Europese aanbesteding wordt doorlopen. Een dergelijke procedure kent een lange doorlooptijd.
Het bericht dat de maatwerkafspraken met Nobian zijn getekend |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
De reductie van CO2 voor scope 3 emissies wordt met de huidige afspraken ingeschat op 50% terwijl er vanuit wetenschappelijk oogpunt 90% nodig is; waarom gaat u hiermee akkoord? Op welke manier moet Nobian rapporteren over het reduceren van scope 3 emissies?1
De maatwerkafspraken zijn er primair op gericht om additionele CO2-reductie van scope 1 emissies te realiseren. Door de beoogde reductie te vergelijken met het afbouwpad van gratis dispensatierechten binnen de CO2-heffing voor de industrie wordt bepaald in hoeverre de reductie als gevolg van maatwerk additioneel is ten opzichte van de heffing. Aanvullend kan per bedrijf worden bezien of er op andere onderdelen aanvullende afspraken wenselijk zijn. Bijvoorbeeld op het gebied van de leefomgeving. Hierbij wordt de balans gezocht tussen het potentiële maatschappelijke effect enerzijds en de haalbaarheid voor de deal anderzijds.
Naast een project voor CO2-reductie in 2030 moeten bedrijven om in aanmerking te komen voor maatwerk een plan hebben voor CO2-neutraliteit in 2050. Het klimaatplan van Nobian is getoetst door het Science Based Targets Initiative (SBTI) en er is geconcludeerd dat het plan voldoet aan het Parijs akkoord, ook op het gebied van scope 3 emissies. Met de maatwerkafspraak wordt in aanvulling hierop een versnelling gerealiseerd van 10 jaar voor scope 1 emissies, waarmee het bedrijf aanzienlijk voorloopt op de doelen van het Parijsakkoord. In dit geval is gekozen om geen aanvullende afspraken te maken over scope 3 maar bijvoorbeeld wel op het gebied van NOx, waterbesparing en warmtelozing.
Nobian zal net als ieder ander bedrijf moeten rapporteren over het reduceren van haar scope 3 emissies aangezien er geen aanvullende afspraken over zijn gemaakt.
Hoeveel emissies blijven er over als de reducties zoals opgesomd in artikel 2 van de maatwerkafspraken zijn uitgevoerd? Wat is er aanvullend nodig om de uitstoot naar nul te brengen?
Nobian gaat door het uitvoeren van de projecten uit deze maatwerkafspraak al naar vrijwel 0 CO2 uitstoot in 2030. Dat is 10 jaar sneller dan op basis van het ETS noodzakelijk zou zijn. Nadat alle projecten zijn uitgevoerd dient er nog een oplossing te worden gevonden voor een back-up boiler t.b.v. het chemiecluster in Delfzijl. De gesprekken met alle stakeholders in en rondom het cluster worden gevoerd over de (meest wenselijke) oplossing. Tot er een oplossing is gevonden, is daar voorlopig een uitstoot van 25 Kton CO2 voor ingeboekt na 2030.
Deze laatste minimale restemissie zal buiten de maatwerkafspraak om gereduceerd worden. Er is dus geen noodzaak tot aanvullende afspraken voor het verminderen van uitstoot na 2030. Wel worden de huidige afspraken ook na 2030 gemonitord, waardoor het maatwerktraject niet is afgelopen in 2030.
Bent u van plan om ook afspraken te maken met Nobian over het verminderen van uitstoot na 2030 en het toewerken naar klimaatneutraliteit? Waarom wel of niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhouden de maatwerkafspraken met Nobian zich tot de aankomende wetgeving internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) uit Europa, de bijkomende klimaatzorgplicht en klimaatplannen die bedrijven in het kader van deze wetgeving moeten opstellen?
Op dit moment wordt er gewerkt aan de Nederlandse implementatie van de CSDDD (Europese IMVO-wet). Deze wet moet in de zomer van 2026 van kracht gaan worden. De Europese Commissie komt echter nog met voorstellen om de regeldruk voor duurzaamheidsregelgeving, waaronder de CSDDD en CSRD (Europese IMVO rapportagewet) te verminderen. Hierdoor kan nog niet exact worden getoetst hoe de maatwerkafspraak zich verhoudt tot de eisen zoals die straks zullen gelden.
Een belangrijk onderdeel van de CSDDD is het opstellen van een klimaattransitieplan. Nobian heeft nu al wel een gedegen klimaattransitieplan opgesteld en werkt aan de uitvoering hiervan. De plannen zijn bijvoorbeeld getoetst en positief beoordeeld door het SBTI. Daarnaast heeft Nobian ook drie jaar op rij een platina score gekregen van Ecovadis voor haar duurzaamheidsprestaties. Platina betekent dat het bedrijf bij de top 1% gerankte bedrijven wereldwijd hoort.
Zou Nobian zonder aanvullende afspraken de verminderde stikstofuitstoot kunnen verkopen aan derden? Wordt een eventuele verkoop nu definitief voorkomen? Wie bepaalt in de toekomst waar deze stikstofuimte voor kan worden ingezet, en als dit niet het bevoegd gezag is, waarom niet?
In de maatwerkafspraak met Nobian is vastgelegd dat de verminderde stikstofuitstoot niet verkocht kan worden aan derden en dat het bedrijf instemt de stikstofuitstoot te reserveren voor de Staat. In de maatwerkafspraak is opgenomen dat de Staat de verminderde stikstofuitstoot, naast natuurherstel, ook onder voorwaarden deels kan benutten voor andere maatwerkprojecten. De bevoegde gezagen gaan uiteindelijk over de natuurvergunningen en zijn betrokken bij deze afspraak.
Wat wordt verstaan onder «redelijke inspanningen», zoals genoemd in de maatwerkafspraken? Als Nobian elders met meer winst dezelfde producten kan maken, mag Nobian dan de productie in Nederland afbouwen en de banen laten verdwijnen ook al is de bedrijvigheid nog steeds winstgevend?
«Redelijke inspanningen» betreffen een verplichting om je als partij in te spannen voor iets en te kunnen aantonen dat je er, binnen het redelijke, alles aan hebt gedaan om het te bewerkstelligen. Dit is dus zeker niet vrijblijvend, maar anders dan een resultaatverplichting waar een bepaald resultaat kan worden afgedwongen.
Verder is een subsidievoorwaarde dat de subsidie niet mag worden gebruikt voor verplaatsing van productie. Indien Nobian zich niet houdt aan de subsidievoorwaarden mag de staat de subsidie terugvorderen of aanpassen.
Wat is de kans dat de middelen (inclusief de subsidie) straks zijn uitgegeven en de nieuwe installaties stilstaan? Hoeveel zekerheid heeft u hierover? Waarom kan niet hard worden afgesproken dat Nobian deze maatwerkafspraken gewoon uitvoert, aangezien er een Force Majeure bepaling is die indien nodig in het leven geroepen kan worden?
De kans hierop laat zich lastig kwantificeren. Wel speelt er een aantal zaken dat deze kans verkleint en zijn er aanvullend afspraken gemaakt om de kans hierop zo klein mogelijk te maken.
Allereerst is er een uitvoeringsovereenkomst ondertekend door Nobian. Deze overeenkomst verplicht het bedrijf, behoudens gevallen van overmacht, om tenminste 0,1 Mton additionele CO2 reductie te realiseren (zie artikel 1 van de uitvoeringsovereenkomst).
Daarnaast is dit de grootste investering die het bedrijf ooit heeft gedaan. Na het vervangen van de gasgestookte installaties door efficiëntere elektrisch aangedreven installaties, is het economisch voordeliger om elektrisch te produceren en zodoende de CAPEX investering terug te verdienen. De kosten van de installaties worden jaarlijks gemonitord. Als deze kosten lager uitvallen dan nu is voorzien, wordt dit als positief resultaat meegenomen in het clawback mechanisme.
Verder is Nobian letterlijk gebonden aan de zoutwinningslocaties in de buurt van de productiesites. De transportkosten van zout maken namelijk een relatief groot deel uit van de kosten, waardoor het dichtbij verwerken economisch gezien van groot belang is. Voor chloor geldt zelfs dat dit alleen per pijpleiding kan worden getransporteerd, waardoor verplaatsing van productie erg onwaarschijnlijk is. Hierbij gelden ook aanvullende subsidievoorwaarden dat in geval de subsidie wordt gebruikt om productievolumes aan te passen, de subsidie kan worden ingetrokken of aangepast.
Tot slot geldt hier dat Nobian deze afspraken «gewoon» uitvoert, tenzij zich specifieke omstandigheden voordoen. Omdat de FID’s in de toekomst liggen en verschillen per project en er nog enkele randvoorwaarden noodzakelijk zijn, is het noodzakelijk om deze afhankelijkheden te beschrijven (bijvoorbeeld vergunningverlening) en force majeure clausules op te nemen.
Wat gebeurt er in het geval van een Force Majeure met de reeds overgemaakte subsidie?
Op dit moment is nog geen subsidie voorschot overgemaakt. De eerste tranche aan bevoorschotting wordt pas overgemaakt na FID per project. Na FID geldt dat een aantal van de force majeure bepalingen niet meer van toepassing is (de vergunningen zijn dan bijvoorbeeld al afgegeven). Het definitieve subsidiebedrag wordt pas na uitvoering van de projecten definitief vastgesteld. Eventueel teveel uitgekeerd voorschot wordt verrekend bij de eindafrekening.
Voor de force majeure bepalingen die nog wel van toepassing zijn na FID geldt dat er per geval zal moeten worden bezien of er inderdaad sprake is van een force majeure of dat de situatie toch aan het bedrijf zelf valt te wijten. Die uitkomst heeft met name effect op de boetebepaling. Indien er sprake is van een force majeure wordt er geen boete geïnd. Afhankelijk van de stand van zaken en de grond voor overmacht kan een al ontvangen (deel van de) subsidie of een subsidievoorschot worden teruggevorderd of verrekend bij de eindafrekening.
Klopt het dat de huidige subsidie een Capital Expenditures-subisidie (CAPEX) is? Klopt het dat als de nieuwe installaties eenmaal in gebruik is genomen er geen financiële prikkel meer is voor Nobian, bijvoorbeeld in de vorm van een Operational Expenditures-subsidie (OPEX), om de installatie in bedrijf te houden als er een alternatief is dat goedkoper is?
Het klopt dat er in dit geval sprake is van een CAPEX subsidie.
Het klopt niet dat er geen prikkel is om de installatie in bedrijf te houden. Zo is één van de subsidie voorwaarden dat wanneer de CO2 reductie lager uitvalt dan afgesproken, er naar rato wordt gekort op de subsidie. Dus als Nobian wel bouwt, maar niet draait en daarbij geen of minder CO2 reductie realiseert, wordt de subsidie (naar rato) teruggevorderd. Ook wordt de subsidie op 0 euro vastgesteld als de additionele reductie van 0,1 Mton niet wordt bereikt. Daarbij heeft Nobian dan zelf al forse investeringen gedaan in de apparatuur. Er is tevens voor gekozen om, in aanvulling op de Brusselse eisen, ook in dit geval van een CAPEX subsidie jaarlijks de netto contante waarde van het project te monitoren en terug te vorderen als het project uiteindelijk positiever uitvalt dan voorspeld. Verder verwijs ik naar antwoord 7.
Klopt het dat de totale financieringsbehoefte van de projecten beschreven in de maatwerkafspraken € 826.681.815 is? Met welk financieel rendement (WACC) wordt er gerekend, ofwel als het project loopt zoals nu gedacht, wat is dan de winst die Nobian maakt?
De totale investering wordt ingeschat op € 642.216.461. Het Rijk keert op basis hiervan maximaal € 184.465.354 (ca. 28,7% van de CAPEX) aan subsidie uit. Dit maximale subsidiebedrag zegt echter niet alles over de benodigde steunvraag van het bedrijf per project.
Er is berekend wat de netto contante waarde is van het project om de onrendabele top te kunnen bepalen. Dit is gedaan door alle (vermeden) kosten en opbrengsten van het project te vergelijken met het scenario «niets doen». Dit verschil is vervolgens contant gemaakt. Om (vermeden) toekomstige kosten in te kunnen schatten zijn o.a. prijssets gebruikt die op verzoek van het Rijk door een onafhankelijk bureau (AFRY) zijn opgesteld.
De exacte WACC die is gehanteerd is bedrijfsvertrouwelijk en kan daarom niet openbaar worden gemaakt. Er is een model van de Europese Commissie gebruikt om de WACC te kunnen berekenen. De specifieke parameters van Nobian zijn getoetst door (ingehuurde) financiële experts. Ook de adviescommissie maatwerk verduurzaming industrie (AMVI) heeft het bedrijfsvertrouwelijke financiële model ingezien en meegenomen in haar advies.
Tot slot kan ik wel melden dat de onrendabele top van de projecten hoger ligt dan het maximale subsidiebedrag, dat voortkomt uit de maximale CAPEX steunpercentages per steunkader. Dat betekent dus dat indien de projecten qua (vermeden) kosten en opbrengsten per saldo uitvallen zoals nu ingeschat, Nobian een lager rendement op de projecten behaalt dan hun WACC.
Waarom gaat er van de meer gemaakte winst slechts 60% terug naar de Staat, terwijl de Staat op dat moment ruim € 184 miljoen heeft gesubsidieerd en daar, uiteraard, geen rendement op heeft gemaakt? Waarom heeft u niet afgesproken dat van meer gemaakte winst 90% terug naar de Staat gaat?
Allereerst is het van belang dat er voldoende financiële prikkel blijft bestaan om gedurende de gehele looptijd van het project, het project zo kostenefficiënt mogelijk uit te voeren. Als een toekomstig voordeel (vrijwel) volledig terugvloeit, loont het niet meer voor het bedrijf om hier tijd en/of middelen in te steken nadat de subsidie is ontvangen.
Voor de exacte verdeling qua percentage is gekozen om aan te sluiten bij Europese richtlijnen voor bijvoorbeeld IPCEI projecten. Daar wordt ook 60% gehanteerd. Daarbij is inderdaad besloten om dit mechanisme eenzijdig op te stellen zodat er vooraf een maximaal subsidiebedrag kan worden ingeboekt (geen open einde regeling). Dit betekent dat «meevallers» na in bedrijfname (IBN) van de installaties worden verdeeld en «tegenvallers» volledig voor rekening van het bedrijf zijn. Daarmee wordt het risico voor het bedrijf groter en voor de Staat kleiner, wat een extra reden is om in dit geval niet nog strenger te zijn dan de Europese richtlijnen van een 60/40% verdeling.
Dit mechanisme met de 60/40% verdeling geldt overigens alleen voor de OPEX na IBN van de installaties. De investeringskosten voorafgaand aan de IBN dienen te worden onderbouwd met facturen om de CAPEX subsidie en tussentijdse voorschotten te kunnen vaststellen. Hierbij wordt wel 100% verrekend ten opzichte van de voorspelling, waardoor eventuele pessimistische aannames vooraf geen nut hebben.
Waarom is er niet ook afgesproken dat als de aannames tegenvallen, er meer subsidie naar Nobian kan gaan? Werkt dit niet in de hand dat Nobian pessimistische aannames doet waardoor het subsidiebedrag hoger uitvalt?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe wordt voorkomen dat de Staat nu betaalt voor de CO2-reductie die bereikt wordt met de nationale CO2-heffing?
Van de 524 Kton aan CO2-reductie kan 387 Kton in 2030 worden aangemerkt als additioneel t.o.v. de CO2-heffing. Dat wil zeggen dat als Nobian slechts haar afbouwpad van vrije dispensatierechten zou volgen t/m 2030, het bedrijf 387 Kton minder zou reduceren dan nu met behulp van de maatwerkafspraken. Hierbij geldt dat de nationale CO2-heffing geen wettelijk vereiste is, maar een prijs voor CO2-uitstoot. Deze heffing dwingt reductie niet af, maar maakt CO2-uitstoot duurder.
In de afspraken is vastgelegd dat de vrije dispensatierechten die Nobian vanwege deze afspraken nu overhoudt, niet mogen worden verhandeld om een eventueel «waterbedeffect» van de subsidie te voorkomen. Hiermee worden deze rechten uit de markt gehaald en hebben deze rechten die overblijven een waarde van 0 in de investering business case. Het deel aan niet vrije dispensatierechten waar Nobian in het scenario «niets doen» voor had moeten betalen en dat nu niet meer hoeft te doen, is in de business case meegenomen als vermeden kosten en dus de facto in mindering gebracht op het subsidiebedrag.
Wat zijn de mijlpalen die behaald moeten worden voordat de Staat de subsidie overmaakt?
Een belangrijke voorwaarde voor het maken van deze bindende maatwerkafspraak was dat er voorafgaand een subsidiebeschikking werd afgegeven door de Staat. Deze beschikking is de financiële zekerheid voor het bedrijf, waarbij het Rijk de verplichting aangaat tot het betalen van een subsidie wanneer het bedrijf voldoet aan de daartoe gestelde voorwaarden.
De uitbetaling vindt middels een kasritme plaats, hiervoor dient het bedrijf ieder jaar aan te tonen dat de beschreven projectbegroting voor het betreffende jaar is uitgevoerd en/of de werkzaamheden op schema liggen. Zo dient het bedrijf bijvoorbeeld FID te hebben genomen voor de eerste bevoorschotting en moet het aantonen dat de bouw volgens planning verloopt voor een volgend voorschot. Onderbouwing van projectbegroting geschiedt door aan te tonen dat de ingeschatte kosten, daadwerkelijk zijn gemaakt.
Verder dient het bedrijf offertes te overleggen voordat de volgende tranche aan subsidie kan worden voldaan. De bevoorschotting vindt plaats volgens het schema per subsidiebeschikking. Dit sluit aan bij de werkwijze van subsidiebeschikkingen van de meeste generieke instrumenten.
Na afronding van het project wordt de subsidie definitief vastgesteld. De exacte projectbegroting met bijbehorende kosten is onderdeel van de business case en om bedrijfsvertrouwelijke redenen kunnen deze niet openbaar worden gemaakt.
Wat gebeurt er als andere actoren niet leveren, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij het verzwaren van het elektriciteitsnet? Kan Nobian dan de Staat aanklagen? Is dergelijke infrastructuur of vergunning ook onderdeel van de mijlpalen? Krijgt Nobian nu voorrang op andere bedrijven? Zo nee, waarom niet?
De afspraken die raken aan benodigde vergunningen en infrastructuur zijn veelal inspanningsverplichtingen. Op deze verplichtingen kan geen resultaat, maar wel een inspanning worden afgedwongen bij de overige partijen die de overeenkomst hebben getekend (zie antwoord 6). Deze afspraken en inspanningen maken ook onderdeel uit van de mijlpalen en monitoring.
Bij deze afspraken is ervoor gekozen om de oplossingen vooral te zoeken in afspraken over de governance en coördinatie. Zo zijn bijvoorbeeld TenneT, maar ook de provincies als bevoegd gezag, Rijkswaterstaat en de omgevingsdiensten gedurende het gehele traject intensief betrokken bij de uitwerking. Nobian krijgt hiermee geen voorrang op andere bedrijven, maar wel kan de planning per (deel)project aan de voorkant zo optimaal mogelijk worden afgestemd op doorlooptijden en planningen van andere partijen.
De benodigde verzwaring van onderstation Oele is hier een goed voorbeeld van. Nobian krijgt geen voorrang op andere bedrijven, maar is wel betrokken bij de engineering. Hierdoor wordt de verzwaring, die TenneT al op de planning had staan, zo goed mogelijk afgestemd op de planning van Nobian. Dit helpt niet alleen de projecten van Nobian, maar ook de van Nobian afhankelijke partners in het Twentse industriecluster.
Waarom zijn er geen afspraken gemaakt met Nobian over het betalen van (winst)belasting? Waarom zijn er geen afspraken gemaakt met Nobian over het niet voeren van rechtszaken als de overheid bijvoorbeeld milieuwetgeving handhaaft?
Deze maatwerkafspraak betreft additionele CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving door het bedrijf enerzijds en de daarvoor benodigde ondersteuning van de overheden anderzijds. Het uitgangspunt hierbij is wederkerigheid en additionele CO2-reductie en eventueel bovenwettelijke reductie-effecten op de leefomgeving.
Op projectniveau geldt dat alle (financiële) parameters per project om additionele reductie te realiseren, zijn meegenomen in het financiële model. Dit wordt gemonitord en eventueel op afgerekend.
Op bedrijfsniveau geldt dat voor o.a. het betalen van (winst)belasting en het niet voeren van rechtszaken als de overheid bijvoorbeeld milieuwetgeving handhaaft dezelfde regels gelden als voor alle bedrijven. Verder herhaal ik mijn antwoord op vraag 1 dat er een balans moet worden gezocht tussen aanvullende eisen bovenop de additionele CO2 reductie en de haalbaarheid van een deal.
Vindt u de boeteclausule van 0,167% niet een wat lage boete aangezien het met deze regeling 50 jaar duurt voordat Nobian, bij niet nakoming van afspraken, 50 jaar lang de boete kan betalen met de ontvangen subsidie?
De boete is alleen van toepassing wanneer het project wel wordt uitgevoerd, maar dit met een vertraging gebeurt die aan Nobian is te wijten (geen overmacht). Het project moet echter ook dan nog wel steeds aan de subsidievoorwaarden voldoen. Als de additionele CO2 reductie bijvoorbeeld lager uitvalt dan 0,1 Mton kan de subsidie op 0 euro worden vastgesteld.
Daar komt bij dat de subsidie in tranches wordt bevoorschot. De subsidie betreft ook slechts een deel van de totale investeringskosten. Het geschetste scenario kan zich daarmee niet voordoen. De subsidie wordt namelijk alleen geheel uitbetaald als het project geheel is gerealiseerd.
Waarom zijn er geen afspraken gemaakt met het bedrijf over hoe er in dat laatste geval wordt omgegaan met de werknemers, bijvoorbeeld als de maatwerkafspraken zouden leiden tot minder bedrijvigheid?
Deze maatwerkafspraak vergroot juist de kans dat er ook in de toekomst bedrijvigheid en daarmee werkgelegenheid blijft omdat het bedrijf toekomstbestendiger wordt gemaakt. Dit geldt zowel bij Nobian als bij de industrieclusters die eraan verbonden zijn (Delfzijl, Hengelo en Rotterdam).
Voor het verstrekken van de subsidie is op basis van de voorwaarden van het door de EC goedgekeurde raamwerk, onderzocht of bestuurders bonussen ontvangen die afhankelijk zijn van deze subsidie. Dat is hier niet het geval.
Verder verwijs ik graag naar het antwoord op vraag 16 voor de afweging m.b.t. aanvullende eisen bovenop de gemaakte afspraken.
Waarom heeft u geen afspraken gemaakt over de maximale beloning aan de top van het bedrijf, aangezien Nobian nu bijna € 200 miljoen belastinggeld krijgt?
Zie antwoord vraag 18.
Wat betekent artikel 11.3 van de maatwerkafspraken? Betekent dit artikel dat het Rijk het subsidiebedrag nog kan wijzigen?
Artikel 11.3 bevat een opzegrecht voor beide partijen voor het geval dat de subsidiebeschikking voor het project eindigt. Als de subsidiebeschikking voor een project wordt ingetrokken of aangepast (bijvoorbeeld omdat Nobian niet voldoet aan de subsidievoorwaarden), is het niet langer wenselijk de afspraken uit de maatwerkafspraak die betrekking hebben op het betreffende project (bijvoorbeeld de inspanningsverplichtingen m.b.t. vergunningen) te laten voortbestaan.
Bent u bekend met het artikel dat de eigenaren van Nobian het bedrijf willen verkopen?2 Wat vindt u hiervan van? Is het bedrijf daarmee wel een betrouwbare partner om afspraken mee te maken, zeker omdat er in de maatwerkafspraken ook multi-interpretabele woorden staan als «redelijke inspanningen»?
Ja ik ben bekend met dit artikel. Nobian is vanaf het begin van het traject open en transparant geweest over de situatie, waardoor het bedrijf zeker als een betrouwbare partner wordt gezien om afspraken mee te maken.
Nobian is sinds 2021 als spin-out van Nouryon, als eigenstandig bedrijf doorgegaan in handen van twee Private Equity partijen (dezelfde eigenaren als Nouryon). Bij Private Equity is het niet ongebruikelijk om het bedrijf na enkele jaren weer te verkopen. Vanaf de start van de maatwerkgesprekken is bekend dat de kans daarom reëel is dat het bedrijf in andere handen komt voordat de projecten zijn afgerond. Om die reden zijn de afspraken zo uitgewerkt dat een eventuele verkoop geen invloed heeft op de verplichtingen. Dit betekent concreet dat ook als Nobian een nieuwe eigenaar krijgt, de verplichtingen uit de beschikkingen en maatwerkovereenkomst in stand blijven.
In aanvulling hierop is wel afgesproken dat Nobian verplicht is om de eventuele verkoop te melden. Als deze verandering in zeggenschap de nationale veiligheid in gevaar kan brengen of als door deze verandering in zeggenschap het MVR project niet, niet tijdig of niet volledig gerealiseerd dreigt te worden kan de beschikking ingetrokken of gewijzigd worden.
Verwacht u dat een subsidie van circa 30 euro per vermeden ton CO2 representatief is voor alle maatwerkafspraken? Gaat u deze prijs als uitgangspunt nemen voor de andere maatwerkafspraken? Waarom wel of niet?
Nee dat verwacht ik niet. De euro per vermeden ton CO2 zal echt van geval tot geval moeten worden bezien. De techniek en bijbehorende kosten om te (kunnen) verduurzamen verschilt per bedrijf en project.
Wel zal er uiteraard per bedrijf en techniek goed worden bekeken of de euro per vermeden ton CO2 (relatief) kostenefficiënt is. Hier toetst de adviescommissie maatwerk ook op bij de JLoI. In het geval van Nobian is bijvoorbeeld ook gekeken naar de SDE industriële warmtepomp categorie, waar de gemiddelde euro per vermeden ton CO2 de afgelopen jaren tot wel een factor 5 hoger lag.
Kunt u deze vragen ruim voor het commissiedebat Verduurzaming Industrie (gepland op 3 maart) beantwoorden?
Ja.
De implementatie van REDIII ten aanzien van het onderdeel ‘biomassaverbranding voor energie’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief «Gemiste kansen in huidige zuivere implementatie EU richtlijn hernieuwbare energie (REDIII)» (Kamerstuk 2024D40273), aangeboden door Comité Schone Lucht op 21 oktober 2024?
Ja.
Deelt u de mening van de auteurs dat de Europese richtlijn REDIII op het onderdeel «biomassaverbranding voor energie» te generiek is en niet leidt tot de gewenste aanscherping van duurzaamheidscriteria noch tot afbouw van biomassaverbranding?
Nee, die mening deelt het kabinet niet. In de Kamerbrief Voortgang duurzaamheidskader biogrondstoffen van 20 december jongstleden1 heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat de duurzaamheidseisen in de REDIII op het onderdeel biogrondstoffen voor energie sinds de publicatie van de RED in 2018 meermaals zijn aangescherpt, onder andere op het gebied van duurzaamheidsborging en toezicht, biodiversiteit, waterkwaliteit en bescherming van oerbossen.2 Voor een goede balans tussen duurzaamheid en uitvoerbaarheid kiest het kabinet ervoor om het Nederlandse stelsel van duurzaamheidseisen aan te laten sluiten bij de REDIII.3
Wat is de reden voor de keuze van een zuivere implementatie en wat is de oorsprong van deze term?
Het kabinet kiest ervoor om de REDIII zuiver te implementeren conform de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar. 9.4). De Kamer is hierover geïnformeerd in het wetgevingsprogramma Klimaat voorjaar 2023.4 Dit betekent dat bij de implementatie geen andere regels worden opgenomen dan voor de implementatie strikt noodzakelijk. Voor eventuele aanvullende nationale maatregelen wordt een separaat wetgevingsproces gevolgd. Doel van dit uitgangspunt in de Aanwijzingen voor de regelgeving – dat overigens in principe geldt voor de implementatie van alle Europese regelgeving – is om de implementatieprocedure zo snel mogelijk te doorlopen met het oog op de korte implementatietermijnen van de Europese Unie. Zorgvuldige zuivere implementatie kost tijd omdat het onder andere interdepartementale afstemming en overleg met stakeholders en uitvoeringsorganisaties vergt.
Waarom is er niet gekozen voor een ambitieuzere aanpak waarbij Nederland de ruimte benut die REDIII expliciet biedt aan lidstaten om regelgeving aan te passen en aan te scherpen?
Zie het antwoord op vraag 2. Voor een toelichting op deze keuze verwijst het kabinet naar de Kamerbrief Voortgang duurzaamheidskader biogrondstoffen van 20 december jongstleden5, waarin het kabinet aangeeft:
«Door uniforme eisen binnen Europa wordt het mogelijk om in samenwerking met alle EU-lidstaten publiek toezicht op certificering te regelen. Hierdoor kan beter toezicht worden gehouden dan wanneer Nederland het toezicht zelfstandig vormgeeft, wat de robuustheid van het systeem vergroot. Daarnaast zorgen uniforme eisen voor een gelijk speelveld en betere uitvoerbaarheid in de biogrondstoffen praktijk, en kunnen hoogwaardige toepassingen in Nederland gebruik maken van een brede beschikbaarheid van internationaal gecertificeerde biogrondstoffen.»
Welke concrete plannen heeft u voor een snelle afbouw van verbranding van houtige biomassa en bioEnergy with Carbon Capture Storage (BECCS)? Kunt u een specifiek tijdspad met maanden en jaartallen verstrekken?
Negatieve emissies, waar BECCS een rol bij kan spelen, zijn een belangrijk onderdeel van het halen van de klimaatdoelen, zeker voor klimaatneutraliteit. In het kader van de bredere besluitvorming over klimaatmaatregelen kijkt het kabinet ook naar negatieve emissies. De Kamer wordt hierover vóór de zomer geïnformeerd. Met betrekking tot het afbouwpad voor laagwaardige toepassingen van biogrondstoffen verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 14.
Op welke wijze en wanneer zult u de Kamer informeren over de voortgang van de implementatie van REDIII betreffende «biomassaverbranding voor energie»?
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u specificeren hoe en waar elk van de vier (sub)bepalingen die in de brief en in bijlage 3 over «houtige biomassa voor energie» worden genoemd, in Nederlandse wetgeving worden opgenomen? Wanneer en hoe zult u de Kamer hierover informeren
Dat biogrondstoffen voldoen aan de (sub)bepalingen die verwijzen naar artikelen 29 en 30 wordt aangetoond met behulp van door de Europese Commissie erkende certificatieschema’s. De Europese Commissie toetst of deze certificatieschema’s aan de strenge duurzaamheidseisen van de RED voldoen. Deze certificatieschema’s tonen dus aan dat de biomassa duurzaam geproduceerd is en het gebruik van deze biomassa voor de productie van energie dus als hernieuwbaar mag worden gerekend. Deze bepalingen (artikelen 29 en 30) zijn reeds geïmplementeerd in de regelgeving van de SDE++.
Voor het principe van cascadering uit artikel 3 van de richtlijn schrijft de REDIII een volgorde voor. Omdat de richtlijn bindend recht is en daardoor automatisch ook in Nederland geldt, zal dit cascaderingsprincipe ook als uitgangspunt worden gehanteerd bij subsidieregelingen, zoals de SDE++. Over de openstelling van de SDE++ in 2025 informeert het kabinet de Kamer dit kwartaal.
Wat is uw definitie van het cascaderingsprincipe in relatie tot biomassa?
Het duurzaamheidskader biogrondstoffen6 van het kabinet geeft invulling aan een advies van de SER uit 20207, waarin de SER het volgende stelt: «Cascadering biedt een strategie om biogrondstoffen zo hoogwaardig, optimaal en efficiënt mogelijk in te zetten.» Bij de implementatie van de REDIII hanteert het kabinet de definitie van cascadering zoals uitgewerkt in artikel 3 van de REDIII.
Deelt u de mening dat het cascaderingsprincipe een leidend principe is in REDIII, conform het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) uit 2020? Zo ja, hoe gaat u de toepassingsmogelijkheden binnen Nederland beter specificeren en waarborgen? Zo nee, waarom niet?
In Nederland wordt invulling gegeven aan het advies van de SER uit 2020 door middel van het duurzaamheidskader biogrondstoffen. Uitgangspunt van het duurzaamheidskader is dat biogrondstoffen duurzaam zijn geproduceerd en dat biogrondstoffen zo hoogwaardig mogelijk worden ingezet. De afgelopen jaren zijn al diverse stappen gezet in het afbouwen van subsidies voor laagwaardige toepassingen. In de Kamerbrief van 20 december 20248 is uiteengezet hoe het kabinet het verder afbouwen van het subsidiëren van laagwaardige toepassingen wil vormgeven. In diezelfde Kamerbrief is ook uiteengezet hoe de beleidsinzet rondom de opbouw van hoogwaardige toepassingen wordt voortgezet, zoals de toepassing van biogrondstoffen binnen de bouw binnen de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB).
Bent u van mening dat de toepassing van het cascaderingsprincipe inhoudt dat resthout primair voor de productie van houtvezel- en spaanplaat moet worden gebruikt en niet mag worden verbrand? Zo ja, hoe gaat u dit concretiseren in wet- en regelgeving en wanneer?
Het kabinet werkt op dit moment de implementatie van het cascaderingsprincipe in de REDIII uit. De Kamer wordt hier op een later moment nader over geïnformeerd. In het algemeen deelt het kabinet de mening dat biogrondstoffen zo hoogwaardig mogelijk moeten worden ingezet.
Is aanpassing van de Nederlandse wetgeving nodig voor de implementatie van het cascaderingsprincipe? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werkt op dit moment de implementatie van de REDIII, waaronder het cascaderingsprincipe, uit. Het is nog niet duidelijk of aanpassing van Nederlandse wetgeving nodig is. De Kamer wordt hier op een later moment nader over geïnformeerd.
Zijn er publieke consultaties voor de implementatie van «biomassaverbranding voor energie» van de REDIII nodig? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Internetconsultatie is optioneel bij de implementatie van EU-regelgeving.9 Omdat het gaat om zuivere implementatie wordt de implementatie van de REDIII naar verwachting niet geconsulteerd, maar dit is mede afhankelijk van de vraag of er aanpassing van Nederlandse wetgeving nodig is, zie vraag 11. Wijzigingen aan subsidieregelingen zoals de SDE++ worden doorgaans niet geconsulteerd. Wel wordt het advies van het Planbureau voor de Leefomgeving dat aan de SDE++ ten grondslag ligt elk voorjaar publiek geconsulteerd aan de hand van een conceptadvies.
Hoe gaat u de onduidelijkheid over de correcte implementatie van het cascaderingsprincipe, zoals vermeld in bijlage 2 van de brief, aanpakken en binnen welke termijn?
Het is gebruikelijk dat er bij de implementatie van een richtlijn sprake is van openstaande vraagstukken en overleg tussen lidstaten over de implementatie hiervan. Het kabinet zal hiervoor gebruikmaken van reguliere contacten en overlegstructuren om, waar nodig, onduidelijkheden weg te nemen.
Deelt u de mening dat Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-subsidies (SDE) strikt ingezet dienen te worden voor hoogwaardig gebruik van schaarse biomassa om een circulaire economie te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de mening dat schaarse biogrondstoffen zo hoogwaardig mogelijk moeten worden ingezet en dat dit bijdraagt aan de transitie naar een circulaire economie. De SDE++ heeft echter als centraal doel om CO2 te reduceren. Projecten worden hierbij gerangschikt op kosteneffectiviteit. Bij de randvoorwaarden die gesteld worden aan nieuwe biomassaprojecten wordt rekening gehouden met Europese regelgeving, het duurzaamheidskader biogrondstoffen en het afbouwpad voor laagwaardige toepassingen van biogrondstoffen10. Met het oog op het duurzaamheidskader en de hoogwaardige rol die biogrondstoffen op specifieke onderdelen van de grondstoffen- en energietransitie kunnen spelen, draagt het kabinet met het afbouwpad voor laagwaardige toepassingen bij aan het stimuleren van meer hoogwaardige inzet. Zo worden er sinds het najaar van 2017 geen nieuwe subsidies afgegeven voor bij- en meestook van biogrondstoffen in kolencentrales. Per 2022 worden er ook geen nieuwe subsidies meer afgegeven voor de opwek van lage temperatuurwarmte (<100°C) met houtige biogrondstoffen. Tevens is de toepassing van warmte in de glastuinbouw en stadsverwarming door verbranding van houtige biogrondstoffen vanaf 2023 uitgesloten in de SDE++. Bij het gecombineerd opwekken van warmte en elektriciteit door verbranding en vergassing van biogrondstoffen is de productie van elektriciteit per 2024 uitgesloten van subsidie.
Bent u bekend met artikel 2 (1a) van REDIII, waarin de definitie van houtsoorten «geschikt voor industrieel gebruik» wordt gegeven?
Ja.
Op welke wijze zorgt u ervoor dat resthout geschikt voor hoogwaardige toepassing binnen de definitie «geschikt voor industrieel gebruik» valt en niet laagwaardig wordt verbrand?
Het kabinet werkt op dit moment de implementatie van het cascaderingsprincipe in de REDIII uit. De Kamer wordt hier op een later moment nader over geïnformeerd.
Zijn de bestaande en langlopende SDE-subsidies voor verbranding van houtige biomassa volgens u in strijd met het cascaderingsprincipe en de ambities voor een versnelde circulaire economie? Zo ja, overweegt u deze subsidies anders vorm te geven? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft in 2022 een afbouwpad aangekondigd voor subsidies voor laagwaardige toepassingen van biogrondstoffen. Voor een overzicht van de laagwaardige toepassingen die reeds niet meer in aanmerking komen voor een nieuwe SDE++ subsidiebeschikking verwijst het kabinet u naar het antwoord op vraag 14. Hiervoor is gekozen om de transitie naar hoogwaardige toepassingen van biogrondstoffen te versnellen en bij te dragen aan de transitie naar een circulaire economie. Zoals in vraag 8 staat is cascadering onderdeel van het duurzaamheidskader biogrondstoffen.
Het kabinet overweegt niet om lopende subsidiebeschikkingen anders vorm te geven. Een subsidiebeschikking vanuit de SDE++ geeft projecteigenaren recht op een aantal jaar subsidie tijdens de exploitatie. Dit is voor biomassa meestal 12 jaar en voor bij- en meestook 8 jaar. Hiermee wordt de onrendabele top vergoed. Het achteraf aanpassen van reeds afgegeven subsidiebeschikkingen is niet aan de orde, omdat dit inbreuk maakt op het eigendomsrecht van beschikkinghouders en strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
In de REDIII is bepaald (artikel 29 lid 15) dat subsidies die voor de inwerkintreding van de REDIII in overeenstemming met de duurzaamheids- en broeikasgasreductiecriteria uit de REDII zijn verstrekt, niet hoeven te voldoen aan de criteria uit REDIII.
Bent u bekend met Artikel 29(7) van REDIII betreffende de effecten van biomassaverbranding op de koolstofopslag in de landsector (LULUCF)? Zo ja, welke klimaatmaatregelen acht u noodzakelijk om deze effecten te beheersen?
Ja. De duurzaamheidseisen onder artikel 29(7) worden geborgd met behulp van door de Europese Commissie erkende certificatieschema’s, zie het antwoord op vraag 7. Biomassa die is geproduceerd volgens deze certificatieschema’s voldoet dus aan de eisen betreffende landgebruik, wijzigingen in het landgebruik en bosbouw (LULUCF).
Bent u bekend met het onderzoek «Burning up the carbon sink» over de negatieve effecten van houtoogst voor biomassaverbranding op de koolstofopslag? Zo ja, welke klimaatmaatregelen acht u noodzakelijk om deze effecten te beheersen?
Ja. Wat het kabinet betreft kan alleen het gebruik van duurzame biogrondstoffen een klimaatneutraal of positief klimaateffect bewerkstelligen. Om de duurzaamheid van biogrondstoffen te borgen werkt het kabinet met het duurzaamheidskader biogrondstoffen. Er gelden zowel in Nederland als in de EU (REDIII) strenge duurzaamheidseisen voor het gebruik van (houtige) biogrondstoffen voor energie, waaronder regels ter voorkoming van afname van de koolstofopslagcapaciteit van Europese bossen.
Hoe stelt u de effecten van «biomassaverbranding voor energie» op de koolstofopslag in de Nederlandse en buitenlandse «land use sector» vast? Wanneer was de laatste evaluatie, door wie is deze uitgevoerd en kunt u de resultaten delen?
Voor de Nederlandse landgebruik sector11 worden de veranderingen in koolstofvoorraad bijgehouden in de Nederlandse Bosinventarisatie (NBI)12. Deze inventarisatie wordt in een 5-jarige cyclus uitgevoerd, waarvan de laatste rapportage uit 2022 dateert. De NBI geeft de totale koolstofvoorraad in het bos op verschillende meetmomenten, waarop de toe- of afname in de koolstofvoorraad bepaald kan worden. Hierin zit de toename door groei van bomen, maar ook de afname door geoogste en afgestorven bomen. Uit deze berekeningen is de totale oogst niet af te leiden, maar de oogst is wel als effect meegenomen in het bepalen van de totale koolstofvoorraad en de veranderingen daarin. Uit deze berekeningen kunnen dus ook geen cijfers afgeleid worden over het aandeel oogst dat wordt gebruikt als energiehout. In het buitenland worden vergelijkbare methodieken gebruikt om de veranderingen in koolstofvoorraad te bepalen. Er zijn daarnaast wel jaarlijkse cijfers beschikbaar over de hoeveelheid hout die wordt geproduceerd, geïmporteerd en verbruikt als energiehout door Nederland13.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de auteurs van de brief en afgevaardigden van de internationale coalitie? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Op 23 januari jongstleden heeft een gesprek plaatsgevonden met de auteurs van de brief van het Comité Schone Lucht en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Het kabinet verwijst u tevens naar de schriftelijke reactie op de brief van het Comité Schone Lucht (bijgevoegd).
Het artikel 'Nederlandse gasvoorraden raken razendsnel leeg: Energiecrisis is allerminst voorbij' |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse gasvoorraden raken razendsnel leeg: Energiecrisis is allerminst voorbij»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat de snel dalende vulgraad van de gasopslagen en de aanhoudende geopolitieke onzekerheid rond energielevering opnieuw een risico vormen voor de energiezekerheid van Nederland en Europa?
In de brief over de stand van zaken op de gasmarkt en gasopslagen van 14 januari jl. geeft het kabinet aan te verwachten dat, ondanks de snel dalende vulgraad van de gasopslagen in Nederland en de geopolitieke onzekerheid, er voldoende gas is om deze winter door te komen.2 Dit wordt ondersteund door analyses van GTS. Op 9 januari jl. is GTS in een persbericht op haar website ingegaan op de actuele vulgraden en heeft GTS bevestigd dat de leveringszekerheid gewaarborgd blijft deze winter. GTS geeft aan dat «er momenteel geen sprake is van een verminderde leveringszekerheid». Wel plaatst GTS de kanttekening dat in een strenge winter een situatie met een krap aanbod kan ontstaan met een mogelijk effect op de prijzen op de groothandelsmarkt.3
Dit neemt niet weg dat het kabinet de situatie op de gasmarkt goed in de gaten houdt. Zo volgt het kabinet de vulgraad op de voet en kan het kabinet – net als eerdere jaren – via de vultaak van EBN bijspringen als gasopslagen onvoldoende gevuld worden door marktpartijen. Op basis van deze vultaak kan EBN er ook voor kiezen om gas dat EBN al heeft opgeslagen in de opslag te houden (doorrollen).
Ook in EU-verband worden de geopolitieke situatie en de gevolgen daarvan voor de gasleveringszekerheid goed in de gaten gehouden: volgens analyses van zowel het Europese netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (ENTSOG) als het Internationaal Energieagentschap (IEA) leidt het wegvallen van de transit van Russisch gas door Oekraïne gedurende deze winter niet tot gasleveringszekerheidsproblemen in de EU. Ook de Europese Commissie verwacht geen tekorten als gevolg hiervan.4
Gezien de huidige ontwikkelingen, stuurt het kabinet de Kamer in februari wederom een update over de stand van zaken op de gasmarkt en gasopslagen.
Welke maatregelen heeft het kabinet sinds de afgelopen winter genomen om te voorkomen dat de gasvoorraden opnieuw snel leeg raken, zoals in het artikel wordt geschetst?
Sinds de gascrisis van 2022 zijn de nodige maatregelen genomen om het gassysteem te versterken en daarmee te voorkomen dat gasopslagen leeg raken. Het is belangrijk om hierbij te benadrukken dat gasopslagen een cruciale rol spelen in het gassysteem, maar niet het enige middel zijn waarmee we voorzien in de gasleveringszekerheid. Het gaat onder andere ook om uitbreiding van de LNG-importcapaciteit, het versnellingsplan Noordzee, de introductie van de vultaak voor EBN en de maatregelen in het recent geactualiseerde Nederlandse Preventief Actieplan.
Wat betreft maatregelen voor gasopslag sinds afgelopen winter: EBN ook voor 2025 de vultaak gekregen om tot 20 TWh gas op te slaan en waar mogelijk in de opslag te houden, voor het geval marktpartijen dat onvoldoende doen. Daarnaast is en wordt doorgewerkt aan het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis. Hierin worden de inzichten verwerkt van het onderzoek dat is uitgevoerd om de consequenties en wenselijkheid van diverse vulmaatregelen in kaart te brengen.5 Dit wetsvoorstel gaat op korte termijn in internetconsultatie.
Hoe wordt de huidige situatie beoordeeld ten opzichte van de kabinetsdoelstellingen die in het voorjaar van 2023 zijn geformuleerd om de gasvoorraden vóór de winter van 2024 tijdig te vullen?
De gasopslagen in Nederland waren op 1 oktober 2024 voor bijna 93% gevuld. Dit was in lijn met de ambitie van het kabinet6 en het advies van GTS en ruim boven de vulverplichting voor Nederland van 74% die op 1 november gold op grond van de EU-verordening gasleveringszekerheid.7
Hoe verklaart u dat de vulgraad in Nederland sneller daalt dan het Europese gemiddelde, terwijl daar dezelfde omstandigheden en Europese regels gelden?
In de Kamerbrief van 14 januari jl. noemt het kabinet een aantal mogelijke verklaringen voor de dalende vulgraad. Zo wordt de lagere vulgraad deels veroorzaakt doordat er de afgelopen weken meer gas nodig was om elektriciteit op te wekken, vanwege periodes van zogenaamde «dunkelflaute» (weinig wind en zon) en doordat het najaar van 2024 kouder was dan voorgaande jaren.
Echter, er is de afgelopen tijd meer gas uit de opslagen geproduceerd dan enkel te verklaren is op basis van temperatuur en weersomstandigheden. Dit wil overigens niet zeggen dat er meer gas verbruikt is dan op basis van temperatuur en weer te verwachten viel: het laat zien dat, om te voorzien in de gasvraag, er meer gas uit opslagen in Nederland is gebruikt dan uit andere bronnen.
Hierbij spelen marktontwikkelingen een grote rol. Gasopslagen in de EU zijn onderdeel van de geliberaliseerde gasmarkt, waarop ook partijen uit derde landen kunnen handelen. Voor marktpartijen die afgelopen zomer gas hebben opgeslagen, is het op dit moment aantrekkelijker om dat in te zetten om te voldoen aan hun leveringsverplichtingen dan om aanvullend gas in te kopen op de groothandelsmarkt, want dan zijn zij duurder uit. Dit komt door de verwachte ontwikkeling van de gasprijs: de dagprijs of maandprijs (nu februari) van gas is ongeveer gelijk aan de zomerprijs (2025) en die is weer hoger dan de komende winterprijs (2025/26). Dus hoe verder in de toekomst hoe goedkoper het gas. In de regel is het omgekeerd: hoe verder in de toekomst, hoe hoger de prijzen. De huidige situatie van «omgekeerde prijsvorming» zorgt ervoor dat het verlieslatend is om gas in de opslagen te laten zitten of om extra op te slaan. Dit effect van de prijzen op de mate waarin marktpartijen gas in de opslagen houden, speelt ook mee bij het vullen van de gasopslagen komend vulseizoen.
Ook kan gas uit de opslagen worden onttrokken voor zowel nationaal als regionaal gebruik. Het in Nederland opgeslagen gas wordt dus ook gebruikt in de buurlanden en vice versa. We zien daarbij, ook in afgelopen jaren, dat de Nederlandse gasopslagen net iets intensiever worden gebruikt dan de opslagen in andere landen. Hier speelt mee dat Nederland relatief veel opslagcapaciteit heeft ten opzichte van het gebruik, ook in vergelijking met buurlanden.8 De meeste gasopslagen in Nederland hebben daarbij ook specifiek de functionaliteiten om te voorzien in de extra vraag naar gas in de winter. Dit terwijl bijvoorbeeld veel gasopslagen in Duitsland cavernes zijn die tussentijds kunnen worden bijgevuld en daarom met name gebruikt worden voor de balancering van het net.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is om de ambitie voor de vulgraad te verhogen in plaats van te verlagen zoals eerder is gecommuniceerd? Bent u bereid om het besluit om in 2025 de ambitie voor de vulgraad te verlagen naar 80% te herzien?
GTS heeft in haar overzicht gasleveringszekerheid van 30 september 2024 aangegeven dat er voorafgaand aan de winter 2025/26 110 TWh in de seizoensopslagen in Nederland moet zijn opgeslagen, wat neerkomt op een vulgraad van 80%. De ambitie van het kabinet sluit aan bij de analyse van GTS. Hierover heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd in de update gasleveringszekerheid van 30 september 2024.9 Het kabinet hecht eraan dat de vulambitie van het kabinet realistisch en haalbaar is. De ambitie houdt rekening met de dalende vraag naar gas in zowel Nederland als de buurlanden en met de gasinfrastructuur in Nederland, op een wijze die borgt dat in de gasvraag in de winter kan worden voorzien. Het kabinet komt dit kwartaal met een brief om deze vulambitie nader toe te lichten en zal daarbij ook de ervaringen van deze winter betrekken, zoals toegezegd aan het lid Bontenbal10.
Hoe beoordeelt u de kritiek dat energiebedrijven mogelijk onvoldoende worden gestimuleerd om de gasopslagen gedurende het hele jaar op een adequaat niveau te houden? Welke rol kan de overheid hierin spelen?
Energiebedrijven kunnen hun wettelijke of contractuele leveringsverplichtingen op verschillende manieren invullen: bijvoorbeeld door LNG-importcapaciteit te contracteren, door gas op te slaan of door (een deel van) hun portfolio op de spotmarkt en de futures markt in te kopen. Het kabinet ziet het dan ook als taak van marktpartijen om voldoende gas op te slaan: als onderdeel van hun portfoliostrategie kunnen zij dit het meest efficiënt en zij hebben hiervoor de benodigde kennis en kunde.
Mede naar aanleiding van de gascrisis in 2022 overweegt het kabinet structurele maatregelen met betrekking tot gasopslag. Om mogelijke vulmaatregelen goed te kunnen wegen, is een onderzoek uitgevoerd.11 Deze inzichten verwerkt het kabinet in het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis. Dit wetsvoorstel gaat op korte termijn in internetconsultatie.
In de tussentijd heeft het kabinet EBN de taak gegeven om in 2025 (net als in 2022, 2023 en 2024) tot 20 TWh aan gas op te slaan, voor het geval marktpartijen dat onvoldoende doen12.
Verwacht u dat de gasopslagen komende zomer voldoende kunnen worden bijgevuld? Hoe sorteert u voor op de nog altijd krappe markt en het beperkte aanbod?
De gasopslagen kunnen nog voldoende worden bijgevuld om de vulambitie van het kabinet te halen: de capaciteit van de gasinfrastructuur – zoals de LNG-importterminals en de pijpleidingverbindingen met buurlanden – is groot genoeg om voldoende gas in het vulseizoen te kunnen importeren om de gasopslagen gemiddeld tot minimaal 80% te vullen. Een uitdaging hierbij is de prijsontwikkeling. Deze volgt het kabinet nauwgezet, omdat de prijsontwikkeling ervoor kan zorgen dat de opslagen komende zomer slechts beperkt worden gevuld. Ter toelichting: momenteel zijn, in tegenstelling tot wat normaal gesproken het geval is, op de groothandelsmarkt de prijzen voor gas in het aankomende vulseizoen hoger dan de gasprijzen voor de daaropvolgende winter (2025/26). Dit wordt ook wel een negatieve «spread» genoemd. Dit maakt het voor marktpartijen vooralsnog verlieslatend om gas op te slaan of om gas in de opslag te houden: immers, partijen moeten het gas dan aankopen (of laten zitten) tegen een hogere prijs dan de prijs waartegen ze het gas in de volgende winter kunnen verkopen. Marktpartijen gaan er, op basis van de huidige prijssignalen, van uit dat er in de aankomende winter gas uit andere bronnen te koop is tegen een prijs die lager is dan de prijs waartegen gas in de komende zomer zou moeten worden gekocht om vervolgens op te slaan. Zo kunnen partijen nu al gas inkopen op de futures markt met levering in winter 2025/26. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u het ermee eens dat het waarborgen van een minimale vulgraad van de Nederlandse gasopslagen een cruciale voorwaarde is om economische stabiliteit te garanderen en prijsschommelingen te voorkomen?
Het kabinet is van mening dat het waarborgen van een minimale vulgraad bij aanvang van, en gedurende, de winter belangrijk is. Dit is de verantwoordelijkheid van marktpartijen, omdat zij moeten kunnen voorzien in hun leveringsverplichtingen. De meerjarige cijfers over de vulgraden in Nederlandse opslagen laten ook zien dat marktpartijen dit doen. Aanvullend heeft EBN sinds 2022 jaarlijkse een taak gekregen om 20TWh op te slaan als marktpartijen dat onvoldoende doen.
Bent u bereid om minimale vulgraden in te voeren zoals eerder bepleit in de Motie van het lid Erkens over in het wetsvoorstel gasleveringszekerheid opnemen dat de Minister voor Klimaat en Energie jaarlijks een te behalen vulgraad voor de gasopslagen vaststelt (Kamerstuk 29 023, nr. 504)?
Het kabinet is voornemens om in het voorstel voor de Wet bestrijding energieleveringscrisis op te nemen dat de Minister voor Klimaat en Groene Groei jaarlijks een vuldoelstelling – met andere woorden: een minimale vulgraad bij aanvang van de winter – voor de gasopslagen vaststelt. Dit wetsvoorstel gaat op korte termijn in internetconsultatie.
Hoe waarborgt u dat de hoge energiekosten, als gevolg van schaarste in de gasmarkt, niet opnieuw een disproportionele impact hebben op Nederlandse huishoudens en bedrijven?
Het kabinet heeft conform het regeerakkoord de energiebelasting op gas verlaagd. Dit scheelt in de energierekening van alle huishoudens dit jaar. De ACM zet de monitoring van de consumentenmarkt en de groothandelsmarkten het komende jaar voort en ziet er op toe dat bedrijven zich aan de regels houden zodat prijzen op de vrije energiemarkt op integere en transparante wijze tot stand komen.13
Voor de meeste huishoudens geldt dat prijsontwikkelingen pas na langere termijn gevolgen hebben voor de energierekening. Wanneer een effect optreedt, is immers afhankelijk van het type contract dat een huishouden heeft: meer dan de helft van de huishoudens heeft een vast contract met een vaste prijs voor een jaar of langer. Deze groep merkt pas iets van een hogere of lagere gasprijs op de groothandelsmarkt als zij een nieuw contract afsluit.14 Er is op dit moment nog niet sprake van een structurele prijsstijging vergeleken met eerdere jaren of een disproportionele impact. Hoewel de tarieven voor nieuwe contracten voor huishoudens in november en december met 1–3% gestegen zijn ten opzichte van de maanden ervoor, ligt het prijsniveau in de aangeboden contracten in januari 2025 nog altijd ruim onder het niveau van het prijsplafond dat in 2023 gold.
Voor bedrijven geldt dat veel sectoren, in het bijzonder energie-intensieve sectoren als chemie, landbouw en vervoer, er in de afgelopen jaren in geslaagd zijn hun gasverbruik te verlagen door energie efficiëntie. Deze efficiëntie is door de gascrisis van de afgelopen jaren en door de verduurzamingsopgave een belangrijk aandachtspunt voor veel bedrijven geworden. Hierdoor zijn bedrijven beter in staat om te gaan met de uitdagingen van hoge gasprijzen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de huidige gasprijzen weliswaar hoger liggen dan de periode van voor de recente gascrisis maar aanzienlijk lager zijn dan tijdens die gascrisis.
Internationale carbon credits |
|
Henri Bontenbal (CDA), Pieter Grinwis (CU) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat er tijdens de internationale klimaatconferentie in Bakoe, de COP29, is bereikt en afgesproken t.a.v. de normen voor koolstofkredieten onder Artikel 6.4 van het Klimaatakkoord van Parijs? Op welke manier versterkt deze afspraak de internationale koolstofmarkten?
Op COP29 is een akkoord bereikt over samenwerking via internationale koolstofmarkten, op basis van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs. Met dit besluit zijn de laatste regels afgerond, zodat een wereldwijde, VN-gereguleerde markt in werking kan treden. Twee vormen van internationale samenwerking via internationale koolstofmarkten staan centraal binnen artikel 6:
De nieuwe besluiten omvatten onder andere een raamwerk voor transparantie voor samenwerking tussen landen onder artikel 6.2 en nieuwe kwaliteitsstandaarden voor koolstofkredieten onder artikel 6.4.
Er zijn twee standaarden aangenomen voor artikel 6.4. De standaarden voor emissieverwijderingsprojecten gaan onder andere over passende monitoring, rapportage, accounting, het aanpakken van reversals (wat er gebeurt als de gerealiseerde emissieverwijdering door bewuste actie of overmacht teniet wordt gedaan), het vermijden van lekkage en het vermijden van andere negatieve gevolgen voor het milieu en de maatschappij, waaronder waarborgen voor mensenrechten. Daarnaast zijn standaarden aangenomen voor de ontwikkeling en beoordeling van artikel 6.4 methodologieën (dus criteria waaraan rekenmethoden voor mitigatie moeten voldoen).
De EU heeft zich succesvol ingezet om vooruitgang te bereiken op het gebied van kwaliteit, transparantie vooraf en verantwoording achteraf. Deze afspraken moeten er onder andere voor zorgen dat de internationale handel effectief wordt gemonitord, de kwaliteit wordt gewaarborgd en dubbeltelling wordt voorkomen, zodat vertrouwen in deze internationale koolstofmarkten kan ontstaan. Vertrouwen is van groot belang om het potentieel van deze markten ten volste te benutten.
Op welke wijze kunnen deze afspraken over, en het gebruik maken van internationale koolstofmarkten het beperken van klimaatverandering wereldwijd goedkoper maken en daarmee de klimaattransitie bespoedigen, zoals in de verklaring van de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) staat; «These agreements will help countries deliver their climate plans more quickly and cheaply, and make faster progress in halving global emissions this decade, as required by science»?1
Koolstofmarkten bieden de mogelijkheid om mitigatie te realiseren waar het meeste potentieel is en waar mitigatie relatief kosten-efficiënt is. Dit is een manier om de mondiale klimaattransitie te versnellen.
Waar robuuste en ambitieuze koolstofmarkten worden geïmplementeerd, kunnen ze daarnaast ook de klimaattransitie versnellen door gedrags- en technologische veranderingen in gang te zetten, terwijl landen met de gegenereerde opbrengsten verdere klimaatactie kunnen financieren en kwetsbare gemeenschappen en gebieden kunnen ondersteunen bij de transitie. Zo kan met hetzelfde geld, op relatief korte termijn, wereldwijd méér klimaatactie gerealiseerd worden.
Een van de vereisten voor artikel 6 is wel dat de koolstofkredieten staan voor additionele mitigatie. Dit betekent onder andere dat bewezen moet worden dat zonder de financiering via internationale koolstofmarkten de mitigatie niet gerealiseerd had kunnen worden.
Tenslotte wordt 2% van de verkochte 6.4 kredieten geannuleerd voor «overall mitigation in global emissions» (OMGE). Dit betekent dat deze kredieten niet voor doelen van een land of bedrijf gebruikt kunnen worden en dat een land of bedrijf voor dit deel dus extra klimaatactie moet ondernemen. Daarnaast gaat 5% van de verkochte 6.4 kredieten – beter gezegd: de opbrengsten van die handel – naar het Adaptatiefonds voor ontwikkelingslanden. Voor handel via artikel 6.2 is het annuleren van kredieten en afdragen van een percentage aan het adaptatiefonds vrijwillig.
Uit de Europese klimaatwet volgt dat de EU-doelen van klimaatneutraliteit in 2050 en tenminste 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 ten opzichte van 1990 binnen de Europese Unie worden gerealiseerd. Dit betekent dat voor het realiseren van deze doelen geen artikel 6 kredieten gebruikt kunnen worden.
Wanneer verwacht de Minister dat deze «Paris Agreement Crediting Mechanism» (PACM) operationeel zal worden? Wat is daar nog voor nodig?
Onder artikel 6.2 zijn enkele landen al begonnen met het opzetten van samenwerkingsverbanden, zie ook het antwoord op vraag 5.
Het toezichthoudend orgaan voor artikel 6.4 zal de komende maanden met hulp van een expertpanel de methodologieën vaststellen op grond waarvan koolstofkredieten kunnen worden afgegeven. Deze methodologieën moeten voldoen aan de bovengenoemde standaarden. Op dit moment is de verwachting is dat halverwege 2025 de eerste 6.4-kredieten kunnen worden afgegeven.
Op welke wijze kunnen bedrijven gebruik gaan maken van het PACM? Klopt het dat het mogelijk wordt voor bedrijven om emissiereductieprojecten van andere bedrijven te kopen om daarmee de eigen klimaatdoelstellingen te realiseren; «For example, through this mechanism a company in one country can reduce emissions in that country and have those reductions credited, so that it can sell them to another company in another country. That second company may use them for complying with its own emission reduction obligations or to help it meet net-zero targets»?2
Bedrijven kunnen, net als landen, direct koolstofkredieten gaan kopen via artikel 6.4 (PACM). Er bestaan twee soorten koolstofkredieten onder artikel 6.4: Mitigatie contributie units (MCUs) of geautoriseerde 6.4 kredieten. Bij MCUs telt de mitigatie mee voor de klimaatdoelen (NDC) van het land waar het project gevestigd is. Een MCU is dus een bijdrage aan de klimaatdoelen van dat land. Bij geautoriseerde 6.4 kredieten telt de mitigatie niet mee voor de NDC van het land waar het project gevestigd is. Het land geeft hier toestemming (autorisatie) voor. Dit geeft de koper een unieke claim op de gerealiseerde mitigatie.
Bedrijven kunnen op basis van MCUs of geautoriseerde artikel 6.4 kredieten vervolgens vrijwillige klimaatclaims doen. Artikel 6 koolstofkredieten kunnen niet gebruikt worden in het EU ETS of om aan nationale verplichtingen te voldoen.
Nederland heeft samen met een groep EU-landen een gemeenschappelijke positie op vrijwillige klimaatclaims ontwikkeld en aanbevelingen voor kopers gepubliceerd tijdens de VN-klimaattop in Dubai in 2023.3 In hoofdstuk 3 van deze aanbevelingen wordt uiteengezet welke geloofwaardige claims bedrijven kunnen doen met verschillende soorten koolstofkredieten.
Klopt het dat landen onder het Klimaatakkoord van Parijs, artikel 6.2, op vrijwillige basis kunnen samenwerken om emissiereducties te realiseren die meetellen met de Nationally Determined Contributions (NDCs), via de zogenoemde «Internationally Transferred Mitigation Outcomes» (ITMOs)? Hoe gaat dat in z’n werk?
Dit klopt. Op grond van artikel 6.2 kunnen landen rechtstreeks met elkaar samenwerken (een samenwerkingsverband aangaan), in plaats van via de «marktplaats» onder artikel 6.4 handelen.
Landen maken van tevoren afspraken met elkaar over hoe deze samenwerking eruit gaat zien en rapporteren over de samenwerking aan de VN.
Hoewel er geen toezichthoudend orgaan is voor samenwerkingsactiviteiten via artikel 6.2, zijn er uitgebreide rapportage- en boekhoudkundige vereisten afgesproken tijdens COP29.
Er zijn al landen die begonnen zijn met het opzetten van deze samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld Zwitserland met Ghana, Thailand en Vanuatu.4
Een ander voorbeeld van mogelijke samenwerking onder artikel 6.2 is het koppelen van emissiehandelssystemen. Het koppelen van emissiehandelssystemen creëert een grotere koolstofmarkt, die de deelnemende regio’s kostenefficiëntere opties kan bieden om hun emissies te verminderen. De EU zal hier mogelijk gebruik van maken in de toekomst. Het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) is reeds gekoppeld aan het Zwitserse ETS, en de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk (VK) voorziet in de mogelijkheid om in de toekomst het VK ETS te koppelen aan het EU ETS.
Op welke wijze gaat Nederland gebruik maken van het PACM en de ITMOs? Gaat het kabinet deze instrumenten inzetten om haar klimaatdoelen te realiseren?
Uit artikel 2 en 4 van de Europese klimaatwet volgt dat de EU-doelen van klimaatneutraliteit in 2050 en tenminste 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 t.o.v. 1990 binnen de Europese Unie worden gerealiseerd. Dit betekent dat voor het realiseren van de Europese klimaatdoelen voor 2030 en 2050 geen artikel 6 kredieten gebruikt kunnen worden, omdat het daarbij gaat om reductie van broeikasgasemissies buiten de EU.
In de Nederlandse Klimaatwet is voor 2030 een streefdoel opgenomen om de emissies van broeikasgassen binnen Nederland met 55% te reduceren ten opzichte van 1990 (artikel 2, tweede lid). Voor 2050 is opgenomen dat Nederland overeenkomstig de Europese klimaatwet de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul reduceert (artikel 2, eerste lid). Voor het realiseren van dit 2050-doel zou Nederland gebruik kunnen maken van eventuele toekomstige mogelijkheden in de Europese wetgeving om bijdragen aan klimaatneutraliteit te salderen tussen lidstaten, indien deze worden gecreëerd.
Omdat het bij artikel 6 kredieten echter gaat om mitigatie die plaatsvindt buiten Nederland en buiten de EU kunnen deze kredieten niet bijdragen aan het realiseren van bovengenoemde doelen. Het kabinet is daarom momenteel niet voornemens om gebruik te maken van de mogelijkheden die artikel 6 biedt.
In Europees verband wordt mogelijk in de toekomst wel gebruik gemaakt van artikel 6 voor het linken van ETS, zie daarvoor het antwoord op vraag 5.
De vertraging bij de bouw van nieuwe kerncentrales |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de bouw van de nieuwe kerncentrales (wederom) vertraging oploopt zoals aangegeven in het NRC-artikel?1
De vertraging waar in het NRC-artikel aan gerefereerd wordt gaat over de doorlooptijd van de onderzoeken die nodig zijn voor een voorkeursbeslissing over de locatiekeuze in het kader van de projectprocedure. Het klopt dat de locatiekeuze is vertraagd. Wat deze vertraging betekent voor de uiteindelijke bouw en oplevering van de twee kerncentrales, is nu nog niet goed te zeggen. Wel lijkt het niet meer realistisch om de eerste centrale in 2035 operationeel te hebben. Voordat we toe zijn aan de bouw van 2 nieuwe centrales moeten nog heel veel stappen worden doorlopen. Zowel in de ruimtelijke procedure, als in de aanbesteding, als in de vergunningverlening, als in de uiteindelijke bouw. Een detailplanning van al deze stappen is op dit moment nog niet te geven. Ik houd de ambitie overeind om zo snel mogelijk als realistisch de eerste centrale operationeel te hebben.
Als onderdeel van de routekaart voor de bouw van twee kerncentrales uit december 20222 is een planningsanalyse opgesteld. Doel van de analyse is om te komen tot een fasering van voorbereiding van de bouw waarmee maximaal snelheid wordt gemaakt. De planningsanalyse stelt dat de bouw van een kerncentrale een lang en complex proces is met vele verschillende werksporen en inherente onzekerheden. De planningsanalyse beval aan om de onzekerheden te verkleinen door een interactie op te starten met de technologieleveranciers en technische haalbaarheidsonderzoeken uit te voeren. Deze twee activiteiten zijn met prioriteit opgepakt en de resultaten ervan komen binnenkort beschikbaar. Hierdoor kan een betere inschatting worden gegeven van de planning van de bouw. Tegelijkertijd blijft dit traject een complex proces, waarbij steeds opnieuw keuzes moeten worden gemaakt over te zetten stappen. Dergelijke keuzes neemt het kabinet altijd in het licht van een maximale snelheid van de gehele voorbereiding en realisatie. In de volgende voortgangsbrief (april 2025) over nieuwbouw kerncentrales zullen de nieuwe inzichten met betrekking tot de algehele planning gegeven kunnen worden. Ook is dan informatie beschikbaar over het effect van de vertraging van de locatiekeuze op de volgende stappen van de selectie van de technologieleverancier.
Ten aanzien van de vertraging in de locatiekeuze zijn de oorspronkelijk gecommuniceerde doorlooptijden erg ambitieus voor een project dat qua aard, omvang, impact en maatschappelijke gevoeligheid uniek is. Daarbij geldt dat een juridisch houdbaar besluit uiteindelijk de snelste en dus beste weg is naar realisatie. Daarom zijn er afgelopen tijd stappen gezet die ingrijpen op de gewenste planning van de locatiekeuze, maar die er wel voor zorgen dat het besluit robuuster wordt.
Meest recent is naar aanleiding van inspraakreacties een juridische analyse aangekondigd naar de noodzaak het gebied Eemshaven toe te voegen als zoekgebied3. Tegelijkertijd met de beantwoording van deze Kamervragen is het advies van de Landsadvocaat aan de Kamer gestuurd. De conclusie van de Landadvocaat is dat de door mij gevraagde mate van zekerheid niet gegeven kan worden. De moties die op 4 maart 2021 in de Tweede Kamer zijn aangenomen vormen zeker een argument om te stellen dat de Eemshaven geen realistisch alternatief is. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan echter ook worden opgemaakt dat een puur beleidsmatig argument onvoldoende is. Ook voor een gebrek aan draagvlak is de vraag of dit argument alleen voldoende is. De Landsadvocaat voegt daar nog aan toe dat ook de Commissie mer over de plan-m.e.r. zal adviseren. Wanneer de Eemshaven niet wordt meegenomen, is het een reëel risico dat de Commissie mer hierover een kritische opmerking maakt. Dat deed zij ook in de zaak van het Regionaal Bedrijven Terrein Twente. Dan zouden appellanten in een uiteindelijke beroepsprocedure nog een extra troef in handen hebben. Dat maakt het toch al beperkte comfort om de Eemshaven niet alsnog in het m.e.r. te betrekken dan nog minder groot.
De tijd van de advisering door de Landsadvocaat is ook benut om een gevoeligheidsanalyse op te starten, die alle mogelijke gebieden in beeld zijn voor het locatieonderzoek. Met behulp van geografische informatie is gekeken welke gebieden in Nederland op basis van alleen de internationale (veiligheids)criteria van het Internationaal Atoomenergieagentschap mogelijk geschikt zouden kunnen zijn voor kerncentrales. De gevoeligheidsanalyse is ook belangrijk vanwege de verhoogde ambitie van dit kabinet als het gaat om het aandeel kernenergie en de inzet op de bouw van een derde en vierde kerncentrale in Nederland.
Al deze stappen kosten helaas extra tijd, maar verkleinen de onzekerheden in de planning waarnaar in de planningsanalyse is verwezen. Boven alles is het vervelend dat deze extra tijd nodig is en dat het kabinet zich gedwongen ziet om Eemshaven als zoekgebied mee te nemen in het locatieonderzoek. Zo snel mogelijk dit jaar maakt het kabinet bekend welke locatiealternatieven het gaat onderzoeken. Dan zal ook meer duidelijk worden over de planning van de locatiekeuze die tot nu toe op medio 2025 stond. Duidelijk is wel dat dit jaar voor de locatiekeuze niet meer haalbaar is.
Zie verder de antwoorden op vragen 7 t/m 10.
Kunt u een overzicht geven van de stappen die sinds de publicatie van het coalitieakkoord van het vorige kabinet Rutte IV (10 januari 2022) zijn gezet om de bouw van twee kerncentrales in Borssele te realiseren?
In fase 1 van het nieuwbouwtraject «het voorbereiden van de besluitvorming» wordt toegewerkt naar een ontwerp locatiebesluit, een start van de aanbesteding en de oplevering van een voorlopig Rijk Regio pakket. Om daar te komen worden vier werksporen doorlopen; financiering (marktconsultatie), technische haalbaarheidsstudies, eerste fase van de projectprocedure en Rijk-Regiopakket. Daarnaast wordt er separaat gewerkt aan de opbouw van de projectorganisatie.
Start datum
Stap
Kamerstuk
Status
Nov 2022
Missiegedreven Meerjaren Innovatie Programma is opgestart
Kamerstuk 32 645, nr. 101 aangekondigd; Voortzetting in nr. 118, 120 en 128)
Doorlopend
Dec 2022
Routekaart nieuwbouw kerncentrales inclusief voorbereidende studies
Kamerstuk 32 645, nr. 98 (aangekondigd), nr. 116
Voltooid
Dec 2022
Start marktconsultatie
Kamerstuk 32 645 nr. 116 aankondiging; nr. 117 concrete aankondiging; nr. 121 in uitvoering; nr. 132 uitgevoerd en gedeeld)
Voltooid
Dec 2022
Start technische haalbaarheidsstudies
Kamerstuk 32 645, nr. 116 aankondiging; nr. 117 concrete aankondiging; nr. 121 in uitvoering; nr. 132 uitgevoerd)
Voltooid
Juni 2023
Participatietraject opgestart met publicatie van een participatie- en communicatieplan
Kamerstuk 32 645 nr. 116 (aangekondigd) nr. 117
voltooid/doorlopend
Feb 2024
Publicatie Voornemen en Voorstel voor participatie
Kamerstuk 32 645 nr. 121
voltooid
Feb 2024
Oplevering systeemstudie kernenergie, aankondiging vervolgstudie
Kamerstuk 32 645 nr. 121
Voltooid/vervolg loopt
Feb 2024
Het Rijk-Regiopakket is opgestart en is in ontwikkeling
Kamerstuk 32 645, nr. 121 aangekondigd; 11 september in ontwikkeling; 132 in ontwikkeling.
Loopt
Feb 2024
Het VenP is afgerond en het vestigings- en waarborgingsbeleid is geactualiseerd. Deze ontwikkelingen hebben aanleiding gegeven om naar additionele locaties te kijken.
Kamerstuk 32 645, Nr. 121 aangekondigd; nr. 131 publicatie reacties VenP;
voltooid
Feb 2024
Start opzet projectorganisatie
Kamerstuk 32 645, nr. 121 aangekondigd; Kamerstuk 28 165, nr. 420 nader uitgewerkt; nr. 132 melding aantrekking kwartiermaker en team.)
voltooid
Aug 2024
Third-party Review ter controle en aanvulling van de Marktconsultatie en Technische Haalbaarheidsstudies
Kamerstuk 32 645, nr. 121 aangekondigd; nr. 132 uitgevoerd)
Loopt
Sept 2024
Intentieverklaring getekend en start gebiedsverbinder Rijk-Regio pakket
Kamerstuk 32 645, nr. 131
Loopt
Nov 2024
Juridisch onderzoek Eemshaven
Kamerstuk 32 645, nr. 132
Voltooid
Hoeveel onderzoeken naar de bouw van kerncentrales zijn er sinds Rutte IV uitgevoerd, en welke kosten waren hiermee gemoeid?
Tot nu toe zijn met Klimaatfondsmiddelen verschillende onderzoeken ten behoeve van de nieuwbouw van kerncentrales uitgevoerd.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de technische haalbaarheidsstudies – inclusief de inhuur van externe nucleaire expertise – locatieonderzoeken, koelwaterstudies en een onafhankelijke review van een derde partij en vergelijking met het buitenland (totaal € 25 miljoen). Ook zijn er enkele financiële onderzoeken uitgevoerd (€ 660.000). Deze verschillende onderzoeken voorzien een beter inzicht in de voorbereiding en uitvoering van de bouw van de kerncentrales, en verminderen daarmee de risico’s van het project. De informatie uit deze studies helpt ook om te bepalen welke eisen we willen stellen aan de bouw van de nieuwe centrales. Tot slot zijn adviezen gevraagd op het gebied van governance in relatie tot de projectorganisatie (€ 80.000) en omtrent de participatie- en communicatiestrategie (€ 55.000). Deze adviezen helpen in het vormgeven en opzetten van de organisatie die verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van het project en bieden duidelijke richtlijnen in het betrekken en informeren van stakeholders, onder andere in de verschillende regio’s. Dit is noodzakelijk om uiteindelijk een houdbaar en robuust locatiebesluit te nemen.
Hoeveel onderzoeken naar de locatiekeuze van kerncentrales zijn er sinds Rutte IV uitgevoerd, en welke kosten waren hiermee gemoeid?
Ten behoeve van de projectprocedure Nieuwbouw Kerncentrales voor de bouw van de eerste twee kerncentrales wordt een onderzoek uitgevoerd naar locaties in Nederland. Dit locatieonderzoek leidt tot een planMER en integrale effectenanalyse van de verschillende alternatieve locaties. Hiermee is een bedrag gemoeid van ca. € 1,5 miljoen.
Daarnaast zijn onderzoeken uitgezet naar de koelwatercapaciteit van verschillende wateren en naar karakteristieken van de ondergrond nabij de locaties. Deze onderzoeken zullen naar verwachting circa € 250.000 kosten.
Hoeveel geld is er tot nu toe uitgegeven of toegewezen aan de bouw van nieuwe kerncentrales sinds Rutte IV en welk gedeelte hiervan gaat naar onderzoek, welk gedeelte naar de kennis- en onderzoeksinfrastructuur, en welk gedeelte gaat naar overige categorieën?
Bij de start van het Klimaatfonds was er voor het perceel Kernenergie € 5 miljard gereserveerd. Bij de start van het huidige kabinet is hier € 9,5 miljard bijgekomen. Van deze in totaal € 14,5 miljard zijn de volgende bedragen al toegekend aan specifieke uitgaven in 2023 t/m 2030:
Deze middelen zijn grotendeels toegekend voor de verouderingsonderzoeken.
Deze middelen zijn grotendeels toegekend voor de projectorganisatie (€ 90 miljoen), de technische haalbaarheidsstudies, inclusief de inhuur van externe nucleaire expertise, locatieonderzoeken, koelwaterstudies en een onafhankelijke review van een derde partij en vergelijking met het buitenland (€ 25 miljoen), voor de jaren 2023 t/m 2030.
Welke resultaten van eerdere onderzoeken zijn vertaald in beleidsmaatregelen, wetswijzigingen, locatiebesluiten of andere concrete stappen richting de realisatie van deze kerncentrales?
Het kabinet werkt op grond van de routekaart4 nu aan de fase van de voorbereiding van politieke besluitvorming. Hierover dienen besluiten te worden genomen met betrekking tot de technologieselectie, het government support package, locatie en Rijk-Regio pakket. Deze besluiten zijn nog niet genomen. Onder vraag 2 zijn de concrete stappen opgenomen die opeenvolgende kabinetten sinds de routekaart eind 2022 hebben gezet. De concrete vertaling in beleid- en regelgeving zal vanaf dit jaar gebeuren in de genoemde besluiten over de government support package, technologieselectie, eerste fase van de projectprocedure en Rijk-Regiopakket.
Wat heeft het ministerie sinds de initiële locatiekeuze in Borssele gedaan om juridische bezwaren tegen deze locatie zoveel mogelijk te voorkomen? Heeft u overwogen om vast te houden aan deze locatiekeuze?
Voor een juridisch houdbaar besluit is het cruciaal dat het besluit zorgvuldig wordt voorbereid. Dit besluit wordt voorbereid door middel van de projectprocedure die voor de eerste twee kerncentrales in februari 2024 is gestart. Voor het zoveel mogelijk voorkomen van bezwaren is het cruciaal dat vanaf het begin wordt ingezet op participatie door belanghebbenden. Om een definitieve locatiekeuze (in de zogenaamde voorkeursbeslissing) te maken die juridisch houdbaar is moeten redelijke alternatieven in beeld worden gebracht. Dit is een Europese verplichting, die in Nederland in de Nederlandse wetgeving is vastgelegd. Naast Borssele/Vlissingen (Sloegebied) en Maasvlakte I zijn hierom ook Terneuzen, Maasvlakte II en Eemshaven in beeld. De Minister heeft in het Commissiedebat van 13 oktober 20225 toegezegd een voorkeurslocatie aan te wijzen en daarbij aangegeven dat dit niet betekent dat de voorkeurslocatie ook de definitieve locatie wordt. Het kabinet deelt de ambitie die uit het uitspreken van een voorkeurslocatie volgt, maar alleen volstaan met onderzoek naar Borssele is niet in lijn met wet- en regelgeving; redelijke alternatieven dienen gelijkwaardig onderzocht te worden alvorens een definitieve locatiekeuze gemaakt kan worden.
Daarbij is het ook belangrijk dat ingezet wordt op vroegtijdige participatie. In het Voornemen en Voorstel voor participatie dat in februari 2024 ter inzage is gegaan, wordt beschreven hoe het ministerie inwoners betrekt bij de projectprocedure. Daarnaast zijn ook de gemeente Borsele en provincie Zeeland vroegtijdig gestart met het opzetten van participatie. Zij hebben hun inwoners gevraagd welke voorwaarden zij willen stellen aan de mogelijke komst van grote energieprojecten in de regio, waaronder twee nieuwe kerncentrales. Om op een juiste manier gehoor te geven aan beide voorwaardenpakketten werkt het Ministerie van Klimaat en Groene Groei samen met de provincie Zeeland en gemeente Borsele aan een Rijk-Regiopakket aan maatregelen om de impact op de leefomgeving te verminderen en een impuls te geven aan de regio.
Waarom wordt nu pas besloten om alternatieve locaties, zoals Terneuzen, de Tweede Maasvlakte en de Eemshaven, nader te onderzoeken? Waarom is daar de afgelopen drie jaar niet voor gekozen als dit blijkbaar toch noodzakelijk was? Wat is hier misgegaan?
In december 2022 heeft het kabinet aangegeven dat Borssele de voorkeurslocatie is voor de nieuwbouw naar aanleiding van een toezegging van de Minister aan het lid Erkens (TZ202210-116). Het uitspreken van een voorkeur voor Borssele heeft versnelling van de uiteindelijke oplevering tot doel gehad, door het nu al uitvoeren van technische haalbaarheidsonderzoeken. Ook heeft het kabinet toen aangegeven dat dit geen definitief locatiebesluit is, maar dat voor een definitief locatiebesluit een m.e.r.-procedure doorlopen dient te worden. De keerzijde van het uitspreken van een voorkeur is dat verwachtingen zijn gewekt over de definitieve locatiekeuze. In de brief van december 2022 heeft het kabinet aangegeven dat Maasvlakte I in ieder geval beschouwd wordt als redelijk alternatief in de m.e.r.-procedure. In februari 2024 is dan ook de projectprocedure op basis van de Omgevingswet gestart. In deze projectprocedure zal de m.e.r.-procedure worden doorlopen en een definitieve locatiekeuze worden voorbereid (de zogenaamde voorkeursbeslissing). In de brief van 11 september 2024 zijn Terneuzen en Maasvlakte II als zoekgebied in beeld gekomen en in november 2024 is daar de mogelijkheid van Eemshaven bijgekomen. Er is dus nooit sprake geweest dat alleen locatie Borssele zou moeten worden onderzocht. In de brief van 1 februari 2024 heeft mijn ambtsvoorganger dit als volgt verwoord: «Met de technische haalbaarheidsstudies wordt duidelijk of de ontwerpen van de bedrijven op het terrein van EPZ gerealiseerd kunnen worden. Hiermee loop ik vooruit op de integrale afweging en de ontwerp-voorkeursbeslissing die medio 2025 in de projectprocedure genomen wordt. Met andere woorden: na weging van alle ruimtelijke- en milieuaspecten kán een andere locatie uiteindelijk planologisch worden aangewezen.»
Om snelheid te maken heeft het Kabinet werksporen parallel geschakeld, waarbij het kabinet in de routekaart van december 2022 heeft aangegeven dat de locatiekeuze uiteindelijk zal worden gemaakt in de projectprocedure. Deze projectprocedure zal het Kabinet zorgvuldig doorlopen en daar hoort vanzelfsprekend ook alternatievenonderzoek bij. Een juridisch houdbaar besluit is de snelste weg naar een robuuste locatiekeuze en daarmee een bestendige uitvoering.
Het kabinet beseft zich dat de ontwikkeling van nieuwe energieprojecten in de provincie Groningen gevoelig ligt en is zich bewust van de bestuurlijke wensen in de regio. Daarom heeft het kabinet de Landsadvocaat eerder om advies gevraagd of het mogelijk is om de Eemshaven op voorhand uit te sluiten bij het locatie onderzoek.
De conclusie die het kabinet op basis van het advies trekt is dat met het oog op een juridisch houdbaar besluit helaas niet mogelijk is om het gebied Eemshaven op voorhand uit te sluiten. Dat betekent dat er gekeken zal moeten worden of er reële locatie-alternatieven beschikbaar zijn. Indien dit het geval is zullen deze locatie-alternatieven onderdeel worden van het locatie-onderzoek naar de bouw van twee kerncentrales en worden beschreven in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD).
Het kabinet vindt het zeer belangrijk om rekening te houden met de gevoelens in de samenleving. Maar het kabinet wil ook een juridisch houdbaar besluit om vertraging later te voorkomen. Hier hoort bij dat een zorgvuldige procedure wordt doorlopen om tot weloverwogen keuzes te komen.
Nu dit advies er ligt, zal het kabinet zo snel mogelijk de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau afronden. In deze concept NRD worden de locaties beschreven, waar nader onderzoek naar zal worden gedaan. Dit onderzoek zal in de vorm van een planMER en Integrale Effectenanalyse (IEA) worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek zal ik in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vervolgens een keuze maken ten aanzien van de voorkeurslocatie voor deze twee kerncentrales in de zogenaamde voorkeursbeslissing. In de volgende voortgangsbrief (april 2025) zal ook een nieuwe verwachting volgen over het moment waarop de ontwerp-voorkeursbeslissing gereed is. Duidelijk is al wel dat 2025 niet meer haalbaar is.
Hoeveel vertraging verwacht u door het verplicht nader onderzoeken van extra locaties, en wat betekent dit voor de beoogde oplevering in 2035?
In het locatie-onderzoek wordt rekening gehouden met onderzoek naar locaties in de gebieden Borssele/Vlissingen (Sloegebied) en op de Maasvlakte I. Daarnaast is ruimte voorzien om, naar aanleiding van het alternatievenonderzoek, mogelijk aanvulling te plegen met een derde gebied waarin locaties onderzocht zouden kunnen worden. De toevoeging van Maasvlakte II heeft geen groot effect gehad op het alternatievenonderzoek maar de toevoeging van Terneuzen kent kosten in de ordegrootte van circa 100.000,–. De mogelijke toevoeging van Eemshaven kent eveneens kosten in de ordegrootte van circa 100.000,–.
De kosten die gemaakt worden voor onderzoek naar koelwatercapaciteit en ondergrond zijn inbegrepen in de 250.000,– genoemd bij het antwoord op vraag 4.
De toevoeging van Terneuzen en Maasvlakte II heeft enkele maanden tijd gevergd aan extra vooronderzoek en het activeren van ambtelijke en bestuurlijke betrekkingen op dit onderwerp. Daarbij geldt voor elke toegevoegde locatie dat er ook inspanning nodig is om een omgevingsproces vorm te geven om burgers en andere belanghebbenden op een degelijke manier te informeren over de procedure en te betrekken bij de besluitvorming. De toevoeging van Eemshaven in het onderzoek betekent naar huidig inzicht circa 6 maanden extra doorlooptijd ten opzichte van de eerdere verwachting.
Zo snel mogelijk dit jaar maakt het kabinet bekend welke locatiealternatieven het gaat onderzoeken. In de volgende voortgangsbrief (april 2025) zal een nieuwe verwachting volgen over het moment waarop de ontwerp-voorkeursbeslissing gereed is. Duidelijk is al wel dat 2025 niet meer haalbaar is.
Welke kosten en tijdsbesteding zijn gemoeid met het aanvullende onderzoek naar de drie nieuwe locaties?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe wordt gegarandeerd dat de uitkomsten van eerdere haalbaarheidsstudies niet opnieuw hoeven te worden onderzocht, zoals nu wordt gesuggereerd voor alternatieve locaties?
Om de technische haalbaarheidsstudies volledig en in voldoende detail te kunnen uitvoeren is een specifiek terrein aangewezen. Daartoe heeft het kabinet in de Kamerbrief van 9 december 20226 onderbouwd welk terrein hiervoor geschikt lijkt te zijn en is het EPZ-terrein in Borssele als voorkeurslocatie aangewezen. Als in de projectprocedure een andere locatie wordt aangewezen, moet een deel van de technische haalbaarheidsstudies mogelijk opnieuw worden uitgevoerd. Hiermee is een bewust maar beperkt risico genomen omdat een groot gedeelte van de technische haalbaarheidsstudies ook representatief zal zijn voor andere locaties die in de projectprocedure zullen worden meegenomen. Aspecten die verschillen per locatie, zoals de precieze samenstelling van de bodem, of toegang tot koelwater, zullen opnieuw moeten worden gedaan als besloten wordt tot een andere locatie. Dit is een beperkt deel van de Technische Haalbaarheidsstudies.
In hoeverre zijn juridische verplichtingen, zoals de eis om alle redelijke alternatieven te onderzoeken, een belemmering voor de voortgang van grote projecten zoals kerncentrales?
Het onderzoek naar de redelijke alternatieven voor een project is een onderdeel van de op grond van de Europese mer-richtlijnen verplichte milieueffectrapportage. De verplichting deze rapportage uit te voeren is in Nederland in de Nederlandse wetgeving vastgelegd. Het alternatievenonderzoek is nodig om een gedegen afweging te kunnen maken en het uiteindelijke projectbesluit deugdelijk te motiveren en leidt zo tot betere besluitvorming. Deze eis is daarom geen belemmering voor de voortgang van grote projecten. De gevoeligheden rond locatie Eemshaven (zie het antwoord op vraag 8 en de Kamerbrief van 22 november 20247) moeten dan ook bezien worden vanuit het oogpunt van de juridische houdbaarheid van het projectbesluit en maken daarom het voorgaande niet anders.
Waarom wordt de relevante wetgeving, die leidt tot deze stapeling van onderzoeken en juridische procedures, niet aangepast om vertragingen te voorkomen?
In december 2024 is de Kamer geïnformeerd over de versnellingsaanpak energietransitie met daarin aandacht voor juridisch instrumentarium8. Hiervoor is een verkenning gedaan naar welke wettelijke aanpassingen er mogelijk zijn om procedures te versnellen, en daarmee doorlooptijden te verkorten en/of vertraging te voorkomen, voor energie-infrastructuurprojecten. De meest kansrijke opties zijn opgenomen in een juridisch versnellingspakket en worden thans uitgewerkt in verschillende wet- en regelgevingstrajecten. De juridische maatregelen zijn gericht op structurele en procedurele versnelling van verschillende energiemodaliteiten, type projecten en projectfases.
In het bovengenoemde juridische versnellingspakket zit ook een aantal opties voor het verder versnellen van de projectprocedure die ook van belang zijn voor realisatie van de nieuwe kerncentrales. Deze worden momenteel nader onderzocht. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over de procedurele stappen in de verkenningsfase van de projectprocedure in relatie tot participatie en het moment van onafhankelijk advies. De kansrijke opties voor versnelling zijn in beeld en worden uitgewerkt in verschillende wet- en regelgevingstrajecten.
Wat voor wetswijziging is nodig om alsnog een definitieve locatiekeuze te maken die juridisch houdbaar is? Welke wetsbepaling in welke wetten zouden hiervoor aangepast moeten worden?
Voor een juridisch houdbare locatiekeuze is geen wetswijziging nodig, maar zorgvuldig onderzoek, transparante besluitvorming en vroegtijdige participatie (zie het antwoord op vraag9. Vanuit het oogpunt van Europese verplichtingen, zorgvuldigheid en draagvlak voor de uiteindelijk gekozen locatie is een wetswijziging op dit punt niet wenselijk, nodig of mogelijk.
Bent u bereid om dergelijke wetswijzigingen door te voeren, waarmee ook de juridische houdbaarheid van besluiten versterkt wordt, en toekomstige vertragingen voorkomen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke concrete stappen onderneemt u om ervoor te zorgen dat de bouw van de kerncentrales, ondanks deze vertragingen, nog steeds in 2035 is afgerond? Welke versnellingsopties heeft u nog op de plank liggen die u kunt nemen om het proces te versnellen?
In de Kamerbrief van afgelopen november benadrukt het kabinet dat, door de verschillende werksporen parallel uit te voeren, conform de wens van de Kamer op dit moment maximaal wordt versneld. In de brief van 1 februari 2024 heeft mijn ambtsvoorganger dit als volgt verwoord: «Met de technische haalbaarheidsstudies wordt duidelijk of de ontwerpen van de bedrijven op het terrein van EPZ gerealiseerd kunnen worden. Hiermee loop ik vooruit op de integrale afweging en de ontwerp-voorkeursbeslissing die medio 2025 in de projectprocedure genomen wordt. Met andere woorden: na weging van alle ruimtelijke- en milieuaspecten kán een andere locatie uiteindelijk planologisch worden aangewezen.» Zoals gememoreerd in het antwoord op de eerste vraag blijft de bouw van twee grote kerncentrales een complex proces, waarbij steeds opnieuw keuzes moeten worden gemaakt over te zetten stappen. Dergelijke keuzes neemt het kabinet altijd in het licht van een maximale snelheid van de gehele voorbereiding en realisatie. Een juridisch houdbaar besluit is in ons aller belang, want dit vormt uiteindelijk de snelste weg naar realisatie is. In de volgende voortgangsbrief over nieuwbouw kerncentrales zullen de nieuwe inzichten met betrekking tot de planning gegeven kunnen worden. Ook is dan informatie beschikbaar over het effect van de vertraging van de locatiekeuze op de volgende stappen van de selectie van de technologieleverancier en wat daaraan in mitigerende zin gedaan kan worden.
Welke maatregelen zijn mogelijk om na de locatiekeuze de bijbehorende vergunningtrajecten, aanbestedingen en andere essentiële besluitvorming te versnellen? Welke juridisch houdbare routes zijn hiervoor mogelijk?
Er is op dit moment nog geen inzicht in concrete maatregelen die mogelijk zijn om na de locatiekeuze de bijbehorende processen en besluitvorming te versnellen. De verwachting is dat de resultaten van de Third Party Review meer inzicht zullen bieden als het gaat om de planning voor de bouw van de kerncentrales. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, is het van belang dat de procedures zorgvuldig worden doorlopen.
Zijn er mogelijkheden om de bouw van kerncentrales onder de Renewable Energy Directive (RED III) / Net-zero industry act aan te merken als een project van hoger openbaar belang gezien de voordelen voor de klimaattransitie, de verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland door het vervangen van fossiele opwek, en de afname van gevaarlijke geopolitieke afhankelijkheid op het gebied van energie? Wat zou dit in de praktijk betekenen voor de tijdslijnen van de bouw van kerncentrales?
In de RED III wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen. Kernenergie valt niet onder deze scope en kernenergieprojecten kunnen onder deze richtlijn dus niet aangemerkt worden als versnellingsgebied.
De Net-Zero Industry Act (NZIA) heeft onder andere als doel om in de EU de productiecapaciteit te stimuleren van netto-nul technologieën die essentieel zijn voor klimaatneutraliteit. Onder deze verordening worden alle kernenergie-technologieën als netto-nul technologieën beschouwd.
De NZIA introduceert het begrip «netto-nul strategisch project» voor projecten die van vitaal belang zijn voor het verbeteren van de veerkracht, strategische autonomie en concurrentiekracht van de netto-nul industrie in de EU.
Voor de bouw van kerncentrales zouden netto-nul strategische projecten in de Nederlandse context dus inderdaad de prioriteitsstatus «strategische project van nationaal belang» kunnen krijgen.
De bouw van de kerncentrales is gezien de omvang al een project van nationaal belang en doorloopt de projectprocedure.
De bijbehorende doorlooptijden voor vergunningverlening in deze procedure (formeel maximaal zes maanden) zijn bovendien korter dan die de NZIA voorschrijft (maximaal negen maanden). Het aanmerken van het project als netto-nul strategisch project onder de NZIA heeft in de praktijk dan ook geen effect op de tijdlijnen van de bouw van de kerncentrales in Nederland.
Zijn er mogelijkheden om de bouw van kerncentrales onder de Net-Zero Industry Act aan te merken als strategisch nettonulproject met hoogst mogelijke status van nationaal belang? Wat zou dit in de praktijk betekenen voor de tijdslijnen van de bouw van kerncentrales?
Zie antwoord vraag 18.
Wat zijn de versnellingsmogelijkheden onder de omgevingswet? Zouden kerncentrales zich kwalificeren om gekenmerkt te worden als een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang? Zo ja, wat zou dat betekenen voor de tijdslijnen? Of zou een rijksprojectprocedure geschikter zijn? Wat zou dat betekenen voor de tijdslijnen?
Voor energieprojecten van nationaal belang waaronder de bouw van kerncentrales is de projectprocedure het instrument dat het meest geschikt is om te voorzien in de inpassing van deze projecten in de fysieke leefomgeving10. Daarmee biedt deze procedure in de regel de meeste snelheid.
Een standaardtijdslijn is voor de projectprocedure niet te geven, voor elke procedure is dit project afhankelijk. Het hangt onder meer af van de wijze waarop de participatie wordt ingericht, hoeveel reacties worden ontvangen en welk onderzoeken precies nodig zijn. Daarin verschillen de instrumenten van de Omgevingswet niet. In alle gevallen is participatie nodig en zal hetzelfde soort (mer-)onderzoek nodig zijn om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen.
De omgevingsplanactiviteit van nationaal belang is een procedure waarbij een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt door een op Rijksniveau verleende vergunning waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan. Dit laat onverlet dat er ook andere vergunningen nodig zijn voor die ontwikkeling, die moeten worden verleend door het voor die vergunningen bevoegde gezag. Bij de projectprocedure kunnen de benodigde ruimtelijke toestemming en de overige vergunningen samen worden genomen en kan op Rijksniveau regie worden gevoerd op de timing en samenhang van alle vergunningen. De projectprocedure heeft verder als voordeel dat dit een gestroomlijnde besluitvormingsprocedure heeft. De projectprocedure is daarmee het meest geschikt om een complex project als een kerncentrale te realiseren.
Voor complexe en ingrijpende projecten zoals de bouw van de kerncentrales is een brede verkenning en vroegtijdige participatie van publiek en belanghebbenden, leidend tot een gedragen voorkeursrichting en gecoördineerde uitvoering van groot belang. De projectprocedure is hierop ingericht.
Ook mist een procedure via een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang andere voordelen van de projectprocedure, zoals beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de coördinatie vanuit één Minister. De procedure voor een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang lijkt daarmee meer complex dan de projectprocedure.
Hoe staat het met het ontwerpbesluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten? Zou dit een mogelijkheid bieden om de realisatie van de kerncentrales in 2035 mogelijk te blijven houden? Welke aanpassingen zijn nodig aan het ontwerpbesluit om kerncentrales expliciet eronder te laten vallen?
Voor de procedurele versnelling van regionale elektriciteitsprojecten wordt gewerkt aan de algemene maatregel van bestuur Besluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten. Dit besluit is gebaseerd op het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, waarin een grondslag is opgenomen voor aanwijzing van besluiten voor categorieën projecten waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Dit wetsvoorstel ligt thans ter behandeling bij de Tweede Kamer. Voorhang van de algemene maatregel van bestuur kan pas plaatsvinden nadat de Tweede Kamer het wetsvoorstel heeft aangenomen.
Het Besluit procedurele versnelling elektriciteitsprojecten wijst besluiten voor bepaalde energie-infrastructuurprojecten aan waarvoor een aantal versnellingen in de beroepsprocedure geldt, zoals beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een aanwijzing kan leiden tot een versnelling van 1,5 jaar, door beroepsmogelijkheden bij één instantie te leggen met verkorte termijnen.
De met het ontwerpbesluit voorziene procedurele versnelling van de elektriciteitsprojecten is voor die projecten die nu nog niet onder de projectprocedure vallen, maar waarbij wel een zwaarwegend maatschappelijk belang is bij versnelde realisatie.
Voor kerncentrales geldt al de projectprocedure en biedt dit besluit geen additionele versnelling voor de realisatie hiervan.
Zou een van de beschreven routes in vraag 18 t/m 21 ook helpen bij het versneld maken van een juridisch houdbare locatiekeuze?
De projectprocedure is reeds gestart voor de bouw van de eerste twee kerncentrales en deze procedure is ingericht om snel tot een juridisch houdbare locatiekeuze te komen. Ook kent deze procedure versnellingselementen, zoals de één-besluit constructie door één bestuursorgaan met het projectbesluit, de coördinatie van uitvoeringsbesluiten en indeplaatstreding, en geldt beroep in één instantie voor het projectbesluit. De beschreven routes in vraag 18 t/m 21 zullen dus niet bijdragen aan het versneld maken van een houdbare locatiekeuze.
Is projectwetgeving voor de bouw van kerncentrales een mogelijkheid, indien de bestaande routes in vraag 18 t/m 21 niet kansrijk zijn? Waar zou een dergelijke wet aan moeten voldoen en op welk deel van het proces zou deze tot versnelling kunnen leiden?
Het uitwerken van een specifieke projectenwet voor de bouw van de kerncentrales acht het kabinet niet de juiste weg. Het bestaande instrumentarium van de Omgevingswet met de projectprocedure werkt al versnellend. Zo is er één-besluit constructie door één bestuursorgaan mogelijk met het projectbesluit, evenals de coördinatie van uitvoeringsbesluiten en indeplaatstreding. Ook beroep in één instantie geldt voor het projectbesluit.
Bij een projectenwet zal er ook een zorgvuldige locatie-afweging moeten worden gemaakt en het is juist de projectprocedure die hiervoor de opeenvolgende procedurele stappen biedt. Het kabinet ziet dan ook niet op welke onderdelen van het proces een eventuele projectenwet tot een extra versnelling zal leiden. Temeer omdat een wetstraject zeker 2 á 3 jaar in beslag neemt en de projectprocedure voor de eerste twee kerncentrales nu al is opgestart.
Wat zijn de resultaten van de gesprekken met marktpartijen over hun bereidheid om te investeren in kerncentrales, en in hoeverre hebben de huidige vertragingen impact op hun interesse?
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van afgelopen november en in het rapport van BNP Paribas dat gedeeld is als bijlage met de Kamerbrief11, is er interesse van marktpartijen om te investeren in de bouw van de kerncentrales. De resultaten van de studie van BNP Paribas laten zien dat private financiers financiering overwegen, maar ook dat private financiering zowel voordelen als nadelen met zich meebrengt. De interesse van marktpartijen verschilt ook sterk per fase van het traject.
Het kabinet heeft geen signalen ontvangen dat huidige vertragingen in het project leiden tot een verschil in de mogelijke interesse van marktpartijen: bij complexe, grootschalige infrastructuurprojecten van deze aard is het niet ongewoon dat vertraging optreedt in de voorbereidingsfase.
Hoe beheerst u de risico’s dat deze vertragingen de financiering van de kerncentrales bemoeilijken of marktpartijen afschrikken?
Ook richting marktpartijen wordt benadrukt dat een grondige voorbereiding leidt tot een meer voorspoedige bouw van de kerncentrales. Dit leidt tot een lager risicoprofiel van het project, en daarmee mogelijk tot een grotere bereidheid om te investeren. Het kabinet blijft in gesprek met de financiële sector om te begrijpen wat zij kunnen bieden wat betreft financiering van het project, en om ze op de hoogte te houden van de vorderingen in de voorbereiding op de bouw. In februari wordt bijvoorbeeld een bijeenkomst georganiseerd met de Nederlandse financiële sector om ze van een update te voorzien over de stand van zaken van de voorbereiding op de bouw van de kerncentrales.
Welke lessen trekt u uit de vertragingen in dit proces, en welke structurele maatregelen neemt u om dit soort bureaucratische stapelingen bij de bouw van kerncentrale 3 & 4 en Small Modular Reactors (SMR’s) te voorkomen?
Het kabinet verwacht dat de lessen en de resultaten van de huidige werksporen voor de bouw van de twee eerste centrales veel betekenen voor de stap naar de bouw van andere kerncentrales. Ook zal de opgebouwde expertise en ervaring in Nederland uit de huidige voorbereidingen helpen in de toekomstige uitvoering van belangrijke procedures die onderdeel zijn van de voorbereiding op de bouw van een kerncentrale.
Ook voor de inpassing van kerncentrale 3 en 4 is het cruciaal dat er een juridisch houdbaar besluit wordt voorbereid. De ruimtelijke inpassing van kerncentrales in Nederland is complex. Dit geldt voor de lopende projectprocedure, maar zal voor kerncentrale 3 en 4 mogelijk nog ingewikkelder worden. De bij vraag 1 genoemde gevoeligheidsanalyse benut ik daarom ook voor het richting geven aan mogelijke locaties voor kerncentrales 3 en 4. In de in voorbereiding zijnde nota Ruimte zullen hiertoe structurerende keuze worden gemaakt, die zullen aansluiten bij het Programma Energiehoofdstructuur (PEH). In aansluiting op de Kamerbrief van april 2024 zal in de actualisatie van het Programma Energiehoofdstructuur richting worden gegeven aan de ruimtelijke inpassing van kerncentrale 3 en 4, waarbij de inzichten en structurerende keuzes uit de hiervoor genoemde de Nota Ruimte zullen worden meegenomen. In de volgende voortgangsbrief (april 2025) zal het kabinet hierop verder ingaan.
Het SMR-programma dat recent van start is gegaan kijkt via de uitvoering van verschillende simulaties (programmalijn 1 van het programma) en onderzoeken naar onder meer ruimtelijk inpassing (programmalijn 2 van het programma) specifiek naar knelpunten in de realisatie van kleinere kerncentrales. Ook voor de SMR’s geldt dat de plaatsing in samenhang met het realiseren van andere opgaven in het gebied plaats dient te vinden. De inzichten uit deze activiteiten moeten helpen om op termijn eventuele vertragingen in de bouw van centrales te voorkomen.
Kunt u deze vragen uiterlijk eind januari beantwoorden zodat ze tijdig betrokken kunnen worden bij het Kamerdebat kernenergie?
Gegeven het belang van het onderwerp is de beantwoording zeer zorgvuldig gegaan en is het helaas niet gelukt deze in januari te beantwoorden.
De opschaling van groene, blauwe en andere koolstofarme waterstof in Nederland. |
|
Henri Bontenbal (CDA), Silvio Erkens (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Wat doet u om de opschaling van blauwe waterstof in Nederland te stimuleren?
Een belangrijk deel van het huidige waterstofbeleid helpt bij de ontwikkeling van alle typen waterstof en is niet specifiek aan één type waterstof verbonden. Denk aan het creëren van infrastructuur zoals een landelijk dekkend netwerk, importterminals en waterstofopslag, maar ook aan het formuleren van waterstofwetgeving waarbij netbeheer, toegang tot infrastructuur en toezicht een wettelijk kader krijgen. Ook het internationale beleid gericht op het aantrekken van verschillende importstromen heeft als doel zowel hernieuwbare als koolstofarme waterstofstromen aan te trekken. Het bezoek aan Denemarken en Noorwegen eind vorig jaar is hier een voorbeeld van. Voor het verduurzamen van bestaande waterstofproductie uit aardgas en voor restgassen is de CCS-categorie in de SDE++ beschikbaar.
Ten aanzien van nieuwe initiatieven voor de productie en import van koolstofarme waterstof uit aardgas via nieuwe installaties verkent het kabinet opties om barrières voor dergelijke initiatieven weg te nemen. Zie daarvoor ook de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is om te investeren in blauwe en andere vormen van koolstofarme waterstof gegeven de achterblijvende investeringen in groene waterstof?
Zoals in het regeerprogramma afgesproken dient blauwe waterstof als tussenstap naar hernieuwbare waterstof. In de Kamerbrief van 10 december 2024 «Voortgang waterstofbeleid»1 wordt dit nogmaals bevestigd. In het antwoord op vraag 1 is al aangegeven dat een groot deel van het huidige waterstofbeleid neutraal is naar type waterstof en dat investeringen in infrastructuur, internationaal beleid en wetgeving aan alle vormen van waterstof bijdragen. Daarbij moet in acht worden genomen dat de waterstofmarkt een internationale markt wordt, waarbij Nederland een hubfunctie kan ontwikkelen voor buurlanden. De vraag uit buurlanden en met name Duitsland zal naar verwachting voor een belangrijk deel uit koolstofarme waterstof bestaan.
Het faciliteren van koolstofarme waterstof kan helpen om broeikasgasemissiereductiedoelen te behalen, voornamelijk door snellere en meer betaalbare verduurzaming van de industrie en elektriciteitssector. Daarbij moet in acht worden genomen dat de ontwikkeling van koolstofarme waterstof niet ten koste gaat van de ontwikkeling van hernieuwbare waterstof, zoals beschreven in de Kamerbrief van 10 december 2024.
Wat doet u om knelpunten in de opschaling van blauwe waterstof weg te nemen, bijvoorbeeld wat betreft de benodigde infrastructuur en aanpassingen in wet- en regelgeving?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 december 2024 verkent het kabinet de opties om de barrières voor nieuwe koolstofarme waterstofproductie en import weg te nemen. Ontwikkelaars van koolstofarme waterstof uit fossiele stromen geven aan dat het bindende Europese industriedoel voor hernieuwbare waterstof uit de herziene Europese richtlijn (REDIII) schuurt met hun initiatieven.
Ten aanzien van de benodigde infrastructuur voor koolstofarme waterstof is er, zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 1 en 2, geen specifiek onderscheid tussen typen waterstof.
Het kabinet zal daarnaast onderzoeken of en hoe bedrijven gefaciliteerd kunnen worden bij het gezamenlijk inkopen van koolstofarme en hernieuwbare waterstof en hoe dit kan bijdragen aan het sluiten van langetermijncontracten tussen toekomstige producenten en afnemers van blauwe en andere vormen van koolstofarme waterstof.
Daarnaast werkt de Europese Commissie aan een gedelegeerde verordening voor een methodologie die vaststelt in welke mate koolstofarme brandstoffen, waaronder waterstof, bijdragen aan verminderde uitstoot van broeikasgassen. Afgelopen jaar is het concept hiervan geconsulteerd. Het kabinet heeft zijn commentaar hierop aan de Commissie kenbaar gemaakt en blijft hierover in gesprek met de Commissie. De gedelegeerde verordening zal onderdeel uitmaken van het toekomstige beleid voor koolstofarme waterstof.
Op welke wijze heeft u contact met de sector over de opschaling van blauwe waterstof? Welke signalen ontvangt u vanuit de sector?
Het kabinet heeft op diverse wijzen contact: via bilaterale gesprekken, het nationaal programma verduurzaming industrie, stakeholderssessies binnen het nationaal waterstofprogramma en themasessies bij VNO-NCW. Daarbij wordt aangegeven dat er nog belemmeringen zijn bij de ontwikkeling van koolstofarme waterstof. In dit verband worden wettelijke belemmeringen vanuit Europese regelgeving genoemd. Daarnaast noemen sectorpartijen financiële belemmeringen, want hoewel koolstofarme waterstof goedkoper te produceren is dan hernieuwbare waterstof, is er nog wel sprake van een onrendabele top ten opzichte van aardgas. Een van de grootste mogelijke toepassingen voor koolstofarme waterstof is daarbij de vervanging van aardgas voor hoge temperatuurverwarming. Ook geven potentiële producenten van koolstofarme waterstof aan dat tijdige toegang tot het elektriciteitsnet, CO2-opslag en -infrastructuur en waterstofinfrastructuur cruciaal is. Zij stellen dat vraagzekerheid nodig is om investeringen voor productie-installaties te kunnen doen. Potentiële investeerders in hernieuwbare waterstof geven aan dat beleid ten behoeve van blauwe waterstof niet ten koste moet gaan van hernieuwbare waterstof.
Hoe staat het met het afsluiten van langetermijnimportcontracten voor waterstof vanuit Noorwegen?
Noorwegen zal op termijn een belangrijke producent van blauwe waterstof worden. Met het bezoek aan Noorwegen afgelopen jaar is er een forse impuls gegeven aan het versterken van de samenwerking. Er zijn daarbij meerdere «Memoranda of Understanding» afgesloten tussen diverse stakeholders.
Voor het doen van grote investeringen zijn toezeggingen en langetermijncontracten van bedrijven nodig. Deze toezeggingen moeten door private partijen worden gedaan.
Wellicht is het voor sommige bedrijven in Nederland niet mogelijk om zelfstandig lange-termijn verplichtingen aan te gaan voor de inkoop van blauwe waterstof. Een van de ondertekende MoU’s tijdens het bezoek aan Noorwegen is die van TNO en het Norwegian Research Centre gericht op het verkennen van o.a. de haalbaarheid van de productie van blauwe waterstof in Noord-Nederland en de ontwikkeling van een waardeketen voor productie en afname van deze energiedrager in onze regio. Bij deze verkenning zijn partijen als Equinor, Gasunie en EBN betrokken, waarbij ook gekeken wordt naar nut en noodzaak van het gezamenlijk inkopen van koolstofarme en hernieuwbare waterstof om de business case voor blauwe waterstof mogelijk te maken.
De opschaling van groene waterstof verloopt langzamer dan verwacht, kunt u een update maken van de verwachte investeringen in groene waterstof in Nederland? Wat dit betekent voor de kostprijs van groene waterstof de aankomende jaren?
Zoals in de vraag aangegeven verloopt de opschaling van groene waterstof langzamer dan verwacht. Over de gehele keten vallen de kosten hoger uit dan verwacht en heeft de realisatie van belangrijke randvoorwaarden als infrastructuur en windparken vertraging opgelopen.
Dit voorjaar maakt het kabinet de winnaars bekend van de tweede ronde van de OWE subsidieregeling voor elektrolyse. Dat geeft meer inzicht in welke projecten naar verwachting de komende jaren zullen gaan investeren, in aanvulling op de projecten die reeds subsidie hebben ontvangen. Een aantal projecten dat subsidie heeft ontvangen in de eerste ronde van de OWE heeft al een investeringsbesluit genomen.
Het kabinet bereidt samen met onderzoeksinstellingen en bedrijven verder onderzoek voor naar de kostprijs van groene waterstof de komende jaren en hoe de kosten en risico’s van elektrolyseprojecten sneller omlaag kunnen.
Gegeven het bovenstaande zou een zware verplichting vanuit de REDIII onze industrie nog verder op achterstand kan zetten, welke mogelijkheden zijn er op lidstaat-niveau bij de implementatie van de REDIII om de doelen betaalbaarder te maken voor de industrie?
In het voorjaar geeft het kabinet meer duidelijkheid over de invoering en vormgeving van de nationale jaarverplichting voor gebruik van hernieuwbare waterstof in de industrie. De uitdaging is om tot een samenhangend pakket aan waterstofinstrumenten bestaande uit productie- en vraagsubsidies en normering te komen dat de industrie ondersteunt in de verduurzaming, dat het concurrentievermogen niet verder verslechtert en dat tegelijkertijd wel voldoende bijdraagt aan het ontstaan van een markt voor hernieuwbare waterstof.
De voorgenomen jaarverplichting wordt dus zo vormgegeven dat deze voor industriële waterstofgebruikers draagbaar is. De consultatie van het voorstel voor de jaarverplichting voor de industrie sloot op 12 december 2024. In dit voorstel is opgenomen dat 60% van het waterstofgebruik voor de productie van ammoniak wordt uitgezonderd van de jaarverplichting. Momenteel is ammoniakproductie de grootste industriële waterstofgebruiker. Via maatwerkafspraken wordt daarnaast ingezet op andere routes om de ammoniakproductie te verduurzamen. Het kabinet neemt de reacties uit de consultatie mee in de verdere besluitvorming over de invoering en vormgeving van de jaarverplichting. Het speelveld met andere Europese landen heeft daarbij nadrukkelijk de aandacht.
Via een vraagsubsidie wordt beoogd het restant van de lidstaatverplichting voor de industrie in te vullen. Voor deze vraagsubsidie is een budget van € 767 miljoen beschikbaar. Het kabinet verwacht in de eerste helft van 2025 een consultatie over de vraagsubsidie te organiseren.
Het kabinet heeft contact met andere EU-lidstaten over de wijze waarop zij voornemens zijn om de lidstaatverplichting te implementeren.
Welke opties heeft Nederland voor het invullen van de jaarverplichting van de RED III en wat mag er worden meegeteld in de berekeningen?
Het Europese bindende doel voor waterstofgebruik in de industrie uit REDIII schrijft voor dat 42% van het waterstofgebruik in 2030 hernieuwbaar (RFNBO) moet zijn. In 2035 geldt een percentage van 60%. Deze doelen zijn opgelegd aan lidstaten. Nederland mag zelf invullen hoe het deze doelen wil behalen. Dit kan bijvoorbeeld door verplichtingen op te leggen bij industriële waterstofgebruikers, door subsidies te verstrekken of een combinatie van beide. In de halfjaarlijkse Kamerbrieven over voortgang van het waterstofbeleid geeft het kabinet de stand van zaken en de vervolgstappen weer om te komen tot een samenhangend instrumentarium bestaande uit productie- en vraagsubsidies en normeringen om onder meer bovengenoemde doelen te realiseren. De volgende Kamerbrief staat gepland voor het tweede kwartaal van 2025.
In REDIII is opgenomen welke waterstofstromen mogen worden uitgezonderd van de noemer. De Europese Commissie heeft in september 2024 aanvullende richtsnoeren gepubliceerd die lidstaten helpen bij de implementatie van REDIII. Zoals ook in antwoord op vraag 7 gemeld, heeft het kabinet aanvullend voorgesteld om waterstofgebruik voor ammoniakproductie voor 60% uit te zonderen (onder de voorgenomen Nederlandse jaarverplichting) door te verwijzen naar de overwegingen in REDIII die ten grondslag liggen aan de RFNBO-doelen voor de industrie. Tot slot zal het kabinet de reacties op de consultatie van het voorstel voor de jaarverplichting voor de industrie bestuderen om te bezien of er gronden zijn om andere waterstofstromen uit te zonderen van de noemer, voor zover dat past binnen het kader van REDIII.
Nederland kiest er als enige lidstaat voor om het nationale doel wat binnen de RED III wordt gesteld, op te leggen aan onze bedrijven, waarom kiest u hiervoor? Wat betekent dit voor het vestigingsklimaat?
Zoals in vraag 7 aangegeven, houdt het kabinet bij het ontwerp van de jaarverplichting rekening met het speelveld met andere Europese landen en is er contact met mijn collega’s van andere EU-lidstaten.
Zoals toegelicht in het voorstel van de jaarverplichting draagt de overheid een groot deel bij aan de meerkosten van de inzet van hernieuwbare waterstof in de industrie tot en met 2030. Afhankelijk van de hoogte van de jaarverplichting – er zijn twee ingroeipaden geconsulteerd van 8% en 24% in 2030 – draagt de overheid circa 75% tot 90% van de meerkosten bij via productie- en vraagsubsidies. Naast de uitwerking van een vraagsubsidie-instrument verkent het kabinet de mogelijkheden tot vraagstimulering verderop in de ketens om meer trekkracht te genereren. Dit sluit aan bij de oproep die 77 partijen (brancheverenigingen en bedrijven) recent hebben gedaan aan het adres van Eurocommissaris Wopke Hoekstra.
Hoe kijkt u naar de potentie weggelegd voor paarse waterstof?
Waterstof geproduceerd uit nucleaire energie kan op termijn een bijdrage leveren aan een klimaatneutrale energiehuishouding in Nederland. Door de omzetting van nucleaire elektriciteit naar koolstofarme gassen via elektrolyse kan nucleaire energie breder worden ingezet in sectoren die niet gemakkelijk te verduurzamen zijn met elektriciteit (zware mobiliteit, hoge temperatuurwarmte). Daarnaast zijn gassen beter op te slaan en goedkoper te transporteren dan elektriciteit. Naar verwachting zal de productie van waterstof door nucleaire installaties het eerst plaatsvinden in landen met een groot bestaand nucleair productiepark, zoals Frankrijk.
Bent u bereid om een onderzoek uit te zetten naar de mogelijke kostencompetitiviteit van paarse waterstof ten opzichte van andere kleuren?
Het kostenverschil tussen waterstof uit kernenergie en andere typen waterstof zal met name worden bepaald door de kosten van de gebruikte energiebronnen. Omdat naar verwachting het nog relatief lang duurt voordat nucleaire installaties in Nederland actief kunnen produceren (ten minste 2035 en verder) vergt dat aannames over lange termijnprijzen van o.a. aardgas en hernieuwbare elektriciteitsproductie. Hiervoor gelden grote onzekerheidsmarges.
Canada en het Verenigd Koninkrijk zijn al verder met haalbaarheidsstudies en kostenvergelijkingen voor waterstof uit kernenergie. Het kabinet is met deze landen en internationale organisaties als het IAEA in gesprek om van hun onderzoek te leren en zal de Kamer op de hoogte brengen van de uitkomsten. Op basis van deze opbrengst zal het kabinet bezien hoe invulling te geven aan een onderzoek voor de Nederlandse context.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat over waterstof, groen gas en andere energiedragers beantwoorden?
Ja
Het artikel 'Verzoek NAM om gas te winnen in Warffum afgewezen' |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het besluit van SodM om gaswinning vanuit het gasveld bij Warffum na 31 december 2024 niet te zullen gedogen?1
De bevoegdheid om deze beslissing te nemen ligt geheel bij SodM. Ik heb hierin geen rol en respecteer de beslissing.
Hoe lang verwacht u dat het zal duren voordat de vergunning definitief wordt verlengd? Welke stappen moeten hiervoor nog worden doorlopen en wat zijn daarvan de doorlooptijden?
Op dit moment ligt het conceptbesluit op het winningsplan ter inzage. Tot en met 22 januari 2025 kunnen zienswijzen worden ingediend. Hierna wordt een definitief besluit opgesteld. Voor het beoordelen en het verwerken van de zienswijzen is tijd nodig. Hoeveel tijd hiervoor nodig is, is afhankelijk van de ontvangen zienswijzen. De verwachting is dat het definitieve besluit op zijn vroegst in maart 2025 kan worden gepubliceerd. Dit definitieve besluit treedt zes weken na publicatie in werking.
Hoe komt een besluit van SodM om handhaving tijdelijk uit te stellen tot stand?
Een mijnbouwbedrijf kan hiertoe een verzoek indienen bij SodM. SodM heeft in 2022, in een brief gericht aan de mijnbouwondernemingen, aangegeven welke aspecten bij de beoordeling worden meegewogen:2
Verder geeft SodM in de brief aan dat het tijdelijk afzien van handhaving geen definitief standpunt is over de verhouding tussen de overtreding en de belangen van derde(n). Indien een belanghebbende een verzoek doet om handhaving, beoordeelt SodM de zaak opnieuw.
De bevoegdheid om een beslissing te nemen om handhaving uit te stellen, ligt bij SodM.
Op welke wettelijke gronden is SodM verplicht om een verzoek te toetsen? Hoe wordt bepaald wat daarbij het zwaarst wegende criterium is?
De Mijnbouwwet bevat geen toetsingsgronden voor een dergelijk verzoek. SodM heeft in beginsel een plicht om te handhaven, maar kan daar bij bijzondere omstandigheden van afzien. Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven, heeft SodM in 2022 in een brief aan de mijnbouwondernemingen aangegeven hoe zij met dergelijke verzoeken omgaat. Het is aan SodM om een verzoek te beoordelen en daarover te beslissen.
Is de maatschappelijke onrust een wettelijke grondslag voor SodM om de gedoogbeschikking niet te verlenen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 bevat de Mijnbouwwet geen grondslagen op grond waarvan SodM een verzoek om tijdelijk niet te handhaven beoordeelt. SodM heeft in haar brief uit 2022 benoemd dat maatschappelijke onrust een overweging is die meespeelt in de beoordeling van een verzoek om af te zien van handhaving. Het is aan SodM om die afweging te maken.
SodM geeft aan dat het eventueel gedogen van gaswinning bij Warffum onrust veroorzaakt, wat was er volgens SodM nodig om het vertrouwen van de omgeving te herstellen?
De bevoegdheid om de beslissing te nemen ligt bij SodM. Om deze reden heeft het kabinet voor het beantwoorden van deze vraag en vraag 7 SodM om een reactie gevraagd. SodM geeft aan: «Het verzoek om af te zien van handhavend optreden ten aanzien van gaswinning bij Warffum – dat SodM op 13 december jl. van de NAM ontving – is getoetst aan de aspecten die zijn genoemd in de brief uit 2022. De NAM is in dat verzoek niet ingegaan op de onrust die is veroorzaakt. SodM heeft contact gehad met provincie, gemeente en groeperingen van bewoners over het eventueel gedogen van de gaswinning bij Warffum. Uit deze gesprekken is gebleken dat de omgeving zich niet door de NAM gehoord voelt en dat het eventueel gedogen vanaf 1 januari 2025 van de gaswinning aldaar – zeker na de uitkomst van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen – een nog grotere mate van onrust heeft veroorzaakt. Het is aan de NAM om deze onrust te adresseren en na te gaan wat ervoor nodig is om deze onrust te beperken of weg te nemen.»
Wat is de mening van SodM over de maatschappelijke onrust ten aanzien van het voorlopige kabinetsbesluit om de gaswinning te verlengen?
SodM geeft aan: «SodM heeft op 22 december 2022 een advies uitgebracht over het winningsplan Warffum. In het advies geeft SodM aan dat de winning veilig kan plaatsvinden. Het is een positief advies, waarin maatschappelijke onrust niet expliciet is geadresseerd. De Minister heeft het advies verwerkt in het gepubliceerde ontwerpbesluit. Gelet op de uitkomst van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen zou het goed zijn geweest als SodM destijds in het advies uitdrukkelijker was ingegaan op het burgerperspectief.»
Welke verschillen zou de omgeving merken tussen de situatie nu, waarbij de NAM gas wint bij Warffum met vergunning, en een situatie waarbij de NAM gas wint bij Warffum en dit wordt gedoogd?
De fysieke situatie zou niet zijn gewijzigd. Indien SodM de beslissing had genomen om af te zien van handhaving, had de NAM zich nog steeds moeten houden aan de voorwaarden van het winningsplan uit 2005.
Geothermiebronnen en het maatschappelijk prioriteringskader netcongestie. |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u dat het benutten van geothermie niet alleen belangrijk is om te komen tot duurzame warmtesystemen, maar ook kan bijdragen aan het verlagen van de druk op het elektriciteitsnet door het verlagen van de vraag naar elektriciteit voor verwarming in de glastuinbouw en de gebouwde omgeving?
Ja. Een geothermiebron levert een grote hoeveelheid duurzame warmte die kan worden gevoed aan een collectief warmtesysteem voor de gebouwde omgeving of gebruikt kan worden in kassen. De warmte is van hoge kwaliteit en er is minimale opwaardering nodig voor gebruik in het warmtenet of in kassen. Dit vermindert de totale elektriciteitsvraag en verlicht daarmee de druk op het stroomnet waardoor netbeheerders het elektriciteitsnet minder hoeven uit te breiden. In de gebouwde omgeving heeft het warmtenet een positief effect op de elektriciteitsvraag omdat het de inzet van individuele warmtepompen verlaagt.
Klopt het dat in het maatschappelijk prioriteringskader bij netcongestie klanten die zorgen voor vermindering van netcongestie, de congestieverzachters, de hoogste prioriteit op de wachtlijst krijgen?
Ja; wanneer een congestieverzachter wordt aangesloten op het stroomnet, dan is het netto-effect voor het stroomnet als geheel positief en komt per saldo ruimte op het stroomnet vrij. Daarmee dragen deze aangeslotenen direct bij aan de lokale oplossing. In het prioriteringskader, waarbij het gaat om het toedelen van schaarse transportcapaciteit aan actoren die maatschappelijk van groot belang zijn of bij kunnen dragen aan oplossen van het probleem, hebben aangeslotenen binnen deze categorie daarom inderdaad hoogste prioriteit.
Is het juist dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) warmtebronnen zoals geothermie niet heeft gecategoriseerd als congestieverzachter of basisbehoefte en er dus geen ruimte is om een geothermiebron van elektriciteit te voorzien als er congestie is afgekondigd?
Het is correct dat een geothermiebron door de ACM niet is opgenomen in het maatschappelijk prioriteringskader. Onder congestieverzachter verstaat het kader een partij die het stroomnet direct ontlast en hierover contractuele afspraken heeft gemaakt met de netbeheerder, waardoor er transportcapaciteit beschikbaar komt. Bijvoorbeeld een batterij die op moment van invoedingscongestie oplaadt, waardoor er meer ruimte vrijkomt voor andere partijen op de wachtrij om elektriciteit in te voeden op het net. Geothermie is een van de duurzame warmtebronnen. Collectieve warmtesystemen zorgen ervoor dat minder elektrische warmte nodig is. Het aansluiten van de warmtebron is daarmee wel helpend voor het voorkomen van nog verdere uitbreiding van het elektriciteitsnet, maar geen direct ontlastende factor voor het stroomnet en daarmee geen congestieverzachter. Geothermie is niet gecategoriseerd als basisbehoefte in het prioriteringskader. Onder basisbehoeften verstaat het kader primaire levensbehoeften, zoals wonen en (in de leeftijd waar sprake is van leerplicht) onderwijs. Warmtenetten komen wel in aanmerking voor prioriteit onder de categorie basisbehoeften. Daarnaast kunnen ook collectieve warmtevoorzieningen bij nieuwbouwprojecten prioriteit krijgen onder de basisbehoefte woningbouw. Dit sluit deels aan bij de ambities van de warmtetransitie en ook wordt daarmee de druk op het elektriciteitsnet verlicht.
Geothermiebronnen kunnen in geval van netcongestie geen reguliere Aansluit- Transportovereenkomst (ATO) krijgen. Wel kunnen zij, net als andere netgebruikers in congestiegebied, door flexibel netgebruik een alternatief transportrecht aangaan met de netbeheerders. Bijvoorbeeld door het productieproces aan te passen, of middels eigen opwek en opslag de momenten waarop geen transportcapaciteit is gecontracteerd in het volledige benodigde vermogen te voorzien. Met flexibel netgebruik zijn er dus mogelijkheden om de geothermiebron van elektriciteit te voorzien.
In hoeverre en in welke mate is netcongestie een oorzaak van het ook door het kabinet erkende achterblijven van de ontwikkeling van geothermie als warmtebron voor warmtenetten? Kunt u hier een inschatting van geven?
Bij het kabinet is niet bekend dat er geothermieprojecten zijn waar netcongestie op dit moment een remmende rol speelt. Het kabinet heeft wel signalen ontvangen dat het in de toekomst een remmende factor kan zijn.
Kunt u tevens een inschatting maken van de omvang van de potentiële bijdrage aan het verzachten en/of oplossen van congestie die nu niet wordt benut doordat geothermiebronnen niet kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet?
Een geothermiebron is een van de warmtebronnen om een collectief warmtenet te voorzien van warm water. Een buurt die volledig overstapt op all-electric warmtepompen verbruikt gemiddeld 4 keer meer elektriciteit dan een buurt die collectief verwarmd wordt met geothermie als warmtebron. De exacte besparing is sterk afhankelijk van meerdere factoren, zoals grootte van de warmtevoorziening en de bronnenmix die het collectieve warmtenet voedt.
Welke mogelijkheden ziet u om geothermiebronnen alsnog prioriteit te geven in het maatschappelijk prioriteringskader, zodat deze effectief bij kunnen dragen aan de warmtetransitie en aan het verzachten en/of voorkomen van netcongestie door het voorkomen van elektrificatie?
Het kabinet erkent dat een succesvolle warmtetransitie de druk op het stroomnet verlaagt en daarmee een bijdrage kan leveren aan het verzachten van de congestieproblematiek. Op basis van de Europese wetgeving is de nationaal regulerende instantie, in Nederland de ACM, de bevoegde instantie om regels te maken over nettoegang en de verdeling van de schaarse netcapaciteit. Het is dus aan de ACM om het prioriteringskader aan te passen. De ACM heeft aangekondigd het prioriteringskader binnen twee jaar na inwerkingtreding te evalueren. Het kabinet zal dit punt aan de ACM meegeven in het kader van die geplande evaluatie.