Terugvordering door het UWV |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Trouw met de titel «Brief van het UWV: 27.000 euro terugbetalen, binnen zes weken»?1
Ja.
Hoe vaak komt het voor dat mensen een (substantiële) terugvordering ontvangen van UWV?
Over de periode januari 2020 t/m augustus 2020 zijn er 88.431 nieuwe terugvorderingen ontstaan. Daarvan zijn er 374 terugvorderingen met een bedrag van meer dan € 20.000 (0,42%) en 95,68% betreft een terugvordering van minder dan € 5.000.
Welke ruimte biedt de wet aan UWV om bij een dergelijke forse terugvordering (enkele tienduizenden euro’s) een betalingsregeling te treffen die voorkomt dat mensen verder in de problemen komen?
Een terugvordering is in alle gevallen voor de betrokkene een vervelende situatie, maar onvermijdelijk en wettelijk verplicht wanneer is gebleken dat er onterecht geld is uitgekeerd. Indien er sprake is van een terugvordering, wijst UWV in alle gevallen op de mogelijkheid van een betalingsregeling. Dit is altijd maatwerk (gebaseerd op de Regeling tenuitvoerlegging). UWV hanteert hierbij een standaardtermijn van zes weken, gebaseerd op de Algemene wet bestuursrecht. De standaardtermijn van zes weken is nodig om betrokkene uit te nodigen om een betalingsregeling te treffen. De maximale wettelijke termijn is afhankelijk van de reden van de terugvordering. De terugbetalingstermijn is normaliter maximaal drie jaar, maar bij het schenden van de inlichtingenplicht2 maximaal een jaar. Deze terugbetalingstermijn van een jaar is kort. Zeker als het gaat om een dergelijke hoge terugvordering van enkele tienduizenden euro’s. Ik ben daarom bereid te bezien of het opportuun is deze termijn te verlengen.
Hoe kan het dat UWV gedurende drie jaar lang elke maand 500 euro teveel uitkeert aan een uitkeringsgerechtigde? Waarom duurt het daarna nog drie jaar voor UWV dit ontdekt? Wat doet UWV om dergelijke vergissingen zo snel mogelijk boven water te krijgen?
In het algemeen kan worden gesteld dat UWV uitkeringen vaststelt op basis van inkomensgegevens in de polisadministratie. Echter het komt voor dat (nog) niet alle informatie beschikbaar is in systemen voor vaststelling van de uitkering. Bijvoorbeeld wanneer de te verrekenen inkomsten pas na afloop van de maand beschikbaar zijn. In die gevallen kan het UWV pas achteraf vaststellen tot welk bedrag er recht op uitkering bestond. Dat kan soms leiden tot terugvordering van hetgeen te veel is betaald. Het is een wettelijke plicht om terug te vorderen, wanneer achteraf blijkt dat te veel is uitgekeerd. Wanneer er informatie is verzwegen kan het voorkomen dat er een langere tijd voorbij gaat voordat UWV over de juiste informatie beschikt.
UWV brengt het belang van het tijdig doorgeven van de juiste informatie die van invloed kan zijn op de uitkering en de eventuele nadelige gevolgen van het te laat of onjuist doorgeven, op diverse manieren onder de aandacht bij de klant. Bijvoorbeeld tijdens telefonisch contact, in brieven en op de site. Ook loopt er momenteel een pilot om te kijken op welke manier UWV geautomatiseerd informatie kan krijgen over wijziging van inkomsten. In sommige gevallen is deze informatie echter niet automatisch aanwezig en is UWV afhankelijk van de informatie die de klant verstrekt.
Wat is de reden dat de terugbetalingstermijn in eerste instantie op zes weken is gezet, terwijl er een periode van zes jaren zit tussen de start van de te hoge uitkering en de ontdekking daarvan?
De termijn van zes weken is een standaard termijn uit de Algemene wet bestuursrecht die in de besluiten is opgenomen. Het is een vereiste om een betaaltermijn vast te stellen. UWV stelt iedere betrokkene in de gelegenheid om een betalingsregeling af te spreken. Dit is maatwerk (gebaseerd op de Regeling tenuitvoerlegging). De termijnen voor het terugbetalen zijn niet gekoppeld aan de termijnen waarin de vordering is ontstaan en ook niet aan de hoogte van de vordering.
Welke protocollen worden gebruikt bij het vaststellen, het terugvorderen en het communiceren hierover met betrokkenen? Zijn deze protocollen in dit geval goed toegepast? Zo nee, hoe kan dit dan gebeuren? Zo ja, hoe zorgt UWV ervoor dat protocollen worden verbeterd als blijkt dat ze in de praktijk niet werken?
Het terugvorderen van bedragen die door het UWV teveel zijn betaald is wettelijk geregeld in de socialezekerheidswetten. Het UWV heeft geen beleidsruimte om hiervan af te wijken. Wettelijk gezien is het invorderen van geldschulden (met ingang van 1 juli 2009) geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. Hier is ook geregeld dat de betalingstermijn standaard zes weken is. Tevens is in de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid van uitstel van betaling opgenomen. Het UWV biedt deze mogelijkheid standaard aan bij alle betrokkenen, in de vorm van het treffen van een betalingsregeling. De ruimte voor het treffen van een betalingsregeling is nader ingevuld in de ministeriële regeling «Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen». In de Beleidsregel Terug- en invordering van het UWV worden nog enkele details uitgewerkt. Vanwege het ontbreken van beleidsruimte om af te wijken van de wettelijke bepalingen zijn er geen protocollen voor UWV, behalve voor de wijze van communiceren. Hiervoor geldt dat de klant normaliter standaard gebeld wordt bij een ingrijpende beslissing, zoals bijvoorbeeld bij een hoge terugvordering. De algemene communicatie vindt plaats via de website en in de brieven die het UWV stuurt over de vordering. In de brief die wordt gestuurd over de vordering wordt betrokkene al uitgenodigd om contact op te nemen met het UWV om een betalingsregeling af te spreken.
Hoe informeert UWV mensen zoals Willem op het moment dat er langere tijd onterecht een uitkering is verstrekt? Op welke (juridische) mogelijkheden worden mensen in dat geval gewezen?
Besluiten worden per brief aan betrokkene bekend gemaakt. De betrokkene wordt bij besluitvorming altijd gewezen op de mogelijkheid contact op te nemen met het UWV en de mogelijkheid om bezwaar te maken en de wijze waarop dat kan.
Bij ingrijpende beslissingen of als vanuit professioneel inzicht verwacht wordt dat de klant vragen heeft bij de beslissing, wordt de klant standaard gebeld. Een ingrijpende beslissing wordt gedefinieerd als een beslissing die een behoorlijke impact heeft op de uitkering van de klant, met positief of negatief financieel gevolg voor de klant, zoals schorsingen, afwijzingen en terugvorderingen etc.
Bij hoeveel mensen heeft UWV op dit moment een terugvordering uitstaan? Hoeveel waren dit er de afgelopen vijf jaar?
De stand van zaken in augustus 2020 is dat UWV bij 90.265 natuurlijke personen een terugvordering open heeft staan.
Het aantal verzekerden waarbij UWV een terugvordering had openstaan in de voorgaande jaren bedroeg:
2016: 101.278
2017: 98.601
2018: 90.339
2019: 85.386.
Hoe groot zijn de terugvorderingen die UWV gemiddeld heeft uitstaan bij mensen? Wat zijn de kleinste en grootste terugvorderingen? Wat zijn daarbij de initieel gehanteerde terugbetalingstermijnen?
In augustus 2020 was het gemiddelde bedrag dat UWV open had staan bruto € 4.361,93 per verzekerde. De kleinste terugvorderingen (onder de 11 euro) worden in principe niet teruggevorderd.
De grootste uitstaande terugvordering is een bedrag van 317.745,27 euro, bij een zaak waarbij fraude is geconstateerd. Er kan uiteraard niet worden ingaan op een individuele casus, maar wel kan worden aangegeven dat terugvorderingen van deze omvang zeer uitzonderlijk zijn en in de meeste gevallen fraude betreffen.
Daarnaast geldt dat een groot deel van de vorderingen wordt verrekend met de doorlopende uitkering die UWV aan de klant uitkeert. De verrekening vindt plaats op basis van bruto bedragen, zodat de betrokkene geen last heeft van inhoudingen voor de Belastingdienst. Wanneer verrekening niet mogelijk is, wordt initieel de standaardtermijn van zes weken uit de Algemene wet bestuursrecht gehanteerd. Binnen deze termijn kan de betrokkene de vordering voldoen, maar wordt betrokkene ook uitgenodigd om contact met het UWV op te nemen zodat er een betalingsregeling afgesproken kan worden. De betalingsregeling wordt vastgesteld met inachtneming van de termijnen uit de Regeling tenuitvoerlegging; dit is maatwerk.
Voor welke regelingen komen het vaakst terugvorderingen voor in zowel absolute aantallen als relatief (ten opzichte van het aantal uitkeringen)?
Over de periode januari 2020 t/m augustus 2020 is het aantal vorderingen per wetgroep als volgt:
Vorderingen Werkloosheidswet: 39.877 (45%)
Vorderingen Arbeidsongeschiktheid: 27.613 (31%)
Vorderingen Ziektewet: 16.824 (19%)
Aantal boetes: 2.807 (3%)
Overige vorderingen: 1.310 (2%)
Totaal aantal vorderingen: 88.431
Invordertrajecten ontstaan in de meeste gevallen wanneer er geen lopende uitkering meer is bij UWV, aangezien bij een lopende uitkering de vordering wordt verrekend. Het aantal terugvorderingen per regeling is daarom niet afgezet tegen het totale aantal lopende uitkeringen per regeling, maar wel ten opzichte van het totaal aantal vorderingen.
Welke stappen neemt u om terugvorderingen te voorkomen en te voorkomen dat mensen die te goeder trouw handelden verder in de problemen komen door het tempo van een terugvordering?
UWV licht mensen zo goed mogelijk voor over rechten en plichten die bij de betreffende uitkering horen, om op die manier terugvorderingen te voorkomen.
Daarnaast wordt binnen de overheid informatie die reeds bekend is zo veel mogelijk hergebruikt. Met dit doel zijn de afgelopen jaren basisregistraties ingericht en is wet- en regelgeving aangepast. Voor het UWV is concreet per 1 juli 2015 geregeld dat het SV-loon bepalend is voor het uitkeringsrecht, zodat gebruik gemaakt kan worden van de inkomensgegevens in de polisadministratie. Hierdoor is de uitkeringsverstrekking minder foutgevoelig geworden en worden steeds meer terugvorderingen voorkomen ten opzichte van het verleden.
Om te voorkomen dat mensen in financiële nood komen, wijst UWV in de brief waarin de terugvordering wordt aangekondigd altijd op de mogelijkheid van een terugbetalingsregeling. Naast de terugbetalingsregeling kan UWV eventueel afwijken van de beslagvrije voet ten voordele van de debiteur, door de berekende aflossingscapaciteit te halveren als de vordering hiermee binnen 3 jaar kan worden betaald. Dit is alleen mogelijk indien er geen sprake is van een overtreding van de inlichtingenplicht.
Daarnaast wordt de kwijtscheldingstermijn (uiteraard binnen de juridische spelregels) in de gaten gehouden en daar waar klanten in aanmerking komen voor kwijtschelding worden vorderingen kwijtgescholden.
Tot slot heeft het afgelopen jaar een pilot plaatsgevonden om klanten pro actief te benaderen, wanneer zij het openstaande bedrag niet binnen 10 weken hadden betaald. Deze klanten werden gebeld en er werd opnieuw het aanbod van een betalingsregeling gedaan. Er wordt nu gekeken naar de voortzetting van deze pilot. Ook worden klanten gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening door de gemeente.
Deelt u de mening dat uitvoeringsinstanties als het UWV een belangrijke bijdrage leveren aan de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de overheid in het algemeen? Zo ja, op welke manier is die bijdrage onderwerp van gesprek tussen u en het UWV?
Ja, hieraan kan UWV inderdaad een belangrijke bijdrage leveren. Vanuit dit departement vindt op reguliere basis intensief overleg plaats met UWV over de gang van zaken in de uitvoeringspraktijk. Goede dienstverlening door de overheid is niet alleen een aangelegenheid van uitvoeringsinstanties zoals UWV; ook het kabinet is hiervoor verantwoordelijk. In de Stand van de uitvoering3 wordt gewezen op recente brieven waarin uw Kamer is geïnformeerd over de activiteiten die het kabinet onderneemt om de uitvoering, die te ingewikkeld is geworden en veel uitdagingen kent, te verbeteren. Via een Ministeriële Commissie Uitvoering (MCU) en de daarbij behorende «Werkagenda voor de uitvoering» levert het kabinet een bijdrage om de uitdagingen waar de uitvoering zich voor gesteld ziet het hoofd te bieden. Wij zullen uw Kamer in de komende Stand van de uitvoering nader informeren over de onderzoeken en activiteiten die plaatsvinden om de toekomstbestendigheid, wendbaarheid en dienstverlening van de uitvoering te versterken.
Het bericht dat er nog steeds een tekort is aan handschoenen in de verpleeghuizen. |
|
Geert Wilders (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van het televisieprogramma Nieuwsuur van maandag 24 augustus?1
Ik herken de situatie die de voorzitter van de beroepsvereniging van ouderengeneeskunde-specialisten Verenso schetst. Er was tijdelijk een krappe voorraad maar inmiddels zijn er dusdanig veel handschoenen binnengekomen en leverbaar dat die situatie is ingelopen. De afgelopen weken heeft het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH) alle aanvragen voor persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) volledig uitgeleverd. Dit geldt ook voor de handschoenen. Het LCH geeft aan voldoende PBM’s ingekocht te hebben om in de behoefte voor de zorg te kunnen voorzien ook bij een mogelijke tweede golf en zal waar nodig blijven zorgen voor de aanvoer van benodigde producten.
Uitgangspunt blijft dat zorgaanbieders de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen en hulpmiddelen zo veel mogelijk via hun reguliere leveranciers blijven inkopen. Indien het zorginstellingen niet voldoende lukt om handschoenen via hun reguliere kanalen in te kopen dan bestaat nog steeds de mogelijkheid om dat via het LCH te doen.
Zorgaanbieders blijven voor hun aanvullende behoefte terecht kunnen bij de bestelportals. Ziekenhuizen, de ambulancezorg, coördinatoren van persoonlijke beschermingsmiddelen in de ROAZ-regio’s, labs, GGD’s en zelfstandige klinieken kunnen een aanvraag doen via de portal van OneMed/QRS: https://corona.qrs.nl/login
Alle instellingen in de langdurige zorg, verpleeg- of verzorgingshuizen, gehandicaptenzorg, thuiszorg, GGZ- instellingen, huisartsen, tandartsen, fysiotherapeuten, en overige zorgaanbieders kunnen een aanvraag doen via de portal van Mediq; https://medbis.nl.
Ondanks dat er op het moment genoeg PBM’s beschikbaar zijn is het ook van belang om de coronamaatregelen in acht te nemen om de kans op besmetting met COVID-19 zo klein mogelijk te maken. Juist de combinatie van maatregelen moeten ervoor zorgen dat COVID-19 onder controle blijft.
Wat vindt u ervan dat de voorzitter van de beroepsvereniging van ouderengeneeskunde-specialisten Verenso aangeeft dat er nog steeds een tekort aan handschoenen is in de verpleeghuizen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan het dat u niet weet te organiseren dat er geen tekorten zijn aan essentiële beschermingsmiddelen ter bestrijding van corona maar dat u tegelijkertijd wel allerhande coronamaatregelen afkondigt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u dan werkelijk niks?
Zie antwoord vraag 1.
De uitspraak van de directeur van het RIVM gedaan tijdens de technische briefing van 11 augustus 2020 dat de besmettingen met corona in Dokkum “evident“ buiten gebeurd zouden zijn. |
|
Fleur Agema (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de directeur van het RIVM, de heer Van Dissel, tijdens de technische briefing van 11 augustus 2020 dat de besmettingen met corona in Dokkum «evident» buiten gebeurd zouden zijn?1
Ja. De heer van Dissel is overigens directeur van het centrum voor infectieziektebestrijding (Cib) van het RIVM.
Bent u bekend met het feit dat de directeur van het RIVM zijn uitspraak slechts baseerde op mediaberichten en niet op wetenschappelijke, peer reviewed onderzoeken?2
Nee.
Bent u bekend met het feit dat GGD Fryslan geen «evident» bewijs hiervoor had, temeer omdat de jongeren ook samen binnen in de kroeg waren geweest?3
In het door u aangehaalde mediabericht stelt de GGD Fryslan dat het zeer aannemelijk is dat de infectie buiten, op het terras kan zijn overgedragen, omdat de jongeren onvoldoende afstand hielden tot elkaar. Helemaal zeker is het niet, omdat de jongeren ook binnen zijn geweest. De heer van Dissel heeft deze casus als illustratie gebruikt dat overdracht ook buiten wel degelijk mogelijk is.
Deelt u de mening dat de directeur van het RIVM deze casus eerst had moeten onderzoeken alvorens hij de conclusie trok dat de jongeren buiten waren besmet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom moeten van de directeur van het RIVM anderen (wetenschappers van over de hele wereld) altijd eerst hun zaakjes op orde hebben zoals peer reviewed onderzoeken en kan hij feitenvrij de verkeerde conclusies trekken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de directeur van het RIVM deze conclusie niet zomaar had mogen trekken? Zo ja, wat zijn de consequenties voor hem? Zo nee, waar zijn de wetenschappelijk peer reviewed bewijzen voor deze uitspraken van de directeur van het RIVM?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Tovenaars met rommel: fraude en criminaliteit bij afvalbedrijven’ |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tovenaars met rommel: fraude en criminaliteit bij afvalbedrijven»?1
Wist u dat er zoveel kleine afvalbedrijven in het land zijn die de regels aan hun laars lappen? Wat is uw oordeel over dit gegeven?
Hoe oordeelt u over de situatie in Doetinchem, waar lekkende vaten met brandblusschuim dat de stof PFOS bevat, van het failliet verklaarde bedrijf Rutgers Milieu de bodem en de vlakbij stromende Oude IJssel ernstig vervuilen? Klopt het dat de decentrale overheden ervan worden weerhouden om de vaten op te ruimen en veilig te stellen vanwege de hoge kosten die dat met zich meebrengt? Kunt u toelichten hoe u kijkt naar dit soort incidenten?
Wat is uw oordeel over het feit dat de tweeëntwintig faillissementen in de afvalsector de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot tientallen miljoenen euro’s schade voor decentrale overheden, die de achtergebleven troep moeten opruimen?
Wat is uw oordeel over het feit dat decentrale overheden op gigantische kosten worden gejaagd, omdat de regels niet goed worden nageleefd? Wat gaat u doen om de aanpak van deze wijdverspreide milieucriminaliteit fors te verbeteren?
Klopt het dat het Interprovinciaal Overleg (IPO) al twee jaar geleden bij u aan de bel trok over de financiële risico’s bij afvalbedrijven en de grote hoeveelheid branden en faillissementen? Zo ja, welke concrete stappen heeft u in reactie daarop gezet?
Klopt het dat de hoeveelheid afval waarvoor bedrijven geen afzet vinden groeit en zich opstapelt? Klopt de schatting uit 2018 van het IPO dat bij alle bedrijven die onder toezicht van de provincies vallen een totale hoeveelheid afval ligt met een negatieve waarde van 260 miljoen euro? Zo ja, klopt het ook dat er daardoor steeds meer afval wordt gestort of verbrand, waaronder afval dat zeer zorgwekkende stoffen bevat? Zo ja, heeft u zicht op de schaal van dit probleem? Zo nee, bent u bereid die te onderzoeken?
Deelt u de opvatting van criminologen dat het huidige businessmodel op de afvalmarkt milieucriminaliteit bevordert, omdat een bedrijf dat afval inneemt direct daarvoor betaald krijgt, nog voordat het de verwerking heeft geregeld? Wat gaat u doen om deze perverse prikkel om zo goedkoop mogelijk van het afval af te komen weg te nemen?
Hoe is het mogelijk dat het aantal onverzekerde afvalbedrijven naar alle waarschijnlijkheid toeneemt? Hoe kan het legaal zijn dat afvalbedrijven onverzekerd te werk kunnen gaan en vervolgens bij faillissement gemeenten en provincies voor de overige kosten moeten opdraaien? Kunt u dit toelichten? Wat gaat u hieraan doen?
Gaat u de verplichte financiële zekerheidstelling – waarmee overheden afvalbedrijven kunnen verplichten om zelf reserves aan te houden voor het geval zij milieuschade veroorzaken – op korte termijn realiseren om ervoor te zorgen dat overheden niet op gigantische kosten worden gejaagd en er minder schade wordt toegebracht aan het milieu? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw oordeel over het feit dat het oplossen en/of beboeten van een milieuovertreding soms wel jaren kan duren vanaf het moment dat de overtreding gesignaleerd is? Bent u bereid te inventariseren hoe deze procedure versneld kan worden, aangezien milieuovertredingen zo snel mogelijk moeten worden opgelost om verdere verspreiding van bijvoorbeeld chemische stoffen in het milieu te voorkomen?
Wat is uw oordeel over het feit dat provincies vergunningen verlenen aan bedrijven die al diverse milieuovertredingen hebben begaan uit angst voor de kosten die een mogelijke sluiting van het bedrijf tot gevolg zou hebben? Wat is uw oordeel over het feit dat de handhavende omgevingsdiensten terughoudend zijn uit angst voor eindeloos procederende bedrijven? Heeft u zicht op de schaal van dit probleem?
Deelt u de mening dat het onmogelijk is om een circulaire economie te verwezenlijken als ons afvalsysteem op deze wijze functioneert? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat er structureel iets moet veranderen in de afvalbranche om deze grootschalige milieucriminaliteit en hoge financiële kosten voor de maatschappij tegen te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten welke concrete stappen u gaat nemen?
Het bericht ‘Amsterdamse universiteiten werken samen met omstreden techgigant Huawei’. |
|
Dennis Wiersma (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amsterdamse universiteiten werken samen met omstreden techgigant Huawei»?1
Ja.
Waarom acht u het verdedigbaar dat de Amsterdamse universiteiten een samenwerking met Huawei starten, terwijl veel andere Europese landen dit juist uit de weg gaan? Zijn deze landen kritischer? Acht u dat verstandig?
Het Nederlands hoger onderwijsstelsel wordt gekenmerkt door een hoge mate van autonomie voor de hogescholen en universiteiten. Deze is wettelijk geborgd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Het aangaan van een samenwerking is dan ook de verantwoordelijkheid van een instelling zelf. Dat betekent dat een universiteit bij elke samenwerking, nationaal en internationaal, een gedegen afweging dient te maken van de kansen en risico’s die een samenwerking oplevert. Een instelling is daarbij uiteraard gehouden aan bestaande wet- en regelgeving.
Binnen Europa is verschil te zien in de manier waarop het hoger onderwijsstelsel in de landen is ingericht en welke vrijheden, bevoegdheden en verplichtingen voor instellingen daaruit voortvloeien. Gevolg daarvan is dat binnen Europa het beeld niet eenduidig is wat betreft het al dan niet aangaan van een samenwerking met Huawei. Er zijn Europese landen waar op nationaal niveau samenwerking met Huawei wordt afgehouden, maar er op instellingsniveau wel degelijk wetenschappelijke samenwerking met het bedrijf plaatsvindt. Er zijn ook individuele universiteiten die zich tegen samenwerking met Huawei hebben uitgesproken.
Bent u het met de mening eens dat het onwenselijk is wanneer Chinese bedrijven investeren in nieuwe technologieën zoals AI terwijl er onduidelijkheid bestaat over de risico's van een dergelijke deal?
Het open karakter van onze samenleving vormt de grondslag voor de inrichting van onze maatschappij en de basis voor onze welvaart. We zijn zo open mogelijk en beschermen waar noodzakelijk.2 Het doen van investeringen in bepaalde, nieuwe technologieën is essentieel voor het Nederlands concurrentievermogen op de lange termijn. Het kabinet is zich bewust van nationale veiligheidsrisico’s bij bepaalde investeringen, in aanbieders van de vitale processen of bij bepaalde ondernemingen die actief zijn op het gebied van hoogwaardige sensitieve technologie. Het kabinet werkt daarom aan een investeringstoets op nationale veiligheidsrisico’s.3 Ook is een traject gestart om te onderzoeken in hoeverre aanvullende maatregelen gewenst zijn met betrekking tot de risico’s voor de (nationale) veiligheid van ongewenste kennis- en technologieoverdracht via de weg van (academisch) onderwijs en onderzoek. Daarin onderzoekt het kabinet ook de effectieve bescherming van onderzoeks- en onderwijsgebieden met een veiligheidsrelevantie.4 In het najaar wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang hierop.5
Naast deze trajecten beschikt het kabinet ook nu al over een breed instrumentarium ter waarborging van publieke belangen. Welk instrument wordt ingezet hangt af van het publieke belang dat in het geding is; de context waarin bijvoorbeeld een investering of overname plaatsvindt; en de afweging van economische belangen en veiligheidsbelangen. Op 2 juli 2020 heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat uw Kamer over dit instrumentarium geïnformeerd.6 Bovendien kunnen bedrijven en kennisinstellingen een beroep doen op de expertise en informatie van relevante onderdelen van de rijksoverheid. Dit helpt instellingen en bedrijven bij het maken van een gedegen afweging tussen de kansen en risico’s, alvorens een besluit te nemen over het aangaan van een internationale samenwerking.
Klopt het dat u, de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in een apart gesprek de Universiteit van Amsterdam (UvA) «nadrukkelijk» heeft gewezen op mogelijk grote risico's van de deal? Wat zijn de «grote risico's» van de deal? Staat u daar nog steeds achter? Zo ja, waarom keurt u deze samenwerking dan goed? Zo nee, waarom niet?
De universiteiten zijn vanuit hun autonomie op grond van de WHW zelf verantwoordelijk voor het besluit om – binnen de kaders van bestaande wet- en regelgeving – al dan niet een bepaalde (internationale) onderzoekssamenwerking aan te gaan. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft geen formele rol bij de goed- dan wel afkeuring daarvan, net zomin als de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit (VU) hebben OCW en EZK in een vroegtijdig stadium geïnformeerd over de voorgenomen samenwerking met Huawei Finland.7 De UvA heeft, mede namens de VU, met medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat gesproken over de samenwerking. Evenals in een vervolggesprek met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en OCW zijn daarbij verschillende aspecten van de samenwerking aan bod gekomen. In de gesprekken met de universiteiten is gesproken over de kansen voor innovatie en wetenschappelijk onderzoek en is gewezen op mogelijke risico’s, zoals die naar voren komen in de recente jaarverslagen van de AIVD8 en de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD).9 De instellingen is nadrukkelijk verzocht om al deze aspecten mee te nemen in hun afweging.
Hoe verhoudt de samenwerking van de Amsterdamse universiteiten met Huawei zich met de beleidsnotitie Nederland-China van het kabinet? Klopt het dat Nederlandse universiteiten daarin expliciet werden gewaarschuwd voor de «geopolitieke powerplay» van China als het gaat met buitenlandse kennis en technologie? Waarom keurt u in dat licht deze samenwerking dan goed?
In de kabinetsnotitie «Nederland-China: Een nieuwe balans» wordt geconstateerd dat China academische samenwerking inzet om belangrijke informatie en technologieën te verwerven. Dit brengt het risico van ongewilde kennis- en technologieoverdracht van Nederland naar China met zich mee. Daarom onderstreept deze kabinetsnotitie het belang van het maken van een afweging tussen de kansen en de risico’s van de samenwerking op de korte en de lange termijn.
De universiteiten zijn vanuit hun autonomie op grond van de WHW zelf verantwoordelijk voor het besluit om – binnen de kaders van bestaande wet- en regelgeving – al dan niet een bepaalde (internationale) onderzoekssamenwerking aan te gaan. Een hulpmiddel daarbij is de «Checklist voor samenwerking met Chinese Academische en Kennisinstellingen» van het Den Haag Centrum voor Strategische Studies (HCSS).10 De Nederlandse overheid kan kennisinstellingen in voorkomende gevallen bijstaan bij het maken van die afweging, onder andere door middel van informatie-uitwisseling en kennisdeling. De VU en de UvA hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Naast het toepassen van de HCSS-checklist, hebben zij gesproken met EZK, OCW, AIVD en NCTV. In die gesprekken zijn de verschillende aspecten van de samenwerking tevens tegen het licht van de kabinetsnotitie over China gehouden.11 Van goed- of afkeuring door de overheid van (internationale) samenwerkingsovereenkomsten die kennisinstellingen sluiten is evenwel geen sprake.
Het kabinet onderzoekt momenteel welke aanvullende maatregelen wenselijk zijn om ongewenste kennis- en technologieoverdracht langs de weg van onderwijs en onderzoek tegen te gaan, gericht op het vergroten van de (kennis)veiligheid. Dit proces is eerder reeds genoemd in de beleidsreactie op het rapport van het Rathenau Instituut «Kennis in het Vizier».12 Dat betreft landenneutrale maatregelen. Het kabinet zal uw Kamer dit najaar nader informeren over de voortgang op dit proces en de mogelijkheid om eventuele nieuwe toetsingscriteria en maatregelen toe te passen op de huidige casus. Tevens zal het kabinet uw Kamer dit najaar informeren over haar visie op de Nederlandse positie ten opzichte van China op het vlak van onderwijs en wetenschap.13
Hoe beoordeelt u de stellingname van de universiteiten dat men zeker weet dat kennis niet bij de Chinese regering terecht komt? Hoe hard is deze garantie en waar is deze op gebaseerd? Bent u het met de mening eens dat wanneer veiligheid niet kan worden gegarandeerd, deze samenwerking onverstandig is? Hoe garandeert u dat onderzoekers en studenten hun werk veilig kunnen doen en niet hoeven te vrezen voor Chinese spionage?
De VU en UvA geven aan dat in de overeenkomst is opgenomen dat zij de onderzoeksresultaten vrijelijk kunnen publiceren. In geval van publicatie zijn de onderzoeksresultaten voor iedereen toegankelijk. Vanuit het oogpunt van academische vrijheid en het streven naar open access van wetenschappelijke publicaties, acht het kabinet het van groot belang dat dit is geborgd. Voor het kabinet mag de veiligheid van onderzoekers en studenten nooit ter discussie staan. Ook dienen instellingen zich terdege bewust te zijn van het risico van ongewenste kennisoverdracht. In het onderhavige geval gaat het om een samenwerking die wordt aangegaan ten behoeve van de kennisontwikkeling op het gebied van meertalig en multimodaal zoeken in informatie voor consumenten, welke een civiele toepassing mogelijk maakt (zoals een zoekmachine). De UvA en VU laten weten dat zij maatregelen hebben getroffen om de veiligheid van hun onderzoekers, data en systemen te waarborgen (onder meer geen toegang tot netwerken en laboratoria voor werknemers van Huawei Finland). Als bedrijf dat in Europa actief is, valt Huawei Finland onder de Europese gegevensbeschermingswetgeving (GDPR). Een pre-DPIA check (Data Protection Impact Assessment) voor de data van het project is met succes doorlopen, zo laten de UvA en de VU weten. De instellingen zullen in het verdere verloop van het onderzoek deze aspecten scherp blijven monitoren.
Het kabinet onderschrijft het belang van het vergroten van kennisveiligheid. Daarom onderzoekt het kabinet momenteel welke aanvullende maatregelen opportuun zijn om ongewenste kennis- en technologieoverdracht langs de weg van onderwijs en onderzoek tegen te gaan, gericht op het vergroten van de (kennis)veiligheid. Dit proces is eerder reeds genoemd in de beleidsreactie op het rapport van het Rathenau Instituut «Kennis in het Vizier».14
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Van der Molen en Wiersma die de regering verzoekt te onderzoeken of China dient te worden toegevoegd aan de lijst met landen waar de taskforce toezicht studenten en onderzoekers risicolanden zich over buigt? Wanneer kan de Kamer hier de resultaten van verwachten? Indien China wordt toegevoegd aan de lijst met risicolanden, wat betekent dat voor de samenwerking van de Amsterdamse universiteiten met Huawei?2
Zoals reeds gemeld in de notitie «Nederland-China: een nieuwe balans» is het kabinet zich bewust van het risico op ongewilde kennisoverdracht van Nederland naar China op gebieden die van fundamenteel belang zijn voor Nederland, of die serieuze consequenties hebben voor de bescherming van Nederlandse en/of universele waarden, dan wel de economische of nationale veiligheid.16 Het kabinet zal de Kamer dit najaar nader informeren over de stand van zaken bij het proces om te komen tot aanvullende maatregelen om ongewenste kennis- en technologieoverdracht naar derde landen langs de weg van onderwijs en onderzoek tegen te gaan en over de mogelijkheid om eventuele nieuwe toetsingscriteria en maatregelen toe te passen op de huidige casus. Dat proces is eerder genoemd in de beleidsreactie op het rapport van het Rathenau Instituut «Kennis in het Vizier».17 De motie van de leden Van der Molen en Wiersma zal daarbij worden betrokken.
Wat is uw reden om het besluit volledig bij de universiteiten te leggen? Waarom is het zo dat er op dit gebied geen sectorale toezichthouder is, zoals wel het geval is bij andere sectoren? Bent u van mening dat het een mogelijkheid is om een sectorale toezichthouder in te stellen om de veiligheid te garanderen? Welke andere mogelijkheden ziet u?
Zie het antwoord op vraag 1: het Nederlands hoger onderwijsstelsel kenmerkt zicht door een grote mate van autonomie voor de universiteiten en hogescholen. Deze is wettelijk geborgd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De sector heeft zich gecommitteerd aan verschillende (gedrags)codes, zoals de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit18 en de Code goed bestuur universiteiten.19 Ook is er het Platform Integrale Veiligheid Hoger Onderwijs (IV-HO), waarbinnen universiteiten kennis en ervaringen delen over veiligheidsgerelateerde onderwerpen.
Wat het toezicht betreft, ziet de Inspectie van het Onderwijs toe op de naleving van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs en de organisatie ervan. Daaronder wordt ook verstaan het borgen van de academische vrijheid van onderwijs en onderzoek.
Daarnaast is er de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO), verantwoordelijk voor het accrediteren van opleidingen. Het niet of onvoldoende borgen van de academische vrijheid door een instelling weegt mee bij de beoordeling van de kwaliteit van een opleiding en kan daarmee aanleiding zijn om geen accreditatie te verlenen of om deze in te trekken.
Het kabinet zal de Kamer dit najaar nader informeren over de stand van zaken bij het proces om te komen tot aanvullende maatregelen om ongewenste kennis- en technologieoverdracht langs de weg van onderwijs en onderzoek tegen te gaan. Het onderzoeken van de vraag of aanvullend toezicht opportuun is, kan deel uitmaken van dit proces.
Bent u bereid om met de universiteiten in gesprek te gaan over of het niet verstandiger is om deze samenwerking te stoppen? Welke verdere stappen kunnen worden gezet om meer garanties en grip te krijgen op dit soort samenwerkingen?
De Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit (VU) hebben OCW en EZK in een vroegtijdig stadium geïnformeerd over de voorgenomen samenwerking met Huawei Finland. In gesprekken van de UvA en de VU met de AIVD, NCTV, EZK en OCW, zijn – naast de kansen voor innovatie en wetenschappelijk onderzoek – de risico’s en aandachtspunten bij deze voorgenomen onderzoekssamenwerking aan bod gekomen. Net als voor alle kennisinstellingen, geldt dat de afweging en het besluit om een (internationale) samenwerking aan te gaan de verantwoordelijkheid is van de instellingen zelf.
Het kabinet is geregeld in gesprek met kennistellingen over het vergroten van kennisveiligheid. Op 1 oktober jl. is een nieuwe dialoogronde van start gegaan waarin wordt gesproken met afzonderlijke instellingen voor hoger onderwijs, de NWO- en KNAW-onderzoeksinstituten, de instellingen voor toegepast onderzoek (TO2-instellingen), de relevante koepelorganisaties en het Platform Integrale Veiligheid Hoger Onderwijs (IV-HO). Daarin wordt o.a. gesproken over mogelijke risico’s op ongewenste kennisoverdracht bij internationale samenwerking en hoe instellingen en overheid de kennisveiligheid kunnen vergroten.
Dit najaar zal het kabinet de Kamer nader informeren over de stand van zaken bij het proces om te komen tot aanvullende maatregelen om ongewenste kennis- en technologieoverdracht langs de weg van onderwijs en onderzoek tegen te gaan en over de mogelijkheid om eventuele nieuwe toetsingscriteria en maatregelen toe te passen op de huidige casus.
Het bericht ‘Agent perplex en in onzekerheid door spuger.’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Agent perplex en in onzekerheid door spuger»?1
Deelt u de mening dat agenten zo snel mogelijk uitsluitsel over een eventuele besmetting met een ziekte (zoals corona, HIV of hepatitis) moeten krijgen na een dergelijk incident? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, bent u bekend met het feit dat de dader/patiënt hiervoor toestemming moet geven?
Indien de dader/patiënt de toestemming niet geeft, vindt u dan niet dat algemeen belang dat agenten dienen (namelijk o.a. de handhaving van de rechtsorde) een zogenoemd zwaarwegend belang2 is op grond waarvan aan de betreffende agent(en) kenbaar wordt gemaakt dat de dader een besmettelijke ziekte heeft? Zo nee, waarom niet?
Zo nee, deelt u de mening dat de (behandelend) arts(en) wettelijk verplicht is/zijn om bepaalde informatie naar buiten te brengen (bijvoorbeeld als de patiënt een besmettelijke ziekte heeft) waardoor het medisch beroepsgeheim doorbroken kan worden?
Zo nee, bent u dan bereid om een wettelijke uitzonderingsgrond te formuleren in de Wet publieke gezondheid waardoor in dergelijke uitzonderlijke gevallen het medisch beroepsgeheim kan worden doorbroken in die zin dat de betreffende agent(en) uitsluitsel over een eventuele besmetting kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Planbureau: investeren in duurzamere eigen woning veelal niet rendabel’ |
|
Jessica van Eijs (D66), Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Planbureau: investeren in duurzamere eigen woning veelal niet rendabel»?1
In hoeverre deelt u de conclusies van dit rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en hoe verhouden de uitkomsten zich tot de afspraken in het Klimaatakkoord waarin wordt gesteld dat het verduurzamen van woningen lastenneutraal plaats zou moeten vinden?
In hoeverre onderschrijft u de constatering dat het 35.000 euro kost om een woning energieneutraal te maken?
Wat onderneemt u om deze kosten verder te verlagen via bijvoorbeeld de Renovatieversneller, aanbod- en vraagbundeling en digitalisering of innovatie, zodat verduurzamen ook voor huishoudens met een lage energierekening gaat lonen?
Deelt u het inzicht van Urgenda dat het voor miljoenen huiseigenaren al wel rendabel is om het huis te verduurzamen en wat onderneemt u om dit bij deze huiseigenaren sneller te laten plaatsvinden?
Wat betekenen de uitkomsten van het PBL-onderzoek voor het doel in het Klimaatakkoord om in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen te verduurzamen?
Bent u bereid in gesprek te gaan met het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) over het toegankelijk maken van de verduurzamingslening voor een groter publiek, bijvoorbeeld door het bedrag te verhogen van 25.000 naar 35.000 euro?
Wat is de huidige stand van zaken rondom de invoering van gebouwgebonden financiering en op welke wijze neemt u de kanttekeningen van het PBL mee in de opzet hiervan?
Hoe reflecteert u op de stelling in het onderzoek dat het voor grootverbruikers alleen rendabel is om te verduurzamen met gebruik van de in 2023 af te bouwen salderingsregeling voor zonnepanelen?
Hoe verklaart u dat met gelijkblijvende energieprijzen wordt gerekend, terwijl het kabinetsbeleid gericht is op een structurele verhoging van de gasprijs?
Op welke manier gaat u huishoudens die overwegen zonnepanelen aan te schaffen goed informeren over het voornemen om het salderen pas in 2031 definitief te stoppen, waarmee een terugverdientijd van circa zeven jaar gewaarborgd blijft?
Het bericht dat de corona-teststraat op Schiphol ’s avonds dicht is, ook al landen er duizenden reizigers uit risicogebieden. |
|
Geert Wilders (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de corona-teststraat op Schiphol ’s avonds dicht blijft, ondanks dat er duizenden risicoreizigers landen?1
Ja, daarmee ben ik bekend. Dit was het geval totdat de teststraat afgelopen weekend tijdelijk gesloten werd.
Hoe is het mogelijk dat er na 18 uur bij duizenden reizigers uit risicolanden geen coronatests meer worden afgenomen?
De teststraat op Schiphol was een onderzoeksetting waarin werd gekeken naar het effect van het testen van mensen zonder klachten, in dit geval reizigers. De labcapaciteit is de afgelopen weken sterk onder druk komen te staan, waardoor opschaling niet wenselijk is. Het ging hier immers om het testen van mensen zonder klachten, en het testen van mensen met klachten heeft voorrang. Pas wanneer de resultaten van het onderzoek er zijn, en de labcapaciteit minder onder druk staat kan ik een besluit nemen over verdere opschaling. Daarom heb ik besloten, zie hierover ook mijn brief van 11 september jl., om de teststraat op Schiphol (tijdelijk) te sluiten.
Hoe ziet u in dit licht uw toezegging uit het plenaire debat van 12 augustus jongstleden dat u zou uitzoeken of u kunt bewerkstellingen dat reizigers uit risicogebieden een coronatest kunnen krijgen alvorens ze op het vliegtuig stappen?
Ik heb eerder aangegeven dat dit verder verkend wordt, ook in Europees verband. Momenteel wordt er binnen Europa gekeken naar een meer gecoördineerde aanpak van de COVID-19 pandemie, hierover is ook gesproken tijdens de informele gezondheidsraad van 11 september jl.
De geannoteerde agenda van deze Raad met hierin de Nederlandse inzet, heeft u op 3 september jl. ontvangen. Nederland is voorstander van een meer gecoördineerde aanpak van de crisis. Het al dan niet instellen van maatregelen is uiteindelijk aan de lidstaten zelf en afhankelijk van de nationale context, zoals beschikbare testcapaciteit. In de meeste Europese landen, waaronder Nederland, is het wettelijk niet mogelijk om testen te verplichten voor aankomst in of bij vertrek uit een land. Alleen in Duitsland geldt sinds 8 augustus jl. een testplicht bij aankomst uit een risicogebied. Dit wordt echter per 1 oktober as. afgeschaft, omdat het te veel testcapaciteit kost en op andere plekken dan luchthavens lastig te handhaven is.
Wat is uw reactie op het onderzoek van Olsen et. al (2003), waaruit blijkt dat een sars-patiënt op 1 vlucht 20 mensen besmette, waarvan er drie zijn overleden?
We zijn bekend met deze studie en deze publicatie. Het lijkt er op dat transmissie van SARS-CoV-1 mogelijk is in vliegtuigen, maar van de gevallen die in deze studie beschreven worden, is het niet aangetoond dat de besmetting ook echt in het vliegtuig heeft plaatsgevonden. Dit is echter maar één van meerdere onderzoeken naar dit onderwerp. Andere onderzoeken lieten kleinere aantallen mogelijke besmettingen met van SARS-CoV-1 zien.
SARS-CoV-1 is echter niet gelijk aan SARS-CoV-2. Deze resultaten kunnen dan ook niet zomaar vertaald worden naar risico op transmissie van SARS-Cov-2 in vliegtuigen. Er is inmiddels meer onderzoek verricht en gepubliceerd over SARS-CoV-2 transmissie in vliegtuigen. Onderzoeken naar de risico’s op transmissie van SARS-CoV-2 in vliegtuigen laten tot nu toe kleine risico’s zien.
In Nederland werden tot recent 4 infecties gevonden onder 282 gemonitorde contacten van mensen die met COVID-19 in het vliegtuig zaten. Het is niet zeker of deze mensen de infectie ook daadwerkelijk aan boord van het vliegtuig hebben opgelopen. Risico’s lijken dan ook beperkt.
Kunt u dan helemaal niks?
De bestrijding van het virus doen wij samen met álle Nederlanders. Gezamenlijk hebben we het virus eronder gekregen en daar mogen we trots op zijn. Het is nu aan ons om te laten zien dat we het virus eronder kunnen houden.
Het bericht ‘Amsterdamse universiteiten werken samen met omstreden techgigant Huawei’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Kees Verhoeven (D66), Salima Belhaj (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amsterdamse universiteiten werken samen met omstreden techgigant Huawei»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom Huawei, onder andere op voorspraak van de inlichtingendiensten, deels geweerd wordt bij de kritieke infrastructuur rond 5G in Nederland maar niet in samenwerking met universiteiten zoals de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit?
Het kabinet is extra alert waar het gaat om mogelijke risico’s voor de vitale infrastructuur. Voor de telecomnetwerken is een risicoanalyse uitgevoerd door de Taskforce Economisch Veiligheid, met medewerking van de drie grote telecomaanbieders. Uw Kamer is op 1 juli 2019 geïnformeerd over de uitkomsten hiervan.2 Op basis van deze risicoanalyse wordt een aantal maatregelen genomen door het kabinet. Een van deze maatregelen is de mogelijkheid om een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of -dienst te kunnen verplichten om in bepaalde onderdelen van diens netwerk of bijbehorende faciliteiten, uitsluitend gebruik te maken van producten of diensten van een andere dan de daarbij door de Minister genoemde partij. Momenteel worden de beschikkingen, waarin telecomaanbieders worden verplicht in de kritieke onderdelen geen gebruik te maken van producten of diensten van daarin genoemde partijen, voorbereid.
De betreffende onderzoekssamenwerking tussen de VU en UvA en Huawei Finland3 heeft geen betrekking op de vitale infrastructuur. De universiteiten zijn vanuit hun autonomie op grond van de WHW zelf verantwoordelijk voor het besluit om – binnen de kaders van bestaande wet- en regelgeving – al dan niet een bepaalde (internationale) onderzoekssamenwerking aan te gaan. Evenwel is door medewerkers van EZK, evenals in een vervolggesprek door de NCTV, de AIVD en OCW met de universiteiten gesproken over verschillende aspecten van de samenwerking. Er is gesproken over de kansen voor innovatie en wetenschappelijk onderzoek en er is gewezen op mogelijke risico’s, zoals die naar voren komen in de recente jaarverslagen van de AIVD en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD). De instellingen is nadrukkelijk verzocht om al deze aspecten mee te nemen in hun afweging.
Kunt u toelichten wat nu de Nederlandse aanpak en benadering is ten opzichte van samenwerking met bedrijven die onder invloed staan van buitenlandse overheden, zoals Huawei?
Van alle Nederlandse bedrijven wordt verwacht dat zij bij het internationaal zakendoen handelen in lijn met de OESO-Richtlijnen4 en UN Guiding Principles on Business and Human Rights.5 Dit betekent dat zij in relatie tot hun waardeketens mogelijke risico’s – waaronder eventuele risico’s die verband houden met samenwerking met bedrijven die onder invloed staan van buitenlandse overheden – dienen te identificeren en te voorkomen of aan te pakken. De Nederlandse kennisinstellingen hebben zich o.a. gecommitteerd aan de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit. Het is echter aan Nederlandse bedrijven en instellingen zelf om te beslissen of zij wel of niet met bepaalde bedrijven in zee gaan. Zij kunnen zich daarbij laten informeren door relevante onderdelen van de rijksoverheid. Wanneer een bedrijf of kennisinstelling aanspraak wil maken op het bedrijfsleveninstrumentarium van Buitenlandse Zaken, wordt het bedrijf door de uitvoeringspartner geïnformeerd over kansen en risico’s met betrekking tot Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO), geadviseerd over de implementatie van IMVO, beoordeeld op IMVO-aspecten in hun aanvragen en gemonitord op IMVO gedurende de looptijd van projecten. Het kabinet is zich bewust van nationale veiligheidsrisico’s bij bepaalde investeringen, in aanbieders van de vitale processen of bij bepaalde ondernemingen die actief zijn op het gebied van hoogwaardige sensitieve technologie. Het kabinet werkt daarom onder andere aan een (landenneutrale) investeringstoets op nationale veiligheidsrisico’s.6
Klopt het dat andere Europese lidstaten strenger optreden tegen samenwerkingen tussen Huawei en universiteiten?
Binnen Europa is verschil te zien in de manier waarop het hoger onderwijsstelsel in de landen is ingericht en welke vrijheden, bevoegdheden en verplichtingen voor instellingen daaruit voortvloeien. Gevolg daarvan is dat binnen Europa het beeld niet eenduidig is wat betreft het al dan niet aangaan van een samenwerking met Huawei. Er zijn Europese landen waar op nationaal niveau samenwerking met Huawei wordt afgehouden, maar er op instellingsniveau wel degelijk wetenschappelijke samenwerking met het bedrijf plaatsvindt. Er zijn ook individuele universiteiten die zich tegen samenwerking met Huawei hebben uitgesproken.
Deelt u de mening dat de wijze waarop het kabinet keuzes maakt omtrent risico’s van technologische inmenging door buitenlandse bedrijven – zoals bij het weren van software van Kaspersky, de aangehouden exportvergunning van ASML en de beperkingen van leveranciers bij vitale infrastructuur rondom 5G – binnen een duidelijk kader horen plaats te vinden dat controleerbaar is voor de Kamer?
Het kabinet werkt aan het tegengaan van statelijke dreigingen, zoals gemeld in de brief aan uw Kamer.7 Het kabinet is zich bewust van nationale veiligheidsrisico’s bij zowel het inzetten van (producten of diensten) van bepaalde partijen, als investeringen vanuit bepaalde partijen in de vitale infrastructuur of bij ondernemingen die actief zijn op het gebied van hoogwaardige sensitieve technologie. Daarom werkt het kabinet onder andere aan een (landenneutrale) investeringstoets op nationale veiligheidsrisico’s.
Dit onderwerp en de in de vraag genoemde onderwerpen, vallen onder de verantwoordelijkheden van verschillende ministers. Zij zullen uw Kamer daarover op de gebruikelijke manier blijven informeren.
Is er een algemeen kader op basis waarop beslissingen tot (technologische) samenwerking met buitenlandse bedrijven die onder invloed staan van buitenlandse overheden gemaakt worden? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse bedrijven en (kennis)instellingen die goederen of technologie ontwikkelen of produceren met zowel civiele als militaire toepassing (dual use technologie) zijn gehouden aan wet- en regelgeving op het gebied van exportcontrole. Indien (gevoelige) technologie wordt geëxporteerd die voorkomt op de lijsten van de gecontroleerde goederen en technologie van de EU Dual use Verordening (EUR428/2009) is een exportvergunning vereist. Universiteiten zijn ook gehouden aan wet- en regelgeving op het gebied van exportcontrole. Daarnaast werkt het kabinet aan een investeringstoets op nationale veiligheidsrisico’s. Naast aanbieders van vitale processen en vitale infrastructuur, worden ook bedrijven die werken op het gebied van hoogwaardige sensitieve technologie onder de reikwijdte hiervan gebracht. Voor deze categorie worden de bestaande multilaterale kaders voor exportcontrole zoals hierboven beschreven als uitgangspunt gehanteerd.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat experts de ventilatierichtlijnen van het RIVM in twijfel trekken. |
|
Fleur Agema (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Experts trekken ventilatierichtlijn RIVM in twijfel»?1
Deelt u de mening dat je niet zomaar kunt stellen dat wanneer er wordt voldaan aan de ventilatierichtlijn in het Bouwbesluit dat dat dan voldoende is om verspreiding van corona in een gebouw te voorkomen? Zo ja, hoe heeft de directeur van het RIVM, de heer Van Dissel, deze uitspraak tijdens de technische briefing van 11 augustus kunnen doen? Zo nee, op welke rapporten en onderzoeken baseert u, en baseert het RIVM, dat gebouwen die voldoen aan de ventilatierichtlijn uit het Bouwbesluit de verspreiding van corona voldoende tegengaan?
Op welke (peer reviewed) onderzoeken en rapporten is gebaseerd dat de verversing van 3,44 danwel 8,5 liter lucht per seconde per persoon voldoende is om de verspreiding van corona tegen te gaan? Kunt u een overzicht geven?
Klopt het dat met de grote focus op energiebesparing moderne luchtventilatiesystemen steeds meer zijn gaan werken op recirculatie van lucht in plaats van op het inzuigen van verse buitenlucht?
Deelt u de mening dat het derhalve voorbarig is te concluderen dat het wel goed zit met de ventilatie in nieuwe gebouwen? Of in oudere gebouwen met vernieuwde ventilatiesystemen? Zo nee, waarom niet?
Is er al vergelijkend onderzoek gedaan naar de ventilatiesystemen van de locaties (bijvoorbeeld cafés en kerken) in ons land waar tijdens de eerste coronagolf veel besmettingen hebben plaatsgevonden? Zo nee, per wanneer gaat u dit bewerkstelligen? Zo ja, voldeden ze aan de ventilatierichtlijn van het Bouwbesluit?
Wat is uw reactie op de professor binnenklimaat aan de TU Delft, die stelt dat ventilatienormen voor schoollokalen opgesteld zijn zodat kinderen niet duf worden en goed kunnen leren, maar dat het maar de vraag is of die richtlijnen ook werken om het virus uit de lucht te halen? Klopt deze duiding van deze professor? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw reactie op de adviseur Bouwbesluit die stelt dat het Bouwbesluit niet is ontworpen om te beschermen tegen ziektes die zich door de lucht verspreiden? Klopt de duiding van deze adviseur? Zo nee, waarom niet?
Is de inventarisatie die het Ministerie van Binnenlandse Zaken uitvoert naar de ventilatie in 1.100 overheidsgebouwen al klaar? Wanneer kan de Kamer deze verwachten?
De Nederlandse digitale veiligheid en de ontmoeting met de Chinese minister van Buitenlandse Zaken |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Damage Control» at Heart of Chinese Foreign Minister Wang Yi’s Mission to Europe»?1 Klopt het dat ook premier Rutte op 26 augustus spreekt met de Chinese Minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi? Welke andere bewindslieden zijn bij dit gesprek aanwezig?
Ja. Het klopt dat de Chinese Staatsraad en Minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi een kort beleefdheidsbezoek heeft gebracht aan Minister-President Rutte. Er waren bij hun gesprek noch van Nederlandse noch van Chinese zijde andere bewindslieden aanwezig.
Waarom staat deze ontmoeting niet in de openbare agenda van de Minister-President?
De ontmoeting is vooraf, op dinsdag 25 augustus, gepubliceerd in de openbare agenda.
Wat gaat de regering met de Chinese Minister van Buitenlandse Zaken bespreken? Hoe lang duurt de ontmoeting?
De ontmoeting (inclusief diner) tussen Minister Blok en Minister Wang duurde twee uur en een kwartier. Daarnaast bracht Minister Wang een kort beleefdheidsbezoek van 25 minuten aan Minister-President Rutte. Op de agenda stonden de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en China, de EU-Chinarelatie en internationale veiligheid.
Zal tijdens het gesprek de rol van China c.q. van Chinese staatsbedrijven zoals Huawei op het gebied van digitale infrastructuur ter sprake komen? Zo ja, wat wordt daarbij de Nederlandse insteek?
Ja. Tijdens het gesprek met de Chinese Minister van Buitenlandse Zaken heeft Minister Blok gerefereerd aan het onderzoek dat in Nederland is uitgevoerd naar risico’s voor de digitale infrastructuur (i.h.b. de toekomstige telecomnetwerken), ook vanuit het oogpunt van de nationale veiligheid. Dat onderzoek heeft geleid tot een kaderbesluit voor vaststelling van vertrouwde en niet-vertrouwde leveranciers. Minister Blok heeft aangegeven dat Nederland op basis van dat landenneutrale kader, dat objectieve criteria biedt, eigenstandige afwegingen zal maken ten aanzien van specifieke leveranciers.
Bent u bereid om net als andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Chinese bedrijven niet meer te vertrouwen bij de aanleg van digitale infrastructuur, zoals 5G? Zo nee, waarom hebt u het vertrouwen dat deze afhankelijkheid van China het Nederlandse belang niet schaadt? Zijn er rode lijnen die China niet mag overschrijden? Onder welke voorwaarden bent u bereid deze samenwerking alsnog te staken?
Op 1 juli 2019 heeft het kabinet aanvullende beschermingsmaatregelen aangekondigd om de veiligheid en integriteit van de telecomnetwerken en -diensten te versterken.2 Deze maatregelen zijn genomen op basis van een risicoanalyse van de Task Force Economische Veiligheid met medewerking van de drie grote telecomaanbieders. Het kabinet kiest hierbij voor een landenneutrale en daarmee toekomstbestendige aanpak. Dat wil zeggen, een aanpak op basis van objectieve criteria die kan meebewegen met een veranderend dreigingsbeeld en onvoorziene technologische en marktontwikkelingen. De juridische grondslag van deze maatregelen is de op 5 december 2019 gepubliceerde algemene maatregel van bestuur «Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie» (hierna: AMvB).3 Op grond van deze AMvB kan de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK), in overleg met de Minister van Justitie en Veiligheid een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of -dienst verplichten om in bepaalde onderdelen van diens netwerk of bijbehorende faciliteiten, uitsluitend gebruik te maken van producten of diensten van anderen dan de daarbij door de Minister genoemde partij.
Bent u bekend met het bericht «Amsterdam Universities Signed Deal with Controversial Tech Giant Huawei»?2
Ja.
Is er Nederlands belastinggeld gemoeid met de ontwikkeling van een zoekmachine voor Huawei aan Nederlandse universiteiten?
Nee. De universiteiten geven aan dat de samenwerking geschiedt op basis van full cost vergoeding. Alle kosten worden door Huawei Finland5 gedragen. Mocht het bedrijf de overeenkomst eenzijdig opzeggen, is Huawei Finland verplicht de volledige kosten toch voor rekening te nemen. In het geval dat de universiteiten eenzijdig de overeenkomst opzeggen, is er geen compensatie aan Huawei Finland verschuldigd. In beide gevallen wordt het onderzoek stopgezet en is de gehele samenwerking met Huawei Finland beëindigd.
Ongeacht door welke partij de overeenkomst voortijdig wordt beëindigd, geldt dat de universiteiten- in het kader van goed werkgeverschap – verplicht zijn de PhD-onderzoekers de resterende tijd in dienst te houden. De universiteiten hebben deze personen immers voor vier jaar geworven en zullen ervoor zorgen dat hun wetenschappelijke carrière niet wordt geschaad. De universiteiten helpen de onderzoekers aan passend vervangend onderzoek.
Mocht het zo zijn dat de voortijdige beëindiging van de samenwerking is geïnitieerd door de UvA en de VU, dan dragen de universiteiten zelf de financiële verantwoordelijkheid voor het in dienst houden van de onderzoekers. In het geval Huawei Finland de overeenkomst voortijdig beëindigt, is het bedrijf verplicht de volledige kosten voor het project te dragen. Daaronder vallen ook de personele kosten voor de resterende jaren. In dat geval heeft het in dienst houden van de onderzoekers dus geen financiële consequenties voor de universiteiten.
Welke kennis op het gebied van digitale veiligheid zal China opdoen als gevolg van deze samenwerking?
De samenwerking is gericht op de kennisontwikkeling op het gebied van meertalig en multimodaal zoeken in informatie voor consumenten, welke een civiele toepassing mogelijk maakt (zoals een zoekmachine). Het onderzoek richt zich dus niet op digitale veiligheid. De onderzoeksresultaten zullen open access gepubliceerd worden en zijn daarmee voor een ieder en voor alle landen toegankelijk.
Welke garanties kunt u geven dat deze samenwerking er niet toe leidt dat het Nederlandse digitale veiligheidsbelang in het geding komt?
Het onderzoek richt zich op kennisontwikkeling op het gebied van meertalig en multimodaal zoeken in informatie voor consumenten, welke een civiele toepassing mogelijk maakt (zoals een zoekmachine). De UvA en VU geven aan in de overeenkomst te hebben vastgelegd dat zij de onderzoeksresultaten vrijelijk mogen publiceren. Tevens zijn de publicaties straks open access beschikbaar, en daarmee voor een ieder toegankelijk. De UvA en VU laten weten dat zij maatregelen hebben getroffen om de veiligheid van hun onderzoekers, data en systemen te waarborgen (onder meer geen toegang tot netwerken en laboratoria voor werknemers van Huawei Finland).
Blijven de Nederlandse inlichtingendiensten toezien of er tijdens het samenwerkingstraject geen ongewenste kennisuitwisseling plaatsvindt, waarmee het veiligheidsbelang of het strategische belang van Nederland of onze NAVO-partners wordt geschaad? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om een dergelijk permanent toezichtmechanisme alsnog te introduceren? Zo ja, vindt er een periodieke evaluatie door de inlichtingendiensten plaats, op basis waarvan de samenwerking zo nodig alsnog beëindigd kan worden?
De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben geen toezichthoudende rol ten aanzien van dergelijke samenwerkingen en hebben geen rol in het goed- of afkeuren van dergelijke samenwerkingen. Universiteiten dienen bij elke samenwerking, nationaal en internationaal, een gedegen afweging te maken van de kansen en risico’s die een samenwerking oplevert. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de uiteindelijke keuze om al dan niet samen te werken. Daarbij kunnen zij in voorkomende gevallen een beroep doen op de expertise en informatie van relevante onderdelen van de rijksoverheid, die daar een adviserende rol in hebben.
Daarnaast onderzoekt het kabinet momenteel welke aanvullende maatregelen wenselijk zijn om ongewenste kennis- en technologieoverdracht langs de weg van onderwijs en onderzoek tegen te gaan, gericht op het vergroten van de (kennis)veiligheid. Dit proces is eerder reeds genoemd in de beleidsreactie op het rapport van het Rathenau Instituut «Kennis in het Vizier».6
Het Nederlands hoger onderwijsstelsel kenmerkt zich door een grote mate van autonomie voor de universiteiten en hogescholen. Deze is wettelijk geborgd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de naleving van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs en de organisatie ervan. Daaronder wordt ook verstaan het borgen van de academische vrijheid van onderwijs en onderzoek. Daarnaast is er de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO), verantwoordelijk voor het accrediteren van opleidingen. Het niet of onvoldoende borgen van de academische vrijheid door een instelling weegt mee bij de beoordeling van de kwaliteit van een opleiding en kan daarmee aanleiding zijn om geen accreditatie te verlenen of om deze in te trekken. De sector heeft zich gecommitteerd aan verschillende (gedrags)codes, zoals de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit7 en de Code goed bestuur universiteiten.8
Het kabinet zal de Kamer dit najaar nader informeren over de stand van zaken bij het proces om te komen tot aanvullende maatregelen om ongewenste kennis- en technologieoverdracht langs de weg van onderwijs en onderzoek tegen te gaan en over de mogelijkheid om eventuele nieuwe toetsingscriteria en maatregelen toe te passen op de huidige casus.9 Het onderzoeken van de vraag of aanvullend toezicht opportuun is kan deel uitmaken van dit proces.
Kunt u garanderen dat de digitale technologie die op Nederlandse universiteiten ten behoeve van China wordt ontwikkeld niet wordt ingezet om de greep op Hongkong te verstevigen? Zo nee, hoe past het accepteren van een akkoord voor 3,5 miljoen euro in ruil voor de ontwikkeling van technologie die mogelijk tot de inperking van de democratische rechten van de bevolking in Hongkong leidt binnen het Nederlandse beleid van promotie van democratie?
Het onderzoek van de UvA en VU en Huawei Finland richt zich op kennisontwikkeling op het gebied van meertalig en multimodaal zoeken in informatie voor consumenten, welke een civiele toepassing mogelijk maakt (zoals een zoekmachine). De onderzoeksresultaten zullen bovendien publiek beschikbaar worden gemaakt (open access) en zijn voor een ieder en alle landen toegankelijk. Het kabinet kan uiteraard niet voorspellen welk land vervolgens de open access beschikbare onderzoeksresultaten wil gebruiken voor verder onderzoek en met welk doel. Er zijn op dit moment echter, gezien ook de aard van het onderzoek, geen aanwijzingen om te vermoeden dat onderzoeksresultaten die voortkomen uit deze samenwerking, specifiek zullen worden toegepast om de greep op Hongkong te verstevigen.
Dat neemt niet weg dat het kabinet bezorgd is over de ontwikkelingen in Hongkong, zoals ook tijdens het gesprek tussen Minister Blok en Minister Wang op 26 augustus jl. naar voren is gekomen. Met EU partners volgt het kabinet de ontwikkelingen op de voet.
Hebt u over deze samenwerking van de Amsterdamse universiteiten met Huawei contact gehad met belangrijke partners op het gebied van inlichtingenuitwisseling, zoals de Verenigde Staten? Zo nee, waarom niet?
In het openbaar worden er geen uitspraken gedaan over eventuele samenwerking met en uitwisseling tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Bent u bereid in het gesprek met de Chinese Minister van Buitenlandse Zaken ook de situatie in Hongkong als zorgpunt aan te stippen?
Ja. Minister Blok heeft tijdens zijn gesprek met de Chinese Minister Wang de zorgen van het kabinet over de recente ontwikkelingen in Hongkong overgebracht, de universaliteit van mensenrechten benadrukt, en aangegeven dat Nederland zich altijd sterk zal maken voor de bescherming van vrijheid van meningsuiting. Hij onderstreepte tevens dat het ook in het belang van China is om ervoor te zorgen dat buitenlandse zakenlieden in Hongkong geen aanleiding hebben om ongerust te zijn over het behoud van de rechtsstaat.
Is de positieve opvatting van premier Rutte over samenwerking met Huawei, waarvan u in 2015 blijk gaf, sindsdien veranderd? Zo ja, op grond waarvan en wat is er dan precies veranderd? Zo nee, waarom niet?3
Nederland verwelkomt buitenlandse investeringen. Het kabinet zet zich in voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven met reële economische activiteiten, die waarde toevoegen aan onze economie en samenleving. Daar profiteert de Nederlandse samenleving van, want deze bedrijven investeren en voegen zo werkgelegenheid, innovatie en kracht toe aan onze economie. Huawei is reeds jarenlang een gewaardeerde investeerder in Nederland die een belangrijke bijdrage levert aan onze economie. Het bedrijf heeft geïnvesteerd in diverse locaties in Nederland, waar het honderden – veelal lokale – werknemers in dienst heeft.
Nederland heeft een open karakter. Tegelijkertijd is het kabinet zich bewust van nationale veiligheidsrisico’s bij bepaalde investeringen, in aanbieders van de vitale processen of bij bepaalde ondernemingen die actief zijn op het gebied van hoogwaardige sensitieve technologie. Het kabinet werkt daarom aan een investeringstoets op nationale veiligheidsrisico’s11 en aan aanvullende maatregelen om ongewenste overdracht van kennis en technologie langs de weg van onderwijs en onderzoek te voorkomen. Kort gezegd, we zijn zo open mogelijk en beschermen waar noodzakelijk.12
Het bericht dat uit een antistoffentest in een verpleeghuis blijkt dat 40 procent van de medewerkers besmet met corona is geweest. |
|
Geert Wilders (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht: «Deel personeel wel besmet, niet ziek»?1
Wat is uw reactie op het feit dat op de zwaarst getroffen afdeling in verpleeghuis De Mariënburght in Budel, waar de meeste bewoners zijn overleden, 71 procent van de zorgmedewerkers besmet is geweest met corona?
Ontkent u nog steeds de relatie tussen het gebrek aan beschermingsmiddelen voor zorgmedewerkers (ook hier werd tijdens de eerste golf zonder gewerkt) en het aantal besmettingen en overlijdens onder bewoners? Zo ja, waarom? Zo ja, kunt u dan werkelijk geen van de fouten die u heeft gemaakt erkennen?
Het bericht dat de coronarichtlijnen van het RIVM een magere wetenschappelijke basis kennen. |
|
Geert Wilders (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de NOS en de reconstructie van Nieuwsuur dat de RIVM-richtlijnen voor de ouderenzorg een magere wetenschappelijke basis kennen?1
Deelt u de mening dat de coronamaatregelen die u heeft afgekondigd een wetenschappelijke basis dienen te hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe borgt u dat?
Wat is uw reactie op de schokkende onthulling dat de uitspraken die de directeur van het RIVM, de heer Van Dissel, deed tijdens de technische briefing in de Kamer als zouden mondmaskers «schijnveiligheid» bieden en geen wetenschappelijke basis hebben, maar gebaseerd zijn op zijn «persoonlijke ervaring» en «observaties in de dagelijkse praktijk»?
Hoe is het mogelijk dat deze persoonlijke ervaringen van de directeur van het RIVM de basis kunnen vormen voor de RIVM-richtlijnen?
Deelt u de mening dat het schokkend is dat op basis van deze persoonlijke ervaringen van de directeur van het RIVM duizenden zorgmedewerkers in de ouderenzorg geen mondmaskers kregen omdat het Landelijk Consortium Hulpmiddelen de beschermingsmiddelen op basis van deze RIVM-richtlijn over de verpleeghuizen verdeelde? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel meer «persoonlijke ervaringen» en «observaties in de dagelijkse praktijk» van de directeur van het RIVM (dus zonder wetenschappelijke basis) zijn opgenomen in RIVM-richtlijnen of vormen de basis voor coronamaatregelen die het kabinet nam? Kunt u daar een inventarisatie van laten maken?
Begrijpt u dat als u graag wilt dat mensen uw coronamaatregelen opvolgen dat u draagvlak verliest als blijkt dat er maatregelen tussen zitten die gebaseerd zijn op de «persoonlijke ervaring» of «observaties in de dagelijkse praktijk» van de directeur van het RIVM?
Hoe wrang is het dat deze zelfde directeur de talloze superspreadingevents waar tientallen tot honderden mensen tegelijkertijd besmet raakten met corona via microdruppels (aerosols) nog steeds afdoet als «anekdotisch» en niet wetenschappelijk onderbouwd, terwijl China, Amerika, Duitsland en Belgie zomaar wat landen zijn die de belangrijke rol van besmetting via microdruppels (aerosols) wel erkennen?
Hoe gaat u deze onacceptabele deuk in de betrouwbaarheid van de totstandkoming van de richtlijnen van het RIVM en coronamaatregelen herstellen?
Kunt u de interne stukken die Nieuwsuur inzag de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
De regeling terugbetaling van de eigen bijdrage kinderopvang in relatie tot Covid-19 |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD) |
|
Bas van 't Wout (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de brief van 17 april 2020 vertrouwen heeft gewekt bij ouders dat bij substantiële afwijking van het daadwerkelijk gebruik van de kinderopvang ten opzichte van het geschatte verbruik op de peildatum, een herzieningsmogelijkheid zou worden ingericht om de geschatte compensatie opnieuw vast te stellen?1
De tegemoetkoming die ouders met kinderopvangtoeslag ontvangen is een benadering van de daadwerkelijke eigen bijdrage. Dat is ook aangegeven in de eerdere Kamerbrieven hierover. In de Kamerbrief van 17 april waarin de contouren van de vergoeding is toegelicht, is inderdaad opgenomen dat er voor substantiële afwijkingen een herzieningsmogelijkheid zou worden ingericht. Op dat moment is ook aangegeven dat om de vergoeding snel te kunnen organiseren, net als bij andere noodmaatregelen, gekozen zal worden voor een versimpelde vorm. De precieze uitwerking moest op dat moment nog nader vormgegeven worden.
In de beantwoording van de Kamervragen van PvdA-lid Van Dijk ga ik in op de versimpelingen die zijn aangebracht om snel tot vergoeding over te kunnen gaan en te komen tot een sluitend systeem zonder grote lasten voor ouders en kinderopvangorganisaties. Dat betekent dat deze versimpelingen kunnen leiden tot een vergoeding die hoger of lager is dan de daadwerkelijke kosten die door ouders zijn gemaakt.
Een lagere vergoeding kan onder andere komen doordat ouders een lager aantal uren in het systeem hadden staan dan zij daadwerkelijk regulier gebruikten. Belangrijk om daarbij in ogenschouw te nemen is dat als ouders hun gegevens over het aantal gebruikte uren actualiseren, zij een deel van de kosten alsnog via de kinderopvangtoeslag vergoed krijgen. Dit wordt vaak vergeten. Verder geldt dat doordat gekozen is voor een ruime regeling, waarin ouders vergoeding ontvangen voor een relatief lange periode, het nadeel dat sommige ouders ondervinden meestal beperkt is. Ouders ontvangen namelijk voor de periode van 16 maart t/m 7 juni vergoeding, terwijl de kinderopvang en gastouderopvang vanaf 11 mei alweer geheel open waren en de buitenschoolse opvang vanaf die datum weer gedeeltelijk gebruikt kon worden. Vanuit de sector zijn ouders grotendeels gecompenseerd voor het eventuele deel boven de maximum uurprijs. Ook is het goed nog te vermelden dat gebruik van noodopvang in de periode van (gedeeltelijke) sluiting vanwege de uitoefening van een cruciaal beroep voor ouders gratis was.
Gekeken is in welke gevallen ouders door de versimpelingen erg ongunstig uit zouden zijn. Dit bleek met name het geval voor ouders die op de peildatum nog geen kinderopvangtoeslag hadden aangevraagd voor één of meerdere kinderen. Deze ouders zouden anders voor het betreffende kind geen enkele vergoeding ontvangen. Voor deze ouders is een herzieningsmogelijkheid ingericht. Daar ga ik bij vraag 2 op in. Bij overige afwijkingen vraag ik begrip aan ouders.
Op welke manier is de herzieningsmogelijkheid bij substantiële afwijkingen zoals aangekondigd in de brief van 17 april 2020 ingericht? Kunt u aangeven wanneer sprake is van een substantiële afwijking?
Voor kinderen waar voor de peildatum van 6 april 2020 nog geen kinderopvangtoeslag voor één of meerdere kinderen was aangevraagd, is er een herzieningsregeling. Deze ouders zouden anders geen enkele vergoeding krijgen voor de opvang van het betreffende kind. De nieuwe peildatum voor de herziening betreft 4 september 2020. Ouders die voor dit peilmoment voor het eerst kinderopvangtoeslag hebben aangevraagd over de periode van (gedeeltelijke) sluiting, hebben 7 oktober een (aanvulling op de) vergoeding ontvangen.
Welke kaders hebben betrokken uitvoeringsinstanties gekregen om een herzieningsverzoek te kunnen beoordelen?
Zie antwoord op vraag 1 en 2.
Op welke wijze kunnen ouders aangeven gebruik te willen maken van de herzieningsmogelijkheid, bijvoorbeeld omdat ze vanwege werkzaamheden in de zorg meer opvang hebben gebruikt dan op de peildatum 6 april 2020 bij de Belastingdienst aangegeven was?
Ouders hoeven de herziening niet aan te vragen. Op 7 oktober hebben ruim 23.000 ouders automatisch een herziening gekregen nadat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat zij voor 4 september (de peildatum van de herziening) kinderopvangtoeslag hebben aangevraagd voor een «nieuw» kind. De Belastingdienst heeft de relevante gegevens doorgegeven aan de SVB en de SVB heeft de (aanvulling op de) vergoeding uitbetaald. In antwoord 2 zijn de voorwaarden van de herziening opgenomen. Een onjuist aantal uren opvang in het portaal van de Belastingdienst valt hier niet onder. Noodopvang in verband met bijvoorbeeld werkzaamheden in de zorg was gratis. Ouders hoefden hiervoor geen extra uren door te geven.
Hoe verhoudt de herzieningsmogelijkheid zich tot de normale bezwaarschriftprocedure?
Zoals hierboven aangegeven heeft herziening voor betreffende ouders automatisch plaatsgevonden. Dat staat los van de mogelijkheid voor ouders, die het niet eens zijn met de hoogte van de vergoeding, om bezwaar aan te tekenen tegen het tegemoetkomingsbesluit.
Kunt u aangeven hoeveel ouders na terugbetaling van de eigen bijdrage door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) bezwaar hebben ingediend, hoeveel procedures daarvan nog lopen en hoeveel en op welke wijze de andere procedures zijn afgerond, tegen de wijze van berekening van de eigen bijdrage op basis van het aantal afgenomen uren?
Per 5 oktober 2020 waren er 3289 bezwaren ingediend. Op het totale aantal beschikkingen van ruim 570.000 betreft dat ca. 0,6%. Dit is minder dan verwacht. Met het afsluiten van de bezwaartermijn zijn de bezwaarschriften in behandeling genomen. Daarbij wordt ieder bezwaar serieus bekeken. Er lopen op 5 oktober nog 483 procedures naar aanleiding van de initiële beschikking. De Belastingdienst/Toeslagen verwacht begin november de behandeling af te ronden. 2806 bezwaren zijn reeds afgerond. Hiervan betroffen 1474 bezwaren de wijze van berekening van de eigen bijdrage op basis van het aantal afgenomen uren (zie voor deze gevallen ook mijn toelichting bij vraag 1). Voor 177 indieners van een bezwaar ging het om een «nieuw kind» dat nog niet was opgegeven. Deze ouders zijn daarom meegenomen in de herzieningsronde van 7 oktober.
Van de afgeronde procedures heeft dit verder in 25 gevallen tot een gegrond bezwaar geleid en hiermee tot een wijziging van de vergoeding. In 21 gevallen is de vergoeding aangepast, omdat in deze gevallen de wijzigingen wel voor de peildatum waren doorgegeven, maar ze nog niet waren verwerkt. Per 5 oktober zijn bij Belastingdienst/Toeslagen 24 beroepschriften ingediend.
Kunt u aangeven hoeveel ouders hebben verzocht om een herziening van het aantal uren waarover de eigen bijdrage berekend wordt en hoeveel daarvan zijn herzien?
Zoals hierboven beschreven hoefden ouders voor de herziening geen aparte aanvraag te doen. Bij antwoord 2 is toegelicht welke ouders deze herziening hebben ontvangen. Ouders krijgen geen herziening bij een afwijkend aantal uren. Wat betreft het aantal bezwaren tav het aantal uren, zie antwoord 6.
Bent u bereid ouders via kinderopvangorganisaties te informeren over de herzieningsmogelijkheid?
Ouders hebben de herziening automatisch ontvangen als zij kinderopvangtoeslag hebben aangevraagd voor een «nieuw» kind. Op de websites van de rijksoverheid en de SVB is hierover gecommuniceerd. Op de site van de SVB konden ouders lezen hoe de procedure in dit geval werkt. Ouders die voor het eerst kinderopvangtoeslag aanvragen dienen dit altijd tijdig te doen (binnen 3 maanden na de start). Ouders die voor een tweede (of derde, etc.) kind kinderopvangtoeslag aanvragen hebben al een vergoeding voor het eerste kind gekregen. In de beschikking voor dit eerste kind is aangegeven dat de ouder bij eventuele «missende» kinderen, zo snel mogelijk alsnog kinderopvangtoeslag aan moesten vragen voor deze kinderen.
Het bericht dat de marine niet meer in haar eigen haven zou mogen afmeren van de ILT |
|
Roy van Aalst (PVV), Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de marine in een verbeten juridische strijd is verwikkeld met de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over het afmeren van marineschepen in de Nieuwe Haven van Den Helder?1
Bent u het ermee eens dat het te gek voor woorden is dat de marine een enorme dwangsom van maximaal 1 miljoen euro boven het hoofd hangt, enkel en alleen omdat ze in de eigen marinehaven wil afmeren?
Bent u het ermee eens dat Defensie haar taken te allen tijde moet kunnen uitvoeren en dat de ILT niet kan stellen dat Defensie belangrijke activiteiten maar moet beëindigen vanwege zogenaamde «nadelige gevolgen voor het milieu»?
Bent u het ermee eens dat deze situatie zeer ongewenst is en dat deze schepen gewoon moeten kunnen afmeren in Den Helder? Zo ja, bent u bereid daarvoor te gaan zorgen en een einde te maken aan deze belachelijke schertsvertoning?
Het bericht ‘Runderen langs Waal zitten vol gif, verkoop van ‘oervlees’ stilgelegd’ |
|
Carla Dik-Faber (CU), Suzanne Kröger (GL) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Runderen langs Waal zitten vol gif, verkoop van «oervlees» stilgelegd»?1
Ja.
Waarom wordt het nu pas bekend dat er naar alle waarschijnlijkheid hoge doses van de giftige stof dioxine in het bodemslib van de Waal zitten, die bij hoog water in de uiterwaarden terechtkomen?
Antwoord 2
Het is al geruime tijd bekend dat dioxinen voorkomen in het Nederlandse milieu en dus ook in de Waal. Door sanering in het verleden in Nederland is de emissie van dioxinen naar de lucht en water tot vrijwel nul gedaald (https://www.clo.nl/indicatoren/nl0159-emissie-dioxinen-van-afvalverbrandingsinstallaties). Voor dioxines is een doelmatige sanering van bodem en water niet meer mogelijk. Dioxinen hebben echter de eigenschap dat ze nog lang in bodem en water terug te vinden zijn. In een rivier kunnen de stoffen zich via het zwevend stof over grote afstanden verspreiden en uitzakken naar de waterbodem.
Rijkswaterstaat beschikt niet over uitgebreide meetgegevens inzake het voorkomen van dioxine in de waterbodem/baggerspecie. Dioxinen vormen namelijk geen onderdeel van het standaardpakket van stoffen die regulier worden onderzocht voor het opstellen van de milieuverklaring bodemkwaliteit, die is vereist voor het toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater. Er wordt alleen onderzoek gedaan naar aanvullende stoffen zoals dioxinen als daar specifieke aanleiding voor bestaat, bijvoorbeeld omdat er een bekende vervuilingsbron aanwezig is. Het standaardpakket van regulier te onderzoeken stoffen in rijkswateren is bepaald op basis van een onderzoek van Deltares uit 2012, waaruit bleek dat dioxinen in minder dan 5% van de gevallen leidde tot een overschrijding van de klassegrens A voor bagger. Deze klassegrens is gebaseerd op de kwaliteit van het zwevend stof dat via de grote rivieren ons land binnenkomt.
Door de NVWA in het vlees van oerrunderen vastgestelde overschrijdingen van dioxinen roept logischerwijs de vraag op of hier een relatie is met de afzetting van zwevend stof uit de rivier op uiterwaarden bij overstroming. Na afronding van door de NVWA geïnitieerd onderzoek wordt met betrokken departementen bezien of nader onderzoek van dioxinen in de waterbodem in de nabijheid van de uiterwaarden nodig is op locaties waar frequent overstroming plaatsvindt.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat hierdoor niet alleen de uiterwaarden van de rivier vervuild zijn geraakt, maar dat ook de dieren die er grazen zijn besmet met opvallend hoge doses van de stof dioxine? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het zorgelijk is dat er te hoge gehalten dioxinen zijn aangetroffen in dieren die hebben gegraasd in uiterwaarden. Daarom is het van belang dat er goed naar de blootstellingsroutes wordt gekeken. Op basis van de huidige inzichten is het nog niet mogelijk om hier een uitspraak over te doen. Naar verwachting kan het door de NVWA geïnitieerde onderzoek medio 2021 worden afgerond.
Welke mogelijke gezondheidsgevolgen heeft dat voor de grazers? En welke mogelijke gezondheidsgevolgen heeft het consumeren van het vlees van deze dieren voor mensen? Zijn de risico’s van dioxines met betrekking tot de vruchtbaarheid en kanker reëel bij de consumptie van dit vlees?
Er is voor zo ver bekend geen informatie beschikbaar dat er sprake is van gezondheidsrisico voor runderen die in de uiterwaarden grazen voor vegetatiebeheer.
Bij langdurige te hoge blootstelling aan dioxinen, kunnen nadelige gezondheidseffecten optreden. Risico’s voor de vruchtbaarheid zijn bij die te hoge langdurige blootstelling inderdaad reëel, voor kanker is minder duidelijk wanneer een risico optreedt. Of deze effecten ook kunnen optreden na consumptie van het rundvlees met de te hoge dioxinegehaltes is nog onbekend. Zoals aangegeven is onderzoek geïnitieerd om meer inzicht te krijgen in de aanwezigheid van dioxinen (en een aantal andere relevante stoffen) in vlees afkomstig van dieren die in de uiterwaarden langs de grote rivieren hebben gegraasd.
Waarom wordt de verkoop van het vlees van alle dieren, waaronder die van reguliere boeren, die grazen in de uiterwaarden van de Waal, Maas, Rijn en IJssel nog niet stilgelegd zolang er nog een onderzoek loopt of het vlees veilig gegeten kan worden?
Het huidige onderzoek richt zich enkel tot grazers die in het kader van vegetatiebeheer hun hele leven in die gebieden doorbrengen waar de invloed van de rivier het grootst is. Vegetatiebeheer door begrazing is in die gebieden het primaire doel. Dieren van reguliere boeren verblijven over het algemeen niet, zoals de natuurgrazers, hun hele leven in die gebieden en behoren ook tot een ander houderijsysteem. Daarom worden ze niet in dat onderzoek meegenomen. Deze dieren van reguliere boeren worden op dezelfde manier gekeurd als alle andere dieren die in een slachterij komen. Een algehele stop van de handel of op het verkopen van het vlees, van grazers die primair zijn ingezet voor vegetatiebeheer of van dieren van reguliere veehouders, is nu niet aan de orde.
Kan er met zekerheid worden gesteld dat zwemmen in de met dioxine vervuilde rivieren en de uiterwaarden geen extra gezondheidsrisico’s met zich brengt voor mensen? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Het ministerie Infrastructuur en Waterstaat heeft het RIVM verzocht te berekenen in hoeverre dioxinen in rivierwater gezondheidsrisico’s kunnen veroorzaken voor zwemmers. Het RIVM heeft hiervoor gebruik gemaakt van de meetgegevens in de rivier de Rijn (meetpunt Lobith) van Rijkswaterstaat uit 2018. Het RIVM heeft met die gegevens de blootstelling voor zwemmende volwassenen en kinderen berekend. De berekeningen laten zien dat de blootstelling aan dioxinen als gevolg van zwemmen ruim lager is dan de gezondheidskundige grenswaarde, zelfs als men levenslang iedere dag in dit water zwemt.
Hoe kan het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) momenteel onderzoek moet doen naar de aanwezigheid van deze stoffen in het verontreinigde slib dat gestort is en wordt in de voormalige zandafgravingen langs de rivieren? Waarom was dit nog niet bekend? En op welke termijn wordt het onderzoek naar verwachting afgerond?
De NVWA doet geen onderzoek naar dioxine in bagger dat wordt toegepast in diepe plassen die in verbinding staan met rivieren. Bagger die wordt toegepast in diepe plassen moet voldoen aan de milieuhygiënische eisen van het Besluit Bodemkwaliteit. Zie ook de antwoorden op vraag 2.
Wat zijn de vervolgstappen die u zult nemen als het bodemslib zwaar vervuild blijkt te zijn? Welke mogelijkheden zijn er bijvoorbeeld om de kwaliteit van het bodemslib te verbeteren?
Bagger dat niet voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit mag niet binnen rivier herplaatst of toegepast worden in diepe plassen. Deze kwaliteit bagger komt in aanmerking voor stort. Op basis van het geïnitieerde onderzoek zal ik nader bezien of maatregelen nodig zijn.
Wordt er onderzocht of er nog steeds met dioxine vervuild bodemslib gestort wordt in de voormalige zandafgravingen? En wanneer worden de resultaten daarvan verwacht? Indien uit het onderzoek blijkt dat er nog steeds met dioxine vervuild bodemslib gestort wordt, kunt u hierbij toezeggen dat deze activiteiten met onmiddellijke ingang worden beëindigd?
Het materiaal dat wordt toegepast in diepe plassen moet altijd voldoen aan de milieu hygiënische eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Er zijn geen aanwijzingen dat in zandputten toegepaste bagger verhoogde concentraties aan dioxine bevat. Eerst zullen metingen worden verricht op het voorkomen van dioxine in de waterbodem. Zie hiervoor ook de antwoorden op vragen 2, 7 en 8.
Gezien de grote hoeveelheid aan incidenten met betrekking tot vervuilde bodemstort, welke concrete maatregelen neemt u om dit type milieuvervuiling tegen te gaan?
Er is thans geen aanwijzing voor een incident met stort van grond die is vervuild met dioxinen.
Een flinke groei van het aantal mensen dat een beroep moet gaan doen op voedselbanken |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Bas van 't Wout (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorgen bij Voedselbank: aantal klanten stijgt, aanbod voedsel slinkt»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat steeds meer voedselbanken moeite hebben om van (lokale) supermarkten voedsel te ontvangen, omdat steeds meer winkelformules producten verkopen, die tegen de houdbaarheidsdatum aan zitten, tegen een goedkopere prijs?
Ja, na de zomer heeft Voedselbanken Nederland het signaal gedeeld dat steeds meer voedselbanken te maken krijgen met een teruglopend voedselaanbod van lokale supermarkten. Supermarkten zetten zich met succes in om verspilling van voedsel te beperken door bijvoorbeeld tegen gereduceerd tarief producten te verkopen die nog beperkt houdbaar zijn.
Klopt het dat het succes van supermarkten in het bestrijden van voedselverspilling als keerzijde heeft dat ze minder voedsel kunnen schenken aan voedselbanken?
Het is positief dat de aanpak van voedselverspilling, ook door supermarkten, vruchten afwerpt, maar het heeft inderdaad mogelijk tot gevolg dat lokale voedselbanken te maken hebben of krijgen met een teruglopend voedselaanbod.
Deelt u de zorg dat door de economische gevolgen van de coronapandemie steeds meer mensen, door bijvoorbeeld het verlies van werk of opdrachten, in de komende maanden een beroep gaan doen op voedselbanken?
Deze zorg deel ik. Voedselbanken Nederland heeft in de zomer haar zorgen gedeeld over een verwachte toename van het aantal klanten door de gevolgen van de coronacrisis. Het kabinet zet zich, samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties in om financiële problemen van burgers en bedrijven zoveel mogelijk te voorkomen en terug te dringen. Helaas kunnen problemen niet altijd worden voorkomen. Het is van belang dat voedselbanken hun belangrijke functie ook voor deze groep kunnen vervullen.
Hoeveel van de vier miljoen euro subsidie die het kabinet beschikbaar heeft gesteld aan voedselbanken is ondertussen al gebruikt?
Zie het antwoord op vraag 6.
Is deze vier miljoen euro voldoende om de voedselbanken te ondersteunen, gezien de ontwikkeling dat het klantenaantal met 8,5% is toegenomen ten opzichte van 30 juni 2019?
Het kabinet stelde dit voorjaar vier miljoen euro beschikbaar als vangnet voor het calamiteitenfonds van Voedselbanken Nederland (VBNL), voor het geval dit fonds op enig moment ontoereikend is om corona-gerelateerde kosten van voedselbanken te kunnen betalen. Tot op heden zijn de middelen in het calamiteitenfonds toereikend voor het leveren van de benodigde steun aan de voedselbanken en is er nog geen aanspraak gemaakt op de beschikbaar gestelde vangnet middelen.
In de brief die ik heden, mede namens de Minister van LNV aan uw Kamer heb aangeboden over ondersteuning voedselbanken, geef ik aan dat het kabinet bereid is om de eerder toegekende vier miljoen euro subsidie als vangnet in te zetten voor bredere ondersteuning van de voedselbanken om te voorkomen dat op enig moment onvoldoende voedsel voor voedselbanken beschikbaar is.
Klopt het dat de omzet van supermarkten fors is gestegen als gevolg van de coronapandemie?
Uit voorlopige cijfers van het CBS blijkt inderdaad dat de omzet van supermarkten in de eerste helft van 2020 is toegenomen ten opzichte van een jaar eerder. Vooral in maart was er sprake van een forse toename, toen lag de supermarktomzet 13,1 procent hoger dan het jaar ervoor. Na maart zwakte de omzettoename wel weer wat af.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met de supermarkten om te kijken op welke wijze de supermarkten een deel van de omzetstijging kunnen aanwenden om de voedselbanken te ondersteunen?
Supermarkten werken al samen met voedselbanken en zetten regelmatig acties op om voedselbanken te ondersteunen. Het is aan supermarkten zelf om te bekijken of en op welke manier zij voedselbanken (aanvullend) willen ondersteunen.
Daarnaast heeft het kabinet in de brief over ondersteuning voedselbanken aangegeven op korte termijn in gesprek nader in gesprek te gaan met Voedselbanken Nederland, partijen in de voedselketen en gemeenten over de situatie van de voedselbanken en de mogelijkheden om hen te ondersteunen.
Klopt het dat Nederland een beroep kan doen op het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) om de voedselbanken in de periode 2021–2027 te ondersteunen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Is het kabinet bereid een beroep te doen op het FEAD om voedselbanken in Nederland te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Wanneer het kabinet ervoor kiest om wel een beroep te doen op het FEAD om de voedselbanken in Nederland te ondersteunen, welk bedrag zou Nederland dan maximaal uit dit Fonds kunnen ontvangen?
De nieuwe programmeringsperiode voor de periode 2021–2027 bundelt verschillende sociale fondsen in het zogenaamde ESF+ met daarin onder meer het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het voormalige Europees Fonds voor Meest Behoeftigen (FEAD). In de brief over ondersteuning voedselbanken heeft het kabinet uitgesproken bereid te zijn om de minimale 2 procent van de voor Nederland beschikbare middelen uit het ESF+ die ten behoeve moet komen van de meest behoeftigen doelgroep in te zetten voor ondersteuning van de voedselbanken.
De Europese Commissie heeft voor het ESF+ een budget voor Nederland van ongeveer 414 miljoen euro voorgesteld. Definitieve zekerheid over dit bedrag en over de minimale inzet van 2% (circa 8 miljoen euro) voor de doelgroep van meest behoeftigen kan pas worden gegeven wanneer er een definitief onderhandelingsresultaat is op de Europese regelgeving met betrekking tot het ESF+.
Wilt u deze vragen voor Prinsjesdag beantwoorden?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
De uitzending 'Vermalen door instanties' van het televisieprogramma Hollandse Zaken. |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending «Vermalen door instanties» van het televisieprogramma Hollandse Zaken?1
Ja.
Wat is uw reactie op het commentaar dat het «Claimbeoordelings- en Borgingssysteem» (CBBS-systeem), de computerdatabase waarmee het UWV vaststelt voor welke functie(s) een cliënt geschikt is, niet verifieerbaar is waardoor cliënten moeilijk (of niet) kunnen nagaan of er terechte conclusies aan de uitkomst van het CBBS-systeem worden verbonden?
Ik ben bekend met het signaal dat het CBBS door uitkeringsgerechtigden en hun vertegenwoordigers soms als ondoorzichtig en moeilijk controleerbaar wordt ervaren.
In het gesprek dat een verzekerde bij de WIA-beoordeling heeft met een arbeidsdeskundige van het UWV geeft de arbeidsdeskundige uitleg bij het resultaat van de beoordeling. De arbeidsdeskundige legt de verzekerde uit hoe de matching tussen de vastgestelde beperkingen en de functiebeschrijvingen van de door het CBBS geduide functies heeft plaatsgevonden. Zo kan de verzekerde verifieren of de matching op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Op verzoek van betrokkenen verstrekt UWV ook uitdraaien uit het CBBS, met daarin uitgebreide informatie over de geduide functies en de belastbaarheid die daarbij hoort. Een verzekerde heeft uiteraard altijd de mogelijkheid om in bezwaar en eventueel beroep te gaan bij twijfel aan de juistheid van deze matching en de uitkomst van de beoordeling.
De Stichting van de Arbeid heeft mij op 8 juli 2020 haar advies aangeboden over het vergroten van de arbeidsparticipatie van mensen met een verminderde arbeidsgeschiktheid. Hierin stellen zij onder andere voor het proces van de claimbeoordeling transparanter te maken voor betrokkenen. Ik zal hierover in gesprek gaan met de sociale partners en UWV. Over de uitkomst van deze gesprekken zal ik u voor het einde van dit jaar informeren.
Kunt u aangeven wat het begrip «kapdatum», waarvan cliënten van het UWV aangeven dat dit op diverse brieven van het UWV vermeld staat, inhoudt, en waarom en in welke gevallen dit gebruikt wordt? Welke gevolgen heeft het wanneer in een dossier een datum als «kapdatum» wordt gehanteerd?
UWV heeft mij desgevraagd aangegeven dat in het UWV-systeem dat de uitkeringen op grond van de arbeidsongeschiktheidswetten verzorgt maandelijks op een bepaald moment (meestal de tweede zondag van de maand) alle uitkeringen worden klaargezet voor verdere afhandeling en uitbetaling. Alle mutaties tot aan dat moment hebben nog effect op de uitkering van die maand. Mutaties na dat moment werken door in de uitkering van de maand daarop. Het moment dat bepalend is voor de vraag of mutaties nog meegenomen kunnen worden in de lopende maand wordt bij UWV intern de kapdatum genoemd. In de brieven van UWV wordt deze interne term niet meer gebruikt.
De kapdatum is geen wettelijk gedefinieerde term.
Wat is de rol/functie van een kapdatum in de werkprocessen van het UWV? Hoezeer is een kapdatum een wettelijk gedefinieerde term?
Zie antwoord vraag 3.
Wat kunnen cliënten doen wanneer zij in hun correspondentie met het UWV onjuiste gegevens, zoals een verkeerde (kap)datum (bijv. 30 februari), tegenkomen? Is bekend hoeveel meldingen over dergelijke fouten het UWV jaarlijks krijgt?
Mensen die correspondentie van UWV ontvangen met daarin onjuiste gegevens kunnen daarover contact opnemen met UWV. Als het om een verschrijving gaat, dan Iegt UWV dit aan de verzekerde uit. Indien gewenst kan UWV een correctiebrief verzenden.
Als het gaat om onjuiste feitelijke informatie in de rapportages van de verzekeringsarts of arbeidsdeskundige, dan kan de verzekerde een beroep doen op het «inzage- en correctierecht» om de onjuistheid in de rapportage(s) te corrigeren.
Als het geen verschrijving betreft, maar de verzekerde is het oneens met de inhoud van de beslissing van UWV, bijvoorbeeld over het recht, hoogte, of de duur van de uitkering, dan kan hij of zij bezwaar ma ken tegen deze beslissing.
Het is niet bekend hoeveel meldingen over fouten in correspondentie UWV jaarlijks krijgt. In het jaarverslag van UWV staat wel vermeld hoeveel klachten en
bezwaar- en beroepszaken zijn afgehandeld in het verslagjaar.
Kunt u aangeven of, en zo ja waarom, het UWV cliënten adviseert om in plaats van een WW- een ZW-uitkering aan te vragen, zoals aan de orde komt in de betreffende uitzending van Hollandse Zaken? Is dit wettelijk toegestaan? Wat kunnen hiervan de gevolgen zijn voor cliënten?
Het is mogelijk dat in de uitvoeringspraktijk een WW-gerechtigde aangeeft dat hij niet aan zijn re-integratieverplichtingen kan voldoen vanwege medische problemen. De verzekerde kan dan door een UWV-medewerker worden geadviseerd om een ZW-uitkering aan te vragen om langs die weg meer duidelijkheid te verkrijgen over zijn situatie en belastbaarheid. Bij de beoordeling van een eventueel recht op ZW wordt onderzoek gedaan naar de vraag of de verzekerde mogelijk in staat is om arbeid te verrichten. Is dat het geval, dan blijft het WW-recht van kracht. Is dat niet het geval, dan ontstaat – na een wachttijd van 13 weken – een ZW-recht.
In het algemeen geldt dat de WW- en ZW-uitkering verschillende toelatingscriteria hebben. Ook verschillen de verplichtingen tijdens de uitkering. Als iemand de «verkeerde» uitkering aanvraagt kan dat betekenen dat hij of zij niet aan de criteria of de verplichtingen voldoet. Het is mogelijk dat de verzekerde daardoor geen uitkering toegekend krijgt of een maatregel opgelegd krijgt wegens het niet voldoen aan de voorwaarden.
In hoeverre ontvangt u, net als de Kamer, signalen dat (sociaal) advocaten moeilijkheden ondervinden bij het vaststellen van het zogenaamde «maatmanloon» als vertrekpunt voor de berekening van uitkeringen, met name bij langlopende dossiers waarbij er bijvoorbeeld sprake is van samenloop van WAO en ZW? Vindt overleg plaats tussen het UWV en (vertegenwoordigers van) de sociale advocatuur om tot heldere uitgangspunten en het oplossen van knelpunten te komen ten aanzien van de herleidbaarheid van uitkeringsberekeningen? Zo nee, bent u bereid dit overleg te initiëren?
De vaststelling van het maatmanloon wordt in de rapportage van de arbeidsdeskundige toegelicht. UWV zendt deze rapportage aan de verzekerde toe. Als de verzekerde vragen heeft of twijfelt aan de juistheid van de vaststelling kan hij of zij contact opnemen met UWV en om nadere uitleg vragen. Indien de verzekerde het hierna oneens is met de vaststelling, kan hij of zij via bezwaar en eventueel beroep, al dan niet bijgestaan door een (sociaal) advocaat, specifiek ingaan op vragen over dit onderwerp.
Signalen dat (sociaal) advocaten moeilijkheden ondervinden bij het controleren van het maatmanloon hebben mij tot nu toe niet bereikt.
UWV heeft mij laten weten dat er bijeenkomsten plaatsvinden tussen de UWV-stafdirectie Bezwaar en Beroep en de sociale advocatuur, om thema's zoals het CBBS te bespreken. Zowel UWV als vertegenwoordigers van de sociale advocatuur kunnen voor dit overleg gespreksonderwerpen aandragen.
Kunt u verduidelijken waarnaar het nummer/kenmerk verwijst dat onderaan in brieven van het UWV, in langlopende dossiers, staat vermeld en dat vooraf wordt gegaan door de letters -exe- (voorbeeld: exe.94)?
Uit navraag bij UWV blijkt dat het hier vermoedelijk gaat om het briefnummer dat binnen UWV wordt gebruikt om binnen het «brievenboek» een brief op basis van een passend format op te stellen.
Hoe krijgt het uitgangspunt dat de uiteindelijke beslissing over een sociaal-medische (her)keuring, en eventueel functiebeperking, altijd door een verzekeringsarts moet worden genomen in de praktijk vorm? Betekent dit bijvoorbeeld dat een dergelijk besluit de handtekening van een arts moet bevatten? In hoeverre is dit voor een UWV-cliënt inzichtelijk?
De beslissing bij een sociaal-medische beoordeling komt tot stand op basis van de wet en het Schattingsbesluit. Bij een WIA-beoordeling beoordelen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige de belastbaarheid en de restverdiencapaciteit van de verzekerde die beschikt over functionele mogelijkheden. Beide beoordelaars stellen ieder een rapportage op, voorzien van een digitale handtekening.
Het definitieve recht op uitkering wordt vastgesteld door een juridisch-administratief medewerker. Bij de beslissing over het uitkeringsrecht zendt UWV de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige aan de verzekerde toe.
Het besluit over het recht op uitkering bevat geen handtekening van de verzekeringsarts of de arbeidsdeskundige. Dit is niet wettelijk vereist.
Het bericht 'Ergernis en chaos bij werving GGD' |
|
Maarten Hijink (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ergernis en chaos bij werving GGD»?1
Ik heb het bericht aandachtig gelezen. In onderstaande antwoorden zal ik nader ingaan op specifieke onderdelen van het bericht.
Hoe is de carte blanche voor de GGD te rijmen met de jarenlange bezuinigingen? Wat is uw reactie op professionals die stellen dat ze in de praktijk niet zoveel hebben aan die carte blanche?
Over de reguliere financiering van GGD’en maken gemeenten afspraken met hun GGD. Ten tijde van het Stimuleringsprogramma Betrouwbare Publieke Gezondheid is door AEF onderzoek gedaan naar taken, mensen en middelen van de GGD’en met als titel «GGD’en in beeld». Uw Kamer is geïnformeerd door middel van de brief van 12 september 2017 waarbij dit onderzoek toegestuurd is (Kamerstukken 32 793, nr. 277). Uit dit onderzoek blijkt onder andere dat alle GGD’en de taken uit de Wet publieke gezondheid (Wpg) goed kunnen uitvoeren. Ook blijkt uit dat onderzoek dat zij goed ingericht zijn op veranderende omstandigheden en innovatie.
Voor de bestrijding van COVID-19 heb ik aangegeven dat het Rijk de meerkosten voor de GGD’en draagt. Dit gebeurt ook. Er zijn financiële afspraken gemaakt met de VNG en GGD GHOR Nederland. Mede hierdoor hebben de GGD’en hun capaciteit voor testen en traceren enorm kunnen opschalen. Dit neemt niet weg dat de GGD’en voor een enorme opgave hebben gestaan en nog steeds staan. Ondanks alle (financiële) afspraken zal niet altijd alles direct goed verlopen. Ik zet mij er dan ook voor in om alle knelpunten die opspelen zo snel mogelijk samen met de GGD’en op te lossen.
Deelt u de mening dat GGD’en het zich niet kunnen permitteren onrealistische eisen te stellen aan potentiële bron- en contactonderzoekers? Kunt u uw antwoord toelichten?
De werving van medewerkers voor het bron- en contactonderzoek (BCO) wordt door de GGD’en en GGD GHOR Nederland zelf georganiseerd. Dit verloopt langs drie wegen:
Landelijk wordt geworven op basis van een functieprofiel. Dit functieprofiel is door GGD GHOR Nederland opgesteld waarbij een expertteam van artsen infectieziektebestrijding en verpleegkundigen is geraadpleegd. Uit dat functieprofiel blijkt een behoefte aan hbo-niveau. De reden daarvoor is dat bij het uitvoeren van het BCO de medewerker in staat moet zijn om in verschillende casussen risico’s in te schatten en daar een gedegen analyse van te maken.
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat criteria voor bron- en contactonderzoekers per regio zo uiteenlopen, omdat de 25 GGD’en hun eigen criteria bepalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie ook mijn antwoord op vraag 3. Er wordt geworven op basis van een functieprofiel. Het is wel goed mogelijk dat in een regio behoefte is aan specifieke vaardigheden of ervaring, omdat dit bijvoorbeeld complementair is aan het bestaande team. Dit is met name het geval bij de werving van artsen infectieziektebestrijding. Daarnaast kunnen ook regionale verschillen op de arbeidsmarkt ertoe leiden dat regionaal met net iets andere criteria wordt geworven.
Is het niet onwenselijk dat GGD’en werving en selectie uitbesteden aan commerciële uitzendbureau’s?
Zoals ik al aangaf in mijn antwoord op vraag 2, staan de GGD’en nog altijd voor een enorme opgave. Dit geldt zowel voor de omvang van de bestrijding van deze epidemie als voor de opschaling van de capaciteit die als gevolg hiervan nodig is. Het is daarom begrijpelijk dat zij zoveel als mogelijk focussen op de bestrijding van het virus en hulp inroepen bij de werving.
Wat is een normaal te achten loon voor mensen die aan bron- en contactonderzoek doen en aan welke opleidingseisen dienen zij te voldoen? Vindt u een loon van 10 euro bruto per uur een normaal salaris voor een dergelijke functie?
Zie ook mijn antwoord op vraag 3. Op basis van het functieprofiel worden BCO medewerkers geworven. Ik ga niet over het salaris van deze medewerkers. Uit navraag ten aanzien van het salaris blijkt dat er verschillen zijn per regio. Dit komt omdat zowel de regio’s zelf werven, als de landelijke dienst. Er wordt gewerkt met verschillende partners met aparte contracten.
Wat is uw reactie op de uitspraak: «Ik heb de indruk dat Minister De Jonge [Volksgezondheid, CDA] steeds van alles wil, terwijl de GGD niet durft te zeggen: dit lukt ons niet»?
Ik herken dit beeld niet. De besluitvorming rondom de bestrijding van het virus vindt steeds na goed overleg met onder andere de GGD’en plaats. De GGD’en zijn op allerlei plekken vertegenwoordigd in het besluitvormingsproces. Een vertegenwoordiger van de GGD’en is lid van het Outbreak Management Team (OMT) en de GGD is vertegenwoordigd in het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO). Daarnaast is er regelmatig overleg met de directeuren publieke gezondheid van de GGD’en, waar wordt gesproken over het beleid voor testen en traceren.
Bent u bereid centrale regie te organiseren en genoeg ondersteuning te bieden om mensen te werven voor het bron- en contactonderzoek? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 28 augustus jl. aan uw Kamer (Kamerstukken 25 295, nr. 510) ben ik reeds ingegaan op de opschaling van de BCO capaciteit. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de bestrijding van COVID-19 geef ik opdrachten aan de landelijke organisatie van GGD GHOR Nederland. De opdracht is vanuit de landelijke organisatie de regionale GGD-en te ondersteunen bij de bestrijding van COVID-19. Daaronder valt hun wettelijke taak tot het uitvoeren van BCO. GGD GHOR Nederland ondersteunt GGD’en onder andere door de landelijke schil aan BCO-medewerkers die snel ingezet kunnen worden in de regio’s met een hoge besmettingsdruk. GGD GHOR Nederland werkt daarvoor samen met landelijke alarmcentrales en het Rode Kuis die ook de werving verzorgen. Via deze structuur wordt de regie op het BCO vormgegeven.
r het integraal opschalingsplan testen en traceren. Er wordt dus alles aan gedaan om voldoende capaciteit klaar te hebben staan voor BCO, ook in het najaar.
Ik kan helaas nooit garanderen dat er altijd voldoende capaciteit beschikbaar is voor het uitvoeren van het BCO conform het protocol in alle regio’s. Er zullen zich, in een crisis als deze, altijd onverwachte situaties voor doen waar zo wendbaar en flexibel mogelijk op ingespeeld zal worden. Het RIVM heeft daarom de handreiking maatregelen bij clusters en regionale verspreiding van COVID-19_ opgesteld. Hierin wordt toegelicht hoe BCO tijdelijk anders uitgevoerd kan worden op het moment dat er zich een dergelijke onverwachte situatie voordoet, waarbij de opgeschaalde BCO capaciteit toch niet voldoende blijkt.
De aanpassing van de Drank- en Horecawet. |
|
Wybren van Haga (Lid-Haga) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de voorgenomen invoeringsdatum van 1 januari 2021 te vroeg komt voor een goede uitvoering van de wet, omdat afspraken tussen retailers en producenten over kortingsacties ver van te voren worden gemaakt in verband met de tijd die nodig is om de acties voor te bereiden?
Op 16 juli jl. heb ik gesproken met vertegenwoordigers van de retailers, producenten en groothandelaren over de voorgestelde regels over prijsactie voor alcoholhoudende drank. Ik ben in dat overleg geïnformeerd over de wijze waarop kortingsacties worden voorbereid en de zorgen die er bestaan over de eventueel korte voorbereidingstermijn.
Ik vind het belangrijk dat er een redelijke overgangstermijn geldt voordat de nieuwe maatregelen in werking treden, zodat producenten en verstrekkers zich hierop kunnen voorbereiden. Ik zal het gesprek met hen over wat een dergelijke termijn zou kunnen zijn, daarom in de komende maand voortzetten.
Bent u zich ervan bewust dat deze voorbereiding minimaal een half jaar duurt, waardoor de wet zeker niet eerder in werking kan treden dan 1 juli 2021?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom zal de NVWA pas een maand voordat de wet in werking treedt haar handhavingsbeleid in de Staatscourant publiceren?
De NVWA begint bij alle wetswijzigingen pas met het opstellen van het handhavingsbeleid als het wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aangenomen. Dit voorkomt dat er voorbereidingen worden getroffen die later niet nodig bleken te zijn, omdat het wetsvoorstel, bijvoorbeeld door amendementen, is gewijzigd. Het handhavingsbeleid van de NVWA zal uiterlijk één maand van tevoren worden gepubliceerd. Indien mogelijk zal de NVWA dit eerder doen.
Bent u zich ervan bewust dat indien pas een maand voor invoering van de wet duidelijkheid omtrent het handhavingsbeleid wordt verschaft, dit veel te kort dag is om kortingsacties voor te bereiden?
In het handhavingsbeleid van de NVWA wordt neergelegd welke maatregel zal worden ingezet bij een geconstateerde overtreding, zoals de schriftelijke waarschuwing, de bestuurlijke boete of de last onder dwangsom. Deze informatie zou geen invloed moeten hebben op de voorbereidingen voor de kortingsacties door producenten en retailers. Immers, in de wet staat reeds waar kortingsacties aan dienen te voldoen.
Zou u zo vriendelijk willen zijn om deze vragen te beantwoorden voordat het debat hierover plaatsvindt?
Ja.