Het bericht ‘Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: ‘Dit is zeer zorgelijk’' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: «Dit is zeer zorgelijk»»?1
Ja.
Hoe kan het dat Chemelot jarenlang kennelijk veel meer kankerverwekkende stoffen uitstoot dan het rapporteert? Waarom stelt de provincie vertrouwen te hebben in de cijfers van Chemelot, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) daar geen zekerheid over geeft?
De provincie Limburg is bevoegd gezag voor Chemelot. De Omgevingsdienst Zuid-Limburg (ODZL) houdt namens de provincie toezicht, met zowel wettelijke controles als bovenwettelijke controlemetingen.
De provincie Limburg heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd2. De provincie Limburg heeft daarin aangegeven dat de ODZL, net als het RIVM, verschillen heeft gevonden tussen de gemeten immissiewaarden en berekeningen van immissiewaarden op basis van de geregistreerde emissiegegevens van Chemelot.3, 4
Verschillen tussen berekeningen en metingen zijn niet ongebruikelijk, maar vanwege de grootte van de verschillen tussen de immissiemetingen en de verspreidingsberekeningen heeft de ODZL veelvuldig met Chemelot gesproken en is nader onderzoek gepleegd naar mogelijke oorzaken bij Chemelot. Volgens de ODZL werd de stijging van immissies veroorzaakt door lekkages bij twee pompen en een niet goed functionerende fakkelinstallatie. De lekkages zijn in het najaar van 2023 verholpen en de betreffende fakkelinstallatie is sinds 2024 niet meer in gebruik voor dit productieproces.
Sinds deze maatregelen zijn getroffen, liggen de berekende en gemeten waarden dichter bij elkaar en laten metingen zien dat de concentraties van geëmitteerde stoffen in de lucht in de afgelopen jaren zijn gedaald.
Hoe reageert u op emeritus-hoogleraar Toxicologie Martin van den Berg, die stelt dat «de uitstoot dusdanig overschrijdend is dat de omgevingsdienst hier direct met Chemelot over om tafel had gemoeten»?
De ODZL is naar aanleiding van de verschillen tussen metingen en berekeningen met Chemelot in overleg getreden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Is Chemelot inderdaad meteen aangesproken en welke maatregelen heeft de provincie genomen?
Ja, de ODZL is naar aanleiding van de verschillen tussen metingen en berekeningen met Chemelot in overleg getreden en er zijn maatregelen getroffen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Wat zijn de gezondheidseffecten en de potentiële risico’s van de stapeling van schadelijke stoffen voor de omwonenden?
Het bepalen van gezondheidseffecten en potentiële risico’s die optreden door «stapeling» van schadelijk stoffen is zeer complex en hierover is veel nog niet bekend. Om deze risico’s te ondervangen wordt in Europees verband (REACH) o.a. de mogelijkheid van een «mixture assessment factor» onderzocht voor het beoordelen van stoffen.
De concentraties van individuele chemische stoffen in de lucht bij Chemelot, gemeten of berekend, laten zien dat het maximaal toelaatbaar risico (MTRlucht) voor desbetreffende stoffen niet wordt overschreden. Het MTR is gedefinieerd als de kans op maximaal één extra geval van overlijden (door kanker) op een miljoen mensen per jaar door blootstelling aan een stof.
Bij RIVM-onderzoek naar de toepasbaarheid van de Hazard Index-methode (bedoeld om mengselrisico’s vast te kunnen stellen) is voor drie stoffen5 die specifiek op grond van hun risicoprofiel door ODZL zijn bemeten, een mengselrisico geconstateerd bij meetpunt Vouershof (op/aan de rand van het Chemelotterrein) voor de jaren 2018–2021 en 2023. Hierover is gerapporteerd in het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot».
De gezondheidseffecten van «stapeling» met andere stoffen zoals NOx en fijnstof zijn helaas nog lastiger te duiden. Daarom blijft de inzet gericht op de terugdringing van álle schadelijke emissies, onder andere door het opstellen vermijdings- en reductieprogramma’s (VRP’s) voor de industrie bij zeer zorgwekkende stoffen.
Wat betekent het volgens u dat uit onderzoek blijkt dat omwonenden van Chemelot hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijk gemiddelde, dat de zorgkosten daar aanzienlijk hoger liggen dan het landelijk gemiddelde en dat omwonenden van Chemelot – in vergelijking met andere Nederlandse gemeenten – significant meer chronische ziekten, een minder goede algemene gezondheid en een lager mentaal welzijn rapporteren?
Het kabinet heeft vernomen dat de omwonenden bij Chemelot helaas hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijke gemiddelde. De gezondheid van omwonenden van industrie wordt bepaald door verschillende factoren, zoals leefomgeving, arbeid, opleiding, inkomen, leefstijl en genetische factoren.6 Gezondheid is in Nederland, maar ook in de rest van de wereld, helaas niet gelijk verdeeld. We zien verschillen in ervaren gezondheid tussen regio’s en wijken, maar ook tussen mensen met een hoger en lager inkomen en een hogere of lagere opleiding. Al deze factoren kunnen een rol spelen in het lager ervaren van gezondheid van omwonenden bij Chemelot. Naast een adequaat stoffenbeleid (zie het antwoord op vraag 5) is dus ook het terugdringen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen een belangrijk doel van het preventiebeleid van het kabinet.
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Gera Nagelhout dat de waslijst aan gezondheidsklachten in de regio angstaanjagend is (vaker astma, longaandoeningen, hart- en vaatziekten, kanker, slaapproblemen, geluidsoverlast, etc.)?
In een aantal regio’s en wijken komen gezondheidsklachten vaker voor dan elders in Nederland. Dat geldt ook voor andere delen van Zuid-Limburg.7 Hier kunnen verschillende factoren een rol in spelen. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Van Schayck dat er in het Chemelot-rapport gekeken is naar slechts drie afzonderlijk gerapporteerde zeer zorgwekkende stoffen (terwijl er meer schadelijke stoffen zijn uitgestoten) en dat als de logische stap was gezet om het effect van die stoffen bij elkaar op te tellen, de uitstoot boven de grenswaardes van wat gevaarlijk is zou uitkomen?
In het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» is voor de beoordeling van het mengselrisico gekeken naar meer dan de drie zeer zorgwekkende stoffen (ZZS’en). Op basis van de beschikbare gegevens uit de emissieregistratie zijn vijftien zeer zorgwekkende stoffen (ZZS’en) in de analyse betrokken8. Voor drie van de twaalf ZZS’en (namelijk 1,3-butadieen, monovinylchloride en benzeen) zijn (immissie)metingen op leefomgevingsniveau beschikbaar, die door de ODZL zijn uitgevoerd.
De keuze om juist deze drie stoffen te meten op leefomgevingsniveau en hiervoor het mengselrisico op de locatie van het meetpunt te bepalen, hangt samen met het gegeven dat juist deze drie stoffen belangrijke bijdrages leveren aan het mengselrisico. Dit wordt uitvoeriger beargumenteerd in de rapportage van ODZL (zie ook mededeling provincie Limburg9) en het RIVM-rapport (Risicobeoordeling mengsels van stoffen bij de industriële uitstoot naar lucht: casus Chemelot).
Voor het antwoord op het tweede deel van de vraag, zie ook het antwoord op vraag 5.
Waarom is er niet gerapporteerd over de nog ongeveer twaalf andere zeer zorgwekkende stoffen die bij de vergunning horen?
In het RIVM-onderzoek «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» zijn ook de genoemde twaalf andere ZZS’en meegenomen. In dit onderzoek zijn voor deze ZZS’en de berekende totale jaargemiddelde luchtconcentraties opgenomen op basis van de Emissieregistratie, omdat hiervoor geen metingen op leefomgevingsniveau beschikbaar zijn. De stoffen die zijn doorgerekend, zijn de stoffen uit de Emissieregistratie die ook op de ZZS-lijst van het RIVM staan. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Wordt er nog op korte termijn gekeken wat de stapeling en cocktail aan schadelijke stoffen voor effect heeft op de gezondheid van de omwonenden? Op welke manier wordt in de tussentijd het voorzorgsbeginsel toegepast?
De bepaling van gezondheidseffecten door stapeling en mengselvorming van chemische stoffen is op dit moment nog niet goed mogelijk. Dit blijkt onder andere uit het cumulatieonderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de Actieagenda Industrie en omwonenden10. Daarom wordt hier nader onderzoek naar gedaan. Zo loopt op dit moment bijvoorbeeld een onderzoek bij het RIVM naar de Hazard Index-methode. Zie ook het antwoord op vraag 5.
In het kader van het Impulsprogramma Chemische Stoffen onderzoekt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (mede op basis van de onderzoeksuitkomsten) hoe cumulatie van chemische stoffen het best in beleid kan worden meegenomen. Toepassing van het voorzorgsbeginsel is een afweging die aan het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Limburg, is.
Bent u het ermee eens dat extra bescherming van de gezondheid van omwonenden niet nog jarenlang op onderzoek mag wachten, maar dat er uit voorzorg extra maatregelen moeten worden getroffen? Zo nee, waarom neemt u onnodige risico’s met de gezondheid van mens en milieu?
Toepassing van het voorzorgsbeginsel is een afweging die aan het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Limburg, is. Zie verder de antwoorden op vragen 5, 6 en 10.
Bent u het met hoogleraar Van Schayck eens dat de provincie als vergunningverlener moet eisen dat de ontbrekende concentraties van zeer zorgwekkende stoffen in kaart worden gebracht en dat als Chemelot zich niet aan de vergunning houdt, er handhavend moet worden opgetreden?
Zoals uit het antwoord op vraag 2 blijkt, is hier door de provincie Limburg als bevoegd gezag actie op ondernomen. Het bevoegd gezag opereert in dit soort kwesties overigens onafhankelijk, met in achtneming van de wettelijke kaders.
Wanneer zijn de voor milieu en gezondheid belangrijkste vergunningen van Chemelot voor het laatst geactualiseerd en aangescherpt?
De provincie Limburg is het bevoegd gezag voor Chemelot. De milieuvergunningen van Chemelot Site Permit BV, inclusief actualisaties van de vergunningen per fabriek, zijn te vinden op de website van de Omgevingsdienst Zuid-Limburg.11 Hier is onder andere te vinden dat het algemene deel gewijzigd is in 2024 en dat de lozingsvergunning voor de Integrale Afvalwaterzuiveringsinstallatie (IAZI) op het Chemelot-terrein in Geleen in december 2020 is afgegeven (revisie), voor een periode tot en met 31-12-2027. De lozingsvergunning is destijds geactualiseerd en aangescherpt.
Klopt het dat Chemelot schadelijke stoffen loost die kilometers worden verspreid en steeds uit het drinkwater moeten worden gezuiverd op kosten van de belastingbetaler?
Bevoegde gezagen passen wet- en regelgeving toe om vergunningen te laten voldoen aan vigerende wet- en regelgeving. Het bevoegde gezag voor de lozingsvergunning, het waterschap Limburg, geeft aan dat de aan Chemelot vergunde stoffen zijn getoetst conform de hiervoor geldende toetsingskaders.
Binnen deze kaders valt het Handboek Immissietoets, waarin de drinkwatertoets als verplichte stap is opgenomen. Deze drinkwatertoets moet worden uitgevoerd voor alle lozingen die invloed kunnen hebben op drinkwaterinnamepunten. Deze stap in de Immissietoets vereist ook dat de lozende partij tijdig contact opneemt met het drinkwaterbedrijf (voordat een aanvraag formeel wordt ingediend) om de (gevolgen van de) lozing te bespreken. Het uitgangspunt hierbij is dat emissies van ZZS’en zoveel mogelijk worden geminimaliseerd en, waar mogelijk, tot nul worden teruggebracht.
Ook voor de financiering van het zuiveren van drinkwater gelden specifieke wettelijke kaders (Drinkwaterwet).
Is er in het kader van de doelen van de Kaderrichtlijn Water, bescherming van natuur en (de kosten van) drinkwaterkwaliteit overwogen om de lozingsvergunningen voor Chemelot aan te scherpen, in ieder geval vanaf 2027? Zo ja, wat gebeurt er dan concreet? Zo nee, waarom niet?
Het waterschap Limburg is de bevoegde instantie voor de lozingsvergunningen voor Chemelot. Het waterschap geeft aan dat het proces om te komen tot een nieuwe lozingsvergunning per 1 januari 2028 zich in de fase van vooroverleg bevindt. Daarbij worden alle relevante wettelijke kaders, zoals de KRW, en het drinkwaterbelang meegewogen. Na het indienen van de aanvraag (naar verwachting eind 2026) zal de vergunning concreet vormgegeven worden. Mogelijk leidt dit tot aanscherping ten opzichte van de huidige vergunning.
Is er bereidheid om te kijken naar het effect van de combinatie van schadelijke chemische stoffen, microplastics en zware metalen op het milieu en de gezondheid en bijvoorbeeld de Hazard Index te gebruiken? Zo ja, hoe precies? Zo nee, waarom blijven we dan onnodige risico’s nemen met gezondheid van mens en milieu?
Ja, het is staand beleid om de mogelijke effecten van de combinatie van schadelijke stoffen beter in kaart te brengen, zie ook het antwoord op vraag 5 en 10. In het kader van het Impulsprogramma Chemische Stoffen onderzoekt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (mede op basis van onderzoeksuitkomsten) hoe cumulatie van chemische stoffen het best in beleid kan worden meegenomen.
Weet u nog dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeerde dat onder andere de gezondheidsschade door de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in Nederland 46 miljard euro per jaar kost?
De publicatie van het PBL is bekend.
Wat zijn in euro’s ongeveer de kosten van de schade die Chemelot veroorzaakt?
Het PBL heeft berekeningen op sectorniveau gemaakt. Bij het toepassen van de door het PBL gehanteerde methode op de specifieke maatschappelijke kosten als gevolg van uitstoot door specifieke bedrijven zouden de nodige methodologische slagen om de arm moeten worden gehouden. In een recent onderzoek12 van Natuur & Milieu wordt dit wel gedaan. Deze berekeningen zijn door het kabinet niet gevalideerd, maar kunnen een indicatie geven van de ordegrootte.
Hoe dan ook is de inzet van het kabinet om de maatschappelijke kosten van industriële activiteiten terug te dringen. Daarbij is het behulpzaam om de gevolgen van specifieke activiteiten (preciezer) in euro’s te kunnen uitdrukken. Het RIVM zal in dat kader onderzoek uitvoeren om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op: een inventarisatie van inzichten uit bestaand onderzoek.
De overige onderdelen, waaronder inzicht in hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden bepaald, volgen daarna. Het RIVM start met een verkenning van de mogelijkheden en onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn om te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Bent u zich bewust van het feit dat de Algemene Rekenkamer het toezicht op vervuilende lozingen ontoereikend en zorgwekkend vindt en hoe kijkt u vanuit die conclusies naar de casus van Chemelot?2
Zoals aangegeven in de reactie op het conceptrapport «Focus op industriële lozingen» van de Algemene Rekenkamer, kan het kabinet zich niet volledig vinden in de conclusies uit dat rapport14. In het rapport wordt geconstateerd dat er geen centraal systeem is waarin het toezicht op alle vergunde lozingen wordt vastgelegd. Dit betekent echter niet dat het toezicht niet goed uitgevoerd wordt. Regionaal en per vergunde lozing wordt conform afspraken tussen de lozer en Rijkswaterstaat toezicht gehouden. Rijkswaterstaat controleert daarbij aangekondigd en onaangekondigd. Daarnaast monitort Rijkswaterstaat de kwaliteit van het oppervlaktewater continu.
Het rapport van de Algemene Rekenkamer gaat in op de rol van Rijkswaterstaat in vergunningverlening, toezicht en handhaving. In het geval van Chemelot is de lozingsvergunning afgegeven door het waterschap Limburg. Ook vindt vanuit het waterschap toezicht plaats op de waterkwaliteit. Het waterschap bemonstert het effluent van de Integrale Afvalwaterzuiveringsinstallatie (IAZI)15 maandelijks en het bemonstert de deelstromen periodiek. Ook wordt periodiek met Circle16 gesproken over onder andere de voortgang van de onderzoeksverplichtingen, analyseresultaten, overschrijdingen en rapportages. Bij overschrijdingen van de norm meldt Circle dit direct bij het waterschap Limburg en wordt een achterafrapportage overgelegd. Aan de hand hiervan beoordeelt het waterschap Limburg of er sprake is van een overtreding.
Bent u zich bewust van het feit dat er vaker geconstateerd is dat uitstootgegevens die bedrijven rapporteren niet blijken te kloppen met echt onafhankelijke metingen en dat vanuit onder andere burgers, maatschappelijke organisaties, gezondheidsexperts (zoals de Expertgroep Gezondheid IJmond) en medeoverheden er een roep is om meer en onafhankelijk te meten bij bedrijven en regelgeving en toezicht op grote vervuilende bedrijven aan te scherpen?
Ja, het kabinet wil toewerken naar een systeem waarin emissies en immissies van relevante vervuilende stoffen goed en op de juiste momenten worden gemeten, dichterbij de bedrijven, waarbij meetgegevens transparanter en beter controleerbaar zijn.
Om te bepalen hoe dit het beste kan worden vormgegeven, wordt gestart met een aantal praktijkgerichte en risico-gestuurde meetpilots op het gebied van het betrouwbaarder en toegankelijker maken van immissie- en emissiemetingen bij een aantal industriële locaties. Dit zoals in december aan de Kamer gemeld in het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden17. Op iedere locatie is de problematiek en de behoefte anders. Daarom wordt gestart in de praktijk en worden bedrijf en omwonenden betrokken door het bevoegd gezag (en het Rijk). Bij immissiemetingen worden GGD’en en het RIVM betrokken. De resultaten van de pilot landen in een advies over wel of niet zetten van mogelijke vervolgstappen. Op basis daarvan kan worden besloten of, en zo ja hoe er een vervolg komt.
Diverse bevoegde gezagen hebben recent in het kader van hun toezichtstaak geïnvesteerd in meer eigen meetcapaciteit. Meer meetcapaciteit hoeft overigens niet altijd een voorwaarde te zijn voor vertrouwen in meetresultaten. De gebruikte meetmethode, betere informatievoorziening daarover en transparantie over de resultaten kunnen daar ook een positieve invloed op hebben. Deze invalshoeken worden meegenomen in de pilot.
Het bevoegd gezag heeft in het kader van zijn wettelijke toezichtstaak de bevoegdheid om onafhankelijke, eigen metingen uit te voeren bij bedrijven en is dus niet afhankelijk van de meetresultaten van de industrie zelf. In de praktijk maken bevoegde gezagen hier ook gebruik van.
Bent u zich ervan bewust dat de omgevingsdienst als toezichthouder op Tata Steel daarom terecht sinds een paar jaar als beleid heeft juist scherper aan de wind te zeilen in toezicht en handhaving bij Tata Steel, een bedrijf dat zich volgens de omgevingsdienst «calculerend en opportunistisch» gedraagt?
De situatie bij Tata Steel is bekend. Het is aan het bevoegd gezag om invulling te geven aan de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Wat bedoelt het kabinet dan precies met de zin uit het coalitieakkoord: «We maken afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is»?
Een belangrijk uitgangspunt binnen het kabinetsbeleid is het vermijden van regeldruk en van nationale koppen op Europese regelgeving, zodat er (zoveel mogelijk) een gelijk Europees speelveld is voor Nederlandse bedrijfsleven bij implementatie en uitvoering van (milieu)wet- en regelgeving.
In de eerste helft van dit jaar zet het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een internationaal milieuvergelijkingsonderzoek uit om de regeldruk in Nederland en vergelijkbare EU-lidstaten in kaart te brengen als gevolg van Europese- en nationale milieuregels. Zo ontstaat een gefundeerd beeld of en in hoeverre Nederland strengere implementatie en toepassing van milieuwet- en regelgeving kent, en wat de impact hiervan is voor het Nederlandse bedrijfsleven voor wat betreft de concurrentiepositie en het investeringsklimaat. Onderdeel van het onderzoek is een vergelijkende casusstudie naar vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) voor een specifieke situatie waarbij de regels gelijk zijn in de verschillende EU-lidstaten. De inzichten die hieruit naar voren komen kunnen worden benut voor beleidsontwikkeling.
Hebben omwonenden er volgens u recht op om op elk moment te weten aan hoeveel schadelijke stoffen ze worden blootgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit beter faciliteren?
Het is belangrijk dat omwonenden informatie over hun leefomgeving snel en eenvoudig kunnen vinden. De Atlas Leefomgeving biedt toegankelijke informatie en kaarten over de leefomgeving in Nederland, zoals het instrument Check je Plek18. Om relevante informatie voor omwonenden te bundelen wordt momenteel in samenwerking met het RIVM verkend op welke manier informatie over de leefomgeving nabij industrie (beter) beschikbaar kan worden gesteld voor omwonenden.
Op luchtmeetnet.nl is te vinden hoe het met de luchtkwaliteit is gesteld op 99 locaties in Nederland. Dagelijks wordt onder meer de concentratie van fijnstof (PM10 en PM2,5), NO, NO2, Ozon (O3), roet, SO2 en NH3 gemeten.
In de pilot Meten in het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden wordt nader onderzocht hoe het meetproces rondom industrie beter kan worden ingericht en het begrip en vertrouwen bij omwonenden en bevoegde gezagen kan worden vergroot. Zie ook het antwoord vraag 20.
Consumenten worden behalve via de lucht ook via andere routes aan chemische stoffen blootgesteld, zoals via roken en voeding en uit consumentenproducten. De veiligheid van voedsel en consumentenproducten is op Europees niveau streng gereguleerd. Consumenten kunnen via de websites van het RIVM, het Voedingscentrum en «waarzitwatin.nl» meer informatie krijgen over de blootstelling, het veilig gebruik en de eventuele risico’s die dit met zich meebrengt.
Gaat u de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in staat stellen om zelf vaker nauwkeurige emissiemetingen te doen van schadelijke stoffen bij Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, beschikt de Omgevingsdienst Zuid-Limburg al over de mogelijkheid om controlemetingen uit te voeren. Dit is een van de controlemiddelen die het bevoegd gezag in het kader van toezicht kan inzetten. Het bevoegd gezag is zelf verantwoordelijk voor de verdere invulling hiervan.
Klopt het dat het provinciebestuur eerder heeft geprobeerd om de publicatie van een kritische RIVM-analyse over de kankerverwekkende uitstoot van Chemelot te voorkomen, omdat het zou kunnen zorgen voor «onrust, negatieve beeldvorming en voorbarige conclusies»? Zo ja, hoe denkt u dat dat overkomt op burgers?
Naar aanleiding van de RIVM-kennisnotitie «Risicobeoordeling mengsels van stoffen bij de industriële uitstoot naar lucht: casus Chemelot» heeft de provincie Limburg een schriftelijke reactie op de uitkomsten van de notitie aan het Ministerie van IenW gestuurd. De provincie Limburg vroeg daarin om een nadere duiding van de rekenmethode en een tijdspad voor een eventuele beleidsmatige of wettelijke verankering. De schriftelijke reactie van het Ministerie van IenW daarop is als bijlage toegevoegd aan de Kamerbrief van 14 april 202519, waarmee de kennisnotitie aan de Kamer is aangeboden.
Hoe reageert u op Jack Renet, oud-medewerker van Chemelot, die stelt: «Het is elke keer hetzelfde verhaal; de overheid probeert Chemelot overal buiten te houden en stopt alles onder de mat. Wederom verkiest de provincie economisch belang boven het belang van haar inwoners»?
Ik herken mij niet in het beeld dat de overheid zaken «onder de mat» stopt. In het antwoord op vraag 23 is al aangegeven op welke manier de overheid informatie over de kwaliteit van de leefomgeving toegankelijk maakt voor burgers. Voor wat betreft de afweging van verschillende belangen door de provincie Limburg is het niet aan mij om hierop te reageren.
Bent u het ermee eens dat het rapporteren van veel te lage uitstootcijfers van schadelijke stoffen een overtreding is op de Wet op de economische delicten?
Het is aan de provincie Limburg als bevoegd gezag om te bepalen hoe het invulling geeft aan vergunningverlening, toezicht en handhaving, en om te bepalen of er sprake is van een overtredingen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Gaat u aangifte doen tegen Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 27.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april?
De vragen konden in verband met de benodigde afstemming niet binnen de termijn van drie weken en voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april worden beantwoord.
Gezondheid en kankerrisico’s rond Chemelot |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» (19 december 2025), waarin wordt geconcludeerd dat er onvoldoende gezondheidsgegevens beschikbaar zijn om vast te stellen of ziekten, waaronder kanker, rond Chemelot vaker voorkomen dan elders in Nederland?
Ja
Hoe verklaart u dat anno 2026 nog geen epidemiologisch gezondheidsonderzoek onder omwonenden van Chemelot is uitgevoerd, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangeeft dat bestaande gegevens onvoldoende zijn om mogelijke gezondheidseffecten van het chemiecluster te beoordelen?
GGD Zuid-Limburg voert in opdracht van de gemeenten een vierjaarlijkse GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen uit die een beeld geeft van de gezondheid in Zuid-Limburg, waaronder ook in de gemeenten rond Chemelot. De GGD doet dit onderzoek voor gemeenten. Gemeenten hebben, buiten deze monitor, niet om aanvullend onderzoek gevraagd en tot op heden heeft de GGD geen aanleiding gezien zelf dergelijk aanvullend onderzoek uit te voeren. Het RIVM geeft aan dat aanvullend onderzoek op hun verkenning vooral zinvol is als op basis van de analyse van de blootstelling aan stoffen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, als uit ander onderzoek blijkt dat er (mogelijk) milieugerelateerde gezondheidseffecten zijn en/of als er geen (betrouwbaar) beeld is over blootstelling en/of gezondheid. Dat lijkt alleen voor geluidbelasting van toepassing. De luchtkwaliteit komt weliswaar als aandachtspunt voor de gezondheid naar voren, maar de gezondheidsrisico’s vanuit luchtkwaliteit komen voor een belangrijk deel door fijnstof en stikstofoxiden. Deze luchtvervuiling is voor een groot deel afkomstig van andere bronnen, waarbij de totale waarden in de gebieden rond het chemiecluster niet opvallend hoog zijn en de opgetelde bijdrage van de belangrijkste zeer zorgwekkende stoffen op een concentratie rond het niveau van het maximaal toelaatbaar risiconiveau wordt geschat. De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft provinciale staten op 19 december 2025 een reactie gestuurd op het onderzoek van het RIVM met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten om daarop te reageren.
Klopt het dat blootstelling van omwonenden aan chemische stoffen rond Chemelot momenteel niet rechtstreeks via biomonitoring (bijvoorbeeld bloed- of urinemonsters) wordt gemeten, maar hoofdzakelijk wordt geschat via milieumetingen en modellen? Zo ja, acht u dit voldoende voor gezondheidsbescherming?
Het kabinet heeft hierover contact gehad met de provincie Limburg, die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening aan Chemelot, en met GGD Zuid-Limburg. Het klopt dat geen onderzoeken zijn uitgevoerd met behulp van biomonitoring. Met behulp van biomonitoring kan worden vastgesteld of bepaalde gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in het bloed of andere lichaamsstoffen van omwonenden, maar daarmee kan niet aangetoond worden hoeveel van die stoffen afkomstig is van Chemelot. Om te kunnen adviseren over maatregelen die Chemelot kan nemen, is het belangrijker om naar de uitstoot van Chemelot te kijken en die waar nodig terug te dringen.
De Gezondheidsraad heeft in 2023 geadviseerd een structureel landelijk meetprogramma op te zetten voor de blootstelling aan chemische stoffen met behulp van biomonitoring. Het kabinet heeft het RIVM gevraagd in beeld te brengen hoe zo’n meetprogramma eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre mogelijke verhoogde ziekte- en zorgkosten in de Chemelot-regio samenhangen met industriële blootstelling en leefomgevingsfactoren, en wat de sociaaleconomische gevolgen zijn voor bewoners, zorgstelsel en regionale gezondheidsverschillen?
Het Ministerie van IenW heeft in 2024 aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Uit een gegeven opdracht aan een extern onderzoekbureau bleek afgelopen jaar dat het een complex onderzoek is. Daarom heeft het Ministerie van IenW de vraag nu aan het RIVM gesteld. RIVM voert dit onderzoek uit als onderdeel van de opdracht om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie op dit vlak er al ligt (bijvoorbeeld handleidingen die de GGD’en gebruiken), samen met de leerpunten uit de onderzoeken die afgelopen jaren zijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacunes te dichten. Eén van die onderdelen betreft zorgkosten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op (inzicht in bestaand materiaal met lessen uit uitgevoerd onderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeel over zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVM starten met een verkenning van de mogelijkheden én onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Kunt u inzicht geven in hoeveel inwoners uit de Chemelot-regio zorg ontvangen voor aanhoudende lichamelijke klachten (SOLK/ALK), voor chronische en respiratoire aandoeningen en voor kanker, en of deze ziekte- en zorgpatronen afwijken van landelijke gemiddelden?
Het kabinet heeft geen specifieke rapportages of overzichten op dat schaalniveau («Chemelot-regio»). In opdracht van het kabinet worden echter wel veel gegevens op het schaalniveau van GGD-regio’s en gemeenten beschikbaar gesteld. De informatie is vindbaar in de Atlas VZinfo waarin regionale verschillen rondom zorg en ziekten in beeld worden gebracht op meer dan 500 kaarten, waaronder kaarten over chronische en respiratoire aandoeningen, kanker en de ervaren gezondheid.1 Daarnaast beheert het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de Nederlandse Kanker Atlas, waar op driecijferig postcodeniveau gegevens worden weergeven van kankerdiagnoses.2
Kunt u aangeven welke concrete gezondheidskundige onderzoeken en maatregelen het kabinet voor 2030 rond Chemelot zal uitvoeren om eventuele verhoogde gezondheids- en kankerrisico’s voor omwonenden aantoonbaar vast te stellen en te verminderen? Kunt u daarbij toezeggen dat een biomonitoringsprogramma onder omwonenden wordt opgezet, inclusief periodiek bloed- en urinemonsteronderzoek naar blootstelling aan relevante (zeer zorgwekkende) chemische stoffen?
De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten daarop te reageren.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, heeft het Ministerie van IenW het RIVM gevraagd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Daarnaast loopt de studie van het RIVM waarmee in beeld gebracht wordt hoe een landelijk meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen. Dit zou ook gaan om een algemeen meetprogramma, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot.
Het dwingen tot het dragen van een mondkapje |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Mogen verpleeghuizen, gelet op ontvangen signalen dat bijvoorbeeld de Clariane Group dit beleid in Nederland al heeft ingevoerd of wil gaan invoeren, verplegers dwingen een mondkapje te dragen tijdens hun werk?
Er is op dit moment geen wettelijke verplichting voor het dragen van mondkapjes. Voor het gebruik van mondneusmaskers in de zorg zijn professionele richtlijnen opgesteld. Werkgevers hebben volgens de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor het gezond en veilig werken van hun werknemers en dienen op basis van een actuele risico-inventarisatie en -evaluatie beleid te formuleren dat is afgestemd op de lokale omstandigheden.
Vanuit de STOP-strategie1 (zie art. 3 lid 1 onder b Arbowet) kan het ter beschikking stellen van een persoonlijk beschermingsmiddel aan werknemers, zoals een mondkapje, een laatste redmiddel zijn. De werkgever mag vanuit de zorgplicht en op basis van het instructierecht een mondkapjesplicht invoeren, om een veilige en gezonde werkomgeving te garanderen. De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) zou initieel eindigen in december 2025 en de termijn van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: RC) in medio 2025. Bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2024 heeft het toenmalige kabinet besloten het NAP en de termijn van de RC te verlengen tot en met 31 december 2026 en hiervoor aanvullende middelen vrij te maken. Dit is toegelicht in de eerste suppletoire begroting OCW 2024 en daarnaast middels een persbericht bekendgemaakt2. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie heeft na overleg met de RC dit voorjaar besloten om binnen de eigen begroting aanvullende middelen vrij te maken om het bureau van de RC tot eind 2026 te financieren. Hiermee heeft de RC meer ruimte en capaciteit om haar activiteiten goed te bestendigen en over te dragen. Het kabinet kiest ervoor seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag te bestrijden in een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en zal het NAP en de termijn van de RC dus niet nogmaals verlengen.
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Het kabinet blijft werken aan het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Het is onacceptabel dat vrouwen nog altijd niet veilig zijn in Nederland. Zoals beschreven in het coalitieakkoord kiest het hierbij voor het opstellen van een nieuw Nationaal Actieplan Stop Geweld tegen vrouwen. Dit betreft een bredere aanpak, gericht op alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals opgenomen in het Verdrag van Istanbul. Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld worden hier nadrukkelijk onderdeel van. Het kabinet stelt een Nationaal Coördinator (hierna: NC) aan om dit actieplan te coördineren.3
Daarnaast zal het kabinet conform de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een orgaan of organen aanwijzen voor rapportage, aanbevelingen, informatie-uitwisseling en systematische statistiekvorming.4
Met deze structuur zorgt het kabinet voor duidelijkheid, effectiviteit en samenhang in de aanpak. Wij zullen de werkzaamheden, kennis en projecten van het NAP en de RC zo goed mogelijk bestendigen in de bredere aanpak. De RC adviseert het kabinet hierover en zij stelt haar kennis en expertise beschikbaar om de overgang goed te laten verlopen.
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Het bestrijden van geweld tegen vrouwen is een prioriteit van dit kabinet. Daarbij zullen wij ons houden aan het Verdrag van Istanbul.5 De evaluaties van GREVIO bieden waardevolle aanknopingspunten voor verbeteringen van de Nederlandse aanpak. Zo zal het kabinet conform deze aanbevelingen de coördinatie van de aanpak versterken en de verschillende geweldsvormen tegen vrouwen in samenhang bestrijden.
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijft van groot belang. Het kabinet kiest ervoor dit onderdeel te maken van een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en hierin de lessen uit het NAP mee te nemen. In het verlengde daarvan kiezen wij voor de aanstelling van een NC die dit bredere programma zal coördineren, en niet voor het nogmaals verlengen van de termijn van de RC. U bent op 18 december 2025 geïnformeerd over deze bredere aanpak en het voornemen een NC aan te stellen.6 De NC en RC zijn wezenlijk andere functies. Zij verschillen onder andere qua mandaat, opgave, inhoudelijke scope, takenpakket en benodigde competenties.
De RC is een boegbeeld van de gewenste cultuurverandering ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Zij is een onafhankelijk adviseur van het kabinet en aanjager van het maatschappelijk gesprek. Er is veel winst geboekt ten aanzien van het bespreekbaar maken van dit onderwerp en het vergroten van de bewustwording. Zo is zij een aanjager van het gesprek in de media en samenleving, heeft diverse producten gecreëerd die houvast geven bij het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en is zij een luisterend oor en een stem voor slachtoffers. Daarnaast heeft zij een begin gemaakt met de daadwerkelijke cultuurverandering door via allianties verschillende maatschappelijke aanpakken te initiëren, bijvoorbeeld in verschillende arbeidsmarktsectoren, in het onderwijs en binnen de studentenverenigingen.
We gaan echter een volgende fase in, waarin de gegroeide bewustwording en gestarte gedragsverandering verder moet worden bestendigd. Dit wil het kabinet doen door middel van samenhangend beleid, een heldere rolverdeling en duidelijke afspraken tussen het rijk, gemeenten, maatschappelijke partners en andere betrokkenen. Er is door diverse betrokkenen, experts en belangengroepen geconstateerd dat de aanpakken van verschillende vormen van geweld tegen vrouwen momenteel versnipperd zijn en dat betere coördinatie en samenhang noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren in de gesprekken met uw Kamer en in diverse moties die u heeft ingediend. De focus van de werkzaamheden van de NC ligt op het coördineren van het opstellen en uitvoeren van een Nationaal actieplan voor de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Belangrijke taken hierin zijn: samenwerking stimuleren, afstemming verbeteren, toezien op de uitvoering, zorgdragen voor samenhang en het nakomen van afspraken. Het kabinet werkt het exacte mandaat van de NC momenteel nader uit en zal dit openbaar maken zodra dit is vastgesteld.
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet is voornemens om de NC voor de zomer van 2026 aan te stellen. De termijn van de RC loopt tot en met 31 december 2026. Daarmee is er voldoende tijd voor een goede overdracht van kennis en expertise. Zoals toegezegd aan uw Kamer zal de NC contact hebben met de RC over een goede overdracht en bestendiging. Daarnaast zal de RC een advies uitbrengen over een goede bestendiging van het programma en haar activiteiten. Dit advies zal worden meegenomen bij het vormgeven van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
Zie antwoorden op de vragen 4, 7, 8, 9, 10 en 11.
EU-subsidies voor abortus in andere lidstaten |
|
Sebastiaan Stöteler (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU-subsidie mag voortaan gebruikt worden om abortus uit te voeren»?1
Ja.
Hoe reageert u op het besluit van de Europese Commissie dat subsidies uit het Europees Sociaal Fonds gebruikt mogen worden voor het uitvoeren van abortus in een andere EU-lidstaat (met een ruimer abortusbeleid dan het herkomstland)?
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft op 26 februari jl., in reactie op een burgerinitiatief, geduid dat de financiering van abortuszorg voor vrouwen die genoodzaakt zijn hiervoor naar een ander EU-land af te reizen, mag worden bekostigd vanuit het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+). Er zijn echter geen aanvullende middelen beschikbaar gesteld vanuit het ESF+. Het is dus een keuze van lidstaten zelf of ze het reeds toegewezen geld hiervoor willen gebruiken.
Het ESF+ is in Nederland belegd bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ESF+ middelen zijn op dit moment ook al belegd voor andere doelen. Het kabinet informeert de Kamer dit voorjaar uitgebreider over het kabinetsstandpunt betreffende de mededeling van de Commissie.
Kunt u bevestigen dat medisch-ethische kwesties nationale bevoegdheden zijn en de Europese Commissie er dus niets mee te maken heeft hoe EU-lidstaten hun abortusbeleid en -zorg vormgegeven? Deelt u de conclusie dat het verstrekken van EU-subsidies voor het uitvoeren en daarmee het faciliteren van abortus hiermee in strijd is? Hoe gaat u dit tegen?
Ja, medisch-ethische kwesties zijn een nationale bevoegdheid. De mededeling van de Commissie treedt hier ook niet in. Zoals ik eerder met uw Kamer heb gedeeld in reactie op de Kamervragen van het lid van Dijk (SGP)2, is er geen discussie over de verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).3 Dit verdrag bepaalt dat het aan de lidstaten is om hun beleid voor gezondheidszorg in te richten.4 De EU kan het optreden van de lidstaten wel ondersteunen, coördineren en aanvullen.5 De EU mag op dit terrein geen maatregelen vaststellen die de lidstaten verplichten hun wet- en regelgeving te harmoniseren.6 EU-lidstaten zijn hiermee, in beginsel, zelf bevoegd besluiten te nemen met betrekking tot hun nationale abortuswetgeving.
In specifieke situaties kan abortus binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Zo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie abortus aangemerkt als een dienst7 en kunnen de lidstaten dus gebonden zijn aan de Unie-rechtelijke vrij-verkeersregels, waardoor vrouwen uit andere EU-lidstaten van dergelijke zorg gebruik kunnen maken in landen waar dat wordt aangeboden.
Het burgerinitiatief My Voice, My Choice heeft de Commissie opgeroepen lidstaten financieel te steunen bij abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige, of legale toegang toe hebben. Als reactie op dit burgerinitiatief heeft de Commissie verduidelijkt dat lidstaten uit het al bestaande ESF+ kunnen putten om de toegang tot abortuszorg voor vrouwen in kwetsbare situaties te verbeteren.
Dit is in principe niets nieuws. Een van de doelstellingen van dit fonds is namelijk het verbeteren van de toegang tot en de betaalbaarheid van diensten, met inbegrip van gezondheidsdiensten.
De Commissie concludeert in haar mededeling dat de financiering van abortuszorg voor vrouwen uit een ander land past bij dit doel van het ESF+. De Commissie legt in haar mededeling tevens uit dat het benutten van het ESF+ fonds voor abortuszorg aan buitenlandse vrouwen past binnen het rechtskader van de EU. Het gaat dan overigens nadrukkelijk om de zorgkosten.
Dit alles doet niet af aan het feit dat het aan lidstaten zelf is om hun wet- en regelgeving rond abortus te bepalen.
Deelt u de mening dat de Europese Commissie EU-lidstaten die terughoudend zijn ten aanzien van abortus ondergraaft? Deelt u daarnaast de vrees dat de zorg van EU-lidstaten met een ruimer abortusbeleid overvraagd kan worden?
Nee, het blijft primair aan lidstaten zelf om te bepalen of zij abortus in hun land toestaan en zo ja, onder welke voorwaarden. Het enige dat de Commissie met haar mededeling verduidelijkt is dat ESF+ middelen mogen worden gebruikt voor de financiering van abortuszorg voor vrouwen uit andere landen.
Als gezegd informeert het kabinet de Kamer dit voorjaar nog uitgebreider over het kabinetsstandpunt betreffende de mededeling van de Commissie. Dan zal ook worden ingegaan op de mogelijke gevolgen van de mededeling.
Hoeveel vrouwen uit andere EU-lidstaten zijn de afgelopen tien jaar naar Nederland gekomen voor het ondergaan van abortus? Kunt u een overzicht verstrekken met cijfers per jaar en herkomstland?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd rapporteert jaarlijks over de abortuscijfers.8 Tussen 2015 en 2024 ondergingen in totaal 33.095 buitenlandse vrouwen9 een zwangerschapsafbreking in Nederland. De bijlage bij de rapportage bevat een uitsplitsing naar vrouwen uit België, Duitsland, Frankrijk, Ierland en Polen.10 Vrouwen uit andere landen zijn samengevat in de categorie «overige landen». Daarin zitten zowel vrouwen uit andere EU-lidstaten, als vrouwen van buiten de EU. Het is daarom niet mogelijk een volledig overzicht te geven van het aantal vrouwen dat specifiek uit EU-lidstaten naar Nederland is gekomen voor een abortus.
Verwacht u dat er méér vrouwen naar Nederland zullen komen voor het ondergaan van abortus? Hoe gaat u dit voorkomen?
Het kabinet informeert de Kamer dit voorjaar uitgebreider schriftelijk over het kabinetsstandpunt betreffende de mededeling van de Commissie. Dan zal het kabinet ook ingaan op de mogelijke gevolgen.
Deelt u de mening dat – ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven – primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en abortussen?
Voor het kabinet staan niet de aantallen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteit en toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Het is voor dit kabinet geen doel op zich om het aantal abortussen terug te dringen. Vrouwen in Nederland kunnen in vrijheid beslissen over hun zwangerschap en hebben toegang tot abortuszorg van hoge kwaliteit. Het kabinetsbeleid richt zich op het behouden van deze goede en toegankelijke abortuszorg en op het versterken van de regie van mensen op hun kinderwens. De activiteiten om de regie van mensen op hun kinderwens te versterken staan in de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.11
De aanpak heeft een nationaal karakter en richt zich dus op vrouwen binnen Nederland.
Vrouwen die dakloos raken door huiselijk geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met aflevering 4 van de NTR-podcast «Waar slaap je» waarin verhalen gedeeld worden van vrouwen die door huiselijk geweld dakloos raken?1
Ja.
Herkent u de signalen dat er in Nederland vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld? Deelt u de mening dat deze groep vrouwen momenteel tussen wal en schip valt, omdat zij enerzijds niet in aanmerking komt voor opvang of urgentie en anderzijds niet financieel in staat is om duurzame huisvesting te bekostigen? Zo ja, welke maatregelen bestaan er momenteel voor deze groep en acht u die toereikend?
Het is mij bekend dat sommige vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld. Dit is zorgwekkend en onwenselijk. Gemeenten hebben een breed ambulant aanbod vanuit de Wmo 2015 en Jeugdwet, gericht op het voorkomen van escalatie van sociale problematiek en situaties van onveiligheid. Indien een situatie onhoudbaar blijkt, kan opvang nodig zijn. Bij zowel de vrouwenopvang (VO) als de maatschappelijke opvang (MO) is sprake van wachtlijsten en tekorten, mede vanwege schaarste op de woningmarkt en personele tekorten. Dit betekent dat gemeenten moeten afwegen wie zij kunnen helpen. Ik herken de signalen dat gemeenten een strenger toegangsbeleid hanteren om te bepalen wie toegang krijgt tot de vrouwenopvang of maatschappelijke opvang. Hoewel gemeenten er alles aan doen om dit te voorkomen, kan dit leiden tot schrijnende situaties.
Maatschappelijke opvang is een tijdelijke vorm van onderdak met begeleiding en is bedoeld voor mensen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Om te beoordelen of iemand toegang heeft tot de maatschappelijke opvang, moet een gemeente onderzoek doen of iemand zelfredzaam is en vervolgens een formeel besluit nemen. Het ontbreken van passende huisvesting op zichzelf is in de regel niet voldoende om iemand aan te merken als «niet zelfredzaam». Gemeenten zijn niet verplicht zelfredzame gezinnen toegang te geven tot de opvang, maar mogen hiertoe wel besluiten. De vrouwenopvang is bedoeld voor slachtoffers van huiselijk geweld die thuis niet meer veilig zijn en acuut hulp nodig hebben. De opvanginstelling beoordeelt aan de hand van een risicoscreening of toegang tot de vrouwenopvang noodzakelijk is of dat andere (ambulante) interventies passender zijn. Als toegang noodzakelijk is neemt de gemeente (meestal de centrumgemeenten) daartoe een formeel besluit.
Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld die dakloos raken zo snel mogelijk veilig onderdak vinden. De huidige krapte op de woningmarkt kan het snel vinden van onderdak belemmeren. Slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang komen op dit moment in aanmerking voor urgentie, wanneer de betreffende gemeente een huisvestingsverordening heeft opgesteld met daarin opgenomen een urgentieregeling. Dit betekent dat zij, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang dienen te krijgen. Vrouwen die niet in aanmerking komen voor de opvang en/of een inkomen hebben dat boven de inkomensgrens voor een sociale huurwoning ligt, krijgen niet automatisch urgentie. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting, waarmee alle gemeenten verplicht een huisvestingsverordening met urgentieregeling moeten opstellen. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in de Eerste Kamer ter behandeling. Met deze wet krijgen slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang in elke gemeente verplicht urgentie. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 3. Daarnaast blijft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zich inspannen voor verdere uitbreiding van het woningaanbod.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat vrouwen die trauma hebben opgelopen door geweld, vervolgens ook hun thuis moeten verlaten? Zo ja, kunt u toelichten of er specifiek beleid is voor deze groep en welke concrete maatregelen u neemt om deze vrouwen te helpen?
Ja, het is zorgwekkend dat vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld hun huis moeten verlaten. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang maakt dat er niet altijd gelijk een passende plek beschikbaar is. Zoals ook in de beantwoording van vraag 2 benoemd, is voor zowel slachtoffers van huiselijk geweld evenals voor dakloze personen hulp- en ondersteuningsaanbod beschikbaar. Dit aanbod bestaat enerzijds uit opvang (vrouwenopvang en maatschappelijke opvang) en anderzijds uit ambulante ondersteuning. De capaciteit van de vrouwenopvang staat onder druk. Om die reden is per 2026 structureel 12 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de uitbreiding van opvangcapaciteit. Gemeenten en opvanginstellingen zetten zich nu in om deze uitbreiding te realiseren.
Daarnaast kan op dit moment de huisvestingsverordening met daarbij urgentieregelingen op basis van de Huisvestingswet 2014 worden ingezet door gemeenten voor de versnelde huisvesting van deze doelgroep. Gemeenten zijn momenteel nog niet verplicht een huisvestingsverordening op te stellen. Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting dient iedere gemeente een huisvestingsverordening op te stellen, waarmee vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld en uitstromen uit een vrouwenopvang worden aangemerkt als een verplichte urgentiecategorie. Dit betekent dat zij met voorrang gehuisvest dienen te worden door gemeenten. De verplichte urgentie geldt ook voor mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang en (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen.
Kunt u aangeven hoeveel personen er (gemiddeld) per jaar ten gevolge van partnergeweld noodgedwongen hun huis moeten verlaten? Indien exacte gegevens ontbreken, kunt u een schatting geven? Bent u bereid om de aantallen in beeld te brengen?
Er wordt niet landelijk bijgehouden hoeveel personen als gevolg van partnergeweld hun woning noodgedwongen moeten verlaten. Wel is er de afgelopen jaren gewerkt aan beter onderzoek naar dakloosheid en de capaciteit van de vrouwenopvang, wat ervoor zorgt dat de groep beter in beeld is. In de regionale ETHOS-tellingen wordt in regionale rapportages gerapporteerd over de aanleiding van de dakloosheid. Huiselijk geweld is hierin opgenomen als één van de mogelijke aanleidingen. Dit percentage verschilt per regio. Daarnaast bestaat er met de monitor Veilige Opvang van de VNG en Valente een beeld van het aantal slachtoffers dat gebruik maakt van de vrouwenopvang.
Welke concrete aanvullende acties zijn er geweest of maatregelen genomen sinds de presentatie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, waarin vrouwen alsmede mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke aandachtsgroepen worden genoemd?
Vrouwen, mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld zijn in het Nationaal Actieplan Dakloosheid niet opgenomen als specifieke aandachtsgroep ten opzichte van andere dakloze mensen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid richt zich op alle mensen in Nederland die dakloos raken.
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen in steeds meer regio’s beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in het woningbouwbeleid en de acties om dakloosheid tegen te gaan. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) daklozen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentie categorie op grond van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Dit betekent dat zij met voorrang recht hebben op een woning.
Hoe wordt in beleid rekening gehouden met de gevolgen van (dreigende) dakloosheid voor kinderen die met hun moeder moeten meeverhuizen of in instabiele woonsituaties terechtkomen?
Volgens het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), moet bij alle maatregelen betreffende kinderen, het belang van het desbetreffende kind als eerste in overweging worden genomen (artikel 3). Daarnaast moet volgens artikel 9 gewaarborgd worden dat een kind niet wordt gescheiden van diens ouders, tenzij dit in het belang van het kind is. Gemeenten hebben de verplichting deze rechten te waarborgen.
In algemene zin ben ik van mening dat gemeenten de totale gezinssituatie in ogenschouw moeten nemen bij de beoordeling van huisvestings- en opvangvraagstukken. Dat betekent onder andere dat gemeenten zich rekenschap moeten geven van het belang van een betrokken kind in de algehele belangenafweging ten behoeve van de beoordeling van urgentieverklaringen. Het is aan gemeenten om in een concreet geval een gedegen afweging te maken. Daarnaast worden (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen een verplichte urgentiecategorie met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, zoals in het antwoord op vraag 3 is vermeld.
Deelt u de mening dat het gewenst is dat slachtoffers van partnergeweld zo snel mogelijk een veilig dak boven het hoofd moeten krijgen in de vorm van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of urgentie op een (sociale) huurwoning, ongeacht de gemeente waar zij wonen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit bewerkstelligen? Welke (financiële) knelpunten ziet u hierbij en welke rol is hierin weggelegd voor de rijksoverheid in de ondersteuning van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. Slachtoffers van huiselijk geweld die thuis niet meer veilig zijn door hoge veiligheidsrisico’s en wie acuut hulp nodig hebben, kan een plek in de vrouwenopvang worden geboden. Op dit moment wordt gewerkt aan capaciteitsuitbreiding van deze opvang, zie ook het antwoord op vraag 3. Voor slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang naar een woning geldt op dit moment al dat, als een gemeente een urgentieregeling vaststelt, deze groep wordt aangemerkt als een urgente groep en met voorrang moet worden gehuisvest. Ook mag een gemeente tegen deze groep geen bindingseisen opwerpen; een slachtoffer moet in alle gemeenten urgentie kunnen aanvragen. Het aantoonbaar hebben van binding met de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend is dus geen voorwaarde voor het verkrijgen van urgentie. Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting verplicht elke gemeente over een huisvestingsverordening te beschikken met daarin tenminste een urgentieregeling opgenomen. Dit betekent dat deze slachtoffers in alle gemeenten in aanmerking komen voor urgentie op een huurwoning ongeacht de gemeente waar zij wonen of zijn opgevangen. Ik hecht eraan te benadrukken dat het van belang is dat slachtoffers van huiselijk geweld snel zicht krijgen op huisvesting. Dat vraagt van gemeenten ook om goede afspraken met buurgemeenten of andere woningmarktregio’s te maken, zodat snelle huisvesting gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld ook in een andere regio dan waar het slachtoffer binding mee heeft. Op dit moment werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening de regeling hierover verder uit. Deze aspecten krijgen daar ook een plek in. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 3.
Herkent u de (financiële) knelpunten bij blijf-van-mijn-lijf locaties, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en privacy van dergelijke locaties? Bent u ook bekend met voorbeelden van locaties waar dit juist heel goed is ingericht, zoals in de gemeente Den Bosch? Hoe kijkt u naar dergelijke voorbeelden en hoe kijkt u naar de mogelijkheid voor minimumrichtlijnen voor kwaliteit en privacy? Welke financiering zou nodig zijn voor de invoering van dergelijke richtlijnen?
Binnen de vrouwenopvang wordt op dit moment al gewerkt met diverse kwaliteitskaders en overkoepelende afspraken. Een voorbeeld is het Keurmerk «Veiligheid in de Vrouwenopvang». Dit is een kwaliteitskeurmerk dat kwaliteit en veiligheid van de opvang waarborgt. Onderdeel van dit keurmerk is bijvoorbeeld het normenkader, waarin normen zijn opgenomen waarop de opvangorganisaties worden getoetst. Gemeenten en opvangorganisaties werken met dit keurmerk en hechten groot belang aan de veiligheid en de kwaliteit van ondersteuning van slachtoffers van huiselijk geweld. Er bestaat breed draagvlak voor het gebruik van beschikbare (normen)kaders.
Herkent u het beeld dat slachtoffers van partnergeweld die niet in aanmerking komen voor sociale huur, noodgedwongen zijn aangewezen op dure particuliere of middenhuurwoningen, waardoor zij juist na een gewelddadige relatie in ernstige financiële problemen of schulden terechtkomen?
Ik herken het beeld dat slachtoffers van partnergeweld veelal behoefte hebben aan een snelle oplossing voor hun situatie en dat daaraan niet altijd op korte termijn tegemoet kan worden gekomen door een sociale huurwoning. Het creëren van gelijke kansen voor kwetsbare woningzoekenden in iedere gemeente is één van de aanleidingen geweest voor het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Met het verplichten van een huisvestingsverordening met daarin een urgentieregeling voor verplichte groepen, komen urgent woningzoekenden overal in Nederland in aanmerking voor urgentie. Of een slachtoffer van partnergeweld vervolgens in financiële problemen of schulden terecht komt, is afhankelijk van meerdere factoren en de individuele situatie van de persoon. Het ondersteuningsaanbod dat hiervoor beschikbaar is, is beschreven in vraag 10. Zoals ook in het antwoord op vraag 3 genoemd wordt door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening sterk ingezet op het vergroten en beter benutten van de woningvoorraad. Ook dit zal bijdragen aan snellere oplossingen voor slachtoffers van partnergeweld.
Herkent u dat deze financiële problematiek vaak wordt verergerd doordat dwingende controle, financieel geweld en lopende juridische procedures (zoals alimentatiegeschillen, omgangsregelingen of verdeling van bezittingen) nog lange tijd voortduren na de scheiding? Welke gevolgen heeft dat volgens u voor de bestaanszekerheid en veiligheid van deze vrouwen?
Het is bekend dat huiselijk geweld voor slachtoffers kan leiden tot financiële problematiek, bijvoorbeeld wanneer sprake is van dwingende controle, financieel of economisch geweld. Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld informatie en passende ondersteuning ontvangen, bijvoorbeeld gericht op het oplossen van financiële problematiek en het versterken van de bestaanszekerheid.
Femmes for Freedom heeft materialen gemaakt voor vrouwen in deze situatie, zoals een geldboekje en een flyer over financiële zelfredzaamheid, en informatie voor hulpverleners3.
Op verschillende manieren wordt ingezet op het ondersteunen van vrouwen in deze situatie. In het algemeen ondersteunt het Ministerie van SZW in het kader van het versterken van het recht op zelfbeschikking de financiële zelfbeschikking van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen (zoals bepaalde migrantengroepen) en/of afhankelijkheidssituaties, onder andere via een project van Diversion met migrantenvrouwenorganisaties en via een pilot met Single Super Mom. Ook werken diverse ministeries samen aan de versterking van sociaaljuridische en financiële dienstverlening (zoals Sociaal Raadslieden en Juridische loketten); deze wordt ook beter vindbaar gemaakt via de website www.sociaaljuridischekaart.nl. In enkele steden zijn vrouwenrechtswinkels opgezet. SZW ondersteunt bijvoorbeeld de vrouwenrechtswinkel van Femmes for Freedom in Utrecht. Vrouwen in kwetsbare situaties kunnen daar terecht voor gratis juridisch en financieel advies. De vrouwenrechtswinkel helpt ook bij doorverwijzing naar de juiste lokale (hulp)instanties.
Verder is informatie over geldzaken en levensgebeurtenissen beschikbaar via Geldfit, het Nibud, Wijzer in geldzaken en Overheid.nl. Via Geldfit zijn ook lokale hulproutes bij geldzorgen te vinden, zoals de gemeente en vrijwilligers, die mensen ondersteunen bij geldvragen. Geldfit en vrijwilligers helpen met de potjescheck, waarmee mensen kunnen nagaan waar ze recht op hebben. Binnenkort zal een pagina over wat te doen bij (dreigende) dakloosheid worden toegevoegd aan de Geldfitwebsite. De Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) heeft recent een werkwijzer gemaakt voor gemeenten over financiële hulp aan mensen die (dreigend) dakloos zijn en welke regelzaken hun financiële redzaamheid kunnen bevorderen4.
In hoeverre houden de huidige urgentiecriteria voor huisvesting naar uw mening rekening met de cumulatie van partnergeweld, financieel geweld en schuldenproblematiek, ook wanneer iemand formeel boven inkomensgrenzen uitkomt? Zo nee, waarom niet?
Ik herken dat slachtoffers van huiselijk geweld vaak te maken hebben met complexe problematiek. Daarom is het belangrijk dat deze groep recht heeft op urgentie voor huisvesting. Uitstroom naar een woning op een veilige plek is een belangrijke voorwaarde voor herstel. Zoals in het antwoord op vraag 3 en 7 is omschreven, hebben slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang of waarvoor door de gemeente een beschikking is afgegeven recht op urgentie voor huisvesting, als de gemeente een huisvesteringverordening en urgentieregeling heeft. Door woningcorporaties wordt rekening gehouden met de financiële situatie van deze slachtoffers bij het toewijzen van de sociale huurwoning.
Met het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting worden voor alle gemeenten uniforme voorwaarden verbonden aan de urgentieregeling.
Deze voorwaarden worden, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, opgenomen in de regeling versterking regie volkshuisvesting.
Herkent u de signalen dat er in de huidige praktijk een gat lijkt te bestaan, waarbij enerzijds wordt gezegd dat het geen veiligheidsprobleem is en anderzijds wordt gezegd dat het geen woonprobleem is, met als gevolg dat er onvoldoende regie en verantwoordelijkheid wordt genomen door betrokken organisaties en overheidslagen? Zo ja, deelt u de mening dat dit tot gevaarlijke en onwenselijke situaties kan leiden? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gat te dichten?
Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld die dakloos dreigen te raken tijdig worden ondersteund. Ik zie dat er uitdagingen bestaan voor deze doelgroep, zoals voldoende passende huisvesting en beperkte capaciteit in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang. Het Rijk ondersteunt gemeenten door bijvoorbeeld betaalbare woningbouw te stimuleren en middelen beschikbaar te stellen voor de uitbreiding van het aantal plekken in de vrouwenopvang. Ten aanzien van de huisvesting legt het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting verplichtingen vast die deze groep gaan helpen bij het sneller vinden van een passende woning en daarmee kunnen werken aan verder herstel. Zoals in de voorgaande antwoorden beschreven gaat de verplichte urgentieregeling die alle gemeenten straks, met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, moeten hebben hierbij helpen. Ook het volkshuisvestingsprogramma, dat gemeenten, provincies en het Rijk moeten opstellen gaat hieraan bijdragen. Gemeenten worden hiermee gevraagd integraal beleid te maken hoe te voorzien in de woon- en zorg/ondersteuningsbehoeften van de aandachtsgroepen, waaronder (dreigend) daklozen en slachtoffers van huiselijk geweld. De bouw van woningen is niet op korte termijn gerealiseerd en vraagt lange termijn inzet. Daarom wordt ook aan tijdelijke oplossingen gewerkt, zoals de inzet van flexwoningen. De Ministeries VWS en BZK en de VNG blijven over deze vraagstukken in gesprek.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een gebrek is aan regie in gevallen waar sprake is van (dreigende) dakloosheid als gevolg van partnergeweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit op te lossen, zowel op de korte als op de lange termijn? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat slachtoffers van partnergeweld hiermee uit het zicht dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 12.
De continuïteit van jeugdhulp in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schoolbesturen bezorgd over Lelystadse jeugdzorg» van 24 februari 20261, waarin schoolbesturen waarschuwen dat door het wegvallen van jeugd-GGZ-aanbieders per 1 juli kinderen tussen wal en schip dreigen te vallen?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere aanbieders hebben aangekondigd te stoppen met het aanbieden van jeugd-GGZ in Lelystad, en welke gevolgen heeft dit volgens u voor de continuïteit van de zorg en de bestaande wachtlijsten?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten de jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Nu de schoolbesturen hun zorgen hebben geuit via een brief aan onder meer de gemeenteraad van Lelystad is het in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
De huidige twee aanbieders van jeugd-GGZ hebben er voor gekozen om niet in te schrijven op de aanbesteding voor jeugd-GGZ per 1 juli 2026. Dit aanbestedingsproces is afgerond en de gemeente Lelystad heeft zeven nieuwe aanbieders gecontracteerd. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Deelt u de zorg dat het wegvallen van specialistische jeugdhulp directe gevolgen heeft voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk en welke concrete acties onderneemt u om verdere escalatie te voorkomen?
Scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas en hebben samen met het samenwerkingsverband een zorgplicht. Vanuit deze rol kunnen zij o.a. extra ondersteuning en specialisten inzetten, zoals een orthopedagoog, psycholoog en gedragsspecialist. Deze extra ondersteuning of inzet van specialisten moet gericht zijn om succesvol onderwijs te kunnen volgen en moet bijdragen aan onderwijsdoelen. Daarbij dient uiteraard goede afstemming te zijn met gemeenten over de inzet en beschikbaarheid van jeugdhulp. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad van Lelystad om te zorgen dat er goed uitvoering wordt gegeven aan de Jeugdwet. Zij zijn verantwoordelijk dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp ontvangen en dat er ook een goede afstemming is met aanpalende domeinen, zoals het onderwijs.
Op welke wijze waarborgt u dat gemeenten hun regierol daadwerkelijk kunnen invullen wanneer contractonderhandelingen met jeugdhulpaanbieders vastlopen?
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om te voorzien in een passend jeugdhulpaanbod voor de kinderen en gezinnen woonachtig in hun gemeente. Gemeenten moeten hierover afspraken maken met jeugdhulpaanbieders. In de gemeente Lelystad is geen sprake van vastgelopen contractonderhandelingen, maar van een wijziging van contractering van aanbieders. Lelystad heeft zeven nieuwe zorgaanbieders gecontracteerd voor de jeugd-GGZ per 1 juli 2026. De NZa wil meer zicht krijgen op wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Lelystad om te voorkomen dat kinderen die op een wachtlijst staan zonder tijdige passende hulp komen te zitten?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Dit is ook primair aan de gemeente. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg.
Het burgerinitiatief ‘My Voice, My Choice’ |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat op 26 februari de Europese Commissie zal spreken over het burgerinitiatief «My Voice, My Choice», gericht op het instellen van een financieel mechanisme waarmee iedereen in de Europese Unie (EU) toegang krijgt tot abortuszorg? Bent u ook bekend met het feit dat negen Europese lidstaten (Estland, Oostenrijk, Finland, Frankrijk, Luxemburg, Polen, Slovenië, Spanje en Zweden) de Europese Commissie (EC) hebben aangeschreven om hun steun te betuigen voor het initiatief?
Ja, het kabinet is bekend met het feit dat de Europese Commissie het voornemen heeft om op 26 februari een reactie te geven op het burgerinitiatief «My Voice, My Choice». Daarnaast is het bekend met de steunbetuiging van een aantal Europese lidstaten middels een door Spanje opgestelde brief aan de Europese Commissie.
Bent u het eens dat iedereen binnen de EU recht zou moeten hebben op toegang tot veilige, goede abortuszorg?
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd, inclusief keuzevrijheid en toegang tot veilige abortus. Tegelijkertijd respecteert het kabinet de vrijheid van lidstaten om eigen keuzes te maken rondom abortus beleid, aangezien dit een nationale competentie behelst.
Steunt u het burgerinitiatief «My Voice, My Choice» en de oproep die daarin gedaan wordt voor toegang tot abortuszorg binnen de gehele EU? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om net als de negen andere lidstaten die dat al gedaan hebben, de EC aan te schrijven voor 26 februari a.s. en in deze brief uw steun te uiten voor het initiatief?
Het initiatief roept op om lidstaten financieel te ondersteunen bij het aanbieden van abortuszorg aan vrouwen die in hun eigen land geen toegang hebben tot abortus. Zo zouden bijvoorbeeld vrouwen die vanuit een ander EU-land naar Nederland komen voor een abortus, de behandeling vergoed kunnen krijgen. Het kabinet heeft waardering voor de inspanningen van de initiatiefnemers en lidstaten om de toegang tot veilige abortus in de EU te verbeteren.
Voordat het kabinet steun kan uitspreken voor een dergelijk initiatief, is het belangrijk dat de mogelijke implicaties van veranderend beleid in beeld zijn. Aangezien de EC nog niet heeft gereageerd op het burgerinitiatief is het op dit moment nog niet duidelijk wat de (financiële) impact van het voorstel zou kunnen zijn voor Nederland.
Op 26 februari maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen. Naar aanleiding hiervan zal het kabinet het Nederlandse standpunt, indien nodig, interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer wordt hier sowieso nader over geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 25 februari voor 17.00 uur beantwoorden?
Ja.
De juridische onhoudbaarheid van financiële steun aan Tata Steel |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van Advocates for the Future waarin wordt gesteld dat de voorgenomen staatssteun van maximaal 2 miljard euro aan Tata Steel Nederland juridisch onhoudbaar, ineffectief en onrealistisch is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de juridische analyse van Advocates for the Future van 19 december 2025 dat de voorgenomen staatssteun aan Tata Steel in haar huidige vorm niet voldoet aan de vereisten van noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit onder de Europese staatssteunregels (CEEAG), met name omdat niet is aangetoond dat de maatregelen leiden tot daadwerkelijke en additionele klimaat- en gezondheidswinst? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Advocates for the Future heeft de juridische analyse ingediend als reactie op de publieke consultatie van de Joint Letter of Intent met Tata Steel2. Alle reacties op de publieke consultatie worden momenteel samengevat tot een zogenaamd hoofdlijnenverslag. Dit hoofdlijnenverslag wordt binnenkort naar de Kamer verzonden.
De Nederlandse staat wil en zal geen staatssteun verlenen aan een private onderneming in het kader van de maatwerkaanpak om te voldoen aan geldende wet- en regelgeving. De maatregelen onder de maatwerkaanpak moeten dan ook bovenwettelijk zijn. De staat ziet hier streng op toe en ook de Europese Commissie (hierna: EC) controleert dat de steun niet wordt gegeven om aan geldende EU-wetgeving te voldoen. De verwachte CO2-reductie van de projecten in de JLoI wordt onderschreven door het rapport van de technische adviseur van de staat. De Landsadvocaat heeft juridisch advies verleend over de (aanvullende) milieumaatregelen en in het bijzonder de bovenwettelijkheid daarvan. Dit advies is naar de Kamer verzonden.3 De Landsadvocaat concludeert dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet juridisch afdwingbaar zijn zonder maatwerkafspraak. Daarmee is de beoogde gezondheidswinst dus additioneel aan de geldende wet- en regelgeving.
Staatssteun kan rechtmatig worden verleend indien wordt voldaan aan de voorwaarden van een Europees staatssteunkader, in dit geval, de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) (CEEAG). De beoogde steunmaatregel wordt dus conform de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader opgesteld. De EC moet de uiteindelijke steunmaatregel beoordelen en zal de voorgestelde maatregel toetsen aan de hand van dit kader. De juridische borging van het behalen van de doelen wordt uitgewerkt in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
Kunt u aangeven of u een juridische staatssteunanalyse heeft laten opstellen waarin expliciet wordt getoetst aan artikel 107, lderde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het CEEAG-kader en het beginsel «de vervuiler betaalt», en bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen vóór verdere besluitvorming? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen en te delen?
De verenigbaarheid met de interne markt van de beoogde steunmaatregel zal door de EC worden getoetst aan de hand van de CEEAG. Om die reden wordt de beoogde steunmaatregel zo vormgegeven dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader wordt voldaan, waaronder bijvoorbeeld het beginsel «de vervuiler betaalt» voor de milieumaatregelen. Dit is geanalyseerd en hierover vinden ook gesprekken plaats met de EC in het kader van de prenotificatiefase van deze steunmaatregel. Echter, het formele notificatietraject van de steunmaatregel bij de EC is nog niet gestart. Op het moment van de formele notificatieprocedure wordt door de EC getoetst of de steunmaatregel voldoet aan alle voorwaarden en verplichtingen uit de CEEAG en of de steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt. De EC is exclusief bevoegd om te beoordelen of de steun verenigbaar is met artikel 107, derde lid, VWEU. De steun kan niet worden verleend zonder dat de EC deze heeft beoordeeld en goedgekeurd. Deze goedkeuring, en daarmee de toets aan artikel 107, derde lid, VWEU, wordt openbaar gemaakt en gepubliceerd op de website van de Europese Commissie.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de aan de Kamer verstrekte CO2-reducties zijn berekend en welke aannames daarbij zijn gehanteerd over productievolumes en referentiescenario’s? Kunt u de onderliggende stukken en exacte wetenschappelijke bronnen met de Kamer delen, zodat de Kamer haar controlerende en kaderstellende taak naar behoren kan uitvoeren?
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven zijn bij de Kamerbrief4 over de ondertekening van de JLoI ook de berekeningen van de CO2-reductie gepubliceerd5.
Hoe beoordeelt u de kritiek van experts dat de beoogde CO2-reducties grotendeels een «papieren werkelijkheid» betreft omdat een aanzienlijk deel van de uitstoot het gevolg is van capaciteitsafbouw, emissieverplaatsing en aannames? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven zijn de beoogde CO2-reducties getoetst door de technische adviseur van de staat6. Het rapport hierover is met de JLoI meegestuurd naar de Kamer. Wat betreft de punten over capaciteitsafbouw en emissieverplaatsing verwijs ik graag naar eerdere beantwoording waarin wordt aangegeven dat er geen sprake is van capaciteitsafbouw en dat de maatwerkaanpak zich focust op vermindering van de directe CO2-uitstoot bij de bedrijven zelf. De komende periode worden de juridische waarborgen voor het behalen van de doelen uitgewerkt en opgenomen in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
Waarom is bij de beoordeling van de klimaatwinst uitsluitend gekeken naar emissiereducties binnen Nederland (scope 1), terwijl bekend is dat methaanlekken bij gaswinning de totale klimaatimpact substantieel kunnen verhogen?
Een vergelijkbare vraag is eerder gesteld en beantwoord. Voor uw gemak hieronder nogmaals de exacte vraag en het antwoord.
Acht u het verenigbaar met de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord dat het grootste deel van de steun wordt ingezet voor installaties die primair op aardgas zullen gaan draaien, zonder harde verplichting tot tijdige omschakeling naar hernieuwbare energie, terwijl onzeker is of en wanneer omschakeling naar groene waterstof daadwerkelijk mogelijk zal zijn gezien de beperkte beschikbaarheid en concurrerende vraag? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw positie hierin dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
De maatwerkafspraak met TSN beoogt een grote CO2-reductie van 7,2 Mton/jaar en forse verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden te realiseren. Verder is in de JLoI opgenomen dat TSN ernaar streeft om uiterlijk in 2045 en zo snel als redelijkerwijs mogelijk is klimaatneutraliteit te bereiken. Juist vanwege de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord is het van belang om op korte termijn de emissies naar beneden te brengen.
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven7 is in de JLoI overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de nieuw te bouwen DRP-installatie zal vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. De installatie kan technisch overgaan op groene waterstof en/of biomethaan en hiervoor zijn dus geen technische aanpassingen nodig. Om in de tussenfase dat de DRP op aardgas draait een grotere CO2-reductie mogelijk te maken wordt CCS toegepast. Als is overgestapt op biomethaan kunnen hiermee ook negatieve emissies worden gerealiseerd.
Voor de aankoop van groene waterstof en biomethaan is de Staat voornemens een lening van 200 miljoen euro te verstrekken. De haalbaarheid van de overstap op groene energiebronnen is getoetst door de technische en financiële adviseurs van de staat. Voor groen gas specifiek schat externe adviseur Common Futures het Europese productiepotentieel voor groengasproductie op 100 bcm, ruim voldoende om aan de vraag van TSN van 0.5 bcm te voldoen. De juridische waarborgen voor de overstap op groene energiebronnen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de voorwaarden uit het relevante staatssteunkader van de EC, de CEEAG.
Waarom zijn in de Joint Letter of Intent geen juridisch afdwingbare verplichtingen opgenomen die Tata Steel verplichten om uiterlijk op een vast moment te stoppen met het gebruik van kolen en aardgas? Hoe wordt het risico op een langdurige fossiele lock-in voorkomen, en kunt u de expertbronnen waarop u zich baseert meesturen?
Het proces van de maatwerkaanpak is zo georganiseerd dat de JLoI inspanningsverplichtingen bevat. Zie vraag 7 hierboven voor een nadere toelichting op de afspraken over de overstap van kolen naar aardgas en het voorkomen van een lock-in.
Kunt u toelichten hoe en door wie is getoetst en vastgesteld dat de gesubsidieerde maatregelen niet (gedeeltelijk) zien op naleving van bestaande wettelijke verplichtingen van Tata Steel? Hoe wordt precies voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor kosten die op grond van het beginsel «de vervuiler betaalt» voor rekening van het bedrijf zelf horen te komen?
De maatwerkaanpak richt zich op het realiseren van bovenwettelijke maatregelen, oftewel maatregelen die een grotere reductie bewerkstelligen dan wettelijk verplicht. Er kan dus ook alleen maatwerksteun worden gegeven voor bovenwettelijke maatregelen. De Staat toetst hier streng op. Ook de EC toetst dat de Nederlandse staat alleen maatregelen steunt die verder gaan dan Unienormen. Voor de milieumaatregelen specifiek is een juridische analyse gemaakt door de Landsadvocaat, zie ook het antwoord op vraag 2. Hieruit volgt dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet wettelijk afdwingbaar zijn.8
Aangezien de voorgestelde steun slechts betrekking heeft op een deel van de staalproductie en Tata Steel zelf niet in staat zou zijn om de productie te vergroenen, hoe voorkomt u dat een subsidiefuik ontstaat? Staat niet reeds vast dat Tata Steel straks voor meer subsidie zal aankloppen? En wordt het door de nu voorgestelde steunmaatregelen van 2 miljard euro niet lastiger om deze te weigeren? Kunt u aangeven hoe precies dit scenario wordt voorkomen?
Met de JLoI committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan aanvullende investeringen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro. Daarbovenop is in de JLoI opgenomen dat er geen maatwerksteun wordt voorzien voor de tweede fase van de verduurzaming van TSN. De staat ziet op dit moment ook geen realistisch scenario waarin de tweede fase van de verduurzaming van TSN in aanmerking komt voor maatwerkondersteuning. De tweede fase zal naar de huidige verwachting medio jaren ’30 worden uitgevoerd. Op dat moment zijn naar verwachting hoge EU ETS kosten en een goedwerkende CBAM in combinatie met een mogelijk kolenverbod aan de orde. Dit alles maakt het zeer onwaarschijnlijk dat er überhaupt subsidie mag worden verstrekt voor deze fase. Tegelijkertijd kan dit scenario nooit volledig uitgesloten worden, omdat wet- en regelgeving en klimaatbeleid in de toekomst kan wijzigen. Daarbij is het goed om op te merken dat een individueel bedrijf niet kan worden uitgesloten van eventueel in de toekomst bestaande generieke subsidie-instrumenten. Zie ook de beantwoording van vragen van de leden Kostić (PvdD), Dassen (Volt), Van Oosterhout en Zalinyan (beiden GroenLinks-Pvda) die op 4 februari jl. zijn beantwoord en eveneens zien op het voorkomen van, kort gezegd, een subsidiefuik.9 Zie voor uw gemak hieronder de exacte vragen en beantwoording:
Waarom is er geen volledige en transparante counterfactual analyse gepubliceerd waaruit blijkt welk investeringspad Tata Steel zonder staatssteun zou volgen? Hoe kan zonder zo’n analyse worden vastgesteld dat sprake is van een daadwerkelijk stimulerend effect van de steun?
Het counterfactual scenario bevat bedrijfsvertrouwelijke informatie en is om deze reden, net als de businesscase, niet gepubliceerd. Dit is de gebruikelijke gang van zaken bij dit soort trajecten van individuele ondernemingen. De businesscase en het counterfactual scenario van TSN worden uitvoerig getoetst door de financiële adviseur van de staat. Daarbij moet, voor het verkrijgen van goedkeuring voor de eventuele staatssteun door de EC, zoals de CEEAG voorschrijft, ook inzicht worden geboden in het counterfactual scenario en een onderbouwing van het stimulerend effect worden gegeven. De EC toetst deze dus ook en deze analyse is dus van belang voor het verkrijgen van goedkeuring van de EC voor het verlenen van rechtmatige staatssteun.
Hoe verhoudt het ontbreken van een afgeronde milieueffectrapportage en gezondheidseffectrapportage zich tot het vereiste dat de steun bovenwettelijk is en daadwerkelijk bijdraagt aan de verbetering van de gezondheid van omwonenden? Op welke onafhankelijke wetenschappelijke adviezen baseert u zich precies?
Zie de aanbiedingsbrief bij deze beantwoording, de beantwoording van vraag 2 hierboven en de eerdere beantwoording van vergelijkbare vragen over het MER [PM verwijzing]. Daarbij moet worden opgemerkt dat bovenwettelijkheid wordt afgemeten aan (normen uit) nationale en Europese wetgeving, niet aan een het MER of de GER. Een MER of GER is immers een uitwerking van de effecten van de voorgestelde plannen van Tata Steel waar Tata Steel een vergunning voor aanvraagt. Zie ook het eerder aan de Kamer gestuurde advies van de Landsadvocaat.10
Kunt u toelichten hoe de gezondheidswinst voor omwonenden van Tata Steel onafhankelijk en zoveel mogelijk real time zal worden gemonitord, conform aangenomen motie-Teunissen c.s. over zo snel mogelijk zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel (Kamerstuk 28 089, nr. 302), en welke sancties op welke termijn volgen indien deze uitblijft?
Deze elementen worden nader uitgewerkt richting het sluiten van de maatwerkafspraak. Zie ook de aanbiedingsbrief bij deze beantwoording. Zoals reeds geantwoord11 op 25 november 2025 op een eerdere vraag van de leden Kostić (PvdD) en Koekkoek (Volt) over dit onderwerp is in artikel 8.2.d van de JLoI afgesproken dat TSN onderzoekt hoe ze onafhankelijke en transparante metingen en monitoring kan versterken, boven op de wettelijke verplichtingen die TSN op het gebied van meten en monitoren al heeft.
Kunt u toelichten of de Europese Commissie al een eerste analyse heeft gemaakt van de steunmaatregelen? Wat is de status van de beoordeling door de Commissie? Kunt u het standpunt van de Commissie met de Kamer delen?
Zoals aangeven bij het antwoord op vraag 3 is met de EC gesproken over de voorwaarden vanuit het steunkader waaronder rechtmatige staatssteun zou kunnen worden verleend. De gesprekken met de EC worden doorlopend gevoerd en zijn constructief. Echter, het formele notificatie traject van de steunmaatregel bij de EC is nog niet gestart en de EC heeft dus ook nog geen formele beoordeling afgerond.
Bent u bereid verdere besluitvorming en een eventuele staatssteunmelding bij de Europese Commissie op te schorten totdat (a) een volledige juridische staatssteunanalyse is afgerond en gedeeld met de Kamer, (b) bindende klimaatdoelen en gezondheidsdoelen zijn vastgelegd (in lijn met de onafhankelijke adviezen van o.a. Expertgroep Gezondheid IJmond), en (c) duidelijk is dat de maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan de mondiale klimaatdoelen?
Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 3, zal de verenigbaarheid met de interne markt van de beoogde steunmaatregel door de EC worden getoetst aan de hand van de CEEAG en is de maatregel om die reden zo vormgegeven dat aan de betreffende voorwaarden voldaan kan worden. De maatwerkafspraak met TSN is de snelste en effectiefste weg naar verduurzaming en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden. De inzet voor de maatwerkafspraak is gebaseerd op verschillende adviezen en rapporten, waaronder de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond. De staat heeft experts ingehuurd om de voorstellen en mogelijke afspraken juridisch, technisch en financieel te toetsten. Het kabinet vindt het in het belang van de omwonenden en het klimaat dat Tata Steel op de kortst mogelijke termijn de nodige verbeteringen gaat realiseren. Verdere onderzoeken zullen het proces vertragen terwijl het juist in ons allerbelang is om voortgang te boeken. Zoals eerder in deze en eerdere beantwoording aangegeven worden de juridische waarborgen voor het behalen van de doelen de komende periode verder uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. De EC toetst bepaalde aspecten van deze waarborgen ook bij het beoordelen van de maatregel aan het relevante staatssteunkader, CEEAG. Het goedkeuringsbesluit van de EC wordt openbaar gemaakt.
Herinnert u zich dat eerdere analyses van experts benadrukken dat de transformatie van Tata Steel naar aardgasproductie met CCS de Nederlandse energietransitie belemmert door grootschalige vraag naar (groen)gas, wat mest uit de bioindustrie vereist en daarmee een lock-in van intensieve veehouderij creëert, inclusief greenwashing-effecten? Hoe beoordeelt u deze bevindingen en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u die beoordeling? Erkent u dat industrie afhankelijk maken van de intensieve veehouderij ingaat tegen de aangenomen motie-Tjeerd de Groot om die intensieve veehouderij af te bouwen?2 Hoe wordt precies gewaarborgd dat de stappen die worden genomen met Tata Steel die afbouw niet vertragen of dwarsbomen?
Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen aangegeven13, leidt het gebruik van biomethaan niet tot een afhankelijkheid van mest. Biomethaan kan namelijk ook uit andere rest- en afvalstromen worden geproduceerd. Daarbij wordt ook import van biomethaan voorzien. Er is dus geen sprake van een afhankelijkheid tussen de verduurzaming van de industrie en de intensieve veehouderij. Het milieubeleid en de bijbehorende regelgeving in de landbouw, waar een vermindering van de omvang van de veestapel onderdeel van uitmaakt, bepaalt de hoeveelheid mest die geproduceerd wordt in Nederland. Het kabinet houdt bij de vormgeving van biomethaan beleid rekening met een krimp van de veestapel. Waarbij een daling in de hoeveelheid beschikbare mest geen risico vormt voor het biomethaan beleid.14
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat de 2 miljard euro steun aan Tata Steel leidt tot een afhankelijkheid van gas en biomethaan uit veeteeltmest in plaats van een versnelling van de overstap naar echt hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie direct voor groene waterstofproductie?
Zie het antwoord op vraag 16.
Kunt u deze vragen individueel en vóór het debat over de Jointetter of Intent met Tata Steel beantwoorden?
Ja.
De bekendheid en vindbaarheid van isolatiesubsidies en vertraging bij de isolatie van woningen. |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Mona Keijzer , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Overheden, wijs weg naar isolatiesubsidies»?1
Ja.
Klopt het dat gemeenten in totaal 1,5 miljard euro aan specifieke uitkeringen kunnen ontvangen voor de isolatie van 750.000 koopwoningen? Hoeveel van dit bedrag is tot op heden daadwerkelijk bij de gemeenten terechtgekomen en welk deel daarvan is al daadwerkelijk uitgegeven aan uitgevoerde isolatiemaatregelen? Klopt het tevens dat het deel van deze 1,5 miljard euro dat eind 2030 nog niet is besteed aan isolatie terug zal vloeien naar het Rijk?
Er is in totaal ruim 1,6 miljard euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het isoleren van 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde vereniging van eigenaars (VvE’s). Dit is onderdeel van de lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma (NIP). Deze middelen zijn in drie tranches (in 2023, 2024 en 2025) al volledig uitgekeerd aan gemeenten, met de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie. Ook is een klein deel als onderdeel van de Energiearmoede middelen in 2022 (68,5 miljoen) al uitgekeerd.
Uit de meest recente verantwoording van de besteding van de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie, uit maart 2025, is op te maken dat er tot en met 2024 ongeveer 40 miljoen euro door gemeenten is uitgegeven. Meer recente cijfers over de bestedingen in 2025 zullen in juli 2026 door gemeenten worden aangeleverd. De uitvoeringstermijn voor de Specifieke uitkering loopt tot en met eind 2028, met twee keer een mogelijkheid voor een jaar verlenging. Middelen die niet tijdig of onrechtmatig zijn uitgegeven kunnen worden teruggevorderd en vloeien dan terug naar het Rijk.
Hoe verklaart u dat, ondanks aanvragen van gemeenten voor de isolatie van circa 500.000 woningen, tot nu toe slechts 21.823 woningen daadwerkelijk zijn geïsoleerd? Welke concrete oorzaken liggen ten grondslag aan deze achterblijvende realisatie?
Met de 1,6 miljard euro die aan gemeenten is toegekend zullen ongeveer 750.000 woningen worden geïsoleerd tot en met 2030. Tot maart 2025 waren er 20.191 woningen geïsoleerd. Ik verwacht uiterlijk eind maart meer recente cijfers en de verwachting is dat deze cijfers flink hoger zullen liggen.
In 2024 en 2025 zagen we dat gemeentes een aanloopperiode kenden om te komen tot aanbestedingen, samenwerkingen opbouwen en vertrouwen winnen van bewoners. Ik zie steeds meer goede voorbeelden in het gehele land. Belangrijke aandachtspunten blijven capaciteit, en daarnaast praktische vraagstukken rond het bereiken van de doelgroep, natuurvriendelijk isoleren, de complexiteit bij VvE’s, monitoring en het gebruik van persoonsgegevens.
Om gemeenten te helpen deze knelpunten op te lossen en de nodige versnelling op gang te brengen is vorig jaar 9 miljoen euro via de Specifieke uitkering isolatieopgave Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
(SpUk isolatieopgave NPLW) uitgekeerd voor extra regionale ondersteuning. Hiermee kunnen regio’s gemeenten snel en praktisch ondersteunen die in hun isolatieaanpak tegen knelpunten aanlopen en waarbij de uitvoering nog niet goed loopt.
Wat doen gemeenten nu om kwetsbare bewoners zoveel mogelijk te ontzorgen tijdens het hele proces van verduurzamen van advies, financiering tot uitvoering?
Uit de rapportage Lokale Warmtetransitie in Beeld 20252 en gesprekken met gemeenten blijkt dat er advies en ondersteuning geboden wordt via fixteams, energiecoaches, energieadviseurs, lokale initiatieven, VvE-cursussen en collectieve inkoop acties. Ook wordt er financiële hulp geboden in de vorm van aanvullende subsidies, goedkope leningen, vouchers voor doe-het-zelvers en gratis isolatiemaatregelen voor bewoners in energiearmoede.
Voor veel huishoudens in energiearmoede is het van belang dat gemeenten in de isolatieaanpak ook samenwerken met het sociaal domein. Op deze manier lukt het om ook achter de voordeur te komen bij mensen, en zo uit te kunnen leggen wat deze aanpak voor hen kan opleveren. Gebruik maken van de netwerken in de wijk is ook van belang om de mensen te bereiken die hulp het hardste nodig hebben.
Aan het begin van het jaar is een aantal praktijkverhalen gepubliceerd op de website van de RVO waarin gemeenten die vorig jaar het verst waren met de lokale opgave hun aanpak delen.3 Zo zet de gemeente Nieuwkoop, die al een derde van de lokale opgave had afgerond, in op een energiebesparingsfonds, energiecoaches, wijkacties en persoonlijke begeleiding bij het isolatieproces.
In hoeverre deelt u de analyse uit het artikel dat het huidige stelsel van landelijke en lokale isolatiesubsidies versnipperd is, waardoor veel huiseigenaren niet weten welke regelingen er bestaan of dat zij landelijke en gemeentelijke subsidies kunnen stapelen?
Ik deel de analyse in zoverre dat het niet vanzelfsprekend is dat alle huishoudens op de hoogte zijn van de ondersteuning die voor hen beschikbaar is. Om verduurzaming te stimuleren is het van belang dat mensen de beschikbare subsidies weten te vinden en benutten. Vooral de doelgroep die extra ondersteuning het hardste nodig heeft.
Hier wordt zowel landelijk als lokaal op ingezet. Allereerst staan op verbeterjehuis.nl naast de landelijke ook lokale subsidies vermeld. Op lokaal niveau gebeurt er veel, via bijvoorbeeld lokale campagnes, adviseurs, coaches en energieloketten. Hierbij worden de mensen voor wie de aanvullende lokale subsidies bedoeld zijn, ook proactief benaderd. Naast advies en ondersteuning bij het verduurzamingsproces zelf, bieden veel gemeenten uitgebreide ondersteuning ook bij het aanvragen van de subsidies en financiering. Zo creëren gemeenten voor deze mensen één aanspreekpunt en worden landelijke en lokale subsidies bij elkaar gebracht.
Welke acties onderneemt u om de bekendheid, begrijpelijkheid en vindbaarheid van deze regelingen te vergroten, in het bijzonder voor minder zelfredzame en kwetsbare huiseigenaren?
Gemeenten communiceren in eerste instantie zelf rechtstreeks met de doelgroep die in aanmerking komt voor de lokale isolatieacties. Vaak gebeurt dit via lokale campagnes, brieven, huis aan huis bezoeken en keukentafelgesprekken. Samen met Milieu Centraal zijn hiervoor ter ondersteuning toolkits ontwikkeld.4
Daarnaast is op verbeterjehuis.nl informatie over zowel landelijke als lokale beschikbare subsidies te vinden via de energiesubsidiewijzer. Ook is er bij het laatste deel van de publiekscampagne «Wie isoleert profiteert» in 2025 aandacht besteed aan de lokale ondersteuning via energieloketten. Gemeenten konden bij deze campagne gebruik maken van de whitelabel communicatiematerialen. Dit zal in campagne van 2026 in de zomervakantie herhaald worden.
Milieu Centraal heeft tevens het energiehulpnetwerk opgericht met subsidie van de Minister van VRO om mensen te ondersteunen die de overheid doorgaans moeilijk weet te bereiken.5 Het energiehulpnetwerk biedt gemeenten en energiehulporganisaties een cultuur sensitieve en inclusieve aanpak voor bewoners met en zonder migratieachtergrond. Hierbij speelt de vertrouwde kring een belangrijke rol. Dit zijn mensen uit de directe omgeving van de huurder of huiseigenaar. Met deze aanpak worden ook moeilijk te bereiken doelgroepen geholpen. Het energiehulpnetwerk is een samenwerking tussen Milieu Centraal, de Nederlandse Schuldhulproute en de Alliantie Inclusieve Energietransitie. Het netwerk bereikt momenteel ruim 200 aangesloten gemeenten en meer dan 230 energiehulporganisaties.
Daarnaast biedt Milieu Centraal gemeenten ondersteuning bij het opzetten van een VvE-aanpak. Door middel van een-op-een adviestrajecten, via een kennisbank voor VvE Professionals en via opleidingsdagen.6 Bij de ondersteuning is in het bijzonder oog voor het in kaart brengen, bereiken en helpen van kwetsbare doelgroepen die in een VvE wonen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat bestaande informatievoorziening, zoals de Energiesubsidiewijzer, geen volledig en actueel overzicht biedt van alle beschikbare landelijke en lokale subsidies? Welke stappen worden gezet om te komen tot één integraal en betrouwbaar overzicht van subsidiemogelijkheden?
Uitgebreide informatie over alle landelijke subsidies en financieringsmogelijkheden is beschikbaar via verbeterjehuis.nl en in de energiesubsidiewijzer. Ook lokale subsidies zijn te vinden in deze energiesubsidiewijzer. Doordat gemeenten regelmatig lokale subsidies openstellen of wijzigen kan het zijn dat dit overzicht niet altijd volledig is. Milieu Centraal voert daarom regelmatig verbeteringen door in de energiesubsidiewijzer om te zorgen dat de informatie zo accuraat mogelijk blijft. Sinds kort wordt daarbij gebruik gemaakt van een geautomatiseerd systeem welke alle relevante overheids- en gemeentewebsites controleert voor nieuwe of gewijzigde subsidies, zodat deze kunnen worden toegevoegd.
Daarnaast zijn ook de lokale energieloketten terug te vinden op verbeterjehuis.nl en kunnen zowel huurders als woningeigenaren gebruik maken van de energiehulp tool om hulp en advies in hun buurt te vinden.7 Halverwege maart lanceert Milieu Centraal de helpdesk voor VvE's, waar mensen met specifieke subsidievragen terecht kunnen, zowel telefonisch als per mail.
Op welke wijze wilt u bevorderen dat er meer uniformiteit komt in uitvoering en dat ondersteuning niet afhankelijk is van één commerciële partij per gemeente?
De lokale aanpak biedt gemeenten vrijheid om hun eigen isolatieaanpak te ontwikkelen, zodat de ondersteuning aansluit bij de uiteenlopende behoeften van hun inwoners in hun wijken en dorpen. Bijvoorbeeld door hun plannen af te stemmen op bestaande lokale initiatieven en specifieke doelgroepen en de warmteprogramma’s. Ik zal gemeenten daarom niet beperken in de manier waarop ze hun rol bij de lokale isolatieopgave invullen of in de afspraken die ze maken met private partijen. Wel weet ik dat veel gemeenten voor verschillende onderdelen van hun aanpak al met diverse partijen samenwerken waaronder lokale initiatieven. Bij het wegvallen van één partij valt hierdoor meestal niet de gehele ondersteuningsaanpak weg.
Om deze risico’s verder te verkleinen en daarnaast versnelling mogelijk te maken, bied ik gemeenten ondersteuning en advies over de uitvoering via programma’s als Verbouwstromen, Actienetwerk Energiehulp en het NPLW. Zij richten zich op standaardisatie vertaald naar aanpakken en formats waar gemeenten en ook intermediairs gebruik van kunnen maken. Ook op het gebied van risico’s bij het opstellen van contracten en afspraken over de continuïteit van dienstverlening bij faillissement bestaat ondersteuning. Zo worden geleerde lessen benut en hoeven gemeenten niet het wiel zelf uit te vinden.
Welke mogelijkheden ziet u om de aanvraagprocedures en uitvoeringsvoorwaarden van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en gemeentelijke regelingen te harmoniseren en te vereenvoudigen, zodat versnippering tussen gemeenten wordt tegengegaan en kwetsbare huiseigenaren beter worden ontzorgd? Hoe gaat u dit bewerkstelligen voordat de gelden na 2030 weer terugvloeien naar het Rijk?
De voorwaarden die gesteld worden aan de maatregelen zelf die kunnen worden gesubsidieerd in de Specifieke Uitkering Lokale Aanpak Isolatie (SpUk LAI) komen al geheel overeen met de ISDE en SVVE voorwaarden. Wel hebben gemeenten met de SpUk LAI ruimte om ook doe-het-zelf maatregelen te subsidiëren en om bij een beperkt aantal woningen maatregelen te treffen die niet voldoen aan de oppervlakte-eis. Hiermee kan een bredere groep geholpen worden in gevallen waar zelfs relatief lage investeringskosten een barrière kunnen vormen voor de verduurzaming.
Verder is het al enige tijd mogelijk om als gemeenten de ISDE-subsidie namens woningeigenaren aan te vragen en te ontvangen om zo volledige ontzorging te bieden aan huiseigenaren die extra ondersteuning nodig hebben. Daarnaast worden de landelijke regelingen en het aanvraagproces regelmatig geëvalueerd en aangepast om deze zo gebruiksvriendelijk mogelijk te maken.
De onafhankelijke positie van de rechtbank Den Haag en de uitspraak over de zaak van Greenpeace over het ‘beschermen’ van Bonaire. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 over de «Klimaatzaak Bonaire» van Greenpeace tegen de Staat?
Ja, dat heb ik. Op 2 februari 2026 stuurde het vorige kabinet een Kamerbrief met een eerste appreciatie van deze uitspraak1 en op 10 april over de beslissing om hoger beroep in te stellen2.
Deelt u het inzicht dat nationale wet- en regelgeving, ook gelet internationale afspraken en verplichtingen met betrekking tot het klimaat, altijd in het perspectief van een brede belangenafweging dienen te staan om te evenwicht in beleid en uitvoering te waarborgen?
Ja, en dit gebeurt ook. Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet (Gw). Artikel 91, eerste lid, Gw bepaalt dat het Koninkrijk niet aan verdragen gebonden mag worden zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De verplichting tot naleving van internationaal recht is vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra regels van internationaal recht Nederland op internationaal niveau binden, is er de verplichting om deze regels na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Bij de totstandkoming van nationale wet- en regelgeving wordt steeds een belangenafweging gemaakt. Al bij de voorbereiding van een wetsvoorstel worden belanghebbende partijen betrokken, bijvoorbeeld door hen te verzoeken te adviseren. Hierbij worden ook uitvoeringsconsequenties betrokken. Als het wetsvoorstel vervolgens via internetconsultatie openbaar wordt gemaakt kunnen burgers, organisaties of professionals adviseren, hun mening of feedback geven. Op basis van alle voorhanden zijnde informatie wordt een belangenafweging gemaakt waarbij alle relevante belangen worden betrokken.
Deelt u de mening dat de rechter het hoogste scenario 8.5 in het IPCC-rapport (met een stijging van de zeespiegel van 27 centimeter in 2050 en 85 centimeter in 2100) dat een modelmatige wetenschappelijke benadering bevat over stijging van de zeespiegel door klimaatverandering ten onrechte interpreteert als feitelijke werkelijkheid in de motivering van zijn uitspraak?
In het algemeen kan ik over de scenario's die zijn gebaseerd op het IPCC-rapport het volgende mededelen: alle scenario’s zijn gebaseerd op modelberekeningen. Ieder scenario is een mogelijkheid. De rechtbank heeft het in de uitspraak over de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer. Voor ieder mogelijk scenario geldt dat er een verschil in waarschijnlijkheid van het scenario zit.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste en onzorgvuldige omgang door de rechter met een wetenschappelijk rapport geen detail betreft, maar een grove fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de rechter wetenschap serieus dient te nemen en daarom extreme scenario’s in modelmatige rapporten die mede de basis vormen voor een brede belangenafweging nooit mag verwarren met feitelijke waarheden?
Wetenschap dient serieus genomen te worden. De rechtbank beschrijft in de uitspraak de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. (zie ook het antwoord op vraag 3).
Hoe beoordeelt u het feit dat in de uitspraak van de rechtbank rekening gehouden wordt met een zeespiegelstijging van tot 127 cm bij het hoge uitstootscenario, terwijl we volgens het IPCC op koers liggen voor een gemiddeld uitstootscenario?
Het past mij als bewindspersoon niet om duiding te geven aan de overwegingen in een rechterlijke uitspraak. In het algemeen kan ik zeggen dat de rechtbank de «zeespiegelstijging tot 127 cm» niet als feit maar als mogelijk scenario noemt. Er is geen reden om dit scenario uit te sluiten als mogelijkheid, dit doen het IPCC en het KNMI ook niet. De rechtbank geeft slechts aan wat in verschillende scenario’s de verwachte zeespiegelstijging is. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer.
Onderkent u het feit dat in de uitspraak wordt verondersteld dat het doel van het Klimaatakkoord van Parijs «opwarming beperken tot 1,5 graad Celsius» is, terwijl dat feitelijk onjuist is omdat het akkoord niet spreekt over de opwarming beperken tot minder dan 1,5 graad Celsius, maar letterlijk «well below» 2 graad Celsius, en over het nastreven van pogingen («pursue efforts») om aan het einde van de eeuw tot minder dan 1,5 graad Celsius te komen ten opzichte van het pre-industriële niveau?
Het klopt dat artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs spreekt over «ruim onder 2°C» en «streven de stijging te beperken tot 1,5 °C». De rechtbank geeft in de uitspraak aan dat na de Overeenkomst van Parijs de klimaatdoelen uit de Overeenkomst van Parijs steeds zijn bevestigd en zelfs aangescherpt. Gelet op het toenemende aantal rampen door extreme weersomstandigheden en nadere wetenschappelijke inzichten besloten de VN-verdragstaten onder andere bij het Glasgow Climate Pact (COP26), het Sharm el Sheikh Implementation Plan (COP27) en de First Global Stocktake in Dubai (COP28) dat de opwarming van de aarde moet worden beperkt tot maximaal 1,5 °C. Daarbij verwijst de rechtbank onder andere naar het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH). In het IGH-advies kwalificeert het IGH de temperatuurgrens van 1,5°C als het overeengekomen primaire doel van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs ter beperking van de mondiale gemiddelde temperatuurstijging.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste interpretatie door de rechter van het Klimaatakkoord geen detail betreft, maar een fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen, die de Nederlandse regering de afgelopen jaren trof, hebben bijgedragen aan de instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire, of welke voorgenomen maatregelen gaan bijdragen aan de instandhouding of versterking van het koraal?
Er is een aantal maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan. Bijvoorbeeld in de afgelopen vier jaar in het kader van fase 1 van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030. Deze zijn afgestemd met het Openbaar Lichaam Bonaire, gefinancierd door het Rijk, en uitgevoerd door lokale organisaties onder aansturing van het Openbaar Lichaam. Het gaat hierbij om een koraalrestauratieproject, natuurherstel Slagbaai, verbetering van beheer van afvalwater door onder andere uitbreiding van de RWZI, bestrijding van Sargassum, maar ook de aanpak van loslopend vee zodat er minder sedimentafspoeling richting zee plaatsvindt. Voor fase 2 zal samen met de Openbare Lichamen vastgesteld worden welke maatregelen nodig zijn om verdere achteruitgang te voorkomen. Deze maatregelen vallen onder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Deelt u de mening dat het onrealistisch is om te denken dat maatregelen die Nederland kan treffen ten aanzien van klimaat bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire?
Er zijn maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 9). Deze maatregelen kunnen bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal. Daarbij merk ik op dat de rechtbank in de uitspraak aangeeft dat landen een deelverantwoordelijkheid hebben om maatregelen te treffen om klimaatverandering te voorkomen.
Deelt u de mening dat in de uitspraak van de rechtbank aantoonbare onjuistheden en onvolledige weergaven van internationale afspraken staan, zodat deze uitspraak geen stand kan houden en hoger beroep geboden is?
De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Hoe beoordeelt u het dat de landsadvocaat heeft nagelaten om tegenargumenten te geven tegen aantoonbare onjuiste beweringen van de eisende partij?
Deze veronderstelling in uw vraag deel ik niet. In een civielrechtelijke procedure als onderhavige stellen partijen eigen processtukken op. Zo heeft de Staat met een conclusie van antwoord en een conclusie van dupliek gereageerd op de vorderingen en stellingen van Greenpeace. Door middel van deze processtukken heeft de Staat verweer gevoerd tegen stellingen waar volgens de Staat een andere interpretatie van bestaat of stellingen die volgens de Staat onjuist of onvoldoende onderbouwd waren.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter en voorzitter van de zitting publiekelijk op social media al jarenlang frequent uitspraken doet over zijn uitgesproken opvattingen over klimaat, geopolitiek en zelfs een petitie deelt om «het financieren van de klimaatcrisis» te stoppen?
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel grenzen aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak3 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een rechterscode. De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf stellen. Zowel binnen als buiten de zittingszaal.
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige rechter partijdig of vooringenomen lijkt.
Deelt u de mening dat een rechter die herhaaldelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid niet onafhankelijk en daarom niet geschikt is om een gerechtelijke uitspraak te doen over klimaatbeleid?
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende wegen voldoende gewaarborgd, zie het antwoord op vraag 13.
Waarom heeft de landsadvocaat geen verzoek gedaan om de rechter te wraken omdat hij publiekelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid?
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. In de rechtszaak over klimaatverandering op Bonaire heeft de Staat geen aanleiding gezien om de landsadvocaat te vragen een wrakingsverzoek in te dienen. Zie verder het antwoord op vragen 13 en 14.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze rechter in het verleden ook gerechtelijke uitspraken met verstrekkende gevolgen voor democratisch beleid heeft gedaan over stikstof en klimaat?
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn in ieder gerecht regels opgesteld voor zaakstoedeling. De Code zaakstoedeling4 heeft tot doel te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan de rechters worden toegedeeld. Een rechter kan aldus betrokken zijn bij meerdere uitspraken. Ik heb geen reden om aan te nemen dat deze Code in dit geval onjuist is toegepast of dat voornoemde gedragscodes zijn geschonden (zie het antwoord op vragen 13 en 14).
Gaat de Staat in hoger beroep tegen de uitspraak?
Het kabinet heeft de Kamer geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Deelt u de mening dat de onmiskenbaar vooringenomen houding van de rechter die zijn positie om onafhankelijk en onbevooroordeeld te oordelen leidt tot een mogelijke herzieningsgrond, dit nog afgezien van voldoende zwaarwegende argumenten om in hoger beroep te gaan?
Zoals hiervoor al is gemeld, is er geen aanleiding geweest voor de Staat om de rechter te wraken. De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen.
Een herziening (of zoals dat in het civiele recht heet, een herroeping) is overigens in Nederland alleen mogelijk als tegen de uitspraak geen rechtsmiddel meer openstaat (en in zeer uitzonderlijke gevallen). Daarvan is in dit geval geen sprake.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
De vijf nieuwe putten in gasveld Geesbrug |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Aangezien u een positief besluit heeft afgegeven aan Vermilion om vijf nieuwe putten te boren in het gasveld Geesbrug in Drenthe, op welke manier zijn de direct omwonenden betrokken bij de besluitvorming daarrond?
Voor het boren van putten is een omgevingsvergunning nodig. Deze is op 29 oktober 2025 voor vier putten verleend. Op dit moment zijn de putten nog niet geboord. Conform de verplichting uit de omgevingswet heeft Vermilion contact gehad met omwonenden in de omgeving. Vermilion heeft daarbij gesproken met de bewoners van de meest nabij gelegen woningen. Vermilion zal enkele maanden voor de start van de werkzaamheden nader over de boringen communiceren met de betrokkenen.
Welke conclusies zijn uit de risicoanalyse getrokken aangaande het risico op aardbevingen en potentiële schade aan huizen en natuur? Worden er financiële voorzieningen getroffen om eventuele schade te kunnen vergoeden?
Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie. Sinds 2009 wordt er gas gewonnen uit het gasveld. Destijds, maar ook bij de recent aangevraagde wijziging van het winningsplan is gekeken naar de adviezen van de vaste adviseurs en daarbij is ook ingegaan op de seismische risico’s. Er heeft sinds de start van de winning geen beving plaatsgevonden als gevolg van het winnen uit dit gasveld. Op grond van art. 6:177 van het Burgerlijk Wetboek is Vermilion verplicht tot het vergoeden van schade die ontstaat door bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit het gasveld Geesbrug. De bewoners nabij de gaswinning kunnen schade waarvan zij denken dat die door mijnbouw is veroorzaakt, melden bij de Commissie Mijnbouwschade.
Zullen er nieuwe, door het Rijk of door Vermilion betaalde nulmetingen plaatsvinden in de omgeving van het boorgebied?
Nee. TNO heeft mij geadviseerd dat het onwaarschijnlijk is dat de beperkte bodemdaling of een eventuele beving leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Vanwege de kleine kans op schade is geen aanleiding tot het uitvoeren van bouwkundige opnames (nulmetingen) in de omgeving van Geesbrug.
Tot hoeveel Megaton CO2-equivalent zal de bijkomende hoeveelheid gas leiden, specifiek voor scope 1, scope 2 en scope 3?
Tijdens het uitvoeren van de boringen vinden emissies in de vorm van CO2 plaats. De scope 1 en scope 2 emissies zijn tijdelijk van aard en beperkt in omvang. Het brandstof- en energieverbruik tijdens de boringen zijn beoordeeld in de omgevingsvergunning en getoetst aan de eisen van de Omgevingswet.
Met de aanpassing van het winningsplan is de maximaal hoeveelheid te winnen gas naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Daarbij is de CO2-uitstoot van de winning en transport van gas dat wordt gewonnen uit Nederlandse kleine velden enkele malen lager dan de uitstoot van geïmporteerd aardgas.
Aangezien u op dit moment de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over scope 3 nader aan het bestuderen bent om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening, waarom kiest u er dan voor om toch al dit besluit goed te keuren met alle risico’s op nieuwe rechtszaken van dien?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, is de maximale hoeveelheid te winnen gas uit het gasveld Geesbrug met de aanpassing van het winningsplan naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Er zijn om deze reden geen extra scope 3-emissies om te beoordelen conform de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Hoe is gaswinning tot en met 2049 nog te verenigen met de nationale en internationale klimaatdoelstellingen, in het bijzonder in het licht van de recente uitspraak in de Bonaire-zaak die de staat oplegt om de klimaatdoelen verder aan te scherpen? Welk percentage van het resterende koolstofbudget zal de optelsom van scope 1-, 2- en 3-emissies dan innemen?
Het kabinet zet erop in de doelen uit de nationale en Europese Klimaatwet te halen. Dat betekent dat Nederland de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul reduceert, en streeft naar negatieve emissies van broeikasgassen na 2050. Hier stuurt het kabinet op door bij nieuwe en actualisaties van winningsplannen instemming te beperken tot en met 2045. Daarom heeft het kabinet besloten om de instemming met het winningsplan Geesbrug te beperken tot en met 2045 in plaats van de gevraagde winning tot en met 2049.
Hoe betrouwbaar is de door Vermilion aangegeven maximale bodemdaling van 4,5 centimeter? Worden cumulatieve effecten daarbij in de analyse meegenomen?
TNO heeft de bodemdaling als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend, waarbij ook de bodemdaling door gaswinning uit omliggende gasvelden is meegenomen. TNO komt tot vergelijkbare resultaten als Vermilion.
Is de in 2009 vergunde grens voor bodemdaling nog adequaat in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten en de ervaringen met aardbevingen en bodemdaling in de afgelopen zeventien jaar?
De vergunde grens voor bodemdaling is nog adequaat. Zoals bij vraag 7 aangegeven, heeft TNO de bodemdaling en het seismisch risico als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend en komt daarbij tot vergelijkbare resultaten als Vermilion. Het is onwaarschijnlijk dat de bodemdaling leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie.
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit, welke wettelijke instrumenten heeft u tot uw beschikking om aan dat bezwaar tegemoet te komen? Is het juridisch mogelijk het besluit alsnog in te trekken wanneer uit de bezwaren blijkt dat er in de omgeving weinig draagvlak bestaat?
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit zal het besluit in het kader van de bezwaarprocedure worden heroverwogen. Een besluit kan daarbij alleen worden gewijzigd of ingetrokken, indien dat gerechtvaardigd wordt door een grond als genoemd in artikel 36, eerste lid van de Mijnbouwwet. Maatschappelijk draagvlak valt hier niet onder.
Zal er gehoor gegeven worden aan de oproep van de Commissie Mijnbouwschade om de schaderegeling in Drenthe rechtvaardiger te maken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ja, het vorige kabinet heeft de aanbevelingen die de Commissie Mijnbouwschade in haar verslag «Afhandeling Schademeldingen Ekehaar en Hooghalen» doet, ontvangen en heeft de Kamer aangegeven verkennende gesprekken op te starten. Deze gesprekken worden op korte termijn gestart.
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkingsvergunningen voor warmteprojecten |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkings- en lozingsvergunningen1 zijn voor warmteprojecten in het kader van de energietransitie die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben (TEO/WKO)?
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn lastig exact kwantitatief inzichtelijk te maken, maar zijn waarschijnlijk slechts beperkt. Ten eerste geldt dat voor activiteiten die een lozingsvergunning nodig hebben op grond van de huidige wetgeving al sinds vele jaren een actualiseringsplicht bestaat.4 Mede naar aanleiding van de naderende deadline van 2027 om de KRW-doelen te bereiken, zijn alle bevoegde gezagen inmiddels bezig om hier invulling aan te geven en is aan de Kamer toegezegd om de voortgang hiervan middels een dashboard inzichtelijk te maken.5
Ten tweede is voor vergunningen voor onttrekkingen weliswaar geen specifieke actualiseringsplicht opgenomen in de wetgeving, maar staat ook voorop dat het bevoegd gezag gehouden is aan het tijdig bereiken van de doelen van de KRW en dat er daarmee – zij het impliciet – een verplichting bestaat om vergunningen die dit doelbereik zouden belemmeren, te actualiseren. De Europese Commissie wil met de inbreukprocedure bereiken dat in de wetgeving een specifieke frequentie voor deze herbeoordeling wordt bepaald, zodat dit niet wordt overgelaten aan de keuzevrijheid van het bevoegd gezag.
Ten derde geldt dat bij een dergelijke actualisering van vergunningen voor lozingen en onttrekkingen alleen sprake kan zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de doelen van het waterbeheer (waaronder de KRW-doelen begrepen zijn) en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit in betekenisvolle mate zal leiden tot wijziging van bestaande vergunningen voor warmteprojecten (zoals voor warmte-/koudeopslag (WKO) en thermische energie uit oppervlaktewater (TEO)), omdat de gevolgen van die warmteprojecten al goed in beeld zijn gebracht bij het verlenen van de oorspronkelijke vergunning en het niet aannemelijk is dat die omstandigheden intussen in belangrijke mate zijn gewijzigd.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving specificeert dat voor lozingen en onttrekkingen een dergelijke actualisering minstens elke 10 jaar plaatsvindt. De gevolgen hiervan voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn naar verwachting erg beperkt. In de praktijk zal dit namelijk niet leiden tot een betekenisvolle verandering in de situatie dat bevoegde gezagen (moeten) zorgen dat de vergunningen in hun beheer actueel zijn en passend zijn binnen de doelen van de KRW.
Tot slot wordt benadrukt dat de voorstellen niets veranderen aan de inhoudelijke beoordeling van nieuwe vergunningaanvragen en alleen zien op het herbeoordelen van bestaande vergunningen.
Zijn warmteprojecten meegenomen in het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van een landelijke vergunning- of meldingsplicht?
Naast de actualiseringsplicht bevat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving naar aanleiding van de inbreukprocedure ook een aanscherping van de vergunningplicht voor wateronttrekkingen, dit om te voldoen aan de KRW.6 Naar aanleiding van de motie Van Ginneken/Tjeerd de Groot7 bevat de voorgenomen wijziging ook de introductie van een landelijke meldplicht voor onttrekkingen.
Bij het onderzoek naar de afbakening van deze meldplicht en naar de gevolgen daarvan en van de aangescherpte vergunningplicht voor de uitvoerbaarheid, is de betrokken stakeholders gevraagd naar de effecten voor alle wateronttrekkingen. Onttrekkingen voor warmteprojecten zijn daarbij dus niet specifiek uitgelicht, maar ook niet van de scope uitgezonderd.8
Is de veronderstelling juist dat er nog relatief weinig kennis is over de daadwerkelijke effecten van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit en dat een actualiseringsplicht derhalve investeringsrisico’s met zich meebrengt?
Het klopt dat niet altijd precies bekend is wat de effecten zijn van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit.9 Die onzekerheid kan projecten met name parten spelen als voor de eerste keer een vergunning wordt aangevraagd. Bij onzekerheid over de effecten van een project op de doelstellingen van het waterbeheer, is het niet altijd eenvoudig om een vergunning te verlenen.
Als eenmaal een vergunning verleend is, speelt deze onzekerheid in veel mindere mate een rol. Wanneer het bevoegd gezag op basis van de actualiseringsplicht opnieuw beziet of de activiteit nog ongewijzigd doorgang kan vinden, wordt specifiek gekeken naar de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.10
Ten aanzien van deze nieuw te beschouwen ontwikkelingen zal in de regel de onzekerheid niet toenemen ten opzichte van de onzekerheid die speelde bij het oorspronkelijke verlenen van de vergunning. In die zin brengt de actualiseringsplicht dan ook geen extra investeringsrisico’s met zich mee.
Deelt u de analyse dat warmteprojecten, zeker wanneer sprake is van collectieve warmtenetten, pas van de grond kunnen komen als vooraf zeker is gesteld dat voor enkele decennia warmte geleverd kan worden en de investering terugverdiend kan worden?
Deze analyse wordt gedeeld. Deze geldt voor alle investeringen en niet alleen voor warmteprojecten: een definitieve investeringsbeslissing wordt in de regel niet genomen zonder voldoende vertrouwen dat de investering terugverdiend kan worden met een redelijk rendement. De terugverdientijd voor warmteprojecten varieert per project, maar warmteprojecten zijn in het algemeen qua investering kapitaalintensieve infrastructuurprojecten. Door de lange technisch-economische levensduur van vaak tientallen jaren is het ook mogelijk om een succesvol project met een lange terugverdientijd te realiseren.
Deelt u de analyse dat een actualiseringsplicht met een frequentie van bijvoorbeeld tien jaar2 de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten dusdanig aantast dat de investeringsbereidheid zal dalen en dat maatschappelijk gewenste warmteprojecten moeilijker van de grond zullen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe waardeert u deze impact in het licht van de energie- en warmtetransitie?
Er is bij het ministerie geen analyse bekend waaruit dit zou volgen. Een dergelijke uitkomst van een analyse wordt ook erg onwaarschijnlijk bevonden, zie het antwoord op de vorige vragen. Er heeft nooit een zekerheid bestaan dat activiteiten decennialang ongewijzigd voortgezet zouden kunnen worden. Het huidige wettelijke kader verplicht namelijk al tot een regelmatige actualisatie van vergunningen en die is momenteel – voor lozingen – ook in volle gang. Bij een dergelijke actualisering kan alleen sprake zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de waterdoelen en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit op grote schaal zal leiden tot het moeten wijzigen van de bestaande vergunningen voor warmteprojecten. Ook leidt dit niet tot een andere wijze van beoordeling van vergunningaanvragen voor nieuwe warmteprojecten.
De nu in voorbereiding zijnde actualiseringsplicht maakt alleen expliciet dat deze actualisering in het vervolg minstens elke 10 jaar plaatsvindt. Overigens is de voorgenomen actualiseringsplicht onvermijdelijk gezien de inbreukprocedure van de Europese Commissie en speelt dit in alle landen waar een dergelijke inbreukprocedure loopt.
Deelt u de mening dat warmteprojecten, ook bij de uitwerking van genoemde regelgeving, in principe gezien moeten worden als projecten van hoger openbaar belang3, gelet op de bijdrage aan de doelen voor hernieuwbare energie (REDIII) en klimaat en het belang van leveringszekerheid richting eindgebruikers?
De KRW biedt een uitzonderingsmogelijkheid voor bepaalde projecten.13 Wanneer het gaat om een project dat bestaat uit nieuwe veranderingen van de fysieke kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de grondwaterstand en dat project komt in strijd met de ecologische KRW-doelen, dan kan het project toch worden toegestaan als – kort gezegd – het project van «hoger openbaar belang» is, voor dat project geen alternatieven bestaan, en de negatieve effecten van het project zo klein mogelijk zijn.
Per project zal onderbouwd moeten worden of aan deze randvoorwaarden voldaan is, maar het is aannemelijk dat projecten die plaatsvinden in het kader van de energietransitie in de regel gekwalificeerd kunnen worden als van «hoger openbaar belang».
Als een project aan deze randvoorwaarden voldoet, betekent het dat hiervoor een vergunning verleend kan worden ook al komt het project in strijd met de KRW-doelen. Deze uitzonderingsmogelijkheid heeft dus invloed op de uitkomst van een weging tussen enerzijds het waterkwaliteitsbelang en anderzijds het belang van de energietransitie. Het voorgaande betekent echter niet dat voor dergelijke projecten in het geheel geen weging meer hoeft plaats te vinden tussen beide belangen en dus geen periodieke actualiseringsplicht nodig zou zijn.
Hoe kunnen bedrijven en huishoudens verzekerd blijven van de levering van hun duurzame warmte(netten), als de daarvoor benodigde watervergunning bij een actualisering ingeperkt en/of ingetrokken wordt in geval van een mogelijk negatief effect op de waterkwaliteit ter plekke?
In de nieuwe Wet collectieve warmte is leveringszekerheid een expliciete taak van het warmtebedrijf. Het warmtebedrijf wordt geacht een gedegen plan te hebben om de structurele beschikbaarheid van voldoende warmte op de lange termijn zeker te stellen. Onderdeel daarvan zal zijn om risico’s vooraf te inventariseren en mitigerende maatregelen te nemen, zodat de consument niet zonder warmte komt te zitten, bijvoorbeeld door een divers portfolio aan warmtebronnen op te stellen en hulp- en noodvoorzieningen te plaatsen. Dat plan wordt beoordeeld en bekrachtigd door het college van burgemeester en wethouders en zo nodig in overleg met het college gewijzigd. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op het nakomen van de taak en is bevoegd om interventies te plegen. In gevallen waarin het (uitzonderlijke) wijzigen of intrekken van een vergunning ertoe leidt dat het warmtenet niet meer aan de duurzaamheidsnormen voldoet, is er in de wet de mogelijkheid opgenomen om een tijdelijke ontheffing van de duurzaamheidsnormen aan te vragen bij de ACM. In die periode kan de levering van warmte dan worden voortgezet met een tijdelijk minder duurzame bron totdat een toekomstbestendig duurzaam alternatief is ontwikkeld.
Is de veronderstelling juist dat de Kaderrichtlijn Water ruimte biedt om een actualiseringsverplichting zodanig in te vullen dat deze niet generiek geldt, maar alleen van toepassing wordt voor risicovolle activiteiten en zo dicht mogelijk blijft bij de huidige verplichting op basis van artikel 5.38 van de Omgevingswet?
Nee, de KRW biedt die ruimte niet. Zie ook de eerdere antwoorden hierboven.
Bent u voornemens de voorgenomen actualiseringsplicht en aanverwante wijzigingen zodanig in te vullen dat deze gericht wordt op risicovolle activiteiten dan wel dat een uitzonderingspositie gecreëerd wordt voor warmteprojecten, en dat de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten niet onnodig aangetast wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet mogelijk gezien de vereisten van de KRW. De Europese Commissie ziet hierop toe middels de inbreukprocedure. Het is ook niet nodig om voor warmteprojecten een uitzonderingspositie te creëren nu het niet de verwachting is dat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving warmteprojecten in betekenisvolle mate negatief zal beïnvloeden, niet voor bestaande vergunningen en niet voor nieuw aan te vragen vergunningen.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijzigingen van wet- en regelgeving zullen veeleer positieve gevolgen hebben voor projecten die samenhangen met de energietransitie en specifiek warmteprojecten. De wijzigingen leiden namelijk tot meer grip op bestaande activiteiten die ook met nieuwe warmteprojecten kunnen concurreren en bieden voor de toekomst meer mogelijkheden tot herverdeling van schaarse milieugebruiksruimte, waarbij een weging kan worden gemaakt tussen concurrerende gebruiksvormen en waarbij prioriteit gegeven kan worden aan ontwikkelingen die maatschappelijk gezien van groter belang zijn.
Bent u bekend met het rapport waarin de Britse inlichtingendienst waarschuwen dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen de nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen, en hoe beoordeelt u de relevantie van deze conclusies voor Nederland en Europa?1, 2, 3
Ja, het kabinet is bekend met dit rapport gepubliceerd door het Britse Department for Environment, Food & Rural Affairs van 20 januari 2026.4 De conclusies in de analyse komen in hoofdlijnen overeen met de conclusies over klimaatverandering in de trendanalyse nationale veiligheid 20245 en de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022.6 Kijkende naar de risico’s van ecosysteemdegradatie op de veiligheidscontext zijn een aantal van de key judgements uit het Britse rapport minder relevant voor specifiek Nederland, gezien de Nederlandse landbouw en voedselproductie. Omdat Nederland het overgrote deel exporteert, zijn de afhankelijkheden zoals genoemd door het Verenigd Koninkrijk een minder groot risico op onze veiligheid.
Herkent u de analyse dat klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps niet alleen milieuproblemen zijn, maar ook harde veiligheidsrisico’s, onder meer via voedsel- en wateronzekerheid, energiezekerheid, migratie, geopolitieke spanningen en toegenomen conflict? Kunt u dit toelichten?
Ja, het kabinet herkent deze analyse. Klimaatverandering en biodiversiteitsverlies zijn een mondiaal probleem en hebben, naast effecten op onze leefomgeving en gezondheid, een groeiende impact op onze welvaart en veiligheid. Het streven naar onafhankelijkheid en veiligheid vraagt om investeringen in schone en betaalbare energie van Europese bodem, economisch leiderschap, groene marktcreatie en verduurzaming van de brede economie, met name strategische industrie en banen.
In de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 beschrijft het Analistennetwerk Nationale Veiligheid (ANV) dat klimaat- en natuurrampen een brede impact hebben en dat vrijwel alle nationale veiligheidsbelangen kunnen worden geraakt. De gevolgen voor de nationale veiligheid die worden benoemd zijn: 1) klimaatverandering als trend met directe negatieve impact op de nationale veiligheid door directe gevolgen als frequentere en ernstigere weersextremen, zeespiegelstijging en een toename aan overstromingen, natuurbranden en infectieziekten. Daarnaast benoemt de trendanalyse 2) klimaatverandering als threat multiplier. Hiermee wordt bedoeld dat naast de genoemde directe effecten er ook internationale cascade-effecten zijn die het Koninkrijk indirect raken, bijvoorbeeld door geopolitieke spanningen, het al dan niet begaanbaar zijn/worden van (nieuwe) vaarroutes en het onder druk staan van voedselzekerheid en toenemende migratie.
In welke mate bekijkt het Rijk vandaag milieu-, klimaat-, en natuurrisico’s als veiligheidskwesties? Hoe vindt hierover afstemming plaats met Europese partners?
Het Rijk ziet de gevolgen van klimaatverandering al lange tijd als een veiligheidsrisico.
Zo is in de in 2023 gepubliceerde Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden (2023–2029) de actielijn «intensiveren klimaatmitigatie en -adaptatie» opgenomen. In deze actielijn staan de prioriteiten om de nationale veiligheidsrisico’s van klimaatverandering tegen te gaan.7 Ook de EU identificeerde in 2023 de noodzaak om de impact van klimaatverandering en ecosysteem degradatie op veiligheid en weerbaarheid beter te definiëren en implementeren in de mededeling «Een nieuwe visie op het verband tussen klimaat en veiligheid: aanpak van de gevolgen van klimaatverandering en aantasting van het milieu voor vrede, veiligheid en defensie».8
In relatie tot afstemming met Europese partners wisselt het Ministerie van Defensie onder meer informatie uit over klimaatverandering en veiligheid via het Climate and Defence Network, geleid door de Europese Dienst voor Extern Optreden.9 Naast Europese lidstaten zijn ook de NAVO en andere landen, zoals Canada, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, en de VS hierin vertegenwoordigd. Tijdens bijeenkomsten wordt gesproken over de nationale strategieën, opgesteld om de krijgsmachten voor te bereiden op klimaatverandering en de implementatie er van.
Heeft de Rijksoverheid beschikking over een gelijkaardige risicoanalyse voor Nederland? Zo ja, kunt u deze analyse, al dan niet vertrouwelijk, met de Tweede Kamer delen?
Om trends en ontwikkelingen in dreigingen tegen de nationale veiligheid te onderkennen, waaronder Klimaatverandering, maakt Nederland gebruik van de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid die in 2022 met uw Kamer is gedeeld.10 Deze analyse wordt eens in de drie jaar in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid uitgevoerd. Om zicht te houden op tussentijdse ontwikkelingen is in 2024 voor het eerst ook een trendanalyse uitgevoerd.11 Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar.
Zo nee, is er een Nederlandse overheidsdienst die een structurele risicoanalyse maakt van de impact van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen op de nationale veiligheid van Nederland? Indien niet, staat een dergelijke risicoanalyse op de planning?
Zie het antwoord op vraag 4. Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar en zal dan met uw Kamer worden gedeeld.
Indien het niet op de planning staat, kunt u alsnog de Kamer voor de zomer een rapportage bezorgen over de veiligheidsrisico’s ten gevolge van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen voor Nederland?
Zie het antwoord op vraag 4 en 5. Tevens zal het kabinet u voor de zomer informeren over hoe het voornemens is uitvoering te geven aan motie van het lid Klos12 over het organiseren van een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid in 2026. Het kabinet is voornemens om daarmee ook reageren op het verzoek van het lid Dassen om een Commissiebrief13 over de mogelijkheden die Nederland heeft om te zorgen dat we eenzelfde dreigingsanalyse kunnen maken als de Britten hebben gedaan.
Zijn de Nederlandse Krijgsmacht, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zich bewust van de risico’s die de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen voor de fysieke veiligheid van Nederland en de Nederlanders, onder andere door de verwachtte toename aan internationale conflicten en destabilisering van gemeenschappen wereldwijd die de voedingsbodem voor terrorisme kunnen vergroten? Zo ja, hoe bereiden ze zich op die risico’s voor en acht het kabinet deze voorbereiding voldoende?
Ja, de Nederlandse Krijgsmacht, de AIVD en MIVD zijn zich bewust van de risico's die klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen.
Het Ministerie van Defensie stelde reeds intern de Defensiestrategie voor Klimaatverandering en Veiligheid op, waarin klimaatverandering als threat multiplier wordt onderkend: klimaatverandering in combinatie met andere factoren (demografisch, economisch, politiek, sociaal, religieus) kan tot meer instabiliteit, conflicten en migratie leiden. Deze Strategie zal dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.
In de strategie definieert het Ministerie van Defensie vier sporen om zich voor te bereiden op de effecten van klimaatverandering op vrede en veiligheid:
Verder staat een aantal onderzoeken gepland naar de impact van klimaatrisico’s op Defensie, bijvoorbeeld op kritieke infrastructuur en datacenters. Eveneens wordt het effect van klimaatverandering meegenomen in the Future of War Conference, een gezamenlijk initiatief van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en de University of Oxford en in wargames.
Met de meest recente Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid14 is uw Kamer geïnformeerd over het feit dat de focus van Defensie op het gebied van duurzaamheidbeleid primair ligt op het versterken van energiezekerheid en autonoom voortzettingsvermogen.
De AIVD en MIVD zijn beide onderdeel van de vaste kern van het Analistennetwerk Nationale Veiligheid en daarmee medeopstellers van producten zoals de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 en de Trendanalyse Nationale Veiligheid 2024. Verder kunnen de AIVD en MIVD geen uitspraken doen over de modus operandi en onderzoeksgebieden.
Kunt u uiteenzetten hoe u structureel en systematisch gaat waarborgen dat de risico’s van klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps voor de nationale veiligheid en welvaart daadwerkelijk worden meegewogen in alle relevante beleidsprocessen?
Veiligheidsrisico’s worden op verschillende niveaus meegenomen in het beleid. Zoals ook genoemd in de beantwoording van vraag 2, worden met de implementatie van de Wwke kritieke entiteiten geacht een risicobeoordeling te maken van mogelijke door mens en natuur veroorzaakte dreigingsrisico’s en op basis daarvan weerbaarheid verhogende maatregelen te nemen. Risico’s voortkomend uit klimaat (verandering) en natuurrampen maken hier onderdeel van uit.
Ook in de nieuwe analyse van de klimaatimpacts en -risico’s die binnenkort door het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) zal worden gepubliceerd, wordt expliciet aandacht besteed aan het onderwerp veiligheid. Deze analyse ligt mede ten grondslag aan de herziene Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) die het kabinet in 2026 zal presenteren. Dit is een Rijksbrede aanpak om Nederland voor te bereiden op en weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van toename aan besmettelijke ziektes in Nederland en pandemieën die naar Nederland kunnen overwaaien? Zo ja, hoe bereid het Nederlandse zorgsysteem zich hierop voor?
De verspreiding en ontwikkeling van infectieziekten in Nederland maar ook vanuit het buitenland wordt gevolgd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM verzamelt en analyseert gegevens over trends in infectieziekten en kijkt hierbij niet alleen naar ontwikkelingen in mensen maar ook in dieren en de leefomgeving. Het RIVM heeft ook de infectieziekterisico’s van klimaatverandering voor Nederland in kaart gebracht.15
Daarnaast wordt op Europees niveau aandacht besteed aan nieuwe gezondheidsbedreigingen op het vlak van infectieziekten en antimicrobiële resistentie (AMR) die zich door klimaatverandering kunnen voordoen. Zo monitort het Europees centrum voor ziektepreventie- en bestrijding (ECDC) de ontwikkeling rondom dichterbij komende ziekteverwekkers die via muggen of teken, de zogeheten vectoren, overdraagbaar zijn.
In 2022 is bovendien een pakket wet- en regelgeving aangenomen op EU-niveau, waaronder de EU-verordening ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen (EU/2022/2371). Deze verordening regelt de coördinatie, samenwerking en afstemming op EU-niveau bij de voorbereiding op en bestrijding van onder meer infectieziekten, AMR, chemische en biologische alsook natuur- en klimaatgerelateerde bedreigingen. Op basis van de verordening worden onder meer additionele eisen gesteld aan nationale surveillance en monitoring van potentiële infectieziekten, worden periodieke externe evaluaties voorzien van de staat van paraatheid van lidstaten met betrekking tot zogenaamde «all hazards»-bedreigingen. Ook zijn Europese referentielaboratoria opgezet, waarbij het RIVM is aangewezen als EU-referentielab voor aandoeningen die onder andere via muggen en teken worden overgedragen.
Het Nederlandse zorgsysteem bereidt zich hier op verschillende manieren op voor. Hoewel sommige (tropische) ziekten nu niet of nauwelijks in Nederland worden overgebracht, behandelen ziekenhuizen en huisartsen wel al zo nu en dan patiënten die in het buitenland besmet zijn geraakt en ziek worden in Nederland. Er zijn voor veel ziekten daardoor al richtlijnen en voorzieningen beschikbaar.
Ook voor de publieke gezondheid geldt dat er al richtlijnen beschikbaar zijn voor veel ziekten. Het is belangrijk dat RIVM en GGD’en de ontwikkeling van infectieziekten (kunnen) blijven monitoren om veranderingen en ontwikkelingen tijdig op te kunnen sporen. De richtlijnen kunnen daar dan op worden aangepast. Naar aanleiding van de evaluatie van Covid-19 zijn plannen gemaakt om de voorbereiding op pandemieën te versterken. Het vorige kabinet heeft een bezuiniging uitgevoerd op deze plannen voor pandemische paraatheid. Het kabinet verdiept zich op dit moment in de consequenties van de bezuiniging op pandemische paraatheid en de mogelijkheden die er zijn.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van lagere opbrengsten in de landbouw, een lager wereldwijd aanbod aan voedsel en bijgevolg stijgende voedingsprijzen? Zo ja, hoe bereid het Rijk zich hierop voor om zo de langetermijnvoedselzekerheid van Nederland te garanderen zonder beroep te doen op vernietigende landbouwmethoden die het probleem juist verergeren?
Het kabinet erkent dat er een wezenlijk risico is dat klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en ecosysteemineenstorting kan leiden tot lagere opbrengsten in de landbouw in Nederland, in de EU en wereldwijd. Dat als gevolg daarvan voedselprijzen kunnen stijgen, is helder. Minder helder en voorspelbaar is wanneer, hoe vaak en voor welke producten dit zal optreden en met welke precieze gevolgen voor de prijs van voedsel. Uiteenlopende maatregelen moeten ervoor zorgen dat deze risico’s kleiner worden en de voedselvoorziening weerbaar is tegen deze verstoringen. Het kabinet zet in op het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen en voedsel wordt onderdeel van de vitale infrastructuur in Nederland, waarbij de continuïteit van deze sector en de bescherming tegen uiteenlopende dreigingen, inclusief de gevolgen van klimaatverandering, centraal staan. Het kabinet zet zich in voor nationale, Europese en internationale maatregelen om de emissies van broeikasgassen te verminderen en biodiversiteitsverlies tegen te gaan. Inzet op natuurbeleid, bijvoorbeeld door effectief begeren en waar nodig uitbreiden en verbinden van natuurgebieden, het beperken van drukfactoren op de natuur en het uitbreiden en versterken van agrarisch natuurbeheer moeten bijdragen aan het tegengaan van biodiversiteitsverlies in Nederland.
Het kabinet wil de voedselzekerheid op lange termijn borgen door een transitie naar een houdbaar, geavanceerd en klimaatadaptief voedselsysteem met voldoende aandacht voor verdienvermogen van ondernemers. Jaarlijks monitort het PBL de sectorale emissies via de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), terwijl het CBS de opbrengsten vastlegt in de Landbouwtelling. Internationaal biedt de FAO Food Outlook inzicht in mondiale trends, zoals voedselprijzen en ketenefficiëntie. Nederland handhaaft zijn positie als efficiënte producent door in te zetten op verduurzaming en klimaatadaptatie van de landbouw, hergebruik van afvalstromen en innovaties zoals precisielandbouw. Daarnaast zet het kabinet in op biotechnologische innovatie voor verduurzaming van de landbouw. Het kabinet zet zich in Europees verband in op het toestaan van Nieuwe Genomische Technieken (NGTs) zodat de plantenveredelingssector in staat is sneller weerbare rassen te ontwikkelen. Voor duurzame voedselproductie op de lange termijn kijkt het kabinet ook naar technologieën als kweekvlees en precisiefermetatie. Deze verduurzaming en aanpassing aan klimaatgevolgen zoals weersextremen en verzilting wordt onder meer ondersteund door Europese samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Het kabinet zet zich voor het GLB in op een toekomstgerichte, innovatieve landbouw en visserij en een gezonde natuur, met blijvende aandacht voor toekomstperspectief, verdienvermogen, voedselzekerheid en innovatie binnen de draagkracht van de aarde.16 Met de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet in samenhang aan het oplossen van de vergunningenproblematiek, het realiseren van natuurverbetering en het bieden van perspectief voor de agrarische sector. Hiermee werkt het kabinet aan een toekomstbestendige en robuuste agrarische sector, en draagt het daarmee bij aan voedselzekerheid.
Deelt u de conclusie dat deze veiligheidsbedreiging potentieel de Nederlandse welvaart kunnen ondermijnen?
Ja, die conclusie deelt het kabinet. Onze economie is inherent verweven met de staat van de natuur. Zoals het recente wetenschappelijke rapport over de link tussen bedrijven en biodiversiteit van het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) aantoont, zijn alle bedrijven afhankelijk van biodiversiteit.17 Het verlies aan biodiversiteit vermindert het vermogen van ecosystemen om essentiële ecosysteemdiensten zoals bestuiving en waterzuivering te leveren en vormt daarmee een materieel risico voor bedrijven, financiële instellingen als ook de macro-economische stabiliteit en brede welvaart.
Herkent u de vaststelling dat er een realistische mogelijkheid is dat bepaalde wereldwijde ecosystemen zoals koraalriffen en boreale wouden reeds vanaf 2030 kunnen instorten met alle daaruit volgende veiligheidsrisico’s voor de wereld en dus ook voor Nederland? Welke nationale, Europese en internationale noodmaatregelen zijn nog mogelijk om dit te voorkomen?
Het kabinet deelt de zorgen over de kwetsbaarheid van cruciale wereldwijde ecosysteem diensten. Het ineenstorten van ecosystemen brengt veiligheidsrisico’s voor de mondiale stabiliteit, voedselzekerheid en klimaatbeheersing met zich mee, wat ook gevolgen heeft voor Nederland. Wetenschappelijke rapporten van onder meer het IPBES en Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) waarschuwen dat bij aanhoudende opwarming en biodiversiteitsverlies zogenaamde kantelpunten (tipping points) bereikt kunnen worden.
Hoewel er geen gedetailleerde inventarisatie is gemaakt van de specifieke noodmatregelen die onmiddellijk genomen moeten worden, is het van cruciaal belang dat er op internationaal, Europees en nationaal niveau dringende stappen worden gezet. Het kabinet zal dit aanjagen en er op aansturen dat waar nodig aanvullende stappen worden gezet. Internationaal richt het kabinet zich op de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework. Europees moeten de doelstellingen van de Europese Klimaatwet, Europese Green Deal en de Natuurherstelwet worden uitgevoerd.
Nationaal richt het kabinet zich op concrete maatregelen om de weerbaarheid van Nederland te versterken. Voor Nederland als deltaland is het van belang om onder andere slim om te gaan met water, rivieren meer ruimte te geven om overstromingen te voorkomen, en nature-based solutions op te schalen, zoals het herstellen van wetlands, het aanleggen van groene bufferzones en het bevorderen van natuurlijke waterberging. Tegelijkertijd werkt Nederland aan het reduceren van milieuschadelijke subsidies, het stimuleren van bedrijven en financiële instellingen om meer rekening te houden met hun impact op en afhankelijkheid van biodiversiteit, en het implementeren van klimaatadaptatiemaatregelen, inclusief specifieke programma’s voor Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen, waaronder een concreet uitvoeringsprogramma om de drukfactoren op koraal en mangroven in de Caribische delen van Nederland te verminderen en herstel te bespoedigen. Het verminderen van deze drukfactoren geeft de biodiversiteit meer weerbaarheid tegen de effecten van klimaatverandering. Daarnaast wordt gewerkt aan eilandelijke klimaatplannen en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
Daarnaast is het kabinet volop aan de slag met de nationale opgaven voor natuur en stikstof, in samenhang met de opgaven op onder andere water en klimaat, via de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof, zoals ook aangegeven door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in de brief Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof van 27 maart jl.18
Hoe zal Nederland gezien de huidige ontrafeling van de internationale orde ertoe bijdragen dat de gevolgen van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen niet nog meer leidt tot een vijandige wereld waarin enkel het recht van de sterkste geldt? Hoe zal Nederland er juist toe bijdragen dat landen zich maximaal verenigen om deze uitdagingen samen aan te gaan en bij een toegenomen druk op beperkte hulpmiddelen vrede te waarborgen?
Nederland blijft een actieve pleitbezorger voor ambitieuze internationale afspraken met heldere rapportageverplichtingen op gebied van biodiversiteit en klimaat, alsook voor de implementatie van deze afspraken. Ook investeert Nederland in zijn diplomatieke contacten en ondersteunen we landen met de implementatie van hun klimaat- en biodiversiteitdoelen. Nederland benut zijn positie als kennispartner om bruggen te slaan tussen het mondiale Noorden en Zuiden. We ondersteunen ontwikkelingslanden niet alleen financieel, maar ook met technische innovaties op het gebied van bijvoorbeeld klimaatadaptatie.
Hoe gaat u de samenleving, inclusief lagere overheden en burgers, transparant informeren over de conclusies van dergelijke analyses, zodat tijdig kan worden geïnvesteerd in zowel drastische emissiereductie en natuurherstel als in rechtvaardige adaptatie en weerbaarheid?
Het goed informeren van iedereen in Nederland is inderdaad van belang om tijdig, gezamenlijk en individueel, de juiste voorbereidingen en maatregelen te treffen, zodat we in ons land ook op langere termijn goed kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering, zoals weersextremen en verzilting. Met het oog hierop wordt momenteel de nieuwe NAS’26 ontwikkeld. Naar verwachting wordt deze in het najaar van 2026 opgeleverd. Het kabinet zal in de aankomende Nationale klimaatadaptatiestrategie een aanpak presenteren voor een klimaatweerbare samenleving. Zie de beantwoording van vraag 8 voor meer informatie over de NAS.
Veel van de investeringen ten behoeve van de reductie van broeikasgasemissies komen vanuit het Rijk. Dat neemt niet weg dat het van groot belang is om de samenleving te betrekken bij het zoeken naar oplossingen voor de klimaatopgave. Dit is onder meer gedaan middels het Burgerberaad Klimaat.19
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Vanwege uitvoerige interdepartementale afstemming is dit helaas niet binnen de termijn gelukt.
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Ja.
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
In de brief van de stichting PiLP van 10 december 2025 uiten maatschappelijke organisaties hun zorgen over de verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu ten aanzien van de bouw van drie datacentrumtorens aan de Plimsollweg in Amsterdam. Zij geven aan dat de ontwikkeling in Amsterdam een groot beslag legt op het elektriciteitsnet, waardoor andere bedrijven en woningbouw niet kunnen aansluiten. Het project loopt sinds 2019 en daardoor wordt Amsterdam, volgens de organisaties, geconfronteerd met een speculatieve ontwikkeling, terwijl er landelijk beperkingen gelden voor hyperscale datacentra en lokaal al jaren een moratorium bestaat op alle datacentra. Naar mening van de organisaties zou het in een goed functionerende democratie mogelijk moeten zijn om eerder genomen besluiten te heroverwegen.
Het kabinet deelt net als de gemeente de zorgen van de maatschappelijke organisaties over de belasting van het stroomnet. Netcongestie speelt helaas op veel plaatsen in Nederland. Het is van belang om te benoemen dat de gemeenteraad van Amsterdam in beginsel verantwoordelijk is voor de ruimtelijke keuzes voor de inrichting van haar grondgebied, binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Als het gaat om de ruimtelijke keuzes door de gemeente Amsterdam past het Rijk terughoudendheid bij de beoordeling van de besluitvorming door de gemeente. Dat geldt ook voor vergunningverlening door de provincie. De verantwoording over de decentrale besluitvorming gebeurt immers primair door de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten aan respectievelijk de gemeenteraad en provinciale staten. In dat kader kan ook de heroverweging van dit type besluiten aan de orde komen, waarbij dan ook aspecten als rechtszekerheid en nadeelcompensatie aan de orde kunnen komen.
In het geval van het datacentrum aan de Plimsolweg heeft de Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied, namens de gemeente, op basis van een toets aan het toenmalige bestemmingsplan op basis van een aanvraag in 2019 een omgevingsvergunning voor de bouw en ingebruikname verleend. De verlening van deze vergunning heeft plaatsgevonden voordat de regels van het Rijk ten aanzien van hyperscale datacentra van toepassing waren. Later heeft de provincie, op basis van aanvragen in 2021 en 2022, in 2025 vergunningen voor onder meer milieuactiviteiten verleend.
Het is verder relevant om te melden dat er bij deze ontwikkeling geen sprake is van een hyperscale datacentrum, volgens de definitie in de regels van het Rijk. De omvang van dit datacentrum bedraagt immers minder dan 10 hectare bebouwd vloeroppervlak, terwijl de regels van het Rijk van toepassing zijn op datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer.
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
De omgevingsvergunningen zijn door de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied verleend namens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland. Op basis van informatie van de Provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied kan ik aangeven dat de volgende vergunningen, inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten, verleend zijn:
Op 6 november 2020 heeft de omgevingsdienst namens burgemeester en wethouders van Amsterdam een bouwvergunning verleend (aangevraagd op 3 december 2019) voor het bouwen van drie torens in afwijking van de toegestane bouwhoogte in het bestemmingsplan.
Op 15 juli 2025 heeft de Omgevingsdienst, namens gedeputeerde staten van Noord-Holland, een omgevingsvergunning vanwege een wijziging in de gevel voor een beoordeling vanuit welstand voor zonnepanelen en twee waterbuffertanks (aangevraagd op 1 december 2021). Deze verginning is definitief, maar nog niet onherroepelijk
De provincie Noord-Holland heeft op 15 juli 2025 drie milieuvergunningen (voor elke toren één) verleend en toestemming gegeven voor afwijking van het geluidverdeelplan (aangevraagd op 11 april 2022). Tegen de vergunning loopt nog een beroepsprocedure.
De gemeenteraad van Amsterdam heeft in zijn vergadering van 12 juli 2019 een voorbereidingsbesluit genomen voor het gehele grondgebied van Amsterdam met betrekking tot datacentra. Het voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van één jaar en heeft tot doel om vooruitlopend op een gemeentelijk beleid voor datacenters de bestaande situatie met betrekking tot datacenters «on hold» te zetten4.
De Minister van VRO heeft op 16 februari 2022 voor heel Nederland (uitgezonderd twee locaties) een voorbereidingsbesluit onder de Wro genomen waarmee verboden werd om gronden en bouwwerken zodanig te wijzigen dat een hyperscale datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer gebouwd of in gebruik genomen kon worden5. Dit voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van negen maanden.
Op 16 november 2022 heeft de Minister een tweede voorbereidingsbesluit voor de duur van negen maanden genomen6 en op 16 augustus 2023 een derde voorbereidingsbesluit7.
Op 1 januari 2024 is ook het Besluit van 20 december houdende wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met een instructieregel voor hyperscale datacentra in werking getreden8.
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Ja, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, heeft het Rijk op 16 februari 2022 een voorbereidingsbesluit genomen waarna gestart is met een wetgevingstraject voor instructieregels voor hyperscale datacentra (AmvB). Het ontwerpbesluit is gedurende het wetgevingstraject op verschillende momenten gepubliceerd en op 1 januari 2024 in werking getreden. Met het voorbereidingsbesluit is beoogd de bouw en ingebruikname van nieuwe hyperscale datacentra (meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en een aansluitvermogen van 70 MW of meer) tegen te houden (buiten de twee eerder genoemde uitzonderingsgebieden).
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Ja, in voorkomende gevallen is het gebruikelijk dat het bevoegd gezag (in dit geval B en W van Amsterdam en GS van Noord Holland) bij besluitvorming rekening houden met voorgenomen eigen beleid of verwacht beleid- en wetgeving van andere bestuursorganen.
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Nee, zoals in de eerdere antwoorden aangegeven is de eerste vergunning voor het bouwen en in gebruik nemen van dit datacentrum aangevraagd op 3 december 2019 en verleend op 6 november 2020, waarbij onder meer getoetst is aan het vigerende bestemmingsplan. Het Rijk heeft op 16 februari 2022 via een voorbereidingsbesluit een landelijk verbod bekend gemaakt en aangegeven dat er landelijk beleid en regelgeving werd opgesteld om de bouw van nieuwe hyperscale datacentra tegen te gaan. Daarbij heeft het Rijk ook aangegeven wat onder een hyperscale datacentra in de zin van het Rijksbeleid en de regelgeving werd verstaan.
Het was voor de Omgevingsdienst, namens het bevoegd gezag, niet mogelijk om bij de vergunningverlening het landelijke verbod mee te wegen, omdat de vergunning aangevraagd en verleend is ruim voordat het verbod op de vestiging van nieuwe hyperscale datacentra van kracht werd. Daarbij is, wegens een bebouwd vloeroppervlak van minder dan 10 hectare, het landelijke verbod überhaupt niet van toepassing is op het initiatief aan de Plimsolweg.
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
De maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter ligt bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zij zijn bevoegd gezag geweest voor de plannen en de vergunningverlening. Uit informatie van de provincie Noord-Holland blijkt dat het gaat om een aansluitvermogen van 33 MW per toren, dus 99 MW in totaal. Bij het beoordelen van de aanvragen voor de drie torens is door de provincie gekeken naar de vestigingsvoorwaarden van de provincie. Zo is na overleg met de aanvrager afgezien van het gebruik van grondwater en is er voor gezorgd dat het datacentrum zijn warmte af kan staan aan een te bouwen warmtegebouw aan de overkant van de straat. Omdat het Rijk hierbij verder niet betrokken is geweest, ben ik niet op de hoogte van verdere inhoudelijke specificaties. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Het datacenter heeft een vermogen van 99 Megawatt. Stel dit datacenter vraagt volcontinu elektriciteit, dan leidt dat tot een elektriciteitsvraag van circa 0,87 TWh per jaar. In de nieuwste windparken op zee staan windturbines van 11 MW per stuk. Een 11 MW turbine levert met 3.700 vollasturen circa 0,041 TWh per jaar. Om de jaarvraag te dekken zijn in theorie dan 21,2 (dus 22) turbines nodig.
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Ja. Het datacenter heeft een ruimtelijke impact en vraagt beschikbare transportcapaciteit, dus het zal altijd impact hebben op andere ontwikkelingen. Het is daarbij relevant om aan te geven dat het hier gaat om een historisch project met een energiecontract dat al veel eerder is vastgesteld. In dit geval heeft het datacenter al transportcapaciteit gecontracteerd voordat congestie werd afgekondigd en een wachtrij is ingesteld. Daarmee kan het dus geen afstand doen van de rechten voor andere doeleinden. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Ik begrijp de zorgen die er bestaan over deze ontwikkeling. Het betreft echter een ontwikkeling die al lang speelt en die bovendien niet valt onder de regels van het Rijk over hyperscale datacentra. Om die reden heeft de maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter gelegen bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Zoals eerder aangegeven heeft de besluitvorming over dit datacentrum gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam. Het Rijk is hierbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik begrepen dat het project is getoetst aan de vestigingsvoorwaarden voor datacenters van de provincie9.
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Die impact is inderdaad meegewogen in de besluitvorming rondom de instructieregel «hyperscale datacentra». Sterker nog: de impact op ruimte en energie is de reden geweest om de instructieregel op te stellen (vanwege nationale belangen).
Zoals in de toelichting op de AMvB staat opgenomen is de ruimte in Nederland is schaars en wordt Nederland geconfronteerd met grote opgaven die allemaal gepaard gaan met ruimtelijke claims. Hierbij valt te denken aan de energietransitie, landbouw en de woningbouwopgave. In Nederland is, vanwege het ruimtebeslag, de landschappelijke impact, het hoge energiegebruik en de belasting van de landelijke energie-infrastructuur, maar beperkt ruimte voor de bouw en ingebruikname van hyperscale datacentra en daarom is destijds de instructieregel opgesteld.
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
Hierover is geen expliciet besluit genomen. Het is niet openbaar wanneer het energiecontract is afgesloten met dit project. Het afsluiten van overeenkomsten tussen netbeheerders en afnemers vindt plaats tussen deze partijen onderling, op basis van de energiewet, zonder dat daar een overheidsbesluit aan te pas komt.
Gezien de bouwvergunning in 2019 is aangevraagd gaan wij ervan uit dat de contracten voor energie en transportcapaciteit toen ook zijn afgesloten. In die periode golden nog geen voorrangsregels voortransportcapaciteit: pas in april 2024 is er door de ACM een maatschappelijk prioriteringskader opgenomen in de Netcode elektriciteit, voor het verdelen van transportcapaciteit in tijden van netcongestie10. In de huidige situatie krijgt een transportverzoek voor woningbouw prioriteit, en aansluitingen voor commerciële datacenters niet.
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Investeren in robuuste en duurzame datacenters en digitale infrastructuur is essentieel om Nederland én Europa ook in de toekomst concurrerend te houden en onze digitale open strategische autonomie te waarborgen. Het kabinet herkent daarom niet dat datacenters «verspilling van schaarse energie en ruimte» zijn. Daarbij erkent het kabinet wel dat er een discrepantie bestaat tussen de vraag uit de sector en dat wat in termen van ruimte en energieverbruik realiseerbaar is. Daarom is er regulering vanuit het Rijk op dit thema, onder andere via de eerder genoemde instructieregel hyperscale datacentra.
Voor het rechtvaardig verdelen van capaciteit op het stroomnet is er het prioriteringskader van de ACM, dat bepaalt welke sectoren voorrang krijgen bij het verkrijgen van nieuwe transportcapaciteit. Datacenters zijn niet opgenomen in dit kader en nieuwe aanvragen van datacenters krijgen dus ook geen voorrang, tenzij dat nodig is voor een vitale voorziening zoals een ziekenhuis. Hiermee wordt voorkomen dat de elektriciteitsvraag van nieuwe datacenters ten koste gaat van woningbouw en andere maatschappelijke prioritaire sectoren.
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Er bestaat geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij de Nederlandse autoriteiten melding te maken over de doeleinden waarvoor ze gebruik (zullen) maken van servercapaciteit die ze afnemen in een datacentrum, of over het type data dat ze in dit datacentrum van plan zijn te verwerken of op te slaan. Er is geen informatie bij het kabinet beschikbaar over de doeleinden waarvoor Microsoft de servercapaciteit in dit te ontwikkelen datacentrum zal gaan gebruiken. In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen.
In algemene zin kan gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor het functioneren van de digitale infrastructuur en belangrijk is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.11 De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-)dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van clouddiensten.
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
Allereerst kan gesteld worden dat het betreffende datacentrum nog niet is ontwikkeld, en dus ook nog niet in gebruik is genomen. Daarnaast is er op dit moment geen informatie bekend over de data die Microsoft van plan is in dit datacentrum op te slaan. Zoals in het antwoord op vraag 15 is vermeld, bestaat er geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij Nederlandse autoriteiten melding te maken van de doeleinden waarvoor zij gebruik maken van een datacentrum of het type data dat ze in een datacentrum verwerken of opslaan.
Wat betreft de casus die u aanhaalt uit september 2025; hierin heeft Microsoft kenbaar gemaakt dat de betreffende dienstverlening aan het Israëlische Ministerie van Defensie is gestopt en uitgeschakeld omdat dergelijk gebruik in strijd zou zijn met de algemene voorwaarden van Microsoft.13 Daarmee is het op dit moment niet aannemelijk dat het te ontwikkelen datacentrum voor die doeleinden zal worden ingezet.
In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen. Deze autoriteiten zijn onafhankelijk en maken daarbij hun eigen afwegingen.
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven, kan in algemene zin gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.
De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-) dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van onder meer clouddiensten.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
In het vragenuur van 27 januari 2026 heeft de vorige Minister van VRO aangegeven dat het onderwerp «strategische autonomie» op het vlak van digitalisering onderdeel is van de portefeuille van de toenmalige Staatssecretaris van BZK. Om die reden is zij hier in het vragenuur niet verder op ingegaan.
Een nadere reflectie op de verwachte impact van de ontwikkeling van het datacentrum op strategische autonomie is reeds gegeven in de beantwoording van vragen 15 en 17.
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
De ontwikkeling van een nieuw datacentrum door een Britse datacentrumontwikkelaar is op zichzelf geen project dat onze strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt. De aankondiging dat Microsoft de beschikbare capaciteit in het datacentrum in z’n geheel afneemt, maakt dat in dit datacentrum – net als in diverse andere datacentra in Nederland waar Microsoft servercapaciteit afneemt – mogelijk data uit clouddiensten van Microsoft wordt opgeslagen en verwerkt.
Indien een organisatie gebruik maakt van een Amerikaanse clouddienstverlener, zoals Microsoft, bestaat het risico dat Amerikaanse autoriteiten onder de CLOUD Act een verzoek indienen voor het delen van gegevens. Dit risico dient door (overheids)organisaties meegenomen te worden in de risicoanalyse. Conform het Rijksbreed cloudbeleid 2022 dienen organisaties die onder het Rijksbreed cloudbeleid 2022 vallen bij het risico op dreiging van statelijke actoren, voortijdig dreigings- en beveiligingsadvies in te winnen bij de AIVD c.q. de MIVD.
Onverminderd het bovenstaande is het van groot belang dat er meer mogelijkheden komen voor soevereine c.q. digitaal autonome cloudoplossingen. In dat verband wordt onder de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) onder meer gewerkt aan (een verkenning naar) een soevereine overheidscloud. Ook het versterken van de Nederlandse en Europese concurrentiepositie van de cloudmarkt is een belangrijke inzet. Over deze inzet is uw Kamer middels een Kamerbrief geïnformeerd.14
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Nee, zoals eerder aangegeven hebben de afwegingen en de besluitvorming over deze ontwikkeling gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam en is het Rijk daarbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik vernomen dat de vergunning reeds is gepubliceerd en daarmee voldoet het aan de wet- en regelgeving. Er zijn naar mijn weten geen mogelijkheden om de vergunning aan te passen of te herroepen, tenzij er nieuwe (milieu)wetgeving van toepassing is.
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Nee, vanuit ruimtelijk perspectief wordt in de regelgeving van het Rijk onder een hyperscale datacentrum verstaan: het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Zoals ook in de toelichting bij de regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangegeven is het een bewuste keuze van de wetgever geweest om alleen regels te stellen voor de vestiging van een datacentrum dat aan de criteria van meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en 70 MW of meer voldoet. Kleinere datacentra (met een oppervlakte van minder dan 10 hectare) of datacentra die slechts aan één criterium voldoen vallen niet onder de regels van het Rijk. Wel kunnen gemeenten, provincies en waterschappen in hun verordening of omgevingsplan regels stellen door dit type datacentra. Vanuit andere invalshoeken die relevant zijn vanuit het oogpunt van digitale autonomie, zoals het effect op de nationale veiligheid en verdienvermogen, is er op dit moment geen reden voor overheidsingrijpen.
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Uit contact met de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam heb ik vernomen dat zij in gesprek gaan met deze maatschappelijke organisaties. Ik zie geen reden om zelf met hen in gesprek te gaan.
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Dat klopt op basis van de informatie die ik over deze zaak heb gekregen. De regels van het Rijk verbieden alleen de bouw en ingebruikname van nieuwe datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en met een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer. Omdat het betreffende datacentrum in Amsterdam een bebouwd vloeroppervlak heeft van 2,2 hectare, valt deze niet onder de Rijksregels. Ik begrijp de zorgen die er lokaal bestaan over het ruimtebeslag en het energieverbruik dan dit datacentrum. Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs16 gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen.
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Nee, zoals de vorige Minister van VRO heeft aangegeven in het vragenuur is het opsplitsen van het datacentrum in drie gebouwen niet relevant voor de vraag of deze ontwikkeling past binnen de Rijksregels. Het totale bebouwde vloeroppervlak van de drie torens samen bedraagt 2,2 hectare. Dat is dus minder dan de 10 hectare die als grenswaarde is gebruikt bij de Rijksregels ten aanzien van hyperscale datacentra.
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen. Hierover zal uw Kamer op een later moment worden geïnformeerd.
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 2 deelt het kabinet de zorgen over de belasting van het stroomnet. Om die reden is ook in het coalitieakkoord opgenomen dat het aanpakken van de netcongestieproblemen onze hoogste prioriteit heeft. Zoals verder aangegeven in het antwoord op vraag 2 is de realisatie van dit datacentrum verder passend binnen de regels zoals het Rijk die heeft gesteld. Ik zie om die reden geen aanvullende lessen om te trekken uit de gang van zaken.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Wegens de hoeveelheid vragen en de benodigde afstemming tussen de verschillende bewindspersonen en met de provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, is het niet gelukt om de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
De aanhoudende problemen met zwerfstroom bij veehouderijbedrijven |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanhoudende problemen met zwerfstroom bij onder meer veehouderijbedrijven1?
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgevingen over zwerfstroom bij veehouderijen in Ooltgensplaat.
Kunt u in afstemming met onder meer provincies, gemeenten en sectororganisaties aangeven in hoeverre in andere regio’s in het land bij veehouderijbedrijven ook problemen ervaren worden die mogelijk in verband staan met zwerfstroom?
Ik heb op dit moment geen kennis van situaties op veehouderijbedrijven elders in Nederland waar soortgelijke problemen worden ervaren zoals die in berichtgeving is beschreven. Indien onbegrepen problemen bestaan op een veehouderij zal normaliter de eigen dierenarts hierover geconsulteerd worden. Ook kunnen veehouders en dierenartsen contact opnemen met de Gezondheidsdienst voor Dieren, via de Veekijker2, voor advies. De Veekijker is onderdeel van de basismonitoring diergezondheid, een instrument om trends en ontwikkelingen in de diergezondheid bij landbouwhuisdieren te volgen.
In het verleden is, naar aanleiding van meldingen van onbegrepen gedrag, door sectorpartijen geïnventariseerd in welke mate onbegrepen gedrag van dieren door veehouders wordt gezien, waar geen duidelijke verklaring (binnen of buiten het bedrijf) voor aan te wijzen was. Er is een oproep gedaan voor bedrijven om zich te melden. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft in 2018 een onderzoek gedaan, waaraan 31 bedrijven die zich gemeld hadden, hebben deelgenomen3. Er is geconcludeerd dat veel factoren een rol kunnen spelen, er is niet één specifieke oorzaak gevonden. Mogelijk was de oorzaak per bedrijf ook verschillend. Associaties met zonnepanelen, of zendmasten en hoogspanningskabels in de omgeving zijn in dit onderzoek niet gevonden.
Deelt u de mening dat het vanwege de toenemende elektrificatie goed is om tijdig onderzoek te doen naar mogelijke risico’s van zwerfstroom en de mogelijkheden om dit te voorkomen?
Toenemende elektrificatie brengt in zichzelf geen risico op zwerfstroom. Zwerfstroom ontstaat wanneer elektrische installaties niet goed geaard zijn of bedradingen niet goed geïsoleerd zijn. Ook kunnen zwerfstromen ontstaan als de opbouw en capaciteit van de elektrische installatie onvoldoende is of apparatuur wordt gebruikt die niet voldoet aan de Europese veiligheidsregels.
Indien een bestaande elektrische installatie van een bedrijf wordt uitgebreid met bijvoorbeeld een zonnepaneel-installatie, een batterij of een kleine windturbine is het zaak dat deze installatie blijft voldoen aan de elektrotechnische veiligheidseisen zoals beschreven in de NEN1010. Onoordeelkundige uitbreidingen kunnen tot problemen leiden. Het is daarom belangrijk dat elektrische installaties altijd aangelegd, onderhouden en gecontroleerd worden door gecertificeerde elektrotechnische installatiedeskundigen.
Waarom is door de provincie Zuid-Holland gevraagd multidisciplinair onderzoek naar de zwerfstroomproblematiek geweigerd2, terwijl verschillende experts wijzen op de mogelijkheid van bedrijfsoverstijgende oorzaken3, 4?
De provincie Zuid-Holland heeft inderdaad per brief verzocht om het uitvoeren van multidisciplinair onderzoek door het Rijk. De provincie gaf aan dat de casuïstiek de mogelijkheden en het kennisveld van de provincie oversteeg. Nadat de veehouder eerst zelf onderzoek heeft laten uitvoeren, heeft de provincie een second opinion laten uitvoeren.
Dit second opinion-onderzoek concludeert dat er geen externe oorzaken zijn aan te wijzen voor de problemen op het bedrijf. Uit het onderzoek bleek bovendien dat de metingen uit het onderzoek dat de veehouder heeft laten uitvoeren, ongeschikt waren om zwerfstromen te detecteren en dat er aanwijzingen waren dat de elektrische installatie op het bedrijf verbetering behoeft.
Tevens staat de veehouder onder verscherpt toezicht van de NVWA en is veroordeeld door de rechter vanwege het onthouden van de nodige zorg en het hebben van onvoldoende capaciteit voor het aantal gehouden dieren. Overwogen is dat deze situatie nog altijd niet volledig is verbeterd en dat de problematiek op het bedrijf toe te schrijven is aan de omstandigheden waaronder de dieren worden of werden gehouden. De houder is tevens gewezen op het bestaan van het vertrouwensloket welzijn landbouwhuisdieren voor hulp en ondersteuning.
Bent u alsnog bereid het gevraagde multidisciplinaire onderzoek op te pakken?
Ik kan mij goed voorstellen dat de veehouders zorgen hebben, gezien de klachten die zij ervaren. Het gevraagde multidisciplinair onderzoek is echter pas zinvol als er in de monodisciplines geen mogelijke oorzaak van de problemen worden gevonden. In dit geval zijn er geen externe oorzaken gevonden, zijn er wel zorgen over het dierenwelzijn en diergezondheid bij de veehouderij en waren er verbeteringen mogelijk in de elektrische installatie. Tevens ken ik geen voorbeelden van onderling vergelijkbare casuïstiek die op externe oorzaken wijzen.
Uiteraard blijf ik alert op eventuele ongewenste gevolgen die samen zouden kunnen hangen met de energie-transitie en de (elektrische) infrastructuur die in de omgeving wordt geplaatst.
De rechterlijke uitspraak aangaande bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter en de overweging dat de Nederlandse Staat niet voldoende heeft beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering voor de inwoners van Bonaire? Wat is uw reactie op de uitspraak?1
Ja. Voor een eerste reactie wordt verwezen naar de brief die hierover is verzonden door de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG), de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Staatssecretaris Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) op 2 februari 20262.
Kunt u bevestigen dat de Staat niet in beroep zal gaan tegen de gedane uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zal moeten besluiten over het al dan niet instellen van hoger beroep. Hiervoor geldt een termijn van drie maanden vanaf de datum van het vonnis.
Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie van de leden Ceder en Wuite over in kaart brengen wat nodig is aan klimaatadaptieve maatregelen voor de BES-eilanden (Kamerstuk 36 200 IV, nr. 18) waarin de regering werd verzocht om samen met lokale autoriteiten in kaart te brengen welke klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk zijn?
Sinds 2023 wordt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) gewerkt aan klimaatplannen in opdracht van de Openbare Lichamen met ondersteuning van het Rijk. Hierin zijn maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Dit proces heeft meer tijd gekost dan vooraf ingeschat was, maar inmiddels staat de oplevering van deze plannen gepland voor de komende maanden3. Overigens zijn in de afgelopen jaren met ondersteuning van het Rijk reeds maatregelen getroffen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Hierbij gaat het bijvoorbeeld op Bonaire om regenwaterbeheer en op Saba om de bouw van een orkaanbestendige haven. Op Sint Eustatius loopt de aanpak van loslopend vee zodat vegetatie weer een kans krijgt om te groeien, er minder erosie optreedt en er meer water wordt vastgehouden in de bodem. Herbebossingsprojecten zijn belangrijk om meer schaduw te creëren, en ook hiervoor is het een randvoorwaarde dat de graasdrukte door loslopende geiten wordt verminderd.
Op welke wijze garandeert de Rijksoverheid dat inwoners van alle Nederlandse gemeenten, inclusief die buiten Europees Nederland zoals Bonaire, gelijke bescherming genieten tegen de gevolgen van klimaatverandering en evenredig wordt ingezet op klimaatadaptatie? Hoe reflecteert u op de constatering van de rechtbank dat de inwoners van Bonaire hierbij zonder goede reden anders behandeld worden dan de inwoners van Europees Nederland?
Sinds 2010 is er in Caribisch Nederland ingezet op tal van onderzoeken en maatregelen in de sfeer van natuurbehoud, ruimtelijke ordening, tegengaan van erosie en het verbeteren van basisvoorzieningen zoals drink- en afvalwater. Dit heeft allemaal een relatie met klimaatadaptatie. Sinds 2023 wordt daarnaast ook inzet gepleegd in planvorming ten behoeve van klimaatadaptatie. Naast de eilandelijke klimaatplannen (zie vraag 3), wordt er gewerkt aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
De rechtbank is inderdaad van oordeel dat de inwoners van Bonaire bij (de snelheid van) het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. Tegelijk constateert de rechtbank dat er vanuit de Staat sinds 2023 concrete stappen zijn gezet om tot een coherent en integraal klimaatbeleid voor Caribisch Nederland te komen en dat die ondernomen stappen passend lijken. Dit kabinet zal besluiten in hoeverre de bestaande klimaatmaatregelen en ondersteuning geïntensiveerd moeten worden en wat nodig is om uitvoering te geven aan de klimaatplannen. De wijze waarop vraagt nog een nadere en zorgvuldige bestudering van het vonnis.
Klopt het dat er voor Bonaire geen vergelijkbare programma’s zijn ontwikkeld zoals er voor Europees Nederland wel zijn ontwikkeld (Deltaprogramma, klimaatadaptatiestrategie)? Wat is de verklaring waarom dit niet reeds is ontwikkeld? Wat is er in de afgelopen jaren wel gebeurd om Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland c.q. het Caribisch deel van ons Koninkrijk) te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering dan wel in te zetten op klimaatadaptatie? In hoeverre zijn deze plannen vergelijkbaar met de programma’s en maatregelen die in Europees Nederland worden uitgevoerd?
Voor Caribisch Nederland zijn specifieke programma’s ontwikkeld op basis van BES wet- en regelgeving en beleid, zoals het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) en het Ruimtelijke ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voldoende is en constateert dat voor het NMBP momenteel geen vervolgbudget is. Sinds 2023 wordt aan eilandelijke klimaatplannen gewerkt (zie vraag 3) en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van zal uitmaken (zie vraag 4).
Welke acties gaat u ondernemen c.q. in gang zetten om een antwoord te bieden op de uitspraak en werk te maken van een échte klimaatadaptatiestrategie voor Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland)? Kunt u een tijdlijn geven hoe de uitspraak opgevolgd wordt, enerzijds om binnen 18 maanden te komen tot wettelijke bindende doelen en anderzijds om voor 2030 een uitgewerkt plan voor Bonaire te hebben?
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat hieraan uitvoering moet worden gegeven. Het vonnis vergt nadere en zorgvuldige bestudering. U wordt apart geïnformeerd over de precieze invulling hiervan inclusief de tijdlijn.
Op welke wijze betrekt de Rijksoverheid de lokale bevolking van Bonaire bij de ontwikkeling, implementatie en monitoring van klimaatbeschermingsmaatregelen?
De eilandelijke klimaatplannen, zoals hierboven beschreven in antwoord op vraag 3, worden – met ondersteuning van het Rijk – opgesteld met brede maatschappelijk consultatie en kennen een eigen lokaal participatietraject. De Nationale Klimaatadaptatiestrategie kent een eigen participatietraject, om de bevolking van Caribisch Nederland mee te nemen en te informeren. Hiervoor wordt een passend participatietraject ontwikkeld, waar in elk geval voorzien zal worden in vertalingen in het Papiaments en Engels, evenals advertenties in lokale media.
Het conceptakkoord met Tata Steel en de vraagtekens bij de daadwerkelijke klimaatwinst van de miljarden staatssubsidie |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waarin experts grote vraagtekens plaatsen bij de klimaatwinst van de twee miljard euro subsidie aan Tata Steel, en hoe beoordeelt u deze kritiek?1
Ik ben bekend met de nieuwsberichten. De kritiek in de berichtgeving ziet niet op de verduurzaming en de vermindering van de CO2-emissies die ontstaan door de staalproductie van Tata Steel Nederland (TSN) zelf (zogenaamde scope 1 emissies), maar op de indirecte emissies die als gevolg van het Groen Staal Plan elders zouden kunnen ontstaan bij de inkoop van energie (scope 2) of de indirecte emissies in de keten (scope 3).
De maatwerkaanpak van het kabinet heeft als doel om een forse uitstootvermindering te realiseren in het productieproces van een bedrijf zelf, zo ook bij TSN. De huidige plannen van TSN leiden naar verwachting tot een vermindering van de CO2-uitstoot met 5,4 tot 7,2 megaton per jaar. Dat is ongeveer 5% van de totale Nederlandse uitstoot. Daarnaast zorgen de plannen voor een forse verbetering van de leefomgeving en gezondheid in de regio. Een maatwerkafspraak is de beste manier om zo snel mogelijk te komen tot vermindering van CO2-uitstoot, verbetering van de leefomgeving en gezondheid in de regio en de staalindustrie te behouden. Een belangrijke overweging hierbij is dat TSN zonder maatwerkafspraak deze investeringen in verduurzaming en verbetering van de gezondheid en leefomgeving niet zal doen in de komende jaren en/of de staalproductie op termijn verplaatst naar het buitenland. Het gevolg hiervan is dat de gezondheidsproblematiek blijft voortbestaan, het klimaat niet verbetert of juist verslechtert vanwege de verplaatsing van de uitstoot en een bedrijf verdwijnt dat belangrijk is voor de economie en strategische autonomie van Nederland en Europa.
Het kabinet reageert in het vervolg van deze beantwoording op de specifieke kritiek over de impact op indirecte emissies en het beleid wat het kabinet daar separaat op voert.
Deelt u de zorg van experts dat de deal weliswaar tot minder CO2-uitstoot binnen Nederland leidt, maar dat een deel van die uitstoot wordt verplaatst naar het buitenland? Kunt u dit toelichten?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 richt het kabinet zich met de maatwerkafspraak op het realiseren van maatregelen die bijdragen aan de directe vermindering van CO2-uitstoot van de industrie in Nederland. Als onderdeel van de vergroening van de Nederlandse productie kunnen elders extra activiteiten zoals de productie van LNG plaatsvinden die broeikasgassen uitstoten. Het gebruik van aardgas is echter een tussenstap in de verduurzamingsplannen van TSN: op termijn zal deze vervangen worden door groen gas of groene waterstof. Dat laat onverlet dat het kabinet zich ook inzet om de emissies elders op de wereld te beperken als gevolg van de winning en het transport van gas. Hiervoor werken we in EU-verband onder andere aan een monitoringsysteem waardoor meer zicht komt en beleid kan worden gevoerd op gas dat uit het buitenland op de markt in de EU wordt gebracht.
Kunt u de berekeningen delen die aantonen hoeveel CO2-reductie de subsidiëring van Tata Steel daadwerkelijk wereldwijd oplevert, rekening houdend met uitstoot die buiten Nederland plaatsvindt?
Bij de Kamerbrief2 over de ondertekening van de Joint Letter of Intent (JLoI) heeft het kabinet ook de berekeningen van de CO2-reductie gepubliceerd3. Het gaat hier om de directe CO2-reductie van TSN zelf. De mogelijke gevolgen voor scope 2 en scope 3-emissies zijn geen doel op zich bij de JLoI en de uiteindelijke maatwerkafspraak, maar worden waar mogelijk meegenomen.
Herkent u de analyse dat de overstap van kolen naar aardgas problematisch is vanwege de verwachte toename van Amerikaans schaliegas op de Europese markt, waarbij veel methaan weglekt dat 25 keer zo sterk is als CO2? Hoe weegt u dit mee in uw beoordeling van de klimaatwinst?
De impact van aardgas op de CO2-uitstoot en leefomgeving is aanzienlijk beter dan van kolen. De emissies van het primaire staalproductieproces van TSN (scope 1 en 2) nemen daarom al zeer sterk af bij een overgang van het huidige kolen-gebaseerde proces naar de tussenfase van het DRP-EAF proces op aardgas. Daarnaast geldt dat ook bij de winning van kolen voor staalproductie significante methaanemissies kunnen ontstaan. Deze emissies zijn afhankelijk per specifieke kolenmijn. De tussenfase met aardgas leidt dus al tot een significante vermindering van de CO2-uitstoot ten opzichte van de bestaande situatie.
Aardgas wordt verhandeld op de groothandelsmarkt. Het aardgas dat hier wordt verhandeld is afkomstig van verschillende bronnen: aardgas dat in Nederland is geproduceerd, aardgas dat is geïmporteerd via pijpleidingen (uit Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk of België) of aardgas dat is geïmporteerd in de vorm van LNG, bijvoorbeeld uit de Verenigde Staten. Het valt dus niet op voorhand te zeggen of TSN aardgas zal verkrijgen uit het buitenland en zo ja, ook niet uit welk specifiek land.
Het doel is om uiteindelijk over te stappen op groene waterstof of groen gas. Ondertussen werken alle EU-lidstaten aan de implementatie van de methaanverordening. Deze verordening heeft als doel om de methaanuitstoot in de fossiele sector beter te monitoren en uiteindelijk te reduceren. Dit geldt ook voor ruwe olie, aardgas (incl. LNG) en steenkool die in de EU op de markt worden gebracht. De Europese Commissie streeft ernaar om uiterlijk in juni 2030 maximale methaanintensiteitswaarden vast te stellen voor ruwe olie, aardgas en steenkool die in de EU in de handel worden gebracht. Aardgas dat door TSN ingekocht zal gaan worden, zal aan deze strengere eisen uit de verordening moeten voldoen.
Waarom worden er geen eisen gesteld aan de herkomst van het gas dat Tata Steel zal gebruiken? Bent u bereid alsnog dergelijke eisen op te nemen in de definitieve afspraken om te voorkomen dat wordt overgestapt op zeer vervuilend schaliegas?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 kan het kabinet vanwege de aard van de gasmarkt geen eisen stellen aan de herkomst van het aardgas dat TSN inkoopt. Een eventueel besluit op het instellen van beperkingen met betrekking tot de herkomst van aardgas kan alleen in internationaal verband en generiek plaatsvinden. De aardgasmarkt betreft een internationale groothandelsmarkt. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 4 streeft de Europese Commissie naar de implementatie van maximale methaanintensiteitswaarden voor onder andere schaliegas.
Deelt u de mening van methaanexpert Thomas Röckmann dat het niet verstandig is om twee miljard belastinggeld te investeren zonder goed te monitoren hoe groot de methaanlekkages zijn bij het gas dat Tata gebruikt? Zo ja, hoe gaat u deze monitoring waarborgen?
Het kabinet acht de maatwerkafspraken met TSN noodzakelijk om de impact op de leefomgeving en de gezondheid van de omwonenden op kortst mogelijke termijn terug te dringen en om tot een grote(re) reductie van de Nederlandse CO2-uitstoot te komen. De Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) en de Expertgroep Gezondheid IJmond (Expertgroep) geven in hun advies over de JLoI aan dat de steun zeer kosteneffectief is, ook en in vergelijking met steunmaatregelen voor andere Europese staalproducenten. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2 is de maatwerkaanpak primair gericht op het verminderen van scope 1-emissies. Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 2 en 4 is monitoring van scope 2 en scope 3-emissies complex. Deze emissies treden op bij (internationale) ketenpartners en zijn het resultaat van handel op de wereldmarkt. Het beperken van deze emissies dient via generiek beleid plaats te vinden. Het kabinet werkt in Europees verband samen om hier stappen in te zetten.
Hoe beoordeelt u de realistische haalbaarheid van de geplande overstap naar groen gas rond 2035, gezien de huidige markt voor groen gas lang niet groot genoeg is en Tata 1,5 keer zoveel nodig heeft als wat er nu in heel Nederland beschikbaar is?
De Europese en wereldwijde groen gas markt is volop in ontwikkeling. De Nederlandse overheid draagt actief bij aan deze ontwikkeling met beleid gericht op het stimuleren van de groen gas markt, zowel aan de afname kant middels de bijmengverplichting voor ETS2 sectoren als aan de productiekant met de SDE++ en de DEI+. Ook grote industriële afnemers, zoals TSN, dragen bij aan de opschaling van de markt doordat zij lange-termijn afnamezekerheid kunnen bieden aan producenten van groen gas. Ook de AMVI, samen met de Expertgroep, stelt in haar advies4 dat de vraag vanuit TSN de ontwikkeling van groene markten, zoals voor groen gas, een impuls kan geven. Externe adviseur Common Futures schat het potentieel voor groen gasproductie in de EU op 100 bcm, ruim voldoende om aan de vraag van TSN te voldoen. Het rapport van Common Futures is meegestuurd bij verzending van de JLoI.5
Welke garanties zijn er dat Tata Steel bij tekorten en hoge prijzen op de groengas-markt niet langer afhankelijk blijft van aardgas dan gepland? Hoe worden deze garanties contractueel vastgelegd?
De grootste CO2-reductie wordt bereikt door over te stappen van kolen op aardgas. In de JLoI is overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal vervangen door groene waterstof of groen gas. Voor de aankoop van deze groene energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen euro. Als er in de gehele periode geen groene waterstof of groen gas wordt gekocht door TSN, moet de lening inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als waterstof of groen gas wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie. Zie hiervoor ook artikel 7.2.2 van de JLoI. Verdere juridische waarborgen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen uit het relevante staatssteunkader van de EC, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy (CEEAG).
Deelt u de analyse van hoogleraar Vollebergh dat het gebruik van gas op lange termijn niet houdbaar is en het verstandiger zou zijn om direct te investeren in elektrificatie in plaats van eerst miljarden te investeren in een tussenfase met gas?
Het kabinet deelt deze analyse niet. Zoals ook aangegeven in eerdere beantwoording6 van Kamervragen kent het project een tussenfase met aardgas en CCS op weg naar een groen productieproces op basis van groene waterstof of groen gas. Deze tussenfase is nodig omdat groene energiebronnen naar verwachting nog onvoldoende beschikbaar en betaalbaar zijn op korte termijn. Uit het advies van de AMVI volgt ook dat de inzet van CCS zeer kosteneffectief is.
Daarbij moet worden opgemerkt dat in ook in de tussenfase op aardgas een belangrijk deel van het nieuwe productieproces al geëlektrificeerd is; het smelt- en staalmaak-proces gebeurt immers door middel van een Electric Arc Furnace (EAF, elektrische vlamboogoven). De Direct Reduction Plant (DRP) die TSN voornemens is te bouwen heeft een reducerend gas nodig om van ijzererts direct gereduceerd ijzer te maken. In de tussenfase gebruikt TSN hier aardgas voor. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven zal TSN op termijn waterstof of groen gas gebruiken via elektrolyse.
De nieuwe productieroute van TSN draagt ook bij aan de elektrificatie van de industrie. De Electric Arc Furnace (EAF) wordt elektrisch aangedreven en ook de groene waterstof die TSN op termijn zal gaan inzetten in de Direct Reduction Plant (DRP) kan op basis van groene elektriciteit worden geproduceerd. De technologie om staal direct volledig elektrisch te kunnen produceren vanuit ijzererts is op dit moment niet commercieel toepasbaar. Het is onduidelijk of en wanneer TSN deze technologie wel economisch kan toepassen op de door TSN gewenste schaalgrootte. Het kabinet kiest er niet voor om de onzekere ontwikkeling van deze technologieën af te wachten. Er is op dit moment immers geen concreet zicht op een termijn waarin deze technologie economisch volwassen is. Het kabinet wil met een maatwerkafspraak juist zorgen dat er zo snel mogelijk een verbetering van de gezondheid van omwonenden komt.
Kunt u uiteenzetten waarom bij dit soort afspraken alleen wordt gekeken naar uitstoot op Nederlandse bodem en niet naar de wereldwijde klimaatimpact, terwijl CO2 niet bij landsgrenzen ophoudt?
De internationale en Europese afspraken op klimaatbeleid en het verminderen van de CO2-uitstoot zijn ingericht langs de lijnen van de verantwoordelijkheid voor de nationale uitstoot. Daarnaast heeft het kabinet bij het vaststellen van klimaatbeleid oog voor de internationale klimaatimpact van maatregelen. Zo werkt het kabinet in samenwerking met andere EU-lidstaten aan de implementatie van de methaanverordening en aan een monitoringssysteem voor het verkrijgen van inzicht op gas dat uit het buitenland op de markt in de EU wordt gebracht.
De maatwerkafspraken zijn gericht op het realiseren van maatregelen die bijdragen aan directe vermindering van CO2-uitstoot van de industrie in Nederland en waar relevant de impact op de leefomgeving te verminderen. Zoals ook aangegeven bij de antwoorden op vraag 1 tot en met 3 zijn de bedrijfsemissies stuurbaar via een maatwerkafspraak. Deze aanpak is in lijn met internationale afspraken die voor het eerst gesloten werden via het VN-Klimaatverdrag uit 1992 en het Kyotoprotocol en onder meer via latere verdragen verder zijn ingevuld.
Het kabinet beoogt met de maatwerkaanpak om de industrie te verduurzamen en in Nederland te behouden. De vraag naar staal zal immers blijven bestaan. Als er geen maatwerkafspraak komt, en het bedrijf zou besluiten om de productie naar het buitenland te verplaatsen, heeft dit tot gevolg dat staal vanuit het buitenland geïmporteerd zal worden. Daarmee vergroten we onze importafhankelijkheid. Daarbij is de staalproductie is in het buitenland niet schoner of duurzamer, waarmee de verplaatsing van de productie een negatief effect zou hebben op het klimaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het versturen van de beantwoording is helaas niet gelukt binnen de geldende termijn van drie weken. De Kamer is hier eerder over geïnformeerd7.
Gecorrigeerde temperatuurreeksen van het KNMI |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Klimaatcritici krijgen gelijk van KNMI: 7 extra hittegolven sinds 1900»1 en «KNMI publiceert verbeterde homogene temperatuurreeksen»?2
Ja.
Hoe reageert u op de correctie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dat er tussen 1900 en 1950 niet zeven, maar veertien hittegolven zijn geweest – oftewel twee keer zoveel?
Het is een goede zaak dat het KNMI verbeterde homogene temperatuurreeksen heeft gepubliceerd3. Het is van belang accurate informatie te hebben en nieuwe inzichten hierin voortdurend mee te nemen. Deze nieuwe reeksen leveren voor de belangrijkste klimaatcijfers geen ander resultaat dan de eerder gepubliceerde reeksen. Sinds 1901 is de gemiddelde jaartemperatuur met ongeveer 2 graden gestegen.
Vooral op losse warme zomerdagen zijn er wel verschillen in de reeksen. Dit heeft ook invloed op het aantal getelde hittegolven. Deze tellingen zijn heel gevoelig voor kleine veranderingen en daarmee veel meer onzeker. Het aanpassen van de maximumtemperatuur op slechts één dag van 29,9 graden naar 30,0 graden of andersom, kan uitmaken of er een hittegolf wordt geteld.
In de ruwe metingen van De Bilt zijn sinds 1901 in totaal 46 hittegolven geteld. In de eerste homogene temperatuurreeksen uit 2016 waren dat er 32. In de verbeterde homogene temperatuurreeksen zijn het er 39. Ruim 40 procent van alle hittegolven is opgetreden na het jaar 2000. Daarmee is de klimaattrend hetzelfde: er komen tegenwoordig veel meer hittegolven voor.
Wat vindt u ervan dat klimaatcritici, zoals in dit geval stichting Clintel, jarenlang zijn weggezet als «klimaatontkenners», terwijl hun inhoudelijke kritiek nu juist correct blijkt te zijn?
Het KNMI heeft kennisgenomen van kritische publicaties in de wetenschappelijke literatuur (bijv. Dijkstra et al., 2022) op de eerste homogenisatie. De kritiek richtte zich op methodologische keuzes en de gevoeligheid van de uitkomsten daarvoor. Onderbouwde kritiekpunten en aanbevelingen zijn nauwgezet bestudeerd. In meerdere gevallen zijn deze geaccepteerd en overgenomen bij de ontwikkeling van een verbeterde, robuustere methodologie. Dat heeft daarmee mede geleid tot het resultaat van de verbeterde homogene temperatuurreeksen. De nieuwe uitkomsten sluiten meer aan bij de verwachtingen van critici, zoals Clintel, over het aantal hittegolven voor 1950. Ook de nieuwe temperatuurreeksen laten duidelijke en consistente klimaattrends zien. De homogenisatie zegt niets over de oorzaken van klimaatverandering, zoals menselijk invloed, die door klimaatsceptici wordt betwijfeld, afwezen of ontkend.
Hoe kan het dat het KNMI nu pas de temperatuurreeksen corrigeert, terwijl de discussie over het aantal hittegolven al vanaf 2016 loopt? Heeft het KNMI werkelijk tien jaar nodig gehad om dit te onderzoeken?
Het KNMI voert doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen en mogelijkheden om deze beter vergelijkbaar te maken met moderne metingen. Hierover zijn in de periode 2016–2026 wetenschappelijke publicaties verschenen in o.a. 2019, 2022, 2023 en 2026. Dit heeft uiteindelijk in samenhang geleid tot de verbeterde homogene temperatuurreeksen.
Is het mogelijk dat er meer fouten of onnauwkeurigheden in historische temperatuurreeksen zitten? Bent u ertoe bereid dit te (laten) onderzoeken?
Het vergelijkbaar maken van historische metingen met moderne metingen brengt altijd enige onzekerheid met zich mee. In het wetenschappelijk rapport dat het KNMI dit jaar heeft uitgebracht zijn deze onzekerheden inzichtelijk gemaakt. Het valt niet uit te sluiten dat toekomstig onderzoek ertoe leidt dat het vergelijkbaar maken van temperatuurreeksen nog nader verfijnd kan worden. Het KNMI voert zelf doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen, het kabinet ziet geen reden om dit verder te laten onderzoeken.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle genomen of voorgenomen klimaatmaatregelen die direct of indirect, geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op de oude, incorrecte temperatuurreeksen – en deze maatregelen vervolgens direct intrekken?
Het kabinet ziet geen aanleiding om een dergelijk overzicht van klimaatmaatregelen te maken omdat zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven de onderbouwing van die maatregelen niet door de correctie van de temperatuurreeksen verandert.