Het direct of indirect volgen van politiek geëngageerde burgers op de social media en het mogelijk plegen van censuur |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Kuipers , Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Uit wob documenten blijkt dat het Rijk massale controle uitvoert op media en burgers» en «NCTV bespioneerde influencers en politici tijdens coronapandemie»?1 2
Ja.
Klopt het dat Hans van Tellingen, bestuurslid van de politieke partij BVNL, door de rijksoverheid direct of indirect is gevolgd voor zijn kritische uitingen op de social media over het coronabeleid? Zo ja, op welke manier? Welke overheidsinstellingen, bedrijven en/of individuen waren hierbij betrokken?
Nee, dit klopt niet. Zoals toegelicht tijdens het vragenuur op 15 maart 2022 en in de Kamerbrief3, zijn er tijdens de coronacrisis omgevingsbeelden opgesteld door het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie Covid-19 (NKC-C19) en de directie Communicatie van het Ministerie van VWS. Deze werden gedeeld met meerdere departementen (die samenwerkten in het NKC-C19) en met de veiligheidsregio’s. Bij het opstellen van omgevingsbeelden wordt gebruik gemaakt van een online tool waarmee zoekopdrachten kunnen worden uitgevoerd op sociale media. Daarbij worden zoektermen zoals: «corona» of «afstand houden» gebruikt. In dit soort programma’s is het gemakkelijk om sociale mediaposts met een groot bereik in beeld te krijgen. Een groot bereik houdt in dat veel mensen zo’n post gezien of geliked of gedeeld hebben. De opstellers van de omgevingsbeelden zijn op zoek naar sociale mediapost met een hoog bereik omdat dat een goede indicatie is voor wat er speelt in het maatschappelijk debat en wat voor vragen er in de samenleving zijn. Dit is ook de reden dat mensen zoals opiniemakers, journalisten en Kamerleden in de omgevingsbeelden naar voren komen. De analisten nemen in de omgevingsbeelden niet alleen sociale media-posts op waarin kritiek staat op het Kabinetsbeleid, maar ook posts die de aanpak of ontwikkelingen ondersteunen. De posts dienen als illustratie van verschillende geluiden in het politieke en maatschappelijke debat. In die context zijn de omgevingsbeelden niet meer dan een hedendaagse vorm van de klassieke knipselkrant. De mensen die dit soort online tools gebruiken mogen niet zoeken op individuen. Dit betekent dus ook dat er geen monitoring gericht op personen plaats vindt.
Welke departementen waren betrokken bij het «Debunken wanneer het bereik en effect groot is»?3 Op welke manier hebben deze departementen actie ondernomen en met welk resultaat? Zijn de betrokken departementen tevreden met het bereikte resultaat? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Is hier sprake van censuur? Indien nee, hoe omschrijft u deze acties?
Het kabinet hecht het grootste belang aan een open debat. De vrijheid van meningsuiting staat daarbij altijd voorop. Verscheidenheid aan opvattingen en kritische debatten geven zuurstof aan onze democratie. Dit dient ook altijd beschermd te worden door het kabinet. Wel acht het kabinet het van belang, om bij ondermijnende desinformatie op te kunnen treden. Het «debunken», oftewel ontkrachten van desinformatie, houdt in dat de overheid zelf misleidende informatie tegenspreekt. Zoals aangegeven in de beleidsinzet bescherming democratie tegen desinformatie, ligt er voor de overheid een rol in het weerspreken van desinformatie bij een dreiging voor de politieke, economische stabiliteit, volksgezondheid of nationale veiligheid5.
In principe heeft elk departement de mogelijkheid om dit te doen via de eigen sociale mediakanalen. Dit zijn kleine communicatie-acties (in het algemeen niet meer dan het plaatsen van een post op sociale media, die soms gedeeld wordt door andere ministeries). Een voorbeeld daarvan is de respons op een bericht in de campagnestijl van de vaccinatiecampagne waarin stond dat het kabinet ondernemers verplichtte om zich te laten vaccineren. Dat is door het Ministerie van EZK in een sociale media post ontkracht. Het kabinet is en blijft wel terughoudend in het tegenspreken van misleidende berichten, het ontkrachten van desinformatie blijft primair een taak van onafhankelijke media en wetenschap. Er is geen sprake van censuur, het plaatsen van berichten wordt niet verboden of vooraf inhoud gecontroleerd en er worden achteraf ook geen berichten van anderen verwijderd. Er wordt niet gemonitord wat het effect is. We kunnen dus ook niet zeggen of we wel of niet tevreden zijn met het resultaat.
Kunt u aangeven met welke techbedrijven afspraken zijn gemaakt over het verwijderen van bepaalde berichten?4 Wat houden deze afspraken in? Welke berichten zijn verwijderd op grond van deze afspraken? Op grond van welke regelgeving werden deze afspraken gemaakt? Is hier sprake van censuur? Indien nee, hoe omschrijft u deze acties?
Met online platformen worden geen afspraken gemaakt om berichten te verwijderen, alleen op grond dat deze desinformatie zouden zijn. Daarvoor ontbreekt een wettelijke grondslag en het kabinet is niet voornemens om die grondslag te maken. Desinformatie als fenomeen valt binnen de vrijheid van meningsuiting. Het juridisch verbieden van bepaalde informatie, alleen op de grond dat de informatie onjuist of misleidend is, zonder aanvullende eisen, zoals het schaden van iemands reputatie of de rechten van een ander, valt moeilijk te rijmen met het recht op vrijheid van meningsuiting.
Een algemeen verbod op de verspreiding van desinformatie of niet-objectieve informatie is niet verenigbaar met de internationale normen voor beperkingen van de vrijheid van meningsuiting. Dit onderstrepen de juristen van het Instituut voor Informatierecht (IViR) van de Universiteit van Amsterdam in hun rapport over het huidige juridisch kader voor de verspreiding van desinformatie ook.7 Het juridische kader rondom online content is uiteengezet in de brief over content moderatie en vrijheid van meningsuiting op online platformen8. Rondom Covid-19 desinformatie hebben de grote online platformen zoals Meta en Google wel zelf specifieke regels opgesteld in hun gebruikersvoorwaarden. De Europese Commissie heeft online platformen opgeroepen om maandelijks rapporten te publiceren over hun beleid en maatregelen om de verspreiding van Covid-19-gerelateerde desinformatie tegen te gaan. Het kabinet heeft deze oproep verwelkomd in een kabinetsreactie op de mededeling van de Europese Commissie9. Deze maandelijkse rapportages met acties van de online platformen zijn openbaar toegankelijk op de website van de Europese Commissie10.
Klopt het dat er sprake is van een georganiseerde aanpak van de rijksoverheid om burgers met een kritische mening over het coronabeleid in diskrediet te brengen? Zijn er «trollen» ingezet die snel en consequent reageerden op negatieve berichten over het coronabeleid? Door wie werd er opdracht gegeven voor deze activiteiten?
Dit klopt niet. De rijksoverheid brengt burgers met een kritische mening niet in diskrediet. De rijksoverheid zet geen trollen in.
Kunt u ontkrachten dan wel bevestigen dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) tijdens de coronacrisis betrokken was bij het persoonlijk benaderen van twitteraars om minder te twitteren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een inspectie-reactie richting een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar is gebaseerd op de overweging dat een ieder in beginsel vrij is zich te uiten over welk onderwerp dan ook, maar dat dit niet onbeperkt geldt voor BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren. In gevallen waarin een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar in strijd handelt met richtlijnen en professionele normen, kan de inspectie handhavend optreden.
Er zijn ook situaties waarin een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar zich zodanig uit of handelt dat niet direct duidelijk is of dit wel of niet in strijd is met richtlijnen en professionele normen, maar waarin de inspectie het nodig vindt de beroepsbeoefenaar te wijzen op de mogelijke effecten van (onjuiste) uitspraken of berichtgeving. Deze uitingen kunnen immers risicovolle verwarring met zich brengen voor patiënten en het vertrouwen in de zorgverlener of de geneeskundige zorg schaden. IGJ heeft in dit kader tijdens de coronacrisis een aantal individuele zorgverleners waarover meldingen zijn ontvangen, aangesproken op hun activiteiten. IGJ heeft brieven gestuurd om deze zorgverleners te wijzen op de mogelijke effecten van (onjuiste) uitspraken of berichtgeving omdat deze uitingen risicovolle verwarring met zich kan brengen voor patiënten en het vertrouwen in de zorgverlener of de geneeskundige zorg kan schaden. Zie ook de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer.11
IGJ bespreekt individuele casuïstiek met degenen die betrokken zijn. Het op sociale media inhoudelijk ingaan op casuïstiek is dan ook niet passend; waar relevant meldt IGJ dit ook via haar sociale media kanalen. Het individuen oproepen minder te twitteren maakt geen onderdeel uit van deze werkwijze. Daarnaast is het goed om op te merken dat IGJ burgers op sociale media actief uitnodigt om contact op te nemen met het Landelijk Meldpunt Zorg om een situatie te bespreken, omdat de inspectie waarde hecht aan signalen van burgers over de zorg.
Kunt u ontkrachten dan wel bevestigen dat de IGJ in 2018 individuen persoonlijk benaderde om minder te twitteren over specifieke zaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Is er sprake van structureel beleid om burgers direct of indirect te benaderen over hun berichten op social media die in de ogen van de overheid onwelgevallig zijn? Zo ja, wat houdt dat beleid in? Zo nee, hoe verklaart u al deze voorvallen? Bent u bereid hier afstand van te nemen?
Nee, dat beleid is er niet. Zoals in bovenstaand antwoord toegelicht heeft de IGJ een aantal zorgverleners over wie meldingen zijn ontvangen aangesproken op de effecten van hun uitspraken. Verder zijn er zijn geen voorvallen bekend waarbij dit gebeurd is.
Discriminatie bij de controle op de Basisregistratie Personen |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraken tijdens het plenaire debat over het wetsvoorstel inzake de Basisregistratie Personen, waarin u aangaf dat er door middel van risicoprofielen is gediscrimineerd en u heeft toegezegd dit te onderzoeken?1
Ja.
Hoe bent u van plan uw toezegging om de toedracht van deze discriminatie te onderzoeken gestand te doen, wie voert dit onderzoek uit en hoe waarborgt u de onafhankelijkheid van dit onderzoek?
In de brief die ik 25 maart jongstleden aan uw Kamer zond,2 gaf ik hierover het volgende aan. In oktober vorig jaar deelde mijn ambtsvoorganger met uw Kamer samenvattingen van alle risicoprofielen die sinds de start van het project in 2014 zijn gebruikt.3 Daartoe behoorde ook het profiel «Niet meer woonachtig in Nederland», dat in het verleden in het kader van LAA is gehanteerd door de Belastingdienst/Toeslagen, bij het onderdeel Toeslagen. Dit profiel betrof alleenstaande personen ouder dan 60 jaar die in het buitenland zijn geboren en staan ingeschreven op een woonadres in Nederland, met een lopende uitkering en eventueel een toeslag. Het signaal ging over de vraag of de betrokkene nog wel op het adres woonde. In het debat op 3 februari jongstleden over het wetsvoorstel BRP Landelijke Aanpak Adreskwaliteit,4 uitten leden Ceder, Leijten en Van Baarle hun bezwaren tegen dit profiel. Ook ik keur het af, omdat het feit dat iemand niet in Nederland is geboren, één van de selectiecriteria binnen dit profiel was. Ik heb uw Kamer toegezegd dat ik onderzoek hoe en waar dit profiel in het kader van LAA is toegepast.
Bij de Belastingdienst en Toeslagen is reeds intern onderzocht of de verwijzing naar het betreffende profiel terug te vinden is in het archief van de Terugmeldvoorziening. Ik kan u op dit moment melden dat de Belastingdienst/Toeslagen mij heeft laten weten dat er 22 signalen (terugmeldingen over 22 personen) zijn gevonden met een verwijzing naar het betreffende profiel. Deze signalen zijn eind 2015 aan een drietal gemeenten geleverd, daarna niet meer. De Belastingdienst/Toeslagen geeft voorts aan dat bij een van deze 22 personen het adres gewijzigd is in de BRP in de periode oktober 2015 tot oktober 2016. Dit betrof overigens een terugmelding die krachtens de beschikbare informatie niet door de gemeente in onderzoek genomen is. Er is sprake van een verlaging van de door betrokkene ontvangen toeslagen in 2016 ten opzichte van 2015. Er is ook bij drie andere personen (over wie een terugmelding is gedaan) een wijziging ten aanzien van de toeslagen in de betreffende periode geconstateerd. Bij een persoon had de wijziging betrekking op de aanvang van een partnerschap. Er was een verlaging van de door betrokkene ontvangen toeslagen in 2016 ten opzichte van 2015. Bij de twee andere personen had de wijziging betrekking op het gegeven dat naast de betrokkene ook een andere persoon in de betreffende periode op het adres ingeschreven is. Er is in beide gevallen sprake van een verhoging van de door betrokkene ontvangen toeslagen in 2016 ten opzichte van 2015. De Belastingdienst/Toeslagen heeft niet kunnen vaststellen of en in hoeverre de wijzigingen in de BRP en ten aanzien van de toeslagen verband houden met de terugmelding (LAA-signaal). Ook is het mogelijk dat de BRP-wijziging en de vermelde verlagingen en verhogingen van de toeslagen (mede) het gevolg zijn van andere oorzaken. Er zijn op dit moment aldus nog geen causale verbanden vastgesteld.
Ik laat onafhankelijk onderzoek uitvoeren door een externe forensisch onderzoeker naar de toepassing van dit profiel, onder andere bij de drie gemeenten. De resultaten van dit onderzoek wil ik zo spoedig mogelijk aan uw Kamer melden. Dit onafhankelijk onderzoek moet uitwijzen of er causale verbanden zijn tussen (1) het LAA-signaal (de terugmelding) – (2) een eventueel adresonderzoek – (3) een BRP-correctie – (4) een wijziging in toeslagen of uitkeringen. Het onderzoek zal aldus moeten uitwijzen wat er met de signalen is gebeurd en of deze daadwerkelijk door gemeenten in onderzoek zijn genomen. In dit onderzoek gaat het om de beoordeling van de 22 individuele gevallen. Daarvoor is het noodzakelijk om persoonsgegevens van betreffende personen te verwerken (op te vragen uit de BRP), zodat bij gemeenten de aanwezige dossiers kunnen worden opgevraagd. Hierbij moet vanzelfsprekend de privacy van betrokken personen voldoende gewaarborgd zijn. Als een correctie in de BRP heeft plaatsgevonden is de laatste stap om te achterhalen welke gevolgen die adrescorrectie had, voor bijvoorbeeld het recht op een toeslag of uitkering.
In hoeveel gevallen is het betreffende discriminerende profiel toegepast?
De Belastingdienst/ Toeslagen heeft mij laten weten dat er 22 signalen (terugmeldingen over 22 personen) zijn gevonden met een verwijzing naar het betreffende profiel. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Zijn er op grond van het betreffende profiel onderzoeken dan wel sancties toegepast? Zo ja, in hoeveel gevallen?
Dat is mij op dit moment niet bekend, het genoemde onafhankelijke onderzoek zal dit moeten uitwijzen. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Welke maatregelen neemt u om mensen die door het betreffende discriminerende profiel zijn gedupeerd tegemoet te komen?
Het is mij op dit moment niet bekend of dit profiel gevolgen heeft gehad voor de 22 personen, het genoemde onafhankelijke onderzoek zal dit moeten uitwijzen. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Wie waren op de hoogte van het bestaan van het betreffende profiel en hoe is dit profiel tot stand gekomen? Kunt u hierbij aangeven tot op welk ambtelijk niveau kennis was van het bestaan van dit profiel?
Het profiel is in 2015 opgesteld voor het project Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA) en is gehanteerd door de Belastingdienst/Toeslagen, bij het onderdeel Toeslagen. Ik ga ervan uit dat in ieder geval bij de Belastingdienst/ Toeslagen, bij stichting ICTU (uitvoering LAA) en bij de drie gemeenten die de betreffende signalen ontvingen op ambtelijk niveau kennis was van het bestaan van dit profiel. Tot op welk ambtelijk niveau deze kennis er was en wie of welke gremia verder precies op de hoogte waren is mij niet bekend.
Waren er kabinetsleden op de hoogte van het bestaan van dit betreffende profiel?
Het is niet gebruikelijk dat bewindslieden op de hoogte zijn van de profielen binnen LAA. Uiteraard is mijn ambtsvoorganger in oktober 2021 op de hoogte gebracht van het overzicht van de profielen die met uw Kamer zijn gedeeld. Het betreffende profiel maakt onderdeel uit van dit overzicht.
Zijn er besluitvormende stukken of stukken van een andere aard waarin over dit profiel is geschreven of stukken waarin dit profiel vermeld wordt? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer?
Ik ga ervan uit dat er stukken zijn waarin dit profiel gemeld wordt. Zoals aangeven in het antwoord op vraag 2 laat ik onafhankelijk onderzoek uitvoeren door een externe forensisch onderzoeker naar de toepassing van dit profiel.
Wat was de achterliggende reden om dit betreffende profiel te hanteren?
Het profiel is toegepast in het kader van het project Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA). Het doel was om onjuiste adresgegevens in de BRP te vinden en te corrigeren. Het profiel ging over de vraag of de betrokkene nog wel op het adres woonde.
Worden er maatregelen genomen ten aanzien van de personen die verantwoordelijk zijn voor het betreffende profiel?
Dat is niet aan de orde.
Zijn er andere profielen toegepast waarbij er mogelijk is gediscrimineerd? Zo ja, welke?
In oktober vorig jaar deelde mijn ambtsvoorganger met uw Kamer samenvattingen van alle risicoprofielen die sinds de start van het project in 2014 zijn gebruikt.5 Daartoe behoorde ook het profiel waar deze vragen op zien. Hierbuiten zijn er geen profielen binnen LAA gehanteerd. Zoals volgt uit deze samenvattingen was het feit dat iemand niet in Nederland is geboren, in de overige profielen geen selectiecriterium.
Voor het project LAA is in 2018 een Privacy Impact Assessment (PIA) verricht door een onafhankelijk onderzoeksbureau. De PIA belicht onder andere het risico op discriminatie op grond van bijzondere persoonsgegevens. Over het project oordeelt de PIA dat discriminatie feitelijk zou kunnen plaatsvinden, omdat informatie over iemands afkomst afgeleid kan worden uit bijvoorbeeld de naam. De onderzoekers concluderen dat deze gegevens niet als criteria worden gebruikt in de aanpak, waardoor LAA binnen de grenzen blijft van wat als objectief gerechtvaardigd wordt gezien door de Nederlandse bestuursrechter en het EVRM. De PIA bevat op dit onderdeel (voorkomen van discriminatie) geen adviespunten.
Bent u bereid om op grond van het toegepaste discriminerende profiel aangifte te doen van een mogelijk ambtsmisdrijf? Zo nee, waarom niet?
Dat is niet aan de orde.
Bent u bereid om uw excuses aan te bieden vanwege het hanteren van een discriminerend profiel?
Zoals ik heb aangegeven in het debat met uw Kamer op 3 februari jongstleden keur ik de toepassing van dit profiel af.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden voor de voortzetting van het plenaire debat?
Ja.
Het artikel 'Baanbrekende technologie kan CO2-uitstoot met 99 procent verminderen' |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Baanbrekende technologie kan CO2-uitstoot met 99 procent verminderen» door Wetenschap in Beeld?1
Ja.
Hoe apprecieert u de nieuwe techniek om door middel van een elektrochemisch systeem op basis van waterstof, CO2 uit de lucht te onttrekken? Welke mogelijkheden ziet u voor Nederland om aan te sluiten bij dit onderzoek? Bent u ook voornemens om dit te gaan doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het betreft een interessant onderzoek naar een nieuwe technologie om CO2 uit de lucht te filteren door het gebruik van waterstof. De technologie legt de CO2 niet definitief vast zodat het niet direct een oplossing biedt voor het klimaatvraagstuk. Zoals aangeven bij het antwoord op vraag 4 loopt er een verkennend onderzoek naar de mogelijkheden van technieken die negatieve emissies veroorzaken. In de kabinetsreactie op dat onderzoek wordt de kabinetsinzet toegelicht.
Wat is het huidige kabinetsbeleid ten opzichte van het onttrekken van CO2 uit de lucht door bijvoorbeeld de toepassing van Carbon capture and utilization (CCU) of andere vormen van negatieve emissies? Welke rol en potentie ziet u hiervoor weggelegd in de energietransitie?
Het huidige beleid richt zich met name op het faciliteren van CCUS voor vermijding van fossiele CO2-uitstoot, zoals via de SDE++, maar het kabinet onderkent de mogelijke bijdrage van CCU op basis van biogene CO2 en atmosferische CO2 (Direct Air Capture (DAC). Met die technieken kan gekomen worden tot negatieve emissies, mits de CO2 daarbij permanent wordt vastgelegd. Negatieve emissies kunnen nodig zijn ter compensatie van lastig te mitigeren emissies. Het kabinet zal hier aandacht aan besteden in de update van de langetermijnstrategie die in 2019 bij het Klimaatplan is aangeboden aan uw Kamer en ingediend bij de Europese Commissie. Het kabinet wil deze visie als onderdeel van het nieuwe Klimaatplan op basis van de Klimaatwet (eind 2023/begin 2024) gereed hebben.
Wat is de huidige stand van zaken in Nederland op het gebied van technieken die bijdragen aan het afvangen en verwijderen van CO2 uit de lucht? Welke technieken zijn er beschikbaar en welk onderzoek loopt er? Wat doet de overheid om dit te stimuleren en wat is hier het afwegingskader?
Naar aanleiding van de motie van 8 juli 2021 van de leden Henri Bontenbal (CDA) en Mustafa Amhaouch (CDA) is een verkennend onderzoek gestart naar de mogelijkheden van technieken die negatieve emissies veroorzaken. De resultaten van dit onderzoek verwacht ik u voor de zomer met een kabinetsreactie toe te sturen.
Wat is er nodig om technieken voor het afvangen en verwijderen van CO2 uit de lucht verder op te schalen in Nederland? Welke knelpunten ervaren de verschillende technieken en wat kan de overheid hieraan doen?
In de brief waarmee ik het onderzoek, waar in het antwoord op vraag 4 naar verwezen wordt, aan de Tweede Kamer aanbiedt zal ik ook ingaan op het beantwoorden van deze vraag.
De nieuwe cao-afspraken voor personeel in de Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) |
|
Liane den Haan (GOUD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het feit dat de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA)-indexatieafspraken maken dat zorgmedewerkers nog niet de helft van de voorziene inflatie in dit jaar gecompenseerd krijgen?
De ova-systematiek is erop gericht dat de loonontwikkeling in de zorg gelijke tred kan houden met die in de markt. De afgelopen jaren hebben laten zien dat deze systematiek werkt.
Inflatie is een fenomeen dat niet beperkt blijft tot de zorg, dit treft de gehele samenleving en is onderwerp van kabinetsbreed koopkrachtbeleid. Met oog op de stijgende energieprijzen en de aanhouden inflatie heeft het kabinet hiervoor in de Kamerbrief «Aanvullende koopkrachtmaatregelen 2022» van 11 maart 2022 een maatregelenpakket aangekondigd.
Hoe oordeelt u over het feit dat lonen in de zorg zes tot negen procent achterblijven bij de publieke sector en het bedrijfsleven?
Waarschijnlijk wordt hier gedoeld op het SER-advies «Aan de slag voor de zorg» uit mei 2021. Hierin wordt gerefereerd aan onderzoek van de AWVN waaruit blijkt dat voor vier van de vijf in het onderzoek betrokken branches de eindsalarissen in de salarisschalen in het middengebied van het loongebouw gemiddeld 9% achterblijven bij die in de markt en 6% bij die in de publieke sector.
Hierbij zij opgemerkt dat het heel lastig is om salarissen te vergelijken. Zo zorgen toeslagen als de onregelmatigheidstoeslag juist in de zorg voor een aanzienlijke verhoging van het verdiende salaris. Andere sectoren kennen toeslagen veel minder.
Desalniettemin heeft het vorige kabinet een extra stap gezet door met ingang van 2022 een structureel bedrag van 675 miljoen euro beschikbaar te stellen voor de middengroepen, waarmee circa 1,5% extra salarisverhoging voor deze groep mogelijk is. Inmiddels zien we extra stappen ook terug in nieuwe cao-akkoorden, waaronder het in maart overeengekomen onderhandelaarsakkoord voor de nieuwe cao VVT waarin een salarisverhoging is afgesproken die kan oplopen tot circa 6,25%.
De komende jaren zal het kabinet jaarlijks de ova ter beschikking blijven stellen waarmee de salarissen in de zorg kunnen blijven stijgen.
Daarnaast zal dit kabinet de komende jaren inzetten op zaken die zeker zo belangrijk zijn voor zorgverleners om zich gewaardeerd te voelen, zoals werkplezier dat bijdraagt aan hun behoud voor de zorg. Denk hierbij aan het vergroten van zeggenschap voor zorgmedewerkers, eigen regie en vermindering administratieve lasten. Over de voorgenomen plannen zal ik u voor het commissiedebat arbeidsmarkt van 11 mei aanstaande informeren.
Bent u het ermee eens dat het achterblijven van de lonen in de Verpleging, Verzorging en Thuiszorg (VVT) de kans vergroot dat personeel in de VVT-sector vertrekt en dat het minder aantrekkelijk is om aan de slag te gaan in die sector? Zo nee, waarom niet? Bent u ook van mening dat dit zeer onwenselijk is, gezien het grote tekort aan personeel dat er nu al is? Zo nee, waarom niet?
De lonen in de VVT verhouden zich goed tot de lonen in andere zorgsectoren en zijn daarmee geen reden tot vertrek uit de VVT-sector. Daarbij komt dat uit het uitstroomonderzoek van RegioPlus blijkt dat salaris niet tot de top 5 redenen behoort om de sector te verlaten. Daarvoor zijn uitdaging in de werkzaamheden, loopbaanmogelijkheden, de manier van werken en aansturing belangrijker. Het is ook daarom dat we de komende jaren nadrukkelijker gaan kijken naar goed werkgeverschap. In het onderhandelaarsakkoord over de cao VVT zie ik verschillende afspraken waarin de branche hierin ook zijn verantwoordelijkheid pakt.
Klopt het dat de cao van ziekenhuizen hoger uitpakt dan de cao van de VVT? Zo ja, bent u van mening dat het voor zorgpersoneel in de VVT aantrekkelijker is om te gaan werken in ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Cao’s zijn niet eenvoudig met elkaar te vergelijken. Cao’s behelzen veel meer dan alleen salarisschalen en procentuele loonstijgingen. Ook niet direct salaris gerelateerde zaken zijn profijtelijk voor medewerkers en kosten werkgevers geld. Daarbij verschillen de looptijden van cao’s. Over de jaren heen zien we dat de salarisontwikkeling in de meeste branches zich gelijksoortig ontwikkeld en dat er voor vergelijkbare functies een vergelijkbaar salaris wordt betaald.
Salaris blijkt ook niet tot de belangrijkste reden voor uitstroom. Uit het uitstroomonderzoek van Regioplus blijken er belangrijker vertrekredenen te zijn dan salaris. Het gaat hierbij om zaken als uitdaging in de werkzaamheden, de manier van werken en aansturing, loopbaanmogelijkheden, werksfeer en samenwerking en inhoud werk / type cliënten.
Vindt u dat zorgverzekeraars moeten meehelpen om de door de SER geconstateerde kloof van zes tot negen procent in de tarieven te compenseren zodat het loongebouw in de langdurige zorg weer marktconform wordt?
Cao’s worden door werkgevers en vakbonden gesloten aan de cao-tafel. Zorginkopers onderhandelen met zorgaanbieders, de werkgevers, over tarieven. Beide onderhandelingen zijn aan de private partijen in de zorg. Daarbij geldt dat zorgverzekeraars zich via de hoofdlijnakkoorden (waaronder wijkverpleging) hebben gecommitteerd om de ova door te vertalen in de tarieven. Binnen de Wlz wordt het ova-percentage gebruikt om de maximumtarieven vast te stellen waarbinnen zorgkantoren en zorgaanbieders onderhandelen over de tarieven.
Bent u voornemens om naast de 675 miljoen euro die is vrijgemaakt, dat maar zorgt voor 1,13 procent loonruimte, de jaarlijkse onderuitputting van de ramingen in de wijkverpleging te gebruiken voor een gedegen salarisverhoging in de VVT? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet voornemens om – naast de al vrijgemaakte 675 miljoen euro – een eventuele onderuitputting in te zetten voor een extra salarisverhoging binnen de VVT of wijkverpleging.
Met de jaarlijkse overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova) kent de zorg een bewezen werkzame systematiek die een concurrerende salarisontwikkeling voor de zorgmedewerkers mogelijk maakt.
Daarbij komt dat het huidige ova-convenant geen ruimte laat voor differentiatie in het ova-percentage tussen sectoren. Dit zou alleen kunnen via aanvullende afspraken met een representatie meerderheid van de werkgevers. Het is zeer de vraag of een meerderheid van de werkgevers hiermee akkoord zou gaan.
Tot slot zou het inzetten van een eventuele onderuitputting (op termijn) leiden tot een stijging van de zvw-premie.
Het bericht dat banken contant geld van bedrijven weren |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Banken weren contant geld, bedrijven radeloos»?1
Ja.
Klopt het dat banken, om witwasrisico’s te beperken, contante transacties sterk willen terugdringen of zelfs verbieden? Zo ja, om welke banken gaat het hier?
Banken zijn op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) verplicht om cliëntenonderzoek uit te voeren en mitigerende maatregelen te nemen bij verhoogde witwasrisico’s. Door de toenemende aandacht voor de uitvoering van de Wwft door poortwachters, in het bijzonder financiële instellingen, zie ik dat bedrijven vaker geconfronteerd worden met de gevolgen van de uitvoering van de Wwft en bijvoorbeeld gevraagd worden meer informatie en documentatie aan te leveren dan voorheen. Ik heb geen volledig overzicht van de banken die mitigerende maatregelen nemen op het gebied van contant geld en hoe die mitigerende maatregelen er precies uit zien. Uit navraag bij de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), begrijp ik dat er geen algemeen maximumpercentage voor cashtransacties is bij hun leden. Wel heb ik signalen ontvangen dat er banken zijn die klanten, waarbij sprake is van excessief gebruik van contant geld, vragen om het aantal contante transacties terug te brengen naar een niveau dat meer aansluit bij het gemiddelde gebruik van contant geld in de sector. Ik kan mij voorstellen dat het ingrijpend kan zijn wanneer een bank, vooral na een lange zakelijke relatie, om uitvoerige documentatie verzoekt of vraagt om het gebruik van contant geld terug te dringen. Gelet op de opgave voor de samenleving om criminele geldstromen te stoppen, is het onvermijdelijk dat ook ondernemers in aanraking komen met de gevolgen van de eisen die horen bij de poortwachtersfunctie. Ik verwacht van banken en andere instellingen dat zij daarbij redelijk te werk gaan en transparant hun klanten informeren over de verplichtingen die op hen rusten. Ik verwacht daarbij ook dat dit in overleg tussen de bank en de cliënt plaatsvindt en er zo nodig tot maatwerk gekomen kan worden indien de contantgeldbehoefte groter is dan wat de bank wenselijk vindt. Dit hangt af van het risicoprofiel van de klant.
Met welke obstakels hebben bedrijven precies te maken en in welke sectoren willen (bepaalde) banken het gebruik van contant geld helemaal verbieden? Klopt het bijvoorbeeld dat bedrijven een limiet van tien procent contante transacties krijgen opgelegd, met een bepaalde snelheid contante betalingen moeten afbouwen en dat zelfs bankrekeningen van bedrijven worden opgezegd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan voorkomen worden dat de inspanning van banken om witwassen en fraude op te sporen doorslaat?
Zoals ik eerder heb aangegeven2 ben ik voornemens om de Algemene leidraad Wwft zo aan te passen dat duidelijk wordt dat het feit dat bepaalde typen cliënten of producten een inherent verhoogd risico met zich meebrengen geen reden kan zijn om dit type cliënten categoraal te weigeren. Dat blijkt al uit de Leidraad van DNB3. Deze verduidelijking komt tegemoet aan de motie van het lid Azarkan4. Ook in het Convenant Contant Geld, dat ik op 8 april heb aangeboden aan uw Kamer5, biedt DNB richtlijnen over hoe banken hun verplichtingen uit anti-witwasregelgeving kunnen naleven in relatie tot (de toegang tot) chartale dienstverlening. Zo is onder andere afgesproken dat banken de medewerking van toonbankinstellingen kunnen vragen, binnen de grenzen van de geldende wetgeving, om mogelijke witwas- of andere criminele transacties te achterhalen. Waarbij banken toezeggen dat de gevraagde medewerking proportioneel is. Ook is afgesproken dat banken zich ertoe verbinden de anti-witwas- en anti-terrorismemaatregelen die het gebruik van contant geld kunnen beïnvloeden, proportioneel in te zetten en toe te spitsen op de specifieke risico’s per cliënt zodat het legitieme gebruik van contant geld niet wordt gehinderd.
Met de wijziging van de Algemene leidraad Wwft en de verschillende richtlijnen vanuit DNB ga ik ervan uit dat banken blijven bij de reeds geldende individuele risicobeoordeling, zodat hele sectoren toegang blijven houden tot het betalingsverkeer. Bij het stellen van beperkende maatregelen vind ik het belangrijk dat de bank kijkt naar de behoefte van de klant in relatie tot het risicoprofiel. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt in de noodzaak en gerichtheid van de beperking, bijvoorbeeld voor contant geld. Daarnaast vind ik het belangrijk dat eventuele maatregelen genomen worden na gedegen cliëntonderzoek en overleg met de klant in kwestie.
Bent u het eens met de stelling dat contant geld een wettig betaalmiddel is en hoort te blijven? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid te treffen om dit te bewerkstelligen en om de obstakels die bedrijven ervaren weg te nemen?
Ik ben het eens met de stelling dat contant geld een wettig betaalmiddel is en blijft. Gelet op de status van contant geld als wettig betaalmiddel is bijvoorbeeld in de Europese strategie voor retailbetalingen6 opgenomen dat lidstaten de acceptatie en bereikbaarheid van contant geld als publiek goed dienen te waarborgen, zodat het als betaalmiddel bruikbaar blijft. Met ditzelfde doel zijn afspraken gemaakt door de belangrijkste partijen uit het betalingsverkeer, die zijn vastgelegd in het eerder aangehaalde Convenant Contant Geld. In dit convenant wordt onder meer onderkend dat naarmate het feitelijke gebruik van contant geld verder afneemt, de vraag nadrukkelijker aan de orde komt hoe het publieke belang van contant geld het beste geborgd kan worden. Daarom zal ik in samenwerking met DNB het komende jaar een onafhankelijk onderzoek uit laten voeren om uit te werken op welke manier het publieke belang het beste geborgd kan worden. Hierbij zullen alle varianten worden onderzocht, variërend van meer publieke tot meer private oplossingen.
Risico’s op zinkgaten en milieuschade in Twente. |
|
Faissal Boulakjar (D66) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Is er een caverne «aan de wandel» onder afvalverwerker Twence?»1
Ja, ik ken het artikel.
Wat kunnen de gevolgen zijn als blijkt dat deze caverne op instorten staat en zich richting het aardoppervlak met de vuilnisbelt verplaatst?
Uit het onderzoek is tot nu toe gebleken dat de caverne is ingestort. Wat er daarna is gebeurd wordt nu verder onderzocht. Het onderzoek van Nobian zal in mei 2022 gereed zijn en worden ingediend bij SodM. SodM zal het onderzoek daarna beoordelen en publiceren. Het onderzoek is gericht op drie mogelijk scenario’s. Hieronder volgt een opsomming daarvan en een korte duiding:
Deelt u de zorgen van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) dat een risico op een zinkgat onder een vuilstort forse milieuconsequenties kan hebben, namelijk ernstige vervuiling van bodem en grondwater door afvalstoffen uit de opslag?
Ja, ik deel deze zorg. Deze zorg was voor SodM de reden om Nobian aan te spreken om duidelijkheid te geven over de stabiliteit van de cavernes onder de vuilstort Twence. Nobian heeft vervolgens de cavernes aangeboord en metingen uitgevoerd.
De caverne bevindt zich onder de vuilstort van Twence. Het betreft een deel van de vuilstort waar geen gevaarlijk afval is gestort. De gedeputeerde staten van de provincie Overijssel zijn in de brief2 van 29 maart 2022 verder ingegaan op de samenstelling van het gestorte afval. Uit het lopende onderzoek zal blijken of het instorten van de caverne heeft geleid tot bodemverontreiniging (scenario 3 volgens het antwoord vraag 2).
Deelt u ook de mening dat ernstige vervuiling van de bodem en het grondwater door afvalstoffen uit een opslag altijd voorkomen moeten worden? Zo ja, hoe gaat dat ook in dit geval worden voorkomen?
Ja, ik ben het daarmee eens. De verontreiniging van de bodem en het grondwater moet altijd worden voorkomen.
Uit het lopende onderzoek zal blijken of er verontreiniging is opgetreden. Als dit het geval is dan zullen er maatregelen moeten worden genomen om de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken en de verontreiniging te saneren. SodM en de Omgevingsdienst Twente houden hier toezicht op.
Welke actie wordt er ondernomen om het risico op forse milieuconsequenties te verkleinen nu blijkt dat een van de zoutcavernes niet te traceren is? Op welke termijn zijn hiervan de resultaten te zien?
SodM heeft Nobian gevraagd om vast stellen welke van de drie hierboven genoemde scenario’s van toepassing is. Nobian en Twence hebben aangegeven dat het onderzoek in mei 2022 gereed zal zijn. Daarna zal SodM besluiten of er maatregelen moeten worden genomen.
Hoe wordt gezorgd dat de bestuurlijke spaghetti waarbij de verantwoordelijkheid voor milieuschade en veiligheid verdeeld is tussen Nobian, Twence, het SodM en overheden niet zorgt voor problemen?
De verdeling van verantwoordelijkheden is helder. Nobian is verantwoordelijk voor de effecten van de zoutwinning. Twence moet er voor zorgen dat er geen stoffen uit de stortplaats in de bodem terecht kunnen komen. Nobian werkt samen met Twence aan het onderzoek. SodM is als toezichthouder betrokken (toezicht op Nobian) en trekt samen op met de Omgevingsdienst Twente (toezicht op Twence). De toezichthouders hebben afgesproken om het verloop gezamenlijk op te pakken.
Deelt u de mening dat een vuilstortplaats niet bovenop twee zoutcavernes aangelegd zou moeten worden? Waarom is hier toch voor gekozen?
Ja, ik deel die mening, op basis van de kennis die er nu is. De afvalinrichting Twence is eind jaren ’80 door de provincie Overijssel vergund en boven de desbetreffende cavernes aangelegd. Sinds die tijd zijn de inzichten over de stabiliteit van deze cavernes veranderd.
Na het ontstaan van een zinkgat in Hengelo in 1991 is er een gedetailleerd onderzoek gestart naar de stabiliteit van cavernes. Uit dit onderzoek bleek dat er circa 60 potentieel instabiele cavernes zijn. De potentieel instabiele cavernes worden gemonitord. SodM houdt hier toezicht op. Nobian heeft met SodM een prioritering gemaakt op basis waarvan de cavernes deels worden opgevuld. De gedeeltelijke opvulling zorgt ervoor dat er geen zinkgat kan ontstaan op het moment dat de caverne instabiel is geworden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De prijzen van het openbaar vervoer |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de prijs van treinkaartjes van de NS jaarlijks meestijgt met de inflatie?
In de concessie voor het hoofdrailnet is opgenomen dat NS de tarieven voor de beschermde kaartsoorten1 kan corrigeren voor inflatie (zoals weergegeven in de consumentenprijsindex (CPI) in de Macro Economische Verkenningen MEV) en met een eventuele wijziging van de gebruiksvergoeding voor het spoor.
Kunt u een algemeen beeld geven van de manier waarop prijsstijgingen geregeld zijn in de openbaar vervoersconcessies van provincies en vervoerregio’s in relatie tot inflatie?
In het decentrale OV is een manier van indexeren afgesproken voor zowel hun OV tarieven als voor de subsidiebijdrage van decentrale OV autoriteiten aan vervoerders. De indexatiewijze is gebaseerd op de algemene kostenverandering in het decentraal OV gemeten via de lonen, de energieprijzen en overige kosten, waarbij de overige kosten de inflatie volgen. Deze drie componenten worden afgeleid uit de door CBS en CPB gepubliceerde cijfers. De componenten worden met verschillende wegingsfactoren in een mandje gecombineerd tot een Landelijke Tarieven Index (LTI) voor landelijke kaartjes en een Landelijke Bijdrage Index (LBI) voor de subsidiebijdragen van decentrale overheden. In de mandjes wegen de lonen het zwaarst (ca 65%) en op dit moment wegen de energiekosten voor ongeveer 10% mee.
De wegingen verschillen per modaliteit (bus, tram en trein) en naar energiesoort (diesel, gas, elektriciteit). Elke 3 jaar wordt de weging van de verschillende componenten in het mandje opnieuw bepaald. En jaarlijks wordt een jaarprognose bepaald van de indexen, die in de volgende jaarlijkse berekening eventueel worden gecorrigeerd voor de realisatie in het afgelopen jaar. Dus voor de tarieven wordt de gerealiseerde inflatie over 2021 gecorrigeerd in de LTI 2023 en die van 2022 wordt gecorrigeerd in de LTI 2024.
Zou u het ook onacceptabel vinden als kaartjes voor de trein, tram of bus in een jaar met 5% of meer stijgen?
Wanneer als gevolg van de inflatie de prijzen in Nederland stijgen, dan geldt dat logischerwijs ook voor het OV. Immers ook de vervoerders worden geconfronteerd met hogere kosten die gecompenseerd moeten worden om financieel gezond te blijven. Ik begrijp dat een stijging van de tarieven geen aantrekkelijk perspectief is, maar zoals in de antwoorden op vraag 1 en 2 beschreven zijn de prijzen wel verbonden met de inflatie. Net als in andere sectoren kunnen deze kosten worden doorberekend.
Bent u het eens dat voorkomen moet worden dat de prijzen van ov-kaartjes volledig geïndexeerd worden bij de huidige exceptioneel hoge inflatie?
Zie ook het antwoord op vraag 2, waarin de spelregels voor het bepalen van de prijs van OV-kaartjes is toegelicht. De tariefvoorstellen moeten voor advies per concessie worden voorgelegd aan de consumentenplatforms. Na reactie op dat advies worden de tarieven definitief vastgesteld.
Bent u bereid om met de NS om de tafel te gaan zitten om ervoor te zorgen dat treinkaartjes niet veel duurder worden?
Het tariefbeleid van NS is, binnen de spelregels van de concessie, een eigen verantwoordelijkheid van NS. Op grond van de concessie mag NS de tarieven corrigeren voor de inflatie. Zie ook mijn antwoord op vraag 1. NS zal haar binnenlandse tarieven overigens pas weer per 1 januari 2023 aanpassen. De procedure hiervoor zal rond augustus 2022 starten met een adviesaanvraag aan de consumentenorganisaties vertegenwoordigd in het LOCOV.
Bent u bereid om er samen met provincies en vervoerregio’s voor te zorgen dat ook de bussen, trams, metro’s en de regionale treinen niet veel duurder worden?
Zoals uit voorgaande antwoorden blijkt, heb ik geen bevoegdheid ten aanzien van de regionale OV tarieven. Ik kan dus niet voorkomen dat die tarieven duurder worden per 1 januari 2023.
Concept vonnissen en inloopkamers |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het publiceren van een concept vonnis door de Raad voor de Rechtspraak?1
Het concept-vonnis is op dinsdag 8 maart 2022 per abuis op www.rechtspraak.nl gepubliceerd. De rechtbank Rotterdam heeft op haar website uitgelegd wat er is gebeurd.2 De organisatie van de rechtspraak is goed op orde, maar een ongeluk is niet helemaal uit te sluiten. Daarbij wil ik benadrukken dat de publicatie van het vonnis geen betekenis heeft voor de rechtsgeldigheid van het vonnis, omdat het vonnis niet was ondertekend en niet was uitgesproken. Dat het toch gepubliceerd werd onder het nummer van de wel uitgesproken zaak, is een betreurenswaardige vergissing geweest.
Kunt u nagaan hoe een concept vonnis op de website van de Rechtspraak is beland?
Zoals in mijn antwoord op vraag 1 vermeld, heeft de rechtbank Rotterdam op haar website uitleg gegeven: Op 8 maart is er uitspraak gedaan tegen twee verdachten in de zaak-Sherwood en is per abuis een vonnis van de derde verdachte online verschenen, terwijl dat vonnis niet was getekend of was uitgesproken. Het ging om het vonnis van een verdachte die nog gehoord moest worden, maar waarvan in eerste instantie ook op 8 maart een uitspraak zou volgen. Op 2 februari 2022 zijn de zaken tegen de drie verdachten in de zaak-Sherwood behandeld. De feiten zijn besproken, de officier heeft het requisitoir gehouden en er is door een van de advocaten gepleit. De advocaat van de verdachte M., die aan het begin van de zitting gemachtigd was, heeft de rechtbank aan het eind van de zitting laten weten dat hij niet langer gemachtigd was. De rechtbank heeft toen bepaald dat het onderzoek in alle drie de zaken op 8 maart zou worden gesloten en dat de vonnissen direct daarna zouden worden uitgesproken. Na de zitting op 2 februari zijn in alle drie de zaken vonnissen gemaakt. In de aanloop naar de zitting van 8 maart heeft de advocaat van de verdachte M. de rechtbank laten weten dat hij de verdachte weer bijstond en heeft gevraagd of hij alsnog kon pleiten op 8 maart. De rechtbank heeft hiermee ingestemd. De zaken van de twee medeverdachten zijn op 8 maart gesloten en er is meteen uitspraak gedaan. In de zaak van verdachte M. zou nog gepleit worden, waarna de uitspraak zou worden bepaald. De zaak van verdachte M. is op 8 maart aangehouden op verzoek van zijn raadsman. Het oordeel van de rechtbank dat was opgeschreven in het vonnis dat in die zaak al gemaakt was naar aanleiding van de afgeronde behandeling van de zaak op 2 februari was niet definitief, omdat er in die zaak nog gepleit zou worden.
Kunt u toelichten waarom de Rechtspraak met concept vonnissen werkt, aangezien dit de suggestie wekt dat de rechter zijn oordeel al klaar heeft voordat beide partijen voldoende gehoord zijn?
Navraag bij de Raad voor de Rechtspraak leert dat er in het strafrecht voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling standaard niet met concept-vonnissen wordt gewerkt. Het oordeel van een rechter staat pas vast als de uitspraak is ondertekend en in het openbaar is uitgesproken. In de Rotterdamse zaak is men ervan uit gegaan dat de inhoudelijke behandeling was afgerond en is begonnen met het opstellen van het vonnis (in concept). Dat document (niet het rechterlijk oordeel) is per abuis samen met de uitspraken in de zaken van de medeverdachten (de inhoudelijke behandeling in die zaken was wel afgerond) gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Hoeveel vaker komt het voor dat rechtbanken en gerechtshoven in strafzaken conceptvonnissen opstellen nog voor de behandeling ter terechtzitting, waarbij het concept dan dient als toetssteen voor de inhoudelijke behandeling? Is dat niet de verkeerde volgorde?
Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Was hier sprake van een zaak die is behandeld door een inloopkamer?
Nee. De Rotterdamse zaak is behandeld door een reguliere meervoudige strafkamer van dat gerecht.
Wat is uw reactie op het artikel «Wie is uw rechter anno 2022?»?2
De auteur gaat in haar artikel in op wie de rechter is in een geschil en focust zich daarbij in de eerste plaats op de positionering van de juridisch medewerker in het te wijzen vonnis. De auteur vraagt zich af waar je de grens kan leggen, wil de samenwerking tussen de rechter en de juridisch medewerker tot uitdrukking gebracht kunnen worden, zonder daar een antwoord op te willen formuleren. Mijn reactie op de uiteenzetting van de auteur is dat het een gegeven is – gelet op de Wet op de rechterlijke organisatie – dat in ieder geval geen sprake is van gelijkwaardigheid tussen de rechter en de juridisch medewerker. Het antwoord op de vraag wie nu de beslissing neemt in een geschil is dus eenvoudig te beantwoorden: dat is de rechter. Daarnaast maakt de auteur verschillende (kritische) opmerkingen over de werkwijze van de inloopkamers, die de zaaktoedeling en het onmiddellijkheidsbeginsel betreffen. Hiervoor verwijs ik u naar mijn antwoorden op vraag 7 en 8.
Vindt u dat het onmiddellijkheidsbeginsel voldoende is gewaarborgd bij het werken met de inloopkamers en dat die werkwijze voldoende transparant is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het onmiddellijkheidsbeginsel houdt in dat vonnissen in beginsel moeten worden gewezen door de rechter(s) ten overstaan van wie partijen op de mondelinge behandeling zijn gehoord. Mijn antwoord op uw vraag is dan ook bevestigend. Immers, nadat het dossier aan de inloopkamer is overgedragen, wordt het hele dossier gelezen en vindt overleg plaats tussen de juridisch medewerker uit de inloopkamer en de betreffende zittingsrechter. In het proces van het opstellen van het vonnis vindt, waar nodig, eveneens overleg plaats tussen de juridisch medewerker uit de inloopkamer en de zittingsrechter. Ondanks dat in zogenaamde gebonden zaken (die aan de inloopkamer worden overgedragen) het vonnis weliswaar wordt voorbereid door medewerkers uit de inloopkamer, wordt het vonnis te allen tijde gewezen door de zittingsrechter. De verantwoordelijkheid voor het vonnis ligt dan ook bij de zittingsrechter, zoals het onmiddellijkheidsbeginsel dat vereist.
Kunt u uitleggen hoe de toewijzing van inloopzaken verloopt? Gebeurt dit ook willekeurig zoals de Code zaakstoedeling voorschrijft? Zo nee, waarom niet?
Sinds maart 2021 is een nieuw initiatief van start gegaan. Gerechten die daar behoefte aan hebben kunnen ondersteund worden door de zogenoemde inloopkamer. De inloopkamer kan werkvoorraden die (te lang) op de plank liggen voor deze gerechten afhandelen. Doordat de inloopkamer met meer focus kan werken, kan er versnelling komen in de afhandeling van zaken en krijgen rechtszoekenden sneller duidelijkheid.
De inloopkamer bestaat uit verschillende inloopteams. Het gaat in eerste instantie om vijf inloopteams. Voor de rechtbanken (eerste aanleg) gaat dit om bestuursrecht, familierecht, strafrecht en civiel recht. Voor de gerechtshoven (hoger beroep) gaat dit om civiele zaken. De toewijzing van zaken aan de inloopteams geschiedt willekeurig, tenzij het gebonden civiele zaken betreft (zie het antwoord op vraag 7). In dat geval blijft de zaak op naam staan van de zittingsrechter.
Exportsteun uit Nederlands belastinggeld voor een omstreden project op de Filipijnen (deel 2) |
|
Christine Teunissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse «Maasvlakte» in de baai van Manilla staat haaks op bescherming natuur»?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden op de schriftelijke vragen van 27 augustus 2021 over exportsteun uit Nederlands belastinggeld voor een omstreden project op de Filipijnen?2
Ja.
Hoe ziet u het New Manilla International Airport project (NMIA) in het kader van beleidscoherentie met duurzame ontwikkeling, bijvoorbeeld als het gaat om Strategic Development Goal (SDG) 17.14 «Beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling versterken»?
Het project NMIA betreft de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een nieuw vliegveld en bijgelegen economische zaken nabij de Filipijnse hoofdstad Manilla. Het project draagt bij aan het vergroten van de bereikbaarheid van de regio rond Manilla en de Filipijnen als geheel. De verwachting is dat het project bijdraagt aan de werkgelegenheid en economie in de Filipijnen. Daarmee draagt het project bij aan SDG 8 (eerlijk werk en economische groei) en SDG 9 (industrie, innovatie en infrastructuur). Het project is zorgvuldig getoetst aan de relevante nationale wet- en regelgeving en internationale beleidskaders op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Daarmee is invulling gegeven aan SDG 17.14, die toeziet op de versterking van beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling.
Kunt u hierbij ingaan op de door Deltares met financiële steun door de Nederlandse overheid ontwikkelde Manilla Bay Sustainable Development Masterplan (MBSDMP), waaruit blijkt dat de omgeving Bulacan aanmerkt als «strict protection zone» en de ontwikkeling in het desbetreffende gebied ontraadt vanwege het negatieve effect op biodiversiteit, overstromingsgevaar en bodemdaling?
Het MBSDMP is een advies aan de overheid van de Filipijnen. Het is een plan voor de duurzame ontwikkeling van de baai van Manilla. De ontwikkeling van de luchthaven maakt formeel geen onderdeel uit van het masterplan. In het masterplan worden desalniettemin een aantal aanbevelingen gedaan gericht op mitigatie, preventie en compensatie van nadelige effecten in de baai van Manilla nu de Filipijnse overheid heeft besloten op deze locatie een vliegveld te realiseren.
Vallen de huidige werkzaamheden van Boskalis in het gebied onder de exportkredietverzekering (ekv)-aanvraag en de bijbehorende MVO-beoordeling? Zo nee, waarom niet?
Ja, tot het moment van afgifte van de ekv-polis waren de werkzaamheden echter voor eigen risico van Boskalis.
Hoe waardeert u de betrokkenheid van Boskalis als aannemer van San Miguel Corporation (SMC), een bedrijf dat een geschiedenis heeft van negatieve impact op mens en milieu?3
De staat beslist niet over de buitenlandse samenwerkingspartners van Nederlandse bedrijven. Voor afgifte van de ekv heeft echter een reputatiebeoordeling van betrokken partijen plaatsgevonden, waaronder het moederbedrijf van de hoofdaannemer, San Miguel Corporation (SMC). Hieruit is niet gebleken dat SMC een onaanvaardbare reputatie heeft.
Waarom is de Commissie Milieu Effect Rapportage (MER) die onafhankelijk adviseert over milieueffectrapportages en die nauw bij het MBSDMP betrokken is geweest, niet benaderd voor een onafhankelijke beoordeling van de Environmental and Social Impact Assessment (ESIA) van het NMIA project?
Atradius DSB toetst de ESIA als onderdeel van het mvo-beleid van de ekv. De internationale groep financiers van dit project heeft een onafhankelijke consultant ingeschakeld die ondersteunt bij de beoordeling van de ESIA en het Environmental Social Action Plan (ESAP). Daarmee is voorzien in een uitgebreide en onafhankelijke beoordeling van de ESIA en acht ik de inschakeling van een tweede onafhankelijke beoordelaar niet nodig.
Bent u bereid om Atradius DSB alsnog de opdracht te geven om de Commissie MER te betrekken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe vallen de activiteiten van Boskalis in de baai van Manilla en de mogelijke steun vanuit de ekv te rijmen met de Nederlandse ambities ten aanzien van klimaatadaptatie zoals onder andere is beschreven in de Nederlands Internationaal Waterambitie (NIWA)?
De Nederlandse baggersector staat internationaal goed aangeschreven op basis van hun kennis en expertise in waterbouw, kustbescherming en landaanwinning. Deze kennis en expertise worden in onderhavig project door Boskalis toegepast bij het uitbaggeren van rivieren rond de geplande luchthaven, om het water de ruimte te geven en de kans op overstromingen te verkleinen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de NIWA waarin de Nederlandse overheid en watersector de krachten verenigen om de waterzekerheid en waterveiligheid van mens, plant en dier wereldwijd te vergroten en tegelijkertijd het Nederlandse verdienvermogen te optimaliseren.
Bent u bekend met de 2018 studie van Wetlands International en IUCN die de omgeving van het NMIA-project in Bulacan aanmerkt als een «internationally important waterbird site» en het recent verschenen Birdlife magazine waar het gevaar van het NMIA voor vogelhabitaten en wetlands in de baai van Manilla wordt beschreven? Hoe ziet u het NMIA-project in het licht van deze studies?
Het rapport van de International Union for Conservation of Nature (IUCN) benadrukt de aanwezigheid van internationaal belangrijke locaties voor watervogels in het projectgebied van NMIA. De projecteigenaar heeft een aantal mitigerende en compenserende maatregelen genomen om de impact van het project op de biodiversiteit te vermijden en te compenseren. Deze maatregelen omvatten het toekennen van 480 hectare grond als tijdelijk gebied om de vogels tijdens de landaanwinning te laten foerageren en het ontwikkelen van een permanent gebied waar vogels zich duurzaam kunnen vestigen.
Herinnert u zich het antwoord op vraag 5 uit onze schriftelijke vragen over exportsteun uit Nederlands belastinggeld voor een omstreden project op de Filipijnen: «Op dit moment kan ik niet bevestigen of de aantijgingen van gedwongen verhuizingen en van vernietiging van mangroven kloppen.»? Kunt u dit inmiddels wel bevestigen? Zo ja, wat betekent dit voor de ekv? Zo nee, hoe kan het dat dit wel bekend is bij de coalitie van Filipijnse en Nederlandse maatschappelijke organisaties en wetenschappers, maar niet bij het kabinet en Atradius DSB, zoals ook weer bevestigd in het artikel «Nederlandse «Maasvlakte» in de baai van Manilla staat haaks op bescherming natuur»?
Ja, dat kan ik inmiddels bevestigen. Bij grote landaanwinningsprojecten vinden er in sommige gevallen negatieve milieu en sociale effecten plaats, waaronder het verdwijnen van mangroven en gedwongen herhuisvestingen. Voor de ekv betekent dit concreet dat de Staat, conform het mvo-beleid voor de ekv, alleen als verzekeraar kan optreden indien deze negatieve effecten volgens de internationale standaarden gemitigeerd en zo nodig gecompenseerd worden. Dat is in onderhavig project het geval.
Klopt het dat er geen milieueffectrapportage is gemaakt voor de bouw van het vliegveld en dat de effecten van het nieuwe vliegveld op onder andere vogeltrekroutes en bodemdaling daardoor onbekend zijn? Zo ja, bent u het ermee eens dat het uitvoeren van een dergelijke effectrapportage noodzakelijk is om een zorgvuldige afweging te kunnen maken met betrekking tot de effecten van het project op mens en natuur?
Nee, dat klopt niet. Er zijn meerdere milieu en sociale effectrapportages (ESIA’s) gemaakt. De eerste is volgens de Filipijnse wet- en regelgeving opgesteld. Daarna hebben Atradius DSB en de betrokken banken het project verzocht om nog een ESIA volgens internationale standaarden op te stellen. Dat document is eind 2021 op de websites van Atradius DSB en de Filipijnse projecteigenaar gepubliceerd. Ook zijn er nog deel-ESIA’s uitgevoerd voor specifieke projectonderdelen zoals de aanleg van een toegangskanaal en de zandwinning. Voor toekomstige fasen van het project zullen verdere deel-ESIAs opgesteld worden.
Bent u van mening dat er alles aan gedaan wordt om de effecten van deze mogelijke ekv op mens, dier, natuur en milieu in kaart te brengen?
Ik ben van mening dat de IMVO-beoordeling en toetsing aan de IMVO-standaarden voor de ekv zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Indien dat niet het geval was zou ik geen ekv verstrekt hebben.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat miljoenen klanten van Vattenfall met een variabel contract per 1 april 2022 te maken krijgen met een tussentijdse verhoging van de prijzen voor gas en elektra?
Het is niet mogelijk gebleken om binnen de gevraagde termijn deze vragen te beantwoorden.
Bent u ervan op de hoogte dat deze verhoging voor een gemiddelde gebruiker ongeveer evenveel bedraagt als het gemiddelde voordeel dat de verlaging van btw op stroom en gas per 1 juli oplevert, namelijk ongeveer 11 euro per maand?
De btw-verlaging gaat naar verwachting in per 1 juli 2022 en geldt voor een periode van zes maanden. De tegemoetkoming die hiermee geboden wordt aan een huishouden met gemiddeld energieverbruik1 wordt ingeschat op ongeveer 140 euro in 2022 (circa 20 euro per maand). In het kader van het wetsvoorstel wordt deze inschatting nog herijkt en gecertificeerd door het Centraal Planbureau (CPB).
De tariefverhoging van Vattenfall vanaf 1 april bedraagt ongeveer 11 euro per maand en 100 euro voor de resterende maanden in 2022 voor een huishouden, echter wordt door Vattenfall met een specifiek verbruik gerekend (1.200 m3 aardgas en 2.250 kWh stroom), dat afwijkt van het gemiddelde verbruik zoals berekend door Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Klopt het dat deze verhoging mensen met een flexibel contract betreft en dat de prijzen voor deze huishoudens juist al fors gestegen zijn op 1 januari? Kunt u aangeven hoeveel Vattenfall de prijzen verhoogd heeft voor deze mensen per 1 januari?
Het klopt dat deze verhoging geldt voor huishoudens met een variabel contract. In de regel worden de tarieven voor deze contracten op 1 januari en 1 juli aangepast, maar tussentijdse aanpassingen zijn mogelijk indien dit is afgesproken in de algemene voorwaarden. Het is mogelijk dat een aanzienlijk deel van de huishoudens die per 1 april met een tariefverhoging worden geconfronteerd ook op 1 januari een tariefverhoging hebben meegemaakt. De mate waarin dit het geval is geweest, is afhankelijk van het specifieke contracttype per huishouden.
Het is daardoor ook niet mogelijk om aan te geven hoezeer de tarieven zijn gestegen voor ieder huishouden dat per 1 januari 2022 een variabel contract bij Vattenfall had.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is wanneer energiemaatschappijen gebruik maken van deze ruimte die de verlaging van btw op stroom en gas oplevert, om zelf meer winst te maken, in plaats van dat de maatregelen ten gunste komt van huishoudens die al hard geraakt zijn door prijsstijgingen?
De aangekondigde compensatiemaatregelen voor huishoudens zijn ter ondersteuning van de koopkracht van huishoudens en niet ter ondersteuning van de financiële positie van energieleveranciers. Zowel de timing als de communicatie van Vattenfall waren ongelukkig en zorgden voor extra onrust bij consumenten.
In het najaar heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie contact gehad met de energieleveranciers om te bespreken hoe de in het najaar aangekondigde maatregelen zo snel mogelijk bij de huishoudens terecht komen om de stijging van de energierekening te dempen. Ook ik heb de energieleveranciers op 7 maart jl. gesproken. Tijdens dit gesprek heb ik ook stevig de maatschappelijke rol die energieleveranciers hebben om huishoudens te ondersteunen bij de hoge energierekening besproken, bijvoorbeeld middels informatievoorziening, energiecoaches en vroegsignalering van betalingsproblemen.
Naar aanleiding van het aanvullende pakket van koopkrachtmaatregelen dat op 11 maart jongstleden is aangekondigd, zijn er vanuit het kabinet gesprekken gestart met de energieleveranciers over de uitvoering van de maatregelen. In deze gesprekken wordt ook met de energieleveranciers besproken hoe de maatregelen in de btw op aardgas, elektriciteit en stadswarmte zo snel mogelijk bij huishoudens terecht komen.
Hoe verklaart u het zeer uitzonderlijke feit dat er nu per 1 april aanpasssingen zijn, aangezien het gebruikelijk is dat de prijzen twee keer per jaar worden aangepast door energiemaatschappijen, namelijk op 1 januari en 1 juli? Wilt u zich inzetten om te voorkomen dat deze prijsstijging per 1 april gaat plaatsvinden en huishoudens de dupe worden door met Vattenfall in gesprek te gaan?
Antwoord 5 De groothandelsmarkt voor aardgas en elektriciteit kenmerkt zich sinds afgelopen zomer door hoge en volatiele prijzen. De inval van Rusland in Oekraïne heeft deze trend versterkt. Dit kan gevolgen hebben voor de inkoopprijzen voor energieleveranciers, afhankelijk van de specifieke inkoopstrategie van het bedrijf. Het is betreurenswaardig dat verscheidene energieleveranciers sinds de zomer ervoor gekozen hebben om tussentijds de variabele tarieven te verhogen. Daarnaast mogen energieleveranciers de tarieven alleen tussentijds verhogen wanneer hiervoor een clausule is opgenomen in de algemene voorwaarden van het energiecontract. Ook is het niet toegestaan om tussentijds contracten met vaste tarieven aan te passen.
Na de berichtgeving over de tussentijdse tariefsverhoging van Vattenfall is op mijn verzoek ambtelijk hierover meteen contact geweest met het bedrijf. In reactie gaf Vattenfall aan dat het zich genoodzaakt voelt haar variabele tarieven per 1 april a.s. aan te passen als direct gevolg van de sterk gestegen inkoopprijzen van energie gedurende de eerste maanden van 2022. Hoewel er sprake is geweest van een zeer ongelukkige communicatie vanuit Vattenfall, staat deze tariefsverhoging los van de recente aankondiging van het kabinet om de btw op energie te verlagen. Op woensdag 9 maart 2022 is voor het eerst contact geweest tussen het Ministerie van Financiën en Energie–Nederland om de uitvoering van een eventuele btw-verlaging op energie te bespreken. Deze prijswijziging is op maandag 14 maart 2022 aangekondigd door Vattenfall en volgens het bedrijf al weken van te voren voorbereid zodat klanten tijdig geïnformeerd konden worden.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4 lopen er gesprekken vanuit het kabinet met de energieleveranciers over de uitvoering van de btw verlaging op energie. Het kabinet blijft in gesprek met de energieleveranciers om ervoor te zorgen dat de koopkrachtmaatregelen terecht komen bij huishoudens en niet bij de energieleveranciers blijven liggen ter ondersteuning van hun financiële positie. Daarnaast is het de taak van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om de energieleveranciers te controleren op het nakomen van de wettelijke verplichtingen en om te beoordelen of energieleveranciers redelijke tarieven hanteren.
In de Kamerbrief over de aangekondigde maatregelen van afgelopen vrijdag werd aangegeven dat het kabinet in gesprek is met de branche om het effect van de verlaging zo snel mogelijk bij huishoudens terecht te laten komen; is tijdens deze gesprekken met de branche al duidelijk geworden dat er werd nagedacht over het verhogen van prijzen op gas en elektra? Is het mogelijk om eisen of voorwaarden te stellen in deze gesprekken met de branche, bij de genomen maatregelen, zodat huishoudens zélf demping op de hoge energieprijzen gaan ervaren?
Ik heb mede namens de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen op 7 maart 2022 een gesprek gevoerd met de energieleveranciers. Tijdens dit gesprek hebben energieleveranciers in het algemeen hun zorgen geuit over verdere prijsstijgingen, de gevolgen hiervan voor consumenten en het belang om goed voorbereid de volgende winter in te gaan met het oog op de leveringszekerheid.
Net als het kabinet nemen de energieleveranciers de situatie zeer serieus. De energieleveranciers benaderen actief consumenten over de problematiek, signaleren vroegtijdig wanneer er betalingsproblemen kunnen ontstaan en werken samen met o.a. gemeenten om oplossingen te bieden. Het is belangrijk dat energieleveranciers goede voorlichting geven over prijzen en contracten. Zoals aangegeven zal het kabinet regelmatig in gesprek met de energieleveranciers blijven over de gevolgen voor huishoudens en de hoge prijzen en wat zij hierin kunnen betekenen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Verwacht u dat er nog meer energiemaatschappijen zijn die tussentijds en op korte termijn de prijzen verhogen? Hebben zij dat bij u aangekondigd?
De situatie op de energiemarkt is sinds de zomer uitzonderlijk en het is zeer onzeker hoe deze zich verder zal ontwikkelen. Duidelijk is dat ook energieleveranciers geraakt worden door de hoge en volatiele energieprijzen, wat zich al geuit heeft in het faillissement van een aantal leveranciers en meerdere tussentijdse tariefsverhogingen. De huidige energietarieven die energieleveranciers aanbieden, worden dan ook bepaald door de marktomstandigheden. Een voorbeeld daarvan is de aankondiging van Vattenfall. Ook Eneco heeft recent aangekondigd dat zij maandelijks de variabele tarieven zullen aanpassen.2 Daarnaast hebben ook energieleveranciers Budget Thuis en NLE eerder aangekondigd de tarieven maandelijks te zullen aanpassen.3 Energieleveranciers zijn daarbij wel verplicht om de tarievenwijzigingen van te voren bij hun klanten bekend te maken. De consument kan bij contracten voor onbepaalde tijd met variabele tarieven overstappen naar een andere leverancier.
Ik heb geen zicht op de posities van individuele bedrijven, maar ik sluit niet uit dat, zolang deze uitzonderlijke situatie op de energiemarkt voortduurt, energieleveranciers mogelijk zullen besluiten tot tussentijdse tariefswijzigingen. Aanpassingen in variabele energietarieven worden niet door de energieleveranciers vooraf aangekondigd bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Leveranciers zijn bij aanpassingen in de tarieven wel verplicht om deze door te geven aan de ACM. De ACM houdt toezicht op de hoogte van de tarieven.
Welke stappen zet u naast de huidige maatregelen voor een eerlijkere demping van hoge prijzen op gas en elektra voor huishoudens?
Met de in het najaar aangekondigde maatregelen en de recent aangekondigde aanvullende koopkrachtmaatregelen is er in 2022 al circa 5,4 miljard euro aan compenserende maatregelen aangekondigd. Van dit pakket wordt ongeveer 3,3 miljard euro ingezet voor directe compensatie via de energierekening door de verlaging van de energiebelasting en de btw op aardgas, elektriciteit en stadsverwarming. Dit merkt ieder huishouden op de energierekening. Daarnaast is 680 miljoen euro gereserveerd voor de eenmalige energietoelage waardoor gemeenten een richtbedrag van 800 euro compensatie kunnen bieden aan ongeveer 800.000 huishoudens met lage inkomens. De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling en zij heeft de Tweede Kamer daar recent per brief nader over geïnformeerd (Kamerstuk 35 925 XV, nr. 112). Ten slotte is er 310 miljoen euro gereserveerd voor energiebesparende maatregelen, waarmee kwetsbare huishoudens ondersteund worden om structureel minder blootgesteld te worden aan hoge en volatiele energieprijzen, door het energieverbruik te verlagen. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal Uw Kamer nog voor het commissiedebat Klimaatakkoord Gebouwde Omgeving op 6 april a.s. een brief sturen over de uitwerking van het nationaal isolatieprogramma en de middelen die het kabinet hiervoor heeft vrijgemaakt in het coalitieakkoord.
Voor meer informatie over bovenstaande maatregelen verwijs ik u graag naar de brief hoge gasprijzen (Kamerstuk 29 023, nr. 272), de brief aanvullende koopkrachtmaatregelen 2022 (Kamerstuk 35 925 XV, nr. 111) en de brief over gasleveringszekerheid (Kamerstuk 29 023, nr. 283).
Het kabinet blijft de komende tijd de actuele situatie en de impact hiervan op de koopkracht van huishoudens nauwlettend in de gaten houden, maar benadrukt tegelijkertijd dat het de gevolgen van langdurig hogere energieprijzen niet volledig zal kunnen compenseren.
Wilt u deze vragen binnen afzonderlijk binnen een week beantwoorden?
Maatwerkafspraken voor woningbouw |
|
Raoul Boucke (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de uitspraak van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in haar brief van 5 juli 2019 dat in overleg met betrokken partijen wordt gekeken of er vooruitlopend daarop (aanpassing van het luchthavenindelingsbesluit, LIB) in specifieke gevallen mogelijkheden zijn om te komen tot maatwerkafspraken voor beperkte ontwikkeling waar dit nu niet is toegestaan en afspraken voor locaties waar dit nu wel is toegestaan, maar dat het bij wijziging van de contouren later mogelijk niet meer gewenst is?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeveel situaties sprake is geweest van maatwerkafspraken om woningbouw mogelijk te maken? Om hoeveel woningen gaat dat?
Het LIB kent 5 beperkingengebieden: LIB 1 tot en met 5. LIB 1 ligt het dichtst bij de luchthaven en LIB 5 het verst van de luchthaven af. Hoe dichter bij de luchthaven, hoe meer beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen er gelden. In LIB 1 tot en met 3 zijn de bouwmogelijkheden niet of zeer beperkt. In het LIB 4 gebied heeft de gemeente een eigen afwegingsruimte, die beperkt is tot 25 woningen per bouwplan, binnen bestaand stedelijk gebied. Als het om meer woningen gaat, dan kan ik in bijzondere omstandigheden desgevraagd besluiten om een verklaring van geen bezwaar (vvgb) af te geven. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) beoordeelt deze aanvragen in mandaat namens mij. Uit de toelichting op het LIB blijkt dat de beoordeling van een vvgb aanvraag integraal is, waarbij de hinder en het risico afgewogen worden tegen leefbaarheid, maatschappelijk belang of zwaarwegend individueel belang. In LIB 5 is de afweging tussen woningbouw en geluidhinder volledig aan het lokale bestuur, mits het gaat om bouwplannen binnen het bestaand stedelijk gebied. In 2019 tot en met 2021 zijn door de decentrale overheden in de regio in totaal zes aanvragen gedaan voor een vvgb, waarvan er vier zijn toegekend. Het gaat om de bouw van een bedrijfswoning (LIB 3), de verplaatsing van een woning (LIB 4), de bouw van 60 flexwoningen (LIB 4) en de bouw van 77 woningen buiten bestaand stedelijk gebied (LIB 5).
Buiten de lokale afwegingsruimte en de vvgb’s van de ILT kan vanuit het LIB geen maatwerk worden toegepast. Op dit moment ben ik samen met de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) bezig met het vernieuwen van het ruimtelijk beleid rond Schiphol en binnen dat kader wil ik kijken of er meer ruimte geboden kan worden voor maatwerk, zoals aangekondigd in de Luchtvaartnota 2020–20502. Dit speelt binnen de context van het dilemma tussen de woningbouwopgave waar de regio voor staat en het belang van de bescherming van de gezondheid van omwonenden van de luchthaven.
Bent u van mening dat de bouw van studentenwoningen in Kronenburg in aanmerking komt voor dergelijke maatwerkafspraken?
Kronenburg ligt direct onder de aanvliegroute van de Buitenveldertbaan, in LIB 4 gebied. Het LIB legt beperkingen op aan het toevoegen van woningen in de nabijheid van Schiphol om te voorkomen dat gezondheids- en veiligheidsrisico’s toenemen. Het toevoegen van grote aantallen woningen op deze locatie botst hiermee. Op dit moment loopt de beroepsprocedure tegen het in strijd met het huidige LIB vastgestelde bestemmingsplan.
Hoe weegt u het feit dat op dit moment duizenden studenten onder een aanvliegroute wonen en geen geluidsoverlast ervaren, maar dat dit als bezwaar wordt opgevoerd tegen het aanvullend bouwen van 2.500 studentenwoningen meters verder?
In het LIB is vastgelegd dat in het LIB 4 gebied, waar Kronenburg in ligt, een zeer zorgvuldige afweging moet worden gemaakt tussen het toevoegen van nieuwe woningen en de gevolgen voor de gezondheid in termen van geluidbelasting. Daarnaast is in het LIB vastgelegd dat woningen die voor de inwerkingtreding van het LIB in 2003 reeds in het LIB 4 gebied aanwezig waren, zoals het studentencomplex Uilenstede, hun woonfunctie mogen behouden. Op basis van gezondheidsonderzoek3 is vastgesteld bij welke geluidbelasting er bij een aanzienlijk deel van de bewoners ernstige hinder en slaapverstoring optreedt. In het LIB 4 gebied is de geluidbelasting dusdanig dat er terughoudend moet worden omgegaan met het toevoegen van woningen. Bovendien worden ook relevante veiligheidsaspecten meegewogen in de integrale toetsing bij vvgb-aanvragen.
Is de huidige vliegoperatie (conform het vigerend luchthavenverkeerbesluit (LVB)), 500.000 vliegtuigbewegingen, Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel en huidige vlootmix) en daaruit volgende geluidbelasting in overeenstemming met de zonering die volgt uit het Luchthavenindelingsbesluit (LIB)?
In het systeem van de Wet luchtvaart worden in het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) de grenswaarden en regels vastgelegd omtrent het luchthavenverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting. Het betreft de ruimte voor en de wijze van het gebruik van de luchthaven. Het LIB bevat het beperkingengebied en de voor het beperkingengebied geldende regels, waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting (gezondheid) in verband met de nabijheid van de luchthaven. De inhoud van het LIB volgt hetgeen is vastgelegd in het LVB. Nadat het LVB in verband met het nieuwe normen- en handhavingsstelsel voor Schiphol is aangepast, zullen ook de beperkingengebieden in het LIB worden herzien.
Hoeveel woningbouw wordt eventueel mogelijk bij het in overeenstemming brengen van het LIB met het LVB of anderszins een actualisatie van het LIB?
Een aanpassing van het LIB op basis van een aangepast LVB kan lokaal als effect hebben dat er in sommige gebieden meer woningbouw en andere ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden. De contouren in het concept-LVB4 beslaan een kleiner gebied dan de huidige beperkingengebieden die in het LIB zijn vastgelegd. Een actualisatie van de LIB-beperkingengebieden op basis van het concept-LVB zou op een beperkt aantal plekken leiden tot een afname van de beperkingen voor woningbouw. Het is moeilijk in te schatten om hoeveel woningen dit gaat, omdat het afhankelijk is van de locatie in welke dichtheden er gebouwd kan worden. Bovendien is bij het opstellen van de plancapaciteit voor de Metropoolregio Amsterdam (MRA) uitgegaan van de beperkingengebieden die zijn vastgelegd in het huidige LIB en zijn de gebieden waar de mogelijkheden voor woningbouw mogelijk toenemen niet meegenomen in de huidige afweging over waar te bouwen. Grofweg kan gedacht worden aan enkele duizenden woningen. Lang niet alle plekken waar de contour verschuift, zijn geschikt voor woningbouw, omdat het bijvoorbeeld natuurgebieden betreft, er een snelweg ligt of het gebied al een recreatieve functie heeft. Bovendien betekenen krimpende contouren niet dat hinder volledig verdwijnt. Het vraagt om een zorgvuldige afweging of vrijgekomen ruimte moet worden benut voor woningbouw. Immers, per saldo zal daarmee het aantal gehinderden toe kunnen nemen ondanks een lagere geluidbelasting. Het is binnen de regels van het LIB een lokale bestuurlijke afweging of de gebieden geschikt zijn voor woningbouw.
Bent u van mening dat, gezien de aanzienlijke vertraging die verwacht wordt met betrekking tot het vastleggen van het luchthavenverkeersbesluit, er stappen moeten worden gezet in het actualiseren van het LIB?
Omdat de omvang van het beperkingengebied in het LIB wordt vastgesteld op basis van het toegestane gebruik van de luchthaven in het LVB, is het niet mogelijk het beperkingengebied aan te passen als de inhoud van de LVB-wijziging voor het nieuwe normen- en handhavingsstelsel nog niet vaststaat.
Hoe weegt u de uitspraak van de Bestuurlijke Regie Schiphol (BRS) (zienswijze actualisatie LIB naar aanleiding van de taxibaan «Quebec») dat blijkt uit het Milieueffectrapport van het LVB «dat er tal van locaties zijn waar de begrenzing van de beperkingengebieden niet op de goede plek liggen»? Om hoeveel woningen gaat het daarbij?
De BRS doelt hier op het feit dat de beperkingengebieden in het LIB niet volledig overeenkomen met de contouren die berekend zijn in het kader van het eerdergenoemde concept-LVB in verband met het nieuwe normen- en handhavingsstelsel voor Schiphol. Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, volgt de inhoud van het LIB hetgeen is vastgelegd in het LVB. Als gevolg van de voorgenomen wijziging van het LVB zal ook het LIB worden herzien.
Bent u bereid de in deze zienswijze genoemde quick wins in samenwerking met de BRS voortvarend op te pakken om zo woningbouw mogelijk te maken?
IenW en BZK zijn samen met de BRS in overleg over aanpassingen in het LIB. In dit overleg worden ook de genoemde quick wins meegenomen.
Het bericht 'Banken weren contant geld, bedrijven radeloos' |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Banken weren contant geld, bedrijven radeloos»?1
Ja.
Klopt het dat het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer, waar de banken bij zijn aangesloten, geconcludeerd heeft dat maatschappelijke ontwikkelingen zoals digitaal betalen niet afgedwongen mogen worden? Deelt u de zorg dat die dwang er nu toch is?
De afgelopen jaren is er sprake van toenemende digitalisering in het betalingsverkeer. Dit is terug te zien in het toenemend aandeel elektronische betalingen ten opzichte van betalingen met contant geld, maar ook in de dienstverlening door banken. Enerzijds brengt dit voordelen met zich mee, zoals een verhoogd betaalgemak voor veel mensen. Aan de andere kant zorgt dit onder andere voor toenemende druk op de chartale infrastructuur en een lagere toegankelijkheid van het betalingsverkeer voor sommige groepen mensen.
Het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) is een overlegplatform waarin organisaties die zijn betrokken bij het aanbieden en afnemen van betaaldiensten zich inzetten voor een veilig, betrouwbaar, toegankelijk en efficiënt betalingsverkeer voor iedereen. Om ervoor te zorgen dat het betalingsverkeer toegankelijk blijft heeft het MOB het «Actieplan Toegankelijk Betalingsverkeer» opgesteld. Daarnaast heeft De Nederlandsche Bank (DNB) de afgelopen maanden gesprekken gevoerd met de belangrijkste partijen uit het betalingsverkeer over een Convenant Contant Geld. Dit Convenant heb ik op 8 april aan uw Kamer aangeboden2. In het Convenant staan afspraken om ervoor te zorgen dat contant geld goed blijft functioneren als toonbankbetaalmiddel, ook als geleidelijk steeds meer elektronisch wordt betaald. Er is in het Convenant onder andere opgenomen dat banken hun prijsbeleid bevriezen en geen nieuwe maatregelen treffen, zoals tariefsverhogingen of volumebeperkingen, waardoor het opnemen of storten van contant geld voor particuliere en zakelijke klanten duurder, of anderszins ontmoedigd of belemmerd wordt. In artikel 5 van het Convenant is afgesproken dat banken zich ertoe verbinden de anti-witwas- en anti-terrorismefinancieringsmaatregelen die het gebruik van contant geld kunnen beïnvloeden, proportioneel in te zetten en toe te spitsen op de specifieke risico’s per cliënt zodat het legitieme gebruik van contant geld niet wordt gehinderd.
Kunt u een overzicht geven van de wettelijke eisen aan banken om contant geld te beperken? Klopt het dat banken eisen aan kleine ondernemers opleggen die veel verder gaan dan de wettelijke verplichtingen?
Er zijn geen wettelijke eisen die banken verplichten om contant geld te beperken. Banken zijn vanuit hun poortwachtersfunctie verplicht op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) om cliëntenonderzoek uit te voeren en zo nodig mitigerende maatregelen te nemen om de risico’s op witwassen te voorkomen. Contant geld is een van de indicatoren voor een verhoogd risico op witwassen. Het uitvragen van additionele informatie over bepaalde chartale transacties kan onderdeel zijn van het cliëntenonderzoek. Als er risico’s gesignaleerd worden, dan dient de bank deze te mitigeren. Een bank bepaalt diens eigen beheerskader ten aanzien van risico’s. Ook bepaalt de bank zelf diens beheersmaatregelen. Dit kan onder andere een beperking van contant geld zijn. Ik heb vernomen dat er banken zijn die klanten, waarbij sprake is van excessief gebruik van contant geld, vragen om het aantal contante transacties terug te brengen naar een niveau dat meer aansluit bij het gemiddelde gebruik van contant geld in de sector.
Ik vind het belangrijk dat banken hun poortwachtersrol goed vervullen en mitigerende maatregelen nemen. Tegelijkertijd vind ik het ook belangrijk dat de genomen maatregelen cliëntspecifiek en proportioneel zijn en genomen worden na gedegen cliëntonderzoek en zo nodig in overleg met de klant in kwestie, zodat voorkomen wordt dat het legitiem gebruik van contant geld bemoeilijkt wordt zonder aantoonbare reden. Deze richtlijn is ook opgenomen in het Convenant Contant Geld.
Wat vindt u ervan dat banken het gebruik van contant geld voor bedrijven moeilijk maken door dit te maximeren op een percentage van de transacties, terwijl de toezichthouder stelt dat banken het legitieme gebruik van contant geld niet mogen bemoeilijken?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat maatregelen zoals een maximum van tien procent cashtransacties bedrijven met veel kleine betalingen raken en niet noodzakelijk meer risicovolle aankopen als luxe horloges en dure auto’s?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u ervan op de hoogte dat banken dreigen rekeningen van mkb’ers op te zeggen als zij voor een bepaalde deadline het aantal cashtransacties niet hebben teruggebracht? Vindt u dit in lijn met de afspraak dat legitiem gebruik van contant geld niet bemoeilijkt mag worden?
Zie antwoord vraag 3.
Herinnert u zich dat De Nederlandsche Bank (DNB) vorig jaar vaststelde dat het afstortnetwerk van banken voor contant geld niet op orde is?2 Welke afspraken zijn er nu met banken om dit te verbeteren en om legitiem gebruik van contant geld te faciliteren?
Uit de Bereikbaarheidsmonitor 2021 ondernemers kwam naar voren dat de toegankelijkheid en bereikbaarheid van betaaldiensten in de perceptie van ondernemers sterk was afgenomen in vergelijking met de Bereikbaarheidsmonitor 2016, waaronder de bereikbaarheid van afstortfaciliteiten4. Dit had onder andere te maken met het (tijdelijk) sluiten van een deel van de sealbagautomaten vanwege een reeks plofkraken, de sluiting van bankkantoren, de capaciteitstekorten in het waardetransport en de Geldmaattransitie. In het Convenant Contant Geld zijn onder andere afspraken gemaakt over het minimumaantal sealbagautomaten5 en het aantal recyclers6 en de minimum-bereikbaarheid van deze automaten. Ook zijn er afspraken opgenomen over de kwaliteit van de chartale dienstverlening (Convenant, artikel 1) door Geldmaat en de continuïteit van het waardevervoer (Convenant, artikel 7). Zo is bijvoorbeeld in artikel 1 afgesproken dat Geldmaat minimaal 450 sealbagautomaten zal realiseren en handhaven en dat daarmee 98% van de toonbankinstellingen binnen 20 autominuten rijden van een sealbagautomaat gevestigd is. Bovendien is afgesproken dat banken zich aantoonbaar zullen inzetten om een veilige maatwerkoplossing beschikbaar te stellen voor het afstorten van contant geld voor iedere toonbankinstelling die binnen 20 autorijminuten geen sealbagautomaat tot haar beschikking heeft. Een dergelijke maatwerkoplossing moet proportioneel en redelijk zijn en kan bijvoorbeeld bestaan uit het plaatsen van een extra sealbagautomaat, het assisteren bij het gebruik van een recycler, of het assisteren bij het aangaan van een contract voor waardevervoer.
Herkent u de kritiek dat transactiekosten voor girale betalingen in Europa erg hoog zijn? Kunt u een overzicht geven van de gemiddelde transactiekosten voor betalingen binnen Europa?
Ik herken deze kritiek gedeeltelijk. In dit verband is van belang of sprake is van een internationale overboeking die wordt uitgevoerd via de Single Euro Payments Area (SEPA). Met de wijziging verordening grensoverschrijdende betalingen is geregeld dat de transactiekosten bij grensoverschrijdende betalingen binnen de Europese Unie even hoog zijn als die bij binnenlandse betalingen. Een nadeel van deze overboekingen is dat het bedrag weliswaar binnen een werkdag wordt bijgeschreven, maar niet direct. Er zijn wel mogelijkheden om het bedrag meteen over te boeken, de zogenoemde instant payments. In Nederland vinden de meeste betalingen al via instant payments plaats en worden er geen extra kosten gerekend voor deze methode, maar in andere landen wordt dit soms nog als premiumdienst, tegen additionele kosten, aangeboden of bieden banken instant payments in zijn geheel niet aan. Ik beschik helaas niet over een overzicht met de kosten die gerekend worden voor instant payments in andere EU-landen. De Europese Commissie werkt aan het normaliseren van instant payments en heeft aangekondigd in de tweede helft van dit jaar met een wetgevend voorstel te komen.
Bent u bereid de zorgen over de opstelling van banken ten aanzien van contant geld richting kleine ondernemers op korte termijn bij de banken onder de aandacht te brengen?
Ja. Ik zal in het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer benadrukken dat ik van banken verwacht dat zij proportionaliteit toepassen bij het implementeren van mitigerende maatregelen in het kader van de Wwft, in overeenstemming met de afspraken uit het Convenant Contant Geld.
De verdeling van de marges in de zuivelsector |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat zuivelprijzen momenteel enorm stijgen, maar dat melkveehouders daar bijna niks van terug zien1?
Ja.
Klopt het dat de noteringen voor magermelkpoeder en boter met 66% zijn gestegen, maar dat de melkprijs slechts 11% is gestegen?
Het klopt dat in de afgelopen maanden de zuivelnoteringen procentueel meer gestegen zijn dan de rauwe melkprijs.
Welke verklaringen ziet u voor het feit dat gestegen noteringen maar ten dele worden doorberekend in de melkprijs?
De melkprijs en de zuivelnoteringen zijn in hun aard niet vergelijkbaar en hebben geen directe een-op-een relatie tot elkaar. De zuivelnoteringen worden vastgesteld door de door de overheid ingestelde Commissie Officiële Nederlandse Zuivelnoteringen en hebben betrekking op de actuele prijsontwikkeling in de handel van verwerkte zuivelproducten als boter en melkpoeders. De melkprijs die melkveehouders ontvangen wordt vastgesteld door private ondernemingen. De melkprijs kan per onderneming verschillen. Wel volgt de melkprijs meestal vertraagd de trendmatige marktontwikkelingen van de handel in verwerkte zuivelproducten. Bij een langdurige periode van stijging over de gehele breedte van alle verwerkte zuivelproducten (boter, melkpoeder, kaas, room, etc.), zal ook de rauwe melkprijs meestijgen. Dat is op dit moment ook het geval. Dat de stijging niet met gelijke stappen omhoog gaat, kan meerdere oorzaken hebben. Zo vraagt verwerking van rauwe melk tot zuivelproducten veel energie. Met de huidige hoge energiekosten zullen ook de productiekosten stijgen.
Deelt u de mening van leveranciersvereniging Holland Dairy Producers dat de verdeling van de marge in de zuivelsector veel eerlijker zou moeten? Welke mogelijkheden ziet u om dat voor elkaar te krijgen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, kunnen er verschillende oorzaken zijn waarom de melkprijs niet in dezelfde mate stijgt als de noteringen van magere melkpoeder en boter. Op basis van deze situatie kan ik daarom geen conclusies trekken m.b.t. margeverdeling. Niettemin vind het wel van groot belang dat er geen structurele problemen zijn met de prijsvorming, en dat oneerlijke handelspraktijken in de keten worden tegengaan. Als onderdeel van het maatregelenpakket om de positie van de boer in de keten te versterken, zijn daartoe de afgelopen jaren de Agro-Nutri Monitor ontwikkeld bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en zijn oneerlijke handelspraktijken wettelijk verboden. Ook kunnen leveranciers sinds 1 januari 2022 terecht bij de Geschillencommissie indien zij te maken hebben met oneerlijke handelspraktijken.
Wat zegt deze situatie wat u betreft over de margeverdeling in de agrarische sector als geheel?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, kunnen er verschillende oorzaken zijn waarom de melkprijs niet in dezelfde mate stijgt als de noteringen van magere melkpoeder en boter. Op basis van deze situatie kan ik daarom geen conclusies trekken m.b.t. margeverdeling in de agrarische sector.
Welke stappen zet u om te zorgen voor een eerlijkere margeverdeling in de zuivelsector en in de agrarische sector in zijn geheel?
Voortbouwend op de maatregelen die al zijn genomen tot het versterken van de positie van boer in de keten zie ik ook een belangrijke rol weggelegd voor ketenpartijen om de positie van de boer in de keten te verstevigen. Daarover wil ik met ketenpartijen afspraken maken. De bijdrage van ketenpartijen dient wat mij betreft gericht te zijn op de positie, en uiteindelijk het inkomen van de duurzame en verduurzamende boer. Afspraken hierover kunnen o.a. gaan over de manier waarop langetermijncontracten worden vormgegeven, of marges en risico’s worden verdeeld.
De ontoereikendheid van de aanpak om ontuchtplegers en daders van seksueel geweld in de sport te weren |
|
Jeanet van der Laan (D66), Michiel van Nispen (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ontuchtplegers in de sportwereld hebben nog steeds vrij spel: veroordeelde dansdocent hervat beroep zonder probleem op andere locatie»?1
Ja.
Herkent u de problematiek die geschetst wordt in het artikel, waarbij zedendelinquenten door hiaten in het registratiesysteem erin slagen om na een strafrechtelijke veroordeling elders hun activiteiten als trainer te vervolgen?
Het inzetten van screeningsmethoden als een Verklaring Omtrent Gedrag en het register ontuchtplegers kunnen bijdragen aan een veilige omgeving. Ik herken echter de geschetste problematiek dat het gebruik van deze methoden geen garantie geeft op een veilige omgeving. Om die reden is het gebruik van beide screeningsmethoden aanbevolen. Daarnaast vormt het altijd een sluitstuk van een breder integriteitsbeleid. Het hebben van een integriteitsbeleid alsmede voorlichting en preventie zijn namelijk net zo goed belangrijke onderdelen in het creëren van een veilige sportomgeving.
Deelt u de mening dat de zogenoemde «zwarte lijsten» van de koepelorganisatie NOC*NSF en JustID niet effectief functioneren, omdat een informatieoverdracht tussen beide systemen ontbreekt? Zo ja, kunt u toelichten hoe u ervoor gaat zorgen dat er een verbreding van het informatiesysteem wordt gerealiseerd?
Ik acht het koppelen van tuchtrechtinformatie aan de Verklaring Omtrent het Gedrag Natuurlijke Personen (VOG) niet wenselijk. De Verklaring Omtrent Gedrag is een verklaring waaruit blijkt dat het justitiële verleden van iemand geen bezwaar vormt voor het vervullen van een functie of taak in de samenleving. Daarbij is het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) de belangrijkste bron. Hierin staan onder meer onherroepelijke veroordelingen, lopende strafzaken en geseponeerde zaken geregistreerd. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid, verantwoordelijk voor de VOG-screening, acht het betrekken van tuchtrechtrechtelijke uitspraken bij de VOG-screening niet wenselijk, omdat het tuchtrecht buiten het strafrecht valt. De systematiek van de VOG gaat uit van strafrechtelijke gegevens, onder andere om de rechtsbescherming van betrokkene te waarborgen. Over het functioneren en het gebruik van de registratielijst ontuchtplegers ben ik al langer met NOC*NSF in gesprek. Zodra hier meer over bekend is zal ik u informeren.
Bent u van mening dat het vragen naar een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) een te vrijblijvend karakter heeft? Zo ja, kunt u toelichten of, en zo ja, welke specifieke stappen u gaat zetten om in iedere gemeente trainers of andere opleiders te laten toetsen door JustID? Ziet u daar nog een onderscheid tussen sporten waar het risico op grensoverschrijdend gedrag groter is en sporten waar dat kleiner is?
NOC*NSF werkt momenteel al aan een minder vrijblijvende toepassing van het VOG-instrument samen met sportbonden en gemeenten. Deze ontwikkeling steun ik en deze opgave neem ik ook mee in de verdiepingsslag op het sportstelsel van de toekomst. Daarnaast is het Ministerie van VWS voornemens om de komende 3 jaar in totaal 2 miljoen extra te investeren om het gebruik van de VOG te vergroten in de vrijwilligerssector. Vooralsnog maak ik geen onderscheid tussen sporten. Grensoverschrijdend gedrag kan immers overal plaatsvinden.
Gezien het feit dat NOC*NSF en de overkoepelende vrijwilligersorganisatie Vereniging NOV in 2019 het plan hadden om een gemeenschappelijk registratiesysteem op te tuigen, kunt u reflecteren op het feit dat dit systeem uiteindelijk niet tot ontwikkeling is gekomen?
Een gezamenlijk tuchtregistratiesysteem blijkt met de huidige wet Algemene Verordening Gegevensbescherming onmogelijk. Voldoen aan de eisen van deze wet en tegelijkertijd door verschillende organisaties in verschillende sectoren persoonsgegevens uitwisselen blijkt in de huidige situatie onhaalbaar. Met de Nederlandse Organisatie Vrijwilligerswerk (NOV), NOC*NSF en het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) ben ik in overleg over het veiligheids- en integriteitsbeleid voor de verschillende sectoren. Het gebruik screeningsmethoden door middel van de VOG is een sluitstuk daarvan. Zie ook antwoord 2.
Kunt u toelichten op welke wijze er reeds stappen zijn gezet om te voorkomen dat zedendelinquenten als trainer terugkeren in de sportsector?
Het gebruik van de Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) draagt bij aan het voorkomen dat zedendelinquenten opnieuw kunnen gaan werken met kwetsbare personen, zoals minderjarigen. Bij een VOG-aanvraag wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van de aanvrager. De VOG wordt afgegeven als blijkt dat het (justitiële) verleden geen bezwaar vormt voor het vervullen van een specifieke taak of functie in de samenleving. Bij de VOG-beoordeling worden onder andere onherroepelijke veroordelingen, maar ook transacties van het OM en openstaande strafzaken die betrokken bij de VOG-beoordeling. Ik stimuleer het gebruik van de regeling gratis VOG, waarbij het hebben van een bijbehorend integriteitsbeleid een vereiste is om gebruik te kunnen maken van deze regeling. Daarnaast bevorder ik met het Sportakkoord een positieve sportcultuur waarin grensoverschrijdend gedrag zoveel als mogelijk wordt voorkomen.
Bent u het eens met de mening van het College voor de Rechten van de Mens dat de nationale wetgeving tekortschiet om seksueel wangedrag uit de sportwereld te weren? Zo ja, kunt u schetsen wat er met die aanbeveling is of wordt gedaan?
Ik zie dat het nog onvoldoende lukt als maatschappij om het tij te keren tegen grensoverschrijdend gedrag. Om die reden is onlangs aangekondigd dat dit kabinet de aankomende periode gaat toewerken naar een nationaal actieplan met een integrale en gecoördineerde aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag2.
Kunt u aangeven welke beleidsinterventies er verder in voorbereiding zijn om een veilig sportklimaat in de sportsector te bewerkstelligen en of deze ook bij de geplande sportwet worden betrokken?
Naast alle bestaande acties om een positieve sportcultuur te bereiken via het Sportakkoord en de opvolging van de aanbevelingen van «Ongelijke leggers» bekijk ik welke beleidsinterventies er nog meer nodig zijn ter bevordering van een veilige sport. Deze worden in samenhang bekeken met de ontwikkelingen in de verdiepingsslag op het sportstelsel van de toekomst, waarbij ook op tafel ligt of een sportwet daar een rol bij kan spelen. Hierover ben ik met betrokken partijen in overleg. Ik zal u voorafgaand aan het commissiedebat Sport hierover nader informeren.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ik heb uw vragen zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het nieuws dat overgewicht, roken en drinken in drie jaar nauwelijks gedaald zijn |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws dat overgewicht, roken en drinken in drie jaar nauwelijks gedaald zijn?1
Ja.
Deelt u onze zorgen over het behalen van de gestelde doelen uit het preventieakkoord in het licht van dit nieuws? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw zorgen. Deze cijfers liggen nog ver af van de ambities die in het Nationaal Preventieakkoord voor 2040 zijn afgesproken. We willen toe naar een gezond, fit en veerkrachtig Nederland. Het RIVM heeft in 2021 geïnventariseerd met welke maatregelen we een inhaalslag kunnen maken. Dat is hard nodig om de ambities in 2040 te behalen.
Hoe beoordeelt u de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over overgewicht, roken en drinken? Wilt u per preventiedoel uit het preventieakkoord aangeven of de gepubliceerde cijfers van het CBS in lijn zijn met de ambities van het preventieakkoord?
Het percentage van de bevolking dat overgewicht heeft is de afgelopen jaren gelijk gebleven. Het is mooi dat geen verdere stijging is opgetreden, maar ik wil – samen met alle partners uit het Nationaal Preventieakkoord – de trend keren en een daling van het percentage mensen met overgewicht.
Een tussendoel van het preventieakkoord op roken, minder dan 20% rokers in 2020, is met 21% rokers in 2021 niet gehaald. Het is duidelijk dat voor roken de prevalentiecijfers voor 2021 niet in lijn zijn met de ambities van het preventieakkoord.
Het aantal overmatige drinkers is tussen 2018 en 2021 gedaald van 8,2% naar 7,3% en het aantal zware drinkers is in diezelfde periode gedaald van 9% naar 8,3%. De ambitie uit het Nationaal Preventieakkoord is om zowel het aantal overmatige als zware drinkers te laten dalen naar 5% in 2040. Hoewel ik blij ben met een daling, is het nog te vroeg om te zeggen of de trend echt doorzet, of dat sprake is van een tijdelijke daling door de corona-maatregelen. Er waren met de sluiting van de horeca en het wegvallen van evenementen en feestjes immers minder situaties om te drinken.
Zijn deze cijfers aanleiding om zo snel mogelijk de suikertax en de verlaging van btw op groente en fruit in te voeren?
Het kabinet wil de gezonde keuze stimuleren en de ongezonde keuze ontmoedigen. Prijsmaatregelen zijn daarbij onderdeel van een breder pakket aan bewezen effectieve maatregelen om gedragsverandering te stimuleren. Die voer ik graag zo snel mogelijk in. Voor beide maatregelen geldt dat ze ook zorgvuldig en doelmatig moeten worden vormgegeven om daadwerkelijk gezonder eten te stimuleren en om uitvoerbaar te zijn voor zowel de belastingdienst als betrokken ondernemers. Hier werk ik samen met mijn collega van Financiën aan.
Wat wilt u extra doen om te bewerkstelligen dat de preventiedoelen voor 2040 behaald worden? Kunt u dit expliciteren per onderwerp (roken, drinken, overgewicht)?
Ik bereid een sterke en brede preventieaanpak voor2. De doelen van het preventieakkoord worden doorgezet en de maatregelen worden geïntensiveerd, versneld en aangevuld. De belastingen op tabak en frisdrank gaan omhoog, waarbij ook het laagste tarief op bier wordt verhoogd zodat we niet minder accijns op bier betalen dan op fris.
Het RIVM heeft in 2018 aangegeven dat de inzet van het Nationaal Preventieakkoord niet voldoende is om de ambities op overgewicht, roken en problematisch alcoholgebruik in 2040 te halen. Op basis van het RIVM rapport uit 20213, waarin het instituut per thema een overzicht geeft van effectieve maatregelen, ga ik met partijen van de tafels verkennen wat we kunnen versnellen en intensiveren om de ambities te halen. Waar nodig wil ik aanvullende wettelijke maatregelen nemen. Het is duidelijk dat er een tandje bij moet om een gezonde generatie in 2040 te realiseren. Ik zal uw Kamer rond de zomer informeren over mijn aanpak op de verschillende thema’s.
Gelooft u dat de acties genoemd in het regeerakkoord voldoende zijn om de preventiedoelen te behalen? Zo ja, waar baseert u dit op?
Zie antwoord vraag 5.
Zou u bereid zijn om preventiedoelen in de wet te verankeren en zo te verzekeren dat niet alleen dit kabinet maar ook volgende kabinetten zich zullen moeten blijven inspannen om de preventiedoelen te behalen? Zo nee, waarom niet?
De gedachte om preventiedoelen in de wet te verankeren is mogelijk interessant, zeker waar het gaat om de rol van gemeenten. Tegelijkertijd is de wet een zwaar instrument dat we niet lichtvaardig moeten inzetten.
Dit kabinet heeft ervoor gekozen zich onverminderd in te blijven spannen voor de preventiedoelen die door het vorige kabinet zijn vastgesteld en neergelegd in landelijke beleidsnota’s en het Nationaal Preventieakkoord. Een wettelijke verankering van deze preventiedoelen is wat mij betreft dan nu ook niet nodig. Het doet ook geen recht aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van partijen voor de oplossing van het probleem. Het vastleggen van doelen in een akkoord geeft hier veel beter uitdrukking aan. Een eendimensionale focus op realisatie van wettelijke gezondheidsdoelen kan voorbijgaan aan de individuele verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van mensen. Mijn ambities zijn helder, en ik ga graag met u in debat over de maatregelen die nodig zijn om deze ambities te bereiken.
Het meest recente IPCC-rapport in relatie tot Bonaire, Statia en Saba |
|
Sylvana Simons (BIJ1), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het IPCC-rapport van werkgroep 2 «Climate Change 2022: impacts, adaptations and vulnerability» (AR6), en dan met name het hoofdstuk en de factsheet over «Small Islands»?1
Ja.
Wat is wat u betreft de betekenis van dit IPCC-rapport voor Bonaire, Statia en Saba? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
Het IPCC-rapport bevat voor kleine eilanden zoals Bonaire, Sint Eustatius en Saba zorgwekkende informatie over de klimaateffecten van klimaatverandering, zoals de grotere kans op zware tropische stormen, stormvloeden, verminderde beschikbaarheid van zoet water, aantasting en verlies van kustecosystemen zoals koraalriffen door opwarming van het zeewater en zeespiegelstijging. Een meer specifieke duiding van de betekenis is op basis van de in het IPCC-rapport beschikbare gegevens niet mogelijk; het rapport bevat geen afzonderlijke beoordeling van het Caribisch gebied. De risico’s van klimaatverandering voor kleine eilanden, waaronder Caribisch Nederland, zijn voor het kabinet een belangrijke reden om mondiaal in te zetten op het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot maximaal 1,5 graad. In de kamerbrief van 22 maart 2022 (Kamerstuk 32 813, nr. 1005) heeft het Kabinet zijn ambities verwoord op het gebied van verduurzaming van de energievoorziening voor Caribisch Nederland. De eilanden hebben te maken met vraagstukken op het terrein van klimaat en energie. Het gaat daarbij om verduurzaming van de elektriciteitsproductie, duurzame vormen van koeling van gebouwen, een veilige drinkwatervoorziening en meer zelfstandige voedselproductie. Een aanpak van deze vraagstukken is niet alleen in het belang van het klimaat, maar biedt ook kansen om de leefbaarheid te vergroten, de kosten van nutsvoorzieningen te verlagen en de economieën te vergroenen. Het Kabinet heeft de ambities om met het Koninkrijk een showcase te zijn voor de verduurzaming van kleine eilandstaten (small island states). Hiervoor is een goede samenwerking tussen de verschillende departementen van het Rijk, de besturen van de openbare lichamen van Caribisch Nederland belangrijk.
Heeft u, wellicht in het kader van de vele rapporten die de afgelopen jaren aan de regering zijn aangeboden of in opdracht van de regering zijn uitgevoerd over gevolgen van de klimaatcrisis voor Nederland, inzicht in de gevolgen van de klimaatcrisis voor Bonaire, Statia en Saba tot en met het jaar 2100 en daarna? Zo ja, wat zijn de belangrijkste gevolgen voor natuur en koraal, mens, dier, infrastructuur, economie, veiligheid en cultuur?2
Voor een gedetailleerde beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar hoofdstuk 2 en pagina 25 van het Klimaatsignaal21 van het KNMI waarin de klimaattrends en mogelijke impacts daarvan op Caribisch Nederland worden beschreven. Kort samengevat zijn voor dit gebied vooral veranderingen in temperatuur en neerslag relevant, alsmede de impact van orkanen en de mogelijk daardoor veroorzaakte stormvloeden.
Wat zijn de belangrijkste verschillen in klimaatimpact en adaptatienoodzaak voor de bewoners van Bonaire, Statia en Saba versus de inwoners van Nederlandse gemeenten op het Europese vasteland? Waar lopen de inwoners van Bonaire, Statia en Saba meer risico?
Het belangrijkste verschil is dat Caribisch Nederland meer te maken heeft met orkanen en de mogelijk daardoor veroorzaakte stormvloeden. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Hebben de burgers van Bonaire, Statia en Saba over het algemeen meer of minder middelen en mogelijkheden om de komende klimaatrisico’s het hoofd te bieden dan Nederlanders op het Europese vasteland?
De klimaatrisico’s waarvoor burgers hun middelen en mogelijkheden moeten inzetten verschillen tussen burgers onderling en in sterke mate tussen burgers in enerzijds Caribisch Nederland en anderzijds Europees Nederland. Dit komt doordat het huidige klimaat en de geografie verschillen, waardoor klimaatverandering en klimaatrisico’s verschillen. Hierdoor is een vergelijking tussen de mogelijkheden van de burgers in Caribisch Nederland en die van de burgers in Europees Nederland niet eenvoudig. De rol van de overheid, zowel van de rijksoverheid als van decentrale overheden, is een zorgplicht voor het welzijn en de veiligheid van alle burgers, onder wie ook toekomstige generaties. Waar nodig komt de overheid burgers dus te hulp wanneer zij het hoofd moeten bieden aan de komende klimaatrisico’s. Klimaatadaptatie is een onderwerp dat van de overheden maar zeker ook van bedrijven en burgers de volle aandacht vraagt.
Kunt u aangeven waarom wat u betreft het beperken van de wereldwijde temperatuur tot maximaal 1,5 graad essentieel is voor Nederland en dan voornamelijk de bijzondere gemeentes in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk, Bonaire, Statia en Saba?
Door het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot maximaal 1,5 graad (niet van de temperatuur zelf, zoals gesteld in de vraag) voorkomen we grote negatieve effecten op ecosystemen, de economie en de gezondheid voor Caribisch Nederland.
Wat is het CO2-emissiegat tussen de wettelijke CO2-reductiedoelstelling voor 2030 van 55 procent (en het streefcijfer van 60 procent) en de 1,5 graadsambitie van het kabinet?
De 1,5-graadsambitie van het kabinet is vertaald in een aanscherping van het klimaatdoel tot tenminste 55% en zo mogelijk 60% in 2030 ten opzichte van 1990. Dit reductiepercentage is volgens het kabinet in lijn met wat volgens het laatste IPCC-rapport van werkgroep III nodig is voor het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot maximaal 1,5 graad in 2100. Daarvoor is mondiaal voor alle broeikasgassen samen ongeveer 43% reductie ten opzichte van 2019 nodig. Dat komt overeen met 37% reductie ten opzichte van 2010 en ca. 18% reductie ten opzichte van 1990. Ook het doel van de EU en Nederland om in 2050 netto-nul-uitstoot van broeikasgassen te bereiken, oftewel 100% reductie, gaat aanzienlijk verder dan wat het IPCC aangeeft dat wereldgemiddeld nodig is. Volgens IPCC dienen voor het 1,5-graad-doel de mondiale CO2-emissies rond 2050 een netto-nul-niveau te bereiken, maar geldt voor alle broeikassen samen dat rond 2050 een reductie van 84% ten opzichte van 2019 nodig is, wat neerkomt op ca. 76% ten opzichte van 1990. Zie ook IPCC AR6 WGIII, SPM, tabel SPM.1. De KEV 2022, die dit najaar verschijnt, zal een eerste indicatie geven of het ingezette beleid voldoende is om de doelen van het kabinet te realiseren.
Kunt u dit CO2-emissiegat dat nog rest om in lijn met 1,5 graad te komen uitdrukken in een specifiek CO2-reductiepercentage of een CO2-budget voor relevante jaartallen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 7 is er geen sprake van een CO2-emissiegat.
Bent u van mening dat de CO2-reductiedoelstellingen van de regering in dienst moeten staan van het beschermen van Nederlanders, zowel op het Europese vasteland als in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk, tegen de ingrijpende gevolgen van de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
De CO2-reductiedoelstellingen staan in dienst van het beperken van de mondiale uitstoot en daarmee in dienst van alle mondiale burgers dus inclusief de burgers van het Caribische deel van het Koninkrijk. Daarom werk ik in Europees Nederland met IPO, VNG en de Unie van Waterschappen samen aan de uitvoering van het Klimaatakkoord en met de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering, andere bewindspersonen en de bestuurscolleges van de openbare lichamen aan onder andere duurzame energieproductie.
Acht u het wenselijk dat Bonaire, Statia en Saba uitgesloten blijven van de Nederlandse Klimaatwet, het Klimaatplan 2021–2030, de NDC’s onder het Parijsakkoord, de Klimaat- en Energieverkenningen (KEV) en de Regionale Energestrategiën (RES)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, aangezien de genoemde documenten betrekking hebben op de Nederlandse situatie binnen de Europese context. Vanuit het principe van «comply or explain» bekijkt het kabinet hoe maatwerkmaatregelen op het gebied van klimaat en energie kunnen worden getroffen in Caribisch Nederland. Met de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering en de bestuurscolleges van de openbare lichamen ben ik reeds actief in gesprek om te komen tot aanvullende investeringen op energiegebied in overeenstemming met het advies van TNO (Kamerstuk 32 813, nr. 1005). Het kabinet zet zich samen met de eilandsbesturen en de nutsbedrijven in om op korte termijn forse stappen te zetten in de verduurzaming van de elektriciteitsproductie op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Indien het volgens u terecht is dat Bonaire, Statia en Saba uitgesloten blijven van de Nederlandse Klimaatwet, het Klimaatplan 2021–2030, de NDC’s onder het Parijsakkoord, de Klimaat- en Energieverkenningen (KEV) en de Regionale Energestrategiën (RES), welke doelstellingen zijn er dan wel op het gebied van klimaat-, biodiversiteit- en energie?
Er zijn geen specifieke klimaatdoelen, maar op het gebied van energie komt het kabinet voor het zomerreces met een Kamerbrief over de routekaart naar een 100% duurzame elektriciteitsproductie.
Klopt het dat de enige generieke maatregel die zowel in Europees als Caribisch Nederland geldt, de Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI) is?
Nee, ook andere generieke maatregelen staan open voor aanvragen uit heel Nederland, zoals het Groeifonds. Een uitdaging bij een generieke maatregel van het Rijk is dat deze op activiteiten is gericht die veelal de schaal van Caribisch Nederland te boven gaan, net zoals zo’n maatregel veelal de schaal van een Europees Nederlandse gemeente met 1.900 inwoners (zoals het kleinste openbare lichaam van Caribisch Nederland) à 19.000 inwoners (zoals het grootste openbare lichaam van Caribisch Nederland) te boven gaat. Hierom zijn er ook maatwerkmaatregelen voor Caribisch Nederland, zoals de steun voor de verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening op Saba en Sint Eustatius in de periode 2014–2019.
Welke toegang tot financiële middelen lopen Bonaire, Statia en Saba mis omdat ze uitgesloten zijn van deze kaders en maatregelen? Wat is het verschil in kennisniveau binnen de rijksoverheid over de gevolgen van de klimaatcrisis (klimaatscenario’s, klimaatimpact en adaptatienoodzaak) voor Bonaire, Statia en Saba versus gemeenten op het Nederlandse Europese vasteland?
In het kader van het Deltaprogramma hebben de gemeenten in Europees Nederland een klimaatstresstest uitgevoerd waarin potentiële kwetsbaarheden voor verschillende klimaatthema’s kunnen worden geïdentificeerd. De rijksoverheid en verschillende internationale organisaties bieden hiervoor verschillende ondersteunende methodieken aan. Europees Nederlandse gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van klimaatstresstesten en het opstellen van een klimaatadaptatieplan. Vanuit het Deltafonds draagt het Rijk 200 miljoen euro bij aan een impulsregeling voor de gemeenten op het Europese vasteland, met als doel om eenmalig een versnelling van de uitvoering van maatregelen te bereiken. Daarnaast investeren Rijk en regio in het robuuster maken van de zoetwatervoorziening en in het waterveiligheidsprogramma. De meeste kaders en wetten waarop deze geldstromen zijn gebaseerd gelden niet voor Caribisch Nederland. Zie voorts het antwoord op vraag 3 en op vraag 12.
Zijn er (naast het Deltaprogramma, het Waterprogramma, het Nationaal Waterplan, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie) water en/of klimaatbeschermingsprogramma’s waarbij de rijksoverheid een coördinerende rol speelt, en waar Bonaire, Statia en Saba van zijn uitgesloten? Zo ja, welke?
Er zijn geen andere waterprogramma’s waarin het Rijk een coördinerende rol speelt dan de bovengenoemde.
Waarom zijn Bonaire, Statia en Saba, in tegenstelling tot andere gemeenten, uitgesloten van deze programma’s? En wat is de appreciatie van het kabinet hiervan?
De Nationale Klimaatadaptatiestrategie, het Nationaal Waterprogramma en het Deltaprogramma zijn de basis voor een samenhangende aanpak van klimaatadaptatie in Nederland binnen de Europese context. Het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie is specifiek tot stand gekomen voor de uitwerking van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. De Europees Nederlandse gemeenten hebben een grote eigen verantwoordelijkheid voor het klimaatbestendig maken van de ruimtelijke inrichting in hun gebieden. Het Nationaal Waterprogramma en het Deltaprogramma gelden op grond van de bepalingen van de Waterwet, niet in Caribisch Nederland. In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie wordt de mogelijkheid genoemd dat het Rijk ondersteuning biedt aan Caribisch Nederland. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderzoekt in het kader van het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030 (NMBP-CN) momenteel samen met Caribisch Nederland hoe Caribisch Nederland kan komen tot een klimaatadaptatiestrategie. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat deelt kennis en expertise, zoals ook gebeurt voor gemeenten in Europees verband.
Is het basisbeschermingsniveau van 0,001 pocent in 2050 (dat wil zeggen dat de kans op overlijden door een overstroming voor iedereen achter de dijken uiterlijk in 2050 niet groter is dan 1 op 100.000 per jaar zoals besloten ligt in de Deltabeslissing Waterveiligheid) ook van toepassing op de burgers van Bonaire, Statia en Saba? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Waterwet is in beginsel niet van toepassing op Caribisch Nederland, met uitzondering van artikel 5.32 waarin een specifieke verantwoordelijkheid in het geval van een (dreigende) watersnoodramp is vastgelegd. Deze wet is gemaakt voor de situatie in Europees Nederland en daarmee niet geschikt om een op een toe te passen in Caribisch Nederland. Dat betekent echter niet dat er in Caribisch Nederland geen wetgeving van toepassing is op water in brede zin van het woord. Ik wil u dit kader dan ook wijzen op de onderstaande wetten:
Zo kent het NMBP-CN, dat als grondslag zowel de Wet Vrom BES als ook de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES heeft, ook aspecten als het omgaan met klimaatverandering. Daarnaast kan de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES de openbare lichamen handvatten bieden voor het omgaan met de gevolgen van klimaatverandering. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderzoekt momenteel op welke wijze de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES ter ondersteuning en versterking van het NMBP-CN en lokale ruimtelijke ordeningsplannen kan dienen. In mijn antwoord op vraag 18 ga ik in op de mogelijkheden die ruimtelijke inrichting en ruimtelijke ordening bieden om de waterveiligheid in Caribisch Nederland op orde te houden.
Welke andere waterveiligheidsnormen of klimaatadaptatieveiligheidsnormen gelden voor inwoners van gemeenten in Nederland?
In Europees Nederland zijn de volgende normen van toepassing:
Kunt u per waterveiligheidsnorm aangeven of deze zowel gelden voor de inwoners van gemeenten op Europees Nederland als voor de inwoners van Bonaire, Statia en Saba?
De openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennen geen systeem van waterveiligheidsnormen. Dit hangt samen met het gegeven dat Caribisch Nederland boven de zeespiegel is gelegen en geen dichtbevolkte en diep gelegen polders kennen zoals in het laaggelegen Europees Nederland. Daar waar in Europees Nederland de nadruk ligt op bescherming tegen overstromingen, ligt het handelingsperspectief in Caribisch Nederland in het tijdig waarschuwen van de bewoners en het inzetten van de crisisorganisatie. Ruimtelijke inrichting en ruimtelijke ordening bieden handvatten voor de lokale overheden om de waterveiligheid in Caribisch Nederland op orde te houden. Tenslotte heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verantwoordelijkheid bij een (dreigende) watersnood op grond van artikel 5.32 van de Waterwet.
Kunt u een overzicht geven van de beleidsinitiatieven vanuit de rijksoverheid op klimaatadaptatie en waterveiligheid op Bonaire, Statia en Saba sinds de toetreding van deze eilanden als gemeentes van Nederland op 10 oktober 2010?
De invoering van het huidige waterveiligheidsbeleid in 2017 was voor het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een logisch moment om een quickscan uit te voeren naar onder meer de kansen en gevolgen van overstromingen vanuit zee. Door middel van bronnenonderzoek en interviews met experts zowel in Europees Nederland als in Caribisch Nederland is een beeld van de waterveiligheidssituatie geconstrueerd. De quickscan is gedeeld met de vertegenwoordigers van Caribisch Nederland. Vervolgens is om aan de wens van de vertegenwoordigers van Caribisch Nederland tegemoet te komen door het KNMI extra geïnvesteerd in de verbetering van het inzicht in het golfsysteem in het gebied. Hiermee kunnen betere voorspellingen ten aanzien van golfopzet worden gedaan.
Recent heeft het KNMI de quick scan «Past and future sea level around the BES-Islands» gepubliceerd. In een Klimaatbericht is aan de uitkomsten een artikel gewijd. Het KNMI verwacht voor Caribisch Nederland in de toekomst een iets snellere stijging van de zeespiegel in vergelijking met het wereldgemiddelde.
Kunt u een overzicht geven van eventuele beleidsinitiatieven die nu in de maak zijn op het gebied van klimaatadaptatie en waterveiligheid met betrekking tot Bonaire, Statia en Saba?
In het kader van de uitvoering van het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030 zal in 2022 een overzicht opgesteld worden van de impacts van en kwetsbaarheid voor klimaatverandering op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Op basis hiervan zal in nauwe samenwerking met Bonaire, Sint Eustatius en Saba een strategie ontwikkeld worden voor aanpassing aan klimaatverandering. Veel van de maatregelen en activiteiten met betrekking tot het NMBP dragen zowel bij aan adaptatie aan klimaatverandering en het herstel van biodiversiteit zoals: herbebossing, revegetatie, voorkomen van erosie en versterken kustzone door mangrove. Voor de uitvoering van het NMBP is in het kader van het Coalitieakkoord 35 mln. euro gereserveerd voor de uitvoering in de periode 2022–2025.
Momenteel werkt het KNMI aan «light-klimaatscenario’s» voor Caribisch Nederland, waarbij bijvoorbeeld gekeken wordt naar zeespiegelstijging en het effect van stormen in het zuidelijk deel van de Caribische Zee. Met deze informatie kan de impact van de opwarming van de aarde op bijvoorbeeld de landbouw en de natuur beter in kaart gebracht kan worden. Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen de uitkomsten ook als bouwsteen gebruiken bij besluitvorming in het kader van ruimtelijke ordening en ruimtelijke inrichting. De uitkomsten worden eind 2023 verwacht.
Kunt u aangeven hoe de verdeling van verantwoordelijkheden is tussen de verschillende departementen met betrekking tot klimaatadaptatiebeleid en waterveiligheid binnen de rijksoverheid met betrekking tot Bonaire, Statia en Saba?
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister voor Natuur en Stikstof en de Minister voor Volkshuisvestiging en Ruimtelijke Ordening hebben bevoegdheden in de Wet maritiem beheer BES, de Wet VROM BES, de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES, de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES en artikel 5.32 van de Waterwet. Dit artikel in de Waterwet stelt dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de bevoegdheid heeft om maatregelen in Caribisch Nederland te treffen in het geval van een (dreigende) watersnood.
Kunt u aangeven hoe volgens de rijksoverheid de beleidsverantwoordelijkheden verdeeld zijn tussen de rijksoverheid enerzijds, en de Openbare Lichamen op de eilanden anderzijds, met betrekking tot klimaatadaptatie op Bonaire, Statia en Saba?
Voor Caribisch Nederland geldt in beginsel dezelfde verantwoordelijkheidsverdeling als voor Europees Nederland. De openbare lichamen zijn primair zelf verantwoordelijk voor klimaatadaptatie. Zoals ook voor andere verantwoordelijkheden van de openbare lichamen geldt, kan een openbaar lichaam het Rijk om hulp vragen als het niet zelfstandig in staat is de verantwoordelijkheid te dragen. Zie voor de rol van het Rijk het antwoord op vraag 20 en de antwoorden op vraag 15, 16 en 21.
Deelt u de mening dat energiearmoede goed te bestrijden is door de energietransitie te versnellen en te investeren in duurzame energie-infrastructuur, in plaats van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen tegen volatiele prijzen te verlengen door in te zetten op fossiele energie-infrastructuur? Zo nee, op welke manier bent u van mening dat afhankelijkheid van volatiele fossiele energie prijzen, bijdraagt aan het verlagen van de energie-armoede?
De energierekening van huishoudens kan dalen door een lager tarief voor elektriciteit. Dit tarief hangt af van de kosten. De kosten bestaan deels uit de volatiele inkoopkosten voor brandstof. Deze brandstofkosten kunnen dalen door een groter deel van de elektriciteit op te wekken met duurzame productiemiddelen. De kosten van de voorziening stijgen echter anderzijds weer door de kosten (grotendeel afschrijving en financieringskosten) van deze middelen voor duurzame productie. Het hangt dan ook van het verschil tussen de besparing op brandstofkosten en de kosten van duurzame productiemiddelen af, of investering in duurzame energie-infrastructuur effectief is in de bestrijding van energiearmoede.
In Caribisch Nederland liggen – mede door de overvloed van wind en zon – kansen voor duurzame elektriciteit. Dit is niet alleen belangrijk voor de natuur, maar verduurzaming betekent ook minder afhankelijkheid van volatiele olieprijzen, waardoor in Caribisch Nederland de tarieven stabiliseren en op termijn kunnen dalen. Naast de kosten van energie zet het Kabinet zich ook in om de kosten van drinkwater ten opzichte van de kostprijs te verlagen, alsook om de kosten van andere basisbehoeften te verlagen.
Bent u bekend met het rapport «Duurzame en betaalbare energie in Caribisch Nederland: de ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening», waaruit blijkt dat er manieren zijn om de energieopwekking voor de eilanden tot 80 of zelfs 100 procent te verduurzamen? Was dit ook het streven de afgelopen jaren? Is dat nu het streven? Is het beleid hier ook op gericht, welke termijn is eraan verbonden en zijn hier voldoende financiële middelen voor beschikbaar waardoor de doelstellingen kunnen worden gehaald? Zo ja, kunt u dan ook deze garantie geven dat de percentages duurzame energieopwekking uit het rapport gehaald kunnen worden? Zo nee, wat is er voor nodig om deze percentages wel te halen en bent u bereid die maatregelen te treffen?3
De afgelopen jaren is er conform het rapport «Duurzame en betaalbare energie in Caribisch Nederland: de ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening» gewerkt aan de verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening. Hierbij is het aandeel duurzame elektriciteit op Saba en Sint Eustatius gestegen van 0% in 2015 tot respectievelijk 40% (2019) en 46% (2018). Uw Kamer heeft op 22 april 2021 de motie-Boucke c.s. (Kamerstuk 35 632, nr. 15) aangenomen waarin de regering verzocht wordt om met de openbare lichamen een routekaart met bijbehorende financiële middelen op te stellen hoe Caribisch Nederland stappen kan zetten naar een klimaatneutrale energievoorziening. Ik heb onderzoeksbureau TNO opdracht gegeven om de mogelijkheden voor verdere verduurzaming in kaart te brengen. Ik heb het rapport met de onderzoeksresultaten aan uw Kamer gestuurd, (Kamerstuk 32 813, nr. 1005). Ik beoog voor het zomerreces de routekaarten aan uw Kamer te sturen.
Het kabinet heeft de ambitie om met het Koninkrijk een showcase te zijn voor de verduurzaming van kleine eilandstaten (small island states).Hiervoor is een goede samenwerking tussen de verschillende departementen van het Rijk en de besturen van de openbare lichamen van Caribisch Nederland belangrijk. De komende jaren draag ik hier als Minister voor Klimaat en Energie onder de coördinerende rol van Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering graag aan bij.
Kunt u garanderen dat de 10 miljoen euro die ter beschikking is gesteld aan Bonaire Brandstof Terminals B.V. (BBT), voldoende is om Bonaire tot 100 procent te verduurzamen? Zo ja, op welke manier en welke termijn is daaraan verbonden? Zo nee, bent u het ermee eens dat er dan in elk geval gekeken moet worden of een samenwerking met het Water- en Energiebedrijf Bonaire (WEB), die concrete verduurzamingsplannen heeft, wel kan leiden tot maximale percentages op het gebied van duurzame energie-opwekking?
Bonaire Brandstof Terminals B.V. kan op basis van 10 mln. euro meer financiering voor verduurzaming aantrekken en tegen lagere financieringskosten dan veel andere bedrijven. Dit volstaat niet om de elektriciteitsproductie op Bonaire tot 100% te verduurzamen, zoals beschreven in het rapport van TNO (Kamerstuk 32 813, nr. 1005). De elektriciteitsproducent van Bonaire (ContourGlobal), WEB en BBT werken samen aan de verduurzamingsplannen van Bonaire. Hier lopen momenteel ook ambtelijke gesprekken over met mijn ministerie en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Wanneer kan de Kamer de «routekaart naar een duurzame energievoorziening» voor Bonaire, Statia en Saba verwachten?
Voor het zomerreces van 2022.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het verzamel-commissiedebat BES van 23 maart 2022?
Dit is vanwege de complexiteit en breedte van de vragen, de uitvoering van werkzaamheden voor Caribisch Nederland en de interdepartementale afstemming niet gelukt.
Zou u ook de vragen van de leden Boucke, Wuite (beiden D66), Van Raan en Wassenberg (beiden PvdD) aan de Minister voor Klimaat en Energie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitzending van Zembla «Bedreigd Nederlands Koraal» van 17 februari 2022, ingezonden op 3 maart 2022, voor dit verzamel-commissiedebat BES kunnen beantwoorden?
De beantwoording van deze vragen heeft uw Kamer voorafgaand aan dit verzamel-commissiedebat BES bereikt (Aanhangsel van de Handelingen 2021/2022, nr. 2197).
Het bericht 'Recordjaar overnames in de zorg met grote rol voor private equity' |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Recordjaar overnames in de zorg met grote rol voor private equity»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de rol van private equity-bedrijven in het zorgveld?
Financiering door investeerders en private equity-partijen kan positieve effecten hebben op de zorg, doordat dit meer mogelijkheden geeft voor het financieren van bijvoorbeeld investeringen in innovatie. Er kunnen echter ook risico’s zijn, bijvoorbeeld het risico dat het realiseren van winst een groter belang gaat krijgen dan de kwaliteit van zorg. Dat is uiteraard onwenselijk. Daarom is van belang dat iedere zorgaanbieder die in Nederland zorg levert, moet voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Dat geldt onder andere voor de eisen rond kwaliteit van zorg door zorgaanbieders zoals vastgelegd in de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz), de bepalingen rond het winstuitkeringsverbod in de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) en de bepalingen over bestuursstructuur zoals vastgelegd in de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). Daarnaast is door brancheorganisaties de Governancecode Zorg 2022 opgesteld.
Heeft u een goed beeld van de omvang van private equity-investeringen in de zorg? Zo ja, wat is dat beeld?
Mij is geen recent onderzoek bekend naar de omvang van private equity-investeringen in de zorg. Wel heeft de NZa in haar informatiekaart «Concentraties in de zorg 2020» aangegeven bij hoeveel concentraties sprake was van betrokkenheid van een private equity partij, op basis van de gegevens die bekend zijn via de zorgspecifieke concentratietoets. Dit was in 50% van de gevallen het geval.2 Onbekend is de omvang van de investeringen. Er is een nieuwe informatiekaart van de NZa in de maak, die betrekking zal hebben op de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2022. Zodra deze later dit jaar gereed is zal deze ook worden gepubliceerd.
Deelt u de mening dat private equity-bedrijven in de zorg investeren om hoge winsten te maken en daarmee geld uit de zorg laten vloeien dat beter aan de zorg besteed had kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat de beschikbaarheid van kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare zorg aan patiënten voorop moet staan. Daarom moeten zorginstellingen zich, ongeacht de vorm van financiering of het eigenaarschap, houden aan de geldende wet- en regelgeving, onder andere op het gebied van kwaliteit. Daarnaast geldt er een winstuitkeringsverbod voor delen van de zorg, en is in het coalitieakkoord
«Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst»3 ook aangekondigd dat het kabinet (nadere) voorwaarden zal stellen aan winstuitkering om excessieve winstuitkering door zorgaanbieders tegen te gaan, dan wel te voorkomen.
In hoeverre belet de huidige normering van winstuitkeringen, private equity-bedrijven om te sturen op winst in plaats van op de kwaliteit van zorg?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u van plan in het aangekondigde wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) specifieke regels te gaan stellen voor de normering van winstuitkering als het gaat om zorginstellingen die in het bezit zijn van private equity-bedrijven?
Ik ben voornemens om in het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) de mogelijkheid te introduceren om voorwaarden te stellen aan winstuitkering als er zich excessen voordoen in een sector, of om deze te voorkomen. De aard van de voorwaarden kan verschillend zijn per sector, en de risico’s die zich voordoen waarbij winstuitkeringen een risico vormen voor de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Voor wat betreft de voorwaarden, valt te denken aan de financiële gezondheid (solvabiliteit), de kwaliteit van zorg of de termijn waarop winst mag worden uitgekeerd. Met deze laatste voorwaarde wordt geborgd dat het langetermijnperspectief van de zorgaanbieder voorop wordt gesteld, boven het belang van korte termijn-investeerders.
Hoe borgt u de kwaliteit van zorg en goed werkgeverschap voor zorginstellingen waar private equity-bedrijven aan de touwtjes trekken?
Alle zorgaanbieders die in Nederland zorg leveren moeten, ongeacht het eigenaarschap, voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Dat geldt onder andere voor de eisen rond kwaliteit van zorg en de bestuursstructuur zoals wettelijk vastgelegd in respectievelijk de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de Wet toelating zorgaanbieders (WTZa). Daarnaast is er de Wet BIG, die eisen stelt aan bepaalde groepen van beroepsbeoefenaren. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet erop toe dat de verplichtingen in deze wet- en regelgeving, zoals de verplichting om goede zorg te leveren, wordt nageleefd. Wanneer de geleverde zorg ondermaats is, heeft de IGJ de bevoegdheid om te handhaven.
Wat betekent de inmenging van internationale investeringsbedrijven voor het Nederlandse zorgveld? Is dit wenselijk? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het verbieden van mobiele telefoons door GXO |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staken omdat je mobiele telefoon niet mee naar binnen mag: «We zijn slaven»?»1
Ja.
Vindt u het verbieden van mobiele telefoons van werknemers getuigen van het volwassen behandelen van het personeel door werkgever GXO?
Op basis van het instructierecht van de werkgever (art. 7:660 BW) kan een werkgever het gebruik van mobiele telefoons of andere voorwerpen op de werkvloer verbieden. Deze bevoegdheid is eenzijdig; instemming van de werknemers is niet nodig. Voorwaarde van een instructie is dat deze redelijk en billijk is.
Ik heb van GXO vernomen dat het gebruik van mobiele telefoons in het warehouse uit veiligheidsoverwegingen niet is toegestaan. In het warehouse wordt met heftrucks en computergestuurde apparatuur gewerkt waardoor het – net als in het verkeer – niet veilig is om tijdens het werk gebruik te maken van een mobiele telefoon. Daar waar het voor het werk noodzakelijk is om onderling te communiceren, wordt met portofoons gewerkt aangezien op veel plekken in het warehouse geen bereik is.
Overigens heb ik van GXO vernomen dat naar aanleiding van onrust onder de medewerkers en zorgen over hun veiligheid is besloten om toe te staan dat mobiele telefoons naar binnen mogen in het warehouse mits ze niet tijdens het werk worden gebruikt.
Bent u ook om die reden van mening dat het verbieden van het meenemen van mobiele telefoons op de werkvloer door GXO bespottelijk is?
Zie antwoord vraag 2.
Is het überhaupt toegestaan dat een werkgever verbiedt mobiele telefoons of andere voorwerpen op de werkvloer mee te nemen? Zo ja, wat zijn de wettelijke regels hiervoor?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens dat het zeer opmerkelijk is dat dit besluit is genomen, nadat er filmpjes zijn gemaakt van een levensgevaarlijke werksituatie?
Het niet toestaan van mobiele telefoons in een warehouse uit veiligheidsoverwegingen is gebruikelijk. Ik heb van GXO vernomen dat het ging om een bestaande instructie.
Deelt u de mening dat het erop lijkt dat deze werkgever het verbod op het meenemen van mobiele telefoons niet heeft genomen vanwege veiligheidsvoorschriften, maar eerder om misstanden op de werkvloer te verbergen?
Zie antwoord vraag 5.
Ook geven werknemers aan dat ze vaak dezelfde dag nog worden afgebeld om te kunnen werken en daardoor geen salaris ontvangen, klopt het dat een werkgever bij afzegging binnen vier dagen toch het recht heeft op loon voor de afgesproken uren?
Ja. Met de Wet arbeidsmarkt in balans is geregeld dat oproepkrachten recht hebben op loon als hun werkgevers binnen vier dagen alsnog afzegt. Het merendeel van de uitzendkrachten heeft een oproepcontract. Als het klopt dat uitzendkrachten op een oproepcontract dezelfde dag nog worden afgezegd zonder loon hiervoor te ontvangen is dat in strijd met de wet.
Hoe oordeelt u verder over de opmerkingen van werknemers dat zij van mijn mening zijn dat zij als «slaven» worden behandeld?
Dat baart mij zorgen. Werknemers moeten te allen tijde goed worden behandeld. Zij moeten onder de correcte arbeidsvoorwaarden, conform wetgeving (zoals de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag) en, indien van toepassing, cao en onder goede arbeidsomstandigheden kunnen werken. Indien zij van mening zijn dat hiervan geen sprake zou zijn, moedig ik hen aan om een melding te doen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie.
Bent u vanwege al deze signalen over GXO bereid om de Arbeidsinspectie te verzoeken een inspectie uit te laten voeren bij dit bedrijf?
De Nederlandse Arbeidsinspectie werkt programmatisch en risicogericht, en is onafhankelijk toezichthouder. Bij haar keuzes betrekt de Arbeidsinspectie ook de actualiteit. De Arbeidsinspectie heeft een project gericht op uitzendarbeid en distributiecentra. In dat kader hebben de arbeidsomstandigheden in distributiecentra haar aandacht.
Verdrinkingen in Nederland |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Verdrinkingen in Nederland: het beeld bijgesteld»?1
Ja.
Bent u ook geschrokken van deze cijfers, waaruit blijkt dat jaarlijks niet rond de 100 mensen in Nederland verdrinken, maar tussen de 250 en 300? Kunt u uw antwoord toelichten?
Achter iedere individuele verdrinking schuilt een persoonlijk drama, ongeacht wat hier de oorzaak van is. Hoewel mij bekend is dat het CBS rapporteert over accidentele verdrinkingen en dus niet over verdrinkingen als gevolg van een ongeval of zelfdoding, is de optelling van de verschillende achtergronden confronterend.
Waarom rapporteert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) niet ieder jaar op de wijze waarop dat is gebeurd in het genoemde factsheet? Bent u bereid met het CBS en andere betrokken partijen in gesprek te gaan om te zien welke verbeteringen er mogelijk zijn in de informatieverzameling over verdrinkingen? Zo niet, waarom niet?2
De cijfers die het CBS publiceert over de aantallen verdrinkingen in Nederland zijn afkomstig van de doodsoorzakenstatistiek. Het fundament onder deze statistiek zijn de internationale richtlijnen, opgesteld door de World Health Organisation (WHO), op basis waarvan de onderliggende doodsoorzaak na overlijden wordt bepaald. Met de onderliggende doodsoorzaak wordt gedoeld op de ziekte of aandoening waarmee de reeks van gebeurtenissen die uiteindelijk het overlijden van de persoon veroorzaakte, begon. Deze reeks opeenvolgende gebeurtenissen wordt door de arts op het doodsoorzakenformulier aangegeven.
Bij accidentele verdrinkingen zijn zowel de onderliggende doodsoorzaak als de aard van het letsel een verdrinking. Bij bijvoorbeeld een zelfmoord (niet-accidentele verdrinking) is de aard van het letsel een verdrinking, maar wordt de onderliggende doodsoorzaak, volgens internationale ICD-10 richtlijnen, gecodeerd en geclassificeerd als «zelfmoord». Dit behoort tot een andere cluster van ICD-10 codes. Ditzelfde geldt voor fatale verdrinkingen ten gevolge van vervoersongevallen. Dit is de reden dat het CBS de accidentele verdrinkingen publiceert.
Het CBS geeft aan in volgende publicaties ook een breder perspectief te geven van alle gevallen van overlijden waarbij verdrinking een rol speelde. Hierbij zullen naast de accidentele verdrinkingen, de verdrinkingen geïncludeerd worden door suïcide, vervoersongevallen en andere oorzaken, waarbij het aard letsel verdrinking is aangeduid.
Ziet u ook de meerwaarde van registratiesystemen en rapporten waaruit het werkelijke aantal verdrinkingen blijkt, zoals ook andere landen hebben, zodat daar ook beleidsmaatregelen uit kunnen volgen? Kan een dergelijk registratiesysteem ook voor Nederland worden opgesteld?3
Met de bredere blik die het CBS in volgende publicaties hanteert, ga ik ervan uit dat we in de toekomst een compleet beeld hebben van alle verdrinkingen in Nederland.
Klopt het dat de laatste campagne op het terrein van het voorkomen van verdrinkingen door vervoersongevallen in 2009 was en dat die campagne aantoonbaar succesvol was? Zou het niet een goed idee zijn een dergelijke campagne te herhalen, of in ieder geval met relevante partijen als Veilig Verkeer Nederland en Reddingsbrigade Nederland in gesprek te gaan over verdere stappen die kunnen worden gezet om het aantal doden door verdrinking bij verkeersongevallen terug te dringen?
Op 6 mei 2010 is uw Kamer geïnformeerd over de resultaten van de campagne «Auto te Water? Meteen eruit door de ruit!» die in 2009 gevoerd is. Hieruit bleek dat na de campagne het aandeel mensen dat een veiligheidshamer in de auto heeft was gestegen van 51% naar 55%. Ook het aandeel dat weet dat je het beste de auto uit kan komen met zo’n veiligheidshamer steeg van 28% naar 38%. In de campagneperiode zijn meer veiligheidshamers verkocht dan normaal.
De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) geeft aan dat niet bekend is in welke mate de veiligheidshamer een rol speelt bij het voorkomen van verdrinkingen. Mensen raken vaak in paniek en kunnen dan verkeerde keuzes maken, zoals hulpdienst bellen, vertrouwen op luchtbel in de auto, de deur proberen te openen. Ook kan het zijn dat mensen wel uit de auto komen maar niet kunnen zwemmen.
De SWOV verwacht vooral effect van een betere infrastructuur en rijhulpsystemen in auto’s. Systemen die voorkomen dat je van de weg af raakt zitten al in de meeste auto’s en worden vanaf juli 2022 verplicht voor nieuwe voertuigtypen. Daarnaast zetten gemeenten en provincies zich in voor het veiliger maken van de infrastructuur. Onder andere met de 500 miljoen cofinanciering die het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat vanaf 2020, over een periode van 10 jaar, hiervoor heeft vrijgemaakt. Veilig Verkeer Nederland geeft op hun website goede tips over hoe je uit de auto kunt komen.
Bent u bereid om met Stichting 113 te bespreken of maatregelen kunnen worden genomen om het aantal zelfdodingen door verdrinking terug te dringen?
Ja.
In welke mate is voorzien in voorlichting en nazorg voor hulpverleners die geconfronteerd worden met (pogingen tot) zelfdoding door verdrinking? Is bekend of die nazorg als voldoende wordt ervaren? Welke faciliteiten zijn er voor de betreffende hulpverleners om zelfdodingen te helpen voorkomen, als die situatie zich voordoet?
In een bevraging door het Mulier Instituut geeft een op de tien lifeguards aan in de zomer van 2021 te maken te hebben gehad met suïcidale pogingen of gedachten van de gasten. Daarbij is niet expliciet gevraagd of de nazorg of toerusting voldoende is.
Uit eerder onderzoek van hetzelfde Mulier Instituut onder deze doelgroep uit 2019 is bekend dat het overgrote deel tevreden is met de ondersteuning van de werkgever en de faciliteiten op de werkplek. Daarnaast geeft een groot deel aan voldoende toegerust te zijn voor het werk wat ze doen. Hoewel niet expliciet gevraagd is naar voorbereiding of nazorg bij zelfdoding, komt ook niet naar voren dat de doelgroep hierop een ondersteuningsbehoefte heeft of mogelijk verbeteringen benoemt.
In mijn overleg met de partijen die bewaking bij open water uitvoeren zal ik dit punt agenderen.
Samenwerkingsverbanden die ondoorzichtig zijn en veel geld kosten |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Zijn er cijfers over hoeveel samenwerkingsverbanden de samenleving kosten? Zo ja, kunt u die naar de Kamer sturen?1
Hier houden we op Rijksniveau geen cijfers van bij, maar we weten dat gemeenten rond de 20%2 van hun begroting uitgeven via samenwerkingsverbanden. Voor kleine gemeenten ligt dit percentage hoger. Ik wil hierbij aantekenen dat het niet zo is dat zonder samenwerkingsverbanden deze kosten wegvallen. Als gemeenten de taken die zij in samenwerking uitvoeren zelf zouden uitvoeren, kost dit ook geld. Gemeenten kiezen bewust voor samenwerking en ik ga ervan uit dat zij een goede afweging maken tussen de publieke waarde die samenwerking oplevert en de (financiële) kosten. De samenwerkingsverbanden waarin gemeenten zowel een bestuurlijk als financieel belang hebben noemen we «verbonden partijen». Het kan hierbij gaan om gemeenschappelijke regelingen, vennootschappen (waarin de gemeente een direct of indirect belang kan hebben), corporaties, verenigingen en stichtingen. Alle gemeenten kennen in hun begroting een paragraaf «verbonden partijen» waarin de bestuurlijke en financiële risico’s per samenwerkingsverband worden benoemd. Daarnaast kennen veel gemeenten een register verbonden partijen, al is het niet meer verplicht om een dergelijk register bij te houden. In de begrotingsparagraaf en het register wordt inzichtelijk gemaakt wat precies de bestuurlijke, juridische en financiële positie is van de gemeente per samenwerkingsverband, wat het publieke belang is van deelname en wat de kosten en risico’s zijn. De kosten van verbonden partijen komen dus terug in de begrotingen van individuele gemeenten en vallen daarmee onder de controle van individuele gemeenteraden.
In hoeverre worden deze kosten meegenomen bij de overweging om gemeenten te herindelen?
Dit speelt doorgaans geen grote rol, aangezien samenwerking voor fusiegemeenten vaak wenselijk blijft. Het aantal samenwerkingsverbanden waarin een gemeente participeert neemt meestal ook niet af na herindeling. Wanneer gemeenten een herindeling overwegen, werken zij meestal meerdere scenario’s uit. Onderdeel van die scenario’s is de vraag in welke mate samenwerking met andere gemeenten noodzakelijk is na herindeling en in welke vorm. Hierbij spelen verschillende bestuurlijke en financiële argumenten een rol.
Kunt u aangeven hoeveel vermeende kostenbesparingen fusiegemeenten opleveren als dat afgezet wordt tegen de kostenvermeerdering van samenwerkingsverbanden?
Nee, dit is niet mogelijk. Herindeling en samenwerking zijn twee verschillende eenheden. Herindeling is vrijwel nooit een volwaardig alternatief voor samenwerking, tenzij dezelfde gemeenten op vrijwel al hun taken al met elkaar samenwerken. Dit is echter zelden het geval. Er is mij geen recent voorbeeld bekend waarin een gemeente koos voor een herindeling om daarmee kosten te besparen op samenwerkingsverbanden. Bij de keuze voor herindeling speelt doorgaans een breder scala aan overwegingen dan alleen kostenbesparing. Eén van de argumenten om tot herindeling over te gaan is vaak wel dat gemeenten hierdoor hopen effectiever te kunnen sturen op samenwerkingsverbanden en/of om binnen de regio een krachtiger samenwerkingspartner te kunnen zijn.
Hoe kan het dat niet duidelijk is hoeveel samenwerkingsverbanden er zijn?
Zoals ik hierboven heb toegelicht zijn er vele soorten samenwerkingsverbanden. Deze zijn in kaart gebracht3 en terug te vinden op de overheidswebsite regioatlas.nl. Het gaat hierbij om samenwerkingsverbanden waarin tenminste twee overheden participeren, waarvan minstens één decentrale overheid en waarbij de samenwerking ook is vastgelegd. Alle samenwerkingsverbanden die onder deze definitie vallen zijn in kaart gebracht, dit zijn dus ook samenwerkingsverbanden die niet onder de definitie «verbonden partij» vallen. Ten slotte is het goed om te benoemen dat gemeenten zelf een goed beeld hebben van de samenwerkingsverbanden waarin zij participeren. In elke gemeentebegroting is te vinden aan welke verbonden partijen een gemeente deelneemt en daarnaast houden de meeste gemeenten een register verbonden partijen bij.
Denkt u dat de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen de fundamentele problemen van het gebrek aan democratische controle en zeggenschap bij gemeenschappelijke regelingen oplost?
De wijziging van de Wgr draagt hieraan bij, maar lost niet alle problemen op die betrekking hebben op democratische controle en zeggenschap. De wijziging brengt wel een verbetering aan in de relatie tussen individuele gemeenteraden en afzonderlijke gemeenschappelijke regelingen. Daarnaast wil ik benadrukken dat binnen de huidige wet en regelgeving nog ruimte is om de democratische legitimiteit van samenwerkingsverbanden te verbeteren door anders te handelen. Veel hangt namelijk af van de kwaliteit van sturing op samenwerkingsverbanden en sturing binnen een samenwerkingsverband. De «governance» van samenwerkingsverbanden is soms ingewikkeld en vraagt om expertise bij ambtenaren en bestuurders. De afgelopen jaren is vanuit BZK daarom het initiatief genomen om verschillende producten te ontwikkelen die laten zien welke mogelijkheden er zijn, vaak gebaseerd op voorbeelden uit het land. In de praktijk zien wij dat steeds meer gemeenten een professionaliseringsslag maken, bijvoorbeeld door betere inbedding van de governance van verbonden partijen binnen de eigen organisatie. Dit gebeurt bijvoorbeeld door vaststelling van een kadernota verbonden partijen inclusief afwegingskader voor het aangaan van samenwerkingsrelaties, het cyclisch monitoren van verbonden partijen en het aanbrengen van een betere scheiding tussen de opdrachtgeversrol en eigenaarsrol op ambtelijk en bestuurlijk niveau. Hierdoor zien we dat steeds meer gemeenten ook in staat zijn om de sturing op en sturing binnen samenwerkingsverbanden te verbeteren. Tegelijkertijd onderken ik dat er op dit vlak nog veel is te winnen.
In hoeverre heeft het onderzoek gevolgen voor de aanstaande voorgenomen herindelingen?
Aangezien we graag zien dat herindelingen van onderop tot stand komen is het aan gemeenten om de uitkomsten van het door u bedoelde onderzoek mee te nemen in hun overwegingen om een herindelingsinitiatief te nemen. Ik beoordeel elk herindelingsinitiatief op basis van het Beleidskader gemeentelijke herindeling. Regionale samenhang is hierbij één van de criteria. We vragen van herindelingsgemeenten om te beargumenteren hoe de voorgenomen herindeling bijdraagt aan de samenhang in de regio en het functioneren van samenwerkingsverbanden. Ik voorzie daarom geen gevolgen voor aanstaande herindelingen. Mijn positieve oordeel over de herindeling van de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne die momenteel voorligt, verandert hier niet door.
Erkent u het probleem dat hoogleraar Allers schetst, dat politieke kwesties worden gedepolitiseerd door de beslissingsbevoegdheid over te dragen aan een samenwerkingsverband, waardoor uiteindelijk niemand meer verantwoordelijkheid draagt? Wat is uw analyse over dit geschetste gevolg? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
Ik herken dit niet als een breed probleem binnen samenwerkingsverbanden. In beginsel is het goed dat er scherp wordt gekeken naar welke taken minder «politiek» van aard zijn en daarom om minder politieke sturing vragen. Dit kan de efficiëntie en kwaliteit van de taakuitvoering ten goede komen. Met name bij de meer uitvoerende samenwerkingsverbanden werkt het goed als taken zoveel mogelijk gestandaardiseerd worden. Dit kan doorslaan naar depolitisering, waarbij beslissingen die weldegelijk een «politiek randje» hebben binnen de (ambtelijke) organisatie van het samenwerkingsverband worden gemaakt. Dit risico bestaat echter ook bij gemeentelijke organisaties, provincies of het Rijk. De gemeentelijke vertegenwoordigers in samenwerkingsverbanden blijven te allen tijde verantwoording verschuldigd aan het eigen bestuur over hun handelen in het bestuur van gemeenschappelijke regelingen. Daarnaast krijgen gemeenteraden met de aanstaande wijziging van de Wgr verschillende instrumenten om hier voortijdig op bij te sturen of achteraf te reconstrueren wat er met welke beweegredenen gebeurd is, bijvoorbeeld via een gemeenschappelijke adviescommissie of een gezamenlijke raadsenquête.
Erkent u het probleem dat hoogleraar Peters schetst dat wanneer samenwerkingsverbanden wel zelf keuzes maken dit betekent dat niet-gekozen ambtenaren bepalen wat belangrijk is, waardoor er een eigenstandige organisatie ontstaat waar raadsleden geen grip op hebben? Wat is uw analyse over dit geschetste gevolg? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
Nee. In het antwoord op vraag 7 ben ik al ingegaan op de bestuurlijke verantwoordelijkheid en de mogelijkheden voor raden om te sturen of te controleren. In aanvulling hierop zijn gemeenschappelijke regelingen vormen van verlengd lokaal bestuur. Dit betekent dat de besturen van deze verbanden bestaan uit leden van de bestuursorganen die samenwerken. Deze besturen nemen de besluiten, niet de ambtenaren. Gemeenteraden moeten toestemming geven aan colleges voordat deze een gemeenschappelijke regeling kunnen aangaan. Net als op gemeentelijk niveau de besluiten van het college van B&W en de gemeenteraad ambtelijk voorbereid (kunnen) worden, kunnen besluiten van het (algemeen) bestuur van een gemeenschappelijke regeling door de ambtelijke organisatie van de regeling worden voorbereid. Een zekere mate van verlies aan zeggenschap en controle is evenwel inherent aan verlengd lokaal bestuur en samenwerking in het algemeen. Dit kan echter, zoals ik hierboven ook heb betoogd, voor een groot deel worden ondervangen door een professionele sturing (governance) op en binnen samenwerkingsverbanden waarbij ook wordt geïnvesteerd in de relatie tussen deelnemende colleges en raden. De wijziging van de Wgr die per 1 juli 2022 in werking treedt geeft bovendien meer mogelijkheden aan raden en raadsleden om hun verantwoordelijkheden richting gemeenschappelijke regelingen waar te maken. Te denken valt aan de mogelijkheid van zienswijzen voor een besluit genomen wordt of het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie van raadsleden.
Vindt u, ondanks deze geschetste problemen, nog steeds dat gemeenschappelijke regelingen enkel een vorm van verlengd lokaal bestuur zijn? Begrijpt u dat het er sterk op lijkt dat gemeenschappelijke regelingen een zelfstandige laag vormen in het bestuurlijke landschap of zelfs een soort «schaduwoverheid» vormen? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Gemeenschappelijke regelingen zijn een vorm van verlengd lokaal bestuur. Het geheel aan samenwerkingsverbanden vormt in mijn ogen geen schaduwoverheid. In mijn antwoorden op vraag 7 en 8 ben ik uitgebreider ingegaan op de geschetste problematiek. In aanvulling hierop wil ik benadrukken dat het merendeel van de samenwerkingsverbanden in Nederland goed functioneert. Zij hebben een grote meerwaarde binnen ons bestel en zullen ook nodig blijven om publieke waarde te realiseren voor onze inwoners.
Bent u bereid ook de problemen van de structurele kostenoverschrijdingen en de overige geschetste problemen mee te nemen als u met de aangekondigde voorstellen over de bestuurlijke inrichting komt? Zo nee, waarom niet?
Ik herken de problematiek dat raden weinig sturingsmogelijkheden ervaren ten opzichte van gemeenschappelijke regelingen en zich aangetast voelen in hun budgetrecht. Dat is ook één van de redenen geweest voor de komende wijziging van de Wgr. Voor de voorbereiding van deze wijziging is veel overleg gevoerd met raadsleden tijdens regiobijeenkomsten in heel Nederland over wat zij als problemen ervaren en hoe deze problemen opgelost kunnen worden. Wel maak ik hierbij nogmaals de kanttekening dat gemeenten zelf eigenaar en opdrachtgever zijn van gemeenschappelijke regelingen en in deze rollen veel sturingsmogelijkheden hebben. Er zijn mogelijkheden om als individuele deelnemer in een regeling of als deelnemers gezamenlijk, meer grip te krijgen op de financiële koers van een samenwerkingsverband. Om gemeenteraden hier handvatten voor te geven, heeft mijn voorganger verschillende ondersteuningsproducten5 laten ontwikkelen. Hier ligt een belangrijke opgave voor gemeenten.