Het bericht 'Lelystad Airport dreigt met rechtszaak over stikstofvergunning vanwege besluit minister' |
|
Derk Jan Eppink (JA21), Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Lelystad Airport dreigt met rechtszaak over stikstofvergunning vanwege besluit Minister»?1
Ik heb kennisgnomen van het bericht. Het is mij bekend dat Lelystad Airport bezwaar maakt tegen de door mij uitgevoerde beoordeling om de PAS-melding buiten het legalisatietraject te laten. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft deze brief momenteel in behandeling.
Het genoemde bericht verwijst naar de beoordeling van de verificatie van de PAS-melding. Deze beoordeling van de PAS-melding is met de grootste zorgvuldigheid tot stand gekomen. In de beoordeling concludeer ik dat de PAS-melding niet voldoet aan artikel 2.8b criterium f. van de Regeling Natuurbescherming. Legalisatie van het project Lelystad Airport op basis van de PAS-melding ligt daarom niet in de rede.
Voor toestemming op grond van de Wet Natuurbescherming (hierna: Wnb) voor ingebruikname van Lelystad Airport voor groot handelsverkeer dient Lelystad Airport een reguliere vergunningprocedure te doorlopen. Daar ziet dit bericht niet op.
Bent u bereid af te zien van de afwijzing van de aanvraag voor de stikstofvergunning?
Het betreft hier een verificatie van de PAS-melding. Zoals gezegd gaat het hier niet om een aanvraag voor een vergunning in het kader van de Wnb, dus ook niet van een afwijzing van een aanvraag van een vergunning. Op de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de brief met betrekking tot de verificatie van de PAS-melding kan ik nu niet vooruitlopen.
Kunt u een overzicht geven van de gronden waarop de afwijzing van de stikstofvergunning is gebaseerd?
De reden tot afwijzing is dat de voor legalisatie aangemelde situatie (het project) afwijkt ten aanzien van de emissiefactor warmte-inhoud. Daarnaast is sprake van substantiële wijzigingen in de verkeersituatie. In de berekening van de PAS-melding is het verkeersgebied beperkt tot de provincie Flevoland. In de ter legalisatie aangeboden berekening zijn echter aanvullend extra snelwegtrajecten opgenomen, zoals het traject tussen Muiden (A1 P&R Muiden) en Almere (A6 aansluiting met N702) en de A27 tussen Utrecht Noord (nabij Blauwkapel) en de Stichtse brug.
Er is sprake van wijzigingen die in meerdere N2000-gebieden tot meer stikstofdepositie leiden dan in het in 2019 gemelde project.
Hiermee voldeed Lelystad Airport niet aan de wettelijke voorwaarden voor het legaliseren van een PAS-melding. Ik heb de Tweede Kamer over mijn oordeel geïnformeerd op 7 maart 2022 (Kamerstuk 35 334, nr. 174).
Kunt u een overzicht geven welke aanpassingen Lelystad Airport moet uitvoeren om wel te voldoen aan de gestelde eisen voor een stikstofvergunning?
Voor een vergunning in het kader van de Wnb dienen de effecten (stikstof en andere effecten op Natura 2000-gebieden) van het gehele project passend te worden beoordeeld in een Passende Beoordeling. Om te komen tot een vergunbare situatie dient uit de Passende beoordeling te blijken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
Lelystad Airport is zelf verantwoordelijk voor het nemen van eventuele bronmaatregelen.
Hoe kijkt u aan tegen de overweging van Lelystad Airport tot het nemen van rechtsmaatregelen als u de vergunning niet alsnog afgeeft?
Lelystad Airport heeft uiteraard het recht om gebruik te maken van bezwaar- en beroepsmogelijkheden.
Kan Lelystad Airport open onder de voorwaarden van een PAS-vergunning? Zo nee, waarom niet?
Nee. Lelystad Airport heeft onder het PAS een melding gedaan. De verificatie van de melding heeft geresulteerd in het oordeel dat de melding niet voor legalisatie in aanmerking komt. Dat betekent dat Lelystad Airport zelf verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde maatregelen in het kader van een reguliere vergunningaanvraag.
Deelt u de uitspraak van Lelystad Airport dat het meent «recht te hebben op legalisatie» vanwege «alle toen geldende rekenmodellen en voorschriften»?
Nee, deze uitspraak deel ik niet.
De antwoorden op Kamervragen over ondermaatse motoriek basisschoolleerlingen |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat zijn de verschillen in vaardigheden na afronding van de post-initiële-hbo-opleiding bewegingsonderwijs enerzijds en het volgen van een volledige opleiding aan de ALO anderzijds?1.
Beide opleidingen voorzien in een startbekwaamheid om bekwaam bewegingsonderwijs te geven in het primair onderwijs. Afgestudeerden van de post-initiële-hbo-opleiding bewegingsonderwijs die werken als vakspecialist met een minimale omvang van 0,2 fte hebben meer kennis van pedagogie, psychologie en andere vakgebieden. Hierdoor zijn er meer mogelijkheden tot afstemming en samenhang. Afgestudeerden van de ALO hebben meer kennis over bewegingswetenschappelijke kwesties, diverse theorieën over motorisch leren, motorische ontwikkeling, motorische remedial teaching en talentontwikkeling.
Het uitgangspunt van de post-initiële-hbo-opleiding is vanaf de start (2003) dat zij over dezelfde vaardigheden en competenties beschikken voor het lesgeven in bewegingsonderwijs in het primair onderwijs als afgestudeerden van de ALO. In 2008 is de omvang van de opleiding teruggebracht van 800 naar 600 uur, hierdoor zijn onder andere stage-uren, theorie over motorische ontwikkeling en kennis van motorische remedial teaching verminderd of verdwenen. In 2018 is het opleidingskader herzien en is er meer aandacht voor buitenactiviteiten rond de school, veiligheid en ongevallen.
Beschikt u over onderzoeksresultaten die aantonen dat een docent met een post-initiële-hbo-opleiding even effectieve gymlessen geeft als een docent die een opleiding aan de ALO heeft gevolgd? Zo niet, kunt u hier onderzoek naar doen?
Het Mulier Instituut deed onderzoek naar het verschil tussen vakleerkrachten en groepsleerkrachten met een bevoegdheid bewegingsonderwijs. Hierin kwam naar voren dat ouders en kinderen tevreden zijn over de aandacht die de groeps- en vakleerkracht bewegingsonderwijs heeft voor het geluk en de gezondheid van de kinderen. Het lijkt hiervoor niet uit te maken of een vakleerkracht of een groepsleerkracht met bevoegdheid het bewegingsonderwijs verzorgt.
Onder regie van de Inspectie van het Onderwijs wordt in schooljaar 2023/2024 een peilingsonderzoek uitgevoerd naar de beweegcompetenties van leerlingen einde basisonderwijs. Onderdeel van dit onderzoek vormt het in kaart brengen van de samenhang van deze beweegcompetenties met achtergrondkenmerken van leerlingen, leerkrachten en scholen (inclusief het bewegingsonderwijs op de scholen). Net als bij Peil. Bewegingsonderwijs 2016/2017 is gedaan, zal ook nu gekeken worden naar de samenhang tussen de beweegcompetenties en het type leerkracht (vakleerkracht, vakspecialist of (on)bevoegde groepsleerkracht) dat de lessen bewegingsonderwijs verzorgt.
Wat doet u beleidsmatig met alle rapporten die wijzen op de meerwaarde van leskrijgen van een ALO-opgeleide vakdocent bewegingsonderwijs? Heeft hier reeds een inventarisatie plaatsgevonden welke meerwaarde de ALO-opgeleide vakdocent heeft? Indien deze inventarisatie nog niet heeft plaatsgevonden, bent u bereid deze op korte termijn te doen en de resultaten met de Kamer te delen?
Ik heb werkdrukmiddelen en middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs beschikbaar gesteld aan scholen waarmee onder andere vakleerkrachten (bewegingsonderwijs) aangesteld kunnen worden. Daarnaast stimuleer ik de inzet van vakleerkrachten bewegingsonderwijs door middel van de Brede Regeling Combinatiefunctie. Deze middelen hebben invloed gehad op de stijging in de inzet van vakleerkrachten.
Het Mulier Instituut heeft geïnventariseerd welke meerwaarde de ALO-opgeleide vakdocent heeft. Deze inventarisatie wordt als bijlage bij deze beantwoording meegestuurd.2
Welke beleidsmatige voorstellen zijn de afgelopen jaren gedaan met betrekking tot de ALO-opgeleide vakdocent bewegingsonderwijs gedaan?
Zie antwoord vraag 3.
Is de invoering van twee uur verplicht bewegingsonderwijs voldoende om het percentage kinderen met ondermaatse motoriek van 24% substantieel verder te laten dalen? Zo ja, waar is dit op gebaseerd? Zo nee, wat gaat u doen om dit percentage wel verder te laten dalen en is hier voor de ALO-opgeleide vakdocent een prominente rol weggelegd?
Goed bewegingsonderwijs door een bevoegde en bekwame leerkracht is van belang. Ik vind dat scholen naast de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen, in de gaten moeten houden hoe het is gesteld met de motorische vaardigheden. Twee uur bewegingsonderwijs per week is echter niet voldoende om kinderen met ernstige achterstanden in de motorische vaardigheden op een voldoende niveau te brengen. Dit kan alleen als er ondersteuning door middel van fysiotherapie, motorische remedial teaching en/of extra beweegmoment plaatsvindt.
Voor leerlingen met ernstige motorische achterstanden of belemmeringen kan de school bekijken of meer ondersteuning nodig en mogelijk is, eventueel met hulp van het samenwerkingsverband passend onderwijs. De intern begeleider of ondersteuningscoördinator kan leraren, ouders en leerlingen begeleiden bij het organiseren van de goede hulp.
Scholen die extra motorische achterstanden bij hun leerlingen constateren na de periode van thuisonderwijs, ten gevolgen van corona, moeten zich ervoor inzetten deze in te halen. Dat kan met gebruikmaking van de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs.
Deelt u de mening dat het aannemen en opleiden van meer ALO-docenten helpt bij het oplossen van het lerarentekort?
Meer vakleerkrachten zijn in mijn ogen niet direct een oplossing voor het lerarentekort. In de praktijk is er door een vakleerkracht juist een dubbele bezetting (groepsleerkracht én vakleerkracht) die bekostigd moet worden.
De inzet van meer vakleerkrachten (zoals voor bewegingsonderwijs) kan wel bijdragen aan het verminderen van de werkdruk van leerkrachten. Door de inzet van vakleerkrachten kan tijd vrijgespeeld worden voor het onderwijzend personeel voor taken buiten het lesgeven.
Wat gaat u doen om scholen ertoe te bewegen meer ALO-docenten aan te nemen?
Mijn prioriteit is om te zorgen dat de verplichte twee lesuren bewegingsonderwijs gegeven worden door een bevoegde leerkracht. De keuze voor een ALO-docent of een groepsleerkracht, ligt bij de school, en ik vind dat scholen hier gedegen afwegingen in moeten maken en strategisch personeelsbeleid bij moeten voeren. Zoals eerder genoemd kunnen de werkdrukmiddelen en de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs ingezet worden voor het aannemen van vakleerkrachten (zoals voor bewegingsonderwijs), bovenop de bekostiging die scholen natuurlijk al ontvangen.
Dit schooljaar informeer ik het onderwijsveld over de urennorm bewegingsonderwijs. Dit doe ik samen met de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO), Vereniging Sport en Gemeenten (VSG), PO-Raad en ALO Nederland. Daarbij zal ik benadrukken welke meerwaarde een vakleerkracht bewegingsonderwijs kan hebben.
De brandweerzorg |
|
Caroline van der Plas (BBB), Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Past het volgens u bij de wens van de Kamer voor meer uniforme normen met betrekking tot opkomsttijden, dat de veiligheidsregio Noord-Holland Noord eigenstandig de opkomsttijd verruimt van 6 naar maar liefst 18 minuten voor niet-zelfredzame personen?1 2
In mijn brief van 8 juli 2022 heb ik u geïnformeerd over de systematiek van de gebiedsgericht opkomsttijden.3 Binnen de wettelijke kaders bepalen de besturen de ambities en het kwaliteitsniveau van de veiligheidsregio. Dit wordt vastgelegd in het regionale beleidsplan. Zij baseren zich daarbij op een regionaal risicoprofiel, dat onder verantwoordelijkheid van het bestuur in afstemming met de gemeenteraden tot stand komt.
Het halen van opkomsttijden is een van de elementen om effectieve en hoogwaardige brandweerzorg te realiseren. Ik acht het dan ook van groot belang dat veiligheidsregio’s hier hun verantwoordelijkheid in nemen. Ik heb u in mijn brief van 8 juli 2022 geïnformeerd over de systematiek van de gebiedsgerichte opkomsttijden. De systematiek van gebiedsgerichte opkomsttijden wordt opgenomen in het besluit Veiligheidsregio’s als voldaan is aan een aantal randvoorwaarden, waaronder het jaarlijks informeren van de betreffende gemeente over de gerealiseerde brandweerzorg.
Vindt u het wenselijk dat de opkomsttijden zo verruimd worden? Vindt u dat de veiligheid van kwetsbare mensen in noodsituaties zo goed geborgd wordt? Kunt u uw beantwoording niet beperken tot een verwijzing naar de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat er brandweerkazernes worden gesloten, wettelijke taken worden geschrapt en functies worden aangepast zonder dat de werkvloer hierbij vooraf bij is betrokken? Hoe past dit bij de wens van de Kamer dat de werkvloer meer zeggenschap krijgt bij dit soort verregaande besluiten?3
Het sluiten van kazernes is een proces dat loopt via de gemeenten, de Algemeen Besturen van Veiligheidsregio’s. Het betrekken van de werkvloer is hierbij van groot belang. Ik heb van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord begrepen dat nu eerst gesprekken met onder meer de werknemers en de gemeenten worden gevoerd en dat nadere planvorming is uitgesteld tot volgend jaar.
Hoe beoordeelt u de opmerking van het algemeen bestuur van de veiligheidsregio Gelderland-Midden, dat het maken van lokale maatwerkafspraken het uitgangspunt van een regionale brandweerzorg kan ondergraven?4
Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen een rol bij de inrichting van de brandweerzorg. Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om daarbij te bepalen wat er nodig is. Actieve betrokkenheid van de gemeenteraad is hierbij van belang. Aan de hand van het vastgestelde dekkingsplan legt het bestuur jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraden binnen de regio. Hierbij is halen van in het dekkingsplan vastgestelde opkomsttijden en de gerealiseerde brandweerzorg geen vrijblijvende kwestie.
In hoeverre vindt u de zeggenschap van lokale volksvertegenwoordigers geborgd in de structuur van de veiligheidsregio? Vindt u het wenselijk dat door de huidige getraptheid van de controle op de veiligheidsregio’s de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord verregaande besluiten neemt zonder de lokale volksvertegenwoordiging te betrekken?
De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord heeft aangegeven in de planvorming de gemeenteraden goed mee te nemen. Zo zijn in de eerste helft van juli regionale raadbijeenkomsten voor de raadsleden van de 16 gemeenten en zal een toekomstig plan via de zienswijze procedure langs de gemeenteraden gaan.
De slagkracht van een veiligheidsregio wordt door de Veiligheidsregio’s binnen het wettelijke kader, in dit geval het Besluit veiligheidsregio’s (Bvr)6, vastgesteld. Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen een rol bij de inrichting van de brandweerzorg. Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om daarbij te bepalen wat er nodig is aan bijvoorbeeld tankautospuiten of ondersteuningseenheden. Actieve betrokkenheid van de gemeenteraad is hierbij van belang. Aan de hand van het vastgestelde dekkingsplan legt het bestuur jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraden binnen de regio.
Bent u bereid met de veiligheidsregio Noord-Holland Noord in gesprek te gaan over uw voornemen tot wettelijke normeringen, zeggenschap van de werkvloer bij ingrijpende beslissingen en het betrekken van het lokale bestuur? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb het bestuur van de Veiligheidsregio uitgenodigd voor een gesprek.
Hoe is het volgens u mogelijk dat veiligheidsregio’s verregaande besluiten kunnen nemen om bijvoorbeeld kazernes te sluiten, terwijl er blijkbaar geen informatie voorhanden is over het aantal voertuigen, vrijwilligers of ander materieel? Op basis van welke informatie worden deze beslissingen dan genomen?5
Gegevens over het aantal voertuigen of ander materiaal worden niet door mijn ministerie geregistreerd. In mijn brief van 8 juli ben ik nader ingegaan op de brandweerkerndata.8
Het bestuur van een veiligheidsregio stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Dat betekent dat het aan dat bestuur is om te bepalen, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed, inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren.
Vindt u het wenselijk dat veiligheidsregio’s onder de noemer van experimenten, pilots en «innovatieve inzetconcepten» ongecontroleerd fundamentele en grootschalige organisatorische wijzigingen kunnen doorvoeren, die feitelijk een systeemaanpassing zijn en niet in lijn zijn met de huidige wet- en regelgeving? Bent u bereid deze «innovatieve inzetconcepten» te stoppen voordat de brandweerzorg dusdanig is verslechterd dat het gevaar voor mensen oplevert en veel (onherstelbare) schade binnen de brandweerorganisatie oplevert?6
Ik ben het met u eens dat experimenten met gebiedsgerichte opkomsttijden de brandweerzorg op een gelijkwaardig niveau moet houden. Graag wijs ik erop dat de kwaliteit van de brandweerzorg de verantwoordelijkheid van de besturen van de veiligheidsregio’s is. Zij leggen daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Ik onderschrijf uiteraard dat het behoud van de huidige kwaliteit van brandweerzorg van groot belang is. Daarbij hecht ik eraan dat de besturen van de veiligheidsregio’s realistische opkomsttijden vaststellen.
Hebben de voorgenomen plannen van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord effect op de rampenbestrijding rondom het marineterrein in Den Helder? Zo ja, hoe? Zo nee, is er voldoende afstemming tussen de brandweerorganisatie die verantwoordelijk is voor de brandweerzorg op en rondom het marineterrein en de veiligheidsregio?
De veiligheidsregio Noord-Holland Noord geeft aan dat de ontwikkelrichting geen effect heeft op de rampenbestrijding rondom het marineterrein in Den Helder.
Hoe is het volgens u mogelijk dat de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord niet weet wat er uit het eigen dekkingsplan van 2015 volgt, zoals blijkt uit de beantwoording van vraag 3 in de aangehaalde beantwoording van eerdere schriftelijke vragen?7
In de eerdere beantwoording van schriftelijke vragen inzake het schrappen van materieel en personeel heb ik aangegeven dat de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord de aantallen niet herkent. In antwoord drie staat dat de Veiligheidsregio nu eerst in gesprek gaat, voordat er verdere stappen worden gezet.
Bent u bereid om alsnog een overzicht te verschaffen van de bezuinigingen van de afgelopen 10 jaar op de brandweer, per veiligheidsregio, zoals eerder gevraagd? Zo nee, waarom niet?8
Het bestuur van een veiligheidsregio stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Dat betekent dat het aan dat bestuur is om te bepalen, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed, inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren. Voor informatie over bezuinigingen op de brandweer in de veiligheidsregio’s verwijs ik u naar de begrotingen van de afzonderlijke veiligheidsregio’s. Dit zijn openbare documenten.
Wanneer wordt het «integraal wettelijk kader» voor de crisisbeheersing en brandweerzorg verwacht?
Zoals ik heb toegezegd in het commissiedebat van 24 maart 202212 stuur ik de contourennota voor het eind van dit jaar naar de Kamer.
In hoeverre ziet u een rol voor het CBS om de data van de brandweerzorg weer bij te houden en openbaar te maken?
Vanwege opgelegde taakstellingen heeft het CBS in 2016 besloten om de uitvoering van de niet verplichte Brandweerstatistiek per 2018 te stoppen. Vanaf 2019 heeft het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) namens de veiligheidsregio’s de verantwoordelijkheid voor de dataverzameling en statistieken van de veiligheidsregio’s en het openbaar maken hiervan. Daarbij maakt het NIPV gebruik van de specialistische kennis en ervaring van het CBS. De samenwerking met het CBS is in 2018 vastgelegd en de zogenaamde data-alliantie13. Vakinhoudelijke kennis van het NIPV en de veiligheidsregio’s kunnen zo gecombineerd worden met de opgebouwde kennis van het CBS.
Naast de rol die het CBS momenteel heeft om advies te geven wanneer het NIPV hier om vraagt, zie ik om bovenstaande redenen geen rol voor het CBS om de data van de brandweerzorg weer bij te houden en openbaar te maken.
Herinnert u zich dat uit onderzoek van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) blijkt dat er volgens de veiligheidsregio’s zelf 953 brandweerposten waren, eind 2020, terwijl dat er in 1995 volgens het CBS nog 1053 waren? Hoe verklaart u dit en kunt u daarbij de bevolkingsdichtheid meenemen?9
De afname van 9,5% in het aantal brandweerposten over de 25 jaar tussen 1995 en 2020 is te verklaren doordat binnen deze tijd voormalige ca. 400 gemeentelijke brandweerkorpsen, bestaande uit ca. 1.000 lokale posten, zijn samengevoegd tot 25 brandweerregio’s. Sommige posten zijn gesloten, omdat zij werden verplaatst, samengevoegd of dat er een nieuwbouw voor in de plaats werd gerealiseerd. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s in 2010 is het aantal posten overigens beperkt afgenomen. Per 1 januari 2018 telt Nederland 951 brandweerposten. In de periode 2009–2017 zijn 21 kazernes gesloten. Enkelen daarvan zijn heropend op een nieuwe locatie of samengevoegd. Er werden in de gehele periode 2009–2017 14 nieuwe brandweerkazernes geopend15.
Deze afname in het aantal posten ten opzichte van de toename in bevolkingsdichtheid zegt overigens weinig over de geleverde brandweerzorg. In deze 25 jaren zijn er bijvoorbeeld veel nieuwe technologische ontwikkelingen geweest die het werk van de brandweer effectiever en efficiënter maken, zoals inzet van drones en blusrobots. Verder zijn posten over de jaren een beter netwerk gaan vormen waarin ze elkaar door een slimme samenstelling en spreiding ondersteunen en versterken.
Wat vindt u ervan dat uit de reacties op het onderzoek van de SP naar de brandweer naar voren kwam dat er voor brandweervrouwen, die soms kleiner van stuk zijn, niet altijd passende beschermingsmiddelen beschikbaar zijn en veiligheidsregio’s dit niet altijd adequaat oppakken? Deelt u de mening dat alle brandweerlieden veilig hun werk moeten kunnen doen?
Ik deel uw mening dat hulpverleners altijd veilig hun werk moeten kunnen doen. De veiligheidsregio’s zijn verantwoordelijk voor de uitrusting van alle brandweermensen.
Begrijpt u dat, zeker gezien de wens dat vrouwen zich welkom voelen bij de brandweer en het lage percentage werkzame brandweervrouwen, dit soort moeilijkheden waar brandweervrouwen in de dagelijkse praktijk tegenaan lopen, demotiverend kunnen werken? Bent u bereid erop toe te zien dat veiligheidsregio’s verplicht zijn voor passende beschermingsmiddelen te zorgen voor alle brandweerlieden? Zo nee, waarom niet?10
Het bestuur van de Veiligheidsregio dient als verantwoordelijk werkgever zorg te dragen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en dat conform artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet deze geborgd is met persoonlijke beschermingsmiddelen.
De opslag van aardgascondensaat in Roodeschool |
|
Henk Nijboer (PvdA), Sandra Beckerman (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «overlaadstation in Roodeschool verplaatsen» en het «ongevraagd advies omtrent vergunningsituatie Noordgastransport in Roodeschool» van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)?1
Ja, ik ken beide.
Erkent u dat de risico’s hoger zijn dan wettelijk toegestaan, zoals door SodM wordt geconcludeerd?
De activiteiten op deze locatie zijn vergund en kunnen in de toekomst alleen doorgaan als NGT de extra maatregelen en voorzieningen treft die ik zal opleggen als de activiteiten in hun huidige omvang op deze locatie worden gecontinueerd. Dit betreft dan technische maatregelen die nu de stand der techniek zijn en waarmee het huidige veiligheidsniveau verder verhoogd kan worden.
Op dit moment heeft SodM geconstateerd dat het voorgeschreven grindbed op de overslaglocatie Roodeschool niet goed onderhouden is. Het grindbed is voorgeschreven in huidige vergunning uit 2004. Dit raakt in hoofdzaak de veiligheid van de medewerkers van NGT zelf. De overslagactiviteiten van NGT zijn daarom stil gelegd tot het grindbed voldoet aan de eisen.
Op de locatie Roodeschool wordt door NGT aardgascondensaat in treinwagons gepompt. Het aardgas wordt per pijpleiding aangevoerd vanaf aangesloten platforms van verschillende operators op de Noordzee. Het komt ongeveer 6 kilometer ten noorden van Roodeschool bij Uithuizen aan land waar het gescheiden wordt vanwaar het aardgascondensaat per pijpleiding naar Roodeschool gaat. Op de locatie Roodeschool worden twee maal per week vijf treinwagons gevuld met aardgascondensaat en afgevoerd. Buiten deze handelingen vinden geen activiteiten plaats op de locatie Roodeschool. Het huidige activiteiten niveau ligt fors (80% tot 90%) lager dan in 2004 is vergund. Mogelijk dat nieuwe projecten, zoals de gaswinning boven Schiermonnikoog, over twee jaar tot een verhoging van het huidige activiteitenniveau kunnen leiden. Dit acht ik niet wenselijk en dus kijk ik naar actualisatie van de vergunning en mogelijke verplaatsing.
Het onderhoud van het spoor en de spoorwegvoorzieningen binnen de inrichting vallen onder verantwoordelijkheid van ProRail. Mijn verantwoordelijkheid ligt bij de beoordeling van de veiligheid van de inrichting en haar activiteiten. SodM en EZK zijn in 2021 begonnen met een traject om de actualiteit van alle milieuvergunningen te toetsen. Uit de eerste toetsingen blijkt dat in sommige gevallen een actualisatie noodzakelijk is maar er zijn geen acute risico’s geconstateerd.
Dit geldt ook voor de locatie Roodeschool. Er is geen sprake van een acute dreiging voor de omgeving, maar de vergunning moet wel worden geactualiseerd naar de huidige stand der techniek. Er zijn sinds zes jaar nieuwe rekenregels voor het bepalen van risicocontouren en daarnaast ook nieuwe technieken en regels. SodM heeft geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de in de vergunning voorgeschreven voorzieningen. De toepassing van de nieuwe rekenregels op wat maximaal vergund is, geeft een andere uitkomst dan in 2004. De beperkte omvang van de huidige activiteiten en mogelijke maatregelen en voorzieningen moeten hierin nog wel worden meegenomen. De beperkte omvang van de huidige activiteiten geeft een lager risico. SodM, mijn ambtenaren en NGT zijn hierover nog in overleg. Het verschil in het risico dat is verbonden aan de omvang van de in 2004 vergunde activiteiten en het risico dat is verbonden aan de huidige activiteiten neem ik mee in mijn afwegingen bij het actualiseren van de vergunning en een eventuele verplaatsing.
Met het actualiseren van de vergunning zal ik nog voor het einde van het jaar, indien nodig, aan NGT nieuwe extra maatregelen en voorzieningen opleggen of de vergunning beperken waarmee een hoger veiligheidsniveau kan worden gerealiseerd. SodM kan in de tussentijd vanuit haar rol als toezichthouder passende maatregelen opleggen aan NGT. De beantwoording van deze vragen en de actualisatie en mogelijke verplaatsing zijn en worden afgestemd met SodM.
De omvang van de activiteiten zoals die in 2004 zijn vergund is niet meer wenselijk en zal vermoedelijk ook niet meer vergund kunnen worden. Los van de mogelijkheid om de vergunning te actualiseren heeft het mijn sterke voorkeur om de overslag van aardgascondensaat op een andere locatie dan Roodeschool te laten plaatsvinden.
Erkent u dat cruciale voorzieningen om de veiligheid te borgen ontbreken, zoals SodM op locatie heeft vastgesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u voorts de conclusie van SodM dat de berekening van de risicocontour zoals aangeleverd voor de vergunning niet correct is?
Zie antwoord vraag 2.
Neemt u de conclusie van SodM over dat de huidige activiteiten op de huidige locatie niet vergunbaar zijn?
Ik heb kennis genomen van het advies van SodM, waarin zij stelt dat zij er op dit moment van uitgaan dat de in 2004 vergunde activiteiten op deze locatie niet vergunbaar zijn. Om die reden geeft SodM mij in overweging om het gesprek met NGT te openen over een bedrijfsverplaatsing binnen een afzienbare periode. Daarnaast adviseert SodM mij de vergunning zo snel mogelijk te actualiseren. Beide adviezen neem ik over. Op dit moment wordt overigens slechts 10% tot 20% van de vergunde activiteiten benut. Hierdoor is er geen sprake van een onveilige situatie. Zie ook het antwoord op vraag 2, 3 en 4.
Gaat u zorgen dat het de opslag van aardgascondensaat in Roodeschool zo snel mogelijk stopt? Welke stappen gaat u daar op welke termijn voor zetten?
De activiteiten in hun huidige omvang in Roodeschool kunnen in de toekomst alleen worden voortgezet indien NGT extra maatregelen treft zoals een dampretoursysteem. Het heeft echter mijn sterke voorkeur de activiteiten te verplaatsen. Op dit moment wordt er een aantal projecten op de Noordzee gestart die binnen twee jaar mogelijk ook gebruik wil maken van Roodeschool. Dit vind ik ongewenst, los van de vraag of het past. Enkele jaren geleden waren er ook al plannen om de activiteiten te verplaatsen. Mijn ambtenaren hebben de eerste gesprekken met gemeente, provincie en NGT al gevoerd. Ook ikzelf ben in gesprek geweest met de gemeente over mogelijke scenario’s. De verschillende scenario’s voor verplaatsing zullen worden uitgewerkt en er zal gekeken worden wat het meest kansrijk en wenselijk is. Ik zal u hierover na het zomerreces verder informeren. NGT heeft als zelfstandig bedrijf en vergunninghouder een eigen verantwoordelijkheid bij het bepalen van haar keuze.
In antwoord op kamervragen van het lid Beckerman over de overslag van aardgascondensaat in Roodeschool (Aanhangsel handelingen II 2021/22, nr. 2515) gaf u aan dat: «de risico’s binnen de wettelijke normen vallen zodat ik een verplaatsing niet kan afdwingen», heeft u nu dit niet waar blijkt te zijn wel wettelijke mogelijkheden om deze verplaatsing af te dwingen?
Op basis van het recente onderzoek naar de actualiteit van de vergunning uit 2004 is geconstateerd dat het risico op de locatie Roodeschool verder verkleind kan en moet worden door maatregelen en voorzieningen die destijds nog niet gangbaar waren. Deze maatregelen zijn voorwaardelijk voor NGT om de activiteiten te kunnen continueren op de huidige locatie. Ik zal mij inspannen om NGT te overtuigen dat het vanuit maatschappelijk oogpunt wenselijker is om de activiteiten te verplaatsen naar een locatie die daarvoor meer geschikt is.
Hoe gaat u zorgen dat de communicatie met omwonenden over dit rapport en de vervolgstappen goed verloopt?
Ik heb inmiddels zelf kort gesproken met inwoners uit Roodeschool en bestuurders van de gemeente. Mijn ambtenaren hebben dit ook gedaan. Ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen hebben de conclusies van het toezicht toegelicht aan de bewoners. Mijn ambtenaren zullen de contacten met de bewoners verder onderhouden. De komende tijd zullen er gesprekken worden gevoerd over de toekomst van de activiteiten van NGT in Roodeschool. De bewoners zullen tijdig worden geïnformeerd over vervolgstappen in dit traject.
Hoe gaat u zorgen dat financiën geen probleem of vertragende factor worden bij het verplaatsen van deze opslag?
De uitwerking van de verschillende scenario’s zal in eerste instantie worden gebaseerd op veiligheid en ruimtelijke inpassing. In alle scenario’s zal NGT een deel van de kosten moeten dragen.
Dit SodM advies komt voort uit het «inhaalprogramma milieuvergunningen», welke andere vergunningen zijn en worden hiervoor onderzocht?
Het «inhaalprogramma milieuvergunningen» betreft een gezamenlijk project van het Ministerie van EZK en SodM om de gezamenlijke kennis op het vlak van het thema «Milieu» voor vergunningverlening en toezicht en handhaving een kwaliteitsimpuls te geven. Het is in 2021 gestart. Een groot deel van dit traject is het screenen van alle afgegeven milieuvergunningen. Dit traject is nog niet afgerond. Het gaat om ongeveer 750 vergunningen die zullen worden gescreend. Op basis van een eerste analyse door de ambtenaren van EZK en SodM zijn de omgevingsvergunningen en mijnbouwmilieuvergunningen voor een aantal locaties gescreend. SodM heeft deze locaties verscherpt gecontroleerd. Daarbij zijn bij Roodeschool diverse overtredingen aangetroffen, waaronder het achterstalligonderhoud aan het grindbed, geen acuut gevaarlijke situaties aangetroffen en was de feitelijke situatie ter plaatse in lijn met de beschrijvingen van de activiteiten en de installaties in de milieuvergunningen. Wel is duidelijk geworden dat verschillende milieuvergunningen, waaronder die van Roodeschool, moeten worden geactualiseerd om te voldoen aan meer recente wet- en regelgeving. Verder zullen ook alle afgegeven omgevingsvergunningen en mijnbouwmilieuvergunningen voor alle mijnbouwlocaties doorgelicht gaan worden. Deze twee trajecten zullen de komende jaren zijn beslag krijgen.
Kunnen omwonenden met zorgen ook op verzoek door SodM de vergunning laten onderzoeken?
De vergunning voor de inrichting in Roodeschool is inmiddels doorgelicht en de bewoners zijn hierover al geïnformeerd. Op basis van de omvang van de vergunde activiteiten, het type vergunning en de locatie wordt een selectie gemaakt van welke vergunningen wanneer worden doorgelicht.
SodM houdt toezicht op alle mijnbouwlocaties. Daarvoor maakt zij gebruik van de geldende vergunningen. Er wordt gecontroleerd of aan de vergunning wordt voldaan en of de situatie ter plaatse aanleiding geeft tot het aanpassen van de vergunning. SodM adviseert mij verder over alle vergunningaanvragen waar ik een besluit op moet nemen.
SodM houdt toezicht op de veilige werking van alle mijnbouwlocaties en installaties. Indien er zorgen zijn kan SodM indien nodig vanuit haar toezichthoudende rol des gevraagd duidelijkheid verschaffen over de zorgen van omwonenden. De feitelijke veiligheidssituatie is daarbij bepalend en indien nodig kan ik de vergunning aanpassen. Gezien het grote aantal vergunningen is het efficiënter dat de screening wordt gedaan op basis van de programmatische aanpak die door EZK en SodM is gemaakt.
Kunt u deze kamervragen met spoed beantwoorden zodat omwonenden niet nog langer in onveilige omstandigheden zitten?
Ja.
De toegezegde brief aan het lid Rajkowski (VVD) tijdens het Commissiedebat Telecomraad van 31 mei 2022 over de mogelijke gevaren rondom het uitschakelen van 2G en 3G in 2025 |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het 2G en 3G netwerk in 2025 uitgeschakeld wordt en dat hiermee het niet meer mogelijk is om 2G en 3G te gebruiken om te bellen, maar alleen 4G of 5G?
Er zijn momenteel drie mobiele netwerkaanbieders die 2G- of 3G-netwerken hebben: KPN, T-Mobile, en VodafoneZiggo.
Op basis van deze informatie begint de afschakeling van het laatste 2G-netwerk in december 2025. Het 3G-netwerk van T-Mobile is dan mogelijk nog wel actief. Als dit zou gebeuren dan kunnen klanten van KPN en VodafoneZiggo alleen nog maar bellen via 4G of 5G. Echter, uit de gesprekken die de afgelopen maanden met de mobiele netwerkaanbieders zijn gevoerd blijkt dat zij deze afschakeling zeer zorgvuldig willen uitvoeren. Zij zijn zich bewust van de problemen die er bestaan in de ondersteuning van bellen via 4G. Zo lang deze problemen bestaan is het onwaarschijnlijk dat zij hun 2G- en/of 3G-netwerken volledig uitschakelen. Die zorgvuldigheid blijkt ook uit de reeds verrichte afschakelingen van bijvoorbeeld 3G door VodafoneZiggo, en ISDN door KPN.
Heeft het kabinet invloed op het moment van uitschakeling van het netwerk? Zo nee, waarom niet?
In beginsel niet. Marktpartijen mogen zelf bepalen welke technologie zij wel of niet toepassen. En dus ook wanneer zij welke netwerken uitschakelen. Het beleid is gestoeld op het principe van technologieneutraliteit.5 2G en 3G kunnen in de praktijk alleen worden aangeboden via de 900 MHz-, 1800 MHz- en 2100 MHz-banden. De vergunningen voor die banden bevatten geen verplichting om een specifieke technologie zoals 2G of 3G toe te passen. Het Europees wetgevend kader zoals geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet en het Frequentiebesluit 2013 lijken het alsnog opleggen van zo’n voorschrift niet onmogelijk te maken. Maar ik acht het momenteel niet noodzakelijk of wenselijk om dat te doen.
Ik vind het namelijk een logische en goede ontwikkeling dat de overstap naar nieuwe hoogwaardigere technologieën wordt gemaakt, mits de uitfasering zorgvuldig gebeurt en tijdig en duidelijk wordt aangekondigd. 2G en 3G zijn minder efficiënte technologieën dan 4G of 5G. Er kan minder data mee worden vervoerd per (M)Hz en het energieverbruik van 2G en 3G ligt hoger dan van 4G en 5G. Volledig overschakelen op 4G, 5G en toekomstige opvolgers, is dus belangrijk om de groei van het dataverbruik te adresseren, en om voor meer energie-efficiëntie te zorgen. Op dit moment heb ik er vertrouwen in dat de uitfasering zorgvuldig gaat plaatsvinden en ingrijpen op het moment van afschakeling daarom momenteel niet nodig is.
Wat zijn de concrete gevolgen voor burgers en bedrijven van het uitschakelen van 2/3G voor bellen en overig gebruik van de telefoon?
Als de industrie er in slaagt om de ondersteuning van bellen via 4G (en op termijn ook 5G) op orde te krijgen dan hoeven er geen nadelige gevolgen te zijn voor burgers en bedrijven. Zij krijgen dan juist een verbeterde kwaliteit van telefoongesprekken. Het kan wel noodzakelijk zijn voor burgers en bedrijven om nieuwe toestellen te kopen, of de software op hun toestellen te updaten.
Voor D66 is het belangrijk dat het bereiken van 112 niet afhankelijk is van welke toestel of welke provider iemand heeft. Is het bellen met 4/5G (VoLTE) even betrouwbaar als het regulier bellen zoals we deze nu kennen? Is het mogelijk/eenvoudig voor iedereen om met welke toestel dan ook, en met welke provider elkaar te bereiken?
Op dit moment is de ondersteuning voor bellen via 4G of 5G niet even betrouwbaar als voor bellen via 2G of 3G. Daar wordt echter aan gewerkt door de industrie. Dit moet leiden tot eenzelfde betrouwbaarheid waardoor iedereen, ongeacht het toestel dat die persoon heeft, kan bellen naar 112. Ook als iemand geen dekking heeft van het netwerk van zijn eigen aanbieder, maar er wel dekking is van een ander netwerk.
Er zijn geen problemen bekend met bellen via 4G (of 5G) waardoor klanten van de ene provider niet kunnen bellen met klanten van een andere provider.
Wat zullen de verdere gevolgen zijn van deze ontwikkeling voor de bereikbaarheid van alarmnummer 112?
Als de industrie er in slaagt om de ondersteuning van bellen via 4G (en op termijn ook 5G) op orde te krijgen dan zal de bereikbaarheid van 112 waarschijnlijk iets verbeteren. 4G en 5G werken onder meer op lagere frequenties dan 2G en 3G. Lagere frequenties reiken verder en dringen makkelijker door muren en andere obstakels heen. Dit vergroot het bereik van de mobiele netwerken. Bovendien kan bellen via 4G al bij een mindere kwaliteit van het netwerksignaal dan wat 2G of 3G nodig hebben. In de gevoerde gesprekken is door mobiele netwerkaanbieders wel opgemerkt dat de ontvangstkwaliteit van nieuwe toestellen soms slechter is dan die in het verleden was.6 Die slechtere ontvangstkwaliteit doet het grotere bereik van 4G en 5G netwerken gedeeltelijk teniet. Niettemin lijkt bellen via 4G of 5G per saldo een lichte verbetering op te leveren.
Kunt u verder toelichten in hoeverre de techniek rondom VoLTE hierin een mogelijk rol kan spelen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 5, waarin wordt ingegaan op de technologie van bellen via 4G, ook wel VoLTE genoemd.
Kunt u toelichten wat de rol van Europa en Nederland is bij het maken van goede standaarden voor VoLTE? Zoals in het verleden het GSM standaard tot stand is gekomen.
VoLTE is opgesteld door de internationale standaardisatieorganisatie 3GPP.7 3GPP ontwikkelt en beheert moderne mobiele netwerktechnologieën, zoals ook 4G en 5G. 3GPP is een wereldwijd samenwerkingsverband van standaardisatieorganisaties. Zoals het Europese ETSI waar onder meer het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de politie, en de Europese Commissie lid van zijn. Via ETSI kan invloed worden uitgeoefend op de (door)ontwikkeling van standaarden zoals VoLTE. In de praktijk is dat voor VoLTE niet gebeurd.
Kunt u garanderen dat het in de toekomst niet uit moet maken welke provider je gebruikt om te bellen, zoals naar het 112 nummer? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid zich in te zetten om dit mogelijk te maken?
Op dit moment kan ik dat niet garanderen. Maar ik zet ik mij daar wel voor in. Net als de deelnemers van de bijeenkomsten die ik recent heb georganiseerd. Ik heb dit nader toegelicht in de brief die samen met deze beantwoording aan uw Kamer is gestuurd.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden, tegelijkertijd met wanneer de aanvullende brief naar de Kamer wordt gestuurd?
Ja, met een uitzondering van het antwoord op vraag 8. Daarvoor verwijs ik u naar de Kamerbrief.
Het bericht 'Medisch toerisme in de lift, maar ingrepen niet zonder risico: ‘Deel van mijn wangen voel ik niet meer’' |
|
Judith Tielen (VVD), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Medisch toerisme in de lift, maar ingrepen niet zonder risico: «Deel van mijn wangen voel ik niet meer»»?1
Ja, dit artikel is mij bekend. Daarnaast is tijdens het Notaoverleg «Cosmetische ingrepen zonder medische noodzaak» van 28 maart jl. het onderwerp cosmetische behandelingen in het buitenland uitgebreid aan bod gekomen.
Bent u van mening dat malafide bemiddelingsbureaus die burgers bewust verkeerd voorlichten over cosmetische ingrepen in het buitenland moeten worden aangepakt? Zo ja, welke stappen bent u van plan te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat bemiddelingsbureaus die burgers bewust verkeerd voorlichten over cosmetische ingrepen in het buitenland aangepakt moeten worden. Echter, dergelijke bemiddelingsbureaus vallen niet altijd onder het toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Dit is alleen het geval als de activiteiten die zij uitvoeren vallen onder de reikwijdte van zorg zoals bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Het stellen van een diagnose, het ter handstellen van geneesmiddelen of het leveren van nazorg zijn allemaal voorbeelden van zorgverlening. Als dergelijke activiteiten in Nederland plaatsvinden, is de IGJ de aangewezen toezichthouder en kunnen zij interveniëren met gebruikmaking van het hun ter beschikking staande instrumentarium. Reisbemiddeling en het aanbieden van websites waarop te zien is welke operaties in het buitenland mogelijk zijn, zijn geen zorg in de zin van de Wkkgz en vallen daarom ook niet onder toezicht van de IGJ. Bij onrechtmatig handelen van bemiddelingsbureaus, die niet onder het toezicht van de IGJ staan, staat wel de weg naar een civiele rechter open.
Aan welke voorwaarden moeten (buitenlandse) aanbieders van cosmetische ingrepen voldoen om zich te vestigen in Nederland?
Allereerst wil ik benadrukken dat de cosmetische sector een brede sector is die reikt van het aanbrengen van make-up en peelings, tot andere schoonheidsbehandelingen en plastische chirurgie. Een deel van de beroepen in de cosmetische sector is gereguleerd in de Wet Beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Om de patiëntveiligheid te waarborgen zijn bepaalde cosmetische ingrepen/handelingen voorbehouden handelingen die alleen door een BIG-geregistreerde zorgmedewerker uitgevoerd mogen worden. Zo mogen enkel bepaalde beroepsgroepen, zoals cosmetisch artsen en plastisch chirurgen, behandelingen als snijden en injecteren uitvoeren.
Gezien het feit dat de cosmetisch arts en de plastisch chirurg geregistreerde gezondheidsberoepen zijn, moeten buitenlandse aanbieders die dit beroep willen uitoefenen in Nederland de BIG-toelatingsprocedure voor Buitenslands gediplomeerden doorlopen, conform de Wet BIG. In deze procedure beoordeelt de Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV) of de gevolgde opleiding en ervaring gelijkwaardig zijn aan de Nederlandse vereisten van het beroep in het BIG-register. Als iemand niet voldoet aan de eisen voor toelating tot het BIG-register, wordt bekeken of deze tekortkomingen kunnen worden gecompenseerd door een aanvullende opleiding, een aanpassingsstage of een proeve van vakbekwaamheid. Bovendien geldt voor werknemers van buiten de EER dat zij moeten voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt die zijn vastgelegd in de Wet arbeid vreemdelingen.
Kunt u de Kamer inzicht geven in de landelijke registratie van complicaties van behandelingen in het buitenland door de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC)?
Er is geen centrale (nationale) registratie van complicaties na ingrepen in het buitenland omdat complicatieregistraties in de ziekenhuizen geen onderscheid maken tussen nationale of buitenlandse complicaties. De NVPC is per 11 mei 2022 een nieuwe (openbare) registratie gestart. Gezien de recente start zijn daar nog geen concrete bevindingen uit te halen. Sinds de start van de nieuwe registratie zijn er 7 complicaties gemeld uit het buitenland waarvoor nazorg is geleverd in Nederland. De nieuwe registratie zal hier in de toekomst hopelijk beter inzicht in geven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze bemiddelingsbureaus in ieder geval (gedeeltelijk) onder het toezicht- en handhavingsgebied van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) komen te staan?
Zoals ik bij vraag 2 reeds aangegeven heb, vallen dergelijke bemiddelingsbureau niet altijd onder het toezicht- en handhavingsgebied van de IGJ. Dit is immers afhankelijk van de activiteiten die zij uitvoeren. Alleen wanneer sprake is van zorg in de zin van de Wkkgz, die in Nederland wordt geleverd, vallen de bemiddelingsbureaus onder toezicht van de IGJ. Wanneer bemiddelingsbureaus niet onder het toezicht van de IGJ vallen, staat bij onrechtmatig handelen de weg naar een civiele rechter open. Indien wel sprake is van zorgverlening zoals bedoeld in de Wkkgz, is de IGJ de aangewezen toezichthouder en kunnen zij interveniëren met gebruikmaking van het hun ter beschikking staande instrumentarium.
Ten slotte wil ik nog benadrukken dat het de eigen verantwoordelijkheid van consument is, wanneer hij of zij de keuze maakt om een niet medisch noodzakelijke behandeling in het buitenland te ondergaan en hierbij gebruik te maken van deze bemiddelingsbureaus.
Bent u bereid om op de website van de rijksoverheid, jezelfmooiermaken.nl, duidelijker te verwijzen naar de beroepstitel «Cosmetisch arts KNMG» en naar de relevante informatie die door veldpartijen al is samengesteld?
De website van rijksoverheid over cosmetische zorg is eind vorig jaar vernieuwd. Met de informatie die op deze website staat, hoop ik de cliënt te ondersteunen in hoe hij of zij zich vooraf goed kan laten informeren over een eventuele behandeling en over de risico’s. Hier is onder andere informatie terug te vinden over de beroepstitel «Cosmetisch arts KNMG». Ook wordt doorverwezen naar het «Register cosmetisch arts KNMG» van de Nederlandse Vereniging Cosmetische Geneeskunde (NVGC). In dit register is terug te vinden welke artsen de titel mogen voeren. Dit ondersteunt cliënten bij het vinden van een geschikte arts voor een cosmetische ingreep.
Daarnaast wordt op de website doorverwezen naar het Kwaliteitskader Cosmetische Zorg dat door het Zorginstituut Nederland in 2019 is vastgesteld. Hierin worden de landelijke afspraken beschreven over hoe de cosmetische zorg georganiseerd moet zijn om ervoor te zorgen dat een cliënt overal in Nederland dezelfde veilige en kwalitatief goede cosmetische zorg krijgt.
Welke stappen onderneemt u verder om burgers beter voor te lichten over de risico’s die kleven aan cosmetische ingrepen zonder medische noodzaak in het buitenland? Ziet u daarnaast ook de meerwaarde van het wijzen op counselingsmogelijkheden in deze campagne?
Zoals ik bij vraag 6 heb aangegeven, hoop ik met onze vernieuwde website over cosmetische zorg, de cliënt te ondersteunen in hoe hij of zij zich vooraf goed kan laten informeren over een eventuele behandeling en over de risico’s. Op de website is ook een voorlichtingsanimatie te vinden en zijn adviezen terug te vinden voor cliënten die er toch voor kiezen om hun ingreep in het buitenland te laten doen. Zoals toegezegd tijdens het nota-overleg cosmetische ingrepen zonder medische noodzaak op 28 maart jongstleden heb ik deze informatie ook via «socials» verspreid, zodat de doelgroep «jongeren» beter wordt bereikt.
Consumenten die (in het buitenland) een cosmetische operatie willen ondergaan moeten zich vooraf goed laten informeren over de behandeling en de risico’s die daaraan verbonden kunnen zijn en over de deskundigheid van de behandelaar. De consument is hier zelf verantwoordelijk voor, het gaat hier om niet verzekerde en niet medisch noodzakelijke ingrepen.
Op welke manieren betrekt u de veldpartijen bij voorlichtingscampagnes en informatieverstrekking over cosmetische ingrepen in het buitenland, bijvoorbeeld door gebruik te maken van door hen gemaakte folders?
Ik wil hier graag benadrukken dat het geven van voorlichting over cosmetische ingrepen geen kerntaak van de overheid is. Veldpartijen hebben mij en mijn voorgangers gevraagd hieraan een bijdrage te leveren en dat doe ik van harte, maar zoals gezegd zijn cosmetische ingrepen geen medisch noodzakelijke zorg.
De verantwoordelijkheid om zich goed te laten informeren ligt bij de consument. Deze dient zich vooraf relevante vragen te stellen, zoals: heb ik de eventuele risico’s goed afgewogen en heb ik te maken met een deskundige behandelaar. Het is daarom van belang om bewustwording aan de voorkant te creëren zodat consumenten zich voldoende laten informeren over een cosmetische ingreep en de eventuele risico’s die hieraan verbonden kunnen zijn, ook/zeker als men kiest voor een behandelaar in het buitenland. Daarbij is goede informatievoorziening belangrijk, zodat mensen zelf een weloverwogen keuze kunnen maken en de risico’s van ingrepen begrijpen. Dit geldt ook wanneer een cliënt ervoor kiest om in zee te gaan met een bemiddelingsbureau die cosmetische behandelingen in het buitenland aanbiedt.
De consument kan bij zijn of haar keuze gebruik maken van diverse communicatiekanalen en middelen die worden aangeboden door veldpartijen, ook in het buitenland. Daarnaast probeer ik cliënten met de informatie die op de website van de rijksoverheid over cosmetische zorg is te vinden te ondersteunen bij hun keuze. Hiermee hoop ik bij te dragen aan een stukje inzicht en doorverwijzing in de keuze die de consument maakt.
Op welke manier geeft u de voorlichting over malafide bemiddelingsbureaus een plek in de toekomstige voorlichtingscampagne, conform een eerder aangenomen motie?2
Zie antwoord vraag 8.
Hoe bent u van plan om, conform een hiertoe aangenomen motie, het gecertificeerde beroep «Cosmetisch arts KNMG» breder onder de aandacht te brengen bij het bredere publiek?3
Ik ben hierover in gesprek met onder andere de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en de Nederlandse Vereniging Cosmetische Geneeskunde (NVCG). Gezamenlijk zullen wij dit oppakken en ervoor zorgen dat het beroep «Cosmetisch arts KNMG» meer bekendheid zal krijgen bij het bredere publiek.
Bent u van mening dat influencers, online (Youtube)kanalen en online platforms transparant moeten zijn over risico’s bij cosmetische producten of behandelingen waar ze reclame voor maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe zet u zich in om dit te bewerkstelligen?
Voor medisch cosmetische behandelingen geldt een reclamecode. Dit zijn afspraken waar adverteerders zich aan moeten houden. Reclame mag bijvoorbeeld niet gericht zijn op minderjarigen en geen garantie geven over het resultaat. Wanneer een advertentie over een medisch cosmetische behandeling misleidend is, kan een klacht worden ingediend bij de Reclame Code Commissie. Daarnaast geldt voor influencers, online (Youtube)kanalen en online platforms een Reclamecode Social Media & Influencer Marketing.
Het memorandum van het Nationaal Comité 4 en 5 mei |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het fragment in de toelichting van het memorandum over de «De koloniale oorlog in Indonesië», waarin staat: «We herdenken alle Nederlandse en Indonesische slachtoffers die hier vielen.»?
Ja.
Is het juist dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei bij vragen van Kamerleden hierover verwijst naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
Kunt u aangeven wie met deze slachtoffers worden bedoeld en waar zij volgens u slachtoffer van zijn?
Sinds 1961 worden alle burgers en militairen die «in het belang van het Koninkrijk zijn gevallen» herdacht. Zowel de Japanse bezetting als de periode 1945–1949 zijn derhalve impliciet al decennia verankerd in de Nationale Herdenking. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC) geeft in het memorandum aan dat alle oorlogsslachtoffers van de koloniale oorlog in Indonesië worden herdacht. Dit betreft zowel Nederlandse als Indonesische oorlogsslachtoffers.
Verder geeft het NC bij de kranslegging voor burgerslachtoffers in Azië aan dat er burgers worden herdacht die zijn omgekomen «als gevolg van verzet, internering, oorlogsgeweld, uitputting, honger en dwangarbeid».
Kunt u daarnaast aangeven wat uw overwegingen zijn om deze groep op te nemen in de herdenking en op wiens initiatief of opdracht dit is gebeurd?
Het initiatief is door het NC zelf genomen. Het NC is een onafhankelijke organisatie die zelfstandig besluit over de wijze waarop de herdenking op 4 mei wordt vormgegeven. Dit betreft ook eventuele tekstaanpassingen van het memorandum.
Bent u zich bewust van het feit dat onder «Indonesische slachtoffers» van de «koloniale oorlog» ook Indonesiërs vallen die vochten voor de toenmalige vijand?
Ja.
Bent u zich bewust van het feit dat er zich onder de «slachtoffers» aan Indonesische zijde ook oorlogsmisdadigers bevinden?
Tijdens de Nationale Herdenking staat het herdenken van slachtoffers centraal, dat is niet hetzelfde als zij die vochten en eventuele oorlogsmisdadigers.
Begrijpt u dat het herdenken van deze «Indonesische slachtoffers», met name de «slachtoffers» die vochten voor de toenmalige vijand, op nota bene 4 mei voor veel (Indisch-)Nederlandse slachtoffers zeer pijnlijk is, omdat zij de facto gedwongen worden om de daders van hun leed eer te bewijzen?
Ik ben mij ervan bewust dat er vanuit de Indische gemeenschap verschillend wordt gereageerd op het herdenken van Indonesische slachtoffers tijdens de Nationale Herdenking. Sommige Indische Nederlanders ervaren dit als pijnlijk, anderen spreken hiervoor waardering uit.
Bent u ervan op de hoogte dat Indonesiërs tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog gruwelijk hebben huisgehouden onder aanvankelijk met name (Indische) Nederlanders en dat – ook volgens historici als bijvoorbeeld dr. Herman Bussemaker – dit Indonesische (Bersiap-)geweld allesbepalend is geweest voor de identiteitsvorming van Indische Nederlanders?
Ik ben mij ervan bewust dat zowel in de Tweede Wereldoorlog als de periode daarna burgers en militairen zijn omgekomen en vermoord in voormalig Nederlands-Indië. De periode direct na de Tweede Wereldoorlog, de periode die in Nederland bekend staat als de Bersiap, kenmerkte zich door extreem geweld waarvan vele bevolkingsgroepen slachtoffer waren. Ik besef dat deze verschrikkelijke ervaringen tot op de dag van vandaag doorwerken.
Begrijpt u dat het voor deze groep, waarvan het leed sowieso in ons collectieve geheugen vrij onbekend is, zeer pijnlijk is dat daar nu opnieuw aan voorbij lijkt te worden gegaan?
Bij de Nationale Herdenking worden alle oorlogsslachtoffers herdacht. Het herdenken van de ene groep slachtoffers gaat niet ten koste van het herdenken van andere slachtoffers. Verder zet ik mij ervoor in dat de kennis over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië in de Nederlandse samenleving wordt verankerd, inclusief de zwarte bladzijden.
Begrijpt u het gevoel van woede en miskenning van (Indische) Nederlanders, doordat Indonesische daders door het comité nu als slachtoffers worden neergezet?
Ik deel het beeld niet dat het NC nu daders neerzet als slachtoffers. Gevoelens van woede en miskenning jegens gebeurtenissen in het verleden en heden zijn ingewikkeld om volledig en altijd te begrijpen en in alles rekening mee te houden. Maar ik heb zeker begrip voor de wezenlijke plek die deze gevoelens kunnen innemen in het bestaan van de mensen die zich hier miskend voelen.
In hoeverre is het herdenken van slachtoffers van de toenmalige vijand te verenigen met het nationale/Nederlandse karakter van de Nationale Dodenherdenking?
De geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië is een integraal onderdeel van de Nederlandse geschiedenis. Het herdenken van alle slachtoffers in voormalig Nederlands-Indië sluit derhalve aan bij het karakter van de Nationale Herdenking op 4 mei.
Heeft u hierover contact gehad met vertegenwoordigers van de gemeenschap van Indische Nederlanders en vertegenwoordigers van de Veteranen? Zo ja, met wie en wanneer?
Het NC is een onafhankelijke organisatie die zelfstandig besluit over de wijze waarop de herdenking op 4 mei wordt vormgegeven. Dit betreft ook eventuele tekstaanpassingen van het memorandum en de partijen die hierbij worden betrokken. Het NC is overigens continu in gesprek met verschillende (Indische) organisaties en belangengroepen.
De opschaling van de groen gas productie in Nederland |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de totale ambitie is in de groengassector op dit moment? Om hoeveel miljard kuub (bcm) groen gas gaat het dan per 2025 en 2030?
In het Klimaatakkoord heeft de groen gassector de ambitie uitgesproken 2 bcm groen gas te willen produceren in 2030. De recent opgerichte sectororganisatie Platform Groen Gas, die door een fusie van 4 brancheverenigingen is ontstaan, onderschrijft deze ambitie.
Hoe verhoudt deze totale ambitie zich ten opzichte van het doel voor groen gas dat u heeft gesteld van 2 bcm in 2030? Ziet u daarmee kansen om uw doelen te verhogen?
Deze sectorambitie is in lijn met mijn beleidsambitie. Op basis van de huidige productie in Nederland, namelijk 0,2 bcm, is 2 bcm in 2030 een stevige ambitie. Desalniettemin zal ik, in lijn met mijn toezegging aan het lid Erkens, tijdens het CD Klimaat & Energie d.d. 24 maart 2022, in het Programma Groen Gas onderzoeken of een hogere ambitie haalbaar is. Ik verwacht uw Kamer hier nader over te kunnen informeren aan het einde van 2022.
Welke verschillende technieken lijken volgens u vooralsnog kansrijk om een aanzienlijke hoeveelheid groen gas te produceren?
Op hoofdlijnen zijn er drie technieken om groen gas uit biogrondstoffen te produceren: vergisting, thermische vergassing en superkritische vergassing. Vergisting is een bestaande en reeds breed toegepaste techniek. Beide technieken voor vergassing zitten nog in de opschalingsfase, maar zullen naar verwachting een bijdrage leveren aan de ambities van 2030. Het kabinet ziet voor alle drie de technieken een rol weggelegd in het realiseren van de groen gasambities: iedere techniek kent zijn eigen optimale toepassingsbereik in termen van soorten biogrondstoffen die verwerkt kunnen worden en toepassingsschaal. Het kabinet zal in het kader van de in vraag 2 genoemde toezegging onderzoeken of er meer technieken of grondstoffen zijn die een duurzame bijdrage kunnen leveren aan groen gasproductie in Nederland.
Kunt u per techniek aangeven wat het aandeel in de ambitie onder vraag 1 is voor 2030?
Beleidsmatig heb ik geen verwachtingen of voorkeuren voor bepaalde groen gastechnieken. In de studie die CE Delft heeft gedaan voor de bijmengverplichting groen gas en die op 1 juli jl. aan uw Kamer is aangeboden, gaat CE Delft uit van circa 0,15 tot 0,55 bcm superkritische vergassing, circa 0,2 tot 0,5 bcm thermische vergassing en circa 0,65 tot 1,05 bcm vergisting.
Op welke manier wordt elk van deze technieken ondersteund? Is daarbij ruimte voor maatwerk?
Deze technieken worden op dit moment primair ondersteund middels de SDE++, waarbinnen aparte categorieën zijn ingericht voor vergisting en vergassing. Ook de regeling Energie voor Vervoer en de aangekondigde bijmengverplichting groen gas in de gebouwde omgeving dragen bij aan de opschaling en ondersteuning van deze technieken. Deze instrumenten zien alle drie op generieke stimulering van groen gas productie.
Daarnaast is vergassing één van de technieken waarvoor ondersteuning wordt beoogd via de in het Coalitieakkoord genoemde, vroege fase-opschalingsregeling. Bij de uitwerking van deze vroege fase-opschalingregeling zal ik nauwkeurig kijken naar de specifieke benodigde ondersteuning van vergassingsproducenten. Het kabinet acht aanvullende ondersteuning voor vergassing wenselijk omdat vergassing een significante bijdrage kan leveren aan de transitie, maar op dit moment als innovatieve techniek nog onvoldoende kan concurreren op kosteneffectiviteit in de SDE++.
Wat kunt u doen om de ontwikkeling van locaties, dat nu tegen lange vergunningaanvragen aanloopt, voor de ontwikkeling van groengasproductie te versnellen?
Ik herken dat de langdurige procedures voor ruimtelijke inpassing een barrière zijn voor de tijdige opschaling van de groen gas productie. In lijn met de Routekaart Groen Gas (Kamerstuk 32 813, nr. 487) onderzoek ik momenteel met de Unie van Waterschappen en Energiebeheer Nederland welke rol respectievelijk waterzuiveringslocaties en voormalige mijnbouwlocaties kunnen spelen in het versneld inpassen van groen gasproductie. In het Programma Groen Gas zal ik mijn beleid intensiveren. Naast het vinden van geschikte locaties, is het versnellen van ruimtelijke inpassingsprocedures en vergunningverlening een aandachtspunt. Om deze reden heb ik een interbestuurlijke werkgroep opgestart om met de decentrale overheden te bespreken in welke mate zij zich committeren aan de landelijke opgave voor groen gas, welke rol zij kunnen spelen in het versnellen van de ruimtelijke inpassing van groen gas productie en te verkennen welke werkwijze en instrumenten voor die versnelling nodig zijn. In het kader van RePowerEU heeft de Europese Commissie enkele voorstellen gedaan voor aanpassingen aan de RED die ook gericht zijn op het stroomlijnen van ruimtelijke procedures en besluitvorming. Ik heb u op 17 juni geïnformeerd over de RePowerEU voorstellen en mijn appreciatie hierop (Kamerstuk 22 112 nr. 3438).
Wat is uw analyse ten opzichte van de subsidieaanvragen van groengastechnieken binnen verschillende regelingen? Wat zijn de meest gehoorde problemen bij het aanvragen van stimulering? Hoe lost u deze problemen op?
Binnen de SDE++ is het – vanwege de onderlinge concurrentie tussen aanvragen – onzeker of het subsidiebudget toereikend is om alle groen gasaanvragen te honoreren. Dit is in het bijzonder het geval voor projecten die een relatief hoge subsidie-intensiteit hebben. Daarom is besloten om in de SDE++ 2023 zogenaamde «hekjes» te introduceren. Hierover zal ik uw Kamer op korte termijn nader informeren. Een andere beperking is dat groen gasprojecten heterogeen van aard en kosten kunnen zijn en het niet altijd mogelijk is om deze heterogeniteit te vatten in een passende subsidie voor alle projecten. Om onder meer deze redenen ziet het kabinet een rol weggelegd voor de bijmengverplichting als instrument om de verdere groei van groen gas te faciliteren. Zoals in mijn antwoord op vraag 5 aangegeven, kijkt het kabinet hiernaast ook naar de mogelijkheden om een innovatieve techniek als vergassing te ondersteunen via de vroege fase opschalingsregeling.
Ziet u ruimte voor een grotere rol voor (overheids-)investeringsmaatschappijen in het stimuleren van groengasproductie op grote schaal?
Ik zie voor zowel publieke, als private, kapitaalverstrekkers een grote rol in het stimuleren van de productie van groen gas. Ik zie dat verschillende partijen deze rol al pakken, zoals InvestNL dat in SCW Systems, een bedrijf dat zich bezighoudt met superkritische vergassing, heeft geïnvesteerd.1 Met de beoogde beleidsstappen, zoals de bijmengverplichting, verschaffen we verdere zekerheid aan de markt en stimuleren we de rol van publieke en private investeringsmaatschappijen.
Deelt u de mening dat stimulering van groen gas extra aandacht verdiend in bijvoorbeeld de SDE++ vanwege de toenemende krapte op het elektriciteitsnet?
De krapte op het elektriciteitsnet laat zien dat we in de verduurzaming van de energievoorziening op meerdere sporen moeten inzetten, waaronder groen gas. Dit is ook een reden dat het kabinet heeft besloten om in 2023 hekjes te introduceren in de SDE++. Daarnaast moeten bedrijven aan alle vereisten voldoen die bij een specifieke SDE++-categorie horen en aantonen dat hun project haalbaar is. Bij categorieën voor elektriciteitsproductie (zoals zon-PV en windenergie) moet een transportindicatie (van de netbeheerder) worden meegestuurd, waaruit moet blijken dat er transportcapaciteit (voor het terugleveren van elektriciteit op het elektriciteitsnet) beschikbaar is. Door toenemende krapte kunnen hierdoor minder zon-PV-projecten aan bod komen, wat ten goede kan komen aan andere technieken, waaronder groen gas. In de SDE++ 2022 is ten slotte een plafond voor hernieuwbare elektriciteit opgenomen en door de toevoeging van hekjes aan de SDE++ per 2023, verwacht ik dat de SDE++ de komende jaren een betere stimulans zal geven aan de productie van groen gas.
Kunt u een update geven van de uitwerking van de route voor bioLNG in de Regeling Energie Vervoer?
In de regeling Energie voor Vervoer zijn twee routes opgenomen ter stimulering van bioLNG: een fysieke en een vergroende route. Bij de fysieke bioLNG route moet er aangetoond worden dat de bioLNG direct uit groen gas is vervaardigd. Praktisch betekent dit dat er een duidelijke fysieke koppeling moet zijn tussen de locatie waar groen gas geproduceerd wordt en de locatie waar groen gas tot bioLNG vervloeid wordt. De vergroende bioLNG route houdt in dat een geleverde hoeveelheid LNG met garanties van oorsprong voor gas uit hernieuwbare energiebronnen boekhoudkundig vergroend kan worden. Hierdoor wordt het mogelijk gemaakt om bioLNG te produceren op plekken waar geen sprake is van fysieke groen gas productie. Hier staat tegenover dat er ergens in Nederland groen gas geproduceerd moet zijn en geïnjecteerd moet worden in het gasnet. Bij de verdere ontwikkeling van deze routes in de regeling Energie voor Vervoer zal gemonitord worden op de samenhang en interactie met de bijmengverplichting groen gas (cf. de Kamerbrief over de bijmengverplichting d.d. 1 juli jl.)
Zijn er mogelijkheden bij u bekend om de productie van groen gas in 2025 al fors te verhogen zodat we onze afhankelijkheid van Russisch gas versneld afbouwen? Hoe gaat u dit faciliteren?
Een van de manieren om minder afhankelijk te zijn van Russisch gas is door in te zetten op duurzame gasvormige energiebronnen, waaronder groen gas. Zoals in de kamerbrief van 14 maart aangegeven (Kamerstuk 29 023, nr. 283) zet het kabinet in op een significante opschaling van de groen gas productie. De Nederlandse productieambities tellen op tot 2 miljard m3 groen gas in 2030. Deze opschaling is significant en vraagt versnelling op meerdere aspecten, zoals stimuleringsmaatregelen, grondstofbeschikbaarheid, ruimtelijke inpassing en innovatie (zoals vergassing). Het kabinet zal bij de uitwerking van deze maatregelen in het Programma Groen Gas zeker oog hebben voor de mogelijkheid om al richting 2025 de productie van groen gas te versnellen op basis van bestaande instrumenten als de SDE++, maar stelt ook vast dat het gezien de langjarige (ruimtelijke) procedures en ontwikkeltrajecten niet realistisch is een forse productieverhoging richting 2025 te verwachten.
Welke handvaten geeft RePowerEU aan Nederland om versneld aan de slag te gaan met groen gas?
RePowerEU geeft verschillende handvaten om versneld aan de gang te gaan met groen gas. Zo heeft de Commissie het doel gesteld om in 2030 35 miljard kubieke meter (bcm) groen gas te produceren2. In de RePowerEU mededeling van afgelopen mei3 beschrijft de Commissie in het actieplan Biomethaan verschillende maatregelen om het 35 bcm-doel te halen. In het actieplan wordt o.a. ingezet op het 1) ontwikkelen van een pan-Europees groen gas publiek-privaat partnerschap, 2) nationale groen gas strategieën en 3) verschillende specifieke inhoudelijke acties (o.a. versnellen van de vergunningsverlening, innovatie en gebruik EU-(landbouw)fondsen voor groen gas).
Het kabinet staat positief tegenover het Europese groen gas doel (zie Kamerstuk 22 112, nr. 3403) en de maatregelen in het actieplan Biomethaan. Nederland wacht verdere uitwerking van het plan af. Hierbij heb ik in het bijzonder aandacht voor de inhoudelijke maatregelen uit het actieplan, specifiek de maatregelen rondom vergunningen en EU fondsen. Ik kijk nu naar de verschillende nationale mogelijkheden om vergunningverlening en ruimtelijke inpassing te versnellen, zie ook mijn antwoord op vraag 6. Daarnaast kijkt het kabinet (in lijn met de aanbevelingen van de Commissie op het Nationaal Strategisch Plan4) nu reeds naar de mogelijkheden om via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en Subsidiemodules Brongerichte Verduurzaming Stal- en managementmaatregelen de productie van groen gas te ondersteunen, in aanvulling op andere (nationale) regelingen.
Het bericht ‘Wijkverpleging gebruikt nog veel onnodige vijfminutenregistratie’ |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wijkverpleging gebruikt nog veel onnodige vijfminutenregistratie»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat nog steeds een derde van de zorgaanbieders gebruik maakt van de tijdrovende vijfminutenregistratie?
Ja, ik vind het onacceptabel dat er nog zorgverleners zijn die onnodig moeten werken met de tijdrovende minutenregistratie. Daarbij is het niet zo dat dit voor een derde van de zorgaanbieders geldt. Uit de informatiekaart tijdregistratie blijkt dat een derde van de zorgaanbieders gebruik maakt van de vijfminutenregistratie. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de tijdrovende handmatige en de regeldrukarme geautomatiseerde vorm, waarbij de wijkverpleegkundige bijvoorbeeld een pasje scant. Van de zorgaanbieders gebruikt 21% de regeldrukarme geautomatiseerde vorm en 8% de tijdrovende handmatige registratie. Op deze laatste groep worden acties gericht om de registratielast verder te beperken.
Deelt u de mening dat het bijzonder van belang is dat overtollige regeldruk wordt opgeheven teneinde de handen van de medewerkers die al in de zorg werken vrij te spelen in verband met personeelstekorten?
Ja, het verminderen van de administratieve lasten voor wijkverpleegkundigen speelt een belangrijke rol in het ondervangen van het arbeidsmarktvraagstuk.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat de vijfminutenregistraties definitief worden afgeschaft in de thuiszorg? En in de overige zorgsectoren?
Het aanpakken van de registratielast rondom tijdregistratie binnen de wijkverpleging heeft mijn specifieke aandacht. De vijfminutenregistratie is door bestaande landelijke afspraken afgeschaft. De NZa-regelgeving biedt sinds 2018 ruimte voor het gebruik van de alternatieve registratiestandaard zorgplan=planning=realisatie, tenzij (z=p=r,t). Zorgverzekeraars verplichten de vijfminutenregistratie niet. Zorgaanbieders kunnen zelf de keuze maken om over te stappen. Ik span mij er de komende periode verder actief voor in om zorgaanbieders te ondersteunen bij het gebruiken van z=p=r,t. In samenwerking met ZN, Actiz, Zorgthuisnl, NZa en V&VN zijn eerder verschillende hulpmiddelen ontwikkeld om de overstap naar z=p=r,t te bevorderen. Om zorgaanbieders hierbij verder te helpen heeft VWS in 2021 aan Vilans de opdracht gegeven om een ondersteuningsaanbod te ontwikkelen. Dit aanbod is in mei gepubliceerd door Vilans. Om daarbij nog een extra impuls te geven zullen organisaties die nog gebruik maken van de tijdrovende vijfminutenregistratie de komende periode actief benaderd worden. Om ook hen zo te bewegen gebruik te maken van de ruimte om af te stappen van de tijdrovende vijfminutenregistratie en de daarvoor beschikbare ondersteuning.
Hoeveel bewindspersonen gaan na de voormalige Staatssecretarissen van VWS Bussemaker en Van Rijn en de voormalige Minister van VWS De Jonge nog meer beweren dat de vijfminutenregistratie in de wijkverpleging af wordt geschaft?
De vijfminutenregistratie is door het maken van landelijke afspraken, door inspanning van genoemde bewindspersonen, afgeschaft. Ik zal zorgaanbieders blijven ondersteunen bij het gebruiken van de geboden alternatieve registratiestandaard z=p=r,t.
Het bericht 'Belastingadviseurs kritisch: veel zoekgeraakte post bij de fiscus; e-mailen niet mogelijk' |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Belastingadviseurs kritisch: veel zoekgeraakte post bij de fiscus; e-mailen niet mogelijk»?1
Ja.
Hoe kan het dat brieven en poststukken, zelfs wanneer deze aangetekend zijn verstuurd, zoekraken bij de Belastingdienst? Bent u het ermee eens dat dit, op zijn zachtst gezegd, onwenselijk is?
Het is inderdaad een onwenselijke situatie dat post zoekraakt of met vertraging wordt behandeld. De exacte omvang van dit probleem kan echter niet worden vastgesteld. Alle binnenkomende post gaat over bijna tien miljoen brieven per jaar, die verspreid over tientallen locaties van de Belastingdienst binnenkomen. Er is geen centraal registratiesysteem waarin alle binnenkomende post wordt ingeboekt. De centraal binnengekomen post wordt grotendeels gedigitaliseerd en aangeboden aan diverse binnen de Belastingdienst beschikbare behandelsystemen, zoals die voor bezwaarschriften.
Mogelijke oorzaken voor het (tijdelijk) zoekraken zijn divers en hebben onder meer verband met onjuiste bezorging, onvolledige adressering, uitgestelde verwerking, interne distributie en onvolledige bekendheid met de werkwijze bij verschillende onderdelen. Aangetekende brieven worden na digitalisering verwerkt als reguliere post en zijn in het systeem niet te herleiden als aangetekend. Om die reden lopen binnen de Belastingdienst verschillende initiatieven (vastgestelde formulieren met juiste voor ingevulde adressering, specifieke kenmerken voor classificatie en koppeling aan bestaande dossiers zoals beconnummers, voorkomen van verzamelbrieven met meerdere onderwerpen in één envelop, etc.) om het zoekraken te voorkomen en de interne distributie en communicatie hieromtrent te verbeteren. Er loopt daarnaast overleg met de betrokken externe partijen (o.a. fiscaal dienstverleners) en de Belastingdienst biedt handreikingen (zoals een contactkaart met te gebruiken adressen, gewenste vorm en inhoud van poststukken, voorlichting over interne procedure, etc.) om zoekraken of vertraging in de behandeling te voorkomen en te beperken. Ik verwijs hierbij tevens naar eerdere antwoorden op Vragen van het lid Lodders (VVD) aan de Staatssecretaris van Financiën over het bericht Voorstel: Track & Trace voor de Belastingdienst.2
Welke fiscale en/of formeel rechtelijke gevolgen kan dit zoekraken van stukken voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst hebben? Hoe omvangrijk zijn deze gevolgen? Wat gaat u eraan doen om deze problemen op te lossen en naar de toekomt toe zoveel mogelijk te voorkomen?
De belangrijkste formeelrechtelijke gevolgen bij het zoekraken van stukken kunnen zich voordoen bij stukken die binnen een bepaalde termijn bij de Belastingdienst moeten worden ingediend, zoals een aangifte of een bezwaarschrift. In dat geval kan een discussie ontstaan over of het stuk (tijdig) is ingediend. In deze gevallen verplicht de wet de Belastingdienst echter een ontvangstbevestiging te zenden, zodat duidelijk is dat het stuk door de Belastingdienst is ontvangen en op welk moment zodat geen discussie hierover kan ontstaan. Bovendien is het in deze gevallen mogelijk om het stuk digitaal in te dienen.
Klopt het dat het verzenden van e-mails nog niet formeel geregeld is bij de Belastingdienst? Zo ja, waarom niet en zou dit niet wenselijk zijn?
Het gebruik van e-mail is formeel geregeld via het besluit fiscaal bestuursrecht.3
Het versturen van e-mails door of namens belastingplichtigen kan risico’s met zich meebrengen, doordat er geen zekerheid is dat een e-mail bij de bedoelde ontvanger en in een veilige digitale omgeving aankomt. Daarom kan niet in alle situaties met de Belastingdienst gemaild worden. Op de website van de Belastingdienst is aangegeven wanneer verantwoord gecommuniceerd kan worden via e-mail.4
De Belastingdienst verkent de verdere mogelijkheden voor het gebruik van e-mail en/of alternatieven voor het digitaal uitwisselen van informatie. Bij een dergelijke oplossing is het randvoorwaardelijk dat er zekerheid is over de veilige aflevering van het digitale bericht.
Wordt er aan gewerkt om dit digitale verkeer op korte termijn formeel mogelijk te maken? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het is formeel mogelijk om in bepaalde situaties via e-mail met de Belastingdienst te communiceren.
Erkent u het belang van bereikbaarheid en toegankelijkheid van de Belastingdienst? Waarom hebben belastingadviseurs die werkzaam zijn voor het MKB minder snel een vast contactpersoon vergeleken met belastingadviseurs die werkzaam zijn voor grote bedrijven? Kunt u toezeggen dit te gaan adresseren en ervoor zorgen dat belastingadviseurs voor het MKB sneller/vaker een vast contactpersoon krijgen?
Ja, ik erken het belang van een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid van de Belastingdienst. Het versterken hiervan past ook binnen mijn ambities om de dienstverlening van de Belastingdienst te verbeteren zoals beschreven in de Meerjarenvisie Belastingdienst 2020–2025.5
Het toezicht van de directie Grote Ondernemingen op de grootste 8.500 organisaties van Nederland gebeurt via individuele klantbehandeling. Het gevolg is dat deze organisaties een vaste contactpersoon binnen de Belastingdienst hebben. Als deze grote organisaties zich laten vertegenwoordigen door een belastingadviseur kan deze ook gebruik maken van deze vaste contactpersoon.
De directie Midden- en Kleinbedrijf (MKB) kent een doelgroep van ongeveer 3,1 miljoen MKB- bedrijven. Deze doelgroep is te groot voor een individuele klantbehandeling. Een groot deel van deze MKB-bedrijven laat zich ondersteunen door één van de ruim 20.000 fiscaal dienstverleners (FD’s).
Voor deze FD’s zijn er diverse contactmogelijkheden beschikbaar. De Belastingdienst heeft convenanten gesloten met individuele organisaties, (koepel)organisaties van fiscaal intermediairs en brancheorganisaties die werkzaam zijn in het midden- en kleinbedrijf. FD's met een convenant Horizontaal Toezicht (HT) hebben een vast contactpersoon in de vorm van een relatiebeheerder. FD’s zonder een convenant HT kunnen voor één-op-één contact gebruik maken van de accountmanagers van de FD-teams die op elk MKB-kantoor beschikbaar zijn.
Additionele interactie voor FD's wordt geboden via de Helpdesk Intermediairs waarbij bellende FD's met beconnummer met voorrang geholpen worden en een Forum FD waar 21.657 (status medio mei 2022) leden op zijn aangesloten. Op het Forum FD staat een contactkaart die FD’s kunnen gebruiken om het juiste kanaal te vinden bij de Belastingdienst voor hun vragen of voor het verkrijgen van informatie. Op deze kaart staan ook de e-mailadressen opgenomen om in contact te komen met de accountmanagers van de FD-teams.
Verder is er sinds december 2021 een Meldpunt FD voor spoedeisende situaties die ogenschijnlijk niet langs de gebruikelijke kanalen tot een passende oplossing leidt. Het Meldpunt FD is – net zoals de contactkaart – een activiteit die voortkomt uit het programma Meerjarenplan FD. Het programma heeft primair tot doel de samenwerking tussen FD's en de Belastingdienst in co-creatie te versterken. Bereikbaarheid is het eerste thema dat binnen dit programma is opgepakt. Samen met FD's zijn/worden activiteiten uitgewerkt die de bereikbaarheid verbeteren. De vijf grote beroeps- en koepelorganisaties FD, waaronder het Register Belastingadviseurs (RB) en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), spelen bij deze co-creatie een prominente rol.
De adviseurs tonen zich volgens het bericht onverminderd kritisch over de verharding in de relatie met de Belastingdienst. Herkent u deze verharding? Zo ja, wat is hiervan de reden? Is dit een wenselijke ontwikkeling? Zo nee, wat zouden partijen moeten doen om deze relatie te verbeteren? Wat gaat u daar aan doen?
Signalen over het gevoel dat er verharding optreedt in de relatie tussen Belastingdienst en FD zijn vanuit de beroeps- en koepelorganisaties FD en het landelijk Intermediairpanel in de voorbije periode vaker gedeeld. Desgevraagd geven FD’s in de dialoog met de Belastingdienst aan dat zij ervaren dat de Belastingdienst in de uitvoering strakker stuurt op de formele procesregels. Onderdeel van de eerdergenoemde Meerjarenvisie is dat de Belastingdienst burgers en bedrijven centraal stelt. Daarbij geldt als uitgangspunt een basis van vertrouwen. Vertrouwen in burgers en bedrijven, maar ook vertrouwen in hun belastingadviseur. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij dat vertrouwen in mindere mate aanwezig is in de verhouding Belastingdienst, belastingplichtige en/of belastingadviseur. Er wordt dan door partijen eerder teruggegrepen op het formele (proces) recht. Dit neemt de laatste jaren toe in de fiscale uitvoeringspraktijk. Het is belangrijk dat er (ook) in die situaties waarin het risico op verharding zich voordoet persoonlijk contact blijft bestaan. Dat vergt een inspanning van de Belastingdienst, maar ook van de belastingplichtige en/of zijn of haar belastingadviseur. De inspanning die ik op dit punt wil plegen is de Belastingdienst te vragen aandacht te besteden aan dit bericht en dit te bespreken in de reguliere overleggen die plaatsvinden tussen de Belastingdienst en de (koepels van) FD’s. Aan de hand van concrete casussen kan dan eventueel besproken worden waar die verharding zich voordoet en wat daarvan de oorzaak is om daarvan te kunnen leren.
Klopt het dat de Belastingdienst veelal hogere boetes oplegt dan in het verleden? Bent u het ermee eens dat sommige boetes niet in verhouding staan tot het verzuim? Wat is uw zienswijze ten aanzien het ontbreken aan de menselijke maat in deze context? Hoe kijkt nu naar de mogelijkheid om (meer) fiscale mediation toe te passen voor dergelijke en andere fiscale disputen?
De Belastingdienst kan verzuimboeten opleggen tot een in de wet bepaald maximumbedrag. Wanneer en tot welk bedrag een verzuimboete in beginsel wordt opgelegd is bepaald in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). Deze standaardbedragen zijn in recente jaren niet verhoogd. Daarnaast heb ik geen aanwijzingen dat de inspecteur vaker hogere boetes oplegt dan volgt uit het BBBB. De mening van de NOB en het RB dat er hogere boetes worden opgelegd dan in het verleden kan ik daarom moeilijk plaatsen.
Eerder heeft het lid Van Weyenberg onder meer tijdens het Algemeen Overleg van 25 september 2019 een vraag gesteld over strikte wetgeving over verzuimbeboeting. Toen is aangegeven dat uw Kamer schriftelijk zou worden geïnformeerd over het verzuimboetebeleid.6 In het Algemeen Overleg van 4 maart 2020 heeft het lid Van Weyenberg zijn vraag herhaald.7 In de brief met deze informatie zal verder worden ingegaan op de functie en het doel van de verzuimboete en de grondslag en beginselen bij het verzuimboetebeled. In deze brief wordt daarnaast ingegaan op de geluiden die uit de samenleving zijn gekomen over het verzuimboetebeleid. Omdat het in deze brief gaat om een brede uiteenzetting van het verzuimboetebeleid, verwijs ik voor de beantwoording van deze vraag graag naar deze brief die na het reces wordt verwacht.
Kunt u uitgebreid reflecteren op het geconstateerde beperkte (en/of afnemende?) enthousiasme en draagvlak voor Horizontaal Toezicht?
HT bestaat sinds 2005 en is bedoeld voor ondernemingen en FD’s die zichtbaar en structureel uit zichzelf de fiscale regels willen en kunnen naleven. De Belastingdienst past zijn toezicht hierop aan. HT kent twee varianten, individuele convenanten met ondernemingen en convenanten via FD’s. In 2005 zijn de eerste individuele handhavingsconvenanten gesloten met grote ondernemingen en in 2008 is het eerste convenant gesloten met een koepel van FD’s. Met de invoering van HT liep Nederland voorop met deze aanpak binnen het fiscale toezicht. In de eerste jaren stond HT vooral in het teken van normalisering van soms vastgelopen verhoudingen en het mogelijk maken van werken in de actualiteit. In de jaren daarna heeft HT zijn plek binnen de toezicht- en handhavingsstrategie gekregen. Sinds de invoering van HT in 2005 is de werkwijze niet wezenlijk veranderd, maar de (fiscale) wereld daaromheen wel. HT bewoog in de praktijk slechts beperkt mee met maatschappelijke, politieke en beleidsmatige ontwikkelingen, zowel nationaal als internationaal, hetgeen ook tot kritiek leidde bij FD’s.
Dat heeft in 2018 geleid tot het besluit om HT door te ontwikkelen. Deze doorontwikkeling is in de jaren 2018 en 2019 in nauw overleg met de branche-, beroeps- en koepelorganisaties vormgegeven. Daarbij zijn eerder opgekomen verbetersuggesties die onder meer afkomstig waren van het vorige onderzoek naar de relatie tussen Belastingdienst en FD’s van de NOB en het RB meegenomen. In het Jaarplan 2020 van de Belastingdienst8 zijn de belangrijkste wijzigingen voor het HT opgenomen. De implementatie van de wijzigingen als gevolg van de doorontwikkeling HT is weliswaar in 2020 gestart maar het neemt – mede vanwege overgangsregelingen voor individuele convenanten – naar verwachting een aantal jaren voordat alle wijzigingen volledig doorgevoerd zijn.
De wijzigingen hebben met name voor grote organisaties tot gevolg dat minder organisaties in aanmerking komen voor een individueel convenant. Middelgrote organisaties kunnen vanaf 2020 alleen via een convenant met een fiscaal dienstverlener participeren in horizontaal toezicht. Met de grootste 100 bedrijven wordt ook geen individueel convenant meer gesloten. Voor deze bedrijven wordt een individueel toezichtplan opgesteld, waarin wordt beoordeeld in hoeverre met de bedrijven kan worden samengewerkt volgens de uitgangspunten van horizontaal toezicht. Voor de overige grote organisaties geldt dat de voorwaarden voor een individueel convenant zijn verduidelijkt en strikter gemaakt, in lijn met internationale ontwikkelingen en ontwikkelingen op het gebied van corporate governance. Voor een aantal organisaties zijn de nieuw geformuleerde voorwaarden (nog) niet haalbaar. Dit alles maakt dat het aantal grote organisaties met een individueel convenant afneemt. We zien daarnaast wel dat veel grote organisaties de uitgangspunten van horizontaal toezicht toepassen, doordat zij werken aan hun Tax Control Framework en tax governance codes onderschrijven, zoals de onlangs door VNO/NCW gepubliceerde code en de internationale Global Reporting Initiative (GRI) 207.9
Omdat de enquête van NOB-RB eind 2021 is afgenomen is het mogelijk dat de leden nog geen of weinig ervaring hebben opgedaan met de nieuwe werkwijzen. De eerste geluiden over de doorontwikkeling van HT zijn niet negatief en de wijzigingen hebben gezorgd voor hernieuwde interesse van een aantal beroepsverenigingen en ook een aantal grote FD’s. Ik wacht dan ook met belangstelling het volgende onderzoek van de NOB en het RB af.
Erkent u ten aanzien van Horizontaal Toezicht dat beoogde voordelen voor belastingplichtigen niet uit de verf komen en de methode eerder kostenverhogend dan -verlagend werkt? Zo ja, welke verbeteringen kunnen worden getroffen?
Bij HT via FD’s past de Belastingdienst zijn toezicht aan op het werk dat de FD voor zijn klant (de onderneming) doet en past zijn toezicht daarop aan. Het uitgangspunt bij HT is dat de FD namens de onderneming tijdig een convenantaangifte indient. De basis hiervoor ligt in de houding en het gedrag (vertrouwen, begrip en transparantie) van zowel de onderneming als de FD en het interne kwaliteitssysteem van de FD. Daarnaast worden relevante fiscale standpunten die tot verschil van inzicht kunnen leiden, door de FD met de Belastingdienst afgestemd voordat de aangifte wordt ingediend (vooroverleg).
In de praktijk hoeft een aangifte ingediend onder HT niet duurder te zijn, omdat de Belastingdienst geen extra kwaliteitseisen stelt. Overigens berekenen de meeste deelnemende FD’s dan ook geen hogere prijs voor een aangifte die onder HT wordt ingediend.
Bij aangiften die onder HT worden ingediend is het toezicht aangepast. Er hoeven minder vaak vragen gesteld te worden of boekenonderzoeken uitgevoerd te worden, hetgeen kostenbesparend voor de belastingplichtige is. Zo wordt een teruggaaf omzetbelasting onder HT in beginsel zonder vragen afgehandeld en zeer snel uitgekeerd. In het geval dat een bijzondere gebeurtenis in het bedrijf leidt tot een fiscaal standpunt kan dit leiden tot vooroverleg. Vooroverleg werkt kostenverhogend voor belastingplichtige. Sommige FD’s geven aan dat het «verplichte» vooroverleg naar hun mening betekent dat zij op de stoel van de inspecteur moet gaan zitten. Daar staat tegenover dat verzoeken om vooroverleg onder HT over het algemeen zo snel mogelijk worden afgewikkeld, omdat ook hierbij vertrouwd kan worden op de feiten zoals deze door de FD worden aangeleverd. Dit voorkomt meestal het opvragen van stukken en andere toezichtinterventies achteraf.
Wat is uw toekomstvisie rondom het instrument Horizontaal Toezicht? Wat is er geleerd van de afgelopen jaren dat dit instrument in gebruik is? Op welke onderdelen zijn herijkingen/aanpassingen nodig?
Als onderdeel van de uitvoerings- en toezichtstrategie stimuleert de Belastingdienst ondernemers en FD’s tot deelname aan een convenant in het kader van HT. Onderdeel van de uitvoerings- en handhavingsstrategie is dat we het toezicht zoveel mogelijk afstemmen op het gedrag van belastingplichtigen. Waar het HT vanaf de invoering in 2005 tot de doorontwikkeling uit 2019 minder onderscheid maakte bij de verschillende werkzaamheden die FD’s verrichten is dat anders na de doorontwikkeling van HT. Het doel van de doorontwikkeling is om de plaats van HT in het handhavingsbeleid van de Belastingdienst te preciseren en om het proces van HT richting ondernemingen en FD’s te verduidelijken, zodat het past bij de huidige tijd.
Bij de individuele convenanten bij grote ondernemingen wordt in de doorontwikkeling een onderscheid gemaakt naar verschillende categorieën grote organisaties en zijn alle organisaties opnieuw ingedeeld met een bijpassende vorm van HT. Vanaf de implementatie in 2020, wordt dan ook meer aangesloten bij de kenmerken van grote ondernemingen en verschillen in werkzaamheden die de fiscaal dienstverleners voor hun klanten verrichten.
Alle aanpassingen zijn vastgelegd in de nieuwe Leidraden («Leidraad Toezicht Grote Ondernemingen» aangevuld met de «Good Practices Fiscale Beheersing», maart 2021 en update december 202110 en «Leidraad Horizontaal Toezicht Fiscaal dienstverleners» september 202111). Mijn verwachting is dat deze wijzigingen beter aansluiten bij de huidige tijd en werkwijze van zowel de ondernemingen, de FD’s als de Belastingdienstdienst. Uiteraard blijft de Belastingdienst in gesprek met de deelnemers aan het HT om aan te kunnen blijven sluiten bij maatschappelijke en fiscale ontwikkelingen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Aanranding door asielzoekers |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Asielzoeker uit Hardenberg verdacht van aanranding slapende vrouw (19) in trein» en «Asociale asielzoekers beloond met eigen bus»?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat asielzoekers die de wet overtreden hun kansen op asiel hebben verkeken en Nederland moeten worden uitgezet? Zo neen, waarom niet?
Ik deel de mening dat er daadkrachtig moet worden opgetreden tegen wetsovertredingen door iedereen, en dus ook asielzoekers. Asielzoekers die in Nederland een misdrijf plegen, worden in Nederland vervolgd. Het is aan de rechter om te oordelen over schuldigverklaring en, bij schuldigverklaring, over een op te leggen sanctie.
Ten aanzien van het beschermingsvraagstuk, is het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland.
Op grond van Europese regelgeving kan de IND de vluchtelingenstatus of een subsidiaire beschermingsstatus echter alleen weigeren of intrekken op grond van openbare orde indien de vreemdeling (onherroepelijk) is veroordeeld voor een (bijzonder) ernstig misdrijf. Hiervan is sprake als een straf is opgelegd van minimaal zes maanden («ernstig misdrijf» in geval van subsidiaire bescherming) of tien maanden («bijzonder ernstig misdrijf» bij een vluchtelingenstatus). Ook moet er sprake zijn van een gevaar voor de gemeenschap, in artikel C2/7.10.1 van de Vreemdelingencirculaire (Openbare orde als afwijzingsgrond) is een verdere invulling van dit begrip gegeven. Daarnaast dient voor een intrekking van een reeds verleende vergunning gekeken te worden naar de zogenoemde glijdende schaal in het kader van de openbare orde (art. 3.86 Vb). Hoe langer de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, hoe hoger de straf moet zijn om tot beëindiging van het verblijfsrecht over te kunnen gaan.
Een veroordeling voor een (bijzonder) ernstig misdrijf kan dus grond zijn om geen verblijfsvergunning te verlenen. Na een afwijzend besluit van de IND start de DT&V het terugkeerproces. Dit kan ook vanuit strafdetentie of vreemdelingenbewaring.
Heeft u de bereidheid om de drie asielzoekers die betrokken zijn geweest bij de aanranding van een vrouw met pek en veren uit te zetten, waarbij de man die de vrouw heeft betast bij schuld eerst zijn straf moet uitzetten? Zo neen, waarom niet?
Zoals gezegd worden asielzoekers die in Nederland een misdrijf plegen, in Nederland vervolgd met als uitgangspunt dat vreemdelingen die misdrijven plegen, niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland.
Momenteel loopt het strafrechtelijk onderzoek. Zoals u bekend, kan ik niet ingaan op individuele zaken.
Zonder strafrechtelijke veroordeling bestaat er geen juridische grondslag om over te gaan tot verblijfsbeëindiging en uitzetting.
Deelt u de mening dat Nederland veel te coulant is richting zich misdragende asielzoekers? Zo neen, hoe duidt u dan het feit dat zich misdragende asielzoekers eerder een eigen bus hebben gekregen?
Nee, die mening deel ik niet. We treden op tegen overlastgevende en criminele asielzoekers. Zo is er een Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS)-protocol waarbij voor alle door vreemdelingen begane strafrechtelijke vergrijpen wordt bezien welke gevolgen deze vergrijpen hebben voor hun verblijfsrecht.
Uiteraard worden desalniettemin maatregelen genomen om overlast verder te beperken.
Naar aanleiding van de overlast op buslijn 73 tussen Emmen en Ter Apel is sinds 2019 een pendelbus ingezet die tussen station Emmen en het aanmeldcentrum in Ter Apel rijdt. Door de inzet van de pendelbus en de inzet van onder andere hosts op het station Emmen is de overlast aanzienlijk afgenomen.
Uitgangspunt is dat deze pendelbus een tijdelijke oplossing is en dat er structurele oplossingen komen voor het overlastprobleem. Ik ben daarom samen met IenW en vervoerders in gesprek over de verdere aanpak van overlast in het openbaar vervoer. Ik informeer uw Kamer zodra deze verdere aanpak gereed is.
Wilt u per heden alle wetsovertredingen van asielzoekers melden aan de Kamer, met daarbij de uitzettingen die u daaraan koppelt? Zo neen, waarom niet?
Ik informeer uw Kamer jaarlijks over incidenten in de migratieketen middels de incidentenrapportage. Daarnaast informeer ik uw Kamer over vertrek via de Staat van Migratie. Deze beide documenten worden uw Kamer op korte termijn. toegezonden. Ik zie geen aanleiding om van deze overeengekomen werkwijze af te wijken.
Het instellen van de doodstraf in Irak voor mensen die normalisatie of vrede met Israël nastreven |
|
Derk Jan Eppink (JA21), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Iraq passes law to criminalise relations with Israel»?1
Ja.
Wat is het doel en de inhoud van de wet waar het artikel naar verwijst?2 Klopt het dat deze wet verder gaat dan een vergelijkbare wet uit 1969?3
De wet Criminalizing Normalization and the Establishment of Relations with the Zionist Entity werd op 26 mei jl. aangenomen in het Iraakse parlement. De wet bouwt voort op een vergelijkbare wet uit 1969. Waar de wet uit 1969 zich beperkt tot het strafbaar stellen van aanmoedigen van zionisme, gaat de nieuwe wet ook over het nastreven van normalisering en criminaliseert specifieke activiteiten.
De wet legt een verbod op het aanknopen van diplomatieke, politieke, militaire, economische, culturele of enige vorm van banden met Israël op. Verder vermeldt de wettekst specifiek «deelname aan conferenties en bijeenkomsten die worden georganiseerd of gesponsord door zionistische instellingen of andere instellingen die normalisatie bevorderen of relaties aangaan» met Israël. Normalisering wordt gedefinieerd als «elke handeling die enige vorm van betrokkenheid zou opleveren, direct of indirect, met als doel relaties aan te gaan met de zionistische entiteit.» Tevens zou de wet het voor Irakezen binnen of buiten het land illegaal maken om in contact te komen, incl. via sociale media, met Israëlische functionarissen of conferenties bij te wonen van organisaties die banden hebben met Israël. De wet (artikel 9) bepaalt dat deze van toepassing is op alle «Iraakse overheidsinstellingen», inclusief Ministers en Iraakse volksvertegenwoordigers, de rechterlijke macht en mediaorganisaties.
Er staat een gevangenisstraf tot levenslang voor elke Irakees die «naar de zionistische entiteit is gereisd of een van zijn ambassades of instellingen in welk land dan ook heeft bezocht of er contact mee heeft opgenomen.» Een uitzondering wordt gemaakt voor bijvoorbeeld religieuze bezoeken, mits vooraf goedkeuring is verkregen van het Iraakse Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Hoe verhouden doel en inhoud van de wet zich tot het Handvest van de Verenigde Naties en andere internationale (mensenrechten)verdragen waar Irak partij bij is?
Een aantal strafbaarstellingen uit de wet staat op gespannen voet met het internationaal recht, in het bijzonder wanneer de toekomstige toepassing van deze wet leidt tot een inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. De exacte implicaties van de wet moeten uit de toepassing van de wet in de praktijk blijken, maar de inhoud van deze wet en de daarin als strafbaar gedefinieerde feiten bieden aanleiding tot grote zorg.
Klopt het dat personen die streven naar normalisatie van de betrekkingen met Israël een levenslange gevangenisstraf en zelfs de doodstraf kunnen krijgen? Zo ja, onder welke precieze omstandigheden kan of zal dit het geval zijn?
Artikelen 6 t/m 9 van de wet spreken over het aanknopen van banden met Israël, het aanmoedigen van Zionisme en het bevorderen van of aangaan van relaties met Israël of Israëlische entiteiten als gronden waarvoor een levenslange gevangenisstraf of de doodstraf opgelegd kan worden.
Begrijpt en deelt u de afschuw en zorg van de indieners over het op deze wijze bestraffen en daarmee zelfs voorkómen van een streven naar normalisatie en vrede?
Ja. De exacte implicaties daarvan moeten uit de toepassing van de wet in de praktijk blijken, maar de inhoud van deze wet en de daarin als strafbaar gedefinieerde feiten zijn zeer zorgelijk. Nederland heeft de zorgen geuit bij de Iraakse autoriteiten en de kwestie aangekaart op EU-niveau. Nederland zal zich bilateraal en EU-verband blijven uitspreken tegen deze wet en de uitvoering van de wet aandachtig en nauwgezet volgen.
Het kabinet steunt de trend tot normalisatie in de betrekkingen met Israël en is deswege tegen het principe van de wet. Nederland is tevens principieel tegen de doodstraf, bepleit de afschaffing van de doodstraf onder alle omstandigheden wereldwijd en trekt hierin op in EU-verband. Deze welbekende positie wordt uitgedragen in bilaterale contacten met landen waar de doodstraf wordt toegepast, zoals in Irak, en in multilaterale fora zoals in de VN.
Deelt u ook de zorg over precedentwerking, waarbij streven naar vrede en normalisatie in meer landen geproblematiseerd en zelfs gecriminaliseerd wordt?
Op dit moment niet. De Iraakse wet staat in contrast met landen in de regio die de afgelopen jaren de banden met Israël hebben aangehaald, waaronder de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Marokko en Sudan. Het kabinet steunt de trend tot normalisatie in de betrekkingen met Israël.
Hebben VN-organen, zoals de VN-Mensenrechtenraad, reeds hun afkeuring hierover geuit?
De VN-organen, Amnesty International en Human Rights Watch hebben vooralsnog geen publieke reactie gegeven op de wet.
Hebben ook internationale mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch inmiddels hun afschuw of afkeuring hierover uitgesproken, zoals ze ook zeer voortvarend zijn in het uiten van veroordelingen aan het adres van Israël?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u in uw bilaterale contacten met de Iraakse regering uw zorg over deze wet uitgesproken, of bent u voornemens dat te doen?
Ja, Nederland heeft in bilaterale contacten de zorgen over het principe van de wet uitgesproken. In deze contacten benadrukt Nederland tevens principieel tegen de doodstraf te zijn en dat de wet de mensenrechten in Irak, en met name de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van religie, verder onder druk zet. Ook in EU-verband heeft Nederland de kwestie aangekaart en deze zorgen over de wetgeving kenbaar gemaakt. Nederland zal zich bilateraal en in EU-verband proactief blijven uitspreken tegen deze wet, Irak hierop blijven aanspreken en de uitvoering van de wet aandachtig en nauwgezet volgen.
Bent u eveneens voornemens uw zorgen hierover in EU- en VN-verband kenbaar te maken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke (sanctie)maatregelen kan of zal Nederland, ook in EU- en VN-verband, nemen als deze wet daadwerkelijk in werking treedt?
De wet treedt formeel pas in werking zodra de Iraakse president de wet heeft ondertekend of binnen 30 dagen na aanname van de wet in het parlement. Nederland blijft de uitvoering van de wet aandachtig en nauwgezet volgen. Eventuele (sanctie-)maatregelen zal Nederland dan onderzoeken.
Gesponsorde hoogleraren |
|
Jasper van Dijk (SP), Peter Kwint (SP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het artikel van Nieuwsuur: «Een hoogleraar kado»?1
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn reactie op de volgende vragen.
Erkent u dat «hoogleraren van de universiteiten van Rotterdam, Tilburg en Amsterdam (VU) voor hun wetenschappelijke werk zijn gefinancierd door de Belastingdienst en accountantskantoren, terwijl dat nergens werd vermeld»?
Volgens het Ministerie van Financiën blijkt uit openbaar beschikbare stukken dat de Minister van Financiën (waaronder de Belastingdienst, Douane en Toeslagen) op dit moment zeven leerstoelen financiert. Dit zijn:
Over de mate waarin accountantskantoren openheid van zaken hebben gegeven kan ik geen uitspraak doen. Waar het artikel in elk geval op wijst is dat van een aantal hoogleraren niet direct helder is vanuit welke organisatie zij een salaris ontvangen. Daar zou geen misverstand over moeten bestaan.
Deelt u de mening dat betaling door een andere werkgever dan de universiteit ertoe kan leiden «dat in een wetenschappelijke publicatie de belangen van de werkgever positief worden meegenomen»?
In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is expliciet de mogelijkheid geboden voor openbare universiteiten om mensen uit de praktijk binnen te halen ter verrijking van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Bijzondere universiteiten passen deze bepalingen uit de WHW naar analogie toe.
Daarnaast heeft de wetgever destijds de mogelijkheid van bijzondere leerstoelen gecreëerd voor private organisaties die wetenschappelijk onderwijs en onderzoek op hun naam en onder hun verantwoordelijkheid willen laten verzorgen.
Bijzonder hoogleraren die deze leerstoelen bekleden worden niet gefinancierd door de universiteit maar door een derde partij. Bijzondere hoogleraren worden buiten de reguliere bekostiging betaald en zijn niet in dienst van de universiteit. Dit is de bedoeling van deze constructie.
De onafhankelijkheid van bijzondere hoogleraren dient te allen tijde te worden geborgd door de universiteit. Pas als het college van bestuur van een openbare universiteit er vertrouwen in heeft dat een derde de academische vrijheid en de onafhankelijkheid van een bijzonder hoogleraar borgt en de kandidaat hoogleraar voldoet aan de vereisten voor hoogleraar, mag zij de private organisatie bevoegd verklaren om een bijzondere leerstoel te vestigen. Op grond van de WHW dient het college van bestuur de bevoegdverklaring in te trekken als het belang van het wetenschappelijk onderwijs zich niet meer verdraagt met deze verklaring. Het niet onafhankelijk uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, dat verweven is met het onderwijs, is een voorbeeld hiervan.
Wat gaat u doen om dit soort ondoorzichtige constructies te voorkomen?
Wetenschap moet onomstreden en transparant zijn. Alleen dan kunnen we vertrouwen op de resultaten van onderzoek. In de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit staan normen voor onderzoekers en zorgplichten voor instellingen. Het is van belang om een beeld te krijgen van de effectiviteit, handhaving en naleving van de normen en zorgplichten over onafhankelijkheid en transparantie. Daarom zal ik met de opstellers2 van de gedragscode in overleg treden om deze normen in de loop van dit jaar te laten evalueren door een onafhankelijke commissie. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie zal ik bezien of wettelijke verankering noodzakelijk is.
Bent u het ermee eens dat «het goed zou zijn als bijzonder hoogleraren in dienst komen van de universiteit in plaats van in dienst te blijven van de werkgever»? Zo nee, waarom niet?
De ontwikkeling dat sommige faculteiten meer bijzondere hoogleraren hebben dan gewone hoogleraren vind ik zorgelijk. Dat maakt het beoefenen van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek en het verzorgen van onafhankelijk wetenschappelijk onderwijs binnen die faculteiten kwetsbaar. Ik ben bereid om hierover het gesprek met de sector te voeren. De meerwaarde van de bijzondere leerstoel moet niet op voorhand overboord worden weggegooid.
Is het juist dat er «geen wettelijke bepaling bestaat op basis waarvan de inspectie van het onderwijs kan handhaven als het gaat over externe financiering van wetenschappelijk onderzoek»?
Dat is juist. Indien er een vermoeden bestaat dat de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit wordt geschonden kan een klacht worden ingediend bij en behandeld door de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) van de kennisinstelling waar de persoon waartegen de klacht zich richt werkzaam is. Daarnaast is er het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI), een onafhankelijk adviesorgaan in de klachtenprocedure voor mogelijke schendingen van de wetenschappelijke integriteit. Het LOWI kan op verzoek beoordelen of de klachtenprocedure bij de CWI van de instelling zorgvuldig is verlopen, of er normen van wetenschappelijke integriteit zijn geschonden en, zo ja, hoe de normschending vervolgens gekwalificeerd zou moeten worden.
Bent u bereid wetgeving te maken inzake externe financiering, opdat dit soort onwenselijke constructies wordt voorkomen? Zo nee, hoe voorkomt u ondoorzichtige financiering en (de schijn van) belangenverstrengeling in de wetenschap?
Zie het antwoord op vraag 4.
Het indienen van een VN-resolutie bij de Emergency Special Session over Oekraïne. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Rusland doelbewust de toegang tot de Zwarte Zee blokkeert en daarbij toegeeft dat het dit met voorbedachte rade doet?1
Volgens Oekraïne zijn de havens geblokkeerd door de Russische maritieme operaties als onderdeel van een economische oorlog. Rusland stelt dat het een humanitaire zee corridor heeft ingesteld, maar dat de Oekraïense zeemijnen de belemmering vormen. Feit is dat reders nu niet naar Oekraïne varen omdat er sprake is van een actief conflictgebied en ook als zodanig is aangemerkt door Rusland. Het kabinet acht het – ook met het oog op de voedselzekerheid – dan ook van groot belang dat Rusland zijn militaire operaties gericht tegen Oekraïne in de Zwarte Zee beëindigt.
Bent u bekend met het feit dat hiermee 25 miljoen ton graan Oekraïne niet kan verlaten, en dit in de context van een dreigende voedselcrisis waarin de VN schat dat 161 miljoen mensen in 42 landen aan acute honger zullen lijden, ontzettend grote consequenties zal hebben?
Ja. Het wegvallen van het aanbod van graan uit Oekraïne leidt tot serieuze tekorten en heeft een prijsopdrijvend effect. Volgens de VN is het aantal mensen in ernstige voedselonzekerheid als gevolg van de Russische oorlog tegen Oekraïne gestegen van 276 miljoen naar 323 miljoen2.
Bent u het eens dat Rusland daarmee honger als wapen gebruikt en hiermee grove oorlogsmisdaden begaat of anderszins het internationaal recht schendt?
Nederland veroordeelt ten sterkste de blokkades die door Rusland zijn opgeworpen en die de export door Oekraïne van Oekraïens graan via de Zwarte Zee op dit moment onmogelijk maken. Het kabinet vindt het politiek onaanvaardbaar dat Rusland voedsel inzet als wapen, waardoor de wereldwijde voedselzekerheid in het geding komt.
Juridisch is het opzettelijk uithongeren van de burgerbevolking ten tijde van een gewapend conflict een schending van het humanitair oorlogsrecht en zou mogelijk kunnen worden gekwalificeerd als een oorlogsmisdrijf. Dit geldt echter alleen ten aanzien van de bevolking in het gebied waar het gewapend conflict plaatsvindt, dus ten aanzien van de Oekraïense bevolking. Het verbod op opzettelijke uithongering is vastgelegd in het Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève. Rusland is partij bij dit protocol.
Nederland kwalificeert de situatie in Oekraïne als een internationaal gewapend conflict. Dit betekent dat het niet per definitie is verboden voor partijen bij het gewapend conflict om zeeblokkades in te stellen. Het humanitair oorlogsrecht voorziet namelijk in het onder bepaalde voorwaarden instellen van zeeblokkades voor militaire doeleinden. Een dergelijke blokkade is niet toegestaan wanneer het leidt tot uithongering van de burgerbevolking, in dit geval de bevolking van Oekraïne.
Dit alles laat onverlet dat Nederland het gedrag van Rusland ten sterkste veroordeelt.
Bent u bekend met het feit dat er door het activeren van het Uniting for Peace-mechanisme een Emergency Special Session over Oekraïne bij de Verenigde Naties loopt waarbij de Algemene Vergadering veiligheidsonderwerpen van de Veiligheidsraad overneemt en bespreekt in de Algemene Vergadering?2
Ja.
Bent u bereid deze Emergency Special Session over Oekraïne bijeen te roepen om een resolutie in te dienen die het handelen van Rusland in de Zwarte Zee veroordeelt en de route over de Zwarte Zee uitroept als humanitaire corridor voor het transporteren van essentiële ladingen voedsel naar landen waar nijpende voedselcrises dreigen?
Op dit moment zijn er verschillende pogingen om deze blokkade op te heffen. Turkije probeert te faciliteren, daartoe heeft onlangs een gesprek tussen ministers Cavosoglu en Lavrov plaatsgevonden, en de VN is in gesprek met Turkije, Rusland en Oekraïne over een corridor.4 Het kabinet volgt deze onderhandelingen nauwgezet en hoopt op een dergelijke oplossing. Nederland heeft de SGVN laten weten paraat te staan om een bijdrage te leveren indien gewenst. Daarnaast zal ik onderzoeken bij andere AVVN-leden of en hoe het bijeenroepen van een dergelijke sessie kans van slagen heeft. Een grote coalitie is noodzakelijk om een dergelijke resolutie breed aanvaard te krijgen en daarmee een krachtig signaal af te geven.
Bent u bereid, indien deze resolutie een meerderheid krijgt, een voortrekkersrol te spelen met landen in de regio en in het Midden-Oosten en Afrika om de voedseltransporten op gang te krijgen?
Zie antwoord 5.
Kunt u gezien de urgentie van deze kwestie dit zo snel mogelijk in werking stellen en deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Een dreigende Turkse invasie in Syrië. |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de melding van de Turkse president Erdogan dat Turkije een strook van 30 km in het noorden van Syrië zou willen bezetten?1 Deelt u de opvatting van de Amerikaanse regering dat dit de strijd tegen Islamitische Staat bedreigt, evenals het machtsevenwicht in het gebied?2 Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb kennisgenomen van de Turkse uitspraken over een mogelijke nieuwe operatie in Syrië. Volgens Turkije zijn die nodig om terreurdreigingen het hoofd te bieden in het licht van recente aanvallen op Turks grondgebied vanuit Noord-Syrië.
Nederland neemt de zorgen van Turkije op het vlak van de eigen veiligheid serieus, maar deelt ook die van de Verenigde Staten over de mogelijke effecten van een nieuwe Turkse operatie. Het kabinet onderstreept, ook in gesprekken met de Turkse autoriteiten, het belang van afzien van escalatie in Syrië om verdere destabilisering te voorkomen.
Wat zijn uw inspanningen om te voorkomen dat deze dreigementen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 1.
Hebt u tevens kennisgenomen van de bewering dat deze strook van 30 km gebruikt zou kunnen worden om 500.000 Syrische vluchtelingen die momenteel in Turkije verblijven, naar Syrië over te brengen?3 Deelt u de opvatting dat dat alleen is toegestaan in overeenstemming met de plaatselijke Syrische autoriteiten?
Ik heb kennisgenomen van mediaberichtgeving van dergelijke strekking. Nederland stelt zich op het standpunt dat terugkeer naar Syrië moet plaatsvinden in overeenstemming met internationaalrechtelijke standaarden, in het bijzonder de standaarden voor veiligheid en waardigheid zoals vervat in het Europees Verdrag voor de Rechten van Mens waar Turkije ook bij is aangesloten, alsook de UNHCR parameters ten aanzien van veilige, waardige en vrijwillige terugkeer. Naar de mening van Nederland, de EU en de bredere internationale gemeenschap voldoet de situatie in Syrië op dit moment niet aan genoemde standaarden.
Deelt u de opvatting dat spoedige vredesonderhandelingen over de toekomst van Syrië gewenst zijn en dat de inzet tevens zou moeten zijn dat Turkije de bezette gebieden in Syrië opgeeft? Zo nee, waarom niet?
In december 2015 is VN-resolutie 2254 unaniem aangenomen in de Veiligheidsraad. Hierin is het mandaat van de Speciale VN-gezant voor Syrië vastgelegd: het ondersteunen van een door Syrië geleid vredesproces middels het vormen van een overgangsregering, een nieuwe Grondwet en democratische verkiezingen. Conform EU-beleid ziet Nederland een inclusief en door Syriërs geleid politiek proces, zoals uiteengezet in VN Veiligheidsraadresolutie 2254, als enige duurzame oplossing van het conflict. De vraag hoe om te gaan met de Turkse aanwezigheid in Noord-Syrië is in eerste plaats aan de Syriërs zelf. Nederland heeft Turkije zowel in bilateraal als multilateraal verband opgeroepen tot de-escalatie om verdere instabiliteit in Syrië te voorkomen.
Deelt u de opvatting dat de democratische rechten in Turkije, zoals blijkt uit het grote aantal (Koerdische) politieke gevangenen, stelselmatig worden geschonden? Zo ja, kunt u aangeven wat u daar thans tegen onderneemt?
Nederland blijft zich grote zorgen maken over de rechtsstaat en de mensenrechtensituatie in Turkije. Mensenrechten, waaronder het recht op vrijheid van meningsuiting en recht op een eerlijke rechtsgang, vormen de hoeksteen van het Nederlands buitenlandbeleid. Dit draagt Nederland internationaal uit in multilaterale fora, zoals de Raad van Europa, en in bilaterale gesprekken met de Turkse autoriteiten, op ambtelijk en politiek niveau. De laatste keer dat ik dit onderwerp besprak was tijdens mijn bezoek op 8 juni in Ankara.
Deelt u de opvatting dat Turkije zich thans niet zou kwalificeren voor het NAVO-lidmaatschap en dat strafmaatregelen tegen Turkije in het vooruitzicht moeten worden gesteld als zij daadwerkelijk tot interventie over zouden gaan? Zo nee, waarom niet?
Turkije is een belangrijke NAVO-bondgenoot, gezien de omvang van zijn leger en gezien zijn strategische geografische locatie aan de toegang tot de Zwarte Zee en aan de zuidoostflank van het bondgenootschap. Wanneer er zorgen zijn over het gedrag van een bondgenoot die raken aan de veiligheid van het bondgenootschap, dan biedt de NAVO het platform bij uitstek om dat te bespreken.
Het bericht ‘Aruba heeft geen boodschap aan RMR en Cft: Geld vliegt de deur uit’ |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Roelien Kamminga (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aruba heeft geen boodschap aan RMR en Cft: Geld vliegt de deur uit»1?
Ja.
Deelt u de mening dat de constateringen van het College finanieel toezicht (Cft) zeer zorgelijk zijn en zo nee, waarom niet?
Ja. De financieel-economische staat van het land is met een staatsschuld boven 100% BBP en een zeer kwetsbare economie zeer zorgelijk.
Wat zijn de financiële gevolgen van de stijgende overheidsschuld van Aruba en hoe beoordeelt u dat?
Indien de stijgende overheidsschuld het gevolg is van Nederlandse liquiditeitsleningen, zijn er niet of nauwelijks directe financiële gevolgen omdat Nederland over deze leningen met looptijd tot 10 oktober 2023 geen rente vraagt. Indirect kan een stijgende overheidsschuld de door Aruba te betalen rentetarieven doen toenemen. Dit kan onder meer een rol spelen als Aruba in 2023 en verder haar aflopende binnenlandse en buitenlandse schulden moet gaan herfinancieren.
Indien Aruba de RMR-besluitvorming en de CAft-adviezen niet opvolgt, kunnen de betalingsachterstanden van Aruba oplopen. Dit omdat het land in dat geval voor meer uitgaven verplichtingen aangaat dan dat ze aan liquide middelen in kas heeft of krijgt. Dit kan uitmonden in acute betalingsproblemen als crediteuren hun tegoeden gaan opeisen en Aruba hier niet aan kan voldoen.
Hoe verhoudt het Arubaanse beleid zich tot de gemaakte afspraken met Nederland op dit gebied?
Over het door Aruba gevoerde begrotingsbeleid loopt in kader van de Vastgestelde Begroting 2022 momenteel een artikel 11-procedure met een hoor- en wederhoor traject. Dit betreft de procedure die doorlopen wordt als het CAft van oordeel is dat de Begroting van Aruba niet voldoet aan de gestelde normen. Ik heb het bestuur van Aruba hiervoor aandacht gevraagd.
Ik wil de voltooiing van deze zorgvuldige procedure evenwel graag afwachten en de procedure niet met mijn beantwoording doorkruisen. Ik zal uw Kamer informeren zodra in de RMR-besluitvorming heeft plaats gevonden over het CAft-advies met betrekking tot de artikel 11-procedure.
Welk effect heeft het gevoerde beleid op de overeengekomen hervormingsagenda?
Wat het effect van het gevoerde begrotingsbeleid op de overeengekomen hervormingsagenda is, is mij niet bekend. Het is de verantwoordelijkheid van de landen om voldoende middelen ter beschikbaar te stellen voor de uitvoering van de landspakketten.
Andersom is in de RMR afgesproken dat de landen de gevolgen van de uitvoering van de landspakketten meenemen in de begroting.
Bent u bereid het kabinet Wever-Croes aan te spreken op het gekozen meerjarig financieel beleid en hier consequenties aan te verbinden? Zo ja, aan welke consequenties denkt u dan en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de Kamer hier nog deze maand over informeren?
Dat is helaas niet gelukt. De beantwoording is deels meegenomen in het WGO van 4 juli jl.
De opvang van Oekraïense ontheemden, asielzoekers en vergunninghouders |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de actuele stand van zaken is in het realiseren van opvangplaatsen voor Oekraïense ontheemden? Hoeveel beschikbare opvangplaatsen voor Oekraïense ontheemden blijven momenteel onbenut?
Het aantal beschikbare en bezette opvangplekken voor Oekraïense ontheemden wordt dagelijks gemonitord en gerapporteerd. Op dit moment (rapportage 7 juni) zijn bijna 48.000 opvangplekken voor Oekraïense ontheemden beschikbaar. Hiervan zijn 41.500 plekken bezet. Het aantal beschikbare plekken is ca 6.500.
Zijn er gesprekken geweest met gemeenten deze beschikbare opvangplaatsen in te zetten voor de opvang van asielzoekers en/of vergunninghouders? Zo ja, met welke gemeenten is hierover gesproken en wat zijn de uitkomsten van die gesprekken?
Er zijn de afgelopen periode gesprekken met gemeenten gevoerd over de opvang van zowel Oekraïense ontheemden als asielzoekers/vergunninghouders. De keuze voor wie een locatie wordt ingezet is hierbij ook besproken. Het is van belang dat zowel asielzoekers, statushouders als ontheemden een dak boven hun hoofd hebben. De uiteindelijke keuze om een locatie beschikbaar te stellen voor ontheemden of asielzoekers/vergunninghouders ligt bij de gemeenten en niet bij mij. Er is geen overzicht beschikbaar van met welke gemeenten hierover is gesproken en welke keuze hierin is gemaakt.
Kunt u aangeven welke gemeenten expliciet hebben aangegeven alleen opvangvoorzieningen beschikbaar te willen stellen voor Oekraïense ontheemden? Zo ja, om hoeveel opvangplaatsen gaat het?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, met het oog op de schrijnende humanitaire omstandigheden in de opvang in Aanmeldcentrum Ter Apel, alsnog c.q. wederom in gesprek te gaan met gemeenten over hun bereidheid de onbenutte opvangplaatsen voor Oekraïense ontheemden alsnog beschikbaar te stellen voor asielzoekers en/of vergunninghouders? Zo nee, waarom niet?
Het aantal beschikbare opvangplekken voor ontheemden is op dit moment niet voldoende om ook asielzoekers/vergunninghouders op te vangen. Vanuit zowel DG-Oekraïne als DG Migratie wordt continu gezamenlijk ingezet op zowel opvang voor Oekraïense ontheemden als asielzoekers/vergunninghouders. Uitbreiding van de capaciteit moet bij voorkeur zowel naar de ontheemden als asielzoekers/vergunninghouders gaan. Dit wordt in gesprekken voor nieuwe locaties actief gemeld. Er is afgesproken dat per veiligheidsregio 150 plekken beschikbaar worden gesteld voor asielzoekers/vergunninghouders/overloop Ter Apel. De definitieve keuze voor opvangplekken ligt bij de Veiligheidsregio’s/gemeenten.
Bent u bereid deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat over de komende JBZ-Raad 9 juni a.s. (onderdeel vreemdelingen- en asielbeleid) te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bericht dat wetgeving doorrijden na een aanrijding aanzienlijk aangescherpt dient te worden. |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «wetgeving doorrijden na een aanrijding dient aanzienlijk aangescherpt te worden»?1
Ja
Wat is uw reactie op dit bericht?
Bewust doorrijden na een ongeval is onacceptabel en moet hard worden bestraft. Om die reden is op 1 januari 2020 de wet aangepast en is de maximumstraf voor doorrijden na een ongeval waarbij letsel is ontstaan, iemand overleden is of iemand in hulpeloze toestand is achter gelaten, verhoogd van drie maanden naar één jaar. Ook zijn de opsporingsbevoegdheden van de politie bij ernstige gevallen van doorrijden na een ongeval toen verruimd.
Klopt de bewering van de Vereniging Verkeersslachtoffers dat als een doorrijder zich binnen een bepaalde tijd na de aanrijding bij de politie meldt, dit geen consequenties heeft voor de strafmaat?
In sommige gevallen geldt inderdaad dat als iemand zich binnen 12 uur meldt, hij of zij niet voor het doorrijden na een ongeval vervolgd wordt. Ik wil voorop stellen dat deze termijn in ieder geval niet geldt voor die gevallen waarbij een slachtoffer in hulpeloze toestand wordt achtergelaten (artikel 7, eerste lid, onder b WVW 1994). In dergelijke gevallen kan er altijd vervolgd worden voor het doorrijden na het ongeval, ook als de dader zich alsnog binnen 12 uur meldt.
Echter, niet iedereen die doorrijdt na een ongeval doet dit bewust of heeft kwade zin. Soms is een ongeval niet opgemerkt of ontstaat er uit paniek een vluchtreactie. De 12-uurs termijn die in artikel 184 Wegenverkeerswet is opgenomen, is voor dit soort gevallen bedoeld. Het stimuleert mensen om, nadat het besef is gekomen dat er een ongeluk heeft plaatsgevonden of iemand spijt heeft van een vluchtreactie, zich alsnog te melden. Dat is zowel in het belang van de dader en in het belang van het slachtoffer.
Voorwaarde is wel dat de verdachte zich vrijwillig en op eigen initiatief meldt bij de politie. Als de bestuurder al is aangehouden of verhoord, dan kan er wel degelijk vervolgd worden voor doorrijden na een ongeval.
Overigens kan de bestuurder altijd, ook als hij of zij zich binnen de 12 uur meldt en niet vervolgd kan worden voor het doorrijden na de aanrijding, vervolgd worden voor het veroorzaken van het ongeval zelf.
In hoeverre kan het rijden onder invloed hiermee worden verborgen, aangezien alcohol dan uit het bloed is verdwenen?
De politie registreerde in de afgelopen vijf jaar jaarlijks gemiddeld zo’n 80.000 gevallen van doorrijden na een aanrijding. In veruit de meeste gevallen gaat het om aanrijdingen met alleen materiële schade, bijvoorbeeld parkeerschade. In 2021 vielen er bij aanrijdingen waarna een betrokkene doorreed in totaal 550 slachtoffers, waarvan het merendeel lichtgewond raakte en geen behandeling in het ziekenhuis nodig had.
Kunt u een overzicht geven van het aantal keren dat het doorrijden na een aanrijding wordt geregistreerd door de politie in de afgelopen vijf jaren?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe vaak is het Openbaar Ministerie in de afgelopen vijf jaren overgegaan tot vervolging voor het doorrijden na een aanrijding en wat was de gemiddelde strafeis?
Het OM is in de afgelopen vijf jaren in gemiddeld ongeveer 2400 gevallen per jaar overgegaan tot het instellen van vervolging voor het doorrijden na een aanrijding.
Er zijn bij het OM geen gegevens bekend met betrekking tot de gemiddelde strafeis. Op basis van de richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval kan de officier van justitie straffen eisen die variëren van een geldboete van € 500 tot een gevangenisstraf van drie maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 70 maanden. Deze eisen kunnen nog hoger uitvallen indien sprake is van recidive en/of indien een slachtoffer in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Indien door het verkeersongeval een ander is gedood, letsel is toegebracht of iemand in hulpeloze toestand wordt achtergelaten, wordt het doorrijden na de aanrijding meegenomen als strafverzwarende omstandigheid voor het veroorzaken van het ongeval zelf. De strafeisen variëren al naargelang de verschillende omstandigheden waarvan bij het ongeval sprake was. Bij lichamelijk letsel waarbij sprake is van een zeer hoge mate van schuld en verlaten van de plaats van het ongeval wordt er bijvoorbeeld een gevangenisstraf van 7 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaar geëist. Wanneer het slachtoffer overleden is, er sprake is van een zeer hoge mate van schuld en de plaats van het ongeval verlaten is, schrijft de richtlijn een strafeis van 4 jaar gevangenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 5 jaar voor. Door het OM wordt waar nodig in de strafeisen maatwerk geleverd om de eisen verder te verhogen.
Kunt u in gesprek gaan met het Openbaar Ministerie om de Richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval aan te passen om de strafeisen te verhogen?2
De richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval is na de wetswijziging op 1 januari 2020 ook aangepast. De strafeisen voor doorrijden na een aanrijding met de dood of letsel tot gevolg of het in hulpeloze toestand achterlaten van een slachtoffers, zijn toen verhoogd. Ik zie geen aanleiding om met het OM in gesprek te gaan om de richtlijn nu opnieuw aan te passen.
In hoeverre wijken de straffen voor het doorrijden na een aanrijding in Nederland af van straffen in omringende landen?
In België liggen de maximumstraffen voor het gronddelict lager. Voor het doorrijden na een ongeval kan een gevangenisstraf van 15 dagen tot 6 maanden worden opgelegd (artikel 33 wegverkeerswet 1968). Indien er gewonden of doden zijn gelden wel hogere straffen voor het doorrijden. Respectievelijk maximaal 3 en 4 jaar. Ook in Duitsland geldt een maximumstraf van 3 jaar voor het doorrijden na een ongeval (artikel 142 van het Wetboek van strafrecht). Overigens geldt ook in Duitsland als er slechts sprake is van onbeduidende materiële schade een bedenktermijn van 24 uur waarbinnen bestuurders zich zelf kunnen melden
Wat is uw reactie op de oplossing van de Vereniging Verkeersslachtoffers waarin wordt gepleit om de termijn waarin iemand zich moet melden in te korten met een verplichte bloedproef?
Indien er sprake is van een vermoeden van rijden onder invloed, wordt er nu ook al een blaastest en/of speekseltest afgenomen eventueel gevolgd door een bloedonderzoek bij een positieve uitslag. Naar aanleiding van de aangenomen motie van de leden Slootweg en Helder3 zal ik samen met politie en OM onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de 12-uurs termijn uit artikel 184 WVW aan te passen en zo eventueel misbruik nog verder te voorkomen. Zoals ook eerder aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het ook in het belang van de slachtoffers om bestuurders te stimuleren zichzelf te melden. Zonder dader kan de eventuele schade immers niet verhaald worden. Dit zal dan ook meegewogen worden in de besluitvorming over de eventuele aanpassing van deze termijn.
Wat is uw reactie op de oplossing van de Vereniging Verkeersslachtoffers waarin de doorrijder moet aantonen dat hij/zij op het moment van de aanrijding niet onder invloed was?
De bewijslast voor het rijden onder invloed ligt altijd bij het OM. Dit geldt voor de vervolging van alle misdrijven en dus ook voor het rijden onder invloed. Van dit belangrijke principe binnen onze rechtsstaat kan en wil ik ook in dit geval niet afwijken. Zoals in het antwoord op vraag 4 en 9 is aangegeven doen politie en OM altijd uitgebreid onderzoek bij een ernstig ongeval en als er sprake is van een vermoeden van rijden onder invloed.
Wat is uw reactie op de oplossing van de Vereniging Verkeersslachtoffers dat, indien een doorrijder zich niet binnen drie uur meldt, terwijl er slachtoffers of gewonden te betreuren zijn, de wetgeving aanzienlijk aangescherpt dient te worden?
De 12-uurs termijn is nu al niet van toepassing als iemand in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Iemand kan in die gevallen dus altijd vervolgd worden voor het doorrijden na een ongeval, ook als hij of zij zich vrijwillig heeft gemeld. Zoals ook in het antwoord op vraag 9 is aangegeven zal ik naar aanleiding van de aangenomen motie samen met politie en OM onderzoeken of de wetgeving op het doorrijden na een aanrijding verder aangescherpt moet worden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het tweeminutendebat Verkeersveiligheid?
In verband met de benodigde afstemming met politie en OM is dit helaas niet gelukt.
Het feit dat veel reformatorische scholen nog altijd homoseksualiteit afwijzen en identiteitsverklaringen hanteren |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Lisa Westerveld (GL), Peter Kwint (SP) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de KRO-NCRV Pointer aflevering «Religieuze strijd tegen homoseksualiteit»?1
Ja, dat heb ik.
Hoe verhoudt de recente uitspraak van de Inspectie dat de Gomarus Scholengemeenschap «nu veilig» is en het aanvullend toezicht beëindigd is zich tot het feit dat deze school een identiteitsverklaring hanteert waarin staat: «Omdat we beseffen dat ons veel vergeven is en moet worden, willen we aan de ene kant mild zijn tegenover leerlingen/studenten en collega’s. Tegelijk brengt de realiteit van het kwaad ons ertoe grenzen te stellen en tegen te gaan wat verkeerd is. (.) In een klimaat waarin geleefd wordt uit genadebesef, wordt kwaad kwaad genoemd en is altijd plaats voor vergeving. Deze houding verwachten wij van iedereen in de gemeenschap van onze scholen.»?2 Klopt het dat deze identiteitsverklaringen nog altijd ondertekend moeten worden? Bent u van mening dat een dergelijke houding duidt op een veilig schoolklimaat en gelijke behandeling voor iedereen wanneer «wat verkeerd is» de seksuele oriëntatie van jongeren kan betreffen?
U verwijst in uw vraag naar het identiteitsdocument van het Gomarus College, een onderwijsinstelling gesitueerd in Groningen, Assen, Drachten en Leeuwarden (bestuursnummer 41789). Dat betreft dus een andere onderwijsinstelling dan Gomarus Scholengemeenschap, gesitueerd in Gorinchem en Zaltbommel (bestuursnummer 42556).
Het klopt dat deze school (Gomarus College) vraagt om de ondertekening van een identiteitsverklaring. Dat is nu niet wettelijk verboden. Daarnaast staat het scholen vrij om, naast het objectief informeren over de Nederlandse samenleving, normen, waarden en regels, een specifieke visie te geven op bijvoorbeeld het huwelijk.
Maar ik vind het niet wenselijk dat scholen zich op deze wijze uitdrukken en toelating voorwaardelijk maken op het ondertekenen van zo’n verklaring. Hier schuren het recht op vrije meningsuiting en het recht op onderwijsvrijheid met het recht op gelijke behandeling.
Of een gemeenschap een specifieke overtuiging heeft is op zich niet relevant. Het gaat erom dat scholen verplicht zijn om te zorgen voor de sociale veiligheid van leerlingen en medewerkers, en daarnaast vorm te geven aan burgerschapsonderwijs waarin de basiswaarden van de democratische rechtstaat, waaronder gelijkwaardigheid en tolerantie, centraal staan. Belangrijker nog, ook de schoolcultuur moet in overeenstemming zijn met die basiswaarden. Daar ziet de inspectie ook op toe.
In de loop van dit jaar ontvangt u de reactie op de motie-Kwint c.s. en de motie-Gündoğan/Simons, waarin ik nader inga op het al dan niet verbieden van identiteitsverklaringen. Ik vind het belangrijk om dit gepaard te laten gaan met een zorgvuldig traject.
Kunt u in dit licht ook reflecteren op de gezamenlijke verklaring waarin gereformeerde scholen benadrukken dat volgens hen «seksualiteit thuishoort in een relatie tussen één man en één vrouw»?3 Hoe verhouden dergelijke uitspraken van door de staat gefinancierde scholen zich tot onze democratische en rechtstatelijke beginselen?
Ik ben van mening dat iedere leerling in Nederland recht heeft op vrij en veilig onderwijs. Scholen moeten daar dus te allen tijde voor zorgen. Daartoe is ook recent de burgerschapsopdracht aan scholen aangescherpt. Via het in juli opgerichte Expertisepunt Burgerschap kunnen scholen hiertoe ook ondersteuning krijgen.
Tegelijkertijd staat het scholen vrij om eigen opvattingen te hebben, ook over huwelijk, relaties en seksualiteit, zolang dat niet indruist tegen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Die staat voor mij voorop. Leerlingen moeten zich te allen tijde veilig en geaccepteerd weten. Daar waar dit niet het geval is, zal de Inspectie ingrijpen. Maar ik heb al aangegeven dat ik het niet wenselijk vind dat scholen zich op deze wijze uitdrukken en toelating voorwaardelijk maken op het ondertekenen van zo’n verklaring. Hierop kom ik terug in de eerder genoemde brief.
Bent u van mening dat de sociale veiligheid van LHBTI+ jongeren volledig kan worden gewaarborgd wanneer de Inspectie in haar laatste rapport concludeert «Het beleid over het gewenste pedagogisch handelen van docenten ten aanzien van leerlingen die vragen hebben over hun seksuele identiteit is nu nog vooral gericht op de individuele leerling of op het gesprek in de mentorklas. Er zijn nog geen afspraken over hoe docenten door hun pedagogisch handelen kunnen bijdragen aan een leerklimaat waarin de mogelijke spanning tussen de visie van de school en de persoonlijke belevingswereld van leerlingen bespreekbaar wordt. Ook kan duidelijker worden aangegeven hoe dat aansluit bij de wettelijke eisen rond burgerschap. Hier ligt een taak voor bestuur en school.»4 maar toch het additionele toezicht heeft beëindigd?
Het bestuur van de school heeft zich welwillend getoond om te blijven werken aan een sociaal veilige omgeving voor alle leerlingen. Dat vraagt om een stevige inspanning voor deze school. De herstelopdrachten van de inspectie zijn opgepakt. Hoewel het specifieke toezicht vanwege de eerdere voorvallen om die reden beëindigd is, betekent dit niet dat de inspectie de situatie niet volgt en de school zo nodig opnieuw zal aanspreken. Daar hecht ik ook aan.
Bent u van mening dat de sociale veiligheid en gelijke behandeling op iedere school voor leerling en leraar zoals uiteengezet in het coalitieakkoord wordt behaald wanneer er zelfs meer scholen dan twee jaar geleden afwijzend staan tegenover relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht en ouders en leerlingen opdragen die visie te delen en ondertekenen? Zo nee, welke concrete actie gaat u ondernemen om deze gang van zaken uit te bannen?
Zoals in vraag 3 gezegd staat voorop dat iedere leerling en medewerker recht heeft op een veilige leer- en werkomgeving. Dat is ook wettelijk vastgelegd. In mijn beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad «Grenzen stellen, ruimte laten» en mijn brief over de uitwerking van de motie-Kwint c.s. en de motie-Gündoğan/Simons kom ik hierop terug5.
Hoe is het mogelijk dat dergelijke identiteitsverklaringen nog bestaan nadat de motie Kwint c.s. over het verbieden van identiteitsverklaringen in het onderwijs5 in september 2021 werd aangenomen? Wat is de status van de uitwerking van deze motie? Hoe gaat u zo snel mogelijk werk maken van deze motie opdat niet nog meer LHBTI+ jongeren onveilig hoeven te zijn op school?
De wijze waarop een school zijn identiteit uitdraagt mag nooit een inbreuk vormen op de basiswaarden van onze democratische rechtsstaat, waaronder het recht van kinderen zich vrij te voelen om zich te uiten, te kunnen zijn wie ze willen zijn en een relatie te mogen hebben met degene van wie zij houden. Leerlingen moeten zich te allen tijde veilig en geaccepteerd weten. Het afwijzen of veroordelen van leerlingen op basis van seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie of geslachtskenmerken (en het daarnaar leven) is wat mij betreft onacceptabel. Ook in identiteitsverklaringen is daarvoor geen ruimte.
Indien een school een verklaring gebruikt waarin leerlingen expliciet worden afgewezen zal de inspectie direct ingrijpen en er door middel van een herstelopdracht en indien nodig bij het uitblijven van herstel door middel van sancties voor zorgen dat de school de identiteitsverklaring met dergelijke passages niet meer gebruikt. Op dit moment onderzoek ik op welke manier ik uitvoering kan geven aan de motie-Gündoğan/Simons, net als aan de motie-Kwint c.s., die oproepen tot het verbieden van (bepaalde vormen van) identiteitsverklaringen in het onderwijs. Dat doe ik zorgvuldig. Hierover informeer ik uw Kamer in de loop van het jaar.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Ondanks ophef wijzen meer reformatorische scholen homohuwelijk af’ |
|
Mariëlle Paul (VVD), Paul van Meenen (D66) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ondanks ophef wijzen meer reformatorische scholen homohuwelijk af»?1
Ja.
Klopt het dat in de meest recente online schoolgidsen en identiteitsprofielen 36 van de 161 scholen seksuele relaties tussen twee mensen van hetzelfde geslacht nog steeds afkeuren? Zo ja, gaat u met de betreffende scholen in gesprek om hier verandering in te brengen en wat doet u nog meer om dit in de toekomst te voorkomen?
Ja, er zijn schoolgidsen en identiteitsverklaringen die seksuele relaties tussen twee mensen van hetzelfde geslacht afkeuren. Ik vind het niet wenselijk dat scholen zich op deze manier uitspreken. Scholen hebben de wettelijke verplichting om een vrij en veilig schoolklimaat te creëren waar leerlingen zich (sociaal) veilig voelen. De Inspectie houdt hier toezicht op en zal niet schromen om in te grijpen wanneer scholen zich niet aan deze wettelijke verplichting houden. Ik informeer uw Kamer in de loop van dit jaar over het mogelijk verbieden van (bepaalde vormen van) identiteitsverklaringen in reactie op de motie-Kwint c.s. en de motie-Gündoğan/Simons.2 Daartoe doe ik eerst zorgvuldig onderzoek. In die reactie zal ik nader ingaan op dit punt.
Hoe verklaart u dat er sprake is van een toename in plaats van een afname, mede gelet op alle stappen die de Inspectie en u de afgelopen tijd hebben gezet om de sociale veiligheid te waarborgen en het aandringen van de Kamer om dit onderwerp te prioriteren?
Ik heb geen pasklaar antwoord op de vraag waarom meer reformatorische scholen het huwelijk voor echtparen van hetzelfde geslacht afwijzen. Of een gemeenschap een specifieke overtuiging heeft is op zich niet relevant. Binnen artikel 23 GW mag deze opvatting ook bestaan, maar mag niet leiden tot onveiligheid. Dat laatste staat voor mij buiten kijf.
Het gaat er om dat scholen verplicht zijn om te zorgen voor de sociale veiligheid van leerlingen en medewerkers, en daarnaast vorm te geven aan burgerschapsonderwijs waarin de basiswaarden van de democratische rechtstaat centraal staan. Belangrijker nog: ook de schoolcultuur moet in overeenstemming zijn met die basiswaarden. Daar ziet de inspectie ook op toe.
Hoe duidt u daarbovenop de woorden van de voorzitter van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs dat «alle reformatorische scholen een homoseksuele relatie afwijzen»2?
De voorzitter van de VGS gaat over zijn eigen woorden. Net als in reactie op vraag 3 gaat het erom dat scholen deze opvatting mogen hebben, maar dat dit niet mag leiden tot onveiligheid. Ik zie ook dat dit soms op gespannen voet staat met elkaar. Daarom zijn scholen bovenal verplicht om zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat. Iedere leerling in Nederland heeft het recht om zichzelf te zijn, los van zijn of haar seksuele gerichtheid. Daar doen de opvattingen van de voorzitter van de VGS niets aan af. Daar waar scholen verzuimen om ervoor te zorgen dat elke leerling zich veilig en geaccepteerd weet, zal de inspectie ingrijpen. Dat is ook één van de speerpunten van mijn beleid. Ik beraad mij momenteel op de mogelijkheden om dit ook in navolging van oproepen uit uw Kamer verder te verduidelijken.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de afspraak uit het coalitieakkoord, die het volgende stelt: «Onderscheid bij toelating vanwege de grondslag van de school mag niet tegelijk direct onderscheid inhouden op grond van ras, nationaliteit, seksuele geaardheid of burgerlijke staat.»?
Scholen hebben de wettelijke taak om te zorgen voor een veilig schoolklimaat voor alle leerlingen. Scholen mogen geen leerlingen discrimineren op grond van ras, nationaliteit, seksuele gerichtheid etc. Daar waar scholen dat wel doen zal de Inspectie daarop toezien en waar nodig handhaven. Halverwege 2023 ontvangt u de beleidsreactie op het Onderwijsraadadvies «Grenzen stellen, ruimte laten». In die reactie zal ik verder ingaan op dit punt.
Wanneer is de Inspectie gereed om sneller te handelen inzake gevallen van sociale onveiligheid in lijn met de gemaakte afspraken in het coalitieakkoord?
Het inspectietoezicht is gebaseerd op wet- en regelgeving. Waar het coalitieakkoord een wijziging van wet- of regelgeving vraagt, bepaalt de herziening daarvan ook de herziening van het inspectietoezicht. Waar het gaat om aanpassing van het toezicht binnen bestaande wet- en regelgeving en daarop gebaseerde toezichtkaders, kan aanpassing van de werkwijze sneller worden gerealiseerd. Dit betreft onder meer de respons op signalen of risico’s. Afhankelijk van de situatie is reeds nu sprake van aangescherpt optreden bij signalen van sociale onveiligheid. In mijn brief «Samen voor beter onderwijs, duidelijk over kwaliteit»4 beschrijf ik welke maatregelen de inspectie en ik nemen om het toezicht verder aan te scherpen. Zie hiervoor uitgebreider ook het antwoord op vraag 10.
Zoals ik in de Kamerbrief «Vrij en veilig onderwijs»5 heb aangekondigd houdt de inspectie op basis van de sectorwetgeving toezicht op de sociale veiligheid op scholen. Zo ontvangt zij van iedere school de resultaten van de verplichte jaarlijkse schoolmonitor en pakt zij signalen op afkomstig van besturen, schoolleiders, docenten, ouders en leerlingen. Dit toezicht is met ingang van dit schooljaar geïntensiveerd. Dit betekent dat tekortkomingen rond de uitvoering van de jaarlijkse monitoring van de sociale veiligheid, signalen, en de reactie van de school op risico’s en incidenten, sneller zullen leiden tot onderzoek en handhavend optreden door de inspectie. Daarnaast zijn de beslisregels rond herstelopdrachten aangescherpt door de standaard «Veiligheid» zwaarder te laten wegen, en wordt er door de inspectie een specifieke escalatieladder uitgewerkt voor sociale veiligheid. Dit kader helpt bij het bepalen van de soort maatregel, die passend is bij de zwaarte van een tekortkoming.
Wat vindt u ervan dat organisaties die opstaan tegen seksuele diversiteit en de «homolobby» gastcolleges geven op middelbare scholen?
Ik heb al aangegeven dat scholen een belangrijke verantwoordelijkheid hebben om zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat en het welzijn van al hun leerlingen. Verder zijn scholen verplicht om te zorgen dat al het onderwijs, ook dat van gastlessen, voldoet aan wettelijke eisen en dat het van goede kwaliteit is.
Scholen hebben veel vrijheid bij het inrichten van hun onderwijs en hun grondslag en overtuigingen kunnen daarvoor een belangrijke basis vormen. Zo mogen scholen gastlessen organiseren die aansluiten bij hun grondslag of identiteit. Wel moeten leerlingen in het onderwijs worden begeleid om zelfstandig een mening te vormen, ook als die mening niet overeenkomt met die van de school. Daarbij is het van belang dat zij gedegen en correcte informatie aangereikt krijgen. Indien leerlingen doelbewust onjuist geïnformeerd worden, is dat onacceptabel. Het maakt niet uit welke opvatting dan ook wordt verkondigd, als die eenzijdig of onjuist is en desinformatie betreft is dat niet in de haak. Als er naar aanleiding van gastlessen klachten komen, kan dit voor de inspectie een signaal zijn om hier in hun toezicht aandacht aan te geven. Hier ga ik bij vraag 9 verder op in.
Bent u van mening dat dergelijke gastcolleges zorgen voor een veilig schoolklimaat waarin elke leerling het gevoel heeft dat hij of zij zichzelf kan zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Wordt toezicht gehouden op welke gastcolleges scholen organiseren? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de lessen, en daarmee ook voor de kwaliteit van gastlessen. Ook dat onderwijs moet namelijk voldoen aan de wettelijke eisen en van goede kwaliteit zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat er een veilig schoolklimaat is en de inhoud van de lessen feitelijk juist is. Ook begeleiding van kritische meningsvorming en het maken van eigen keuzes vallen daaronder. De inspectie houdt toezicht op het bestuur, en daarmee indirect ook op gastlessen.
De inspectie ziet in het algemeen onder meer toe op de manier waarop scholen invulling geven aan de kerndoelen en de bevordering van burgerschap. Het bestuur is te allen tijde verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van onderwijs, voor alle onderdelen daarvan, dus ook voor gastlessen. Als sprake is van signalen, ongeacht waarop deze betrekking hebben, betrekt de inspectie ook deze bij haar toezicht. Waar nodig spreekt de inspectie besturen aan, doet zij onderzoek en treedt zij handhavend op. Als er specifieke zorgen zijn is het altijd mogelijk om contact op te nemen met de inspectie. Dat kan via het contactformulier van de inspectie6.
Kunt u toelichten wat de laatste stand van zaken is omtrent de motie van het lid Van Meenen die oproept de Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven altijd werk te maken van individuele meldingen en signalen van onveiligheid (Kamerstuk 31 289, nr. 484)? Is al meer duidelijk over de inrichting van het klantcontact bij de Inspectie?
Aandacht voor meldingen, signalen en risico’s zijn een vast onderdeel van het toezicht en worden altijd betrokken bij de bepaling van de manier waarop het toezicht in concrete situaties wordt ingevuld. De ernst en urgentie van een signaal of risico, en de situatie en context spelen daarbij een belangrijke rol. Als het signaal daartoe aanleiding geeft, kan dat zo nodig leiden tot directe opvolging van het signaal in de vorm van onderzoek en zo nodig handhaving door de inspectie. In andere situaties kan er bijvoorbeeld sprake van zijn dat de inspectie zich op een andere wijze van de situatie op de hoogte stelt, een bestuur opdracht geeft tot het verstrekken van nadere informatie, een opdracht geeft tot herstel en toezicht houdt op de naleving daarvan, of het signaal betrekt bij toezichtactiviteiten op een later moment.
Omdat het toezicht van de inspectie voor een deel risicogestuurd is ingericht, spelen meldingen, signalen en risico’s daarbij op bovengenoemde manier stelselmatig een rol en bepalen mede de inrichting daarvan. De invulling daarvan is in de afgelopen periode al aangescherpt en zal nog verder worden versterkt.
De al gerealiseerde aanscherpingen hebben betrekking op achtereenvolgens de volgende punten. De meldingsroute op de website van de inspectie is verduidelijkt. Dit maakt het voor melders gemakkelijker snel de juiste weg te vinden en verlaagt de drempel contact te zoeken. Het informeren van melders over de opvolging die aan een melding gegeven wordt is eveneens versterkt. Op die manier wordt de transparantie van het proces vergroot en het inzicht van melders in de acties die ondernomen worden. Signalen worden eveneens betrokken bij het toezicht gebaseerd op de jaarlijkse monitoring van de sociale veiligheid door scholen. De aanscherping van dit toezicht draagt daarmee eveneens bij aan verscherping van de opvolging van signalen, en is een vast onderdeel van de jaarlijkse risicoanalyse die de inspectie uitvoert voor alle scholen. Ten slotte worden signalen en meldingen structureel in het toezicht, bijvoorbeeld bij het bestuursbezoek, meegenomen.