Het bericht 'Gebiedsverboden en mobiele flitspalen: zo wil Haagse VVD verkeersaso’s aanpakken’' |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Gebiedsverboden en mobiele flitspalen: zo wil Haagse VVD verkeersaso’s aanpakken»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat handhaving van verkeersregels ook in de bebouwde kom belangrijk is om naleving ervan af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Handhaving en daarmee het creëren van een subjectieve en objectieve pakkans is inderdaad van belang voor de naleving. Daarnaast spelen echter ook andere factoren een belangrijke rol in het bevorderen van naleving van de verkeersregels, zoals de inrichting van de weg.
Gelet op het feit dat in de Staat van de verkeersveiligheid 2021 (Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) R-2021-21 en SWOV R-2021-21A) valt te lezen dat ruim zes op de tien verkeersdoden in 2020 om het leven kwam op gemeentelijke wegen en uit hetzelfde onderzoek blijkt dat slechts 57% van het verkeer op gemeentelijke wegen zich aan de snelheid houdt en de naleveing op provinciale wegen nog slechter is; wat is de relatie tussen de lage naleving van de maximumsnelheid op gemeentelijke wegen en het hoge aandeel verkeersslachtoffers?
Een directe relatie tussen de naleving van de maximumsnelheid op gemeentelijke wegen en het aandeel verkeersslachtoffers is moeilijk te geven. Dat komt omdat de exacte relatie tussen ongevallen en snelheid op een specifieke weg afhankelijk is van veel factoren, waaronder infrastructurele kenmerken, verkeersintensiteit en verkeerssamenstelling.
Zoals de SWOV aangeeft, geldt in algemene zin dat wanneer de gemiddelde snelheid op een weg stijgt er een grotere kans op ongevallen is, met bovendien een grotere kans op een ernstige afloop2.
Verder zijn veruit de meeste wegen in Nederland gemeentelijke wegen, waardoor ook verwacht kan worden dat een groot aandeel van de verkeersslachtoffers op deze wegen zal vallen. Het aandeel gemeentelijke rijbanen (dus uitgezonderd fiets- en voetpaden) in het Nationaal WegenBestand (NWB) in 2020 bedraagt 86% 3, 4. Dit betreft zowel wegen binnen als buiten de bebouwde kom met een snelheidslimiet van 15 km/u tot 100 km/u.
Onderschrijft u nog altijd de stelling die uw voorganger in het Strategisch Plan Verkeersveiligheid (SPV) 2030 schreef, namelijk dat handhaving ook een preventieve werking heeft, omdat een hogere subjectieve pakkans ertoe zal leiden dat bestuurders minder snel overtredingen zullen begaan? Zo ja, welke inzet komt daaruit voort op risicovolle gemeentelijke wegen?
Zoals ook in het antwoord op vraag 2 aangegeven onderschrijf ik dat. De inzet van de politie op verkeershandhaving wordt lokaal in de driehoek (burgemeester, politie en OM) bepaald. Daarbij wordt gekeken naar waar de grootste risico’s zich voordoen.
Hoeveel flitspalen staan er op dit moment langs het gemeentelijke wegennet? Hoeveel boetes zijn hiermee opgelegd de afgelopen jaren? Kunt u inzicht geven in de ernst van de geconstateerde overtredingen?
Er staan 435 flitspalen langs wegen waar de gemeente wegbeheerder is (van de in totaal 642 flitspalen langs Nederlandse wegen). Naast handhaving met flitspalen vindt op deze wegen ook handhaving door de politie plaats, zowel door het basisteam als het team verkeer. Hieronder vindt u een overzicht van het aantal oplegde boetes met deze flitspalen in de afgelopen 5 jaar. Met flitspalen kan gehandhaafd worden op snelheidsovertredingen en roodlichtnegatie.
Zoals u kunt zien gaat het in veruit de meeste gevallen om kleine snelheidsovertredingen (tot 10 km/ u).
Jaar
t/m 10 km/ u te hard
11–20 km/ u te hard
21–30 km/u te hard
Meer dan 30 km/ u te hard
Roodlichtnegatie
2017
2.051.527
332.510
37.729
10.555
197.264
2018
2.052.284
339.105
39.362
10.704
196.727
2019
1.741.797
282.491
32.520
8.844
175.533
2020
1.395.696
218.564
26.253
2.472
134.630
2021
1.439.382
218.564
24.855
3.826
141.191
Cijfers over het aantal oplegde boetes per flitspaal worden ook opgenomen in de tertiaal- en jaarberichten verkeer5 die door mijn ministerie in samenwerking met het OM en het CJIB worden uitgebracht. Om snel over uitgebreide informatie met betrekking tot het aantal opgelegde verkeersboetes te kunnen beschikken, verwijs ik u graag naar deze berichten en naar de website van het CJIB. Het opleveren van cijfers buiten deze berichten om is veelal tijdrovend werk, waardoor dit mogelijk ook niet altijd binnen de beantwoordingstermijn van Kamervragen zal lukken.
Kunt u toelichten op basis waarvan het Openbaar Ministerie (OM) besluit om flitspalen in te zetten in gemeenten?
Een flitspaal wordt alleen geplaatst op locaties waar deze de verkeersveiligheid kan vergroten. Het Openbaar Ministerie bepaalt, in samenspraak met de politie en in afstemming met wegbeheerders, waar de flitspalen geplaatst worden. Wegbeheerders, zoals de gemeente, kunnen bij de politie en/of het OM een verzoek indienen voor de plaatsing van een flitspaal. Van belang is dat in de aanvraag een analyse van de verkeersveiligheid van de locatie is opgenomen. In deze analyse moet conform het Beleidskader flitspalen een aantal zaken worden uitgewerkt, zoals het overtredingsgedrag, de risico’s, de maatregelen die de wegbeheerder al genomen heeft, de resultaten van eventuele controles van de politie, een ongevallenanalyse en een analyse van de inrichting van de weg. Bij dat laatste onderdeel moet worden bekeken of de inrichting past bij de geldende maximum snelheid of dat deze eerst moet worden aangepast om de naleving van de maximum snelheid te bevorderen. Handhaving is het sluitstuk van het beleid.
Gelet op het feit dat uit de cijfers van SWOV volgt dat de risico’s per afgelegde kilometer voor verkeersdeelnemers op het gemeentelijk wegennet significant groter zijn dan op snelwegen, hoe weegt u dit hogere risico mee in de inzet van handhaving door politie en OM?
De inzet op verkeershandhaving wordt lokaal in de driehoek bepaald en niet door mij als Minister. De driehoek kijkt daarbij naar waar de grootste risico’s zich voordoen.
Bent u bereid in te gaan op verzoeken zoals uit Den Haag en indien nodig te bezien of het aantal flitspalen langs gemeentelijke wegen hiervoor kan worden uitgebreid? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt dit zich tot uw opmerkingen over het belang van handhaving uit het SPV2030?
Zoals ook in het antwoord op vraag 6 aangegeven is het aan het OM om, met advies van de politie, op verzoek van de wegbeheerder te bepalen waar de flitspalen geplaatst worden. Flitspalen worden alleen geplaatst op verkeersonveilige locaties waar 24/7 snelheidshandhaving nodig is. Om gemeenten hierbij te ondersteunen heeft het OM de procedure hiervoor toegelicht in het Beleidskader flitspalen.
Welke extra inzet pleegt u de komende jaren op notoire verkeersovertreders, gelet op het feit dat u in het SPV schreef: «Overtreding van de verkeersregels verhoogt de kans op een ongeval. Dit geldt zeker voor notoire verkeers overtreders. Een groep verkeersdeelnemers blijft (bewust) overtredingen begaan.»?
De afgelopen jaren zijn al verschillende maatregelen getroffen om ernstige verkeersovertredingen zoveel mogelijk te voorkomen dan wel op te sporen en te bestraffen. Zo is op 1 januari 2020 de wet Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten in werking getreden, waarmee onder andere de strafmaxima voor een aantal overtredingen zijn verhoogd. Beoogd is dat dit ook voor notoire verkeersovertreders een afschrikwekkend effect heeft.
Ook wordt er ingezet op het verhogen van de pakkans door de inzet van digitale handhavingsmiddelen. In 2020 en 2021 zijn er in totaal 20 trajectcontrolesystemen geplaatst op N-wegen. Daarnaast is het OM, na succesvolle pilots, bezig met de uitrol van verplaatsbare flitspalen en camera’s die handheld telefoongebruik kunnen detecteren. Binnen de politie is inmiddels in elke eenheid een zogenaamde monocam in gebruik waarmee op handheld telefoongebruik gehandhaafd kan worden. Dergelijke innovatieve handhavingsmiddelen dragen ook bij aan de subjectieve pakkans: de camera’s kunnen immers overal hangen en je kunt daardoor ook worden gepakt als er geen (zichtbare) politie op de weg is. Dit moet ook leiden tot minder overtredingen.
Verder wordt op dit moment verkend hoe de Educatieve Maatregel Gedrag (EMG), uitgevoerd door het CBR, effectiever kan worden ingezet. Tot slot wordt onderzocht of nieuwe technologische ontwikkelingen effectief ingezet kunnen worden om deze groep aan te pakken. Op dit moment worden de juridische en privacy aspecten hiervan in kaart gebracht. De Kamer wordt in het eerste kwartaal van 2022 verder hierover geïnformeerd.
Het bericht 'Weer meer incidenten met verwarde personen' |
|
Ingrid Michon (VVD), Daan de Neef (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Weer meer incidenten met verwarde personen»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Klopt het dat de politie in de afgelopen jaren al meer dan 100.000 incidenten rondom personen met verward gedrag registreerde? Klopt het dat het merendeel van die gemaakte meldingen niet bestemd zijn voor de politie, maar eigenlijk voor zorghulpverleners?
In het jaar 2020 registreerde de politie 102.253 en in 2021 130.184 meldingen van incidenten van personen met verward gedrag. Er is geen eenduidige verklaring voor de stijging. Een E33 melding is een melding van overlast door een verward of overspannen persoon en wordt door de politie met de code E33 geregistreerd in het registratiesysteem Basisvoorziening Handhaving. De E33-meldingen gaan over een breed scala aan voorvallen. Het aantal meldingen geeft geen beeld van de aard of omvang van de problemen van mensen met verward gedrag. De stijging van het aantal geregistreerde incidenten wil niet per definitie zeggen dat de groep mensen met verward gedrag groeit. Bij één incident kunnen meerdere personen betrokken zijn, en één persoon kan ook zorgen voor meerdere incidenten. Ook blijkt uit navraag bij lopende pilots dat wanneer er via triage inzet plaatsvindt vanuit de GGZ bij een incident er nog steeds een E33 melding wordt gedaan. Hoewel ik de zorgen over het aantal registraties deel, is het op basis van de registratie van E33-meldingen niet mogelijk om in algemene zin aan te geven in welk aandeel van deze gevallen eigenlijk zorg of ondersteuning nodig was.
Welke maatregelen neemt u of heeft u reeds genomen om ervoor te zorgen dat deze meldingen door zorghulpverleners worden opgenomen en niet door de politie?
Het is voorafgaande aan politie-inzet niet altijd goed in te schatten of er eigenlijk inzet van hulpverleners uit de zorg of het sociaal domein nodig is. Eerder is in pilots met wisselend succes gewerkt met (toegang tot) een «ggz-triagist» in de regionale meldkamers. De mogelijkheden voor triage bij de behandeling van een melding maakt onderdeel uit van de uitwerking van het coalitieakkoord. Daarnaast richten de Minister voor Langdurige Zorg en Sport en ik ons – in relatie tot de inzet van de politie – op het vroegtijdig signaleren van problematiek en het eerder tot stand komen van passende zorg en ondersteuning, om te voorkomen dat de politie moet worden ingeschakeld. Ook richten we ons op een betere samenwerking tussen politie en zorg op het moment van politie-inzet en na afloop hiervan. Zo worden inmiddels in 68 gemeenten wijk-GGD’ers ingezet. Naar aanleiding van de motie «street-triage» zijn in januari 2022 in Amsterdam, Den Haag, Eindhoven en Groningen initiatieven gestart gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen politie en zorg op straat.2 In de zomer van 2022 wordt een onderzoeks-, en begeleidingsproject gestart om de eerste inzichten te delen en regio-overstijgende lessen te trekken.3 Ook is er een landelijke uniforme werkwijze ontwikkeld waarmee de politie zorgwekkende signalen kan delen met gemeenten.
In hoeverre hebben landelijke teams als het Aanjaagteam Verwarde Personen, het Schakelteam Verwarde Personen en het Verbindend Landelijk Ondersteuningsteam succes gehad in het stroomlijnen van het aantal meldingen van personen met verward gedrag?
Het Aanjaag- en Schakelteam en het Verbindend Landelijk Ondersteunings Team (VLOT) hebben niet als doel gehad om de meldingen zoals door de politie geregistreerd te stroomlijnen. Hun primaire doel was om te zorgen dat de zorg en ondersteuning voor personen met verward of onbegrepen gedrag verbeterd en dat er op lokaal niveau een werkende aanpak wordt vormgegeven. Het Aanjaag- en Schakelteam hebben de bouwstenen ontwikkeld voor een sluitende aanpak voor personen met verward gedrag.4 Ook hebben zij de samenwerking geïnitieerd tussen de landelijke en regionale ketenpartners. De regioadviseurs vanuit VLOT hebben bij de implementatie van de bouwstenen de lokale en regionale partners (vraaggericht) ondersteund, en in de regio’s geholpen de uitvoeringspraktijk verder te ontwikkelen.5 6 In het huidige actieprogramma «Grip op onbegrip» worden de onderliggende mechanismen van goede voorbeelden van de afgelopen jaren verder onderzocht, ontwikkeld en verspreid en wordt ingezet op domeinoverstijgende initiatieven die ten goede komen aan deze doelgroep.
Klopt het dat de aanpak per gemeente verschilt? Zijn meldpunten bij gemeenten voldoende bekend als de stijgende lijn in het aantal incidenten doorzet? Wat gaat u doen om deze meldpunten beter onder de aandacht te brengen?
Ja, dat klopt. De inzet van de lokale en regionale zorg- en hulpverleningsstructuur is aan gemeenten. Vanuit de rijksoverheid ondersteunen we gemeenten hierbij, via het eerdergenoemde actieprogramma «Grip op onbegrip». Maar ook door op landelijk niveau voorzieningen in te richten, zoals het Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, waar mensen een melding kunnen maken wanneer zij zich zorgen maken over een ander. Het Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, bereikbaar op telefoonnummer 0800–1205, fungeert als landelijke, eenvoudige toegangspoort naar de lokale meldpunten. Er wordt doorlopend geïnvesteerd in de vindbaarheid en bekendheid van het meldpunt, door middel van (online) communicatiecampagnes. Mede hierdoor wordt het meldpunt tussen de 700–1500 keer per maand gebeld. Daarnaast wordt er gewerkt aan een landelijk uniforme meldwijze tussen politie en gemeenten, veelal via deze lokale of regionale meldpunten zorgwekkend gedrag. Zo kunnen zorgwekkende signalen door de politie op eenvoudige en veilige wijze worden gedeeld met een meldpunt.
Bent u bekend met de lokale aanpak van de gemeente Veldhoven waarbij inwoners specifiek melding kunnen maken indien zij zich zorgen maken over de veiligheid van verwarde buurtgenoten? Vindt u de integrale aanpak die daar gebruikt wordt een goed voorbeeld voor andere gemeenten?
Ja, ik ben bekend met deze aanpak. De ministeries van JenV en VWS ondersteunen deze aanpak, via het genoemde actieprogramma «Grip op onbegrip» en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (het CCV).7 Uit onderzoek van het CCV is gebleken dat de inzet van een Wijk-GGD’er, als «verbindingsofficier» tussen zorg en veiligheid en gericht op preventie, veel voordelen oplevert voor zowel de betrokken cliënten als de ketenpartners.8 Het is daarom een goed voorbeeld voor andere gemeenten, al zal hierbij altijd sprake zijn van regionaal maatwerk. Het is goed om dergelijke voorbeelden en de bepalende succesfactoren te delen, om zo een leercyclus tot stand te brengen. Het delen van de werkende mechanismen van een geïntegreerde aanpak en creëren van lerende netwerken is een belangrijk onderdeel van het actieprogramma.
Wat vindt u van de suggestie om E33-meldingen te betrekken bij een regulier overleg tussen wijkagenten en het sociaal domein? Hoe beziet u de suggestie om naast politie, brandweer en ambulance ook een zorgtafel toe te voegen aan de meldkamer?
Ik neem de suggesties mee in het uitwerken van het coalitieakkoord. In dit akkoord staat dat politie, zorg en de gemeenten intensiever gaan samenwerken om ervoor te zorgen dat personen met verward of onbegrepen gedrag op tijd de juiste zorg en/of brede ondersteuning wordt geboden. Daarvoor moet de toeleiding naar passende zorg en ondersteuning worden verbeterd. Zo is het belangrijk dat er actief opvolging kan worden gegeven aan signalen en meldingen bij politie en bij de meldpunten zorgwekkend gedrag. Uw Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de uitwerking van het coalitieakkoord.
De berichten ‘Verkeerde waterstanden en gebrek aan regie: veel ging mis bij aanpak watersnood Limburg’ en ‘Waterschap was niet voorbereid op watersnood Limburg, maar handelde snel' |
|
Ingrid Michon (VVD), Fahid Minhas (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Verkeerde waterstanden en gebrek aan regie: veel ging mis bij aanpak watersnood Limburg»1 en «Waterschap was niet voorbereid op watersnood Limburg, maar handelde snel»?2
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusies van het rapport van het Instituut voor Veiligheid- en Crisismanagement (COT) over de rol van het waterschap met betrekking tot de watersnood in Limburg?
In juli 2021 is Limburg en het nabije buitenland getroffen door neerslag van een niet eerder gekende omvang. In de Ardennen, de Eifel en het Limburgs Heuvelland viel extreem veel regen. Dit leidde tot drie grote watercrises die nagenoeg tegelijk optraden: het overstromen van de regenwaterbuffers door de overvloedige regenval, het vollopen van het regionaal watersysteem (de beken) met name vanuit het buitenland en een snelle en zeker voor de zomerperiode extreme stijging van de Maas. Het waterschap Limburg stond, samen met haar partners, (waaronder de beide veiligheidsregio's, Rijkswaterstaat, gemeenten, Defensie en andere waterschappen) voor de enorme opgave om deze crisis het hoofd te bieden en moest in 29 van de 31 Limburgse gemeenten acuut handelen.
Het COT concludeert dat met veel inzet behoorlijk adequaat is gehandeld, maar er zijn ook verschillende verbeterpunten onder andere ten aanzien van de interne communicatie. Waterschap Limburg geeft aan dat het Dagelijks Bestuur op 18 januari een actieplan heeft vastgesteld waarin de belangrijkste acties met betrekking tot de aanbevelingen van het COT staan benoemd. Deze zullen in een meerjaren-verbeterprogramma worden opgepakt. Verder geeft het waterschap aan dat de aanbevelingen die zich richten op de samenwerking tussen de ketenpartners in veiligheidsregio-verband aan de hand van een gezamenlijke rode-draadanalyse van de beide veiligheidsregio’s, Rijkswaterstaat en het waterschap worden opgepakt. Ik vind het van belang dat deze verbeterpunten worden opgepakt. Overigens heb ik grote waardering voor de inzet van medewerkers van het waterschap, hun flexibiliteit, betrokkenheid en doorzettingsvermogen. In samenwerking met partners hebben zij door veelal tijdig genomen noodmaatregelen erger voorkomen.
Is het rapport van het COT aangeboden aan de voorzitter van de veiligheidsregio, degene die bestuurlijk verantwoordelijk is voor de rampenbestrijding en crisisbeheersing in Limburg?
Ja. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het waterschap Limburg en heeft betrekking op taken en verantwoordelijkheden van het waterschap. Het waterschap geeft aan dat dit rapport op 26 januari jl. is aangeboden aan de voorzitters van beide veiligheidsregio’s in Limburg.
Is bij de ramp het Rampbestrijdingsplan Hoogwater Maas van de veiligheidsregio Limburg gevolgd en is er conform dit plan gehandeld? Zo nee, waarom niet?
Ja. Waterschap Limburg geeft aan dat het rampbestrijdingsplan (RBP) hoogwater Maas van de Veiligheidsregio’s Zuid-Limburg en Limburg-Noord door betrokken partijen is gevolgd voor het doel waarvoor het is opgesteld: hoogwater in de Maas. De crisis is echter groter geweest dan hoogwater in de Maas; het betrof ook hoogwater in het regionale watersysteem, inclusief de zijrivieren van de Maas. Ik heb begrepen dat de beide Limburgse veiligheidsregio’s daarom inmiddels samen met het waterschap een werkgroep hebben ingesteld om een RBP voor waterveiligheid in het Heuvelland op te stellen. Hierbij zal worden aangesloten bij de draaiboeken die het waterschap voor de stroomgebieden van o.a. de Geul en Geleenbeek hanteert.
Worden de aanbevelingen uit het rapport onverkort uitgevoerd? Zo ja, wat is het tijdpad?
Ja. Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor de uitvoering van de aanbevelingen van het COT. Het Waterschap geeft aan dat het Dagelijks Bestuur in haar vergadering van 18 januari 2022 de aanbevelingen uit de Leerevaluatie van het COT onverkort heeft overgenomen en een Actieplan en tijdpad heeft vastgesteld. In dit plan zijn bij alle aanbevelingen acties uitgewerkt en een deel van deze acties is reeds in gang gezet of gerealiseerd. Een ander deel moet – vaak in overleg met ketenpartners – nog uitgewerkt en opgepakt worden.
Hoe verhouden de aanbevelingen zich tot de aanbevelingen uit de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr)?
De aanbevelingen in het rapport van het COT zijn in lijn met bevindingen en aanbevelingen in het rapport van de Commissie evaluatie Wet veiligheidsregio’s. Dit betreft met name de adviezen over noodzakelijke versterking van de (netwerk)samenwerking tussen de verschillende crisispartners bij de voorbereiding op en aanpak van crises, waaronder overstromingen. In beide rapporten wordt ook onderstreept dat het van belang is dat alle betrokken crisispartners over een samenhangend en eenduidig informatiebeeld beschikken. Informatiemanagement is als basisproces één van de belangrijke steunpilaren voor de crisisbeheersing. In algemene zin dient het gezamenlijk informatiemanagement van het Rijk, veiligheidsregio’s en crisispartners verder ontwikkeld te worden. De Minister van Justitie en Veiligheid informeert uw Kamer binnenkort over de opvolging van de evaluatie Wet veiligheidsregio’s en de noodzakelijke versterking van het stelsel van crisisbeheersing.
Bent u het eens dat het waterschap, aangezien deze niet op deze crisis was voorbereid, de stand van de Maas beter had moeten inschatten en de stand van het water met meer aandacht zal moeten monitoren om soortgelijke crisissituaties in de toekomst te voorkomen?
De taak voor het voorspellen en meten van waterstanden van de Maas is voorbehouden aan Rijkswaterstaat, die daartoe met KNMI, Defensie, provincies en waterschappen samenwerkt in het Watermanagementcentrum Nederland (WMCN). Het waterschap ontvangt de verwachte waterstanden van de Maas van Rijkswaterstaat/WMCN. Het waterschap is zelf verantwoordelijk voor de inschatting van de waterstanden van de zijrivieren en beken. Het monitoren en inschatten van waterstanden door het waterschap is onderdeel geweest van de evaluatie door het COT. De aanbevelingen uit de evaluatie worden door het waterschap onverkort overgenomen, zie ook het antwoord op vraag 5. Ook Rijkswaterstaat is momenteel bezig met een eigen evaluatie, die dit voorjaar verschijnt. Ook daarin zal aandacht zijn voor het monitoren en voorspellen van de waterstanden.
Bent u ook van mening dat de veiligheidsregio’s op dit moment onvoldoende voorbereid zijn op extreme wateroverlast in de toekomst? Welke rol hebben deze veiligheidsregio’s hier volgens u?
Er gaat op het terrein van crisisbeheersing veel goed in Nederland. Uit de recente rapporten3 (w.o. COT en Muller) blijkt echter in algemene zin dat het huidige stelsel van crisisbeheersing door veiligheidsregio’s en het Rijk niet goed is toegerust op een crisis van bovenregionaal of landelijk karakter, of een crisis die ongekend is in soort, omvang of duur. Dat maakt Nederland onnodig kwetsbaar. Dit vraagt aandacht, tijd en middelen van zowel de veiligheidsregio’s als het Rijk. Dat geldt daarmee ook voor crises op het vlak van wateroverlast. Met de opvolging van de evaluatie Wet veiligheidsregio’s wordt een eerste invulling gegeven aan de noodzakelijke versterking van het stelsel. De Minister van Justitie en Veiligheid informeert uw Kamer binnenkort over de inrichting daarvan.
Wat vindt u ervan dat Rijkswaterstaat, de veiligheidsregio, en de provincie op verschillende manieren hebben gewerkt in de aanpak van de watersnoodcrisis? Hoe reflecteert u op deze manier van de aanpak van de watersnoodcrisis?
Bij een crisis werkt iedere organisatie vanuit haar eigen taken en verantwoordelijkheden en conform de draaiboeken voor de eigen processen. Coördinatie op, en afstemming van alle verschillende processen en acties vindt plaats binnen de gecoördineerde regionale incidentbestrijdingsprocedure (GRIP). Bij situaties waarin er sprake is van een incident van meer dan plaatselijke betekenis wordt er een regionaal beleidsteam ingericht (GRIP 4).
Hierin zitten alle betrokken partijen zoals veiligheidsregio, gemeentes, Rijkswaterstaat, waterschappen en provincie. Alle betrokken partijen laten vanuit hun eigen verantwoordelijkheid evaluaties uitvoeren4. De verschillende, deels nog lopende, evaluaties zullen uitwijzen waar verbeterpunten in deze samenwerking en coördinatie zitten. Deze punten worden in gezamenlijkheid opgepakt.
Heeft u in beeld hoeveel personeel en materieel er nodig is om snel stijgend water op een correcte en adequate manier op te vangen en af te voeren? Hoe groot is het tekort van personeel en materieel op dit moment en in hoeverre beschikt het personeel over de juiste kennis?
Tijdens de crisis zijn duizenden mensen in touw geweest om de gevolgen van de crisis te beperken. Waterschap, veiligheidsregio’s, Rijkswaterstaat, Defensie, gemeenten en niet te vergeten vele burgers, ondernemers en aannemers, hebben samen erger voorkomen. Iedere crisis is qua aard, omvang en uitgangssituatie uniek en vraagt maatwerk; daarom is er ook geen algemeen antwoord te geven op deze vraag. Uit de crisisevaluaties komen aanbevelingen die zullen worden benut voor aanpassing van de draaiboeken en aanpak.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het rampenbestrijdingsplan voor de Maas compleet wordt en toekomstige watercrises wél op kan vangen?
Het opstellen van rampbestrijdingsplannen gebeurt onder regie van de veiligheidsregio. Uit het rapport van het COT blijkt dat het rampbestrijdingsplan Hoogwater Maas compleet was. Wel is geconstateerd dat er ook een rampbestrijdingsplan gewenst is voor het regionaal watersysteem in het Heuvelland. Ik heb begrepen dat de beide Limburgse veiligheidsregio’s inmiddels samen met het waterschap een werkgroep hebben ingesteld om een RBP voor waterveiligheid in het Heuvelland op te stellen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Kunt u de Kamer informeren of u specifiek naar aanleiding van de watersnoodcrisis in Limburg en in overleg met de Unie van Waterschappen inzichtelijk heeft gemaakt of er andere gebieden in Nederland risico lopen op extreme wateroverlast? Zo ja, wat wordt er gedaan in deze gebieden om overlast te voorkomen en schade te beperken?
Eén van de opdrachten van de ingestelde Beleidstafel wateroverlast en hoogwater is om inzichtelijk te maken wat de risico’s op wateroverlast zijn in andere gebieden in Nederland en wat dat betekent voor beleid rondom het Deltaprogramma, ruimtelijke ordening en landgebruik. Hiertoe worden verkenningen uitgevoerd naar de risico’s die kunnen optreden door zeer extreme neerslag zoals in Limburg in juli 2021 en de impact daarvan. Het eerste advies van de beleidstafel zal dit voorjaar aan uw Kamer worden verzonden. In de eindrapportage van de beleidstafel (najaar 2022) zal hierop uitgebreider worden ingegaan en adviezen worden gegeven over acties en maatregelen om deze overlast en schade aan te pakken en te beperken.
Het artikel 'Waar blijft de toegezegde ruimhartige compensatie?' |
|
Silvio Erkens (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Stef Blok (VVD), Ferdinand Grapperhaus (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Waar blijft de toegezegde ruimhartige compensatie?»? Hoe apprecieert u dit artikel?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Ik onderschrijf hierbij graag opnieuw het belang zoals onderkend door mijn voorganger om tot een ruimhartige en snelle schadeafhandeling te komen voor gedupeerden van de ramp. Op 17 december jl. heeft mijn voorganger mede namens de toenmalige ministers van IenW, LNV en EZK uw Kamer dan ook nader geïnformeerd over een aantal aspecten van de afhandeling van de waterschade.2 Daarin is onder andere aangegeven dat het kabinet begin 2022 een eenmalige omzetdervingsregeling zal publiceren voor getroffen ondernemers in Limburg en eenmalig zal komen met een tegemoetkoming voor agrariërs met teeltplanschade in de uiterwaarden van de bedijkte Maas. Tevens wordt er in nauwe afstemming met RVO hard gewerkt om uitbetaling van de tegemoetkoming van de schade binnen het kader van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) zo spoedig mogelijk te laten verlopen. Op deze manieren wordt werk gemaakt van een ruimhartige en snelle schadeafhandeling voor gedupeerden.
Hoe staat het met de uitbetaling van de schadevergoedingen door de overheid?
De Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in de Noord-Brabant in juli 2021 is op 10 september 2021 in werking getreden. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) draagt zorg voor de uitvoering van de Regeling.
Op peildatum 11 januari 2022 zijn er bij RVO 2.775 meldingen gedaan en zijn er 2.496 schade expertises gepland (of deels) uitgevoerd voor de inventarisatie van schade bij gedupeerden. Op genoemde peildatum is € 7.262.857,– aan 296 gedupeerden uitbetaald. Naar verwachting loopt dit bedrag de komende tijd verder op.
Welke mogelijkheden ziet u om de uitbetaling te versnellen? Deelt u de mening dat een snelle uitbetaling van de schadevergoedingen cruciaal is voor een goed herstel van gedupeerde ondernemers in de regio?
Een snelle uitbetaling van de tegemoetkomingen van de onverzekerbare materiële schade is de inzet en daar wordt door de taxateurs en RVO hard aan gewerkt. Zoals aangegeven in de beantwoording van mijn voorganger op vragen van de leden Amahouch, Boswijk en Van Dijk3 wordt daarbij alles in het werk gezet om de doorlooptijden zo kort mogelijk te houden.
Tijdens uw bezoek aan de regio heeft u toegezegd dat alle gedupeerden ruimhartig gecompenseerd zullen worden, hoe definieert u die ruimhartigheid? Hoe geeft u daar invulling aan?
Het kabinet staat de door de overstromingen getroffen inwoners en organisaties in Limburg bij door de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) en een aantal gerichte regelingen in te zetten.
De ministeriële regeling in het kader van de Wts is heel snel van kracht gegaan en een tegemoetkoming in de geleden schade – op het vlak van onverzekerbare materiële schade – kon tot en met 16 december 2021 aangevraagd worden.
Naast het van toepassing verklaren van de Wts zijn er generieke regelingen met betrekking tot omzetderving van kracht, te weten de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW). Ook zullen ondernemers met aanmerkelijke materiële schade door de ramp en met ten minste 50% omzetderving in het derde en vierde kwartaal van 2021 een tegemoetkoming krijgen voor het vierde kwartaal. De tegemoetkoming bedraagt 10% van de omzetderving. Deze tegemoetkoming is eenmalig, naast de openstelling van de NOW voor november en december en de TVL regeling voor het vierde kwartaal van 2021.
Het toenmalige kabinet heeft daarnaast besloten om, gezien de zeer uitzonderlijke omstandigheden, eenmalig te komen met een tegemoetkoming voor agrariërs met teeltplanschade in de uiterwaarden van de bedijkte Maas (van Boxmeer tot Geertruidenberg). Deze regeling wordt als aangegeven in de Kamerbrief van 17 december jl.4 momenteel voorbereid. Eind januari 2022 kunnen bedrijven zich gaan melden voor deze tegemoetkoming. Meer informatie komt binnenkort beschikbaar op de website van RVO.
Een aantal gemeenten – zoals Valkenburg aan de Geul – is zwaar getroffen door de wateroverlast. Gezien de relatief beperkte jaarlijkse baten en lasten van de gemeenten en de omvang van de (bestemmings-)reserves kan redelijkerwijs van deze gemeenten niet verwacht worden dat ze de schade binnen hun lopende begrotingen op kunnen vangen. Daarom worden deze gemeenten middels een specifieke uitkering gecompenseerd.
Kortom, naast het van toepassing verklaren van de Wts en financiële compensatie van een aantal gemeenten met een specifieke uitkering heeft het toenmalige kabinet, gelet op de zeer uitzonderlijke omstandigheden, besloten eenmalig te komen met een tegemoetkoming voor agrariërs met teeltplanschade in de uiterwaarden van de bedijkte Maas en een aparte, eenmalige omzetdervingsregeling voor Limburg.
Hoe apprecieert u de zorgen van ondernemers in Limburg over het uitblijven van de uitbetaling van de schadevergoeding en de gevolgen hiervan ook rondom voortdurende omzetderving?
Ik begrijp deze zorgen heel goed. De bestaande zorgen zijn al groot vanwege de impact van de COVID-19 pandemie. Voor deze ondernemers is de extreme wateroverlast (tijdens de belangrijke zomerperiode) en impact daarvan daar nog eens bovenop gekomen. Ik onderschrijf de lastige situatie waar ondernemers in Limburg zich in bevinden, en dat is dan ook juist de reden dat RVO hard werkt om de tegemoetkomingen voor onverzekerbare materiële schade zo spoedig mogelijk uit te keren. Bovendien heeft het kabinet gesprekken gevoerd met de provincie Limburg over de situatie van de ondernemers. Het toenmalige kabinet heeft, zoals ook in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, besloten 10% omzetderving te compenseren in het vierde kwartaal van 2021 voor ondernemers die in aanmerking komen voor de nieuwe regeling die begin 2022 zal worden gepubliceerd.
Wat is nu het gebied in Brabant dat voor vergoeding van de schade in aanmerking komt? Klopt het dat het op dit moment in bepaalde delen van Brabant (stroomafwaarts na Sambeek) voor agrarisch ondernemers niet meer mogelijk is om schade te melden?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de bijlage als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling met de contouren van het schadegebied. De Brabantse oever van de Maas stroomafwaarts tot aan Boxmeer wordt gerekend tot het schadegebied door overstroming. Tot Boxmeer is de Maas onbedijkt (evenals de rechteroever tot Mook). Vanaf Boxmeer ligt van oudsher al een primaire kering. Vanuit RVO en de taxateurs vindt maatwerk plaats om na te gaan en te bepalen of specifieke gevallen op de grenzen van deze contouren wel of niet in aanmerking komen.
Het was voor iedereen mogelijk schade te melden tot en met 16 december 2021. Het was daarbij niet nodig om al een compleet beeld te hebben van de schade. Na de genoemde datum kan de melding namelijk nog worden aangevuld.
Als aangegeven in het antwoord op vraag 4 komt er een aparte regeling voor teeltplanschade in de uiterwaarden van de bedijkte Maas van Boxmeer tot aan Geertruidenberg, wat stroomafwaarts is vanaf Sambeek. Deze regeling wordt voorbereid en op korte termijn zullen hiervoor aanvragen gedaan kunnen worden bij RVO.
Klopt het dat u in gesprek zou gaan met de regio en ondernemersvertegenwoordigers over omzetderving? Hoe staat het daarmee en wat doet u daarop?
Het klopt dat het toenmalige kabinet met de regio en ondernemersvertegenwoordigers vanuit de provincie Limburg in gesprek is gegaan over omzetderving als gevolg van de waterramp halverwege juli. De afgelopen maanden hebben er veelvuldig gesprekken plaatsgevonden om de scope van de omzetderving te bepalen en om beelden te wisselen over de ontstane situatie. Inmiddels wordt er een regeling voor een tegemoetkoming in omzetderving voor het vierde kwartaal uitgewerkt. Die regeling zal begin 2022 in werking treden en door RVO worden uitgevoerd. Met de komst van de omzetdervingsregeling voor getroffen ondernemers wordt ook invulling gegeven aan de motie van de leden Graus en Van Kent over een ruimhartige omzetdervingsregeling voor Limburgse ondernemers die getroffen zijn door de watersnoodramp.5
Het bericht 'Beelden van misbruik van Marcels dochter blijven rondgaan: ‘Mensen gaan hierdoor kapot’' |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Beelden van misbruik van Marcels dochter blijven rondgaan: «Mensen gaan hierdoor kapot»»?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen van het lid Van Wijngaarden over het jaarrapport van de Internet Watch Foundation?2
Ja.
Waarom lukt het journalisten wel om op darkweb kinderpornografisch materiaal te detecteren en duurt het langer voordat de politie darkweb kinderpornografisch materiaal kan detecteren?
Helaas is het voor iedereen mogelijk om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op het internet te vinden. In Nederland is het een strafbaar feit om op het internet, waaronder ook het darkweb, te zoeken naar beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. De strafrechtelijke onderzoeken van de politie strekken zich uit over het gehele internet, waaronder ook het darkweb. Vanwege het operationeel belang wordt niet nader ingegaan op de opsporingsmethoden. In aanvulling hierop richt de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie zich vooral op het identificeren van slachtoffers van actueel misbruik. De politie maakt hiertoe in een zo vroeg mogelijk stadium een onderscheid tussen oud en nieuw materiaal, zodat de kans om slachtoffers van actueel misbruik te ontdekken wordt vergroot. Verder zet de politie in op het opsporen en vervolgen van vervaardigers/misbruikers, sleutelfiguren (keyplayersen facilitators),de netwerken daarachter en downloaders/verspreiders. Deze aanpak is als prioriteit opgenomen in de Veiligheidsagenda.
Ook de internetsector zelf zet zich in om het openbaar maken, verspreiden en opslaan van online seksueel kindermisbruik tegen te gaan. Het Expertisebureau Online Kindermisbruik (EOKM) stuurt verwijderverzoeken van grote hoeveelheden online kindermisbruikmateriaal uit naar bedrijven. Deze werkwijze is zeer effectief en leidt tot verwijdering van grote hoeveelheden online kindermisbruik. Met de oprichting van de Autoriteit Terroristisch en Kinderpornografisch materiaal zet het kabinet in op bestuursrechtelijke handhaving op de verwijderverzoeken waaraan geen gehoor wordt gegeven door aanbieders van communicatiediensten die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik doorgeven of hebben opgeslagen.
Klopt het dat de IWF (Internet Watch Foundation) wederom concludeert dat het percentage van het door hun gevonden kinderpornografisch materiaal dat wordt gehost in Nederland is gestegen van 71% naar 77%?
Het rapport van IWF over 2020 concludeert dat er dit jaar 77% van het door hun gevonden beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in Nederland wordt gehost. Dit ten opzichte van de 71% in het rapport van de IWF over 2019.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording op vragen van het lid Van Wijngaarden3 zijn er kanttekeningen te maken bij de conclusies van de IWF. Het percentage wordt beïnvloed door meldingen die ze van burgers ontvangen, eigen zoekgedrag en (instellingen van) crawlers. De cijfers kunnen niet één op één worden door vertaald naar een mondiaal beeld.
Hoe beoordeelt u het feit dat ondanks uw inspanningen om de hosting van kinderpornografische afbeeldingen in Nederland te verminderen, zowel de aantallen als het percentage van het door IWF gevonden materiaal dat wordt gehost in Nederland stijgt?
Het tegengaan van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik vraagt blijvende inzet. Om die reden blijven de sector, de politie, het OM, het EOKM en mijn ministerie via meerdere maatregelen inzetten op het voorkómen dat beeldmateriaal (opnieuw) online komt en het zo spoedig mogelijk verwijderen van materiaal dat wordt gemeld. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 3 en 6.
Welke maatregelen hebben Nederlandse webhosters afgelopen jaren geïmplementeerd om te voorkomen dat kinderpornografisch materiaal wordt gehost?
De afgelopen jaren heeft de sector zich erg ingespannen voor een internet vrij van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Dit heeft geleid tot goede resultaten. Zo heeft de sector afgesproken dat in de Notice-And-Takedown-procedure (NTD) dergelijk materiaal binnen 24 uur offline gehaald moet worden. Verder is er ingezet op de ontwikkeling van technische tools. Zo is de HashCheckService ontwikkeld, waarmee voorkomen kan worden dat bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik geüpload wordt, en helpt het innovatieve meldingsverwerkingssysteem SCART het EOKM bij het geautomatiseerd verwerken van meldingen. Ook is er door de sector meegedacht over de monitor van de TU Delft, waardoor duidelijk wordt welke hosters dit materiaal hosten en hoe snel zij dit verwijderen na een NTD-melding. Op deze manier wordt de spiegel voorgehouden aan hosters die zich onvoldoende inspannen voor een schoon netwerk en roepen we slecht presterende providers ter verantwoording.
In hoeverre heeft het openbaar maken van de namen van webhosters die onvoldoende doen tegen het weren van kinderporno reeds effecten gesorteerd en op welke wijze wordt dit ook voor de Kamer inzichtelijk?
In oktober 2020 is de eerste rapportage van de TU Delft naar de Kamer verzonden4. De volgende rapportage van de TU Delft wordt naar verwachting in het voorjaar van 2022 naar de Kamer verzonden. Deze zal, net zoals de voorgaande keer, voorzien zijn van een begeleidende brief. De afgelopen metingen tonen dat er bedrijven zijn die maatregelen hebben genomen en hun prestaties hebben verbeterd. Verder tonen de metingen een wisselend beeld qua bedrijven die hierin voorkomen. De opgevoerde druk in Nederland heeft ook als gevolg dat materiaal zich naar het buitenland heeft verplaatst. Om die reden is het zeer belangrijk om dit ook op Europees niveau aan te pakken, zie ook de beantwoording van vragen 11, 12 en 13.
De TU Delft monitor is echter maar één van de vele maatregelen. Het is daarom lastig om bewegingen in de markt of ontwikkelingen in het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik toe te schrijven aan de effectiviteit van enkel de monitor.
Kunnen webhosters die aantoonbaar onvoldoende doen tegen het weren van kinderporno niet alleen bestuursrechtelijk worden aangepakt, maar ook strafrechtelijk worden vervolgd wegens medeplichtigheid aan het verspreiden van kinderporno?
Op grond van Europese regelgeving en de Nederlandse implementatie daarvan zijn hostingproviders onder voorwaarden niet aansprakelijk voor de gedragingen van hun klanten. De beperking van aansprakelijkheid voor hostingproviders die wordt geregeld in artikel 14 van de E-Commercerichtlijn is geïmplementeerd in artikel 54a Sr. Artikel 54a Sr stelt dat hostingproviders in beginsel niet vervolgd kunnen worden vanwege wederrechtelijke materiaal dat door klanten op hun servers wordt geplaatst, indien zij doen wat redelijkerwijs van hen gevergd kan worden wanneer ze op bevel van de officier van justitie (125p Sv) – en straks ook op bevel van de Autoriteit – gegevens ontoegankelijk moeten maken. Verder is het voor het strafrechtelijk vervolgen van hosters voor medeplichtigheid aan strafbare feiten die op hun servers plaatsvinden, zoals het verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, noodzakelijk om het opzet of het voorwaardelijke opzet van de hoster te bewijzen. In de praktijk blijkt (voorwaardelijke) opzet bij hosters lastig te bewijzen.
Wanneer wordt de volgende monitoringsrapportage van de TU Delft over webhosters naar de Kamer gestuurd?
De volgende rapportage van de TU Delft wordt naar verwachting in het voorjaar van 2022 naar de Kamer gestuurd.
Op welke wijze worden (vertegenwoordigers van) slachtoffers en ouders betrokken bij de maatregelen om kinderporno tegen te gaan, zoals de doorontwikkeling van monitor van TU Delft?
In de aanpak van online seksueel kindermisbruik wordt intensief samengewerkt met het EOKM. Het EOKM houdt zich bezig met het voorkomen en bestrijden van (online) seksueel misbruik van kinderen. Een programma van het EOKM is HelpWanted.nl, dat als kerntaak heeft het bieden van acute hulp bij (dreigend) online seksueel geweld. Kinderen en jongeren, maar ook ouders, verzorgers, docenten en hulpverleners, kunnen hier onder andere terecht voor advies en informatie bij online seksueel misbruik. Het is goed dat de Motie-Hermans het mogelijk heeft gemaakt om verder te investeren in het EOKM en HelpWanted.nl. Hierover heb ik uw Kamer op 13 oktober jl. reeds geïnformeerd5.
Daarnaast zijn preventie en bewustwording twee belangrijke pijlers in de aanpak van (online) seksueel kindermisbruik. De digitale wereld speelt een grote rol in het onderlinge contact tussen minderjarigen, ook op het gebied van seksualiteit. Dit maakt dat het (onbewust) vervaardigen, delen en verkrijgen van beeldmateriaal door minderjarigen gemakkelijk is, terwijl minderjarigen de risico’s daarvan lang niet altijd overzien. In 2020 is daarom een lesprogramma en een wegwijzer ontwikkeld, om de bewustwording van online risico’s te vergroten en de seksuele weerbaarheid van kinderen te versterken.
Kunt u de laatste stand van zaken schetsen met betrekking tot het in EU-verband gezamenlijk optreden tegen webhosters die onvoldoende doen om kinderporno te verwijderen?
Zie antwoord 12.
Wanneer wordt het voorstel van de Europese Commissie om een Europese Autoriteit op te richten al gepubliceerd en kunt u binnen twee weken na publicatie van het voorstel een BNC-fiche over het voorstel met de Kamer delen?
Het aangekondigde wetgevende voorstel van de Europese Commissie voor de aanpak van online seksueel kindermisbruik wordt begin maart 2022 verwacht. Het voorstel zal zich richten zich op de verantwoordelijkheid van aanbieders van onlinediensten en de oprichting van een Europees Centrum ter bestrijding van online seksueel kindermisbruik. Na publicatie van het wetgevende voorstel zal mijn reactie binnen het vastgestelde termijn van 6 weken in een BNC-fiche naar de Tweede Kamer worden verzonden.
In hoeverre is uw inzet dat een eventueel op te richten Europese Autoriteit – indien u het voorstel van de Europese Commissie positief beoordeelt ten aanzien van subsidiariteit en proportionaliteit – het beste in Nederland kan worden gevestigd?
Ik verwacht dat een Europees centrum om (online) seksueel kindermisbruik te voorkomen en te bestrijden tot verbetering kan leiden. De overweging om dit centrum eventueel in Nederland te vestigen is de beoogde nauwe samenwerking met Europol in Den Haag, waarbij een korte afstand wenselijk is. Daarbij is Nederland een belangrijk internetknooppunt, waardoor het een hoofdrol in de mondiale internetindustrie speelt. Veel betrokken bedrijven zijn in Nederland gevestigd en Nederland heeft reeds een lopende constructieve samenwerking met de internetsector. Ik zie met belangstelling uit naar de uitwerking van het voorstel van de Commissie om te beoordelen of Nederland als vestigingsplaats voor het Europees centrum kan dienen.
Hoe beoordeelt u de inzet van algoritmen zoals NeuralHash van Apple om kinderpornografisch materiaal eerder te signaleren en wat is de inzet van Nederland in Brussel hierover?
In de strijd tegen deze verschrikkelijke vorm van criminaliteit is het belangrijk dat ook bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen. Dit heb ik nogmaals benadrukt op de ministeriële bijeenkomst van het Europees Internetforum op 8 december jl. Het is een hoopvolle ontwikkeling dat een aantal bedrijven deze verantwoordelijkheid serieus neemt en actie onderneemt. Ik heb met Apple gesproken over hun plannen om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik online tegen te gaan. Apple heeft zich aangesloten bij de nationale publiek-private werkgroep tegen online seksueel kindermisbruik. Dit is een goede plek om gezamenlijk een schoner internet te realiseren en van elkaar te leren wat wel en niet werkt. Het is belangrijk dat bij de proactieve maatregelen om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik online te detecteren wordt gezocht naar een goede balans tussen het respecteren van privacy en het beschermen van kinderen.
Alternatieve (digitale) wijze waarop het recht op een eerlijk proces geëerbiedigd kan worden bij uitgereisde IS-vrouwen |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (CDA) |
|
![]() |
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen over het bericht «kabinet werkt aan terughalen meer IS-vrouwen»1 en uw brief over de uitvoering van de motie over onderzoek naar een alternatieve wijze om het recht op een eerlijk proces te eerbiedigen?2
Ja.
Kunt u nader toelichten op welke wijze u het WODC-onderzoek «de verdachte in beeld» van 12 oktober 2020 betrekt bij de beleidsvorming rondom de inzet van videoconferenties in het strafproces?
De Minister voor Rechtsbescherming zal hierop ingaan in zijn brief over de stand van zaken van het gebruik van videoconferentie in zowel het strafrecht, civiele recht als het bestuursrecht. Deze brief is toegezegd tijdens het commissiedebat over de Rechtspraak van 30 september jl. en wordt naar verwachting begin voorjaar 2022 aan uw Kamer gestuurd.
Bent u bereid alsnog een beleidsreactie op het WODC-onderzoek naar de Kamer te sturen, zo nee waarom niet? Zo ja, op welke termijn komt deze beleidsreactie naar de Kamer en kunt u per aanbeveling van de onderzoekers alsnog een reactie geven?
Wij verwijzen naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader ingaan op de rechtsvergelijking in het WODC-onderzoek? Onderschrijft u de conclusie dat in de rechtspraktijk van de onderzochte landen wat betreft de inzet van videoconferenties in rechtszaken in overeenstemming wordt gehandeld met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
In het aangehaalde WODC-onderzoek wordt een uitgebreide beschrijving gegeven van de toepassing van videoconferentie door de landen Italië, Frankrijk, Canada, Zwitserland en Duitsland, waarbij het ene land terughoudender is om videoconferentie toe passen dan het andere. De onderzoekers trekken geen conclusie over of de toepassingspraktijk in die landen verenigbaar is met het EVRM. Wel concluderen de onderzoekers dat het aanwezigheidsrecht in beginsel inhoudt dat de verdachte het recht heeft fysiek bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Uit de wettelijke kaders en de praktijk in de onderzochte landen en het Internationaal Strafhof (ICC) blijkt dat toepassing van videoconferentie een oplossing kan bieden in situaties waarin het niet mogelijk of wenselijk is om de verdachte fysiek ter zitting aanwezig te laten zijn. Of dit een schending oplevert van het aanwezigheidsrecht, hangt af van de redenen om videoconferentie in het concrete geval toe te passen en de wijze waarop de verdedigingsrechten (en het onmiddellijkheidsbeginsel), evenals de interne en externe openbaarheid, kunnen worden gewaarborgd. Voor de afweging of toepassing van videoconferentie wel of niet een schending oplevert van het aanwezigheidsrecht in een concreet geval hebben de onderzoekers, mede op basis van het mensenrechtelijk kader, een afwegingskader geformuleerd bestaande uit zes factoren, te weten: 1. mogelijkheid van lijfelijke aanwezigheid; 2. compenserende waarborgen; 3. aard van de zitting en de procesfase; 4. zwaarte van het tenlastegelegde feit; 5. wens, gedrag en persoon van de verdachte; en 6. belang van behoorlijke strafvordering en andere procespartijen.
Hoe beoordeelt u de lijn die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft bevestigd in onder andere de zaak Medenica dat een proces in afwezigheid van de verdachte kan worden gevoerd indien de verdachte zelf heeft bijgedragen aan de situatie niet aanwezig te kunnen zijn bij het strafproces?
In de jurisprudentie van het EHRM wordt veel waarde gehecht aan het aanwezigheidsrecht van een verdachte. Het aanwezigheidsrecht wordt omschreven als «of capital importance». De plicht tot het waarborgen van het recht van de verdachte om bij diens berechting in de rechtszaal aanwezig te zijn, is één van de essentiële vereisten van het recht op een eerlijk proces.4 Desalniettemin is het aanwezigheidsrecht niet absoluut. Zo kan een verdachte zelf afstand doen van zijn recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak.5 In de jurisprudentie van het EHRM worden incidenteel ook uitzonderingen geaccepteerd indien sprake is van een situatie waarin een verdachte zelf heeft bijgedragen aan de situatie niet aanwezig te kunnen zijn bij het strafproces door bijvoorbeeld zelf te proberen te ontsnappen aan de berechting.6
De omstandigheid dat een verdachte zelf heeft bijgedragen aan de situatie niet aanwezig te kunnen zijn bij zijn strafproces geldt echter niet in zijn algemeenheid als uitzondering op het aanwezigheidsrecht. Het EHRM bekijkt per zaak of de nationale autoriteiten alles hebben gedaan wat in redelijkheid kan worden verwacht teneinde het aanwezigheidsrecht te waarborgen.
Kunt u bevestigen dat het EHRM duidelijk aangeeft dat een proces in afwezigheid van de verdachte kan worden gevoerd wanneer de verdachte heeft bijgedragen aan de situatie waarbij de verdachte niet aanwezig kan zijn bij het strafproces?3
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de suggesties van de WODC-onderzoekers over hoe knelpunten in de technische mogelijkheden kunnen worden opgelost?
Het is van groot belang dat de techniek met betrekking tot videoconferentie in orde is. De onderzoekers doen ten aanzien van de techniek verschillende aanbevelingen om participatie van de verdachte in het strafproces te voorzien van voldoende waarborgen. In de eerdergenoemde brief (zie het antwoord op vraag 2) zal hier ook op worden ingegaan.
Klopt het dat het EHRM in de zaak Dijkhuizen t. Nederland niet toe is gekomen aan de beoordeling van het verweer dat Nederland had aangevoerd dat betrokkene zichzelf in een situatie had gebracht waardoor hij niet kon deelnemen aan zijn strafproces?
In Dijkhuizen t. Nederland concludeerde het EHRM dat het gerechtshof onder de specifieke omstandigheden van het geval gerechtigd was om het verzoek van de verdediging om het strafproces opnieuw aan te houden af te wijzen. In deze zaak ging het om een verdachte die in het buitenland (Peru) gedetineerd werd, maar die door Peru op juridische gronden niet kon worden uitgeleverd dan wel tijdelijk kon worden overgebracht. Het EHRM vond dat het gerechtshof onder de specifieke omstandigheden van het geval gerechtigd was om de verdachte per videoconferentie te laten deelnemen aan de zitting in zijn zaak waarbij hij, zoals het EHRM vaststelde, niet fysiek aanwezig kon zijn. Door herhaaldelijk en ondubbelzinnig te weigeren mee te werken aan een dergelijke videoconferentie, had de verdachte volgens het EHRM afstand gedaan van zijn recht om deel te nemen aan de zitting in zijn zaak.
Deze conclusie maakte dat het EHRM het niet nodig achtte om in te gaan op verdere argumenten van de partijen, zoals het argument van de regering dat de verdachte zelf had bijgedragen aan de onmogelijkheid om fysiek deel te nemen aan de zitting.
Hoe beoordeelt u het feit dat sinds 2017 de rechter in Italië in bepaalde gevallen geen discretionaire bevoegdheid meer heeft om gebruik te maken van videoconferenties in strafzaken, maar dat er bij sommige processen verplicht via videoconferenties wordt geprocedeerd?
In 2017, met de zogenoemde «Orlando-hervormingen», is artikel 146bis van het Italiaanse Codice de la Procedura Penale (CPP) in de huidige vorm tot stand gekomen. In die bepaling is vastgelegd dat voor bepaalde verdachten de toepassing van videoconferentie het uitgangspunt is. Het gaat om verdachten die in detentie verblijven wegens georganiseerde criminaliteit en personen die onder een beschermingsprogramma vallen. De rechter kan wel van dit uitgangspunt afwijken door in een met redenen omklede beschikking de aanwezigheid van de verdachte te bevelen. Zie het eerdergenoemde WODC-onderzoek, p. 137 en 184. Daarnaast heeft de rechter de mogelijkheid om ook ten aanzien van andere verdachten tot videoconferentie over te gaan, onder andere vanwege veiligheidsredenen.
In het WODC-onderzoek wordt op meerdere plekken verwezen naar EHRM-jurisprudentie die betrekking heeft op Italië, in het bijzonder naar de uitspraak Marcello Viola t. Italië.7 Deze uitspraak uit 2007 heeft nog betrekking op de Italiaanse regeling van videoconferentie zoals die gold voorafgaand aan de «Orlando-hervormingen». Op grond van de destijds geldende Italiaanse regeling besliste de rechter tot toepassing van videoconferentie. Dit kon ten aanzien van bepaalde categorieën verdachten, onder andere vanwege ernstige risico’s voor de openbare orde en veiligheid. Om redenen van veiligheid, in dit geval gerelateerd aan de maffia als criminele organisatie, hadden de autoriteiten in de zaak Marcello Viola besloten om de verdachte niet te vervoeren naar de rechtszaal, maar om hem via videoconferentie te laten participeren. Door het EHRM werd in deze zaak geen schending aangenomen van artikel 6 EVRM (WODC-onderzoek, p. 59). Dit illustreert dat het mogelijk is om videoconferentie toe te passen indien sprake is van ernstige bedreigingen van de openbare orde en de veiligheid (vgl. WODC-onderzoek, p. 65). Tegen deze achtergrond is in de brief van 22 november 2021 over de aanpak van georganiseerde criminaliteit tijdens berechting en detentie8 aangekondigd om in Nederland op korte termijn het vervoer van gedetineerden met ernstige veiligheidsrisico’s terug te dringen door te investeren in extra digitale voorzieningen zoals videoconferentie, zodat de rechter kan bepalen dat niet alle verdachten fysiek in de zittingszaal aanwezig zijn. Daartoe is een wijziging van het Besluit videoconferentie toegezegd.
Kunt u zeggen of er, en zo ja welke, verdragen ten grondslag liggen aan het gebruik van videoconferenties door andere landen zoals Italië en Frankrijk?
Mij is niet bekend of, en zo ja, welke verdragen door Italië en Frankrijk worden toegepast in het kader van videoconferentie. Zoals in antwoord op de vragen 11 en 12 nog aan de orde komt, is het van belang een onderscheid te maken tussen de situatie waarin de verdachte in het buitenland verblijft en de situatie waarin de verdachte verblijft in het land waarin zijn strafzaak wordt gevoerd. In dat laatste geval is het vereiste van een verdragsbasis niet aan de orde.
Op basis van welke concrete uitspraken van het EHRM baseert u de stelling dat het kabinet niet zou kunnen besluiten dat toepassing van een videoconferentie in een strafzaak plaats kan vinden, in een uiterst geval ook zonder instemming van de rechter?
In algemene zin valt uit de jurisprudentie van het EHRM af te leiden dat de vraag of een strafproces voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces, zoals beschermd door artikel 6 EVRM, op individueel niveau beoordeeld dient te worden, afhankelijk is van de omstandigheden van het specifieke geval en in beginsel moet worden onderzocht in het licht van het verloop van de strafprocedure als geheel.9 In de jurisprudentie van het EHRM wordt veel waarde gehecht aan het aanwezigheidsrecht van een verdachte (zie ook het antwoord op vraag 5 en 6).10 Voorts geldt dat fysieke aanwezigheid het uitgangspunt is en dat videoconferentie weliswaar niet als zodanig in strijd is met het EVRM, maar dat de toepassing van een videoconferentie een legitiem doel moet dienen en videoconferentie geen afbreuk mag doen aan de uitoefening van verdedigingsrechten, in het bijzonder de wijze waarop het bewijs tijdens een rechtszaak wordt aangevoerd tegen de verdachte. Of in een strafzaak aan die vereisten wordt voldaan, vergt een individuele beoordeling door de rechter. Voor de EHRM-jurisprudentie die betrekking heeft op de situatie in Italië, waar vanwege ernstige risico’s voor de openbare orde en veiligheid is overgegaan tot videoconferenties in bepaalde rechtszaken gerelateerd aan de maffia, zie het antwoord op vraag 9.
Waarop is de stelling gebaseerd dat berechting van een verdachte door middel van videoconferentie alleen mogelijk zou zijn indien een verdrag daarin voorziet?
Indien een verdachte in het buitenland verblijft, en een wens bestaat om videoconferentie toe te passen, is medewerking daaraan door het land waar de verdachte verblijft noodzakelijk. Dit betekent dat een rechtshulpverzoek moet worden gedaan aan dat land. Het doen van een dergelijk rechtshulpverzoek ter berechting van de verdachte door middel van videoconferentie is alleen mogelijk indien hiervoor een verdragsbasis bestaat. Dat komt omdat deze toepassing van videoconferentie niet kan worden aangemerkt als «kleine rechtshulp» in de zin van artikel 5.1.1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.11 Daarmee biedt het Wetboek van Strafvordering geen rechtsgrondslag voor deze toepassing van videoconferentie. Met behulp van een verdrag kan alsnog in de benodigde grondslag worden voorzien. In Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 6, p. 6–7 is nader ingegaan op de redenen om de toepassing van videoconferentie ter berechting te beperken tot gevallen waarin daarin is voorzien bij verdrag. In aanvulling hierop wordt belang gehecht aan een verdragsbasis voor deze toepassing van videoconferentie omdat die toepassing ten aanzien van de verdachte – in het bijzonder in de berechtingsfase – omkleed moet zijn met zorgvuldige waarborgen, zodat de verdachte volledig in staat is zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.
Klopt het dat er – evenals bij het gebruik voor videoconferenties – ook voor de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden in Syrië er geen verdragsvereiste is?
Voor het verdragsvereiste bij de toepassing van videoconferentie ter berechting van een in het buitenland verblijvende verdachte wordt verwezen naar het antwoord op vraag 12.
Voor een verzoek aan buitenlandse autoriteiten om bepaalde (bijzondere) opsporingsbevoegdheden toe te passen, is in beginsel geen verdragsbasis vereist (zie artikel 5.1.1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering). Indien een rechtshulpverzoek gedaan wordt zonder dat daaraan een verdrag ten grondslag ligt, zijn de mogelijkheden voor de staat aan wie het verzoek is gericht om de uitvoering te weigeren overigens wel groter. De enkele omstandigheid dat een verdragsbasis ontbreekt, zou voor de andere staat al reden kunnen zijn om de medewerking te weigeren.
Waarom zou er wel een verdragsvereiste bestaan voor het gebruik van een videoconferentie in strafprocessen van uitreizigers, maar zou er kennelijk geen verdragsvereiste bestaan voor het ophalen van deze uitreizigers?
Voor het gebruik van een videoconferentie in strafzaken tegen uitreizigers die in het buitenland verblijven is, zoals hiervoor uiteen is gezet, een rechtsbasis in de vorm van een verdrag vereist. Overbrenging van uitreizigers vanuit het buitenland naar Nederland zonder dat daarvoor bijzondere opsporingsbevoegdheden aldaar worden ingezet, kan niet worden gezien als een vorm van rechtshulp en behoeft in die situatie dan ook geen verdragsbasis.
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat het kabinet een afweging dient te maken in hoeverre het wenselijk is met de lokale autoriteiten samen te werken en te bezien in hoeverre dit noodzakelijk is?
In het betreffende WODC-onderzoek worden door de onderzoekers aanbevelingen gedaan ten aanzien van de veiligheid, teneinde participatie van de verdachte in het strafproces te voorzien van voldoende waarborgen (p. 207). Een van de aanbevelingen is dat, in het kader van internationale samenwerking, een afweging dient te worden gemaakt in hoeverre het wenselijk is met de lokale autoriteiten samen te werken en in hoeverre dit noodzakelijk is of dat het mogelijk is bijvoorbeeld Nederlandse medewerkers van de rechtbank naar het gebied te zenden om de veiligheid en juridische waarborgen te controleren.
Het kabinet maakt in elke individuele zaak een afweging in hoeverre kan worden samengewerkt met de lokale autoriteiten. Als het mogelijk is om een rechtshulpverzoek te doen, moet daarbinnen een afweging worden gemaakt ten aanzien van waar de afbakening ligt tussen de bevoegdheden en verplichtingen van de Nederlandse en buitenlandse autoriteiten. Hierover moeten afspraken worden gemaakt met het betreffende land (vgl. WODC-onderzoek, p. 208).
Kunt u alsnog de mogelijkheden verkennen tot berechting in de regio met behulp van het gebruik van videoconferenties ten behoeve van berechting in Nederlandse strafzaken, nu dit in de eerdere verkenning niet is onderzocht?
Op het moment dat sprake zou zijn van berechting in de regio is berechting in Nederland – al dan niet met behulp van videoconferentie – niet (meer) aan de orde. Het kabinet verkent de mogelijkheden tot berechting van uitreizigers in de regio; uw Kamer is daarover op meerdere momenten geïnformeerd, meest recent bij brief van 29 september 202112. Voor de zomer ontvangt uw Kamer hierover nadere informatie.
Tevens wordt verwezen naar de brief van 4 november 2021, waarin uw Kamer is geïnformeerd over de bevindingen van het onderzoek naar een alternatieve (digitale) wijze waarop het recht op een eerlijk proces geëerbiedigd kan worden.13
In deze brief is onder andere ingegaan op het juridisch kader van het aanwezigheidsrecht in strafzaken, alsmede op de aanzienlijke risico’s die spelen bij de specifieke situatie van uitreizigers die zich in kampen in Noordoost-Syrië bevinden.
Het bericht ‘Een primeur: in Utrecht mogen handhavers en toezichthouders voortaan een hoofddoek of keppel op.’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Een primeur: in Utrecht mogen handhavers en toezichthouders voortaan een hoofddoek of keppel op»?1
Ja.
Bent u het eens dat het gezag neutraal moet zijn en dat zichtbare uitingen van levensovertuiging hierbij niet passend zijn?
Functies waarbij de overheid zich in de samenleving manifesteert met behulp van de sterke arm en gebruik maakt van dwangmiddelen, oefenen een bijzondere overheidstaak uit. De politie is, als vertegenwoordiger van de Staat, volledig neutraal. De legitimiteit van het handelen van politie en die neutraliteit worden onder meer benadrukt door geen uitdrukking te geven aan of standpunt te hebben over geloofs- of levensovertuigingen. Vanwege de bijzondere positie van de politie dient daarom door politieambtenaren, in contacten met het publiek, in ieder geval afstand te worden genomen van o.a. uitingen van (levens)overtuiging, religie, politieke overtuiging, geaardheid etc. die afbreuk doet aan de gezagsuitstraling, neutraliteit en veiligheid van de politiefunctie. Deze seculiere benadering is voor de politie vastgelegd in de tussen mij, de korpschef en de politievakorganisaties afgesloten gedragscode lifestyle-neutraliteit. De positie van politieambtenaren is in diverse opzichten niet vergelijkbaar met die van andere werknemers, zoals boa’s. In het geval van boa’s geldt dat sprake is van lokaal gezag en werkgeverschap. De uniformen van de boa’s zijn de verantwoordelijkheid van de desbetreffende werkgever.
Bent u het voorts eens dat het dragen van een uniform bijdraagt aan de neutraliteit van het gezag?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe beoordeelt u het feit dat reeds in drie grote gemeenten, te weten Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, een motie is aangenomen die oproept tot het toestaan van religieuze uitingen in het boa-uniform?
Naar aanleiding van ingediende moties in de gemeenteraden wordt op dit moment door een aantal gemeenten (onder meer Utrecht en Amsterdam) verkend of een uiting van geloof of levensbeschouwelijke overtuiging onderdeel mag zijn van het uniform van de boa en op welke manier dat eventueel zou kunnen. Er vinden hierover komende tijd gesprekken plaats tussen deze gemeenten en met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en met mijn ministerie. Het is belangrijk dat ook met boa’s zelf wordt gesproken, via de boa-bonden, en natuurlijk met de Ondernemingsraden van de werkgevers.
Klopt het dat u verantwoordelijkheid draagt voor het stelsel waarin de boa’s opereren, nu boa’s worden beëdigd door of namens u, dat u de bekwaamheidseisen voor boa’s vaststelt en dat u aan boa’s opsporingsbevoegdheden, eventuele verdedigingsmiddelen en geweldsmiddelen kunt toekennen?
JenV draagt de stelselverantwoordelijkheid inzake boa’s en is onder meer verantwoordelijk voor zaken die centraal beleid vergen zoals bewapening, professionalisering (betrouwbaarheid en bekwaamheid, getoetst via Dienst Justis) en de kaders voor een veilige taakuitvoering. Voor specifieke beleidsterreinen waar boa’s werkzaam zijn, zijn andere departementen en werkgevers verantwoordelijk. Gemeenten gaan in de hoedanigheid van werkgever over het uniform van boa’s domein I (Openbare ruimte). Dit past ook bij het uitgangspunt van lokaal maatwerk. Dit is derhalve anders dan bij de politie, waar ik een beheersmatige verantwoordelijkheid over draag.
Indien u stelt geen verantwoordelijkheid te dragen voor het uniform van boa’s, hoe beoordeelt u dan de stappen die uw ambtsvoorganger heeft gezet in overleg met de VNG een modeluniform voor boa’s vast te stellen?2
Ik ben het met mijn ambtsvoorganger eens dat bij een professionele boa behalve een goede opleiding en een helder takenpakket, ook een professionele herkenbaarheid hoort. Burgers maar ook samenwerkende partners moeten weten wat zij wel en niet van een boa werkzaam in de openbare ruimte kunnen verwachten. De VNG heeft in 2014 een ontwerp voor een modeluniform voor de boa’s domein I laten ontwikkelen, met een aantal specifieke (combinaties van) kenmerken. Dit is bedoeld om de herkenbaarheid, zichtbaarheid en bekendheid van boa’s te vergroten en meer uniformiteit tussen gemeenten te krijgen. Het merendeel van de gemeenten maakt gebruik van het modeluniform, dit is echter niet verplicht. Wel is het modeluniform een beschermd model waarvoor de VNG intellectuele eigendomsrechten bezit. Uitingen van levensbeschouwelijke overtuiging of geloof zijn geen onderdeel van het modeluniform van de VNG. Een gemeente kan er echter zelf voor kiezen hun handhavers een ander uniform dan het modeluniform te laten dragen. De VNG evalueert de komende periode met haar leden het gebruik en uiterlijk van het beschermde modeluniform met de leden.
Bent u bereid de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar aan te passen om landelijke regels over het boa-uniform op te nemen waarbij de neutraliteit wordt vastgelegd? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht er aan om eerst de gesprekken tussen gemeenten onderling en met de VNG af te wachten en de uitkomsten te volgen, als ook de evaluatie van de VNG inzake het modeluniform. Als daartoe aanleiding bestaat zal ik verkennen of landelijke regelgeving opportuun is. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid ben ik momenteel bezig met de herijking van de boa-functie en het boa-stelsel. Ik zal dit onderwerp hierbij betrekken en uw Kamer hierover in het voorjaar van 2022 informeren.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden, gelet op het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid volgende week?
Nee.
Het bericht ‘’Hoe China met de Nederlandse politie meekijkt’’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Ruben Brekelmans (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht ««Hoe China met de Nederlandse politie meekijkt»»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse politie drones van het Chinese bedrijf Da Jiang Innovations (DJI) inzet? Zo ja, voor welke taken precies? Waarom is er gekozen voor drones van dit bedrijf?
Ja. De politie heeft bij de aanschaf van de drones, via een security check, een bewuste afweging gemaakt om de drones niet voor gevoelige operaties, maar alleen voor reguliere processen in te zetten. Dat wil zeggen: wel voor forensische opsporing, verkeersongevallenanalyse en openbare orde en veiligheid, maar niet operaties waarbij vertrouwelijke informatie wordt verwerkt.
De politie besteedt structureel aandacht aan de bescherming en beveiliging van gegevens en veilige inkoop. De drones zijn aangeschaft via wettelijk voorgeschreven inkoopprocedures op grond van de Aanbestedingswet 2012. De Aanbestedingswet 2012 biedt een aantal wettelijke gronden om een inschrijver uit te sluiten. Gezien het doel van de inzet van de drones was er geen reden om een beroep te doen op een van de uitsluitingsgronden. De Aanbestedingswet schrijft voor dat als er meerdere partijen zijn die voldoen aan de gestelde eisen, er moet worden gekozen voor de biedende partij met de beste prijs-kwaliteitverhouding.
Is de aanschaf en het gebruik van drones van Da Jiang Innovations door de politie voorafgegaan door een risico- en veiligheidsanalyse? Zo ja, zijn daarbij (digitale) veiligheids- en privacyexperts geraadpleegd over het verzamelen van persoonsgegevens? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd heeft de politie bij de aanschaf van de drones een security check uitgevoerd. Daarnaast is tijdens de projectfase een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB) gedaan. Uit deze beoordeling is niet gebleken dat er sprake is van verwerking van gegevens met een hoog risico. Er wordt alleen beeldmateriaal vastgelegd, dat versleuteld wordt verzonden. Niet kan worden uitgesloten dat deze beelden, ondanks de vastgelegde schriftelijke afspraken met de leverancier, toch bij DJI en/of Chinese overheid terecht komen, omdat DJI ook (naast de politie zelf) in het bezit is van de sleutel. Om deze reden heeft de politie mitigerende maatregelen genomen. Zo worden voor operaties waar vertrouwelijkheid gegevens worden verwerkt geen DJI-producten ingezet, maar andere vormen van luchtsteun.
Klopt het dat de Nederlandse inlichtingendiensten hebben geconstateerd dat China een offensief cyberprogramma heeft tegen de Nederlandse nationale belangen? Hoe beoordeelt u het gebruik van drones van Da Jiang Innovations in dat licht? Deelt u de mening dat het onwenselijk is om voor politiewerk afhankelijk te zijn van Chinese hardware/IT-producten?
In openbare stukken zoals de jaarverslagen van de AIVD en de MIVD en het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (2021) geven de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de NCTV aan dat China één van de staten is waarvan is onderkend dat ze een offensief cyberprogramma hebben dat gericht is tegen Nederlandse belangen. De Chinese overheid gebruikt cyberoperaties om inlichtingen te verzamelen ter ondersteuning van haar economische, militaire en politieke doelstellingen.
In het algemeen geldt dat het afhangt van het inzetdoel of het gebruik van een bepaalde technologie veilig (genoeg) is en of eventuele risico’s voor de nationale veiligheid beheersbaar kunnen worden gemaakt. Uitgangspunt is dat genomen maatregelen proportioneel zijn. Dit vergt een gedetailleerde analyse van de te beschermen belangen, de dreiging en de (huidige) weerbaarheid. De politie en Rijswaterstaat hebben beide een dergelijke analyse gemaakt voordat tot de aanschaf van de drones is over gegaan. Daarnaast is door de politie de afweging gemaakt de drones niet in te zetten voor processen waarbij het gaat om vertrouwelijke informatie.
Klopt het dat Chinese bedrijven volgens de Chinese wet verplicht zijn om data af te staan aan hun overheid? Deelt u de mening dat het uit veiligheidsoogpunt zeer onwenselijk is dat er door de Nederlandse overheid IT-producten worden afgenomen bij een bedrijf dat data deelt met de Chinese overheid?
In algemene zin kan worden gesteld dat de Chinese overheid nauw betrokken is bij het Chinese bedrijfsleven, zowel via staatsbedrijven als private bedrijven. China kent daarnaast wetgeving die (buitenlandse) bedrijven dwingt om gegevens te delen met de overheid. Dit wordt ook beschreven in de beleidsnotitie «Nederland-China: een nieuwe balans».2
Zoals in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA)3 beschreven, is een toenemende afhankelijkheid van buitenlandse technologie een gegeven, aangezien geen land beschikt over alle kennis en productiemiddelen om technologisch onafhankelijk te opereren. Wel bestaat het risico dat met technologische toeleveringen de digitale spionage- en sabotagemogelijkheden toenemen.
Om de weerbaarheid tegen deze dreiging te vergroten werkt de Minister van Justitie en Veiligheid samen met partners binnen en buiten de overheid aan de aanpak statelijke dreigingen, waarover uw Kamer op 3 februari jl. de laatste stand van zaken heeft ontvangen.4 Bij elke casus moet worden bezien hoe risico’s voor de nationale veiligheid beheersbaar kunnen worden gemaakt. Uitgangspunt is dat maatregelen die hiertoe genomen worden proportioneel zijn. Dit vergt een gedetailleerde analyse van de te beschermen belangen, de dreiging en de (huidige) weerbaarheid.
Als hulpmiddel bij het uitvoeren van een dergelijke risicoanalyse en het nemen van eventuele mitigerende maatrelen is eind 2018 instrumentarium ontwikkeld dat organisaties helpt bij het meewegen van nationale veiligheidsrisico’s bij de inkoop- en aanbesteding van producten en diensten. Het instrumentarium is ter beschikking gesteld binnen de rijksoverheid en medeoverheden, alsmede aan organisaties die onderdeel zijn van de vitale processen. Behoeftestellende partijen zijn zelf verantwoordelijk voor de toepassing van dit instrumentarium en het meewegen van nationale veiligheidsrisico’s.
De DJI-drones die Rijkswaterstaat op dit moment gebruikt zijn in 2017 aangeschaft ten behoeve van een pilot. Het genoemde instrumentarium was toen nog niet beschikbaar. Voor de politie geldt dat toen de inkoop startte, dit instrumentarium nog niet was geïmplementeerd in de inkoopprocedures. Ook achteraf gezien – wanneer het genoemde instrumentarium wel zou zijn gebruikt – zou de uitkomst van het inkoopproces niet anders zijn geweest. Rijkswaterstaat en de politie verwerken immers geen vertrouwelijke gegevens met de DJI-drones.
Rijkswaterstaat en de politie maken voor de lopende en toekomstige aanbestedingen met een mogelijk risico voor de nationale veiligheid wel gebruik van het instrumentarium.
Wordt er bij het inzetten van drones van Da Jiang Innovations door de politie gebruikgemaakt van eigen software of gebruikt de politie DJI-bedrijfssoftware? Bent u op de hoogte van de veiligheidsrisico’s van het gebruik van DJI-software? Gebruikt de politie speciale overheidsdrones?
De politie gebruikt de besturingssoftware van DJI, maar er wordt geen gebruik gemaakt van de DJI-besturingsapp. De politie gebruikt geen speciale overheidsdrones. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vragen 5 en 7.
Bent u bereid om preventieve maatregelen te nemen die de risico’s op Chinese spionage beperken? Bent u bereid hiervoor onderzoek te laten doen naar het gebruik door de politie van drones van Da Jiang Innovations? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in de beantwoording van vraag 5 omschreven, bestaat het risico dat met technologische toeleveringen digitale spionage- en sabotagemogelijkheden toenemen.
Risico’s voor de nationale veiligheid kunnen met name ontstaan wanneer deze technologie de Nederlandse vitale infrastructuur raakt, of wanneer deze technologie raakt aan gevoelige kennis en informatie. Zoals gezegd is dit in het geval van de politie niet het geval. Een aanvullend risico kan ontstaan als er betrokkenheid is van leveranciers uit bepaalde landen die via nationale wet- en regelgeving gedwongen kunnen worden tot medewerking aan inlichtingenactiviteiten. De risico’s voor de nationale veiligheid worden verder vergroot als het landen betreft die een offensief cyberprogramma voeren tegen de Nederlandse belangen en wanneer (technische) mogelijkheden om risico’s te adresseren niet voorhanden zijn.
Bij elke casus moet worden bezien hoe eventuele risico’s voor de nationale veiligheid beheersbaar kunnen worden gemaakt. Uitgangspunt is dat maatregelen die hiertoe genomen worden proportioneel zijn. Dit vergt een gedetailleerde analyse van de te beschermen belangen, de dreiging en de (huidige) weerbaarheid.
Ik zie, gezien de stappen die de politie al heeft gezet, geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.
Hoe beschouwt u het feit dat Defensie vanwege veiligheidsrisico’s reeds geen gebruik meer maakt van DJI-drones? Hoe beschouwt u in dat licht het gebruik van DJI-producten door de politie?
Het hangt af van het inzetdoel of een bepaald type drone veilig (genoeg) is. Het uitgangspunt is dat eventuele risico’s per casus in kaart moeten worden gebracht. Defensie heeft besloten om geen gebruik meer te maken van Chinese drones voor operationele taken, maar wel voor luchtopnames van trainingen of evenementen. Defensie heeft daarin haar eigen afweging gemaakt.
Bij de aanschaf van de drones heeft de politie, via een security check, een bewuste afweging gemaakt om drones niet voor gevoelige operaties, maar alleen voor reguliere processen in te zetten. Dat wil zeggen: wel voor forensische opsporing, verkeersongevallenanalyse en openbare orde en veiligheid, maar niet operaties waarbij vertrouwelijke informatie wordt verwerkt.
Bent u bekend met het feit dat drones van DJI sinds 2020 niet meer gebruikt worden door de Verenigde Staten vanwege veiligheidszorgen en dat Japan dit overweegt? Hoe beoordeelt u dit? Heeft u hierover contact gehad met de VS en Japan? Zo nee, bent u bereid hierover contact op te nemen?
Nederland is eind 2020 door de VS geïnformeerd dat DJI op de entity list van het Bureau of Industrial Security van het Department of Commerce is geplaatst. In de publiekelijk beschikbare listing geven de VS aan dat zij DJI zien als een mogelijk risico voor de Amerikaanse buitenlandse politieke belangen.5 Hierbij wijzen zij op de rol van o.a. DJI bij het mogelijk maken van mensenrechtenschendingen in China door hoogtechnologische surveillance en het exporteren van deze technologie naar derde landen waar repressieve regimes aan de macht zijn.
Japan verbiedt geen producten van specifieke landen of bedrijven maar heeft aanbestedingsrichtlijnen opgesteld voor gebruik van IT-producten door overheidsinstanties. Wanneer deze worden ingezet voor publieke veiligheid en orde, kritieke infrastructuur en het uitvoeren van reddingsacties, dient de Japanse overheid mogelijke risico’s in kaart te brengen. Sinds april 2021 vallen drones ook binnen deze richtlijnen. Nadien zijn drones die als «hoog risico» worden aangemerkt zo snel mogelijk vervangen. Ook worden maatregelen getroffen om dataveiligheid van drones te garanderen.
Nederland ziet het gebruik van Chinese technologie niet als absoluut risico. Het inzetdoel van de technologie en de mogelijkheid om mitigerende maatregelen te treffen zijn bepalend of het verantwoord is om gebruik te maken van een bepaalde technologie.
Is er binnen de NAVO of de EU gesproken over de veiligheid van het gebruik van deze drones? Gebruiken NAVO-bondgenoten en EU-lidstaten deze drones voor politie-, militaire of andere doeleinden?
Overwegingen rondom de veiligheid van het gebruik van dit type drones is een nationale aangelegenheid waarover in NAVO-verband niet wordt gesproken. Ook in EU-verband is niet gesproken over het gebruik van dit type drones. Het is het kabinet niet bekend welke andere NAVO-bondgenoten en EU-lidstaten deze drones gebruiken. NAVO zelf beschikt in ieder geval niet over dit type drones.
Zijn er Europese landen die drones van een bedrijf uit een EU-lidstaat of OESO-land inzetten voor vergelijkbare taken als waar de Nederlandse politie de DJI-drones voor inzet? Zo ja, kunt u aangeven welke landen dit zijn en uit welke landen de bedrijven komen die ook drones in deze categorie produceren?
Het is het kabinet niet bekend welke drones er in andere Europese landen worden gebruikt.
Hoe beoordeelt u het risico dat China de data van drones gebruikt voor het analyseren van Nederlandse (vitale) infrastructuur? Deelt u de inschatting van experts dat deze informatie zeer interessant is voor China?
Zoals gezegd worden de drones door de politie niet ingezet bij processen waarbij het gaat om vertrouwelijke informatie of vitale infrastructuur.
Om de weerbaarheid tegen deze dreiging te vergroten werkt de Minister van Justitie en Veiligheid samen met partners binnen en buiten de overheid aan de aanpak statelijke dreigingen, waarover uw Kamer op 3 februari jl. de laatste stand van zaken heeft ontvangen.6
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 4 gegeven moet bij elke casus worden bezien hoe eventuele risico’s voor de nationale veiligheid beheersbaar kunnen worden gemaakt. Uitgangspunt is dat maatregelen die hiertoe genomen worden proportioneel zijn. Dit vergt een gedetailleerde analyse van de te beschermen belangen, de dreiging en de (huidige) weerbaarheid. Verder verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 7.
Ziet u een gevaar van het gebruik van DJI-drones voor bijvoorbeeld Oeigoeren in Nederland, gezien het feit dat China gezichtsherkenningssoftware gebruikt om Oeigoeren te onderdrukken en ook de diaspora in Nederland onder druk zet?
Er zijn voor zover mij bekend momenteel geen aanwijzingen dat China de DJI-drones kan en zal gebruiken om bepaalde minderheidsgroepen in Nederland te monitoren. Mocht dit in de (nabije) toekomst wel het geval zijn, dan is er naar het oordeel van het kabinet sprake van ongewenste buitenlandse inmenging en heeft het kabinet verschillende instrumenten tot haar beschikking, zoals uiteengezet in de brief van 16 maart 2018 over de aanpak ongewenste buitenlandse inmenging.7
De politie kan tijdens demonstraties DJI-drones inzetten ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Tot op heden heeft de politie drones ingezet tijdens Coronaprotesten, Black Lives Matter-demonstraties, boerenprotesten en het Woonprotest in Rotterdam. In het kader van de mitigerende maatregelen rondom het gebruik van Chinese drones heeft de korpsleiding van de politie besloten om bij bijvoorbeeld demonstraties voor de rechten van Oeigoeren andere luchtsteunmiddelen te gebruiken, bijvoorbeeld een helikopter of een militaire drone.
Heeft u in algemene zin diplomatiek contact met China over de dataveiligheid van Chinese technologie voor Nederlandse gebruikers? Zo ja, wat is hierbij de Nederlandse inzet?
Ja, Nederland spreekt in verschillende verbanden, waaronder binnen de VN, met China over dataveiligheid. Centraal hierbij staat de bescherming van privacy, zoals de naleving van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), bescherming van mensenrechten en het tegengaan van ongepaste toegang van overheden tot datagegevens. Zoals aangegeven in de notitie «Nederland-China: Een nieuwe balans» staat het kabinet achter striktere handhaving en sterker uitdragen van bestaande standaarden en normen, zoals de Europese regelgeving op het gebied van data, privacy en productveiligheid. Wat Nederland betreft dient China zich eveneens aan deze afspraken te conformeren.
Het bericht 'Kabinet werkt aan terughalen meer IS-vrouwen' |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «»Kabinet werkt aan terughalen meer IS-vrouwen»»?1
Ja.
Deelt u nog steeds het uitgangspunt van het Nederlandse kabinet dat lokale berechting van IS-vrouwen belangrijk is voor nabestaanden en slachtoffers en in het belang van de nationale veiligheid het terughalen van IS-vrouwen geen uitgangspunt van kabinetsbeleid is?
Het kabinet zet voortdurend in op het voorkomen van straffeloosheid van ISIS-strijders. Deze personen, die verdacht worden van ernstige (terroristische) misdrijven moeten hierover te allen tijde voor een rechter verantwoording afleggen. Alleen op die manier kan er gerechtigheid zijn voor de vele slachtoffers die ISIS in de loop der jaren heeft gemaakt. Zoals ook aangegeven in de brief aan uw Kamer van 25 juni 2021 pleit Nederland in internationaal verband voor de vervolging en berechting van ISIS-strijders. Daarbij wordt gekeken naar mogelijkheden van berechting in Nederland, maar ook van berechting in de regio2. Zolang de personen in kwestie niet in Nederland zijn, is berechting in de regio een optie die het kabinet nadrukkelijk open wil houden3. Als straffeloosheid dreigt kan het kabinet zich ervoor inspannen de verdachten ter berechting naar Nederland over te brengen.
Bij de afweging om al dan niet tot repatriëring over te gaan zijn individuele omstandigheden leidend. Naast het voorkomen van straffeloosheid weegt het kabinet ook altijd de internationale betrekkingen, de veiligheid in het gebied en de veiligheid van betrokkene(n) mee. Daarbij wordt uiteraard ook oog gehouden voor het belang van de nationale veiligheid4.
Waarom is de eerder dit jaar aangenomen motie Michon-Derkzen en Van der Staaij (29 754, nr. 598) nog niet uitgevoerd? Wanneer bent u van plan dit te doen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn brief over de uitvoering van de bedoelde motie, die ik op 4 november jl. aan uw Kamer heb gestuurd.
Waarom is er nog geen kabinetsreactie beschikbaar bij het WODC-onderzoek van 12 oktober 2020, waarbij de mogelijkheden zijn onderzocht voor videoconferenties binnen het strafproces?2
Het WODC-onderzoek «de verdachte in beeld»» is inventariserend en beschrijvend van aard. Het geeft ook handvatten voor een mogelijk afwegingskader voor de beoordeling onder welke voorwaarden videoconferentie door de rechter kan worden toegepast. Tevens bevat het onderzoek een inventarisatie van de situatie met betrekking tot videoconferentie in een aantal (Europese) landen. Het onderzoek bevat zeer nuttige aanknopingspunten voor de verdere gedachtenvorming over het gebruik van videoconferentie in de rechtspleging. De resultaten van het onderzoek zullen worden betrokken bij de gesprekken met de verschillende betrokken organisaties over bijvoorbeeld de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden videoconferentie kan worden ingezet. Van die gesprekken zal verslag worden gedaan in de brief die de Minister voor Rechtsbescherming heeft toegezegd in het commissiedebat Rechtspraak van 30 september jl. over de toepassing van (tijdelijke) maatregelen videoconferentie in het civiele recht, het bestuursrecht en het strafrecht.
Klopt het dat in Frankrijk een videoconferentie in de praktijk bijna altijd ingezet wordt bij terrorismezaken? Klopt het voorts dat de Franse Hoge Raad de Franse Staat gelijk heeft gegeven dat een videoconferentie bij terrorismezaken is toegestaan en daarmee dus niet in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
Het WODC onderzoek beschrijft uitgebreid de wetgeving in verschillende landen, waaronder Frankijk, Italië en Zwitserland. Daarbij wordt uitvoerig ingegaan op de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder videoconferentie kan worden toegepast. In de kabinetsreactie, als bedoeld in het antwoord op vraag 4, zal hierop nader worden ingegaan. Een en ander doet niet af aan de beschrijving in de brief over de uitvoering van de motie Michon-Derkzen/Van der Staaij6 ten aanzien van de voorwaarden waaronder een videoconferentie door de rechter ter berechting kan worden toegepast en de factoren waarmee rekening moet worden gehouden indien een verdachte zich in het buitenland bevindt – in de onderhavige gevallen in Noordoost-Syrië.7
Klopt het eveneens dat het in Italië, onder andere op grond van veiligheidsoverwegingen, gebruikelijk is om videoconferentie in te zetten bij terrorismezaken en zo ja, bent u bereid dit uitgangspunt ook in Nederland te gaan hanteren bij verdachten van terroristische misdrijven?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u reflecteren op de bevinding van de onderzoekers dat in Zwitserland videoconferenties in sommige gevallen een kwaliteitsverbetering betekenen en een vermindering van de CO2 voetafdruk opleveren?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de zaak Dijkhuizen t. Nederland, van 8 juni 2021 jl.? Hoe reflecteert u op het oordeel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat weigering van de verdachte in deze zaak om mee te werken aan een videoverbinding niet anders kan worden gezien dan als het afzien van zijn recht om fysiek aanwezig te zijn bij zijn eigen strafzaak door de verdachte?
Ja. Deze zaak betrof een verdachte die ten tijde van zijn strafproces in Nederland gedetineerd werd in Peru. Bij het EHRM klaagde hij op grond van artikel 6 EVRM dat hem een eerlijk proces is ontzegd aangezien hij niet in de gelegenheid is gesteld om, samen met zijn raadsman, in persoon deel te nemen aan de zitting in hoger beroep om zijn verdedigingsrechten te kunnen uitoefenen.8
In de uitspraak stelt het EHRM allereerst op basis van de feiten en specifieke omstandigheden van de zaak vast dat de verdachte niet fysiek aanwezig kon zijn bij zijn strafproces in Nederland. In dit verband constateerde het EHRM dat uitlevering of tijdelijke overbrenging op grond van Peruaans recht niet mogelijk was.9
Vervolgens overwoog het EHRM dat in de omstandigheden van het geval, en in aanmerking nemende dat de betreffende procedure onderdeel was van een omvangrijk en complex strafproces met zeven verdachten die zich in verschillende landen bevonden, het gerechtshof gerechtigd was om de verdachte per videoconferentie te laten deelnemen aan de zitting in zijn zaak waarbij hij, zoals eerder vastgesteld, niet fysiek aanwezig kon zijn.10 De verdachte had echter herhaaldelijk en ondubbelzinnig geweigerd te worden gehoord via videoconferentie. Volgens het EHRM kon dit niet anders worden uitgelegd dan dat hij afstand had gedaan van zijn recht om deel te nemen aan de zitting in zijn zaak.11
Het EHRM overwoog daarentegen niet dat de verdachte daarmee afstand had gedaan van zijn recht om fysiek aanwezig te zijn. Fysieke aanwezigheid, wat in de jurisprudentie van het EHRM ten aanzien van het aanwezigheidsrecht het uitgangspunt is, was immers in de specifieke omstandigheden van de zaak Dijkhuizen vanwege Peruaans recht niet mogelijk. De uitspraak van het EHRM in de zaak Dijkhuizen illustreert dat het EHRM op individuele basis nagaat of fysieke aanwezigheid mogelijk zou zijn geweest.12 Videoconferentie kwam in Dijkhuizen pas aan de orde nadat het EHRM vaststelde dat fysieke aanwezigheid zorgvuldig was onderzocht en niet mogelijk was gebleken. Met andere woorden: deelname aan de zitting zou enkel via videoconferentie mogelijk zijn geweest. Het EHRM concludeerde dat de verdachte daar afstand van had gedaan.
Bent u bereid zich in te spannen om verdachten van terroristische misdrijven voortaan af te doen via videoconferentie en hierover in contact te treden met het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Rechtspraak?
Of van de fysieke aanwezigheid van een verdachte in een bepaald individueel geval kan worden afgezien, is aan de rechter om te bepalen aan de hand van de feiten en omstandigheden van dat individuele geval. In het geval van verdachten van terroristische misdrijven die zich in Noordoost-Syrië bevinden zijn er ook juridische en praktische aspecten waarmee rekening dient te worden gehouden.
Ik verwijs in dit verband naar de brief van 4 november jl. over de uitvoering van de motie Michon-Derkzen/Van der Staaij, alsmede naar de eerdergenoemde brief die de Minister voor Rechtsbescherming heeft toegezegd in het commissiedebat Rechtspraak van 30 september jl. over de toepassing van (tijdelijke) maatregelen videoconferentie in het civiele recht, het bestuursrecht en het strafrecht.
De brandveiligheid van zonnepanelen |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de dakbrand in Hoofddorp van zondag 5 september 2021?1 2
Ja.
Bent u tevens op de hoogte van het onderzoek van Team Brandonderzoek naar de mogelijke kortsluiting van de zonnepanelen die op het dak van de getroffen woningen lagen?
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling dat er vanwege de snelle verduurzaming van nieuwbouwwoningen (o.a. de BENG-eisen), minder aandacht is voor de brandveiligheid? Hoe ziet u kans, binnen de BENG-eisen, meer ruimte te geven aan gemeenten en bouwers om minder snel op de verduurzaming te gaan?
Ik zet kanttekeningen bij deze stelling. De bouwregelgeving geeft voorschriften voor brandveiligheid die ook bij verduurzaming van nieuwbouwwoningen in acht moeten worden genomen. Daarnaast moeten installaties zoals zonnepanelen voldoen aan productregelgeving. Uit onderzoek3 is in 2019 eerder gebleken dat het verkeerd aanleggen van zonnepanelen incidenteel kan leiden tot brand. Door de installatiebranche is hierna ingezet op een betere kwaliteitsborging van de montage en daarnaast is door het normalisatieinstituut NEN nagegaan of van toepassing zijnde NEN-normen aanpassing behoeven. Door Brandweer Nederland en het Instituut Fysieke Veiligheid is een handreiking4 opgesteld met adviezen hoe de risico's bij aanleg en gebruik van zonnepanelen zo veel mogelijk kunnen worden beperkt. Al deze acties beogen dat de incidentele branden die optreden bij zonnepanelen verder worden ingeperkt. Er is geen aanleiding om uit oogpunt van brandveiligheid de verduurzaming van nieuwbouwwoningen te vertragen.
Dit laat onverlet dat brandveiligheid altijd een aandachtspunt is en dat, als er verbeteringen mogelijk zijn, deze door mij goed worden bekeken. Dit geldt in brede zin en niet alleen ten aanzien van de verduurzaming.
Hoe ziet de overheid er nu op toe dat de brandveiligheidseisen van nieuwbouwwoningen, specifiek het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, goed worden opgevolgd? Hoe gaat de wet kwaliteitsborging bouwen hier straks bij helpen? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de wet kwaliteitsborging bouwen?
Het is aan de gemeente als bevoegd gezag toe te zien op de naleving van de brandveiligheidsvoorschriften die gelden voor nieuwbouwwoningen. Dat geldt ook voor het plaatsen van de genoemde installaties bij deze woningen.
Onder de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) ziet een onafhankelijke en deskundige kwaliteitsborger toe op de bouw gedurende het bouwproces. Na afronding van de bouw van een woning, verstrekt deze kwaliteitsborger een verklaring aan het bevoegd gezag dat de woning (inclusief daarbij behorende installaties) voldoet aan de bouwvoorschriften. De Wkb beoogt een verbetering van de kwaliteit van nieuwbouwwoningen. De Wkb is gepland in werking te treden op 1 juli 2022. Thans ligt de concept-AMvB Kwaliteitsborging in voorhang bij de Eerste Kamer voor.
Hoe ziet de brandweer nu erop toe dat de brandveiligheidseisen van nieuwbouwwoningen goed worden opgevolgd?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is genoemd is het aan de gemeente als bevoegd gezag toe te zien op de naleving van de brandveiligheidseisen die gelden voor nieuwbouwwoningen. Het is aan de afzonderlijke gemeente om daarbij eventueel ook de brandweer als adviseur te betrekken.
Welke regels gelden op dit moment voor het plaatsen van zonnepanelen? Hoe worden die regels geborgd? Welke mogelijkheden ziet u om hierbij meer aandacht te geven aan de brandveiligheid? In hoeverre heeft u hierover contact met de brandweer?
De publiekrechtelijke voorschriften in het Bouwbesluit 2012 zijn van toepassing. Bij de installatie van zonnepanelen moet worden voldaan aan de norm NEN 1010 die in de bouwregelgeving is aangestuurd voor de elektrische voorzieningen in woningen en gebouwen. De NEN 1010 beoogt onder andere het voorkomen van brand. Daarnaast gelden er brandveiligheidseisen aan het dak en de daarop toegepaste zonnepanelen. Voor wat betreft deze eisen wordt vanuit NEN thans gekeken naar mogelijke aanpassing hiervan voor zonnepanelen. NEN heeft daartoe een werkgroep van deskundigen ingesteld waar ook de brandweer aan deelneemt.
Klopt het dat bij de brand van zonnepanelen kleine glasdeeltjes vrijkomen? In hoeverre worden die glasdeeltjes onderzocht? In hoeverre geldt hierbij een opruimplicht, bijvoorbeeld voor de brandweer?
Nee. Het kan voorkomen dat er bij een heftige brand met zonnepanelen deeltjes vrijkomen. Die betreffen geen glasdeeltjes, maar stukjes van de siliciumcellen uit de zonnepanelen. Deze deeltjes kunnen neerkomen in de omgeving en kunnen vanwege de scherpe randen schadelijk zijn voor bijvoorbeeld grazend vee indien zij de deeltjes doorslikken. Om te voorkomen dat dit soort resten in de voedselketen terechtkomen, moeten deze worden opgeruimd. In principe is de veroorzaker op grond van de Wet Milieubeheer verantwoordelijk voor het ongedaan maken van de milieugevolgen van de brand en wordt aansprakelijk gesteld voor de kosten voor het opruimen hiervan. In dit kader wordt onderzocht of de Stichting Salvage namens verzekeraars een eerste coördinerende rol kan spelen bij het treffen van schadebeperkende maatregelen aan zonnestroominstallaties en het opruimen van de beschadigde delen als gevolg van onder andere brand. De uitkomsten van dit onderzoek worden begin 2022 verwacht.
Deze zomer heeft het Instituut Fysieke Veiligheid een literatuuronderzoek naar de risico’s van depositie bij branden met zonnepanelen gepubliceerd5. Uit dit onderzoek is gebleken dat ten opzichte van de gevaren die een grote brand altijd met zich meebrengt, er bij branden met zonnepanelen geen specifieke gevaren te verwachten zijn in de vorm van toxiciteit. Deze conclusie op basis van de literatuur moet nog bevestigd worden door de brandexperimenten die het RIVM eind september jl. heeft uitgevoerd. Het RIVM is momenteel bezig verschillende analyses uit te voeren waarbij specifiek onderzoek wordt gedaan naar de risico’s van deeltjes van zonnepanelen. De resultaten van deze experimenten worden eind eerste kwartaal 2022 verwacht.
Bent u bereid de Kamer op de hoogte te stellen van de uitkomsten van het onderzoek van het Team Brandonderzoek naar de brand in Hoofddorp en van uw reactie op deze uitkomsten?
Ja.
Het bericht ‘Problemen met kwetsbare 112-meldkamers na zes jaar nog niet opgelost’. |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Problemen met kwetsbare 112-meldkamers na zes jaar nog niet opgelost»?1
Ja.
Klopt het dat er niets met de aanbevelingen van het rapport «Continuïteit van meldkamers» wordt gedaan, waardoor problemen met de 112-meldkamers blijven voortbestaan? Hoe gaat u de geschetste problemen alsnog oplossen?
Nee, dat klopt niet. Zie het antwoord op vraag 3 voor de toelichting.
Neemt u de aanbevelingen, die in de brief van de Inspectie en het Agentschap Telecom staan, over? Wanneer gaat u aan de slag met deze aanbevelingen?
De aanbevelingen die de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: Inspectie) en het Agentschap Telecom (hierna: Agentschap) hebben gedaan in respectievelijk 2015 en 2019 heb ik onderschreven en aangegeven op te pakken samen met de partijen in het meldkamerdomein. Aan veel van deze aanbevelingen wordt reeds invulling gegeven. Denk hierbij aan de vervanging van de ICT in de meldkamers (C2000 en GMS), de vernieuwing van het 112-platform in 2020 en de procedures voor uitval en fysieke uitwijk van meldkamers om de continuïteit van de noodhulp te allen tijde te borgen. Voor de actuele stand van zaken van de invulling van alle aanbevelingen verwijs ik naar mijn Kamerbrief van 23 september jl. en het overzicht «Stand van zaken aanbevelingen Inspectie en Agentschap».2 Desalniettemin was en is er nog veel werk te doen in het meldkamerdomein, zoals ik heb beschreven in dezelfde Kamerbrief.
De Inspectie en het Agentschap hebben recent laten weten dat er nog belangrijke stappen moeten worden gezet. Zij spreken hierbij hun zorg uit over de snelheid waarmee aanbevelingen worden opgevolgd en doen observaties ten aanzien van de kwetsbaarheden in het stelsel. Zij vragen nogmaals aandacht voor de verdere verbetering van de stabiliteit van de ICT-voorzieningen, de werking van de governance en het ontbreken van een proces van integraal risicomanagement voor de meldkamers.
De gesignaleerde kwetsbaarheden door de Inspectie en het Agentschap zijn in beeld bij mij en de partijen in het meldkamerdomein en worden opgepakt. Deze zorgpunten betreffen echter veelal grote, meerjarige ontwikkelingen in het meldkamerveld die tijd nodig hebben om tot uitvoering te komen en voor verbetering te zorgen. Het netwerk van meldkamers vormt in de wereld van spoed en crisisbeheersing een uniek multidisciplinair samenwerkingsverband met meer dan 50 partijen. Ik werk samen met deze partijen toe naar een stelsel van 10 meldkamers die beheersmatig en operationeel met elkaar verbonden zijn, aangesloten zijn op één landelijke IV-ICT-infrastructuur en elkaars werkzaamheden kunnen overnemen. Zoals ik in mijn brief van 23 september jl. heb aangegeven zal dit in 2025 gerealiseerd moeten zijn.
Deelt u de mening dat het feit dat regionale meldkamers de knelpunten die in het rapport gesignaleerd worden nauwelijks hebben opgepakt en volgens de Inspectie en het Agentschap Telecom de urgentie niet voelen om dit op te pakken, wél zeer urgente problemen zijn die moeten worden opgelost? Wat gaat u doen om regionale meldkamers te bewegen tot het oplossen van de bestaande knelpunten?
Het beeld dat de knelpunten nauwelijks worden opgepakt deel ik niet. Er zijn belangrijke verbeteringen en mijlpalen gerealiseerd in de afgelopen jaren, waaronder de inwerkingtreding van de Wijzigingswet meldkamers, waarbij de verantwoordelijkheid voor het beheer van de meldkamers bij één partij is belegd. Zie ook de beantwoording van vraag 3 voor belangrijke verbeteringen op het gebied van de ICT en het borgen van de continuïteit van meldkamers bij uitval en eventuele uitwijk.
Ik heb vertrouwen in de geschetste richting en in de verdere doorontwikkeling van het meldkamerstelsel. Desalniettemin is er nog werk aan de winkel, zijn er nog achterstanden in te halen en verbeteringen door te voeren. Daar ben ik mij zeer van bewust. En net als de Inspectie en het Agentschap voelen alle partijen in het meldkamerdomein die urgentie.
Hoe ziet de sturing (governance) op dit proces eruit? Deelt u de mening dat dit moet worden verbeterd?
Het netwerk van meldkamers vormt een uniek samenwerkingsverband in de wereld van spoed en crisisbeheersing. Om deze samenwerking goed te laten verlopen en rekening te houden met de verschillende belangen is er in de Regeling hoofdlijnen van beleid en beheer meldkamers een governance-structuur gecreëerd, waarbinnen alle betrokken partijen en hun disciplines (politie, ambulancezorg, brandweer en de Koninklijke Marechaussee) invloed kunnen uitoefenen op het beheer van meldkamers. Omdat de meldkamer voor alle hulpdiensten van groot belang is voor hun operationele processen is de invloed van alle gebruikers op het beheer, dat wordt uitgevoerd door de politie, geborgd in de governance-structuur. De zogeheten multidisciplinaire sturingslijn ofwel governance-structuur doet hiermee recht aan de belangen van de betrokken partijen.
Hiernaast hebben de partijen een zelfstandige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de meldkamerfunctie van hun eigen hulpdiensten. De verantwoordelijkheid voor het beheer van meldkamers is op basis van de Wijzigingswet meldkamers per 1 juli 2020 ondergebracht bij de politie, in casu de Landelijke Meldkamer Samenwerking (LMS). Hiervoor draag ik als Minister van Justitie en Veiligheid eindverantwoordelijkheid.
In het meldkamerveld is afgesproken om de governance en de werking daarvan één jaar na inwerkingtreding tussentijds te evalueren. Deze evaluatie wordt momenteel uitgevoerd door het WODC. De uitkomsten van deze evaluatieopdracht worden medio 2022 verwacht. Eventuele aandachtspunten uit deze tussentijdse evaluatie zullen worden opgepakt en uw Kamer zal hierover worden geïnformeerd.
Wat wordt er gedaan om de krappe bezetting, die opnieuw gesignaleerd wordt, op te lossen? Deelt u de mening dat deze krapte zeer risicovol – en daarmee zeer onwenselijk – is, gezien de functie van de meldkamers?
Ik ben het met u eens dat krapte op de bezetting in de meldkamers onwenselijk is, zowel voor het personeel zelf als voor de uitvoering van de meldkamerfunctie. De krappe bezetting op de meldkamers is dan ook al langere tijd een punt van aandacht. De hulpdiensten in het meldkamerdomein zijn verantwoordelijk voor de uitoefening van hun meldkamerfuncties, waaronder het personeel op de meldkamers. Dit neemt niet weg dat dit mijn aandacht heeft en ik met de betrokken partijen afspraken heb gemaakt om in het kader van risicomanagement mogelijke verstoringen via een periodieke continuïteitsmonitor inzichtelijk te maken. Dit instrument is nog in ontwikkeling, maar moet het mogelijk maken dat er tijdig door de verantwoordelijke hulpdiensten maatregelen getroffen kunnen worden.
Ik heb uw Kamer op 9 september jl. in mijn beleidsreactie op het Inspectierapport over de noodhulp geïnformeerd over de ingezette acties van de politie om de zogenaamde «waterlijn» (de minimaal benodigde personele bezetting) op de operationele centra danwel politiemeldkamers te borgen.3 Door de politie zijn namelijk talrijke maatregelen voorbereid en genomen om de bezetting te bevorderen. Het ziekteverzuim is inmiddels aanzienlijk gedaald en er is terughoudend beleid voor het toestaan van vervroegd pensioen.
Het is goed te benadrukken dat de bezettingsproblematiek niet hetzelfde is voor elke hulpdienst. Wat betreft de situatie bij de andere hulpdiensten, zal ik dit punt ook conform de vastgestelde governance-structuur meenemen in mijn bespreking van de brief van de Inspectie en het Agentschap met het Bestuurlijk Meldkamer Beraad.
Hoe kan, in geval van een calamiteit, de overname van taken door meldkamers bevorderd worden? Waarom kan dat tot dusver slechts beperkt plaatsvinden?
Alle meldkamers kunnen op dit moment werkzaamheden van elkaar overnemen via de routering van 112-oproepen tijdens piekbelasting of calamiteiten. Daarnaast is het afgelopen jaar een procedure opgesteld voor een mogelijke uitval van meldkamers en uitwijk van personeel naar een andere meldkamer. Dit proces is in een stroomversnelling geraakt door COVID-19. De plannen en procedures voor fallback en uitwijk zijn door de meldkamers geverifieerd en hiermee is in 2020 geoefend. Ook zijn mogelijkheden gerealiseerd om elders de meeste meldkamerfuncties uit te kunnen oefenen, waaronder zogenaamde thuiswerkplekken. Dit is met name toepasbaar bij noodzakelijk snelle opschaling of het minder toegankelijk zijn van meldkamerlocaties (bijv. wegens COVID-19 maatregelen).
Waarom wordt er gewacht met het vernieuwen van vitale ICT-systemen? Wat gaat u doen om het beheer van de ICT minder divers te organiseren?
Investeringen in de vitale ICT-systemen vinden sinds de inwerkingtreding van de Wijzigingswet meldkamers voortdurend plaats. Er is geen sprake van afwachten maar eerder van het inlopen van achterstanden. Alle partijen onderschrijven het belang van vervanging en vernieuwing van deze vitale voorzieningen voor de meldkamers. Zo is op dit moment de aanbesteding van het nieuwe Nationale Meldkamer Systeem gaande. Dit moet het huidige meldkamersysteem gaan vervangen. Daarnaast is het 112-platform in 2020 vernieuwd en heb ik uw Kamer regelmatig geïnformeerd over de vernieuwing van het communicatiesysteem C2000 en ben ik bezig met de opvolger daarvan.
Met de Wijzigingswet meldkamers is het beheer van de op termijn 10 beheersmatig en operationeel verbonden meldkamers ondergebracht bij de LMS van de politie. Met deze ingezette koers wordt ook gewerkt aan de doelstelling om te komen tot een uniforme werkwijze en een eenduidig beheer van de ICT op de meldkamer. Op dit moment zijn 4 meldkamers aangesloten op de landelijke IV-ICT-infrastructuur, beheerd door de LMS. Dit wordt de komende jaren uitgebreid naar alle meldkamers.
Het bericht ’Tekort van ruim 150 miljoen bij politie: ‘Ontzettend pijnlijk juist nu te bezuinigen.’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Tekort van ruim 150 miljoen bij politie: «Ontzettend pijnlijk juist nu te bezuinigen»?1
Ja.
Kunt u schetsen om welk bedrag het hier gaat? Wat is het tekort ofwel de overschrijding bij de ondersteunende diensten en wat is het tekort dan wel de overschrijding bij de operationele eenheden?
Zoals gemeld in de verzamelbrief van 29 juni jongstleden voorzag de politie op basis van prognoses in het voorjaar voor dit jaar een overschrijding van het budget met 157 mln. euro.2 Naar aanleiding hiervan heeft de politie een taskforce opgericht met als doel in kaart te brengen waar reductie van kosten mogelijk is. In juli 2021 is op basis van de halfjaarcijfers de prognose neerwaarts bijgesteld naar een verwachte overschrijding van 105 mln. Op basis van de 8-maandsarapportage is de verwachte overschrijding verder gedaald naar 80 mln. De uit de prognose voortvloeiende overschrijding geldt voor de politiebegroting 2021 als geheel. Op dit moment is er geen uitsplitsing te maken naar operationele eenheden en ondersteunende diensten. Het benodigde bedrag voor het Politie Dienstencentrum (PDC) bevat bijvoorbeeld salariskosten van benodigde capaciteit en ICT-voorzieningen bij de operationele eenheden.
Kunt u de precieze oorzaak van het overschrijden van het budget schetsen? Is dat een gevolg van toenemende beleidswensen of van slechte bedrijfsvoering?
Het rapport van de taskforce biedt inzicht in de oorzaken en daaruit blijkt dat deze velerlei zijn. Om een zo objectief mogelijk en door alle betrokkenen gedeeld beeld te geven van hoe de politie er nu financieel voor staat en inzicht te geven in de bijsturingsmogelijkheden die de korpsleiding heeft, hebben de politie en ik inmiddels gezamenlijk opdracht gegeven tot een onafhankelijk vervolgonderzoek. Dit onderzoek zal ook ingaan op de achterliggende oorzaken. In november wordt deze onafhankelijke rapportage naar verwachting opgeleverd. In het volgend halfjaarbericht zal ik uw Kamer hierover nader informeren. Bij dit onderzoek worden ook het eindrapport van het «Onderzoek personele en materiële lasten 2021–2025» en het position paper betrokken.3 Daaruit blijkt overigens dat met het oog op de toekomst de fundamenten van de Nederlandse politie verder verstevigd kunnen worden.4
Hoe lang is dit nieuws al bij u bekend?
De toereikendheid van de financiële middelen voor politie zijn een doorlopend gespreksonderwerp tussen het politiekorps en het departement. Het huidige beeld waarbij zonder bijsturing over 2021 een materieel financiële overschrijding ontstaat is aan het departement gemeld in de 4 maandsrapportage die op 31 mei 2021 ontvangen is. Hierop heb ik in mijn verzamelbrief van 29 juni jl. uw Kamer geïnformeerd over deze overschrijding en het instellen van de taskforce.
Welke maatregelen moeten worden genomen om binnen het budget te blijven en wat zijn de gevolgen daarvan?
De politie verwachtte in juni een deel van de overschrijding (157 mln.) in het lopende jaar te kunnen wegwerken, onder andere doordat een deel van deze geprognosticeerde kosten zich uiteindelijk niet of in mindere mate zullen voordoen. Voor het resterende deel achtte politie bijsturing nodig. Hiertoe is een taskforce ingericht. Deze taskforce had tot doel om zowel incidentele als structurele bezuinigingsopties in kaart te brengen waarbij essentiële taakuitvoering, zoals de 24/7-diensten, de cao-afspraken en de ICT-security worden ontzien. Eind juli heeft de Taskforce Ombuigingen haar rapport opgeleverd. Naar aanleiding van dit rapport heeft de politie de volgende tijdelijke maatregelen genomen:
De financiële effecten van deze maatregelen voor de korte termijn zijn nog niet bekend.
Hoe verhoudt dit bericht zich tot de uitgelekte plannen van het kabinet om meer te investeren in veiligheid?
De verwachte overschrijding ziet op het begrotingsjaar 2021 en betreft dus het lopende uitvoeringsjaar. De investeringen die het kabinet op Prinsjesdag bekend heeft gemaakt zien op de begroting 2022 en verder en gaan onder andere over investeringen in de toekomst van de politie.
Kunt u garanderen dat de broodnodige opbouw van de politie binnen het vastgestelde budget plaatsvindt?
Zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief van 29 juni dient de politie de overschrijding van de kaders terug te dringen (met zo min mogelijk effect op de taakuitvoering) en erop te sturen in het vervolg wel binnen budget te blijven.
Het bericht ‘Frankrijk ziet Taliban-banden bij gevluchte Afghanen’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Peter Valstar (VVD), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Frankrijk ziet Taliban-banden bij gevluchte Afghanen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het risico dat er onder geëvacueerde Afghanen mensen zitten die banden onderhouden met de Taliban? Hoe gaat u met dat risico om?
In algemene zin wil ik eerst benoemen dat in de «kleine vreemdelingenketen» (IND, COA en DT&V), hoewel het geen opsporingsdiensten betreft, wel continu wordt geïnvesteerd in het bevorderen van het veiligheidsbewustzijn van de medewerkers. Het OM, politie, KMar, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken organisaties, zoals de IND, zijn alert op personen die mogelijk een dreiging voor de nationale veiligheid kunnen vormen en belast met het duiden van informatie en acteren indien nodig. Dat geldt voor alle vreemdelingen die bescherming vragen in Nederland, dus ook voor de vreemdelingen uit Afghanistan.
Dat betekent concreet dat personen door de IND gescreend zullen worden, gebruik makend van sociale media. Daarnaast voeren Politie en KMar de identificatie en registratie uit in het asielproces. In dit proces worden onder meer vingerafdrukken afgenomen, die zullen worden gecontroleerd in alle systemen, waaronder het Schengen Informatie Systeem (SIS). Ook wordt een verhoor afgenomen gericht op de identificatie van de persoon. In dit proces wordt tevens informatie verzameld m.b.t. nationale veiligheid en signalen van mensensmokkel en -handel.
Deze informatie vormt de basis voor de start van het asielproces. Daarbij zal steeds, op individuele basis, worden gekeken of bijvoorbeeld het handelen in de oorlogssituatie of de eventuele betrokkenheid bij kwestieuze organisaties reden is om af te wijzen op basis van 1F vluchtelingen verdrag, dan wel het treffen van andere maatregelen of zelfs het strafrechtelijk vervolgen.
Hoe beoordeelt u het risico dat er onder geëvacueerde Afghanen mensen zitten die banden onderhouden met Al Qaeda of Islamitische Staat? Hoe gaat u met dat risico om?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe voert u veiligheidsonderzoek uit naar mensen voorafgaand aan de evacuatie?
Ten aanzien van het personeel verbonden aan de ambassade heeft een sociale media screening plaats gevonden, net als voor de 111 tolken en hun gezinsleden die voor 15 augustus naar Nederland kwamen. Sowieso geldt voor tolken dat in de tijd dat zij werden gecontracteerd wel een beperkte check uitgevoerd werd naar de achtergrond van de betreffende tolk. Voor de andere personen die niet rechtstreeks voor (een) Nederlandse functionaris(sen) als onderdeel van een internationale militaire of politiemissie werkten is een dergelijke screening in de meeste gevallen niet vooraf door Nederland uitgevoerd. Ditzelfde geldt voor de andere Afghanen die conform motie-Belhaj geëvacueerd zijn. Het was gezien de omstandigheden rondom en op het vliegveld van Kaboel en de tijdsdruk waaronder de evacuatie plaatsvond, praktisch niet mogelijk een dergelijke controle uit te voeren.
Kunnen mensen die niet door dit veiligheidsonderzoek zijn gekomen alsnog via evacuatie in Nederland terechtkomen?
Dit is niet aan de orde want er zijn geen mensen in Afghanistan achtergebleven omdat ze niet door de screening zijn gekomen.
Hoe voert u veiligheidsonderzoek uit naar mensen als zij na evacuatie in Nederland in een opvanglocatie zitten?
De zaken van de geëvacueerde vreemdelingen worden inhoudelijk niet anders behandeld dan andere zaken, zoals ook weergegeven in antwoord op vraag 2. Ook in de verzoeken om bescherming van de geëvacueerde vreemdelingen, is er een screening en zal een controle in de systemen plaatsvinden. Door de massalere aankomst in een korte tijd wordt het proces wel in een andere volgorde doorlopen, maar de oplettendheid van de ketenpartners is dezelfde. Waar de keten beschikking heeft over aanvullende informatie omdat de vreemdeling met de Nederlandse overheid heeft samengewerkt wordt de informatie natuurlijk betrokken. Ik wijs ook op de brief van 12 juni 20182 aan uw Kamer, waarin is ingegaan op de maatregelen in de keten om alert te zijn op signalen die de nationale veiligheid kunnen raken. Deze uitgangspunten gelden zoals gezegd onverkort voor aanvragen van Afghaanse vreemdelingen.
Welke mogelijkheden zijn er om bij dergelijk veiligheidsonderzoek samen te werken met andere evacuerende landen en met hun veiligheidsdiensten?
Tussen de belangrijkste partners in Europa bestaat een gedeelde wens om samen op te trekken. Er worden in het openbaar geen uitspraken gedaan over de precieze invulling van de samenwerking tussen inlichtingen- of veiligheidsdiensten.
Welke mogelijkheden zijn er om geëvacueerde Afghanen die banden met de Taliban hadden een asielstatus te weigeren, te vervolgen, of te monitoren?
Het bestraffen van plegers van internationale- en oorlogsmisdrijven die zich in Nederland bevinden heeft een continu hoge prioriteit in zowel de strafrecht- als de asielketen. Nederland mag geen vluchthaven zijn voor personen die zich schuldig hebben gemaakt aan deze ernstige misdrijven. Daarom wordt aan personen waarvan het ernstige vermoeden bestaat dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan dergelijke misdrijven, een asielvergunning onthouden op grond van het 1F-beleid. De 1F-status refereert aan artikel 1F uit het Vluchtelingenverdrag, waar Nederland partij bij is. Dat artikel bepaalt dat personen uitgesloten worden van bescherming op basis van dit Verdrag als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf, een misdrijf tegen de menselijkheid, een ernstig niet-politiek misdrijf buiten het land van toevlucht, dan wel handelingen die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
Dat geldt uiteraard ook voor Afghaanse vreemdelingen die asielaanvragen indienen. Deze aanvragen worden beoordeeld op basis van de meest recente gegevens over Afghanistan waarover de IND beschikt. Zoals ook aan de orde kwam in het debat over de motie Ephraim zal indien een vreemdeling in strijd met één van deze beginselen heeft gehandeld, de asielaanvraag worden afgewezen.3
Er is intensieve samenwerking tussen de asiel- en de strafrechtketen om, waar mogelijk, personen met een 1F-status strafrechtelijk te vervolgen. Hierover wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd met de Rapportagebrief Internationale Misdrijven. Na de afwijzing van de aanvraag bestaat, naast eventuele andere toezichtsmogelijkheden, in de vreemdelingenwet de mogelijkheid om toezichtsmaatregelen op te leggen, zoals een meldplicht of een gebiedsbeperking. Deze maatregelen zullen altijd op individuele basis worden opgelegd en ingevuld.
Is de Taliban aan te merken als een terroristische organisatie, in het kader van artikel 140a wetboek van strafrecht of in het kader van internationale sanctielijsten?
De Taliban als organisatie is niet geplaatst op de terrorisme-sanctielijst van de Verenigde Naties noch op die van de Europese Unie. Wel zijn individuele Talibanleden op de sanctielijst van de VN geplaatst.
Of vervolging mogelijk onder artikel 140a van het wetboek van strafrecht mogelijk is, betreft steeds een individuele afweging die op basis van alle omstandigheden door het OM gemaakt zal worden, waardoor het niet zonder meer is te zeggen of artikel 140a van het wetboek van het strafrecht kan worden tegengeworpen.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Achterstand van honderden zedenzaken bij politie Midden-Nederland’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Corinne Ellemeet (GL), Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Achterstand honderden zedenzaken bij politie Midden-Nederland»?1
Ja.
Klopt het dat er vijfhonderd verkrachtings- en aanrandingszaken op de plank liggen bij de politie Midden-Nederland? Hoeveel zaken liggen er landelijk in totaal op de plank?
Nee, dit is onjuist. Op dit moment zijn in totaal 820 aangiftes langer dan een half jaar in behandeling, waarvan 233 aangiftes in de eenheid Midden-Nederland. Dit betekent overigens niet dat deze zaken op de plank liggen; in verschillende fases wordt aan deze zaken gewerkt. De politie werkt hard aan het inlopen van de achterstanden. Er is bijstand georganiseerd, bijvoorbeeld van de KMar, maar ook andere rechercheurs en vrijwilligers worden tijdelijk bij zedenzaken ingezet. Ook wordt geprobeerd de selectieprocedures te versnellen en is de opleiding tot zedenrechercheur recent verkort. De politie beziet voorts de mogelijkheden van alternatieven zoals herstelbemiddeling en mediation. Het streven is dat eind 2023 alle 90 fte’s zijn ingevuld.
De politie heeft als norm om in zedenzaken het dossier in 80% van de zaken uiterlijk binnen zes maanden na aangifte naar het Openbaar Ministerie (OM) in te sturen. Deze doorlooptijd is door de politie en het OM opgesteld (ketennorm) en hierin wordt door de politie en het OM nauw samengewerkt. De politie en het OM werken hard aan het verminderen van de voorraad en het verkorten van de doorlooptijden.
Kunt u aangeven wat de voortgang is van de uitvoering van de motie Klaver c.s.2 over structureel investeren van extra capaciteit in de zedenpolitie? Zal de 90 extra fte in 2023 volledig inzetbaar zijn?
De 90 fte extra capaciteit is in 2023 (nog) niet volledig inzetbaar. De politie breidt de capaciteit voor zeden met behulp van de gelden n.a.v. de motie-Klaver c.s. met ca. 90 fte uit in vier jaar-tranches vanaf 2020, zoals aan uw Kamer gemeld in mijn brief van 12 november 2019.3 Deze uitbreiding zal plaatsvinden bij de zedenteams, de intelligence-organisatie en in de digitale opsporing. Daarnaast vindt uitbreiding in capaciteit plaats binnen de Forensische Opsporing en de Politieacademie ten behoeve van de zedenteams.
Aan de politie is de eerste tranche van de middelen in 2020 beschikbaar gesteld, waarvan 18 fte geworven konden worden. In 2021 (tweede tranche) zullen door de politie in totaal 30,4 fte worden geworven. De Forensische Opsporing is eind vorig jaar gestart met de werving van 20 fte en deze zijn inmiddels aangesteld. De Politieacademie heeft begin 2021 drie extra zedendocenten aangesteld.
Conform de politie-instructie Zeden zijn kwaliteitseisen gesteld aan de inzet van medewerkers. Overigens is de verplichte opleiding voor de zedenrechercheur recent ingekort van 30 weken naar 22 weken zodat de opleidingsbehoefte van de zedenrechercheur beter aansluit, met als bijkomend effect dat de doorlooptijd van volledige inzetbaarheid hiermee wordt versneld.
Al jaren stapelen de achterstanden zich op, heeft u het beeld dat dit in 2023 daadwerkelijk ingelopen is? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, wanneer voorziet u dat dit wel het geval is? Op welke wijze bent u van plan de Kamer hierover tussentijds te informeren?
Zoals ik uw Kamer eerder in verschillende Halfjaarberichten politie heb gemeld is er breder binnen de politie sprake van capaciteitstekorten en is het streven dat er in 2024–2025 weer sprake is van een evenwicht tussen de formatie en bezetting.4
Ik herken dat de werkdruk onder zedenrechercheurs al jaren hoog is. Zedenzaken hebben een verwoestende impact op slachtoffers en vereisen een grote zorgvuldigheid in hun behandeling. De onderzoeken zijn complex, zowel wat betreft hun bewijsbaarheid als in forensische zin. Nieuwe inzichten rondom slachtofferschap, een voorgenomen wijziging van de zedenwetgeving en soms onvoorspelbare nieuwe fenomenen op digitaal gebied maken bovendien dat het werkaanbod in de toekomst niet gemakkelijk te voorspellen is.
Overigens worden spoedzaken altijd opgepakt. Het gaat hierbij dan om zaken waarbij sprake is van acuut gevaar, risico op herhaling en mogelijke maatschappelijke onrust (zoals misbruikzaken waar kinderen bij betrokken zijn, slachtoffers met een verstandelijke beperking of verdachten met een hoog recidive risico). Uiteraard zal ik uw Kamer over de voortgang op dit terrein informeren.
Herkent u het signaal van de Nationale Politiebond dat hetzelfde geldt voor kinderporno of mensenhandel? Zo ja, hoe ernstig zijn de achterstanden hier en wat is er nodig om dat in te lopen? Zo nee, waar baseert u dat op?
De aanpak van kinderpornografie en kindersekstoerisme is sinds 2012 neergelegd bij de Teams ter bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK). Hiervoor zijn 150 rechercheurs vrijgesteld. De TBKK hebben jaarlijks zo’n 25.000 meldingen waarbinnen onder leiding van het OM zaken worden geprioriteerd. Er is echter een verschil in de aard van het werk van de zedenteams. De achterstanden van de TBKK’s uiten zich niet in zogenoemde «plankzaken» waarbij een slachtoffer of aangever wacht op behandeling, maar het betreft hier meldingen met een onbekend slachtoffer waarbij door politie en OM actie dient te worden ondernomen.
Voor wat betreft mensenhandel geldt dat de afgelopen jaren reeds flink is ingezet op het verstevigen van het fundament van de opsporing om de aanpak van mensenhandel te intensiveren. Deze inzet lijkt ook resultaat te hebben. Het in de Veiligheidsagenda afgesproken aantal door het OM geregistreerde verdachten van mensenhandel voor 2020 is het afgelopen jaar nagenoeg gehaald. Deze intensivering zal ook de komende jaren doorgaan, inclusief de werving van capaciteit naar aanleiding van de motie-Segers/Asscher.5 Uw Kamer ontvangt regelmatig een update over de voortgang.
Wat kan en gaat de regering in de tussentijd tot 2023 doen om de doorlooptijd van zaken te verkorten en zo te voorkomen dat daders van seksueel geweld jarenlang ongestraft kunnen rondlopen of er herhaald daderschap optreedt?
Door de toekenning van de gelden n.a.v. de motie-Klaver c.s. is zoals gezegd extra geïnvesteerd in de uitbreiding van de capaciteit binnen de zedenteams. Hierdoor is het o.a. mogelijk geworden om vier opleidingen Handelen in Zedenzaken (HZZ) per jaar te organiseren in plaats van drie. Ook heeft de politie de opleiding HZZ recent nader zeden-specifiek gemaakt, waardoor de opleidingsduur met ingang van de tweede helft van 2021 is ingekort van 30 naar 22 weken. Met ingang van oktober 2020 zijn de opleidingsplekken voor de opleiding HZZ opgehoogd van 15 naar 20 deelnemers. Hierdoor is een versnelling aangebracht in de opleidingsduur en kunnen meer zedenrechercheurs worden opgeleid, waardoor zedenrechercheurs sneller gecertificeerd en inzetbaar zijn en er minder capaciteitsbelasting is.
Daarnaast verwacht ik dat het wetsvoorstel modernisering seksuele misdrijven zal zorgen voor meer veiligheid en bescherming voor slachtoffers, mits de randvoorwaarden van de uitvoeringsorganisaties worden gehonoreerd.
Door het mogelijk maken van het werven van zij-instromers kan de wervingsproblematiek deels worden opgelost voor zowel zeden als kinderpornografie en kindersekstoerisme.
Op welke wijze is er oog voor slachtoffers die jaren moeten wachten tot werk wordt gemaakt van hun zaak? Hoe is de zorg geregeld in deze periode? Is hierin ook aandacht voor het voorkomen van herhaald slachtofferschap?
Naast de uitbreiding in capaciteit en verbeteringen in het zedenproces binnen de politie wordt door de gezamenlijke inzet van alle ketenpartners (o.a. Centrum Seksueel Geweld en Slachtofferhulp) steeds beter aangesloten bij de behoefte van het slachtoffer.
Iedereen die met een seksueel misdrijf te maken heeft kan altijd aangifte doen, waarna zo snel mogelijk een informatief gesprek met een zedenrechercheur plaatsvindt. Zedenrechercheurs maken tijdens dit gesprek een eerste inschatting of het vermoedelijk om een strafbaar feit gaat. Ook vragen zij naar de behoeften en verwachtingen van het slachtoffer. De zedenrechercheurs sluiten in hun informatieverstrekking aan bij die behoeften. De zedenrechercheur kan tijdens het informatief gesprek bijvoorbeeld uitleggen welke mogelijkheden er zijn voor alternatieven, zoals bijvoorbeeld herstelbemiddeling, hulp en advies.
De rechercheurs brengen het slachtoffer naar behoefte in contact met de juiste organisaties, zoals Centrum Seksueel Geweld (CSG), Slachtofferhulp Nederland, Veilig Thuis, Perspectief Herstelbemiddeling of Mediation in Strafzaken.
In het informatief gesprek wordt een slachtoffer ook geïnformeerd over de rechten en de verdere procedure. Daarnaast wordt het eerste vluchtige bewijsmateriaal veiliggesteld.
Als een slachtoffer in eerste instantie hulp zoekt bij een CSG, wordt hij of zij ook gewezen op de mogelijkheid van het doen van aangifte en kan hij of zij ter plekke in gesprek gaan met een zedenrechercheur. Er zijn geen signalen van onvoldoende capaciteit bij het CSG. Alle slachtoffers die hulp zoeken bij het CSG kunnen daar terecht en er is geen sprake van wachttijden.
Slachtoffers worden in een meerjarige campagne (www.watkanmijhelpen.nl) ook gestimuleerd om zo snel mogelijk hulp te zoeken of eventueel aangifte te doen omdat het hen echt iets kan opleveren en grotere problemen kan helpen voorkomen.
Hoe wordt voorkomen dat slachtoffers ontmoedigd raken om aangifte te doen? Is er genoeg capaciteit bij Het Centrum Seksueel Geweld om alle slachtoffers van seksueel geweld te begeleiden en de zorg te bieden die nodig is?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke wijze wordt het personeel van de zedenpolitie gesteund nu men al zo lang teveel zaken met te weinig capaciteit heeft? Welke stappen worden genomen om uitval te voorkomen?
Zie ook het antwoord op vraag 4. Ik ben mij bewust van de druk op deze bijzondere groep medewerkers binnen de politie. Naast gesprekken over werkbelasting met leidinggevenden is er ook in de medewerkersmonitor aandacht voor de belasting en belastbaarheid van de medewerkers. Bij de aanpak van seksuele misdrijven worden de politiemedewerkers waar nodig en mogelijk intern ondersteund. Ook is er aandacht voor de mentale weerbaarheid van de zeden- en kinderpornografie/kindersekstoerisme rechercheurs op diverse wijzen, waaronder gesprekken met een psycholoog, leidinggevenden en collega’s onderling.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Kindermisbruik en Seksueel Geweld van 16 september aanstaande?
Ja.
Een snelle tegemoetkoming voor gedupeerde ondernemers van de waterschade in Limburg |
|
Silvio Erkens (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel »»Verzekeraars weigeren na watersnood miljoenenschade uit te keren aan dertig Valkenburgse gedupeerden»» van 2 augustus 2021?1 Wat vindt u hiervan? Deelt u de mening dat ondernemers zo snel mogelijk geholpen moeten worden zodat ze weer kunnen ondernemen?
De ramp die zich in Limburg heeft voltrokken is voor veel burgers en ondernemers zeer ingrijpend geweest. Voor getroffen particulieren en bedrijven is hun verzekering het eerste aanspreekpunt. Het kabinet staat dan ook in nauw contact met het Verbond van Verzekeraars. Het kabinet zal de door de wateroverlast getroffen inwoners en ondernemers in Limburg bijstaan door de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) in te zetten.
Klopt het dat in afwachting van de ministeriële regeling, die toegesneden is op de rampsituatie, er veel onzekerheid heerst bij gedupeerde ondernemers.?Wanneer verwacht u dat deze regeling afgerond is? Is het mogelijk dit proces te versnellen? 3.Heeft u daarnaast al zicht op het vast te stellen schadegebied? Gaat het hier enkel om de overstroming van de Maas of gaat u een bredere definitie hanteren?
Voor toepassing van de Wts is een ministeriële regeling vereist. In een aparte brief aan uw Kamer informeer ik u nader over de invulling en reikwijdte van de schaderegeling in de ministeriële Regeling. Op dit moment is het al mogelijk om schade te melden bij de RVO, zodat het proces kan worden voorbereid. Op die manier kan na vaststelling van de ministeriële regeling zo spoedig mogelijk overgegaan worden tot uitkering van de tegemoetkomingen in de schade.
Klopt het dat veel ondernemers het al lastig hadden door de coronacrisis, zeker nu ze zich gedwongen zien hun onderneming door waterschade nog langer gesloten te houden totdat alles weer gerepareerd is? Hoe bent u van plan om te gaan met deze omzetderving die vaak het verschil tussen heropening en definitieve sluiting kan betekenen voor veel ondernemers?
In de ministeriële regeling is het schadegebied opgenomen. Daarin zijn zowel de overstroomde gebieden, als gebieden waar schade is geleden door afstromend water als gevolg van hevige regenval opgenomen. Uw Kamer is hierover middels een separate brief nader geïnformeerd.
Bent u bereid, als het niet mogelijk is op korte termijn duidelijkheid te verschaffen aan gedupeerde ondernemers, gebruik te maken van voorschotten, zodat zij al snel kunnen beginnen aan het herstel van de schade?
Het is algemeen bekend dat veel ondernemers zich door de coronacrisis al in zwaar weer bevonden. In de Wts is omzetderving als gevolg van een ramp uitgezonderd van een tegemoetkoming. Het kabinet wil evenwel het gesprek hierover met de regio en ondernemersvertegenwoordigers voeren, waarbij ook aandacht zal zijn voor proportionaliteit, uitvoerbaarheid en precedentwerking. Ondernemers kunnen in geval van omzetverlies tevens gebruik maken van de vanwege de coronacrisis tot stand gekomen regelingen TVL en NOW. Deze regelingen voorzien in een tegemoetkoming in vaste lasten en personeelskosten, zolang aan de huidige voorwaarden van deze regelingen wordt voldaan.
Kunt u pogen deze vragen, gezien de urgentie, te beantwoorden voor vrijdag 13 augustus?»
Er wordt met alle betrokken partijen hard gewerkt om de ministeriële regeling zo spoedig mogelijk te kunnen vaststellen en in werking te laten treden. Het is echter op dit moment al mogelijk om schade te melden bij het RVO.2 Dit stelt de RVO in staat de uitvoering van de regeling voor te bereiden zodat zo snel mogelijk kan worden gestart met die uitvoering. Een belangrijke stap daarbij is het laten uitvoeren van taxaties. Het werken met voorschotten zou in dit proces vertragend werken, aangezien ook hiervoor taxaties vereist zijn.
Het onderzoek naar de beveiligingssituatie van Peter R. de Vries |
|
Anne Kuik (CDA), Hanneke van der Werf (D66), Ingrid Michon (VVD), Mirjam Bikker (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Deelt u de mening dat alles op alles moet worden gezet om kroongetuigen en hun naasten, advocaten en adviseurs te beschermen? Steunt u daarom het verzoek het onderzoek te verbreden en in kaart te brengen welke veiligheidsmaatregelen bij eerdere slachtoffers, zoals Derk Wiersum en Redouan B., zijn getroffen en welke lessen daaruit kunnen worden getrokken voor de toekomst? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht een groot belang aan de veiligheid van kroongetuigen en hun naasten, advocaten en adviseurs. Zoals ook aan uw Kamer toegezonden in mijn brief van 24 augustus jl. heb ik de afgelopen weken meerdere gesprekken gevoerd met de met de familie van Peter R. de Vries, andere betrokkenen en deskundigen.1 Het grote maatschappelijk belang dat met het onderzoek naar de beveiligingssituatie van Peter R. de Vries gediend is, maakt dat ik sterk hecht aan breed draagvlak voor het onderzoek. Ik heb de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) gevraagd om het op zich te nemen in een onderzoek na te gaan welke lessen getrokken kunnen worden uit de beveiligingssituaties van de broer, de toenmalig advocaat en de vertrouwenspersoon van de kroongetuige in het Marengo-proces. De OVV heeft inmiddels bevestigd dit onderzoek op zich te nemen.2 Hierbij acht ik het van belang uw Kamer te melden dat gezien de onafhankelijke status van de OVV, de OVV zelf de onderzoeksopzet bepaalt. Deze onafhankelijke status is vastgelegd in de Rijkswet Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarin ook de bevoegdheden van de OVV zijn vastgelegd.
Steunt u het pleidooi van de advocaten van de kroongetuigen dat de commissie absoluut onafhankelijk moet zijn en dat het wenselijk is naast de heer Joustra ook een andere (strafrecht)deskundige aan de onderzoekscommissie toe te voegen? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht eraan te benadrukken dat voor mij persoonlijk over de geschiktheid en onafhankelijkheid van de heer Joustra en zijn beoogde commissieleden geen enkele twijfel is geweest. Wel vind ik het van het grootste belang dat over de onafhankelijkheid van het onderzoek ook in de buitenwereld geen twijfels bestaan en heb ik geconcludeerd dat de brede reikwijdte van het onderzoek beter past bij onderzoek door de OVV. Ik wil de heer Joustra en zijn beoogde commissieleden dan ook hartelijk danken voor hun bereidheid en hun inspanningen tot nu toe op dit dossier.
Wilt u deze vragen, gezien de voorziene onderzoeksperiode, binnen een beantwoordingstermijn van een week, dus uiterlijk 6 augustus 2021, beantwoorden?
In verband met afstemming met meerdere partijen is dit niet mogelijk gebleken.
Het bericht ‘Verdachte chauffeur dodelijk ongeval Waalhaven reed eerder motoragent en fietsster aan’. |
|
Peter de Groot (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Verdachte chauffeur dodelijk ongeval Waalhaven reed eerder motoragent en fietsster aan»?1
Ja.
Klopt het dat de verdachte chauffeur eerder betrokken was bij het aanrijden van een motoragent in 2015?
Is deze zaak destijds door de officier van justitie aan de strafrechter voorgelegd? Zo ja, was er sprake van een misdrijf?
Viel het door de verdachte vertoonde rijgedrag onder de in 2020 in de Wegenverkeerswet beschreven roekeloosheid?
Is de verdachte voor deze aanrijding veroordeeld? Zo ja, wat was de strafmaat? Is de verdachte een rijontzegging gegeven?
Is er door de rechter beoordeeld of er sprake was van opzet bij het aanrijden van de motoragent, zoals door het slachtoffer is beweerd?
Klopt het dat de verdachte chauffeur vorig jaar nog een ongeluk veroorzaakte, waarbij een 79-jarige vrouw om het leven kwam?
Is deze zaak destijds door de officier van justitie aan de strafrechter voorgelegd? Was hier sprake van een misdrijf?
Is de verdachte voor deze aanrijding veroordeeld? Zo ja, wat was de strafmaat?
Is de verdachte als recidivist aangemerkt, waarbij het in de tweede zaak mee weegt dat hij al eerder een ernstig ongeluk heeft veroorzaakt?
Was er in een van de drie gevallen sprake van drank- en/of drugsgebruik door de verdachte?
Indien er in het meest recente geval sprake was van het opzettelijk aanrijden van het slachtoffer, valt dat dan nog onder artikel 6 van de Wegenverkeerswet?
Aangezien er sprake is van een lopend strafrechtelijk onderzoek, kan ik over deze kwestie in het bijzonder geen nadere mededelingen doen.
In het algemeen geldt dat bij een vermoeden van opzettelijk aanrijden, doodslag of moord ten laste kan worden gelegd. Indien opzet niet bewezen kan worden, zou artikel 6 WVW een mogelijkheid kunnen zijn. In een dergelijk geval is het van belang te bewijzen of de verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van het verkeersongeval. Wat er ten laste gelegd zou kunnen worden, hangt echter af van de specifieke omstandigheden van het geval en het is aan het OM om dit te bepalen. Recidive speelt een rol bij de afdoeningsbeslissing door de officier van justitie.
Weegt het bij een eventuele vervolging mee dat de verdachte al tweemaal eerder een ongeluk heeft veroorzaakt?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe vaak heeft er in de afgelopen tien jaar een ongeval plaatsgevonden, waar een motoragent bij betrokken was? Is er een bepaalde trend te zien in het aantal ongevallen?
Het is niet mogelijk uit de politiesystemen cijfers te genereren van het aantal ongevallen waarbij een motoragent betrokken is. Overigens zou zo’n getal op zichzelf niet te interpreteren zijn. Zulke ongevallen moeten worden afgezet tegen de taakstelling, het aantal voertuigkilometers en in relatie tot de inzet (bijvoorbeeld wel of niet rijden met optische en geluidssignalen).
Is de verkeersveiligheid van motoragenten voldoende geborgd?
Politiemotorrijders krijgen een specialistische rijopleiding die door de Politieacademie wordt verzorgd. Deze is intensief, gedegen en optimaal gericht op de verkeersveiligheid van zowel de politiemotorrijder als het overige wegverkeer. Daarnaast volgt elke motorijder periodiek een rijvaardigheidstraining van de Politieacademie waarin zijn vaardigheden worden getoetst en bijgeschaafd. De motorkleding van de politiemotorrijder komt in nauwe samenspraak met de motorrijders zelf tot stand. Zo wordt voorzien in optimale persoonlijke bescherming van de motorrijder en zichtbaarheid bij de uitvoering van zijn taken.
Wordt de werkwijze van/voor motoragenten regelmatig geëvalueerd? Indien dit niet het geval is, of de laatste evaluatie al een lange tijd geleden is, is er door dit ongeval de noodzaak ontstaan dit op korte termijn te doen om zo een verkeersveilige deelname aan het verkeer te versterken? Zo niet, waarom niet?
De werkwijze van motoragenten wordt doorlopend geëvalueerd. Binnen het eigen team gebeurt dit nagenoeg altijd na gecoördineerde en/of bijzondere inzetten en in het algemeen binnen de lijnverantwoordelijkheid en de professionele collegiale feedback binnen het eigen team. Daarnaast vindt periodiek een rijvaardigheidstraining van de Politieacademie plaats (zie ook het antwoord bij vraag 15). Elk ongeval zal op zichzelf worden onderzocht en eventuele daaruit voortkomende leerpunten worden waar nodig landelijk breed gedeeld. In dit specifieke geval wordt onderzoek gedaan door een externe commissie waarbij ook de voorgeschiedenis wordt meegenomen5. Verder is er binnen het team aandacht voor de mogelijke schadelijke mentale gevolgen bij andere collega’s.
Helaas hebben motoragenten, ondanks de specialistische opleidingen, evaluaties en rijvaardigheid ook te maken met externe factoren, zoals onvoorspelbaar of gevaarlijk rijgedrag van derden en is dan kwetsbaarder dan een agent in de auto. Hoewel politiemotorrijders ook op dat aspect opgeleid en getraind worden komt het helaas voor dat motoragenten het slachtoffer worden van gevaarlijk rijgedrag van andere deelnemers op de weg. Zoals ik in mijn brief6 van 19 juli jl. aan uw Kamer heb gemeld, staat agressie richting agenten en andere hulpverleners hoog op de agenda in mijn gesprekken met de Korpschef. Tijdens mijn bezoek met de korpschef aan de eenheid Rotterdam op 14 juli jl. is er uitvoerig gesproken over de risico’s van het werk en de agressie die agenten daar soms bij tegenkomen. De korpschef en ik nemen dat zeer serieus en zetten ons in voor een veilig werkklimaat.
Het bericht ‘Dit ging mis met NL-Alerts bij de brand in Noordbergum: opnieuw was de computer met een update bezig’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Dit ging mis met NL-Alerts bij de brand in Noordbergum: opnieuw was de computer met een update bezig»?1
Ja.
Klopt het dat door een update van het NL-Alertsysteem in Drachten duizenden mensen in Noord-Nederland ná de brand onterecht een melding hebben gehad van een grote brand? Is het eerste bericht, tijdens de brand, in het gebied adequaat verspreid?
Er was geen sprake van een update van een computer maar van een storing in een aansturingsvoorziening naar een NL-Alert applicatie.
Het NL-Alert systeem bestaat uit een gebruikersapplicatie waarmee medewerkers van de meldkamers een NL-Alert kunnen opstellen en een centraal systeem dat ervoor zorgt dat het door de meldkamer opgestelde NL-Alert wordt aangeboden aan de telecomaanbieders voor uitzending van het NL-Alert via de zendmasten en wordt aangeboden aan andere afnemers voor verspreiding.
Voor wat betreft de gebruikersapplicatie is bij de ontwikkeling van NL-Alert in de periode 2009–2012 gekozen voor een «stand alone»-opstelling. Voor meldkamermedewerkers is deze «stand alone»-opstelling niet altijd praktisch. Sommige meldkamers hebben daarom – binnen de gestelde beveiligingsrichtlijnen – technische voorzieningen voor deze computers getroffen om de «stand-alone»-computer vanuit de positie van de centralist aan te kunnen sturen.
Uit analyse is gebleken dat op het moment van de brand in Noardburgum er een storing was in deze aansturingsvoorziening.
Meldkamer Noord-Nederland heeft meteen Meldkamer Oost-Nederland verzocht het NL-Alert uit te zenden in het getroffen gebied. Meldkamer Oost-Nederland heeft dit vervolgens gedaan. De centralist van deze meldkamer heeft hierbij het juiste uitzendgebied geselecteerd en het NL-Alert uitgezonden.
Later op de dag is door Meldkamer Noord-Nederland een tweede NL-Alert uitgezonden. Dit betrof een melding dat de brand in Noardburgum onder controle was (afmeldbericht). Meldkamer Noord-Nederland heeft bij dit tweede NL-Alert abusievelijk een groter gebied voor de uitzending geselecteerd dan bij het eerste bericht. Daarom hebben meer mensen het tweede NL-Alert ontvangen in vergelijking met het eerste NL-Alert.
Hoe vaak is de laatste vijf jaar sprake geweest van defecten/het niet actief zijn van het NL-Alertsysteem gedurende een calamiteit? Tot welke problemen heeft dit geleid en hoe wordt een dergelijke situatie gebruikt om het systeem te verbeteren en dit in de toekomst te voorkomen?
Meldkamers zijn zo ingericht dat functies bij verstoringen van elkaar overgenomen kunnen worden. Indien de NL-Alert applicatie op een meldkamer niet beschikbaar is, wordt het NL-Alert vanuit een andere meldkamer uitgezonden. Naast dit geval is mij bekend de situatie van 24 juni 2019 tijdens het niet bereikbaar zijn van 112 door een landelijke storing bij KPN, waarover ik uw Kamer heb geïnformeerd.2
Onderschrijft u dat NL-Alert een belangrijke functie vervult in het beschermen van mensen en dat deze functie altijd en op elk moment beschikbaar moet zijn?
Ja, dat onderschrijf ik. Om die reden hebben meldkamers goede afspraken gemaakt over fall back, waarbij meldkamers elkaars taken kunnen overnemen waaronder ook het uitzenden van NL-Alerts. Ook biedt het Nationaal Crisiscentrum (NCC) van mijn ministerie de mogelijkheid om desgevraagd namens veiligheidsregio’s een NL-Alert uit te zenden. Dit centrum is – net als de meldkamers – 24 uur per dag en 7 dagen per week beschikbaar. Indien nodig kan ook het Meldkamer Monitoring Center (MMC) van de LMS namens veiligheidsregio’s NL-Alerts uitzenden. Het MMC is eveneens 24/7 beschikbaar.
Hoe ziet het protocol eruit, indien een computer waar het NL-Alertsysteem op draait niet beschikbaar is? Is sprake van een dubbele uitvoering van het systeem, zodat het risico op het niet beschikbaar zijn wordt beperkt?
Bij het centrale NL-Alert systeem is de kern van het systeem, de zogenoemde broker, dubbel uitgevoerd en geo-redundant. Dit betekent dat de dubbel uitgevoerde onderdelen geplaatst zijn op verschillende geografische locaties. Ook de centrale onderdelen bij de telecomproviders die zorgen voor de distributie van NL-Alerts naar de zendmasten, zijn dubbel uitgevoerd en geo-redundant.
De NL-Alert gebruikersapplicatie is enkelvoudig uitgevoerd op de meldkamers. Een meldkamer heeft voldoende fall back-opties door het inschakelen van een andere meldkamer, het NCC of het MMC indien de NL-Alert gebruikersapplicatie niet beschikbaar is. Zie antwoord op vraag 3 en 4.
Klopt het dat NL-Alertsystemen of computers onderling niet verbonden zijn en dat er daardoor in dit specifieke geval problemen waren met het uittekenen van verzendgebieden? Hoe worden die gebieden getekend en hoe werken deze systemen met elkaar samen?
De centralist van een meldkamer tekent het uitzendgebied in op een kaart in de NL-Alert applicatie. Er is geen onderlinge connectie tussen de NL-Alert gebruikersapplicaties van de verschillende meldkamers. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de onderlinge misstanden gedurende deze specifieke calamiteit, waardoor er een verkeerde inschatting is gemaakt over het verzendgebied? Welke lessen worden hieruit getrokken en wat is de rol van het Veiligheidsberaad hierin?
Op de korte termijn zullen veiligheidsregio Fryslân en Meldkamer Noord-Nederland een evaluatie uitvoeren naar de gebeurtenissen en verkennen welke maatregelen genomen kunnen worden om dit soort situaties te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het (extra) opleiden, trainen en oefenen van betrokken crisisfunctionarissen en het verbeteren van de afstemming met meldkamers bij fall back. Ik wil deze analyse afwachten alvorens een oordeel te geven over de gang van zaken. Daarnaast zullen de aansturingsvoorzieningen op de meldkamers extra gecontroleerd worden.
In dit verband is relevant op te merken dat NL-Alert meer dan tien jaar geleden is ontwikkeld. De wensen en eisen van veiligheidsregio’s en meldkamers zijn in deze tien jaar veranderd. Enkele jaren geleden heeft mijn ministerie samen met de veiligheidsregio’s daarom een traject in gang gezet voor de vernieuwing van het NL-Alert systeem, waarbij een groot deel van het technische systeem zal worden vernieuwd. Een aanbesteding voor de technische vernieuwing is hiervoor in gang gezet. In het nieuwe systeem zullen verbeteringen worden aangebracht aan de hand van het programma van eisen en wensen dat samen met de veiligheidsregio’s en meldkamers is opgesteld. Het kunnen inzien van NL-Alerts van andere meldkamers via de applicatie, het makkelijker kunnen selecteren van het uitzendgebied en een betere integratie van de NL-Alert applicatie in de meldkamer-werkomgeving zijn onderdeel van deze vernieuwing. Het vernieuwde NL-Alert systeem zal naar verwachting medio 2022 operationeel zijn.
Beleidsbeslissingen over de inzet van NL-Alert worden genomen door de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV) en het Ministerie van Justitie en Veiligheid gezamenlijk. Bij de RCDV zijn portefeuillehouders aangewezen die zijn betrokken bij de beleidsontwikkeling ten aanzien van de inzet van NL-Alert en de advisering op de doorontwikkeling van het NL-Alert systeem, en indien nodig, zullen zij de beslissingen voorleggen aan de RCDV voor besluitvorming. Het Veiligheidsberaad is betrokken indien NL-Alert raakt aan strategische vraagstukken.
Is het uw ambitie om de traditionele luchtalarmen op den duur te vervangen door NL-Alert? Wat zijn hier de grootste uitdagingen? Bent u het ermee eens dat van deze vervanging pas sprake kan zijn als het systeem dubbel uitgevoerd is om risico op uitval te minimaliseren?
Zoals ik in de Slotbrief Agenda risico- en crisisbeheersing 2018–2021 van 30 april 20213 heb aangegeven, laat ik de besluitvorming over de toekomst over het gebruik van de sirenes van het Waarschuwings- en Alerteringssysteem (WAS) over aan het volgende kabinet. Het nieuwe kabinet zal zijn besluit te zijner tijd aan uw Kamer voorleggen, conform de motie van het lid Wolbert4.
Het bericht ‘Zonnepaneel stoort communicatie van hulpdiensten.’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «zonnepaneel bedreigt communicatie hulpdiensten door stoorsignaal»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat een deel van de gebruikte apparatuur niet aan de stralingseisen voldoet, waaronder omvormers in zonnepanelen in combinatie met slechte kabelroutering, en ernstige storingen kunnen veroorzaken bij onder andere lucht- en scheepvaartcommunicatie en het communicatiesysteem C2000 van onze hulpdiensten zoals politie, brandweer en ambulance?
Het wordt steeds drukker in de ether. De komst van onder andere 5G maakt nieuwe toepassingen mogelijk en stimuleert de Internet-of-Things (IoT) ontwikkeling. Hierdoor neemt het aantal elektrische apparaten met een zend- en/of ontvangstfunctie (radioapparaten) toe, en daarmee ook het risico voor hinder en storingen aan elektrische apparatuur en radionetwerken in de omgeving. Ook niet-radio toepassingen nemen steeds meer in aantal toe en kunnen ongewenste storingen veroorzaken. Dit brengt kwetsbaarheden met zich mee voor bestaande en nieuwe communicatietoepassingen, inclusief vitale toepassingen. Al deze toepassingen moeten rekening houden met hinder van anderen maar daar waar hinder omslaat in storing is dit niet acceptabel, zeker niet als het gaat om radionetwerken voor politie en hulpdiensten. Een goed werkende communicatievoorziening is cruciaal bij het redden van mensenlevens of ernstige calamiteiten, rampen en crises.
Om hinder zo gering mogelijk te houden en te voorkomen dat het storing wordt, is het van belang dat (radio)apparaten bij alle hierboven genoemde toepassingen voldoen aan bepaalde technische eisen en op de juiste wijze worden geïnstalleerd. Producenten en installateurs zijn hiertoe verplicht op basis van de regelgeving inzake elektromagnetische compatibiliteit (EMC), te weten de EMC-richtlijn (2014/30/EU), radioapparatenrichtlijn ((2014/53/EU) en de implementatie hiervan in de Telecommunicatiewet en lagere regelgeving. Deze regelgeving gaat uit van reciprociteit: het vereist dat een elektrisch apparaat niet onbedoeld straling kan geven die de functionaliteit van andere elektrische apparaten aantast en daarvan zelf ook geen hinder ondervindt.
Het bovenstaande geldt ook voor zonnepanelen. Het is vanuit de geldende Europese regelgeving de verantwoordelijkheid van producenten en installateurs dat deze apparatuur voldoet aan de regelgeving, zodat eigenaren ervan op aan kunnen dat zij met systemen die in orde zijn bijdragen aan de energietransitie waarbij ongewenste neveneffecten zoveel mogelijk worden voorkomen. Ik vind het zorgwekkend dat is gebleken dat elementen van sommige zonnepaneelinstallaties (zie voor details het antwoord op vraag 4) de functionaliteit van maatschappelijk belangrijke systemen als C2000 of apparaten voor lucht- en scheepvaartcommunicatie kunnen aantasten, met als oorzaak dat niet zou zijn voldaan aan de EMC-regels. Handhaving van deze regels is daarom van belang.
Bent u bekend met de zwakke plekken in het C2000 netwerk door zonnepanelen, ook wel PV-systemen genoemd? Deelt u de mening dat PV-systemen op geen enkele manier een risico mogen vormen voor de continuïteit en het functioneren van C2000? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om op de korte termijn te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 2 ben ik bekend met de storing die bepaalde zonnepaneelinstallaties op het C2000-netwerk kunnen opleveren. Ik benadruk dat dit probleem met urgentie wordt aangepakt. De leverancier van deze installaties werkt samen met de beheerder van het netwerk, de Landelijke Meldkamersamenwerking (LMS), aan het reduceren van de bestaande ruis tot een acceptabel niveau. Hoewel de omgeving altijd in bepaalde mate invloed heeft op het functioneren van een netwerk als C2000, deel ik de mening dat het risico dat dat oplevert voor de veiligheid van burgers en hulpverleners tot een minimum beperkt moet worden. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan daarom besloten worden een bepaalde zonnepaneelinstallatie (tijdelijk) uit te laten zetten. Een dergelijk besluit is altijd het resultaat van een grondige afweging van de geschatte risico’s, mede op basis van de door de beheerder van C2000 gemeten verstoring en de verwachte inzet van hulpverleners in het gebied. Agentschap Telecom beoordeelt dergelijke situaties en heeft de bevoegdheden om op te treden.
Welke huidige stralingsnormen gelden per individueel zonnepaneel? Worden deze normen getoetst en zo ja door wie?
Zonnepanelen zelf veroorzaken geen storing. Het zijn vooral de energieregelaars in een zonnepaneelinstallatie die storing veroorzaken.
Emissie van de energieregelaars van de zonnepanelen valt onder de EMC-richtlijn of als de regelaars een radiocomponent bevatten, onder de radioapparatenrichtlijn. De energieregelaars moeten daarom voldoen aan de EMC-regels. Agentschap Telecom houdt hier toezicht op. Hierbij houdt Agentschap Telecom ook rekening met de wijze van installatie. Dit houdt in dat niet alleen gekeken wordt naar de emissie van een individuele energieregelaar, maar ook van meerdere energieregelaars op één dak. Van de fabrikant wordt namelijk conform de Europese regelgeving verwacht dat hij rekening houdt met de praktijksituatie waarin energieregelaars geplaatst worden.
Naast dit systeemtoezicht vindt in concrete storingsgevallen toetsing plaats waarbij de inzet van dwingende bevoegdheden van Agentschap Telecom aan de orde is als die situatie dat vereist op grond van onacceptabele storing op vitale radionetwerken, zoals C2000 (zie ook het antwoord op vraag 3).
Gelet op het cumulatieve karakter van straling van zonnepanelen en het bijbehorende risico, gelden er normen voor het stralingsniveau van zonneweides? Zo ja, wordt hier toezicht op gehouden? Zo nee, waarom gelden deze normen niet? In hoeverre is het mogelijk om op een ander niveau straling te laten meten, namelijk van zonneweides in plaats van individuele panelen en daar normen voor op te stellen?
Ook zonneweides vallen onder de EMC richtlijn. Agentschap Telecom houdt hier toezicht op. Uit metingen van het agentschap blijkt dat de stralingsemissies van zonneweides beperkt zijn. Storingsproblemen worden vooral veroorzaakt door middelgrote installaties (50–5000 zonnepanelen) en niet door zonneweides. Oorzaak van deze storingen zijn energieregelaars in zonnepaneelinstallaties die niet aan de EMC normen voldoen. Deze energieregelaars worden niet toegepast in zonneweides.
Daarnaast draagt een onjuiste installatie van zonnepanelen en componenten bij aan het optreden van storingen.
Bent u bereid om op de korte termijn, gezien het toenemend risico op storingen als gevolg van het groeiend aantal zonneweides en andere technologische en digitale ontwikkelingen, samen met Agentschap Telecom in gesprek te gaan met producenten van zonnepanelen en andere betrokken sectoren en maatregelen te nemen om risico’s te mitigeren? Zo ja, kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de te nemen stappen? Zo nee, waarom niet?
Agentschap Telecom heeft verschillende marktpartijen actief benaderd om meer inzicht te krijgen in de onderliggende oorzaken van storingen. Geraadpleegd zijn opdrachtgevers, groothandels, installateurs, kennis- en opleidingsinstituten en brancheorganisaties. Op basis van die uitkomsten heeft Agentschap Telecom oplossingsrichtingen aangedragen aan de betreffende marktpartijen met het oogmerk om hinder te minimaliseren en storingen te voorkomen. Agentschap Telecom vraagt daarom aandacht voor het storingsarm installeren van zonnepaneelinstallaties op haar websites en actief op events/bijeenkomsten van de zonnepanelenbranche.
Daarnaast voert het agentschap geregeld, zo ook nu, onderzoek uit naar de conformiteit van energieregelaars. Onderzocht wordt of de regelaars van de zonnepanelen voldoen aan de Europese eisen. Als dit niet het geval is, neemt Agentschap Telecom de nodige maatregelen om de non-conforme apparaten te weren van de Europese markt en, wanneer nodig, terug te laten roepen dan wel andere sancties op te leggen. In het geval van storingen bij C2000 is dit ook gebeurd. Het resultaat daarvan is dat de verstoorder samen met de beheerder van C2000 de storingen aan het oplossen is. Agentschap Telecom ziet daarop toe vanuit de opgelegde maatregelen.
Het bericht ‘Brandweer ontbeert oefenruimte tunnel- en flatbranden: ‘Afreizen naar Zwitserland’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Brandweer ontbeert oefenruimte tunnel- en flatbranden: Afreizen naar Zwitserland»?1
Ja.
Klopt het dat de brandweer levensgevaarlijke incidenten niet optimaal kan oefenen in Nederland?
Veiligheidsregio’s bepalen op basis van het risicoprofiel het oefenprogramma van de brandweer. Bekendheid met lokale omstandigheden is bij dat oefenen van belang. Er wordt onder meer geoefend in bestaande situaties zoals tunnels en hoogbouw. De brandweer is zo voorbereid op optreden bij een tunnel- of flatbrand.
In Nederland zijn echter geen speciale oefenterreinen aanwezig voor dergelijke scenario’s. Als een veiligheidsregio het nodig acht, wordt daarom in het buitenland geoefend, waar voor deze specifieke scenario’s meer mogelijkheden zijn.
Klopt het voorts dat Nederlandse brandweermensen in Zwitserland getraind moeten worden om te kunnen oefenen met incidenten als tunnel- en flatbranden?
Ja, enkele veiligheidsregio’s oefenen ook bij tunnels in Zwitserland. Zij doen dat omdat daar goede extra faciliteiten en veel expertise aanwezig zijn, waaraan zij aanvullend bij het oefenen in eigen land behoefte hebben.
Welke oefeningen zijn volgens u zo specialistisch dat ze niet in Nederland kunnen worden geoefend?
Brandweer Nederland (BN) meldt mij dat oefeningen in grote en complex samengestelde gebouwen, onder, op en hoog boven de grond zo specialistisch zijn dat ze niet in Nederland kunnen worden geoefend. Daarnaast geeft BN aan dat het meer grootschalig oefenen voor natuurbrandbeheersing en bij grootschalige industriële incidenten nauwelijks mogelijk is in Nederland.
Deelt u de mening dat het oefenen van een brand in een flat of in een tunnel in Nederland zou moeten kunnen plaatsvinden, omdat dergelijke branden hier in Nederland goed denkbaar zijn?
Flat- en tunnelbranden worden op locaties in Nederland binnen de geboden mogelijkheden beoefend. Het is daarnaast goed om gebruik te maken van expertise en oefenfaciliteiten elders om zo ruimer ervaring op te doen en ervaringen uit te wisselen. Het is aan de veiligheidsregio’s om dat te bepalen.
Kunt u aangeven om hoeveel trainingen in Zwitserland of in andere landen het zou gaan?
Nee, ik beschik niet over die informatie aangaande het aantal trainingen in Zwitserland of in andere landen. De inrichting van de trainingsprogramma’s is ter bepaling aan de veiligheidsregio’s.
Welke kosten zijn gemoeid met het oefenen in het buitenland, per jaar?
Ik beschik niet over gegevens betreffende de kosten voor veiligheidsregio’s van trainingen in het buitenland.
Worden de kosten doorberekend als gebruik zou worden gemaakt van oefenterreinen van Defensie of de politie? Zo ja, wat zijn de kosten per jaar?
De oefenterreinen van Defensie of de politie worden niet gebruikt. Het vraagstuk van doorberekening speelt hier derhalve niet.
Waarom wordt er bij deze trainingen geen gebruikgemaakt van oefenlocaties van Defensie? Wat staat hier in de weg?
Brandweer Nederland meldt mij dat de oefenterreinen van Defensie en politie ongeschikt zijn voor de brandweer, omdat ze geen objecten bevatten die aan de binnen- of buitenzijde in brand mogen worden gezet.