Het eerder afschaffen van de Jubelton |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IT’ers: Jubelton kan eerder dan 2024 worden afgeschaft. «Zet die 100.000 in je systemen op 0, en klaar is Kees»»?1
Ja.
Klopt het dat de belastingvrije schenking op een koopwoning jaarlijks wordt geïndexeerd, waardoor het drempelbedrag voor belastingvrij schenken elk jaar wijzigt, in 2022 106.671 euro is en in 2021 105.302 euro was?
Ja.
Klopt het dat bij deze indexering sprake is van een zogenaamde wijziging van de parameters, omdat het hier gaat om wijziging van de bedragen (en percentages) van heffingskortingen?
Ja.
Klopt de informatie uit de meest recente Parameterbrief (Belastingplan 2022) nog steeds, waarin staat dat parameters onder andere bedragen en percentages zijn van heffingskortingen (zoals de Jubelton) «waarvan de waarden zich eenvoudig laten aanpassen»?
Ja.
Klopt ook de informatie nog steeds dat parameters in de erf- en schenkbelasting, waaronder de Jubelton, uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging nog aangepast kunnen worden?
Ja.
Klopt het dat bij het verlagen van de heffingsvrije grens (het «Jubelton-bedrag») naar nul euro, één euro of een ander symbolisch laag bedrag, dit onderdeel niet uit de aangifte verwijderd hoeft te worden?
Een verlaging naar nul euro, betekent dat de jubelton ofwel de schenkingsvrijstelling eigen woning is afgeschaft. Deze zou dan uit de aangifte moeten worden verwijderd. Bij verlaging naar een ander bedrag blijft de vrijstelling onderdeel van het aangiftebiljet.
Klopt het ook dat het procesmatig niet ingewikkelder is om de Jubelton van bijvoorbeeld 106.671 euro naar één euro te wijzigen, dan van 105.302 euro naar 106.671 euro te indexeren?
Ja.
Volgt uit het voorgaande dat het maximale bedrag van de belastingvrije schenking voor een koopwoning tot 1 december van dit jaar «eenvoudig» aangepast kan worden naar nul euro,één euro of een ander symbolisch laag bedrag, zodat de Jubelton vanaf 2023 de facto op nihil staat?
Het is automatiseringstechnisch mogelijk om de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning voor schenkingen van ouders aan kinderen te verlagen tot één euro of een ander bedrag, maar niet tot 0 euro. Een verlaging tot 0 euro betekent namelijk de facto een afschaffing en daarvoor is een structuuraanpassing nodig.
Bij verlaging van de vrijstelling EW tot € 1 zou deze lager zijn dan de eenmalige verhoogde vrijstelling voor schenkingen van ouders aan kinderen zonder bestedingsvoorwaarden van € 27.231. Te verwachten is dat dit tot vragen en verwarring gaat leiden: het doel schenking voor de eigen woning wordt herkend in de aangifte waarna bij aanvinken alles boven € 1 wordt belast. Elders in het aangifteformulier kan in de ouder-kindrelatie zonder bestedingsvoorwaarde aanspraak worden gemaakt op een bedrag van € 27.231. Dit komt de begrijpelijkheid voor de burger niet ten goede.
Bijkomend risico is druk op de uitvoering als gevolg van vragen over de uitwerking van de regeling en noodzakelijk herstel waar verkeerde keuzes gemaakt blijken te zijn. Vanuit dat perspectief is het het meest logisch bij een eventuele verlaging van de vrijstelling EW een bedrag van € 27.231 als ondergrens te hanteren.
De schenkingsvrijstelling EW is niet alleen van toepassing op schenkingen in ouder-kindrelaties, maar ook op schenkingen tussen derden. In beide situaties bedraagt de vrijstelling naar de huidige stand maximaal € 106.671. Dit bedrag is voor beide situaties als één parameter in de systemen geprogrammeerd. Als gevolg daarvan moet bij verlaging voor beide situaties opnieuw eenzelfde maximumbedrag gelden.
Erkent u daarmee dat het op nihil stellen van de Jubelton feitelijk al eerder mogelijk is dan per 2024? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 8.
Waarom kiest u er, als u de Jubelton wilt afschaffen om de groeiende ongelijkheid in de volkshuisvesting tegen te gaan, niet voor dit de facto al per 1 januari 2023 te doen door voor 1 december 2022 het heffingsvrije bedrag op nihil te zetten?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 8.
Bent u het ermee eens dat u zo nog onnodig een jaar extra bijdraagt aan grotere ongelijkheid op de woningmarkt?
Uit de evaluatie van de verruimde schenkingsvrijstelling eigen woning door SEO2 komt ook onder meer naar voren dat de financiële uitgangspositie van huishoudens die een schenking ontvangen relatief gunstig is ten opzichte van huishoudens zonder schenking. Dit vergroot de vermogensongelijkheid binnen generaties. Uit de evaluatie blijkt ook dat starters op de woningmarkt de schenking deels gebruiken om minder te lenen dan op basis van hun inkomen had gekund, maar ook om een duurdere woning te kopen dan starters zonder schenking. Dit kan ten koste gaan van andere starters die om dezelfde starterswoningen concurreren en draagt daarmee bij aan de ongelijkheid op de woningmarkt.
Bent u alsnog bereid de Jubelton per 2023 op nihil te stellen? Waarom wel, dan wel waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 8.
Klopt het dat op het moment dat de Jubelton per 1 januari 2024 wordt afgeschaft ontvangers van de belastingvrije schenking dit geld nog tot 1 januari 2027 belastingvrij voor de koop van een woning kunnen aanwenden? Wat doet dit volgens u met de ongelijkheid in de volkshuisvesting?
Dit hangt af van de precieze vormgeving van de wetgeving inzake de afschaffing van de vrijstelling eigen woning die deel zal uitmaken van het Belastingplan 2023.
Uit het onderzoek van SEO blijkt dat de financiële uitgangspositie van huishoudens die een schenking ontvangen relatief gunstig is ten opzichte van huishoudens zonder schenking, en dat starters op de woningmarkt de schenking deels gebruiken om minder te lenen dan op basis van hun inkomen had gekund, maar ook om een duurdere woning te kopen dan starters zonder schenking. Dit kan ten koste gaan van andere starters die om dezelfde starterswoningen concurreren en draagt daarmee bij aan de ongelijkheid op de woningmarkt. Afschaffen van de schenkingsvrijstelling verkleint zodoende de ongelijkheid. Dit effect zal gradueler optreden naarmate de wijze waarop afschaffing wordt vormgegeven per saldo meer ruimte laat voor schenkingen.
Hoe kan het, dat in antwoord op feitelijke vragen die afgelopen Prinsjesdag werden gesteld, werd aangegeven dat «afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning [...] op zijn vroegst mogelijk [is] per 2023», terwijl ook ten tijde dat dit antwoord werd gegeven al bekend was dat in 2022 de afronding plaats zou vinden van het sinds 1 juli 2021 in werking getreden nieuwe systeem voor schenk- en erfbelasting? Wat is er sinds dit kleine half jaar veranderd dat het nu pas sinds 2024 zou kunnen?
Voorstellen voor aanpassing van wet- en regelgeving die aanpassingen in de systemen van de Belastingdienst vergen, moeten worden ingepast in het IV-portfolio van de Belastingdienst. Dat is het totaal van werkzaamheden dat aan de systemen moet worden uitgevoerd: beheer en onderhoud, modernisering en vernieuwing, en wetgeving en jaaraanpassingen. In de praktijk is de vraag daarbij groter dan met de beschikbare capaciteit realiseerbaar is, zodat voortdurend keuzes moeten worden gemaakt. In het najaar kunnen daarbij nieuwe voorstellen opkomen vanuit (onder meer) het pakket Belastingplan, terwijl ook de vraag naar en verdeling van portfoliocapaciteit doorlopend in beweging is. In dat traject probeert de Belastingdienst binnen de mogelijkheden rekening te houden met nog opkomende wetgevingswensen.
Specifiek voor wetgeving waarvoor structuuraanpassingen nodig zijn in de systemen voor de schenk- en erfbelasting geldt daarbij dat de specificaties uiterlijk op 1 maart van jaar t-1 moeten vaststaan voor inwerkingtreding per 1 januari van jaar t. De lopende systeemvernieuwing kan daarbij nog van invloed zijn op de werkelijke doorlooptijd van gewenste wijzigingen.3 De specificaties zijn de ICT-technische uitwerking van de (aanpassing van) wet- en regelgeving die in de systemen moet worden verwerkt. Voorgestelde maatregelen moeten worden beoordeeld op inpasbaarheid met andere aanpassingen die in de systemen moeten worden doorgevoerd.4
Bij de beantwoording van de feitelijke vragen van afgelopen Prinsjesdag was de inschatting dat de noodzakelijke werkzaamheden voor afschaffing van de schenkingsvrijstelling eigen woning nog konden worden ingepast in het portfolio van 2022 met een inwerkingtredingsdatum 1 januari 2023. Dit was gebaseerd op de stand van de portfoliobesluitvorming van dat moment en een eerder gemaakte eerste inschatting van de impact van het afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning op de systemen. De woorden «op zijn vroegst» brachten tot uitdrukking dat dit een voorlopig oordeel was: er was geen wetsvoorstel en er was dus ook geen afgeronde uitvoeringstoets.
Ook toen vraag en aanbod voor aanpassingen aan de systemen later in het najaar van 2021 verder op elkaar moesten worden gepast, maakte het afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning geen onderdeel uit van het pakket Belastingplan 2022. Bij de toedeling en verdeling van portfoliocapaciteit is gestuurd op een effectieve inzet op het aanbod van projecten in het portfolio met voor de schenk- en erfbelasting de afronding van de overgang naar het nieuwe systeem als belangrijke prioriteit. Het venster voor het afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning sloot verder met het ontbreken van wetgeving per 1 januari 2022.
Het afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning wordt in wetgeving uitgewerkt en door de Belastingdienst met een uitvoeringstoets beoordeeld. Bij de portfolioplanning voor 2023 wordt er nu reeds van uitgegaan dat het voorstel eind dit jaar in het Staatsblad zal staan, met inwerkingtredingsmoment 1 januari 2024.
Kunt u deze vragen binnen drie weken beantwoorden?
Beantwoording binnen drie weken is helaas niet gelukt.
Het EU herstelfonds |
|
Senna Maatoug (GL), Laurens Dassen (Volt) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het stiekeme Nederlandse selectieproces voor de EU-herstelmiljarden»?1
Ja.
Hoe leest u de constatering dat achter de schermen de afgelopen maanden al tot in detail door het vorige kabinet werd gewerkt aan de bestedingen van de RRF-gelden, terwijl de Kamer en decentrale overheden hierin niet werden betrokken?
Het is altijd duidelijk geweest dat er aan de formatietafel beslist zou worden over het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP), blijkens ook de naar u verzonden Kamerbrief van 27 november 2020. Begin vorig jaar heeft er een ambtelijke inventarisatie plaatsgevonden van de meest kansrijke reeds begrote en nieuwe maatregelen die voldoen aan de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF)- verordening. Het coalitieakkoord is helder over de kaders van het HVP: de middelen uit de HVF worden ingezet om reeds begrote uitgaven te financieren, al dan niet aangevuld met gefinancierde maatregelen uit het coalitieakkoord. Alle maatregelen zullen bovendien moeten voldoen aan de criteria in de HVF-verordening. Tijdens de totstandkoming van het coalitieakkoord is er ook breed geconsulteerd via de verschillende formatietafels, waaronder de medeoverheden.
Stemt u ermee in dat dit haaks staat op het Brusselse verzoek om een «brede consultatie» te houden? Omdat er in een van de gewobte documenten waar FTM naar verwijst wordt gezegd dat het om «de meest logische externe stakeholders» gaat, en dat die inputfase eerder ook een consultatie is genoemd, vragen wij u of u het ermee eens bent dat alleen «de meest logische externe stakeholders» zijn meegenomen in de door het kabinet genoemde «brede consultatie»? Mocht dit niet het geval zijn: hoe is het kabinet voornemens een gedegen consultatie te houden in 1 maand terwijl eerder (eind 2020) werd gesteld dat het tijdspad juist te krap was?
Het stond de departementen tijdens de ambtelijke inventarisatie vrij om contact te zoeken met belanghebbenden, hetgeen ook is gebeurd. Departementen hebben onder andere input ontvangen van diverse vakbonden, bedrijven, gemeenten, provincies, regio’s en kennisinstellingen. Dat betekent overigens niet dat andere belanghebbenden hun stem niet meer kunnen laten horen. Er wordt momenteel gewerkt aan een eerste conceptversie van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan, die uw Kamer en het bredere publiek zullen ontvangen. Op basis van ontvangen inbreng wordt een tweede conceptversie opgesteld die wederom gedeeld zal worden met uw Kamer. Voorts is voorzien dit conceptplan aan bijvoorbeeld genderorganisaties en medeoverheden voor te leggen en om hen te vragen input te geven op welke wijze de reeds geselecteerde maatregelen in hun ogen het beste uitgevoerd zouden kunnen worden. Hiermee geef ik ook opvolging aan de moties van de leden Gündoğan en Van Dijk. Bovendien hebben belanghebbenden tijdens formatiegesprekken zoals gebruikelijk ook de mogelijkheid om input te leveren op de in het coalitieakkoord te verwerken hervormingen. Op deze manier hebben belanghebbenden dus zowel in het voortraject, als in het komende traject voldoende mogelijkheden tot het leveren van inbreng.
Wat is uw verklaring waarom de Kamer anderhalf jaar in ongewis is gebleven over de besteding van de beschikbare gelden voor Nederland?
Het besluit over de besteding van de beschikbare gelden is, conform de naar u verzonden Kamerbrief van 27 november 2020, genomen bij de totstandkoming van het coalitieakkoord. Uw Kamer is nauw betrokken geweest bij het formatieproces en heeft het coalitieakkoord aanvaard.
Wat vindt u van de door het vorige kabinet gekozen volgorde om eerst naar de Europese Commissie te communiceren aanspraak te willen maken op de gelden alvorens de Kamer, decentrale overheden en andere belanghebbenden hierbij te betrekken?
Een lidstaat kan volgens de HVF-verordening (artikelen 12 en 18) pas aanspraak maken op middelen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit bij de indiening van een HVP. In het proces dat leidt tot indiening van het definitieve plan zullen de Kamer, medeoverheden, en andere belanghebbenden meegenomen worden. Daarnaast zijn de Kamer, medeoverheden en andere belanghebbenden reeds meegenomen in het formatieproces. In het daaruit volgende coalitieakkoord zijn de afspraken vastgelegd die de basis vormen voor het HVP.
Voorts is het gebruikelijk dat Europese lidstaten conceptplannen informeel toetsen bij de Europese Commissie. Daarnaast is de HVF-verordening voor alle Europese lidstaten een nieuw proces, vandaar dat het logisch is om informeel en ambtelijk bij de experts van de Europese Commissie verdere toelichting te ontvangen over de uitvoering van de verordening. Gezien de omvang van de beschikbare middelen (miljarden) en de ernst van de crisis waar Nederland zich in de nasleep van de Covid-19 pandemie in bevond, vind ik het vanzelfsprekend dat in deze informele gesprekken kenbaar is gemaakt dat Nederland aanspraak wil maken op de HVF-gelden.
Kunt u een concreet overzicht geven van het tijdspad met betrekking tot de Nederlandse indiening van het RRP?
De tijdlijn voor het indienen van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan ziet er als volgt uit: in het eerste kwartaal van 2022 zal het eerste conceptplan uitgewerkt en met uw Kamer gedeeld worden. Hierna start de formele dialoog met de Europese Commissie en de raadpleging van belanghebbenden. Vervolgens is het streven om een tweede, finale conceptversie van het plan in mei 2022 gereed te hebben. In juni 2022 zal ik het finale conceptplan aan uw Kamer presenteren. Uiterlijk 31 augustus 2022 zal Nederland het plan formeel indienen bij de Europese Commissie.
Vanaf het moment van indienen door Nederland heeft de Europese Commissie twee maanden om met een voorstel voor een uitvoeringsbesluit te komen, met daarin de goedkeuring van het plan, de mijlpalen en doelen, alsmede de daaraan gekoppelde bedragen. Hierna heeft de Raad een maand de tijd om het uitvoeringsbesluit goed te keuren. Vervolgens zal een overeenkomst tussen de Commissie en Nederland worden opgesteld, waarmee de middelen formeel worden gecommitteerd. Ten slotte is op 31 december 2022 de deadline voor de Europese Commissie om 70% van alle middelen te hebben gecommitteerd aan de lidstaten.
Kunt u op basis van aanvullende stukken inzicht geven in de interdepartementale stukken ter afstemming en besluitvorming aangaande de besteding? Kunt u een concreet overzicht geven van de huidige stand van zaken met betrekking tot de Nederlandse indiening van het RRP? Wordt het aangaan van nieuwe investeringen als uitgangspunt van de besteding van de gelden genomen, in lijn met de geest van het herstelfonds? Wanneer is het kabinet voornemens de Kamer bij de plannen voor de bestedingen te betrekken?
In het kader van het door u aangehaalde Wob-verzoek zijn de stukken over interdepartementale afstemming aangaande de besteding openbaar gemaakt en terug te vinden via de website van rijksoverheid.nl.2 Het kabinet heeft ervoor gekozen om reeds begrote uitgaven te financieren, al dan niet aangevuld met financieel gedekte maatregelen uit het coalitieakkoord, in het HVP op te nemen. Uw Kamer zal in het eerste kwartaal van 2022 de eerste conceptversie van het HVP ontvangen. Om hier zorgvuldig en gericht invulling aan te kunnen geven is op 1 februari 2022 binnen het Ministerie van Financiën een programmadirectie van start gegaan die de indiening van het Nederlandse HVP zal gaan coördineren. In die rol is deze HVP-directie o.a. verantwoordelijk voor de kwaliteit- en volledigheidschecks op basis van de HVF verordening, en het voeren van de dialoog met de Europese Commissie. Omdat de kennis en verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregelen die uiteindelijk in het Nederlandse HVP opgenomen zullen worden primair bij de departementen ligt, hebben zij ook een cruciale rol bij het voorbereiden, invullen en implementeren van het HVP. Zie vraag 6 voor een toelichting op het verdere proces.
Welke hervormingen is het kabinet voornemens door te voeren om in aanmerking te komen voor de gelden? Wanneer is het kabinet voornemens de Kamer bij de plannen voor de hervormingen te betrekken? Kunt u op basis van aanvullende stukken inzicht geven in de interdepartementale stukken ter afstemming en besluitvorming aangaande de hervormingsplannen? Zo niet, waarom niet?
De hervormingen in het HVP zullen gebaseerd zijn op hervormingen die in gang zijn gezet sinds 1 februari 2020, alsook de hervormingen die in het coalitieakkoord genoemd worden en waar mogelijk samenhang vertonen met de investeringen in het HVP. Zoals vereist in de HVF-verordening zullen de hervormingen ook ingaan op een substantieel deel van de landenspecifieke aanbevelingen die de Europese Commissie heeft opgesteld. Deze aanbevelingen zijn ook meegenomen in het coalitieakkoord. Zie verder het antwoord op vraag 6 en 7.
Kunt u specifiek uitwijden over de concrete punten waar de besluitvorming aangaande de besteding als ook de hervormingen nog niet volledig is afgerond en wat daar de pijnpunten zijn, zoals blijkt uit de WOB-stukken aangehaald in het FTM-artikel?
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de HVF-financiering wordt gebruikt voor reeds in de begroting gedekte maatregelen. De verdere besluitvorming over de investeringen en hervormingen in het HVP vindt plaats conform het tijdpad in het antwoord op vraag 6. Dat betekent dat de definitieve besluitvorming volgens de huidige planning zal plaatsvinden in de zomer van 2022.
De groslijst met mogelijk in aanmerking komende projecten voor de besteding van de gelden is op 1 november 2021 met de Kamer gedeeld terwijl deze lijst niet is afgestemd met lagere overheden of de Kamer, ondanks het verzoek van de Europese Commissie om een «brede consultatie» te voeren: wat vindt u van deze constatering? Wat vindt u van de keuze om deze gang van zaken te bestempelen als «een krap tijdspad», zoals ook weergegeven in het FTM-artikel?
De HVF-verordening (artikel 15) schrijft voor dat elk HVP een samenvatting van het consultatieproces moet bevatten dat past binnen de nationale juridische kaders. Lidstaten hebben dan ook op verschillende wijze invulling gegeven aan het consultatieproces. De juridische kaders voor het Nederlandse HVP zijn tijdens de formatie vastgesteld en in het Coalitieakkoord opgenomen. Tijdens de formatie zijn medeoverheden en de Kamer breed geconsulteerd, en uiteindelijk is besloten om het Nederlandse HVP te vullen met bestaande en gefinancierde maatregelen en eventueel financieel gedekte maatregelen uit het Coalitieakkoord. De groslijst die op 1 november met de Kamer is gedeeld is het resultaat van een ambtelijke verkenning, maar staat niet gelijk aan een concept-HVP. Zoals eerder aangegeven is de ambtelijke inventarisatie opgesteld in samenwerking met alle departementen. Het stond de departementen tijdens de ambtelijke inventarisatie vrij om contact te zoeken met belanghebbenden, hetgeen ook is gebeurd. De Kamer en de medeoverheden worden geraadpleegd tijdens het verdere proces. Destijds werd uitgegaan van een vlot formatieproces, waardoor het tijdspad krap geacht werd. Er werd gekozen om de besluitvorming over het HVP aan het nieuwe kabinet over te laten en dit onderdeel te maken van het coalitieakkoord. Het coalitieakkoord is tot stand gekomen middels brede consultatie. Zie verder het antwoord op vraag 2, 3 en 6.
Wat vindt u van de gekozen volgorde door het vorige kabinet dat plannen opgesteld door de ambtenarij eerst informeel werden getoetst bij de Europese Commissie, vervolgens op de formatietafel belandden alvorens de Kamer hierbij betrokken werd? Denkt u dat met deze volgorde de officiële procedure is omzeild? Kunt u dit toelichten?
Het is gebruikelijk dat Europese lidstaten conceptplannen informeel toetsen bij de Europese Commissie. De HVF-verordening is voor alle Europese lidstaten een nieuw proces, vandaar dat informeel en ambtelijk bij de experts van de Europese Commissie getoetst is of bepaalde zaken voldoen aan de eisen van de verordening. Er is hiermee geen officiële procedure omzeild. De officiële procedure met de Europese Commissie gaat van start op het moment dat wij het plan indienen bij de Commissie, cf. preambule lid 38 van de HVF-verordening.
Hoe leest u de constatering uit het FTM-artikel dat «informeel» werd gesproken met ambtenaren op de permanente vertegenwoordiging in Brussel om zo de officiële procedure te kunnen omzeilen? Denkt u dat met deze volgorde de officiële procedure is omzeild? Kunt u dit toelichten?
Er is geen officiële procedure omzeild. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Klopt het dat gesprekken met de Commissie voor indiening van plannen inderdaad onderdeel zijn van het beoordelingsproces voor de RRP-plannen, zoals geconstateerd in het artikel van FTM?
Gesprekken met de Europese Commissie zijn nodig vanwege de technische en specifieke eisen van de HVF verordening. De gesprekken vormen echter geen onderdeel van het beoordelingsproces, maar worden ingezet ter voorziening van benodigde informatie ten aanzien van de HVF-verordening. De Commissie velt in deze gesprekken dan ook geen oordeel over de samenhang van het plan, maar geeft slechts toelichting bij de technische vereisten. Dit blijkt ook uit de openbaargemaakte stukken d.d. 1 november 2021.
Wat is uw lezing van de constatering dat uw voorganger Minister Hoekstra in het najaar van 2021 aangaf dat er eerst een plan moet liggen alvorens externen geconsulteerd kunnen worden, terwijl uit het artikel van FTM blijkt dat bepaalde partijen wel degelijk in een vroeg stadium betrokken werden, zoals VNO-NCW?
Ik deel zijn mening dat er eerst een plan moet liggen alvorens externen geconsulteerd kunnen worden over de inhoud van dit plan. Ten aanzien van de gesprekken in de totstandkoming van de ambtelijke groslijst stond het de departementen vrij om in gesprek te gaan met belanghebbenden. Daarnaast is er in de totstandkoming van het coalitieakkoord breed geconsulteerd. Voorts komen er twee conceptversies, waardoor belanghebbenden nog steeds in de gelegenheid zullen zijn hun stem te laten horen.
Kan de Minister de correspondentie tussen Den Haag en Brussel alsnog doen toekomen aan de Kamer, nog voor het voorjaarsreces? Kan de Minister een overzicht geven van de inhoud van de gesprekken die Nederland heeft gevoerd met de Commissie, al dan niet in een besloten briefing?
Het is helaas niet haalbaar deze informatie te leveren binnen de gevraagde termijn. Op dit moment wordt in het kader van het door u aangehaalde Wob-verzoek door verschillende departementen gewerkt aan het inventariseren en openbaar maken van documenten die betrekking hebben op contacten met belanghebbenden, waaronder met de Europese Commissie. Voorafgaand aan openbaarmaking worden de verschillende belanghebbenden, waaronder de Europese Commissie, om zienswijzen gevraagd. Indien de Europese Commissie gemotiveerd aangeeft dat de uitgewisselde stukken niet openbaar kunnen worden gemaakt, dan wordt die zienswijze in principe gevolgd. Ik zal de andere departementen verzoeken zo spoedig mogelijk de documenten met uw Kamer te delen (en in ieder geval uiterlijk op het moment dat deze documenten in het kader van het lopende Wob-verzoek openbaargemaakt worden).
Hoe definieert u «de meest logische externe stakeholders»? Op basis van welke criteria bestempelde en bestempelt het kabinet betrokkenheid van stakeholders als «logisch»?
Het is niet aan mij om dit te definiëren, aangezien dit de verantwoordelijkheid is van de betreffende vakdepartementen.
Kunt u een reconstructie maken van de wijze waarop de input van stakeholders als «inspiratie» gebruikt voor het formuleren van de maatregelen die zijn ingediend bij de Europese Commissie, op basis van gespreksverslagen of andere documentatie en deze op korte termijn (binnen 2 weken) aan de Kamer te doen toekomen?
Zie het antwoord op vraag 15.
Welke landen-specifieke aanbevelingen is Nederland voornemens door te voeren en welke aanbevelingen is het kabinet voornemens aan de kant te schuiven? Kunt u toelichten op basis waarvan deze keuzes zijn gemaakt en hoe dit keuzeproces is verlopen?
Op dit moment kan ik hier nog geen antwoord op geven. De voorgestelde keuze van het kabinet ten aanzien van de landenspecifieke aanbevelingen zal blijken uit de eerste conceptversie van het HVP die ook met uw Kamer gedeeld zal worden. Overigens geldt dat veel landenspecifieke aanbevelingen ook zijn meegenomen in de voorgenomen hervormingen in het coalitieakkoord.
Hoe bent u voornemens om te springen met het resterende proces aangaande het indienen van het nationale plan om aanspraak te maken op de RRF-gelden?
Momenteel is mijn ministerie in dialoog met de andere ministeries over de invulling van het eerste concept-HVP. Na het bereiken van ambtelijke en politieke overeenstemming over het eerste conceptplan, zal ik deze conceptversie met uw Kamer delen. Daarop kunnen ook belanghebbenden input leveren op dit conceptplan. Zie verder het antwoord op vraag 6.
In het regeerakkoord van het kabinet leest de Volt-fractie slechts over de besteding van de RRF-gelden: «de middelen uit het Europees herstelfonds ter financiering van de plannen uit onder meer dit coalitieakkoord». Welke plannen uit het coalitieakkoord is het kabinet voornemens aan de RRF-gelden te besteden?
Op dit moment kan ik hier nog geen antwoord op geven. Wel is duidelijk dat reeds begrote en bestaande maatregelen en het coalitieakkoord leidend zijn in de keuzes die gemaakt worden. Op welke wijze deze maatregelen kunnen worden opgenomen in een Nederlands HVP hangt af van de mate waarin deze maatregelen in overeenstemming zijn met de HVF-verordening. De keuze van het kabinet ten aanzien van de plannen uit het coalitieakkoord zal terug te zien zijn in de eerste conceptversie van het HVP die ter raadpleging ook met uw Kamer gedeeld zal worden.
Kunt u zicht bieden op de reactie van de Europese Commissie op de plannen, zoals die tot nu toe gecommuniceerd zijn in overleg met de Commissie?
Zie het antwoord op vraag 15.
Wat is uw verwachting ten aanzien van de beoordeling van de plannen van het kabinet door de Europese Commissie? Zal zij de plannen goedkeuren?
Ik kan niet spreken voor de Europese Commissie. Dit kabinet hecht veel belang aan een stevig en ambitieus HVP. Door in te zetten op structurele hervormingen en investeringen die aansluiten bij de landspecifieke aanbevelingen en de groene en digitale transities, kan naar verwachting gebruik gemaakt worden van de Europese middelen uit de HVF. Een ambitieus plan draagt bij aan een positieve beoordeling van de Commissie.
Kunt u het krappe tijdspad richting mei 2022 voor opstelling van het tweede conceptplan en presentatie van het finale conceptplan aan de Kamer in juni 2022 schetsen?
Zie het antwoord op vraag 6.
In hoeverre zijn de groslijsten bepalend voor de uitvoering van het Nederlandse RRP?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe definieert u «een briljant idee» wat eventueel nog aan de reeds bestaande groslijst kan worden toegevoegd? Kan de Minister een indicatie geven van de reeele kans dat zo’n «briljant idee» inderdaad aanspraak zal kunnen maken op het RRP?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe en wanneer bent u voornemens decentrale overheden en externe partijen te betrekken bij de totstandkoming van de plannen, conform motie Dassen d.d. 4 november 2021, nummer 35925-XIII-51?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
Hoe en wanneer bent u voornemens decentrale overheden en externe partijen te betrekken bij de uitwerking van de plannen?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
Hoe gaat u garanderen dat hier genoeg ruimte en tijd voor is terwijl het vorige kabinet zelf heeft gezegd niet eerst een consultatie te doen omdat een tijdspad dat toen nog ruimer was dan het tijdspad van aankomend voorjaar, al te krap was?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
Hoe bent u voornemens uit te reiken naar die externe partijen en decentrale overheden die hun weg in Den Haag minder makkelijk of niet weten te vinden?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
Het bericht dat het leger van Burkina Faso een staatsgreep heeft gepleegd. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Euractiv over de staatsgreep van het Burkinese leger?1
Ja.
Hoe oordeelt u over dit gewelddadige optreden van het leger waarbij President Roch Kaboré van Burkina Faso is afgezet, de Grondwet is opgeschort, de grenzen zijn gesloten en het parlement is ontbonden?
Het kabinet keurt elke machtsovername met gebruik van geweld af. Een vreedzame machtsoverdracht door middel van een transparant democratisch proces is een kernwaarde van Nederland, de EU en de VN. Nederland roept, net als de ECOWAS en de AU, op tot een politieke transitie gericht op terugkeer naar de constitutionele orde in Burkina Faso.
Kunt u een update verschaffen over de huidige situatie in het land en daarbij ingaan op de situatie van president Roch Kaboré?
Het dagelijkse leven in Burkina Faso is geleidelijk hervat. Hoewel leger en politie, net als voor de staatsgreep, zichtbaar aanwezig zijn in Ouagadougou, heerst er geen spanning op straat. De grenzen zijn weer geopend en de avondklok is opgeheven. De Grondwet is opnieuw ingesteld, zij het met enkele aanpassingen zoals de transitietijd van 3 jaar, de uitsluiting van de president aan de verkiezingen na de transitie, meer nadruk op integriteit en een lager aantal Ministers en parlementsleden.
Op 28 februari jl. werd in een nationaal consultatieproces een transitiehandvest aangenomen, met daarin een transitiepad van 3 jaar. Op 2 maart is Lt. Kol. Damiba geïnaugureerd als transitiepresident van Burkina Faso. Hij kan zich dus niet verkiesbaar stellen bij de verkiezingen aan het einde van de transitieperiode. Er zijn een civiele transitiepremier en 25 Ministers aangesteld, waarvan 3 militairen. Op 4 april is een concreet stappenplan voor de transitieperiode gepresenteerd.
Na veel onduidelijkheid over het lot van voormalig president Kaboré is hij op 24 januari jl. overgedragen aan de nieuwe machthebbers, die hem hebben overgebracht naar een villa en hem daar bewaakten. Op diezelfde dag ondertekende Kaboré een brief waarmee hij zijn ontslag aanbood.
ECOWAS heeft Burkina Faso na de staatsgreep geschorst. Op 25 maart jl. riep ECOWAS op tot de vrijlating van voormalig president Kaboré voor 1 april 2022, anders zouden individuele sancties worden ingesteld. Op 6 april is Kaboré overgebracht naar zijn gezinswoning, waar volgens de transitieautoriteiten zijn veiligheid wordt gegarandeerd. 1 en 2 april jl. was een ECOWAS delegatie in Burkina Faso om met de autoriteiten te spreken over de gevolgen van de oproep op 25 maart jl. Op het moment van schrijven zijn er nog geen individuele sancties ingesteld.
Wat zijn de overwegingen achter het feit dat de kleurcode wat betreft dit reisadvies gedeeltelijk nog steeds oranje en niet rood is?
Het reisadvies stond voor de staatsgreep al deels op rood en deels op oranje. Dit houdt verband met de terroristische dreiging. Reizen naar gebieden buiten de omgeving van Ouagadougou werden afgeraden (rood), terwijl voor reizen naar Ouagadougou en omgeving het advies was alleen essentiële reizen te ondernemen (oranje). Gedurende de dagen van de staatsgreep werd de tekst van het reisadvies aangepast om te waarschuwen voor risico’s van reizen op dat moment. Omdat de rust is teruggekeerd, is de tekst van het reisadvies weer aangepast naar het advies van voor de staatsgreep.
Bent u bekend met het feit dat Amerikaanse burgers actief worden oproepen Burkina Faso te verlaten en Amerikaanse burgers actief worden afraden naar Burkina Faso te reizen?
Net als Nederland raden de VS hun burgers af te reizen naar een groot deel van het land, waaronder het noorden, oosten en de grensgebieden. Er is voor zover bekend geen officiële oproep vanuit de Amerikaanse overheid gedaan aan hun burgers om Burkina Faso te verlaten.
Kunt u lessen trekken uit de checklist voor Amerikaanse burgers die in dit ambtsbericht staan voor het Nederlandse consulaire beleid? Zo ja, welke?
Vergelijkbaar met de Amerikaanse checklist, verwijst ook het Nederlandse reisadvies naar een pagina op www.nederlandwereldwijd.nl met tips voor voorbereidingen die burgers zelf kunnen treffen voor een mogelijke crisissituatie.
Hoe staat het met de veiligheidssituatie van het Nederlandse ambassadepersoneel en hun families?
Het Nederlandse ambassadepersoneel en families zijn veilig. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft in de week na de staatsgreep gesproken met het ambassadepersoneel.
Bent u in contact met Nederlandse staatsburgers en aanwezige bedrijven in Burkina Faso?
Tijdens en na de staatsgreep is het informatiesysteem van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gebruikt om de circa zestig in Burkina Faso verblijvende Nederlanders op de hoogte te stellen van de situatie. Hetzelfde systeem werd de afgelopen maanden gebruikt om Nederlanders te informeren over aangekondigde anti-regeringsdemonstraties.
Hoe oordeelt u over de mogelijke neveneffecten van deze staatsgreep op de stabiliteit van de regio? Wat doet de EU om deze risico’s te mitigeren?
Het kabinet is bezorgd over de instabiliteit en de veiligheidssituatie in Burkina Faso en de bredere Sahelregio alsook de dreiging van spill-over van gewelddadig extremisme naar West-Afrikaanse kustlanden en de effecten hiervan op Europa.
Om de risico’s te mitigeren zet de EU in de Sahel in op het adresseren van de grondoorzaken van instabiliteit en onveiligheid, met een regionale en geïntegreerde aanpak die onder andere ingaat op klimaatverandering, armoedebestrijding en het vergroten van de weerbaarheid van de bevolking. Ook probeert de EU de uitbreiding van instabiliteit tegen te gaan, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan de meest kwetsbare regio’s op het gebied van veiligheid, met name de Liptako-Gourma (het grensgebied tussen Mali, Niger en Burkina Faso) en Tsjaadmeer (het grensgebied tussen Tsjaad, Niger, Nigeria en Kameroen) regio’s.
Hoe oordeelt u over het mogelijke risico dat er in coalitieverband te weinig wordt gedaan tegen islamitisch extremisme, waardoor militaire junta’s en andere partijen als de Wagner-groep in dit machtsvacuüm kunnen duiken?
Om extremisme tegen te gaan dient militaire inzet gepaard te gaan met een inzet op preventie. Nederland zet daar zowel bilateraal als in coalitieverband op in. Nederland steunt verschillende projecten gericht op het tegengaan van gewelddadig extremisme (preventing violent extremism, PVE) in Burkina Faso. Daarnaast wordt binnen bilaterale programma’s PVE zoveel mogelijk geïntegreerd. Nederland draagt ook bij aan de capaciteitsopbouw van de veiligheidssector in Burkina Faso. Zo levert Nederland een financiële en trainingsbijdrage aan het Amerikaanse Global Peace Operations Initiative (GPOI), dat eenheden van Afrikaanse troepenmachten, waaronder Burkina Faso, traint ter voorbereiding op inzet in VN- en AU-missies. In het kader van de militaire oefening Flintlock verzorgen Nederlandse militairen al jarenlang trainingen in Burkina Faso. Over de beëindiging van de militaire training in Burkina Faso ter voorbereiding op deelname aan Flintlock in Ivoorkust bent u op 9 februari jl. geïnformeerd. (Kamerbrief «Politieke ontwikkelingen in de Sahelregio» d.d. 9 februari jl., 2022Z02373).
De EU zet in op het aanpakken van de grondoorzaken van gewelddadig extremisme en terrorisme in de Sahel (zie antwoord op vraag 9). Ook ondersteunt de EU de G5-Sahel en de G5-troepenmacht, die gemandateerd is om terrorisme tegen te gaan, en waar Burkina Faso deel van uitmaakt. Nederland levert hieraan in EU-verband een financiële bijdrage (EUR 5 miljoen tussen 2018–2022).
Is er iets bekend over de Wagner-groep in Burkina Faso?
Media berichtten onlangs over pro-Russische demonstraties in Burkina Faso, waarbij betogers de overheid oproepen om militaire steun in Rusland te vragen. Volgens mediaberichten zou de Wagner Group bereid zijn om de strijdkrachten van Burkina Faso bij te staan. Het kabinet kan deze berichten over Burkina Faso niet bevestigen, maar monitort de ontwikkelingen in de Sahel ten aanzien van de Wagner Group nauwlettend.
Betekent de staatsgreep in Burkina Faso dat de mogelijke inzet van Nederlandse militairen via de huidige EU-trainingsmissies onder het huidige vijfde mandaat in dat land tijdelijk niet langer mogelijk is?
Zoals in de Kamerbrief «Politieke ontwikkelingen in de Sahelregio» d.d. 9 februari jl. (2022Z02373) toegelicht, zijn de grenzen tussen Mali en ECOWAS-lidstaten, waaronder Burkina Faso, momenteel gesloten. Dit heeft zijn weerslag op de activiteiten van de EU-trainingsmissie in Burkina Faso. Daarnaast onderneemt de EU-missie tijdelijk geen activiteiten in Burkina Faso vanwege de recente ontwikkelingen in dat land. Gegeven de zorgen over de ontwikkelingen in Mali en de bredere regio volgt de EU de ontwikkelingen op de voet en wordt in EU-verband gesproken over de toekomstige voortzetting van de EU-missies in Mali, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 11 april a.s.
Wat voor gevolgen heeft deze staatsgreep voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking met Burkina Faso?
De Nederlandse ontwikkelingssamenwerking in Burkina Faso is gericht op het vergroten van de weerbaarheid van de bevolking en het wegnemen van grondoorzaken van armoede en instabiliteit. De Nederlandse programma’s lopen grotendeels via multilaterale organisaties en het maatschappelijk middenveld. Slechts in beperkte mate is sprake van indirecte betrokkenheid van (de)centrale overheidsinstellingen. Het gaat in dit geval om programma’s gericht op het versterken van decentralisatie in zes regio’s, en het verbeteren van toegang tot rechtspraak en anticonceptie.
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Burkina Faso op de voet. Programmatische keuzes met betrekking tot de OS-inzet worden momenteel aan de hand van deze ontwikkelingen tegen het licht gehouden. Dit geldt vooral voor programma’s waarin, via partners, met de overheid wordt gewerkt. Het kan zijn dat hierin aanpassingen nodig zijn, afhankelijk van de mate waarin partners nog inclusief kunnen opereren, impact bereiken en daarover rekenschap afleggen. Dit is geen lineair proces. In sommige gevallen is dan ook een pas op de plaats nodig om te zien hoe e.e.a. zich ontwikkelt. Nederland zal hierin altijd samen optrekken met andere gelijkgezinde donoren waaronder onze Europese partners.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De toename van het aantal treinstoringen. |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel over treinstoringen dat verschenen is in de Tubantia?1
Ja.
Wat is de oorzaak dat er door het hele land een forse stijging van het aantal treinstoringen te betreuren valt?
Uit cijfers van ProRail blijkt dat er in 2021 sprake is van een zeer lichte stijging van het aantal verstoringen met meer dan 10 minuten vertraging en uitgevallen treinen tot gevolg ten opzichte van 2020. Deze stijging bedraagt 2 à 3%, en is volgens ProRail voornamelijk te wijten aan de winterse omstandigheden in februari 2021 en de impact hiervan op het spoor. Noch NS, noch ProRail herkennen het beeld dat er in 2021 door het hele land sprake zou zijn van een forse stijging van het aantal treinstoringen ten opzichte van 2020.
Welke acties heeft u genomen en welke acties gaat u nemen om het aantal storingen terug te brengen? Indien u niets gaat doen, waarom doet u dan niets?
ProRail en NS rapporteren mij op een andere wijze dan waarop de cijfers genoemd in het artikel tot stand zijn gekomen. De afgesproken prestatie-indicatoren betreffen «Klanthinder als gevolg van storingen infra» (alleen ProRail) en drie gezamenlijke (zowel NS als ProRail) indicatoren voor reizigerspunctualiteit op het hoofdrailnet (op 5 en 15 minuten) en op de hogesnelheidslijn (5 minuten).
De prestatie-indicator «Klanthinder als gevolg van storingen infra» rapporteert het aantal storingen aan de infrastructuur die leiden tot veel en zeer veel hinder voor de dienstregeling van vervoerders en daardoor op reizigers en verladers. Met ProRail heb ik hiervoor een bodem- streefwaarde afgesproken. De bodemwaarde vormt de minimale prestatie die jaarlijks moet worden geleverd op een prestatie-indicator. De streefwaarde reflecteert de lange termijn doelstelling. De bodemwaarde betreft in dit geval een maximaal aantal van 520 storingen. De streefwaarde in 2021 bedroeg 470 storingen.
De prestatie-indicatoren voor reizigerspunctualiteit geven een indicatie van het percentage van de reizen dat met minder dan 5 of 15 minuten vertraging is verlopen. De bodemwaarden en streefwaarden luiden respectievelijk als volgt: reizigerspunctualiteit hoofdrailnet 5 minuten 88,9% en 91,5%, reizigerspunctualiteit hoofdrailnet 15 minuten 96,7% en 97,4%, reizigerspunctualiteit hogesnelheidslijn 5 minuten 82,1% en 84,2%.
ProRail en NS rapporteren over hun prestaties in 2021 via hun jaarverantwoordingen, welke ik uiterlijk op 1 maart ontvang en vervolgens met uw Kamer deel2. Ik kan niet vooruitlopen op de exacte resultaten over 2021, maar ik heb van ProRail en NS geen signalen ontvangen dat zij op deze prestatie-indicatoren slechter scoren dan de afgesproken bodemwaarden. De actuele prestaties kunt u bekijken op https://prestaties.prorail.nl. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding om aanvullende acties te ondernemen.
Wat is de relatie tussen het tekort aan verkeersleiders bij ProRail en deze stijging?
Hoewel het tekort aan verkeersleiders bij ProRail in het uiterste en ongewenste geval kan leiden tot uitval van treinen, laat ProRail weten dat het aantal verstoringen met als oorzaak personeelsproblemen op de verkeersleidingposten slechts een zeer beperkt aandeel vormt van het totaal aantal verstoringen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat – wanneer dit toch voorkomt – dit ongewenst is voor de reizigers, vervoerders en verladers die hier hinder van ondervinden. Ik heb u geïnformeerd over de aanpak van het tekort aan verkeerleiders in mijn brief van27 januari 20223.
Heeft u inmiddels contact gezocht met ProRail en NS? Zo nee, waarom niet en wanneer gaat u dit doen? Wat zijn de uitkomsten van dit gesprek?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel storingen zijn voor u acceptabel?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat NS aangeeft vaker op tijd te hebben gereden dan een jaar eerder, terwijl het aantal storingen juist toegenomen is?
Verstoringen en reizigerspunctualiteit kennen een andere definitie waardoor het beeld kan afwijken. De prestatie-indicator reizigerspunctualiteit meet het percentage van de reizen (dus niet treinen) dat met minder dan respectievelijk 5 en 15 minuten vertraging is verlopen. Vertraging van treinen tijdens de daluren en/of op trajecten met een beperkter aantal reizigers zullen de prestatie-indicator reizigerspunctualiteit minder sterk beïnvloeden dan vertraging van treinen op drukke trajecten tijdens de spits. Ook kan het zo zijn dat een reiziger ondanks een vertraging op een deel van zijn of haar reis, wel zijn of haar overstap haalt en daarmee op de totale reis geen vertraging heeft. Een toe- of afname in het aantal storingen hoeft daarom niet automatisch een evenredig effect te hebben op de prestatie-indicator reizigerspunctualiteit.
De geweldsgolf rond het azc in Budel. |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat het geweld door asielzoekers in en rond het asielzoekerscentrum (azc) in Budel dermate escaleert dat de burgemeester van Cranendonck een noodverordening heeft moeten afkondigen?1
Allereerst hecht ik eraan te benadrukken dat ieder incident er één teveel is. Ik vind de mate en ernst van de incidenten in Budel onacceptabel. Ik neem de zorgen van de gemeente Cranendonck en het COA heel serieus en deel die zorgen ook. Een noodverordening is een zwaar middel, maar de veiligheid van de omwonenden, medebewoners en medewerkers van de vreemdelingenketen moet altijd voorop staan. Ik heb op 2 februari deelgenomen aan een constructief gesprek tussen de burgemeester van Cranendonck, de commissaris van de Koning van Noord-Brabant en het COA over de noodverordening en andere maatregelen die op korte en lange termijn worden ingezet om de overlast een halt toe te roepen. Zie voor de uitkomsten van dit gesprek mijn antwoord op vraag 9.
Erkent u dat het bizar is dat de politie de afgelopen drie maanden maar liefst 200 keer in actie moest komen tegen personen die in dit azc verbleven?
Ja. Nogmaals: ieder incident is er één teveel en ik vind iedere vorm van overlast en criminaliteit onacceptabel.
Hoeveel en welke sancties, van Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)-sancties tot straf- en verblijfsrechtelijke sancties, zijn in diezelfde periode opgelegd aan personen die in het azc in Budel verbleven?
De afgelopen drie maanden (november 2021 tot en met januari 2022) zijn er 60 vonnissen door de Politierechter van de rechtbank Oost Brabant gewezen in zaken die betrekking hebben op verdachten uit azc Budel-Cranendonck. Van die 60 vonnissen werd in 16 gevallen een geldboete opgelegd (al dan niet deels voorwaardelijk) en in 42 gevallen een onvoorwaardelijke dan wel (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. De overige vonnissen betroffen een vrijspraak (1x) en een nietige dagvaarding (1x).
Het COA heeft in diezelfde periode ca. 130 maatregelen opgelegd aan vreemdelingen uit azc Budel-Cranendonck. In ca. 10 gevallen werd voor één of meerdere weken de toegang tot de locatie ontzegd. Als de overlastgever niet zelf onderdak kan regelen, biedt het COA een versoberde time-outplek in een ander azc aan.
Van ca. 50 vreemdelingen is twee weken hun zakgeld ingehouden, terwijl van ca. 40 vreemdelingen 4 weken hun zakgeld is ingehouden.
Deelt u de conclusie dat deze wantoestanden, evenals de 16.262 incidenten en 4.420 geregistreerde misdrijven door asielzoekers in 2020, aantonen dat de huidige aanpak van overlast en criminaliteit door asielzoekers ernstig faalt? Zo nee, waarom niet?2
Er is een uitgebreid palet aan maatregelen beschikbaar die door onder meer het COA, de IND, de DT&V, de politie, het OM en het lokaal bestuur zijn ontwikkeld om overlast veroorzaakt door asielzoekers te voorkomen en aan te pakken.3 Er is echter tijd nodig om meer effect te sorteren met de inzet van deze maatregelen. Er valt daarbij winst te behalen met een nog intensievere integrale inzet van maatregelen voor incidenten met (grote) impact die buiten het COA-terrein plaatsvinden, zoals de combinatie van het opleggen van een gebiedsverbod door de gemeente, waarop het COA kan beslissen of betrokkene in de Handhaving- en Toezichtlocatie wordt geplaatst. De situatie in Budel illustreert dat de lokale problematiek om maatwerk vraagt. Daarbij wordt oom steeds gekeken over verdergaande (beleids)maatregelen ontwikkeld kunnen worden. Dit is een gezamenlijke opgave waar de inzet van alle betrokken partijen hard nodig is.
Ik ben blijvend in gesprek met ketenpartners, de strafrechtketen, andere departementen en het lokaal bestuur over het voorkomen en het aanpakken van overlast en criminaliteit door asielzoekers. Ik onderzoek samen met deze partijen welke handelingsperspectieven de overlastaanpak meer kracht bij zouden kunnen zetten. Hierbij wordt onder meer gekeken naar maatregelen in het kader van versobering van de opvang, inbewaringstelling en de procedures. Uiteraard zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar handelingsperspectieven. Ook zet ik in op samenwerking met landen van herkomst. Het is frustrerend dat de samenwerking op het gebied van terugkeer niet altijd bevredigend is.
Deelt u tevens de conclusie dat het aantal van 70 verblijfsvergunningen dat in 2020 is geweigerd of ingetrokken op grond van de openbare orde onacceptabel laag is gelet op de grootschalige overlast en criminaliteit? Zo nee, waarom niet?
Het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland. Op grond van Europese regelgeving kan de IND de vluchtelingenstatus of een subsidiaire beschermingsstatus echter alleen weigeren of intrekken op grond van openbare orde indien de vreemdeling (onherroepelijk) is veroordeeld voor een (bijzonder) ernstig misdrijf. Hiervan is sprake als een straf is opgelegd van minimaal zes maanden («ernstig misdrijf» in geval van subsidiaire bescherming) of tien maanden («bijzonder ernstig misdrijf» bij een vluchtelingenstatus). Daarnaast dient voor een intrekking gekeken te worden naar de glijdende schaal in het kader van de openbare orde (art. 3.86 Vb). Hoe langer de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, hoe hoger de straf moet zijn om tot beëindiging van het verblijfsrecht over te kunnen gaan.
De IND heeft een wisselende voorraad aan intrekkingszaken. Mede op grond van politieke toezeggingen worden openbare orde zaken door de IND geprioriteerd en met voorrang afgehandeld.
Deelt u de mening dat de lat om overlastgevende en criminele asielzoekers vast- en uit te zetten fors verlaagd moet worden? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u treffen? Zo nee, waarom niet?
Mijn voorganger is in haar brief van 1 juli 2020 ingegaan op het bestaande beleid en de gedachte erachter.4 In die brief is u ook toegezegd terug te komen op enkele aspecten van dit beleid. Mijn voorganger heeft deze toezegging niet kunnen nakomen, onder meer vanwege de demissionaire status waarin het vorige kabinet kwam te verkeren. Ik verwacht u dit voorjaar hierover alsnog te kunnen berichten.
Klopt het dat de overlast, geweld en messentrekkerij voornamelijk voor rekening komen van Algerijnen en Noord-Afrikanen zoals Marokkanen en Tunesiërs die zich voordoen als Algerijnen?
Overlast wordt veroorzaakt door personen met verschillende nationaliteiten. In Budel zijn nu incidenten voorgevallen waarbij onder meer Algerijnen betrokken zijn geweest.5 Het beeld dat overlast in grote mate wordt veroorzaakt door pseudo-Algerijnen is gebaseerd op een vermoeden. Vanuit de IND wordt het beeld niet herkend dat er in grote mate oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de asielprocedure door pseudo-Algerijnen. Dat beeld is ook niet gewijzigd met het stopzetten van de pilot met de versoberde spoor 2 opvang. In alle gevallen vindt een check op de identiteit, nationaliteit en herkomst plaats bij de identificatie en registratie en in de aanmeldfase.
Uiteraard worden de zaken van overlastgevers -ongeacht het asielspoor waarin de IND asielprocedures afdoet- met prioriteit behandeld. Thans worden ook alle zaken van Algerijnen in spoor 4 met prioriteit behandeld. In zaken van overlastgevers is het bovendien staande praktijk dat de rechtbank door de IND wordt verzocht het (hoger) beroep naar voren te halen en snel af te doen.
Bij overlastgevend gedrag wordt daarnaast altijd gekozen voor passende maatregel(en) uit de Toolbox. Als er sprake is van een incident met grote impact kan ook overplaatsing naar de Handhaving- en Toezichtlocatie in Hoogeveen van toepassing zijn.
Erkent u dat het besluit van uw voorganger om Algerije van de lijst van veilige herkomstlanden te schrappen zeer nadelige gevolgen heeft gehad voor Nederland en in dit geval in het bijzonder voor de inwoners van Budel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies en acties verbindt u hieraan?
Op 11 juni meldde mijn voorganger uw Kamer dat Algerije op basis van actuele landeninformatie afgezet tegen de geldende criteria volgend uit de Procedurerichtlijn niet langer kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst.6 Dit heeft gevolgen voor de asielprocedure en de opvangmodaliteit.
Asielaanvragen van Algerijnse asielzoekers worden sindsdien behandeld in de algemene (of verlengde) asielprocedure in spoor 4 en niet langer in de versnelde procedure in spoor 2. Ook is het versoberde spoor 2 regime sinds de herbeoordeling niet langer van toepassing op Algerijnse asielzoekers. Voor asielaanvragen van Algerijnse asielzoekers met een Dublinclaim, het merendeel van de asielaanvragen van Algerijnen, verandert er in dit opzicht niets en deze worden behandeld in spoor 1. Van de Algerijnse zaken in de asielvoorraad op 7 februari 2022 waarin een spoorbepaling heeft plaatsgevonden wordt thans circa 58% in spoor 1 behandeld en circa 42% in spoor 4.
Overlastgevende asielzoekers worden door het COA onder andere op sobere time-outplekken en in de Handhaving- en Toezichtlocatie geplaatst. Ook worden zij door de IND gemeld bij rechtbank om zo volgens staande afspraken beroepsprocedure naar voren te halen. Dit geldt dus ook voor overlastgevers met de Algerijnse nationaliteit, maar dus niet voor alle Algerijnse zaken. Naar aanleiding van de incidenten die in Budel zijn veroorzaakt door een deel van deze groep, plaatst het COA een gedeelte van de Algerijnse personen door naar andere locaties in het land.
Bent u bereid zich in te spannen om de zeer begrijpelijke wens van de gemeente Cranendock in te willigen om het contract met het COA per direct te ontbinden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties gaat u ondernemen?
De gezamenlijke wens is niet het sluiten van het azc, maar het aanpakken van de overlast zodat er een toekomst is voor het azc in Cranendonck. Er is tijdens mijn constructieve gesprek met de burgemeester, de commissaris van de Koning van Noord-Brabant en het COA op 2 februari jl. gesproken over oplossingen op het gebied van de veiligheid. Met de juiste maatregelen moet de rust in het azc en in Cranendonck terugkeren. Samen nemen we de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de bewoners van het azc, de COA-medewerkers en alle inwoners van de gemeente Cranendonck. Daarvoor zijn diverse afspraken gemaakt over actie voor de korte en middellange termijn: 1) Aanscherpen van de beveiliging op het terrein, 2) de zaken van asielzoekers met een kansarme aanvraag worden met nog meer prioriteit behandeld, 3) verbeteren van de veiligheid op het terrein door onder andere het plaatsen van een hek om het bewonersgedeelte en 4) Er wordt nog scherper gecontroleerd en gehandhaafd, onder andere op de aanwezigheid van illegalen. De komende tijd blijf ik met de betrokken partijen in gesprek over de veiligheidssituatie, die ik nauwlettend in de gaten houd.
Welke maatregelen gaat u treffen om de geweldsgolf rond het azc in Budel per direct de kop in te drukken?
Zie antwoord vraag 9.
De banden van leden van het Nederlandse kabinet met het World Economic Forum. |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van Borge Brende, president van het WEF van 18 juni 2019 aan Minister Kaag?1 Wat betekent de afkorting pval/pso? Is het correct dat deze brief een uitnodiging betreft om deel te nemen aan de jaarlijkse meeting van het World Economic Forum (WEF) te Davos in januari 2020? Erkent u dat het WEF in deze brief stelt dat het «will work closely» met de «office» van de Minister «to build a special agenda that meets your strategic interests and evolving priorities»? Waarom is de naam van de ondertekenaar van de brief weggelakt? Wat wordt er bedoeld met «your strategic interests and evolving priorities»? Zijn dit de private belangen en prioriteiten van de Minister, of zijn het haar belangen en prioriteiten als lid van het kabinet? Indien het laatste het geval is, hoe verhouden die zich dan tot het regeerakkoord? En is de Kamer op de hoogte gesteld van dit overleg, van de inbreng en agenda van de Minister en haar ambtenaren, en van de uitkomsten van het overleg? Hoeveel ambtenaren waren er van Nederlandse zijde bij betrokken, op welk niveau? Hoeveel uren hebben zij eraan besteed? Op welke wijze werd het vooroverleg gevoerd? Wie nam(en) er van WEF-zijde deel aan dit vooroverleg? Kunt u de «special agenda» die de uitkomst is van dat overleg tussen ambtenaren en het WEF met de Kamer delen? Zo ja, kunt u dan alle documentatie betreffende die nauwe samenwerking tussen Nederlandse ambtenaren en het WEF ter voorbereiding van deze bijeenkomst met de Kamer delen? Indien u dat niet kunt, waarom niet? Heeft deze nauwe samenwerking inderdaad plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet, zo ja, wat houdt die nauwe samenwerking precies in?
De brief is bij mij bekend, de afkorting pval/pso is een acroniem van de verantwoordelijk medewerker en de desbetreffende afdeling bij het World Economic Forum die de brief heeft voorbereid. De brief bevat een uitnodiging aan Minister Kaag voor de jaarvergadering. De door u genoemde alinea staat in de brief. De naam in combinatie met de handtekening van de ondertekenaar is uit privacyoverwegingen weggelakt. De Minister heeft haar deelname aan de jaarvergadering destijds, uiteraard vanuit haar verantwoordelijkheid als bewindspersoon, gedegen voorbereid, in goed overleg met andere betrokkenen en ondersteuning van haar ambtenaren, en op deze manier invulling gegeven aan de prioriteiten van het toenmalige kabinet. De tijd die ambtenaren hieraan hebben besteed wordt niet specifiek geadministreerd. Tenslotte is van belang op te merken dat het WEF een platform biedt voor de sessies rond de jaarvergadering, en dat er over de inhoud van de sessies niet met het WEF wordt overlegd.
Bent u bekend met de brief van Borge Brende, president van het WEF van 1 juli 2020 aan Minister Kaag?2
Ja.
Wat betekent de afkorting saf/pso?
De afkorting is een acroniem van de medewerker en de desbetreffende afdeling bij het World Economic Forum die de brief heeft voorbereid.
Erkent de Minister dat het WEF in deze brief begin 2021, wanneer «the world has moved out of the COVID-19 pandemic» de discussies wil richten op «shaping policies for the post-COVID-19 era under the theme of the Great Reset»? Weet u waarom het WEF ervan uitging dat de «COVID-19 pandemic» begin 2021 over zou zijn? Heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking dat tijdens de meeting besproken? Wat bedoelt het WEF met «shaping policies»? Welke rol kent u toe aan het WEF in «shaping policies» die het belang van de Nederlandse burger dienen? Wat voor «policies» werden er tijdens deze meeting onder het thema van de Great Reset gevormd? Kunt u alle documenten delen waarin die «policies» zijn vastgelegd? Heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking het idee van de Great Reset zoals dat in kringen van het WEF werd gevormd met het kabinet besproken? Met de Minister-President? Was het idee bekend onder haar ambtenaren? Heeft de Minister het gedeeld met de Kamer?
Ik kan uitleg geven over noch verantwoordelijkheid nemen voor de bewoordingen, de intenties en de voorspellingen van het WEF. Zoals aangegeven in de beantwoording van vorige sets vragen over dit onderwerp is The Great Reset een initiatief van het WEF dat tot doel heeft inzichten en informatie te delen tussen besluitvormers over de mondiale aanpak van de maatschappelijke en economische crisis volgend uit de COVID-19 pandemie. Het kabinet steunt de inzet van het WEF om verschillende ideeën over actuele onderwerpen uit te wisselen en inzichten en kennis te delen. Bijeenkomsten van het WEF waaraan leden van het kabinet deelnemen, worden alleen binnen het kabinet besproken wanneer het onderwerpen betreft die raken aan de portefeuille van andere bewindspersonen. The Great Reset is niet als zelfstandig thema in de Tweede Kamer besproken.
Waarom is de naam van de ondertekenaar van de brief weggelakt?
De naam in combinatie met de handtekening van de ondertekenaar is uit privacyoverwegingen weggelakt.
Bent u bekend met de brief van Borge Brende, president van het WEF van 31 augustus 2021 aan Minister Kaag?3
Ja.
In deze uitnodigingsbrief wordt het idee van de Great Reset niet langer genoemd, is dat de Minister opgevallen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft de Minister navraag gedaan waarom dit begrip is verdwenen?
Voor zover ik kan nagaan is hiernaar geen navraag gedaan.
Ook opvallend is dat er geen enkele verwijzing is te vinden naar de «covid-19 pandemic»: Weet u waarom die verwijzing is verdwenen? Zo nee, heeft de voorganger van de Minister dan geen navraag gedaan? Zo nee, waarom heeft ze dat niet gedaan?
Voor zover ik kan nagaan is hiernaar geen navraag gedaan.
Is het Minister Kaag opgevallen dat het WEF in deze brief opnieuw aankondigt nauw met het kabinet van de Minister samen te werken ditmaal to «ensure that your participation is of the greatest relevance for you and the Netherlands»?
Voor zover ik kan nagaan is haar dat niet opgevallen.
Wat bedoelt het WEF met de grootste relevantie voor de Minister zelf? Betekent dit dat de Minister hier ook eigen doelen nastreeft die los staan van de belangen en prioriteiten van de Nederlandse regering?
Gedoeld wordt op de relevantie voor de werkzaamheden van de Minister.
Waarom is de ondertekenaar van de brief weggelakt?
De naam in combinatie met de handtekening van de ondertekenaar is uit privacyoverwegingen weggelakt.
Bent u bekend met de brief van 17 maart 2020 van Klaus Schwab, «founder and executive chairman» van het WEF aan Minister Kaag?4
Ja.
Erkent u dat uit deze brief blijkt dat het WEF zich een rol toebedeelt in de «global community» om «global cooperation» (die volgens het WEF vereist is) te organiseren tussen «governments, international organizations and the business community»? Deelt u deze «missie» van het WEF? Bent u ook van mening dat «global cooperation» vereist («required») is? Indien ja, wie vereist deze «global cooperation» dan eigenlijk? Met andere woorden, kunt u preciseren van wie deze vereiste uitgaat? Kan het zijn dat dit een eis is die het WEF aan zijn deelnemers oplegt? Zo nee, waarom niet?
De verwoording van de missie van het WEF is voor rekening van deze organisatie zelf. Aan deelnemers worden geen eisen gesteld op het gebied van «global cooperation».
Erkent u dat Schwab in deze brief aan Minister Kaag meedeelt dat «chief executives» van meer dan 200 bedrijven en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een Covid Action Platform hebben opgericht en dat Minister Kaag wordt uitgenodigd toe te treden tot dit Platform? Is de Minister toegetreden tot dit CAP? Zo nee, waarom niet; en zo ja, wat houdt die betrokkenheid precies in? Kunt u alle documenten betreffende haar rol of die van haar ambtenaren in het CAP met de kamer delen? Zo nee waarom niet? Kunt u aangeven welke bedrijven het CAP hebben opgericht? Kunt u aangeven waarom het CAP is opgericht? Wat is het doel? Welke belangen dient het CAP? Welke Nederlandse belangen dient het CAP? Hoe ziet u de verhouding tussen het WEF, de «chief executives» van meer dan 200 bedrijven en de WHO met de Nederlandse regering? Fungeren deze als agenda-setters? Hoe verhoudt deze belangengroep zich precies tot de Nederlandse bevolking? Heeft Minister Kaag de Tweede Kamer geïnformeerd over haar rol bij het CAP? Zo nee, waarom niet?
Doel van het Platform is publiek-private expertise samenbrengen en initiatieven te ontwikkelen om de pandemie te bestrijden en de negatieve gevolgen van de pandemie zoveel mogelijk te mitigeren. Minister Kaag heeft eenmaal deelgenomen aan een telefonische bijeenkomst van het Covid Action Platform. Minister Kaag nam in mei 2020 deel aan de wekelijkse WEF COVID Action Platform call waar ze sprak met WEF President Borge Brende. Minister Kaag deed een oproep solidair te zijn met ontwikkelingslanden door schuldverlichting te overwegen en de grenzen voor handel open te houden. Ze gaf daarbij aan dat de crisis een kans kan zijn om handel eerlijker, weerbaarder en duurzamer te maken. De Tweede Kamer is over deze specifieke activiteit niet separaat geïnformeerd.
Zijn er nog andere kabinetsleden toegetreden tot het CAP?
Naast Minister Kaag is ook Minister Hoekstra, destijds Minister van Financiën, betrokken geweest bij het CAP.
Wat vindt u van het feit dat Schwab «ministries or authorities» «leaders» noemt? Ziet u zichzelf als een «leader»? Zo ja, in welke zin; zo nee, waarom niet?
Ik ken de overwegingen van dhr Schwab bij deze woordkeuze niet.
Waarom is de ondertekenaar van deze brief weggelakt?
De naam in combinatie met de handtekening van de ondertekenaar is uit privacyoverwegingen weggelakt.
Bent u bekend met de brief van Borge Brende, president van het WEF van 11 mei 2021 waarbij Minister Kaag werd uitgenodigd voor het bijwonen van een vergadering van de Global Action Group, van 15.00 tot 16.15 uur?5
Ja.
Wat is de Global Action Group? Is de Global Action Group dezelfde groep als het Covid Action Platform? Sinds wanneer is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking lid van deze groep? Hoe vaak komt de groep bijeen? Hoeveel tijd heeft de Minister in totaal besteed aan haar lidmaatschap van deze groep, en hoeveel tijd hebben ambtenaren daaraan besteed? Wil de Minister alle documenten (agenda’s, afspraken, deelnemerslijsten, en andere documenten) betreffende alle communicatie en meetings met en activiteiten van het CAP met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De Global Action Group is niet hetzelfde als het Covid Action Platform. Minister Kaag werd in mei 2021 lid van deze groep, die ten tijde van de COVID-crisis ongeveer één keer in de één à twee maanden bijeen kwam. De keren dat Minister Kaag heeft deelgenomen aan een vergadering van deze groep vindt u in de bijlage bij de Kamerbrief in reactie op eerdere Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1162). Anders dan de reeds openbaar gemaakte stukken (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1162) beschik ik niet over documenten van de Global Action Group.
Erkent u dat volgens de uitnodiging in deze brief het WEF de groep weer bijeen bracht om voort te bouwen op de «shared principles for Global Cooperation» die in januari 2021 waren uitgebracht? Wat zijn deze shared principles? Wie heeft deze shared principles opgesteld? Hebben deze een bindend karakter? Heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking deze gedeeld met het kabinet en de Kamer? Zijn deze shared principles omgezet in Nederlands beleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe dan?
U doelt op de «shared principles for Global Cooperation» die door het WEF zijn gebruikt als één van zijn uitgangspunten voor zijn activiteiten. Ze hebben geen bindend karakter, zijn niet actief gedeeld met het kabinet en met de Kamer, en ze zijn niet omgezet in Nederlands beleid.
Erkent u dat volgens dezelfde uitnodiging de groep bovendien werd bijeengebracht «to advance three priorities necessary for an inclusive and sustainable recovery», waarvan de prioriteiten zijn: het versterken van het «multilateral system», van «multistakeholder partnerships» en van «emerging economies»? Zijn deze drie prioriteiten een aanvulling op de shared principles of komen ze eruit voort? Wie heeft bepaald dat deze prioriteiten «necessary» zijn? Deelt u die opvatting? Zo ja waarom, zo nee waarom niet? Zijn deze prioriteiten gedeeld met het kabinet en de Kamer? Welk multilateraal systeem moet er volgens het WEF versterkt worden? Weet u waarom? Wat is daarbij het Nederlandse belang? Welke multistakeholder partnerships moeten volgens het WEF versterkt worden? Weet u waarom? En wie bepaalt welke partnerships dat zijn? Wat is daarbij het Nederlandse belang? Welke emerging economies moeten volgens het WEF versterkt worden? Weet u waarom? En wie bepaalt welke emerging economies dat zijn? Wat is daarbij het Nederlandse belang?
Het kabinet steunt de versterking van het multilaterale systeem. Verder kan ik geen verantwoordelijkheid nemen of een toelichting geven op de formuleringen van het WEF.
Waarom is de naam van de ondertekenaar deze keer niet weggelakt?
Omdat de handtekening los van de naam weggelakt kon worden.
Bent u bekend met de brief van Borge Brende, president van het WEF van 14 mei 2020 aan Minister Kaag, waarin ze wordt uitgenodigd om op te treden als «co-chair» van de Global Action Group (GAG)?6 Deelt u de mening dat uit deze uitnodiging blijkt dat het hier volgens het WEF gaat om een «select group of ministers, chief executives, heads of international organizations, and experts from leading research institutions»?
Ja.
Van wanneer tot wanneer was Minister Kaag co-chair van deze GAG, wie is Minister Kaag opgevolgd in die capaciteit? Bestaat de GAG nog?
Minister Kaag is op 15 mei 2020 uitgenodigd als co-chair toe te treden. Behalve de sessies waren er verder geen activiteiten van de Global Action Group. Alle uitnodigingen voor de sessies zijn met de Kamer gedeeld. Ze heeft voor zover mij bekend geen opvolger.
Wat vindt Minister Kaag ervan om deel uit te mogen maken van deze «select group»?
Het is eervol om gevraagd te worden als co-voorzitter van de Global Action Group (GAG). De term «select group» is in het internationale verkeer een gangbare aanduiding voor een groep genodigden. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat Minister Kaag deze term anders dan in deze betekenis heeft opgevat.
Deelt u de mening dat uit de brief blijkt dat de GAG door het WEF wordt gelanceerd «to identify and consider ways to strengthen, reshape or rebuild systems of collaboration»? En dat de brief ook aangeeft dat het hierbij gaat om «multistakeholder collaboration»? Erkent u dat volgens het WEF dat soort samenwerking nodig is om economische uitdagingen en «public health challenges» aan te pakken, en om een fundament te leggen voor «global security, prosperity and resiliency in the years ahead»?
Ik kan geen verantwoordelijkheid nemen voor of een toelichting geven op de door het WEF verwoorde uitingen.
Is dit versterken, hervormen en herbouwen van samenwerkingssystemen onderdeel van de Great Reset (aka Build Back Better)?
In het boek «The Great Reset» van Klaus Schwab en Thierry Malleret is het versterken van samenwerkingssystemen één van de thema’s.
Klopt het dat «multistakeholder collaboration» de werkwijze is die door het WEF wordt voorgestaan voor «global cooperation»? Wat vindt u van deze methode? En hoe verhoudt deze methode zich tot de belangen van de Nederlandse burger?
Ik kan geen verantwoordelijkheid nemen voor of een toelichting geven op de door het WEF verwoorde werkwijze. Dat geldt ook voor de relatie tussen de door u aangehaalde methode van het WEF en de belangen van de Nederlandse burger.
Het WEF lijkt in deze uitnodiging via het GAG op te treden als coördinator van wereldwijde «multistakeholder collaboration», en lijkt bovendien de agenda voor die samenwerking te bepalen, erkent u dat dit het geval is? Zo nee, waarom niet? En als dit het geval is, hoe verhoudt de rol van het WEF zich dan tot de rol van de Nederlandse regering, het Nederlandse parlement en de Nederlandse bevolking?
Het kabinet bepaalt, volgens de geldende regels, de beleidsagenda voor Nederland, waarin het wordt gecontroleerd door het Nederlandse parlement. Het WEF heeft hierin geen rol.
Wat zijn de economische uitdagingen en uitdagingen voor de volksgezondheid die het WEF en zijn stakeholders hebben geïdentificeerd? Kunt u alle documenten die het WEF hiertoe opstelde met de Kamer delen?
Ik kan geen verantwoordelijkheid nemen voor of een toelichting geven op de door het WEF verwoorde ambities.
Wie zijn de deelnemers aan deze «collaboration»? Wie selecteert de deelnemers?
De deelnemers zijn vertegenwoordigers van overheden, bedrijven, NGO’s en kennisinstellingen. Het WEF selecteert de deelnemers.
De groep komt volgens deze brief elke maand in virtuele meetings van een uur bijeen, deze meetings zijn «strictly off the record», kunt u aangeven waarom al deze meetings die Minister Kaag als lid van de Nederlandse regering en dus namens de Nederlandse bevolking bijwoonde, en die niet een flinke tijdsinvestering betreffen, maar ook belangrijke bijdragen lijken te leveren aan het bepalen van toekomstig beleid, «off the record» plaatsvinden?
De keuze om deze meetings op deze manier op te zetten is een keuze van het WEF, die niets afdoet aan de rol en de verantwoordelijkheid van Minister Kaag.
Kunt u desondanks alle documenten die met deze meetings verband houden, zoals agenda’s, afspraken, deelnemerslijsten, en teksten van de interventies van de Minister met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De bij ons beschikbare documenten zijn reeds met de Kamer gedeeld, zie Kamerbrief, kamerstuk nr. 2021Z14231.
De brief spreekt van een «era-defining charge» om uit de covid-crisis te geraken met de «tools for a more inclusive, sustainable future»: kunt u aangeven wat voor tools dit zijn en hoe deze «more inclusive, sustainable future» er volgens de GAG uit zou moeten zien?
Ik kan geen verantwoordelijkheid nemen voor of een toelichting geven op de door het WEF in de brief verwoorde analyse en de kwalificatie daarvan.
Waarom is de ondertekenaar van deze brief weggelakt?
De naam in combinatie met de handtekening van de ondertekenaar is uit privacyoverwegingen weggelakt.
Bent u bekend met de brief van Borge Brende, president van het WEF van 11 juni 2020 aan Minister Kaag, waarin ze wordt bedankt voor haar rol in de eerste meeting van de Global Action Group, die door Bende wordt voorgesteld als een «community»?7
Ja.
Deelt u het idee van Bende dat hier sprake is van een community? Zo ja, waaruit blijkt dat dit het geval is? Zo nee, waarom niet?
Mij is niet bekend wat Borge Brende in deze brief bedoelt met de kwalificatie «community».
In de brief spreekt Bende de hoop uit dat er «areas for common action» geïdentificeerd kunnen worden: kunt u uitleggen waarom het WEF geïnteresseerd is in het identificeren van «areas for common action»? Hoe ziet de Nederlandse regering de sturende rol van het WEF hierin? Hoe verhoudt de rol van het WEF in het identificeren van dit soort terreinen zich tot de Nederlandse volksvertegenwoordiging?
Ik kan geen toelichting geven op de door het WEF verwoorde verwachtingen en ambities. De positie van de Nederlandse volksvertegenwoordiging wordt niet bepaald door het WEF.
Erkent u dat uit deze brief ook blijkt dat er niet «off the record» is gesproken, maar dat er een «summary of the discussions» en een «concept note» is opgesteld? Deze zijn echter alleen bedoeld voor de leden van de GAG zelf, klopt dit? Het gaat hier echter om het optreden van een Minister in een groep die zich actief bezighoudt met het formuleren van fundamenteel beleid en beleidshandelingen, is dit correct? Wilt u daarom deze summary en concept note met de Kamer delen zodat het handelen van de Minister namens de regering in een internationaal beleidsbepalend gremium als het WEF door de Kamer gecontroleerd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Het WEF biedt een platform voor ideeënvorming en kennisuitwisseling. Ook de bijeenkomsten van de Global Action Group (GAG) worden met dit doel georganiseerd. Er vindt geen besluitvorming plaats over beleid of de uitvoering daarvan.
Bent u bekend met de brief van Borge Brende, president van het WEF van 15 september 2020 aan Minister Kaag, waarin ze wordt uitgenodigd voor de derde meeting van de Global Action Group?8
Ja.
Deelt u de mening dat het WEF de leden uitnodigt om «areas of alignment» te identificeren, en een «set of shared principles for global cooperation» te identificeren? Is de interpretatie correct dat het Forum op basis van de eerdere meetings zelf al zes principes lijkt te hebben geformuleerd «as a starting point for deliberation»?
Dit is wat in de uitnodiging van het WEF staat en neem de tekst voor kennisgeving aan.
Kunt u alle documenten betreffende deze meeting delen? Welke «areas of alignment» werden er geïdentificeerd?
De Minister heeft niet deelgenomen aan deze bijeenkomst. Verslagen van deze bijeenkomst kunnen niet gedeeld worden wegens vertrouwelijkheid van de documenten.
Kunt u de «shared principles for global cooperation» zoals geformuleerd door het WEF zelf met de Kamer delen alsmede de principes die uiteindelijk door de GAG zijn vastgesteld?
Deze «shared principles» zijn te vinden op de website van het WEF.
Hoe waardeert u de sturende en agenda-settende rol van het WEF in deze?
Het kabinet staat positief tegenover de inzet van het WEF om over actuele onderwerpen ideeën uit te wisselen en inzichten en kennis te delen. De beleidsagenda voor Nederland wordt echter niet door het WEF bepaald, maar door het kabinet, daarin gecontroleerd door het parlement.
Is het correct dat Minister Kaag wordt gevraagd een «brief opening» te verzorgen over het zesde principe: «promote peace and security»? Kunt u de tekst van haar «brief opening» met de Kamer delen? Kunt u ook de tekst van de vijf andere brief openings met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De Minister heeft niet deelgenomen aan deze bijeenkomst.
Bent u bekend met de email van of namens Klaus Schwab van het WEF van 26 mei 2020 aan Minister Kaag, waarin ze wordt uitgenodigd om deel te nemen aan twee volgende virtuele meetings van het COVID Action Platform?9
Ja.
Deelt u de mening dat uit deze uitnodiging blijkt dat het Platform bestaat uit een «community» van meer dan 1150 organisaties, die actief samenwerken aan meer dan 40 projecten, die zich bezighouden met gedetailleerde vormen van «response» in het kader van COVID?
Dat staat inderdaad in de uitnodiging.
Uit de email (en uit de uitnodigingen voor een reeks andere meetings) blijkt dat het gaat om de CAP Global Leader meeting series, die blijkbaar wekelijks gehouden werden, is dit juist? Kunt u aangeven hoeveel tijd Minister Kaag kwijt is geweest aan deelname, inclusief voorbereiding? Wat was de bijdrage van de Minister aan het CAP? Kunt u alle documenten in verband met alle projecten waar Minister Kaag en/of haar ambtenaren aan deelnamen/deelnemen met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 14 staat, was Minister Kaag in mei 2020 special guest tijdens de WEF COVID Action Platform call. Minister Kaag heeft daarnaast niet deelgenomen aan deze wekelijkse meetings.
Kunt u alle agenda’s, notulen of samenvattingen, interventies, en afspraken betreffende het CAP met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Omdat Minister Kaag behoudens de in het vorige antwoord genoemde deelname in mei 2020 verder niet heeft deelgenomen aan deze bijeenkomsten, beschik ik niet over de documenten over deze CAP Global Leader meetings.
Kunt u alle namen van organisaties en personen die aan het CAP deelnemen met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 49.
Kunt u aangeven of, naast de betrokkenheid van Minister Kaag in meetings van het CAP, zij en/of haar ambtenaren ook deelnamen aan meetings betreffende specifieke CAP-projecten? Indien dit het geval was, kunt u dan alle documenten daarover met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op de vragen 14 en 48 staat, was Minister Kaag in mei 2020 special guest tijdens de wekelijkse WEF COVID Action Platform call. Daarnaast hebben Minister Kaag noch haar ambtenaren deelgenomen aan meetings van het CAP.
Uit de email blijkt dat het hier om de laatste meetings van de «global leaders» van het CAP ging, wil dit zeggen dat het CAP werd opgeheven, of gingen de meetings verder met andere deelnemers, ook namens Nederland? Als deze meetings niet langer doorgingen, waarom niet?
In de mail wordt gesproken over de laatste meeting in dit verband, dus ik ga er van uit dat aan deze reeks meetings een einde kwam.
Uit de email blijkt ook dat op 3 juni 2020 de prins van Wales en «other global leaders» samen met Schwab het Great Reset Initiative zouden lanceren, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking werd uitgenodigd dit bij te wonen, is dit correct? Heeft de Minister deze lancering bijgewoond? Zo nee, woonde iemand namens haar de lancering bij? Werd ze uitgenodigd als lid van de Nederlandse regering of als privépersoon? Heeft de Minister of heeft de Nederlandse regering enig commitment aan het Great Reset Initiative? Kunt u kort uitleggen wat het Great Reset Initiative inhoudt? Kunt u documenten met de Kamer delen waaruit blijkt wat het GRI inhoudt? Zo nee waarom niet? Heeft Minister Kaag het bestaan van het GRI met de regering en de Kamer gedeeld? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u van het feit dat de prins van Wales werd uitgenodigd om het GRI te lanceren? Wat vindt u ervan dat het bestaan van het GRI niet aan de Nederlandse bevolking is gecommuniceerd? Uit de mail blijkt dat het CAP wordt voortgezet omdat de COVID-response en «epidemics and pandemics assume a greater role on global and business agenda’s», is dit correct? Hoe werd het CAP voortgezet en wat was het doel? Wie neemt er namens Nederland aan deel?
Minister Kaag was, als lid van het Nederlandse kabinet, uitgenodigd voor de bijeenkomst op 3 juni 2020, maar heeft hier niet aan deelgenomen. Niemand nam namens haar deel. De Nederlandse regering heeft geen verbondenheid met het Great Reset Initiative, en heeft, behalve publiek toegankelijke informatie hierover van het WEF, geen documenten hierover. Over specifiek dit initiatief is derhalve niets met de Kamer gedeeld. Voor het CAP verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 46 t/m 52.
Wat betekent het dat «epidemics and pandemics assume a greater role on global and business agenda’s»? Wat is de rol van het CAP daarin?
Zoals gezegd kan ik geen uitleg over of interpretatie geven van de bewoordingen van het WEF, noch de organisatie van het Covid Action Platform.
De email stelt dat het CAP «serves to support you» in het effectief reageren op de covid-19-pandemie «and to stay ahead of global health security challenges», klopt dit? Hoe doet het CAP dat? In wiens opdracht doet het CAP dat? Spelen Nederlandse ambtenaren een rol hierin? Hoe evalueert u deze rol van het CAP? Hoe verhoudt zich de rol van het CAP tot de Nederlandse regering en de Kamer?
Dat staat inderdaad in de genoemde email. Zoals gezegd kan ik geen uitleg over of interpretatie geven van de bewoordingen van het WEF, noch de organisatie van het Covid Action Platform.
Het WEF roept de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in deze e-mail op om «executives leading your organization response» te engageren in Forum-groepen gericht op industrieën, regio-specifieke actiegroepen, en «peer communities» etc, is dit correct? Wat bedoelt het WEF hiermee? Heeft de Minister gehoor gegeven aan deze oproep? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u informatie daarover met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat is inderdaad zo verwoord in de email van het WEF aan Minister Kaag. De Minister heeft in haar bijdrage aan WEF-bijeenkomsten de ervaringen met het Nederlandse beleid gedeeld met de deelnemers als inspiratie voor wat andere landen zouden kunnen doen.
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wordt ook opgeroepen om de laatste updates van CAP-projecten en -activiteiten nauwgezet te volgen, heeft zij dat gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe vaak en welke projecten en activiteiten volgde zij dan op?
De Minister heeft de updates van de CAP-projecten en activiteiten op gepaste wijze gevolgd.
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking werd ook uitgenodigd om te schrijven voor «Agenda», een plek waar zij blijkbaar «meaningfully» kon communiceren met een «global audience» en haar «leadership» kon belichten, heeft de Minister dit gedaan? Zo ja kunt u haar teksten in Agenda met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De Minister heeft hier niet actief aan bijgedragen.
In de ongedateerde uitnodiging voor de meetings van 8/15/22 april werd de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking opgeroepen het CAP actief te steunen met «knowledge and know-how», met logistieke, technische en communicatieve ondersteuning, en door een «individual from your organization» af te vaardigen om full-time of part-time mee te werken «to scale up» het platform en een integrale rol te spelen in «shaping the global response», heeft de Minister aan deze oproepen gehoor gegeven? Zo ja, is het mogelijk aan te geven wat de taakopdracht was van de afgevaardigde?
In de Kamerbrief, kamerstuk nr. 2021Z14231, is een overzicht gegeven van WEF-sessies waaraan Minister Kaag heeft deelgenomen.
Bent u bekend met de email van Sean Doherty van het WEF waarin Minister Kaag wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de Trade Multistakeholder Conversation 2020 die op 8 juli 2020 zou plaatsvinden?10 Deelt u de mening dat het een dag betreft vol van online workshops en interacties «on the future of trade» en dat volgens de uitnodiging de pandemie een «massive shock» zou hebben veroorzaakt in een systeem dat volgens het WEF toch al onder sterke spanning stond?
Het klopt dat de tekst in de e-mail van Sean Doherty op deze wijze verwoord staat. Zoals gezegd kan ik geen uitleg over of interpretatie geven van de bewoordingen van het WEF
Waarom is de verzenddatum weggelakt?
De aanhef van de email, met persoonsgegevens, is weggelakt om redenen van privacy. De datum is daarbij abusievelijk meegenomen.
Heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking deelgenomen en zo ja aan welke workshops en andere interacties?
De Minister heeft deelgenomen aan deze virtuele bijeenkomst.
Wat is het belang van deelname aan een dergelijke meeting?
Het belang van een dergelijke meeting is gericht op de uitwisseling van kennis en ideeën over actuele onderwerpen.
De Minister werd uitgenodigd deel te nemen aan conversaties op LinkedIn ter voorbereiding op de meeting, heeft zij dat gedaan? Zo ja, zijn haar bijdragen dan voor de Kamerleden in te zien? Zo nee, waarom niet?
De Minister heeft niet deelgenomen aan deze conversaties.
Bent u bekend met de brief van 13 februari 2020 van ondermeer Mirek Dusek van het WEF waarin Minister Kaag wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de Special Meeting on the Middle East in the Fourth Industrial Revolution van 5 en 6 april 2020 te Riyadh?
Ja ik ben bekend met deze brief.
Wat verstaat u onder de Vierde Industriële Revolutie en waarom is deze relevant voor Nederland?
Ik draag geen verantwoordelijkheid voor de verwoording hiervan door het WEF in de uitnodiging.
Bent u bekend met het feit dat dit begrip is gemunt door het WEF? Zo ja, betekent dit dat de voormalig Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de visie van het WEF betreffende de Vierde Industriële Revolutie zoals uiteengezet in het boekje met deze titel van Klaus Schwab ondersteunt? Indien dit het geval is, doet zij dat dan namens de Nederlandse regering? Indien ze deze visie niet steunt, waarom niet, en waarom neemt ze dan wel deel aan WEF-meetings die deze visie als uitgangspunt nemen?
De Minister heeft niet deelgenomen aan de Special Meeting on the Middle East in the Fourth Revolution.
Uit deze brief blijkt de voormalig Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking lid te zijn van de Middle East and North Africa Stewardship Board van het WEF, kunt u uitleggen sinds wanneer zij hiervan lid is? Op wiens initiatief en sinds wanneer? Is dit op persoonlijke titel of doet zij dit namens de Nederlandse regering? Wat is de doelstelling van de MENASB? Uit een uitnodiging voor een meeting van 25 augustus 2020 blijkt de Minister ook lid te zijn van de Regional Action Group for the Middle East and North Afric: hoe verhoudt zich deze RAG-MENA tot de MENASB? Kunt u alle documenten betreffende de MENASB en RAG-MENA met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet? Diezelfde uitnodiging voor de meeting van de RAG-MENA van 25 augustus roept vragen op over de relatie tussen het WEF en de soevereine staten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, zijn deze allen lid van deze groep? Kunt u een lijst geven van alle deelnemers aan deze RAG? Hoe kan deze actiegroep beleid bepalen voor deze landen? Of is dat niet de bedoeling van deze meetings? Mocht dat laatste het geval zijn, waarom heten ze dan Action Group? Uit een uitnodiging van 7 juli 2020 voor de meeting van 15 juli 2020 blijkt dat «a number of members» de «Principles of Stakeholder Capitalism» hebben «endorsed»: heeft de voormalig Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking dat ook gedaan? Zo ja, namens wie? Zo nee, waarom niet? Kunt u deze Principles met de Kamer delen? Uit dezelfde uitnodiging van 7 juli 2020 blijkt men eerder gesproken te hebben over de «supply chain» in de MENA-regio: kunt u aangeven waarom dit onderwerp toen op de agenda stond?
De Minister was hiervan lid sinds 2019 tot haar aftreden in september 2021. Ze was bij deze initiatieven betrokken namens het kabinet vanuit haar rol als Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Voor de overige vragen verwijs ik u naar de website van het WEF.
Wat betekent het dat het Forum «will closely work with your team to develop a personalized agenda aimed at having maximum impact for you and your ministry?» Wat wordt hier bedoeld met «personalized»? Hoezo «for you»? Betekent dit dat het lidmaatschap van deze club op zijn minst gedeeltelijk een persoonlijke zaak is, los van het ministerschap om?
Nee, dat is niet het geval. «Personalized» heeft betrekking op de onderwerpen die voor de Minister voor BHOS relevant zijn, waarbij opgedane werkervaring in vorige functies relevant kan zijn.
Kunt u alle documenten gerelateerd aan communicatie met en activiteiten van de MENASB met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Naast de in de bijlage bij Kamerbrief (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1162) gevoegde documenten beschik ik niet over deze communicatie.
Kunt u alle namen van deelnemers aan MENASB met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege privacyoverwegingen kan ik deze lijst niet delen, anders dan die op de website van het WEF beschikbaar is.
Waarom zijn behalve Mirek Dusek de namen minstens twee mede-ondertekenaars hier onzichtbaar gemaakt?
Vanwege de bescherming van persoonsgegevens.
Bent u bekend met de brief van Borge Bende van het WEF waarin Minister Kaag wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de High-Level Group virtual meeting van 11 november 2020?11
Ik ben bekend met de brief van Borge Bende over deelname aan de High-Level Group virtual meeting van 11 november 2020.
Klopt het dat de Minister lid is van een High-Level Group Humanitarian and Resilience Investing Initiative?
Minister Kaag was lid van deze groep vanaf de lancering in 2019 tot haar aftreden in september 2021. Zij was lid vanuit haar verantwoordelijkheid als Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking mede gezien haar ervaring in eerdere posities.
Zo ja, sinds wanneer is de Minister daarvan lid? En namens wie?
Zie antwoord vraag 74.
Hoe vaak komt deze High-Level Group bijeen? Is de Minister bij al deze meetings aanwezig geweest? Zijn er ook ambtenaren bij dit initiatief betrokken? Zo ja, op welk niveau in de organisatie, en hoeveel?
Deze High Level Group is gedurende bovengenoemde periode twee keer bijeen gekomen. De Minister heeft daarvan één keer deelgenomen. De andere keer werd zij vervangen door de Plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking.
De uitnodiging bevat een lijst van «key areas» waar de «engagement» van de Minister volgens het WEF nodig is. Daaruit blijkt dat er allerlei projecten lopen. Kunt u aangeven hoeveel projecten er onder deze High-Level Group actief zijn? Bij hoeveel projecten is de Minister betrokken? Is de indruk juist dat het WEF de Minister aan het werk kan zetten? Indien ja, wordt de Minister dan door het WEF betaald voor haar projecttaken? Indien nee, hoe moet de sturende taal van deze brief dan begrepen worden? Kunt u uitleggen hoe de projecten van deze groep zich verhouden tot het Nederlands belang, het regeerakkoord, het kabinet en het parlement? Er blijkt uit deze lijst een «Organizational Readiness Playbook» te bestaan ontwikkeld door «BCG and SDC/ECHO», kunt u dit Playbook met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u uitleggen wat BCG en SDC/ECHO betekenen? Er wordt ook gesproken over een «broader community», een «ecosysteem», «stakeholders»: kunt u aangeven wat hiermee wordt bedoeld? Zo nee, waarom niet? GIB Asset Management heeft volgens de uitnodiging een white paper opgesteld, kunt u uitleggen wat de rol is van GIB Asset Management in het proces van deze High-Level Group? Van wie heeft GIB AM deze opdracht gekregen en door wie wordt ze betaald?
Deelname van de Minister aan activiteiten van het WEF zijn behulpzaam bij de ontwikkeling en de uitvoering van haar beleid. Er is geen sprake van een opdrachtgeversrol, evenmin van betaling.
Bent u bekend met de niet ondertekende uitnodiging van het WEF waarin Minister Kaag wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de inaugural Global Technology Governance Summit te San Franscisco op 6/7 oktober 2020?12
Ja.
Heeft de Minister deelgenomen aan deze Summit?
De Minister heeft niet deelgenomen aan deze Summit.
Is de Minister toegetreden tot het Centre for the Fourth Industrial Revolution Global Network dat blijkbaar actief is in 12 landen, met deelname van «hundreds of leading institutions»? Wat is de positie van Nederland in dit Centre? Wordt daar Nederlands belastinggeld aan besteed? Zo ja, hoeveel? Wat is het doel van het Centre?
Nee, de Minister is niet toegetreden tot dit Centre for the Fourth Industrial Revolution Global Network, en heeft daarin dus geen positie ingenomen. Ook is geen sprake van betalingen van Nederland aan dit Centre.
Uit de uitnodiging blijkt dat het WEF de Vierde Technologische Revolutie in verband brengt met de noodzaak om wereldwijd informeel samen te werken tussen zakenleven, regeringen, academia, en civil society; en dat er «rapid experimentation» is vereist met «new governance models», bent u het met deze visie eens? Zo ja, hoe ziet u de rol van Nederland in deze «informele samenwerking»? Wat zijn de «new governance models» waarmee geëxperimenteerd moet worden? Hoe verhouden die zich tot de democratie als «governance model»?
Nederland kan een constructieve partner zijn bij het helpen aanpakken van wereldwijde vraagstukken. Voor de precieze betekenis van de genoemde new governance models verwijs ik u naar het WEF.
Kunt u alle documenten betreffende deze Summit en het Centre met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ik beschik niet over documenten betreffende deze Summit.
De Summit is volgens de uitnodiging bedoeld voor «high-level leaders» uit de industrie, de regeringen, civil society en de technologiesector «[to] co-design transparant and inclusive frameworks» betreffende artificial intelligence in allerlei sectoren, het delen van data, een digital coin, en space and synthetic biology: kunt u aangeven wat dit voor «frameworks» zijn, en kunt u alle gerelateerde documenten delen? Spelen deze «frameworks» een rol in het ontwikkelen van Nederlands beleid? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd beschik ik niet over deze informatie omdat de Minister daarbij geen rol heeft gespeeld.
Kunt u aangeven of «high-level» «leadership» een rol speelt in de «new governance models» waarvan hier sprake is? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
Voor de bedoeling achter deze verwoording door het WEF kan ik geen nadere toelichting geven.
Bent u bekend met de email van het WEF van 15 juli 2020 waarin Minister Kaag wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de tweede virtuele meeting van de Global Action Group op 15 september 2020?13
Ja ik ben bekend met de email van 15 juli 2020 van het WEF met de uitnodiging voor de virtuele meetings van de Global Action Group.
Uit deze uitnodiging blijkt dat de vorige meeting een week eerder plaatsvond, betekent dit inderdaad dat deze GAG wekelijks vergadert? Sinds wanneer? Bestaat de GAG nog en wie is er nu namens Nederland lid? Wie is Minister Kaag opgevolgd toen ze als Minister was teruggetreden?
De Global Action Group vergaderde maandelijks. Minister Kaag is niet opgevolgd in deze groep.
De GAG blijkt zich bezig te houden met een dialoog gericht op maatregelen om publiek-private partnerschappen te versterken, commitment te creëren voor een «global social contract» en «humanitarian frameworks» te versterken: kunt u uitleggen wat wordt bedoeld met het versterken/verdiepen van publiek-private partnerschappen? Wat is de rol van de Nederlandse staat daarin? Hoe verhoudt zich dit idee tot de «new governance models» die het WEF voorstaat? Wat wordt bedoeld met een «global social contract» en welke visie heeft de Nederlandse regering daarop? Wat is de rol van de Nederlandse democratie in het vormgeven van zo’n «global social contract»? Wat zijn «humanitarian frameworks»?
De GAG is, zoals ook veel andere initiatieven van het WEF, gericht op de uitwisseling van ideeën en ervaringen door vertegenwoordigers van zowel de private als de publieke sector. Nederlandse bewindspersonen kunnen daaraan een bijdrage leveren. Voor de bedoeling achter de door het WEF gekozen verwoording kan ik geen toelichting geven.
De uitnodiging spreekt de verwachting uit dat de volgende meetings zullen bijdragen aan het identificeren van stappen die tot een «common cause among stakeholders» zullen leiden, «for rebuilding in a more sustainable and equitable manner»: betekent dit dat de GAG de gezamenlijke agenda van de deelnemers coördineert voor de Great Reset? Zo nee, waarom niet? Wie zijn deze «stakeholders»? Kunt u een lijst met namen verschaffen van deelnemers van het GAG?
Voor de bedoeling achter de door het WEF gekozen verwoording kan ik geen toelichting geven. Vanwege privacyoverwegingen kan ik deze lijst niet delen, anders dan die op de website van het WEF beschikbaar is.
Klopt het dat het GAG een forum is dat actief de agenda bepaalt voor Nederlands beleid en voor diepgaande hervormingen van de Nederlandse samenleving? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat klopt niet. De GAG is, zoals ook veel andere initiatieven van het WEF, gericht op de uitwisseling van ideeën en ervaringen door vertegenwoordigers van zowel de private als de publieke sector. Nederlandse bewindspersonen kunnen daaraan een bijdrage leveren.
Kan de Kamer alle documenten betreffende deze meeting ontvangen, inclusief de zgn. «readout of the dialogue» en alle «additional insights» die de Minister met de GAG heeft gedeeld? Zo nee, waarom niet?
De «readout» is bij deze kamerbrief gevoegd, verder beschik ik niet over stukken over deze bespreking.
Bent u bekend met de email van het WEF van 24 september 2020 waarin Kaag wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de vierde virtuele meeting van de Global Action Group op 3 december 2020?14
Ja ik ben bekend met de email van 24 september 2020 van het WEF met de uitnodiging voor de virtuele meetings van de Global Action Group.
Uit deze uitnodiging blijkt dat de vorige meeting vooruitgang werd geboekt in het formuleren van drie principes voor een geopolitieke «reset», namelijk: wereldwijde samenwerking versterken, publiek-private partnerschappen verdiepen, en «rebuild sustainably», is dit correct? Kunt u aangeven of de geopolitieke reset gelijkstaat aan de door het WEF gepropageerde Great Reset? Zijn de wereldwijde samenwerking en de publiek-private partnerschappen identiek aan de «new governance models» die het WEF voorstaat? Verwijst het derde principe, «rebuild sustainably» naar Build Back Better en naar de Sustainable Development Goals?
Ik kan u geen uitleg geven over de precieze betekenis van deze verwoording door het WEF.
Uit deze uitnodiging blijkt dat het WEF sterk gelooft in de noodzaak «to renew and revitalize systems of cooperation» en in de rol van «leaders», en deze principes ten grondslag legt aan de GAG: betekent dit dat de voormalig Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking deze principes deelt? Zo ja, waarom? Indien nee, waarom neemt zij dan deel aan deze GAG onder deze voorwaarden?
Nee, dat betekent niet dat de voormalig Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking deze principes deelt. Doel van deelname is de uitwisseling van ideeën en inzichten.
Uit de uitnodiging blijkt dat de Minister gezien wordt als een belangrijke stem en dat haar «leadership» een «integral part» is van de «community»: hoe verhoudt de zeer directe sturing die het WEF geeft aan de deelnemers aan zijn projecten en actiegroepen zich met de rol van Minister Kaag als lid van de Nederlandse regering? Legt zij over de sturing die zij vanuit het WEF en de projecten en actiegroepen ontvangt verantwoording af in het kabinet en in het parlement?
Deelname van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan deze activiteiten draagt vanuit haar verantwoordelijkheid bij aan het beleid van de Nederlandse regering. Er is daarbij geen sprake van sturing vanuit het WEF.
Waar ligt de loyaliteit van de Minister meer: bij het WEF en zijn projecten en actiegroepen, of bij de Nederlandse regering? Of ziet de Minister hier wellicht geen verschil?
De Minister is als lid van de Nederlandse regering betrokken bij voor haar relevante activiteiten. De initiatieven van het WEF kunnen daar onderdeel van uit maken.
Bent u bekend met de e-mail van het WEF van 3 juni 2020 waarin Minister Kaag wordt uitgenodigd om deel te nemen aan een virtuele meeting van de Regional Action Group MENA op 19 juni 2020?15
Ja ik ben bekend met de e-mail van het WEF van 3 juni 2020 met de uitnodiging voor deelname aan virtuele meeting van de Regional Action Group MENA.
Deelt u de mening dat uit deze email blijkt dat begin juni, nog geen half jaar in de zogenaamde pandemie, het WEF ervan uitging dat «COVID-19» een disruptieve uitwerking had op economieën en zelfs de «nature of work» in fundamentele wijze beïnvloedde? Waarom meende het WEF blijkbaar dat het noodzakelijk was («imperative») om te werken aan «re-skilling and upskilling of the Arab workforce»? Kunt u uitleggen hoe het mogelijk was dat het WEF de noodzaak voor fundamentele veranderingen al zo vroeg kon zien aankomen? Kunt u uitleggen wat het RAG bedoelt met de «Arab workforce»? Hoe verhoudt deze «Arab workforce» zich tot de MENA regio?
Ik kan u geen nadere uitleg geven over deze verwoording door het WEF.
De uitnodiging spreekt van een Primary Engagement Manager die blijkbaar verantwoordelijk is voor het organiseren van «calls to action»: kunt u uitleggen wat een Primary Engagement Manager is, en in welke verhouding de Minister staat tot een dergelijke PEM?
De Minister heeft hierbij geen rol gespeeld.
Bent u bekend met de e-mail van Cody Feldman van het WEF van 25 september 2020 waarin Minister Kaag wordt bedankt voor haar deelname en het delen van haar «extremely valuable insights» met de Forum «community» en het publiek tijdens de WEF Sustainable Development Impact Summit 2020?16
Ja ik ben bekend met deze e-mail van het WEF op 25 september 2020.
Wie is Cody Feldman en wat is zijn relatie met de Minister?
Cody Feldman heeft vanuit zijn betrokkenheid bij het WEF contacten gehad met de Minister.
Kunt u de «summary and key takeaways» van deze sessie met de Kamer delen?
De sessie staat online: Countering COVID-19 Shocks in Fragile Contexts > Sustainable Development Impact Summit | World Economic Forum (weforum.org)
Uit deze uitnodiging blijkt dat er een Great Reset Portal bestaat met daarin informatie over de «multistakeholder projects that shape sustainable, equitable and inclusive recovery strategies»: kunt u uitleggen waarom een dergelijke Great Reset Portal bestaat? Op wiens initiatief en wanneer is die ingericht? Wie beheert deze Portal? Moet de Minister betalen voor toegang tot de Portal?
Deze website is een initiatief van het WEF. De Minister draagt hier niet financieel aan bij.
Kunt u een lijst van deelnemers aan de Summit met de Kamer delen? Is de Summit onderdeel van een project of actiegroep waarvan de voormalig Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking lid is?
Deze lijst is beschikbaar op de website van het WEF: Countering COVID-19 Shocks in Fragile Contexts > Sustainable Development Impact Summit | World Economic Forum (weforum.org)
Kunt u een lijst geven van alle actiegroepen, projecten, summits en soortgelijke bijeenkomsten en groepen waarbij zij betrokken is?
Hiervoor verwijs ik u naar de kamerbrief en de bijlagen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1162).
Wie heeft de Minister in al die rollen opgevolgd na haar vertrek als Minister? Gaat Minister Kaag deze rollen weer opnemen nu zij is teruggekeerd als Minister? Of is het misschien zo dat zij deze rollen op persoonlijke titel vervuld en dus lid bleef van al deze gremia ook na haar ministerschap?
De Minister vervulde deze rollen vanuit haar verantwoordelijkheid als Minister voor BHOS. Haar rollen kwamen te vervallen bij haar aftreden. Zij is niet opgevolgd. In haar nieuwe positie als Minister van Financiën is nog geen sprake geweest van nieuwe rollen in dit kader.
Risicoselectie op basis van uiterlijk voorkomen |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 25 januari jl. over twee PwC-onderzoeken inzake de FSV-lijst (ook wel: de zwarte lijst) van de Belastingdienst?1
Dat zijn wij.
Klopt het dat PwC communicatie heeft aangetroffen binnen en met de Belastingdienst waarin risico’s op fraude werd gebaseerd op persoonskenmerken, zoals nationaliteit en uiterlijk voorkomen?
Op 25 januari 2022 heeft de Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst het rapport van PwC over de effecten van FSV-registraties gemaakt door de directie Particulieren met uw Kamer gedeeld2. Hierin constateert PwC dat het voorbeelden heeft aangetroffen in communicatie over de signalering van risico’s waarbij het risico werd gebaseerd op zulke persoonskenmerken. De Staatssecretaris heeft PwC om toelichting bij de gedane constatering gevraagd. Op 10 februari 20223 heeft hij de reactie van PwC met uw Kamer gedeeld. PwC schrijft dat de voorbeelden die het heeft aangetroffen voor het merendeel analyses betreffen waarbij (tweede) nationaliteit een criterium was. Verder zijn er voorbeelden van individuele gevallen waarin door expliciete referenties volgens PwC de indruk wordt gewekt dat nationaliteit, herkomst, of uiterlijk voorkomen een risicosignaleringsfactor is geweest.
Welke soorten van uiterlijk voorkomen wordt hier bedoeld? Kunt u een uitputtende lijst hiervan aan de Kamer aanleveren?
De Belastingdienst heeft op 8 februari 2022 de aangetroffen communicatie ontvangen, die uw Kamer als bijlage treft. In de begeleidende brief bij deze vragen is ingegaan op de voorbeelden. Hieronder bevindt zich ook een email uit 2016 waarin naar uiterlijk voorkomen werd verwezen: een medewerker schreef dat hij een «opvallende» auto had gezien met daarin «een aantal opvallende personen» die «nogal showend» op en neer reden. Uit de met de Belastingdienst gedeelde documentatie blijken verder geen verwijzingen naar uiterlijk als zodanig, maar wel naar migratieachtergrond of buitenlandse afkomst.
Valt onder uiterlijk voorkomen ook huidskleur, geslacht, religieuze kenmerken, een bepaalde haardracht, het dragen van een baard, een bepaald soort kleding en/of het dragen van een hoofddoek? Kunt u dit uitsluiten?
De Belastingdienst heeft op 8 februari 2022 de aangetroffen communicatie ontvangen, die uw Kamer in de bijlage treft. Huidskleur, haardracht, baarddracht, kledij of hoofddoek komen er niet in voor. In een handleiding uit 2016 en een memo uit 2017 worden specifiek giften aan respectievelijk moskeeën en kerkelijke instellingen genoemd. Deze voorbeelden lijken voort te zijn gekomen uit een onderzoek uit 2015 naar grootschalige fraude waarbij vervalste kwitanties werden opgevoerd om gefingeerde giften aan Algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) af te trekken. Mijn voorganger heeft uw Kamer op 15 november 20194 citaten uit het betreffende onderzoek gegeven. In één voorbeeld wordt naar geslacht verwezen (man). Het gaat om een daderprofiel uit een presentatie.
Op basis van welk protocol en/of werkinstructie werden deze selecties uitgevoerd?
Onder de door PwC aangetroffen documenten bevinden zich drie documenten uit 2008 en 2009 van regionale kantoren over beleid rondom startende ondernemers, waarin herkomst/buitenland als factor wordt genoemd. In de handleidingen voor het proces «analyse aan de Poort» van 2016 en 2018 wordt nationaliteit of afkomst genoemd in combinatie met aftrek van giften of opvallend patroon van hoge medicijnkosten.
Tot welk leidinggevend niveau was men hiervan op de hoogte?
De Belastingdienst heeft op 8 februari 2022 de aangetroffen communicatie ontvangen, die uw Kamer als bijlage treft. Op basis van dit document is niet direct te herleiden in welke context de bestanden gemaakt en gebruikt zijn, waardoor nog niet kon worden herleid welke personen destijds van welk voorbeeld op de hoogte waren. In veel gevallen is dit ook niet te achterhalen, onder andere omdat bij sommige applicaties of schijven niet gelogd wordt wie ze heeft ingezien.
Op basis van welke andere persoonskenmerken werd er nog meer geselecteerd, afgezien van nationaliteit en uiterlijk voorkomen? Kunt u hiervan een uitputtende lijst gegeven?
Zoals vermeld onder antwoord 4 wordt in een daderprofiel uit een presentatie naar het mannelijk geslacht verwezen. Hierin wordt ook leeftijd (18–35 jaar) genoemd. Of hierop daadwerkelijk is geselecteerd valt niet uit het document af te leiden. In een analyse uit het jaar 2015 wordt geboortedatum (1-1-1960) genoemd en in een startersbeleidsdocument wordt een generatieverschil in belastingaangiftebereidheid beschreven. In één handleiding voor het proces «analyse aan de Poort» wordt onder verwijzing naar mogelijke intoetsfouten onderscheid gemaakt tussen «bejaarden» en jongeren, aan wie betere PC-deskundigheid wordt toegeschreven. In deze handleiding worden tevens achternamen eindigend op -ic genoemd in combinatie met hoge medicijnkosten als voorbeeld van een opvallend uitgavenpatroon. Of hier daadwerkelijk op is geselecteerd valt uit het bestand niet af te leiden.
Enkele eerder aangekondigde onderzoeken kunnen helpen om het reeds ontstane beeld te verscherpen. Zoals op 16 december 20215 aangegeven doet PwC momenteel nog onderzoek naar de gevolgen van FSV-registraties bij de directie MKB en naar de gebruikte «query’s aan de poort». Op basis van een enigszins bijgestelde planning is de verwachting nu dat beide rapporten in maart met uw Kamer gedeeld kunnen worden.
Kunt u uitsluiten dat hierbij ook op basis van onderbuikgevoelens is geselecteerd?
Helaas valt nooit uit te sluiten dat in individuele gevallen medewerkers subjectieve overwegingen een rol hebben laten spelen. Wij zijn er echter van overtuigd dat de overgrote meerderheid van de medewerkers van de Belastingdienst werkt op basis van professionele, objectieve inschattingen en dat zij beoordelingen op basis van uiterlijk net zo afkeuren als uw Kamer en wij. Onder antwoord 10 gaan wij in op de versterking van de waarborgen in de risicoselectie.
Klopt het dat het gevolg van selectie kon en kan zijn dat iemand strenger dan anderen wordt gecontroleerd die niet deze persoonskenmerken heeft?
Op 10 februari 20226 heeft de Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst een brief van PwC met uw Kamer gedeeld met toelichting op de bevindingen uit het rapport. De onderzoekers schrijven dat zij de consequenties voor de betrokken burgers niet hebben kunnen onderzoeken. Zo hebben ze geen onderzoek gedaan naar de mate waarin de aangetroffen communicatie de selectie en beoordeling daadwerkelijk heeft beïnvloed. Het onder antwoord 7 genoemde onderzoek naar query’s aan de poort kan hier hopelijk meer over duidelijkheid verschaffen.
Deelt u de mening dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 van de Grondwet en de Wet gelijke behandeling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze verwerpelijke en discriminerende selectiemethodes zo spoedig mogelijk definitief buiten werking te stellen?
Het gebruik van een (risico)methode door de overheid mag nooit in strijd zijn met het in de Grondwet en mensenrechtenverdragen neergelegde discriminatieverbod.
Artikel 1 van de Grondwet verbiedt discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook. Niet elk verschil in behandeling is discriminatie. In sommige gevallen kan onderscheid toch gerechtvaardigd zijn. Deze objectieve rechtvaardiging moet echter wel voldoen aan een strenge toets. Aan het onderscheid moet een legitieme doelstelling ten grondslag liggen, het onderscheid moet proportioneel zijn en er moeten geen minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om hetzelfde doel te bereiken. Rechtvaardiging is dus niet de norm, maar uitzondering in een specifieke situatie waarin voldaan is aan alle genoemde eisen. De Algemene wet gelijke behandeling schrijft een vergelijkbaar toetsingskader voor, en hoewel deze wet specifiek ziet op situaties als het aanbieden van werk, huisvesting, goederen en diensten, spant het kabinet zich tot het uiterste in om iedere vorm van discriminatie in de heffing van belastingen te voorkomen.
Bij brief van 14 december 20217 is uw Kamer geïnformeerd over het mensenrechtelijke toetsingskader «discriminatie door risicoprofielen» van het College voor de Rechten van de Mens (het College). In haar reactie op dit toetsingskader heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder andere mede namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, ten aanzien van afkomstgerelateerde kenmerken aangegeven dat onderscheid op deze grond niet, of slechts in uitzonderlijke situaties, gebruikt mag worden en alleen als er zeer zwaarwegende redenen ter rechtvaardiging van het onderscheid zijn. Voor zover risicoselectie naar uiterlijk voorkomen betrekking heeft op afkomstgerelateerde kenmerken, zoals een niet-westers voorkomen van de betrokkene, geldt dus dat dit alleen in zeer uitzonderlijke gevallen is toegestaan.
Het voorkomen en bestrijden van discriminatie is prioriteit voor het kabinet. Er zijn belangrijke stappen gezet sinds het verschijnen van het rapport Ongekend onrecht over de fraudeaanpak toeslagen. Voor het definitief buiten werking stellen van discriminatoire risico(selectie)modellen en -methoden is het kabinet bezig met de uitvoering van twee moties die hier aan raken: de moties van het lid Marijnissen c.s. en van het lid Klaver c.s.8. Deze moties gaan over het inventariseren waar (persoons)gegevens in risico(selectie)modellen worden gebruikt die gerelateerd zijn aan iemands afkomst. Als een overheidsinstelling die gegevens onrechtmatig en oneigenlijk gebruikt, wordt dat beëindigd en de zogenaamde «vervuilde data» opgeruimd. Het toetsingskader van het College zal worden betrokken bij de nog lopende inventarisatie en toetsing bij uitvoeringsorganisaties. In eerder genoemde brief van 14 december 20219 is naast bovengenoemde inventarisatie ook aandacht voor de stappen die zijn gezet om etnisch profileren in risicoprofielen te voorkomen en het belang zicht te houden op het burgerperspectief.
Op 10 februari 202210 heeft de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst een brief van PwC met uw Kamer gedeeld met toelichting op de bevindingen uit het rapport. De onderzoekers schrijven dat zij de consequenties voor de betrokken burgers niet hebben kunnen onderzoeken. Zo hebben ze geen onderzoek gedaan naar de mate waarin de aangetroffen communicatie de selectie en beoordeling daadwerkelijk heeft beïnvloed.
De Belastingdienst heeft verschillende stappen gezet om discriminatie in de risicoselectie te voorkomen. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft in november 201911 besloten dat, bovenop de eisen uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), nationaliteit alleen gebruikt mag worden in de handhaving als daarvoor een expliciete wettelijke grondslag bestaat. De Belastingdienst is daarop een inventarisatie van meer dan negenhonderd applicaties en meer dan tweehonderd door medewerkers aangeleverde bestanden gestart. Met de eerstvolgende kwartaalrapportage Herstellen, Verbeteren, Borgen (HVB) wordt uw Kamer hierover verder geïnformeerd. Daarnaast werkt de Belastingdienst samen met Toeslagen en de Douane aan een nieuw waarborgenkader, waarmee de rechtmatigheid en de transparantie van selectie-instrumenten (beter) gegarandeerd kan worden. De verwachting is dat dit kader in het eerste kwartaal van dit jaar vastgesteld kan worden. Op 31 maart 202112 hebben de Staatssecretarissen van Financiën uw Kamer geïnformeerd over de versterkte waarborgen rondom het proces «analyse aan de Poort». Intensief toezicht op aangiften die in dit proces geselecteerd zijn is stilgezet en wordt pas hervat indien uit de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB) op het proces blijkt dat de privacy voldoende gewaarborgd is. Daarnaast kunnen vragen en dilemma’s over data-analyse, risicomodellen, algoritmen en kunstmatige intelligentie in de toekomst ook voorgelegd worden aan Adviescommissie Analytics13. Tot slot is per 1 februari jl. de inspecteur-generaal van de nieuwe Inspectie belastingen, toeslagen en douane begonnen. De inspecteur-generaal toetst of de overheid mensen en bedrijven rechtvaardig behandelt wanneer zij te maken hebben met belastingzaken, toeslagen of de douane.
Op welke plekken binnen de overheid, zijn uitvoeringsorganisaties, dan wel door de overheid gesubsidieerde organisaties, dan wel al dan niet via aanbesteding met overheidsgeld werkende organisaties werd of wordt de genoemde methode van risicoselectie gehanteerd?
Begin dit jaar is uw Kamer per brief geïnformeerd door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de plannen van aanpak en planningen voor de uitvoering van eerdergenoemde moties Marijnissen c.s. en Klaver c.s.14. De plannen van aanpak van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Justitie en Veiligheid, Infrastructuur en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volksgezondheid, Welzijn en Sport geven uw Kamer een realistisch beeld van de omvang, complexiteit en reikwijdte van de uitvoering, en de termijn waarop uw Kamer de resultaten kan verwachten.
Deze ministeries zullen gezamenlijk de komende periode hun onderzoeken die zij vorig jaar zijn gestart onverminderd voortzetten, met als doel uw Kamer in 2022 volledig te informeren over waar in de organisatie eventuele onrechtmatigheden met gebruikte persoonskenmerken zijn aangetroffen.
Kunt u hiervan een uitputtende lijst aan de Kamer sturen?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u de daarbij gebruikte persoonskenmerken uitsplitsen per organisatie?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Het is helaas niet mogelijk gebleken de vragen binnen de door het lid gestelde termijn te beantwoorden.
De aanvankelijke goedkeuring voor het aanblijven van de demissionair minister Infrastructuur en Waterstaat terwijl zij een lobbyfunctie voor de energiesector had aanvaard |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe u tot de «nadere politieke duiding» kwam dat Minister van Nieuwenhuizen niet aan kon blijven als Minister tot het einde van de bewindsperiode, nadat zij een lobbyfunctie had aanvaard?1 2
Zoals ik reeds uiteen heb gezet in antwoord op de Kamervragen van de leden Arib en De Hoop (beiden PvdA) en de leden Marijnissen en Leijten (beiden SP), heeft voormalig Minister van Nieuwenhuizen mij op 23 juli 2021 ingelicht dat zij een nieuwe functie zou bekleden. Op 28 juli 2021 heeft zij in aanloop naar haar benoeming een verklaring geaccordeerd waarin zij de secretaris-generaal van het Ministerie van I&W vraagt haar vanaf dat moment te attenderen op aangelegenheden die tot haar taak behoren en mogelijk direct of indirect kunnen raken aan een nieuwe functie, waarvoor zij benoeming verwacht in september 2021 en die zij na afloop van deze kabinetsperiode zou willen vervullen. Indien er raakvlakken zouden zijn met haar functie als Minister, zou zij de Minister van EZK vragen deze aangelegenheden af te doen. Deze afspraak is gemaakt om elke schijn of potentiële schijn van belangenverstrengeling te vermijden. Op 26 augustus 2021 ben ik na nadere politieke weging tot het inzicht gekomen dat de benoeming niet goed samen gaat met het ambt van bewindspersoon. Dit betreft een weging van alle omstandigheden van het geval. Mevrouw van Nieuwenhuizen is op 31 augustus 2021 door de algemene ledenvergadering van de Vereniging Energie-Nederland benoemd in haar nieuwe functie. Per diezelfde datum is haar tevens ontslag verleend.
Kunt u aangeven met wie u heeft gesproken om tot deze «nadere politieke duiding» te komen?
In zijn algemeenheid word ik bij mijn werkzaamheden ondersteund door ambtenaren van het Ministerie van Algemene Zaken. Uiteindelijk ben ik als Minister-President aanspreekbaar op de genomen besluiten en onderliggende afwegingen.
Kunt u aangeven waar deze «nadere politieke duiding» precies uit bestond, naast de eindconclusie dat de Minister niet aan kon blijven en welke (politieke) overwegingen lagen daar aan ten grondslag?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u eventuele notities of memo’s over de positie van de Minister die hebben bijgedragen tot de «nadere politieke duiding» naar de Kamer sturen?
Er zijn hierover geen notities of memo’s opgesteld.
Kunt u aangeven met welke functionarissen u dit soort kwesties bespreekt op uw ministerie of in uw politieke omgeving?
Zie het antwoord op vraag 2.
Staat u nog altijd achter de uitspraak dat niemand van het demissionaire kabinet – buiten uzelf en de demissionair Minister – wist van de toekomstige lobbyfunctie, zoals u suggereerde tijdens de begrotingsbehandeling van Algemene Zaken 2022?3
Tijdens de begrotingsbehandeling heb ik in reactie op een specifieke vraag van het lid Leijten gezegd dat er niet is gesproken over het vertrek van Minister van Nieuwenhuizen in de ministerraad.
Erkent u dat het ondertekenen van de brief dat de voormalig Minister zou kunnen aanblijven tot het einde van de demissionaire fase van het kabinet, maakt dat meerdere mensen op de hoogte moeten zijn geweest van uw standpunt dat er geen schijn van belangenverstrengeling bestond of dat er sprake was van een mogelijke integriteitsschending en kunt u aangeven wie welke functionarissen wisten van de ondertekende brief?
Het is mij niet bekend op welke brief u doelt. Ik heb geen brief ondertekend dat de voormalig Minister zou kunnen aanblijven tot het einde van de demissionaire fase van het kabinet. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Bent u het ermee eens dat het aanblijven van een Minister die al een lobbyfunctie heeft aanvaard en die desondanks bij geheime ministerraden over rijksbegrotingen aanwezig is vanuit het oogpunt van (de schijn van) belangenverstrengeling moreel onjuist is? Zo nee, waarom kon zij deze functies dan toch niet verenigen?
Zoals ik in het debat in de Tweede Kamer over de begroting van Algemene Zaken en de Koning heb gezegd is er geen sprake van een integriteitskwestie. Zie verder over de feitelijke gang van zaken het antwoord op vraag 1.
Kunt u zich voorstellen dat het aanblijven van een Minister die al een lobbyfunctie heeft aanvaard en die desondanks bij geheime ministerraden over rijksbegrotingen aanwezig is het vertrouwen van mensen in de integriteit van het openbaar bestuur aantast? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u uitleggen hoe de verwijzing naar de niet-bindendheid van «het Blauwe Boek» en het niet naleven van afspraken die tot doel hebben de integriteit van het ambt van Minister te beschermen («Dat is helemaal niet verboden, want het Blauwe Boek is, zoals iemand net naar voren bracht, inderdaad een dringend verzoek en niet een harde wetmatigheid.») te rijmen is met uw dringende adviezen op bijvoorbeeld het naleven van coronaregels?
Er is geen relatie tussen de adviezen die met het oog op het bestrijden van het coronavirus worden gegeven en het Blauwe Boek.
Erkent u dat het niet handhaven van integriteitsregels – omdat ze «niet een harde wetmatigheid» zijn – ondermijnend werkt en het vertrouwen in de overheid schaadt? Zo nee, waarom niet?
Het is allereerst aan de betrokken oud-bewindspersoon zelf om op integere wijze vorm te geven aan een vervolgfunctie, binnen de grenzen van het recht, zoals de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uiteen heeft gezet in haar brief van 29 november 2021. In de brief van 29 november 2021 van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn drie nieuwe maatregelen aangekondigd ten aanzien van het integriteitsbeleid voor gewezen bewindspersonen. Eén daarvan is het verbrede lobbyverbod, dat per direct inging. Voor de andere maatregelen (draaideurverbod en een afkoelperiode van 2 jaar met verplichte advisering door een onafhankelijke commissie) is eerst wetgeving nodig. De voorbereiding daarvan is ter hand genomen. De verwachting is dat de Tweede Kamer eind 2022 het wetsvoorstel tegemoet kan zien.
Op welke wijze bent u voornemens in de toekomst om te gaan met solliciterende bewindspersonen en bewindspersonen die denken aan te kunnen blijven ook al is er al een nieuwe -conflicterende- functie aanvaard? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor de toekomst zou ik een bewindspersoon in een dergelijke situatie eerder adviseren om onmiddellijk af te treden. In de brief van 29 november 2021 van de toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn drie nieuwe maatregelen aangekondigd ten aanzien van het integriteitsbeleid voor gewezen bewindspersonen. Zie tevens het antwoord op vraag 11.
Acht u het verstandig om in toekomstige situaties niet zelfstandig dit soort goedkeuringen te verlenen maar hierbij altijd in overeenstemming op te treden met bijvoorbeeld de Minister van Binnenlandse Zaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is niet aan de Minister-President, noch aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om al dan niet goedkeuring te verlenen voor het aanvaarden van een vervolgfunctie door een Minister of het aanblijven van een Minister nadien. In de brief van 29 november 2021 van de toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn drie nieuwe maatregelen aangekondigd ten aanzien van het integriteitsbeleid voor gewezen bewindspersonen. Zie tevens het antwoord op vraag 11.
Ziet u in dat als een dergelijke (soortgelijke) casus zich voordoet u direct de afweging moet maken dat het onhoudbaar is dat betreffende Minister aanblijft? Zo ja, waardoor?
Zie het antwoord op vraag 12.
De politieke gevangenen in Turkije |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het aantal politieke gevangenen dat momenteel in de gevangenis in Turkije zit? Heeft u informatie dat het aantal politieke gevangenen afneemt? Wat is uw beleid ten aanzien van politieke gevangenen in Turkije?
Nederland blijft zich grote zorgen maken over de rechtsstaat en de mensenrechtensituatie in Turkije. Het kabinet kan echter niet met zekerheid vaststellen hoeveel personen om politieke redenen vastzitten en wat hierbij de trend is. Betrouwbare cijfers daarover zijn niet beschikbaar. Mensenrechten, waaronder het recht op vrijheid van meningsuiting en recht op een eerlijke rechtsgang, vormen de hoeksteen van het Nederlands buitenlandbeleid. Dit draagt Nederland internationaal uit, in multilaterale fora en in bilaterale gesprekken, zo ook in gesprekken met de Turkse autoriteiten, op ambtelijk en politiek niveau.
Heeft de Nederlandse regering in het geval van de bekende politieke gevangene Osman Kavala bezwaar gemaakt bij de Turkse autoriteiten vanwege de verlenging van zijn gevangenschap? Zo nee, waarom niet?1
Nederland hecht er sterk aan dat lidstaten van de Raad van Europa, ook Turkije, hun verplichting nakomen om uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) na te leven. In de zaak van dhr. Kavala ligt er een duidelijke uitspraak waarin het Hof Turkije oproept dhr. Kavala onmiddellijk vrij te laten. In de Raad van Europa (RvE), die toeziet op naleving van deze uitspraak, is hier consequent door Nederland met gelijkstemden landen toe opgeroepen. Op 2 februari 2022 besloot het Comité van Ministers van de RvE tot het starten van een inbreukprocedure tegen Turkije vanwege de detentie van dhr. Kavala. Nederland steunt de verklaring van de EU-woordvoerder van de Hoge Vertegenwoordiger, Joseph Borrell, waarin wordt betreurd dat de Turkse autoriteiten zich niet houden aan de uitspraak van het EHRM.2 In de verklaring worden ook de verplichtingen onderstreept die Turkije heeft als verdragspartij van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarnaast woont Nederland, met gelijkgestemde landen, zittingen bij in de rechtszaak tegen dhr. Kavala, en stelt NL deze zorgen regelmatig aan de orde in bilateraal en multilateraal verband.
Klopt het dat er zo’n 1600 gevangenen (waaronder politieke gevangenen) in Turkije ziek zijn en niet adequaat verzorgd worden? Zo nee, wat zijn dan de cijfers?
Gelijkluidend aan de beantwoording op vraag 1 kan het kabinet niet met zekerheid vaststellen hoeveel gedetineerden in Turkije ziek zijn en mogelijkerwijs niet adequaat verzorgd worden. Eigenstandige, onafhankelijke cijfers hierover zijn niet beschikbaar.
Klopt het dat doodzieke gevangenen ook niet de gelegenheid krijgen naar huis te gaan om daar te sterven? Zo nee, wat is dan de situatie volgens uw informatie?
Zoals aangegeven in het algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021 is het kabinet er mee bekend dat gevangenen beperkte toegang hebben tot gezondheidszorg en persoonlijke hygiëne. Het kabinet beschikt niet over eigenstandige dan wel onafhankelijke, betrouwbare informatie waaruit blijkt dat zieke gedetineerden geen gelegenheid krijgen om thuis te sterven.
Bent u op de hoogte van het feit dat oud-parlementslid Aysel Tuğluk, ziek en gevangen is, sinds december 2016, en niet wordt vrijgelaten, zelfs niet ondanks haar ernstige ziekte?2
Het kabinet is bekend met de situatie van mevr. Tuğluk en deze wordt door de ambassade in Ankara gemonitord. Volgens de laatste berichtgeving die bekend is bij het kabinet, wordt haar gezondheidssituatie onderzocht door de relevante instituties, en is door advocaten van mevr. Tuğluk verzocht om een aanvullend gezondheidsonderzoek door een derde partij. Nederland kaart zorgen over de mensenrechtensituatie in Turkije regelmatig en op alle niveaus aan en zal dit blijven doen, ook in Europees en internationaal verband. Zoals aangegeven in antwoord 4 is het kabinet er bekend mee dat gevangenen beperkte toegang hebben tot gezondheidszorg in Turkije. Nederland onderschrijft de doelstellingen uit het EU actieplan Mensenrechten en Democratie uit 2020 waarin expliciet de verbetering van de omstandigheden voor gedetineerden in derde landen wordt genoemd. In dat kader zet Nederland in op het verbeteren van detentieomstandigheden in Turkije middels een project van de Raad van Europa dat zich richt op de versterking van extern toezicht op penitentiaire inrichtingen.
Bent u bereid er bij de Turkse autoriteiten op aan te dringen zieke gevangenen, waaronder politieke gevangene Aysel Tuğluk, over te brengen voor verdere verpleging in een ziekenhuis of de gelegenheid te geven thuis te overlijden?
Zie antwoord vraag 5.
Oekraïne |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u op 24 januari 2022 heeft aangegeven geen familie van ambassadepersoneel of niet-essentieel ambassadepersoneel uit Oekraïne weg te halen?
Ja. Daarbij heb ik tevens aangegeven dat de situatie zorgelijk en moeilijk te voorspellen is. Het terughalen van ambassadepersoneel of niet-essentieel ambassadepersoneel is in dit soort situaties een dilemma. Natuurlijk moet worden voorkomen dat mensen in gevaar komen door te laat handelen. Tegelijkertijd zou te vroeg weghalen van ambassadepersoneel kunnen bijdragen aan instabiliteit en onrust, terwijl spanningen al hoog zijn. Daarom heb ik de mogelijkheid geboden aan ambassademedewerkers en familieleden die zich onveilig voelen, om terug te keren naar Nederland. Nederland, Duitsland en Oostenrijk zijn op dit moment de enige EU-landen die deze stap hebben gezet. De situatie blijft onvoorspelbaar en daarom blijven we de veiligheidssituatie actief en nauwgezet monitoren, ook in nauw contact met EU-partners en andere landen.
Hoe beoordeelt u de veiligheidsrisico’s voor ambassadepersoneel en familieleden in Oekraïne?
De situatie in Kiev is over het algemeen rustig. Op dit moment kunnen ambassademedewerkers veilig hun werk doen. Uiteraard heeft de veiligheid van ambassadepersoneel onze continue aandacht. Ook worden alle benodigde voorbereidingen getroffen voor het geval de veiligheidssituatie verslechtert.
Kunt aangeven waarom de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië een deel van hun ambassadestaf en familieleden terugtrekken uit Oekraïne?
Alhoewel ik geen inzicht heb in alle overwegingen van deze landen, zal in belangrijke mate meespelen dat bijv. de Verenigde Staten enkele honderden medewerkers en familieleden heeft gestationeerd in Kiev. De Nederlandse ambassade in Kiev heeft veel minder medewerkers, die mogelijkerwijs zullen moeten worden geëvacueerd over de weg. De ambassades van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië in Kiev zijn overigens operationeel.
Heeft u contact gehad met deze landen over welke risicoanalyse hieraan ten grondslag ligt? Zo ja, hoe beoordeelt u die analyse? Zo nee, bent u bereid alsnog navraag te doen?
Van deze landen heb ik geen volledige inzage gekregen in hun risicoanalyse, dat is ook niet gebruikelijk. Met deze landen is voortdurend contact over de zorgelijke situatie in Oekraïne. Gelet op het vertrouwelijk karakter kan deze informatie niet gedeeld worden. De dreigingen die Nederlandse ambassademedewerkers en hun familieleden lopen in Kiev zijn in kaart gebracht, tevens zijn maatregelen getroffen om de geïdentificeerde dreigingen zoveel mogelijk te mitigeren. Ik hecht eraan te benadrukken dat geen enkele EU-lidstaat ambassademedewerkers uit Kiev heeft teruggehaald. Het beleid dat Nederland voert is vergelijkbaar met het beleid van andere EU-lidstaten, waarbij ernaar wordt gestreefd zoveel mogelijk in EU-verband op te trekken.
In hoeverre wijkt de risicoanalyse van Nederland af van de risicoanalyses van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië?
Zie antwoord vraag 4.
Neemt Nederland bewust meer risico dan bovengenoemde drie landen? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe is het dan mogelijk dat Nederland een ander beleid voert ten aanzien van familieleden en niet-essentieel personeel?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat bovengenoemde drie landen niet alleen familieleden en niet-essentieel personeel de vrijwillige keuze geven om al dan niet te vertrekken, maar expliciet beleid hebben om hun presentie af te schalen?
Ja.
Bent u van mening dat het aan individuen overlaten van de vertrekkeuze kan leiden tot meer risico voor ambassadepersoneel, indien zij (bijvoorbeeld uit plichtsbesef) druk voelen om te blijven?
Nee. Hierover is ook nauw contact met de ambassade.
In welke situatie wordt er alsnog besloten ambassadepersoneel terug te trekken? Is er een plan voor evacuatie in noodsituaties?
Indien ambassademedewerkers niet langer in staat zijn hun werkzaamheden in veiligheid uit te voeren en het nemen van mitigerende- en beveiligingsmaatregelen niet langer mogelijk is. Dit is overigens conform het verzoek van de Kamer, om naar alle ambassades te communiceren dat
ambassades altijd open moeten blijven tot het laatst mogelijke moment1. Daarbij merk ik op dat in voorkomende gevallen vooruitlopende daarop niet-essentiële medewerkers en hun familieleden verplicht kunnen worden terug gehaald naar NL. Dit om het aantal uitgezonden medewerkers die mogelijkerwijs uiteindelijk zullen moeten worden geëvacueerd zo klein mogelijk te maken. Vanzelfsprekend zijn verschillende opties om het land te verlaten in kaart gebracht.
Waarom adviseert het reisadvies voor Oekraïne reizen uit te stellen, en raadt het reizen naar Oekraïne niet expliciet af? Waarom is het reisadvies voor het grootste deel van Oekraïne nog oranje en niet rood?
Tijdens het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken deed ik de toezegging om te kijken naar de tekst van het reisadvies voor Oekraïne. De tekst in het reisadvies is inmiddels aangescherpt met een duidelijke boodschap om reizen uit te stellen en het verblijf te heroverwegen. Het reisadvies voor Oekraïne is oranje en deels rood voor de gebieden Donetsk, Loegansk, de Krim en het grensgebied met Rusland en Belarus. Ons reisadvies is hiermee in lijn met de reisadviezen van andere EU-landen. Daarnaast worden Nederlanders in Oekraïne opgeroepen zich te registreren bij de BZ informatieservice opdat zij bereikbaar zijn voor communicatie vanuit de ambassade voor noodsituaties. Verder wordt in het reisadvies verwezen naar een crisispagina op nederlandwereldwijd.nl met informatie over stappen die mensen kunnen nemen bij een dreigende crisis waarbij ook wordt ingegaan op het belang van een tijdig besluit over vertrek. Uiteraard worden de ontwikkelingen aan de grens tussen Oekraïne en Rusland voortdurend en nauwlettend gemonitord en zal indien nodig het reisadvies verder aangepast worden.
Waarom zegt het reisadvies voor Rusland niks over de expliciete risico’s in het grensgebied met Oekraïne? Bent u bereid om de tekst van het reisadvies op dit punt aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
De reisadviezen voor Rusland en Belarus zijn inmiddels aangepast met een vermelding van de Russische troepenopbouw langs de grens met Oekraïne. Voor Belarus gaat dit ook om troepenopbouw langs de grens met Polen. Het advies is om niet te reizen binnen 10 km van deze grenzen. Deze grensstreken hebben in de betreffende reisadviezen een rode kleur gekregen. Ook aan Oekraïense kant geldt hetzelfde advies. De grensstrook van Oekraïne met Belarus en Rusland tot 10 km landinwaarts is in het reisadvies voor Oekraïne ook rood.
Bent u gezien de acute dreiging en snelheid van alle ontwikkelingen bereid om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, bij voorkeur nog deze week?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat de CCS-installatie bij een waterstofproject van Shell meer broeikasgassen uitstoot dan het afvangt. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Hydrogen’s Hidden Emissions»?1
Ik heb kennisgenomen van het rapport.
Klopt het dat de betreffende Carbon Capture and storage-installatie (CCS), gekoppeld aan de productie van fossiele (blauwe) waterstof, meer broeikasgassen uitstoot dan het afvangt? Zo nee, hoe zit het dan?
Nee, dat klopt niet. Het artikel refereert aan een specifiek project, waarbij de CO2 die vrijkomt bij de productie van waterstof wordt afgevangen. Deze waterstof wordt gemaakt uit aardgas, waarbij CO2 vrijkomt. De waterstof wordt toegepast in de opwerking van de olie. Dit gebeurt in een «upgrader». Het artikel van Global Witness verklaart dat de Scotford Upgrader meer CO2 uitstoot dan het afvangt. Dat is correct. Echter, de waterstofproductie veroorzaakt 35% van de totale CO2-uitstoot van de gehele upgrader. De uitstoot bij de waterstofproductie is dus maar een deel van de totale uitstoot van de Scotford Upgrader. De overige CO2 op deze locatie wordt door andere productieprocessen veroorzaakt. Het is dus niet zo dat de CCS-installatie, gekoppeld aan de productie van (blauwe) waterstof, meer CO2 uitstoot dan het afvangt. In totaal wordt er 1,1 Mton per jaar afgevangen, waarbij 0,9 MtCO2 aan emissies wordt vermeden. Dit verschil heeft te maken met het feit dat bij de productie van de benodigde energie voor het CCS-proces ook emissies vrijkomen. Hier wordt dus voor gecorrigeerd.
Erkent u dat CCS-installaties die meer uitstoten dan ze afvangen de klimaatcrisis alleen maar verergeren en zodoende volstrekt onwenselijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Indien er installaties zijn die meer uitstoten dan dat zij afvangen, dan zou dat inderdaad zeer onwenselijk zijn. Dat is hier echter niet het geval. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Bestaan er bij bepaalde waterstofprojecten extra risico’s op het falen van de CCS-techniek? Zo ja, welke?
Nee, niet dat mij bekend is. CCS wordt al decennialang wereldwijd succesvol toegepast in verscheidene grootschalige fossiele waterstofprojecten, waarbij de CO2 permanent ondergronds wordt opgeslagen. Ook in Nederland wordt al jarenlang CO2 afgevangen van waterstoffabrieken. Deze afgevangen CO2 wordt gebruikt voor o.a. levering aan de glastuinbouw.
Wat betekenen de bevindingen in dit rapport voor de plannen van dit kabinet op het gebied van CCS en waterstof?
Dit rapport brengt geen veranderingen in deze plannen omdat ik de conclusies die geschetst worden niet deel.
Kunt u uitsluiten dat de door dit kabinet voorgenomen CCS-projecten, al dan niet gekoppeld aan de productie van waterstof, meer zullen uitstoten dan ze zullen afvangen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft voor de SDE++ berekend wat de netto emissiereductie is per ton (bruto) afgevangen en opgeslagen CO2. Daarnaast heeft een partij geen prikkel om CO2 af te vangen en ondergronds op te slaan, wanneer dit gepaard gaat met een hogere CO2-uitstoot. Over deze uitstoot moeten immers CO2-emissierechten betaald worden, en dat is juist de reden waarom een partij de CO2 afvangt. Ook wordt in de SDE++ gecorrigeerd voor de emissies die vrijkomen bij de opwek van energie die nodig is voor afvang en transport (scope 2 emissies).
Kunt u aantonen dat de door dit kabinet voorgenomen CCS-projecten, al dan niet gekoppeld aan de productie van waterstof, meer zullen afvangen dan ze zullen uitstoten? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Ja. Zie antwoord op vraag 6. Daarbij is het belangrijk om te beseffen dat de CO2-afvang wordt toegepast op een specifiek gedeelte van het totale productieproces.
Erkent u dat CCS vooralsnog een techniek is waarbij vroeg of laat reële risico’s bestaan op het weglekken van broeikasgassen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Mijnbouwwet bepaalt dat vergunningen voor CO2-opslag alleen worden verleend indien de risico’s van CO2-opslag – zoals het weglekken van CO2 – te verwaarlozen zijn. Voorts zullen de opslaglocaties tot 50 jaar na de sluiting op mogelijke lekkage worden gecontroleerd. Indien er toch lekkage optreedt, zullen de activiteiten worden stopgezet en/of zullen er corrigerende maatregelen worden genomen. Eventuele lekkage moet worden gecompenseerd met ETS-emissierechten.
Kunt u een lijst met de bij u bekende voorbeelden geven van probleemloze CCS-installaties die hebben geleid tot een aantoonbare en blijvende afname van de uitstoot van broeikasgassen?
Er zijn meerdere voorbeelden van operationele CCS-installaties die hebben geleid tot een aantoonbare en blijvende afname, waaronder:
Kunt u een lijst met de bij u bekende voorbeelden geven van problematische CCS-installaties waarbij bijvoorbeeld sprake was van toenemende uitstoot en/of het weglekken van eerder afgevangen broeikasgassen?
Er zijn mij geen CCS-projecten bekend die geleid hebben tot een toenemende uitstoot en/of het weglekken van eerder afgevangen broeikasgassen.
Deelt u de mening dat er geen overheidssubsidie zou moeten worden uitgegeven aan als duurzaam verkochte projecten die in de werkelijkheid de uitstoot van broeikasgassen niet doen afnemen? Zo nee, waarom niet?
Indien projecten daadwerkelijk meer CO2 uitstoten dan dat er wordt vermeden, dan zou overheidssubsidie inderdaad niet op zijn plaats zijn, indien deze subsidie tot doel heeft de CO2-emissies te reduceren.
Welke mogelijkheden ziet u om overheidssubsidies terug te vorderen, indien blijkt dat de gesubsidieerde CCS-projecten niet leiden tot een afnemende uitstoot van broeikasgassen of indien er sprake is van het in een later stadium alsnog weglekken van eerder afgevangen broeikasgassen?
Pas als een bedrijf de CO2 daadwerkelijk afvangt en opslaat, krijgt het daarvoor subsidie. Indien er sprake is van lekkage, wordt deze vrijgekomen CO2 gecompenseerd door de aankoop van EU-ETS emissierechten (zie het antwoord op vraag 8). Tevens zijn er op grond van de geldende wetgeving mogelijkheden om subsidie terug te vorderen.
Erkent u dat de (voorgenomen) CCS-subsidies voornamelijk ten gunste komen van grote vervuilers, die in het verleden veel geld hebben verdiend met het uitstoten van broeikasgassen? Zo nee, waarom niet?
Afvang en opslag van CO2 is een kostenefficiënte techniek om CO2 te reduceren, met name wanneer deze kan worden ingezet daar waar er grote volumes CO2 vrijkomen. De kosten voor afvang verschillen per productieproces. Zo is de afvang van CO2 die vrijkomt bij de productie van bijvoorbeeld waterstof of ammoniak veel eenvoudiger, goedkoper en energie efficiënter dan de afvang uit rookgassen bij verbranding zoals het geval is bij verbrandingsprocessen. De CCS-subsidies komen daardoor inderdaad voor een groot deel bij de grotere industriële bedrijven terecht. De subsidie dekt echter alleen de onrendabel top af van de toepassing van de techniek. De daadwerkelijk uitgekeerde subsidie is afhankelijk van de ETS-prijs. Hoe hoger de ETS-prijs, hoe minder subsidie er wordt uitbetaald.
Erkent u dat de beschikbaarheid van CCS ertoe leidt dat fossiele energie langer kan worden blijven opgewekt dan wanneer CCS niet beschikbaar zou zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wilt u, middenin de energietransitie, de opwek van fossiele energie blijven stimuleren?
De subsidie voor CCS wordt gegeven om de CO2 welke vrijkomt bij productieprocessen in de industrie te reduceren, niet ter verduurzaming van de (fossiele) energieproductie. Fossiele grondstoffen vormen een grote basis van onze primaire maakindustrie in Nederland (waterstof, ammoniak, kunstmest, chemie, petrochemie). Met generieke èn maatwerkafspraken wordt gewerkt aan de verduurzaming van deze sector. CCS is hier één van en is als tijdelijke maatregel nodig om de doelen tijdig te bereiken
Erkent u dat de inzet op CCS verbloemt dat bepaalde grote vervuilers veel te laat begonnen zijn met verduurzamen en nog steeds niet of nauwelijks iets willen doen aan hun vervuilende verdienmodel? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze conclusie is zo niet te trekken. Het is een gegeven dat bedrijven uit zichzelf minder in onderzoek en ontwikkeling investeren dan maatschappelijk gezien optimaal is. Dit komt omdat ze niet alle positieve effecten op de maatschappij meenemen in hun investeringsbeslissingen. Het is daarom belangrijk dat externe effecten worden beprijsd, zoals het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) doet. Omdat onderzoek per definitie onzeker en risicovol is, stimuleren overheden daarom wetenschap, onderzoek en innovatie. Ondanks al deze inzet op onderzoek en innovatie is het geen gegeven dat er ook daadwerkelijk technologische oplossingen worden gevonden of betaalbaar grootschalig uitgerold kunnen worden. CCS kan nodig zijn omdat er technologisch nog geen goede alternatieve oplossingen beschikbaar zijn voor de industrie om aan de klimaatvereisten te voldoen. In Nederland wordt grootschalig geïnvesteerd in CCS omdat Nederland aanzienlijk strenger is voor de industrie dan ander landen (met de nationale CO2-heffing) en een relatief grote industrie heeft.
Deelt u de mening dat het rechtvaardiger zou zijn om, volgens het principe dat «de vervuiler betaalt», de grote vervuilende bedrijven de door hun beoogde CCS-installaties zelf te laten betalen in plaats van miljarden aan belastinggeld uit te geven aan een onbewezen techniek die niet of nauwelijks iets verandert aan het fossiele verdienmodel van deze bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Nee deze mening deel ik niet. Het uitgangspunt van het Klimaatakkoord, dat de vervuiler betaalt, wordt toegepast. Zo betaalt de industrie voor het recht op uitstoot via het EU-ETS. Bij de uitkering van de SDE++-subsidie voor CCS wordt jaarlijks voor de ETS-prijs gecorrigeerd. De ETS-prijs is afgelopen jaren aanzienlijk gestegen. Daarom is het realistischer dat maar een beperkt deel van de totale subsidiebeschikking zal worden uitbetaald.
Ook is de verdeling van Opslag Duurzame Energie en Klimaattransitie (ODE) tussen huishoudens en bedrijven aangepast. De tarieven in de twee hoogste schijven zijn verhoogd waardoor de bijdrage van de industrie oploopt naar circa € 550 miljoen in 2030, zodat de sector hetzelfde betaalt voor het beroep dat zij dan doet op de SDE++ in 2030. Daarnaast is er ook nog de CO2-heffing voor de industrie die als stok achter de deur functioneert en de industrie laat betalen als de beoogde reductieopgave niet wordt gehaald. Tevens wordt met deze CO2-heffing de industrieopgave geborgd.
Erkent u dat er, gelet op de bovenstaande nadelen, geen logische redenen meer zijn om CCS uit belastinggeld te financieren, aangezien CCS juist kan zorgen voor meer uitstoot in plaats van minder en bovendien bedrijven juist niet prikkelt om over te stappen op duurzame energie en juist wel prikkelt om fossiele energie te blijven gebruiken? Zo ja, bent u bereid om publieke financiering van CCS te stoppen? Zo nee, wat zijn volgens u logische redenen om, midden in de energietransitie, uit belastinggeld een fossiele lock-in te creëren?
Nee, in voorgaande antwoorden heb ik aangegeven wat de redenen zijn voor de overheid om CCS te ondersteunen. Publieke ondersteuning blijft noodzakelijk zolang de ETS-prijs nog onvoldoende prikkel geeft. Middels de jaarlijkse toets op alternatieven («de Zeef») wordt geborgd dat publieke financiering wordt gestopt zodra deze beschikbaar zijn. Naar verwachting is CCS ook op de langere termijn nog noodzakelijk om klimaatdoelen te halen. Daarnaast deel ik de door u genoemde nadelen van CCS, zoals deze ook in het artikel naar voren worden gebracht, niet.
De wijze waarop de stikstofdepositie berekend wordt en de vergelijking met de kritische depositiewaarden |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de wetenschappelijke onderbouwing is van de keuze om de terreinruwheid op een schaal van 6,25 hectare te bepalen en mee te nemen, en niet op een lagere dan wel hogere schaal? In hoeverre zijn metingen gedaan naar het verband tussen de mate van turbulentie en depositie en de afstand tot de bosrand?
De 6,25 hectare komt overeen met een oppervlakte van 250x250 m, wat overeenkomt met de minimale ruimtelijke schaal voor de «bovenwindse ruimtelijke geschiedenis». Dit bepaalt daarmee de minimale schaal voor het afleiden van de ruwheidslengte (zie de antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp; Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 3999, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 487 en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1082). In de notitie «Relevante ruimtelijke schaal van de droge depositiemodellering in het kader van de PAS»1 wordt dit verder toegelicht.
Er zijn in het verleden metingen in bosranden gedaan waarbij een relatie is afgeleid tussen de verhoging van de depositie (ten opzichte van de gemiddelde depositie in het bos) en de afstand tot de bosrand. Een overzicht van verschillende studies naar deze relatie is opgenomen in o.a. De Schrijver e.a. (2007)2.
Kunt u precies aangeven of en hoe in het Operationele Prioritaire Stoffen (OPS)/AERIUS-model rekening wordt gehouden met het bosrandeffect ofwel verhoogde depositie in de bosrand?1
Het OPS-model houdt rekening met verschillende ruwheden van het landschap (heide, bos, etc.). Het hier bedoelde bosrandeffect wordt niet meegenomen in de berekeningen, omdat dit ingewikkelde berekeningen vergt in een model met een hoge resolutie dat de horizontale stroming van lucht modelleert. Technisch zou dit op zich wel inpasbaar zijn, maar het zou hoge eisen stellen aan het kaartmateriaal en de interpretatie van de lokale situatie én heel veel rekentijd vergen. Voor eenmalige lokale berekeningen is dat haalbaar, maar voor een landelijke toepassing in AERIUS niet, omdat dit zou vergen dat in alle gebieden alle bosranden afzonderlijk zouden moeten worden gemodelleerd én afzonderlijk op een specifieke (tijdrovende) wijze berekend.
Kunt u aangeven of en hoe het optreden van verlaagde depositie op open terrein aan de lijzijde van een bosrand is meegenomen in OPS/AERIUS?2
Dat is niet het geval, zie het antwoord op vraag 2. Het is in dit verband goed om te beseffen dat «de lijzijde van een bosrand» afhangt van de windrichting op een bepaald moment. Die windrichting is door het jaar heen heel verschillend. Dat betekent dus dat er tijdelijk een lagere depositie zal optreden in open terrein achter de bosrand als dat op dat moment de lijzijde is, maar op een ander moment – met een andere windrichting – zal het juist hoger zijn. Dat is een belangrijke oorzaak waarom de modellering ingewikkeld is.
Is de veronderstelling juist dat bij het berekenen van de droge depositie op hexagoonniveau alleen de aerodynamische weerstand op een schaal van 250x250 meter wordt bepaald en meegenomen bij het berekenen van de depositiesnelheid en dat de laminaire grenslaagweerstand en de gewasweerstand op een lager gridniveau worden bepaald en meegenomen?
Nee. Alle drie de genoemde weerstanden (aerodynamische weerstand, laminaire weerstand en de gewasweerstand) worden berekend op basis van de ruwheidslengte, die voor een schaal van een oppervlakte van 6,25 hectare is bepaald. Voor de gewasweerstand worden tevens de bijdragen van verschillende landgebruikstypen gewogen meegenomen. Voor meer informatie hierover, zie de OPS-documentatie5.
Is de veronderstelling juist dat het OPS-model nog steeds vooral geschikt is voor uitspraken voor open terrein en minder voor locaties binnen een bos en langs bosranden? Zo nee, welke aanpassingen zijn hiervoor gedaan?3
Het OPS-model is geschikt voor zowel open terrein als bos, maar houdt – zoals blijkt uit bovenstaande antwoorden – geen rekening met het lokale effect van bosranden.
Uit de antwoorden op de vragen 2 en 3 blijkt dat de daadwerkelijke depositie in de bosrand hoger kan zijn dan met OPS (AERIUS) wordt berekend voor het bos als geheel. En dat de daadwerkelijke depositie op lage vegetaties langs een bosrand een deel van het jaar – afhankelijk van de windrichting – minder zal zijn en een deel van het jaar meer. Dit betreft zeer lokaal optredende afwijkingen van wat met de huidige methode wordt berekend, waarbij de omvang van het effect per locatie nog sterk zal verschillen, afhankelijk van de specifieke ruimtelijke opbouw van het landschap. Omdat een andere modellering en berekening niet goed inpasbaar is in AERIUS (gezien de benodigde landsdekkendheid en snelheid van berekenen) in combinatie met de inschatting dat de verwachte verbetering van de berekening niet groot zal, is de conclusie dat er voor het bosrandeffect geen aanpassing zal worden aangebracht in AERIUS.
Is de veronderstelling juist dat bij het bepalen van het percentage areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waarop de kritische depositiewaarde niet wordt overschreden (in het kader van de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, artikel 1.12a van de Wet natuurbescherming) gerekend wordt op hexagoonniveau en dat de mate waarin de hexagonen de genoemde habitats overlappen niet meegewogen wordt?
Die veronderstelling is niet juist: de reële oppervlakte is de basis voor de berekening van het percentage. Als slechts een deel van een hexagoon uit stikstofgevoelig habitat bestaat, wordt alleen dat gedeelte meegerekend.
Is de veronderstelling juist dat de relatief hogere deposities en de bijbehorende kans op overschrijding van de kritische depositiewaarde wat betreft heide-, veen,- en graslandschappen vooral gevonden worden in de zones langs bosranden, dat de betreffende hexagonen verhoudingsgewijs echter veel minder overlap hebben met de stikstofgevoelige habitats in deze landschappen dan de hexagonen die verder van de bosrand vandaan liggen, en dat derhalve sprake is van onderschatting van het percentage areaal waarop de kritische depositiewaarde niet wordt overschreden als de mate van overlapping niet meegewogen wordt?
Die veronderstelling is niet juist, omdat de verhoogde depositie op lage vegetaties die in de buurt van bos voorkomen, een reëel effect is (zie de eerder gegeven antwoorden, genoemd bij het antwoord op vraag 1). Slechts een deel van de tijd kan dat voor een deel minder zijn als gevolg van het bosrandeffect, namelijk op het moment dat de lage vegetatie zich niet aan de loef- maar aan de lijzijde bevindt (afhankelijk van de windrichting van dat moment).
Terwijl de mate van overlapping wordt meegewogen (zie het antwoord op vraag 6), wordt de verhóging van de depositie in de bosrand – ten gevolge van het bosrandeffect – niet meegenomen. Daardoor kan er dus juist een hoger percentage zijn van het areaal bos waarop de kritische depositiewaarde wordt overschreden dan nu met AERIUS wordt berekend. Nader onderzoek zou uit moeten wijzen in welke mate hiervan daadwerkelijk sprake is.
Bent u voornemens, indien voornoemde twee veronderstellingen juist zijn, hiervoor te corrigeren?
Omdat de veronderstelling deels juist is, zou hier in theorie voor gecorrigeerd kunnen worden. Zie echter het antwoord op vraag 2 en 5.
Deelt u de analyse dat verhoogde stikstofdepositie in de bosrand vooral depositie in de bosrand zelf betekent en in veel mindere mate depositie in de zone direct naast het bos?4
Nee. Het bosrandeffect is een combinatie van verhoogde rechtstreekse invang van een stof in de bosrand en een grotere verticale menging door turbulentie. Met name door die verhoogde turbulentie zal er ook sprake zijn van een verhoging van de depositie direct naast het bos.
Op welke termijn wordt het verwerkt in het Nationaal Georegister en AERIUS als delen van een bos gekapt worden en het landgebruik en de terreinruwheid onder een bepaald hexagoon hierdoor veranderen?
Wanneer delen van een bos worden gekapt, zal dat op den duur via de landgebruikskaarten terugkomen in AERIUS. Het actualiseren van de terreinkenmerken van de LGN7 naar LGN2020 vindt op dit moment plaats en zal in AERIUS Calculator en Monitor 2022 terugkomen. De actualiteit van de daarin opgenomen gegevens verschilt van plaats tot plaats, afhankelijk van de in LGN2020 gebruikte brongegevens.
Hoe kunt u verklaren dat op de meeste hexagonen met (ingetekende) jeneverbesstruwelen (H5130) in Natura 2000-gebied Borkeld met name naaldbos voorkomt met bijbehorende inherent hoge depositie, terwijl in het profielendocument wordt aangegeven dat naaldbossen met jeneverbesstruiken in de ondergroei niet tot het habitattype gerekend worden?5
Op de habitatkaart van Borkeld, die voor AERIUS is gebruikt, staat het habitattype Jeneverbesstruwelen (H5130) alleen daar ingetekend waar aan de definitie wordt voldaan, dus niet op locaties waar jeneverbesstruiken onderdeel zijn van een dennenbos. Op topografische kaarten worden jeneverbesstruwelen tot naaldbossen gerekend, maar ter plaatse betreft het dus struwelen die geheel uit jeneverbessen bestaan. Overigens kan in hetzelfde hexagoon ook een naaldbos (met grove dennen) voorkomen, maar dan wel ruimtelijk gescheiden.
Was op de datum van aanwijzing van het Natura 2000-gebied op de genoemde hexagonen het volwaardige habitattype jeneverbesstruwelen zonder naaldbos aanwezig?
Ja.
Is het de bedoeling om genoemde naaldbossen te kappen en/of bent u bereid (bij blijvende aanwezigheid van naaldbos en bijbehorende inherent hogere depositie) bij deze hexagonen de kritische depositiewaarde voor jeneverbesstruwelen niet toe te passen?
Naaldbos kan worden gekapt als dat nodig is voor het duurzame behoud van bijvoorbeeld naastgelegen jeneverbesstruweel, maar het is aan de terreinbeheerder en de provincie om te bepalen of dat noodzakelijk is.
Het niet toepassen van de KDW is niet mogelijk, want dan zou er niet meer getoetst kunnen worden op de effecten van stikstofdepositie.
Soumaya Sahla |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft de wegens lidmaatschap van de terroristische organisatie de Hofstadgroep en wegens illegaal wapenbezit veroordeelde Soumaya Sahla wel eens adviezen gegeven aan de AIVD, de directeur-generaal AIVD, medewerkers van de AIVD en/of de NCTV?
De AIVD voert haar taakstelling uit op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv 2017). De AIVD kan in het openbaar niet ingaan op concrete vragen over haar handelen.
De NCTV doet als nationaal coördinator terrorismebestrijding kennis op bij veel relevante organisaties en personen. Persoonlijke ervaringen kunnen waardevolle inzichten bieden over het radicaliseringsproces en over de gang van zaken binnen extremistische groepen.
Tegen deze achtergrond is er door experts van de NCTV enkele keren gesproken met mevrouw S. Sahla. Er is geen betrokkenheid geweest van mevrouw S. Sahla bij het maken van analyses van de NCTV of het vormgeven van beleid.
Kunt u deze vragen over uw partijgenoot nog heden beantwoorden?
Nee, de vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De invoering van een snelheidsbegrenzer in nieuwe personenauto’s |
|
Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is de Nederlandse regering betrokken geweest bij de invoering van een wettelijk verplichte «intelligente snelheidsassistent» (ISA) voor nieuwe auto’s en zo ja, welke inbreng heeft Nederland gehad over de doordenking van de gevolgen hiervan voor de wijze waarop het Nederlandse wegverkeer wordt gereguleerd en voor de privacy?1 2
Ja, Nederland is hierbij betrokken geweest. De inbreng van Nederland betrof vooral de eis dat het systeem betrouwbaar en veilig moet zijn zodat bestuurders er in voldoende mate op kunnen vertrouwen en het ook zullen gebruiken. Het is een systeem dat de bestuurder informeert over de lokale limiet en waarschuwt wanneer deze overschreden dreigt te worden. Deze staat standaard aan bij iedere rit maar kan ook uitgezet worden voor die rit. Met het gebruik van de ISA wordt het aantal bestuurders dat (ongemerkt) te hard rijdt vermindert en dit is daarmee gunstig voor de verkeersveiligheid. Wat betreft de privacy worden er geen gegevens vastgelegd, noch van de persoon, noch van de rit.
Garandeert u dat (enige vorm van) een ISA niet verplicht wordt voor auto’s die nu nog niet van dit systeem zijn voorzien?
Het ligt niet voor de hand dat ISA in de toekomst verplicht zal worden op voertuigen die nu niet van dit systeem zijn voorzien.
Bent u het met de stelling eens dat een snelheidsbegrenzer voor ongelukken kan zorgen doordat tijdelijke tempoversnelling, wat nodig kan zijn in onvoorziene situaties, moeilijker wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, niet met deze variant omdat deze ISA alleen waarschuwt en niet fysiek begrenst. De bestuurder bepaalt zelf de snelheid. Als een fabrikant ervoor kiest om een stap verder te gaan, en bijvoorbeeld een gaspedaal te gebruiken dat tegendruk geeft bij het bereiken van de limiet, dan moet de bestuurder altijd zelf kunnen ingrijpen.
Kunt u reageren op bezwaren van de overkoepelende organisatie van autofabrikanten Acea die een groot risico in verkeersborden ziet die ISA niet goed herkennen, bijvoorbeeld doordat ze slecht afleesbaar zijn, waardoor het systeem de plank kan misslaan?
Samen met de industrie is gesteld dat ISA voor tenminste 90% van de tijd de juiste limiet moet hanteren. Het is aan de industrie om te bepalen of zij dit realiseren met camera’s en softwarematige bordenherkenning, een digitale snelhedenkaart of een combinatie daarvan. Wegbeheerders zijn verplicht actuele snelheidslimieten per wegvak beschikbaar te stellen in een nationale snelhedenkaart. Producenten kunnen deze gebruiken of kaarten van derden gebruiken. In Nederland werken we aan het verbeteren van de digitale snelhedenkaart als onderdeel van het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata.
Bent u het eens met de stelling dat een foutmarge van 5 procent als het gaat om bijvoorbeeld de «leesbaarheid» van de verkeersborden (naar inschatting van de EU) een onaanvaardbaar risico betekent voor de veiligheid, zodat moet worden geconstateerd dat ISA pas verantwoord kan worden ingevoerd zodra het totaalplaatje (dus ook de herkenning door verkeersborden) in orde is, wat nu nog niet het geval is?
Omdat het systeem de snelheid niet fysiek begrenst, zijn de risico’s gering. De bestuurder kan harder rijden en is altijd zelf verantwoordelijk voor de keuze van de snelheid. Deze ISA geen begrenzer maar een hulpmiddel voor de bestuurder.
Welke consequenties heeft de invoering van ISA voor de wijze waarop in Nederland verkeersstromen met (elektronische) bebording worden gereguleerd?
De invoering van ISA heeft geen consequenties voor de regulering omdat het ISA-systeem informatie geeft over de snelheidslimiet en waarschuwt bij overschrijding, de beslissingen voor de rijtaak worden door de bestuurder genomen. Om de digitalisering van verkeersmanagement, ADAS en ADS functies en navigatiesystemen in goede banen te leiden is het wel nodig om goede digitale reisinformatie op orde te hebben. Om dat te ondersteunen wordt het Nationaal Toegangspunt Mobiliteistdata opgericht en maken we in EU-verband afspraken over de digitale ontsluiting van verkeersinformatie.
Wat kunt u nog ondernemen om ervoor te zorgen dat ISA pas actief wordt wanneer de foutmarge met betrekking tot het herkennen van verkeersborden is teruggebracht tot een minimum, dat in ieder geval een stuk lager is dan de 5 procent die de EU nu nog inschat?
Zie antwoord 5.
Welke stappen gaat u ondernemen om de anonimiteit van gebruikersgegevens van ISA in alle omstandigheden te garanderen?
Hiervoor zijn geen stappen nodig. ISA legt geen gegevens vast over de rit danwel over de bestuurder. Door positiebepaling weet het systeem hoe snel je rijdt en waar je rijdt.
Als u niet van plan bent om anonimiteit van gebruikersgegevens te garanderen, wat zijn a) de randvoorwaarden waaronder b) welke diensten inzage mogen krijgen in ISA-data?
Zie antwoord 8.
Kunt u de Tweede Kamer een overzicht sturen welke gegevens de EU krijgt (en welke instanties of diensten het betreft) en welke gegevens de Nederlandse overheid krijgt (en welke instanties of diensten het betreft) uit installaties die verbruiksgegevens van auto’s opslaan en doorsturen?
Deze «Onboard Fuel Consumption Monitoring» systemen registreren het verbruik van het voertuig in de praktijk. Het doel hiervan is om afwijkingen van uitstoot in praktijk ten opzichte van de waarden bij de typegoedkeuring te monitoren. Hiervoor worden het Voertuig Identificatie Nummer (VIN), brandstofverbruik en aantal gereden kilometers geregistreerd. Deze moeten door de fabrikant of erkende handelaar of reparateur regelmatig worden uitgelezen en aan de Europese Commissie worden geleverd. Deze informatie moet zodanig worden geaggregeerd dat deze niet te herleiden is naar een persoon. In alle gevallen kan de bestuurder aangeven dat hij/zij niet wil dat deze gegevens worden uitgelezen.
Kunt u de garantie geven dat ISA alleen wordt ingezet voor veiligheid tijdens het autorijden en niet voor andere doelen, zoals bijvoorbeeld een vorm van belastingheffing op grond van meetgegevens die mede aan de hand van dit systeem worden aangeleverd?
De ISA inzetten voor belasting is niet aan de orde. ISA legt geen data vast dus leent zich ook niet voor.
Het verplichten van een snelheidsbegrenzer in nieuwe auto’s. |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel dat verschenen is in onder andere het AD?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de kritische reacties van Acea en de Vereniging Zakelijke Rijders in het artikel?
De ACEA geeft terecht aan dat de systemen betrouwbaar genoeg moeten zijn zodat bestuurders ze ook aan laten staan. Daarom is in Europees verband afgesproken dat deze Intelligente Snelheidsassistent (ISA) tenminste in 90% van de tijd een juiste snelheid aan moet geven en bij de juiste snelheid waarschuwt bij overschrijding (het systeem begrenst dus niet de snelheid van het voertuig). Het is aan de industrie om te bepalen of zij dit realiseren met camera’s en softwarematige bordenherkenning, een digitale snelhedenkaart of een combinatie van beiden. Wegbeheerders in Nederland zijn verplicht actuele snelheidslimieten per wegvak beschikbaar te stellen in een nationale snelhedenkaart. Nederland werkt daarom aan een verdere verbetering van digitale reisinformatie via het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitdata. Producenten kunnen deze gebruiken of kaarten van derden gebruiken. Deze waarschuwende ISA zit al in veel auto’s en in navigatiesystemen.
Wat eventuele vervolgstappen worden als het om ISA gaat zal afhangen van de ervaringen met deze verplichting. De producenten zijn goed vertegenwoordigd bij de discussies over dergelijke systemen en daar is ACEA een belangrijke partij bij.
De Verenging Zakelijke Rijders (VZR) heeft gelijk dat mensen aan nieuwe systemen moeten wennen. Dat geldt voor alle nieuwe Advanced Driver Assistance Systems (ADAS) en Automatic Driving Systemen (ADS) in voertuigen. Binnenkort start er daarom een ADAS campagne om kopers en verkopers van voertuigen bewust te maken van deze nieuwe toepassingen.
Wat zijn de gevolgen ten aanzien van de privacy voor het verwerken van onder andere GPS data in nieuwe voertuigen?
Op 9 maart 2021 bracht de European Data Protection Board (EDPB) richtsnoeren uit, onder andere om te zorgen voor een consequente toepassing van de AVG specifiek in relatie tot voertuigdata. Er is specifieke aandacht voor individuele locatiegegevens.
Voor de Snelheidsassistent geldt dat er geen data worden opgeslagen. De snelheid van het voertuig wordt vergeleken met de snelheid die je volgens de assistent daar mag rijden. Er is geen derde partij die data krijgt en er wordt niks opgeslagen in het voertuig.
In de Event Data Recorder (EDR) die in Europa wordt ingevoerd, worden geen GPS data of andere identificerende gegevens opgeslagen. Wel technische zaken zoals snelheid, remkracht, activering van de airbags en toestand van de veiligheidssystemen bij een botsing. De geanonimiseerde EDR-gegevens zullen worden gebruikt voor ongevallenonderzoek en -analyse. Het «Onboard Fuel Consumption Monitoring» systeem registreert het Voertuigidentificatienummer (VIN), brandstofverbruik en gereden kilometers. Deze moeten door fabrikanten, of zijn erkende handelaar of erkende reparateur, regelmatig worden uitgelezen en vervolgens aan de Europese Commissie worden geleverd. Deze informatie moet zodanig worden geaggregeerd dat deze niet te herleiden is naar een persoon. In alle gevallen kan de bestuurder altijd aangeven dat hij/zij niet wil dat deze gegevens worden uitgelezen.
Wie krijgt straks al deze voertuigdata en wat gaat daarmee gebeuren?
Zie antwoord op vraag 3.
Kunnen verzekeraars straks hun premie baseren op de verzamelde data en is dat een wenselijke situatie?
Dat is op basis van dit ISA-systeem niet mogelijk. Wel zijn er diverse verzekeraars die een zogenaamde dongel aanbieden die het rijgedrag monitoren. Die dongel dient achteraf gemonteerd te worden in de auto en verzekerden kunnen daarmee een korting op hun premie of aanbiedingen krijgen. Verzekerden kiezen hier expliciet voor.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens geconsulteerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hun oordeel?
Alle regelgeving in Europa moet voldoen aan de horizontale General Data Protection Regulation, zo ook betreffende regelgeving over ISA en EDR. De Europese Commissie heeft hiervoor de EDPB (European Data Protection Board) geconsulteerd, de Europese moederpartij van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kan het systeem permanent uitgeschakeld worden? Zo nee, waarom niet?
Voor de ISA geldt dat het systeem bij iedere keer starten van de auto, aan staat. Het kan dan wel uitgezet worden voor de rest van die rit. Door het systeem standaard aan te zetten, wordt de kans vergroot dat mensen het systeem gebruiken. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede.
De EDR kan niet worden uitgeschakeld omdat deze bijdraagt aan het kunnen uitvoeren van ongevalsanalyses of verkeersveiligheidsanalyses.
Kan de GPS-tracker permanent uitgeschakeld worden? Zo nee, waarom niet?
Een GPS tracker is geen verplicht onderdeel van een voertuig, en er is geen aparte regelgeving voor. Wel moet iedere partij die de GPS data wil gebruiken een goede doelbinding hebben (conform de General Data Protection Regulation).
Bent u van mening dat het excessief verzamelen van data, door de overheid, een beangstigend gevoel bij de automobilist kan opwekken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daar aan doen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u garanderen dat er geen systeem wordt ingevoerd waarbij er belasting betaald gaat worden per uitgestoten gram CO2?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven, wordt er bij ISA of EDR geen informatie vastgelegd die belastingheffing mogelijk maakt. Dit is dus niet aan de orde.
Het bericht dat de vandalen van de coronarellen het betalen van aangerichte schade ontlopen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten «Vandalen coronarellen ontlopen betalen van aangerichte schade» en «Veel vandalen hoeven forse schade coronarellen niet te vergoeden»?1 2
De rellen in januari 2021 gingen gepaard met volstrekt onacceptabel en strafbaar gedrag, zoals vandalisme, plunderingen en geweld tegen de politie. Dat was niet alleen een grove aantasting van de rechtsorde, maar maakte ook moedwillig medeburgers, waaronder reeds door corona zwaar getroffen ondernemers, tot slachtoffer. Voor slachtoffers is het verhalen van schade van groot belang. Niet alleen omdat dit zorgt voor materieel herstel, maar ook omdat dit zorgt een vorm van erkenning van het aangedane leed. Dat de dader de door hem aangerichte schade moet betalen, staat hierbij uiteraard voorop. Iedereen is in beginsel verantwoordelijk voor de gevolgen van zijn of haar handelen en dus ook voor het vergoeden van veroorzaakte schade.
Na de betreffende rellen stond in de eerste plaats het opsporen en berechten van de daders centraal. Ten aanzien van de toegebrachte schade heeft mijn ambtsvoorganger in debat met uw Kamer3 toegezegd dat de getroffen ondernemers schadeloos gesteld zouden worden voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de rellen voor zover dit niet door een verzekering of anderszins gedekt wordt. Het algemene beeld is dat de daarvoor in aanmerking komende ondernemers inderdaad zijn gecompenseerd voor hun schade.
Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat het de inzet was dat de daders van de rellen zoveel als mogelijk zouden opdraaien voor de schade die zij hebben veroorzaakt. Het verhalen van de schade op de daders verloopt via verschillende routes, namelijk via het strafproces en via het vorderen op daders van vanuit de Regeling bedrijvenschade coronarellen uitgekeerde schade. Dit is ten dele en met name via het strafproces succesvol geweest. De afwikkeling daarvan is nog niet afgerond, zodat het nog te vroeg is voor een eindoordeel over de mate waarin het verhaal op daders is gelukt. Ik kan u echter verzekeren dat het mijn ambitie is om daders zoveel als mogelijk te laten betalen voor de aangerichte schade.
Kloppen de in de artikelen genoemde getallen? Hoeveel mensen zijn nu precies veroordeeld voor deze rellen, hoe vaak is de dader veroordeeld voor het vergoeden van de schade, om welke bedragen gaat dit en in welk deel van de gevallen is dit reeds betaald of verhaald?
Op basis van cijfers van het OM, de Rechtspraak en het CJIB kan ik u het volgende meedelen over hetgeen tot nu toe is verhaald aan schade op daders.4 Wat betreft verhaal via het strafproces heeft het OM 404 verdachten van de betreffende rellen geregistreerd, waarvan 312 verdachten zijn gedagvaard of opgeroepen. Hierbij ging het om diverse strafbare gedragingen, ook om delicten waarbij geen sprake was van schade. In een aantal zaken heeft zich een benadeelde partij gevoegd. Bij het CJIB zijn van 55 daders vonnissen bekend waarbij een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Hiermee is een totaal schadebedrag van ruim € 551.000,– gemoeid. Deze schadevergoedingen komen ten goede aan 70 benadeelde partijen. Op het moment dat de vonnissen bij het CJIB binnenkomen, begint het CJIB direct met het innen van de schadevergoedingsmaatregelen. Op 19 januari 2022 was ruim € 36.700,– geïnd. Aan de inning van het resterende geld wordt volop gewerkt. Daarnaast zijn er nog 180 strafzaken waarin door de rechter een straf is opgelegd, maar die nog moeten worden aangeleverd aan het CJIB. Hierbij zitten mogelijk ook vonnissen waarin een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.
Vanuit de Regeling bedrijvenschade coronarellen is aan 36 ondernemers in totaal een bedrag van € 228.150,– aan schade vergoed. Op dit moment wordt onderzocht of en op welke wijze de uit de Regeling vergoede schade op de daders kan worden verhaald. Ik verwijs u op dit punt verder naar de beantwoording van vraag 7.
Wat zijn uw verklaringen voor het feit dat slechts zo weinig schade op de daders kan worden verhaald, waardoor niet de daders maar de gemeenten, rijksoverheid, verzekeraars, bedrijven en particulieren opdraaien voor de schade?
Daders van strafbare feiten moeten de schade die het gevolg is van die strafbare feiten vergoeden. Dat is het uitgangspunt van het stelsel van schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten. Dat uitgangspunt geldt dus ook voor de schade die vorig jaar door ondernemers is geleden als gevolg van vernielingen tijdens de rellen. Echter, bij deze schade was op het moment zelf van nog groter belang dat de door corona al zwaar getroffen ondernemers in eerste instantie een beroep zouden kunnen doen op hun verzekeraar voor snel schadeherstel, zodat de vernielde winkels weer snel open zouden kunnen. Daartoe is ook, vooruitlopend op de totstandkoming van de Regeling Bedrijvenschade, nauw overleg gevoerd met het Verbond van Verzekeraars.
Het merendeel van de ondernemers was, zoals mijn voorganger in zijn brief van 9 februari 2021 heeft aangegeven5, verzekerd tegen dit soort schade en verzekeraars keren in de regel snel uit bij meldingen van materiële schade.
De totale verzekerde schade als gevolg van de rellen wordt door het Verbond van Verzekeraars geschat op € 1 mln. Verzekeraars kunnen vervolgens via subrogatie in de rechten van het slachtoffer treden, waarbij zij in een civiele procedure de schade kunnen verhalen op de daders. In hoeverre verzekeraars van deze mogelijkheid gebruik maken is een keuze die aan de verzekeraars is. Ik sta in contact met het Verbond van Verzekeraars om te vernemen hoe dit verloopt.
Bij rellen zoals deze gaat het in de regel om onoverzichtelijke, chaotische situaties. Het vergt daardoor uitvoerig onderzoek om te kunnen achterhalen of veroorzaakte schade aan een dader kan worden toegerekend. Politie en openbaar ministerie hebben hier veel tijd in gestoken. Als uit camerabeelden, getuigenverklaringen of processen-verbaal van aanwezige politieambtenaren niet kan worden vastgesteld of een relschopper schade heeft veroorzaakt, is het eisen en opleggen van het vergoeden van de schade niet mogelijk.
Gelet op het bedrag van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en de strafzaken die nog moeten worden aangeleverd bij het CJIB zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2, kan nog geen eindoordeel kan worden gegeven over de mate waarin het verhaal op daders is gelukt. Ik kan u echter verzekeren dat het mijn ambitie is om daders zoveel als mogelijk te laten betalen voor de aangerichte schade.
Is ook een van de redenen dat relschoppers veroordeeld zijn tot het storten van geldbedragen in een schadefonds, maar dat er nooit een cent in het fonds is gestort omdat dit fonds door Justitie nooit is opgericht? Hoe kan dat?
Specifiek voor de betreffende rellen heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd te komen met zoiets als een fonds om getroffen ondernemers schadeloos te stellen voor de schade die zij niet vergoed krijgen van de verzekering. Deze toezegging heeft uiteindelijk vorm gekregen in een Regeling die is uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zoals bij brief aan Uw Kamer is gemeld6 en in de Staatscourant is gepubliceerd7. Er zijn in het kader van deze rellen voor zover mij bekend geen strafzaken waarbij een rechter tot veroordeling van storting van een geldbedrag in een fonds is overgegaan.
In antwoord op het geweld tijdens de Museumpleinrellen in Amsterdam, die over een langere periode hebben plaatsgevonden, heeft de rechter als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de veroordeelde een geldbedrag moet betalen op het moment dat er een fonds wordt opgericht ter vergoeding van schade aan gedupeerden/de gemeente Amsterdam. Anders dan bij de rellen waarvoor de regeling gold ging het hier niet om schade aan ondernemingen, maar om schade aan bijvoorbeeld wegdek van de gemeente en politievoertuigen. Van deze 37 zaken waren er op 19 januari 2022 13 zaken bij het CJIB aangeleverd met een totaalbedrag van € 5.200,–. Inmiddels is gebleken dat in twee zaken daarvan de bijzondere voorwaarde tot storting in een op te richten fonds in hoger beroep niet meer is opgelegd. Momenteel wordt in overleg met het OM, het CJIB en de gemeente Amsterdam bekeken op welke wijze deze bijzondere voorwaarde het beste ten uitvoer gelegd kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van een lokaal fonds.
Klopt het dat er grote verschillen zijn tussen de regio’s, en dat bijvoorbeeld in Oost-Brabant veel meer schade verhaald wordt op de daders dan bijvoorbeeld in de regio Rotterdam? Wat is uw verklaring hiervoor en wat kan hiervan geleerd worden?
Cijfers rondom het strafrechtelijk vorderen van de schademaatregelen worden niet geregistreerd. Hierdoor kan niet inzichtelijk worden gemaakt of er grote verschillen zijn tussen de regio’s.
In meer algemene zin is bij de aanpak na de rellen ervaren dat het grote aantal personen dat kon worden berecht en bestraft, behaald is door nauwe samenwerking tussen OM en politie en het direct na de rellen inrichten van gezamenlijke werkprocessen.
Is het toepassen van snelrecht in dit soort gevallen wel zo’n goed idee, of is dat soms ook belemmerend voor het bewijzen en uiteindelijk veroordelen tot schadevergoeding?
Het snelrecht is geschikt voor strafzaken waarbij de bewijsvoering voor een delict binnen enkele dagen rond kan zijn. Bij rellen als hier aan de orde is doorgaans sprake van onoverzichtelijke situaties waarbij meer tijd nodig is om – bijvoorbeeld aan de hand van camerabeelden – het bewijs rond te krijgen en te kunnen vaststellen welke schade door verdachten is veroorzaakt. Bij de rellen is snelrecht ingezet in de zaken waar dat naar het oordeel van het OM mogelijk was.
Wat zijn de mogelijkheden om alsnog, bijvoorbeeld via civiele weg, de schade te verhalen op de daders? Wordt dit ook gedaan?
Bij de vormgeving van de Regeling Bedrijvenschade is opgenomen dat de ondernemers die via de RVO een beroep doen op deze regeling daarmee automatisch hun vordering op een (eventuele) dader overdragen aan de overheid. Dit is gebeurd via een zogenaamde akte van cessie. De achterliggende gedachte was dat zodoende de schade waarvoor een uitkering was verstrekt alsnog op de daders kan worden verhaald. Het is mijn intentie om dit ook zoveel mogelijk te doen, vanuit de gedachte dat als iemand schade veroorzaakt deze er ook voor moet opdraaien. Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat dit een complexe aangelegenheid is, onder meer vanwege de privacywetgeving. Op dit moment bekijk ik daarom samen met het OM of en zo ja op welke wijze de schade waarvoor een tegemoetkoming is gegeven gekoppeld kan worden aan een dader. Ik verwacht uw Kamer hierover voor de zomer nader te kunnen berichten.
Herinnert u zich dat uw voorganger stevige taal sprak, namelijk dat alles op alles gezet zou worden om de schade «tot de laatste cent» te verhalen op «dat tuig»? Wat vindt u zelf dat daar van terecht is gekomen?
Mijn ambtsvoorganger heeft in het debat van 27 januari 2021 over de rellen en de daaropvolgende brief van 9 februari 2021 aangegeven dat hij het van groot belang vond dat de getroffen ondernemers hun schade vergoed zouden krijgen. Hiervoor is de Regeling Bedrijvenschade ingesteld die op 1 april 2021 in werking trad.
Daarnaast heeft hij aangegeven het belangrijk te vinden dat de schade tijdens de rellen zoveel als mogelijk op de daders wordt verhaald. Ook ik vind het belangrijk dat daders zoveel mogelijk de door hen aangerichte schade betalen. Zoals in het bovenstaande is aangegeven is dit via verschillende wegen ook gebeurd. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven is een significant bedrag aan schade ook daadwerkelijk gevorderd bij de daders. Er is door verschillende organisaties veel tijd en energie gestoken om dit voor elkaar te krijgen. Daarnaast lopen er nog diverse strafzaken die nog tot veroordelingen tot het vergoeden van schade kunnen leiden.
Voor het verhalen van de schade die via de Regeling Bedrijvenschade is uitgekeerd laat ik op dit moment onderzoeken of verhaal op basis van de akte van cessie mogelijk is (zie vraag 7). Op dit moment is het beeld dat ondernemers zijn gecompenseerd voor hun schade en dat diverse daders zijn veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, maar dat lang niet alle schade aan daders gekoppeld en dus op hen verhaald zal kunnen worden.
Wat doet volgens u met het vertrouwen, als dit soort beloftes loze woorden blijken te zijn, of in ieder geval niet waargemaakt kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe gaat u er voor zorgen dat in de toekomst meer schade op de daders verhaald kan en zal gaan worden? Wat is daar volgens u voor nodig?
Ook de Commissie «Onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten» benadrukt in haar rapport8 het uitgangspunt dat de dader aansprakelijk is voor de schade die hij veroorzaakt heeft. In het verlengde daarvan doet de commissie voorstellen om de mogelijkheden om de dader te verplichten tot een financiële schadevergoeding te bevorderen en te verruimen, ook wanneer dit niet rechtstreeks vertaald wordt in een vergoeding voor de schade van het slachtoffer. Op dit moment wordt samen met de betrokken ketenpartners gesproken over de inhoud van het rapport. De voorstellen worden gezamenlijk uitgewerkt, waarbij de consequenties, uitvoerbaarheid en kosten in kaart worden gebracht. De Minister voor Rechtsbescherming zal uw Kamer voor het einde van het jaar middels een inhoudelijke beleidsreactie op het advies nader informeren.
Het bericht 'Chinese douanescanners Schiphol en Rotterdamse haven onder vuur: 'Dit is onbegrijpelijk'' |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Inge van Dijk (CDA), Hilde Palland (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Chinese douanescanners Schiphol en Rotterdamse haven onder vuur: «Dit is onbegrijpelijk»»? Wat is hierop uw reactie?1
Ja, wij zijn bekend met dit bericht. Wij verwijzen u naar de antwoorden van 19 april 2021 van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatsecretaris van Financiën op de Kamervragen die hierover op 3 februari 2021, 4 februari 2021 en 15 februari 2021 zijn gesteld door, respectievelijk, de leden Yesilgöz-Zegerius en Lodders (VVD), Kuiken (PvdA) en Buitenweg (GroenLinks).2
Wat vindt u van de situatie dat 26 van de 27 EU-lidstaten apparaten hebben geïnstalleerd van het Chinese bedrijf Nuctech, waarmee zij data kunnen verzamelen en die onderdeel zijn van de grensbewaking van vrijwel de gehele EU? Bent u het ermee eens dat dit zorgwekkend is?
Elke lidstaat maakt hierin zijn eigen afweging. Voor Nederland geldt dat het staande inkoopbeleid is dat er per casus wordt bezien of er risico’s zijn voor de nationale veiligheid en zo ja, of en hoe deze beheersbaar kunnen worden gemaakt. De mogelijke veiligheidsrisico’s in verband met het gebruik van buitenlandse toeleveranciers in de scan- en detectieprocessen van de Douane zijn op dit moment onderwerp van onderzoek. In het antwoord op vraag 8 en 9 wordt daar nader op ingegaan. Inzichten uit andere landen worden waar relevant meegenomen in dit onderzoek.
Aan welke nationale en Europese eisen voor producten en diensten op het gebied van veiligheid en/of informatiedeling moeten deze systemen voldoen en voldoet de Nuctech-apparatuur hieraan? Welke instantie doet de certificering en de controle?
Apparatuur wordt door Douane aangeschaft via wettelijk voorgeschreven inkoopprocedures op grond van nationale aanbestedingswetgeving. In dat verband wordt getoetst of op een inschrijver wettelijke uitsluitingsgronden van toepassing zijn. Onderdeel daarvan is dat de leverancier bij het Ministerie van JenV een Gedragsverklaring aanbesteden (GVA) aanvraagt waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het gunnen van overheidsopdrachten aan de inschrijvende partij. De leverancier verstrekt die GVA vervolgens aan Douane. Daarnaast maakt Douane sinds 2021 bij aanbestedingen gebruik van het instrumentarium om – voorafgaand aan de aanbesteding – risico’s voor nationale veiligheid bij inkoop en aanbesteding te adresseren. Dit is toegepast in twee actuele aanbestedingstrajecten en heeft niet geleid tot het oordeel dat er sprake is van aan aanbesteding verbonden risico’s voor de nationale veiligheid. Dit instrumentarium wordt toegelicht in het antwoord op de vragen 8 en 9.
Ook kunnen er afhankelijk van het soort apparatuur andere voorschriften gelden waaraan moet worden voldaan. Zo moet voor alle scanapparatuur die Douane aanschaft een vergunning in het kader van de Kernenergiewet worden aangevraagd bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. In de situatie waarin de apparatuur moet worden beschermd door een gebouw, dient een bouwvergunning te worden aangevraagd. Bij de aanschaf van voertuigen dient een keuring door de RDW te worden afgegeven. Als er niet aan de eisen (kan) wordt voldaan, of als vergunningen niet worden verleend, wordt niet overgegaan tot gunning van de opdracht. Deze procedure geldt in relatie tot alle leveranciers, dus ook voor Nuctech.
Kunt u bevestigen dat Nuctech banden heeft met de Chinese overheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op Kamervragen van Buitenweg (GroenLinks)3 kan in algemene zin worden gesteld dat de Chinese overheid nauw betrokken is bij het Chinese bedrijfsleven, zowel via staatsbedrijven als private bedrijven, en dat er sprake is van nauwe verwevenheid tussen civiele en militaire sectoren in China. Dit wordt ook beschreven in de beleidsnotitie «Nederland-China: een nieuwe balans»4. Specifiek zien we dat het Chinese staatsbedrijf China National Nuclear Corporation (CNNC) een aandeel heeft van 21% in de voornaamste aandeelhouder van Nuctech (Tongfang Co. Ltd., met een aandeel van 76%). Het CNCC heeft daarmee dus indirect ca. 16% aan aandelen in Nuctech.
Kunt u bevestigen dat Nuctech zich bij aanbestedingen bedient van lage biedingen, goedkope onderhoudscontracten en gunstige (staats)leningen?
Nee, dat kunnen wij niet bevestigen. Aanbestedingen van Douane worden binnen de kaders van nationale aanbestedingswetgeving gegund op basis van een combinatie van prijs en kwaliteit, waarbij sinds 2021 het instrumentarium om risico’s voor nationale veiligheid bij inkoop en aanbesteding te adresseren wordt toegepast (zie ook de toelichting in het antwoord op vraag 8 en 9). In aanbestedingstrajecten is Nuctech in de meeste gevallen de aanbieder die de beste kwaliteit levert voor de meest aantrekkelijke prijs. Douane heeft geen inzicht in de basis voor een prijsinschrijving. U wordt hiervoor ook verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Momenteel vinden onderhandelingen plaats over het Europese voorstel voor de Verordening buitenlandse subsidies.5 Dit voorstel biedt mogelijkheden om in te grijpen indien er sprake is van overheidssteun uit derde landen die de concurrentie op de interne markt verstoort. Het voorziet onder meer in een meldplicht voor subsidies bij inschrijving op een aanbesteding, indien de geraamde waarde van de aanbesteding boven de nog vast te stellen meldingsdrempel uitkomt. Vervolgens kan deze subsidie vooraf door de Commissie onderzocht worden. Met deze verordening wordt het daarmee in de toekomst mogelijk om een verstorende subsidie bij inschrijving op een aanbesteding te signaleren en aan te pakken.
Zijn de aanbiedingen van Nuctech bij aanbestedingen in Nederland getoetst op abnormaal lage aanbieding ex artikel 2.116 van de Aanbestedingswet? Indien ja, wat was de uitkomst daarbij? Indien nee, waarom was daar geen aanleiding toe? In hoeverre zijn hier strategische afwegingen gemaakt?
Bij inkomende aanbiedingen op aanbestedingen wordt bekeken of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het prijsdeel niet in verhouding staat tot de te verrichten werken, diensten of leveringen. Daarbij wordt vooral gekeken naar de verhouding tussen de uitvraag en de prijsinschrijving daarop. Wanneer bij een eerste beoordeling het vermoeden ontstaat dat voor de ingeschreven prijs het materiaal niet of nauwelijks geleverd kan worden of dat de prijsopbouw onduidelijk is, geldt de verplichting tot het doen van nader prijsonderzoek conform de procedure voor het afhandelen van abnormaal lage inschrijvingen, zoals bedoeld in artikel 2.116 van de Aanbestedingswet 2012. De prijsaanbiedingen van Nuctech hebben tot op heden geen aanleiding gegeven voor het oordeel dat die abnormaal laag zou zijn als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012.
Bent u bekend met het feit dat Nuctech in het verleden al eens door de Europese Commissie is bestraft voor dumping?2
Ja, het kabinet is bekend met de antidumpingmaatregelen die in de periode 2010 tot 2015 van toepassing waren.
Onderkent u het risico dat, ondanks het feit dat Nuctech aangeeft dat de scanners die in Nederland worden gebruikt «negen van de tien keer» zelfstandig werkend opereren en geen onderdeel vormen van een netwerk, apparatuur – zeker naar de toekomst toe – kan worden aangepast, zeker met alle ontwikkelingen rondom artificiële intelligentie (AI) en het «Internet of Things»?
Het kabinet kan hier geen garanties over geven. Douane besteedt structureel, onafhankelijk welke leverancier scanapparatuur levert, aandacht aan de bescherming en beveiliging van gegevens. Zo zijn de centrale netwerken voor scan en detectie gescheiden van het netwerk in gebruik bij Douane. Er wordt geen informatie over de controle of de bevindingen aan de scanbeelden toegevoegd. Een scan genereert geen andere informatie dan enkel een scanbeeld van de inhoud van een te scannen object.
Zoals eerder is aangegeven in de bovenbedoelde beantwoording van Kamervragen over Nuctech, bestaat er overheidsbeleid dat voorschrijft dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. Volgens dit beleid dient bij de aanschaf en implementatie van gevoelige apparatuur rekening gehouden te worden met zowel eventuele risico’s in relatie tot de leverancier, als met het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld waar het gaat om toegang tot systemen door derden. Ter ondersteuning van dit beleid is eind 2018 instrumentarium ontwikkeld (quick scan nationale veiligheid) dat organisaties bij inkoop en aanbesteding van diensten en producten handvatten biedt bij het maken van een risicoanalyse en het nemen van mitigerende maatregelen. Dit instrumentarium is ter beschikking gesteld binnen de rijksoverheid en medeoverheden, alsmede aan organisaties die onderdeel zijn van de vitale processen. Bij de aanbesteding van de huidige Nuctech scanners is het instrumentarium niet toegepast omdat het op dat moment nog niet geïmplementeerd was. Sinds 2021 past Douane dit instrumentarium in het kader van alle aanbestedingen echter wel toe.
Tevens heeft Douane een externe audit laten uitvoeren op de informatiebeveiliging rond scan- en detectiesystemen en daaraan gerelateerde IT-inrichting, om te verzekeren dat de scan- en detectieprocessen zo veilig mogelijk zijn ingericht. Het onderzoek is in september 2021 afgerond en in november 2021 – vertrouwelijk – aan uw Kamer aangeboden.7 Het onderzoek verschaft inzicht in het niveau van de informatiebeveiliging van de scan- en detectiesystemen en daaraan gerelateerde IT-inrichting. De aanbevelingen uit het onderzoek worden door de Douane opgepakt.
Daarnaast wordt op dit moment door een externe partij in samenspraak met andere relevante overheidspartijen aanvullend onderzoek uitgevoerd, waarin de resultaten van deze externe audit worden meegenomen. Dit vervolgonderzoek richt zich op de vraag welke onderdelen van de scan- en detectieinfrastructuur kwetsbaar zijn vanwege risico’s voor de nationale veiligheid. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke dreigingen vanuit statelijke actoren. De toenmalig Staatssecretaris van Financiën heeft de onderzoekende partij verzocht om bij het lopende onderzoek naar genoemde risico’s de vraag te betrekken welke risico’s de Douane bij de scan- en detectieprocessen loopt bij mogelijk misbruik van scan- en detectiesystemen door niet-statelijke (criminele) actoren.
Welke garanties kunt u (laten) afgeven dat de Chinese overheid geen enkele toegang heeft tot de Nederlandse scanners of tot de data van die scanners?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u ervan op de hoogte dat Canada heeft afgezien van de aankoop van scanners van Nuctech voor haar ambassades, na het laten uitvoeren van een veiligheidsscan, en dat ook de Verenigde Staten risico’s zien in samenwerking met Nuctech en bondgenoten oproept geen zaken met Nuctech te doen4? Waarom hebt u het voorbeeld c.q. de oproep van deze twee bondgenoten niet gevolgd?3 4
Daar zijn wij van op de hoogte. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, maakt Nederland een zelfstandige afweging. Afhankelijk van de uitkomsten van het hierboven genoemde vervolgonderzoek en de uitkomst van de toepassing van het nationale veiligheidsinstrumentarium bij nieuwe aanbestedingen kan worden besloten tot aanvullende maatregelen.
Wat is uw reactie op cybersecurity expert Ronald Prins, die aangeeft dat de Chinese overheid geen toegang tot de apparatuur via «achterdeurtjes» nodig heeft en «ze zich helemaal wezenloos hacken»?
Digitale spionage is een belangrijke dreiging voor de nationale veiligheid, zoals onder andere beschreven in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA)10. Uit onderzoeken blijkt dat staten als China, Rusland en Iran offensieve cyberprogramma’s hebben, gericht tegen Nederland. Daarbij beschrijft onder andere het Cybersecurity Beeld Nederland (CSBN)11 dat is geconstateerd dat een van de gebruikte technieken van statelijke actoren het misbruiken van producten van toeleveranciers is, waaronder het inbouwen van «achterdeurtjes» in software, als springplank naar doelwitten binnen de vitale infrastructuur. De AIVD heeft eerder gewezen op de risico’s verbonden aan onvoldoende beveiligingsmaatregelen met betrekking tot toeleveranciers12. Het is daarom van belang dat organisaties zich bewust zijn van deze risico’s en daar waar nodig maatregelen tegen nemen.
Veel spionageactiviteiten zijn momenteel al strafbaar volgens de Nederlandse wet. Maar ontwikkelingen, zoals de komst van nieuwe en steeds assertievere spelers op het wereldtoneel en de opkomst van digitale spionage, zijn aanleiding geweest om opnieuw te kijken naar de bestaande instrumenten om op te treden tegen spionage. Dit leidde ertoe dat op 28 februari jl. – als aanvulling op het bestaande instrumentarium – het wetsvoorstel uitbreiding strafbaarheid spionage in consultatie is gegaan die een nieuwe bepaling aan het Wetboek van Strafrecht toevoegt. Op grond van die bepaling wordt het verrichten van handelingen ten behoeve van een buitenlandse mogendheid strafbaar indien daardoor zwaarwegende Nederlandse belangen worden geschaad. Omdat spionageactiviteiten steeds vaker digitaal plaatsvinden, wordt met het wetsvoorstel eveneens de strafmaat van een aantal computerdelicten verhoogd wanneer deze zijn gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid.
Deel u onze mening dat we niet naïef moeten zijn in de mogelijkheden die we hiermee bieden voor onder andere dataverzameling door de Chinese overheid en voor bijvoorbeeld spionage?
Het is van groot belang dat we spionage- en beïnvloedingsactiviteiten van statelijke actoren tegengaan. Deze activiteiten kunnen onze nationale veiligheidsbelangen aantasten en daarmee impact hebben op het functioneren van de Nederlandse maatschappij. Daar moeten we inderdaad niet naïef in zijn. Om de weerbaarheid tegen deze dreiging te vergroten werken wij samen met partijen binnen en buiten de overheid aan de aanpak van statelijke dreigingen. Onderdeel van deze aanpak is dat zowel op nationaal als op EU-niveau maatregelen worden genomen om de weerbaarheid van de vitale infrastructuur te versterken. In het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren en de kabinetsreactie hierop wordt ingegaan op deze dreiging en de maatregelen die we hiertegen nemen13.
Wat zijn de juridische mogelijkheden om de deal met Nuctech te stoppen en/of terug te draaien? Kan Nederland dit zelf of moet dit via de Europese Commissie?
De apparatuur van Nuctech is reeds geleverd en wordt door Douane ingezet. Het opzeggen van de overeenkomst met Nuctech kan de overheid in principe eenzijdig doen. Het contract stelt daar nadere specifieke voorwaarden aan. Het eenzijdig opzeggen van de overeenkomst zonder een (in het contract genoemde) gegronde reden zal waarschijnlijk leiden tot onder meer een financiële claim van de opdrachtnemer wegens gederfde inkomsten of gedane investeringen.
Vindt u ook wij dat veiligheidsapparatuur in belangrijke, vitale sectoren zoveel mogelijk zou moeten worden gemaakt door Europese bedrijven? Indien ja, welke acties kan/gaat Nederland ondernemen? Bent u bekend met het feit dat er ook Nederlandse bedrijven zijn, onder andere startups (bijvoorbeeld Dynaxion), die een scansysteem ontwikkelen dat veel nauwkeuriger zou zijn dan de huidige x-ray systemen en daarmee ook nog steviger kan bijdragen aan het tegengaan van drugs gerelateerde ondermijning? Hoe geeft u invulling aan het principe dat investeringen met belastinggeld bij voorkeur ten goede komen aan (kennisontwikkeling, innovatie en werkgelegenheid bij) bedrijven in Nederland of Europa?
Een open economie en vrijhandel dragen sterk bij aan het Nederlandse verdienvermogen. Nederland heeft veel baat bij de kansen en mogelijkheden die open markten bieden. Toegang tot internationale markten zorgt er bovendien voor dat Nederland gebruik kan maken van hoogwaardige materialen, technologie en kennis die in het buitenland – waaronder in China – wordt ontwikkeld. Ook voor de vitale infrastructuur is het wenselijk dat gebruik wordt gemaakt van kwalitatief hoogwaardige producten en diensten. Nederland blijft dan ook op verantwoorde wijze gebruik maken van de voordelen van de internationale markt voor veiligheidsapparatuur, door per situatie de risico’s voor de nationale veiligheid in kaart te brengen en dat te laten meewegen in de selectie van de betreffende aanbieder.
Desondanks kunnen er redenen zijn om bepaalde producten en technologieën in Nederland of in Europa te willen kunnen ontwikkelen en beschikbaar te maken. Dit kan van belang zijn om de weerbaarheid van Nederland en de EU te vergroten, of om de EU het vereiste handelingsvermogen te geven om de eigen veiligheidsbelangen te vrijwaren. Dit kan via verschillende maatregelen: van handelsverdragen met gelijkgezinde landen, tot het direct stimuleren van de eigen industrie. Hierbij verwijzen wij ook graag naar de brief aan uw Kamer over onderzoek naar strategische afhankelijkheden en kwetsbaarheden in Nederland, waar dieper ingegaan wordt op de beleidsopties om onze weerbaarheid te versterken.14
Dynaxion is bekend bij de Douane. Douane heeft in de aanbestedingsprocedure iedere geschikte partij in de gelegenheid gesteld mee te dingen naar de opdracht. Die werd gegund op basis van de procedure als beschreven in het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze wilt u bij dit soort aanbestedingen een gelijk speelveld borgen en hoezeer zijn instrumenten als het Europese «International Procurement Instrument» (IPI) daarvoor voldoende?
Het is van groot belang dat op de Europese interne markt eerlijke concurrentie kan plaatsvinden tussen bedrijven in het kader van aanbestedingen door overheidsdiensten. De Europese aanbestedingsrichtlijnen bieden thans al mogelijkheden om deze problematiek te adresseren. Deze richtlijnen zijn in Nederland geïmplementeerd in de Aanbestedingswet 2012. Op basis van artikel 2.116 van deze wet – hieraan wordt in vraag 6 al gerefereerd – moeten aanbestedende diensten bij een inschrijving die abnormaal laag lijkt, nader onderzoek doen door de betreffende onderneming te vragen om uitleg over hoe de prijs tot stand is gekomen. Wanneer een inschrijver het lage niveau van de voorgestelde prijs niet goed kan onderbouwen met bewijsmateriaal, kan de aanbestedende dienst deze inschrijving ter zijde leggen. Abnormaal lage inschrijvingen als gevolg van niet-naleving van verplichtingen op het gebied van milieu, sociaal- en arbeidsrecht moeten door de aanbestedende dienst ter zijde worden gelegd. Dit geldt voor alle inschrijvingen, ongeacht het land van herkomst van de inschrijver. Dit draagt bij aan een gelijk speelveld voor ondernemers. Een andere manier om voor een gelijker speelveld te zorgen, is door het stellen van kwalitatieve gunningscriteria, zoals milieucriteria. Bovendien zijn Nederlandse – en andere Europese – aanbestedende diensten niet verplicht inschrijvingen toe te laten uit landen die niet aangesloten zijn bij de Government Procurement Agreement (zogenaamde «non-GPA landen»).
Naast deze bestaande mogelijkheden, zijn er twee Europese wetsvoorstellen in ontwikkeling die zich richten op een gelijk speelveld, zodat zowel binnen de Europese interne markt als daarbuiten Europese en niet-Europese ondernemingen onder vergelijkbare voorwaarden met elkaar kunnen concurreren. Het Internationaal Aanbestedingsinstrument (IPI) heeft als doel om wederkerigheid op de markt voor overheidsopdrachten af te dwingen, zodat EU-bedrijven betere toegang krijgen tot aanbestedingen in derde landen. Momenteel vinden hierover triloogonderhandelingen plaats tussen de Raad, het Europees parlement en de Europese Commissie. De inzet van het Franse voorzitterschap is om onderhandelingen gedurende zijn EU-voorzitterschap af te ronden. Het voorstel voor de Verordening buitenlandse subsidies heeft tot doel om concurrentieverstoringen op de interne markt als gevolg van buitenlandse subsidies beter aan te pakken (zie ook het BNC-fiche, Kamerstuk 22 112, nr. 3133). Momenteel vinden de onderhandelingen plaats in de betreffende Raadswerkgroep. Het Franse voorzitterschap streeft ernaar om in juni in de Raad tot een gemeenschappelijk standpunt te komen, waarna de triloogonderhandelingen kunnen beginnen. Deze voorstellen vormen belangrijke instrumenten voor het creëren een mondiaal gelijker speelveld voor Europese bedrijven.
Het Nederlandse vestigingsklimaat |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
Bent u van mening dat het vestigingsklimaat in Nederland de afgelopen jaren is bevorderd of verslechterd ten opzichte van andere landen?
Uit een onderzoek van Dialogic, dat in mei 2021 met uw Kamer is gedeeld1, komt naar voren dat het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat er in algemene zin relatief goed voor staat. Zoals ook in de begeleidende Kamerbrief aangegeven, is dit onderzoek voornamelijk gebaseerd op verschillende internationale ranglijsten. Deze ranglijsten komen tot stand op basis van metingen uit het verleden en kijken dus per definitie terug en niet vooruit. Recente ontwikkelingen en de impact daarvan op het toekomstige vestigingsklimaat zijn dan ook niet meegenomen in dit onderzoek.
Daarvoor zijn er natuurlijk wel indicatoren. Zo zie ik enerzijds dat nog steeds veel internationale bedrijven kiezen voor een investering in Nederland. Anderzijds hoor ik ook signalen van partijen uit het veld dat zij zich in toenemende mate zorgen maken over hoe het vestigingsklimaat zich ontwikkelt.2 Zoals in het Coalitieakkoord is aangegeven hecht het kabinet aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en dus neem ik deze signalen serieus. Ik zal uw Kamer nog in het eerste kwartaal van dit jaar verder informeren over hoe ik werk wil maken van het vestigingsklimaat.
Hoe bent u voornemens het Nederlandse vestigingsklimaat deze kabinetsperiode te verbeteren?
In de brief met de hoofdlijnen van mijn beleid heb ik aangegeven een aantrekkelijk vestigings- en investeringsklimaat van belang te vinden.3 Daarbij heb ik enkele factoren genoemd die ik belangrijk vind, zoals de stabiliteit en voorspelbaarheid van beleid, de beschikbaarheid van talent, het fiscale stelsel en de randvoorwaarden voor specifieke investeringen die bijdragen aan maatschappelijke transities. Zoals reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven zal ik uw Kamer in dit kwartaal hierover verder informeren. Ook streef ik ernaar om in het derde kwartaal van dit jaar een meer concrete aanpak met uw Kamer te delen.
Hoe verklaart u het vertrek van het hoofdkantoor van Shell uit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk?
Het is primair aan Shell zelf om te communiceren over de redenen waarom ervoor is gekozen om het hoofdkantoor naar het Verenigd Koninkrijk te verplaatsen. Shell heeft aangegeven dat deze verplaatsing voortkomt uit de wens van het bedrijf om zijn structuur te versimpelen. Het was al langer bekend dat Shell haar aandelenstructuur wilde versimpelen, omdat deze vereenvoudiging onder meer het uitgeven en inkopen van aandelen en het doen van overnames vergemakkelijkt. Shell heeft daarbij aangegeven dat de extra snelheid en flexibiliteit die deze vereenvoudiging oplevert nodig is met het oog op de opgave in de energietransitie, ook in Nederland. Als onderdeel van deze vereenvoudiging is de fiscale thuisbasis van Shell samengevoegd met de juridische thuisbasis in het Verenigd Koninkrijk en is het hoofdkantoor naar het Verenigd Koninkrijk verplaatst.
CEO Van Beurden heeft aangegeven dat dit besluit geen vestigingsklimaataangelegenheid is, maar dat met de versimpeling van de aandelenstructuur wel het nadeel van het risico voor de aandeelhouders op dubbele belastingheffing wordt opgelost.4 De Nederlandse dividendbelasting vormde namelijk een (extra) last voor (buitenlandse) aandeelhouders indien zij de dividendbelasting niet geheel kunnen verrekenen, wat bijvoorbeeld het geval kan zijn in het Verenigd Koninkrijk.
Bent u van mening dat de Milieudefensie-uitspraak enig effect heeft gehad op het besluit van Shell om diens hoofdkantoor naar het Verenigd Koninkrijk te verhuizen?
Het is niet aan mij om hierover te speculeren. Shell CEO Van Beurden heeft in het eerder genoemde interview5, vlak na de aankondiging dat Shell voornemens was haar hoofdkantoor te verhuizen, aangegeven dat deze beslissing niet is beïnvloed door het vonnis omdat Shell nog steeds een uitvoeringsverplichting heeft.
Bent u van mening dat de Milieudefensie-uitspraak het Nederlandse vestigingsklimaat heeft bevorderd of verslechterd?
De uitspraak van de rechter heeft alleen betrekking op het bedrijf Shell en raakt dus niet direct andere bedrijven. Wel ontvang ik signalen van bedrijven die zich afvragen of dit vonnis naar de toekomst toe ook mogelijke opvolging zal krijgen voor meer Nederlandse bedrijven. Zoals aangegeven in een Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger met een analyse van het Shell-vonnis6, zijn er mondiaal diverse klimaatzaken tegen bedrijven. Het Shell-vonnis is wel uniek omdat, voor zover mij bekend, dit de eerste uitspraak is waarbij een bedrijf een specifieke CO2-reductieverplichting krijgt opgelegd door een rechter. Zie verder ook het antwoord op vraag 9.
Kunt u uiteenzetten wat het bedrag is dat Milieudefensie aan inkomsten heeft gekregen van de overheid?
Onderstaande tabel geeft een zo compleet mogelijk overzicht van de bedragen die de Vereniging Milieudefensie (hierna: Milieudefensie) de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen van onderdelen van de rijksoverheid die inhoudelijk de sterkste link hebben met deze organisatie. Het gaat hierbij om de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Buitenlandse Zaken (BuZa). In de meeste gevallen gaat het om verstrekte subsidies. Een compleet overzicht van de verstrekte bedragen door de gehele rijksoverheid is gezien de separate administraties en de gewenste beantwoordingstermijn onhaalbaar.
Vereniging Milieudefensie
Subsidieverlening project Houdbare Melk1vs 2018
EZK/LNV
72.500
2018
Vereniging Milieudefensie
DSO Protection of the Atewa Forest Ghana
BuZa
498.563
2018–2019
Vereniging Milieudefensie
Subsidie en coördinatiekosten Milieudefensie als coördinerend partner van de Green Livelihoods Alliance voor de uitvoering van het «Forest for Equity» programma in landen met tropisch regenwoud gedurende de periode 2016–2020.
BuZa
15.381.501
2016–2020
Vereniging Milieudefensie
Subsidie en coördinatiekosten Milieudefensie als coördinerend partner van de Green Livelihoods Alliance voor de uitvoering van het «Forest for a Just Future» programma in landen met tropisch regenwoud voor de periode 2021–2025. Dit betreft een nog lopend programma. Bedragen zijn daarom onder voorbehoud.
BuZa
11.332.502
2021–2025
Kunt u hetzelfde voor Urgenda uiteenzetten?
Onderstaande tabel geeft een zo compleet mogelijk overzicht van de bedragen die Urgenda de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen van onderdelen van de rijksoverheid die inhoudelijk de sterkste link hebben met deze organisatie. Het gaat hierbij om het Ministerie van LNV en de uitvoeringsorganisatie Rijksinstituut voor Ondernemend Nederland (RVO). In de meeste gevallen gaat het om verstrekte subsidies. Een compleet overzicht van de verstrekte bedragen door de gehele overheid is gezien de separate administraties en de gewenste beantwoordingstermijn onhaalbaar.
Stichting Urgenda
Jong Leren Eten-Duurzaam Door2
LNV (RVO)
7.500
2018
Stichting Urgenda
Opdrachtverlening grote boerenverplantactie
LNV
21.780
2021
Stichting Urgenda
Subsidie LNV hectare verdubbelaar, 1.001 hectare kruidenrijk/grasland bij melkveehouders
LNV
120.120
2021
Kunt u hetzelfde voor Natuurmonumenten uiteenzetten?
Onderstaande tabel geeft een zo compleet mogelijk overzicht van de bedragen die de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland (hierna: Natuurmonumenten) de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen van onderdelen van de rijksoverheid die inhoudelijk de sterkste link hebben met deze organisatie. Het gaat hierbij om de Ministeries van EZK, LNV en Infrastructuur en Waterstaat (IenW), en uitvoeringsorganisaties RVO en Rijkswaterstaat (RWS). In de meeste gevallen gaat het om verstrekte subsidies. Een compleet overzicht van de verstrekte bedragen door de gehele overheid is gezien de separate administraties en de gewenste beantwoordingstermijn onhaalbaar.
Natuurmonumenten
Gebruik vergaderboerderij Ackerdijkse Plassen
EZK/LNV
3.438
2018
Natuurmonumenten
Directieuitje N&B van Economische Zaken in Kraggenburg
EZK/LNV
5.281
2018
Natuurmonumenten
Bezoek aan natuurgebied de wieden 12-9-2017
EZK/LNV
300
2018
Natuurmonumenten
Lunch Marker Wadden d.d. 07 maart 2019
LNV
203
2019
Natuurmonumenten
LNV AGRO Convenant
LNV (RVO)
249.100
2019
Natuurmonumenten
Subsidie New life for Dutch fens
EZK/LNV
642.632
2019
Natuurmonumenten
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) kunnen zakelijke gebruikers in aanmerking komen voor subsidie voor een zonneboiler, een warmtepomp, aansluiting op een warmtenet en voor kleinschalige windturbines en zonnepanelen
EZK (RVO)
24.960
2020
Natuurmonumenten
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) kunnen zakelijke gebruikers in aanmerking komen voor subsidie voor een zonneboiler, een warmtepomp, aansluiting op een warmtenet en voor kleinschalige windturbines en zonnepanelen
EZK (RVO)
24.960
2021
Natuurmonumenten
Tijdelijke Ondersteuning Nationale Parken
LNV (RVO)
87.200
2021
Natuurmonumenten
Regeling Versneld Natuurherstel
LNV (RVO)
4.465.319
2021
Natuurmonumenten
Inzet voor het programma Natuur
LNV
20.674
2021
Natuurmonumenten
Diverse beheerwerkzaamheden (o.a. vegetatiebeheer, overgangsbeheer en onderhoud), planvoorbereiding, excursies met gids en teamdagen
IenW (RWS)
233.917
2021
Natuurmonumenten
Subsidie voor het project Waddenmozaïek, voor het in kaart brengen van de onderwaternatuur van de Waddenzee en onderzoek naar duurzame herstelmaatregelen
IenW
125.000
2021
Natuurmonumenten
Excursie Afdeling Waterveiligheid
IenW
500
2021
Bent u van mening dat het ultimatum van Milieudefensie het Nederlandse vestigingsklimaat zal bevorderen of verslechteren?1
Bedrijven hechten bij het doen van investeringen aan voorspelbaarheid en betrouwbaarheid, omdat dit hen meer investeringszekerheid geeft. Daarom heb ik in mijn hoofdlijnenbrief ook aangegeven dat de stabiliteit en voorspelbaarheid van beleid een belangrijke factor is voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat.
Vanuit bedrijven ontvang ik verschillende signalen dat zij zich zorgen maken over deze voorspelbaarheid. Daarbij wordt soms ook verwezen naar de klimaatzaak tegen Shell en mogelijke volgende zaken tegen andere bedrijven. De overheid is geen partij in dergelijke zaken, daarom is het ook niet aan mij om daar een inhoudelijke uitspraak over te doen. Tegelijkertijd is het wel aan de overheid om de signalen over ervaren onzekerheid mee te nemen en te zorgen voor stabiel en betrouwbaar beleid, zodat bedrijven met zo veel mogelijk zekerheid kunnen investeren. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt voor onder andere hoe om te gaan met de verduurzaming van de industrie. Ik zal u voor het zomerreces verder informeren over de invulling van dit strategisch industriebeleid.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden en binnen de gebruikelijke beantwoordingstermijn van drie weken?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Op 22 februari jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd dat beantwoording binnen drie weken niet haalbaar bleek omdat het verzamelen van informatie en de benodigde interdepartementale afstemming ten behoeve van de beantwoording meer tijd kostte. Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Toenemende intimidaties in het gevangeniswezen. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de resultaten van de peiling die FNV heeft gehouden onder gevangenispersoneel?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op het signaal van de medewerkers die aangeven zich onveilig te voelen en dit ook direct koppelen aan de door hen gevoelde onderbezetting in het gevangeniswezen en het vertrek van ervaren personeel?
Laat ik voorop stellen dat de directie van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en ikzelf dergelijke signalen zeer serieus nemen. In de peiling van de vakbond FNV heeft meer dan de helft van de ruim 1800 ondervraagde gevangenismedewerkers aangegeven dat intimidatie en geweld binnen de gevangenissen de afgelopen jaren is toegenomen. Dit beeld vind ik zorgelijk: elke bedreiging of (geweld)incident is er een te veel. Tegelijkertijd heeft het personeel te maken met een complexe doelgroep en zijn incidenten nooit uit te sluiten. Of er een koppeling gemaakt kan worden met een mogelijk tekort aan (ervaren) personeel is moeilijk vast te stellen. Dat het een uitdaging is om voldoende personeel werkzaam te hebben, is een feit. Dit komt onder meer door de leeftijdsopbouw van het personeel waardoor de komende tijd ervaren personeel uitstroomt en nieuw personeel instroomt, en een krappe arbeidsmarkt. Daarnaast beïnvloedt het hoge aantal coronabesmettingen tijdelijk de inzetbaarheid van medewerkers.
De werving van personeel vraagt dus om continue aandacht van DJI. De afgelopen periode is ingezet op de professionalisering en optimalisatie hiervan. Zo zijn er «sourcers» en «recruiters» aangesteld die gericht nieuwe medewerkers benaderen en start dit voorjaar een arbeidsmarktcampagne. Verder voer ik, mede naar aanleiding van de brief van de Centrale Ondernemingsraad (COR) van DJI van oktober 2021 en de brief3 die ik uw Kamer stuurde op 19 november 2021, reeds gesprekken met de directie van DJI over een veilige werkomgeving en voldoende, goed opgeleid personeel en welke maatregelen daarvoor nodig zijn. De uitkomsten van de FNV-enquête worden daarin meegenomen, evenals de uitkomsten van het medewerkerstevredenheidsonderzoek van 2021, waarin 20% van de medewerkers aangaf zich geïntimideerd te voelen door gedetineerden. Over de uitkomsten van deze gesprekken zal ik uw Kamer bij de volgende voortgangsbrief over de visie op het gevangeniswezen informeren.
Trekt u het zich aan dat gevangenispersoneel onomwonden zegt elkaar niet te vertrouwen? Wordt er volgens u voldoende aan gedaan om te voorkomen dat medewerkers die foute bedoelingen hebben worden aangenomen, of dat medewerkers het verkeerde pad op worden getrokken (al dan niet door bedreiging of het vooruitzicht van grote sommen geld) door criminelen? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Ja, dat trek ik mij aan. Weerbaarheid is een belangrijk thema binnen DJI en de integriteit van medewerkers moet buiten kijf staan. Deze thema’s maken daarom onderdeel uit van basisopleidingen van medewerkers en leidinggevenden en zijn daarna onderdeel van de personeels- en functioneringsgesprekken. Daarnaast heeft mijn voorganger in de brief over de aanpak van georganiseerde criminaliteit in detentie en bij berechting een aantal maatregelen genoemd om de weerbaarheid en integriteit verder te versterken.4 Zo maakt de nieuwe CAO Rijk 2021 het mogelijk dat medewerkers van DJI om de vier jaar een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) moeten overleggen, in plaats van alleen bij indiensttreding. Medewerkers die dit niet kunnen, worden geschorst. Met invoering van de recent gewijzigde versie van de ontwerpregeling aanwijzing functies VOG politiegegevens kunnen naast veroordelingen ook aangiftes en meldingen die bij de politie zijn gedaan worden meegewogen. Als een medewerker ná indiensttreding in aanraking komt met justitie, moet DJI dit weten. Ook is in eerdergenoemde brief aangekondigd dat onderzocht wordt of medewerkers die een risicofunctie op een bijzondere locatie binnen DJI bekleden, zoals medewerkers bij de Extra Beveiligde Inrichting (EBI), een zogeheten veiligheidsonderzoek kunnen krijgen. Ik zal uw Kamer in het voorjaar over de voortgang hiervan informeren.
Zijn de huidige afspraken over personele bezetting nog wel te rechtvaardigen bij een gevangenenpopulatie die, in den breedte, alsmaar zwaardere vormen van crimineel gedrag en psychische problemen vertoont? Zo ja, waarom denkt u dat? Zo nee, wat gaat u eraan doen om hierin een beter evenwicht te vinden?
Het gevangeniswezen heeft te maken met een specifieke en soms moeilijke doelgroep. Met DJI kijk ik naar wat dit onder meer voor de regimes en de personele bezetting betekent. Er worden verschillende maatregelen getroffen die er onder meer op gericht zijn dat personeel hun werk veilig kan blijven uitvoeren. Zo is in elke penitentiaire inrichting (PI) een Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) ingericht, waar centraal signalen van en informatie over voortgezet crimineel handelen bij elkaar worden gebracht zodat maatregelen kunnen worden genomen. Daarnaast zorg ik voor een landelijk dekkend netwerk van hoogbeveiligde voorzieningen voor de «zware» gedetineerden. Zo komt er een tweede EBI in Vlissingen en er zijn op dit moment twee Afdelingen met Intensief Toezicht (AIT) in Leeuwarden en Krimpen aan den IJssel. Medio 2022 komt er een derde AIT in Alphen aan den Rijn. Daarnaast ben ik in gesprek met DJI en de Penitentiaire Psychiatrische Centra (PPC’s) over de rol van de PPC’s in het forensische stelsel en wat dit betekent voor de benodigde randvoorwaarden, zoals de inzet van personeel. Ook is de afgelopen jaren extra geïnvesteerd in training en opleiding van personeel, bijvoorbeeld in vakmanschap met de middelen die met het convenant «Werken aan een solide personeelsbeleid» beschikbaar zijn gesteld.
Bent u bereid de werkcultuur binnen DJI eens goed tegen het licht te houden en actie te ondernemen als blijkt dat inderdaad sprake is van een ongezonde werkcultuur van intimiderende, neerbuigende en onvriendelijke bejegening onder personeel?
Ik vind het van groot belang dat er bij DJI een gezonde werkcultuur bestaat. Dit vraagt om permanente reflectie en aandacht en geen eenmalige actie. De uitkomsten van de FNV-enquête geven aanleiding om daar extra op in te zetten. Een neerbuigende en onvriendelijke bejegening en zelfs intimidatie is op geen enkele manier acceptabel. In het geval van intimidatie treedt de leiding van DJI op en zij doet alles wat in haar mogelijkheid ligt om dit te voorkomen. Het personeelsbeleid van DJI is erop gericht negatieve bejegening van medewerkers te voorkomen. In de leiderschapsprogramma’s besteedt DJI onder andere aandacht aan goede gespreksvoering. Leidinggevenden volgen de nodige opleidingen en trainingen voor het bevorderen van een gezonde werkcultuur, zoals trainingen voor personeels- en functioneringsgesprekken. Medewerkers volgen trainingen zoals «Praten over je vak», «Pesten op de werkvloer» of de training «Uitspreken, Bespreken, Aanspreken, Afspreken» om onderling gedrag positief te bevorderen. Wanneer een medewerker zich in de praktijk toch onheus bejegend voelt, kan hij dit bespreekbaar maken met zijn leidinggevende of een hogere leidinggevende die vervolgens gepaste actie onderneemt. Daarnaast kunnen medewerkers zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon als zij of hij te maken krijgt met onheuse bejegening of ontoelaatbaar gedrag.
Het bericht dat de ouders van Gio (4) het stilzwijgen verbreken na een dodelijk ongeluk met voetballer Vloet |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouders overleden Gio (4) verbreken stilzwijgen: We hebben nooit iets gehoord van voetballer Vloet»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Ik leef zeer mee met het verlies van de familie. Verder ga ik niet in op deze specifieke situatie gezien de zaak nog in onderzoek is.
Deelt u de mening dat een voetbalclub een maatschappelijke rol heeft?
Voetbalclubs hebben zeker een maatschappelijke rol. De KNVB ziet voetbal als een bindmiddel om samen te werken aan een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Van kleins af aan worden kinderen meegenomen in de spelregels en sportief gedrag.
Verder leveren veel clubs in het (betaalde) voetbal een bijdrage aan verschillende maatschappelijke projecten op gebied van participatie, educatie, gezondheid en re-integratie op de arbeidsmarkt.
Hoe vindt u dat Heracles Almelo zijn maatschappelijk rol voor verkeersveiligheid heeft opgepakt na het dodelijk ongeluk met voetballer Vloet?
Heracles Almelo heeft zelf keuzes gemaakt na het dodelijk ongeluk. Het is niet aan mij om die te beoordelen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met voetbalclubs om hun maatschappelijke rol op te pakken voor verkeersveiligheid?
De wijze waarop voetbalclubs omgaan met hun maatschappelijke rol is aan de clubs zelf. Zij maken een afweging in hun rol als werkgever, als bedrijf en als club als het gaat om de wijze waarop zij hun maatschappelijke rol invullen. Vanuit het Rijk worden met diverse stakeholders campagnes geïnitieerd om aandacht te vragen voor verkeersveiligheid, zoals de BOB-campagne tegen rijden onder invloed van alcohol. Er is ook een BOB-campagne die is gericht is op sportkantines en sportevenementen waar ook professionele voetbalclubs aandacht voor hebben gevraagd.
Deelt u de mening dat een voetballer een publieke voorbeeldfunctie heeft?
Iedere verkeersdeelnemer heeft een voorbeeldfunctie en verantwoordelijkheid in het verkeer. Iedereen, ook voetballers, moet zich aan de verkeersregels houden om weer veilig thuis te (laten-) komen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met voetballers om hun publieke voorbeeldfunctie op te pakken voor verkeersveiligheid?
Ik verwijs u hiervoor naar antwoord 5.
Welke publieke campagnes lopen er nu tegen extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer? In hoeverre zijn deze campagnes succesvol? In hoeverre zorgen deze campagnes voor een daling van extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer?
Met betrekking tot alcohol in het verkeer loopt al lange tijd de eerdergenoemde BOB-campagne. Inmiddels weet 99% van de automobilisten dat de BOB nuchter blijft en vindt 84% dat je geen alcohol moet drinken als je nog moet autorijden. Daarnaast is er een campagne tegen te hard rijden: «Hou je aan de snelheidslimiet». Deze campagne is erop gericht dat bestuurders zich aan de snelheid houden. IenW plaatst tijdens de campagneperiode (mei-juni) borden langs de snelwegen en biedt een toolkit aan met diverse middelen aan medeoverheden en maatschappelijke partners.
Als het gaat om gedragsverandering bij zware overtreders zijn campagnes niet voldoende. Voor deze groep zijn handhaving en gedragsinterventies, zoals de bestuursrechtelijke Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) of Educatieve Maatregel Alcohol (EMA), het meest passend. Ongewenst verkeersgedrag dient integraal te worden aangepakt (infrastructurele aanpassingen, gedragsbeïnvloeding en handhaving). Dit voorjaar wordt de Kamer geïnformeerd over mijn plannen voor een verbeterde integrale aanpak van rijden onder invloed.
Wat is de strafmaat nu voor extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer? In hoeverre is deze strafmaat voldoende? In hoeverre zorgt deze strafmaat voor een daling van extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer?
Onder extreem te hard rijden versta ik in het kader van de beantwoording van deze vraag het zodanig boven de geldende maximumsnelheid rijden dat deze onder het strafrecht wordt afgedaan. Snelheidsovertredingen tot 30 km/u te hard in het algemeen en tot 40 km/u op de snelweg vallen onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Grovere snelheidsovertredingen vallen onder het strafrecht.
De maximumstraf voor te hard rijden op de autosnelweg is een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van € 4.500 en daarbij kan een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van ten hoogste 2 jaren worden opgelegd (art 177 lid 2 onder d van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994)). De maximumstraf voor rijden onder invloed is een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van € 22.500 en daarbij kan een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van ten hoogste 5 jaren worden opgelegd (artikel 8 jo. 176, lid 2 WVW 1994).
Naast de specifieke strafbaarstellingen voor te hard rijden of rijden onder invloed van alcohol, kunnen deze feiten ook op basis van andere artikelen uit de Wegenverkeerswet worden afgedaan. Dit kan op basis van artikel 5 WVW 1994 (veroorzaken gevaar op de weg), artikel 5a WVW 1994 (roekeloos rijden zonder gevolgen) of artikel 6 WVW 1994 (veroorzaken van een ongeval door schuld/roekeloosheid met letsel of de dood tot gevolg). De maximumstraf voor het veroorzaken van een dodelijk ongeval in het verkeer, is een gevangenisstraf van ten hoogste 9 jaren of een geldboete van ten hoogste € 90.000 en daarbij kan een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van ten hoogste 5 jaren worden opgelegd (artikel 6 jo. 175 WVW1994).
In 2017 is wetenschappelijk onderzocht in hoeverre de bestraffing van ernstige verkeersdelicten afdoende is. Hieruit bleek dat in zijn algemeenheid kan worden geconcludeerd dat naarmate de ernst van de verkeersfout toeneemt en de mate van letsel toeneemt, ook de duur van de straf en de zwaarte van de gekozen strafmodaliteit toeneemt. Het algemene strafbeeld komt dus overeen met hetgeen de wetgever heeft beoogd met het stelsel van sancties. Verder was de conclusie in het onderzoek dat het strafniveau voor ernstige verkeersdelicten over het geheel adequaat is. Wel was er draagvlak voor onder andere een verhoging van de strafmaat voor een aantal specifieke feiten zoals het rijden onder invloed. Met inwerkingtreding van de wet aanscherping strafrechtelijke afdoening ernstige verkeersdelicten op 1 januari 2020 is aan de aanbevelingen uit dit onderzoek uitvoering gegeven. Zo is bijvoorbeeld de maximumstraf voor rijden onder invloed verhoogd van drie maanden naar één jaar.
In hoeverre de strafmaat zorgt voor een daling van (extreem) te hard rijden en rijden onder invloed van alcohol is niet specifiek te bepalen. Dit hangt samen met een veelheid aan andere factoren. In algemene zin kan wel worden gezegd dat een adequate strafmaat zowel een specifieke als algemene preventieve werking heeft.
Welke profielen zijn er van iemand die extreem te hard rijdt? In hoeverre voelt zo’n iemand zich onaantastbaar en boven de wet staan? Welke gerichte aanpakken op deze profielen zijn er mogelijk?
Bestuurders die extreem hard rijden kunnen zowel via het strafrecht (strafvervolging) als via het bestuursrecht (gedragsinterventie/onderzoek) worden aangepakt. Volgens de wet moet de politie een melding bij het CBR doen. Het CBR kan vervolgens de bestuurder een Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) opleggen. Uit het recidive-onderzoek van het WODC blijkt dat veel van de EMG-deelnemers bekend zijn bij justitie en dat zij vaak ook op andere terreinen moeite hebben met verantwoord gedrag.2 Uit dit rapport blijkt dat meer dan driekwart van de EMG-deelnemers één of meer eerdere strafzaken op hun naam heeft staan (gemiddeld 5 strafzaken, op meerdere terreinen). Dat maakt het ingewikkeld om deze groep aan te pakken onder de noemer van uitsluitend verkeersveiligheid. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Justitie en Veiligheid verkennen met een expertgroep de mogelijkheden om deze groep beter aan te kunnen pakken. Eén van de richtingen die op dit moment wordt onderzocht betreft de inzet van technische middelen.
Op welke autosnelwegen rijdt iemand relatief vaak extreem te hard? Welke gerichte flitscontroles op autosnelwegen en extreem te hard rijden zijn er mogelijk?
Er wordt niet specifiek geregistreerd op welke snelwegen vaak extreem te hard wordt gereden. De inzet is gericht op het voorkomen van te hard rijden in het algemeen. Snelheidshandhaving is een belangrijke pijler van de Nederlandse verkeershandhaving. Er zijn dan ook relatief veel handhavingsmiddelen beschikbaar als het gaat om het tegengaan van (extreem) te hard rijden op snelwegen. Het betreft dan trajectcontroles, mobiele radarcontrole en videoauto’s. Bij de meeste handhavingsvarianten gebeurt het verbaliseringsproces op kenteken, terwijl bij de inzet van videoauto’s bij voorkeur staandehoudingen plaatsvinden. De handhavingsinzet van de politie wordt risicogericht bepaald zodat deze inzet zoveel mogelijk bijdraagt aan het voorkomen van ongevallen. Dit betekent dat meer inzet wordt gepleegd op wegvakken met een hoog overtredingsgedrag en een hoog risico op ongevallen en slachtoffers. De risicogestuurde inzet van de handhavingsmiddelen wordt in samenwerking tussen het OM, de politie en de wegbeheerder bepaald.
