Bent u bekend met het bericht «Pedobots gewoon te vinden op internet en dat mag volgens de wet: Anya (7) is vastgebonden en huilt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke AI-toepassingen net als kindersekspoppen bijdragen aan de normalisering van seksueel misbruik van minderjarigen, ook wanneer er geen fysiek kind bij betrokken is?
Wij zijn met zijn allen verantwoordelijk voor de bescherming van onze kinderen en moeten elke subcultuur die seksueel misbruik van kinderen normaliseert, bestrijden. Seksueel misbruik van kinderen is onacceptabel en heeft ernstige gevolgen voor de slachtoffers en hun omgeving. Elk slachtoffer van (online) seksueel kindermisbruik is er één te veel. De AI-ontwikkelingen die op dit moment gaande zijn op dit vlak, en de berichten die hierover naar buiten komen, baren mij zorgen. Dit soort ontwikkelingen zijn zeer onwenselijk.
Deelt u de mening dat gedragingen die in de fysieke wereld strafbaar zijn, ook online niet moeten worden getolereerd, ook wanneer het gaat om nabootsing door middel van AI?
Die mening deel ik. Uitgangspunt van de Wet seksuele misdrijven (hierna: WSM) is dat wat offline strafbaar is, ook online strafbaar is. Het voeren van seksgesprekken met of het aanbieden van AI-seksbots van kinderen keur ik af;iedere poging tot normalisering van seksueel misbruik van kinderen is zeer onwenselijk.
Het enkel voeren van seksgesprekken met een AI-chatbot die zich voordoet als een kind is op dit moment niet als zodanig strafbaar. Datzelfde geldt voor het vervaardigen van een AI-chatbot die zich kan voordoen als een kind.
Dat betekent overigens niet dat gebruikers van zo’n chatbot vrij spel hebben: bepaalde aspecten van het bevragen van of praten met een AI-chatbot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 van het Wetboek van Strafrecht.
De strafzaak waarnaar wordt verwezen in het door u aangehaalde artikel van het Algemeen Dagblad is een voorbeeld waarin wel sprake was van een strafbare situatie. Hoewel een en ander altijd afhankelijk is van de omstandigheden van het geval overwoog de rechtbank dat sprake was van voorbereidingshandelingen van seksueel kindermisbruik. In de gesprekken die de verdachte met de AI-chatbot voerde werd niet alleen gesproken, of «gefantaseerd», over misbruik, maar werd hoofdzakelijk informatie vergaard over een methode voor het groomen van het neefje van de verdachte om de voorwaarden te scheppen waarin dat misbruik zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat het chatgesprek daarmee, in samenhang met de geschetste context, een duidelijk instructieve inslag had.2
In hoeverre biedt het huidige strafrecht voldoende mogelijkheden om op te treden tegen het ontwikkelen van dergelijke bots, het verspreiden ervan en het gebruiken van dergelijks bots met een seksueel oogmerk?
Het ontwikkelen, verspreiden en gebruiken van dergelijke bots is niet strafbaar gesteld. Bepaalde aspecten van het bevragen van/praten met een dergelijke bot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht, en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 Wetboek van strafrecht.
Bent u bereid om het Wetboek van Strafrecht aan te passen zodat ook het creëren, aanbieden of gebruiken van seksueel expliciete AI-personages die minderjarigen voorstellen strafbaar wordt gesteld?
Als beantwoord in de vragen 3 en 4 kunnen bepaalde aspecten van het gebruiken van dit soort bots strafbaar zijn, daarmee zijn er dus nu al instrumenten om dit gedrag aan te pakken. Ik heb daarom op dit moment niet het voornemen om het creëren, aanbieden of gebruiken van deze bots apart strafbaar te stellen.
Scholen voor voortgezet onderwijs die donderdag 5 maart zijn geblokkeerd door activisten van Extinction Rebellion |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat activisten van Extinction Rebellion donderdag 5 maart meer dan dertig Amsterdamse middelbare scholen hebben afgesloten door kettingen aan hekken te hangen en/of sloten onklaar te maken?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat in veel gevallen de politie moest komen om de deuren open te krijgen, dat meerdere scholen lessen dus moesten laten vervallen, en kinderen dus geen onderwijs konden krijgen?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen. Inderdaad konden niet alle scholen hun volledige lesdag draaien.
Deelt u de mening dat dit onacceptabel, abject en verwerpelijk is en moet worden ontmoedigd, (moreel) veroordeeld, vervolgd en bestraft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onderwijs is een grondrecht. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op de toekomst, en juist daarom zou dat altijd ongehinderd mogelijk moeten zijn. Ik vind het dan ook onacceptabel wanneer leerlingen en medewerkers niet naar school kunnen vanwege een gepoogde blokkade. Het is aan de scholen zelf om waar nodig aangifte te doen tegen de organisatoren van de demonstratie. Bij vermoedens van strafbare feiten adviseert het kabinet altijd om aangifte te doen. Het is vervolgens aan het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Deelt u de mening dat de schade moet worden verhaald op de daders, zodat scholen en de overheid niet opdraaien voor deze kosten, en om ervoor te zorgen dat dergelijke praktijken niet worden aangemoedigd?
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat meerdere scholen aangifte hebben gedaan?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Kunt u aangeven welke wetten bij deze actie zijn overtreden? In hoeverre is het strafbaar om kinderen te verhinderen om naar school te kunnen gaan?
Het recht op onderwijs is in Nederland verankerd in artikel 23 van de Grondwet. Of en zo ja welke wetten worden overtreden wanneer iemand dit recht inperkt is afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval; die beoordeling is aan het OM.
Het Wetboek van Strafrecht kent geen zelfstandige bepaling die het verhinderen van kinderen om naar school te kunnen gaan als zodanig strafbaar stelt. In hoeverre dit onder een andere strafbepaling zou kunnen vallen is eveneens afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden en in de eerste plaats ter beoordeling van het OM.
In hoeverre kan de organisatie Extinction Rebellion uit wier naam deze acties worden gevoerd verantwoordelijk worden gesteld voor de schade en/of vervolgd voor dergelijke acties?
Opgemerkt zij dat Extinction Rebellion geen rechtspersoon is. De bepalingen die een rechtspersoon rechten en verplichtingen toekennen (artikel 2:5 Burgerlijk Wetboek) en die het aanmerken van een rechtspersoon en als zodanig strafrechtelijk vervolgen van die rechtspersoon (artikel 51 Wetboek van Strafrecht) mogelijk maken, zijn dan ook niet van toepassing. In het geval van Extinction Rebellion zullen voor het verhalen van schade en eventuele strafrechtelijke vervolging dus steeds de verantwoordelijke natuurlijke personen moeten worden geïdentificeerd.
Op welk moment kan een organisatie die structureel ertoe aanzet om wetten te overtreden, worden aangemerkt als een criminele organisatie en als zodanig worden vervolgd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Artikel 140 Wetboek van Strafrecht stelt de deelname aan een criminele organisatie strafbaar. Deze wetgeving is gericht op de bescherming van onze samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties. Om te kunnen worden aangemerkt als een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht moet het oogmerk van de organisatie gericht zijn op het plegen van misdrijven. De afweging of hier sprake van is, is uiteindelijk aan de rechter.
Deelt u de opvatting dat klimaatactivisten voor ontwrichtende acties niet anders behandeld zouden mogen worden dan anderen op grond van hun activistisch oogpunt?
Ja. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk opgetreden worden.
De komst van antisemitische activisten naar een bijeenkomst in de Dominicuskerk in Amsterdam |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het evenement «People’s Congress» dat op 7 maart 2026 plaatsvindt in de Dominicuskerk in Amsterdam, waarbij onder meer Omar Barghouti, Francesca Albanese en Jeremy Corbyn als sprekers zijn aangekondigd?1
Ja.
Bent u bekend met antisemitische uitlatingen van verschillende aangekondigde sprekers op dit evenement, waaronder de uitspraak van Omar Barghouti dat hij zich «definitely, most definitely» verzet tegen het bestaan van een Joodse staat, en de uitspraak van Jeremy Corbyn waarin hij sprak over «our friends in Hamas and Hezbollah», terroristische organisaties die oproepen tot de vernietiging van Israël?
Haatzaaiende uitingen tegen bepaalde groepen kunnen bijdragen aan gevoelens van onveiligheid en uitsluiting. Dat is verwerpelijk. Hamas is in 2003 op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. Deelname aan deze terroristische organisatie is dan ook strafbaar. De publieke steunbetuigingen aan Hamas worden door het kabinet met grote zorg bezien. Daarom wordt aan een wetsvoorstel gewerkt om zowel het verheerlijken van terrorisme als het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen. Momenteel wordt het advies van de Raad van State verwerkt. Het kabinet heeft kennisgenomen van de wens om het wetsvoorstel zo snel mogelijk naar de Kamer te verzenden.
Bent u bekend met de uitspraak van VN-rapporteur Francesca Albanese na de gruwelen van 7 oktober dat het geweld «must be put in context» en deelt u de mening dat dit neerkomt op het legitimeren van terrorisme?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met VN-Veiligheidsraadresolutie 1566 (2004), waarin wordt gesteld dat terroristische daden «under no circumstances justifiable by considerations of a political, philosophical, ideological, racial, ethnic, religious or other similar nature» zijn, en deelt u de mening dat de uitspraken van de genoemde sprekers stuk voor stuk rechtstreeks ingaan tegen deze door de VN-Veiligheidsraad vastgestelde norm? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat Nederland nooit een podium mag bieden aan sprekers die antisemitisme verspreiden, oproepen tot het verdwijnen van een bondgenoot en terroristische aanslagen legitimeren? Zo nee, waarom niet?
In Nederland geldt het grondrecht van vrijheid van meningsuiting, dat alleen onder strikte voorwaarden kan worden beperkt. Het kabinet acht het daarom niet passend om in algemene zin te stellen dat bepaalde personen of sprekers nooit een podium mogen krijgen.
Wel geldt dat wanneer uitlatingen de grenzen van de wet overschrijden, bijvoorbeeld door aan te zetten tot haat, discriminatie of geweld, hiertegen kan worden opgetreden. Het is in eerste instantie aan lokale autoriteiten en het Openbaar Ministerie om, binnen de geldende wettelijke kaders, te beoordelen of en welke maatregelen in concrete gevallen noodzakelijk zijn.
Bent u bereid deze buitenlandse sprekers ter bescherming van de openbare orde de toegang tot Nederland te ontzeggen en hun een inreisverbod op te leggen?
Ik deel uw bezorgdheid over antisemitisme in Nederland. De Minister van Asiel en Migratie gaat niet in op individuele zaken. In algemene zin kan ik zeggen dat een vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, bijvoorbeeld vanwege het uitdragen van extremisme, de toegang tot Nederland (en het Schengengebied) geweigerd kan worden. Dit is mogelijk middels onder andere het weigeren van een visum, een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III).
Bent u bekend met het feit dat deze bijeenkomst plaatsvindt in een kerkgebouw, namelijk de Dominicuskerk in Amsterdam, en deelt u de mening dat het moreel volstrekt onacceptabel is dat een kerk wordt gebruikt als podium voor antisemitische propaganda?
Ik vind elke vorm van antisemitische propaganda altijd onacceptabel.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat Nederland een vrijhaven wordt voor internationale sprekers die antisemitische propaganda verspreiden?
Het kabinet acht het van belang dat de openbare orde en nationale veiligheid worden beschermd en dat binnen de grenzen van de rechtsstaat wordt opgetreden tegen strafbare uitingen, zoals het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. Daartoe bestaat een breed palet aan maatregelen.
Bij strafbare feiten, zoals uitlatingen die aanzetten tot haat, geweld, discriminatie, opruiing of (onnodige) belediging is strafrechtelijk optreden in concrete gevallen mogelijk door de Politie en het Openbaar Ministerie.
Indien de spreker een aantoonbaar risico vormt voor de openbare orde, kan de burgemeester besluiten om het evenement of de manifestatie vooraf te beperken of te verbieden.
Wanneer dit niet het geval is, kunnen lokale overheden hun zorgen over de spreker of het evenement met de uitbater van de locatie bespreken, maar is het aan de uitbater zelf om te zorgen dat extremistische boodschappen bij hen geen podium krijgen.
Daarnaast kan de toegang tot Nederland worden geweigerd of een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III), indien de IND beschikt over informatie van de AIVD, de lokale driehoek of een duiding van de NCTV, waaruit blijkt dat de aanwezigheid van de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
Het kabinet blijft zich, samen met betrokken partners, inzetten voor de bescherming van de openbare orde en het tegengaan van strafbare gedragingen.
Kunt u deze vragen uiterlijk op 6 maart om 20:00 uur (vanavond) beantwoorden en maatregelen nemen om te voorkomen dat deze bijeenkomst doorgaat?
Dat is helaas niet gelukt.
Bent u bekend met het bericht «Extinction Rebellion lijmt deuren van meer dan dertig scholen in Amsterdam dicht: «Dit heeft niets meer met demonstratievrijheid te maken»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat dit soort misstanden blijft voortduren en zich uitbreidt naar nieuwe maatschappelijke sectoren en dat overheden er kennelijk niet in slagen om zulke misstanden te verijdelen of zo snel mogelijk te beëindigen voordat maatschappelijke overlast ontstaat?
Ik vind het onacceptabel dat door deze actie niet alle scholen een volledige lesdag hebben kunnen draaien. De burgemeester van Amsterdam heeft de actie ook nadrukkelijk afgekeurd en aangegeven dat dit niets met demonstratievrijheid te maken heeft. Demonstreren is een groot goed in onze democratische rechtsstaat. Het biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, mits dit vreedzaam en binnen de grenzen van de wet gebeurt. Het plegen van geweld, intimidatie of, zoals in dit geval vernielingen hoort daar niet bij.
In hoeverre was de gemeente vooraf op de hoogte van de plannen om scholen te blokkeren en wat is verricht om deze misstanden te voorkomen of zo snel mogelijk te beëindigen?
De gemeente Amsterdam was niet van tevoren op de hoogte van de actie van Extinction Rebellion om de deuren van scholen dicht te lijmen. Om die reden waren er geen mogelijkheden om de actie te voorkomen. Op het moment dat de scholen erachter kwamen dat hun deuren dichtgelijmd of geblokkeerd waren hebben zij de politie gebeld en zelf maatregelen genomen om de deuren weer toegankelijk te maken. Wat er precies is gedaan verschilt per school(locatie), maar het algemene beeld is dat de scholen vrij snel weer in staat waren om de lessen te vervolgen.
Hoe reageert u op de aankondiging van Extinction Rebellion (XR) dat er noodzaak zou zijn de strijd te intensiveren? Welke inspanningen verricht u om te voorkomen dat meer scholen met deze overlast te maken krijgen?
Onderwijs moet zonder hinder kunnen plaatsvinden. Het is aan scholen om samen met gemeente en politie te beoordelen of maatregelen nodig zijn. Iedereen, dus ook Extinction Rebellion, heeft het recht om te demonstreren, mits zij zich aan de wet houdt.
Hebben alle scholen inmiddels aangifte gedaan tegen XR? Stimuleert u scholen dit te doen en hoe bevordert u dat de kosten zoveel mogelijk verhaald worden op XR?
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen, moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Onderkent u dat gezien de aanhoudende, intensieve en brede inzet van XR om de maatschappij te ontwrichten door belangrijke locaties zoals snelwegen, stations en scholen te bezetten en te blokkeren, specifieke landelijke regie en ondersteuning van gemeenten nodig is om deze organisatie de kop in te drukken en misstanden vaker te kunnen voorkomen? Wil u hierbij uitdrukkelijk aandacht besteden aan scholen?
Demonstreren mag, maar wel binnen de kaders van de wet. Het zoveel mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie een onderzoek in voorbereiding heeft om de rechter te verzoeken XR te verbieden, gezien het feit dat XR daadwerkelijk op allerlei terreinen uitwerking geeft aan de uitdrukkelijke doelstelling om de maatschappij te ontwrichten?
De bevoegdheid die het Openbaar Ministerie op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek toekomt, ziet op het door de rechter laten verbieden en ontbinden van een rechtspersoon. Opgemerkt zij dat Extinction Rebellion geen rechtspersoon is en als zodanig niet kan worden ontbonden. Van een procedure ex artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek is dan ook geen sprake.
Hoe verhoudt de kennelijke doelstelling van XR om te maatschappij te ontwrichten zich tot de fiscale ondersteuning van de ANBI-regeling die gericht is op het bevorderen van maatschappelijk nut? Vindt u ook dat organisaties die blijkens eigen uitingen een doelstelling nastreven die in strijd is met het algemeen nut niet voor de ANBI-status in aanmerking mogen komen?
Extinction Rebellion is geen rechtspersoon. In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staan momenteel wel twee instellingen vermeld die als doel hebben de beweging «Extinction Rebellion» te ondersteunen (Stichting vrienden van XR). Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan geen nadere informatie worden verstrekt over individuele instellingen.
Vanzelfsprekend dient eenieder zich aan de wet- en regelgeving te houden. Een ANBI-status maakt daarin geen verschil. In zijn algemeenheid kan daarnaast worden opgemerkt dat een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut moet beogen om als ANBI aangemerkt te worden. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. De inspecteur van de Belastingdienst zal een ANBI-status bij beschikking intrekken of een aanvraag weigeren indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de ANBI-status, waaronder de hiervoor genoemde voorwaarde van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets». Kortgezegd houdt deze integriteitstoets in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggevende of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. Weliswaar verbindt de fiscale wetgeving gevolgen aan bepaalde veroordelingen, maar het uitgangspunt hierbij is dat strafbare feiten strafrechtelijk moeten zijn afgedaan. De inspecteur kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten. Ook wordt de ANBI-status ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.2 Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag waarvan niet iedereen het algemeen nut kan inzien zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken. Dit is ook in de Kamerbrief van 19 maart 2025 naar aanleiding van de motie van het lid Eerdmans die het kabinet verzocht om de ANBI-status van Extinction Rebellion in te trekken aangegeven.3
Strafbare acties van Extinction Rebellion en het blokkeren van scholen in Amsterdam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat activisten van Extinction Rebellion in de nacht van 4 op 5 maart 2026 meerdere middelbare scholen in Amsterdam hebben geblokkeerd door sloten dicht te lijmen en kettingen om schoolhekken te leggen, waardoor de toegang tot de gebouwen werd verhinderd?1
Ja.
Deelt u de mening dat het dichtlijmen van sloten, het blokkeren van de toegang tot gebouwen en het veroorzaken van schade aan eigendommen simpelweg strafbare feiten zijn en niets te maken hebben met het recht op demonstratie?
Ik sluit me aan bij de woorden van de burgemeester van Amsterdam, die de actie nadrukkelijk afgekeurd heeft en heeft aangegeven dat dit niets met demonstratievrijheid te maken heeft. Demonstreren is een groot goed in onze democratische rechtsstaat. Het biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, mits dit vreedzaam en binnen de grenzen van de wet gebeurt. Het plegen van geweld, intimidatie of, zoals in dit geval vernielingen hoort daar niet bij.
Hoe beoordeelt u het feit dat Extinction Rebellion zelf aangeeft dat deze actie «nog maar het begin» is en dat verdere ontwrichtende acties worden aangekondigd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht naar aanleiding van deze actie en welke strafbare feiten worden de betrokken activisten precies ten laste gelegd?
Op dit moment zijn er nog geen aanhoudingen verricht.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de volledige schade, herstelkosten en politie-inzet op de daders en de organisatie worden verhaald, zodat niet de samenleving maar de veroorzakers betalen?
Het uitgangspunt is dat schade zoveel mogelijk op de daders wordt verhaald. Momenteel zijn er nog geen aanhoudingen verricht en zijn er geen verdachten in beeld. Daarmee ontbreekt op dit moment de mogelijkheid om schade te verhalen. Mocht alsnog uit onderzoek blijken wie verantwoordelijk is, dan wordt uiteraard bezien of schade op hen kan worden verhaald.
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet houdt niet bij wanneer en waarvan scholen aangifte doen. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen, moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Het is helaas niet altijd mogelijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek moet worden aangepast of uitgebreid zodat ook organisaties die structureel maatschappelijke ontwrichting of chaos nastreven, maar op dit moment misschien niet direct onder de reikwijdte van dit wetsartikel vallen, effectiever kunnen worden verboden?
Wanneer er daadwerkelijk strafbare feiten worden gepleegd, biedt de wet nu al voldoende middelen om daartegen op te treden.
Wat gaat u verder concreet doen tegen deze anarchistische organisatie die herhaaldelijk strafbare en ontwrichtende acties organiseert en welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Extinction Rebellion opnieuw publieke voorzieningen kan blokkeren en de openbare orde kan verstoren?
De beoordeling of er in een concreet geval is van strafbare feiten is aan het OM, en uiteindelijk aan de rechter. Het is aan het lokaal gezag om demonstraties te faciliteren en waar nodig maatregelen te treffen als de openbare orde in het gevaar is.
Het bericht 'Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen' |
|
Björn Schutz (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat in de treinen van de NS-reclame is uitgezonden van China Media Group (CMG)?
Ja.
Deelt u de mening dat het Centrale Propaganda Departement onder andere gericht is op buitenlandse beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
Reclame maken over China en Chinese culturele activiteiten is een vorm van openlijke beïnvloeding van de publieke opinie in Nederland. De relatie tussen het Centrale Propaganda Departement (CPD) en de Chinese overheid maakt dat het CPD zich bezig houdt met buitenlandse beïnvloeding. Buitenlandse beïnvloeding is niet ondermijnend wanneer het op openlijke en legitieme wijze plaatsvindt en daarbij de normen en waarden van de Nederlandse democratische rechtsorde respecteert.2 Desondanks kunnen zich situaties voordoen die wel degelijk als onwenselijk kunnen worden ervaren, en toch binnen de grenzen van Nederlandse wet en- regelgeving blijven.
In hoeverre acht u het wenselijk dat buitenlandse mogendheden toegang hebben tot advertentieruimte in Nederlandse infrastructuur, zoals het openbaar vervoer?
Diplomatie of promotionele campagnes zijn op zichzelf geen uitzonderlijk fenomeen, ongeacht of deze afkomstig zijn van statelijke of niet-statelijke actoren. Tegelijkertijd kunnen buitenlandse advertentie- of mediacampagnes risico’s met zich meebrengen, omdat dergelijke uitingen ook onderdeel kunnen zijn van bredere strategische communicatie of beïnvloedingsactiviteiten. De rijksoverheid heeft geen sturingsmogelijkheid op de (buitenlandse toegang tot) advertentieruimte in Nederlandse infrastructuur, mits dit binnen de grenzen van de Nederlandse wet- en regelgeving blijft en zolang dit geen risico vormt voor de continuïteit van vitale processen, zoals het openbaar vervoer of voor de nationale veiligheid.
Deelt u de mening dat staatsbedrijven, zoals de NS, een voorbeeldfunctie hebben om buitenlandse mogendheden geen reclameruimte te bieden? Zo nee, waarom niet?
Van staatsdeelnemingen mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hun maatschappelijke positie en zorgvuldig omgaan met vraagstukken die raken aan publieke belangen.
Dat betekent echter niet dat in algemene zin moet worden uitgesloten dat buitenlandse partijen gebruik maken van advertentieruimte voor toeristische of culturele uitingen. Het is aan de onderneming om binnen de geldende kaders en met inachtneming van relevante risico’s een afgewogen beleid te voeren.
In hoeverre kunnen staatsbedrijven, zoals de NS, afstemmen en schakelen met een contactpersoon binnen de rijksoverheid over zaken als buitenlandse inmenging en beïnvloeding? Zo ja, tot wie kunnen zij zich richten en is dat op dit moment ook gebeurd? Zo niet, bent u bereid te onderzoeken of hier behoefte aan is?
Iedere staatsdeelneming heeft goed contact met haar aandeelhouder (het Ministerie van Financiën) en het betreffende beleidsdepartement. Staatsdeelnemingen kunnen daarom bij vragen altijd in contact worden gebracht met het beleidsverantwoordelijke departement.
In hoeverre kunnen commerciële partijen, zoals DSBP-consultants, schakelen met contactpersonen binnen de rijksoverheid over ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding?
Afhankelijk van de situatie kan een commerciële partij schakelen met een passende contactpersoon binnen de rijksoverheid, in eerste instantie van het beleidsverantwoordelijk departement. Het is aan commerciële partijen om aan wet- en regelgeving te voldoen en in eerste instantie zorg te dragen voor continuïteit van vitale processen. De rijksoverheid heeft een rol op het moment dat de nationale veiligheid in het geding is.
Bestaan er richtlijnen of kaders vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over samenwerking met buitenlandse propagandakanalen? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer en zijn deze ook gedeeld met de NS? Zo nee, waarom niet?
Nee, vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst bestaan geen richtlijnen of kaders die specifiek zijn gericht op de samenwerking tussen commerciële partijen in Nederland die (willen) samenwerken met buitenlandse mediakanalen. Het staat commerciële partijen vrij om binnen Nederlandse wet- en regelgeving buitenlandse advertenties te tonen, zolang deze geen risico vormen voor de continuïteit van vitale processen of de nationale veiligheid.
Bent u van plan om in gesprek te treden met de NS over bovenstaande zaak en het advertentiebeleid? Zo nee, waarom niet?
De aandeelhouder van NS (het Ministerie van Financiën) voert regelmatig gesprekken met NS over de algemene gang van zaken en relevante maatschappelijke thema’s. Daarbij staat NS als staatsdeelneming op afstand en treedt de aandeelhouder niet in de dagelijkse bedrijfsvoering. Commerciële activiteiten, zoals het advertentiebeleid, behoren daarom tot de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur.
Deelt u de mening dat de NS zich niet kan verschuilen achter het argument dat het advertentiebeleid formeel is nageleefd?
Het is van belang dat NS handelt binnen de geldende wet- en regelgeving en haar eigen beleid en tegelijkertijd oog heeft voor de bredere maatschappelijke context en daarmee voor evidente risico’s, ook wanneer formeel aan de geldende kaders wordt voldaan.
NS baseert haar advertentiebeleid in hoofdzaak op de Nederlandse Reclame Code en de richtlijnen van de Reclame Code Commissie, aangevuld met enkele eigen aanscherpingen. Op grond van dit kader, en voor zover kan worden vastgesteld ook in het licht van de Mediawet en de beleidsregels van het Commissariaat voor de Media, wordt de betreffende advertentie niet uitgesloten. Advertenties worden voorafgaand aan publicatie getoetst aan dit beleid.
Zijn er bij u andere gevallen bekend van de afgelopen twaalf maanden waarbij buitenlandse mogendheden gebruik maken van advertentieruimte van de NS?
NS geeft desgevraagd aan dat Duitsland, via het Duits Verkeersbureau, diverse keren geadverteerd heeft in de trein bij NS. Naast overigens diverse regionale promotie- en marketingorganisaties uit Nederland.
Het bericht 'Zo’n 1700 politiemedewerkers keken in dossier over Lisa: ‘Onacceptabel’' |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS waarin wordt gemeld dat circa 1.700 politiemedewerkers hebben gekeken in het dossier inzake het onderzoek naar de dood van Lisa, zonder dat daarbij sprake was van een aantoonbare functionele noodzaak?1
Ik ben bekend met het bericht.
Kunt u bevestigen hoeveel medewerkers daadwerkelijk inzage hebben gehad in het betreffende dossier, over welke periode deze inzage heeft plaatsgevonden en om welke categorieën gegevens het daarbij ging? Was het gehele dossier inzichtelijk?
Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» of in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging. De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Waarom was deze zaak niet enkel toegankelijk voor personen met noodzaak daartoe? Welke tekortkomingen in toegangsbeheer of controle ziet u, zeker ten aanzien van zaken met een grote maatschappelijke impact zoals deze?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep (autorisatiebeleid en opleiding). Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Deelt u de opvatting dat aandacht en bewustwording alleen niet kan voorkomen dat politiemedewerkers meekijken en structurele technische waarborgen dan ook noodzakelijk zijn om privacy te beschermen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Is het (technisch) mogelijk dergelijke zaken af te sluiten en enkel toegankelijk te maken voor een noodzakelijk aantal personen? Welke mogelijkheden ziet u voor strengere autorisaties of verplichte motivering bij inzage in gevoelige dossiers?
Per systeem is de afweging gemaakt over de mate van afscherming. Indien nodig kunnen binnen systemen ook dossiers geheel worden afgeschermd. Veel systemen zijn juist bedoeld om politiemensen te informeren, bijvoorbeeld vanwege hun eigen veiligheid, maar ook om de heterdaadkracht direct na de melding te vergroten. In de praktijk blijkt iedere dag hoe effectief dat is en dat moet behouden blijven. Inzage in een geheel onderzoek-dossier vergt een aparte autorisatie in het informatiesysteem van de recherche en is per zaak voorbehouden aan een selecte groep medewerkers.
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Hoe wordt momenteel gemonitord wie welke dossiers raadpleegt? Is daarbij ook sprake van actieve controle of slechts van controle achteraf zoals bij dit dossier naar aanleiding van een melding?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt dit incident zich tot eerdere signalen of onderzoeken over ongeoorloofde inzage binnen de politie? Is hier sprake van een incident of van een herhaling?
De politie heeft doorlopend aandacht voor ongeoorloofde inzage in de politiesystemen en rapporteert hierover in haar jaarverslag. De korpsleiding heeft mij geïnformeerd dat er in dit geval een onderzoek gestart is omdat er zeer concrete signalen waren over onterechte bevragingen en omdat er vertrouwelijke informatie over het onderzoek in de media is beland.
Kunt u de vragen individueel beantwoorden en deze antwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over politie de Kamer doen toekomen?
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat tussen Wit-Rusland en Polen tunnels zijn aangetroffen die mogelijk zijn gegraven door terroristische organisaties zoals Hamas, Islamitische Staat (IS), Hezbollah of Iran-gelieerde groeperingen om illegale migranten Europa binnen te smokkelen?1
Ja.
Erkent u dat, als deze tunnels daadwerkelijk zijn gebruikt, er duizenden terroristen via deze route Europa en mogelijk dus ook Nederland kunnen zijn binnengekomen?
Nederland en de EU werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren.
Hoewel het bekend is dat terroristen mogelijk misbruik kunnen maken van migratiestromen is het overgrote deel van de migranten niet betrokken bij terrorisme. Dat dergelijke door de Poolse grensautoriteiten onderkende tunnels door migranten kunnen zijn benut is hoe dan ook een kwalijke zaak. Het kabinet onderstreept dan ook het belang van de inzet door landen aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Lidstaten zijn daarbij verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie (EU) meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen.
Realiseert u zich dat één doorgelaten jihadist al voldoende is voor een bloedige aanslag op Nederlandse bodem?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe ziet u deze ontwikkeling in het licht van de oplopende spanningen met Iran en de angst voor de inzet van terroristische netwerken om aanslagen in Europa te plegen?
Het is bekend dat Iran en aan Iran gelieerde groepen in Europa doorgaans via clandestiene netwerken, terroristische of criminele proxy’s en (online) gerekruteerde individuen opereren, maar niet via logistiek complexe infrastructuur zoals tunnels. De oplopende spanningen hebben de hoogste aandacht van alle veiligheidsdiensten.
Kunt u ons garanderen dat via deze route géén personen met banden met jihadistische organisaties Nederland zijn binnengekomen? Zo nee, erkent u dat alle Nederlanders dus ernstig gevaar lopen?
Ondanks de strenge procedure en inspanningen kan er nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen. Nederland heeft een sterke en brede aanpak om signalen van terrorisme tijdig te onderkennen en personen die worden verdacht van misdrijven met een terroristisch oogmerk op te sporen, te vervolgen en, indien toepasselijk, te bestraffen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3 blijft het kabinet zich onverminderd inzetten om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. De bescherming van de nationale veiligheid vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen.
Binnen de asiel- en nareisprocedure bestaan daarnaast verschillende maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief «Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen».2
Hoeveel illegale migranten zijn in 2024 en 2025 via de oostelijke buitengrens de EU binnengekomen, hoeveel daarvan zijn in Nederland terechtgekomen en hoeveel van deze groep zijn daadwerkelijk uitgezet?
Volgens cijfers van Frontex werden in 2025 10.846 irreguliere grenspassages aan de oostelijke landgrens van de EU waargenomen, dit is 37% minder dan in 2024.3 Over het aantal migranten dat vervolgens doorreist naar Nederland, en het aantal daarvan dat (al dan niet gedwongen) terugkeert zijn geen cijfers beschikbaar. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de afgelegde reisroute niet in de cijfers wordt geregistreerd, en er voorts ook geen koppeling mogelijk is met de terugkeercijfers.
Bent u het eens dat, als Europa en Nederland overspoeld worden met miljoenen illegale migranten, miljoenen mensen moeten worden uitgezet en bent u bereid daartoe een massief uitzetprogramma te starten? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het kabinet van mening dat de omvang van migratie naar Nederland ingeperkt moet worden. Dat geldt ook voor asielmigratie. Binnen de geldende internationale en Europese juridische kaders doet het kabinet dan ook wat kan om dit te bewerkstelligen. Een belangrijk sluitstuk van het migratiebeleid richt zich reeds op het bewerkstelligen van effectieve terugkeer, al dan niet door gefaciliteerde zelfstandige terugkeer middels terugkeer- en herintegratieondersteuning van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) of via gedwongen vertrek indien vreemdelingen vertrekplichtig zijn en niet meewerken aan zelfstandig vertrek. Zoals u ook kunt lezen in het regeerakkoord steunt het kabinet de nieuwe EU-terugkeerverordening waarmee onder andere de mogelijkheden voor gesloten opvang voorafgaand aan gedwongen vertrek worden verruimd. Het kabinet is hierbij tevens voorstander van het verruimen van het zogeheten bandencriterium, waardoor het gemakkelijker wordt op EU-niveau terugkeerafspraken te maken met landen buiten Europa. Bij afspraken over terugkeer- en transithubs waarborgt Nederland dat migranten nooit terug worden gestuurd naar een land waar zij het risico lopen om vervolgd te worden.4
Bent u het eens dat Wit-Rusland migratie inzet als hybride oorlogsvoering tegen Europa, dat dit bewuste ondermijning is van onze nationale veiligheid en dat daartegen harde tegenmaatregelen moeten volgen?
Het kabinet vindt de hybride dreiging door instrumentalisering van migratiestromen door Belarus onaanvaardbaar en heeft zich dan ook altijd voorstander getoond voor het sanctioneren van het Belarussische regime in Europees verband. Zo sprak de Europese Raad zich gezamenlijk al in 2021 uit tegen de hybride aanvallen aan de grenzen van de EU, en stelde daar gepast op te reageren richting het Belarussische regime.5 Zo werd de sanctieregeling aangepast waardoor ook opgetreden kan worden wanneer migranten worden ingezet voor politieke doeleinden, en zijn er om deze reden Europese sancties uitgevaardigd tegen Belarus. Sindsdien zijn er – mede in relatie tot de oorlog in Oekraïne – reeds verscheidene sanctiepakketten uitgevaardigd tegen het Belarussische regime en andere betrokkenen, ook in reactie op de hybride aanvallen tegen EU-landen.6
Bent u het eens dat dit precies laat zien waarom Nederland per direct een asielstop moet invoeren en weer volledige controle moet nemen over wie ons land binnenkomt? Zo nee, waarom niet?
Vreemdelingen die asielbescherming behoeven moeten die conform Europese en internationale verplichtingen ook kunnen krijgen. Een algehele asielstop is dus niet de juiste oplossing. Het kabinet staat voor een nieuw modern migratiemodel met meer grip migratie, een verlaging van de instroom en verhoging van de terugkeer van asielmigranten, fatsoenlijke opvang en sneller meedoen, en sturing op arbeidsmigranten. Het EU-migratiepact dat op 12 juni in werking treedt is een grote stap om meer grip te krijgen over wie er naar Nederland komt. Zoals toegelicht onder vraag 7 vormt een effectief terugkeerbeleid een sluitstuk van ons migratiebeleid, en zal de nieuwe EU-terugkeerverordening het Europese terugkeerbeleid effectiever maken en de nationale autoriteiten meer opties geven om terugkeer te effectueren. Daarnaast zet het kabinet onverkort in op nationale maatregelen en brengen we de asielketen op orde, spant het kabinet zich internationaal in voor de modernisering van het internationaal vluchtelingenrecht, en werkt het kabinet – zowel billateraal als in Europees verband – intensief samen met landen langs de migratieroutes met als doel het beperken van irreguliere migratie en het tegengaan van mensensmokkel, het bevorderen van terugkeer bij onrechtmatig verblijf en het bieden van bescherming aan migranten.
Kunt u deze vragen vóór vrijdag 6 maart om 12.00 uur beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Het bericht dat 1.700 agenten in het dossier van vermoorde Lisa uit Abcoude te neuzen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat maar liefst 1.700 politieagenten het dossier van de vermoorde Lisa uit Abcoude hebben ingezien? Zo ja, klopt dit bericht? Over welke periode heeft deze inzage plaatsgevonden? En in welke systemen vonden deze inzagen plaats? Is hier uit te splitsen naar inzagen in het dossier met onder meer verhoren, aangiftes, sporen en/of in de melding en de daarop volgende updates van de ontwikkeling van de melding, het signalement van de verdachte en andere info die tot de opsporing en aanhouding van de verdachte kon leiden?
Ik ben bekend met het bericht. Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» en in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging.De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
In hoeveel van deze inzagen was sprake van een functionele noodzaak?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat een dergelijk groot aantal politiefunctionarissen ongeoorloofde toegang heeft kunnen krijgen tot dit dossier? Welke autorisatiestructuur en toegangsbeperkingen waren van toepassing op dit dossier? Is sprake geweest van systeemfouten, tekortschietend toezicht of cultuurproblemen binnen de organisatie?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Op welk moment is intern geconstateerd dat sprake was van ongeoorloofde inzage? Wie heeft dit vastgesteld en welke directe maatregelen zijn toen genomen? Waarom is dit niet eerder gesignaleerd of voorkomen?
Begin september 2025 kwamen er concrete signalen over onterechte bevragingen binnen. Dat leidde uiteindelijk tot een landelijk oriënterend onderzoek.
Het past bij een professionele organisatie om, als daar aanleiding toe is, ook bereid te zijn zichzelf te onderzoeken. Daarom geeft de politie nu opvolging aan het onderzoek.
Welke sancties worden ondernomen tegen politiefunctionarissen die zonder functionele noodzaak inzage hebben gehad in dit dossier? Kunt u aangeven welke sancties in vergelijkbare gevallen eerder zijn opgelegd?
Wanneer er onterechte bevragingen zijn, zal dit op de binnen de politie gebruikelijke wijze worden opgepakt. Het is aan het bevoegd gezag om passende maatregelen te treffen als uit de te voeren gesprekken met politiemedewerkers blijkt dat er geen sprake was van een functionele noodzaak.
Kunt u aangeven wat de impact van dit gedrag van deze politiefunctionarissen is geweest voor de nabestaanden van Lisa? Heeft u ze gesproken? Heeft de politieleiding ze gesproken?
Het spijt mij heel erg dat de nabestaanden van Lisa geconfronteerd zijn geweest met de grote hoeveelheden berichtgeving van de afgelopen tijd. De politie en ikzelf staan met de nabestaanden in contact via hun advocaat. Er staat een gesprek met hen gepland.
Welke maatregelen kent de politie in de praktijk om ongeoorloofde inzage te voorkomen? Vindt u deze beperkingen effectief? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet? Wilt u dat onderbouwen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Zijn er in de afgelopen vijf jaar eerder signalen geweest van ongeoorloofde wijze van inzagen in dossiers? Zo ja, om hoeveel gevallen ging het? Hoe is tot op heden met deze meldingen omgegaan? Waarom is niet eerder actie ondernomen door de politieleiding?
In het jaarverslag van de politie is terug te vinden hoeveel disciplinaire maatregelen er zijn opgelegd die te relateren zijn aan de verkeerde omgang met informatie; 183 in 20242.
Welke aanvullende maatregelen neemt u zich thans voor om de informatiebeveiliging te optimaliseren zodat herhaling wordt voorkomen?
Zoals aangegeven in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging. Ik blijf hierover met de politie in gesprek.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het interne onderzoek en eventuele vervolgstappen?
Zoals ook met u gedeeld in mijn brief van 20 maart jl., heeft de korpschef mij gemeld dat er vanuit de korpsleiding een persoonlijke herstelbrief komt voor de medewerkers die eerder een brief ontvingen in het kader van het raadplegen van de systemen. Daarnaast worden er laagdrempelige bijeenkomsten georganiseerd waar politiemedewerkers worden uitgenodigd om met de korpsleiding in gesprek te gaan. Vakbonden en medezeggenschap worden hierbij uitgenodigd. Deze gesprekken zijn gericht op het herstel van vertrouwen. Zoals ook aangekondigd in mijn brief van 9 maart, worden ook de gesprekken tussen leidinggevenden en betrokken politiemedewerkers gevoerd. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Grootschalige naamfouten in strafrechtelijke vonnissen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verbijsterde Kamer eist duidelijkheid over massale naamfouten bij justitie»?1
Ja.
Klopt het dat eerder 876 naamfouten in strafrechtelijke vonnissen zijn vastgesteld, maar dat inmiddels signalen bestaan dat het mogelijk om circa 50.000 foutieve naamkoppelingen gaat? Sinds wanneer is uw ministerie bekend met deze hogere aantallen en waarom is de Kamer hierover niet eerder volledig geïnformeerd?
Ik ken de berichtgeving en de problematiek. Het in de mediaberichtgeving genoemde aantal van circa 50.000 onjuiste naamkoppelingen kan ik op basis van de nu beschikbare analyses niet bevestigen.; verschillende grootheden (identiteitsvaststelling in het strafvorderlijke proces versus onjuiste tenaamstelling in een onherroepelijk vonnis) lopen in de berichtgeving door elkaar.
In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat het sinds 2014 tot medio mei 2025 867 zaken betrof en dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.2
Wat wordt binnen de justitiële keten exact verstaan onder een «naamfout»? Beperkt dit zich tot administratieve verschrijvingen en typefouten of betreft het tevens gevallen waarin persoonsgegevens van onschuldige burgers ten onrechte zijn gekoppeld aan strafrechtelijke veroordelingen? Kunt u de verschillende categorieën fouten volledig en afzonderlijk kwantificeren?
Het gaat om situaties waarbij de Matching Autoriteit constateert dat de identiteit die zij op dat moment als leidend heeft bepaald, afwijkt van de tenaamstelling van het vonnis. Deze afwijkingen kunnen voortkomen uit schrijffouten, naamswijzigingen, betere identiteitsgegevens die pas later in het strafproces beschikbaar komen, identiteitsfraude of langdurige onzekerheid over de identiteit.
Hieronder is per gevalstype het percentage waarin afwijkingen voorkomen in de 867 geconstateerde zaken indicatief aangegeven:
Deze percentages kunnen wijzigen. Op grond van nadere toetsing kan blijken, dat een zaak tot een ander gevalstype behoort. Deze percentages geven daarmee een voorlopig beeld van de thans beoordeelde zaken.
Op welk moment in de strafrechtketen ontstaan deze fouten precies en waar ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen daarvan? Is sprake van een structurele systeemfout en is hiervoor eerder intern gewaarschuwd?
De problematiek kent verschillende oorzaken. Om te beginnen aan de voorkant van de keten. Daar kunnen verdachten onjuiste of onvolledige gegevens verstrekken die op dat moment niet kunnen worden geverifieerd. Ook kunnen fouten in de registraties ontstaan vanwege verschrijvingen of administratieve vergissingen. Later in het proces, zo leert de praktijk, komen er pas voor het eerst kwalitatief betere identiteitsgegevens beschikbaar (zoals vingerafdrukken). De registraties worden dan indien nodig geactualiseerd. Dat vergt nader ID-onderzoek. Een dergelijk onderzoek neemt veel tijd in beslag en duurt soms langer dan de periode van vervolging/berechting. Hierdoor kunnen fouten lange tijd in de registraties blijven staan en komt pas na het vonnis informatie beschikbaar op basis waarvan wordt geconstateerd dat de tenaamstelling onjuist is. In andere gevallen wordt bij de vervolging (uitbrengen dagvaarding) en berechting (vonnis) niet altijd gewerkt met de meest actuele tenaamstelling, en wordt de identiteit van de verdachte op die momenten niet daadwerkelijk geverifieerd. Bovendien kent de strafrechtketen op dit moment geen structureel herstelproces om deze fouten proactief te herstellen.
Het voorkomen van nieuwe fouten is één van de vier pijlers van de aanpak. Dat laat onverlet dat hier sprake is van een ketenbreed vraagstuk: de oorsprong ligt vaak vroeg in het proces, maar ook in latere fasen moeten signalen tijdig worden onderkend, geverifieerd en verwerkt. Daarom wordt samen met ketenpartners in kaart gebracht waar processen rond identiteitsvaststelling kunnen worden versterkt, zodat nieuwe gevallen worden voorkomen. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat onzekerheid rondom de identiteit van een verdachte inherent is aan het strafproces. Dat houdt verband met het kernbeginsel dat de verdachte niet verplicht is mee te werken aan de eigen veroordeling, maar ook aan de wisselende betrouwbaarheid van de op dat moment beschikbare identiteitsgegevens. Een volledig foutloze keten is niet realistisch; er zal sprake blijven van menselijke invoerfouten en situaties waarin, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van gegevens, identiteiten in de praktijk niet zijn vast te stellen.
Het belang van de strafrechtspleging vergt dat er wordt gewerkt met de beste op dat moment beschikbare gegevens. Daarom wordt ingezet op zo snel mogelijke signalering en correctie binnen de wettelijke kaders. Dit is nadrukkelijk een ketenopgave. Daarom gebeurt dit in samenwerking met onder meer het OM, de Rechtspraak, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, DJI, CJIB, Politie en KMAR. Ook de migratieketen en de burgerketen zijn betrokken.
Klopt het dat eenmaal foutief gekoppelde persoonsgegevens automatisch doorwerken in gekoppelde justitiële databanken? Zo ja, welke systemen zijn daarbij betrokken en hoe verhoudt deze automatische doorwerking zich tot het beginsel van juistheid van persoonsgegevens zoals neergelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming?
De Strafrechtketendatabank (SKDB) verwerkt identiteitsgegevens mede op basis van authentieke of gezaghebbende bronregistraties, waaronder in elk geval de Basisregistratie Personen en, voor zover relevant, de Basisvoorziening Vreemdelingen. Wijzigingen in dergelijke bronregisters kunnen doorwerken in de SKDB om identiteitsgegevens te actualiseren en ketenprocessen te ondersteunen. Of en hoe die doorwerking vervolgens effect heeft in andere ketenprocessen of registraties, hangt af van de aard van de wijziging, de betrokken systemen en de noodzakelijke beoordeling van de gevolgen daarvan.
Een beperkt aantal van de aan de SKDB gekoppelde organisaties valt onder de werking van de AVG. Voor andere organisaties geldt dat de Wet Politiegegevens (Wpg) of de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing zijn, die overigens vergelijkbare bepalingen kennen ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de te verwerken persoonsgegevens. Die stelsels kennen ieder eigen regels over de juistheid, zorgvuldigheid en – waar nodig – correctie van persoonsgegevens. De geautomatiseerde doorwerking van brongegevens ontslaat betrokken organisaties dus niet van hun verantwoordelijkheid om, binnen het voor hen geldende wettelijke kader, onjuistheden te corrigeren wanneer die blijken.
Klopt het dat het corrigeren van foutief gekoppelde persoonsgegevens in de praktijk wordt bemoeilijkt doordat wijzigingen automatisch doorwerken in andere systemen? Deelt u de mening dat systeemtechnische beperkingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen om onjuiste strafrechtelijke registraties in stand te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat systeemtechnische beperkingen nooit zouden mogen leiden tot het in stand houden van onjuiste strafrechtelijke registraties. Juist om die reden heeft de Matching Autoriteit de wettelijke taak (Wivvg) de leidende administratieve identiteit van verdachten en veroordeelden te bepalen. Deze identiteit wordt binnen de strafrechtketen gedeeld en vervolgens in alle fasen van het strafproces gebruikt. Door het centraal beheer en onderhoud van identiteitsgegevens in de strafrechtketen en het eenduidig gebruik hiervan in de keten(-systemen), kunnen de uniformiteit van gegevens, dataconsistentie en de mogelijkheid tot integraal herstel (na constatering onjuiste tenaamstelling) worden geborgd. Dat neemt niet weg dat herstel in de praktijk per systeem en per rechtsgevolg verschillende handelingen kan vergen. Juist daarom is van belang dat onjuiste registraties niet alleen technisch, maar ook juridisch en procesmatig zorgvuldig kunnen worden hersteld. Om die reden is begin dit jaar een wijziging in de systemen gerealiseerd waardoor het mogelijk is geworden om geautomatiseerd doorgevoerde wijzigingen weer terug te draaien.
Bestaat er binnen de justitiële keten onduidelijkheid over wie bevoegd is om fouten in strafrechtelijke vonnissen en de daaraan gekoppelde registraties te herstellen? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat geen eenduidige herstelbevoegdheid is vastgelegd terwijl dergelijke fouten verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de rechtspositie van burgers?
Er bestond inderdaad onzekerheid omtrent de herstelbevoegdheden. Deze onzekerheid is inmiddels in belangrijke mate verduidelijkt door het ontwikkelde Toetsings- en handelingskader dat de rechtstatelijke bevoegdheidsgrenzen expliciet maakt. Dat kader is conform toezegging in Q1 definitief vastgesteld en wordt in de komende tijd verder geoperationaliseerd in de uitvoeringspraktijk. Met dit kader wordt de werkwijze rond de registratie van onherroepelijke vonnissen in geval van twijfel over de tenaamstelling, heringericht. Dit kader is gebaseerd op een door deskundigen in- en extern gevalideerde juridische grondslag. Daarbij geldt als uitgangspunt dat correctie van registraties onder omstandigheden mogelijk is, maar dat wijziging van een onherroepelijk rechterlijk oordeel uitsluitend door de rechter zelf kan worden gedaan.
Hoeveel burgers hebben aantoonbaar nadeel ondervonden van onjuiste registraties in justitiële systemen, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag, bij werk- of veiligheidsscreening, in opsporingsonderzoeken, detentie of verblijfsrechtelijke procedures? In hoeveel gevallen hebben foutieve naamkoppelingen ertoe geleid dat veroordeelde personen niet (tijdig) zijn gedetineerd of ten onrechte op vrije voeten zijn gebleven?
In de Kamerbrief van 10 november 20253 is melding gemaakt van vier gevallen waarin foutieve tenaamstelling aan de orde was. In twee van die gevallen zijn personen bij identiteitscontrole gedetineerd geweest; nadat bleek dat zij niet de dader waren, zijn zij in vrijheid gesteld. Of er in meer zaken sprake is geweest van benadeling van burgers zal moeten blijken uit de lopende analyse van de overige zaken waarin er aanwijzingen zijn dat er sprake was van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.
Ook is aangegeven dat in 8 gevallen waarin binnen de onderzochte groep een VOG-aanvraag aan de orde was, de nieuwe informatie niet tot een ander oordeel zou hebben geleid.
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoeveel verzoeken tot correctie van onjuist verwerkte persoonsgegevens zijn sinds 2010 ingediend, hoeveel daarvan zijn toegewezen en hoeveel afgewezen, en op welke gronden zijn deze verzoeken afgewezen?
Op de door u gestelde vraag kan geen antwoord worden gegeven, omdat cijfermateriaal vanaf 2010 niet beschikbaar is. Het gevraagde, namelijk onjuist verwerkte persoonsgegevens, is daarbij een ander begrip en veel breder dan een «onjuiste tenaamstelling». Daarnaast kan een verzoek tot correctie betrekking hebben op verschillende onderdelen van de registratie van (persoons-)gegevens in de SKDB en niet uitsluitend op de correctie van de personalia van een betrokkene. Dat neemt niet weg dat ik zal bezien hoe de registratie van dergelijke signalen, verzoeken en afdoeningen vanaf nu eenduidiger kan plaatsvinden, zodat hierover in de toekomst beter kan worden gerapporteerd.
Erkent u dat het ten onrechte registreren van burgers als crimineel een ernstige aantasting kan vormen van hun rechtspositie, reputatie en grondrechten? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om alle foutieve registraties actief op te sporen, gedupeerde burgers te informeren en hen adequaat te compenseren?
Het is van groot maatschappelijk belang dat de identiteit van verdachten in het strafproces juist wordt vastgesteld, om te voorkomen dat onschuldigen nadeel ondervinden of dat daders hun straf ontlopen. Uit de rapportage van de Algemene Rekenkamer (ARK) in mei 2025 en de daarop volgende brieven aan uw Kamer5 blijkt dat het in het verleden niet altijd goed is gegaan
Om deze problematiek structureel en rechtstatelijk op te lossen, wordt momenteel een plan van aanpak uitgevoerd waarvan de hoofdlijnen eerder met uw Kamer zijn gedeeld. Kort samengevat bestaat dat uit:
Daarbij wordt niet alleen ingezet op het voorkomen van nieuwe gevallen en het beoordelen van bekende zaken, maar ook op het zo veel mogelijk in beeld brengen van gevallen waarin burgers concreet nadeel hebben ondervonden. Waar daar aanleiding toe bestaat, wordt bezien of en hoe betrokkenen actief kunnen worden benaderd en welke passende herstel- of schadetrajecten openstaan. Daarnaast kunnen burgers die menen nadeel te ondervinden van een onjuiste overheidsregistratie zich melden via onder andere het Meldpunt Fouten in Overheidsregistraties; bezien wordt hoe deze route in dit dossier zo toegankelijk mogelijk kan worden gemaakt.
Het bestraffen van frequente verkeersovertreders bij het veroorzaken van ernstige ongelukken |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Abdalla valt in slaap en rijdt voetganger dood, rechter geeft hem celstraf»?1
Ja.
Hoe wordt op dit moment in de vervolging en berechting rekening gehouden met de persoonlijke geschiedenis van het aantal en type verkeersovertredingen van de verdachte? Is deze praktijk volgens u toereikend?
Eerder opgelegde strafbeschikkingen en veroordelingen (met boetes boven de 130 euro) staan in de justitiële documentatie. Bij het bepalen van de strafeis door het Openbaar Ministerie en de oplegging van de straf door de rechter, wordt hier rekening mee gehouden. In de praktijk leidt recidive veelal tot hogere straffen. Artikel 179, vierde lid, van de Wegenverkeerswet bepaalt bijvoorbeeld dat als iemand binnen vijf jaar wederom een rijontzegging krijgt opgelegd, de rijontzegging in plaats van maximaal vijf jaar maximaal tien jaar bedraagt. Daarnaast vallen de misdrijven uit de Wegenverkeerswet 1994 onder de recidiveregeling zoals opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (artikelen 43a en 43b). Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer iemand zich schuldig maakt aan een verkeersmisdrijf terwijl er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een veroordeling voor een soortgelijk misdrijf, het strafmaximum met een derde kan worden verhoogd. Overtredingen die onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vallen, staan niet in de justitiële documentatie omdat het uitgangspunt van deze wet is dat de overtredingen die hieronder vallen, ethisch neutraal zijn.
Kunt u toelichten waarop in de huidige praktijk de gedachte berust dat een gevangenisstraf en rij-ontzegging van één of enkele jaren voldoende is om recht te doen aan verkeerssituaties met dodelijke afloop waarin verdachten reeds herhaaldelijk gevaarzettend gedrag hebben vertoond in het verkeer?
De rechter moet bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de verschillende omstandigheden van het geval. Daarbij wordt gekeken naar de gevolgen van het gedrag, maar vooral ook naar de mate van schuld. Dit kan in verkeerszaken erg uiteenlopen. Zo kan een kort moment van onoplettendheid fatale gevolgen hebben, terwijl zeer onvoorzichtig gedrag soms zonder gevolgen blijft. Hoe verwijtbaar het gedrag ook is, het gaat bij verkeersongevallen wel altijd om een bepaalde mate van schuld. Dit maakt dat de bovengrens van de straf lager is dan bij delicten die met opzet gepleegd worden. Indien een bestuurder iemand opzettelijk aanrijdt, is er geen sprake meer van een verkeersmisdrijf maar van (poging tot) doodslag. Daar gelden andere maximumstraffen voor.
De strafeisen in de richtlijn van het Openbaar Ministerie (OM) in geval van een dodelijke aanrijding lopen dan ook uiteen. Het wegenverkeersrecht kent vier oplopende gradaties van schuld.
Voor de lichtste vorm van schuld, aanmerkelijke schuld, geldt in de meeste gevallen een strafeis van een taakstraf van 240 uur in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar. In geval van ernstige schuld volgt een strafeis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar. Als er sprake is van een zeer hoge mate van schuld aan de kant van de verdachte is de strafeis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar. De vierde en zwaarste mate van schuld vormt roekeloosheid, waarvoor maximaal zes jaar gevangenisstraf en vijf jaar ontzegging van de rijbevoegdheid – die ingaat na de gevangenisstraf – kan worden opgelegd. Voor deze zwaarste categorie is in de OM richtlijn geen strafeis geformuleerd, maar er wordt altijd een hogere straf geëist dan bij de in de hiervoor beschreven gradaties.
Wanneer er bij de verdachte ook sprake is van alcohol- of drugsgebruik liggen de strafeisen in de richtlijn hoger, evenals de mogelijke maximumstraffen. Zo is de maximale straf bij roekeloosheid dan op negen jaar gevangenisstraf gesteld.
Vindt u dat sommige bestuurders definitief de rijbevoegdheid moet kunnen worden ontzegd? In hoeverre wordt die mogelijkheid nu geboden en gebruikt?
Op dit moment kan een rijontzegging oplopen tot tien jaar, afhankelijk van het strafbare feit. Dit kan zelfs langer zijn als voor verschillende feiten meerdere rijontzeggingen zijn opgelegd. De duur van een eventueel opgelegde gevangenisstraf wordt bij de termijn van de rijontzegging opgeteld. Ik acht de mogelijkheden die de wet daarmee biedt, toereikend. Een rijontzegging van tien jaar wordt in praktijk maar enkele keren per jaar opgelegd. Van de mogelijkheid om een langere rijontzegging op te leggen, zal daarom in de praktijk naar verwachting ook maar weinig gebruik worden gemaakt.
Op welke wijze wordt toegezien of een veroordeelde zich houdt aan de rij-ontzegging? Hoeveel personen zijn in de afgelopen jaren aangetroffen als bestuurder terwijl sprake was van een rij-ontzegging?
De politie handhaaft op het rijden zonder geldig rijbewijs. De politie hanteert een risicogestuurde aanpak. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd worden. ANPR-camera’s kunnen kentekens automatisch lezen en deze vervolgens vergelijken met lijsten van kentekens waarmee iets aan de hand is. De politie kan dan de bestuurder van het gelokaliseerde voertuig vervolgens controleren. De eigenaar van het voertuig van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard, kan immers zijn voertuig ook hebben uitgeleend aan of laten besturen door iemand die wel over een geldig rijbewijs beschikt.
In 2025 zijn er in totaal ruim 10.000 bestuurders staande gehouden voor het rijden met een ongeldig rijbewijs. Het ging in 689 gevallen om het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het merendeel van de gevallen betreft het rijden met een rijbewijs dat op grond van het bestuursrecht ongeldig is verklaard.
Vindt u het passen bij de ernst van de veroordeling tot rij-ontzegging na ernstige of zelfs dodelijke ongelukken dat volgens de richtlijn van het Openbaar Ministerie enkele weken gevangenisstraf wordt gevorderd bij niet-naleving?2 Waarop berusten de gekozen normen in de richtlijn?
Er is bij het schenden van een ontzegging van de rijbevoegdheid niet noodzakelijk sprake van het veroorzaken van gevaar, het gaat hierbij het negeren van een opgelegde maatregel. Wanneer er geen gevaarlijk rijgedrag is vastgesteld en er geen slachtoffers zijn gevallen, zou een veel langere gevangenisstraf niet voldoen aan het proportionaliteitsvereiste. De duur van de eerder opgelegde rijontzegging wordt met de duur van de gevangenisstraf verlengd. Na de gevangenisstraf geldt dus nog steeds de resterende duur van de rijontzegging. Ook kan voor het schenden van een rijontzegging naast de gevangenisstraf nog een aanvullende ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd.
Bent u bereid te verkennen of en hoe aanscherping van bestraffing nodig is bij ernstige verkeersongevallen door personen met gebleken risicovol gedrag in het verkeer, waaronder in ieder geval begrepen de bestraffing van het niet naleven van de rij-ontzegging?
Met de wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten zijn de strafmaxima voor een aantal ernstige verkeersdelicten reeds verhoogd. De wet is op 1 januari 2020 in werking getreden en wordt momenteel geëvalueerd. De uitkomsten worden in het najaar verwacht. Ik wil de uitkomsten van deze evaluatie afwachten en op basis van de bevindingen bekijken of de straffen verder moeten worden aangescherpt.
Het bericht ‘Leeuwarden kampt met drugsoverlast en dakloosheid. ‘We kunnen dit niet accepteren’’ |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugsoverlast en dakloosheid in Leeuwarden. «We kunnen dit niet accepteren»»1 in het Nederlands Dagblad van 2 maart 2026?
Ja.
Hoe verklaart u de toename van het drugsgebruik, specifiek in Leeuwarden? Valt deze toename te koppelen aan het niet effectief opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens? Zo nee, waarom niet?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.2 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan. Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt. Het drugsgebruik in Leeuwarden is met andere woorden niet direct en enkel te koppelen aan het opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens.
Welke toename en trends ziet u in het gebruik van legale structuren door ondermijnende bendes, specifiek ingezet voor de drugshandel? Kunt u specifiek per onderdeel aangeven waarop deze vermoedens gebaseerd zijn en welke middelen daartegen momenteel ingezet worden?
Nederland heeft als handelsland internationaal een unieke positie als knooppunt in logistiek, transport, financiële dienstverlening en digitale infrastructuur, waarbij tussen (inter)nationale partners veel gegevens en goederen worden uitgewisseld. Criminelen maken hiervan misbruik voor hun drugshandel. Zo worden leegstaande schuren van boeren misbruikt voor de productie van drugs, wordt illegaal meegelift op transportlijnen en wordt vastgoed aangekocht voor criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend vermogen.
Als breder fundament onder de bestrijding van ondermijning door georganiseerde criminaliteit is het in ontwikkeling zijnde Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland (DON) straks van grote waarde. Dit dreigingsbeeld richt zich op de ondermijnende effecten die het gevolg zijn van georganiseerde criminaliteit, welke systeemkwetsbaarden ondermijning in de hand werken, welke infrastructuren kwetsbaar zijn voor crimineel misbruik en brengt in beeld waar maatschappelijke schade optreedt. Daarmee geeft het DON ook inzicht welke publieke en private partijen voor de aanpak (nog meer) moeten worden gemobiliseerd. Om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van criminaliteit tegen het bedrijfsleven, is in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) geherintroduceerd. Naar verwachting wordt eind dit jaar daarvan de eerste editie opgeleverd. Op basis van onder meer die informatie kunnen we de inzet tegen ondermijnende criminaliteit specifieker richten.
In de tussentijd zitten de partners en ik echter niet stil. Om criminele inmenging in legale economische sectoren en structuren tegen te gaan, wordt zowel specifiek als breder ingezet op het weerbaar maken van ondernemers tegen ondermijnende criminaliteit.
Binnen het mainportsprogramma wordt op de grote logistieke knooppunten, zoals de havens van Rotterdam, Vlissingen/Terneuzen, het Noordzeekanaalgebied, de luchthaven Schiphol en de bloemenveiling nauw samengewerkt tussen publieke en private organisaties om barrières op te werpen tegen georganiseerde criminaliteit en organisaties minder kwetsbaar te maken voor criminele inmenging en misbruik.
In de halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit van 10 juni 20253 ben ik uitgebreid ingegaan op mijn aanpak voor een weerbare economie, en de aanpak van criminele geldstromen. De gezamenlijke inspanningen van de financiële sector en overheidspartners om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan, voorkomen dat de financiële sector misbruikt wordt door criminelen voor het uitvoeren van criminele transacties en het witwassen van criminele verdiensten. Binnen criminele geldstromen wordt het anti-witwasbeleid mede gebaseerd op het National Risk Asssessment Witwassen, dat witwasrisico’s identificeert. U bent over de voortgang van het witwasbeleid geïnformeerd door de Minister van Financiën, mede namens mij, in december vorig jaar.4
Omdat criminelen de opgeworpen barrières binnen de financiële sector proberen te omzeilen met een eigen systeem van ondergronds bankieren, ligt binnen de aanpak van criminele geldstromen ook nadrukkelijk focus op de aanpak van ondergronds bankieren, mede op basis van een WODC-onderzoek naar dit onderwerp5. Over de opvolging van dit onderzoek bent u op 2 februari door mijn voorganger, mede namens de Minister van Financiën, geïnformeerd.6 Op basis van de WODC-bevindingen en nadere gesprekken met partners zal ik mij bij de aanpak van ondergronds bankieren specifiek richten op het aanpakken van:
Ik zal de Kamer via de voortgangsbrieven over de nieuwe anti-witwasaanpak en ondermijning op de hoogte houden.
Meer algemeen wordt vanuit het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) publiek-privaat samengewerkt en uitvoering gegeven aan het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026.7 Zo zijn er in de agrarische sector vertrouwenspersonen aangesteld en loopt het project Veilig Buitengebied, worden in de transportsector actiedagen georganiseerd voor de preventieve en repressieve aanpak van criminele inmenging en is voor het tegengaan van crimineel gebruik van vastgoed de poortwachtersfunctie versterkt. Naast deze maatregelen zijn de Platforms Veilig Ondernemen (PVO’s) actief in alle regio’s om ondernemers bewust te maken van de risico’s die zij lopen en praktisch handelingsperspectief te bieden om hun personeel en bedrijfsvorming weerbaar te maken tegen criminele inmenging. Naar aanleiding van een eerdere motie van Lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) is een handreiking kwetsbare branches opgesteld en het project Weerbare branches gestart vanuit MKB-Nederland, VNO-NCW en PVO-Nederland.8 Komend jaar wordt samen met publieke en private partners gewerkt aan het nieuwe Actieprogramma Veilig Ondernemen 2027–2030, waarin ook de resultaten van de MCB zullen worden meegenomen.
Welke extra landelijke middelen worden ter ondersteuning aangeboden aan gemeentes als Leeuwarden?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het ontwikkelen van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten verder onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC/LIEC bestel wordt gefinancierd door de Rijksoverheid.
Leeuwarden neemt bovendien deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te halen en te houden. Dit wordt op verschillende manieren gedaan.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid.
Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor weten professionals elkaar inmiddels goed te vinden en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
Bent u het met de leden eens dat er een direct verband bestaat tussen normalisatie van softdrugs en de toename van het gebruik en de normalisatie van harddrugs?
Er is sprake van normalisering wanneer drugs goed beschikbaar zijn, veel jongeren ermee experimenteren, gebruik sociaal geaccepteerd wordt en zichtbaar is in popcultuur en het dagelijks leven. Uit recent onderzoek in Noord-Brabant9 blijkt dat vooral cannabisgebruik aan deze kenmerken voldoet; harddrugsgebruik niet. Hoewel het in dit onderzoek niet om landelijke gegevens gaat valt gezien de omvang van het onderzoek wel te verwachten dat het landelijke beeld er niet heel anders uit ziet. Uit de trends in drugsgebruik die al jaren worden bijgehouden in de Nationale Drug Monitor blijkt niet dat een toename van het gebruik van één middel automatisch leidt tot een toename van het gebruik van andere middelen. Zo zien we afgelopen jaren een lichte stijging in het XTC-gebruik, maar ook een daling in het lachgasgebruik, terwijl het cannabisgebruik relatief stabiel gelijk blijft. Zo bezien lijkt er geen verband te bestaan tussen het gebruik van softdrugs als cannabis enerzijds en het gebruik van harddrugs als XTC anderzijds. Waarschijnlijk spelen gedeelde onderliggende factoren – zoals genetische aanleg, psychologische kenmerken en sociale of omgevingsinvloeden – een belangrijker rol bij zowel softdrugs- als harddrugsgebruik.
Bent u het met de leden eens dat de normalisatie van harddrugs onwenselijk is en zeer schadelijke maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt, in het bijzonder voor jongeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Daarnaast verdienen criminele netwerken veel geld aan het gebruik van drugs. Drugshandel is het dominante verdienmodel van deze criminele netwerken. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een criminele industrie. Mede om deze redenen is normalisering van harddrugsgebruik onwenselijk.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om drugshandel van/door minderjarigen te bestrijden. Welke digitale opsporingsmiddelen is de Minister bereid daarvoor in te zetten?
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Voor de bestrijding van drugshandel kan de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie (bijzondere) opsporingsbevoegdheden inzetten die zij wettelijk tot hun beschikking hebben. Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie (digitaal) rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het internet. Zij verrichten onderzoek in publiek toegankelijke bronnen door het verzamelen en analyseren van informatie. Indien er geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), (digitaal) rechercheurs en data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
Verder kunnen politie en OM onder specifieke voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen bij aanbieders van communicatiediensten.
Ten aanzien van online illegale content kunnen toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Politie, wanneer zij dergelijke inhoud tegenkomen, daarvan melding maken bij hostingsdiensten en online platforms. Dit is dezelfde mogelijkheid als die individuele personen hebben op grond van artikel 16, eerste lid, van de Digital Services Act (DSA). De DSA verplicht deze online aanbieders om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. In Nederland is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door zeer grote online platforms en zeer grote onlinezoekmachines.
Strafrechtelijk kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv). In het geval aan aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal een bevel via een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Kunt u aangeven hoe u uitvoering geeft aan de eerdere landelijke ambitie om dakloosheid uiterlijk in 2030 sterk terug te dringen, en of deze doelstelling nog steeds geldt?
De doelstelling om uiterlijk in 2030 dakloosheid te beëindigen, geldt nog steeds. Met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023–2030) geeft het kabinet invulling aan die doelstelling. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport gaat, met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd en in samenwerking met alle andere betrokken partijen, onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Wilt u deze vragen uiterlijk vrijdag 13 maart beantwoorden?
Ik heb hiernaar gestreefd, maar dat is helaas net niet gelukt.
Bent u bekend met het bericht «Rechter legt jeugddetentie op aan 17-jarige jongens voor lidmaatschap IS»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat jeugddetentie veel te slap is voor jihadisten die zich aansluiten bij een terroristische organisatie zoals IS en dat terroristen, ongeacht hun leeftijd, nooit jeugddetentie mogen krijgen maar volwassen straffen verdienen?
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) verplicht Nederland, als verdragsland, tot het hanteren van een apart jeugdstrafrecht met een pedagogische benadering en bepaalt dat het volwassenstrafrecht niet op minderjarigen mag worden toegepast. Daar geeft Nederland gevolg aan. Het ontwikkelingsperspectief van het kind dient voorop te blijven staan bij het bepalen van de straf. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk meer op de persoon en de omstandigheden van de verdachte en op gedragsbeïnvloeding of heropvoeding dan op vergelding. Straffen en maatregelen in het jeugdstrafrecht zijn intensiever en persoonsgerichter van aard dan die binnen het volwassenenstrafrecht. De beschermende factoren, zoals de invloed van ouders of het behalen van een diploma, worden in het jeugdstrafrecht benut om de jongere te laten resocialiseren in de maatschappij.
Wel heeft Nederland een voorbehoud gemaakt bij het IVRK waardoor de rechter de mogelijkheid heeft om, wanneer aan de wettelijke criteria is voldaan, het volwassenstrafrecht toe te passen op 16- en 17-jarigen.2 Dit is een zware maatregel waar niet licht over gedacht mag worden. Uiteindelijk is het aan de rechter om in individuele zaken de feiten en omstandigheden te wegen en tot een oordeel te komen.
Bent u bereid om deze terroristen onmiddellijk het land uit te zetten, hen de toegang tot Nederland voorgoed te ontzeggen en, indien van toepassing, hun Nederlandse nationaliteit in te trekken? Zo nee, waarom beschermt u jihadisten in plaats van Nederlandse burgers?
Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus en zet zich onverminderd in om terrorisme en extremisme in Nederland te voorkomen en te bestrijden. De aanpak op terrorisme is breed en robuust, waarbij ketenpartners van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten nauw samenwerken om onze samenleving en democratische rechtsorde te beschermen.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording over de Kamervragen over 15 arrestaties in verband met aanzet tot terreur voor Islamitische Staat (IS) via TikTok: Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een terroristisch misdrijf intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.3
In zijn algemeenheid beziet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vaststelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet hij Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op gedwongen terugkeer, met inachtneming van internationale verplichtingen, waaronder het verbod op refoulement.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit soort jihadistisch tuig in de toekomst veel strenger te straffen, inclusief het uitsluiten van jeugddetentie voor terrorismegerelateerde delicten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om de vrienden en familie van deze terroristen grondig te onderzoeken op terroristisch gedachtegoed en zo nodig ook tegen hen maatregelen te nemen, zoals uitzetting of vervolging?
Wanneer sprake is (van verdenking) van strafbare feiten, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om deze te onderzoeken en, waar mogelijk, te vervolgen. De Minister van Justitie en Veiligheid treedt niet in deze bevoegdheden.
Deelt u de mening dat het falende opengrenzenbeleid een regelrechte uitnodiging is voor islamitisch terrorisme, waardoor Nederland verandert in een broeinest voor jihadisten? Zo ja, bent u bereid om per direct onze grenzen te sluiten en een asielstop in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze kwalificatie niet. Hoewel in incidentele gevallen misbruik kan worden gemaakt van migratiestromen, rechtvaardigt dit geen generieke maatregelen gericht op gehele bevolkingsgroepen op basis van religie of herkomst.
Een algemene asielstop of een immigratiestop op basis van religie of herkomst uit zogenoemde «islamitische landen» is bovendien niet verenigbaar met de Grondwet, het Unierecht en internationale verdragsverplichtingen waarbij Nederland partij is. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten.
Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.
Het bericht ‘Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verdienmodel van cybercriminelen voor een groot deel draait op het afpersen van slachtoffers, onder dreiging van het publiceren van gestolen data of het voor eeuwig versleutelen van systemen?
De modus operandi van cybercriminelen waarbij slachtoffers worden afgeperst onder dreiging van het publiceren van gestolen data of versleuteling is bekend.2
Vindt u dat het toegeven aan dit soort afpersing het verdienmodel van cybercriminelen in stand houdt? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot de bescherming van slachtoffers, die hun persoonlijke data in handen van criminelen zien verdwijnen als een getroffen organisatie niet betaalt?
Slachtoffer worden van ransomware en dit soort afpersing kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging is aan de getroffen organisatie, maar het dringende advies vanuit de overheid blijft: geen losgeld betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand. En lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uit.
Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Het is vooral belangrijk dat getroffen personen informatie krijgen over de risico’s die zij lopen en wat zij daartegen kunnen doen. Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van de diefstal van hun gegevens, kunnen op de site van de politie controleren3 of hun data in handen van criminelen is gevallen.
Klopt het dat het voor een getroffen organisatie logisch kan lijken om losgeld te betalen (op basis van de belofte van daders dat gestolen data niet gepubliceerd worden of versleutelde systemen worden vrijgegeven), maar dat dit de samenleving als geheel juist meer kan kosten, omdat het verdienmodel van cybercriminelen in stand gehouden wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier kan de samenleving volgens u dit dilemma oplossen?
Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Staat u nog steeds achter het advies van de overheid aan organisaties om geen losgeld aan hackers te betalen? Op welke expertkennis baseert u dat advies?
Ja, zie de antwoorden op de voorgaande vragen. Dit sluit aan bij het inzicht en advies van de politie en het OM.
Zou een verbod op het betalen van losgeld aan hackers de samenleving als geheel ten goede kunnen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van een dergelijk verbod?
We willen organisaties die slachtoffer zijn geworden van een ransomware aanval niet criminaliseren. Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Zolang die spanning niet eenduidig kan worden opgelost wordt – net als in de meeste EU landen – dringend geadviseerd om geen losgeld te betalen, in plaats van een wettelijk verbod. Daarnaast wordt ingezet op preventie, meldplichten bij toezichthouders en gerichte informatie aan individuen wier gegevens zijn getroffen.
Kan een verbod op het betalen van losgeld ook dienen als extra prikkel voor organisaties om extra werk te maken van cyberweerbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni, de AVG en de aankomende Cyberbeveiligingswet) verplicht organisaties om serieus werk te maken van cyberweerbaarheid. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 is daarbij het dringende advies om geen losgeld te betalen. Er kunnen situaties voorkomen waarbij toch een andere afweging wordt gemaakt door een organisatie. Om deze reden achten wij een volledig wettelijk verbod onwenselijk.
Welke extra prikkels en instrumenten kunt u inzetten om ervoor te zorgen dat organisaties te dwingen hun cyberweerbaarheid serieus te nemen? Denkt u dat boetes hier een effectief middel voor kunnen zijn? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni en AVG) biedt de nodige handhavende bevoegdheden om in te grijpen bij vastgestelde onregelmatigheden. Ingrijpen kan bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen van persoonsgegevens of het opleggen van boetes. Onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet moeten organisaties passende technische en organisatorische maatregelen nemen om beveiligingsrisico’s te beheersen. Hieronder vallen ook risico’s met betrekking tot diensten zoals een klantsysteem. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur houdt toezicht op de Telecomwet en de Autoriteit Persoonsgegevens houdt toezicht op de AVG.
Daarnaast wordt met de aankomende implementatie van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) een impuls gegeven aan de wettelijke verplichtingen voor essentiële en belangrijke entiteiten om maatregelen te nemen die bijdragen aan hun eigen cyberweerbaarheid. Ook is er sprake van een meldplicht bij significante incidenten. De verplichtingen uit de Cbw worden gehandhaafd door de bevoegde toezichthouders/autoriteiten. Organisaties worden onderworpen aan een beveiligingsscan en audit, en kunnen een aanwijzing, de verplichting tot het openbaar maken van een overtreding, een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opgelegd krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
ja.
Het bericht ‘Odido-datalek erger dan gemeld, ook burgerservicenummers gelekt’. |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL waarin wordt gemeld dat bij telecomprovider Odido een grootschalig datalek heeft plaatsgevonden en dat hierbij, anders dan eerder door het bedrijf gecommuniceerd, ook burgerservicenummers (BSN) zijn gelekt?1
Ja
Hoe beoordeelt u de ernst van het incident, in het bijzonder het lekken van BSN, vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten van burgers en hoe ingrijpend beoordeelt u de impact op burgers?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte gegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede beveiliging van persoonsgegevens zoals vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) pure noodzaak is en een cruciaal onderdeel van de bedrijfsprocessen moet zijn. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket een strafrechtelijk onderzoek naar de aanval en de daders.
De gelekte gegevens waaronder ook het BSN zijn niet direct bruikbaar voor fraudeurs om zelfstandig fraude op naam van gedupeerden te plegen. Criminelen gebruiken de gegevens vooral om phishingaanvallen uit te voeren en gedupeerden te verleiden om op een link te klikken of nog meer gegevens prijs te geven.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties adviseert niet om paspoorten of identiteitskaarten te vernieuwen. Er zijn alleen paspoortnummers gelekt. Alleen met die informatie kunnen criminelen niet zelfstandig fraude plegen. Zij kunnen die informatie echter wel gebruiken voor bijvoorbeeld gerichte phishingaanvallen. Met behulp van de gestolen informatie proberen ze dan om zo betrouwbaar mogelijk te lijken en in te spelen op het gevoel van burgers met als doel om meer informatie te ontfutselen of burgers te verleiden op een link, button of QR-code te klikken.
In hoeverre acht u daarbij het recht op privacy en gegevensbescherming geschonden, nu (oud-)klanten van Odido buiten hun eigen schuld risico lopen op misbruik van hun persoonsgegevens?
In algemene zin is een datalek een inbreuk in verband met het recht op persoonsgegevens. Of, en zo ja in hoeverre, de privacy en het recht op gegevensbescherming van betrokken in deze concrete zaak zijn geschonden, is niet aan het kabinet om te beoordelen. Dit is aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als toezichthouders of in voorkomende gevallen aan de rechter om te beoordelen.
Hoe beoordeelt u het advies aan Odido om geen losgeld te betalen, gelet op de huidige situatie waarin de hackersgroep Shinyhunters is overgegaan tot publicatie van gestolen persoonsgegevens, met mogelijke ernstige gevolgen voor de (oud-)klanten van Odido?2
Het besluit van Odido om geen losgeld te betalen sluit aan bij de visie van het kabinet. Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Kunt u aangeven welke opsporingsprioriteit wordt gegeven aan het strafrechtelijk onderzoek dat is gestart door het Openbaar Ministerie en ligt daarbij ook een rol voor de digitale recherche?
Het OM gaat over de opsporingsprioriteit. De politie is onder gezag van het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek gestart. Een team van het Team High Tech Crime, dat gespecialiseerd is in dit soort cybercriminaliteit, doet onderzoek naar het incident.
Welke rol ziet u bij het ondersteunen en informeren van burgers van wie persoonsgegevens door cybercriminelen zijn gepubliceerd en acht u het huidige instrumentarium hiervoor toereikend?
De overheid geeft praktische tips om de digitale weerbaarheid van burgers te vergroten. Zo hebben burgers de mogelijkheid om websites zoals veiliginternetten.nl en die van het NCSC te raadplegen waar veel informatie en adviezen worden gegeven over hoe ze zich online kunnen beschermen en over de basisprincipes van digitale weerbaarheid. Via Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) kan er melding worden gedaan van fraude, hier is ook een specifieke pagina over de Odido hack. Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Economische Zaken – digitale economie en soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajokowski die opriep tot een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken.3
Ziet u aanleiding om het strafrechtelijk kader of de opsporingscapaciteit op het terrein van hacks en digitale afpersing te versterken, bijvoorbeeld door intensivering van de digitale recherche van de politie of door aanpassing van wet- en regelgeving?
Door het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden met de politie en het OM worden gesprekken gevoerd over wat er nodig is om de aanpak van online criminaliteit een stap verder te brengen, daarin zullen de recente incidenten zoals de hacks bij Clinical Diagnostics en Odido worden meegenomen.
In het coalitieakkoord is verder aangekondigd dat de strafmaxima voor zware cyberdelicten zullen worden verhoogd. Bij de nadere beleidsuitwerking hiervan zal ook aandacht worden besteed aan deze recente incidenten.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voorafgaand aan de behandeling van de Cyberbeveiligingswet?
Dit is helaas niet gelukt.
Vrouwen die dakloos raken door huiselijk geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Boekholt-O’Sullivan , David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met aflevering 4 van de NTR-podcast «Waar slaap je» waarin verhalen gedeeld worden van vrouwen die door huiselijk geweld dakloos raken?1
Ja.
Herkent u de signalen dat er in Nederland vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld? Deelt u de mening dat deze groep vrouwen momenteel tussen wal en schip valt, omdat zij enerzijds niet in aanmerking komt voor opvang of urgentie en anderzijds niet financieel in staat is om duurzame huisvesting te bekostigen? Zo ja, welke maatregelen bestaan er momenteel voor deze groep en acht u die toereikend?
Het is mij bekend dat sommige vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld. Dit is zorgwekkend en onwenselijk. Gemeenten hebben een breed ambulant aanbod vanuit de Wmo 2015 en Jeugdwet, gericht op het voorkomen van escalatie van sociale problematiek en situaties van onveiligheid. Indien een situatie onhoudbaar blijkt, kan opvang nodig zijn. Bij zowel de vrouwenopvang (VO) als de maatschappelijke opvang (MO) is sprake van wachtlijsten en tekorten, mede vanwege schaarste op de woningmarkt en personele tekorten. Dit betekent dat gemeenten moeten afwegen wie zij kunnen helpen. Ik herken de signalen dat gemeenten een strenger toegangsbeleid hanteren om te bepalen wie toegang krijgt tot de vrouwenopvang of maatschappelijke opvang. Hoewel gemeenten er alles aan doen om dit te voorkomen, kan dit leiden tot schrijnende situaties.
Maatschappelijke opvang is een tijdelijke vorm van onderdak met begeleiding en is bedoeld voor mensen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Om te beoordelen of iemand toegang heeft tot de maatschappelijke opvang, moet een gemeente onderzoek doen of iemand zelfredzaam is en vervolgens een formeel besluit nemen. Het ontbreken van passende huisvesting op zichzelf is in de regel niet voldoende om iemand aan te merken als «niet zelfredzaam». Gemeenten zijn niet verplicht zelfredzame gezinnen toegang te geven tot de opvang, maar mogen hiertoe wel besluiten. De vrouwenopvang is bedoeld voor slachtoffers van huiselijk geweld die thuis niet meer veilig zijn en acuut hulp nodig hebben. De opvanginstelling beoordeelt aan de hand van een risicoscreening of toegang tot de vrouwenopvang noodzakelijk is of dat andere (ambulante) interventies passender zijn. Als toegang noodzakelijk is neemt de gemeente (meestal de centrumgemeenten) daartoe een formeel besluit.
Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld die dakloos raken zo snel mogelijk veilig onderdak vinden. De huidige krapte op de woningmarkt kan het snel vinden van onderdak belemmeren. Slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang komen op dit moment in aanmerking voor urgentie, wanneer de betreffende gemeente een huisvestingsverordening heeft opgesteld met daarin opgenomen een urgentieregeling. Dit betekent dat zij, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang dienen te krijgen. Vrouwen die niet in aanmerking komen voor de opvang en/of een inkomen hebben dat boven de inkomensgrens voor een sociale huurwoning ligt, krijgen niet automatisch urgentie. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting, waarmee alle gemeenten verplicht een huisvestingsverordening met urgentieregeling moeten opstellen. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in de Eerste Kamer ter behandeling. Met deze wet krijgen slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang in elke gemeente verplicht urgentie. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 3. Daarnaast blijft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zich inspannen voor verdere uitbreiding van het woningaanbod.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat vrouwen die trauma hebben opgelopen door geweld, vervolgens ook hun thuis moeten verlaten? Zo ja, kunt u toelichten of er specifiek beleid is voor deze groep en welke concrete maatregelen u neemt om deze vrouwen te helpen?
Ja, het is zorgwekkend dat vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld hun huis moeten verlaten. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang maakt dat er niet altijd gelijk een passende plek beschikbaar is. Zoals ook in de beantwoording van vraag 2 benoemd, is voor zowel slachtoffers van huiselijk geweld evenals voor dakloze personen hulp- en ondersteuningsaanbod beschikbaar. Dit aanbod bestaat enerzijds uit opvang (vrouwenopvang en maatschappelijke opvang) en anderzijds uit ambulante ondersteuning. De capaciteit van de vrouwenopvang staat onder druk. Om die reden is per 2026 structureel 12 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de uitbreiding van opvangcapaciteit. Gemeenten en opvanginstellingen zetten zich nu in om deze uitbreiding te realiseren.
Daarnaast kan op dit moment de huisvestingsverordening met daarbij urgentieregelingen op basis van de Huisvestingswet 2014 worden ingezet door gemeenten voor de versnelde huisvesting van deze doelgroep. Gemeenten zijn momenteel nog niet verplicht een huisvestingsverordening op te stellen. Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting dient iedere gemeente een huisvestingsverordening op te stellen, waarmee vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld en uitstromen uit een vrouwenopvang worden aangemerkt als een verplichte urgentiecategorie. Dit betekent dat zij met voorrang gehuisvest dienen te worden door gemeenten. De verplichte urgentie geldt ook voor mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang en (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen.
Kunt u aangeven hoeveel personen er (gemiddeld) per jaar ten gevolge van partnergeweld noodgedwongen hun huis moeten verlaten? Indien exacte gegevens ontbreken, kunt u een schatting geven? Bent u bereid om de aantallen in beeld te brengen?
Er wordt niet landelijk bijgehouden hoeveel personen als gevolg van partnergeweld hun woning noodgedwongen moeten verlaten. Wel is er de afgelopen jaren gewerkt aan beter onderzoek naar dakloosheid en de capaciteit van de vrouwenopvang, wat ervoor zorgt dat de groep beter in beeld is. In de regionale ETHOS-tellingen wordt in regionale rapportages gerapporteerd over de aanleiding van de dakloosheid. Huiselijk geweld is hierin opgenomen als één van de mogelijke aanleidingen. Dit percentage verschilt per regio. Daarnaast bestaat er met de monitor Veilige Opvang van de VNG en Valente een beeld van het aantal slachtoffers dat gebruik maakt van de vrouwenopvang.
Welke concrete aanvullende acties zijn er geweest of maatregelen genomen sinds de presentatie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, waarin vrouwen alsmede mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke aandachtsgroepen worden genoemd?
Vrouwen, mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld zijn in het Nationaal Actieplan Dakloosheid niet opgenomen als specifieke aandachtsgroep ten opzichte van andere dakloze mensen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid richt zich op alle mensen in Nederland die dakloos raken.
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen in steeds meer regio’s beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in het woningbouwbeleid en de acties om dakloosheid tegen te gaan. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) daklozen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentie categorie op grond van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Dit betekent dat zij met voorrang recht hebben op een woning.
Hoe wordt in beleid rekening gehouden met de gevolgen van (dreigende) dakloosheid voor kinderen die met hun moeder moeten meeverhuizen of in instabiele woonsituaties terechtkomen?
Volgens het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), moet bij alle maatregelen betreffende kinderen, het belang van het desbetreffende kind als eerste in overweging worden genomen (artikel 3). Daarnaast moet volgens artikel 9 gewaarborgd worden dat een kind niet wordt gescheiden van diens ouders, tenzij dit in het belang van het kind is. Gemeenten hebben de verplichting deze rechten te waarborgen.
In algemene zin ben ik van mening dat gemeenten de totale gezinssituatie in ogenschouw moeten nemen bij de beoordeling van huisvestings- en opvangvraagstukken. Dat betekent onder andere dat gemeenten zich rekenschap moeten geven van het belang van een betrokken kind in de algehele belangenafweging ten behoeve van de beoordeling van urgentieverklaringen. Het is aan gemeenten om in een concreet geval een gedegen afweging te maken. Daarnaast worden (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen een verplichte urgentiecategorie met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, zoals in het antwoord op vraag 3 is vermeld.
Deelt u de mening dat het gewenst is dat slachtoffers van partnergeweld zo snel mogelijk een veilig dak boven het hoofd moeten krijgen in de vorm van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of urgentie op een (sociale) huurwoning, ongeacht de gemeente waar zij wonen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit bewerkstelligen? Welke (financiële) knelpunten ziet u hierbij en welke rol is hierin weggelegd voor de rijksoverheid in de ondersteuning van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. Slachtoffers van huiselijk geweld die thuis niet meer veilig zijn door hoge veiligheidsrisico’s en wie acuut hulp nodig hebben, kan een plek in de vrouwenopvang worden geboden. Op dit moment wordt gewerkt aan capaciteitsuitbreiding van deze opvang, zie ook het antwoord op vraag 3. Voor slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang naar een woning geldt op dit moment al dat, als een gemeente een urgentieregeling vaststelt, deze groep wordt aangemerkt als een urgente groep en met voorrang moet worden gehuisvest. Ook mag een gemeente tegen deze groep geen bindingseisen opwerpen; een slachtoffer moet in alle gemeenten urgentie kunnen aanvragen. Het aantoonbaar hebben van binding met de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend is dus geen voorwaarde voor het verkrijgen van urgentie. Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting verplicht elke gemeente over een huisvestingsverordening te beschikken met daarin tenminste een urgentieregeling opgenomen. Dit betekent dat deze slachtoffers in alle gemeenten in aanmerking komen voor urgentie op een huurwoning ongeacht de gemeente waar zij wonen of zijn opgevangen. Ik hecht eraan te benadrukken dat het van belang is dat slachtoffers van huiselijk geweld snel zicht krijgen op huisvesting. Dat vraagt van gemeenten ook om goede afspraken met buurgemeenten of andere woningmarktregio’s te maken, zodat snelle huisvesting gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld ook in een andere regio dan waar het slachtoffer binding mee heeft. Op dit moment werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening de regeling hierover verder uit. Deze aspecten krijgen daar ook een plek in. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 3.
Herkent u de (financiële) knelpunten bij blijf-van-mijn-lijf locaties, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en privacy van dergelijke locaties? Bent u ook bekend met voorbeelden van locaties waar dit juist heel goed is ingericht, zoals in de gemeente Den Bosch? Hoe kijkt u naar dergelijke voorbeelden en hoe kijkt u naar de mogelijkheid voor minimumrichtlijnen voor kwaliteit en privacy? Welke financiering zou nodig zijn voor de invoering van dergelijke richtlijnen?
Binnen de vrouwenopvang wordt op dit moment al gewerkt met diverse kwaliteitskaders en overkoepelende afspraken. Een voorbeeld is het Keurmerk «Veiligheid in de Vrouwenopvang». Dit is een kwaliteitskeurmerk dat kwaliteit en veiligheid van de opvang waarborgt. Onderdeel van dit keurmerk is bijvoorbeeld het normenkader, waarin normen zijn opgenomen waarop de opvangorganisaties worden getoetst. Gemeenten en opvangorganisaties werken met dit keurmerk en hechten groot belang aan de veiligheid en de kwaliteit van ondersteuning van slachtoffers van huiselijk geweld. Er bestaat breed draagvlak voor het gebruik van beschikbare (normen)kaders.
Herkent u het beeld dat slachtoffers van partnergeweld die niet in aanmerking komen voor sociale huur, noodgedwongen zijn aangewezen op dure particuliere of middenhuurwoningen, waardoor zij juist na een gewelddadige relatie in ernstige financiële problemen of schulden terechtkomen?
Ik herken het beeld dat slachtoffers van partnergeweld veelal behoefte hebben aan een snelle oplossing voor hun situatie en dat daaraan niet altijd op korte termijn tegemoet kan worden gekomen door een sociale huurwoning. Het creëren van gelijke kansen voor kwetsbare woningzoekenden in iedere gemeente is één van de aanleidingen geweest voor het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Met het verplichten van een huisvestingsverordening met daarin een urgentieregeling voor verplichte groepen, komen urgent woningzoekenden overal in Nederland in aanmerking voor urgentie. Of een slachtoffer van partnergeweld vervolgens in financiële problemen of schulden terecht komt, is afhankelijk van meerdere factoren en de individuele situatie van de persoon. Het ondersteuningsaanbod dat hiervoor beschikbaar is, is beschreven in vraag 10. Zoals ook in het antwoord op vraag 3 genoemd wordt door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening sterk ingezet op het vergroten en beter benutten van de woningvoorraad. Ook dit zal bijdragen aan snellere oplossingen voor slachtoffers van partnergeweld.
Herkent u dat deze financiële problematiek vaak wordt verergerd doordat dwingende controle, financieel geweld en lopende juridische procedures (zoals alimentatiegeschillen, omgangsregelingen of verdeling van bezittingen) nog lange tijd voortduren na de scheiding? Welke gevolgen heeft dat volgens u voor de bestaanszekerheid en veiligheid van deze vrouwen?
Het is bekend dat huiselijk geweld voor slachtoffers kan leiden tot financiële problematiek, bijvoorbeeld wanneer sprake is van dwingende controle, financieel of economisch geweld. Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld informatie en passende ondersteuning ontvangen, bijvoorbeeld gericht op het oplossen van financiële problematiek en het versterken van de bestaanszekerheid.
Femmes for Freedom heeft materialen gemaakt voor vrouwen in deze situatie, zoals een geldboekje en een flyer over financiële zelfredzaamheid, en informatie voor hulpverleners3.
Op verschillende manieren wordt ingezet op het ondersteunen van vrouwen in deze situatie. In het algemeen ondersteunt het Ministerie van SZW in het kader van het versterken van het recht op zelfbeschikking de financiële zelfbeschikking van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen (zoals bepaalde migrantengroepen) en/of afhankelijkheidssituaties, onder andere via een project van Diversion met migrantenvrouwenorganisaties en via een pilot met Single Super Mom. Ook werken diverse ministeries samen aan de versterking van sociaaljuridische en financiële dienstverlening (zoals Sociaal Raadslieden en Juridische loketten); deze wordt ook beter vindbaar gemaakt via de website www.sociaaljuridischekaart.nl. In enkele steden zijn vrouwenrechtswinkels opgezet. SZW ondersteunt bijvoorbeeld de vrouwenrechtswinkel van Femmes for Freedom in Utrecht. Vrouwen in kwetsbare situaties kunnen daar terecht voor gratis juridisch en financieel advies. De vrouwenrechtswinkel helpt ook bij doorverwijzing naar de juiste lokale (hulp)instanties.
Verder is informatie over geldzaken en levensgebeurtenissen beschikbaar via Geldfit, het Nibud, Wijzer in geldzaken en Overheid.nl. Via Geldfit zijn ook lokale hulproutes bij geldzorgen te vinden, zoals de gemeente en vrijwilligers, die mensen ondersteunen bij geldvragen. Geldfit en vrijwilligers helpen met de potjescheck, waarmee mensen kunnen nagaan waar ze recht op hebben. Binnenkort zal een pagina over wat te doen bij (dreigende) dakloosheid worden toegevoegd aan de Geldfitwebsite. De Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) heeft recent een werkwijzer gemaakt voor gemeenten over financiële hulp aan mensen die (dreigend) dakloos zijn en welke regelzaken hun financiële redzaamheid kunnen bevorderen4.
In hoeverre houden de huidige urgentiecriteria voor huisvesting naar uw mening rekening met de cumulatie van partnergeweld, financieel geweld en schuldenproblematiek, ook wanneer iemand formeel boven inkomensgrenzen uitkomt? Zo nee, waarom niet?
Ik herken dat slachtoffers van huiselijk geweld vaak te maken hebben met complexe problematiek. Daarom is het belangrijk dat deze groep recht heeft op urgentie voor huisvesting. Uitstroom naar een woning op een veilige plek is een belangrijke voorwaarde voor herstel. Zoals in het antwoord op vraag 3 en 7 is omschreven, hebben slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang of waarvoor door de gemeente een beschikking is afgegeven recht op urgentie voor huisvesting, als de gemeente een huisvesteringverordening en urgentieregeling heeft. Door woningcorporaties wordt rekening gehouden met de financiële situatie van deze slachtoffers bij het toewijzen van de sociale huurwoning.
Met het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting worden voor alle gemeenten uniforme voorwaarden verbonden aan de urgentieregeling.
Deze voorwaarden worden, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, opgenomen in de regeling versterking regie volkshuisvesting.
Herkent u de signalen dat er in de huidige praktijk een gat lijkt te bestaan, waarbij enerzijds wordt gezegd dat het geen veiligheidsprobleem is en anderzijds wordt gezegd dat het geen woonprobleem is, met als gevolg dat er onvoldoende regie en verantwoordelijkheid wordt genomen door betrokken organisaties en overheidslagen? Zo ja, deelt u de mening dat dit tot gevaarlijke en onwenselijke situaties kan leiden? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gat te dichten?
Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld die dakloos dreigen te raken tijdig worden ondersteund. Ik zie dat er uitdagingen bestaan voor deze doelgroep, zoals voldoende passende huisvesting en beperkte capaciteit in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang. Het Rijk ondersteunt gemeenten door bijvoorbeeld betaalbare woningbouw te stimuleren en middelen beschikbaar te stellen voor de uitbreiding van het aantal plekken in de vrouwenopvang. Ten aanzien van de huisvesting legt het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting verplichtingen vast die deze groep gaan helpen bij het sneller vinden van een passende woning en daarmee kunnen werken aan verder herstel. Zoals in de voorgaande antwoorden beschreven gaat de verplichte urgentieregeling die alle gemeenten straks, met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, moeten hebben hierbij helpen. Ook het volkshuisvestingsprogramma, dat gemeenten, provincies en het Rijk moeten opstellen gaat hieraan bijdragen. Gemeenten worden hiermee gevraagd integraal beleid te maken hoe te voorzien in de woon- en zorg/ondersteuningsbehoeften van de aandachtsgroepen, waaronder (dreigend) daklozen en slachtoffers van huiselijk geweld. De bouw van woningen is niet op korte termijn gerealiseerd en vraagt lange termijn inzet. Daarom wordt ook aan tijdelijke oplossingen gewerkt, zoals de inzet van flexwoningen. De Ministeries VWS en BZK en de VNG blijven over deze vraagstukken in gesprek.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een gebrek is aan regie in gevallen waar sprake is van (dreigende) dakloosheid als gevolg van partnergeweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit op te lossen, zowel op de korte als op de lange termijn? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat slachtoffers van partnergeweld hiermee uit het zicht dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 12.
Het artikel ‘Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen’ |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen»?1
Ja.
Op basis van welke wettelijke grondslag werd dit predictive-policing-systeem toegepast en kunt u aangeven welke specifieke bevoegdheden hierdoor feitelijk werden uitgebreid?
Het Criminaliteits Anticipatie Systeem (hierna: CAS) vergaarde zelf geen gegevens. De gegevens waren afkomstig van eerder gedane aangiften van burgers en ondernemers. Daarnaast werd tot en met 2022 gebruik gemaakt van omgevingsvariabelen2 van het CBS. De omgevingsvariabelen van het CBS waren geaggregeerd op wijkniveau en bevatten geen persoonsgegevens.
De wettelijke basis voor het verkrijgen van aangiftegegevens door de politie is vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 161 Sv geeft iedere burger de bevoegdheid om aangifte te doen van een begaan strafbaar feit. Artikel 163 Sv verplicht de politie om de aangifte van een burger in ontvangst te nemen. De politie verkrijgt de gegevens dus op basis van deze wettelijke ontvangstplicht.
Artikel 8 van de Wet politiegegevens vormde de grondslag voor de verwerking van bovenstaande gegevens met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
Er is daarom geen sprake geweest van uitbreiding van bevoegdheden.
In hoeveel gevallen zijn burgers gecontroleerd of benaderd zonder concrete verdenking maar uitsluitend vanwege een verhoogd risicogebied of risicoscore?
De uitkomsten van het CAS gaven een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
Bovendien vereisen individuele controles een eigen wettelijke grondslag en kunnen deze niet op alleen een risicoscore worden gebaseerd. Er was dus altijd een concrete aanleiding, op basis van aanvullende en actuele informatie en een menselijk oordeel nodig, voordat dit leidde tot concrete inzet van de politie.
Klopt het dat bij het criminaliteitsanticipatiesysteem (CAS) geen eenduidige doelen, meetbare succescriteria en formele kwaliteitsstandaarden waren vastgesteld? Zo ja, waarom is het systeem, en daarmee predictive policing als methode, desondanks langdurig gebruikt om de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit in bepaalde buurten te verbeteren?
In het algemeen geldt dat het moeilijk is om de resultaten van preventieve maatregelen te meten. CAS is destijds ingezet vanuit de verwachting dat de beschikbare politiecapaciteit gerichter kon worden ingezet als er meer informatie beschikbaar was over veelvoorkomende criminaliteit in een bepaalde woonwijk. CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan geleverd. Er was echter onduidelijkheid over de exacte operationele meerwaarde van CAS.
Anderhalf jaar geleden is de politie gestart met de verdere professionalisering van haar AI-Governance, waaronder de doorlopende toetsing van de kwaliteit (juridisch, technisch en ethisch) van haar algoritmes en AI-systemen. Na zorgvuldige afweging en volgens de genoemde professionaliseringsslagen binnen de politie is gebleken dat de voor CAS geformuleerde criteria niet meer voldeden aan de normen die tegenwoordig worden gehanteerd. Er is daarom geconcludeerd dat de benodigde inspanningen voor het oplossen van de tekortkomingen niet opwegen tegen de baten. In de laatste alinea van mijn antwoord op vraag 10 geef meer uitleg over deze professionaliseringsslag.
Zijn er vanuit betrokken partijen, zoals bijvoorbeeld mensenrechtenorganisaties of burgers, bij de inzet van het CAS signalen gekomen dat dit systeem discriminatie in de hand werkt? Zo ja, welke signalen waren dat?
De politie heeft geen signalen ontvangen dat er daadwerkelijk sprake was van discriminatie. Er zijn wel zorgen geuit. Zo waarschuwde Amnesty International er voor dat CAS bestaande vooroordelen in de maatschappij zou kunnen overnemen en versterken. Ook vond Amnesty dat het onduidelijk was hoe het systeem tot bepaalde voorspellingen kwam, dat het koppelen van grote hoeveelheden data uit verschillende bronnen een vorm van onrechtmatige massasurveillance is en dat het onduidelijk was wat deze vorm van «predictive policing» daadwerkelijk bijdroeg aan de veiligheid.
In hoeverre kunt u uitsluiten dat in bepaalde wijken waarbij een relatief hoog percentage bewoners met migratieachtergrond woont vaker onderwerp zijn geweest van toezicht door dit systeem?
CAS was geen toezichtsysteem maar ondersteunde de basisteams bij het in kaart brengen van criminaliteit in hun werkgebied. Het is wel mogelijk dat de uitkomst van de analyses van CAS aanleiding heeft gegeven voor intensiever toezicht in een bepaalde woonwijk. Het aantal aangiften van strafbare feiten en het soort strafbare feiten vormden de basis voor de waarschijnlijkheidsindicatie op een bepaald criminaliteitsthema in die wijk.
Bent u ervan op de hoogte dat mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, al geruime tijd ernstige zorgen uiten over de discriminatoire en mensenrechtelijke risico’s van predictive policing-systemen? Zo ja, waarom is er desondanks voor gekozen om dit systeem gedurende tien jaar in stand te houden?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Er is voor gekozen het CAS te gebruiken om gerichtere inzet tegen veelvoorkomende criminaliteit mogelijk te maken. Het CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan gegeven door de informatiepositie rondom de inzet van mensen en middelen te versterken. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 gaven de uitkomsten van het CAS een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
In die periode van 10 jaar is, mede naar aanleiding van die geuite zorgen, het algoritme meerdere malen aangepast. In mijn antwoord op vraag 4 omschrijf ik uitgebreider wat de overwegingen van de politie waren om te stoppen met CAS.
Deelt u de opvatting dat predictive-policing-systemen die racisme of discriminatie in de hand werken, uitgesloten moeten zijn binnen de Nederlandse politie?
Ja.
Kunt u garanderen dat dergelijke algoritmische systemen die leiden tot etnisch profileren of indirecte discriminatie niet worden ingezet?
Etnisch profileren is verboden. De inzet van systemen die (in)directe discriminatie veroorzaken is niet toegestaan. Toepassing van algoritmische systemen vereist aantoonbare rechtmatigheid en noodzakelijkheid, voorafgaande risicoanalyses, toetsing op vooringenomenheid en strikte waarborgen. Mocht in de praktijk blijken dat een bepaald algoritme toch tot vertekende, oneerlijke of zelfs discriminerende uitkomsten leidt, dan is de verwerking onrechtmatig.
Bent u bereid maatregelen te nemen om het gebruik van dergelijke systemen te beperken of te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De Europese AI-verordening (2024) biedt een specifiek en duidelijk wettelijk kader als het gaat om AI-systemen. Ik zie op dit moment geen noodzaak om aanvullend op dit wettelijk kader maatregelen te nemen. De AI-verordening kent een risicogebaseerde aanpak waarbij AI-systemen worden onderverdeeld in een aantal categorieën, onder andere de «hoog risico» categorie en de «onaanvaardbaar risico» categorie. Toepassingen die in de laatstgenoemde categorie vallen zijn op basis van de AI-verordening verboden.
De inzet van systemen voor risicobeoordelingen van natuurlijke personen met het oog op het plegen van strafbare feiten, uitsluitend op basis van profilering van de persoon of op basis van een beoordeling van persoonlijkheidseigenschappen en kenmerken, valt in de «onaanvaardbaar risico» categorie. De politie mag zo’n systeem dus niet gebruiken.
Systemen die bedoeld zijn om het plegen van een strafbaar feit of recidive te voorspellen, vallen in de hoog risico categorie. Aan systemen in deze categorie worden extra, zeer strenge eisen gesteld en de inzet van zo’n systeem moet omkleed worden met waarborgen. Hierbij valt te denken aan eisen met betrekking tot risicobeheer, kwaliteit en relevantie van datasets, technische documentatie en registratie, transparantie, menselijk toezicht, nauwkeurigheid en beveiliging.
De politie toetst de kwaliteit van haar algoritmes en AI-systemen via een intern kwaliteits- en risicoproces. Hiermee verkrijgt zij inzicht in eventuele risico’s en de maatregelen die hierop te treffen zijn. De politie voert dit proces uit op al haar algoritmes en AI-systemen die (hoog) risicovol zijn. Dit voert de politie ook getrapt uit voor oudere algoritmes en AI-systemen. De trajecten waarin dit al heeft plaatsgevonden en die openbaar kunnen worden, staan gepubliceerd in het Algoritmeregister.
Het bericht ‘Man mishandelt buschauffeur omdat hij geen taxiservice krijgt’ |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Man mishandelt buschauffeur omdat hij geen taxiservice krijgt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat agressie en geweld tegen OV-personeel en reizigers volstrekt onacceptabel is en dat zij veilig hun werk moeten kunnen doen dan wel veilig moeten kunnen reizen?
Uiteraard delen wij die mening. Het openbaar vervoer (OV) moet op elk moment van de dag een plek zijn waar iedereen, zowel reiziger als personeel, zich welkom en veilig voelt.
Ziet u aanknopingspunten om OV-personeel – dat ook werkzaam is ten behoeve van een publieke taak – net zo te beschermen als op p.11 in het Regeerakkoord met hulpverleners wordt beoogd? («Veiligheid begint dichtbij: in je eigen huis, straat of buurt. Veiligheid betekent zonder angst naar huis kunnen, weten dat hulp komt als je die nodig hebt en erop kunnen vertrouwen dat regels voor iedereen gelden. Maar we zien nu te vaak geweld op straat. Hulpverleners worden belaagd. Aangiften blijven te lang liggen. Wij willen een land waarin criminelen niet vrijuit gaan en waar gezag wordt gerespecteerd»).
Vanuit het Ministerie van IenW, als beleidsverantwoordelijk departement voor sociale veiligheid in het OV, worden er verschillende maatregelen genomen om de sociale veiligheid in het OV te verbeteren. Zo zijn de boetes voor zwartrijden in het OV per oktober 2025 verhoogd en wordt in gezamenlijkheid met JenV gewerkt aan de toegang tot het Rijbewijzenregister voor OV-boa’s, wat hun zelfstandige taakuitvoering versterkt. Conform het coalitieakkoord werkt het Ministerie van JenV samen met en IenW daarnaast aan aanvullende opties voor OV-boa’s om sneller de identiteit van overlastgevers vast te kunnen stellen en daarmee de escalatie van situaties te voorkomen. Binnen dat kader is uw Kamer in het tweede halfjaarbericht politie 2025 geïnformeerd over de verkenning naar toegang, onder voorwaarden, tot de strafrechtketendatabank en de basisvoorziening vreemdelingen.
Daarnaast neemt de OV-sector zelf maatregelen. Zo zijn er in de afgelopen jaren camera’s geplaatst op stations, meer stations afgesloten met poortjes, werkt de sector met veel incidentendata voor de datagestuurde inzet van personeel én kunnen NS-reizigers in het hele land onveilige situaties in treinen en stations via WhatsApp melden. Vanuit de behoefte om extra te investeren in sociale veiligheid, investeert IenW 34,4 miljoen euro in de veiligheid op en rond stations. Van dit bedrag wordt 12 miljoen euro als subsidie aan NS verstrekt voor de aanschaf van bodycams voor hoofdconducteurs en is 20 miljoen euro bestemd voor het programma «Een veilig station; altijd voor iedereen» waarbij via stationsdeals maatwerkafspraken worden gemaakt om de veiligheid te vergroten. Met de resterende 2,3 miljoen euro is NS gecompenseerd voor de extra beveiligingskosten gemaakt in 2024 op station Maarheeze.
In het kader van de essentiële samenwerking tussen partijen wordt onder leiding van IenW gewerkt aan het opstellen van een nieuw landelijk convenant sociale veiligheid in het OV 2026–2030, onder andere in samenwerking met mijn departement en vervoerders. Aanvullend op dit convenant wordt een werkagenda opgesteld. Op deze wijze kunnen wordt de komende jaren invulling gegeven aan het verbeteren van de veiligheid in het OV.
Vanuit het Ministerie van JenV wordt ingezet op beter opsporen en vervolgen van de daders. Zo vallen werknemers van OV-bedrijven onder de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) tussen politie en OM, waarmee zaken onder meer geprioriteerd worden en in beginsel een substantieel hogere straf wordt geëist.
Hoeveel meldingen van agressie en geweld tegen OV-personeel zijn in de afgelopen vijf jaar geregistreerd en kunt u deze cijfers uitsplitsen naar vervoersmodaliteit (bus, tram, metro, trein) en naar aard van het incident?
Er worden door het Openbaar Ministerie (OM) en de politie geen cijfers bijgehouden van specifiek meldingen van agressie en geweld tegen OV-personeel of uitsplitsingen naar vervoersmodaliteit. Ook aantallen van vervolging en veroordeling zijn dus niet beschikbaar. Wel publiceren de politie en het OM jaarlijks algemene cijfers over geweld tegen functionarissen met een publieke taak, waaronder OV-personeel.
In hoeveel van deze gevallen heeft geweld tegen OV-personeel geleid tot strafrechtelijke vervolging en veroordeling? Acht u de huidige strafrechtelijke afdoening afdoende afschrikwekkend? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Zie antwoord vraag 4.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om de veiligheid van OV-personeel en reizigers structureel te verbeteren?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u bijvoorbeeld mogelijkheden om strafbare feiten tegen de lichamelijke integriteit van OV-personeel en reizigers in vervoersmiddelen en op bus-, tram- en treinstations als gekwalificeerde delicten aan te merken, zodat zwaardere strafrechtelijke sancties, eventueel met een minimumstraf, kunnen worden opgelegd en het openbaar ministerie aan dat gekwalificeerde karakter gebonden is?
Wij erkennen het belang van hard optreden tegen dergelijke feiten. Recent heeft de Raad van State advies uitgebracht voor het wetsvoorstel taakstrafverbod bij geweld tegen personen met een publieke taak (waaronder OV-personeel). Het kabinet beziet nu hoe het met dit traject verder gaat.
De Minister van JenV zal uw Kamer op korte termijn informeren over de uitvoering van de motie van de leden Yeşilgöz-Zegerius (VVD) en Van der Plas (BBB) om wetgeving voor te bereiden waarin minimumstraffen worden ingevoerd voor opzettelijk geweld tegen hulpverleners, met inachtneming van het opzetvereiste.2
Bent u daarnaast bereid te onderzoeken of, naast de vigerende CBb-jurisprudentie waarin vervoersverboden als civielrechtelijk worden aangemerkt, een publiekrechtelijk levenslang en tijdelijk maar langdurig landelijk toepasbaar OV-verbod toegevoegde waarde kan hebben voor personen die zich schuldig maken aan geweld of aantasting van de lichamelijke integriteit van OV-personeel en medereizigers, zowel in als buiten vervoersmiddelen? Onder welke omstandigheden wel of niet?
Wij vinden het heel belangrijk dat OV-personeel veilig zijn werk kan doen. Geweld of aantasting van de lichamelijke integriteit moet passend bestraft worden. In de Wet Personenvervoer is geen maximale duur van reis- of verblijfsverbod opgenomen. Op basis van deze wet kunnen vervoerders zelf een reis- of verblijfsverbod opleggen. Het OM heeft in samenspraak met vervoerders en politie een leidraad ontwikkeld voor het opleggen van reis- en verblijfsverboden. Deze is begin 2026 geüpdatet en met alle vervoerders gedeeld.
Bij de oplegging van een dergelijk verbod wordt het proportionaliteitsbeginsel meegewogen. De duur van een dergelijk verbod staat in verhouding tot het strafbare feit waar iemand van wordt verdacht. Op de overtreding van het verbod staat een gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie (€ 5.500).
Voorgenoemd verbod staat geheel los van de strafzaak en betreft dan ook geen bestraffing maar een instrument met als doel het bevorderen van de sociale veiligheid in het openbaar vervoer. Een levenslang of zeer langdurig via het strafrecht opgelegd OV-verbod zal zich slecht verhouden tot o.a. artikel 2 van het Vierde Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin het recht op bewegingsvrijheid is beschermd. Ook een strafrechtelijk opgelegd reisverbod zou daarom beperkt moet worden in tijd en plaats.
In welke mate kan de ernst van het gevolg van de aantasting van de persoonlijke integriteit van OV-personeel en reizigers door molest of anderszins daarbij medebepalend zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Ziet u meerwaarde in een strafrechtelijke grondslag waardoor een rechter in voorkomende gevallen een levenslang of tijdelijk, maar langjarig OV-verbod als bijkomende straf zou kunnen opleggen? Bijvoorbeeld omdat de duur van een OV-verbod eventueel langer kan zijn?
Geweld tegen personen met een publieke taak, waaronder OV-personeel, leidt volgens de strafvorderingsrichtlijnen tot een aanmerkelijk zwaardere strafeis door het OM. De Minister van JenV ziet geen mogelijkheden om, naast de bestaande strafrechtelijke handhavingsmogelijkheden en de bevoegdheid van de vervoerder om een OV-verbod op te leggen een extra strafrechtelijke sanctiemogelijkheid in het leven te roepen die erop neerkomt dat de rechter een levenslang OV-verbod kan opleggen. Zie daarvoor ook de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals benoemd onder de beantwoording van vraag 8.
Ziet u mogelijkheden om de overtredingen van een OV-verbod, opgelegd door een boa, een politieagent of een rechter, strafrechtelijk zwaarder te sanctioneren?
Het opleggen van een OV-verbod is geen strafrechtelijke handeling en kan dus ter aanvulling op de in de vraag gestelde partijen ook door de vervoerder worden opgelegd. Op overtreding van een OV-verbod staat een gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie (€ 5.500). Het is ons niet gebleken dat deze straf te licht zou zijn in vergelijking met de strafmaat voor overige delicten.
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op naleving van bestaande civiel- en/of publiekrechtelijke vervoersverboden door vervoerders, boa's en politie? Acht u dit systeem voldoende effectief en handhaafbaar? Zo nee, welke verbetermogelijkheden ziet u?
Toezichthouders van OV-bedrijven houden primair de controles op het bij je hebben van een geldig vervoersbewijs en constateren daarmee als eerste het overtreden van een reis- of verblijfsverbod. Overtreding van een reis- of verblijfsverbod is strafbaar gesteld in artikel 101 WP2000. Boa’s van OV-bedrijven kunnen dit strafbare feit in beginsel zelfstandig handhaven en afhandelen. Bij een grote gevaarzetting wordt de politie om assistentie gevraagd. Deze taakverdeling is in de basis op orde, maar er wordt doorlopend bezien hoe de invulling van deze handhaving kan worden verbeterd, bijvoorbeeld door het verbeteren van de informatiepositie van de (OV-)boa, zodat deze zelfstandiger overtreders kan identificeren.
De noodkreet van de BES-eilanden over veiligheid |
|
Heera Dijk (D66) |
|
David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep vanuit de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) tot structurele versterking van de justitieketen in Caribisch Nederland?1
Ja.
Herkent u de situatie zoals deze door de gezaghebbers van Saba, Bonaire en Sint-Eustatius wordt geschetst en wat is uw reactie op de drie concrete oproepen zoals deze zijn opgenomen in het bericht richting de beide Kamers en richting het kabinet?
Wij herkennen de situatie zoals geschetst door de gezaghebbers van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vanuit onze eigen verantwoordelijkheden onderhouden wij in verschillende overlegstructuren nauw contact met onze diensten en de bestuurders in Caribisch Nederland (CN).
In de brief wordt aandacht gevraagd voor de personele en materiële tekorten bij de uitvoerende diensten in CN, onder andere bij het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN). In dit kader kan gemeld worden dat de Nationale Politie nauw met KPCN en de andere politiekorpsen in het Caribisch deel van het Koninkrijk samenwerkt. Zo wordt sinds februari 2025 KPCN tijdelijk ondersteund door de Nationale Politie en de KMar om de bezetting van primair de noodhulp op Bonaire te vergroten. Op zijn beurt ondersteunt KPCN de KMar op Saba en Sint Eustatius bij de controles op de aankomsten en afvaarten van de ferries. Onlangs zijn de afspraken hierover verlengd tot begin 2027. Voor een verdere toelichting op de personele bezetting, waaronder die van de overige genoemde diensten, verwijzen wij graag naar vraag 3.
In hun brief vragen de gezaghebbers ook aandacht voor een betere onderlinge samenwerking tussen KMar, KPCN, Douane en Kustwacht. De genoemde diensten werken regelmatig met elkaar samen, op zowel strategisch niveau als operationeel. Dat manifesteert zich bijvoorbeeld in de Multidisciplinaire Maritieme Hub Bonaire (MMHB), waarin ook het Openbaar lichaam Bonaire participeert. De MMHB geeft invulling aan integraal maritiem toezicht rondom Bonaire. In algemene zin zullen wij de algehele samenwerking van onze diensten, onder meer met het oog op een zo goed mogelijke informatiepositie, blijven bevorderen, met inachtneming van hun mogelijkheden en respectievelijke bevoegd- en verantwoordelijkheden. Zowel waar het de onderlinge samenwerking betreft, als die met andere (al dan niet lokale) diensten. Daarnaast wordt de samenwerking verder verdiept door gezamenlijke leertrajecten en kennisdeling, bijvoorbeeld door de start van een gezamenlijke opleiding van aspiranten voor de Kustwacht Caribisch Gebied en KPCN in augustus 2026.
Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot de personele bezetting van politie-, justitie- en veiligheidspersoneel op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte), bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling?
De personele bezetting van KPCN, KMar, Douane Caribisch Nederland (Douane CN) en de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland (JICN), wordt onderstaand uiteengezet uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte). De verhouding tussen bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling wordt daarbij steeds aangegeven. Voor alle onderstaande gegevens is peildatum 31 december 2025 aangehouden.
Voor alle bovengenoemde diensten geldt dat 100% bezetting het streven blijft. Om KPCN in staat te stellen om zijn taken in de afdelingen basispolitiezorg en opsporing conform de beleidsdoelstellingen uit te kunnen voeren, wordt het korps tijdelijk ondersteund met 10 fte van de Nationale Politie en 2 fte van de KMar. Deze ondersteuning loopt minimaal tot Q2 2027. Met de BES-claim wordt de formatie van de KMar in Caribisch Nederland uitgebreid. Dit proces is reeds in gang gezet, afgelopen maand is een nieuwe initiële opleiding voor personeel van de Rijksdienst Caribisch Nederland-collega’s (RCN) gestart. In de komende jaren zal de KMar verder invulling geven aan de personele uitbreiding.
Bij de JICN zat de vacatureruimte in december jl. met name in de beveiliging. De in- en uitstroom van personeel is echter een continu proces. Daarom wordt er actief geworven om openstaande vacatures zo snel als mogelijk op te vullen.
De vacatureruimte bij de Douane CN is op dit moment bijna weer ingevuld. Daarnaast wordt verzocht om uitbreiding van de formatie. De beleidsdoelstellingen uit de Rijksbegroting voor Douane CN richten zich op professionalisering, het versterken van de uitvoeringskwaliteit en het moderniseren van systemen en organisatie. Douane CN sluit hierop aan door actief te investeren in personeelsontwikkeling, risicogericht toezicht en procesverbetering, evenals in de werving van nieuw personeel om de capaciteit te versterken. Daarnaast wordt de samenwerking binnen de keten geoptimaliseerd om toezicht en handhaving efficiënter en meer in lijn met de Nederlandse uitvoeringsstandaarden te organiseren. Deze inzet draagt gezamenlijk bij aan het realiseren van de rijksbrede opgave om de uitvoeringskwaliteit structureel te verbeteren.
Welke concrete stappen heeft het u al gezet of gepland om het structurele personeelstekort bij het Korps Politie Caribisch Nederland en de Douane op de BES-eilanden aan te pakken?
Voor KPCN geldt dat er sinds 2023 intensief gewerkt wordt aan het opleiden van nieuwe politiemensen voor het korps. Daarbij zijn de volgende maatregelen genomen, dan wel zullen de volgende maatregelen genomen worden:
Naast de opleiding van nieuwe collega’s wordt er permanent geworven voor reeds ervaren collega’s uit andere delen van het Koninkrijk. In 2025 stroomden op deze wijze 12 fte in.
De tijdelijke ondersteuning vanuit de Nationale Politie en de KMar, die in de eerste plaats de basispolitiezorg op Bonaire borgt, wordt ook benut om de recent ingestroomde collega’s en aspiranten te begeleiden waarmee hun leerproces in de praktijk wordt gecontinueerd.
Douane CN is in 2025 gestart met een intensief werving- en selectie traject dat voorspoedig verloopt. Medio maart 2026 is de eerste instroom van 12 nieuwe medewerkers voor structurele inzet. De vacatureruimte (zie vraag 3) komt daarmee in april 2026 op 2 fte. Daarnaast komt er per 1 mei 2026 8 fte tijdelijke extra bijstand vanuit Douane Nederland bij. Deze bijstand richt zich op Fysiek Toezicht en Risicomanagement. Momenteel wordt gekeken of en welke aanvullende menskracht nodig is.
Welke informatie heeft u over de omvang en aard van de wapenproblematiek op de BES-eilanden, en welke maatregelen worden overwogen?
De afgelopen tijd zijn meermaals signalen ontvangen dat de problematiek omtrent vuurwapenbezit en -gebruik is toegenomen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De Raad voor de Rechtshandhaving wijst in haar rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» naar de meest recent verschenen criminaliteitsbeeldanalyse Caribisch Nederland 2020–2024. Sinds 2024 is er een stijging te zien van vuurwapengeweld op Bonaire. Volgens de Criminaliteitsbeeldanalyse zijn er op Bonaire twee groepen bezitters van vuurwapens te onderscheiden. De eerste groep bestaat uit jonge mannen die een vuurwapen zien als statussymbool, de tweede groep bestaat uit mensen die zich in het criminele milieu begeven.2
Tegen deze achtergrond acht de Douane het essentieel dat de beschermingstaak expliciet wordt betrokken bij de aanpak van de vuurwapenproblematiek. De Douane zet daarom in op het verder versterken van risicogerichte controles op goederenstromen, het intensiveren van informatiegestuurd toezicht en het versterken van de samenwerking met ketenpartners zoals politie, Koninklijke Marechaussee, Kustwacht en het Openbaar Ministerie. Op deze manier wordt beoogd de illegale invoer van vuurwapens en onderdelen daarvan zo effectief mogelijk te voorkomen en te bestrijden.
Recent zijn de politiekorpsen van Aruba, Curaçao, Caribisch Nederland en Sint Maarten samen met de Openbare Ministeries een gezamenlijke actie gestart om illegale vuurwapens vrijwillig te laten inleveren. Personen die in het bezit zijn van een illegaal vuurwapen krijgen de mogelijkheid dit vrijwillig in te leveren zonder strafrechtelijke gevolgen voor overtreding van de wapenwetgeving. Na afloop van de actieperiode zullen gerichte controles en opsporingsacties volgen om illegaal wapenbezit verder aan te pakken.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) financiert ook het RIEC Caribisch Nederland (CN) dat het tegengaan van vuurwapens meeneemt in de bredere ondermijningsaanpak. Samen met de relevante partners wordt binnen het RIEC-verband gewerkt om controles uit te voeren in de havens op Bonaire om een bijdrage te leveren aan het bestrijden van vuurwapensmokkel.
Overwegende dat de gezaghebbers stellen dat de Douane haar inzet momenteel primair op inning van accijnzen en belastingen richt en minder op veiligheidsvraagstukken, kunt u toelichten hoe de taakverdeling en prioriteiten van de Douane worden afgestemd op veiligheidsrisico’s en welke maatregelen nodig zijn om eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding te dichten?
Douane CN zet in op het versterken van de beschermingstaak, onder meer door de inzet van een adviseur Ondermijning en door intensievere samenwerking en informatie-uitwisseling met ketenpartners. Hiermee wordt beoogd eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding verder te verkleinen.
Daarbij werkt Douane CN volgens het Handhavingsplan Douane Nederland, waarbij de veiligheidsrisico’s worden meegewogen en een risico-gestuurde aanpak leidend is.
De afgelopen jaren is geïnvesteerd in Douane CN en is de formatie uitgebreid. Tegelijkertijd is de externe opgave toegenomen door onder meer bevolkingsgroei, toenemende logistieke stromen en ontwikkelingen in de veiligheidscontext. Dit vraagt om scherpe prioritering in de inzet van capaciteit. Het kabinet neemt het signaal van de gezaghebbers dat de bezetting van de dienst tegen een ondergrens kan aanlopen serieus. Recent zijn twaalf nieuwe medewerkers ingestroomd. Zij doorlopen momenteel een opleiding en zullen na afronding daarvan volledig inzetbaar zijn.
Overwegende dat de gezaghebbers aangeven dat het gewenste en acceptabele niveau van rechtsbescherming in Caribisch Nederland onder druk staat, Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om de rechtsbescherming en toegang tot rechtspraak voor inwoners van de BES-eilanden te garanderen op een niveau dat gelijkwaardig is aan Europees Nederland?
Toegang tot het recht, waarvan toegang tot rechtspraak onderdeel is, is een basisvoorwaarde voor een goed functionerende rechtsstaat. Dat uitgangspunt geldt onverminderd voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Een significante en concrete stap in het verbeteren van de toegang tot het recht voor burgers in Caribisch Nederland is de introductie van het Lokèt Hurídiko /Legal Desk. Hiertoe is in oktober 2025 door JenV en BZK de Stichting voor rechtshulp en gelijke behandeling BES opgericht. Deze stichting zal, vergelijkbaar met het Juridisch Loket in het Europese deel van Nederland, burgers op Bonaire (Lokèt Hurídiko) en Sint Eustatius en Saba (Legal Desk) voorzien van gratis en laagdrempelig toegankelijke eerstelijns rechtshulp. Daarnaast is de dienstverlening van de stichting ook specifiek gericht op hulp en ondersteuning bij discriminatie en kwesties die te maken hebben met gelijke behandeling. De stichting werkt momenteel aan de inrichting van de voorzieningen op de drie eilanden. Verwacht wordt dat de dienstverlening in de loop van 2026 op gang zal komen.
Vanaf 1 januari 2026 is de Wet bescherming tegen discriminatie op de BES in werking getreden. Hierdoor is de gelijkebehandelingswetgeving zoals we die kennen in het Europese deel van Nederland ook van toepassing op inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Als onderdeel van deze wet krijgt het College voor Rechten van de Mens ook een oordelende taak in Caribisch Nederland. Dit houdt concreet in dat inwoners van de BES-eilanden het College voor Rechten van de Mens kunnen verzoeken om te beoordelen of er in juridische zin in een specifieke situatie sprake is geweest van discriminatie. Lokèt Hurídiko/Legal Desk kan burgers bijstaan bij een dergelijke procedure.
Naast bovenstaande is er ook aandacht voor de gesubsidieerde rechtsbijstand. De afgelopen tijd zijn in samenwerking met de Raad voor Rechtsbijstand de eerste maatregelen genomen om voor mensen met minder draagkracht de toegang tot (tweedelijns) rechtsbijstand te verbeteren. Zo is de inkomensnorm die geldt voor de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES (Wkrb) beleidsmatig aangepast. Momenteel wordt gekeken naar de verbetering van de vergoedingen voor advocaten die burgers op basis van de Wkrb. bijstaan. Voor de langere termijn zal aandacht zijn voor verdere versterkingen van het systeem en onderhoud aan de bestaande wetgeving, waarbij bijvoorbeeld ook aandacht zal zijn voor mediation. In dit kader is recent subsidie verstrekt om de bestaande pilot mediation in strafzaken op beperkte schaal uit te breiden naar civiele zaken.
Welke opvolging is er tot op heden gegeven aan het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» van de Raad voor de Rechtshandhaving?
Vanuit het Ministerie van JenV is er de afgelopen tijd gewerkt aan de beleidsagenda voor Caribisch Nederland 2026–2030 (beleidsagenda). In deze beleidsagenda worden nadrukkelijk de aanbevelingen van de Raad voor de Rechtshandhaving zoals benoemd in het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» (Staat 2024) meegenomen. De beleidsagenda is op 31 maart jongstleden met uw Kamer gedeeld.
Structureel falen bij de behandeling van meldingen van sextortion en zedenzaken |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten in onder meer Tubantia, Omroep Gelderland, Dagblad van het Noorden en De Telegraaf over de zaak rond Mark S., waarin meerdere slachtoffers aangeven herhaaldelijk aangifte te hebben gedaan maar niet serieus te zijn genomen?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving. Dergelijke zaken onderschrijven het belang van het versterken van de aanpak tegen online seksueel geweld.
Deelt u de opvatting dat wanneer meerdere meldingen over een langere periode binnenkomen over dezelfde persoon wegens seksuele afpersing of zedendelicten, dit automatisch moet leiden tot verscherpte beoordeling, verdiepend onderzoek, centrale coördinatie en escalatie? Zo ja, hoe is dit geborgd? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat de politie onderzoekt wat haar rol in deze zaak precies is geweest, of er gedaan is wat de slachtoffers van de politie hadden mogen verwachten en of de politie anders had moeten handelen.
Ik deel de opvatting dat het van groot belang is dat de politie verbindingen kan leggen tussen verschillende meldingen over (online) seksuele misdrijven die over een langere periode binnenkomen en wijzen naar eenzelfde persoon. De teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen aangeduid als zedenteams) van de politie zijn belast met de opsporing van seksuele misdrijven, zowel in de offline wereld als online. Zij werken regio-overstijgend samen en hebben periodiek landelijk overleg met elkaar waardoor de lijnen tussen de teams uit de verschillende politie-eenheden kort zijn. Verder dienen alle meldingen van (online) seksuele misdrijven voor advies voorgelegd te worden aan de frontoffices van de teams seksuele misdrijven. De frontoffice beoordeelt de melding vervolgens, waarbij gekeken wordt naar spoedhandelingen, slachtofferbehoeften en passende interventies.
Om de mogelijkheid van eventuele seriematigheid bij een melding van een (online) seksueel misdrijf te onderzoeken, kan de politie op dit moment alleen handmatig in de politiesystemen zoeken naar bijvoorbeeld personen, telefoonnummers of IP-adressen. De politie zet daarom in op het vereenvoudigen van werkinstructies en het blijvend onder de aandacht brengen van de werkafspraken voor meldingen van (online) seksuele misdrijven zodat er beter geregistreerd en doorverwezen wordt naar voornoemde frontoffices. Bovendien wordt er gewerkt aan de inzet van nieuwe technologie bij de beoordeling van meldingen. Tegelijkertijd benadrukt de politie echter dat er meer nodig is om seksuele misdrijven, zeker als deze (deels) online plaatsvinden, effectief op te sporen en daders te pakken. De benodigde verbeteringen zien toe op meer dan een andere behandeling en analyse van meldingen.
De toename in meldingen van sextortion is zeer zorgelijk. Het onderstreept de urgentie om de aanpak van online seksueel geweld te versterken. Door de digitalisering van de samenleving hebben veiligheidsvraagstukken steeds vaker een hybride of volledig online karakter. Deze trend is ook zichtbaar ten aanzien van seksuele misdrijven. In de Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking is getreden, is het uitgangspunt verankerd dat online en offline seksueel misbruik even strafwaardig is.2 Ook zijn er meer vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, ook online, strafbaar gesteld. De politie wijst erop dat online seksuele misdrijven een andere manier van opsporen vragen dan fysieke seksuele misdrijven, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal geen verdachte bekend is en er vaak meerdere slachtoffers gemaakt worden. Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten. Daarnaast kan, zoals hierboven vermeld, de inzet van nieuwe technologische middelen helpen bij het in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen.
De opsporing van online seksuele misdrijven heeft de volle aandacht van de politie. Zo is er recent een verkenning uitgevoerd naar wat er nodig is om de opsporing op dit punt te versterken. De politie ziet kansen in het meer multidisciplinair gaan werken, dat wil zeggen meer datagedreven en intel-gestuurd en met behulp van analysetools. Tegelijkertijd blijft de professionele beoordeling van meldingen van seksuele misdrijven door gespecialiseerde politiemedewerkers van groot belang, bijvoorbeeld bij het signaleren van «rode vlaggen» en de opvang en verwijzing van slachtoffers naar hulpverlening. Deze inzichten zullen worden betrokken bij de gesprekken die ik met de politie voer over de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden.
Bestaat er binnen de politie een landelijk werkend systeem dat herhaalde meldingen tegen dezelfde persoon (bij verschillende eenheden) ook als eerdere aangiften niet tot vervolging hebben geleid automatisch signaleert en samenbrengt? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat signalen desondanks gefragmenteerd blijven en dus ongezien met alle gevolgen voor slachtoffers? Zo nee, acht u dat verantwoord bij ernstige zedendelicten? En (hoe) bent u bereid om dat in overleg me de politieleiding te veranderen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er binnen de politie specifieke en eenduidige richtlijnen voor de behandeling van herhaalde aangiften van minderjarige slachtoffers van seksuele afpersing, mede gelet op hun kwetsbare positie? Zo nee, waarom ontbreken deze en welke maatregelen worden genomen om deze alsnog vast te stellen? Zo ja, worden deze richtlijnen in de praktijk nageleefd?
Seksuele afdreiging (sextortion) is geen aparte strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht. Het is een vorm van misbruik van seksueel beeldmateriaal waarbij vaak sprake is van diverse strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en kinderpornografie, maar ook commune delicten zoals afpersing, afdreiging, bedreiging etc.
In haar interne werkinstructie gebiedsgebonden politie bij seksuele delicten besteedt de politie onder andere aandacht aan de bejegening van minderjarige slachtoffers bij meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal.3 In het algemeen geldt voor meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal dat in bepaalde situaties de inzet van een gespecialiseerde zedenrechercheur noodzakelijk of wenselijk kan zijn, terwijl in andere situaties een wijkagent bijvoorbeeld sneller en effectiever kan handelen. Daar waar het een minderjarig slachtoffer betreft en er bijvoorbeeld sprake is van dwang of een meer dan gering leeftijdsverschil tussen dader en slachtoffer, ligt de opsporing altijd bij de teams opsporing seksuele misdrijven.
Met betrekking tot het aspect van het herkennen van eventuele seriematigheid ten aanzien van meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal verwijs ik naar het antwoord op vragen 2 en 3.
Kunt u uiteenzetten welke criteria worden gehanteerd bij de keuze om in zedenzaken te volstaan met een zogenoemd «stopgesprek»? Wordt daarbij standaard een risicotaxatie uitgevoerd? Wordt standaard onderzocht of er mogelijk meerdere slachtoffers zijn? Vindt structurele monitoring plaats? Indien dit niet het geval is, waarom wordt dit instrument dan toegepast bij (ernstige) verdenkingen?
Bij (online) seksuele misdrijven bestaat de mogelijkheid van een mededelingsgesprek, waarbij de politie de beschuldigde mededeelt dat er melding over hem/haar is gedaan. Hiertoe wordt alleen overgegaan indien een slachtoffer de politie expliciet verzoekt om de pleger te informeren en dit gebeurt alleen na overleg met de hulpofficier van justitie. De politie heeft de effectiviteit van het mededelingsgesprek recent intern laten onderzoeken. Uitkomst daarvan was dat het merendeel van de slachtoffers die kiezen voor een mededelingsgesprek hier tevreden over zijn.
Verder beoordeelt de politie of ambtshalve opsporen een optie is bij elke melding die na triage door de frontoffice van een team opsporing seksuele misdrijven in behandeling is genomen en niet leidt tot een aangifte. Het in beeld krijgen van eventuele seriematigheid is hierbij een van de redenen om (ambtshalve) juist wel opsporing in te stellen. Gezien het voorgaande zie ik geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de effectiviteit van het mededelingsgesprek.
Volledigheidshalve merk ik nog op dat de politie de behoeften van een slachtoffer in kaart brengt, ook wanneer er geen aangifte wordt gedaan en er ambtshalve geen onderzoek volgt. Zodoende kunnen slachtoffers toch geholpen worden met een alternatief gericht op hulp, veiligheid en herstel.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de effectiviteit van stopgesprekken in zedenzaken, met name bij seksuele afpersing en digitale uitbuiting? Zo nee, waarom niet en waarom wordt een dergelijk ingrijpend instrument zonder onderbouwde effectiviteitsanalyse dan ingezet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe wordt binnen de politie geborgd dat slachtoffers van sextortion niet secundair worden gecriminaliseerd wanneer zij onder dwang seksueel beeldmateriaal hebben vervaardigd? Bestaan hier expliciete instructies voor? Zo nee, vindt u dat die er moeten komen?
Het kan voorkomen dat slachtoffers van (online) seksuele misdrijven zelf (onder dwang) ook strafbare feiten plegen. Dit betreft complexe situaties waarin slachtofferschap en daderschap door elkaar lopen. Het vraagt enerzijds om een trauma-sensitieve bejegening van de betrokkene (die zowel slachtoffer als verdachte is) en anderzijds om de nodige zorgvuldigheid met het oog op het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Voor deze afweging bestaat geen blauwdruk. De politie bepaalt per geval hoe zij omgaat met de situatie en doet dit altijd in nauw overleg met en onder het gezag van de betrokken officier van justitie. Dit past bij de professionele ruimte van de politie om operationele afwegingen te maken en het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om, indien nodig, nadere afspraken te maken.
Klopt het dat slachtoffers van zedendelicten bij het doen van aangifte nog altijd worden ontmoedigd, weggestuurd met de opmerking «negeer het» of geconfronteerd met hoge bewijsdrempels voordat tot onderzoek wordt overgegaan? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De politie heeft de afgelopen jaren gewerkt aan het verbeteren van de wijze waarop zedenrechercheurs, en andere agenten die betrokken zijn bij een melding, slachtoffers van een seksueel misdrijf bejegenen. Doel van de verbeteringen is het meer aansluiten bij de (informatie)behoefte van de individuele melder en het voorkomen dat slachtoffers zich door de politie gestuurd voelen om geen aangifte te doen.
Een belangrijke ontwikkeling betreft de komst van de frontoffices van de teams opsporing seksuele misdrijven. Zoals vermeld in het antwoord op vragen 2 en 3 dienen alle meldingen van seksuele misdrijven voor advies te worden voorgelegd aan deze frontoffices. De politiemedewerkers die binnen de frontoffices werken, zijn opgeleid om in gesprek te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik en op een sensitieve manier in kaart te brengen wat hen is overkomen. Ze vormen een beeld van de strafbaarheid van de feiten en van de verwachtingen, vragen en behoeften van het slachtoffer. Bij behoefte kunnen zij het slachtoffer verwijzen naar bijvoorbeeld herstelvoorzieningen, Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Centrum Seksueel Geweld en Offlimits. Een andere verbetering betreft het niet meer standaard aanbieden van het informatieve gesprek en de bedenktijd bij het doen van aangifte. In plaats daarvan wordt informatie aangeboden op een manier die past bij de behoeften van het slachtoffer, bijvoorbeeld telefonisch tijdens het eerste contact met de politie, door melders te wijzen op de vindplaats van informatie (website, brochure, videoanimatie) of in een persoonlijk informatief gesprek met een zedenrechercheur. Bovendien is de bedenktijd bij het doen van aangifte een recht van het slachtoffer en geen plicht. Er kan direct aangifte gedaan worden als een slachtoffer dat wil. Door de informatie op maat aan te bieden, wordt voorkomen dat een slachtoffer meer belast wordt dan nodig en/of zich ontmoedigd voelt om aangifte te doen.
Hoewel het in de praktijk nog niet in alle gevallen lukt om voldoende rekening te houden met de wensen en behoeften van slachtoffers, concludeerde de Inspectie van Justitie en Veiligheid in 2024 dat de politie haar werkwijze aantoonbaar heeft verbeterd en meer oog heeft voor het slachtofferbelang.
De bejegening van slachtoffers van (online) seksuele misdrijven heeft verder een duidelijke plek gekregen binnen de vakontwikkeling. Zo is naar aanleiding van een onderzoek van de Inspectie van Justitie en Veiligheid uit 20204 de vakspecialistische opleiding Handelen in Zedenzaken aangepast. Ook is er in het kader van de implementatie van de Wet seksuele misdrijven nadrukkelijk aandacht geweest voor de bejegening van slachtoffers doordat er aan ruim 25.000 medewerkers (zowel bij de zedenteams als onder andere aan de medewerkers in de basisteams, regionale service centra, meldkamers en opsporingsdiensten) een specifieke leermodule Bejegening beschikbaar is gesteld. Daarnaast is de werkinstructie gebiedsgebonden politie aangepast met het oog op de bejegening van slachtoffers van een seksueel misdrijf en het voorkomen van victim blaming en secundaire victimisatie, aangezien het vaak agenten in de basisteams zijn die als eerste in aanraking komen met een melding.
Ten slotte wijs ik naast voornoemde ontwikkelingen binnen de politieorganisatie nog op de ontwikkeling van een gezamenlijke aanpak van multidisciplinaire triage en regie. De politie heeft samen met het Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling en het Openbaar Ministerie het initiatief genomen om ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld te verbeteren. Het doel van deze gezamenlijke aanpak is om ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van seksueel geweld en mensen uit hun (in)directe omgeving weten waar zij terecht kunnen en zo min mogelijk belast worden met het (onnodig) opnieuw doen van hun verhaal, hetzelfde aanbod krijgen, goed worden doorverwezen en dus op de juiste plek terecht komen, een vast aanspreekpunt hebben en de informatie en best passende inzet ontvangen op het gebied van veiligheid, (straf)recht, (medische) hulp en herstel, ongeacht de plek waar zij het eerste contact hebben. Om dit te bewerkstelligen bestaat de gezamenlijke aanpak uit een nieuwe werkwijze met drie kernelementen: een goed afgestemd en georganiseerd eerste contact, een dagelijks multidisciplinair triage-overleg en een passende vorm van regie voor elke casus door de inzet van een regiehouder. De samenwerking is in de afgelopen maanden in de praktijk getest in de regio’s Den Haag en Oost-Brabant. Medio 2026 zullen de resultaten van de resultaat- en effectmeting evenals de uitvoeringstoets bekend worden.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van sextortion en digitale seksuele uitbuiting de afgelopen drie jaar zijn gedaan, hoeveel daarvan minderjarigen betroffen en in hoeveel gevallen sprake was van meerdere meldingen tegen dezelfde verdachte? Hoeveel van deze meldingen zijn uiteindelijk opgepakt?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4, is seksuele afdreiging (sextortion) geen aparte strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht. Het is een vorm van misbruik van seksueel beeldmateriaal waarbij vaak sprake is van diverse strafbare feiten. Hierdoor wordt seksuele afdreiging (sextortion) als zodanig niet door de politie geregistreerd. Meer in het algemeen kan worden opgemerkt dat het aantal geregistreerde online seksuele misdrijven door de politie in 2025 met 46% steeg (ten opzichte van 2024) naar bijna 3.100 registraties5, waarvan in 1383 gevallen aangifte werd gedaan. Ter vergelijking; in 2023 werden er 1747 incidenten geregistreerd, waarvan in 722 gevallen aangifte werd gedaan. Bij ongeveer de helft van de registraties gaat het om een minderjarig slachtoffer. De politie kan, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 2 en 3, op basis van de geregistreerde meldingen niet aangeven in hoeveel gevallen er sprake is van meerdere meldingen die wijzen naar eenzelfde persoon (seriematigheid).
Ook Offlimits ziet het aantal hulpvragen over online seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik de laatste jaren stijgen (van 5.543 in 2023 naar 9.281 in 2025). Een groot deel daarvan gaat over seksuele afdreiging (sextortion) (2.723 in 2025), waarbij ongeveer een derde van de hulpvragen afkomstig is van een minderjarige. Wel neemt het aandeel hulpvragen over seksuele afdreiging (sextortion) op het totaal af (van 43% in 2023 naar 29% in 2025). Een mogelijke verklaring hiervoor is een verschuiving in de manier waarop seksuele afdreiging vorm krijgt. Offlimits ziet steeds vaker gevallen waarbij het misbruik van seksueel beeldmateriaal niet draait om geld of het verkrijgen van extra seksueel beeldmateriaal, maar om het afdwingen of behouden van contact. Seksuele afdreiging (sextortion) wordt dan ingezet als middel om macht en controle uit te oefenen, waarbij de vormen en motieven steeds diverser worden. Hierbij kan gedacht worden aan afdreiging met ander materiaal, zoals pestvideo’s en vernedergroepen, maar ook de dynamieken uit de COM-groepen.
Acht u de huidige capaciteit en digitale expertise van de zedenrecherche toereikend in verhouding tot de toename van online seksuele uitbuiting? Zo nee, welke acties worden het komende jaar ondernomen om dit te verbeteren?
De opsporing en vervolging van online seksuele misdrijven is onderdeel van een bredere aanpak, waarbij ingezet wordt op preventie, slachtofferondersteuning en informatievoorziening, en een bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak. Dit kabinet blijft, samen met maatschappelijke partners en bedrijven, inzetten op een integrale aanpak waarin aandacht is voor zowel een online veilige wereld als het bijstaan van slachtoffers.
Met betrekking tot de politie is de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven de afgelopen jaren flink uitgebreid om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte stijging van het aantal meldingen en aangiften als gevolg van de invoering van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 te kunnen opvangen.6 Ook dit kabinet zet in op het opleiden van meer zedenrechercheurs. Tegelijkertijd zien we dat door de pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkers stromen uit) en de krappe arbeidsmarkt, het een uitdaging blijft om de bezetting van de teams opsporing seksuele misdrijven op peil te houden. De politie werkt voortdurend aan de werving en selectie van zedenrechercheurs en zoekt hierbij ook naar alternatieve mogelijkheden, zoals de instroom van specialistische zij-instromers met kennis van (online) seksuele misdrijven. Het is echter onvermijdelijk dat er gezien de druk op de teams opsporing seksuele misdrijven keuzes gemaakt moeten worden ten aanzien van de inzet van de beschikbare opsporingscapaciteit.
Met betrekking tot de digitale expertise van de zedenrecherche verwijs ik naar het antwoord op vragen 2 en 3.
Deelt u de opvatting dat «slachtoffers centraal» alleen betekenis heeft als herhaalde meldingen automatisch leiden tot verdiepend onderzoek, ook wanneer bewijscomplexiteit groot is? Hoe kan dit uitgangspunt concreet geborgd worden in beleid en uitvoering?
Een goede, efficiënte en effectieve aanpak van (online) seksuele misdrijven is van groot belang omdat elk slachtoffer van seksueel geweld alle bescherming, begeleiding en ondersteuning verdient die hij of zij nodig heeft. Zoals toegelicht in het antwoord op vragen 2 en 3 deel ik de opvatting dat het van groot belang is dat de politie verbindingen kan leggen tussen verschillende meldingen over (online) seksuele misdrijven die over een langere periode binnenkomen en wijzen naar eenzelfde persoon. De benodigde verbeteringen binnen de politieorganisatie zien daarbij toe op meer dan een andere behandeling en analyse van meldingen, zeker daar waar het gaat om seksuele misdrijven die (deels) online plaatsvinden. Online seksuele misdrijven vragen een andere manier van opsporen van de politie dan fysieke seksuele misdrijven. De inzichten hieromtrent zullen worden betrokken bij de gesprekken die ik met de politie voer over de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden.
Welke concrete maatregelen gaat u ondernemen ten aanzien van langdurige sextortionzaken, gericht op: verplichte patroonherkenning, escalatie bij herhaalde meldingen, versterkte bescherming van minderjarigen, en het voorkomen van secundaire victimisatie?
Zie antwoord vraag 11.