De antwoorden op eerdere vragen over het opleggen van budgetplafonds aan Pro Persona door de zorgverzekeraars |
|
Sarah Dobbe (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Op basis waarvan oordeelt u dat omzetplafonds een effectief middel zijn voor zorgverzekeraars om de «schaarse personele inzet en schaarse middelen zo goed mogelijk te verdelen en idealiter terecht te laten komen bij de mensen die de zorg het hardst nodig hebben»? Zorgen de omzetplafonds er niet juist voor dat het juist minder aantrekkelijk wordt om de mensen die de meeste zorg nodig hebben te helpen?1
De toegankelijkheid van de ggz moet beter, zeker voor mensen met ernstige, complexe psychische problematiek. Het is aan zowel zorgaanbieders, zorgprofessionals als zorgverzekeraars om ervoor te zorgen dat de patiënt de zorg krijgt die hij nodig heeft. Het is aan de zorgprofessional om via een goede triage ervoor te zorgen dat de patiënt met de meest noodzakelijke zorgvraag deze ook tijdig krijgt. Het is aan de zorgaanbieder om patiënten die te lang op zorg moeten wachten actief te wijzen op de mogelijkheid van zorgbemiddeling via hun zorgverzekeraar, zodat met behulp van de zorgverzekeraar deze patiënten sneller in zorg komen. Het is aan zorgverzekeraar om ervoor te zorgen dat deze voldoende kwalitatief goede zorg inkoopt en bij wachtlijsten patiënten bemiddelt naar aanbieders die plek hebben. Verzekeraars moeten, via de zorginkoop, niet alleen maar sturen op het behandelen van zoveel mogelijk patiënten, maar zij moeten er ook voor moeten zorgen dat de zorg terecht komt bij de cliënten die de zorg het hardst nodig hebben.
In de ggz is sprake van een grotere vraag naar ggz-zorg dan dat er aanbod beschikbaar is, waardoor er op dit moment sprake is van een verdelingsvraagstuk van de beschikbare capaciteit. Uit interne analyses van de NZa over de werking van omzetplafonds komt het beeld naar voren dat omzetplafonds door zorgverzekeraars vooral worden ingezet om de schaarse personele capaciteit zo goed mogelijk te verdelen en niet zozeer om financiële besparingen te realiseren. Zij zien bijvoorbeeld dat er in regio’s waar zorgverzekeraars omzetplafonds hanteren geen sprake is van onbenutte capaciteit. Wat opvalt is dat de grote ggz-instellingen hun budget niet volmaken, wat komt door een tekort aan voldoende psychologen en psychiaters. Daarnaast helpt de sturing van zorgverzekeraars met omzetplafonds ook juist om meer personele capaciteit van aanbieders met laagcomplexe ggz meer te bewegen richting de gespecialiseerde instellingen, waar de wachtlijsten het langste zijn.
Waarom zegt u dat verzekerden recht hebben «op zorg binnen de treeknorm en redelijke reisafstand», terwijl u weet dat de treeknormen in de ggz bij ruim veertig procent van de wachtenden wordt overschreden en nota bene uw eigen ministerie hier gegevens over publiceert? Waarom wijst u op «waarborgen» in het systeem als u weet dat deze waarborgen niet in de praktijk worden toegepast?2
Het klopt dat de treeknormen in de ggz voor veel wachtenden worden overschreden. Dat neemt niet weg dat de treeknormen wel een waarborg zijn in het systeem. Een zorgaanbieder is namelijk verplicht om de verzekerde naar de verzekeraar te verwijzen voor zorgbemiddeling als er sprake is van een wachtlijst langer dan de treeknorm. De verzekeraar is vervolgens vanuit zijn zorgplicht verplicht om de verzekerde te bemiddelen naar een plek binnen de treeknorm. Kan de verzekeraar vervolgens op een andere plek geen passende zorg bieden binnen de treeknorm, dan moet er worden bij gecontracteerd, of moet de zorg – als deze bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder wordt betrokken – alsnog vergoed worden alsof er sprake is van een contract (zonder een eigen bijdrage voor de verzekerde).
Door de gestegen zorgvraag, waarbij het aanbod niet in dezelfde mate is meegestegen, werken deze waarborgen helaas onvoldoende en is er meer nodig om ervoor te zorgen dat de wachttijden worden verkort, zeker voor mensen met ernstige, complexe psychische problematiek. Daar werk ik hard aan met de zorgverzekeraars, zorgaanbieders en professionals. Zo zijn in het Integraal Zorgakkoord afspraken gemaakt om onnodige instroom in de ggz te voorkomen, over het vormen van een regionale ggz-wachtlijst en over het creëren van meer behandelcapaciteit, bijvoorbeeld door meer in te zetten op hybride zorg.
Ik ga hier bovenop aanvullende stappen zetten en bouw daarbij voort op de beweging die met het Integraal Zorgakkoord in gang is gezet. De aanvullende maatregelen neem ik langs de volgende lijnen. Ik zet in op het verbeteren van mentale gezondheid, het voorkomen van instroom in de ggz en het verbeteren van prikkels in het stelsel. Zorgaanbieders en financiers hebben er dan alle belang bij om de zorg te richten op de meest kwetsbaren. Als laatste zet ik in op het bevorderen van uitstroom uit de ggz. De maatregelen zullen landen in zowel het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord dat u later dit jaar ontvangt en de Werkagenda mentale gezondheid en ggz waar ik uw Kamer begin volgend jaar over informeer.
Daarnaast heeft de NZa recentelijk de regelgeving explicieter gemaakt, waarbij zorgaanbieders verplicht moeten wijzen op zorgbemiddeling. De NZa is recentelijk gestart met een onderzoek (0 meting) op de daadwerkelijke naleving hiervan.
Hoe kunt u beweren dat het «niet zo [is] dat door omzetplafonds minder patiënten in de ggz geholpen kunnen worden», als u tegelijkertijd toegeeft dat u ook «geen zicht [heeft] op het effect van budgetplafonds op het aantal behandelde mensen» en dat u «geen zicht [heeft] op welke middelen en tijd [...] worden ingezet» voor het herinrichten van de zorg, als gevolg van deze budgetplafonds? Hoe rijmt u deze antwoorden met elkaar? Heeft u geen inzicht nodig in de effecten van de budgetplafonds om te kunnen beoordelen of deze effecten positief of negatief zijn?
In de beantwoording op de vorige Kamervragen3 gaf ik aan dat het niet per definitie zo is dat omzetplafonds bij specifieke aanbieders ervoor zorgen dat er over het geheel minder patiënten behandeld kunnen worden. Er is sprake van een tekort aan behandelcapaciteit dat niet snel uit te breiden is, omdat we tegen de grenzen van het beschikbare zorgpersoneel en de beschikbare plekken aanlopen.
Uit interne analyses van de NZa komt naar voren dat in regio’s waar zorgverzekeraars omzetplafonds hanteren, geen sprake is van onbenutte capaciteit. Wat hierbij opvalt is dat de grote ggz-instellingen hun budget niet volmaken door een tekort aan voldoende psychologen en psychiaters. Verzekeraars moeten niet alleen maar sturen op het behandelen van zoveel mogelijk cliënten, maar er ook voor moeten zorgen dat de zorg terecht komt bij de cliënten die de zorg het hardst nodig hebben en hier kunnen afspraken over omzetplafonds voor gebruikt worden. Uit de analyse van de NZa is niet naar voren gekomen dat omzetplafonds in de GGZ worden gebruikt om geld te besparen.
Waarom stelt u «Dat omzetplafonds worden gehanteerd, mag niet betekenen dat er onvoldoende beschikbare zorg wordt ingekocht door de verzekeraar ten opzichte van zijn verzekerden», als duidelijk uit de brandbrief van de gezamenlijke cliëntenraden van Pro Persona GGZ blijkt dat dit in de praktijk wel gebeurt? Denkt u dat deze cliëntenraden ernaast zitten? Zo ja, waar baseert u dit op? Wat gaat u doen op het moment dat verzekeraars zoals in dat geval te weinig zorg inkopen?
In Nederland is het zo geregeld dat de zorgverzekeraars zorgplicht hebben en op basis hiervan voldoende zorg in moeten kopen voor iedereen die zorg nodig heeft. De NZa is verantwoordelijk voor het toezicht op zorgverzekeraars met betrekking tot de zorgplicht. De zorgplicht houdt niet in dat er een recht is op zorg bij een specifieke zorgaanbieder, maar wel een recht op zorg heeft binnen een redelijke termijn en afstand. Als een verzekerde door een budgetplafond niet, of later, terecht kan bij een specifieke aanbieder is het aan de zorgverzekeraar om de verzekerde te bemiddelen naar een plek binnen de treeknorm bij een andere aanbieder.
De zorgplicht is grotendeels een open norm. Zorgverzekeraars hebben een eigen verantwoordelijkheid om hier – binnen de kaders van de wet- en regelgeving – invulling aan te geven. Naar aanleiding van de wachtlijsten in de ggz heeft de NZa met zorgverzekeraars de zorgplicht nader verduidelijkt en aangescherpt. De NZa verwacht dat zorgverzekeraars nadrukkelijker invulling geven aan een signaleringsproces: het achterhalen van behoeften en knelpunten in het zorgaanbod, het bepalen van mogelijke gevolgen voor verzekerden en het uitwerken van manieren om dit op te lossen. Ten slotte kijkt de NZa naar de afspraken die zorgverzekeraars hebben met zorgaanbieders en de resultaten van zorgbemiddeling. Een aantal zorgverzekeraars is op basis van de verduidelijking van de zorgplicht aangesproken door de NZa, waarbij ze de invulling van hun zorgplicht moeten verbeteren. De NZa verwacht van de betreffende zorgverzekeraars dat zij de verbeterpunten opvolgen. De nacontroles door de NZa hebben vorige week plaatsgevonden. De conclusies hiervan zijn nog niet beschikbaar.
Ten aanzien van de brandbrief van de cliëntenraden van Pro Persona heb ik geen rol in de individuele casuïstiek, maar ben ik wel verantwoordelijk voor het overkoepelde vraagstuk van het tekort aan capaciteit om de zorgvraag op te vangen. Op dit moment moeten patiënten te lang op de noodzakelijke zorg wachten. Ik snap dan ook heel goed dat de cliëntenraden van Pro Persona ggz zich zorgen maken. Daarom wil ik graag met hen in overleg treden, samen met zorgverzekeraars en de NZa, om hun ervaringen te gebruiken bij het verder verbeteren van het systeem. Met als doel de wachtlijsten voor individuele patiënten te verkorten. Daarmee geef ik ook vorm aan de wens van uw Kamer4 om een reactie te geven op de brandbrief van Pro Persona. Ik koppel de uitkomsten van dat gesprek terug in de volgende brief die betrekking heeft op de ggz.
De te lange wachttijden in de ggz vind ik een onwenselijke situatie. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, zet ik daarom in op aanvullende maatregelen langs vier lijnen. Eén van de lijnen is het verbeteren van de financiële prikkels in het stelsel. Ik denk daarbij aan maatregelen als het stimuleren van het gebruiken van de «zorgzwaarte» (zorgvraagtypering) bij de contractering van zorg door zorgverzekeraars, zodat zowel zorgaanbieders als financiers er alle belang bij hebben om de zorg te richten op de meest kwetsbaren. Daarnaast gaat de Minister van VWS onderzoek laten doen om de risicoverevening voor ernstig chronische zieke ggz-patiënten verder te verbeteren, door gebruik te maken van de gegevensstroom van de zorgvraagtypering, die meer inzicht geeft in de zorgzwaarte; per 2028 is hiervoor voldoende data beschikbaar. Verder is met de sector afgesproken om de cruciale ggz vanaf 2026 waar nodig gelijkgericht in te kopen. Ik ben actief met het veld in gesprek om te bepalen of er meer nodig is.
Waarom stelt u in antwoord op vraag 5 dat de zorgverzekeraar mensen moet doorverwijzen naar een aanbieder die de zorg wel kan leveren, als het niet de aanbieders zijn, maar de zorgverzekeraar die het budgetplafond bepaalt? Hoezo is het dan een «alternatief» als mensen naar een instelling buiten de eigen regio worden verwezen? Ziet u met ons het probleem dat mensen worden doorgeschoven en doorverwijzingen vaak betekenen dat mensen elders op een wachtlijst komen te staan?
De zorgverzekeraar moet voldoende zorg inkopen om aan zijn zorgplicht te kunnen voldoen. In de contractuele afspraken kan de zorgverzekeraar een omzetplafond afspreken om bijvoorbeeld te zorgen dat patiënten met een zwaardere en urgentere zorgvraag eerder geholpen worden. Als patiënten niet binnen redelijke termijn en afstand geholpen kunnen worden, is het aan de zorgverzekeraar om te bemiddelen naar een andere zorgaanbieder of om bij te contracteren.
De zorgverzekeraars hebben alleen geen zicht op wie van hun verzekerden er op de wachtlijst bij welke individuele aanbieder staat en ook niet op de mate van urgentie van de zorgvraag van de wachtenden patiënten. Als de zorgaanbieder de patiënt op de wachtlijst plaatst en niet doorverwijst naar de zorgverzekeraars dan kan de zorgverzekeraar dus ook niet bemiddelen naar een aanbieder die de patiënt in zorg kan nemen.
Het is voor het terugdringen van wachtlijsten daarom belangrijk dat duidelijk is wie bij welke zorgaanbieder voor welk behandelgebied op de wachtlijst staat. Dit inzicht stelt zorgverzekeraars in staat om meer te doen tegen lange wachtlijsten door gerichtere zorginkoop en door nog actievere zorgbemiddeling. Als een zorgverzekeraar bijvoorbeeld weet dat zijn verzekerde X op de wachtlijst staat bij zorgaanbieder Y voor behandelsoort Z, dan kan de zorgverzekeraar actief de verzekerde benaderen om te vertellen dat hij sneller geholpen kan worden bij een andere zorgaanbieder. Uiteraard moet dit passen binnen de kaders van de privacywetgeving, waaronder de criteria van noodzakelijkheid en proportionaliteit. We verkennen dan ook samen met de zorgverzekeraars en andere betrokken partijen steeds of en hoe dat inzicht verbeterd kan worden en betrekken daarbij ook nadrukkelijk de privacywetgeving
Daarnaast worden vanuit het Integraal Zorgakkoord stappen gezet om het regionaal inzicht in wachtlijsten te verbeteren vanaf 2026. Dat zit hem enerzijds in het verbeteren van bestaande wachttijdinformatie. Anderzijds zit hem dat in het op regionaal niveau inzichtelijk maken van behandelaanbod, verdeling van in- en exclusiecriteria en intakecapaciteit voor een bepaalde periode. Dit moet zorgverzekeraars gaan helpen om cliënten tijdiger naar de juiste zorg te bemiddelen.
Is het niet overduidelijk dat deze budgetplafonds niet helpen om zorgaanbieders te stimuleren de wachtlijsten in de ggz zoveel mogelijk terug te brengen als zorgaanbieders hierdoor letterlijk gratis zorg moeten leveren?
Omzetplafonds zijn een belangrijk instrument voor zorgverzekeraars om de bestaande zorgcapaciteit zo goed mogelijk te benutten en hiermee te sturen dat zwaardere en urgentere zorgvragen eerder worden geholpen. Deze zorg die wordt geleverd wordt vergoed, conform de contractuele afspraken. Het kan zijn dat de zorgaanbieder en zorgverzekeraar een doorleverplicht zijn overeengekomen. Dit is een afspraak waarbij de zorg geleverd moet worden, nadat het omzetplafond is bereikt.
Bent u bereid om in kaart te brengen wat de effecten zijn van omzetplafonds op het aantal patiënten dat behandeld wordt in de ggz en de mate waarin mensen met de grootste zorgvraag geholpen worden? Zo nee, waarom niet?
Nee, op die manier zou ik het niet willen. Ik vind het belangrijk dat iedereen die recht op zorg heeft dit ook krijgt. Hier wil ik mij voor inzetten. Regionale samenwerking op mentale gezondheid en cruciale zorg is noodzakelijk om te zorgen dat alle capaciteit optimaal benut wordt. In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord wil ik hier met partijen afspraken over maken om hiermee aan de slag te gaan en het verschil voor patiënten te kunnen maken.
Wat zijn volgens u de gevolgen als budgetplafonds worden afgeschaft?
Zonder omzetplafonds is het risico groter dat meer van de beschikbare capaciteit op zou gaan aan mensen die de zorg minder hard nodig hebben, waardoor mensen die de zorg het hardst nodig hebben langer moeten wachten voordat er voor hen weer capaciteit beschikbaar is. Op grond van interne analyses constateert de NZa nu al dat gespecialiseerde instellingen, die complexe zorg leveren hun budget niet volmaken door een tekort aan voldoende psychologen en psychiaters.
Hoe rijmt u het antwoord op vraag 12 met uw eerdere constatering dat er een wettelijke zorgplicht is? Betekent dit dat de wettelijke zorgplicht ondergeschikt is aan de betaalbaarheid van zorg? En wat is dan het criterium voor «betaalbaarheid»? Wie bepaalt dit?
De wettelijke zorgplicht is niet ondergeschikt aan de betaalbaarheid van de zorg. Zorgverzekeraars hebben zorgplicht, dat is wettelijk geregeld. Daarnaast hebben zorgverzekeraars de plicht om te bewaken dat de kosten voor de zorg niet onnodig hoog zijn, door toe te zien op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de zorg. Ik merk overigens graag op dat de afgelopen jaren het macrokader voor de ggz flink is overschreden.
Waarom stelt u dat het niet past dat u zich zou mengen in de gesprekken over deze budgetplafonds? Wat is dan volgens u uw taak als Staatssecretaris? Bent u het met ons eens dat u stelselverantwoordelijke bent? Zo ja, wat houdt deze verantwoordelijkheid volgens u precies in?
In ons stelsel zijn zorgaanbieders en zorgverzekeraars private partijen die met elkaar contracten sluiten. Wel gelden daarbij publieke randvoorwaarden, zoals onder andere de zorgplicht van de zorgverzekeraars. In dit stelsel ben ik dus niet degene die gaat over de contracten die zorgaanbieders met zorgverzekeraars afsluiten. Wel ben ik – via de NZa – verantwoordelijk voor het naleven van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
Het wegschrijven van verwijzingen naar genderbeleid en SRGR in antwoorden op schriftelijke vragen |
|
Derk Boswijk (CDA), Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Kloppen de wijzigingen die u volgens de bijgevoegde beslisnota’s heeft aangebracht in antwoorden op schriftelijke vragen van zowel het lid Dobbe1 en het lid Boswijk?2 Zo nee, kunt u deze beslisnota’s corrigeren?
Ja de wijzigingen zijn correct. In de beslisnota bij de Kamervragen van het lid Boswijk (CDA) over de Ukraine Recovery Conference staat «de referenties aan algemeen Nederlands genderbeleid zijn verwijderd in de beantwoording van de vragen 1 en 3». Dit had echter vraag 2 en 3 moeten zijn.
Volgens de beslisnota heeft u de zinsnede «investeert in mensen- en vrouwenrechten» vervangen door «heeft aandacht voor mensen- en vrouwenrechten» in antwoorden op het lid Dobbe3, waarom heeft u deze wijziging aangebracht? Wat betekent het als het ministerie slechts «aandacht heeft» voor mensen- en vrouwenrechten in plaats van dat het investeert?
De genoemde wijzigingen zijn tekstueel en houden geen wijziging van beleid in. Mensen- en vrouwenrechten inclusief gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) maken onderdeel uit van het Nederlandse buitenlandsbeleid. Dat komt ook naar voren in de Memorie van Toelichting voor 2025 die uw Kamer is toegegaan.
De prioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid zijn ongewijzigd; vrouwenrechten en rechten van lhbtiq+ personen maken onderdeel uit van die prioriteiten. De komende maanden wordt het beleid voor Ontwikkelingshulp nader uitgewerkt. Over de plek die vrouwenrechten, gendergelijkheid en SRGR daarin innemen, wordt uw Kamer te zijner tijd geïnformeerd.
Volgens de beslisnota heeft u de zinsnede «inclusief het volledige spectrum van SRGR» laten verwijderen in antwoorden op het lid Dobbe4, Waarom heeft u deze wijziging aangebracht en wat betekent dit voor uitvoering van het beleid?
De aangebrachte wijzigingen zijn tekstueel en houden geen wijziging van beleid in. SRGR blijft benoemd in het antwoord.
Volgens de beslisnota heeft u het woord «gendergelijkheid» vervangen door «gelijkheid» in antwoorden op het lid Dobbe5, waarom heeft u deze wijziging aangebracht en wat betekent dit voor uitvoering van het beleid?
De aangebrachte wijzigingen zijn tekstueel en houden geen wijziging van beleid in.
Volgens de beslisnota zijn «conform uw verzoek» referenties naar algemeen Nederlands genderbeleid verwijderd in antwoorden op het lid Boswijk6, waarom heeft u dit verzoek gedaan? Wat betekent dit voor uitvoering van het beleid?
De aangebrachte wijzigingen houden geen wijziging van beleid in. Ook hier geldt dat mensen- en vrouwenrechten inclusief gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) onderdeel uitmaken van het Nederlandse buitenlandsbeleid zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting voor 2025.
De prioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid zijn ongewijzigd; vrouwenrechten en rechten van lhbtiq+ personen maken onderdeel uit van die prioriteiten. De komende maanden wordt het beleid voor Ontwikkelingshulp nader uitgewerkt. Over de plek die vrouwenrechten, gendergelijkheid en SRGR daarin innemen, wordt uw Kamer te zijner tijd geïnformeerd.
Volgens de beslisnota is «conform uw aanwijzing» het woord «cruciaal» vervangen door «belangrijk» in antwoorden op het lid Boswijk7, waarom heeft u deze aanwijzing gedaan? Wat is in deze context het verschil tussen «cruciaal» en «belangrijk»?
Omdat naast bescherming ook preventie van groot belang is in het kader van humanitaire actie, is het woord «cruciaal» aangepast naar «belangrijk».
Volgens de beslisnota is het zinsdeel «al dan niet genderspecifiek» vervangen door «specifiek» in antwoorden op het lid Boswijk8, waarom heeft u deze wijziging laten aanbrengen en wat betekent dit voor uitvoering van het beleid?
De aangebrachte wijzigingen zijn tekstueel en houden geen wijziging van beleid in.
Welk belang hecht u aan vrouwenrechten, gendergelijkheid en Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR)?
Binnen het mensenrechtenbeleid hanteert het kabinet naast vrijheid van religie en levensovertuiging, vrijheid van meningsuiting online en offline en bescherming van mensenrechtenverdedigers en maatschappelijke ruimte ook gelijke rechten voor vrouwen en meisjes en voor lhbtiq+ personen. Binnen BHO geldt het bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid als een algemene doelstelling, zoals ook verwoord in het antwoord op vraag 2.
Het kabinet hecht belang aan goede toegang tot SRGR en keuzevrijheid van vrouwen en meisjes zodat zij zeggenschap hebben over hun eigen lichaam, leven en toekomst. Dit is belangrijk voor de gezondheid, welvaart en stabiliteit van een samenleving. Dit is ook in het belang van Nederland. Zorg rond seksualiteit, zwangerschap en geboorte is een belangrijk aspect van basisgezondheidszorg en vaak de aanleiding dat mensen voor het eerst in een kliniek komen. Dit is daarom ook het moment waarop zij gevaccineerd kunnen worden of gediagnostiseerd op (infectie-) ziekten. Toegang tot basisgezondheidszorg met focus op SRGR, draagt bij aan het terugdringen van moedersterfte, lagere kindersterfte maar ook het tegengaan van infectieziekten en uiteindelijk pandemieën.
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 wordt het beleid voor Ontwikkelingshulp de komende maanden nader uitgewerkt. Over de plek die vrouwenrechten, gendergelijkheid en SRGR daarin innemen, wordt uw Kamer te zijner tijd geïnformeerd.
Wat is uw reactie op de Sustainable Development Goal(SDG) Gender Index zoals gepubliceerd op 5 september 2024, waaruit blijkt dat wereldwijd ruim 1,1 miljard vrouwen in een land wonen waar de gendergelijkheid verslechtert of stagneert?9
De door Equal Measures gepubliceerde SDG Gender Index constateert dat verworven vrijheden en gelijke rechten van vrouwen in verschillende landen wereldwijd stagneren of verslechteren. Daarnaast stelt het rapport dat verschillende mondiale crises een negatieve impact hebben op het behalen van gendergelijkheid. Volgens het rapport raken druk op democratie, schaarste in middelen en toenemende conflicten vrouwen en meisjes disproportioneel.
Het kabinet herkent het beeld dat Equal Measures schetst. Dat beeld komt overeen met wat het kabinet constateert in het regeerprogramma, namelijk dat op veel plekken in de wereld de stabiliteit afneemt en de bestaanszekerheid verslechtert. Het kabinet wil middels conflictpreventie, wederopbouw, sociaaleconomische vooruitgang en bescherming van burgers in ontwikkelingslanden bijdragen aan de stabiliteit in kwetsbare landen.
Kunt u de vragen afzonderlijk en uitgebreid beantwoorden?
Ja.
De uitspraak dat Oekraïne Nederlandse F-16's in mag zetten in Rusland. |
|
Bart van Kent , Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat u het standpunt heeft ingenomen dat Oekraïne Nederlandse F-16’s op Russisch grondgebied mag inzetten?
Ja, mits Oekraïne zich bij de inzet houdt aan het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht.
Wanneer heeft de ministerraad tot dit standpunt besloten en wanneer kan de Tweede Kamer een brief en toelichting van dit besluit verwachten?
De beraadslagingen van de Ministerraad zijn geheim. Per de openbare besluitenlijst van de Ministerraad van 22 december 2023 is besloten om personele- en financiële middelen toe te wijzen voor de gereedstelling en levering van Nederlandse F-16’s aan Oekraïne. Voorafgaand aan de besluitvorming is gesproken over inzetvoorwaarden. De inzetvoorwaarden voor de F-16’s volgen het staande beleid voor de levering en inzet van militair materieel aan Oekraïne. Oekraïne heeft het recht zichzelf te verdedigen tegen de Russische agressie. Het uitvoeren van militaire operaties door Oekraïne ter verdediging van het grondgebied is geografisch niet beperkt tot het eigen grondgebied en kan dus ook plaatsvinden tegen legitieme militaire doelwitten die zich op het grondgebied van de agressor – in dit geval Rusland – bevinden. Beide partijen moeten zich houden aan het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Bij elke levering wordt een eindgebruikersverklaring ondertekend door de Oekraïense autoriteiten waarin dit wordt onderschreven, en waarin zij verder verklaren de enige gebruiker van de goederen te zijn en deze enkel ten behoeve van zelfverdediging in te zetten.
Wat is uw analyse ten opzichte van de risico's op escalatie die met dit besluit gepaard gaan? Kunt u deze analyse en de onderliggende adviezen of informatie die u hierover heeft ontvangen met de Kamer delen?
Het is belangrijk te benadrukken dat Rusland de agressor is. Met de grootschalige illegale invasie en de voortdurende agressie tegen Oekraïne veroorzaakt en continueert Rusland terreur, instabiliteit en onveiligheid in Oekraïne, en indirect ook in de bredere Europese regio. Oekraïne is een soeverein land dat het recht heeft om zich tegen deze grootschalige Russische agressieoorlog te verdedigen, op basis van artikel 51 van het VN-Handvest. Nederland, de NAVO en EU zijn niet uit op een conflict met Rusland. Tot nu toe heeft de militaire steunverlening aan Oekraïne er niet toe geleid dat Nederland of andere NAVO-landen direct bij het conflict betrokken zijn geraakt. Om Oekraïne ook in deze fase van het conflict in staat te stellen invulling te geven aan het legitieme recht op zelfverdediging, heeft een groot aantal internationale partners de militaire steun aan Oekraïne geïntensiveerd. Dat heeft ook geleid tot het kabinetsbesluit tot levering van de F-16’s. Oekraïne beschikte al over jachtvliegtuigen en bijbehorende munitie waardoor het leveren van F-16’s geen escalerende stap is. Om verdere escalatie te voorkomen kan Rusland zich overigens ieder moment terugtrekken uit Oekraïne, waarmee de oorlog zal stoppen.
Het besluit omtrent de inzet van F-16’s boven Russisch grondgebied is getoetst aan het EU gemeenschappelijk standpunt inzake wapenexport. Het risico tot mogelijke escalatie wordt standaard meegenomen in de overweging tot levering van geleverde militaire goederen aan Oekraïne, inclusief goederen die nog niet eerder aan Oekraïne zijn overhandigd. Sinds februari 2022 hebben Nederland en internationale partners in toenemende mate geavanceerde militaire goederen geleverd aan Oekraïne. Deze leveringen hebben tot op heden niet geleid tot substantieel escalerende maatregelen door Rusland. De afwegingen voorafgaand aan de levering van F-16’s zijn gebaseerd op interne en externe discussies, gesprekken met partners op verschillende niveaus, voorgaande ervaringen en andere analyses door derden. Gezien de vertrouwelijke aard van deze overwegingen en de afspraken met internationale partners omtrent informatieveiligheid kan het kabinet hierover niet communiceren.
Kunt u uitsluiten dat Nederland of andere NAVO-landen door deze stap direct bij het conflict betrokken raken? Kunt u uitgebreid reageren?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt dit standpunt zich tot restricties die andere NAVO-landen, zoals de Verenigde Staten, wel opgelegd hebben aan de militaire steun en wapens die ze leveren?
Het kabinet gaat niet in op de beleidskeuzes van individuele landen. Verschillende Europese partners leggen geen restricties op aan inzet van gedoneerd materieel door Oekraïne, buiten de eerder genoemde juridische overwegingen. Nederland pleit in internationaal verband voor het opheffen van restricties omtrent het inzetten van aan Oekraïne gedoneerd militair materieel, omdat het van cruciaal belang is dat Oekraïne zich zo goed mogelijk kan verdedigen tegen de Russische agressie. Dit is ook van belang voor onze veiligheid aangezien het tegengaan van de illegale agressie ook bepalend is voor de toekomst van Nederland en Europa.
Welke andere middelen worden momenteel onderzocht om de druk op Rusland om tot vredesonderhandelingen te komen te vergroten?
Rusland kan deze oorlog op elk moment stoppen door zijn troepen terug te trekken. Daar wijst de Nederlandse regering Rusland rechtstreeks op, bijvoorbeeld in de Verenigde Naties en in de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Helaas wijst niets erop dat Rusland voornemens is deze oorlog te stoppen. Nederland blijft zich, samen met Oekraïne en partners, inzetten voor een rechtvaardige en duurzame vrede, waarbij de principes uit het VN-Handvest, zoals het geweldsverbod, territoriale integriteit en soevereiniteit, leidend zijn.
In vrijwel alle bilaterale besprekingen met andere landen stelt Nederland de noodzaak van een vredesproces aan de orde. Zo moedigt het kabinet derde landen die nauwere banden hebben met Rusland aan Rusland te stimuleren deel te nemen aan het vredesproces. Op deze manier wil Nederland bijdragen aan de totstandkoming van een steeds grotere groep landen die het eens is over de basisprincipes voor een vredesproces om op die manier uiteindelijk Rusland en Oekraïne te overtuigen met elkaar aan tafel te gaan.
Ten slotte dient de politieke, militaire, financiële en morele steun aan Oekraïne ertoe om te zorgen dat Rusland zich gedwongen voelt om vredesonderhandelingen te starten. Het vergroot bovendien de kans dat dergelijke vredesonderhandelingen resulteren in een resultaat dat ook voor Oekraïne rechtvaardig en duurzaam is.
Welke andere sancties, naast de bestaande sanctiepakketten, of welk nieuw sanctiepakket zou op korte termijn opgelegd kunnen worden aan Rusland om de druk op te voeren en hoe bent u bereid om zich daarvoor in te zetten?
Het kabinet pleit in Europees verband actief voor aanvullende en verbeterde sancties om de druk op Rusland te verhogen waarbij alle opties op tafel liggen. Het kabinet brengt dit thema actief ter sprake in iedere Raad Buitenlandse Zaken en in bilaterale gesprekken met Europese en G7-partners. Het is niet in het belang van dit proces en de effectiviteit van sancties om hier in verder detail inzicht in te verschaffen.
Kunt u een stand van zaken geven over de ontwikkelingen ten aanzien van de inzet van bevroren Russische tegoeden op Westerse bankrekeningen waartoe opgeroepen in de motie Dobbe c.s.? (Kamerstuk 36 410 V, nr. 65)
Conform moties Krul c.s., Dobbe c.s. en Brekelmans c.s.1 zet Nederland zich in de EU in met de ambitie om aanvullende maatregelen op basis van (rente-inkomsten van) bevroren tegoeden van de Russische Centrale Bank te onderzoeken. Ten aanzien van het gebruik van de rente-inkomsten lopen op dit moment twee sporen. Ten eerste bereikte de EU op 21 mei jl. een akkoord over het heffen van een financiële bijdrage (van 99.7%) op de rente-inkomsten over de bevroren Russische Centrale Banktegoeden, die worden aangehouden door Europese centrale effectenbewaarinstellingen. Deze heffing komt ten goede aan Oekraïne. Volgens huidige inschatting zal dit circa 3 miljard euro per jaar beschikbaar maken voor steun aan Oekraïne, waarbij de precieze inkomsten afhankelijk zijn van de ontwikkeling van de rentestanden. De eerste tranche van € 1,5 miljard rente-inkomsten is op 26 juli jl. vrijgemaakt voor Oekraïne. Ten tweede heeft de G7 op 13 juli jl. een politiek akkoord bereikt over het verstrekken van leningen ter waarde van circa 50 miljard dollar waarbij de toekomstige rente-inkomsten worden gebruikt om deze te faciliteren. Het doel is om deze lening uiterlijk eind dit jaar rond te hebben. Verdere uitwerking van dit akkoord vindt op dit moment plaats in EU-verband. De Nederlandse inzet is dat de toekomstige Europese lening door Oekraïne op korte termijn kan worden besteed daar waar de noden het hoogst zijn, dit kan militaire steun zijn, maar ook steun voor wederopbouw of compensatie van schade. Dit moet waar mogelijk in consultatie met Oekraïne worden vastgesteld en dient bovenop de steun te komen die reeds op EU-niveau door lidstaten is toegezegd. Het kabinet blijft tevens onderzoeken of aanvullende maatregelen op basis van de bevroren tegoeden kunnen worden genomen.
Kunt u een stand van zaken geven ten aanzien van het ontduiken van bestaande sancties om de druk tegen Rusland op te voeren, en wat dit betekent voor de effectiviteit van deze sancties?
Rusland is in staat gebleken om via omwegen aan gesanctioneerde goederen te komen en zodoende EU-sancties te omzeilen. Hoewel deze omwegen de aanvoer compliceren en de kosten van de goederen aanzienlijk verhogen, zijn het zorgelijke signalen, in het bijzonder waar het zogenaamde common high priority-goederen betreft. Door omzeiling actief aan te blijven pakken kunnen de EU en haar partners het voor Rusland zo kostbaar mogelijk blijven maken om zijn aanvalsoorlog voort te zetten. De aanpak van omzeiling blijft dan ook een prioriteit voor het kabinet.
Kunt u een stand van zaken geven over de effectiviteit van de aanpak om sanctie-ontduiking tegen te gaan?
Op basis van onderzoeken van de EU heeft de diplomatieke outreach van de EU-sanctiegezant, alsmede de internationale en nationale maatregelen die zijn genomen om omzeiling tegen te gaan, wisselend succes. Een aantal landen waar voorheen veel omzeiling plaatsvond heeft nu maatregelen genomen waardoor dit afneemt. De kosten voor Russische afnemers blijven onverminderd hoog. Ook het listen van schepen, betrokken bij omzeiling, heeft impact, getuige ook het recente stilleggen van twee schepen die kort daarvoor op sanctielijsten geplaatst waren. Tegelijkertijd vindt omzeiling via nieuwe routes en wisselende methoden plaats. Realisme en een lange adem zijn daarom noodzakelijk; een robuuste en adaptieve aanpak van omzeiling zal nodig blijven zolang de sancties van kracht zijn.
Welke inspanningen worden momenteel geleverd om een vervolg op de vredesconferentie van afgelopen juni in Zwitserland te organiseren waarbij Russische vertegenwoordigers wel aanwezig zijn? Zijn hierover contacten tussen Westerse en Russische diplomaten?
Sinds de vredestop in Zwitserland (15-16 juni jl.) spreekt Oekraïne met andere landen over de organisatie van een tweede vredestop dit najaar. Nederland steunt deze ambitie en benadrukt in bilaterale gesprekken met andere landen de noodzaak om blijvende steun voor dit vredesproces om een rechtvaardige en duurzame vrede in Oekraïne te kunnen bewerkstelligen. Het kabinet moedigt landen, onder andere in bilaterale contacten, aan om een volgende vredesbijeenkomst te organiseren dan wel om deel te nemen aan deze vredesbesprekingen. Het kabinet onderstreept dat de principes van het VN-Handvest, zoals territoriale integriteit en soevereiniteit op basis van de internationaal erkende grenzen, de basisvoorwaarden voor zo’n proces moeten zijn, en dat Oekraïne het volste recht heeft zichzelf te blijven verdedigen. Het is aan Oekraïne om te bepalen wanneer en onder welke voorwaarden vredesbesprekingen plaatsvinden.
Rusland continueert zijn agressie tegen Oekraïne en maakt geen aanstalten zijn troepen uit Oekraïne terug te trekken. Rusland toont geen enkele serieuze intentie om een vredesproces te starten. Het kabinet kan geen uitspraken doen over wat andere landen in hun diplomatieke contacten bespreken met de Russische overheid, maar onderschrijft het grote belang van Russische deelname in besprekingen over het bewerkstelligen van een rechtvaardige en duurzame vrede in Oekraïne. Het kabinet moedigt derde landen die nauwere banden hebben met Rusland dan ook aan om Rusland te stimuleren een volgende keer wel aanwezig te zijn. In dit verband zij gemeld dat Oekraïne zelf ook meerdere malen publiekelijk heeft bevestigd dat het de wens heeft dat Rusland deelneemt.
Het bericht ‘Zorgen over verkeerde hulp aan eenzame mensen door 'aanbestedingscircus'’. |
|
Jimmy Dijk , Sarah Dobbe (SP) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Zorgen over verkeerde hulp aan eenzame mensen door het aanbestedingscircus»1?
Eenzaamheid is een complex probleem en verschilt van mens tot mens. Dat geldt ook voor de oplossingen. Dat maakt eenzaamheid tegengaan echt maatwerk. Iemand kan geholpen zijn bij activiteiten gericht op ontmoeting als netwerkversterking, terwijl iemand met sterke eenzaamheid meer gebaat is bij persoonlijke hulp. Gemeenten zijn als dichtstbijzijnde overheid heel goed in staat hier invulling aan te geven en zijn derhalve ook primair verantwoordelijk voor de passende inrichting van hulp aan mensen die zich eenzaam voelen.
Gemeenten kunnen bij de financiering van deze hulp kiezen voor zelf uitvoeren (inbesteden), of de hulp te organiseren en financieren via selectieve inkoop (aanbesteden) of open house, of via subsidie. Zie voor een uitgebreide toelichting hierop ook de Kamerbrief van 17 april 2024.2 Indien een gemeente kiest voor inkoop via aanbesteden dan moet zij de (Europese) aanbestedingsregels volgen. Deze keuzemogelijkheden laten gemeenten voldoende ruimte om met behulp van de regionale of gemeentelijke beleidsvisie de juiste keuze te maken om passende zorg(continuïteit) voor mensen die zich eenzaam voelen goed in te richten. Aandachtspunten daarbij zijn: inzet van beleidsadviseurs die bekend zijn met de regionale of lokale situaties, inzet van deskundige inkoopadviseurs die in staat zijn om een reële vertaalslag te maken van beleid naar inkoop, lange termijn-contracten, goede monitoring en contractmanagement. De regio-adviseurs van het Ketenbureau i-Sociaal Domein kunnen gemeenten helpen bij het maken van deze keuzes. Het Ketenbureau i-Sociaal Domein werkt samen met alle partners, zoals gemeenten en zorgaanbieders, aan een sterkere keten in het sociaal domein met minder administratieve lasten, betere informatievoorziening en meer eenvoud in de uitvoering. Ik zet me ervoor in om de ondersteuning via het Ketenbureau i-Sociaal Domein te blijven optimaliseren.
Bent u het eens met de analyse: «Door die aanbestedingstrajecten ontstaat een perverse prikkel: om een opdracht binnen te halen, verzinnen aanbieders dingen die leuk klinken in de oren van de ambtenaren die hun offerte beoordelen. Maar ze helpen voor geen zier tegen eenzaamheid. Zonde van de energie. Zonde van het geld»?
Nee, daar ben ik het niet mee eens; maar ik herken wel het beeld dat wordt geschetst over aanbesteden. Het is primair aan gemeenten het Wmo (inkoop)beleid vorm te geven en te zorgen voor passende ondersteuning aan mensen die zich eenzaam voelen binnen de kaders van de wet. Er is geen algemene wettelijke verplichting in het sociaal domein om aan te besteden. Indien een gemeenten kiest voor inkoop via aanbesteden dient zij de (Europese) aanbestedingsregels te volgen. De aanbestedingsregels bieden gemeenten voldoende vrijheid om een goede selectie van aanbieders te maken door, voorafgaand aan de opdracht, proportionele eisen en/of gunningscriteria te stellen aan potentiële aanbieders. Daarmee kan de gemeente de inschrijving door de potentiële aanbieder vervolgens op een transparante en objectieve beoordelen. Nadat de opdracht definitief is gegund is het vervolgens aan gemeenten om goede monitoring en contractmanagement in te richten, waarbij regelmatig wordt getoetst of aanbieders ook tijdens de opdracht (blijven) voldoen aan de eisen van de opdracht.
Deelt u de zorgen zoals verwoord door de experts dat het aanbestedingscircus kan leiden tot verkeerde hulp of het onnodig verbreken van de relatie tussen zorgverleners en mensen zie zorg nodig hebben?
Ik begrijp de zorgen, maar ondersteun de onderliggende analyse niet. Er is geen algemene wettelijke verplichting in het sociaal domein om aan te besteden. Indien de gemeente kiest voor inkoop via aanbesteden kan zij bijvoorbeeld gemotiveerd kiezen voor lange termijncontracten (te denken valt bijvoorbeeld aan 6 tot 9 jaar) en/of de inspanningsverplichting voor de aanbieders om mee te werken aan de overname van personeel nader contractueel vast te leggen.3 Daarnaast kan een gemeente de uitvoering van de contracten beter borgen door een goede gemeentelijke klachtenregeling, goede monitoring en goed contractmanagement in te richten. Het Ketenbureau i-Sociaal Domein kan gemeenten helpen bij het maken van de juiste keuzes. Ik zet me ervoor in om de ondersteuning via het Ketenbureau i-Sociaal Domein te optimaliseren.
Deelt u de mening dat de vaste relatie tussen zorgverlener en mensen die zorg ontvangen belangrijk is voor goede zorg, en dat het zorgsysteem zo moet worden ingericht dat deze vertrouwde relatie altijd behouden kan blijven zolang de zorg nodig is en de zorgverlener beschikbaar is?
In zijn algemeenheid ben ik van mening dat continuïteit in de relatie tussen een zorgverlener en mensen die zorg ontvangen, zolang de zorg nodig is en de zorgverlener beschikbaar is, een belangrijk uitgangspunt is voor goede zorg en ondersteuning. Daarnaast zijn ook andere elementen van belang voor het verlenen van goede zorg, zoals kwalitatief goede dienstverlening.4 Een vaste relatie tussen een zorgverlener en mensen die zorg nodig hebben, kan in de praktijk om diverse redenen niet altijd worden voortgezet. Dit komt bijvoorbeeld door keuzes in arbeidsmobiliteit van de zorgmedewerkers zelf en de schaarste op de arbeidsmarkt in combinatie met de omvang van de zorgvraag (bijvoorbeeld binnen een gemeente). Hierdoor moeten er door aanbieders en gemeenten soms andere (personele) keuzes worden gemaakt. Gemeenten kunnen de continuïteit in de relatie tussen zorgverlener en mensen die zorg ontvangen in de basis wel beter borgen door bijvoorbeeld het gemotiveerd kiezen voor lange termijncontracten. Tot slot kunnen ook de omstandigheden van de mensen die zorg en ondersteuning ontvangen, wijzigen, waardoor kennis en kunde van een andere medewerker noodzakelijk zijn. Goede zorg blijft mensenwerk.
Deelt u de mening dat volgens de Wet overgang onderneming, maar bijvoorbeeld ook de CAO Welzijn en Maatschappelijke dienstverlening de relatie zorgverlener en mensen die zorg ontvangen in stand zou moeten blijven, ongeacht welke instelling de zorg uitvoert? Hoe vaak gebeurt dit niet? Waarom wordt dit niet nageleefd?
Nee, die mening deel ik niet. Het doel van de Wet overgang onderneming is de positie van werknemers te beschermen als de onderneming waarvoor zij werkzaam zijn, wordt overgedragen aan een andere onderneming. In de Wet overgang onderneming wordt geregeld dat de werknemers die werkzaam zijn in het onderdeel onderneming dat wordt overgedragen, automatisch en met behoud van hun bestaande rechten en plichten mee overgaan. Te denken valt daarbij bijvoorbeeld aan het behoud van alle arbeidsvoorwaarden. Deze wet heeft niet expliciet als doel om de relatie zorgverlener en mensen die zorg ontvangen in stand te houden, ongeacht welke instelling de zorg uitvoert. Dat kan overigens wel een wenselijk bijeffect zijn.
Voor de CAO Sociaal Werk, welzijn en maatschappelijke dienstverlening5 geldt ook dat deze cao niet expliciet als doel heeft de relatie tussen zorgverlener en mensen in de zorg in stand te houden, ongeacht welke instelling de zorg uitvoert. In de CAO Sociaal Werk zijn er wel bepalingen over overname van personeel bij een aanbestedingsprocedure opgenomen.6 Indien er geen sprake is van overgang van onderneming dan geldt de afspraak uit de CAO Sociaal Werk dat de werknemers een recht hebben op een dienstverband indien zij benodigd en geschikt zijn. Dit biedt ook de verkrijgende organisatie nog enige ruimte om werknemers wel of niet over te nemen.
In zijn algemeenheid geldt dat het waar mogelijk borgen van de zorgcontinuïteit wel is geregeld in nadere wet- en regelgeving, zoals bijvoorbeeld in de Wmo 2015. Uit de Wmo 2015 volgt dat gemeenten, zoveel mogelijk, rekening moet houden met de continuïteit van de relatie tussen hulpverlener en cliënt. De gemeente heeft als het gaat over het beschikbaar stellen van maatschappelijke ondersteuning haar eigen verantwoordelijkheid als goed opdrachtgever. Voor aanbieders geldt op basis van de Wmo 2015 voor opdrachten verstrekt op basis van een overheidsopdracht (aanbestedingsprocedure) een inspanningsverplichting.7 Deze inspanningsverplichting houdt in dat de nieuwe aanbieder met de aanbieders die vóór hem in opdracht van de gemeenten een soortgelijke voorziening hebben verleend, in overleg treden over de overname van het betrokken personeel. Van de gemeente wordt verwacht dat zij hierop toezicht houden en ervoor zorgdragen dat afspraken hierover tussen aanbieders en de gemeenten in goede samenwerking worden uitgevoerd. Gemeenten kunnen daaraan via de contracten ook nadere eisen stellen voorafgaand aan de inkoopprocedure.
Ik heb geen informatie over het al dan niet in stand houden van vaste zorgrelaties in de praktijk. Mijn verwachting is dat dit in de praktijk, bijvoorbeeld door krapte op de arbeidsmarkt of het ontbreken van gewenste competenties bij betrokken medewerkers, niet altijd kan worden gewaarborgd.
Wat is de voortgang van de uitvoering motie Dijk2 om aanbesteden van zorg niet meer wettelijk verplicht te stellen?
De motie Dijk waarin de regering wordt verzocht om het aanbesteden van zorg niet langer verplicht te stellen, is beantwoord door mijn ambtsvoorganger in de Kamerbrief van 17 april 2024.9 In dit antwoord is toegelicht dat er geen algemene wettelijke verplichting is in het sociaal domein om aan te besteden. Gemeenten kunnen bij de financiering van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning kiezen voor zelf uitvoeren (inbesteden), of de hulp en maatschappelijke ondersteuning te organiseren en financieren via selectieve inkoop (aanbesteden) of open house, of via subsidie. Als de gemeente kiest voor aanbesteden dan moeten de (Europese) aanbestedingsregels worden gevolgd. Gelet op de diversiteit in financieringskeuzes van jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning is er vooralsnog geen aanleiding geweest om het huidige systeem van aanbesteden te vervangen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gemeenten stoppen met aanbesteden van zorg?
Er is geen algemene wettelijke verplichting in het sociaal domein om aan te besteden. Er zijn diverse andere financieringskeuzes mogelijk. Voor een toelichting verwijs ik naar de inhoud van de eerdergenoemde Kamerbrief van 17 april 2024. Het Ketenbureau i-Sociaal domein kan gemeenten helpen bij het maken van de financieringskeuzes. Ik zet me ervoor in om de ondersteuning via het Ketenbureau i-Sociaal Domein te optimaliseren.
Het bericht dat er onvoldoende budget is in 2024 voor de langdurige zorg |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat uit prognoses van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) blijkt dat het budget voor de langdurige zorg in 2024 onvoldoende is om alle noodzakelijke zorg te vergoeden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit bericht in het licht van de extra bezuinigingen van 310 miljoen euro op het WLZ-kader die dit jaar nog zijn doorgevoerd?
Er is geen sprake van extra bezuinigingen van 310 miljoen op het Wlz-kader. Bij de voorjaarsbesluitvorming 2024 heeft het vorige kabinet geoordeeld dat de gereserveerde herverdeelmiddelen niet nodig waren. Dit besluit is destijds genomen op basis van de inzichten in de februaribrief van de NZa. In de julibrief heeft de NZa haar inzichten geactualiseerd. Op basis hiervan is er sprake van een verwacht tekort op het Wlz kader 2024.
Ik vind het belangrijk dat zorgkantoren voldoende zorg in kunnen kopen voor mensen die daar op grond van de Wlz recht op hebben en dit dus ook nodig hebben. Het dreigende tekort in 2024 stelde het nieuwe kabinet voor een financiële opgave. Bij de financiële besluitvorming over de begroting zijn extra middelen vrijgemaakt om dit tekort op te lossen. Zoals toegelicht in mijn definitieve kaderbrief Wlz 20252 is het beschikbaar gestelde Wlz-kader voor 2024 verhoogd met een bedrag van € 201 miljoen en daarmee toereikend om voldoende zorg in te kopen.
Heeft u kennisgenomen van de waarschuwingen van Actiz, de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland, de Nederlandse GGZ, Zorgverzekeraars Nederland, zorgverleners (in actie op 25 juni 2024), FNV, CNV en Nu91 tegen de extra bezuinigingen op de langdurige zorg (WLZ-kader) dit jaar?
Ja.
Hoe zijn al deze verschillende waarschuwingen tegen de extra bezuiniging van 310 miljoen op het WLZ-kader in 2024 beoordeeld door het kabinet? Kunnen we alle stukken met betrekking deze beoordeling en afweging ontvangen?
Mijn ambtsvoorganger heeft op deze waarschuwingen gereageerd via de oplegbrief aan de Tweede Kamer bij de voorlopige kaderbrief Wlz 2025 van 19 juni 20243. In deze brief treft u alle informatie over de beoordeling en afwegingen die tot dit besluit hebben geleid. In de beslisnota die tegelijkertijd met voornoemde brief is meegestuurd naar uw Kamer is terug te lezen op welke afwegingen deze beoordeling is gebaseerd. Er zijn geen verdere stukken beschikbaar.
Op 13 februari dit jaar deed de rechter al uitspraak over de noodzaak van de herberekening van het richttariefpercentage voor gehandicaptenzorg en op 16 februari dit jaar werd amendement Dobbe om de bezuinigingen van 193 miljoen op de langdurige zorg terug te draaien breed door de Tweede Kamer aangenomen; hoe kan het zo zijn dat nu in de prognoses van de NZa blijkt dat hier niet tijdig rekening mee is gehouden?
De zorgkantoren hebben pas op 31 mei 2024 een besluit genomen om de richttarieven voor 2024 te verhogen naar aanleiding van de rechterlijke uitspraak. Het was voor de NZa daarom niet mogelijk om de financiële effecten hiervan eerder te berekenen dan in de julibrief.
Met de financiële impact van het amendement Dobbe is direct rekening gehouden in de hiervoor genoemde voorlopige kaderbrief Wlz 2025. Hierin is toegelicht dat er voor het jaar 2024 een extra bedrag van € 193 miljoen is vrijgemaakt voor de uitvoering van dit amendement. Voor de NZa kwam het amendement Dobbe te laat om nog mee te kunnen nemen in haar februaribrief. Zij heeft dit vervolgens wel meegenomen in haar julibrief.
77 miljoen euro van de 310 miljoen euro bezuiniging op het WLZ-kader is structureel en werkt ook na 2024 door; deelt u de mening dat deze extra structurele bezuiniging op de langdurige zorg onverantwoord is en bent u bereid deze terug te draaien?
Hier is geen sprake van een bezuiniging, maar van een aanpassing van het Wlz kader door het vorige kabinet op basis van de uitvoeringsinformatie uit de februaribrief van de NZa.
Bij de financiële besluitvorming over de begroting heeft het kabinet de meest recente uitvoeringsinformatie uit de julibrief van de NZa betrokken. Op grond daarvan zijn extra middelen vrijgemaakt. Zoals toegelicht in de definitieve kaderbrief Wlz 2025 is het Wlz-kader met een structureel bedrag van € 201 miljoen verhoogd. Daarmee is het budget toereikend om voldoende zorg in te kopen.
Welke gevolgen heeft dit tekort voor de zorg voor ouderen, de gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg? Graag een toelichting.
Ik vind het belangrijk dat zorgkantoren voldoende zorg in kunnen kopen voor mensen die daar op grond van de Wlz recht op hebben. Op basis van de meest recente uitvoeringsinformatie van de NZa stuur ik erop dat het Wlz-kader toereikend is. Deze systematiek heeft er de afgelopen jaren steeds toe geleid dat alle geleverde zorg vanuit het beschikbare Wlz-kader kon worden betaald.
Het dreigende tekort over 2024 is opgelost bij de financiële besluitvorming binnen het kabinet over de begroting. Zoals ik hiervoor heb toegelicht is het Wlz-kader met een bedrag van € 201 miljoen structureel verhoogd en daarmee toereikend om voldoende zorg in te kopen.
Bent u het ermee eens dat er noodzakelijke zorg altijd gegeven moet kunnen worden?
Ja.
Bent u het ermee eens dat er altijd voldoende budget ingeboekt moet worden om noodzakelijke zorg te kunnen geven?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het problematisch is dat de NZa nu moet constateren dat er onvoldoende budget voor noodzakelijke zorg is ingeboekt?
Ja, want het verwachte tekort op het Wlz-kader stelde het kabinet voor een ingewikkelde financiële opgave. Zoals ik hiervoor heb aangegeven is hiervoor een passende oplossing gevonden in de financiële besluitvorming over de begroting.
Bent u het met ons eens dat de extra doorgevoerde bezuiniging van 310 miljoen euro in 2024 op het WLZ-kader onverantwoord was? Graag een toelichting.
Nee, ik deel niet dat er sprake is van een bezuiniging van 310 miljoen euro. Ik constateer wel, met de kennis van nu, dat het vorige kabinet in haar raming zodanig scherp aan de wind heeft gevaren, dat het kabinet voor een forse financiële opgave stond om het Wlz-kader toereikend vast te stellen. Het dreigende tekort is opgelost door extra middelen vrij te maken voor de Wlz bij de besluitvorming over de begroting.
Bent u het, naar aaanleiding van deze nieuwe definitieve prognose van de NZa, bereid deze bezuiniging op het WLZ-kader voor 2024 alsnog terug te draaien om tekorten op noodzakelijke zorg te voorkomen, zoals bijvoorbeeld ook voorgesteld in amendement Dobbe in (36 550 XVI) of op een andere manier deze bezuiniging ongedaan te maken?
Zoals ik hiervoor heb aangegeven was er geen sprake van een bezuiniging van 310 miljoen euro. Maar zoals gebruikelijk heb ik de inzichten uit de julibrief van de NZa betrokken bij de financiële besluitvorming van het kabinet. Op grond van de prognose van de NZa uit de julibrief zijn extra middelen vrijgemaakt. Zoals toegelicht in de definitieve kaderbrief Wlz 2025 is het Wlz-kader met een structureel bedrag van € 201 miljoen verhoogd. Daarmee is het budget toereikend om voldoende zorg in te kopen.
Bent u bereid om de verder ingeboekte bezuinigingen op de langdurige zorg te schrappen om ervoor te zorgen dat er niet nog meer tekorten ontstaan om noodzakelijke zorg te kunnen verlenen, en dit ook te verwerken in de begroting VWS 2025? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb toegelicht is er in 2024 geen sprake van een bezuiniging op Wlz-zorg, maar is de raming voor het benodigd Wlz-kader door het vorige kabinet geactualiseerd op basis van uitvoeringsgegevens uit de februaribrief van de NZa. Het is mijn verantwoordelijkheid om de langdurige zorg toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit te houden. In het Hoofdlijnenakkoord zijn bovendien financiële afspraken gemaakt over de zorg en over de sturing op de overheidsfinanciën in het algemeen. Dat betekent dat ik de gevraagde garantie niet kan geven. Wel mag u van mij verwachten dat ik mij inzet voor een toereikend Wlz-kader om de benodigde zorg voor de kwetsbare Wlz-cliënten te kunnen betalen. Dit blijkt ook uit de extra middelen van € 201 miljoen structureel die ik via de definitieve kaderbrief Wlz 2025 beschikbaar heb gesteld.
Bent u bereid om deze vragen een voor een te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Blokkade in Amsterdamse zorgketen door omzetplafonds vvt’ |
|
Jimmy Dijk , Sarah Dobbe (SP) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in Amsterdam diverse vvt-aanbieders (verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorginstellingen) een patiëntenstop hebben aangekondigd vanwege het bereiken van hun omzetplafond?1
Ik vind het erg vervelend voor de mensen die hiermee te maken krijgen. Als Staatssecretaris wil ik mij er voor inzetten dat iedereen in Nederland gelijkwaardige toegang heeft tot de zorg, juist ook kwetsbare zoals langdurig zieken of diegenen in de laatste fase van hun leven. Het is daarom erg vervelend om te lezen dat er patiënten zijn waarbij dit niet goed is gelukt. Tegelijkertijd is het voor mij moeilijk om inhoudelijk in te gaan op de specifieke casus die is voorgelegd. Wel kan ik ingaan op de algemene zorgen die worden geuit over omzetplafonds in combinatie met de toegankelijkheid van zorg.
Het is niet zo dat omzetplafonds per definitie een negatieve impact hebben op de toegankelijkheid. Er is namelijk ook sprake van personele schaarste ten opzichte van de totale zorgvraag. Het is de taak van zorgverzekeraars om deze schaarse personele inzet en schaarse middelen zo goed mogelijk te verdelen en idealiter terecht te laten komen bij de mensen die de zorg het hardst nodig hebben. Omzetplafonds zijn een middel voor zorgverzekeraars om dat doel te bereiken.
Wanneer een verzekerde na een ziekenhuisopname vervolgzorg nodig heeft, zoals geriatrische revalidatie of palliatieve zorg, maar niet terecht kan bij de gewenste zorgaanbieder, adviseer ik de verzekerde om contact op te nemen met zijn of haar zorgverzekeraar. Zij kunnen via de zorgbemiddelingsafdeling nagaan waar de gewenste zorg wel tijdig en op redelijke reisafstand beschikbaar is.
Verder kunnen transferafdelingen van ziekenhuizen gebruik maken van de opgestelde stappenplan en handreiking door Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN)2. Het stappenplan en de richtlijnen maken duidelijk wanneer een casus moet worden overgedragen en wie verantwoordelijk is. Zo kan sneller de juiste zorgplek voor de patiënt worden gevonden.
Bent u het ermee eens dat omzetplafonds in de vvt niet bijdragen aan betere zorg? Zo ja, waarom worden deze omzetplafonds dan niet per ommegaande afgeschaft? Zo nee, op welke manier draagt dit bij aan betere zorg, zeker gezien het gebrek aan plekken en vastlopen van zorg in de ziekenhuizen?
In Nederland kampen we met capaciteitsproblemen en dubbele vergrijzing, iets wat we als samenleving niet kunnen negeren. De beschikbare capaciteit is door onder andere de dubbele vergrijzing beperkt en kan binnen de huidige arbeidsmarkt in de VVT-sector niet eenvoudig worden uitgebreid. Het is daarom essentieel om deze capaciteit zo doelmatig en eerlijk mogelijk te verdelen, zodat deze zorg terechtkomt bij degenen die de zorg het meest nodig hebben.
Zorgverzekeraars sturen via hun inkoop op kwaliteit en doelmatigheid van de zorg. Omzetplafonds zijn daarvoor een belangrijk instrument voor zorgverzekeraars om de bestaande zorgcapaciteit zo goed mogelijk te benutten en hiermee te sturen dat zwaardere en urgentere zorgvragen eerder worden geholpen. Zorgverzekeraars hebben zorgplicht, waardoor iedere verzekerde de zorg krijgt die nodig is. Wanneer er een situatie ontstaat waarbij de zorgplicht in het gedrang komt, hebben zorgverzekeraars en zorgaanbieders de mogelijkheid om bij te contracteren. Het is belangrijk dat aanbieders en verzekeraars op tijd anticiperen, in het bijzonder wanneer het gaat om hele kwetsbare patiënten. De NZa houdt als onafhankelijke toezichthouder toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars. Het is aan de zorgverzekeraar om te bepalen of omzetplafonds een behulpzaam instrument zijn om ervoor te zorgen dat iedere verzekerde verzekerd is van de beste zorg voor de beste prijs.
Bent u het ermee eens dat geriatrische revalidatie en palliatieve zorg niet kan wachten, en dat het inhumaan is om mensen te laten wachten op deze zorg op een daarvoor speciaal ingerichte plek, terwijl dat wachten helemaal niet nodig is?
Ik ben het ermee eens dat het niet wenselijk is dat mensen onnodig wachten op zorg die ze hard nodig hebben. Dit geldt in het bijzonder voor kwetsbaren, die geriatrische revalidatiezorg of palliatieve zorg nodig hebben. Geriatrische revalidatiezorg is essentieel als brug na een ziekenhuisopname, of om die te voorkomen, wat mensen helpt langer thuis te wonen. Door de groeiende zorgvraag is het vaak lastig direct een passende vervolgplek te vinden. Daarom is versterking en betere organisatie van kortdurende zorgvormen, zoals geriatrische revalidatiezorg (grz), eerstelijnsverblijf (elv) en geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen (gzsp), noodzakelijk. Het ZonMw-programma Beter Thuis 2 ondersteunt hierbij de regionale organisatie van deze herstelgerichte zorg3.
Zoals eerder vermeld, raad ik deze mensen aan om in dergelijke situaties zo snel mogelijk contact op te nemen met hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling. De zorgverzekeraar kan dan direct met hen meekijken en meedenken, en inzicht geven in waar de gewenste zorg in de regio wél beschikbaar is.
Verder wil ik palliatieve zorg en terminale zorg een vanzelfsprekend onderdeel maken van de reguliere zorg. Hiertoe zijn al diverse acties ingezet via het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II4. Aanvullend hierop wil ik kijken wat er in de zorgwetten moet veranderen, bijvoorbeeld in de bekostiging, om voor elkaar te krijgen dat meer mensen de palliatieve zorg kunnen krijgen die ze nodig hebben.
Welke gevolgen hebben de omzetplafonds voor de ziekenhuiszorg?
Ook voor de ziekenhuiszorg geldt dat zorgverzekeraars via hun inkoop sturen op kwaliteit en doelmatigheid van de zorg. Omzetplafonds zijn daarbij voor zorgverzekeraars een belangrijk instrument om de bestaande zorgcapaciteit optimaal te benutten en ervoor te zorgen dat zwaardere en urgentere zorgvragen sneller worden behandeld. Als een omzetplafond bereikt is kan de zorgaanbieder de patiënt doorverwijzen naar een andere zorgaanbieder of naar de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar moet er dan voor zorgen dat deze zorg elders – tijdig en bereikbaar – beschikbaar is. De NZa houdt daar toezicht op. Als de zorgverzekeraar alleen een alternatief kan bieden buiten het gecontracteerd aanbod van de polis, is de zorgverzekeraar verplicht deze zorg volledig te vergoeden. Ook kan er altijd worden bij gecontracteerd, in situaties waarbij de zorgplicht in het gedrang komt.
De NZa verwacht van zorgaanbieders en zorgverzekeraars dat zij op een professionele manier samenwerken en goede afspraken met elkaar maken. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars moeten tijdig met elkaar in gesprek gaan wanneer zij denken dat het omzetplafond in zicht komt, zodat er maatregelen genomen kunnen worden. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders moeten daarnaast objectieve en duidelijke informatie geven aan verzekerden/patiënten over dat er budgetafspraken met de betreffende aanbieder gemaakt zijn, wat de consequenties daarvan zijn voor de verzekerde/patiënt en bij welke zorgaanbieder zij wel goed terecht kunnen.
Bent u het ermee eens dat het opleggen van omzetplafonds, terwijl er geen andere plek is voor mensen die bijvoorbeeld geriatrische revalidatiezorg nodig hebben en dus noodgedwongen in het ziekenhuis moeten blijven, ingaat tegen de zorgplicht van zorgverzekeraars? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Het afspreken van omzetplafonds an sich gaat niet in tegen de zorgplicht van zorgverzekeraars. De zorgplicht betekent dat een verzekerde recht heeft op zorg, binnen redelijke tijd en afstand. Het systeem kent diverse waarborgen om ervoor te zorgen dat een verzekerde zijn recht op zorg kan verzilveren. Zo is, wanneer een budgetplafond bereikt wordt, de betreffende aanbieder verplicht om de patiënt te wijzen op mogelijkheid van zorgbemiddeling, zodat de zorgverzekeraar de patiënt een alternatieve plek binnen de treeknorm kan aanbieden. Indien de zorgverzekeraar dit alternatief niet kan bieden, moet er worden bij gecontracteerd bij de oorspronkelijke aanbieder. Daarbij geldt dat als het alternatief buiten het gecontracteerd aanbod van de polis valt, de zorgverzekeraar verplicht is om volledige vergoeding te geven en geen eigen bijdrage ongecontracteerde zorg in rekening te brengen. De NZa ziet als onafhankelijk toezichthouder toe op de zorgplicht van zorgverzekeraars.
Hoeveel tijd, geld en menskracht wordt er nu verspild aan het herinrichten van de zorg, als gevolg van deze omzetplafonds in de vvt?
Ik heb geen zicht op welke middelen en tijd hiervoor wordt ingezet. Het maken van afspraken, ook over budgetplafonds, is een zaak tussen individuele aanbieders en individuele zorgverzekeraars. Ik ben niet op de hoogte van de afspraken die individuele zorgverzekeraars en individuele zorgaanbieders in contracten met elkaar maken. Daarmee heb ik ook geen zicht op de tijd die partijen besteden aan de contractering of, in het bijzonder, in welke mate deze tijd besteed wordt aan het herinrichten van de zorg.
Hoeveel andere vvt-aanbieders hebben ook te maken met omzetplafonds?
Zoals hiervoor aangegeven is het afspreken van een budgetplafond een zaak tussen een aanbieder en een zorgverzekeraar. Ik heb dan ook geen zicht op het aantal vvt-aanbieders dat te maken heeft met een budgetplafond.
Wat gaat u doen om het kunstmatig inkrimpen van de hoeveelheid mensen die geholpen kunnen worden in de vvt en het onderscheid maken van mensen op grond van hun zorgverzekering tegen te gaan?
Omzetplafonds gaan met name om de beschikbare zorgcapaciteit eerlijk te verdelen. Het is dus niet zo dat de hoeveelheid mensen die geholpen kan worden kunstmatig wordt ingekrompen. Ook is het niet zo dat er onderscheid is in het recht op zorg bij verschillende zorgverzekeraars.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Kwart verzorgenden denkt aan stoppen’. |
|
Jimmy Dijk , Sarah Dobbe (SP) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht «Kwart verzorgenden denkt aan stoppen» en de onderliggende resultaten van de enquête van vakblad Tijdschrift voor Verzorgenden (TVV) gelezen en wat is uw reactie hierop?1
Ja, ik heb dat bericht gelezen en ik ben ervan geschrokken. Iedereen in de zorg zou juist met plezier haar of zijn werk moeten kunnen doen, in plaats van dat ze willen stoppen vanwege hoge werkdruk of overbelasting. Ik ga er daarom alles aan doen om ervoor te zorgen dat de werkdruk van verzorgenden afneemt en hun werkplezier toeneemt.
Erkent u dat deze mogelijke uitstroom een groot probleem is voor zorgverleners en zorgbehoevenden? Zo nee, waarom niet?
Ja, als er inderdaad zoveel verzorgenden willen stoppen met hun werk is dat een groot probleem.
Welke concrete plannen heeft u om te voorkomen dat 27% van de medewerkers gaat stoppen met het werk in een verpleeghuis, verzorgingstehuis en de thuiszorg? In hoeverre is dit nieuw beleid ten opzichte van het vorige kabinet?
Zoals in het regeerprogramma staat beschreven, heeft het aanpakken van de personeelskrapte in de zorg grote prioriteit. Ik wil het aantrekkelijker maken om in zorg en welzijn te (blijven) werken. Ik ga voor het einde van het jaar een leidraad vakmanschap en werkplezier uitwerken en laat mij daarbij inspireren door de aanpak van een aantal voorlopers in de zorg en welzijn. In deze leidraad komen belangrijke onderwerpen als meer autonomie en vertrouwen, de verhouding tussen vast en flexibel personeel en de mogelijkheden voor medewerkers in loondienst om bij meerdere organisaties en op meerdere plekken in de regio kunnen werken.
Het verminderen van de administratieve lasten kan ook bijdragen aan het verlagen van de werkdruk en daarmee voorkomen dat mensen stoppen met hun werk. Dat kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van innovaties. Zoals generatieve artificial intelligence (AI) voor bijvoorbeeld verslaglegging en genereren van gespreksverslagen. Ik zal de wet- en regelgeving die ervoor moet zorgen dat dit veilig ingezet kan worden met voorrang oppakken en de voorlopers op dit terrein ondersteunen. Daarnaast wil ik de databeschikbaarheid en gegevensuitwisseling in zorg en welzijn versneld verbeteren. Digitaal werken scheelt veel tijd. Ik ga dit met prioriteit stimuleren in de wijkverpleging, verpleeghuizen en gehandicaptenzorg. Bewezen digitale werkvormen kunnen versneld worden ingezet door de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (STOZ).
En ik ga de regeldruk verminderen die voortkomt uit bestaande wet- en regelgeving. Wet- en regelgeving die tot onnodige administratietijd leidt wordt opgeheven. Ik ondersteun de zorgkantoren, verzekeraars en aanbieders bij het ontregelen van de zorg. Samen met het zorgveld en de gezanten die hiervoor zijn aangesteld ga ik een werkagenda opstellen.
Deelt u de mening dat de uitstroom van zorgverleners alleen voorkomen kan worden als er extra collega’s bij komen en om dat te bereiken het salaris omhoog moet, de arbeidsomstandigheden moeten worden verbeterd en de administratiedruk voor zorgverleners omlaag moet? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk om goed inzicht te hebben in de werkbeleving en uitstroomredenen van zorgmedewerkers. De werkbeleving wordt jaarlijks onderzocht binnen het Onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW). Dit is een gezamenlijk programma van sociale partners en het Ministerie van VWS, waarbinnen twee keer per jaar onderzoek wordt gedaan onder werknemers in de sector zorg en welzijn. Het samenwerkingsverband van regionale werkgeversorganisaties RegioPlus doet doorlopend onderzoek naar uitstroomredenen. Uit dit uitstroomonderzoek blijkt dat de meest voorkomende redenen om te vertrekken bij een werkgever ontwikkelmogelijkheden, werkinhoud, de privésituatie, planning & tijd en werkdruk zijn.
Omdat vertrekredenen dus divers zijn, denk ik niet dat het inzetten van extra collega’s de enige manier is om te voorkomen dat zorgverleners uitstromen. Wel is het verlagen van de werkdruk van belang, bijvoorbeeld door het inzetten van innovaties en het verlagen van de administratieve lasten. Maar ook het bieden van loopbaanperspectieven en een goede en veilige werkomgeving zijn belangrijk.
Wanneer kunnen we de plannen die staan aangekondigd in het regeerakkoord om het personeelstekort in de zorg aan te pakken – zoals beperking van de regeldruk en van administratieve lasten – verwachten? Op welke manier gaat dit de marktwerking in de zorg terugdringen?
De plannen die in het hoofdlijnenakkoord staan beschreven, zijn inmiddels verder uitgewerkt in het regeerprogramma (zie ook het antwoord op vraag 3). Het is de ambitie van het kabinet om samen met alle zorgpartijen een halvering van de administratietijd te bereiken in 2030. Om dit te realiseren werken we aan:
digitalisering en gegevensuitwisseling, de Regiegroep Aanpak Regeldruk en het programma (Ont)Regel de Zorg. Daarnaast ontvangt de Kamer dit najaar een notitie met de visie van het kabinet op marktwerking in de zorg.
Hoe verklaart u dat het overgrote deel – 91% – niets merkt van de maatregelen die hen voor de zorg zouden moeten behouden? Deelt u de mening dat deze plannen dus onvoldoende aansluiten op de problemen waar zorgverleners dagelijks mee te maken krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Het Regeerprogramma is twee weken geleden gepresenteerd. De afgelopen jaren is door de overheid vooral ingezet op het faciliteren en stimuleren van werkgevers, om ervoor te zorgen dat zij maatregelen zouden nemen om personeel te behouden.
Informatie over de inzet van werkgevers is terug te vinden in het Onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW). Uit de werknemersenquête van het voorjaar van 2023 komt naar voren dat 37% van de werknemers in de branche Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) aangeeft dat hun organisatie voldoende aandacht heeft voor werkdruk (en 22% geeft aan dat hun organisatie hier in het geheel geen aandacht voor heeft). Het kan dus goed zijn dat verzorgenden wel iets gemerkt hebben van maatregelen maar dat niet zien als maatregelen die door de overheid zijn genomen.
Maar het kan ook zijn dat genomen maatregelen onvoldoende effect sorteren. Zo geeft 38% van de werknemers uit de VVT aan dat de werkdruk (veel) te hoog is. En ondanks allerlei inspanningen de laatste jaren is de administratieve lastendruk ongeveer gelijk gebleven. De administratieve lasten en de werkdruk moeten daarom echt omlaag en verzorgenden moeten dit echt gaan merken, zodat ze weer met plezier hun werk kunnen doen. Hoe ik dat ga doen heb ik aangegeven in het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid het salaris voor zorgverleners te verhogen en dit mee te nemen in de Rijksbegroting 2025? Indien het antwoord op deze vraag nee is, erkent u hiermee dat er onder uw bewind geen initiatief wordt genomen om het salaris van zorgverleners te verhogen?
Om een goede salarisontwikkeling mogelijk te maken stelt het kabinet jaarlijks de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA) beschikbaar. Voor 2025 gaat het om circa 3,6 miljard euro structureel extra. Het is aan sociale partners binnen zorg en welzijn om met deze extra middelen goede cao’s af te sluiten.
Wat vindt u van de salariskloof tussen zorgverleners en medewerkers uit andere sectoren? Bent u bereid deze kloof te dichten door de ruimte voor de arbeidsvoorwaardenontwikkeling in de zorg (OVA-ruimte) te vergroten zoals de SP al eerder voorstelde middels de motie-Dobbe?2 Zo ja, wat voor concrete plannen heeft u hiervoor liggen?
Vanwege de staat van de overheidsfinanciën is geen ruimte om boven op de middelen die het kabinet al jaarlijks via de OVA beschikbaar stelt, nog extra middelen vrij te maken.
Hoe verklaart u dat volgens 84% van de respondenten de situatie voor verzorgenden de afgelopen jaren alleen maar slechter is geworden?
Er zijn verschillende ontwikkelingen die aan deze ervaring kunnen hebben bijgedragen. Zo heeft de zorg in de eerste jaren na de uitbraak van het coronavirus een enorme gezondheidscrisis opgevangen. Ook is de bevolking de afgelopen 8 jaar met bijna een miljoen mensen toegenomen en heeft de sector de afgelopen 10–12 jaar veel vergrijzing opgevangen. Dit heeft zijn weerslag op de zorgzwaarte van de cliëntpopulatie, de personeelskrapte en daarmee ook op de fysieke en psychosociale arbeidsbelasting van verzorgenden.
Welke gevolgen denkt u dat de ingeplande bezuinigingen onder uw verantwoordelijkheid van 310 miljoen euro in 2024 gaan hebben voor zorgverleners? Bent u bereid deze bezuinigingen alsnog te schrappen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van extra bezuinigingen van € 310 miljoen op het Wlz-kader. Bij de voorjaarsbesluitvorming 2024 heeft het vorige kabinet geoordeeld dat het niet nodig was om deze gereserveerde herverdeelmiddelen beschikbaar te stellen. Dit besluit is destijds genomen op basis van de toenmalige inzichten in de februaribrief van de NZa.
Ik vind het belangrijk dat zorgkantoren voldoende zorg in kunnen kopen voor mensen die daar op grond van de Wlz recht op hebben. De NZa monitort daarom op mijn verzoek de toereikendheid van het Wlz-kader en adviseert mij hierover via haar zogenoemde februaribrief en julibrief. Op grond van de meest recente uitvoeringsinformatie uit de julibrief van de NZa heeft het kabinet bij de augustusbesluitvorming extra middelen vrijgemaakt voor het Wlz-kader. Zoals toegelicht in de definitieve kaderbrief Wlz 20253 is het beschikbare bedrag voor de zorginkoop voor 2024 met € 201 miljoen verhoogd. Deze verhoging werkt structureel door naar 2025 en latere jaren. Daarnaast heeft het kabinet bij de augustusbesluitvorming een bedrag van in totaal € 615 miljoen vrijgemaakt om ervoor te zorgen dat de voorziene tariefmaatregelen van het vorige kabinet in 2025 van de baan zijn. Dit betreft de maatregelen doorontwikkeling kwaliteitskader verpleeghuiszorg, meerjarig contracteren en taakstelling behandeling Wlz.
Kunt u uitsluiten dat er – boven op de aangekondigde bezuinigingen – extra op de zorg wordt bezuinigd? Zo nee, kunt u hiervan ieder stuk dat ten grondslag ligt aan deze geplande bezuinigingen naar de Kamer toesturen?
Zoals toegelicht in de hiervoor genoemde definitieve kaderbrief Wlz 2025 is het beschikbare bedrag voor de zorginkoop voor 2024 met € 201 miljoen verhoogd. Deze verhoging werkt structureel door naar 2025 en latere jaren.
Wat is uw reactie op meldingen die de SP heeft gehad op ons zorgmeldpunt van zorgverleners zoals «De werkdruk is veel te hoog, te weinig personeel en je staat 1 op 8 bewoners die zware zorg nodig hebben. Iedereen loopt uit de zorg weg!» en «Cliënten de hele nacht in nat geplaste bedden waardoor ze 's ochtends klappertanden van de kou en de avonden daarna bang zijn om te gaan slapen.»? Hoe gaat u voorkomen dat deze situaties ontstaan?
Deze situaties zijn heel verdrietig, zeer zorgelijk en mogen niet ontstaan. Er is echter wel verschil tussen zorgorganisaties in de kwaliteit van zorg die zij leveren. Zo blijkt uit de AZW werknemersenquête van het najaar 2023 dat 62% van de werknemers in de VVT aangeeft dat de zorg die hun organisatie levert (zeer) goed is terwijl 8% aangeeft dat die (zeer) slecht is. Dat heeft onder andere te maken met de manier waarop organisaties hun processen inrichten en hoe zij omgaan met sociale en technologische innovatie. De personeelskrapte in de VVT speelt waarschijnlijk ook een rol bij het ontstaan van deze situaties. Inzet van tijdbesparende innovaties en verlagen van administratieve lasten zorgen ervoor dat mensen in de zorg meer tijd hebben voor cliënten. Dat helpt om de situaties die u beschrijft in de toekomst te voorkomen.
Wat is volgens u de invloed van het huidige zorgsysteem van marktwerking en concurrentie op de werkdruk en administratielast die zorgverleners ervaren? Welke concrete plannen heeft u om dit systeem te veranderen?
De mate van marktwerking en de rol van concurrentie, evenals de effecten daarvan voor zorgverleners en patiënten, verschillen sterk per zorgbranche. Ik kan ook geen eenduidig verband leggen tussen marktwerking en concurrentie enerzijds en de werkdruk en administratielast voor zorgverleners anderzijds. Ook regulering van de overhead kan immers werkdruk en administratielast veroorzaken. Tegelijk ben ik van mening dat marktwerking moet worden teruggedrongen wanneer deze niet ten dienste staat van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg. Zoals in het regeerprogramma beschreven, worden onderdelen van de spoedzorg uit de marktwerking gehaald. Uw Kamer ontvangt daarnaast dit najaar een notitie met de visie van het kabinet op marktwerking in de zorg.
Bent u bereid om de aangenomen motie-Dobbe3 uit te voeren en de personele bezettingsnorm van twee zorgverleners op acht verpleeghuisbewoners te handhaven, om zo de kwaliteit in de verpleeghuizen te kunnen behouden en de werkdruk voor zorgverleners niet verder te laten oplopen?
Het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan», dat op 1 juli 2024 de kwaliteitskaders voor de verpleeghuiszorg en wijkverpleging heeft vervangen, is een kwaliteitsstandaard die tripartite tot stand is gekomen en waarin aandacht is voor passende zorg voor ouderen met een flexibele inzet van personeel afhankelijk van de zorgbehoefte5.
Anders dan een noodremprocedure bij substantiële financiële gevolgen op grond van artikel 11d Wkkgz kan ik op grond van de wet- en regelgeving geen invloed uitoefenen op de inhoud van kwaliteitsstandaarden. Het ligt daarom niet binnen mijn mogelijkheid om de wens de personele bezettingsnorm te handhaven uit te voeren.
De Israëlische aanval op een school in Gaza |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichtgeving over de Israëlische aanval op een school in Gaza van afgelopen zaterdag 10 augustus?
Het is triest te moeten vaststellen dat bij een aanval op een school in Gaza burgerslachtoffers zijn gevallen. Dergelijke gebeurtenissen onderstrepen waarom een onmiddellijk staakt-het-vuren van belang is. Nederland steunt de huidige onderhandelingen hiervoor die worden gefaciliteerd door de Verenigde Staten, Egypte en Qatar.
Kunt u het aantal burgerslachtoffers, namelijk «meer dan 80», dat genoemd wordt door onder andere persbureau AP news, beoordelen?1
Het kabinet beschikt niet over geverifieerde informatie over de specifieke aantallen burgerslachtoffers.
Sluit u zich aan bij het oordeel van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, Josep Borrell, dat er «geen rechtvaardiging is voor deze slachtpartijen»? Zo nee, waarom niet? Graag een uitgebreide uitleg.
Net als de Hoge Vertegenwoordiger heb ik benadrukt dat de aanval op de school toont waarom een onmiddellijk staakt-het-vuren van belang is. Nederland veroordeelt schendingen van het humanitair oorlogsrecht, ongeacht wie de schending begaat. Gedegen en onafhankelijk onderzoek zal nodig zijn om feiten te verzamelen over vermeende schendingen. Daarnaast is het in beginsel de taak van een (internationale) rechter om op basis van alle feiten de schendingen vast te stellen. Die feiten hebben wij niet. Nederland is daarom terughoudend zich uit te spreken over de rechtmatigheid van specifieke gevechtshandelingen.
Sluit u zich aan bij het officiële statement van Borrell, waarin opgeroepen wordt tot een staakt het vuren en het vrijlaten van gijzelaars? Graag een uitgebreide reactie.
Indien u verwijst naar de verklaring van de Hoge Vertegenwoordiger van 10 augustus jl., dan is het antwoord ja: deze verklaring is namens alle EU-lidstaten uitgebracht. Het kabinet deelt de oproep dat er snel een staakt-het-vuren moet komen, die het mogelijk maakt om gegijzelden vrij te krijgen en meer humanitaire hulp naar Gaza te krijgen.
Op welke manier worden uitspraken van de Nederlandser regering ten opzichte van de oorlog in Gaza materieel kracht bij gezet?
Het kabinet steunt de internationale inzet om tot een onmiddellijk staakt-het-vuren in de Gazastrook te komen. Dit is essentieel om de gijzelaars vrij te krijgen, een aanzienlijke toename van humanitaire hulp voor de Gazastrook te verzekeren, regionale spanningen te verlagen en om tot een duurzaam einde aan de vijandelijkheden te komen in lijn met resolutie 2735. De huidige onderhandelingen worden gefaciliteerd door de Verenigde Staten, Qatar en Egypte. Nederland steunt dit proces waar mogelijk en heeft ook in EU-verband steun uitgesproken voor de oproep van deze landen om zo snel mogelijk tot een akkoord te komen. Tevens zet het kabinet zich in zijn contacten met de landen uit de regio, Israël en de Palestijnse Autoriteit in voor de-escalatie en het doorbreken van een cyclus van vergelding.
Humanitaire toegang voor hulpverleners en hulpgoederen tot de Gazastrook staat sinds 7 oktober 2023 onverminderd onder grote druk. Nederland heeft sinds het begin van de oorlog 61 miljoen EUR extra beschikbaar gesteld aan humanitaire organisaties, zoals UNRWA, ICRC, de Dutch Relief Alliance en het Nederlandse Rode Kruis alsook ter ondersteuning van het werk van VN-coördinator Humanitaire Hulp en Wederopbouw Gaza. Daarnaast heeft Nederland kort na de start van het conflict een humanitair gezant aangesteld om ook op diplomatiek vlak continu het gesprek te voeren op welke wijze de humanitaire situatie verbeterd kan worden. O.a. door internationale druk, waarbij Nederland een centrale rol heeft gespeeld, is de overgang Kerem Shalom, die tot half december volledig gesloten was, weer opengegaan voor humanitaire hulp. Nederlandse scanners ter plaatste maken het daarbij mogelijk om de hulp ook daadwerkelijk Gaza in te krijgen. Hoewel steun via de lucht geen voorkeur verdiende, heeft ook Nederland deze steun geboden. Het was op dat moment een van de weinige opties om hulp in Gaza te krijgen. Nederland blijft zich in deze complexe situatie inspannen voor de verbetering van de humanitaire situatie in Gaza.
Daarnaast laat Nederland in contacten geen twijfel bestaan over het feit dat alle partijen – waaronder Israël – te allen tijde gebonden zijn aan het internationaal recht. Nederland heeft Israël en Hamas opgeroepen om de door het Internationaal Gerechtshof opgelegde voorlopige maatregelen uit te voeren. Mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht door de strijdende partijen in de Gazastrook moeten worden onderzocht. Het kabinet heeft 3 mln EUR aan extra middelen beschikbaar gesteld aan het Internationaal Strafhof om onderzoek te doen, als ook 1 miljoen dollar voor het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden.
De EU heeft, mede op Nederlands initiatief, sancties ingesteld tegen individuele gewelddadige kolonisten en entiteiten. Hiermee geven Nederland en de EU een duidelijk signaal af dat het geweld van deze groepen op de bezette Westelijke Jordaanoever niet acceptabel is. Tegelijkertijd zijn er sancties ingesteld tegen Hamas en zet het kabinet zich in om Hezbollah, de Houthi’s en de Iraanse Revolutionaire Garde (verder) te sanctioneren en hun invloed verder te beperken.
Nederland blijft zich, naar vermogen en in nauwe samenwerking met internationale partners, inzetten voor een verbetering van de huidige zorgelijke situatie en de spiraal van vergelding te doorbreken. Dat blijft Nederland eveneens doen waar het gaat over een toekomstige «day after» oplossing voor de Gazastrook waarbij de uitgangspunten van de G7 ter zake voor Nederland leidend zijn.
Wat gaat de regering nu anders doen ten opzichte van de inzet gedurende de afgelopen maanden, aangezien de huidige aanpak van de Nederlandse regering geen vruchten afwerpt?
Nederland blijft zich actief, naar vermogen, en in nauwe samenwerking met internationale partners, inzetten voor het bereiken van een overeenkomst over een staakt-het-vuren die uiteindelijk moet leiden tot een duurzaam einde van vijandelijkheden. Dat is van belang voor het lot van de gijzelaars en voor een aanzienlijke verbetering van de humanitaire situatie in Gaza. Daarnaast heeft een staakt-het-vuren naar verwachting ook een positief effect op het verminderen van de regionale spanningen. Nederland steunt het Israëlische recht op zelfverdediging. De dreiging vanuit o.a. Hamas en Hezbollah is immers nog aanwezig. Wel benadrukt Nederland consequent dat Israël moet handelen in lijn met het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht.
Wat vindt u van het feit dat de Israëlische regering tot nu toe de geluiden van de internationale gemeenschap, inclusief die van de Nederlandse regering, negeert? Wat doet u om er voor te zorgen dat de Israëlische regering wel gehoor gaat geven aan die geluiden?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u een stand van zaken geven van de inzet van uw voorganger, mevrouw Bruins Slot, om «in de Europese Unie over het Associatieakkoord met Israël te gaan spreken, over de volle breedte van de relatie tussen de Europese Unie en Israël», zoals zij in het debat van 16 mei aangaf? Is dit nog steeds de inzet van de Nederlandse regering? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft zich ervoor inspannen dat de Associatieraad zo spoedig mogelijk plaatsvindt. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 22 juli jl. heeft de Raad ingestemd met de conceptagenda hiervoor. Deze agenda is reeds gedeeld met Israël.
Bent u bereid om nieuwe maatregelen te nemen richting de Israëlische regering als die blijft weigeren gehoor te geven aan de boodschappen vanuit de internationale gemeenschap over het naleven van humanitair oorlogsrecht? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet? Graag een uitgebreide reactie.
Het kabinet blijft consequent uitdragen dat Israël gebonden is aan het internationaal recht, inclusief het humanitair oorlogsrecht. Het kabinet maakt daarbij continu de afweging op welke wijze de Nederlandse positie het meest effectief kan worden overgebracht. Onze bilaterale betrekkingen met Israël stellen ons in staat om dit soort gesprekken te voeren. Zie daarnaast het antwoord op vraag 3.
Sluit u zich aan bij het statement van de Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR) van afgelopen zaterdag 10 augustus waarin de «toenemende frequentie» van Israëlische aanvallen op scholen in Gaza wordt veroordeeld en de aanvallen op scholen als «systematisch» worden gekwalificeerd? Zo ja, kan dit zonder gevolg blijven? Zo nee, waarom niet?
Het feit dat schoolgebouwen onderdeel zijn van de strijd tussen Hamas en Israël is uiterst triest. Het kabinet neemt de uitspraken van de Hoge Vertegenwoordiger van de OHCHR over de toenemende frequentie van Israëlische aanvallen op scholen in Gaza uiterst serieus.
Het is complex om een oordeel te vormen over de naleving van het humanitair oorlogsrecht in relatie tot concrete gevechtshandelingen zoals bombardementen. De benodigde specifieke informatie over de omstandigheden en afwegingen daartoe ontbreekt op dit moment.
Volgens de regel van onderscheid in het humanitair oorlogsrecht mogen alleen strijders en militaire doelen worden aangevallen en genieten burgerobjecten, waaronder scholen, een beschermde status. Dit wordt nader toegelicht in de Safe Schools Declaration die Nederland heeft ondertekend. Onder bepaalde omstandigheden kan een burgerobject deze beschermde status verliezen, bijvoorbeeld wanneer dit object wordt gebruikt om een daadwerkelijke bijdrage te leveren aan de gevechtshandelingen en uitschakeling ervan een duidelijk militair voordeel oplevert. Andere regels uit het humanitair oorlogsrecht, waaronder de regels omtrent het nemen van voorzorgsmaatregelen en proportionaliteit, blijven ook in dat geval onverminderd van toepassing.
Nederland onderstreept met klem dat het optreden van alle partijen in overeenstemming moet zijn met het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht.
Wat is uw reactie op de berichtgeving dat volgens Israël «Voor elk Hamas-lid enkele tientallen burgers gedood [zouden] mogen worden», zoals wordt geschreven door NOS2, die zich op haar beurt baseert op de Israëlische nieuwssite +972 magazine?3
Laat ik vooropstellen dat ik ieder onschuldig burgerslachtoffer betreur in deze strijd. Iedere oorlog of conflict gaat gepaard met het verlies van onschuldige levens en dat blijft een wrange constatering.
Het kabinet beschikt niet over de noodzakelijke feiten om te kunnen beoordelen wat de ratio is, en is daarom terughoudend bij het doen van uitspraken over dergelijke berichten. Tegelijkertijd heeft Nederland in het verleden herhaaldelijk zijn zorgen geuit over het hoge aantal burgerslachtoffers. Het onderschrijft eens te meer het belang van onafhankelijke onderzoek hetgeen Nederland steunt.
Kunt u een stand van zaken geven over het gesprek met de G7 dat in mei is toegezegd over een eventuele vredesmacht in Gaza?4
Nederland staat in nauw contact met andere landen, waaronder leden van de G7, over de situatie in Gaza. Op dit moment richten de gesprekken zich nog niet op een mogelijke vredesmacht in Gaza. De nadruk ligt met name op de wijze waarop de internationale gemeenschap zo goed mogelijk kan bijdragen aan het bereiken van een overeenkomst over een onmiddellijk staakt-het-vuren dat gefaseerd moet toewerken naar het definitief staken van de gewelddadigheden.
Wat doet u om er voor te zorgen dat bewijsmateriaal over schendingen van humanitair oorlogsrecht en oorlogsmisdaden door alle partijen niet verloren gaat en beschikbaar blijft voor vervolging van de plegers? Zijn er nog extra inspanningen die de Nederlandse regering op dit gebied zou kunnen leveren? Graag een uitgebreide reactie.
Het is belangrijk dat potentieel bewijsmateriaal van schendingen van humanitair oorlogsrecht en oorlogsmisdrijven wordt onderzocht en beschikbaar blijft voor de vervolging van de vermoedelijke daders. De primaire verantwoordelijkheid voor het onderzoek en de vervolging ligt bij de bevoegde nationale autoriteiten. Daarnaast is het van belang dat de internationale instanties die verantwoordelijk zijn voor het doen van onafhankelijk onderzoek ook in staat zijn om dit naar behoren te doen. Om deze reden heeft Nederland eind 2023 een extra vrijwillige bijdrage van 3 miljoen euro aan het Internationaal Strafhof overgemaakt. Deze extra vrijwillige bijdrage komt de algehele onderzoekscapaciteit van het Strafhof ten goede en wordt onder meer aangewend voor de aanschaf van moderne ICT-middelen ten behoeve van het vergaren, bewaren, en analyseren van (digitaal) bewijsmateriaal. Daarnaast heeft Nederland 1 miljoen dollar extra ter beschikking gesteld aan OHCHR, ten behoeve van het landenkantoor in de Palestijnse Gebieden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De humanitaire situatie in Soedan. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ernstige honger in door burgeroorlog geteisterd Soedan bereikt dieptepunt, officieel hongersnood vastgesteld»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Integrated Food Security Phase Classification (IPC) officieel een hongersnood in Soedan heeft vastgesteld? Zo ja, wat is uw reactie op dit feit?
De Famine Review Committee van het IPC heeft op 1 augustus jl. gerapporteerd over een vastgestelde hongersnood in Zamzam vluchtelingenkamp in Noord Darfoer in Soedan. Deze feitelijke vaststelling is schokkend maar niet onverwacht gegeven eerdere prognoses en analyses van de situatie in Soedan, bijvoorbeeld van het Clingendael instituut van mei 2024 en het IPC rapport van 27 juni jl.
Kunt u reageren op de bewering in het artikel en het rapport waar het artikel naar verwijst dat er sprake is van «opzettelijke belemmeringen opgelegd door partijen betrokken bij het conflict» vanuit het Soedanese regeringsleger?
Het belemmeren van toegang van onpartijdige humanitaire hulp tot bevolking in nood is in strijd met het humanitair oorlogsrecht en niet acceptabel.
Als bovenstaande bewering klopt, heeft dit effecten in de diplomatieke betrekkingen tussen de Nederlandse en Soedanese regeringen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Reeds voor het uitbreken van het conflict in april 2023 was er geen directe samenwerking met de de facto overheid van Soedan, die aan de macht kwam na een staatsgreep in oktober 2021. De vaststelling van hongersnood heeft dan ook geen effecten op de diplomatieke betrekkingen tussen de Nederlandse en Soedanese regeringen. Waar mogelijk, geeft Nederland wel de politieke boodschap af dat het verlenen van humanitaire toegang cruciaal is, zoals ook tijdens de humanitaire conferentie in Parijs in april jl.
Deelt u de constatering dat het belemmeren van humanitaire hulp in strijd is met het humanitair oorlogsrecht?
Ja, volgens het humanitair oorlogsrecht moeten partijen in een conflict snelle en ongehinderde doorgang van humanitaire hulp voor mensen in nood, die een onpartijdig karakter heeft en waarbij geen onderscheid gemaakt wordt, toestaan en faciliteren.
Op welke manieren roept u de strijdende partijen op zich aan humanitair oorlogsrecht te houden? Kunt u dit toelichten?
Nederland blijft op verschillende momenten en in diverse fora, al dan niet in EU verband, oproepen tot het respecteren van het humanitair oorlogsrecht (IHL) en het naleven van de Jeddah-agreement, die beide partijen hebben ondertekend en waarin het naleven van IHL en ongehinderde toegang voor humanitaire organisaties zijn afgesproken.
Op welke manieren draagt het kabinet bij aan het toegankelijk maken van humanitaire hulp? Kunt u dit toelichten?
Tijdens de humanitaire conferentie in Parijs van 15 april jl., georganiseerd door Frankrijk en de EU met deelname van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, is een declaration of principles ondertekend waarin o.a. wordt opgeroepen humanitaire toegang te verbeteren. De EU zet zich in voor verbetering van humanitaire toegang via diplomatieke inzet van met name de EU Speciaal Gezant voor de Hoorn van Afrika. Daarnaast is Nederland in gesprek met verschillende VN organisaties, waaronder World Food Programme en de Food and Agriculture Organization, in New York, Geneve en Rome om de urgentie van de situatie te bespreken, inspanningen waar mogelijk te vergroten, en mogelijke acties te identificeren en coördineren. En Nederland is in contact met andere landen (inclusief leden van de VN-veiligheidsraad) om te bezien welk instrumentarium de VN kan inzetten, bijvoorbeeld via resoluties, om hulp in gebieden te krijgen die niet toegankelijk zijn. De diplomatieke inzet wordt versterkt door het EU sanctieregime. De EU bereidt momenteel additionele sancties voor om de druk op beide strijdende partijen verder op te voeren.
Welke maatregelen heeft u genomen sinds het kabinet in april van dit jaar 10 miljoen euro voor het World Food Program ten gunste van Soedan heeft toegezegd? Volgen er nog extra middelen? Zo nee, waarom niet?
Nederland droeg EUR 10 miljoen extra aan WFP bij voor Soedan en Soedanese vluchtelingen in Tsjaad. Een groot deel van de Nederlandse bijdrage aan de humanitaire hulp verloopt via flexibele financiering aan vaste partners zoals VN-organisaties, het Nederlandse Rode Kruis (NRK), de Dutch Relief Alliance en het Sudan Humanitarian Fund van de VN bij aan de humanitaire crisis in Soedan. Deze middelen kunnen zij direct inzetten daar waar de nood het hoogste is. In aanvulling daarop zijn er sinds april via vaste partners enkele specifieke allocaties gedaan voor de respons in en rond Soedan. Zo heeft de Dutch Relief Alliance (DRA) met een bedrag van EUR 3 miljoen een acute response opgezet in Tsjaad ter ondersteuning van de opvang van Soedanese vluchtelingen, en een allocatie gedaan van EUR 3 miljoen voor een acute response in Darfoer. Via het Nederlandse Rode Kruis (NRK) is recent bijna EUR 1,2 miljoen toegekend aan de Soedanese Rode Halve Maan voor inzet op water en sanitatie (WASH).
Het Central Emergency Response Fund (CERF) van de VN, waarvan Nederland met EUR 55 miljoen in 2024 een van de grootste donoren is, heeft dit jaar al USD 41 miljoen beschikbaar gesteld aan humanitaire actoren in Soedan.
Op dit moment is het vooral belangrijk de toegangsbelemmeringen weg te nemen die hulpverlening naar de meest kwetsbare gemeenschappen tegenhouden en onze humanitair-diplomatieke inspanningen zijn met name hierop gericht.
Kunt u toezeggen dat, ondanks de geplande bezuinigingen op uw ministerie, er voldoende geld voor humanitaire hulp beschikbaar blijft? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Het merendeel van de humanitaire bijdragen is meerjarig vastgelegd. Dat geldt voor de bijdragen aan verschillende VN-organisaties, het Internationale Rode Kruis (ICRC) en ook voor de subsidieovereenkomsten met de Dutch Relief Alliance en het Nederlandse Rode Kruis. Voor 2024 bedraagt het totale budget voor humanitaire hulp EUR 535 miljoen. Over de effecten van de bezuinigingen uit het Hoofdlijnenakkoord in 2025 wordt u bij de ontwerpbegroting 2025 geïnformeerd.
Deelt u de mening dat ontwikkelingshulp en -samenwerking een belangrijke rol spelen in het voorkomen van dit soort rampzalige conflicten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de voorgenomen bezuinigingen op Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp? Zo nee, waarom niet?
Effectieve hulp kan bijdragen aan ontwikkeling en stabiliteit. De Nederlandse ontwikkelingshulp zal mede daarop worden ingezet. In het Hoofdlijnenakkoord kiest het kabinet ervoor te bezuinigen op ODA-middelen in de jaren 2025 en daarna. Over de effecten van deze bezuinigingen in 2025 wordt u bij de ontwerpbegroting 2025 geïnformeerd.
Kunt u een stand van zaken geven over de uitvoering van de gewijzigde motie van het lid Dobbe c.s. over via alle mogelijke kanalen hulpgoederen aan de bevolking van Soedan leveren zolang dat niet voldoende via land kan? (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2886)
Het vergroten van toegang over land is verreweg de meest effectieve wijze om hulp bij de bevolking van Soedan te krijgen op de schaal die onmiddellijk nodig is. Daar zijn de afgelopen maanden de inspanningen rond het verbeteren van humanitaire toegang op gericht geweest. De de facto autoriteiten laten inmiddels weer humanitaire transporten door via de Adré-grensovergang met Tsjaad. Deze grensovergang is cruciaal voor bevoorrading van Darfoer en andere delen van het door RSF bezette gebied.
Kunt u een stand van zaken geven over de uitvoering van de motie van het lid Dobbe over bij de Europese Unie pleiten voor het aan banden leggen van wapenleveranties aan landen die doorleveren aan strijdende partijen in Sudan? (Kamerstuk 32 735, nr. 389)
Nederland bespreekt de zorgwekkende situatie in Soedan onder andere met de regionale partners en benadrukt daarbij de noodzaak tot een einde aan het geweld en het belang van naleving van het VN wapenembargo. Voorts is Nederland voornemens tijdens de eerst volgende bijeenkomst van EU raadswerkgroep Export van Conventionele Wapens (COARM) in september aandacht te vragen voor het risico op omleiding van wapens naar de strijdende partijen in Soedan.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat het OM de criminaliteit in de zorg niet meer aan kan en er jaarlijks voor 10 miljard wordt gefraudeerd |
|
Sarah Dobbe (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) , Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het OM de criminaliteit in de zorg niet meer aankan en er jaarlijks voor 10 miljard euro wordt gefraudeerd?1
Ik vind het een duidelijk signaal vanuit het Openbaar Ministerie (OM). Komende tijd wil ik mij dan ook inzetten op betere onderlinge samenwerking in de keten, maar ook op betere preventie van zorgfraudeurs.
Ik wil graag opmerken dat de omvang van zorgfraude door het OM een schatting is. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat de omvang van zorgfraude niet goed te kwantificeren is.
In hoeverre is het aanpakken van zorgfraude voor u een prioriteit? Zou het niet veel logsicher zijn om die 10 miljard die we jaarlijks verliezen door zorgfraude te verlagen dan om miljarden aan zorgbezuinigingen van Rutte IV door te zetten?
De aanpak van zorgfraude staat opgenomen in het hoofdlijnenakkoord en is dus een prioriteit. Ik ga er alles aan doen om zoveel mogelijk malafide zorgaanbieders uit de zorgmarkt te weren.
Wat zijn uw plannen om de aanpak van zorgfraude te verbeteren?
Mijn ministerie werkt samen met het veld aan maatregelen om instanties in het zorgdomein beter in staat te stellen om zorgfraude aan te pakken. Een aantal plannen zijn:
Hoe reageert u op de uitspraak dat het Ministerie van VWS, gemeenten en andere zorgfinanciers aan zet zijn «om te zorgen dat de voorkant goed is dichtgetimmerd»? Welke stappen gaat u zetten om hiermee aan de slag te gaan?
Gemeenten kunnen (kwaliteits-)eisen in de verordening opnemen, waar zowel gecontracteerde- als pgb-aanbieders aan moeten voldoen. Verder maakt de al eerder genoemde Wbsrz, die naar verwachting op 1 januari 2025 ingaat, het mogelijk voor zorgverzekeraars en gemeenten om elkaar te informeren over personen of bedrijven waarbij een gerechtvaardigd vermoeden van zorgfraude bestaat. Tevens wordt de vergunningplicht met het amendement Bushoff verbreed. Iedere nieuwe zorginstelling moet in de toekomst een vergunning aanvragen.
Ik wil benadrukken dat met screening aan de voorkant, misbruik, fraude en excessen niet volledig buiten de deur worden gehouden. Ondanks dat op moment van toetsen wordt voldaan aan alle eisen, kan iemand kwaad in de zin hebben. Ook opleidingseisen, de Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) en andere integriteitsbeoordelingen bieden geen 100% zekerheid dat fraudeurs de zorg niet weten te vinden. Het is dus niet alleen de voorkant die op orde moet zijn, maar de hele keten. Wanneer een zorgaanbieder aan de voorkant aan alle eisen voldoet, is het ook van belang dat de inkopers van de zorg, maar ook de toezichthouders en opsporingsdiensten, fraude effectief aanpakken. Het gaat dus om het voorkomen, stoppen én bestraffen van niet-integere zorgaanbieders.
Bent u het ermee eens dat er voor het terugdringen van zorgfraude vooral moet worden gefocust op systematische oplossingen om zorgfraude minder makkelijk en aantrekkelijk te maken, i.p.v. enkel meer toezicht achteraf? Hoe kijkt u bijvoorbeeld naar systematische oplossingen zoals het tegengaan van de wildgroei van zorgaanbieders, het beperken van winstuitkeringen in de zorg en het beter vooraf screenen van nieuwe zorgaanbieders?
Ja, ik ben het ermee eens dat er ook gefocust moet worden op het minder makkelijk en minder aantrekkelijk maken van zorgfraude. Daarom zet ik in op de verbetering van de mogelijkheden tot het screenen en weren van (nieuwe) zorgaanbieders. Door de vergunningsplicht voor nieuwe zorginstellingen en de voorgenomen uitbreiding van de doelgroep – via het amendement Bushoff – wordt bijgedragen aan het voorkomen van fraude. Om zorgaanbieders waarvan het niet aannemelijk is dat zij goede zorg kunnen verlenen te weren en stoppen, zal het kabinet extra weigerings- en intrekkingsgronden voor de vergunning in het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders opnemen.
Ik ben het eens met de vragenstellers dat commerciële belangen van zorgaanbieders of investeerders nooit vóór het maatschappelijk belang van zorg en jeugdhulp mogen gaan. Ik zal daarom in wetgeving vastleggen dat het uitkeren van winst in die sectoren, waar winstuitkering is toegestaan2, alleen onder een aantal basisvoorwaarden mogelijk is. Deze basisvoorwaarden zullen samenhangen met de kwaliteit van de geleverde zorg, de rechtmatigheid van declaraties, de continuïteit van de zorgaanbieder en het voeren van een zorgvuldige en integere bedrijfsvoering. Ik zal deze aanscherpingen wettelijk vastleggen via het eerdergenoemde wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders. Ik verwacht dit wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2025 aan uw Kamer te kunnen sturen.
Deelt u de analyse dat de hoge mate waarin zorgfraude voorkomt en de gebrekkige aanpak daarvan door gemeenten deels wordt veroorzaakt door de wildgroei van tot wel honderden zorgaanbieders die per gemeente actief zijn? Deelt u de analyse dat inkopen via open house-constructies deze wildgroei stimuleert en faciliteert? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om deze wildgroei tegen te gaan?
Op dit moment wordt een verkenning uitgevoerd naar de effecten van een open house constructie. Daarin wordt onder meer onderzocht wat het effect is van inkoop via open house op het aantal aanbieders. Aanleiding van deze verkenning is onder meer de motie van Kamerleden Peters en Hijink, waarin de regering wordt gevraagd hoe winstuitkeringen, private-equitybeleggers en open-houseconstructies beperkt, afgeschaft en/of geweerd kunnen worden binnen de Jeugdwet.3 Deze verkenning wordt uitgevoerd voor de Jeugdwet en Wmo 2015. De resultaten worden dit najaar door mijn collega, de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport (JPS), met uw Kamer gedeeld.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de motie-Peters/Hijink, die de regering verzocht «te verkennen hoe winstuitkeringen, private-equitybeleggers en open-houseconstructies beperkt, afgeschaft en/of geweerd kunnen worden binnen de Jeugdwet, en dat dan ook te doen»?2 Wordt de afronding van het onderzoek hiernaar nog steeds verwacht in de zomer van 2024, zoals uw voorganger in antwoorden op eerdere vragen stelde?3
Er is en wordt op meerdere manieren uitvoering gegeven aan de motie Peters/Hijink:
Net als, de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, zie ik wel risico’s voor de kwaliteit en toegankelijkheid van jeugdhulp wanneer aan het realiseren van (uitkeerbare) winst een groter belang wordt gehecht dan aan de publieke belangen. Maatregelen om de risico’s op excessieve winstuitkeringen in de jeugdhulp tegen te gaan zijn gewenst, en ook al ingezet, of in voorbereiding:
Hoe reageert u op de oproep aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) om vaker onaangekondigd bij zorgaanbieders langs te gaan? Is de IGJ van plan om hier meer op in te zetten?
De IGJ voert zowel aangekondigde, als niet aangekondigde inspecties uit. Als de IGJ een inspectie van tevoren aankondigt, bevatten die bezoeken ook altijd onaangekondigde elementen. In het Follow the Money-artikel roept het OM de inspectie op om vaker onaangekondigd op bezoek te gaan om op locatie specifiek te contoleren op valse papieren. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om valse diploma’s en Verklaringen omtrent het gedrag (VOG’s) van zorgpersoneel. Gelet op de stijging in de afgelopen jaren van het aantal meldingen over mogelijke fraude met diploma’s en VOG’s, en de risico’s die hierdoor ontstaan voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg, heeft de IGJ aangegeven dat ze op basis van signalen de diploma's en VOG’s meer controleren. Wat betreft het onaangekondigd op bezoek gaan, kondigt de IGJ – afhankelijk van het doel van het bezoek – dit wel of niet aan. Wanneer er sprake is van signalen van deze aard, gaat de inspectie meestal onaangekondigd op bezoek. De IGJ blijft zorgaanbieders erop wijzen dat zij zelf verantwoordelijk zijn om ervoor te zorgen dat zij geen personeel of ZZP’ers met valse papieren inzetten. Zorgaanbieders zijn immers eindverantwoordelijk voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg. Bij vermoedens van valsheid in geschrifte dienen zij aangifte te doen bij de politie en/of een melding te doen bij de IGJ.
Bent u het ermee eens dat het zeer onwenselijk is dat zorgbemiddelingsbureaus die frauderen met diploma’s en daardoor ervoor zorgen dat onbevoegd en onbekwaam personeel in de zorg werkt zich nu in een toezichtsvacuüm bevinden? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat er voortaan wel toezicht wordt gehouden op zorgmiddelingsbureaus? Welke toezichthouder gaat hier toezicht op houden?
Ja, ik ben het met u eens dat het onwenselijk is dat er zorgbemiddelingsbureaus zijn die frauderen met diploma’s waardoor er onbevoegd en onbekwaam personeel in de zorg werkt. De Inspectie van het Onderwijs (IvhO) en IGJ hebben in hun verkenning «Er is meer aan de hand» 6, die ze in samenwerking met de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) hebben uitgevoerd, gemeld dat het toezicht niet in alle gevallen toereikend is. Naar aanleiding van de verkenning worden op dit moment met diverse partijen gesprekken gevoerd over vervolgacties in bredere zin. Ik kan niet op de uitkomsten van deze gesprekken vooruitlopen. Uw Kamer zal hierover dit najaar worden geïnformeerd.7
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Mevrouw Verheijden (88) moest halsoverkop weg uit verzorgingshuis’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Mevrouw Verheijden (88) moest halsoverkop weg uit verzorgingshuis»?1
Het is te betreuren en ongewenst om op oudere leeftijd ineens te moeten verhuizen. Daarom is met Zuyderland, de IGJ en het zorgkantoor VGZ contact gezocht. De IGJ en VGZ laten weten dat Zuyderland hen eind juli over deze zaak heeft geïnformeerd.
Ook het bestuur van Zuyderland betreurt dat ze tot deze tijdelijke verhuizing hebben moeten overgaan. Om goede zorg te kunnen blijven bieden, was er geen andere optie, zo laat Zuyderland weten.
Waarom is dit besluit pas zo kort van tevoren bekendgemaakt, waardoor mensen halsoverkop moesten verhuizen? Bent u het ermee eens dat het onverantwoord en asociaal is om oudere en kwetsbare bewoners die zorg nodig hebben zo plotseling te laten verhuizen?
Zuyderland heeft laten weten dat in de vakantieperiode het rooster rond was. Binnen een van de drie units van de locatie hebben op dezelfde dag drie medewerkers zich ziek gemeld. Daardoor raakte de balans tussen ervaren en onervaren medewerkers verstoord.
De constatering dat de kwaliteit en veiligheid van de zorgverlening niet meer kon worden geborgd en er geen alternatieven meer waren om bij te sturen, heeft Zuyderland Care doen besluiten om één unit te sluiten en de bewoners tijdelijk te verhuizen binnen Zuyderland Care, aldus Zuyderland.
Over dit besluit zijn het zorgkantoor VGZ, de IGJ en de cliëntenraden Zuyderland geïnformeerd. Allen hebben begrip voor dit moeilijke besluit gehad, volgens Zuyderland. Zorgkantoor VGZ laat weten dat er door het aannemen van nieuw personeel en opleiden daarvan, voldoende perspectief is om de formatie op de locatie weer snel op orde te krijgen.
De zorginstelling laat weten dat zij voor het eerst in haar bestaan heeft besloten om bewoners tijdelijk te verhuizen vanwege personeelsproblemen.
Kon het bestuur van Zuyderland niet aan zien komen dat er personeelstekorten zouden kunnen ontstaan in vakantietijd? Welke stappen zijn er gezet om dit te voorkomen? Is er extra vast personeel aangetrokken? Wat is er gedaan op het gebied van werving, beloning en arbeidsvoorwaarden? In hoeverre is dit het gevolg van onverantwoord beleid van Zuyderland, omdat dit te voorzien was?
Zuyderland had de roosters rond, maar weinig terugvalopties. Er was op zich geen sprake van een personeelstekort, maar op de gelijktijdige ziekmelding van drie medewerkers van dezelfde unit kon niet worden bijgestuurd, aldus Zuyderland.
Zuyderland neemt ruimschoots voor een vakantieperiode maatregelen voor personele inzet. Tijdige invulling van vacatureruimte, vakantiespreiding, inzet vakantiehulp, ZZP, hulp over afdelingen en locaties heen, extra inzet van eigen personeel (ook backoffice personeel) worden al vroegtijdig ingezet aldus Zuyderland. Dit laat onverlet dat in de vakantieperiode het altijd een hele puzzel is om de bezetting goed in te regelen. Ook zorgmedewerkers nemen vakantiedagen op, zo zegt Zuyderland.
Heeft het management van Zuyderland overwogen om zelf in de zorg bij te springen om verhuizen van bewoners te voorkomen? Waarom niet?
Dit besluit is niet genomen. De specifieke zorgbehoefte voor de bewoners vraagt om specifieke deskundigheid van zorgprofessionals, zo laat Zuyderland weten.
Worden dit soort besluiten ook genomen in andere ouderenzorginstellingen of dreigt dat te gebeuren? Welke stappen zet u om dat te voorkomen?
Ik heb hierover geen concrete signalen ontvangen. Deze casus laat zien dat de vakantieperiode voor het personeelsrooster een uitdaging is. Hier was sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Meerdere medewerkers op dezelfde locatie melden zich door ziekte af in een krappe arbeidsmarkt.
Dat daardoor de bewoners tijdelijk gedwongen moesten verhuizen, vind ik erg triest. Bij de uitwerking van het Hoofdlijnenakkoord in een Regeerprogramma is de krapte op de arbeidsmarkt een belangrijk thema. Over de concrete maatregelen in het Regeerprogramma wordt de Kamer voor Prinsjesdag geïnformeerd.
Hoeveel zekerheid hebben de bewoners dat zij straks ook daadwerkelijk terug kunnen keren? Is uitgesloten dat zij opnieuw moeten verhuizen wat wordt gedaan om dit te voorkomen?
Volgens Zuyderland keren de bewoners uiterlijk eind oktober weer terug. Door het aannemen van nieuw personeel en opleiden daarvan, is er voldoende perspectief om de formatie op de locatie weer snel op orde te krijgen, zo laat Zorgkantoor VGZ weten.
Hoe gaat het nu met de bewoners en wat wordt gedaan om verdere onzekerheid bij hen te voorkomen?
Bewoners zijn begeleid bij hun tijdelijke verhuizing. Teamleden hebben de bewoners in de dagen erna bezocht om te vernemen hoe het met hen gaat en wat ze nodig hebben. De medewerkers hebben gesproken met de bewoners en de familie. Zuyderland verwacht dat de bewoners uiterlijk einde oktober weer kunnen terugkeren.
In hoeverre hangt dit personeelstekort samen met de loonkloof tussen de zorg en andere sectoren en de bezuinigingen die zijn doorgevoerd in de ouderenzorg?
De oorzaak van het personele tekort in Zuyderland was de gelijktijdige ziekmelding van drie ervaren medewerkers.
In hoeverre hangen de personeelsproblemen in verzorgingshuis Egtherhof samen met de situatie in het Zuyderland ziekenhuis?
De ontwikkelingen van het Zuyderland Ziekenhuis hebben geen invloed op de personele situatie van het verzorgingshuis of andersom. Zo stelt Zuyderland.
Deelt u de analyse dat deze problematiek in verzorgingshuizen duidelijk maakt dat het volstrekt onverantwoord zou zijn om verder te bezuinigen op de ouderenzorg en dat er eerder investeringen in personeel noodzakelijk zijn? Zo ja, bent u bereid om de geplande bezuinigingen te schrappen? Zo nee, waarom niet?
Het personeelstekort op de locatie van het verzorgingshuis van Zuyderland ontstond door de gelijktijdige ziekte van drie ervaren medewerkers in de vakantieperiode. Het is zeer ongewenst dat bewoners op leeftijd daardoor ineens tijdelijk moeten verhuizen.
Het budgettair kader voor de ouderenzorg is onderwerp van de besluitvorming in het kader van de begroting 2025. Hierover wordt de Kamer bij Prinsjesdag geïnformeerd.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Ouderen komen zonder hulp te zitten in zomervakantie: ‘Zoveel mogelijk proberen zelf te doen’' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het berichtOuderen komen zonder hulp te zitten in zomervakantie: «Zoveel mogelijk proberen zelf te doen»?1
Het is onwenselijk dat kwetsbare mensen lang moeten wachten op huishoudelijke hulp, maar de situatie uit het artikel is wel herkenbaar. Op dit moment hebben veel aanbieders moeite om de ondersteuning te organiseren door personeelstekorten vanwege een krappe arbeidsmarkt. Dit speelt extra in de zomermaanden. Veel sectoren hebben last van de krappe arbeidsmarkt en de huishoudelijke hulp is hierin geen uitzondering. Hierdoor zijn in sommige regio’s wachtlijsten ontstaan. In sommige regio’s wordt geprioriteerd op basis van behoefte en noodzaak en proberen gemeenten en aanbieders creatieve oplossingen te vinden om toch zo goed mogelijk de ondersteuning te kunnen bieden.
Wat moeten ouderen doen die (bijna) niets zelf meer kunnen als zij tijdelijk geen toegang meer hebben tot huishoudelijke zorg? Krijgen zij nog wel toegang tot de noodzakelijke huishoudelijke zorg?
Ik vind het belangrijk dat mensen die in een kwetsbare positie zitten, vanwege bijvoorbeeld een chronische ziekte of door andere omstandigheden, ook tijdens de zomermaanden zo veel als mogelijk de noodzakelijke ondersteuning behouden. Van gemeenten en aanbieders verwacht ik dat zij zich maximaal hiervoor inspannen. Toch kan het, gezien de huidige tekorten op de arbeidsmarkt, voorkomen dat deze ondersteuning tijdelijk minder frequent of niet geleverd wordt. Het is in die periode van de belang dat ouderen blijvend in contact staan met hun gemeente en de aanbieder, om gezamenlijk te kijken welke ondersteuning nog wel mogelijk is.
Naar aanleiding van de berichtgeving is contact gezocht met de gemeente Eindhoven. De gemeente Eindhoven hanteert als uitgangspunt dat alle inwoners moeten kunnen beschikken over een schoon en leefbaar huis. Als tijdelijk sprake is van een lagere frequentie van ondersteuning dan dienen aanbieders hier nog steeds voor te zorgen. De gemeente Eindhoven vraagt om enige flexibiliteit van haar inwoners wanneer de ondersteuning op een andere dag, ander tijdstip of voor een kortere tijdsindicatie beschikbaar is.
In de zomermaanden kunnen ouderen mogelijk (extra) gebruik maken van andere (buurt)voorzieningen. In het bericht: Ouderen komen zonder hulp te zitten in zomervakantie: «Zoveel mogelijk proberen zelf te doen»? wordt het voorbeeld gegeven van Stichting Steunpunt voor Ouderen. Dit is een vereniging voor én van ouderen die wonen rondom het buurthuis in de wijk Schrouwbroek in Eindhoven. Vanuit het buurthuis worden het hele jaar door verschillende lokale activiteiten georganiseerd door ouderen zelf, gericht op het blijven meedoen aan de maatschappij waaronder veel sociale activiteiten. Ook is het een plek waar ouderen terecht kunnen voor een luisterend oor. Als sprake is van urgente situaties, bijvoorbeeld wanneer minder huishoudelijke hulp beschikbaar is, dan wordt vanuit het buurthuis gekeken naar oplossingen.
Hoe verhoudt dit besluit van Tzorg zich tot de zorgplicht van de gemeente Eindhoven binnen de Wmo 2015 en het contract tussen Tzorg en de gemeente?
Ik heb geen signalen ontvangen dat gemeente Eindhoven haar zorgplicht onvoldoende naleeft. Voor zover ik kan beoordelen spannen de gemeente Eindhoven en aanbieders zich maximaal in om huishoudelijke ondersteuning te bieden op de plekken waar dit het hardste nodig is. In tijden van personeelstekort kan dit betekenen dat een aantal cliënten mogelijk tijdelijk minder ondersteuning ontvangt. De gemeente Eindhoven wordt hiervan door de aanbieder op de hoogte gesteld. Het is primair aan de gemeenteraad om erop toe te zien dat de gemeente op een passende manier invulling geeft aan wettelijke taken. Ik ga regelmatig in gesprek met gemeenten, aanbieders en cliënten over knelpunten die hierbij worden ervaren.
Wat zijn de consequenties als de gemeente zich niet aan haar zorgplicht houdt?
De Wmo 2015 is een gedecentraliseerde wet. Het is aan de gemeenteraad om erop toe te zien dat het college op een passende manier invulling geeft aan de verplichtingen die gemeenten hebben in het kader van de Wmo 2015. Daarbij hebben gemeenten de ruimte en verantwoordelijkheid om deze verplichtingen in te vullen op een manier die aansluit bij de specifieke, lokale context. Voor zover ik nu kan inschatten op basis van de verstrekte informatie door zowel de betreffende aanbieder als de gemeente, is er geen sprake van een bewuste verwaarlozing van taken en verantwoordelijkheden. Er kan in dit geval dus niet worden gesteld dat de gemeente haar zorgplicht niet nakomt. De gemeente en aanbieder(s) doen er binnen de mogelijkheden die zij hebben alles aan om naar oplossingen te zoeken met als doel dat de meest kwetsbare inwoners toch de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben.
Hoe verklaart u de personeelstekorten in de huishoudelijke zorg in Eindhoven? In hoeverre hangen die samen met het salaris dat bedrijven als Tzorg bieden?
Helaas is een tekort aan medewerkers in zorg en welzijn niet nieuw en net zoals in andere sectoren kampt deze sector met de gevolgen van krapte op de arbeidsmarkt. De huishoudelijke sector is hierin géén uitzondering. Ook heeft invoering van het abonnementstarief vanaf 1 januari 2019 voor Wmo maatwerkvoorzieningen, zoals huishoudelijke hulp, een aanzuigende werking gehad. Hierdoor is de afgelopen jaren een forse groei zichtbaar geweest van het aantal afgegeven indicaties voor huishoudelijke hulp. Wat betreft de salarissen bij Tzorg geldt dat alle medewerkers in loondienst zijn. Tzorg betaalt de salarissen conform de cao VVT en geeft aan extra te investeren in het bieden van goede secundaire arbeidsvoorwaarden om medewerkers te binden en te boeien zoals trainingen, vitaliteitsprogramma's en digitalisering om werkdruk te verlagen.
De cao VVT is tot eind 2024 verlengd, waarbij er ook afspraken zijn gemaakt over salarisverhoging. Het is van belang dat niet alleen Tzorg maar ook de gehele branche van de huishoudelijke zorg in lijn met de cao VVT handelt.
Welke rol speelt de dreigende megakorting op het gemeentefonds in 2026 (het ravijnjaar) hierbij?
Er is geen sprake van een «megakorting» op het Gemeentefonds in 2026. In 2026 is ten opzichte van 2025 weliswaar een terugval te zien in de omvang van het gemeentefonds, maar hierbij dient te worden aangemerkt dat de inkomsten uit het gemeentefonds in de jaren 2022–2025 historisch hoog waren. Bovendien is de omvang van het gemeentefonds in 2027 hoger dan in 2025. In de Voorjaarsnota 2024 zijn voorts maatregelen genomen om deze korting te dempen, zoals het schrappen van de opschalingskorting en het ter beschikking stellen van extra middelen voor de Wmo 2015. Gemeenten ontvangen vanaf 2026 extra middelen, oplopend tot een plus van structureel ongeveer 1 miljard euro per jaar vanaf 2029. De afspraken die dit voorjaar tussen Rijk en gemeenten zijn gemaakt dragen bij aan een meer stabiele financiering van medeoverheden. Daarnaast loopt op dit moment het houdbaarheidsonderzoek voor de Wmo en de meerjarenagenda voor een toekomstbestendige inrichting van het stelsel.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als ouderen geen toegang krijgen tot de huishoudelijke zorg die zij nodig hebben? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat mensen wel de zorg krijgen die zij nodig hebben? Zo nee, waarom niet?
Het tekort aan personeel is momenteel het belangrijkste knelpunt om de groeiende vraag naar zorg en ondersteuning op te vangen. Door demografische trends zoals de vergrijzing is de verwachting dat de druk op de arbeidsmarkt in de toekomst verder zal toenemen. Om een onbeheersbaar arbeidsmarkttekort af te wenden, moeten we nu de zeilen bijzetten. Dit vraagt om een gezamenlijke inzet van Rijk, gemeenten, zorgaanbieders en -professionals om tot oplossingen te komen. De Minister van VWS en ik willen zorg en welzijn ook in de toekomst toegankelijk houden voor iedereen die dit nodig heeft. Eén van deze oplossingen is het drastisch verminderen van administratieve lasten, onder meer met behulp van technologie en digitalisering. Hierdoor krijgen professionals meer tijd en ruimte om aan de patiënt te besteden. De toegang tot zorg en ondersteuning is bovendien lang niet voor iedereen en niet overal in ons land vanzelfsprekend. Daarom heeft het kabinet in het hoofdlijnenakkoord ook maatregelen aangekondigd om de toegang tot zorg gelijkwaardiger te maken. Deze zijn nader uitgewerkt in het regeerprogramma.
Het opzeggen van het verdrag inzake clustermunitie door Litouwen |
|
Kati Piri (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat Litouwen zich terug heeft getrokken uit het verdrag inzake clustermunitie?1
Ja.
Heeft u de reactie hierop gezien van de internationale coalitie tegen clustermunitie?2 Deelt u de zorgen van deze coalitie?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van de reactie. Als actief partij bij het Verdrag inzake clustermunitie (CCM) deelt Nederland de zorgen van de coalitie en betreurt het kabinet de keuze van Litouwen om zich terug te trekken uit het verdrag.
Bent u bereid om, met spoed, contact op te nemen met Litouwen om erop aan te dringen dat het land het besluit zich terug te trekken herziet? Zo nee, waarom niet?
Voorop staat dat volgens artikel 20 van het CCM elke verdragspartij bij de uitoefening van zijn nationale soevereiniteit het recht heeft het CCM op te zeggen. Op 18 juli jl. heeft het parlement van Litouwen hiertoe een wetsvoorstel aangenomen. Deze wet trad in werking op 26 juli, één dag nadat de wet was ondertekend door president Gitanas Nausėda. Zodra de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties de akte van opzegging van Litouwen ontvangt, begint een bedenktijd van zes maanden, waarna de opzegging van kracht wordt.
Het kabinet heeft reeds contact gehad met Litouwse autoriteiten over het opzeggen van het verdrag. Hierbij heeft Nederland zorgen geuit, Litouwen wijst van zijn kant op de toenemende dreiging en geopolitieke omgeving waar Litouwen zich in bevindt. Deze is het directe gevolg van de Russische agressie in Oekraïne. De Russische dreiging is ook een zorg voor Nederland en het NAVO-bondgenootschap en is één van de redenen waarom het kabinet investeert in de veiligheid van de regio, onder andere middels deelname aan de NATO Enhanced Forward Presence missie in Litouwen.
Deze dreiging neemt echter niet weg dat de humanitaire overwegingen die ten grondslag liggen aan het tot stand komen van het Verdrag inzake clustermunitie ongewijzigd zijn en daarnaast dat een verdrag alleen effectief is als de verdragspartijen zich juist ten tijde van toenemende veiligheidsdreigingen zich hier aan houden. In dat kader is er met Litouwen in bilateraal en multilateraal verband gesproken over het Lausanne Action Plan van het verdrag dat elk mogelijk gebruik, ontwikkeling, productie, opslag en overdracht van clustermunitie ontmoedigt. Hierbij is er bij Litouwen op aangedrongen alternatieve manieren te onderzoeken om de nationale veiligheid te waarborgen en af te zien van het opzeggen van het verdrag. Nederland zal als verdragspartij het belang van het CCM blijven benadrukken, richting Litouwen en andere landen.
Het opleggen van budgetplafonds aan Pro Persona door de zorgverzekeraars |
|
Lisa Westerveld (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de brandbrief van de gezamenlijke cliëntenraden van Pro Persona GGZ over het opleggen van budgetplafonds aan Pro Persona door de zorgverzekeraars?1
Ik vind het vervelend voor de cliënten dat zij zorgen hebben over het opleggen van omzetplafonds en wil de cliëntenraden bedanken dat zij de moeite nemen hun zorgen bij u kenbaar te maken. Tegelijkertijd is het voor mij lastig om over de specifieke voorgelegde casus iets inhoudelijks te zeggen. Wel kan ik ingaan op de zorgen die worden geuit over omzetplafonds in zijn algemeenheid. Ik begrijp namelijk de zorgen over omzetplafonds in combinatie met de toegankelijkheid van de ggz-zorg.
Het is niet zo dat omzetplafonds per definitie een negatieve impact hebben op de toegankelijkheid. Er is namelijk ook sprake van personele schaarste ten opzichte van de totale zorgvraag. Het is de taak van zorgverzekeraars om deze schaarse personele inzet en schaarse middelen zo goed mogelijk te verdelen en idealiter terecht te laten komen bij de mensen die de zorg het hardst nodig hebben. Omzetplafonds zijn een middel voor zorgverzekeraars om dat doel te bereiken.
Daarnaast kent het systeem diverse waarborgen voor de verzekerde. Zo heeft een verzekeraar zorgplicht jegens de individuele verzekerde. Dit houdt in dat een verzekerde, (in het geval van een naturapolis) recht heeft op zorg binnen de treeknorm en redelijke reisafstand. Wanneer een verzekerde bij een specifieke aanbieder te maken krijgt met een omzetplafond, is de aanbieder verplicht om hem naar de verzekeraar te verwijzen. De verzekeraar is vervolgens vanuit zijn zorgplicht verplicht om de verzekerde te bemiddelen naar een plek binnen de treeknorm. Kan hij elders geen passende zorg bieden binnen de treeknorm, dan moet er worden bij gecontracteerd, of moet de zorg alsnog vergoed worden alsof er sprake is van een contract (dus ook zonder eigen bijdrage).
Is het toegestaan om onderscheid te maken tussen mensen in wanneer zij toegang krijgen tot de zorg die zij nodig hebben op basis van bij welke zorgverzekeraar zij zijn verzekerd? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit alsnog onwenselijk is, aangezien zorginhoudelijke factoren hierbij doorslaggevend zouden moeten zijn?
Iedereen heeft recht op de zorg die nodig is. Een zorgverzekeraar heeft, in het geval van een naturapolis, de plicht om ervoor te zorgen dat verzekerden tijdige, bereikbare en kwalitatief goede zorg krijgen. Het recht op tijdige zorg van goede kwaliteit is dus niet afhankelijk van de zorgverzekeraar. Het is alleen wel zo dat iemand recht op zorg heeft en geen recht op zorg bij een specifieke aanbieder.
Het is zoals eerder aangegeven in antwoord op vraag 1 ook niet zo dat een patiënt bij het bereiken van een omzetplafond geen zorg meer kan krijgen. Als een verzekerde niet bij een bepaalde zorgaanbieder terecht kan, dan moet de zorgverzekeraar desgevraagd via zorgbemiddeling een passend alternatief bieden.
Bent u het ermee eens dat het opleggen van dit soort budgetplafonds, terwijl er ondertussen bijna 100.000 wachtplekken zijn in de ggz, ingaat tegen de zorgplicht van zorgverzekeraars? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat zorgverzekeraars zich wel aan de zorgplicht gaan houden? Zo nee, hoe kunt u deze tegenstelling voor uzelf rechtbreien?
Ik begrijp de zorgen hierover, maar ik ben het daar niet mee eens. Het is niet zo dat door omzetplafonds minder patiënten in de ggz geholpen kunnen worden en ben daarom ook niet van mening dat budgetplafonds door zorgverzekeraars moeten worden afgeschaft. Het is een taak van zorgverzekeraars om schaarse personele inzet en schaarse middelen zo goed mogelijk te verdelen en idealiter terecht te laten komen bij de mensen die de zorg het hardst nodig hebben. Omzetplafonds zijn een middel voor zorgverzekeraars om dat doel te bereiken. In het kader van het traject «cruciale ggz» ben ik in gesprek met het veld om te bekijken hoe we de werking van sturingsinstrumenten van zorgaanbieders en zorgverzekeraars, zoals het omzetplafond, kunnen verbeteren.2
Wat houdt de zorgplicht voor zorgverzekeraars volgens u in? Wat moeten zorgverzekeraars volgens u op het gebied van de ggz doen om aan die zorgplicht te voldoen?
De zorgplicht houdt in dat zorgverzekeraars ervoor zorgen dat hun verzekerden de zorg krijgen waar ze recht op hebben. Zorgverzekeraars moeten voor iedere sector, ook de geestelijke gezondheidszorg, zorgen dat dit gebeurt. Ik ben mij er van bewust dat dit binnen de ggz niet goed lukt. De wachttijden in de ggz zijn al langere tijd te lang. In de afgelopen tijd zijn er al diverse acties in gang gezet om dit te verbeteren. Om onnodige instroom in de ggz te voorkomen zijn er in het IZA afspraken gemaakt over het organiseren van mentale gezondheidscentra waarbinnen verkennende gesprekken gevoerd worden. In zo’n gesprek kan met een patiënt worden besproken of daadwerkelijk ggz-zorg, ggz-zorg in combinatie met ondersteuning vanuit het sociaal domein of enkel ondersteuning vanuit het sociaal domein nodig is. Daarnaast zijn in het IZA afspraken gemaakt over het vormen van een regionale ggz-wachtlijst en over het creëren van meer behandelcapaciteit, bijvoorbeeld door meer in te zetten op hybride zorg. Ik houd uw Kamer hierover op de hoogte, onder andere via het traject cruciale ggz.
Welke alternatieven hebben mensen die momenteel op de wachtlijst staan bij Pro Persona en door deze budgetplafonds op korte termijn geen toegang meer kunnen krijgen tot de zorg die zij nodig hebben? Zijn er andere ggz-aanbieders in dezelfde regio die de capaciteit hebben om deze cliënten over te nemen van Pro Persona? Zo ja, hoe wordt ervoor gezorgd dat deze mensen daar terecht kunnen? Zo nee, waarom wordt er dan alsnog een budgetplafond ingesteld, als mensen daardoor totaal geen toegang meer hebben tot de zorg die zij nodig hebben?
Pro Persona geeft aan dat wordt samengewerkt met andere aanbieders in de regio, zodat cliënten op de meest passende plek zorg kunnen ontvangen. Voor een specifieke groep patiënten (Gecompliceerd Psychische aandoeningen) is er geen andere aanbieder in de regio Gelderland Zuid en Gelderland Midden. Deze groep cliënten kan zich melden bij de afdeling zorgbemiddeling van hun zorgverzekeraar. Deze moet hen doorverwijzen naar aanbieders die de zorg wel kunnen leveren. Mensen die verplichte of acute zorg nodig hebben, kunnen overigens wel bij Pro Persona terecht, ongeacht hun zorgverzekeraar.
Hoeveel tijd en geld wordt zal er nu worden verspild aan het herinrichten van de zorg, als gevolg van deze budgetplafonds?
Ik heb geen zicht op welke middelen en tijd hiervoor worden ingezet. Het maken van afspraken, ook over budgetplafonds, is een zaak tussen individuele aanbieders en individuele zorgverzekeraars. Ik ben niet op de hoogte van de afspraken die individuele zorgverzekeraars en individuele zorgaanbieders in contracten met elkaar maken. Daarmee heb ik ook geen zicht op de tijd die partijen besteden aan de contractering of, in het bijzonder, in welke mate deze tijd besteed wordt aan het herinrichten van de zorg.
Hoeveel cliënten kan Pro Persona minder behandelen als gevolg van deze budgetplafonds?
Het is vanuit mijn positie niet in te schatten of, en hoeveel patiënten er minder behandeld kunnen worden door omzetplafonds bij Pro Persona. Ik beschik over onvoldoende gegevens over deze specifieke casus om daar goed antwoord op te kunnen geven. Daarbij merk ik overigens op dat de zorgplicht bij de verzekeraar ligt, en niet bij de aanbieder. Dat betekent dat de verzekeraar er altijd voor moet zorgen dat de verzekerde binnen de treeknorm zorg ontvangt.
Hoeveel andere ggz-aanbieders hebben ook te maken met budgetplafonds?
Zoals hiervoor aangegeven is het afspreken van een budgetplafond een zaak tussen een aanbieder en een zorgverzekeraar. Ik heb dan ook geen zicht op het aantal ggz-aanbieders dat te maken heeft met een budgetplafond.
Hoeveel cliënten kunnen er in totaal minder worden geholpen als gevolg van deze budgetplafonds?
Zoals hiervoor aangegeven is het niet zo dat er per definitie minder mensen geholpen worden. Daarnaast heb ik geen zicht op het effect van budgetplafonds op het aantal behandelde mensen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen met een complexere en duurdere zorgvraag niet nog minder snel geholpen worden als gevolg van deze budgetplafonds?
Ik ben het met u eens dat mensen met een complexere zorgvraag goed geholpen moeten worden. Een budgetplafond zou hier niet bij in de weg hoeven te staan. Om ervoor te zorgen dat dit in de praktijk ook niet het geval is, ben ik actief in gesprek met het veld, waaronder zorgverzekeraars. We bekijken hoe we de toegankelijkheid voor de ggz kunnen verbeteren, bijvoorbeeld in het kader van het traject «cruciale ggz». Hierin neem ik ook het onderwerp omzetplafonds mee.
Zou het niet logischer zijn om deze tijden van schaarste in de zorg – en bijna 100.000 wachtplekken in de ggz – ggz-aanbieders zoals Pro Persona toe te staan om zoveel mogelijk mensen te helpen om deze wachtlijsten terug te dringen?
Zoals genoemd bij het antwoord van vraag 3 kunnen omzetplafonds, als op de juiste manier worden ingezet, bijdragen aan de doelmatigheid van de zorg en een goede verdeling van het schaarse personeel over de patiënten. Dat komt de toegankelijkheid dan juist ten goede. Dat omzetplafonds worden gehanteerd, mag niet betekenen dat er onvoldoende beschikbare zorg wordt ingekocht door de verzekeraar ten opzichte van zijn verzekerden.
Wat vindt u belangrijker in deze discussie: het beperken van de zorguitgaven of ervoor zorgen dat mensen de zorg krijgen die zij nodig hebben?
Zoals ik hierboven heb aangegeven vind ik toegankelijkheid van zorg voor de mensen die dat nodig hebben heel erg belangrijk. Het in de hand houden van de zorguitgaven is echter ook belangrijk. Zorg moet immers ook betaalbaar blijven.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de zorgverzekeraars, Pro Persona en de cliëntenraden van Pro Persona over deze budgetplafonds?
Zoals ik heb aangeven in het antwoord op voorgaande vragen zijn aanbieders en zorgverzekeraars samen verantwoordelijk om in de regio te zorgen voor goede afspraken en een goed en voldoende aanbod. Daarbij past niet dat ik mij daarin meng.
Wat gaat u doen om het kunstmatig inkrimpen van de hoeveelheid mensen die geholpen kunnen worden in de ggz en het onderscheid maken van mensen op grond van hun zorgverzekering tegen te gaan? Bent u bereid om het gebruik van budgetplafonds in de ggz een halt toe te roepen, in ieder geval zolang er sprake is van forse wachtlijsten?
Omzetplafonds gaan met name om de verdeling van personele schaarste in capaciteit. Het is dus niet zo dat de hoeveelheid mensen die geholpen kan worden kunstmatig wordt ingekrompen. Ook is het niet zo dat er onderscheid is in het recht op zorg bij verschillende zorgverzekeraars. Ik zie ook de voordelen van budgetplafonds, zoals hierboven aangegeven. Wel ben ik in gesprek met het veld, waaronder zorgverzekeraars, om te bekijken hoe we de toegankelijkheid voor de ggz kunnen verbeteren, bijvoorbeeld in het kader van de aanpak cruciale ggz. Hierin neem ik het onderwerp budgetplafonds mee.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
De behandeling van Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël stelt Palestijnse gevangenen bloot aan een «collectieve bestraffing»»?1
Ja.
Bent u het eens dat het de plicht van het Nederlandse kabinet is om andere landen aan te spreken op hun mensenrechterlijke verplichtingen jegens gevangenen, zowel militair als civiel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht aan de strikte naleving van internationaalrechtelijke bepalingen over detentie. Deze boodschap wordt in de contacten met Israël op verschillende niveaus uitgedragen.
Kunt u het in het artikel aangehaalde cijfer van 3300 Palestijnen in Israëlische «administratieve detentie» bevestigen danwel ontkrachten?
Bent u het eens dat de manier waarop Israël het begrip «administratieve detentie» hanteert, waarbij geen sprake is van een formele verdenking of juridisch proces, een inbreuk is op de rechten van gevangenen en dient te worden veroordeeld? Zo ja, bent u voornemens deze veroordeling aan de Israëlische regering over te brengen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen over de schaal en duur van deze detenties. Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 1, hecht het kabinet aan de strikte naleving van de internationaalrechtelijke bepalingen omtrent detentie.
Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd.
Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit dragen we actief uit richting Israël, ook in EU-verband.
Klopt het dat van Palestijnse gevangenen uit Gaza niet bekend is waar zij zich bevinden en dat zij hierdoor niet kunnen worden bezocht door mensenrechtenorganisaties, juristen of familie? Zo ja, wat heeft het Nederlandse kabinet gedaan om haar weerzin van deze praktijken kenbaar te maken jegens de Israëlische regering? Kunt u daar uitgebreid op reageren?
De Israëlische Unlawful Combatants Law, die sinds het begin van de oorlog werd uitgebreid en gewijzigd, ontneemt gedetineerden in Gaza hun rechten op een eerlijk proces, inclusief het recht op bezoek door advocaten gedurende een lange periode van tijd (75 dagen met mogelijke verlenging).
De Verdragen van Genève geven het Internationaal Comité van het Rode Kruis het expliciete recht gedetineerden te bezoeken. Het Internationaal Comité van het Rode Kruis heeft momenteel echter geen toegang tot deze gedetineerden in Israël. Israëlische NGO’s en hun advocaten krijgen sinds kort onder bepaalde voorwaarden wel toegang tot Gazaanse gedetineerden.
Nederland heeft bij meerdere gelegenheden zorgen geuit over de behandeling van gedetineerden en Israël aangesproken op zijn verplichtingen onder het internationaal recht. Daarnaast onderschrijft het kabinet het belang van gedegen en onafhankelijk onderzoek om mogelijke schendingen vast te stellen. De organisatie die wordt genoemd in het artikel, HaMoked, wordt al jaren door Nederland gesteund voor projecten ter juridische ondersteuning van Palestijnen in Israëlische detentie. HaMoked doet o.a. onderzoek naar vermeende schendingen van rechten van Palestijnen in detentie door Israël. Tot slot heeft Nederland verschillende zittingen in rechtszaken die momenteel in Israël lopen over de Unlawful Combatants Law en de Sde Teiman faciliteit bijgewoond.
Klopt het dat 1400 Palestijnen uit Gaza door de Israëlische regering geclassificeerd zijn als «onwettige strijder» en dat hen daarmee de rechten van reguliere krijgsgevangenen wordt ontzegd? Zo ja, hoe beoordeelt u deze praktijken?
Kunt u de gevallen van vermeende mishandeling in de basis Sde Teiman, zoals aangehaald in het artikel, alsook door de kranten New York Times, Haaretz en de Verenigde Naties (VN)-organisatie UNRWA, beoordelen? Bent u bereid de Israëlische regering om opheldering te vragen over deze berichten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt signalen van vermeende schendingen van het internationaal recht, inclusief het humanitair oorlogsrecht, uiterst serieus. Nederland brengt zorgen over de situatie in Sde Teiman op bij de Israëlische autoriteiten en volgt de rechtszaak die hierover in Israël loopt nauw. Het blijft van belang dat er onafhankelijk onderzoek plaatsvindt om schendingen van het internationaal recht vast te stellen.
Kunt u een update geven van de uitvoering van de motie van het lid Veldkamp c.s. over beschikbare diplomatieke kanalen inzetten om toegang van waarnemers tot onder meer de Sde Teiman-gevangenis in Israël tot stand te brengen?2
Ik heb in lijn met de motie van het lid Veldkamp tijdens een gesprek met de Israëlische ambassadeur in Den Haag op 10 juli jl. en tijdens gesprekken met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 13 augustus jl. en op 2 september jl. uitvoering gegeven aan deze motie. Daarnaast heeft op 8 augustus jl. Zwitserland namens gelijkgestemden, inclusief Nederland, schriftelijk diplomatieke outreach gedaan, ter bevordering van de toegang van het Internationaal Comité van het Rode Kruis tot de detentiecentra. Nederland zal hier, ook met andere landen, aandacht voor blijven vragen bij de Israëlische autoriteiten. Nederland ziet specifiek een centrale rol weggelegd voor het Internationaal Comité van het Rode Kruis, gezien het essentiële, onvervangbare en in het humanitaire oorlogsrecht verankerde mandaat van het Internationaal Comité van het Rode Kruis om gevangenen te bezoeken en informatie over gedetineerden te delen met families.
Het bericht Nederland zorgt niet goed voor kwetsbare kinderen: ‘We zakken als land door het ijs’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht Nederland zorgt niet goed voor kwetsbare kinderen: «We zakken als land door het ijs»?1
Hoewel Nederland dit jaar een plek op de Kidsrights Index is gestegen en nog steeds binnen het hoogst scorende cluster valt van landen op het gebied van kinderrechten, zijn de aandachtspunten uit het Kidsrights-rapport van groot belang.
Dit kabinet zet volop in op de thema’s die Kidsrights noemt. Voorbeelden hiervan zijn de kwaliteit van de jeugdzorg, wachtlijsten in de jeugdzorg, de toegenomen kinderarmoede en de lagere vaccinatiegraad onder kinderen. Samen met de partners van de Hervormingsagenda werk ik aan het verbeteren van de jeugdzorg om alle kinderen en jongeren die dit nodig hebben tijdig passende hulp ontvangen. Verder deel ik de zorgen over de gedaalde vaccinatiegraden onder kinderen. Nederland staat hier niet alleen in, in geheel West-Europa is de vaccinatiegraad gedaald, zoals Kidsrights aangeeft. Om kinderen te beschermen tegen de gevolgen van infectieziekten is deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) van groot belang. Daarom zet ik in op het versterken van het RVP, onder meer door vaccinaties laagdrempeliger aan te bieden in wijken en gebieden waar de vaccinatiegraad achterblijft. Ook is er in de voorlichting extra aandacht voor doelgroepen die via reguliere kanalen niet bereikt worden en werken we samen met lokale sleutelpersonen om het vertrouwen in vaccinaties te vergroten. Over deze inzet heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer op 3 april2 en 20 juni jl. geïnformeerd.3 De resultaten van deze aanpak zullen zich echter niet direct vertalen in een verhoogde vaccinatiegraad, dit betreft een langdurig proces.
Tegelijkertijd scoren we als Nederland op een aantal domeinen goed. Zo staan we als land op nummer 9 op het gebied van educatie en op nummer 3 wanneer het gaat om het thema bescherming. Ik zie dit rapport als een oproep aan het kabinet om kinderrechten goed te waarborgen. Daar zet het kabinet de komende jaren dan ook stevig op in om zo een gezonde en veilige omgeving voor alle kinderen in Nederland te creëren.
Bent u het ermee eens dat de plannen uit het hoofdlijnenakkoord fors tekort schieten als het gaat om het verbeteren van de positie van kwetsbare kinderen? Zo ja, welke stappen gaat u extra zetten om deze positie te verbeteren? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat er fors wordt bezuinigd op jeugdzorg en de kinderarmoede stijgt?
Zoals bij vraag 1 aangegeven zet dit kabinet in op de aandachtspunten die Kidsright belicht. Ik herken dan ook niet het beeld dat dit kabinet onvoldoende zou doen om de positie van kwetsbare kinderen te verbeteren. De (kinder)armoede is de afgelopen jaren fors gedaald mede door diverse koopkrachtmaatregelen. Het kabinet wil samen met gemeenten voor het beleid om (kinder)armoede aan te pakken verder verbeteren, mede in navolging van de Europese kindergarantie. Het kabinet werkt hieraan middels een integrale aanpak met gemeenten, vakbonden, werkgevers, maatschappelijke en private organisaties en ervaringsdeskundigen. De maatregelen worden momenteel nader uitgewerkt in het regeerprogramma, dat met Prinsjesdag met de Kamer wordt gedeeld.
Hoe reageert u op de stelling van stichting KidsRights dat het feit dat het niet verbeteren van de positie van Nederland het gevolg is van «Een gebrek aan visie. We blijven aanmodderen»?
Dit kabinet zet zich over de volle breedte van beleid in om de naleving van kinderrechten in Nederland te versterken. In 2023 is een jaarlijkse cyclus in het leven geroepen om opvolging te blijven geven aan de aanbevelingen van het VN-Kinderrechtencomité, die bestaat uit drie kernactiviteiten. Tijdens de Kinderrechtenconferentie formuleren kinderen van verschillende basisscholen adviezen over de aanbevelingen. Hierna volgen tijdens de Kinderrechtendialoog verdiepende gesprekken met kinderen, jongeren, beleidsmakers, kinderrechtenorganisaties en de Kinderombudsman. Met «Kinderrechten in Beweging» wordt bovendien op basis van dataverzameling een jaarlijkse beleidsanalyse bijgehouden.
Daarnaast wil ik met de ontwikkeling van de nationale jeugdstrategie nadrukkelijk de stem van jongeren in beleidskeuzes meenemen om beleid beter te laten aansluiten bij de behoeften van jongeren en hun toekomst.4
Tenslotte is het belangrijk dat kinderrechten aandacht krijgen bij het uitvoeren van (nieuw) beleid. Een kinderrechtentoets kan hiervoor een nuttig middel zijn. Een kinderrechtentoets maakt het makkelijker om beleid, wet- en regelgeving te toetsen aan het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Op dit moment is de Kinderombudsman deze toets aan het ontwikkelen. Daarna kan worden besloten of en hoe deze bruikbaar is voor beleid.
Bent u het ermee eens dat deze zorgelijke ontwikkeling duidelijk maakt dat bezuinigingen op jeugdzorg op dit moment onverantwoord zijn?
Met de partners in de jeugdhulp is in 2023 de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken waarin zowel inhoudelijke als financiële doelstellingen zijn opgenomen. Op beide doelstellingen tegelijkertijd stappen zetten is een uitdaging, maar beide zijn noodzakelijk. Hier ga ik mij de komende periode voor in zetten.
Ik wil namelijk dat (kwetsbare) jeugdigen niet alleen nu, maar ook in de toekomst toegang hebben tot jeugdhulp. En ik wil dat gemeenten weer in rustiger vaarwater komen als het gaat over de balans tussen budget en uitgaven voor de jeugdzorg. Door onder andere in te zetten op meer standaardisatie, minder administratieve lasten en een beter passend zorgaanbod zie ik hiertoe ook mogelijkheden. De Hervormingsagenda biedt hiervoor de basis. Naast inhoudelijke afspraken bevat de Hervormingsagenda ook verschillende procesafspraken, waarmee we de ontwikkelingen monitoren en bijsturen waar nodig. Een commissie van deskundigen zal begin 2025 een eerste advies opleveren over de uitvoering van de agenda mede in relatie tot de uitgavenontwikkeling.
Wat denkt u dat de gevolgen voor de jeugdzorg zijn van het zogenaamde «ravijnjaar» waar gemeenten vanaf 2026 fors geld tekort komen, ook voor de jeugdzorg?
In algemene zin geldt dat de gemeenteraden vrij zijn in de besteding van de middelen uit het Gemeentefonds. Zodoende kan ik geen generieke uitspraken doen over welke keuzes gemeenten lokaal maken en welke impact dat heeft op de jeugdzorg.
Ik kijk hierbij met name naar de afspraken die in de Hervormingsagenda Jeugd zijn gemaakt, waarin we met gemeenten maatregelen hebben afgesproken met als doel het beschikbare budget en de uitgaven voor jeugdzorg beter op elkaar af te stemmen. Ook is afgesproken om tot een beter passend en bestendig financieringsmodel te komen; een financieringssystematiek die beter past bij de taken en verantwoordelijkheden zoals die op het terrein van jeugdzorg bij gemeenten zijn neergelegd. De inzet is om op die manier in het domein van jeugdzorg de balans tussen middelen en taken van gemeenten te herstellen.
Deelt u de mening dat deze tekorten bij gemeenten de broodnodige verbetering van zorg voor kinderen in de weg staan? Bent u bereid om uw antwoord toe te lichten?
Nee, die mening deel ik niet. Met de Hervormingsagenda Jeugd ligt er een stevige ambitie op zowel de kwaliteit van jeugdzorg als het beperken en stabiliseren van de uitgaven aan jeugdzorg. Beide doelstellingen zijn nodig om zowel inhoudelijke verbeteringen in de huidige jeugdzorg door te voeren, als jeugdzorg betaalbaar en beschikbaar te houden. In dat kader ben ik intensief in gesprek met gemeenten, met de belangrijke partners in de jeugdzorg, en met andere departementen, om de zorg voor de meest kwetsbare kinderen te borgen en de balans tussen middelen en taken van gemeenten te herstellen.
In hoeverre heeft de introductie van marktwerking in de jeugdzorg volgens u bijgedragen aan het ontstaan van deze barre situatie?
Het jeugdzorgstelsel is in 2015 gewijzigd; sindsdien wordt jeugdzorg door gemeenten ingekocht. Zij zijn vrij in hoe zij de jeugdzorg inkopen en hebben daar verschillende keuzes in gemaakt, met ook heel verschillende uitkomsten. Ik houd oog voor de werking van het stelsel bijvoorbeeld middels onderzoek naar de inzet van het instrument open house. Wij zullen uw Kamer dit najaar informeren over de uitkomsten hiervan.
Bent u het ermee eens dat kinderen in een kwetsbare positie beter verdienen dan wat er nu voor hen wordt gedaan?
Ik ben het ermee eens dat blijvend aandacht nodig is voor kinderen die zich in een kwetsbare positie bevinden. Het kabinet zet zich hier daarom ook stevig op in, zoals ik ook in mijn vorige antwoorden heb benadrukt. Met de implementatie van de Hervormingsagenda zal ik bovendien ook zorgen dat de meest kwetsbare kinderen de juiste hulp ontvangen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Het bericht “Rusland zet onafhankelijke krant The Moscow Times op zwarte lijst” |
|
Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD), Eric van der Burg (VVD), Derk Boswijk (CDA), Sarah Dobbe (SP), Jan Paternotte (D66) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rusland zet onafhankelijke krant The Moscow Times op zwarte lijst»1 en de bijbehorende risico's voor Russische journalisten werkzaam bij dit medium?
Ja.
Bent u bereid noodvisa beschikbaar te stellen voor Russische journalisten die in gevaar zijn door hun werk voor The Moscow Times? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderstreept dat journalisten veilig hun werk moeten kunnen doen en zet zich daar ook voor in, ook waar het Russische journalisten betreft. Daar hoort bij dat binnen de bestaande beleidskaders, en daarbij zorgvuldig getoetst aan de Visumcode, het in uitzonderlijke gevallen mogelijk is visa te verstrekken als daar zwaarwegende of humanitaire redenen voor zijn. Het kabinet hecht aan mensenrechten, rechtsstaat en democratie, en persvrijheid hoort daarbij.
Het vredesproces tussen Armenië en Azerbeidzjan |
|
Thom van Campen (VVD), Kati Piri (PvdA), Isa Kahraman (NSC), Jan Paternotte (D66), Sarah Dobbe (SP), Don Ceder (CU), Derk Boswijk (CDA) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat er – voor zover u bekend – besproken is tijdens de trilaterale ontmoeting tussen Armenië, Azerbeidzjan en de Verenigde Staten tijdens de NAVO-top op 10 juli jl.?1
De Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken Antony Blinken ontving de Ministers van Buitenlandse Zaken van Armenië en Azerbeidzjan voor een ontmoeting in Washington tijdens de NAVO-top. Volgens het persbericht van de woordvoerder van Blinken spraken ze over de voortgang in het vredesproces. Blinken moedigde de beide landen aan om snel tot een duurzaam en volwaardig vredesakkoord te komen, in het belang van de gehele regio.
Deelt u de mening van de in het bovengenoemde artikel aangehaalde politicoloog dat de eis van Azerbeidzjan dat de Armeense Grondwet aangepast moet worden momenteel een grote drempel vormt voor de vredesbesprekingen tussen beide landen?
Het kabinet is van mening dat een duurzaam vredesakkoord op basis van wederzijdse erkenning van territoriale integriteit en soevereiniteit iedereen in de zuidelijke Kaukasus ten goede komt. Samen met internationale partners en in EU-verband moedigt het kabinet de partijen aan om tot duurzame en waardige oplossingen te komen, zodat een akkoord ook daadwerkelijk leidt tot stabiliteit en normalisering van de betrekkingen. Het is belangrijk dat partijen met eerlijke intenties naar de onderhandelingstafel komen. Mochten er twijfels zijn over de intenties van (een van de) partijen dan zal dat aangekaart worden op de daarvoor meest geschikt geachte wijze en niveau, bijvoorbeeld via de EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de zuidelijke Kaukasus en Georgië, en samen met internationale partners. Het is echter niet in het belang van de onderhandelende partijen om in deze beantwoording publiekelijk in te gaan op de onderhandelingsposities van de partijen bij de vredesbesprekingen.
Herkent u het beeld dat Azerbeidzjan in dit proces steeds met nieuwe eisen komt, zoals het geval is bij de eis dat de Armeense Grondwet gewijzigd moet worden?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de zorgen die leven in Armenië over dat Azerbeidzjan met dergelijke nieuwe, tijdrovende eisen (het eventuele aanpassen van de Grondwet zal veel tijd kosten) tijdrekt en mogelijk later alsnog zal gaan escaleren? Hoe beoordeelt u deze zorgen vanuit Armenië?
Ik ben bekend met deze zorgen. Nederland heeft met beide landen contact over het belang van het vredesproces en het vermijden van eisen die dat proces vertragen. Momentum dient te worden behouden om tot akkoord te komen. Beide landen zeggen te willen komen tot duurzame vrede. Tegelijkertijd is duidelijk dat er nog stappen moeten worden genomen alvorens tot een duurzaam akkoord te komen.
Is de regering bereid te onderzoeken welke maatregelen Nederland en zijn partners kunnen nemen om de druk op Azerbeidzjan te vergroten om de vredesdeal met Armenië zo snel mogelijk, ruim voor de aanstaande Amerikaanse verkiezingen, te tekenen? Wilt u hier de Kamer, indien nodig vertrouwelijk, over informeren?
Zoals hierboven ook beschreven is, is het kabinet van mening dat een duurzaam vredesakkoord op basis van wederzijdse erkenning van territoriale integriteit en soevereiniteit iedereen in de zuidelijke Kaukasus ten goede komt. Deze positie wordt in contacten met beide landen uitgedragen, zowel bilateraal alsook in EU-verband en samen met andere internationale partners. Ik deel de visie dat het belangrijk is om vol in te zetten op het vredesproces, aangezien voor het eerst na drie decennia er zich een unieke kans op vrede voordoet. Waar er mogelijkheden zijn om het proces te versnellen en versterken, bijvoorbeeld door de inzet van internationale partners, zal het kabinet zich hiervoor inspannen in met name EU-verband, zowel voor als achter de schermen.
Zijn er wat u betreft nog andere manieren om het vredesproces te versnellen? Zo ja, bent u bereid zich hiervoor in te zetten?
Zie antwoord vraag 5.
Hebben de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en/of de Minister van Defensie al contact gehad met hun Armeense collega’s? Zo nee, bent u bereid dit snel te doen?
Tijdens de NAVO-top in Washington heb ik mijn Armeense collega Minister Ararat Mirzoyan en de Azerbeidzjaanse collega Jeyhun Bayramov ontmoet. Premier Schoof heeft met de Armeense premier Nikol Pashinyan gesproken tijdens de bijeenkomst van Europese Politieke Gemeenschap in London op 18 juli jl. In deze gesprekken hebben wij beide partijen opgeroepen om snel tot een duurzaam en volwaardig vredesakkoord te komen. Tijdens de Algemene Vergadering van de VN in New York hoop ik de ambtgenoten van beide landen in bilaterale ontmoetingen nader hierover te spreken. Ook heb ik het belang van voortgang bij relevante collega’s aangekaart, zoals bij de Turkse ambtgenoot.
Het kabinet zet in op het versterken van de Europese banden met Armenië, gezien de democratische ontwikkeling die Armenië heeft doorgemaakt, onder meer ten behoeve van economische ontwikkeling en gezien de geopolitieke kwetsbaarheid van het land.
Deelt u de mening dat de EU-missie in Armenië (EUMA) een grote bijdrage levert in de-escalatie aan de grens van Armenië en Azerbeidzjan en bent u daarom bereidt om te pleiten voor een verlenging van deze missie?3
Het kabinet erkent de de-escalerende rol die de EU Mission Armenia (EUMA) vervult aan de Armeens-Azerbeidzjaanse grens. Nederland draagt zelf met civiele en politie-experts actief bij aan de missie. In lijn met het mandaat van EUMA heeft de missie meermaals een rol van betekenis gespeeld bij de-escalatie van oplopende spanningen in het grensgebied. Hiermee draagt ze direct bij aan de bredere strategische EU-inzet in de regio. Een vreedzame oplossing voor het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan staat hierin centraal.
Het huidige mandaat van EUMA loopt tot februari 2025. EU-lidstaten treffen dit najaar voorbereidingen voor een eventuele verlenging van het mandaat.
De situatie op het voormalige terrein van de Hoenderloo Groep |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel Dorpelingen ontzet over criminaliteit: «Jeugdzorg wordt onze ondergang»?1
Uit het artikel maak ik op dat inwoners van het dorp Hoenderloo overlast hebben ervaren van cliënten die verblijven bij de zorgaanbieders op het terrein van de voormalige Hoenderloo Groep. Hun ongenoegen begrijp ik. Naar aanleiding van het artikel heb ik gesproken met de gemeente Apeldoorn. De gemeente heeft de afgelopen periode, in samenspraak met De Vos Groep, inwoners van Hoenderloo, politie, een regionale welzijnspartner en aanbieders, verschillende stappen ondernomen om de situatie voor zowel jeugdigen als bewoners verbeteren.
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat de veiligheid van de jongeren die op dit terrein verblijven wordt gewaarborgd?
Incidenten op en om het terrein van de voormalige Hoenderloo Groep waren in oktober 2023 de aanleiding om onder technisch voorzitterschap van de gemeente Apeldoorn een platform in te stellen. Daaraan nemen deel zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert de van gemeente Apeldoorn. Dit platform is erop gericht om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. In de praktijk ziet Apeldoorn dat dit zijn vruchten afwerpt: bij incidenten kan snel worden geschakeld waardoor inmiddels snel ingegrepen wordt. Het platform komt met regelmaat bij elkaar om te zorgen dat de relatieve rust die nu is ontstaan, blijvend is. Dit alles neemt niet weg dat de gemeente Apeldoorn de huidige situatie onwenselijk vindt. Hoewel de sturingsmogelijkheden voor de gemeente Apeldoorn in directe zin beperkt zijn, is de gemeente aan het onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de huidige situatie van de grote hoeveelheid verschillende aanbieders dicht bij elkaar te wijzigen.
Is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) al betrokken bij de situatie op het voormalige terrein van de Hoenderloo Groep? Zo ja, welke stappen zetten zij om de veiligheid van de jongeren te verbeteren?
Ja. De IGJ heeft mij laten weten op basis van alle beschikbare informatie toezichtactiviteiten uit te voeren die een bijdrage leveren aan het zicht op en verbetering van de kwaliteit en veiligheid van de geleverde zorg op het terrein.
De IGJ betrekt hierbij ook andere partijen. De IGJ neemt alle zorgaanbieders op het terrein, die onder het toezicht van de IGJ vallen, mee in lopende en toekomstige toezichtactiviteiten.
Deelt u de mening dat het een onwerkbare situatie is als er zoveel verschillende en wisselende zorgaanbieders (met ook nog eens veel variatie in de zorgverleners) met zeer verschillende doelgroepen op één terrein zitten, zonder goede samenwerkingsafspraken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De situatie zoals die ontstaan was een zorgelijke. Het ongenoegen van bewoners kan ik begrijpen. Het is daarom goed dat de gemeente Apeldoorn in samenspraak met De Vos Groep, inwoners van Hoenderloo, politie, een regionale welzijnspartner en aanbieders, verschillende stappen heeft ondernomen om de situatie voor zowel jeugdigen als bewoners te verbeteren.
Deelt u de analyse dat de decentralisatie van de jeugdzorg naar 342 gemeenten deze wildgroei aan aanbieders gestimuleerd heeft? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Jeugdwet is niet nader omschreven welke vormen van jeugdhulp een gemeente wel en niet dient te vergoeden. Jeugdhulp kent daardoor vele vormen. Binnen de Hervormingsagenda Jeugd wordt daarom gekeken naar mogelijke aanpassingen in wetgeving om de reikwijdte van de jeugdhulpplicht scherper af te bakenen.
De stijging in het aantal aanbieders is sinds de decentralisatie vooral te zien in het aanbod van lichtere vormen van (ambulante) zorg die vaak lokaal is ingekocht en minder in het specialistisch aanbod wat veelal regionaal wordt ingekocht. Het is mogelijk dat het aanbod in sommige gemeenten of regio’s sterk is gestegen door de wijze waarop de inkoop van deze zorgvormen is opgezet. Dit wordt nu nader onderzocht. De resultaten kan ik in het najaar met uw Kamer delen.
Deelt u de analyse dat het feit dat 342 gemeenten verantwoordelijk zijn voor specialistische jeugdzorg ervoor heeft gezorgd dat het lastiger wordt om goed overzicht te houden over die zorg?2
In veel gevallen is de schaal van individuele gemeenten te klein om met name specialistische jeugdzorg goed te kunnen organiseren. Samenwerking op regionaal niveau is dan ook noodzakelijk. Voor de uitvoering van de Jeugdwet hebben gemeenten in eerste instantie 42 regio’s gevormd. In de praktijk is het echter geen uitzondering dat gemeenten zich opsplitsen, dat de kaders van de regio’s veranderen en dat binnen de regio’s kleinere samenwerkingsbestanden bestaan. Ik zie dat de regionale samenwerking erg verschilt in het land wat leidt tot verschillen in de slagkracht en regie van gemeenten en regio’s op de organisatie van jeugdzorg. Zo kopen sommige regio’s maar een aantal onderdelen van specialistische jeugdzorg in, waar andere regio’s alle vormen gezamenlijk inkopen. Ook zijn er regio’s die een gezamenlijke administratieve organisatie hebben die namens alle gemeenten in de regio de facturen aanbiedt, terwijl andere regio’s alleen informele afspraken hebben. Door deze versnippering in gemeentelijke contractering en de werkwijze in de uitvoering heeft de regionale samenwerking nog onvoldoende vorm gekregen. Een gevolg daarvan is dat de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg onder druk staat, het in algemene zin lastig is om het zicht te houden op het specialistisch jeugdzorglandschap, en dat er onnodig hoge uitvoeringslasten zijn door de diversiteit in de afspraken bij administratieve processen.
Om deze problemen op te lossen heeft mijn voorganger eind april 2024 het wetsvoorstel «Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg» ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel stelt onder andere regionale samenwerking verplicht voor bepaalde zorgvormen en stelt eisen aan de wijze van uitvoering. Dit draagt op twee manieren bij aan een verbeterde beschikbaarheid van specialistische zorg voor jeugdigen. Enerzijds wordt hiermee voor gemeenten bevorderd dat er voor deze zorg een contractbasis is. Anderzijds wordt voorkomen dat de vraag te versnipperd raakt, waardoor aanbieders te weinig vraag ontvangen om het benodigde aanbod in kwalitatieve zin (verantwoorde hulp) of bedrijfseconomische zin (gezonde bedrijfsvoering) te kunnen blijven leveren. Daarnaast moeten regio’s een regiovisie opstellen waarin zij onder meer beschrijven hoe de regionale ingekochte hulp zich verhoudt tot het lokale aanbod en waarin afspraken wordt gemaakt over samenwerking met de aanbieders. Door ook te verplichten dat er op een meer uniforme wijze in de regio administratief wordt samengewerkt verminderen de administratieve lasten voor aanbieders die voor meerdere gemeenten werken. Hierdoor verbetert de beschikbaarheid van jeugdzorg voor de meest kwetsbare kinderen.
Zo ja, deelt u de mening dat het beter zou zijn om de specialistische jeugdzorg landelijk in te kopen?
In veel gevallen is de schaal van individuele gemeenten te klein om de specialistische jeugdzorg goed te kunnen organiseren. Samenwerking is dan noodzakelijk. Voor veel vormen van specialistische jeugdzorg geldt dat dit het beste op regionaal niveau kan worden georganiseerd en ingekocht. Slechts een beperkt aantal zorgvormen is dusdanig hoogspecialistisch en weinig voorkomend dat inkoop op regionale schaal – met de maatregelen uit het hierboven genoemde wetsvoorstel – onvoldoende is. Deze jeugdhulp vraagt om organisatie op landelijke schaal.
Het is wenselijk om ook deze landelijke inkoop onder verantwoordelijkheid van de gemeenten te laten plaatsvinden. Hiermee blijft geborgd dat bij een hulpvraag van een jeugdige of diens ouders integraal wordt gekeken naar de benodigde hulp (ongeacht het niveau waarop die hulp is gecontracteerd), op- of afschaling van de jeugdhulp gemakkelijk plaatsvindt en gemeenten de verbinding kunnen leggen met andere sociaal domeinbrede oplossingen. Indien de inkoop van deze hoogspecialistische jeugdhulp bij het Rijk zou worden belegd, zou er een schot ontstaan tussen de niveaus waarop de verschillende jeugdhulpvormen worden georganiseerd: lokaal en regionaal enerzijds (toeleiding en financiering bij gemeente) en landelijk anderzijds (toeleiding en financiering bij het Rijk). Daarmee zou integraal kijken naar de benodigde hulp voor een jeugdige en diens ouders worden belemmerd en op- en afschaling in de praktijk complexer worden. Voor de jeugdhulp die door het Rijk wordt gecontracteerd en gefinancierd zal immers een extra (nog in te richten) loket moeten worden ingericht waar wordt bepaald of toeleiding naar een landelijk gecontracteerde hulpvorm noodzakelijk is. Naast de extra administratieve lasten voor het stelsel, kan dit leiden tot vertraging bij de inzet van jeugdhulp en tot discussie over de noodzakelijke jeugdhulpvorm tussen de verschillende verantwoordelijke partijen (gemeenten en Rijk) met het risico dat een jeugdige tussen wal en schip raakt, terwijl het hier vaak gaat om de meest kwetsbare kinderen en gezinnen.
Deelt u de mening dat het absurd is en onwenselijk dat gemeenten niet weten waar kinderen en jongeren worden geplaatst?
Vanuit het woonplaatsbeginsel, dat sinds 2022 van kracht is, blijft de gemeente van oorsprong financieel verantwoordelijk voor een jeugdige, ook als deze buiten de eigen gemeente geplaatst is. Het is bekend dat niet alle gemeenten in Nederland hun data op orde hebben. Daarom wordt vanuit de Hervormingsagenda onder andere ingezet op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten. Dit laat onverlet dat gemeenten zelf ook verantwoordelijk zijn voor het op orde krijgen en inzichtelijk maken van hun data.
Deelt u de mening dat het voor gemeenten niet mogelijk is om toe te zien op de kwaliteit van zorg als zij niet eens weten waar kinderen en jongeren worden geplaatst?
Het toezicht op kwaliteit van de geleverde zorg in de Jeugdwet is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Als het gaat om de toezichthoudende rol van de gemeenten richt die zich op toezicht op rechtmatigheid van de zorg, daarvoor is het nodig dat zij weten bij welke aanbieder de jeugdige verblijft.
Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft. Overigens is ingeval van een Persoonsgebonden Budget de naam van het zorgbedrijf vaak niet bekend bij de gemeente, aangezien de budgethouder zelf verantwoordelijk blijft.
Wie houdt er wel toezicht op de kwaliteit van de jeugdzorg op het moment dat gemeenten zelf niet weten waar de jongeren waar zij verantwoordelijk voor zijn geplaatst zijn?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een kwalitatief toereikend aanbod en moeten duidelijke (kwaliteits)eisen stellen aan de aanbieders bij wie zij jeugdhulp inkopen. De IGJ houdt risicogestuurd toezicht op kwaliteit en veiligheid van zorg en jeugdhulp. De IGJ brengt toezichtbezoeken aan individuele jeugdhulpaanbieders en publiceert de rapporten met daarin haar bevindingen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kinderen en jongeren ver weg van hun thuis worden geplaatst en dat dit extra ontwrichtend kan werken voor het kind en gezin?
Een uithuisplaatsing is een vergaande maatregel waarvan de schadelijke effecten lange tijd onvoldoende onderkend zijn. Daarom is één van de opgaven uit de Hervormingsagenda Jeugd dat indien het noodzakelijk is dat jeugdigen uit huis worden geplaatst, dit gebeurt in een zo thuis mogelijke omgeving, zoals bij voorkeur pleegzorg, een gezinshuis of een regionaal georganiseerde kleinschalige voorziening.
Herinnert u zich de uitspraak van uw voorganger De Jonge, die stelde dat «200 jongeren in de bossen niet meer van deze tijd is»?3 Deelt u de analyse dat de huidige onoverzichtelijke situatie die is ontstaan na de verkoop door Pluryn geen verbetering is ten opzichte van de oude situatie?
De uitspraak dat «200 jongeren in de bossen niet meer van deze tijd zijn» was ingegeven door de breed gedragen doelstelling dat als jeugdigen uithuisgeplaatst moeten worden zij dan in een zo thuis mogelijke regionaal georganiseerde kleinschalige voorziening kunnen verblijven. Daaraan voldeed de Hoenderloo Groep niet; bovendien waren er zorgen over de financiën en de kwaliteit van de geboden zorg.
Of de geboden zorg nu passend is voor de jeugdigen die nu op het terrein van de voormalige Hoenderloo Groep verblijven kan ik niet beoordelen. De gemeenten die deze jeugdhulpaanbieders hebben gecontracteerd zijn verantwoordelijk voor passende jeugdhulp.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderen en jongeren zo dicht bij huis als mogelijk worden geplaatst, zodat zij, ook als thuiswonen even niet gaat, wel zoveel en snel mogelijk hun gewone vertrouwde leven weer kunnen oppakken?
De doelstelling is dat kinderen zo thuis mogelijk opgroeien. En als thuis wonen niet meer verantwoord is, moet de hulp zo thuis mogelijk zijn: pleegzorg, een gezinshuis of regionaal georganiseerde kleinschalige voorzieningen. Dit is de gezamenlijke ambitie van Rijk, gemeenten, aanbieders, cliëntenorganisaties en professionals. Dat moet eraan bijdragen dat zij hun gewone vertrouwde leven weer snel kunnen oppakken. Met aanbieders en gemeenten is afgesproken dat zij gaan investeren in alternatieve vormen van zorg om uithuisplaatsing te voorkomen en succesvolle terugkeer te bevorderen.
Hoe kijkt u aan tegen kleinschalige jeugdzorginstellingen zoals bijvoorbeeld het Heppie (t)Huis, in vergelijking met de commerciële instellingen die jongeren ver weg plaatsen van hun vertrouwde huis en waar onduidelijkheid is over de kwaliteit?
Eén van de opgaven uit de Hervormingsagenda Jeugd is dat uithuisgeplaatste jeugdigen in een zo thuis mogelijke regionaal georganiseerde kleinschalige voorziening verblijven. Heppie (t)Huis is daarvan een goed voorbeeld.
Wie is er momenteel uiteindelijk verantwoordelijk en aan te spreken op de gang van zaken op en rond het voormalige terrein van de Hoenderloo Groep?
Er zijn meerdere partijen verantwoordelijk voor de gang van zaken op en rond het voormalige terrein van de Hoenderloo Groep. De eigenaar van het terrein (De Vos Groep) is samen met de zorgaanbieders verantwoordelijk voor de veiligheid op het terrein. De zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de zorg aan hun cliënten, waarbij de individuele gemeenten verantwoordelijk zijn de jeugdigen die op het terrein verblijven passende hulp ontvangen. De gemeente Apeldoorn is verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid.
Welke stappen gaat u zetten om de problemen die nu spelen op het voormalige terrein van de Hoenderloo Groep aan te pakken, om ervoor te zorgen dat jongeren de zorg krijgen die zij nodig hebben, in een veilige situatie en dat de overlast voor het dorp afneemt?
Gemeenten hebben de wettelijke taak voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod en zijn er daarmee verantwoordelijk voor dat de jeugdigen die verblijven op het terrein van de voormalige Hoenderloo Groep passende hulp ontvangen. De gemeente Apeldoorn heeft stappen ondernomen om de situatie voor zowel jeugdigen als bewoners te verbeteren. Zie ook het antwoord op vraag 2.
De annexatie van Palestijns grondgebied op de Westelijke Jordaanoever door Israël |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël annexeert in één klap 270 hectare grond op de Westelijke Jordaanoever»?1
Ja.
Onderschrijft u het feit dat deze annexatie illegaal is volgens het internationaal recht en de Israëlische nederzettingenpolitiek een oorlogsmisdaad is volgens het statuut van Rome? Kunt u dat toelichten?
Het kabinet draagt consequent uit dat het nederzettingenbeleid van Israël, waarvan deze landconfiscatie onderdeel lijkt te zijn, in strijd is met het internationaal recht.
Op 19 juli jl. heeft het Internationaal Gerechtshof (IGH) een advies uitgebracht aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) inzake het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden waarin de gehele bezetting als illegaal wordt bevonden. Een Kamerbrief met een eerste appreciatie van dit IGH-advies is op 10 september jl. aan de Kamer gestuurd.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Israëlische Minister Smotrich dat deze annexaties bedoeld zijn om de wording van een Palestijnse staat te dwarsbomen?2
De uitspraken van Minister Smotrich zijn zeer kwalijk. Het nederzettingenbeleid van Israël, waar dit besluit ook onderdeel van lijkt te zijn, is in strijd met internationaal recht en plaatst een toekomstige vreedzame oplossing verder op afstand.
Onderschrijft u nog steeds het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk en een tweestatenoplossing? Zo ja, op welke manier draagt u hier aan bij?
Het kabinet staat achter een tweestatenoplossing, waarbij een veilig Israël en een toekomstige levensvatbare Palestijnse staat naast elkaar kunnen bestaan, tenzij door de partijen anders wordt besloten. Via de tweestatenoplossing zullen de Palestijnen ook hun zelfbeschikkingsrecht kunnen uitoefenen. Hoewel een tweestatenoplossing op dit moment ver uit het zicht is, blijft Nederland zich hiervoor in internationaal verband inzetten. Zo steunt het kabinet de aangekondigde hervormingen van de Palestijnse Autoriteit die van belang zijn voor een toekomstige levensvatbare en democratische Palestijnse staat. Tevens heeft Nederland zich in het verleden uitgesproken tegen unilaterale stappen die de tweestatenoplossing verder op afstand zetten. Dit zal het kabinet blijven doen.
Bent u bereid om deze illegale annexatie publiekelijk te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Nederland draagt consequent uit dat het nederzettingenbeleid en andere (daarmee samenhangende) maatregelen van Israël – ongeacht hun status onder Israëlisch recht – die het onderscheid tussen Israël en de bezette Palestijnse Gebieden vertroebelen, in strijd zijn met het internationaal recht. Het kabinet veroordeelt dit besluit dan ook. Dit besluit zet een reeds fragiele en gespannen situatie op de bezette Westelijke Jordaanoever verder onder druk. Het brengt een duurzame toekomstige oplossing niet dichterbij.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het ter discussie stellen van het Europese Unie (EU)-Israël associatieakkoord?
De EU-lidstaten hebben tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 27 mei jl., mede op initiatief van Nederland, unaniem besloten een EU-Israël Associatieraad bijeen te roepen om onder meer de zorgen omtrent de situatie in Gaza en het offensief in Rafah te bespreken. De Hoge Vertegenwoordiger Borrell heeft daarop Israël uitgenodigd om deel te nemen aan de Raad. We verwelkomen het bericht van Israël dat het de uitnodiging heeft aanvaard en van plan is tijdens het Hongaarse voorzitterschap van de Raad te zullen deelnemen aan de Associatieraad met de EU. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 22 juli jl. hebben de EU-lidstaten ingestemd met het voorstel voor een agenda van de Hoge Vertegenwoordiger. Deze agenda is vervolgens gedeeld met Israël.
Nederland ziet het associatieakkoord, en de daarbij horende associatieraden, als een belangrijk instrument om met Israël te spreken over de gehele breedte van de relatie tussen de EU en Israël. In die context is het ook mogelijk een gesprek te hebben over het Israëlische optreden in de Gazastrook en de druk op te voeren om tot een onmiddellijk staakt-het-vuren te komen, waartoe zoals bekend nadrukkelijk ook instemming door Hamas benodigd is, om de gijzelaars vrij te krijgen en meer humanitaire hulp te realiseren.
Bent u bereid aanvullende bilaterale sancties in te stellen in reactie op deze illegale annexatie? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben geen voorstander van nationale maatregelen. Het is effectiever om te blijven inzetten op samenwerking in EU-verband. Echter zal ik mij in bilateraal verband uitspreken tegen de Israëlische nederzettingenpolitiek, niet alleen tegen deze landconfiscatie maar onder andere ook tegen het vestigen en legaliseren van «outposts» en het verlenen van duizenden vergunning voor nieuwe woningen op de bezette Westelijke Jordaanoever.
Kunt u een stand van zaken geven over de uitvoering van de motie Piri c.s.?3
In het kader van de motie Piri (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2870) zet het kabinet zich in EU-verband in voor aanvullende maatregelen tegen gewelddadige kolonisten en entiteiten op de Westelijke Jordaanoever, zoals ook de VS en het VK dat doen. Op 15 april jl. heeft de EU een sanctiepakket aangenomen tegen vier personen en twee entiteiten en op 15 juli jl. is een tweede sanctiepakket aangenomen tegen vijf personen en drie entiteiten. Hier gaat een belangrijke signaalwerking vanuit dat kolonistengeweld voor Nederland onacceptabel is en dat dit moet stoppen.