Overlastgevers in Ter Apel. |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het aantal plaatsen in de procesbeschikbaarheidslocatie (pbl) in Ter Apel op dit moment? Klopt het dat er op dit moment slechts vijf plaatsen beschikbaar zijn? Vindt u dit zelf voldoende? Op welke termijn kunnen we hier meer van verwachten?
De procesbeschikbaarheidslocatie is een onderdeel van de pilot procesbeschikbaarheidsaanpak. Het doel van deze pilot is het versneld afhandelen van asielaanvragen die op basis van het land van herkomst van de aanvrager als «kansarm» worden ingeschat. Daarnaast zijn er binnen de pilot mogelijkheden om een strikter regime toe te passen op het moment dat de aanvrager zich niet aan de afspraken houdt of overlastgevend gedrag laat zien. Dit zijn de inhuisregistratie, de verscherpt toezichtslocatie, de de procesbeschikbaarheidslocatie, de handhavings- en toezichtslocatie en vreemdelingenbewaring. De verscherpt toezichtslocatie heeft 75 plekken. De procesbeschikbaarheidslocatie is gestart met vijf plaatsen in juli 2025. Bij aanvang is afgesproken dat er méér mensen kunnen worden geplaatst indien hier aanleiding toe is. Het is daarmee niet zo dat maximaal 5 personen op de pbl kunnen worden geplaatst.
Momenteel zien we dat veel overlast veroorzaakt wordt door groepen mensen die niet in de pbl kunnen worden geplaatst, zoals mensen met een Dublinclaim en minderjarige asielzoekers. De pbl is erop gericht om asielzoekers versneld af te handelen (binnen 4 weken). Mensen met een Dublinclaim kunnen niet in de pbl geplaatst worden, omdat het doorlopen van hun procedure langer dan vier weken duurt. Daarom is momenteel het aantal pbl plaatsingen beperkt. De Dublinclaimanten die overlast veroorzaken, zoals een winkeldiefstal, worden in de verscherpt toezicht locatie (vtl) geplaatst. Daarnaast heeft het verspreiden van mensen met een Dublinclaim prioriteit. De werking van de pilot procesbeschikbaarheidsaanpak wordt de komende tijd met de keten geëvalueerd. Hierbij wordt ook het aantal plekken betrokken. Hierover zal ik u het eerste kwartaal van 2026 informeren.
Welke afspraken zijn er met de lokale driehoek in de gemeente Westerwolde gemaakt over de handhaving van het gebiedsgebod op het terrein? Is er al sprake van extra handhavingscapaciteit voor het terrein waarvoor het gebiedsgebod geldt, zoals u vermeldde in uw brief van 2 oktober 2025?1
Op 28 augustus jl. heeft een afvaardiging van het ministerie en de asielketen deelgenomen aan het overleg met de lokale driehoek in de gemeente Westerwolde. Hierbij is ook de handhaving aan de orde gekomen. Op basis van dit overleg is onderzocht of extra capaciteit van politie en extra inzet van boa’s mogelijk is. Mijn ministerie heeft hierbij toegezegd om extra boa’s te leveren aan gemeente Westerwolde die ingezet kunnen worden in Ter Apel. Voor de handhaving van het gebiedsgebod geldt dat de politie altijd onderzoekt of vreemdelingenbewaring opportuun is als iemand buiten het gebied staande wordt gehouden door bevoegd gezag.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het doorplaatsen van overlastgevende asielzoekers met een Dublinclaim naar opvanglocaties (zo nodig met extra beveiliging) buiten Ter Apel? In hoeverre gebeurt dit nu structureel? Als dit niet structureel gebeurt, waarom niet?
Ik heb aan de keten opdracht gegeven om het aantal mensen met een Dublinclaim in Ter Apel naar beneden te krijgen. Hier wordt prioriteit aan gegeven. De afgelopen periode bleek dat Dublinclaimanten weliswaar doorgeplaatst worden, maar dat door de instroom van nieuwe aanvragers de bezetting relatief stabiel blijft. Belangrijk knelpunt bij het doorplaatsen van méér Dublinclaimanten is de krapte in de opvangcapaciteit. Verder wordt voor Dublinclaimanten die overlast geven ingezet op een persoonsgerichte aanpak en er wordt ingezet op inbewaringstelling.
Levert het overplaatsen van deze groep overlastplegers nu een oplossing voor inwoners en ondernemers in Ter Apel, die regelmatig met veelplegers uit deze groep te maken krijgen, die vaak na enkele uren alweer op straat staan? Zo nee, wat bent u van plan hier wel aan te doen?
Inbewaringstelling en het meer evenredig verdelen van Dublinclaimanten over het land leidt er toe dat de overlast die inwoners en ondernemers in Ter Apel ervaren minder wordt. Daarom wordt hard gewerkt aan het vergroten van de opvangcapaciteit in Nederland en het zoveel mogelijk doorplaatsen van deze groep. Mijn ministerie heeft regelmatig gesprekken met ondernemers over de aanpak van de overlast en de schade.
Is het de bedoeling om ook minderjarige overlastgevers door te plaatsen naar opvanglocaties buiten Ter Apel? Zo nee, welke oplossing is er dan voor deze overlastgevende groep, die ook door ondernemers en inwoners vaak alweer na korte tijd op straat gezien worden?
De insteek is dat amv-ers kort in Ter Apel blijven na hun komst in Nederland. Het is dus de bedoeling dat amv-ers snel worden doorgeplaatst uit Ter Apel om hun procedure te doorlopen in andere locaties in het land. Dat geldt ook voor overlastgevende amv-ers. Voor deze groep zijn in het land alternatieve opvangvormen beschikbaar die intensiever inzetten op de begeleiding zoals de Perspectief Opvang Nidos en intensieve begeleiding amv. (zie antwoord bij vraag 6).
Is (een vorm van) perspectiefopvang zoals deze eerder door Nidos werd opgezet (kleinschalig, intensieve begeleiding door medewerkers met veel ervaring met deze groep) een oplossing voor de plaatsing van minderjarige overlastgevers uit Ter Apel (of andere opvang)? Zo nee, waarom niet?
Een vorm van perspectiefopvang, zoals eerder door Nidos opgezet, kan bijdragen aan een oplossing. Nidos werkt nauw samen met gemeenten om geschikte locaties voor de Perspectief Opvang Nidos te identificeren en de capaciteit uit te breiden waar mogelijk. Daarnaast is het COA begin 2025 gestart met de pilot locatie iba: intensieve begeleiding amv. De doelgroep bestaat uit amv met zorgelijk gedrag, waarvan wordt ingeschat dat er een specifieke hulp- of begeleidingsvraag aan ten grondslag ligt.
Zijn er voldoende van dit soort (zie vraag2 opvanglocaties beschikbaar? Wat doet het kabinet om hiervoor te zorgen?
Het kabinet zet, in samenwerking met Nidos en het COA, in op het uitbreiden van de opvangcapaciteit en het vinden van geschikte locaties om deze vorm van begeleiding breder beschikbaar te maken
De beslisnota bij Terugkeerondersteuning Syrië |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
De vertrekpremie voor Syrische migranten is tijdelijk verhoogd van maximaal € 2.815,– per volwassene naar € 5.000,– per volwassene; hoe is dit bedrag tot stand gekomen?
Het bedrag van € 5.000 per volwassene is gebaseerd op de eerdere ervaring die is opgedaan met de terugkeer van derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne. Ook voor die groep gold destijds een herintegratiebedrag van € 5.000. Onder dat beleid zijn toen ongeveer 1.000 personen teruggekeerd.
Deelt u de mening dat uitreizigers die gebruik hebben gemaakt van een vertrekpremie in de toekomst geen asiel of verblijfsvergunning meer mogen krijgen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, erkent u dan dat het voor Syriërs zeer aanlokkelijk zal zijn om de vertrekpremie in ontvangst te nemen en dan opnieuw asiel aan te vragen in Nederland?
Bent u bereid om waarborgen in te stellen opdat Syrische inreizigers die gebruik hebben gemaakt van een vertrekpremie onmiddellijk kunnen worden herkend en tegengehouden aan de grens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Bent u bereid om biometrische kenmerken, zoals een irisscan en vingerafdrukken, vast te leggen, om inreizigers die gebruik hebben gemaakt van een vertrekpremie te kunnen herkennen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kan hier technisch invulling aan worden gegeven?
Deelt u de mening dat de Terugkeerondersteuning ook zou moeten worden geboden aan andere migrantengroepen, gezien u in de beslisnota vermeldt dat deze regeling kostenbesparend is voor het Rijk? Zo nee, waarom niet?
Personen die geen recht (meer) hebben op verblijf in Nederland moeten Nederland verlaten. Er wordt vanuit gegaan dat personen zelfstandig vertrekken. Om dit mogelijk te maken en te stimuleren biedt de Nederlandse overheid reeds sinds 2007 naast vertrekondersteuning ook herintegratieondersteuning aan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ik heb de vragen zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord. Daar waar het logischer was om de beantwoording samen te pakken heb ik dat gedaan.
De publicatie 'Understanding Anti-Christian Hate Crimes and Addressing the Security Needs of Christian Communities' |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op de publicatie «Understanding Anti-Christian Hate Crimes and Addressing the Security Needs of Christian Communities» van het OSCE Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR)?1
Het kabinet verwelkomt de ODIHR-publicatie «Understanding Anti-Christian Hate Crimes and Addressing the Security Needs of Christian Communities». De publicatie laat duidelijk zien dat anti-christelijke incidenten – variërend van vernieling tot bedreiging en geweld – ernstige gevolgen hebben voor de veiligheid en vrijheidsbeleving van christelijke gemeenschappen. Het kabinet onderschrijft het belang dat wordt gehecht aan tijdige signalering, goede registratie, effectieve bescherming, interreligieuze dialoog en slachtoffergerichte ondersteuning. Dit sluit aan bij de Nederlandse mensenrechtenprioriteit gericht op het beschermen en bevorderen van vrijheid van religie en levensovertuiging, waarbij bijzondere aandacht bestaat voor kwetsbare religieuze minderheden, onder wie christenen.
Hoe beoordeelt u het feit dat, sinds het ODIHR begon met rapporteren over anti-christelijke haatmisdrijven, incidenten uit meer dan dertig OSCE-landen zijn gerapporteerd? Meent u dat er voldoende aandacht is voor het aanpakken van anti-christelijke haatmisdrijven, zowel op nationaal als internationaal niveau?
Het feit dat ODIHR meldingen van anti-christelijke incidenten uit meer dan dertig OSCE-landen registreert, laat zien dat deze problematiek in verschillende landen speelt en internationale aandacht vereist. Vrijheid van religie en levensovertuiging blijft een kernprioriteit van het Nederlandse mensenrechtenbeleid, met aandacht voor kwetsbare religieuze minderheden, onder wie christenen.
Nederland zet zich daarnaast internationaal actief in om naleving van vrijheid van religie en levensovertuiging te bevorderen en samenwerking met gelijkgezinde landen te versterken. Daarbij ondersteunt Nederland religieuze gemeenschappen via diplomatie, multilaterale fora en gerichte programma’s. Ook brengt Nederland het thema consequent onder de aandacht binnen de VN-Mensenrechtenraad en de EU. Waar nodig worden zorgen rechtstreeks besproken met partnerlanden en in andere internationale gremia, mede ondersteund door de inzet van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de mensenrechtenambassadeur.
Welke lessen trekt u in het bijzonder uit deze publicatie voor de nationale situatie? Kunt u concreet aangeven welke opvolging u aan aanbevelingen uit de publicatie geeft?
Iedereen die zich in Nederland bevindt kan met ervaringen en klachten over discriminatie op grond van religie terecht bij lokale antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s), de politie of bij het College voor de Rechten van de Mens. Het aantal meldingen over discriminatie op grond van religie is bij deze instanties laag. Gelet op het geringe aantal meldingen geven deze instanties geen aparte cijfers over discriminatie van bijvoorbeeld christenen. Dit gebeurt wel bij de cijfers van het Meldpunt Online Discriminatie. Daaruit blijkt dat in 2024 discriminatie van christenen 3% van het aantal meldingen betrof van discriminatie op grond van geloof.2 Vanwege het geringe aantal meldingen is er op dit moment geen specifiek beleid om discriminatie van christenen tegen te gaan. Indien blijkt dat het aantal meldingen van discriminatie van christenen in de komende jaren stijgt, dan kan daarop passende actie volgen.
In het kader van de stelselherziening van de ADV’s werkt de Minister van BZK aan brede publiekscommunicatie ter verhoging van de meldingstoegankelijkheid van iedere vorm van discriminatie. Die communicatie heeft tot doel om burgers gemakkelijker hun weg te laten vinden naar een ADV, waar ze melding kunnen maken van discriminatie en terecht kunnen voor advies en bijstand. Bij het voorbereiden van die campagne werkt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties samen met uiteenlopende stakeholders uit het maatschappelijk middenveld. Daarvoor liet hij een vooronderzoek doen: Van ervaren tot melden: motivaties en barrières bij discriminatie melden | Rapport | Rijksoverheid.nl. Dit onderzoek biedt de uitgangspunten voor de strategie van de publiekscommunicatie. De ontwikkeling van de communicatie is beoogd voor het eerste kwartaal van 2026.
Ziet u ook in Nederland intolerantie jegens christenen? Op welke manier geeft u opvolging aan de aanbeveling om bewustwordingscampagnes en activiteiten te ontwikkelen en te implementeren om bewustwording en begrip van de intolerantie jegens christenen te vergroten?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier draagt u bij aan het opbouwen van vertrouwen tussen christelijke gemeenschappen en overheden? Ziet u dat dat vertrouwen toeneemt? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat is daarvan de oorzaak en welke concrete stappen zet u om het vertrouwen te vergroten?
Door haatmisdrijven goed te monitoren, prioriteit te geven aan de vervolging ervan en daders harder te straffen, streeft het kabinet naar een samenleving waar eenieder, ook christenen, vrijelijk hun religie en identiteit kunnen belijden en uiten.
De Minister van Justitie en Veiligheid is tevens Minister van Eredienst. In die hoedanigheid onderhoudt hij periodiek contact met religieuze (koepel)organisaties, waaronder het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, met als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen het Rijk en deze organisaties. Hier kunnen onder meer zorgen ten aanzien van intolerantie tegen christenen ter sprake komen. Op deze manier wordt aan vertrouwen gebouwd.
Deelt u de constatering dat er onderraportage en onderregistratie plaatsvindt van (anti-christelijke) haatmisdrijven? Geldt dat ook voor Nederland? Welke concrete stappen zet u, in lijn met de aanbevelingen, om het aantal haatmisdrijven beter in beeld te krijgen?
Het is bekend dat niet alle mensen die discriminatie ervaren dit ook melden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de Veiligheidsmonitor 2023 van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het is gewenst dat meer mensen hun discriminatie ervaringen melden en zo nodig aangifte doen. Hierdoor kunnen individuen die discriminatie ervaren tijdig adequate ondersteuning krijgen en kunnen gemeenten en het Rijk hun beleid daarop afstemmen. Het kabinet zet zich op meerdere vlakken in om onderrapportage en onder registratie te verbeteren. Zo hebben aangiftes van discriminatie prioriteit bij politie en het Openbaar Ministerie en wordt het stelsel van gemeentelijke anti-discriminatievoorzieningen herzien, zodat burgers die discriminatie ervaren dit eenvoudig kunnen melden.
Op welke manier vraagt u op internationaal niveau aandacht voor anti-christelijke haatmisdrijven, ook in landen waar christenvervolging niet of minder aanwezig lijkt te zijn? Is dit regelmatig onderdeel van gesprek? Zo nee, bent u bereid om hier meer aandacht aan te geven in uw bilaterale contacten?
Het kabinet vraagt structureel aandacht voor religieus gemotiveerde haatmisdrijven, ook waar christelijke personen of gemeenschappen worden geraakt. Dit gebeurt onder meer binnen de VN-Mensenrechtenraad en de EU, alsmede via internationale samenwerkingsverbanden zoals de International Religious Freedom and Belief Alliance. In dat kader brengt Nederland ook concrete situaties onder de aandacht, bijvoorbeeld in landen waar christelijke gemeenschappen onder druk staan, zoals Nigeria, Pakistan en Syrië. De Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging onderhoudt daarnaast nauw contact met relevante maatschappelijke organisaties en spreekt partnerlanden waar nodig aan op incidenten en zorgelijke ontwikkelingen.
Ook in landen waar het risico minder zichtbaar lijkt, blijft Nederland alert op signalen van discriminatie en geweld. Diplomatieke posten volgen ontwikkelingen nauwgezet en kaarten deze waar nodig bilateraal aan. Aandacht voor de positie van christelijke gemeenschappen maakt deel uit van de bredere inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen. Waar passend wordt dit onderwerp ook in bilaterale contacten verder geagendeerd.
Christenvervolging in Afrika |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de voortdurende aanvallen op christelijke dorpen in Nigeria, zoals de recente moord op dertien christenen in de deelstaat Plateau?1
Ja.
Erkent u dat het belangrijk is om de religieuze dimensie van dergelijke moordpartijen te onderkennen en deze niet te versmallen tot spanningen en conflicten over lokale machtsverhoudingen? Hoe vertaalt dit zich in het Nederlandse beleid?
Het kabinet erkent de religieuze dimensie van deze aanvallen. Naast religie en etniciteit heeft het conflict meerdere dimensies, waaronder klimaatverandering, armoede en een afwezige overheid. Uiteraard heeft het kabinet hierbij ook oog voor de positie van christenen.
Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de vijf prioriteiten in het mensenrechtenbeleid en een belangrijke pijler in de Nederlandse inzet in Nigeria. Nederland ondersteunt in Nigeria verschillende maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor interreligieuze dialoog en conflictpreventie.
Welke bilaterale contacten heeft u de afgelopen maanden gehad met de Nigeriaanse overheid om daarin op te roepen om de christelijke gemeenschappen te beschermen, straffeloosheid tegen te gaan en berechting van de daders te bevorderen?
Nederland zet zich in bilaterale contacten blijvend in voor conflictpreventie en bescherming van burgers in Nigeria. Zo is deze zorg ook consistent overgebracht in gesprekken in de afgelopen maanden. Tijdens zijn bezoek aan Nigeria in mei 2025 heeft de Mensenrechtenambassadeur uitgebreid aandacht besteed aan het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in contacten met overheid, religieuze leiders en maatschappelijke organisaties.
Bent u bereid om de diplomatieke en humanitaire inspanningen te intensiveren?
Nederland volgt de situatie in Nigeria nauwlettend en bekijkt voortdurend hoe onze inzet te verbeteren op conflictpreventie, stabiliteit en vrijheid van religie en levensovertuiging binnen de beschikbare middelen. Verder vindt binnenkort een politieke dialoog plaats met vertegenwoordigers van de Nigeriaanse overheid, waarbij ook deze kwestie aan de orde zal worden gebracht.
Bent u bijvoorbeeld bereid om in eigen persoon bij de Nigeriaanse overheid aandacht te vragen voor betere bescherming van christenen?
De Minister-President heeft in recent contact de Nigeriaanse overheid opgeroepen tot betere bescherming van haar burgers, waaronder christenen. Het kabinet blijft mensenrechten, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging, stelselmatig aan de orde stellen in de brede bilaterale dialoog met Nigeria en in multilaterale context op alle mogelijke niveaus.
Kunt u aangeven hoe het kabinet opvolging heeft gegeven aan de motie van het lid Ceder c.s. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2254) om zich in te zetten voor gerichte EU-maatregelen ter ondersteuning van religieuze minderheden, waaronder diplomatieke druk, veiligheidsmaatregelen en humanitaire hulp aan getroffen gemeenschappen in Nigeria?
Het kabinet is voornemens dit onderwerp dit jaar nog op te brengen in het Politiek en Veiligheidscomité waar mensenrechten gerelateerde onderwerpen centraal staan. Ook tijdens de aankomende EU-AU top is Nederland van plan dit thema te benoemen. Het kabinet zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Bent u bereid opnieuw via de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel aan te dringen op spoedige aanstelling van de nieuwe EU-Speciaal Gezant Godsdienstvrijheid?
Nederland blijft dit onderwerp consequent aankaarten in EU-verband, onder meer via de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel. In juni heeft mijn voorganger dit punt ook nog besproken met mevrouw Kallas, Hoge Vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken. Het kabinet blijft aandringen op een spoedige invulling van de functie, gezien het belang van een consistente en zichtbare Europese inzet op dit terrein.
Kunt u aangeven wat de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging in de afgelopen periode heeft gedaan om geweld tegen christenen in Nigeria, maar ook christenvervolging in andere landen in Sub-Sahara-Afrika diplomatiek aan te kaarten?
De Speciaal Gezant volgt de situatie in Nigeria en andere landen in Sub-Sahara-Afrika nauwgezet en zet zich actief in voor de bescherming van religieuze minderheden, waaronder christenen. Nederland vraagt in multilaterale fora, zoals de VN-Mensenrechtenraad, aandacht voor religieus geweld en roept op tot betere bescherming van kwetsbare groepen, waaronder in Nigeria.
Daarnaast onderhoudt de Speciaal Gezant structureel contact met ngo’s en religieuze organisaties en werkt nauw samen met gelijkgezinde landen, onder meer via de International Religious Freedom or Belief Alliance om de situatie in Nigeria en andere landen in Sub-Sahara-Afrika aan te kaarten. Ook heeft de Mensenrechtenambassadeur tijdens zijn bezoek aan Nigeria op 22 en 23 mei jl. specifiek aandacht besteed aan de positie van o.a. christenen en religieuze minderheden.
Erkent u dat de moord op duizenden christen in Nigeria en omliggende landen te weinig diplomatieke aandacht krijgt? Bent u bereid om het tegengaan van de christenvervolging in de Sub-Sahara-Afrika meer prioriteit te geven in Europese en internationale gremia?
Het kabinet blijft de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in Nigeria en Sub-Sahara-Afrika nauwlettend volgen en aan de orde stellen.
De Nigeriaanse regering wordt door Nederland, de EU en internationale organisaties zoals de VN-Mensenrechtenraad met regelmaat bevraagd en aangesproken over de situatie van de rechten van de mens, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging, en de noodzaak betere bescherming te bieden aan burgers. Het kabinet zal deze inzet onverminderd voortzetten en ook in Europees en internationale gremia blijven pleiten voor deze rechten, en aandacht voor de situatie van christenen en andere religieuze minderheden.
Aanvallen van Hamas op Palestijnen in Gaza |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Klopt het dat Hamas sinds en rond het ingaan van het staakt-het-vuren de aanval heeft geopend op meerdere Palestijnen in de wijk Sabra in Gaza-stad en meerdere Palestijnen heeft geëxecuteerd? Hoeveel mensen zijn hierbij omgekomen?
Na het ingaan van het staakt-het-vuren keerde Hamas zichtbaar terug op straat in Gaza. Op sociale media circuleren beelden waarop te zien is hoe acht geblinddoekte mannen in Gaza-stad worden geëxecuteerd. Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de exacte aantallen mensen die zijn geëxecuteerd. Het lijkt echter te gaan om tientallen executies. Onder druk van bemiddelende partijen bij het staakt-het-vuren zijn de executies op deze publieke wijze gestopt.
Klopt het dat Hamas-strijders zich bij deze aanval verschuilden in ambulances? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dat? Is deze tactiek in de afgelopen twee jaar vaker ingezet?
Het kabinet kan dit specifieke incident niet eigenstandig verifiëren. In algemene zin veroordeelt het kabinet uiteraard dergelijk misbruik van civiele (hulp)middelen door Hamas.
Bent u bekend met de gezamenlijke oproep van de clans in Gaza?1 Hoe beoordeelt u deze oproep?
Het kabinet heeft deze oproep niet kunnen verifiëren.
Klopt het dat de woordvoerder van de veiligheidstroepen van de Palestijnse Autoriteit de uitspraak heeft gedaan dat Hamas nu de basis legt voor een burgeroorlog in Gaza?2 Hoe beoordeelt u deze uitspraak?
Woordvoerder Anwar Rajab heeft inderdaad een dergelijke uitspraak gedaan. Het kabinet deelt de opvatting dat Hamas het grootste obstakel vormt voor de implementatie van het vredesplan van president Trump. De ontwapening en ontmanteling van Hamas zijn dan ook cruciaal om orde en veiligheid in de Gazastrook te bewerkstelligen. Uit mijn recente gesprekken met mijn collega’s uit de regio maak ik op dat deze zienswijze breed binnen de regio wordt gedeeld.
Kan het kabinet zich in internationaal verband inzetten voor de veiligheid van onder andere de Dughmush clan en voorkomen dat buitengerechtelijke executies plaatsvinden? Hoe kan het kabinet in internationaal verband de veiligheid van verschillende clans, minderheden en Palestijnen in het algemeen in Gaza aankaarten?
Het belangrijkste voor het bijdragen aan de bescherming van de burgerbevolking in Gaza is dat het staakt-het-vuren standhoudt, en dat er zicht komt op een duurzame oplossing van het conflict. Het vredesplan dat op 13 oktober is ondertekend biedt daarvoor nu momentum. Het is zaak dat er afspraken worden gemaakt over de volgende fases van het plan: o.a. de totstandkoming van een internationaal ondersteund en technocratisch overgangsbestuur in Gaza en de ontwapening van Hamas. Dit zal niet gemakkelijk zijn. De inspanningen van het kabinet zijn erop gericht dit plan te laten slagen. Hiervoor bracht ik begin november een bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden. Daar sprak ik onder meer de Amerikaanse Generaal Frank die leiding geeft aan het Civil Military Coordination Center(CMCC). Dit centrum is opgezet om de implementatie van het vredesplan van Trump te ondersteunen. Het kabinet plaatst twee tijdelijke civiele experts bij dit centrum. Daarnaast draagt het kabinet bij aan de EU missies EUBAM Rafah en EUPOL COPPS, en werkt het in EU-verband aan sancties tegen Hamas. Ook heeft het kabinet sinds 7 oktober 2025 zo’n EUR 94 miljoen beschikbaar gesteld specifiek voor humanitaire hulp aan de Gazastrook, en EUR 25 miljoen voor het versterken van medische capaciteit in Gaza en de omliggende landen. Tot slot kijkt het kabinet hoe het kan bijdragen aan de wederopbouw van de Gazastrook. Zo zal Nederland samen met een aantal andere landen mede-gastheer zijn van een conferentie in Kaïro over dit onderwerp.
In hoeverre heeft deze situatie invloed op het Amerikaanse vredesplan en de stabiliteit in Gaza?
Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2025?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De erkenning van de Armeense genocide |
|
Isa Kahraman (NSC), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de kabinetsbrief van 25 april 2025 (Kamerstuk 36 600 V, nr. 70), waarin het kabinet stelt dat voor Armenië «het vredesproces met Azerbeidzjan en het normalisatieproces met Turkije de hoogste prioriteiten [zijn] in zijn buitenlandse beleid»? Herinnert u zich ook dat het kabinet schreef dat «Nederland de verbetering van relaties in de regio door Armenië niet [wil] hinderen doordat Nederland zodanige diplomatieke effecten oproept dat deze nadelig kunnen uitwerken op de belangen van Armenië, landen in zijn regio of Nederland zelf»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat in augustus Armenië en Azerbeidzjan een vredesovereenkomst hebben getekend? Bent u er ook van op de hoogte dat op het gebied van het normalisatieproces tussen Armenië en Turkije er goede vorderingen worden gemaakt?
In augustus heeft een trilateraal overleg in Washington plaatsgevonden waar premier Pashinyan en president Aliyev het vredesverdrag hebben geparafeerd. Het vredesverdrag is daarmee nog niet getekend. Het kabinet ziet voorts voorzichtig positieve stappen ten aanzien van het normalisatieproces tussen Armenië en Turkije.
Herinnert u zich dat meerdere moties de regering hebben opgeroepen niet meer te spreken over de «kwestie» van de Armeense genocide? Hoe voert het kabinet, nu de vredesovereenkomst is getekend, de motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3122) uit?
Het vredesproces is nog niet afgerond daar het verdrag nog niet is getekend.
Bent u zich ervan bewust dat de Kamer met deze motie-Ceder c.s. niet oproept tot een juridische erkenning (wat ook niet mogelijk is, omdat het Genocideverdrag uit 1948 geen retroactiviteit kent), maar tot een historisch morele erkenning, zoals Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg, de Verenigde Staten en andere landen al hebben gedaan?
De motie vraagt om voortaan te spreken van de Armeense genocide. Het kabinet houdt voor het begrip «genocide» de juridische definitie uit het Genocideverdrag aan en gebruikt het woord genocide niet in een andere context.
Herinnert u zich dat het kabinet in de eerdergenoemde brief ook schreef dat, «juíst als verdediger van het internationaal recht, de Nederlandse regering het mogelijke gebruik van zwaarwegende juridische kwalificaties zeer zorgvuldig [hoort] te verkennen»?
Ja.
Ziet u de overige landen van de Benelux niet als verdedigers van het internationaal recht? Hoe weegt u de uiting dat hier sprake zou zijn van een zwaarwegende juridische kwalificatie, terwijl dit om een gebeurtenis gaat voordat het Genocideverdrag ondertekend was en dit verdrag geen retroactiviteit noch juridische erkenning en rechtsgevolgen kent en een historisch-morele benadering heel goed mogelijk is, zoals andere landen hebben laten zien?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of andere landen kunnen worden aangemerkt als verdedigers van het internationaal recht. Het kabinet hanteert één kwalificatie van genocide en dat is de juridische definitie zoals gesteld in het Genocideverdrag.
Ziet u Frankrijk, de Verenigde Staten en Duitsland niet als verdedigers van het internationaal recht? Hoe weegt u de uiting dat hier sprake zou zijn van een zwaarwegende juridische kwalificatie, terwijl uit erkenning noch een juridische status, noch rechtsgevolgen vloeien, maar slechts een historisch-morele erkenning?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of andere landen kunnen worden aangemerkt als verdedigers van het internationaal recht. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Kunt u ontkrachten dat het kabinet bang is voor de Turkse reactie en mogelijke gevolgen? Indien u dit niet kunt, voor welke gevolgen vreest het kabinet? Waarom hebben gelijkgezinde landen de Armeense genocide dan wel al erkend? Acht u de vrees voor een Turkse reactie zwaarwegender, dan de wens die de Kamer veelvuldig, in verschillende samenstellingen, heeft geuit?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de beweegredenen van andere landen met betrekking tot deze kwestie. Nederland steunt de Armeense ambities en inspanningen om de stabiliteit in de zuidelijke Kaukasus te bevorderen, mede door de relaties met buurlanden Azerbeidzjan en Turkije te verbeteren. Nederland wil deze inzet van Armenië niet hinderen.
Kunt u bevestigen dat het kabinet aan het verzoek van de bijna unaniem aangenomen motie-Ceder c.s., om voortaan niet meer over «de kwestie» te spreken, met het beantwoorden van deze brief heeft voldaan? Zo niet, waarom niet?
Nee. Zoals in de brief van afgelopen april vermeld staat, houdt het kabinet vast aan «de kwestie van de Armeense genocide». Het kabinet ziet positieve ontwikkelingen ten aanzien van de relaties tussen deze landen. Tegelijkertijd constateert het kabinet dat zowel het vredesproces met Azerbeidzjan als het normalisatieproces met Turkije zich nog in een precaire fase bevinden.
Kunnen deze vragen één voor één worden beantwoord en voor aanvang van het debat over de Europese top van 23 en 24 oktober?
De vraag zijn één op één beantwoord en zo snel mogelijk naar de Kamer gestuurd.
De antiregeringsprotesten in Georgië |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recente grootschalige demonstraties en arrestaties in Tbilisi?
Ja.
Bent u het eens dat wij als Nederland en Europa alles moeten doen wat in onze macht ligt om alle burgers op ons continent te beschermen tegen democratische afbrokkeling en invloed vanuit Rusland?
De agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne en de destabiliserende invloed van Rusland in landen aan zijn grenzen vormen een grote dreiging voor de Europese veiligheid en democratie. Het bestendigen van de democratische rechtstaat in deze landen is een prioriteit voor het kabinet. Via de MATRA en mensenrechten instrumenten ondersteunt Nederland landen die grenzen aan de EU in het versterken van de eigen democratische en rechtsstaatinstituties en respect voor mensenrechten. De betreffende programma’s dragen bij aan de stabiliteit in deze landen en het beperken van Russische beïnvloeding. Daarnaast zet het kabinet in op het versterken van de weerbaarheid van deze landen door middel van ondersteuning in het tegengaan van hybride dreigingen, zoals recentelijk in aanloop naar de verkiezingen in Moldavië.
Deelt u de opvatting van uw voorganger, de heer Veldkamp, dat Nederland niet moet aarzelen om alle unilaterale en multilaterale middelen in te zetten wanneer de Georgische autoriteiten doorgaan met het ondermijnen van de democratie en het schenden van mensenrechten?
De situatie in Georgië is zeer verontrustend. Het kabinet heeft dan ook verschillende unilaterale en multilaterale middelen ingezet om de situatie in Georgië te adresseren. Zo zijn samenwerkingsprogramma’s met de Georgische autoriteiten opgeschort, zoals Georgische deelname aan het MATRA Rule of Law trainingsprogramma, en zijn politieke en hoogambtelijke contacten afgeschaald. Ook heeft Nederland het Weens Mechanisme binnen de OVSE geïnitieerd. Op basis van dit mechanisme hebben 38 OVSE-landen Georgië kritisch bevraagd over de mensenrechtensituatie in het land en hebben de Georgische autoriteiten hierover verantwoording moeten afleggen.
Ook in Europees kader zijn verschillende maatregelen genomen. Zo is EU projectsteun die direct ten goede kwam aan de Georgische begroting of bestond uit technische assistentie aan de regering ter waarde van EUR 120 miljoen stopgezet, evenals EUR 30 miljoen binnen de Europese Vredesfaciliteit (EPF) bestemd voor de defensiesector. Op 14 april jl. maakte Nederland, in Benelux-verband, paspoorthouders van een Georgisch diplomatiek of servicepaspoort visumplichtig, nadat de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken eerder dit jaar de visumfacilitatieovereenkomst gedeeltelijk opschortte. Binnen de Raad worden gesprekken gevoerd over activatie van het visumopschortingsmechanisme. Het kabinet steunt de activering van dit mechanisme voor Georgië, zodra de herziening hiervan rond is. Ook blijft het kabinet in EU verband inzetten op individuele sancties.
Deelt u de mening dat Nederland, indien Europese consensus over sancties uitblijft, bijvoorbeeld door het optreden van Hongarije, zelfstandig gerichte sancties zou moeten kunnen treffen, net zoals de Baltische staten dat al hebben gedaan?
Op grond van de Sanctiewet 1977 kan Nederland geen zelfstandige sancties opleggen, maar worden sancties uitgevoerd die voortvloeien uit internationale verplichtingen, bijvoorbeeld in VN- of EU-verband. Hoewel het gebruik van juridisch bindende internationale grondslagen de sterke voorkeur heeft van het kabinet, voorziet de Sanctiewet 1977 ook in de mogelijkheid sancties op te leggen als deze voortvloeien uit niet-bindende internationale afspraken.
Een internationale afspraak moet betrekking hebben op de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme. Een gezamenlijke verklaring van Ministers van Buitenlandse Zaken zou als een dergelijke internationale afspraak kunnen gelden. Echter, de gezamenlijke verklaring van Ministers van Buitenlandse Zaken waar deze vraag waarschijnlijk op doelt kan niet als een internationale afspraak gelden om binnen de kaders van de Sanctiewet 1977 sancties te kunnen opleggen, daar deze verklaring onvoldoende concreet is.
Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om de druk op Georgië verder te vergroten, in verband met het geweld tegen demonstranten en journalisten eind 2024. Het kabinet streeft naar het aannemen van maatregelen in Europees verband, mede met het oog op de effectiviteit. Nederland spant zich hier in EU-kader actief voor in binnen de Raad van Minister van Buitenlandse Zaken. Alternatieve wegen hebben dan ook niet de voorkeur van het kabinet.
Bent u bereid te laten onderzoeken of en op welke wijze Nederland binnen de kaders van de Sanctiewet 1977 zelfstandig sancties kan opleggen tegen verantwoordelijken voor democratische ondermijning in Georgië, en daarbij expliciet te betrekken of recente gezamenlijke verklaringen van Ministers van Buitenlandse Zaken als een internationale overeenkomst kunnen gelden?
Zie antwoord vraag 4.
Het massaal doden van straathonden in Marokko voor het WK voetbal |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Rummenie , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Door het WK voetbal van 2030 zijn de straathonden van Marokko nu al vogelvrij»?1
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het krantenartikel waar u op doelt.
Was u ermee bekend dat straathonden in Marokko massaal worden gedood voor het WK voetbal, onder andere door vergiftiging via voedsel of injecties, door doodschieten, doodknuppelen, verbranden of dumpen in massagraven, soms zelfs nog levend?2
Het kabinet heeft dit gelezen in de berichtgeving van de NRC.
Wat ging er door u heen toen u las dat honden bloedend worden achtergelaten, «spartelend en schreeuwen van de pijn, waarna ze wegrotten in de brandende zon»?
Uiteraard vindt het kabinet dat moet worden voorkomen dat dieren gewond raken en pijn lijden.
Heeft u ervan kennisgenomen dat dierenorganisaties alternatieve hulp hebben aangeboden, zoals sterilisatie en vaccinatie, maar dat dit wordt geweigerd door de Marokkaanse regering? Wat vindt u hiervan?
Het staat voorop dat het kabinet vindt dat waar mogelijk diervriendelijke oplossingen moeten worden gezocht voor zwerfdieren. De behandeling van zwerfdieren in Marokko betreft een interne Marokkaanse aangelegenheid. Het kabinet heeft begrepen dat de Marokkaanse autoriteiten vasthouden aan het officiële beleid van vangen-steriliseren-vaccineren en terugzetten.
Heeft u gezien dat de Marokkaanse regering in plaats daarvan werkt aan een nieuwe wet die het strafbaar maakt om voedsel, onderdak of zorg te bieden aan straathonden? Deelt u de mening dat dit volledig ingaat tegen de intrinsieke waarde van dieren? Zo nee, waarom niet?3
Als dat inderdaad het geval is dan zou dat haaks staan op de intrinsieke waarde van dieren zoals we die in Nederland kennen.
Onderschrijft u de conclusie van de World Organisation for Animal Health dat het op grote schaal doden van honden ineffectief is en mogelijk zelfs contraproductief, hetgeen bovendien is bevestigd door de Eurocommissaris voor dierenwelzijn?4, 5
Het op grote schaal ruimen van zwerfhonden kan inderdaad de prevalentie van rabiës/hondsdolheid in de hand werken, omdat het de vaccinatiegraad kan verlagen (doordat gevaccineerde dieren uit de populatie verdwijnen). De WOAH stelt ook dat euthanasie als enige maatregel geen effect heeft, maar dat de zwerfhondenproblematiek alleen kan worden aangepakt door een combinatie van maatregelen gericht op het borgen van diergezondheid, – welzijn en verantwoord houderschap. Het kabinet onderschrijft deze aanpak. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van Kamervragen over straathonden in Turkije (Kamerstuk 2024Z12225) heeft deze gecombineerde aanpak er (waarschijnlijk) toe geleid dat Nederland momenteel vrij is van zwerfhonden.
Bent u bereid om hierover op korte termijn met Marokko, bilateraal of in Europese Unie (EU)-verband, in gesprek te gaan en daarbij het doden van straathonden nadrukkelijk ter discussie te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het betreft hier een interne Marokkaanse aangelegenheid. Het kabinet werd geïnformeerd dat in Marokko onlangs nationale wetgeving werd aangenomen rondom de behandeling en opvang van zwerfhonden en dat er o.a. plannen zouden zijn om vóór het einde van 2025 het aantal opvangcentra voor zwerfhonden uit te breiden.
Bent u bereid om bij de Marokkaanse regering onder de aandacht te brengen hoe de Nederlandse zorgplicht voor dieren is ingericht en daarbij duidelijk te maken dat deze aanpak juist leidt tot minder problemen met straatdieren dan het massaal doden van honden en het criminaliseren van hulp aan deze dieren? Zo nee, waarom niet?
De indruk bestaat bij het kabinet dat de Marokkaanse autoriteiten reeds bekend zijn met de diverse methoden om de overlast van zwerfhonden aan te pakken, waaronder diervriendelijker methoden. Daarnaast is het feit dat Nederland momenteel vrij is van zwerfhonden lastig terug te leiden naar een enkele maatregel als de zorgplicht. Zoals aangegeven bij Vraag 6 is dit waarschijnlijk het gevolg van een combinatie van maatregelen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De humanitaire situatie van de Druzen in Syrië |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente berichten over grootschalige aanvallen op de Druzenbevolking in de Syrische provincie Suwayda, waarbij volgens meldingen duizenden mensen zijn omgekomen en honderdduizenden ontheemd zijn geraakt?
Ik heb kennisgenomen van berichtgeving over de geweldsescalaties in Suweida in juli en augustus jl. De genoemde gebeurtenissen zijn verontrustend. Het is essentieel dat alle gemeenschappen in Syrië worden beschermd, waaronder ook de Druzen.
Klopt het dat Suwayda al maanden onder volledige belegering staat, waardoor voedsel, water, medische zorg en elektriciteit vrijwel niet meer beschikbaar zijn voor de bevolking?
De situatie in Suweida blijft fragiel en onvoorspelbaar met voortdurende spanningen, waarbij een groot gedeelte van de bevolking afhankelijk is van humanitaire hulp. Er zijn aanhoudend incidenten die bijdragen aan instabiliteit, vooral in de rurale gebieden. Dit zorgt voor beperkingen van de bewegingsvrijheid van burgers en hulpverleners. Desondanks bereikten tussen 20 juli en 10 oktober jl. 46 hulpkonvooien Suweida met levensreddende hulp, zoals voedsel, medische hulpmiddelen en brandstof. Daarnaast spannen hulporganisaties zich in om toegang tot essentiële diensten zoals watervoorzieningen en broodproductie te herstellen. De noden blijven vooralsnog hoog en er is een voortdurende behoefte aan meer humanitaire hulp.
Wat weet u over meldingen dat tijdens deze aanvallen vrouwen en meisjes zijn verkracht, ontvoerd en vermoord, en dat tientallen dorpen doelbewust zijn verwoest?
Het kabinet keurt alle vormen van geweld af. Belangrijk is dat wordt vastgesteld wat er precies is voorgevallen in Suweida en wie verantwoordelijk is geweest voor dit geweld. Er zijn twee commissies ingesteld die de geweldsescalatie in Suweida onderzoeken: een Syrische onderzoekscommissie, onder leiding van de Syrische Minister van Justitie, en een onafhankelijke onderzoekscommissie van de Verenigde Naties die ressorteert onder de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic(CoI). Het kabinet volgt nauwlettend de bevindingen van deze onderzoekscommissies.
Klopt het dat er aanwijzingen zijn dat deze aanvallen niet willekeurig zijn, maar onderdeel van een systematische campagne van etnische zuivering gericht tegen religieuze minderheden, waaronder de Druzen en christenen van Suwayda?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van het internationaal humanitair recht en de Conventies van Genève?
Alle partijen bij een gewapend conflict zijn gebonden aan het humanitair oorlogsrecht. Dit betekent onder meer dat de strijdende partijen onderscheid moeten maken tussen burgers en strijders, en tussen militaire doelen en burgerobjecten. Alleen strijders en militaire doelen mogen worden aangevallen.
Het rechtstreeks en doelbewust aanvallen van burgers is in strijd met het humanitair oorlogsrecht. Daarnaast moeten humanitaire hulpverleners ook gerespecteerd en beschermd worden. Signalen van mogelijke aanvallen op burgers zijn zeer ernstig. Zoals eerder beantwoord in vraag 3 en 4 doen verschillende commissies momenteel onderzoek naar de situatie.
Bent u bereid binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Suwayda, en de verantwoordelijken daarvoor ter verantwoording te brengen?
De Commission of Inquiry(CoI) heeft op 15 juli jl. bevestigd de gebeurtenissen in Suweida te onderzoeken. Het onderzoek is gaande en het rapport moet nog worden gepubliceerd. In dat licht verwelkomt het kabinet ook de samenwerking van Syrische overgangsautoriteiten met de CoI met betrekking tot de gewelddadigheden in Suweida. Nederland blijft zowel in multilateraal verband als in contacten met de Syrische overgangsautoriteiten het belang van dit onafhankelijke onderzoek benadrukken.
Ook de door Syrië opgerichte nationale commissie heeft aangegeven een onderzoek naar de gewelddadigheden in te stellen. Deze commissie werd op 31 juli ingesteld door de Syrische Minister van Justitie met een mandaat van drie maanden, bestaande uit zeven leden, waaronder rechters, advocaten en een militair. Tot op heden heeft de commissie nog geen conclusies bekendgemaakt, en het is nog onbekend of deze commissie haar bevindingen publiekelijk zal delen. Nederland blijft aandringen op het belang van openbaarmaking van de uitkomsten van dit onderzoek.
Ziet u mogelijkheden om, eventueel via internationale partners of hulporganisaties, bij te dragen aan de totstandkoming van een humanitaire corridor voor de levering van voedsel, medische hulp en brandstof aan de belegerde bevolking?
De Nederlandse inzet is gericht op het faciliteren van onbelemmerde en veilige toegang tot humanitaire hulp in heel Syrië. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met onze humanitaire partners, waaronder VN-organisaties, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance. Ondanks de aanhoudende spanningen en onveiligheid kunnen hulpkonvooien Suweida bereiken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of Nederland bereid is zich in te zetten voor hulp aan ontheemde Druzen en christenen, bijvoorbeeld door steun aan onderwijsprogramma’s of noodhulp via VN-organisaties en ngo’s?
Nederland blijft zich inzetten voor humanitaire hulp aan alle kwetsbare bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder ontheemde Druzen en christenen. Sinds het uitbreken van het conflict in 2011 levert Nederland zowel diplomatieke als financiële steun aan humanitaire partners zoals de Verenigde Naties, de Internationale Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance. Deze bijdragen zijn bewust flexibel, zodat hulporganisaties snel kunnen inspelen op acute noden, zoals recent in de provincie Suweida.
Humanitaire hulp wordt daarbij altijd verleend op basis van behoefte, zonder onderscheid naar etnische of religieuze achtergrond. Op dit moment richt Nederland zich primair op humanitaire hulp.
Bent u bereid de Kamer actief op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in Suwayda en van eventuele diplomatieke of humanitaire stappen die Nederland onderneemt?
Ja. De Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp bezocht recentelijk Syrië en heeft daar het belang onderstreept van onafhankelijk onderzoek naar de gebeurtenissen in Suweida. In gesprekken met humanitaire organisaties werd bevestigd dat de toegang tot Suweida nog steeds ernstig beperkt is, wat de hulpverlening belemmert. Nederland blijft daarom, zowel bilateraal als in multilateraal verband, aandringen op ongehinderde humanitaire toegang, bescherming van alle bevolkingsgroepen en gerechtigheid voor begane misdaden.
De volgende berichten in de uitzending Pauw & De Wit op NPO1 van 6 oktober 2025 |
|
Sarah Dobbe , Daniëlle Hirsch (GL), Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande berichten en de inhoud van bovenstaande uitzending?1
Ja.
Bent u bereid te pleiten voor een onafhankelijk, internationaal onderzoek naar de vermeende mishandelingen van (Nederlandse) opvarenden van de Global Sumud Flotilla door Israël? Zo nee, waarom niet?2
Het kabinet heeft destijds bij de Israëlische autoriteiten aandacht gevraagd voor de detentieomstandigheden van de betrokken Nederlanders. Sinds de onderschepping van de schepen van het Flotilla heeft het kabinet consulaire bijstand verleend en zich verder op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. De behandeling van gedetineerden is al langere tijd onderwerp van gesprek en Nederland heeft bij meerdere gelegenheden zorgen daarover geuit en Israël aangesproken op zijn verplichtingen onder het internationaal recht. Het kabinet overweegt op dit moment geen andere stappen.
Hoe beoordeelt u het besluit van Spanje om een klacht in te dienen tegen Israël bij het Internationaal Strafhof vanwege de gebeurtenissen omtrent de Global Sumud Flotilla?3
Het kabinet beschikt niet over nadere informatie over deze klacht en onthoudt zich daarom van een nadere beoordeling van dit bericht.
Bent u bereid om, in navolging van Spanje, ook een klacht in te dienen tegen Israël bij het Internationaal Strafhof? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid andere vergelijkbare stappen te ondernemen?
Nee. Sinds de onderschepping van de schepen van het Flotilla heeft het kabinet zich op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in contacten met de Israëlische autoriteiten meermaals aangedrongen op een goede behandeling van de Nederlandse deelnemers. Daarnaast heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Israëlische autoriteiten verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Erkent u dat de onderschepping van de humanitaire vloot, A Thousand Madleens, in internationale wateren strijdig is met het internationaal recht, zoals ook VN-experts oordelen? Zo nee, waarom niet? Kunt u in dat geval de juridische onderbouwing daarvan per ommegaande met ons delen?4
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Zo ja, welke actie(s) onderneemt u om het internationaal recht ten uitvoering te brengen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de opvarenden van A Thousand Madleens niet onderworpen waren aan Israëlische wet- en regelgeving op het moment van onderschepping door Israël in internationale wateren? Zo ja, welke actie koppelt u aan dit feit? Zo nee, kunt u juridisch onderbouwen waarom dit wel het geval zou zijn?
Ja, het klopt dat de opvarenden van A Thousand Madleens op het moment van onderschepping door Israël in internationale wateren waren en dus niet onderworpen waren aan Israëlische wet- en regelgeving. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Bent u bereid om de meest recente onderschepping van de Freedom Flotilla Coalition, The Conscience en A Thousand Madleens door Israël in internationale wateren te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft zorgen op dit gebied overgebracht bij de Israëlische autoriteiten en daarnaast verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Heeft Nederland contact gehad met de Verenigde Naties of met andere Europese partners over de bescherming van de opvarenden van de flotilla, zoals de VN-experts hebben verzocht?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft meermaals contact gehad met EU-partners over de bescherming van de opvarenden van de Flotilla.
Bent u bereid voor aankomende humanitaire missies van internationale flotilla’s bescherming te bieden aan de (Nederlandse) opvarenden? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire bijstand aan Nederlanders in nood naargelang de mogelijkheden en specifieke omstandigheden. Tegelijkertijd roept het kabinet Nederlandse burgers op om niet naar de Gazastrook af te reizen. De kleurcode van het reisadvies voor de Gazastrook is rood. Dat betekent: wat uw situatie ook is, reis er niet heen. Het is er te gevaarlijk.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor gezamenlijke maatregelen om naleving van het internationaal recht af te dwingen, inclusief het waarborgen van veilige doorgang voor toekomstige humanitaire missies?
Humanitaire hulp moet onmiddellijk en aanzienlijk worden opgeschaald en moet alle mensen in nood kunnen bereiken in de hele Gazastrook. Nederland blijft aandringen bij de Israëlische autoriteiten om veilige en ongehinderde humanitaire toegang van professionele en gemandateerde hulporganisaties tot de hele Gazastrook te faciliteren, in lijn met de verplichtingen van Israël onder internationaal recht. Daarvoor pleit het kabinet ook in EU-verband.
Bent u bereid om in multinationaal (Europees) verband de aankomende humanitaire missies van de internationale flotilla’s bescherming te bieden?
Professionele, gemandateerde hulporganisaties moeten structurele en ongehinderde toegang krijgen voor de invoer en distributie van hulpgoederen, ook in Gaza. Nederland blijft hierop aandringen.
Erkent u dat het uitblijven van een internationale reactie de kans vergroot dat Israël doorgaat met aanvallen op humanitaire schepen? Welke stappen neemt Nederland om dit te voorkomen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de zorgen op dit gebied overgebracht aan de Israëlische autoriteiten en tevens verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Kunt u bovenstaande vragen los van elkaar en, gezien de ernst van de situatie, met spoed uiterlijk vóór aanvang van het debat over de Europese top van volgende week donderdag (d.d. 16 oktober) beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Nederlandse onderdelen in Russische drones en raketten |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (PvdA), Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van President Zelensky dat de rakketten en drones die Rusland gebruikt om Oekraïense doelen te raken onderdelen uit Nederland bevatten?1
Ja.
Was u op de hoogte van het feit dat in Nederland gemaakte onderdelen voor drones en raketten door Rusland gebruikt worden? Zo ja, waarom is hier niet eerder actie op ondernomen?
Uw Kamer heeft hier eerder in 2022 vragen over gesteld.2 Sinds medio 2022 is het duidelijk dat de Russische militaire industrie in hoge mate afhankelijk is van westerse componenten, waaronder ook componenten uit Nederland. Rusland slaagt er nog altijd in om – via omwegen en tegen hoge kosten – dergelijke componenten te importeren. Hiervoor gebruikt het een uitgebreid netwerk van tussenhandelaren in derde landen.
De aanpak van sanctieomzeiling is dan ook al sinds 2022 een prioriteit binnen het Nederlandse sanctiebeleid. Dit behelst nationaal een combinatie van onderzoek, voorlichting en handhaving. Daarnaast wordt met derde landen samengewerkt om omzeiling via hun grondgebied tegen te gaan. Nederland spreekt hier zelf actief landen op aan en EU Sanctiegezant David O’Sullivan speelt hierin een belangrijke rol. Binnen de EU zet Nederland zich consequent in voor een effectieve aanpak van omzeiling. Dit is steevast een van de speerpunten in EU sanctiepakketten. Waar diplomatieke inspanningen niet genoeg opleveren, verbindt de EU hieraan consequenties door passende en gerichte maatregelen in te stellen. De EU legde al sancties op aan 132 bedrijven in derde landen die aantoonbaar sancties omzeilen en daarmee het Russisch militair industrieel complex ondersteunen. Hierbij wordt samengewerkt met G7-partners en Nederland draagt hier actief aan bij.
Kunt u toelichten welke acties u concreet ondernomen heeft naar aanleiding van berichten uit 2024 waaruit bleek dat oude ASML-machines door Rusland gebruikt werden voor de productie van chips voor drones? En hoe effectief zijn deze maatregelen geweest?2
Het kabinet kan geen inzicht geven in concrete acties die mogelijk worden gedaan bij individuele bedrijven. Zoals destijds is geantwoord is Rusland sterk afhankelijk van het westen voor technologie en componenten.4 Deze situatie is nog steeds van toepassing.
De handhaving van sanctiemaatregelen ten aanzien van de export van gesanctioneerde goederen is een verantwoordelijkheid van de Douane in opdracht van de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Daarbij wordt nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling. Bedrijven die ervan worden verdacht zich bewust schuldig te maken aan sanctieomzeiling worden ter vervolging voorgelegd aan het Openbaar Ministerie. De meeste Nederlandse bedrijven die betrokken raken bij sanctieomzeiling zijn zich daarvan echter niet bewust. Daarom worden bedrijven, waarvan uit onderzoek blijkt dat zij mogelijk (onbewust) betrokken zijn bij omzeiling, actief benaderd en voorgelicht over de risico’s van omzeiling. De bedrijven worden daarmee in de gelegenheid gesteld om passende interne maatregelen te nemen. Op die manier zijn al veel malafide distributeurs in derde landen uitgesloten van handel.
Erkent u dat hiermee de Nederlandse steun aan Oekraïne ernstig ondermijnd wordt?
Het feit dat onderdelen afkomstig van Nederlandse bedrijven nog steeds worden teruggevonden in Russische drones en raketten die gebruikt worden in de oorlog tegen Oekraïne, is zeer onwenselijk. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in samenwerking met andere overheidsorganen, zet zich sterk in om sanctieomzeiling van deze goederen tegen te gaan.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat in nauw contact met Oekraïense autoriteiten over deze kwestie. Net als alle andere signalen van (mogelijke) sanctieomzeiling worden signalen die gedeeld worden vanuit de Oekraïense autoriteiten zeer serieus genomen en opgevolgd met acties die gericht zijn om sanctieomzeiling tegen te gaan.
Vallen alle onderdelen voor drones en raketten onder de huidige sancties tegen Rusland en zo niet, bent u bereid om deze alsnog toe te voegen aan de Europese sanctielijst?
De onderdelen in kwestie vallen al sinds 2022 onder de sancties tegen Rusland, mede op aandringen van Nederland. Binnen de aanpak van sanctieomzeiling ligt sterk de nadruk op goederen die op de zogeheten lijst van «Common High Priority Items»5 staan. Dit zijn goederen die de Russische oorlogsindustrie het hardst nodig heeft. De goederen op deze lijst zijn voor een groot gedeelte van belang voor de productie van componenten bestemd voor Russische drones en raketten. Het kabinet zet zich voortdurend in om met nieuwe sanctiemaatregelen en verbeteringen in de naleving van sancties de effectiviteit van het beleid te optimaliseren om omzeiling zo effectief mogelijk aan te pakken.
Heeft u een indicatie van welke Nederlandse bedrijven hierbij direct of indirect betrokken zijn? Zo nee, bent u bereid hier met spoed onderzoek naar te doen?
De overheid werkt actief samen met Nederlandse producenten om hen te helpen de omzeiling van hun goederen tegen te gaan. Dikwijls gaat het om kleine onderdelen die via vele tussenschakels in Rusland terecht komen en worden verwerkt in raketten en drones. De lange ketens maken het een hardnekkig probleem. Echter, diezelfde lange ketens zijn een direct gevolg van de verrichte inspanningen en maken het complexer en duurder voor Rusland om aan componenten te komen bedoeld voor haar wapenindustrie. De sancties zijn bedoeld als economisch drukmiddel en in dat opzicht dienen sancties dus hun doel. Het kabinet blijft zich onophoudelijk inzetten om de effectiviteit hiervan te optimaliseren.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor 12:00 uur op dinsdag 7 oktober?
De vragen zijn één voor één beantwoord. Het bleek helaas niet mogelijk deze vragen per ommegaande te beantwoorden, zoals door u verzocht.
De toepassing van het Europese solidariteitsmechanisme |
|
Joost Eerdmans (JA21), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Nicolien van Vroonhoven-Kok (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorgen om het migratiepact: Van Weel wil dure rekening of extra opvang vermijden»?1
Ja.
Klopt het bericht dat u recent heeft deelgenomen aan een overleg met een aantal landen over de toepassing van het solidariteitsmechanisme van het EU-migratiepact voor het jaar 2026, dat voor 15 oktober 2025 moet zijn vastgesteld door de Europese Commissie?
Dat klopt.
Wat is in dit overleg concreet uw inzet geweest ten aanzien van de verdeelsleutel die in 2026 zal worden gehanteerd voor de herplaatsing van asielzoekers binnen de Europese Unie (EU) van landen die «onder migratiedruk» staan naar ontvangende landen?
De kabinetsinzet met betrekking tot het solidariteitsmechanisme is erop gericht dat de solidariteitspool berust op een objectieve analyse, waarbij de hoogte van de pool realistisch is en niet extra druk legt op lidstaten. Daarnaast is de werking van Dublin voor het kabinet een belangrijke voorwaarde voor het ontvangen van solidariteit om de delicate balans tussen verantwoordelijkheid en solidariteit in het Pact te waarborgen. Het kabinet zet in op een duidelijk plan van aanpak voor het hervatten van Dublinoverdrachten naar verscheidene lidstaten. Het kabinet zal conform het regeerprogramma financieel bijdragen aan het solidariteitsmechanisme.
De verdeelsleutel is geen onderdeel van deze overleggen. De verdeelsleutel is vastgesteld in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMMR). Een lidstaat kan niet worden verplicht tot een hogere bijdrage dan het vastgesteld aandeel op basis van de verdeelsleutel (gebaseerd op bevolkingsomvang en BBP).
Hoe groot zal de «solidariteitspool» van over te nemen asielzaken in 2026 zijn, wat is daarbij de status van Nederland (wel of niet «onder migratiedruk», een «risico op migratiedruk in het komende jaar» of «te maken met een situatie van aanzienlijke migratie») en welk procentueel aandeel moet Nederland leveren in de herplaatsing van asielzoekers?
De Europese Commissie beoordeelt of er sprake is van migratiedruk op grond van de AMMR. Wanneer de Commissie de migratiesituatie beoordeelt en nagaat of in een lidstaat sprake is van migratiedruk, een risico van migratiedruk of een significante migratiesituatie, houdt de Commissie rekening met het jaarverslag en alle nadere informatie op grond van artikel 9 van de AMMR. De Commissie zal de komende periode een mededeling publiceren ter bepaling hiervan.
Ook de omvang van de solidariteitspool is nog niet vastgesteld. De hoogte van de benodigde solidariteit wordt jaarlijks vastgesteld door de Raad, op voorstel van de Europese Commissie. De Raad dient in december een besluit te nemen over de eerste solidariteitspool.
Het aandeel dat elke lidstaat in deze totale solidariteitsbijdragen heeft, waarvan de financiële bijdrage één mogelijkheid is, wordt, zoals reeds in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, berekend volgens een verdeelsleutel gebaseerd op de omvang van de bevolking en het BBP van de lidstaat. Op basis van deze verdeelsleutel ligt het percentuele aandeel van Nederland voor het aankomend jaar rond de 5–6%. Nederland kan niet verplicht worden om meer bij te dragen dan op basis van die betreffende verdeelsleutel.
Het kabinet zal conform het regeerprogramma financieel bijdragen aan het solidariteitsmechanisme. Nederland kan niet verplicht worden tot de herplaatsing van asielzoekers wanneer Nederland ervoor heeft gekozen om financieel bij te dragen. Wanneer op EU-niveau de minimumdrempel van het aantal beoogde herplaatsingen niet wordt gehaald, is het binnen het solidariteitsmechanisme wel mogelijk dat lidstaten worden verplicht om afgebakende aantallen «Dublinclaimanten» niet over te dragen aan de begunstigde lidstaat onder migratiedruk (de zogenoemde verantwoordelijkheidscompensaties). Als dit het geval is, zal dit verrekend worden met de hoogte van de financiële bijdrage. Hierdoor is het dus niet zo dat er een financiële bijdrage wordt geleverd én dat Nederland daarnaast ook nog extra asielzaken op zich neemt.
Wordt Nederland behalve netto-betaler nu ook een netto-ontvanger van extra asielzaken, door de toepassing van deze Europese Spreidingswet?
Het solidariteitsmechanisme is onderdeel van het Migratiepact. Het Migratiepact omvat onder meer strengere controles aan de buitengrenzen, snellere asielprocedures en beperkingen voor asielzoekers om door te reizen naar andere EU-landen om daar asiel aan te vragen. Daarbij is een balans afgesproken tussen verantwoordelijkheid en solidariteit in het Migratiepact. Zoals hierboven ook aangegeven is de inzet van het kabinet erop gericht dat de solidariteitspool berust op een objectieve analyse, waarbij de hoogte van de pool realistisch is en niet extra druk legt op lidstaten. Daarnaast is de werking van Dublin voor het kabinet een belangrijke voorwaarde voor het ontvangen van solidariteit om de delicate balans tussen verantwoordelijkheid en solidariteit in het Migratiepact te waarborgen. Het kabinet zet in op een duidelijk plan van aanpak voor het hervatten van Dublinoverdrachten naar verscheidene lidstaten.
Het kabinet is voornemens een financiële bijdrage te leveren aan het solidariteitsmechanisme. Er is dan geen verplichting voor herplaatsingen. Wanneer er sprake is van verantwoordelijkheidscompensaties, zoals in vraag 4 nader toegelicht, zal de financiële bijdrage overeenkomstig verminderd worden. Hierdoor is het dus niet zo dat er een financiële bijdrage wordt geleverd én dat Nederland daarnaast ook nog extra asielzaken op zich neemt.
Deelt u de mening dat Nederland bij de toepassing van het solidariteitsmechanisme moet worden aangewezen als een land dat «onder migratiedruk» staat, mede omdat het migratiesaldo de bandbreedte van 40.000–60.000 per jaar (zoals geadviseerd door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050) ver overstijgt en de asielketen in ons dichtbevolkte land al onder grote druk staat?
De Europese Commissie beoordeelt of er sprake is van migratiedruk aan de hand van de regels van de AMMR. Wanneer de Europese Commissie de migratiesituatie beoordeelt en nagaat of in een lidstaat sprake is van migratiedruk, een risico van migratiedruk of een significante migratiesituatie, gebruikt de Commissie hiervoor het jaarverslag en houdt rekening met alle nadere informatie op grond van artikel 9 van de AMMR. Hiermee zijn de factoren die ten grondslag liggen aan de beoordeling vastgelegd in de AMMR.
Het kabinet is voornemens financieel bij te dragen aan het solidariteitsmechanisme en niet via herplaatsingen. Het kabinet is daarnaast momenteel met enkele lidstaten en de Commissie in gesprek over hoe lidstaten die buiten de in de AMMR gedefinieerde migratiedruk vallen maar niettemin wel een specifieke druk ervaren erkenning kunnen krijgen van die situatie. Het kabinet zal uw Kamer over de uitkomsten van de gesprekken via de gebruikelijke kanalen, zoals de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van december, of bij relevante ontwikkelingen informeren.
Hoeveel asielzaken heeft Nederland in 2024 moeten overnemen van andere EU-landen, omdat aan de EU-buitengrens de asielprocedures en/of de kwaliteit van de opvang niet in orde waren? Hoeveel overdrachten hebben er plaatsgevonden in 2024 en in de vijf jaren daarvoor in het kader van de Dublinprocedure (per land, uitgedrukt in aantallen en in percentage van het aantal Dublinclaims)?
In 2024 waren geen Dublinoverdrachten mogelijk naar Griekenland, Malta, Hongarije en Italië. Deze hebben dan ook niet plaatsgevonden. In beginsel wordt de asielaanvraag in dat geval inhoudelijk door Nederland in behandeling genomen.
In 2024 had Nederland circa 790 Dublinclaims kunnen indienen bij Griekenland en circa 10 bij Hongarije. Bij Malta zijn in 2024 circa 70 claims ingediend, maar vinden geen overdrachten plaats. Voor Italië worden potentiële Dublinclaims niet systematisch door de IND geregistreerd.2
In onderstaande tabel is per land het aantal ingediende claims, ontvangen akkoorden en geeffectueerde Dublinoverdrachten opgenomen. Voorts is vermeld welk percentage van de Dublinclaims waarop een akkoord is ontvangen heeft geleid tot een overdracht. Het is niet mogelijk om binnen de gestelde termijn gegevens over 2019 te genereren.
België
Aantal ingediende claims
180
180
230
450
490
Waarop ontvangen claim akkoorden
130
130
160
350
370
Waarvan geeffectueerde overdrachten
70
50
50
100
90
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
52%
39%
32%
27%
26%
Duitsland
Aantal ingediende claims
1.870
1.590
1.850
2.990
2.440
Waarop ontvangen claim akkoorden
1.380
1.200
1.340
2.190
1.840
Waarvan geeffectueerde overdrachten
740
500
680
1.270
1.030
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
54%
42%
51%
58%
56%
Bulgarije
Aantal ingediende claims
40
60
290
510
420
Waarop ontvangen claim akkoorden
10
20
180
310
250
Waarvan geeffectueerde overdrachten
0
<5
10
30
30
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
0%
13%
4%
11%
13%
Cyprus
Aantal ingediende claims
10
30
10
30
30
Waarop ontvangen claim akkoorden
<5
10
10
10
10
Waarvan geeffectueerde overdrachten
10
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
0%
0%
0%
0%
36%
Denemarken
Aantal ingediende claims
80
170
120
80
50
Waarop ontvangen claim akkoorden
40
130
80
50
30
Waarvan geeffectueerde overdrachten
10
30
10
10
10
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
1%
1%
1%
1%
2%
Estland
Aantal ingediende claims
<5
10
10
10
Waarop ontvangen claim akkoorden
<5
<5
<5
10
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
<5
<5
<5
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
100%
17%
17%
10%
Finland
Aantal ingediende claims
30
10
20
30
30
Waarop ontvangen claim akkoorden
20
10
20
30
20
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
0
10
10
<5
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
14%
13%
60%
38%
19%
Frankrijk
Aantal ingediende claims
630
510
920
1.060
1.040
Waarop ontvangen claim akkoorden
450
360
660
670
660
Waarvan geeffectueerde overdrachten
170
90
150
240
240
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
37%
24%
22%
36%
36%
Griekenland
Aantal ingediende claims1
1.160
1.030
500
420
790
Waarop ontvangen claim akkoorden
10
<5
<5
Waarvan geeffectueerde overdrachten
0
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
0%
0%
0%
Hongarije
Aantal ingediende claims1
10
20
30
10
10
Waarop ontvangen claim akkoorden
0
Waarvan geeffectueerde overdrachten
0
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
0%
Ierland
Aantal ingediende claims
10
10
10
10
Waarop ontvangen claim akkoorden
<5
<5
<5
<5
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
<5
<5
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
25%
33%
100%
0%
IJsland
Aantal ingediende claims
10
10
<5
10
10
Waarop ontvangen claim akkoorden
<5
10
<5
<5
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
<5
<5
<5
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
25%
60%
67%
100%
Italië
Aantal ingediende claims1
1.510
1.450
2.610
1.570
150
Waarop ontvangen claim akkoorden
1.240
1.250
2.330
1.400
100
Waarvan geeffectueerde overdrachten
120
90
80
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
10%
7%
3%
0%
0%
Kroatië
Aantal ingediende claims
100
70
80
640
960
Waarop ontvangen claim akkoorden
60
50
70
580
820
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
<5
<5
80
140
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
3%
2%
3%
14%
16%
Letland
Aantal ingediende claims
10
10
30
70
30
Waarop ontvangen claim akkoorden
10
10
30
60
20
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
<5
<5
10
<5
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
15%
31%
14%
10%
9%
Liechtenstein
Aantal ingediende claims
<5
<5
<5
<5
<5
Waarop ontvangen claim akkoorden
<5
<5
<5
<5
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
<5
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
100%
100%
0%
0%
Litouwen
Aantal ingediende claims
50
30
40
40
20
Waarop ontvangen claim akkoorden
50
20
40
40
20
Waarvan geeffectueerde overdrachten
10
<5
<5
<5
<5
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
10%
9%
3%
5%
5%
Luxemburg
Aantal ingediende claims
40
30
30
20
30
Waarop ontvangen claim akkoorden
40
20
20
10
10
Waarvan geeffectueerde overdrachten
20
10
10
10
10
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
51%
45%
60%
58%
77%
Malta
Aantal ingediende claims1
60
70
130
120
70
Waarop ontvangen claim akkoorden
40
50
100
90
60
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
5%
0%
0%
0%
0%
Noorwegen
Aantal ingediende claims
20
10
20
10
20
Waarop ontvangen claim akkoorden
10
<5
10
10
10
Waarvan geeffectueerde overdrachten
0
<5
10
<5
10
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
22%
25%
46%
43%
55%
Oostenrijk
Aantal ingediende claims
150
250
680
930
390
Waarop ontvangen claim akkoorden
90
170
390
550
220
Waarvan geeffectueerde overdrachten
30
30
80
190
80
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
33%
20%
21%
34%
38%
Polen
Aantal ingediende claims
90
100
290
210
200
Waarop ontvangen claim akkoorden
80
80
260
190
180
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
10
20
20
30
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
4%
7%
6%
12%
17%
Portugal
Aantal ingediende claims
20
20
30
70
60
Waarop ontvangen claim akkoorden
10
10
30
50
60
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
10
20
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
0%
0%
16%
29%
40%
Roemenië
Aantal ingediende claims
130
170
150
110
110
Waarop ontvangen claim akkoorden
90
110
90
70
80
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
10
10
10
10
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
2%
5%
14%
11%
12%
Slovenië
Aantal ingediende claims
140
100
90
110
80
Waarop ontvangen claim akkoorden
80
70
60
70
50
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
10
10
10
10
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
4%
11%
19%
21%
16%
Slowakije
Aantal ingediende claims
10
10
10
20
10
Waarop ontvangen claim akkoorden
10
10
10
10
10
Waarvan geeffectueerde overdrachten
<5
<5
<5
10
10
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
14%
44%
50%
63%
56%
Spanje
Aantal ingediende claims
560
680
960
1.160
740
Waarop ontvangen claim akkoorden
390
530
700
740
550
Waarvan geeffectueerde overdrachten
110
110
220
300
170
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
27%
20%
31%
40%
32%
Tsjechië
Aantal ingediende claims
30
30
50
60
50
Waarop ontvangen claim akkoorden
30
20
40
50
40
Waarvan geeffectueerde overdrachten
10
10
10
10
10
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
38%
25%
18%
22%
14%
Zweden
Aantal ingediende claims
130
100
190
210
150
Waarop ontvangen claim akkoorden
80
70
150
160
120
Waarvan geeffectueerde overdrachten
20
10
40
40
50
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
27%
14%
25%
24%
39%
Zwitserland
Aantal ingediende claims
290
260
290
480
440
Waarop ontvangen claim akkoorden
190
150
170
260
240
Waarvan geeffectueerde overdrachten
80
50
70
120
110
Overdrachten t.o.v. claim akkoorden
40%
31%
38%
46%
46%
Totaal aantal ingediende claims
7.380
7.010
9.670
11.410
8.850
Totaal waarop ontvangen claim akkoorden
4.570
4.490
6.950
7.940
5.770
Totaal waarvan geeffectueerde overdrachten
1.410
1.010
1.470
2.490
2.060
Totaal overdrachten t.o.v. totaal claim akkoorden
31%
22%
21%
31%
36%
Betreft het aantal Dublinclaims dat had kunnen worden ingediend.
De cijfers kunnen afwijken van eerdere cijfers over eenzelfde periode in vorige rapportages, omdat de cijfers zijn geactualiseerd. In een aantal zaken worden correcties uitgevoerd na het verstrijken van de rapportageperiode die pas zichtbaar worden in cijfers met een latere peildatum. Cijfers afgerond op tientallen en getallen 1 t/m 4 gecodeerd als «<5». Het betreft een cohortanalyse waarbij het jaar waarin het claimverzoek is verzonden als uitgangspunt geldt. Deze cijfers kunnen nog wijzigingen door overdrachten die op een later moment plaatsvinden
Deelt u de mening dat van Nederland geen solidariteitsbijdrage kan worden gevraagd, zolang de afwikkeling van asielzaken aan de buitengrens van de EU niet op orde is, en de rechter het verbiedt om asielzoekers terug te sturen naar landen van binnenkomst omdat de kwaliteit van de opvang daar onder de maat is?
De inzet van het kabinet is erop gericht dat de balans in het Migratiepact tussen verantwoordelijkheid enerzijds en solidariteit anderzijds gewaarborgd moet worden. Het Migratiepact omvat onder meer strengere controles aan de buitengrenzen, snellere asielprocedures en beperkingen voor asielzoekers om door te reizen naar andere EU-landen om daar asiel aan te vragen. Daarbij is een balans afgesproken tussen verantwoordelijkheid en solidariteit in het Migratiepact. Het kabinet verwacht van alle lidstaten dat zij voldoen aan deze verplichtingen. Ik zal hier ook alert op zijn en gebreken agenderen indien dit nodig is. Het kabinet hecht daarom ook zeer aan de monitoring die de Europese Commissie uitvoert op de voortgang van de implementatie van het Migratiepact. Op basis van deze monitoring kunnen tijdig tekortkomingen, knelpunten en uitdagingen geïdentificeerd en geadresseerd worden. Het kabinet is momenteel ook met gelijkgezinde lidstaten en de Commissie in gesprek om tot een plan van aanpak te komen voor het hervatten van Dublinoverdrachten.
Is het kabinet nog steeds voornemens om een eventuele solidariteitsbijdrage financieel af te kopen? Kan worden uitgesloten dat Nederland daar bovenop nog extra asielzaken krijgt overgedragen?
Het kabinet is nog steeds voornemens om, overeenkomstig het regeerprogramma, een financiële bijdrage te leveren aan het solidariteitsmechanisme. Wanneer er sprake is van verantwoordelijkheidscompensaties, zoals in vraag 4 nader toegelicht, zal de financiële bijdrage overeenkomstig verminderd worden. Hierdoor is het dus niet zo dat er een financiële bijdrage wordt geleverd én dat Nederland daarnaast ook nog extra asielzaken op zich neemt.
Wat gaat u er concreet aan doen om ervoor te zorgen dat Nederland pas een solidaire bijdrage levert aan de Europese herplaatsing van asielzoekers als de processen en opvang aan de EU-buitengrens op orde zijn?
In het antwoord op vraag 8 is de kabinetsinzet uiteengezet.
Bent u bereid om de Kamer op 15 oktober a.s. terstond te informeren over de besluiten van de Europese Commissie over de toepassing van het solidariteitsmechanisme, zodat de uitkomsten kunnen worden betrokken bij het Kamerdebat over de Europese top van 16 oktober a.s.?
De Commissie publiceert in de komende periode het Europees jaarverslag, een besluit betreffende de lidstaten die onder migratiedruk en een voorstel voor een Raadsbesluit over de solidariteitspool. Het Europese jaarverslag en het besluit van de Europese Commissie betreffende de lidstaten onder migratiedruk zullen door de Commissie openbaar gemaakt worden, waardoor deze voor uw Kamer direct te raadplegen zijn. Uw Kamer zal kort na de publicatie een appreciatie ontvangen van deze stukken volgens de gebruikelijke procedures.
Het voorstel van de Europese Commissie voor een raadsbesluit over de solidariteitspool is op grond van artikel 12 lid 6 van de AMMR en andere relevante uniewetgeving vertrouwelijk. Wel kan ik uw Kamer toezeggen dat in algemene zin de inzet van het kabinet erop gericht is dat de solidariteitspool realistisch is en geen extra druk legt op de bijdragende lidstaten. Uw Kamer zal over de specifieke inzet van het kabinet ten aanzien van dit voorstel worden geïnformeerd via de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad in december of eerder bij relevante ontwikkelingen.
Bent u bereid om deze vragen uiterlijk op 15 oktober a.s. een voor een te beantwoorden?
Daartoe ben ik bereid.
De Global Sumud Flotilla |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat de Israëlische marine de humanitaire schepen van de Global Sumud Flotilla momenteel enter(t) en dat eerder al in de nacht van 23 september aanvallen met drones en explosieven plaatsvonden, met schade en gewonden tot gevolg?
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichten over de onderschepping van de schepen van de Global Sumud Flotilla door de Israëlische autoriteiten tussen 1 en 2 oktober jl., en over de explosies en vermeende droneaanvallen in de nacht van 23 september jl.
Erkent u dat het enteren en aanvallen van schepen met burgers en hulpgoederen in internationale wateren een ernstige schending van internationaal recht en van de vrijheid van vreedzaam protest vormt?
Op dit moment is onvoldoende bekend over de onderschepping om tot een definitief oordeel te komen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen.
Bent u bereid deze aanvallen en het enteren van schepen met burgers en hulpgoederen in internationale wateren krachtig te veroordelen en dit onmiddellijk onder de aandacht te brengen in de EU en de VN? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om sancties tegen Israël in te zetten? Zo ja, welke sancties overweegt u? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is in afwachting van een onderbouwing van Israël over de rechtsbasis van het onderscheppen van de schepen. Het is op dit moment niet aan de orde om sancties in te stellen tegen Israël naar aanleiding van de onderschepping van de schepen van de Flotilla. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Wilt u, gezien het acute gevaar voor de opvarenden, deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het illegale “Israëlische” enteren van de Global Sumud Flotilla |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Global Sumud Flotilla aangeeft dat het «Israëlische» bezettingsleger de schepen van de Global Sumud Flotilla illegaal heeft onderschept en geënterd?
Ja, ik ben bekend met de onderschepping van de schepen van de Global Sumud Flotilla door de Israëlische autoriteiten tussen 1 en 2 oktober jl.
Wat is uw reactie op het feit dat «Israël» hiermee de Flotilla illegaal heeft geënterd en het de moedige opvarenden onmogelijk heeft gemaakt om de illegale blokkade van Gaza te doorbreken en hulp te brengen naar de mensen in Gaza? Bent u bereid om deze daden van het «Israëlische» bezettingsleger tegen de Flotilla te veroordelen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen.
Ten aanzien van humanitaire hulp is het standpunt van het kabinet dat deze onmiddellijk en aanzienlijk moet worden opgeschaald en alle burgers in nood in de gehele Gazastrook moet kunnen bereiken. Professionele en gemandateerde hulporganisaties moeten voldoende humanitaire toegang krijgen over land, aangezien dit de enige manier is om humanitaire hulp te kunnen bieden op de schaal die nodig is. Nederland blijft dit benadrukken richting de Israëlische autoriteiten.
Deelt u de mening dat de daden van het bezettingsleger tegen de Flotilla in strijd zijn met het internationaal recht?
Het kabinet is in afwachting van een onderbouwing van Israël over de rechtsbasis van de onderschepping van de schepen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Wat doet Nederland om ervoor te zorgen dat de opvarenden zo snel mogelijk in veiligheid worden gebracht en niet in gevangenschap van «Israël» blijven?
Sinds de onderschepping van de schepen van de Flotilla heeft het kabinet zich op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. Daarnaast heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contacten met de Israëlische autoriteiten meermaals aangedrongen op een goede behandeling van de Nederlandse deelnemers.
Bent u bereid om sancties in te stellen tegen «Israël» vanwege de onwettige daden die het «Israëlische» bezettingsleger heeft gepleegd tegen de Global Sumud Flotilla?
Het kabinet is in afwachting van een onderbouwing van Israël over de rechtsbasis van het onderscheppen van de schepen. Het is op dit moment niet aan de orde om sancties in te stellen tegen Israël naar aanleiding van de onderschepping van de schepen van de Flotilla. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid om deze vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk morgen om 12:00 te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De beschietingen van humanitaire reddingsschepen door de Libische kustwacht en de Nederlandse/Europese verantwoordelijkheid. |
|
Marieke Koekkoek (D66), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Arno Rutte (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat de Libische kustwacht op 24 augustus 2025 in internationale wateren gedurende circa 15–20 minuten met scherp heeft geschoten op het reddingsschip Ocean Viking van SOS Méditerranée, terwijl er tientallen geredde mensen en bemanning aan boord waren, met aanzienlijke schade maar zonder fysieke gewonden?1 Zo ja, hoe duidt u dit incident?
Ik heb kennisgenomen van dit incident. Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie hierover. Het kabinet veroordeelt geweld tegen hulpverleners altijd. Daarom is het van belang dat de Libische autoriteiten dit incident nader onderzoeken, de daders straffen en gepaste maatregelen nemen. Hier hebben de Nederlandse ambassade en de EU-delegatie in Tripoli bij de Libische autoriteiten op aangedrongen.
Klopt het dat kort daarna opnieuw een humanitair reddingsschip, de Sea-Watch 5, onder vuur is genomen door een Libische patrouilleboot vlak na een redding, terwijl er tientallen mensen waren gered? Wat is uw reactie hierop?
Ook dit incident is bekend bij het kabinet. Zie verder antwoord bij vraag 1.
Wat doet Nederland concreet om het internationaal humanitair recht te beschermen in Europa en langs de Europese buitengrenzen, inclusief – maar niet beperkt tot – de Middellandse Zee, waar dit soort incidenten zich voordoen?
Nederland zet zich actief in voor de bescherming van het internationaal recht en de mensenrechten langs de Europese buitengrenzen, waaronder de Middellandse Zee. Dit wordt door het Kabinet ook bij samenwerking met de landen rondom de buitengrenzen onder de aandacht gebracht.
Het kabinet hecht tevens waarde aan de bescherming van hulpverleners wereldwijd. Op 3 juni 2025 verstuurde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een adviesaanvraag aan de AIV en aan de CAVV voor een gezamenlijk advies over het bestrijden van straffeloosheid voor geweld tegen hulpverleners. In dit advies worden de AIV en de CAVV gevraagd welke diplomatieke, juridische, financiële en eventueel andere instrumenten Nederland kan inzetten om de straffeloosheid voor geweldpleging tegen hulpverleners te bestrijden.2
Kunt u bevestigen of er bij deze incidenten Nederlandse burgers aan boord waren (als bemanningslid, vrijwilliger of waarnemer)? Wat heeft de Minister van Buitenlandse Zaken gedaan om hun veiligheid te beschermen, en welk plan ligt er klaar om bescherming te bieden bij eventuele toekomstige situaties of om te voorkomen dat deze zich voordoen?
Het kabinet heeft geen bericht ontvangen dat Nederlandse staatsburgers aan boord van deze schepen waren tijdens deze incidenten.
Bij consulaire hulpverzoeken van Nederlanders in het buitenland bekijkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar gelang de mogelijkheden en specifieke omstandigheden hoe consulaire bijstand kan worden verleend.
Hoe beoordeelt u dit soort aanvallen juridisch in het licht van het internationaal zeerecht en de plicht tot redding op zee, mede gezien dat de Ocean Viking in internationale wateren opereerde? Welke (strafrechtelijke of diplomatieke) stappen acht u passend richting betrokken autoriteiten?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie over het incident. In algemene zin onderschrijft het kabinet dat het tegengaan van verlies van levens op zee en de internationaalrechtelijke plicht om mensenlevens op zee te redden te allen tijde de uitgangspunten blijven.
Dit incident is daarom zorgelijk. Om die reden, en zoals genoemd in antwoord op vraag 1, heeft de Nederlandse ambassade in Tripoli de autoriteiten opgeroepen tot een gedegen onderzoek, bestraffing van de daders en het nemen van gepaste maatregelen.
Hoe kijkt Nederland naar de financiering voor de Europese Unie (EU) en internationale erkenning van de Libische kustwacht, terwijl die herhaaldelijk heeft gefaald om conform de internationale standaard voor zeeredding te handelen, met verlies van mensenlevens en nu ook een directe aanval op hulpverleners tot gevolg?
De steun van de Europese Commissie is gericht op het versterken van de zoek- en reddingscapaciteit en capaciteit op het gebied van grensbeheer van de Libische kustwacht. Deze EU-inzet in Libië heeft tot doel verlies van levens op zee te voorkomen, irreguliere migratie naar de EU te verminderen en mensensmokkel- en handel aan te pakken. De steun is daarnaast onderdeel van de bredere Europese inzet in Libië en op de Centraal Mediterrane Route om migratie in goede banen te leiden. Daarbij is versterking van mensenrechtenstandaarden nadrukkelijk een onderdeel van de inzet.
Libië heeft een eigen kustwacht en is verantwoordelijk voor het uitvoeren en coördineren van reddingsoperaties in de eigen Search and Rescue (SAR) zones. Naast dat niet met zekerheid is vastgesteld dat de Libische kustwacht de beschietingen heeft gedaan, is het voor het kabinet niet met zekerheid vast te stellen in hoeverre het specifieke incident waarbij NGO-schepen zijn beschoten direct, dan wel indirect is gefaciliteerd door Europese steun. SAR-operaties vallen onder de verantwoordelijkheid van de Libische autoriteiten, die autonoom handelen. Dit gaat echter gepaard met risico’s. Dit soort incidenten laat dan ook opnieuw zien dat het essentieel is dat Europese steun gepaard gaat met adequate monitorings- en evaluatiemechanismen. Nederland pleit hier consequent voor. De Europese Commissie monitort de uitvoering van programma’s en voert hier een dialoog over met de betrokken implementerende partners en overheden. Het kabinet blijft er ook op aandringen dat de EU-samenwerking met de Libische kustwacht periodiek wordt geëvalueerd.
Welke informatie heeft Nederland ontvangen via EU-kanalen (Europese Commissie/Frontex) over de toedracht van de beschietingen, en hoe beoordeelt u de reactie van de Europese Commissie dat zij eerst de reactie van de Libische autoriteiten afwacht? Acht u die houding voldoende, gelet op de ernst?
Nederland staat in voortdurend contact met de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden in zowel Tripoli als in Brussel. De incidenten zijn besproken. De woordvoerder van de Commissie veroordeelde het incident eerder en gaf aan dat er contact is opgenomen met de Libische autoriteiten om een onderzoek uit te voeren. Tevens zijn er door het Europees parlement vragen gesteld aan de Raad van de Europese Unie over het voorval.
Welke inzet pleit Nederland in de Raad (JBZ/RBZ) voor een onafhankelijk en transparant onderzoek naar beide incidenten (Ocean Viking en Sea-Watch 5), inclusief de keten van verantwoordelijkheid aan Libische en Europese zijde, en voor mogelijke consequenties, zoals herziening van steun, sancties of restricties op overdracht van materieel?
Nederland heeft zowel zelfstandig als in EU-verband het belang van een gedegen onderzoek benadrukt in gesprekken met de Libische autoriteiten.
Bent u bereid om – in afwachting van structurele EU-maatregelen – nationaal te bevorderen dat Nederlandse publieke middelen niet bijdragen aan steun die kan leiden tot schendingen van mensenrechten en het zeerecht door actoren in Libië en dit ook actief uit te dragen richting partnerlanden?
Het kabinet acht het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Hiertoe heeft het kabinet bilateraal en in EU-verband opgeroepen. Tegelijkertijd zal er naar het oordeel van het kabinet niets verbeteren als de EU zich terugtrekt uit de samenwerking met Libië. De inzet van de EU en lidstaten is er (mede) op gericht de activiteiten van de kustwacht op het gebied van mensenrechten te verbeteren. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Het is vanDeze incidenten onderstrepen belang om voortdurend te blijven monitoren. Daarnaast is het noodzakelijk om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Hoe beoordeelt u de operationele gevolgen van deze aanvallen voor de reddingscapaciteit in het centrale Middellandse Zeegebied (zoals schepen die tijdelijk in haven blijven of missies afgelasten)? Welke maatregelen kan Nederland (bilateraal of via EU/International Maritime Organization) ondersteunen om te waarborgen dat levensreddende operaties veilig kunnen doorgaan?
Zie ook antwoord op vraag 5.
De operationele gevolgen van deze aanvallen zijn op dit moment nog niet bekend. Nederland zal het SAR systeem evenals de conventies die betrekking hebben op SAR en SOLAS bij de relevante landen en instanties onder de aandacht blijven brengen.
Is Nederland bereid in EU-kader te pleiten voor duidelijke rode lijnen (bijvoorbeeld het verbod op het gebruik van vuurwapens tegen civiele reddingsschepen) met concrete consequenties voor samenwerking met de Libische kustwacht wanneer die lijnen worden overschreden?
Het kabinet wil irreguliere migratie naar Nederland en Europa terugdringen. Het kabinet pleit daarom ook binnen de EU voor een stevige aanpak. De bescherming van migranten op migratieroutes loopt in dat kader als een rode draad door de inzet om uitbuiting, misbruik en mishandeling van migranten te voorkomen. Het gebruik van geweld tegen civiele reddingsschepen is onaanvaardbaar. Het kabinet zal hier ook in de toekomst aandacht voor vragen, in EU-verband en bilateraal richting de Libische autoriteiten.
Welke stappen zet Nederland, samen met partnerstaten, om de criminalisering en bestuurlijke detentie van NGO-reddingsschepen door nationale autoriteiten (zoals Italië) tegen te gaan en de vrijheid van humanitaire hulp op zee te beschermen conform internationaal recht?
Het kabinet acht het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Bij incidenten zoals de beschieting van de Sea-Watch 5 is het van belang dat de Libische overheid gedegen onderzoek uitvoert, de daders bestraft en gepaste maatregelen neemt. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Deze incidenten onderstrepen het belang van voortdurende monitoring, evenals de noodzaak om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Het kabinet waardeert de inzet van NGO’s om mensen in nood op zee te redden. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat de activiteiten van private schepen, die in SAR-zones drenkelingen aan boord nemen, criminele activiteiten van mensensmokkelaars die mensenlevens op het spel zetten juist in stand houden. Dit is een delicate balans waarbij er volgens het kabinet oog moet zijn voor beide aspecten.
Bent u bereid de Kamer te rapporteren over: (a) eventuele Nederlandse betrokkenheid (burgers/organisaties) bij de getroffen schepen; (b) uw diplomatieke contacten met de Europese Commissie, Italië en de Libische autoriteiten; (c) de stand van juridische stappen (bijvoorbeeld onderzoeken door Italiaanse autoriteiten); en (d) uw inzet voor structurele veiligheidsprotocollen voor civiele reddingsschepen in internationale wateren?
Daar waar beschikbaar en mogelijk, zal ik op verzoek van de Kamer nadere informatie over deze incidenten verstrekken.
De ratificatie van het VN-oceaanverdrag (BBNJ-overeenkomst) |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Rummenie , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat Nederland het VN-Oceaanverdrag, dat in maart 2023 door een historische meerderheid van VN-lidstaten is aangenomen, nog altijd niet heeft geratificeerd, terwijl inmiddels 90 landen dit wel hebben gedaan en nog slechts tien ratificaties ontbreken voor de inwerkingtreding?
Deze berichten zijn bekend. Inmiddels is het vereiste aantal van 60 aanvaardingen bereikt voor inwerkingtreding van de op 19 juni 2023 te New York tot stand gekomen «Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht» (Biodiversity Beyond National Jurisdiction; hierna: BBNJ-overeenkomst), waardoor deze op 17 januari 2026 in werking zal treden. Op het moment van sturen van deze brief is de BBNJ-overeenkomst door 74 landen en de Europese Unie (EU) aanvaard.1
Veel van de landen die de BBNJ-overeenkomst al hebben aanvaard, hoeven pas na de aanvaarding uitvoeringswetgeving op te stellen. Dat betekent in praktische zin dat niet ieder land dat een overeenkomst aanvaardt ook al klaar is om invulling te geven aan de doelen van de betreffende overeenkomst. In Nederland moet deze uitvoeringswetgeving gereed zijn vóór de aanvaarding om meteen klaar te zijn voor de effectieve uitvoering. Momenteel wordt hard gewerkt om de uitvoeringswetgeving zo snel mogelijk af te ronden zoals toegelicht in de Kamerbrief Voortgang goedkeuringstraject BBNJ-overeenkomst van 16 juli jl.2
Erkent u dat het uitblijven van ratificatie afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van Nederland als voorvechter van biodiversiteit en marien natuurherstel, zeker nu het verdrag de bescherming van 30 procent van de oceanen in 2030 mogelijk moet maken?
Nee. Nederland hecht veel waarde aan de BBNJ-overeenkomst en was mede daarom sinds de start van de onderhandelingen in 2004 nauw betrokken bij deze overeenkomst. Ook na afronding van de onderhandelingen blijft Nederland actief bijdragen aan de internationale processen die de effectieve implementatie van de overeenkomst voorbereiden.
Tegelijkertijd draagt Nederland ook bij aan de effectieve implementatie van diverse verdragen die toezien op bescherming en herstel van het mariene milieu en de mariene biodiversiteit. Bijvoorbeeld het VN-Biodiversiteitsverdrag (CBD)3, de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren4, de Arctische Raad, en het Londenverdrag en -protocol.5
Ook blijft Nederland bijdragen aan het realiseren van het doel om uiterlijk in 2030 ten minste 30 procent van de zeeën en oceaan te beschermen («30-by-30»-doel). De nadere invulling die Nederland geeft aan het Kunming Montreal Global Biodiversity Framework (KM GBF) van de CBD, waaronder dit doel, staat in het eerste Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025–2030, dat op 25 maart jl. naar de Tweede Kamer is gezonden.6 Voor de zeegebieden binnen de nationale rechtsmacht van Nederland wordt deze doelstelling gehaald.
Hoe beoordeelt u de constatering van mariene wetenschappers en maatschappelijke organisaties dat vertraging van ratificatie de uitvoering van de afgesproken beschermingsdoelen bemoeilijkt en daarmee het voortbestaan van kwetsbare ecosystemen zoals koraalriffen, walvissen en diepzeenatuur verder in gevaar brengt?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, staat het aanvaarden van een overeenkomst niet gelijk aan het effectief (kunnen) uitvoeren daarvan. De overeenkomst moet voor de uitvoering ook effectief en zorgvuldig worden geïmplementeerd, waarvoor nationale regels en procedures nodig zijn. In sommige landen kan een overeenkomst direct aanvaard worden en hoeven pas daarna nationale regels en procedures opgesteld te worden. In Nederland moet de uitvoeringswetgeving gereed zijn voordat een overeenkomst kan worden aanvaard. Dat is aan de voorkant een langer proces, maar het betekent in het geval van de BBNJ-overeenkomst ook dat Nederland op het moment van aanvaarding direct klaar is voor de effectieve uitvoering ervan. Verder zet Nederland zich al lange tijd in voor een gezond marien milieu en mariene biodiversiteit en zal dit blijven doen, zie ook het antwoord bij vraag 2.
Kunt u aangeven welke stappen Nederland concreet heeft gezet om de eigen mariene bescherming in lijn te brengen met de doelen van het VN-Oceaanverdrag en het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework?
In 2024 heeft Nederland het convenant met «The Ocean Cleanup» herzien om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de BBNJ-overeenkomst.7 In dat convenant zijn de afspraken over het doen van milieueffectbeoordelingen voor de activiteiten die The Ocean Cleanup uitvoert in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht aangepast en voor zover mogelijk in lijn gebracht met de bepalingen van de BBNJ-overeenkomst.
Daarnaast is één van de doelen van de BBNJ-overeenkomst het versterken van samenwerking tussen organisaties en raamwerken die mandaten hebben op de oceaan. Nederland roept daarom op in onder andere de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA), de OSPAR8-commissie, de CBD en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) tot samenwerking tussen de organisaties met mandaten die zien op de oceaan en zeeën.
Daarnaast streeft Nederland ernaar om nationaal en regionaal, bijvoorbeeld middels het OSPAR-verdrag, maatregelen te nemen die onder andere in lijn zijn met de BBNJ-overeenkomst en het KM GBF. Voorbeelden zijn het aanwijzen van mariene beschermde gebieden en het nemen van andere beschermings-maatregelen en het uitvoeren van monitoring en onderzoeken onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, OSPAR en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 2 wordt het «30-by-30»-doel van het KM GBF voor de zeegebieden binnen de nationale rechtsmacht van Nederland gehaald.
Zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland, streeft Nederland, in lijn met het KM GBF, ook in Caribisch Nederland ernaar om tenminste 30% van de gehele Exclusieve Economische Zone (EEZ) en terrestrische gebieden te beschermen, herstellen en beheren.
Deelt u de analyse dat het niet geloofwaardig is als Nederland in 2026 deelneemt aan de geplande VN-Oceaantop, terwijl het verdrag nog altijd niet door ons land is geratificeerd? Zo nee, waarom niet?
Die analyse wordt niet gedeeld. De eerste Vergadering van de Verdragspartijen (COP) van de BBNJ-overeenkomst vindt mogelijk in 2026 of begin 2027 plaats. Nederland zal aan de eerste BBNJ COP deelnemen, omdat het voortzetten van onze deelname in lijn is met de eerdere betrokkenheid bij de BBNJ-overeenkomst. Momenteel neemt Nederland deel aan het internationale proces dat deze COP voorbereidt, onder meer om ervoor te zorgen dat de afspraken over implementatie ambitieus zijn en tegelijk voor Nederland uitvoerbaar blijven. Dat is in het belang van onze maritieme industrie en onze onderzoeksinstituten die – na inwerkingtreding van de BBNJ-overeenkomst voor het Europese en het Caribische deel van Nederland – zich daaraan moeten houden. Bovendien kan Nederland ook invloedrijk zijn in de internationale uitvoering. Omdat Nederland al langere tijd vrij gedetailleerd bezig is met de ontwikkeling van de nationale uitvoeringswetgeving, kijken andere landen naar ons land als voorbeeld hoe de BBNJ-overeenkomst te implementeren.
Bent u bereid het VN-Oceaanverdrag nog dit jaar voor te leggen aan de Tweede Kamer, zodat Nederland uiterlijk begin 2026 de ratificatie heeft voltooid en een geloofwaardige bijdrage levert aan het realiseren van 30 procent oceaanbescherming in 2030? Zo nee, waarom niet?
Dit is praktisch niet mogelijk, vanwege de termijnen die voor de verschillende fasen van de wetgevingsprocedure staan. Voor de parlementaire goedkeuringsprocedure van de BBNJ-overeenkomst bestaan de goedkeuringsstukken in ieder geval uit de Rijkswet tot goedkeuring van het verdrag en de benodigde uitvoeringswetgeving. Momenteel loopt de interdepartementale ambtelijke voorbereiding van de regelgeving, waarin de uitvoeringswetgeving wordt opgesteld en met de uitvoeringsorganisaties wordt gesproken over de daadwerkelijke uitvoering van de BBNJ-overeenkomst voor Nederland. Na afronding van de interdepartementale voorbereiding worden de wetgevingsprocedures voor respectievelijk de goedkeuringswet en uitvoeringswetgeving gevolgd.9 Vanwege de termijnen die voor de verschillende fasen in deze procedures staan, is de verwachting dat de goedkeuringsstukken op zijn vroegst eind 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden kunnen worden.
Kunt u toezeggen dat Nederland, in de tussentijd dat het verdrag nog niet in werking is getreden, geen enkel besluit zal nemen of steunen dat diepzeemijnbouw, grootschalige visserij of andere schadelijke activiteiten in internationale wateren faciliteert?
Volgens het internationaal recht dient Nederland als ondertekenaar van de BBNJ-overeenkomst zich te onthouden van handelingen die het voorwerp en het doel van de BBNJ-overeenkomst zouden ontnemen.
Nederland handelt in internationale gremia met mandaten op de oceaan en zeeën in lijn met deze verplichting, maar het is belangrijk om te benadrukken dat de BBNJ-overeenkomst ook na inwerkingtreding niet in de plaats zal treden van al bestaande bevoegde autoriteiten, zoals het beheer van visserijactiviteiten, scheepvaart en diepzeemijnbouw. Deze activiteiten blijven onder de bevoegdheid van respectievelijk bestaande regionale visserijbeheerorganisaties, de IMO en de ISA. Daarbij is en blijft Nederland gebonden aan de bestaande internationale wet- en regelgeving die geldt voor de visserij, diepzeemijnbouw en scheepvaart.
Beschietingen door de Libische kustwacht op NGO schepen in de Middellandse Zee |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beschietingen van het schip Sea-Watch 5 op 26 september jl. en de Ocean Viking op 24 augustus jl.?1
Ja.
Heeft u ook kennisgenomen van het feit dat de betreffende schepen onder vuur zijn genomen, dat deze aanvallen ogenschijnlijk door de Libische kustwacht zijn gepleegd, dat deze aanvallen plaatsvonden op internationale wateren en dat onder de bemanning van de getroffen schepen ook Nederlandse staatsburgers waren?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze incidenten in de Middellandse Zee. Het kabinet beschikt niet over geverifieerde en bevestigde informatie dat de beschietingen werden gepleegd door de Libische kustwacht, en beschikt daarnaast niet over informatie dat zich onder de bemanning van de getroffen schepen zich ook Nederlandse staatsburgers bevonden. Voor zover bekend hebben zich geen Nederlandse staatsburgers aangemeld voor consulaire bijstand.
Veroordeelt u deze beschietingen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet veroordeelt geweld tegen burgers, waaronder hulpverleners, altijd. Daarom is het van belang dat de Libische autoriteiten dit incident nader onderzoeken en gepaste maatregelen nemen. Hier hebben de Nederlandse ambassade en de EU-delegatie in Tripoli dan ook bij de Libische autoriteiten op aangedrongen.
Welke acties heeft u sinds 24 augustus jl. ondernomen om Nederlandse staatsburgers en humanitaire hulpverleners op de Middellandse Zee te beschermen?
Sinds 24 augustus zijn geen verzoeken binnengekomen voor consulaire bijstand of dergelijke van Nederlandse staatsburgers op de Middellandse Zee. Het kabinet volgt de situatie en vraagt waar opportuun om aandacht voor het waarborgen van veiligheid van hulpverleners in het algemeen en Nederlanders in het bijzonder (zie ook vraag 3).
In welke mate zijn de acties van deze Libische kustwacht volgens u gefaciliteerd door Europese gelden en tot in welke mate zijn ze aangemoedigd door Europees beleid?
De Libische kustwacht ontvangt sinds 2017 ondersteuning via Europese fondsen in het kader van het programma Support to Integrated Border and Migration Management in Libya (SIBMMIL). Deze steun is bedoeld om de zoek- en reddingscapaciteit van de Libische autoriteiten te verbeteren, mensenlevens op zee te redden, irreguliere migratie te beperken en mensensmokkel tegen te gaan. Daarbij is versterking van mensenrechtenstandaarden nadrukkelijk een onderdeel van de inzet.
Het is voor het kabinet niet met zekerheid vast te stellen of de beschietingen door de Libische kustwacht werden gedaan, en als dat wel zo zou zijn is het voor het kabinet ook niet met zekerheid vast te stellen in hoeverre het specifieke incident waarbij ngo-schepen zijn beschoten direct, dan wel indirect is gefaciliteerd door Europese middelen. Wel laat dit soort incidenten opnieuw zien dat het essentieel is dat Europese steun gepaard gaat met strikte voorwaarden en controlemechanismen. Nederland pleit dan ook consistent voor adequate monitorings- en evaluatiemechanismen in EU-financiering. De Europese Commissie monitort de uitvoering van programma’s en voert hier een dialoog over met de betrokken implementerende partners en overheden.
Hoe beoordeelt u de rol van Nederland in het mogelijk maken, faciliteren of zelfs aanmoedigen van mensenrechtenschendingen en het niet naleven van internationale zeerecht-standaarden door Libische kustwacht en de Libische regering als geheel?
Nederland heeft de bescherming van migranten als rode draad in het beleid inclusief het naleven van internationale zeerechtstandaarden en Nederland zal betrokken partijen blijven aanspreken op het monitoren van de uitvoering van programma’s op een manier die strookt met de universeel geldende mensenrechten, alsmede de internationale standaarden van het zeerecht. Zie ook het antwoord bij vraag 5.
Hoe verzekeren u en uw Europese collega’s dat de EU-financiering voor de Libische kustwacht niet leidt tot schendingen van het internationaalrecht?
Zie het antwoord bij vraag 5.
Welke specifieke maatregelen bent u bereid te nemen om de veiligheid van Nederlandse burgers en humanitaire hulpverleners op internationale wateren te beschermen tegen geweldsincidenten?
Het kabinet hecht waarde aan de bescherming van hulpverleners wereldwijd. Op 3 juni 2025 verstuurde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een adviesaanvraag aan de AIV en CAVV voor een gezamenlijk advies over het bestrijden van straffeloosheid voor geweld tegen hulpverleners.2
Nederland neemt op voorhand geen specifieke maatregelen om burgers en hulpverleners op internationale wateren te beschermen, maar blijft wel aandacht vragen voor het respecteren van internationaal recht, waaronder de mensenrechten. Hulpverleners mogen nooit het doelwit zijn van geweld, ook niet wanneer zij zich in internationale wateren bevinden.
Bent u voornemens om respectievelijk uw Libische, Italiaanse en andere Europese collega’s aan te spreken op deze beschietingen door de Libische kustwacht? Zo ja, met welke lezing van de gebeurtenissen en concrete voorstellen bent u van plan dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Voor het kabinet is het terugdringen van irreguliere migratie een prioriteit. Het is daarom goed dat de EU een actieve bijdrage levert aan het versterken van de zoek- en reddingscapaciteit van de kustwacht, ook om verlies van levens op zee te voorkomen. Bij incidenten zoals de beschieting van de Sea-Watch 5 is het van belang dat de Libische overheid gedegen onderzoek uitvoert en, indien nodig, de misdaden bestraft en gepaste maatregelen neemt. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Deze incidenten onderstrepen het belang van voortdurende monitoring, evenals de noodzaak om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Bent u bereid om te pleiten voor opschorting van de Europese steun aan de Libische kustwacht, zolang de Libische autoriteiten geen concrete maatregelen nemen om deze beschietingen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals verwoord in het antwoord op vraag 5 steunt Nederland de EU-inzet om Libisch grensmanagement te versterken en om doden op zee te voorkomen door SAR-capaciteit te verbeteren. Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Hiertoe heeft het kabinet bilateraal en EU-verband opgeroepen.
Het bericht ‘Opvarenden Global Sumud Flotilla melden nachtelijke aanvallen van Israël, Italië stuurt fregat’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opvarenden activistenvloot Global Sumud Flotilla melden nachtelijke aanvallen van Israël, Italië stuurt fregat»?1
Ja.
Heeft u inmiddels eigenstandige informatie over de aanvallen op de Global Sumud Flotilla? Zo neen, waarom nog niet?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de precieze aard en toedracht van de gerapporteerde aanvallen.
Kunt u de Israëlische aanvallen op de Global Sumud Flotilla bevestigen en in de meest krachtige termen veroordelen? Zo neen, waarom niet?
Nee.
Bent u het met ons eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Humanitaire hulp moet onmiddellijk en aanzienlijk worden opgeschaald en moet alle mensen in nood kunnen bereiken in de gehele Gazastrook. Professionele en gemandateerde hulporganisaties moeten voldoende humanitaire toegang krijgen over land. Nederland blijft dit benadrukken richting de Israëlische autoriteiten.
Tegelijkertijd was de humanitaire hulp die de Sumud Flotilla hoopte af te leveren symbolisch van aard. Voor verlichting moeten professionele, gemandateerde hulporganisaties structurele en ongehinderde toegang krijgen voor de invoer en distributie van hulpgoederen. Inmiddels is volgens het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) van de VN de toegang voor humanitaire hulp sinds het staakt-het-vuren van 10 oktober jl. iets verbeterd. Nederland blijft aandringen om veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot de hele Gazastrook te faciliteren.
Heeft u contact gelegd met de Global Sumud Flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Ja, het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft meermaals contact met de Nederlandse opvarenden en hun familie gehad, alsook met de organisatie die de Nederlandse deelname aan de Flotilla coördineerde.
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de Global Sumud Flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten destijds geïnformeerd over de aanwezigheid van Nederlandse staatsburgers op de schepen van de Flotilla en het
Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten meermaals verzocht de veiligheid van de schepen en hun opvarenden te waarborgen.
Daarnaast heeft het kabinet destijds aan Spanje en Italië verzocht om, via hun fregatten die zich op afstand van de Flotilla bevonden voor het leveren van bijstand aan hun burgers en andere deelnemers van de Flotilla, ook eventuele bijstand te bieden aan Nederlandse opvarenden in geval van nood.
Sinds de onderschepping van de schepen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten op 1 en 2 oktober jl. heeft het kabinet zich op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. Daarnaast heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contacten met de Israëlische autoriteiten meermaals aangedrongen op een goede behandeling van de Nederlandse deelnemers.
Het kabinet is in afwachting van een onderbouwing van Israël over de rechtsbasis van het onderscheppen van de schepen, waarom het heeft verzocht. Het is op dit moment niet aan de orde om sancties in te stellen tegen Israël naar aanleiding van de onderschepping van de schepen van de Flotilla.
Heeft u een plan klaarliggen om de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers te helpen indien zij worden aangevallen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De ontwikkelingen omtrent opschorten van asielaanvragen, de inbreukprocedure en de belemmeringen van ngo’s in Griekenland |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat 109 ngo’s in Griekenland gezamenlijk hebben opgeroepen tot intrekking van deze maatregel en tot optreden van de Europese Commissie?
Het kabinet heeft kennis genomen van de oproep gericht aan Griekenland en de Europese Commissie. In algemene zin toont de oproep aan dat de ontwikkelingen in Griekenland, sterk leven onder maatschappelijke organisaties in Griekenland. Het is verder aan Griekenland en aan de Commissie om hier opvolging in.
Bent u bereid om, samen met andere lidstaten of zelfstandig, bij de Europese Commissie aan te dringen op een spoed juridische analyse van de verenigbaarheid van de Griekse maatregelen met het EU-recht, dit mede in licht van de uitspraken van het Europees Hof?
Het is primair aan de Europese Commissie om te beoordelen of Griekenland met de maatregelen het EU-recht schendt, en hier indien nodig tegen op te treden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen.
Hoe beoordeelt u de bevelen van het Europees Hof? Ziet u hierin aanleiding om de juridische houdbaarheid van de Griekse wetgeving inzake de asielopschorting ter discussie te stellen, zowel zelfstandig als in EU-verband?
Ik begrijp dat u verwijst naar de voorlopige maatregelen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waar individuen klachten kunnen indienen over de naleving van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voorlopige maatregelen zijn dringende maatregelen die in uitzonderlijke omstandigheden, na onderzoek van alle relevante informatie, worden toegepast wanneer het EHRM meent dat de betrokkene anders zal worden blootgesteld aan een dreigend risico op onherstelbare schade en wanneer een dergelijke maatregel noodzakelijk is in het belang van de partijen of voor het goede verloop van de procedure. Over dergelijke maatregelen wordt beslist in het kader van een procedure voor het EHRM, zonder vooruit te lopen op latere beslissingen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de zaak in kwestie. Voorlopige maatregelen worden niet gemotiveerd, dus de reden voor het opleggen van de voorlopige maatregel is niet bekend. Deze voorlopige maatregelen zeggen daarom nog niets over de juridische houdbaarheid van de Griekse wetgeving.
Kunt u aangeven op welke manier bilateraal Nederlandse ondersteuning in Griekenland op uniebrede steun van de Europese Unie aan Griekenland mogelijk bijdraagt aan het onrechtmatig in detentie plaatsen van personen die een asielverzoek willen indienen?
Voor zover bekend draagt bilaterale Nederlandse steun hier niet aan bij. Nederlandse bilaterale steun aan Griekenland richt zich op de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, via onder andere het MERIMNA III-project onder auspiciën van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) op het eiland Lesbos en het versterken van het Griekse voogdijprogramma voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Kunt u aangeven op welke manier Europese agentschappen zoals de European Union Agency for Asylum (EUAA) en Frontex mogelijk betrokken zijn bij het onrechtmatig in detentie plaatsen van personen die een asielverzoek willen indienen?
Voor EUAA geldt dat zij sinds 2011 actief zijn in Griekenland en operationele ondersteuning verlenen. Voor zover bekend is in het meest recente operationele plan vastgesteld dat EUAA ondersteuning biedt op het vlak van de verwerking van asielaanvragen en het bieden van opvang in lijn met het GEAS. Het mandaat van EUAA strekt dus niet tot vreemdelingenbewaring. In hun operationele ondersteuning mogen zij dan ook geen taken uitvoeren die zien op inbewaringstelling. De onafhankelijke grondrechtenfunctionaris van het Agentschap houdt bij de uitvoering van de taken door het Agentschap toezicht op de naleving van fundamentele rechten en rapporteert daarover aan de Raad van Bestuur.
Ook Frontex biedt ondersteuning aan Griekenlandop het gebied van grensbeheer en terugkeer. Frontex heeft hierbij geen rol in de inbewaringstelling bij asielaanvragen. Frontexpersoneel verwijst personen die een asielaanvraag indienen door naar de nationale autoriteiten. De afweging tot inbewaringstelling valt onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende lidstaat. De operationele inzet van Frontex wordt doorlopend gemonitord. De onafhankelijke grondrechtenfunctionaris van het Agentschap houdt bij de uitvoering van de taken door het Agentschap toezicht op de naleving van fundamentele rechten en rapporteert daarover aan de Raad van Bestuur.
Kunt u toezeggen de Kamer regelmatig te informeren over de situatie van asielzoekers in Griekenland, en daarbij ook inzicht te geven in de inzet van de Nederlandse overheid, zowel zelfstandig als in EU-verband, om verbeteringen te bewerkstelligen?
Indien daar aanleiding toe bestaat, zal ik uw Kamer informeren, via de reguliere route van de geannoteerde agenda of het verslag van de JBZ-Raad.
Bent u op de hoogte van de stand van zaken in procedure INF(2022)2156, die de Europese Commissie in januari 2023 is gestart tegen Griekenland wegens het onvolledig transponeren van de Opvangrichtlijn (2013/33/EU), mede gezien rapporten (CPT-comité, VN-Mensenrechtencomité, Artsen zonder Grenzen, EHRM) over onmenselijke behandeling en erbarmelijke omstandigheden in gesloten centra op de Griekse eilanden?
Daar ben ik van op de hoogte. Vooralsnog is enkel bekend dat de Commissie op 26 januari 2023 een aanmaningsbrief aan Griekenland heeft gestuurd wegens het niet volledig conform omzetten van alle bepalingen van de richtlijn tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Richtlijn 2013/33/EU).1
Heeft u gesproken met uw Griekse collega over procedure INF(2022)2156? Zo nee, waarom niet en wanneer zal u dit wel doen? Zo ja, wat is er uit die gesprekken gekomen?
In mijn gesprekken met collega-bewindspersonen van andere lidstaten, de Commissie en tijdens besprekingen van de Raad, komen de brede bilaterale en EU-agenda aan de orde. Daarbij wordt van geval tot geval bezien of het opportuun is om aandachtspunten, zoals door het voormalige Lid Koekoek aangedragen, op te brengen.
Tijdens een ontmoeting met mijn Griekse collega en marge van de JBZ-Raad van 13 en 14 oktober 2025 in Luxemburg heb ik in het kader van de implementatie van het Asiel- en Migratiepact en het solidariteitsmechanisme benadrukt dat het van belang is voor Nederland dat lidstaten hun verplichtingen in het kader van Dublin nakomen. Daarvoor is het essentieel dat er adequate opvang beschikbaar is in lijn met de verplichtingen zoals vastgelegd in de opvangrichtlijn. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Heeft u procedure INF(2022)2156 besproken binnen de Europese Raad en met de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet en wanneer zal u dit wel doen? Zo ja, wat is er uit die gesprekken gekomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid uw Griekse ambtsgenoot aan te spreken over de niet proportionele beperkingen die worden opgelegd aan organisaties die essentiële hulp verlenen aan vluchtelingen en migranten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid de Europese Commissie op te roepen het Griekse registratiekader voor ngo’s volledig en spoedig te evalueren op verenigbaarheid met het EU-recht en internationale normen en wetgeving?
In het jaarlijkse rechtstaatrapport heeft de Commissie in het landenhoofdstuk over Griekenland aandacht besteed aan de registratievereisten voor NGO’s2. Tijdens de Raad Algemene Zaken vinden op basis van dit rapport landenspecifieke rechtsstaatdialogen plaats3. Nederland treedt in Benelux-verband op en bevraagt lidstaten daarin over ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat, en wisselt ook best practices uit. Deze dialoog biedt een goede gelegenheid om op Europees niveau over zorgwekkende ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat te spreken. Het kabinet vindt het preventief en structureel monitoren van de rechtsstaat in de Unie van groot belang, zodat in een vroeg stadium rechtsstatelijke problemen in de Unie kunnen worden geïdentificeerd, besproken en gezamenlijk tot oplossingen wordt gekomen.
Het bericht ‘Ministerie 'trekt steun in' voor wereldwijd klimaatcentrum in Rotterdam’ |
|
Marieke Koekkoek (D66), Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie «trekt steun in» voor wereldwijd klimaatcentrum in Rotterdam»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse overheid de financiële steun aan het Global Centre on Adaptation (GCA) in Rotterdam beëindigt? Zo ja, welke overwegingen lagen ten grondslag aan dit besluit?
De financiering aan het GCA vanuit de Rijksoverheid betreft uitsluitend projectfinanciering. Het huidige project dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gefinancierd loopt in lijn met het gesloten contract op 31 mei 2026 af. Het wordt dus niet vroegtijdig beëindigd of stop gezet. GCA is eerder dit jaar op de hoogte gesteld van de einddatum van deze financiering. Het GCA kan opnieuw een subsidieverzoek indienen. De financiering vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) was bedoeld om de stichting GCA op te zetten. Deze financiering liep in 2024 af.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de jarenlange inspanningen van het kabinet om het GCA juist in Nederland te vestigen?
Vanzelfsprekend zou het jammer zijn als het hoofdkantoor van GCA zou verhuizen. Maar het GCA is een onafhankelijke stichting en besluit hier zelf over.
Hoe beoordeelt u de kritiek van voormalig VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon dat Nederland hiermee zijn internationale voortrekkersrol op het gebied van onderzoek naar klimaatadaptatie verliest?
De voormalig VN secretaris-generaal Ban Ki-Moon is een belangrijk voorvechter van de inzet op klimaatadaptatie en hij is nauw betrokken bij het centrum. Het staat hem vrij om stevig te pleiten voor behoud van het centrum in Rotterdam. Nederland blijft een internationale voortrekker op het gebied van klimaatadaptatie door de kennis en kunde die op dit terrein beschikbaar is. Ook is Nederland een belangrijke financier van adaptatie. Zestig procent van de Nederlandse klimaatfinanciering betreft adaptatie.
Kunt u toelichten wat u bedoelt met het «nieuwe beleid» rond klimaatfinanciering en waarom dit zou betekenen dat financiering van het GCA «niet langer logisch» is?
In de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp die de Kamer op 20 februari jongstleden is toegegaan, is aangekondigd dat we de beschikbare klimaatfinanciering zullen focussen op de grote klimaatfondsen zoals het Green Climate Fund en geen regionale klimaatfondsen meer zullen ondersteunen. Dit betreft onder andere het Africa Adaptation Acceleration Program waar GCA technisch ondersteuning aan geeft. Doorgaan met technische ondersteuning is niet logisch als het fonds zelf niet meer wordt ondersteund door Nederland.
Klopt het dat Noorwegen, Canada en Denemarken bereid zijn hun steun te vergroten en dat het GCA nu overweegt Rotterdam te verlaten als Nederland zich terugtrekt? Hoe weegt u de mogelijke vertrekplannen van het centrum uit Nederland?
De genoemde donoren Noorwegen, Canada en Denemarken hebben een eigen relatie met het GCA. Nederland heeft geen zicht op de voorziene financiering vanuit deze donoren. We hebben kennisgenomen van de afwegingen van het GCA omtrent de vestiging in Rotterdam. Zoals aangegeven zou Nederland het jammer vinden als het GCA besluit te vertrekken, maar als zelfstandige stichting besluiten zij hier zelf over.
Welke gevolgen kan het vertrek van het GCA hebben voor de Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven (zoals Deltares, TU Delft en Wageningen Universiteit) die samenwerken met het centrum?
De stichting GCA heeft wereldwijd een omzet van 21,7 miljoen EUR dus de directe economische impact is beperkt. Het GCA houdt zich niet bezig met implementatie en projecten in Nederland. Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zijn wereldwijd actief op het gebied van klimaatadaptatie en water. Betrokkenheid van Nederlandse partijen bij klimaatadaptatie wereldwijd verandert niet.
Hoe schat u de economische impact in van een mogelijk vertrek, gezien de verwachte miljardeninvesteringen wereldwijd in klimaatadaptatieprojecten en de expertise die Nederland daarin kan leveren?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe past dit besluit bij de internationale afspraken en toezeggingen van Nederland op het gebied van klimaatadaptatie en ontwikkelingssamenwerking, met name richting kwetsbare landen?
Deze afspraken en toezeggingen blijven ongewijzigd. Nederland blijft een internationale voortrekker op het gebied van klimaatadaptatie. In 2024 was 60% van de Nederlandse publieke klimaatfinanciering gericht op adaptatie. Hierbij ligt de nadruk op de minst ontwikkelde landen. Nederland houdt zich aan het Parijs akkoord en aan de Glasgow wens om financiering van klimaatadaptatie te verdubbelen in de periode van 2019 tot 2025.
Bent u bereid het besluit om de steun in te trekken te heroverwegen, mede gezien de reputatieschade die Nederland internationaal kan oplopen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie eerdere antwoorden. Er is geen sprake van het intrekken van steun.