Kent u de berichten «Miljoenen voor de schijn van daadkracht» en «Honderden miljoenen verdwenen in strijd tegen georganiseerde misdaad»?1, 2
Ja.
Klopt het dat tussen 2017 en 2022 ruim € 900 miljoen is vrijgemaakt voor de bestrijding van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit? Zo nee, wat is dan het juiste bedrag?
Ja, dat klopt. Van 2017 tot 2022 is in totaal 926 miljoen euro vrijgemaakt voor de bestrijding van ondermijnende criminaliteit, waarvan het overgrote deel in 2022 (zie tabel3. In onderstaande tabel worden deze beschikbare middelen weergegeven, ingedeeld in incidentele middelen, bijvoorbeeld incidentele bijdrage Ondermijning, en structurele middelen, bijvoorbeeld Versterking ondermijning.
Een specificatie van de besteding naar opgaven is opgenomen in de financiële bijlage van de Najaarsbrief georganiseerde, ondermijnende criminaliteit.4
Klopt het dat dit bedrag (grotendeels) is besteed aan vele projecten, werkoverleggen en/of taskforces? Zo nee, waar is het dan aan besteed?
Het geld is besteed aan de brede aanpak van ondermijnende criminaliteit. We hebben over de hele linie geïnvesteerd: van het voorkomen van georganiseerde criminaliteit, tot het doorbreken, stoppen en bestraffen als die criminaliteit toch plaatsvindt. Zo zijn er nu structureel meer mensen om de organisaties die zich bezig houden met de aanpak van ondermijning te versterken, zoals de politie en het Openbaar Ministerie. Daar komen ook in de komende jaren nog meer mensen bij. Er is geld voor werkwijzen zoals digitale opsporing en kunstmatige intelligentie, en verbetering van bijv. forensische opsporing. Met het Ondermijningsfonds zijn we begonnen met vooral veel projecten in de regio’s financieren, om te zorgen dat de aanpak zo goed mogelijk aansloot op de lokale context en flexibel genoeg om aan te passen als dat nodig bleek. De projecten waren bedoeld om in een afgebakende periode een probleem op te lossen of het fundament voor de toekomstige oplossing te bouwen. Bijvoorbeeld door de lokale vastgoedsector goed in beeld te krijgen zodat criminelen daar minder kansen krijgen, of vissers weerbaarder te maken tegen verzoeken om drugs op te pikken op zee.5
Over al deze middelen is de Tweede Kamer in de volgende brieven geïnformeerd:
Kamerstuk 29 911, nr. 212: Versterking aanpak ondermijning: actuele stand van zaken. Bevat uitwerking van het Ondermijningsfonds (€ 100 mln.) en de toelichting over hoe de gelden zijn verdeeld over de regio’s t.b.v. de regionale versterking.
Kamerstuk 29 911, nr. 254: Contouren breed offensief tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit. In deze brief wordt geschetst hoe het incidentele geld van de Najaarsnota 2019 zal worden besteed.
Kamerstuk 29 911, nr. 281: Uitwerking breed offensief tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit. In deze brief is uitgewerkt hoe het geld wat bij Voorjaarsnota 2020 beschikbaar kwam werd verdeeld.
Kamerstuk 29 911, nr. 329: Extra investeringen in het breed offensief tegen ondermijnende criminaliteit. Deze brief bevat de verdeling van de middelen die met de ontwerpbegroting 2022 beschikbaar zijn gesteld.
Ten koste van welke onderdelen van de bestrijding van criminaliteit is het betreffende bedrag gebracht? Is er geld weggehaald (op welke begrotingstechnische manier dan ook) bij de politie?
Het bedrag is niet ten koste gegaan van andere onderdelen van de bestrijding van criminaliteit: er zijn extra middelen beschikbaar gesteld. Met deze middelen is de aanpak langs de gehele linie versterkt. Ook in de politie is fors geïnvesteerd. Naast de structurele middelen (€ 434 miljoen) die met de ontwerpbegroting 2022 beschikbaar zijn gekomen voor de aanpak van ondermijning, is er vanuit de motie-Hermans (€ 200 miljoen) geïnvesteerd in de politie. Ook maakt het kabinet met het coalitieakkoord Rutte IV € 200 miljoen euro vrij voor de politie. Vanuit al deze gelden wordt in totaal voor ruim € 500 miljoen geïnvesteerd in de politie.
Hoeveel agenten (blauw op straat) vertegenwoordigt een bedrag van € 900 miljoen?
Het uitgangspunt van de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit is dat alleen een aanpak over de gehele linie (van preventie tot repressie) en op alle niveaus (van lokaal tot nationaal tot internationaal) succesvol kan zijn in het duurzaam terugdringen van deze zware criminaliteit. Blauw op straat maakt daar een belangrijk onderdeel van uit, maar alleen extra agenten gaat niet zorgen voor minder (georganiseerde) criminaliteit, of in het algemeen meer veiligheid voor Nederland. Ondermijnende criminaliteit speelt zich immers niet alleen af op straat. Daarom besteden we ook geld aan bijv. preventie, het afpakken van crimineel geld en het voorkomen dat drugs ons land binnenkomen.
Gelet op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, is het daarnaast niet reëel dat voor € 900 miljoen aan agenten geworven zou kunnen worden. Verder zijn agenten het meest waardevol als zij hun werk kunnen doen in de brede aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Daarom hebben we naast extra geld voor de politie ook middelen vrijgemaakt voor andere essentiële partners binnen de brede aanpak, zoals het Openbaar Ministerie, de rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen en de reclassering. Qua agenten gaat het niet alleen om blauw op straat, maar ook om rechercheurs met specialistische kennis, zoals cyber of financieel. Het oprollen van criminele netwerken vergt nauwe samenwerking, ook met organisaties zoals de FIOD en de Douane.
Hoe gaat u het vertrouwen van de deskundigen en betrokken organisaties terugwinnen zodat de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit hier niet onder lijdt, nu blijkt dat de vorige Minister alle adviezen en waarschuwingen van alle deskundigen en betrokken organisaties naast zich neer heeft gelegd?
Bij het vormen van de aanpak van ondermijnende criminaliteit, gaan we altijd in gesprek met betrokken organisaties en deskundigen. De huidige aanpak is bijvoorbeeld voor een groot deel gebaseerd op het Pact van de Rechtsstaat, een document wat is opgesteld in overleg met het Strategisch Beraad Ondermijning6, waar alle betrokken partijen in vertegenwoordigd zijn.
Ik neem aan dat u bij deze vraag specifiek doelt op de uitspraken die de verschillende deskundigen hebben gedaan in de publicaties over het Multidisciplinair Interventie Team (MIT). Het MIT is destijds opgericht na de moord op advocaat Derk Wiersum. De zes deelnemende organisaties zijn vanaf de start betrokken bij de planvorming en de uitwerking van de besluitvorming, waarbij zes kwartiermakers -afkomstig uit de zes deelnemende organisaties- de plannen hebben opgesteld. Het MIT was een samenwerkingsverband van de bestaande handhaving-, toezicht- en opsporingsorganisaties.
Ik ben direct na aantreden als Minister in gesprek gegaan met zowel mensen van de werkvloer als uit de leiding van de samenwerkende diensten in het MIT, wetenschappers en andere professionals die bij het samenwerkingsverband betrokken zijn (geweest) en/of ontwikkelingen van het MIT hebben gevolgd. Hieruit zijn twee dingen gebleken:
Er is veel consensus over de noodzaak van samenwerking om informatie te kunnen delen voor een effectievere aanpak van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. De diensten hebben samen veel beter zicht op criminele fenomenen en onderliggende structuren dan zij alleen op basis van hun eigen informatie kunnen krijgen.
Maar tegelijk ook kritiek, omdat er in de opbouw van het MIT discussie en onduidelijkheid was over aansturing bij interventies en operationele slagkracht van betrokken moederorganisaties.
Daarom heb ik gekozen voor een nieuw samenwerkingsverband, de Nationale Samenwerking tegen Ondermijnende Criminaliteit, met een aangescherpte focus. Ik ga hier verder op in, in de Najaarsbrief georganiseerde, ondermijnende criminaliteit.
Kunt u garanderen dat de vervanger van het Multidisciplinaire Interventie Team (MIT), de Nationale Samenwerking Ondermijnende Criminaliteit (NSOC), wel een succes gaat worden en niet het zoveelste politieke prestigeproject?
NSOC heeft een aangescherpte operationele focus ten opzicht van het MIT, met als kerntaak het ontvlechten van de (financiële) verwevenheid van onder- en bovenwereld door met gerichte interventies te belemmeren dat de maatschappelijke infrastructuur wordt misbruikt voor criminele doeleinden. Daarbinnen richt het actieplan NSOC zich op het bestrijden van misbruik van Nederland als handelsland voor criminele waarde verplaatsingen en het verstoren van criminele bedrijfsprocessen. Hierbij wordt gefocust op vier onderwerpen: Trade Based Money Laundering (TBML), financiële dienstverleners, logistieke dienstverleners rondom de Nederlandse knooppunten en de aanpak van corruptie en geweld.
Succes is daarbij nooit gegarandeerd, zeker niet in een werkveld waar voor criminelen zoveel op het spel staat. Ik kan u wel garanderen dat het hier niet gaat om het «zoveelste politieke prestigeproject». Zoals ook wordt onderkend door de experts die geïnterviewd zijn voor de publicaties van Investico, Argos en de Groene Amsterdammer, is het van groot belang om inzicht te krijgen in de criminele structuren en hun verdienmodellen aan te pakken. We monitoren uiteraard de toegevoegde waarde van het samenwerkingsverband in deze vorm. Komend jaar zullen we samen met het veld beoordelen hoe het verder gaat.
De marktordening van Carbon Capture and storage (CCS) |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u beschrijven op welke wijze u de marktordening ten aanzien van CO2-opslag onder de Noordzee wil gaan vormgeven?
Zie het antwoord bij vraag 2.
Op basis van welke argumenten kiest u voor een publieke, private of publiek-private route ten aanzien van de CO2-transportinfrastructuur en de gasvelden waarin de CO2 wordt opgeslagen? Hoe weegt u daarin de publieke belangen die een rol spelen?
De wijze waarop de marktordening ten aanzien van CO2-opslag onder de Noordzee wordt vormgegeven staat beschreven in de brief van de toenmalige Minister van Economische Zaken en Klimaat over de rol van staatsdeelnemingen in CCS van 5 juli 2021 (Kamerstuk 32 813, nr. 758).
In 2017 hebben de staatsdeelnemingen Gasunie, EBN en het Havenbedrijf Rotterdam het initiatief genomen om hun ervaring en expertise in te zetten om CO2-transportinfrastructuur in het Rotterdamse havengebied en opslaglocaties onder de Noordzeebodem te ontwikkelen (Porthos). Deze deelnemingen hebben destijds het voortouw genomen, met name omdat er nog veel onzekerheid was t.a.v. de randvoorwaarden zoals de ETS-prijs, subsidies en marktinteresse. Na het opzetten van Porthos is er marktinteresse ontstaan om CO2-transportinfrastructuur en opslagfaciliteiten te ontwikkelen, beheren en exploiteren. Zo is het project Aramis momenteel in ontwikkeling, een initiatief van het consortium Shell, TotalEnergies, Gasunie en EBN. Maar er zijn ook partijen die transport van CO2 per schip ontwikkelen (Carbon Collectors), en heeft een consortium met o.a. Neptune deze zomer aangekondigd bestaande gasinfrastructuur te willen inzetten voor transport en grootschalige opslag van CO2 onder de Noordzee.
Het is nu dan ook mijn inzet om vooral deze marktpartijen de ruimte te bieden om de markt voor CCS organisch te laten groeien en verder te ontwikkelen. Voor staatsdeelnemingen voorzie ik daarbij de volgende rollen:
Gegeven de interesse van marktpartijen om de markt van CCS verder te ontwikkelen zijn andere instrumenten doeltreffender en doelmatiger om relevante belangen te borgen dan de inzet van een staatsdeelneming, te weten:
De hierboven geschetste marktordening is wat mij betreft de juiste route. Inmiddels zijn de kaders helder: er is subsidie via de SDE++ voor emittenten, er is interesse vanuit de markt, en er zal naar verwachting op den duur meer grensoverschrijdende concurrentie ontstaan tussen CO2 transport- en opslagprojecten die in andere Europese landen worden ontwikkeld. Door nu de marktordening anders in te steken, bijvoorbeeld door het geven van een verdergaande rol aan staatsdeelnemingen of het inzetten op aanvullende regulering, kan er weer onzekerheid ontstaan bij marktpartijen die nu juist het initiatief nemen. Dit kan de ontwikkeling van de CCS-markt verder vertragen en doelen verder uit zicht plaatsen. Niet alleen is hier geen aanleiding voor, het is dus ook risicovol voor de verduurzaming van onze industrie.
Klopt het dat in het CCS-project Aramis twee olie- en gasbedrijven (Shell en TotalEnergies) een belangrijke rol spelen en dat er daarmee een risico is op een te grote marktmacht voor deze partijen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er geen misbruik wordt gemaakt van deze positie?
Ja, het klopt dat Shell en TotalEnergies de initiatiefnemers zijn van het Aramis-project. In september 2021 hebben EBN en Gasunie zich bij het consortium gevoegd om het project verder te ontwikkelen. Het Aramis-project ontwikkelt CO2-transportinfrastructuur naar een gebied in het noordwesten van de Noordzee waar zich een groot opslagpotentieel bevindt. Hier liggen ook (bijna) uitgeproduceerde gasvelden van Shell en Total die voor opslag gebruikt kunnen worden. Om van start te kunnen gaan, gaat Aramis uit van een minimaal volume van ca. 5 Mton. Dit wordt de «launching phase» genoemd. Op 27 juni 2022 jongstleden heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toestemming gegeven aan Shell en TotalEnergies om samen te werken bij de CO2-opslag in lege gasvelden op de Noordzee voor deze «launching phase». De ACM stelt dat samenwerking in deze fase van het project noodzakelijk is om dit initiatief van de grond te krijgen en de klimaatvoordelen te realiseren. Gelet hierop stelt de ACM dat het niet erg is dat de concurrentie tussen Shell en TotalEnergies in de «launching phase» in geringe mate wordt beperkt.
Het risico op marktmacht is inderdaad aanwezig indien één of twee grote spelers cruciale delen van een keten in hun beheer hebben. Shell en TotalEnergies zullen bij het Aramis project voorzien in twee onderdelen van de keten: (1) CO2-opslag, te weten lege opslagvelden die in eigendom zijn van Shell of TotalEnergies en (2) transport waarbij straks meerdere emittenten (bedrijven die CO2 afvangen en aanbieden) en meerdere eigenaren van lege opslagvelden zich kunnen aansluiten.
Voor CO2-opslag is het niet evident dat er een te groot risico op marktmacht kan ontstaan voor Shell en TotalEnergies. Op den duur zullen meerdere aanbieders zich kunnen aansluiten op de hoofdinfrastructuur van Aramis, waardoor verschillende eigenaren van CO2-opslagvelden met elkaar zullen concurreren op het opslagtarief. Aramis is momenteel al in gesprek met andere operators om aansluiting op de infrastructuur voor opslag te realiseren. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 en 2 is een exploitant van een transportnetwerk voor CO2 op grond van de Mijnbouwwet ook verplicht om derden toegang te verlenen op redelijke, transparante en niet-discriminerende voorwaarden. Beroep op een gebrek aan capaciteit of verbindingsmogelijkheden kan niet worden gedaan indien dit met het uitvoeren van de nodige capaciteitsverhogende werkzaamheden kan worden opgeheven, voor zover dit economisch verantwoord is of de verzoeker bereid is de werkzaamheden te betalen.
Voor CO2-transport kan een situatie ontstaan dat de infrastructuur in beheer van Aramis leidt tot een monopoliepositie, wat een risico met zich meebrengt op misbruik van marktmacht. De toegang van nieuwe CCS-aanbieders wordt echter geborgd via de Mijnbouwwet. Hierin is, conform de eisen van de Europese CCS-richtlijn, de verplichting opgenomen om non-discriminatoire toegang tot transportinfrastructuur en opslaglocaties te verlenen aan derde partijen die zich willen aansluiten op de infrastructuur van Aramis (open access). Over de verplichting om toegang te verlenen en de voorwaarden daarvoor kunnen eventueel nadere regels worden gesteld, indien dat nodig blijkt.
Marktmacht kan niet alleen gepaard gaan met een discriminatoire toegang van nieuwe CCS-aanbieders. Het kan ook tot hogere prijzen leiden voor de Nederlandse industrie die afhankelijk is van CCS voor haar verduurzaming op korte termijn. Naast het vereiste dat de prijs redelijk, transparant en niet-discriminerend moet zijn, wordt dit risico gemitigeerd door het beleid dat reeds is ingezet. Zo kunnen emittenten gebruik maken van een SDE++-subsidie om hun CO2-afvang te bekostigen. De subsidie is gebaseerd op een kostenplusbenadering voor het Aramis-consortium. In combinatie met het Europese ETS-systeem zorgt dit ervoor dat Shell en TotalEnergies niet te hoge prijzen in rekening kunnen brengen bij de gebruiker. Het zou dan immers goedkoper zijn voor emittenten om CO2 uit te stoten dan af te vangen. Daarnaast zal er op den duur ook concurrentie ontstaan voor de transportleiding wat de potentiële marktmacht van Aramis inperkt. Zo zal het consortium op den duur moeten concurreren met aanbieders die CO2 per schip vervoeren. Dit scenario wordt binnenkort werkelijkheid. Recent heeft Yara bekend gemaakt een overeenkomst te hebben afgesloten met het Noorse project Northern Lights om haar CO2 via schip aan te leveren bij een Noors opslagveld. Ik ben ook in gesprek met de Noorse overheid om, voor zover nodig, afspraken hiervoor vast te leggen.
Tot slot is CCS voor veel emittenten een tussenoplossing. Op den duur zal Aramis niet alleen concurrentie ondervinden van andere CCS-initiatieven. Het zal ook moeten concurreren met andere toepassingen voor verduurzaming (elektrificatie, waterstof). Gegeven deze ontwikkelingen acht ik het risico dat de marktmacht van Aramis publieke belangen schaadt gering. Middels het MIEK zullen de ontwikkelingen binnen CCS-infrastructuurprojecten gemonitord worden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de toegang tot het Aramis-project, de voorwaarden waaronder en de tarieven voor alle partijen goed geregeld zijn en ook worden gereguleerd en gemonitord?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat u een externe partij opdracht heeft gegeven een analyse te maken van de benodigde marktordening? Bent u bereid de bevindingen met de Kamer te delen?
Er is geen opdracht verschaft aan een externe partij om een analyse te maken van de benodigde marktordening voor de CCS-markt. De marktordening is immers al op grote lijnen vastgesteld en gecommuniceerd naar uw Kamer in de brief van 5 juli 2021 jl.
Wel heb ik in aanloop naar de openstelling van de SDE++ ronde van deze zomer een onafhankelijk adviseur gevraagd om de huidige knelpunten in de ontwikkeling van de CCS-markt in kaart te brengen. Deze bevindingen zullen gebruikt worden om vervolgstappen te formuleren om knelpunten weg te nemen.
De petities van de Nederlandse Federatie Omgevingslawaai Motorvoertuigen (NEFOM) en de gemeente Bergen betreffende geluidsoverlast motorvoertuigen in Nederland. |
|
Kiki Hagen (D66), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petities van NEFOM en de gemeente Bergen, zoals aan de Kamer aangeboden op 6 september?1 2
Ja.
Bent u bekend met de uitkomsten van het rapport Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluiden (2018): het doel heiligt de middelen?3
Ja.
Wanneer komt het kabinet met een uitwerking van de adviezen van het RIVM?
Aan de hand van de aanbevelingen van het RIVM worden verschillende opties voor het geluidbeleid verder uitgewerkt. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de specifieke adviezen per type geluidsbron en aan de gevolgen en financiële haalbaarheid van beleidsopties. Ik verwacht uw Kamer rond het eind van dit jaar hierover te kunnen informeren.
In hoeverre heeft u reeds opvolging gegeven aan de aanbevelingen uit het rapport Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluiden (2018): het doel heiligt de middelen?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 verwacht ik uw Kamer rond het eind van dit jaar nader te informeren over de te kiezen richtingen voor het geluidbeleid.
Ik hecht eraan om eerst uw Kamer daar over te informeren alvorens verdere opvolging te geven aan de aanbevelingen uit het RIVM-rapport.
Welke concrete stappen heeft u tot dusver gezet naar aanleiding van het bovengenoemde rapport? Kunt u dit specificeren per geluidsbron (algemeen, wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en windturbines)?
Bij het antwoord op vraag 3 en 4 heb ik aangegeven op welke termijn ik volgende stappen zal zetten. In aanvulling daarop kan ik voor windturbinegeluid aangeven dat momenteel een plan-mer voor de nieuwe milieuregels wordt opgesteld, waarvan ik de resultaten eind dit jaar verwacht. De motie Schonis vormde niet de aanleiding voor deze plan-mer, maar de WHO-richtlijnen worden er uiteraard wel bij betrokken.
Welke concrete stappen bent u nog van plan te zetten? Kunt u dit specificeren per geluidsbron (algemeen, wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en windturbines)?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vragen 3, 4 en 5 ga ik er vanuit uw Kamer rond het eind van dit jaar nader te kunnen informeren over verdere concrete stappen voor deze geluidbronnen.
Heeft u in kaart waar geluidsoverlast de huidige normen overtreed en hoe groot het probleem van geluidsoverlast precies is in Nederland?
Op verzoek van IenW inventariseert het RIVM4 op jaarlijkse basis de mate van hinder in de woonomgeving onder de Nederlandse bevolking. Hieruit blijkt dat wegverkeer de belangrijkste bron van geluidsoverlast vormt, waarbij geluid van bromfietsen en motoren ten opzichte van ander wegverkeer iets vaker als ernstig hinderlijk wordt ervaren en ook wat vaker tot slaapverstoring leidt dan ander wegverkeer. Naast wegverkeer zijn ook vliegverkeer, bouw- en sloopactiviteiten, recreatie en buren of (huis)dieren belangrijke bronnen van geluidhinder.
Het optreden van geluidsoverlast betekent niet automatisch dat normen worden overschreden; er kan ook overlast worden ervaren als aan de normen wordt voldaan. Aan geluidsnormen wordt in het algemeen voldaan, hoewel overschrijdingen in de praktijk niet altijd te voorkomen zijn. Het streven is en blijft om volledig aan de normen te voldoen.
Het RIVM heeft in het rapport «Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluiden (2018): het doel heiligt de middelen» de mate van blootstelling aan geluid van weg-, rail- en vliegverkeer en windturbines in Nederland in kaart gebracht. Het RIVM adviseert om het geluidbeleid meer te richten op het verminderen van die blootstelling in algemene zin, en is niet specifiek gericht op de bestrijding van de geluidsoverlast waarvoor in de petities aandacht wordt gevraagd.
Bent u het ermee eens dat geluidsoverlast adequaat moet worden aangepakt? Klopt het dat dit nu vaak niet het geval is?
Ik deel het beeld dat geluidsoverlast een belangrijk milieuprobleem is en dat we het moeten aanpakken waar dit mogelijk is.
Ik ben bekend met de geluidsoverlast die veroorzaakt wordt door voertuigen die niet voldoen aan de emissie eisen die voor het voertuig gelden, of door het gedrag van de bestuurder daarvan. De ervaren overlast vindt relatief vaak op specifieke locaties plaats. Tegelijkertijd is het aantal instrumenten om hier generiek tegen op te treden beperkt. Momenteel loopt een onderzoek naar de mogelijkheden voor aanpak van overlast gevende motorvoertuigen. De aanbevelingen uit dit onderzoek zullen worden meegenomen in de komende Kamerbrief over de uitwerking van de adviezen van het RIVM.
Bent u aangehaakt bij het experiment van de gemeente Amsterdam om in de strijd tegen geluidsoverlast «lawaaiflitspalen» in te zetten?
Ik ben bekend met dit experiment. Het Ministerie van IenW werkt hierin samen met de gemeenten door middel van uitwisseling van kennis en ervaring, maar heeft geen formele rol als het gaat om het inzetten van een dergelijk experimenteel instrument. Dat is de verantwoordelijkheid van het lokaal bevoegd gezag, in samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Ziet u een mogelijkheid om een dergelijk experiment ook landelijke opvolging te geven en de kamer te informeren over de onderzoeksresultaten?
Vanwege de mogelijk gunstige effecten op de leefomgeving volg ik dit experiment met interesse. Vanzelfsprekend zal de Kamer te zijner tijd over de resultaten van dit experiment worden geïnformeerd, in afstemming met de verantwoordelijke Minister van Minister van Justitie en Veiligheid.
Het bericht 'Cardiologen krijgen zonder toestemming miljoenen euro’s van medische bedrijven' |
|
Corinne Ellemeet (GL), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cardiologen krijgen zonder toestemming miljoenen euro’s van medische bedrijven»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat cardiologen miljoenen euro’s ontvangen van medische bedrijven zonder het ziekenhuisbestuur hierover te informeren? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening. In de gedragscode medische hulpmiddelen (GMH) is opgenomen dat afspraken omtrent vergoeding van kosten van individuele zorgprofessionals schriftelijk moeten worden vastgelegd en dat de betrokken zorgprofessional deze afspraken meldt aan het bestuur van de zorginstelling2. Naar aanleiding van het nieuwsbericht ga ik op korte termijn met de Stichting Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH) en de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek over de naleving en het toezicht hierop. Over de opbrengsten van deze gesprekken zal ik, zoals eerder toegezegd, uw Kamer in het eerste kwartaal van 2023 informeren.
Deelt u de mening dat ondanks uw beantwoording op eerdere Kamervragen (2022Z12943) waarin u nog stelde dat u voldoende maatregelen neemt tegen fraude in de zorgsector, er gezien dit bericht meer maatregelen genomen moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is er geen aanleiding om voor de aanpak van fraude in de zorg maatregelen te treffen anders dan die zijn beschreven in de brief van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 29 juni3 en die ik heb genoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen4. In het geval van ongeoorloofd gunstbetoon is mijn beeld dat bestaande regelgeving en maatregelen adequaat zijn, het komt aan op naleving en toezicht.
Hoe beoordeelt u de beslissing van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die hier een rol in heeft omdat zij handhaaft op basis van de Wet medische hulpmiddelen, dat handhaving van de beleidsregels van deze zelfde wet is geregeld via zelfregulering?
Het is goed om een onderscheid te maken tussen toezicht en zelfregulering in het geval van gunstbetoon. De IGJ houdt namelijk toezicht op naleving van de Wet medische hulpmiddelen (Wmh), waarin een verbod op gunstbetoon is opgenomen. In artikel 6 lid 3 van de Wet medische hulpmiddelen (Wmh) is dit verbod opgenomen, waarbij er ook enkele uitzonderingen zijn gemaakt. De beleidsregels gunstbetoon geven een nadere uitleg aan het wettelijk verbod op gunstbetoon.
Zelfregulering vindt alleen plaats bij de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH), waarin afspraken door het veld zijn gemaakt ten aanzien van gunstbetoon. De IGJ en de Stichting GMH hebben afspraken gemaakt over de zelfregulering op het gebied van gunstbetoon. Aangezien zelfregulering bevorderlijk is voor het toezicht op en de naleving van de vereisten op het gebied van gunstbetoon, onderschrijf ik het belang hiervan.
Deelt u de mening dat de Gedragscode medische hulpmiddelen niet naar behoren functioneert? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De uitzending van Nieuwsuur laat zien dat er belangrijke aandachtspunten zijn ten aanzien van de gedragscode. De aandachtspunten geven, zoals eerder aangegeven, aanleiding om met de IGJ en de Stichting GMH in gesprek te gaan over de gedragscode.
Deelt u onze mening dat de IGJ een actievere rol moet gaan spelen in het handhaven van de Wet medische hulpmiddelen, inclusief beleidsregels? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, waarom niet?
De uitzending van Nieuwsuur geeft voor mij aanleiding om met de IGJ in gesprek te gaan over welke acties zij kunnen oppakken op dit dossier. Ik wil hierbij aangeven dat de IGJ al langere tijd aandacht heeft voor het thema gunstbetoon. De casuïstiek uit de Nieuwsuur-uitzending zal ook als belangrijk signaal worden meegenomen in het lopende toezicht op dit dossier. Daarnaast gaat de IGJ op korte termijn in gesprek met de betrokken veldpartijen om de zelfregulering te evalueren.
Schulden bij publieke dienstverleners, waaronder politieagenten en andere ambtenaren |
|
Attje Kuiken (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Weet u dat voor de screening naar de integriteit en betrouwbaarheid van politieagenten ook gekeken wordt naar het hebben van problematische schulden?1
Ja.
Zijn er andere beroepsgroepen bij de overheid waarbij integriteit en betrouwbaarheid tot de kernwaarden behoren en waar gescreend wordt op het hebben van schulden? Zo ja, welke beroepsgroepen zijn dat? Heeft u een indicatie van het aantal ambtenaren in deze beroepsgroepen dat problematische schulden heeft? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Overheidssectoren voeren zelfstandig beleid op de risico’s van (problematische) schulden. Hier is geen centraal overzicht van. In de beantwoording van deze Kamervragen kan dus niet een beeld worden gegeven van de overheid als geheel. Er zal – naast de sector politie – in worden gegaan op het beleid bij de sectoren Rijk, Defensie en gemeenten.
Integriteit en betrouwbaarheid zijn uiteraard voor alle ambtenaren een belangrijke kernwaarde. Deze kernwaarden staan ook beschreven in de diverse gedragscodes voor ambtenaren. Denk bijvoorbeeld aan de «Gedragsregels Veiligheid & Integriteit» van Defensie, de door gemeenten gehanteerde gedragscodes voor ambtenaren en de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR). In deze gedragscodes staan ook voorbeelden van specifieke functies met extra integriteitsrisico. Bij deze functies kan financiële kwetsbaarheid worden meegenomen in een screening. Dit kan bijvoorbeeld voor medewerkers in een vertrouwensfunctie het geval zijn, die een veiligheidsonderzoek krijgen door de AIVD (of bij Defensiemedewerkers door de MIVD) op grond van de Wet op de veiligheidsonderzoeken.
In een veiligheidsonderzoek wordt onder meer aandacht geschonken aan de persoonlijke gedragingen en omstandigheden van een betrokkene. Problematische schulden van een betrokkene kunnen daarbij een rol spelen. De criteria waaraan een (potentiële) vertrouwensfunctionaris in algemene zin moet voldoen zijn eerlijkheid, onafhankelijkheid, loyaliteit, integriteit en veiligheidsbewustzijn. Deze criteria worden ingevuld aan de hand van indicatoren, waarbij onder andere wordt bekeken of er mogelijk sprake is van financiële kwetsbaarheid. Bij de beoordeling of sprake is van financiële kwetsbaarheid wordt rekening gehouden met onder meer de volgende factoren: de hoogte van de schuld, de hoogte van reguliere inkomsten en het vermogen, het patroon van inkomsten en uitgaven, het perspectief dat de financiële problemen binnen afzienbare tijd zijn opgelost, de houding van betrokkene ten opzichte van het oplossen van de financiële problemen en het bieden van directe en volledige transparantie.
De financiële situatie kan ertoe leiden dat een betrokkene kwetsbaar wordt geacht voor bijvoorbeeld omkoping of chantage. Ook kan er een risico zijn dat iemand door zware financiële problemen geen weerstand kan bieden aan verleidingen als heling of het te gelde maken van vertrouwelijke informatie. Indien wordt geconstateerd dat sprake is van onvoldoende waarborgen dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten. getrouwelijk zal volbrengen, kan een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) worden geweigerd, dan wel ingetrokken.
Er is geen centrale registratie van problematische schulden onder overheidspersoneel als geheel. Als schulden leiden tot een loonbeslag wordt dit bekend bij de personeelsadministratie van de betreffende organisatie. Er zijn nu geen signalen van een stijging van het aantal loonbeslagen bij politie, Rijk, Defensie en gemeenten.
Daarbij is wel belangrijk om twee zaken te benoemen:
(Problematische) schulden leiden niet direct tot loonbeslagen. Eerst volgen betalingsherinneringen en het inzetten van een incassobureau. Pas daarna kan sprake zijn van een loonbeslag. Dat betekent dat er sprake is van een na-ijleffect: het kan zijn dat er nu medewerkers zijn met problematische schulden, die later in de tijd te maken krijgen met een loonbeslag. Gezien de bijzonderheid van de huidige situatie met oplopende energieprijzen en inflatie zal ik als Minister van BZK de komende tijd het aantal loonbeslagen nauwgezet blijven volgen. Zo is het mogelijk om te zien of meer medewerkers te maken krijgen met een loonbeslag.
Het is ook goed om op te merken dat bij loonbeslag schulden in de informele sfeer niet worden meegenomen, denk bijvoorbeeld aan een schuld aan een vriend/familielid. Bij deze informele schulden is het afhankelijk van het initiatief van de medewerker of het bij de werkgever bekend wordt, bijvoorbeeld omdat de medewerker hulp inroept van het financieel loket, een Sociaal Fonds of het bespreekt met de leidinggevende of de vertrouwenspersoon of bedrijfsmaatschappelijk werk. Bij Rijk, politie, Defensie en gemeenten is in de afgelopen maanden geen toename van meldingen of hulpvragen waarneembaar. Wel zijn er vanuit de organisaties meer vragen van leidinggevenden over hoe de medewerkers te informeren als ze in de problemen dreigen te komen door de energieprijzen en de inflatie.
Het na-ijleffect van loonbeslagen (problematische schulden leiden pas later in de tijd tot loonbeslagen) gecombineerd met het feit dat informele schulden dikwijls niet zichtbaar zijn maakt dat extra alertheid geboden is als er signalen zijn uit andere bronnen. Denk bijvoorbeeld aan de signalen die maatschappelijk werkers binnen de organisaties krijgen of de toename van het aantal verzoeken bij een sociaal fonds. Ook is het belangrijk om medewerkers te stimuleren te spreken over hun (financiële) problemen. Op deze (en andere) belangrijke onderdelen van de aanpak wordt verder ingegaan bij de antwoorden op vraag 3 en 5.
Deelt u de mening dat door de huidige gestegen energieprijzen ook politieagenten of andere ambtenaren in beroepen waar integriteit en betrouwbaarheid in het geding kan zijn, in de schulden dreigen te komen? Zo ja, welke risico’s ziet u hierbij? Hoe wilt u deze risico’s beheersen? Zo nee, waarom niet?
Problematische schulden kunnen een integriteitsrisico opleveren. Medewerkers met (problematische) schulden kunnen vatbaar zijn voor fraude of diefstal, maar ook voor beïnvloeding of ondermijning van buitenaf. Dat levert een serieus risico op voor de betrouwbaarheid en integriteit van overheidsorganisaties. Het is daarom van groot belang om te voorkomen dat (problematische) schulden leiden tot dergelijke effecten. Ook vanuit het oogpunt van personeelszorg is het belangrijk om te werken aan financieel bewustzijn van de medewerkers en om actief ondersteuning te bieden aan medewerkers die in de financiële problemen zijn geraakt (of dreigen te raken). Mede om financiële stress en zorgen bij medewerkers met geldproblemen te voorkomen en te zorgen voor financiële fitheid. De oorzaken van financiële problemen blijken in de praktijk divers en vaak een samenloop van omstandigheden. Mensen schamen zich soms voor deze problemen en hebben het er niet over, ook niet met hun werkgever. Hierdoor kan het van kwaad tot erger gaan. Het is daarom belangrijk dat we problematische schulden uit de taboesfeer halen.
De aanpak van het risico van (problematische) schulden is als volgt:
Bij de politie geldt met de inwerkingtreding van het besluit screening ambtenaren van politie en politie-externen (beoogd 1 januari 2023) een meldplicht. Relevante wijzigingen in de persoonlijke omstandigheden moeten worden gemeld. Bij relevante wijzigingen kan een nieuw betrouwbaarheidsonderzoek, eventueel aangevuld met een omgevingsonderzoek, volgen, indien daartoe aanleiding bestaat. De controle van de financiële omstandigheden is een onmisbaar deel van de screening.
Voor andere overheidsmedewerkers in vertrouwensfuncties geldt dat de werkgever op bepaalde momenten een hernieuwd onderzoek moet aanvragen. Voor een A-veiligheidsonderzoek wordt standaard na 5 jaar een hernieuwd onderzoek ingesteld. Voor een B- en C- veiligheidsonderzoek geldt een termijn van 10 jaar. Als er binnen deze periode nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn, kan er ook eerder een hernieuwd veiligheidsonderzoek worden aangevraagd. Signalen van schulden kunnen een dergelijk nieuwe omstandigheid zijn dat een hernieuwd veiligheidsonderzoek wordt aangevraagd.
Bij politie, Rijk, Defensie en gemeenten worden loonbeslagen bijgehouden in de eigen financiële administraties. Als uit rapportages blijkt dat sprake is van een loonbeslag wordt actie ondernomen. Wat er precies gebeurt verschilt per sector en per organisatie. Dat is afhankelijk van de hoogte, frequentie en aard van de schulden en de functie van de medewerker. Doorgaans neemt de verantwoordelijke HR-adviseur of direct leidinggevende contact op met betrokkene. In eerste instantie om hulp aan te bieden (via de diverse hulplijnen – zie antwoord op vraag 5). De HR-adviseur attendeert de medewerker daarbij op de kwetsbaarheid die schulden met zich mee kunnen brengen, zeker bij vertrouwensfuncties, consulaire of financiële functies. De betrokken medewerker wordt daarbij aangemoedigd om aan zijn/haar leidinggevende openheid van zaken te geven. Waar nodig vindt afstemming plaats met de afdeling die verantwoordelijk is voor integriteit. Wanneer geconstateerd wordt dat er sprake is van een integriteitsrisico kan, afhankelijk van de situatie, de werkgever doorverwijzen naar schuldhulpverlening, het takenpakket aanpassen, nadrukkelijker toezichthouden op het werk, hernieuwd onderzoek VGB of screening starten en in geval van ongeschiktheid overgaan tot het verlenen van ontslag.
Er bestaan bij Rijk, politie, Defensie en gemeenten al verschillende hulplijnen voor medewerkers, zoals een financieel loket, bedrijfsmaatschappelijk werk, Sociaal Fondsen en er zijn bijvoorbeeld cursussen voor leidinggevenden om schuldenproblematiek te herkennen. Deze hulplijnen staan uitgebreider bij het antwoord op vraag 5.
Als bewindspersonen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Veiligheid en Defensie zullen wij vanuit onze verantwoordelijkheid als werkgever in samenspraak met de departementen en uitvoeringsorganisaties de situatie blijven monitoren en op basis hiervan beoordelen of er aanvullende maatregelen nodig zijn.
Kent u het bestaan van een sociaal fonds waarin politieagenten maandelijks een klein bedrag van hun salaris storten? Zo ja, kan dit fonds eventueel ook gebruikt worden om politieagenten met problematische schulden te helpen? Is het fonds daarvoor afdoende gevuld? Kunt u indien dit niet het geval is het fonds aanvullen?
Als Minister van Justitie en Veiligheid ben ik bekend met het landelijk dekkende netwerk van sociaal fondsen van de politie. Deze sociaal fondsen zijn er voor politiemedewerkers en door politiemedewerkers. Politiemedewerkers die in de financiële problemen zijn geraakt (of dreigen te raken) kunnen bij deze fondsen terecht voor advies en financiële hulp. Door middel van een intakegesprek met de betreffende politiemedewerker wordt bekeken waaruit de hulp kan bestaan en hiervoor wordt maatwerk geboden, zoals het bieden van een luisterend oor, ondersteuning bij financiën (budgetcoaching), een renteloze lening, die binnen een redelijke tijd afgelost moet kunnen worden, een gift, en/of een verwijzing naar andere instanties. Momenteel werkt de politie samen met de fondsen en externe partners aan een nog passende en sluitende hulpverlening aan politiecollega’s. Dit betreft een geheel aan maatregelen waar de politie, de fondsen en externe hulpverleners ieder vanuit hun rol in samenwerken.
De beschikbare budgetten verschillen per fonds. Op dit moment beschikken de fondsen gezamenlijk over voldoende middelen om aan de vraag te voldoen. De fondsen geven aan dat op dit moment (nog) geen sprake is van een duidelijke stijging in het aantal hulpverzoeken. Mede door schaamte en angst voor baanverlies wachten medewerkers vaak (te) lang met het zoeken van hulp. De fondsen kunnen elkaar helpen als dat nodig is. Het landelijke dekkend netwerk van sociaal fondsen vormt een samenwerkingsverband en is in beheer van stichtingen
Deelt u de mening dat het hebben van schulden voor deze beroepsgroepen voorkomen moet worden? Zo ja, wat kunt u concreet voor deze beroepsgroepen doen om dit te voorkomen? Bestaat er vanuit de overheid een fonds of zijn er andere financiële tegemoetkomingen om mensen te helpen van deze schulden af te komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft recent aan aantal generieke maatregelen genomen die de oplopende financiële druk op huishoudens door exponentieel stijgende energieprijzen en inflatie moeten afremmen en het ontstaan van problematische schulden moeten voorkomen. Hiervan profiteren alle beroepsgroepen waaronder ook ambtenaren en politieagenten. Ook in de nieuwe CAO politie en Rijk zijn afgelopen jaar afspraken gemaakt over gedifferentieerde loonstijging, waarbij lage inkomens er relatief meer op vooruit zijn gegaan.
Hieronder wordt ingegaan op de specifieke voorzieningen voor medewerkers, werkzaam bij de politie, rijksoverheid, Defensie en gemeenten.
De politie biedt actieve ondersteuning bij dreigende en acute geldzorgen van politiemedewerkers en zet in om de drempel om (tijdig) hulp te zoeken te verkleinen. Daarnaast wordt actief ingezet op versterking van financieel bewustzijn en weerbaarheid om stress voor te zijn. Voor politiemedewerkers zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Politiemedewerkers, die in de financiële problemen zijn geraakt (of dreigen te raken), kunnen terecht bij het landelijk dekkende netwerk van sociaal fondsen van de politie voor advies en financiële hulp, zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 4.
Politie verstrekt actief informatie over de mogelijkheden voor hulp aan het politiepersoneel en advies die zij in- en extern kunnen krijgen. In deze communicatie wordt rekening gehouden met de schaamte en de angst voor baanverlies bij financiële problemen. Er bestaat een netwerk van vertrouwenspersonen waar medewerkers terecht kunnen om over die angstdrempel te praten. Daarnaast kunnen politiemedewerkers terecht bij de HR-desk voor informatie. Ook verwijst de HR-desk politiemedewerkers door naar onder andere bedrijfsmaatschappelijk werk.
Bedrijfsmaatschappelijk werk kijkt met politiemedewerkers, die in de financiële problemen zijn geraakt (of dreigen te raken), naar de financiële situatie en naar de oorzaken en gevolgen van geldzorgen. Bedrijfsmaatschappelijk werk biedt hulp voor de psychosociale problemen als gevolg van onder andere schulden. De inhoud van alles wat gedeeld wordt met een bedrijfsmaatschappelijk werker is volledig vertrouwelijk.
De politie werkt samen met schuldhulpverlener GRIP. Dit is een externe schuldhulpverlener die deskundig is om samen met betreffende politiemedewerker (grote problematische) schulden aan te pakken.
Om de drempel om hulp te zoeken zoveel mogelijk te verlagen richt de politie momenteel een onafhankelijk adviespunt op waar politiemedewerkers- als ze dat willen – anoniem advies kunnen vragen of problemen kunnen melden. Dit meldpunt zal ook gaan fungeren als portaal voor informatie en doorverwijzing.
In overleg met de werkgever bestaat er voor politiemedewerkers, die in de financiële problemen zijn geraakt, de mogelijkheid om voorschotten uit te laten keren, van bijvoorbeeld vakantiegeld, om overwerk in geld uit te laten betalen en om meer uren te mogen werken.
Er zijn Rijksbreed en op departementaal niveau een aantal specifieke voorzieningen zoals Sociaal Fondsen, Financieel Hulploket en Bedrijfsmaatschappelijk Werk.
Alle ministeries kennen een Sociaal Fonds dat een tijdelijk vangnet biedt voor medewerkers en hun gezinnen die in financiële moeilijkheden zijn geraakt of dreigen te raken. Deze fondsen zijn veelal stichtingen die gefinancierd worden door de bijdragen van medewerkers zelf en die hun eigen regels en werkwijze kennen. Er kan een renteloze lening of een gift worden verstrekt aan medewerkers. Vaak is hulpverlening gekoppeld aan lidmaatschap, die een maandelijkse storting doen.
Het Financieel loket is ingericht door UBR/Bedrijfszorg en ondersteunt en begeleidt collega’s van de rijksoverheid bij financiële vragen en schuldenproblematiek; daarnaast biedt het loket advies en training aan leidinggevende bij het herkennen en omgaan met schuldenproblematiek.
Omdat problematische schulden vaak leiden tot stress en daarmee tot verminderde productiviteit en een hoger ziekteverzuim werkt het Financieel Loket samen met het bedrijfsmaatschappelijk werk (ook geleverd door UBR/ Bedrijfszorg) om de medewerker ook bij psychosociale problematiek de juiste hulp te bieden. Een Bedrijfsmaatschappelijk werker heeft geheimhoudingsplicht en kan coachen en ondersteunen bij het oplossen van en omgaan met problemen op het werk of het dagelijks leven. Ook kan de bedrijfsmaatschappelijk werker verwijzen naar een instantie of externe deskundige.
De Minister BZK heeft de betrokken uitvoeringsorganisaties in mei jl. verzocht inspanningen te verrichten om Rijksbreed de bekendheid van het Financieel Loket te vergroten. Daarom wordt op dit moment eraan gewerkt om via Rijksbrede informatievoorziening extra aandacht te vragen voor de problematiek en het belang dit bespreekbaar te maken. Daarnaast wordt actief ingezet op informatievoorziening om medewerkers en leidinggeven voor te lichten over de hulplijnen zoals Sociaal Fonds, Financieel Loket en Bedrijfsmaatschappelijk Werk.
Incidenteel worden ook instrumenten ingezet, zoals een budgetcoach, het overnemen van schulden, uitbetalen verlof of renteloze lening. Naast de bestaande brede hulpinfrastructuur en procedures voor het omgaan met loonbeslag en het voorkomen van problematische schulden zijn er ook extra departementale activiteiten in gang gezet of in voorbereiding:
Medewerkers bij de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) worden actief benaderd door budgetcoaches, ook wordt het thema in werkoverleggen en op locatie onder de aandacht gebracht. Ook start RSO start samen met de UV Amsterdam een onderzoek genaamd Vital at work waarin wordt ingezet op het voorkomen en herkennen van stress en verzuim (hier zit ook financiële stress in). Dit project duurt vier jaar.
Momenteel is er door het Sociaal Fonds BZK een (kerst) actie in voorbereiding (bij BZK onder de 12.000 ambtenaren) om nog meer bekendheid te genereren voor het fonds en om steun te bieden bijvoorbeeld in de vorm van het kerstgeschenk te schenken aan het fonds om daarmee collega’s te helpen.
Defensie ondersteunt medewerkers bij het voorkomen en eventueel beheersen van schuldenproblematiek. Daarbij zijn er voor medewerkers meerdere hulplijnen.
Op initiatief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de Nederlandse Schuldhulproute (NSR) opgericht. Defensie is hierbij aangesloten als partner. Geldfit helpt om geldzaken fit te houden of om ze fit te krijgen. Geldfit heeft bij een eerste signaal over stijgende energieprijzen al initiatieven ondernomen om te bezien hoe zij hierbij hulp zouden kunnen gaan verlenen. Een actueel onderwerp op de startpagina is: «Aan de slag met je energierekening». Als blijkt dat er sprake is van schulden door achterstallige betalingen bij de energieleverancier of bij andere instanties, dan wordt via een zgn. landingspagina verwezen naar mogelijkheden voor hulpverlening bij het oplossen van schulden binnen Defensie en verwezen naar de sociale fondsen, waarover hieronder meer.
Defensie biedt budgetbegeleiding aan, aan medewerkers die om ondersteuning vragen bij het opzetten van een goede financiële administratie en die vragen om adviezen te geven over de besteding van beschikbare financiële middelen. Het gaat hier om een preventief traject waarbij mogelijke financiële problemen kunnen worden voorkomen.
De doelstelling van de sociale fondsen bij Defensie is «het verlenen van hulp in gevallen van financiële nood met een sociale en/of medische achtergrond». De fondsen verstrekken geen bijdrage om maandelijks ook de energierekening te kunnen blijven betalen. Als er uiteindelijk schulden / achterstallige betalingen ontstaan doordat onder andere de energierekening niet meer betaald kan worden (maar ook het betalen van de huur, de premie voor de ziektekostenverzekering en er zijn sociale en/of medische redenen die leidden tot financiële nood), dan kan een aanvraag voor hulpverlening bij een sociaal fonds worden ingediend. De fondsen verstrekken soms ook giften. Een aantal fondsen verstrekt dikwijls een gift als de schuldposities een paar duizend euro bedragen. Bij grotere schulden wordt mogelijk een renteloze lening verstrekt en een deel als gift, of wordt het totaal als renteloze lening verstrekt.
In juni 2021 heeft Defensie alle medewerkers een brief gestuurd op huisadres om hen te informeren over hulp bij schuldenproblematiek. In de afgelopen maanden is er binnen Defensie een campagne uitgezet bedoeld om medewerkers te informeren over bovenstaande hulpinstanties binnen Defensie. Daarbij worden er voorlichtingen gegeven aan leidinggevenden en overige functionarissen om de informatie over te brengen en medewerkers met (oplopende) schulden te herkennen. Op dit moment is het Ministerie van Defensie bezig om een vast loket op te richten om schuldhulpverlening te borgen binnen de organisatie. Deze maand hebben medewerkers een flyer ontvangen over hulp bij financiële zorgen.
Gemeenten nemen verschillende maatregelen om problematische schulden te voorkomen of op te lossen. Zij kunnen zelf:
Informatie geven aan hun leidinggevenden over zowel veiligheid als hulp bij schulden;
Informatie op intranet met verwijzingen naar hulp, o.a. personeelsfondsen (voor evt. renteloze lening of gift), vertrouwenspersonen, vertrouwenscoaches, budgetcoach, bedrijfsmaatschappelijk werk, informatiebijeenkomsten over financiële planning resp. fitheid;
Verwijzingen naar eventuele arbeidsvoorwaardelijke mogelijkheden zoals uitbetalen van het individueel keuzebudget (IKB), verkopen bovenwettelijke vakantie-uren, uitbreiding contracturen.
Belangrijk is het onderwerp schulden uit de taboesfeer te halen en met waarborgen voor de privacy van betrokkenen het onderwerp bespreekbaar te maken.
Het artikel 'Crematorium is van het gas af' |
|
Mark Strolenberg (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Crematorium is van het gas af» van Omroep Flevoland van 23 augustus 20221.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het eens dat resomeren, ook wel alkalische hydroyse of watercrematie genoemd, een goedkoper en duurzamer alternatief is en ingezet kan worden als nieuwe en extra vorm van lijkbezorging? Zo ja, welke stappen worden er gezet om deze innovatie in Nederland mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het advies van de Gezondheidsraad (Kamerstuk 30 696, nr. 49), waarbij de Gezondheidsraad de duurzaamheid van alkalische hydrolyse positief heeft beoordeeld, heeft het kabinet een positief beeld van de duurzaamheid van alkalische hydrolyse.
Het kabinet kan niet beoordelen of deze techniek een goedkoper alternatief zal zijn. De praktijk zal moeten uitwijzen of alkalische hydrolyse goedkoper is dan andere technieken.
Om alkalische hydrolyse in Nederland mogelijk te maken, is wetgeving vereist. In reactie op het positieve advies van de Gezondheidsraad over de toelaatbaarheid van alkalische hydrolyse, heeft het kabinet wettelijke regeling van alkalische hydrolyse aangekondigd (Kamerstuk 30 696, nr. 51). Wanneer deze wetgeving van kracht is, kan deze nieuwe techniek worden toegepast. Overigens moet dan ook vaststaan welke uitvoeringsregelgeving van toepassing is, met name op de afvoer van effluent.
Wat is de reden dat het wetvoorstel met betrekking tot de modernisering van de Wet op de lijkbezorging pas in de eerste helft van 2024 bij de Kamer wordt ingediend? Wordt bij deze wetswijziging ook de mogelijkheid tot resomeren betrokken? Zo nee, waarom niet? Is het mogelijk om voor het opnemen van de mogelijkheid tot resomeren in de Wet op de lijkbezorging eerder een wetsvoorstel in te dienen dan het aangekondigde wetsvoorstel tot modernisering van de Wet op de lijkbezorging? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 8 juli 2022 heb ik aangekondigd het wetsvoorstel ter modernisering van de Wlb in de eerste helft van 2024 bij uw Kamer in te kunnen dienen, omdat besluitvorming over financiering nog moet plaatsvinden (Kamerstuk 35 925 VII, nr. 171). Het wetsvoorstel kan niet worden ingediend voordat financiële besluitvorming heeft plaatsgevonden. De wettelijke regeling van alkalische hydrolyse wordt betrokken bij de modernisering van de Wet op de lijkbezorging. Het Ministerie van IenW werkt nog aan een beoordeling van de verschillende afvoerroutes van het effluent na de alkalische hydrolyse en zij moet nog beoordelen welke regelgeving voor de afvoer van het effluent passend is. Ik wil de uitkomsten hiervan afwachten om te borgen dat de regelgeving over alkalische hydrolyse en de afvoer van het effluent goed op elkaar aansluiten.
Ik betreur de vertraging bij de voorbereiding van het wetsvoorstel, maar ik ben voorshands geen voorstander van het opknippen van het wetsvoorstel, waarbij een of meerdere onderdelen vroeger of later aan uw Kamer worden aangeboden. Daartoe zie ik nu geen dringende aanleiding. Ik hecht juist waarde aan het presenteren van één wetsvoorstel zodat de voorgenomen wijzigingen in hun onderlinge samenhang kunnen worden bezien.
Deelt u de mening dat een modernisering van de Wet op de lijkbezorging in de eerste helft van 2024 aan de late kant is aangezien TNO, de Gezondheidsraad en de TU-Delft positief zijn over resomeren? Zo ja, is het mogelijk om op een snellere manier resomeren al mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke redenen ziet u om resomeren nu nog niet wettelijk te erkennen als vorm van lijkbezorging, terwijl de uitvaartbranche geen nadelen ziet, het een duurzame manier van lijkbezorging is en de waardigheid van het proces kan worden gegarandeerd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat alternatieven voor crematies maximaal door de overheid moeten worden gefaciliteerd, mede ook vanwege de stijgende gasprijs en hogere kosten voor crematies voor onze inwoners? Zo ja, hoe bent u van plan om de uitvaartbranche te faciliteren? Zo nee, waarom niet?
De Wet op de lijkbezorging regelt begraven, cremeren en het lichaam ter beschikking stellen aan de wetenschap als bestemmingen voor het lichaam van de overledene. Bij de keuze tussen deze vormen van lijkbezorging staat de wens of de vermoedelijke wens van de overledene voorop. De kosten van de verschillende vormen van lijkbezorging kunnen door de tijd heen fluctueren, ook ten opzichte van elkaar. Ik vind voor de overheid geen rol weggelegd in het actief bevorderen van de ene vorm van lijkbezorging boven de andere.
De onderwijsbevoegdheid voor de lerarenopleidingen ITEPS en ITESS. |
|
Harry van der Molen (CDA), René Peters (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de opleidingen ITEPS (International Teacher Education for Primary Schools) en ITESS (International Teacher Education for Secondary Schools) bijna volledig overlappen met de pabo en lerarenopleiding maar niet opleiden tot een onderwijsbevoegdheid?
De opleidingen ITEPS en ITESS zijn lerarenopleidingen die opleiden tot leraar in het internationaal onderwijs. De opleidingen zijn zelfstandige opleidingen en er wordt niet opgeleid tot de Nederlandse bekwaamheidseisen voor het beroep van leraar in het primair- en voortgezet onderwijs. Ook zijn de bijzondere nadere vooropleidingseisen voor de pabo niet van toepassing op de ITEPS. Uit de aanvragen bij de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO) blijkt ook dat de opleidingen verschillen van de reguliere pabo en van de tweedegraads lerarenopleidingen. Er zijn veel internationale componenten, waardoor de opleiding niet direct leidt tot een Nederlandse bevoegdheid. In het gesprek, dat wij in antwoord op vraag 5 aankondigen, zullen wij ook aandacht hebben voor verschillen tussen de verschillende opleidingen, en wat er voor deze studenten aanvullend nodig is om een Nederlandse bevoegdheid te behalen.
Op welke grond hebben het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO) de arbeidsmarktrelevantie van deze opleidingen beoordeeld waardoor ze toch in het bekostigd onderwijsstelsel zijn gekomen?
De CDHO heeft voor zowel ITEPS als ITESS geconcludeerd dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en dat er een zekere arbeidsmarktbehoefte bestaat in Nederland aan leraren voor internationale scholen. De CDHO noemt hierbij in haar besluit niet alleen de directe arbeidsmarktbehoefte, maar ook dat deze leraren door kunnen stromen naar het reguliere primair of voorgezet onderwijs. Een student moet hiervoor wel een aanvullend opleidingstraject van ongeveer een jaar volgen.
Welke leraren mogen nu bevoegd lesgeven aan internationale scholen?
Welke leraren op internationale scholen les mogen geven, is afhankelijk van de schoolsoort. We kennen in Nederland verschillende vormen van internationaal onderwijs. De niet-bekostigde internationale scholen (de zogenaamde b4-scholen) volgen de regels van het land of de accreditatieorganisatie waar zij onder vallen. Het betreffende land of accreditatieorganisatie bepaalt de bevoegdheidseisen voor leraren die werken op hun scholen. Daarnaast zijn er afdelingen voor internationaal georiënteerd basisonderwijs (igbo), en afdelingen voor internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo). Deze afdelingen vallen onder de WPO en WVO 2020 en zijn onderdeel van reguliere scholen, die vallen onder een po-of vo-bestuur. Deze afdelingen worden bekostigd. Leraren op deze afdelingen moeten voldoen aan de Nederlandse eisen ten aanzien van de bevoegdheden. Dat betekent dat leraren ofwel een Nederlandse lesbevoegdheid hebben, ofwel een erkende beroepskwalificatie uit het buitenland. Op deze afdelingen kan het onderwijs grotendeels in het Engels worden gegeven, maar moet in het kader van integratie voor tenminste 10% in het Nederlands worden aangeboden.
Deelt u de mening dat mede in het licht van het nijpende lerarentekort het van belang is om de afgestudeerde studenten van deze opleidingen in te zetten voor de klas en zeker voor internationale scholen?
In het voortgezet onderwijs is het onder voorwaarden mogelijk voor deze leraren om in te stromen en parallel de benodigde bijscholing te volgen. Hiervoor kan het schoolbestuur desgewenst ook opleidingsbudget beschikbaar stellen. In het primair onderwijs kunnen deze leraren, zolang zij de bijscholing nog niet succesvol hebben doorlopen en de Nederlandse taal nog niet (voldoende) beheersen, instromen als onderwijsondersteunend personeel. Zo kunnen zij een baan als bijvoorbeeld leraar-ondersteuner combineren met het verwerven van de Nederlandse taal en het voldoen aan de bekwaamheidseisen. Bij succesvolle afronding van de bijscholing kunnen zij dan doorstromen in de functie van leraar.
De onderwijsarbeidsmarkt staat onder druk. Op 13 december hebben wij uw Kamer daarover per brief nader geïnformeerd. Alle creatieve oplossingen om instroom te bevorderen liggen op tafel. Wij gaan hierover in gesprek met de betrokken hogeschool.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze afgestudeerden op zo korte mogelijke termijn een bevoegdheid krijgen?
Zie antwoord vraag 4.
De berekeningen van het toetsingsinkomen voor de kinderopvangtoeslag |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De berekening van het toetsingsinkomen voor de kinderopvangtoeslag: het verschil tussen huur en koop»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Is het bij het opstellen van de verschillende wetten en definities die in het artikel genoemd zijn een bewuste keuze geweest dat mensen in een huurwoning recht hebben op een lager bedrag aan kinderopvang?
Het verzamelinkomen, neergelegd in de Wet inkomstenbelasting 2001, is een algemeen aanvaard begrip om de draagkracht te bepalen. Bij de introductie van de toeslagen is bewust gekozen om het toetsingsinkomen aan te laten sluiten bij het verzamelinkomen, zoals gedefinieerd in de inkomensbelasting. Het toetsingsinkomen bepaalt zowel het recht op een toeslag als de hoogte van een toeslag. Voor de uitvoerder, Belastingdienst/Toeslagen, is het daarmee een goed hanteerbaar begrip: bij de toekenning van een toeslag kan de uitvoerder uitgaan van een reeds vastgesteld (fiscaal) inkomen.
Kunt u een inschatting maken van het aantal gezinnen dat hierdoor een lagere kinderopvangtoeslag ontvangt? Hoe vaak is het verschil in kinderopvangtoeslag tussen het hebben van een huurhuis en het hebben van een koophuis kleiner dan de huurtoeslag behorend bij het hebben van een huurhuis?
De woonsituatie is geen criterium op basis waarvan Toeslagen de kinderopvangtoeslag uitkeert. Daarom registreert Toeslagen bij het uitkeren van de kinderopvangtoeslag niet wat de woonsituatie is. Het is daardoor niet bekend hoeveel ontvangers van kinderopvangtoeslag in een huurhuis of in een koophuis wonen.
Deelt u de opvatting dat een gezin in een huurhuis en een gezin in een koophuis dezelfde kinderopvangtoeslag moet krijgen als beide gezinnen hetzelfde inkomen hebben? Deelt u de opvatting dat er geen rechtvaardiging is van de manier waarop de eigenwoningregeling doorwerkt naar de hoogte van de toeslagen?
Bij de vormgeving van de toeslag is gekozen om het toetsingsinkomen te laten aansluiten bij het verzamelinkomen. Het verzamelinkomen is een algemeen aanvaard begrip van draagkracht. Het is een verzameling van voordelen uit werk en woning, aanmerkelijk belang, sparen en beleggen, alsook de keerzijde: de kosten voor de totstandkoming van deze voordelen en de kosten van schulden. Denk bijvoorbeeld aan de (forfaitaire) kosten van schulden in box 1, box 2 en box 3. De eigen woning is een bron van inkomen in box 1. Voordelen die verband houden met het eigenwoningbezit – onder andere forfaitair bepaald door het eigenwoningforfait – leiden tot een hoger verzamelinkomen. Dit houdt tevens in dat de kosten die verband houden met de verwerving van die voordelen in beginsel aftrekbaar zijn bij het bepalen van het verzamelinkomen. Dat betekent dat het toetsingsinkomen van een gezin in een koopwoning kan afwijken van een vergelijkbaar gezin met hetzelfde inkomen in een huurwoning, waardoor het recht op kinderopvangtoeslag ook kan afwijken. Daarnaast bevat het verzamelinkomen nog elementen van andere aard die de draagkracht voor de inkomstenbelasting mede bepalen, zoals bijvoorbeeld de persoonsgebonden aftrek. Het resultaat van voorgaande is de basis waar de rechten (toeslagen) en plichten (belasting) van de burger op worden gebaseerd.
Deelt u de opvatting dat de manier waarop het toetsingsinkomen en de hoogte van de kinderopvangtoeslag bepaald worden ongelijkheid tussen mensen met een huurwoning (doorgaans lager inkomen en vermogen) en mensen met een koopwoning (doorgaans hoger inkomen en vermogen) vergroot?
Het kabinet stelt belang in de toegankelijkheid van de kinderopvang, zodat alle werkende ouders zorg en arbeid kunnen combineren. Het coalitieakkoord bevat daarom de ambitie voor een herziening van het huidige kinderopvangstelsel in 2025. Het kabinet werkt momenteel hard aan de uitwerking van het nieuwe stelsel, waarover ik uw Kamer onlangs heb geïnformeerd.2 In de stelselherziening wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag onafhankelijk van het verdiende inkomen. Het toeslagpercentage wordt 96 procent voor alle werkende ouders. Het toetsingsinkomen speelt daarom geen rol meer in het herziene stelsel. Daarmee verdwijnt het eventuele verschil in toeslag dat uit de woonsituatie kan voortkomen.
Bent u bereid te onderzoeken of de wetten en definities herzien kunnen worden zodat mensen met een huurwoning een hogere toeslag ontvangen (zodat zij in de kinderopvangtoeslag niet benadeeld worden ten opzichte van mensen met een koopwoning), te denken valt aan de twee richtingen die de auteurs schetsen, namelijk het buiten beschouwing laten van woonlasten in beide situaties of het voor huurders mogelijk maken hun woonlasten in aftrek te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke andere vormen van fiscale stimulering dragen bij aan een verlaging van het toetsingsinkomen en het verzamelinkomen?
Zoals hierboven aangegeven is het verzamelinkomen een verzameling van verschillende vormen van inkomen – een resultante van voordelen en bijbehorende kosten, zoals bij de eigen woning – en persoonsgebonden aftrekposten. Dit betekent dat ook persoonsgebonden aftrekposten die onder bepaalde voorwaarden in mindering komen op het verzamelinkomen, zoals onderhoudsverplichtingen, specifieke zorgkosten en giften, van invloed kunnen zijn op zowel de te betalen belasting als op het recht op toeslagen. Een doel van aftrekposten kan dus – anders dan kostenverrekening – ook een tegemoetkoming zijn bij uitgaven die de draagkracht verlagen omdat bijvoorbeeld sprake is van noodzakelijke kosten, zoals meerkosten bij chronische ziekte en handicap.
Bent u bereid te onderzoeken of het complexe stelsel van de wetten en definities die in het artikel genoemd worden versimpeld kan worden?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord de ambitie uitgesproken om de toeslagen op termijn af te schaffen en in deze kabinetsperiode – naast de hervormingen op het gebied van kinderopvangtoeslag en huurtoeslag – ook in te zetten op verbeteringen in het gehele toeslagenstelsel. In dat kader zet dit kabinet de komende periode diverse stappen om te komen tot een verbetering van het stelsel. Over het verbetertraject kinderopvangtoeslag en over verbeteringen in het stelsel in het algemeen is uw Kamer geïnformeerd.3 Zoals aangegeven wordt breed gekeken welke knelpunten en verbeteringen binnen het huidige stelsel en de beschikbare middelen mogelijk zijn in het beleid, in de uitvoering daarvan en in de dienstverlening naar de burger toe. Dit kabinet is daarnaast voornemens om de kinderopvangtoeslag af te schaffen en over te gaan naar een inkomensonafhankelijk stelsel. Dat impliceert dat voor de vergoeding van de kinderopvang de draagkracht niet langer relevant is.
Deelt u de opvatting dat aanpakken van dit punt onderdeel kan zijn van de verbetering van het huidige toeslagenstelsel in aanloop naar het afschaffen van het toeslagenstelsel?
Zie antwoord vraag 8.
De noodzaak van onderzoek naar misstanden in vrouwengevangenissen. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recente, verontrustende, berichten over misstanden in de vrouwengevangenis Penitentiaire Inrichting (P.I.) Nieuwersluis?1
Ja.
Klopt het dat de Inspectie voor Justitie en Veiligheid inmiddels onderzoek doet naar de misstanden in P.I. Nieuwersluis, naar aanleiding van zeer concrete meldingen van (ex-) gedetineerden en advocaten over misstanden? Zo ja, wat is de reikwijdte van dit onderzoek? Kunnen mensen zich actief melden bij de inspectie als zij voorbeelden van misstanden hebben? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat de Inspectie Justitie en Veiligheid (JenV) onderzoek doet naar mogelijk seksueel misbruik door een gevangenismedewerker in de vrouwengevangenis in Nieuwersluis. De Inspectie wil weten wat hierover bij de inrichting bekend was en wat de inrichting met die (mogelijke) signalen heeft gedaan. Zij gaat bij dit onderzoek te werk volgens haar reguliere plan van aanpak Incidentonderzoek. De Inspectie JenV gaat niet over de strafrechtelijke kant van de zaak, dat is aan het OM en de politie.
Burgers kunnen via een contactformulier, te vinden op de website van de Inspectie melding doen van misstanden bij de Inspectie JenV. Daarnaast kan dit ook via andere kanalen, bijvoorbeeld schriftelijk of in persoon als de Inspectie op locatie is. Deze laatste optie geldt met name voor gedetineerden en/of medewerkers van een inrichting. Deze mogelijkheden gelden uiteraard voor een ieder die misstanden in de PI Nieuwersluis willen delen.
Kunt u bevestigen dat er op uw ministerie naast voorbeelden van seksueel grensoverschrijdend gedrag ook onderbouwde voorbeelden binnen zijn gekomen over machtsmisbruik en het onthouden van juiste medische zorg in verschillende vrouwengevangenissen? Zo ja, op welke manier worden deze meldingen onderzocht?
Ja, mij hebben ook signalen over machtsmisbruik en het onthouden van juiste medische zorg in vrouwengevangenissen bereikt. Ik heb de Inspectie JenV hiervan op de hoogte gesteld en gevraagd deze meldingen te betrekken in haar onderzoek en indien nodig uit te breiden naar de andere vrouwengevangenissen als daar aanleiding toe is. De Inspectie bepaalt uiteraard zelf de reikwijdte van haar onderzoek en kan in de loop daarvan besluiten het onderzoek uit te breiden.
Dit is vastgelegd in de Aanwijzingen van de Minister-President inzake de rijksinspecties.2
Wanneer heeft de Inspectie voor Justitie en Veiligheid het leef- en werkklimaat in de vrouwengevangenissen voor het laatst grondig onderzocht? Bent u het ermee eens dat het goed zou zijn als de Inspectie een grondig onderzoek doet naar het leef- en werkklimaat in de vrouwengevangenissen? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie heeft in het verleden op verschillende momenten onderzoek gedaan naar de drie vrouwengevangenissen. In 2008 heeft voor het laatst een doorlichting in PI Ter Peel plaatsgevonden, in 2013 in PI Nieuwersluis en in 2020 in PI Zwolle. Een doorlichting is een onderzoek aan de hand van een toetsingskader3 en niet naar een specifiek thema.
Daarnaast zijn de verschillende PI's betrokken geweest bij diverse (thema)onderzoeken. De resultaten van deze onderzoeken zijn beschikbaar via de website van de Inspectie. Zo is PI Ter Peel in 2017 betrokken geweest bij het onderzoek dat zich richtte op het tegengaan van contrabande, niet-integer gedrag en voortgezet crimineel handelen tijdens detentie («Binnen de Muren niet toegestaan»). Ook is PI Ter Peel betrokken bij het lopende onderzoek naar re-integratie. Dit onderzoek wordt naar verwachting einde van het jaar opgeleverd.
De PI Zwolle is onder meer betrokken bij onderzoeken naar de kwaliteit van de taakuitvoering in 2018 («Uit Balans»), het onderzoek naar de Terroristen Afdeling in 2018 en naar het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC). Dit laatste onderzoek loopt nog.
PI Nieuwersluis is in 2018 betrokken geweest bij het onderzoek «Uit Balans» en het lopende onderzoek naar re-integratie.
Signalen die mij bereiken over het werk- en leefklimaat in vrouwengevangenissen geef ik door aan de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Inspectie. Zoals hiervoor aangegeven, bepaalt de Inspectie zelf de reikwijdte van haar onderzoeken. Zij is immers onafhankelijk. Ik kan de Inspectie, die haar werkzaamheden in onafhankelijkheid uitvoert, niet opdragen onderzoek te doen naar bepaalde onderwerpen.
Het wederom sluiten van een gedeelte van het Kroondomein ’t Loo |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het Kroondomein gaat even dicht, maar «niet omdat de Koning wil jagen»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de Koning dat hij maximaal een halve dag per jaar zou jagen, volgens zijn rentmeester?
Ja. Om precies te zijn heeft de rentmeester het volgende gezegd: «Gemiddeld een dagdeel per jaar».
Is de stelling van de rentmeester waar en kunt u die bevestigen en voor uw verantwoording nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarop baseert u zich?
Ik beschik niet over andere informatie dan de berichtgeving.
Kunt u aangeven waarom grote delen van het Kroondomein ruim drie maanden gesloten worden terwijl de Koning daar slechts, volgens zijn rentmeester, enkele uren zou jagen?
Het niet openstellen van een deel van het gebied is een beheerkeuze. Zoals het kabinet eerder uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet.
Kunt u aangeven waarom uitvoering van het faunabeheerplan in het Kroondomein langdurige sluiting van het gebied zou vereisen of rechtvaardigen, waar dat in alle andere natuurgebieden niet het geval is? Kunt u het verschil duiden op niet mis te verstane wijze?
Het niet openstellen van een deel van het gebied is een beheerkeuze en staat in principe los van het faunabeheerplan. Zoals het kabinet eerder uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet.
Erkent u dat jacht en/of populatiebeheer de rust van de natuur verstoort? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe passen jacht en/of populatiebeheer in een natuurgebied, en zeker één met rustgebieden?
Alle vormen van menselijke activiteit (zo ook recreatie) in natuurgebieden verstoren de rust, maar niet allemaal in gelijke mate. Populatiebeheer kan worden uitgevoerd op een manier die nauwelijks verstorend werkt.
Erkent u dat de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in 2021 stelde dat het Kroondomein jaarlijks drie maanden op slot ging vanwege de «persoonlijke levenssfeer» van de Koning? Zo ja, deelt u de mening dat de persoonlijke levenssfeer geen wettelijke grond biedt tot het sluiten van duizenden hectares van het Kroondomein voor ruim drie maanden tijdens het jachtseizoen? Zo nee, waarom niet?2
In de subsidiebeschikking werd ruimte gelaten om een groter gebied af te sluiten dan 1 hectare, indien dit in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de Kroondrager werd geacht. Daarnaast geldt, zoals de Minister van LNV heeft aangegeven in haar brief van 4 september 2018 (Kamerstuk 33 576, nr. 133): «De openstelling tussen 25 december en 14 september is vast onderdeel van het beheer en, naar de overtuiging van de rentmeester en de raad van beheer van het Kroondomein, essentieel voor de balans tussen houtproductie, de aanwezigheid van grote hoefdieren en de recreatiemogelijkheden». Zie ook het antwoord van 20 april 2021 op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2430) van het lid Sneller.
Zoals het kabinet eerder uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet.
Erkent u dat in 2016 de Koninklijke jacht als reden voor het sluiten van het Kroondomein werd genoemd, zoals te lezen valt uit de nota van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het uitoefenen van de Koninklijke jacht geen belang is dat een grond mocht vormen voor het verlenen van vrijstelling van de openstellingsverplichting die voor iedere andere terreinbeheerder geldt? Zo nee, waarom niet?2, 3
«Koninklijke jacht» werd genoemd in een interne ambtelijke nota van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Opvattingen van ambtenaren in de verstrekte documenten zijn onderdeel geweest van een proces ter voorbereiding op de uiteindelijke besluitvorming. Uiteindelijk is hetgeen in de definitieve besluitvorming terugkomt leidend.
Bent u het ermee eens dat het sluiten van het Kroondomein tegen de wens van de Tweede Kamer is, gezien de aangenomen motie van het lid Arissen uit 2018, die oproept om het Kroondomein jaarrond open te stellen? Zo nee, waarom niet?4
Nee. Op 3 april 2018 aanvaardde de Tweede Kamer de motie van het lid Arissen. Zoals het kabinet in reactie op die motie uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet. Voor het kabinet is er geen grond invloed uit te oefenen op specifieke keuzes die in het kader van het beheer van het Kroondomein zijn gemaakt. Het kabinet heeft aangegeven om die reden de motie van het lid Arissen niet te kunnen uitvoeren.
Herinnert u zich dat de Tweede Kamer de Koning vorig jaar opnieuw heeft opgeroepen om het Kroondomein jaarrond open te houden? Zo ja, bent u bereid om de Koning alsnog te verzoeken het Kroondomein jaarrond open te stellen? Zo nee, waarom niet?5
Zoals het kabinet eerder uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet (zie ook de brief als reactie van het kabinet op de motie Arissen (Kamerstuk 33 576, nr. 133)).
Deelt u de mening dat de Koning onterecht subsidie heeft ontvangen voor de vorige subsidieperiode, nu in de begrotingswet voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2016, uitdrukkelijk bepaald is dat de Minister slechts bevoegd was om de Kroondrager te subsidiëren onder dezelfde voorwaarden als die golden voor gesubsidieerden onder de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer (SVNL) Gelderland 2016, dus met een openstellingsverplichting? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de subsidie van vorige periode terug te vorderen?
De subsidie is terecht verleend. De Tweede Kamer is op 30 juni 2022 door de Minister geïnformeerd over de uitkomst van de bezwaarprocedure (Kamerstuk 35 925-I, nr. 15). Ook de beslissing op bezwaar dateert van 30 juni 2022.
Kunt u aangeven hoeveel natuurbeheersubsidie er wordt verstrekt per hoeveel hectare natuur-en landschapstype en welke concrete activiteiten hiermee worden gesubsidieerd voor de periode van 2022–2027?
De subsidie natuur- en landschapsbeheer bedraagt maximaal € 513.935,– per jaar, oftewel maximaal € 3.083.613,– over het hele subsidietijdvak. Deze bedragen zijn inclusief de verschillende aanvullende bijdragen (monitoringsbijdrage, voorzieningenbijdrage en schapenbijdrage). Aan deze subsidie zijn de volgende activiteiten gekoppeld:
beheersubsidie voor het in stand houden van de in het berekeningsformulier genoemde natuur- en landschapsbeheertypen. De meest geschikte wijze van in stand houden wordt bepaald door de subsidieontvanger;
monitoringsbijdrage: vergoeding voor het uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein;
voorzieningenbijdrage: vergoeding voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein;
schapenbijdrage: vergoeding voor het beheer van (bepaalde) natuurbeheertypen middels begrazing met schapen.
Het gaat hier om in totaal 2.874 hectare natuur en 24 hectare landschap. Voor de precieze verdeling per natuurtype verwijs ik u naar de beschikking (Kamerstuk 35925-I, nr.7 die naar uw Kamer is gestuurd en het bijgesloten berekeningsformulier bij de beschikking op de aanvraag voor de periode 2022–2027.
Kunt u aangeven hoeveel natuurbeheersubsidie er in de voorafgaande subsidieperiode (2016–2021) werd verstrekt per hoeveel hectare natuur-en landschapstype en welke concrete activiteiten hiermee werden gesubsidieerd? Wat zijn de verschillen in natuurbeheer en/of in de natuur- en landschapsbeheertypen en waarom is er gekozen voor verschillend beheer en/of verschillende typen?
De subsidie natuur- en landschapsbeheer bedroeg voor de periode 2016-2021 maximaal € 568.013,– per jaar, oftewel maximaal € 3.408.078,– over het hele subsidietijdvak. Deze bedragen zijn inclusief de verschillende aanvullende bijdragen (monitoringsbijdrage, voorzieningenbijdrage en schapenbijdrage). Aan deze subsidie zijn voor de verschillende natuurtypes dezelfde activiteiten gekoppeld als in vraag 12 is omschreven.
De totale oppervlakte natuur in de beschikking van 2016-2021 bedroeg 6.296 hectare en de oppervlakte landschap 19 hectare.
Voor de precieze verdeling per natuurtype verwijs ik u naar de oude beschikking (Kamerstuk 35 570-I-14) die naar uw Kamer is gestuurd en het bijgesloten berekeningsformulier bij de beschikking.
Ten opzichte van de vorige subsidieperiode zijn er betrekkelijk kleine wijzigingen doorgevoerd in het natuurbeheerplan van de provincie Gelderland voor 2022, op basis waarvan het beheer wordt gevoerd en subsidie wordt aangevraagd.
De grootste verschillen tussen de twee beschikkingen zitten hem in het slechts gedeeltelijk aanvragen van natuurbeheersubsidie voor droge heide (164 hectare minder in 2022), Dennen-, eiken- en beukenbos (1.488 hectare minder in 2022) en droog bos met productie (1.754 hectare minder in 2022).
Dat het totale subsidiebedrag voor het natuurbeheer slechts met een beperkt bedrag is afgenomen, komt doordat de vergoedingen voor specifieke natuurtypen landelijk in sommige gevallen (percentueel) fors zijn verhoogd. Zo is de beheersubsidie voor droog bos met productie toegenomen van € 4,46 per hectare tot € 33,51 per hectare. Voor de overige natuurbeheertypen geldt een gemiddelde stijging van 29%. Dit komt primair door de volgende drie zaken:
Hogere normkosten van het benodigde beheer.
De vergoeding in het natuurbeheersubsidiestelsel is landelijk toegenomen van een dekking van 75% van de normkosten, tot 84% van de normkosten. Hierdoor hoeft niet langer 25% van de genormeerde kosten zelf gedragen te worden, maar nog slechts 16%.
De subsidie voor de periode 2022–2027 is gebaseerd op geïndexeerde bedragen. De indexering bedraagt over de gehele periode 3,36%. Dit is gebruikelijk bij de SNL. In de periode 2016–2021 was hier geen budget voor beschikbaar, waardoor dit niet heeft plaatsgevonden.
Kunt u aangeven hoeveel subsidie er gaat en ging naar agrarisch natuurbeheer voor hoeveel hectare en welke type agrarisch natuurbeheer en welke concrete activiteiten in zowel de subsidieperiode van 2022–2027, als de voorafgaande subsidieperiode (2016–2021) hiermee zijn gesubsidieerd?
In de periode 2016–2021 werd voor het pakket droge dooraderingop 87,65 hectare maximaal € 136.917,– subsidie toegekend en voor het pakket natte dooradering op 57,10hectare maximaal € 85.307,– subsidie.
Voor de periode 2022–2027 bedraagt de subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer maximaal € 246.573,79 per jaar voor 160,27 hectare droge dooradering. Hierbij heeft een verschuiving plaatsgevonden, waardoor het gehele aangevraagde agrarisch natuurareaal in 2022 onder droge dooradering valt.
Bij het agrarisch natuurbeheer gaat het om het realiseren van een leefgebied door het uitvoeren van bepaalde activiteiten op landbouwgronden. Elk jaar dient een minimale oppervlakte leefgebied (de zogenaamde «min») gerealiseerd te worden. Er is ook een maximale subsidiabele oppervlakte (de zogenaamde «max»). Er kan niet meer subsidie dan voor de «max» verstrekt worden. Het agrarisch natuurbeheer is flexibel, dat wil zeggen dat er theoretisch elk jaar op een perceel landbouwgrond andere subsidiabele activiteiten uitgevoerd kunnen worden.
In de periode 2016–2022 heeft het Kroondomein op haar landbouwgronden kruidenrijk grasland, botanisch waardevol grasland, wintervoedselakkers en kruidenrijke akkers gerealiseerd. Daarnaast heeft zij enkele hoogstamboomgaarden in stand gehouden. Het Kroondomein is voornemens dit agrarisch beheer voort te zetten gedurende de periode 2022–2027. Concreet heeft het Kroondomein de volgende activiteiten uitgevoerd c.q. zal zij deze gaan uitvoeren:
Nr. activiteit
Omschrijving activiteit
1
Het in acht nemen van een rustperiode van datum x tot datum y (geen landbouwkundige activiteiten in deze periode)
7
Het gebruik van chemische onkruidbestrijding is beperkt tot maximaal 10% van de oppervlakte van het perceel
9
Een bepaald percentage van de oppervlakte van het perceel bestaat van datum x tot datum y uit één of meerdere toegestane gewassen
17
Het gewas wordt minimaal 1 keer per jaar gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd
19
Van datum x tot datum y zijn in transect een bepaald aantal indicatorsoorten uit een lijst van gewenste soorten op de oppervlakte van het perceel aanwezig
22
Jaarlijks is een bepaald minimumpercentage van de elementen gesnoeid
24
Snoei- en/of maaiafval is
In de jaren 2016 en 2017 was aan het realiseren van kruidenrijk grasland ook de onderstaande activiteiten verbonden:
Nr. activiteit
Omschrijving activiteit
2
Geen landbouwkundige activiteiten in de rustperiode (sinds 2018 opgenomen in activiteit
25
Geen beweiding gedurende de rustperiode
In dezelfde periode was:
aan het realiseren van botanisch waardevol grasland ook de activiteit 25 verbonden;
aan het realiseren van wintervoedselakker ook de activiteiten 1 en 2 verbonden;
aan het in stand houden van hoogstamboomgaarden de activiteit 7 verbonden.
De concrete activiteiten komen overeen met de beheerpakketten zoals deze zijn vastgesteld voor het ANLb door BIJ128.
Kunt u aangeven wat de verschillen zijn tussen de huidige agrarische natuurbeheersubsidies en de activiteiten die hiermee ontwikkeld worden en de voorafgaande subsidieperiode (2016–2021)?
Het Kroondomein heeft aangegeven de benodigde beheermaatregelen voor het realiseren en behouden van kruidenrijk grasland, botanisch waardevol grasland, wintervoedselakkers en kruidenrijke akkers, ook in de periode 2022-2027 voort te zetten. Dit betreft de activiteiten 1, 7, 9, 17, 19, 22 en 24 uit de tabel in antwoord op vraag 14.
Kunt u uitleggen waarom in deze subsidieperiode gebruik is gemaakt van geïndexeerde tarieven, terwijl in de voorafgaande periode gebruik werd gemaakt van niet-geïndexeerde tarieven en wat de budgettaire gevolgen hiervan zijn?
Voor de tarieven van de verschillende natuur- en landschapsbeheertypen wordt aangesloten bij de tarieven zoals die door de provincie Gelderland ten behoeve van het begrotingsjaar 2016 (lump sum-aanvraag 2016–2021) respectievelijk het begrotingsjaar 2022 (lump sum-subsidie 2022–2027) zijn vastgesteld. Ten tijde van de lump sum-aanvraag 2016–2021 waren de beschikbare middelen onvoldoende om de tarieven te indexeren. Hierdoor heeft het Kroondomein in de periode 2016–2021 minder subsidie gekregen dan andere aanvragers (in de provincie Gelderland) die dezelfde natuur- en/of landschapsbeheertypen in stand hielden. Voor 2022 bedroeg dit percentage 3,36%. Dat betekent dat de bedragen voor de periode 2022–2027 in totaal met 3,36% zijn verhoogd.
Kunt u aangeven wat de exacte directe en indirecte bijdrage is van het Rijk aan de betaling van het Koninklijk jachtdepartement en hoe die te rechtvaardigen is, gelet op het ene dagdeel dat de Koning zou jagen in het kroondomein? Hoe verhouden de kosten voor de uitvoering van «faunabeleid» zich tot die in bijvoorbeeld de terreinen van Staatsbosbeheer, gerelateerd aan de oppervlakte van het terrein?
Er is geen Koninklijk jachtdepartement. Binnen het departement Faunabeheer wordt een bedrag geraamd van € 195.000, met name voor het onderhoud van de wegen en de wildrasters, de zogenoemde infrastructurele kosten van Kroondomein Het Loo. Daarnaast wordt een bedrag geraamd van € 92.000 voor de exploitatie van de terreinauto’s en een bedrag van € 16.000 aan materiële uitgaven voor reiskosten, opleidingen, accountantskosten, etc. De formatie van dit departement betreft circa 6 fte. De personeelsuitgaven voor deze zes faunabeheerders bedragen € 495.000. Bij gebrek aan vergelijkbare gegevens is een vergelijking met andere terreinen niet te maken.
Kunt u deze vragen beantwoorden binnen de wettelijke termijn of tenminste vóór de behandeling van de begroting van de Koning?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Gokken in casino leidt minder snel tot terugvordering volledige bijstandsuitkering’ |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gokken in casino leidt minder snel tot terugvordering volledige bijstandsuitkering»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe beoordeelt u de in de uitspraak geformuleerde vuistregel dat de hoogte van gokinkomsten voor een bijstandsgerechtigde gelijk wordt gesteld aan de hoogte van de bedragen die de bijstandsgerechtigde met gokken in het casino heeft ingezet?
Als Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen is het niet aan mij om uitspraken van de rechter te beoordelen.
De rechter acht het niet in alle gevallen redelijk om van een bijstandsgerechtigde die in een casino gokt een sluitende en verifieerbare administratie te verlangen. Zeker nu aan het ontbreken van een dergelijke administratie de consequentie wordt gekoppeld dat de bijstand over de maanden waarin sprake was van gokken volledig wordt teruggevorderd. Hij introduceert daarom een vuistregel op basis waarvan het enkel ontbreken van een deugdelijke administratie onvoldoende is om tot algehele terugvordering over te gaan.
Ik onderzoek op dit moment hoe we binnen de regelgeving meer rekening kunnen houden met de leefwereld en het doenvermogen van mensen. Dat is ook het doel van het traject «Participatiewet in balans». Mijn inzet hierop heb ik met u gedeeld middels de brief van 21 juni 2021.3
Hoe vaak wordt bijstand teruggevorderd omdat bijstandsgerechtigden door middel van kansspelen inkomsten hebben verworven?
Cijfers op dit vlak zijn niet beschikbaar. Gemeenten registreren de reden van terugvordering niet op een dergelijk gedetailleerd niveau.
Hebt u cijfers over de omvang van gokproblematiek en eventuele schuldenproblematiek als gevolg van gokken in de groep bijstandsgerechtigden?
Uit het onderzoek van het CBS «Schuldenproblematiek in beeld» blijkt dat 119.700 mensen met een bijstandsuitkering geregistreerde problematische schulden hadden.4 Ik beschik niet over cijfers die inzicht geven in welke mate de schuldenproblematiek voor deze groep mensen het gevolg zijn van gokken.
Deelt u de mening dat het risicovol kan zijn indien bijstandsgerechtigden, gezien hun kwetsbare inkomenspositie die inherent is aan het feit dat zij bijstand ontvangen, regelmatig gokken of aan kansspelen doen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat bijstandsgerechtigden vanwege een gokverslaving of problematisch gokken in de financiële problemen komen?
De Minister voor Rechtsbescherming en ik delen de mening dat het risicovol kan zijn dat bijstandsgerechtigden deelnemen aan kansspelen. Met de «Aanpak geldzorgen, armoede en schulden» zet het kabinet een aantal grote acties in om bestaans- en inkomenszekerheid voor mensen te borgen. De preventie van geldzorgen is daar een belangrijk onderdeel van. Het kabinet blijft inzetten op het beperken en beschermen van mensen tegen risico’s. Bijvoorbeeld door het versterken van financiële educatie voor kinderen en jongeren, en het inzetten op het beschermen van consumenten bij het aangaan van een lening en het beschermen tegen risicovolle financiële producten en diensten zoals achteraf betalen, maar ook tegen de risico’s van het kopen van crypto’s.
In de wet- en regelgeving voor kansspelen zijn maatregelen opgenomen om te voorkomen dat spelers problematisch speelgedrag ontwikkelen of in de financiële problemen komen door gokken. Spelers moeten bijvoorbeeld voor ze kunnen spelen limieten instellen, onder meer voor de maximale stortingen op de speelrekening.
Kansspelaanbieders hebben vanuit de wet- en regelgeving voor kansspelen een belangrijke zorgplicht. In alle gevallen moeten aanbieders adequaat interveniëren wanneer een speler risicovol speelgedrag vertoont. Plotseling veel meer geld uitgeven dan gewoonlijk, of het steeds op willen hogen van de speellimiet kunnen indicatoren zijn die nopen tot een interventie. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een persoonlijk onderhoud moet worden gevoerd. Als uiterste middel is er het Centraal register uitsluiting kansspelen (Cruks). Spelers die in Cruks zijn opgenomen hebben minimaal zes maanden geen toegang tot online kansspelen, speelcasino’s en speelautomatenhallen. Zij kunnen in het uiterste geval door kansspelaanbieders of door mensen in hun omgeving worden voorgedragen voor Cruks. Spelers kunnen zichzelf ook op elk moment vrijwillig inschrijven in Cruks, om zichzelf te beschermen tegen het verliezen van geld door deelname aan kansspelen.
Een gemeente heeft op dit vlak geen mogelijkheden. Bij een rechtmatigheidsonderzoek naar de bijstandsuitkering wordt er uitsluitend gekeken naar de leefvorm en inkomsten van een betrokkene. Vanuit privacy oogpunt is het niet mogelijk en onwenselijk om te registreren of spelers bijstandsgerechtigden zijn.
Deelt u de inschatting dat in dergelijke situaties een bijstandsgerechtigde gebaat zou kunnen zijn met een speelpauze?
De Minister voor Rechtsbescherming en ik kunnen ons voorstellen dat bijstandsgerechtigden gebaat zouden kunnen zijn bij een speelpauze door middel van inschrijving in Cruks. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 kunnen mensen zichzelf op elk gewenst moment vrijwillig inschrijven in Cruks.
Het bericht dat het onderzoek naar de oorzaken van de oversterfte om oneigenlijke redenen wordt gefrustreerd door het RIVM en de GGD |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat uw voorganger op 19 november 2021 in antwoord op Kamervragen over de oversterfte vanaf mei 2021 zei dat «het CBS stelt dat de oversterfte, ofwel het verschil tussen het waargenomen aantal en het verwachte aantal overledenen, bijna in z’n geheel wordt veroorzaakt door sterfte aan COVID-19»? Waar en wanneer heeft het CBS dit gesteld? Bent u het eens met deze stelling? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ken deze beantwoording en ben het hiermee eens. Het CBS publiceert al sinds jaar en dag over doodsoorzaken en sterfte en ik heb alle vertrouwen in het CBS als instituut voor statistiek en onderzoek. Sinds de uitbraak van COVID-19 neemt het CBS ook cijfers over COVID-19 sterfte op in de reguliere publicaties. Het CBS heeft in een bericht van april 20211 gemeld dat op basis van bij het CBS beschikbare data over doodsoorzaken en sterfte, de eerste en tweede oversterftegolf samenvielen met COVID-19 sterfte. Het CBS heeft in de eerste helft van 2022 ook onderzoek gedaan naar (over)sterfte in 2020 en 2021. In dit onderzoek wordt bovenstaande, eerder uitgevoerde analyse en conclusie bevestigd. Aanvullend is uit het onderzoek naar voren gekomen dat in de derde oversterftegolf, eind 2021, COVID-19 in belangrijke mate bijdroeg aan de oversterfte, maar dat er bij deze golf mogelijk ook andere oorzaken een rol speelden.
Bent u bekend met het artikel «Elke week overlijden er honderden Nederlanders meer dan normaal, en niemand weet waarom» uit de Volkskrant van 8 september jl.? Hoe beoordeelt u dit bericht?1
Ja, ik ken dit bericht. Ik deel de zorgen rondom het achterhalen van de redenen en oorzaken van de oversterfte in Nederland, vandaar dat ik mij ook, zoals eerder aan uw Kamer gecommuniceerd, inzet voor het uitvoerbaar maken van het oversterfteonderzoek. Voor de meest optimale uitvoering van dit onderzoek is toegang tot test- en vaccinatiedata van de GGD en het RIVM nodig. Hierover heb ik uw Kamer in mijn brief van 28 september jl.3 geïnformeerd. Ik zet mij er voor in om dit te regelen, waarbij vanzelfsprekend de datatoegang wel binnen de wettelijke kaders moet passen. Zoals aangegeven in mijn brief, informeer ik uw Kamer zodra er meer helderheid is over de verdere uitvoerbaarheid van het onderzoek.
Heeft u de brief van ZonMW d.d. 30 augustus 2022 waar in het artikel naar wordt verwezen, in goede orde ontvangen? Zo ja, waarom heeft u deze niet onverwijld met de Tweede Kamer gedeeld? Hoe beoordeelt u het dat de FVD-fractie deze brief via haar eigen netwerk boven water heeft moeten krijgen?2
Ik heb de brief van ZonMw d.d. 30 augustus 2022 begin september in goede orde ontvangen. Het is mijn gebruik om brieven eerst inhoudelijk te beoordelen, zodat ik wanneer ik uw Kamer informeer daarbij ook een inhoudelijke appreciatie kan geven. Naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie voor VWS d.d. 13 september jl.5 heb ik uw Kamer de brief op 14 september jl.6 toegezonden.
Op 28 september jl.7 heb ik uw Kamer een uitgebreidere brief gestuurd waarin ik aangegeven heb dat ik de zorgen zoals gemeld in de brief van ZonMw deel, en de wens heb onderschreven om data breder toegankelijk te maken ten behoeve van het oversterfteonderzoek. Momenteel onderzoek ik op welke wijze de gegevens hiervoor beschikbaar kunnen komen. Hierover zal ik uw Kamer, zoals aangegeven in mijn brief van 28 september jl., spoedig verder informeren.
Hoe beoordeelt u de inhoud van deze brief en de bijbehorende bijlagen? Onderschrijft u deze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de voornaamste zorg van de wetenschappers – inhoudende dat het ontbreken van data, in het bijzonder vaccinatiedata en testuitslagen van respectievelijk het RIVM en de GGD, het onderzoek naar de oversterfte belemmert? Zo nee, waarom niet? Erkent u dat de wetenschappers op deze manier hun opdracht niet naar behoren kunnen uitvoeren? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de onderzoekers hun opdracht alsnog goed kunnen uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven deel ik de zorg van de wetenschappers rondom het beschikbaar komen van data ten behoeve van de meest optimale uitvoering van het oversterfteonderzoek. Ik heb hier uw Kamer in mijn brief van d.d. 28 september jl.8 uitgebreid geïnformeerd. Ik verwijs u graag naar deze brief.
Deelt u de opvatting van de wetenschappers uit de klankbordgroep, zoals uiteengezet in bijlage 2 van de brief, dat het niet vrijgeven van data de schijn kan wekken van andere (eigen)belangen van organisaties zoals het RIVM en de GGD en dat het «voor het vertrouwen van burgers in de overheid belangrijk [is] om iedere schijn te vermijden»? Zo nee, waarom niet?
Zoals uiteengezet in mijn brief aan uw Kamer d.d. 28 september jl. delen alle betrokkenen de wens om onderzoek zo optimaal mogelijk in te regelen. Zo heeft het RIVM ten overstaande van de vaste commissie voor VWS op 15 september jl. onomwonden verklaard verdiepend onderzoek in het belang van betere wetenschappelijk inzichten zeer wenselijk te achten. Mijn vertrouwen in het RIVM en de GGD’en is groot en ik ondersteun hun zorgvuldigheid in de omgang met bijzondere persoonsgegevens.
Erkent u dat de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) niet van toepassing is op gegevens van overledenen? Erkent u dat de AVG dus geen belemmering zou mogen vormen voor het delen van de vaccinatiedata en testuitslagen, zoals RIVM en GGD volgens dit artikel wél beweren? Bent u het dus eens met de wetenschappers die in bijlage 2 van de door hen verzonden brief (zie vraag3 beweren dat de AVG voldoende ruimte laat om de voor het onderzoek benodigde gegevens te delen?
Ik ben van mening dat het onderzoek naar de redenen en oorzaken van oversterfte volledig en zonder beperkingen uitgevoerd moet worden. Voor een zo optimaal als mogelijke uitvoering van het oversterfteonderzoek zijn test- en vaccinatiedata van iedereen nodig. Zoals door het RIVM aangegeven tijdens de technische briefing van 15 september jl. zijn voor dit onderzoek ook de gegevens nodig van niet overleden personen, omdat zij een controlegroep vormen. Om deze gegevens toegankelijk te maken voor het onderzoek is grote zorgvuldigheid vereist. Dit betekent dat de datatoegang moet passen binnen de wettelijke kaders, onder andere ten aanzien van het borgen van privacy. De AVG, maar ook de Wgbo, de Wpg en de wet op het CBS zijn hierop onder andere van toepassing. Zoals aangegeven in mijn brief d.d. 28 september jl. wordt er momenteel hard gewerkt aan de verdere concretisering van de aanpak om data toegankelijk te maken ten behoeve van de wetenschap. Ik ben voornemens ook te kijken naar de mogelijkheden om een wetswijziging of andere middelen in te zetten om de wettelijke basis en het kader voor deling van gezondheidsgegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek te verduidelijken. Dit najaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Bent u bekend met de reactie van de GGD van 8 september jl. op het artikel van de Volkskrant, waarin de GGD aangeeft de benodigde gegevens graag beschikbaar te stellen voor het onafhankelijke onderzoek en daarbij ook de privacy van mensen te kunnen garanderen? Hoe beoordeelt u deze reactie van de GGD? Hoe beoordeelt u deze tegenstrijdigheid tussen de verklaring van de GGD (inhoudende dat de GGD de data wél wil delen) en die van de onafhankelijke wetenschappers (inhoudende dat de GGD de data níet wil delen)? Wilt u er zorg voor dragen dat de benodigde data van de GGD alsnog zo spoedig mogelijk met de onderzoekers gedeeld wordt?4
Ik ben bekend met de reactie van de GGD. Op dit moment worden open data gedeeld door de GGD’en. De data die nodig is voor het oversterfteonderzoek, zijnde koppelbare persoonsgegevens, nog niet. Zoals aangegeven in mijn brief d.d. 28 september jl.11 ben ik samen met de GGD’en op zoek naar een oplossing voor het beschreven probleem. Ik verwijs u graag voor verdere informatie en aanpak naar deze brief.
Hoe beoordeelt u het feit dat wetenschappelijk onderzoek naar doodsoorzaken van recent overleden personen door het RIVM wordt gefrustreerd, terwijl het RIVM voor andere onderzoeken wel datasets ter beschikking stelt aan onderzoekers (al dan niet vergezeld van een material transfer of data sharing agreement)?5 6
De stelling dat het oversterfteonderzoek gefrustreerd zou worden door het RIVM deel ik niet. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6. Over het proces rondom het toegankelijk maken van RIVM data ten behoeve van het oversterfteonderzoek heb ik uw Kamer via mijn brief d.d. 28 september jl.14 geïnformeerd, en ik verwijs u graag naar deze brief voor verdere informatie en de handelingsperspectieven.
Erkent u dat u volgens artikel 3, lid 1, sub e van de Wet op het RIVM bevoegd bent om het RIVM de opdracht te geven om de benodigde vaccinatiedata (al dan niet geanonimiseerd) te delen met de onderzoekers?
Het RIVM heeft op grond van artikel 3, eerste lid, sub e, van de Wet op het RIVM tot taak om andere door de Minister opgedragen werkzaamheden uit te voeren. Deze overige werkzaamheden dienen uiteraard binnen de kaders van wet- en regelgeving te passen, waaronder de Algemene verordening gegevensbescherming. Momenteel wordt er gezamenlijk met het RIVM gewerkt aan het uitvoeren van een data protectie impact assessment (DPIA), zoals ik uw Kamer heb gemeld middels mijn brief d.d. 28 september jl. Voor meer informatie over het proces en de handelingsperspectieven verwijs ik u graag naar deze brief. Op de kortst mogelijke termijn zal ik uw Kamer verder informeren over de uitkomsten van de DPIA.
Bent u bereid het RIVM op te dragen de vaccinatiedata zo spoedig mogelijk te delen met de onderzoekers, zodat zij het onderzoek dat zij in opdracht van de Tweede Kamer moeten uitvoeren kunnen voortzetten?
Ik heb reeds opdracht gegeven om op de kortst mogelijke termijn een Data Protectie Impact Assessment (DPIA) uit te voeren zoals de AVG in deze gevallen voorschrijft. Daaruit zal blijken of er juridische belemmeringen en maatschappelijke risico’s zijn en langs welke weg deze eventueel gemitigeerd kunnen worden.
Het bericht dat de wapenstilstand tussen Armenië en Azerbeidzjan is mislukt |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er opnieuw gevechten zijn uitgebroken tussen Azerbeidzjan en Armenië?1
Ja
Deelt u de zorgen over de geweldsescalatie tussen Azerbeidzjan en Armenië?
De geweldsuitbarstingen tussen beide landen zijn zeer zorgelijk. Ik verwelkom het staakt-het-vuren en het stoppen van het geweld. Er zijn aan beide kanten veel slachtoffers gevallen. Het is zaak dat beide landen terug naar de onderhandelingstafel gaan om tot een duurzaam vredesakkoord te komen, maar ook om praktische afspraken te maken over o.a. de uitruil van gevangen genomen soldaten.
Klopt het dat er nu ook buiten Nagorno-Karabach gewelddadigheden plaatsvinden, zoals beschietingen in de Armeense steden Jermuk en Goris? Zo ja, deelt u de mening dat dit een zeer ernstige escalatie van het conflict betekent?
Eerder beperkte het conflict zich voornamelijk tot de regio Nagorno-Karabach, waar in 2020 een oorlog werd uitgevochten tussen Azerbeidzjan en Armenië. Het klopt dat er nu ook buiten Nagorno-Karabach gewelddadigheden plaatsvinden. Dit is inderdaad een verdere en onwenselijke escalatie van het conflict.
Deelt u de zorg dat Azerbeidzjan de huidige geopolitieke onrust en de status als belangrijke nieuwe gasleverancier voor de Europese Unie (EU) in zijn voordeel wil gebruiken in het conflict met Armenië?
Op dit moment heb ik daar geen aanwijzingen voor. Azerbeidzjan heeft zich in gesprekken met de EU gecommitteerd aan het vredesproces.
Volgens het energieministerie van Azerbeidzjan is in de eerste 8 maanden van dit jaar 7,3 miljard kubieke meter aardgas geleverd aan de EU. Dit is naar schatting slechts een klein deel, circa 3%, van de totale EU-gasconsumptie over deze periode. Met het door de EU-afgesloten Memorandum of Understanding (MoU) met Azerbeidzjan is de EU geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan.
Wat is de voortgang van de vredesbesprekingen tussen Azerbeidzjan en Armenië die in april van dit jaar werden aangekondigd? En zijn naar uw weten beide partijen nog gecommitteerd aan dit vredesproces?
De EU, o.l.v. voorzitter van de Europese Raad Charles Michel, leidt het bemiddelingsproces tussen Armenië en Azerbeidzjan. Op 31 augustus jl. vond de vierde ronde gesprekken plaats in Brussel, waar zowel de Azerbeidzjaanse President Aliyev als de Armeense premier Pasjinian aanwezig waren. Beide landen hebben zich daar gecommitteerd aan het vredesproces, en het is te betreuren dat er recentelijk alsnog gewelddadigheden hebben plaatsgevonden. Beide landen hebben publiekelijk aangegeven dat zij vrede ambiëren en dat zij zo spoedig mogelijk de vredesgesprekken willen herstarten.
Op welke wijze zetten Nederland en de Europese Unie zich in voor het onmiddellijk beëindigen van de militaire vijandelijkheden en voor een herstart van de vredesonderhandelingen tussen beide landen?
Meteen na het begin van de militaire escalatie in het grensgebied tussen Armenië en Azerbeidzjan heeft de EU zich ingezet om verdere escalatie te voorkomen en de vredesbesprekingen tussen beide landen te hervatten. Hiertoe reisde de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië, T. Klaar, op 13 september jl. naar Bakoe en Jerevan. Ook had de voorzitter van de Europese Raad, C. Michel, hierover telefonisch contact met de Minister-President van Armenië en de president van Azerbeidzjan. Voorts belde de Hoge Vertegenwoordiger J. Borrell met de Ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen. Nederland steunt de EU in het bemiddelingsproces. De enige oplossing voor het conflict is dat beide partijen zich committeren aan het staken van de gewelddadigheden en dat er een duurzaam vredesakkoord wordt getekend.
Heeft de voorzitter van de Europese Commissie tijdens haar bezoek aan Azerbeidzjaan op 18 juli jl. aandacht gevraagd voor het militaire conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië? Zo ja, hoe heeft Azerbeidzjan gereageerd op de zorgen die binnen de EU leven over het conflict?
De voorzitter van de Europese Commissie heeft tijdens haar bezoek in juli in algemene termen de zorgen overgebracht over de veiligheid in de regio. Ook worden deze zorgen op andere wijzen overgebracht, o.a. door de speciale vertegenwoordiger, de voorzitter van de Europese Raad en de Hoge Vertegenwoordiger. Nederland heeft op hoog ambtelijk niveau dezelfde zorgen overbracht. De Azerbeidzjaanse zijde is bekend met de Europese zorgen en heeft aangegeven gecommitteerd te zijn aan het vredesproces met Armenië.
Zijn er in het recent getekende Memorandum of Understanding (MoU) tussen de EU en Azerbeidzjan, waarin de basis wordt gelegd voor verdergaande samenwerking, ook voorwaarden opgenomen over gewelddadigheden tegen Armenië? Zo ja, welke zijn dit?
De voorzitter van de Europese Commissie, Von der Leyen, was op 18 juli jl. in Azerbeidzjan. Tijdens dit bezoek werd een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend op het gebied van energiesamenwerking. Dit MoU behelst een intentie om de gastoevoer van Azerbeidzjan naar de Europese Unie te verdubbelen en samen te werken op het gebied van hernieuwbare energie en klimaat inclusief het verminderen van methaanemissies. In algemene zin wordt in het MoU aandacht besteed aan het belang van respect voor territoriale integriteit, onschendbaarheid van internationale grenzen, soevereiniteit en goede nabuurschapsbetrekkingen. Met het MoU zijn geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan.
Kunt u zich binnen de Europese Unie, en in het bijzonder binnen de EU Associatieraad met Azerbeidzjan, inzetten voor een heldere boodschap richting Azerbeidzjan dat het de grenzen van Armenië dient te respecteren?
De zorgen over het conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië worden mede op instigatie van Nederland consequent in de dialogen van de EU met beide landen besproken, zo ook tijdens de EU Associatieraad met Azerbeidzjan op 19 juli jl. in Brussel.
Het bericht ‘Scholen die gedwongen hun energiecontract opzegden zijn tot twaalf keer duurder uit’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u inzicht geven in de hoogte van de energierekeningen waarmee scholen geconfronteerd worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u inzicht geven in de mate waarin dit scholen uit de «lage SES» – oftewel: de scholen met een (meer) kwetsbare leerlingenpopulatie – betreft?1
Er is geen nationaal overzicht welke schoolbesturen welke energieleveranciers hebben of welke prijzen zij betalen. Instellingen kunnen immers zelf bepalen hoe ze de lumpsumbekostiging besteden. Maar er is geen relatie te verwachten tussen een energiecontract en de SES-scores die vaak gemeten worden met de indicatoren opleidingsniveau, inkomensniveau en beroepsniveau.
Kunt u aangeven hoeveel scholen in acute financiële problemen dreigen te raken door de oplopende/opgelopen energierekeningen?
In hoeverre schoolbesturen te maken krijgen met de prijsstijgingen verschilt flink. Daarnaast is de financiële positie van schoolbesturen divers, de een heeft meer reserves dan de ander. De bekostiging van onderwijsinstellingen wordt ieder jaar aangepast voor stijgende lonen en prijzen. Het zal per instelling verschillen in hoeverre dit toereikend is voor de op dit moment extreme stijging van de energieprijzen. Er is geen nationaal overzicht beschikbaar.
Bij de Algemene Politieke Beschouwingen is de motie Paternotte2 aangenomen die het kabinet verzoekt te kijken naar gerichte ondersteuning van scholen en culturele instellingen. Het kabinet spant zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan deze motie en de Kamer wordt hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Het Ministerie van OCW beschikt over een instrumentarium om onderwijsinstellingen in acute liquiditeitsproblemen te helpen. Mochten instellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Kunt u aangeven hoeveel scholen door de hoge energierekeningen gedwongen dreigen te worden om gebruik te maken van gelden uit het Nationaal Programma Onderwijs (NPO), de gelden die bedoeld zijn om leerachterstanden – ontstaan en/of verergerd gedurende de coronacrisis – in te lopen? Kunt u aangeven in welke mate dit scholen uit de «lage SES» betreft?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet de Minister eraan om te voorkomen dat scholen moeten interen op hun budget voor onderwijskwaliteit (waaronder leerkrachten), al dan niet uit het NPO-budget?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven wordt de bekostiging van onderwijsinstellingen ieder jaar aangepast voor stijgende lonen en prijzen. Het zal per instelling verschillen in hoeverre dit toereikend is voor de op dit moment extreme stijging van de energieprijzen. Het kabinet spant zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan de motie Paternotte3 en de Kamer wordt hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Mochten onderwijsinstellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Hoe monitort u de ontwikkeling van de financiële positie van scholen in het funderend onderwijs, tegen de achtergrond van de (verder oplopende) hoge gasrekeningen? Kunt u daarbij bovendien ingaan op de scholen die momenteel nog in de «midden-SES» vallen, maar door de hoge rekeningen dreigen te vervallen in de «lage-SES»?
Een schoolbestuur geeft inzicht in de kosten via een jaarrekening. Het bestuur levert jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar aan bij DUO. Er is dus geen sprake van een monitor gedurende het jaar, maar van een verantwoording en inzicht achteraf. Uw Kamer ontvangt voor de begrotingsbehandeling de brief Financiële posities schoolbesturen.
Overigens is er geen relatie tussen de financiële positie van schoolbesturen en SES-scores. Deze sociaaleconomische status wordt vaak gemeten met de indicatoren opleidingsniveau, inkomensniveau en beroepsniveau.
Deelt u de mening dat het belangrijk is om goed te monitoren dat de hoogte van de gasrekeningen niet mag betekenen dat scholen gedwongen zijn in te teren op hun onderwijskwaliteit? Hoe monitort u dit?
Er is geen mogelijkheid om in de loop van een jaar de kosten die scholen maken te monitoren. Wel vraag ik op dit moment de schoolbesturen in een steekproef naar informatie om een beter beeld te krijgen. In deze inventarisatie vraag ik onder meer naar de aard van hun energiecontract, de prijsontwikkeling en de invloed van de hogere energiekosten op het primair proces.
Waarom geeft u aan dat het te vroeg zou zijn om na te denken over compensatie voor scholen die financieel in de klem komen te zitten door de hoge energierekeningen? Wanneer acht u de situatiewelafdoende om tot compensatie over te gaan? Waarom zou compensatie afhankelijk moeten zijn van het antwoord op de vraag of de contracten met Gazprom al dan niet onder Europese sancties vallen? Graag een toelichting.
Voor de toepassing van de sanctie heeft de Minister voor Klimaat en Energie via een brief aan uw Kamer4 gemeld dat hij tot 1 januari ontheffing zal verlenen en in de tussentijd met de Europese Commissie en andere lidstaten in gesprek gaat over de toepassing van de sanctie op in het bijzonder SEFE (voorheen Gazprom). In de tussentijd is M.K&E in gesprek met overheden en scholen over de (financiële) gevolgen van de sanctie. M.K&E blijft bij het oordeel dat SEFE juridisch onder de sanctie valt, maar ziet ook de grote gevolgen die deze sanctie heeft op scholen in het bijzonder.
Daarnaast ziet M.K&E ook dat er een aantal contracten van nature zouden aflopen in komende jaren, waardoor er bij de hoge gasprijzen sowieso grote financiële gevolgen ontstaan. M.K&E is in gesprek met scholen hierover.
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven spant het kabinet zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan de motie Paternotte5 en wordt de Kamer hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Het Ministerie van OCW beschikt over een instrumentarium om onderwijsinstellingen in acute liquiditeitsproblemen te helpen. Mochten instellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Wat bent u bereid (extra) te doen voor scholen die financieel in een onevenredig negatieve positie zijn geraakt doordat zij de contracten met Gazprom op tijd opgezegd hebben, ten opzichte van scholen die niet op tijd overstapten? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Wat bent u bereid te doen voor scholen die geacht worden op 1 januari 2023 alsnog overgestapt dienen te zijn, en het contract met Gazprom opgezegd te hebben, en hierdoor in de financiële problemen dreigen te raken?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u met zekerheid zeggen dat de jaarlijkse prijsbijstelling voldoende gaat zijn voor scholen in het gehele funderend onderwijs? Zo ja, graag een toelichting. Zo nee, wat bent u bereid hierop aanvullend te doen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven wat de doelstelling is, en de voortgang, in het aardgasvrij bouwen en/of renoveren van schoolgebouwen?
De doelstelling voor het aardgasvrij bouwen van scholen is dat álle schoolgebouwen die nieuw worden gebouwd, aardgasvrij zijn. De doelstelling voor het aardgasvrij zijn van alle bestaande gebouwen is 2050.
Het advies voor gebouweigenaren is om rekening te houden met het aardgasvrij maken van gebouwen op het moment van renoveren van gebouwen. De planning voor het aardgasvrij maken van gebouwen verschilt per wijk. Gemeenten legden dit reeds vast in hun Transitievisies warmte en zullen dit verder concretiseren in de wijkuitvoeringsplannen.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat 12 sectoren met maatschappelijk vastgoed sectorale routekaarten opstellen, dit geldt ook voor het funderend onderwijs. De sectorale routekaart waarin de verduurzamingsopgave voor het funderend onderwijs is beschreven is in 2020 gepubliceerd namens de PO-raad, VO-raad en de VNG6. In oktober 2022 is de eerste evaluatie van de sectorale routekaarten gereed. De resultaten neemt het Ministerie van BZK op in de Klimaatmonitor 2022 en dit najaar pakken ze de eventuele verbeterpunten op.
Daarnaast werkt de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord (2019), aan een wettelijke eindnorm voor de energieprestatie van bestaande utiliteitsgebouwen in 2050 en zal hierover in oktober de Tweede Kamer informeren. Bovendien heeft de Europese Commissie verschillende voorstellen gedaan voor de verduurzaming van bestaande gebouwen. Een aantal voorstellen zijn specifiek gericht op maatschappelijk vastgoed waar ook scholen onder vallen. De Energy Performance of Buildings Directive (EPBD)7 en de Energy Efficiency Directive (EED) worden bijvoorbeeld herzien. Naar verwachting zullen de EPBD en de EED in 2023 worden vastgesteld, en vervolgens in nationale wetgeving vertaald.
Bent u bekend met de uitzending van SBS6-programma Undercover in Nederland van 11 september 2022 waar blootgesteld wordt dat afvalcoaches zonder enige gewetenswroeging misbruik maken van (minderjarige) anorexiapatiënten?1
Ja.
Heeft u naar aanleiding van de uitzending van het programma de bereidheid te onderzoeken wat er zich afspeelt op platforms van de pro-ana-wereld, waar zelfbenoemde afvalcoaches zonder enige gewetenswroeging misbruik maken van (minderjarige) anorexiapatiënten? Kunt u een detailleerd antwoord geven?
Ik stel voorop dat het onacceptabel is dat personen die zich voordoen als coach, (seksueel) misbruik maken van kwetsbare minderjarige slachtoffers met psychische problematiek zoals een eetstoornis. De aanpak van deze problematiek heeft mijn prioriteit en vergt een brede inzet, zowel in het hulpverleningskader (onder andere gericht op preventie) als in het opsporings- en vervolgingskader. Op die drie sporen is het beleid van het kabinet ook steeds gericht, waarbij via het opsporingsspoor op verschillende manieren wordt ingezet op het verkrijgen van zicht op deze problematiek.
De politie is in het opsporingskader bekend met het bestaan van pro-ana-platforms en heeft ook zaken in onderzoek betreffende online seksueel misbruik van kwetsbare jongeren. Van de ontvangen gelden in het kader van de motie Hermans komt vanaf 2024 in tranches 4 miljoen euro beschikbaar onder meer voor de opsporing van online seksueel kindermisbruik door de Teams Bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme. Ik verwijs u ook naar mijn antwoorden op de Kamervragen van mevrouw Michon-Derkzen van 10 oktober jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 355). Online seksueel kindermisbruik is daarnaast onderdeel van de Veiligheidsagenda 2019–2022. Daarin wordt beschreven waar de focus in de aanpak en opsporing van online seksueel kindermisbruik ligt en zijn jaarlijkse resultaatafspraken voor de politie neergelegd. De nadruk daarbij ligt op het ontzetten van slachtoffers van acuut misbruik door het identificeren van deze slachtoffers maar ook misbruikers, vervaardigers en keyplayers binnen (online) netwerken. Zoals ik de Kamer eerder al berichtte zal online seksueel kindermisbruik wederom een van de thema’s zijn in de Veiligheidsagenda 2023–2026.2 Over de thema’s en afspraken in de nieuwe Veiligheidsagenda is uw Kamer per aparte brief geïnformeerd. Na de wijziging van de Wet Computercriminaliteit III, die per 1 maart 2019 in werking is getreden, is bovendien de inzet van een lokpuber in het opsporingskader mogelijk.
Op dit moment worden nog verschillende acties ondernomen voor het (verder) vergroten van het zicht op de problematiek van misbruik door (onder andere) pro-ana-coaches, dat vaak online aanvangt. Zo wordt door de politie een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden voor de opzet en uitrol van een online opsporingsstrategie gericht op seksuele misdrijven en mensenhandel in het bijzonder. Op 10 oktober jl. is bij uw Kamer bovendien het wetsvoorstel seksuele misdrijven ingediend. Als gevolg van dat wetsvoorstel krijgen slachtoffers meer mogelijkheden om aangifte te doen van een seksueel misdrijf. De professionals die slachtoffers ondersteunen en begeleiden, kunnen aan de hand van het nieuwe wettelijk kader aan slachtoffers beter duidelijk maken voor welke strafbare feiten een dader vervolgd en berecht kan worden. Het voorgaande kan bijdragen aan de verhoging van de aangiftebereidheid van slachtoffers.
Wat vindt u van het feit dat de adviezen van deze zogenaamde coaches letterlijk levensgevaarlijk zijn, vanwege het feit dat als de kinderen het dieetplan opvolgen, de dood erop zou kunnen volgen? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven waarbij u aangeeft hoe u anorexiapatiënten gaat helpen beschermen?
Het geven van levensgevaarlijke adviezen aan kwetsbare minderjarigen met een eetstoornis is heel kwalijk en dient effectief te worden aangepakt. Voorop in deze aanpak staat de bescherming van slachtoffers tegen dergelijke praktijken. Gevaarlijke adviezen worden in veel gevallen echter gegeven door personen die zelf ook ziek zijn vanwege een eetstoornis en de ernst van deze ziekte niet kunnen of willen inzien. Hulpverlening aan deze personen die zelf ziek zijn vanwege een eetstoornis is dan ook van groot belang. Zie in dat kader ook de beantwoording van Kamervragen van de leden Bikker (Christen Unie) en Westerveld (GroenLinks) over het bericht «Hoe pro-ana coaches kwetsbare meisjes misbruiken» en de uitvoering van de motie Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 197), die op 4 juli 2022 mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan uw Kamer is gezonden.
Op grond van verschillende bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht kan in voorkomende gevallen toch strafrechtelijk worden opgetreden tegen zogenaamde coaches die kwetsbare minderjarigen van levensgevaarlijke adviezen voorzien. Zo is in artikel 294 Sr het aanzetten tot zelfdoding strafbaar gesteld indien de zelfdoding ook daadwerkelijk volgt. Degene die een ander opzettelijk aanzet tot bijvoorbeeld extreem vermageren zou strafbaar kunnen zijn over de band van de strafbaarstelling van artikel 294 Sr indien de ingetreden zelfdoding het directe gevolg is van het aanzetten tot extreem vermageren. Zou bijvoorbeeld sprake zijn van (psychische) mishandeling kan daarvoor op grond van artikel 300 Sr vervolging worden ingesteld. Zie ook de Voortgangsbrief aanpak online seksueel kindermisbruik en zeden die ik op 6 juli 2022 aan uw Kamer zond (Kamerstuk 34 843, nr. 60). Door het openbaar ministerie wordt uiteraard per individuele zaak vastgesteld of, gelet op de specifieke omstandigheden die aan de orde zijn, sprake is van strafbare gedragingen.
Wat vindt u van het feit dat het daar niet bij blijft omdat sommige van deze afvalcoaches ook uit zijn op seks met de zieke, kwetsbare kinderen? Kunt u ook hier een gedetailleerd antwoord op geven hoe u deze kwetsbare kinderen gaat helpen beschermen?
Ik deel de zorgen over het seksueel misbruik van kwetsbare minderjarigen door mensen die zich voordoen als coach. Seksueel misbruik is in alle gevallen onacceptabel, zeker wanneer sprake is van minderjarige slachtoffers met een psychische aandoening. De verbetering van de veiligheid door de bescherming van potentiële slachtoffers (waaronder kwetsbare minderjarige slachtoffers) en het voorkomen en aanpakken van daderschap, is en blijft een van mijn prioriteiten. In dat kader is het beleid van het kabinet gericht op het doen van effectieve interventies, zowel in het hulpverleningskader (onder andere gericht op preventie) als in het opsporings- en vervolgingskader. Door de Minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt actief ingezet op het aanpakken van deze problematiek in het hulpverlenings- en preventiespoor. Zie voor een overzicht onder andere de uitgebreide beantwoording van Kamervragen van de leden Bikker (Christen Unie) en Westerveld (GroenLinks) over het bericht «Hoe pro-ana coaches kwetsbare meisjes misbruiken» en de uitvoering van de motie Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 197), die op 4 juli 2022 mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan uw Kamer is gezonden.
Door mijn ministerie wordt het online outreach-project gefinancierd, waarbij door het CKM een proef wordt uitgevoerd om online in contact te komen met kwetsbare groepen en (mogelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting die zich bevinden op het internet en sociale media, met het doel hen te signaleren en beschermen. Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving financiert de pilot, die specifiek is gericht op de pro-ana-problematiek. Slachtoffers van seksueel geweld kunnen zich ook melden bij een van de Centra Seksueel Geweld of contact opnemen met HelpWanted, een programma van het Expertisebureau Online Kindermisbruik («EOKM») en met het Landelijk expertise- en behandelcentrum Fier. Ook is in 2021 de wegwijzer «Seksualiteit Online» ontwikkeld, die scholen onder andere helpt bij incidenten, het ontwikkelen van beleid en de keuzes voor de beschikbare lesprogramma’s. De wegwijzer geeft een duidelijk overzicht van alle preventieve en curatieve programma’s en van betrokken experts uit de strafrechtketen, het onderwijs, de zorg en kenniscentra. Daarnaast wordt aan (potentiële) daders van seksueel kindermisbruik hulpverlening geboden via Stop it Now!, een programma van het EOKM dat als doel heeft om seksueel kindermisbruik te voorkomen. Het EOKM ontvangt een jaarlijkse subsidie van mijn ministerie voor de daar lopende programma’s.
Voor de acties die zijn en worden uitgevoerd voor het verbeteren van de opsporing oftewel verkrijgen van zicht op de problematiek van zelfbenoemde pro-ana-coaches verwijs ik naar de beantwoording van vraag 2. In het Wetboek van Strafrecht is in ieder geval voorzien in mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen verschillende vormen van seksueel misbruik, ook als dit is gepleegd door pro-ana-coaches.
Het wetsvoorstel seksuele misdrijven maakt bovendien een aantal bestaande strafbaarstellingen «online proof», stelt sexchatting met kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar expliciet strafbaar en verhoogt de strafmaxima voor sommige delicten die zien op seksueel misbruik van kinderen.
Welke strafmaatregelen wilt u gaan nemen om deze criminele zedendelinquenten zo zwaar als het kan te bestraffen? En hoe wilt u actief inzetten op het sneller in de kraag te vatten van deze levensgevaarlijke gekken? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Zie voor wat betreft de acties die zijn en worden genomen in het opsporingskader de beantwoording van vraag 2, en zie voor wat betreft de strafrechtelijke aanpak van misbruik door de zogeheten pro-ana-coaches de beantwoording van vraag 4. Het is uiteindelijk aan de officier van justitie om in een specifieke zaak te bepalen of vervolging wordt ingesteld en vervolgens aan de rechter om een voorliggende zaak te beoordelen en de eventuele strafmaat te bepalen op grond van de specifieke omstandigheden van die zaak.
De opgelaaide militaire agressie van Azerbeidzjan tegen Armenië |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een eerste reactie geven op de gevechten die zijn uitgebroken tussen Azerbeidzjan en Armenië, waarbij aan Armeense kant 49 doden zijn gevallen?1
De geweldsuitbarstingen tussen beide landen zijn zeer zorgelijk. Ik verwelkom het staakt-het-vuren en het stoppen van het geweld. Er zijn aan beide kanten veel slachtoffers gevallen. Het is zaak dat beide landen terug naar de onderhandelingstafel gaan om tot een duurzaam vredesakkoord te komen, maar ook om afspraken te maken over de uitruil van gevangen genomen soldaten.
Acht u het waarschijnlijk dat Azerbeidzjan wederom met deze militaire agressie is begonnen? Zo nee, waarom niet?
Beiden landen ontkennen de gevechten te zijn begonnen en beide partijen ontkennen het staakt-het-vuren als eerste te hebben geschonden. Er is sprake van desinformatie. Het kabinet heeft noch de capaciteit, noch de presentie ter plaatse, om vast te stellen wie de gevechten is begonnen, alsook wie het staakt-het-vuren als eerste schond. Belangrijkste is nu dat het staakt-het-vuren stand houdt en dat het conflict niet escaleert. Daartoe hebben NL, de EU en andere internationale partners, zoals de VS, opgeroepen.
Wordt het bestand dat in 2020 door beide landen is gesloten, nog steeds gemonitord door Russische troepen? Welke invloed heeft de oorlog in Oekraïne op de Russische rol in het conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië?
Op basis van het Trilaterale Akkoord (tussen Azerbeidzjan, Armenië en Rusland) vervult Rusland de rol van vredesmacht. Circa 1.900 Russische vredestroepen zijn sinds 2020 geplaatst rond de contactlijn in Nagorno-Karabach en langs de Lachin Corridor. Op dit moment heeft het kabinet geen informatie over terugtrekking van Russische troepen.
De Russische aanvalsoorlog op Oekraïne heeft de positie van Rusland in de regio verzwakt. Armenië is als lid van de Collectieve Veiligheidsverdragsorganisatie (CSTO) een militaire bondgenoot van Rusland. In de afgelopen maanden is de reactie van Rusland diffuus geweest. De CSTO heeft Armenië niet beschermd, ondanks de afspraken tussen CSTO-staten.
Het vertrouwen in de effectiviteit in de CSTO heeft hierdoor een deuk opgelopen. Welk effect dit zal hebben in de regio is niet te voorspellen, maar het kan de regionale veiligheid beïnvloeden. Rusland blijft voor Armenië een belangrijke speler, o.a. door afhankelijkheid van energieleveranciers, militaire en diplomatieke steun, afzetmarkt en bestemmingsland.
Heeft u contact gehad met uw ambtsgenoten in Armenië en Azerbeidzjan over het opgelaaide geweld? Zo ja, welke boodschap heeft u aan hen overgebracht?
Namens de EU spelen de Voorzitter van de Europese Raad Charles Michel, de Hoge Vertegenwoordiger Josep Borrel en de Speciaal Vertegenwoordiger voor de Zuidelijke Kaukasus Toivo Klaar een actieve bemiddelende rol tussen Armenië en Azerbeidzjan, en Nederland steunt hen daarin. De EU heeft zich meteen na het begin van de militaire escalatie in het grensgebied tussen Armenië en Azerbeidzjan ingezet om verdere escalatie te voorkomen en de vredesbesprekingen tussen beide landen te hervatten. Hiertoe reisde de speciale vertegenwoordiger op 13 september jl. naar Bakoe en Yerevan. Ook riep hij op om mogelijke mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden te onderzoeken en de daders te vervolgen. Daarnaast heeft de voorzitter van de Europese Raad over de oplaaiing van gewelddadigheden telefonisch contact met de Minister-President van Armenië en de president van Azerbeidzjan. Voorts belde de Hoge Vertegenwoordiger met de Ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen. Nederland steunt de EU in het bemiddelingsproces. In aanvulling daarop zijn de Nederlandse zorgen op hoog ambtelijk niveau overgebracht.
Zelf heb ik eerder telefonisch contact gehad met de Azerbeidzjaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens het gesprek is de situatie tussen Armenië-Azerbeidzjan ook aan de orde geweest. Ik heb destijds aan de Azerbeidzjaanse Minister van Buitenlandse Zaken Bayramov het belang van dialoog en vredesonderhandelingen benadrukt. Dezelfde boodschap heb ik uitgedragen in mijn telefoongesprek met de Armeense Minister van Buitenlandse Zaken, Mizoyan.
Deelt u de mening dat de agressie van Azerbeidzjan mede wordt gefaciliteerd door de terughoudende opstelling van Nederland en de Europese Unie (EU) richting dictator Aliyev?
Nee. De EU is niet terughoudend en gaat in de dialoog met Azerbeidzjan kritische boodschappen niet uit de weg. Zorgen met betrekking tot het conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië en over de mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan worden, mede op instigatie van Nederland, consequent in contacten van de EU met Azerbeidzjan besproken, zo ook tijdens de EU Associatieraad met Azerbeidzjan op 19 juli jl., waar de Hoge Vertegenwoordiger de EU-delegatie leidde.
Kunt u exact aangeven hoeveel financiële steun de EU-Commissievoorzitter Von der Leyen aan dictator en oorlogsmisdadiger Aliyev heeft toegezegd afgelopen zomer?2
De voorzitter van de Europese Commissie, Von der Leyen, was op 18 juli jl. in Azerbeidzjan. Tijdens dit bezoek werd een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend op het gebied van energiesamenwerking. Dit MoU behelst een intentie om de gastoevoer van Azerbeidzjan naar de Europese Unie te verdubbelen en samen te werken op het gebied van hernieuwbare energie en klimaat inclusief het verminderen van methaanemissies. Met het MoU zijn geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan.
Volgens het energieministerie van Azerbeidzjan is in de eerste 8 maanden van dit jaar 7,3 miljard kubieke meter aardgas geleverd aan de EU (naar schatting 3% van de totale EU-gasconsumptie over deze periode).
Waar wordt dit geld aan besteed, en deelt u de mening dat alle steunprogramma’s en investeringen voor Azerbeidzjan per direct stopgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
In het MoU dat de EU en Azerbeidzjan op 18 juli jl. tekenden zijn geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan.
In algemene zin geldt dat het kabinet bij de verstrekking van EU-steun aan nabuurschapslanden veel waarde hecht aan het principe van conditionaliteit. Landen die commitment tonen en voortgang boeken met noodzakelijke hervormingen verdienen meer financiële steun dan landen waar hervormingen uitblijven of zelfs sprake is van regressie (more for more, less for less). Conditionaliteit is een factor in het feit dat Azerbeidzjan momenteel aanzienlijk minder financiële steun ontvangt uit het EU Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) dan bijvoorbeeld Armenië.
Het nieuws dat Europese Commissie voorzitter Von der Leyen op eigen houtje met Pfizer onderhandeld heeft over de aanschaf van 1,8 miljard coronavaccins. |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Europese Commissie-voorzitter Von der Leyen op eigen houtje met BioNTech-Pfizer onderhandeld heeft over de aanschaf van 1,8 miljard coronavaccins?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken niet door de beugel kan?
In mijn antwoord maak ik graag onderscheid tussen een inhoudelijk en een procedureel perspectief. Inhoudelijk was het zo dat de lidstaten, de Commissie nadrukkelijk hebben gevraagd meer inzet te plegen om de beschikbaarheid van Covid-vaccins te vergroten. Daar is deze overeenkomst met BionTech/Pfizer uit voortgekomen. Deze overeenkomst is vervolgens door de lidstaten (ook door Nederland) bekrachtigd.
Hiernaast is er ook een procedureel perspectief. Artikel 287, lid 3, van het VWEU schrijft voor dat instellingen van de Unie, de Rekenkamer (ERK) op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toezenden die nodig zijn voor de vervulling van haar taak. In het speciaal verslag van de ERK is een van de observaties dat zij geen informatie heeft ontvangen van de Europese Commissie over de voorbereidende onderhandelingen van het derde Pfizer-contract in de periode maart 2021. Het speciaal verslag is, tezamen met de reactie van de Europese Commissie, gepubliceerd. Qua opvolging van deze bevindingen is het Europees Parlement primair aan zet. Het EP heeft namelijk op grond van artikel 14 VEU een controlerende taak ten aanzien van de activiteiten van de Europese Commissie en zodoende kunnen EP-leden de Commissie daarover vragen stellen. Daarnaast heeft het Europees Parlement een speciale commissie opgericht (COVI), die onderzoek doet naar de pandemie-aanpak van de Unie.
Het is dus aan het Europees Parlement om een oordeel te vellen over het handelen van de Europese Commissie of om de (voorzitter van de) Europese Commissie ter verantwoording te roepen. Wel dringt het kabinet in algemene zin aan op transparantie en het afleggen van rekenschap vanuit de EU-instellingen, waaronder de Europese Commissie.
Hoe beoordeelt u dit gedrag en gaat u voorzitter Von der Leyen aanspreken op dit nieuws?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat de Europese Rekenkamer geen antwoord heeft gekregen op vragen voor opheldering rond deze gang van zaken? Kan dus worden verwacht dat u Von der Leyen om opheldering gaat vragen?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat Von der Leyen weigerde inzage te geven in haar tekstberichten die ze naar de topman van BioNTech-Pfizer verstuurde, en dat de Europese Ombudsman dit als wanbestuur betitelde? Bent u het eens met deze beoordeling van de Europese Ombudsman? Hoe beoordeelt u deze weigering om transparantie te verschaffen en openheid van zaken te geven?3
Ik ben bekend met het onderzoek van de Europese Ombudsman. Het kabinet steunt de belangrijke onafhankelijke rol die de Europese Ombudsman speelt en onderschrijft het belang van de verschillende onderzoeken die zij publiceert ten aanzien van de EU-instellingen. Het is van belang dat instellingen rekenschap afleggen. Ook voor dit specifieke onderzoek geldt dat het Europees Parlement een rol vervult. Het EP controleert de Europese Commissie en EP-leden kunnen de Commissie vragen stellen. In algemene zin dringt het kabinet binnen de EU aan op het belang van transparantie en het afleggen van rekenschap vanuit de EU-instellingen.
Bent u bereid om – eventueel in Europees verband – te pleiten voor een onderzoek naar de aanbesteding van deze vaccins? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft herhaaldelijk in Europees verband, onder andere tijdens de Raad Algemene Zaken van 22 en 23 juli 2021, het belang van grondig en onafhankelijk onderzoek onderstreept in lijn met de motie Leijten die het kabinet oproept tot een evaluatie van het inkoopproces, waaronder de rol van de Commissie hierin4. Het kabinet heeft het belang van een dergelijk onderzoek omarmd5. Het kabinet zal het belang van transparantie en het afleggen van rekenschap blijven onderstrepen in de posities die zij uitdraagt.
Deelt u de mening dat de rol van Von der Leyen goed onderzocht moet worden omdat er uiteindelijk in mei 2021 een megacontract met BioNTech-Pfizer is getekend waar tientallen miljarden euro’s mee gemoeid zijn?
Het kabinet is blijvend van mening dat transparantie en het afleggen van rekenschap van essentieel belang is, ook in dit geval.
Aanvallen op Armeens grondgebied en de deelname van de Nederlandse ambassadeur in Azerbeidzjan aan een door de Azerbeidzjaanse regering georganiseerd bezoek aan de stad Sushi in Nagorno Karabach |
|
Don Ceder (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten over Azerbeidzjaanse aanvallen op Armeens grondgebied afgelopen nacht?1
De geweldsuitbarstingen tussen beide landen zijn zeer zorgelijk. Ik verwelkom het staakt-het-vuren en het stoppen van het geweld. Er zijn aan beide kanten veel slachtoffers gevallen. Het is zaak dat beide landen terug naar de onderhandelingstafel gaan om tot een duurzaam vredesakkoord te komen, maar ook om praktische afspraken te maken over de uitruil van gevangen genomen soldaten.
Hecht u geloof aan de Azerbeidzjaanse bewering dat Armenië als eerste aanvallen zou hebben uitgevoerd? Zo ja, waarom acht u dit aannemelijk?
Beiden landen ontkennen de gevechten te zijn begonnen en beide partijen ontkennen het staakt-het-vuren als eerste te hebben geschonden. Er is sprake van veel desinformatie. Het kabinet heeft noch de capaciteit, noch de presentie ter plaatse, om vast te stellen wie de gevechten is begonnen, alsook wie het staakt-het-vuren als eerste schond. Wat we wel weten is dat er beschietingen over en weer zijn geweest waar zowel soldaten als, aan Armeense kant, ook burgers bij zijn omgekomen.
Veroordeelt u de aanvallen op Armenië en bent u bereid ook in Europees verband aan te dringen op een veroordeling van dit geweld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het geweld tussen beide partijen zeer zorgelijk en betreurt de gevallen slachtoffers. Het is zaak dat beide landen terugkeren naar de onderhandelingstafel. Namens de EU spelen de Voorzitter van de Europese Raad, de Hoge Vertegenwoordiger en de Speciaal Vertegenwoordiger voor de Zuidelijke Kaukasus een actieve bemiddelende rol tussen Armenië en Azerbeidzjan, en Nederland steunt hen daarin. In aanvulling daarop zijn de Nederlandse zorgen op hoog ambtelijk niveau overgebracht.
Deelt u de analyse dat Azerbeidzjan zich sterk waant nu Rusland verzwakt is door de oorlog in Oekraïne en de 2000 Russische militairen mogelijk niet tussenbeide wil of kan laten komen, en de Europese Unie bovendien recent overeenstemming heeft bereikt met Azerbeidzjan over levering van gas?
Gesteld kan worden dat de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne de positie van Rusland in de regio heeft verzwakt. Armenië is als lid van de Collectieve Veiligheidsverdragsorganisatie (CSTO) een militaire bondgenoot van Rusland. In de afgelopen maanden is de reactie van Rusland diffuus geweest. De CSTO heeft Armenië niet beschermd, ondanks de afspraken tussen CSTO-staten.
Het vertrouwen in de effectiviteit in de CSTO heeft hierdoor een deuk opgelopen. Welk effect dit zal hebben in de regio is niet te voorspellen, maar het kan de regionale veiligheid beïnvloeden. Rusland blijft voor Armenië een belangrijke speler, o.a. door afhankelijkheid van energieleveranciers, militaire en diplomatieke steun, als afzetmarkt en als bestemmingsland.
Met betrekking tot de leveranties van gas: de voorzitter van de Europese Commissie, Von der Leyen, was op 18 juli jl. in Azerbeidzjan. Tijdens dit bezoek werd een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend op het gebied van energiesamenwerking. Dit MoU behelst een intentie om de gastoevoer van Azerbeidzjan naar de Europese Unie te verdubbelen en samen te werken op het gebied van hernieuwbare energie en klimaat inclusief het verminderen van methaanemissies. Met het MoU zijn geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan. Volgens het energieministerie van Azerbeidzjan is in de eerste 8 maanden van dit jaar 7,3 miljard kubieke meter aardgas geleverd aan de EU (naar schatting 3% van de totale EU-gasconsumptie over deze periode). De EU blijft ook op andere terreinen met Azerbeidzjan in dialoog en brengt daarbij ook kritische boodschappen over. Zorgen met betrekking tot het conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië en over de mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan worden bijvoorbeeld, mede op instigatie van Nederland, consequent in de dialogen van de EU met Azerbeidzjan besproken, zo ook tijdens de EU Associatieraad met Azerbeidzjan op 19 juli jl. waar de Hoge Vertegenwoordiger de EU-delegatie leidde.
Op welke manier kunt u er toch voor zorgen dat de Europese Unie effectieve druk uitoefent op Azerbeidzjan om geen verdere aanvallen te plegen op Armeens grondgebied?
De EU is sinds enkele maanden actief betrokken bij de bemiddeling tussen de twee landen. De Voorzitter van de Europese Raad, Charles Michel, heeft vier keer een ontmoeting geleid tussen de twee leiders van de landen, President Aliyev van Azerbeidzjan en Premier Pashinyan van Armenië. De laatste ontmoeting vond plaats op 31 augustus jl. Er wordt langzaam voortgang geboekt in deze gesprekken. Zo is op 31 augustus onder meer afgesproken dat de twee Ministers van Buitenlandse Zaken in september bijeen zouden komen om een start te maken met vredesbesprekingen. Ook werd in de persverklaring Azerbeidzjan aangesproken op de Armeense gevangenen die nog in Azerbeidzjan zijn. Op 8 september jl. liet Azerbeidzjan vijf Armeense gevangenen vrij.
Mede gezien deze voortgang kwam de geweldsescalatie onverwacht. Op verzoek van Charles Michel is de Speciale Vertegenwoordiger van de EU voor de Zuidelijke Kaukasus, Toivo Klaar, meteen afgereisd naar de regio. Op 15 september bezocht hij Bakoe en de dag erna Jerevan. Zijn bezoek heeft bijgedragen aan het tot stand brengen van een staakt-het-vuren tussen de twee landen.
Klopt het dat de Nederlandse ambassadeur in Bakoe opnieuw deelgenomen heeft aan een door de Azerbeidzjaanse regering georganiseerde reis naar de stad Sushi in Nagorno Karabach, waar recent etnische zuivering heeft plaatsgevonden?
De Nederlandse ambassadeur in Bakoe heeft dit jaar deelgenomen aan een door de Azerbeidzjaanse regering georganiseerde reis naar de stad Shusha/Shushi. Deze stad ligt in de regio Nagorno-Karabach en hoort internationaalrechtelijk gezien tot het Azerbeidzjaanse grondgebied. Net als in het voorgaande jaar heeft de ambassadeur in goed gezelschap van gelijkgezinde landen en de EU deelgenomen. Het is gebruikelijk dat ambassadeurs in land van plaatsing zich breed laten informeren. Het bezoek is geenszins een goedkeuring van agressie, of erkenning dat het conflict volledig ten einde is. Nederland is zich bewust van het feit dat dit bezoek door de Azerbeidzjaanse autoriteiten is georganiseerd. Niettemin had het bezoek toegevoegde waarde omdat de situatie met eigen ogen kon worden bezien.
Wist u dat, evenals vorig jaar, de ambassadeurs van de landen die de co-chairs van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) Minsk-groep leveren, in dit geval van de Verenigde Staten (VS) en Frankrijk, deelname aan de reis geweigerd hebben, wegens het standpunt van de Azerbeidzjaanse regering dat de zaak van Nagorno Karabach dankzij inzet van Azerbeidzjaans geweld al is opgelost, terwijl beide landen juist gericht zijn op de snelst mogelijke start van het proces om tot een allesomvattende oplossing van de problemen te komen onder auspiciën van de OVSE Minsk-groep? Zo nee, kunt u zich door deze landen laten informeren over hun standpunt en dit betrekken bij het Nederlandse standpunt? Zo ja, waarom schaart Nederland zich niet achter de VS en Frankrijk?
Alle ambassadeurs die in Azerbeidzjan geaccrediteerd zijn, zijn door het Ministerie van Buitenlandse Zaken uitgenodigd om deel te nemen aan deze reis. Het staat alle landen vrij om hier al of niet op in te gaan. Enkele landen, waaronder VS en Frankrijk, hebben niet deelgenomen. Zij hebben geen uitleg gegeven waarom ze niet meegingen. Deze reis staat geheel los van de bemiddelingstrajecten.
Daarnaast blijkt uit contacten met de Minsk Group Co-Chairs VS en Frankrijk in Wenen dat zij momenteel geen rol (kunnen) spelen in het vredesproces. Azerbeidzjan heeft aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in dit bemiddelingsorgaan. Als gevolg van de oorlog in Oekraïne praten de Verenigde Staten en Frankrijk niet met hun mede-covoorzitter Rusland, en daarmee is het bemiddelingsproces moeizamer geworden.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, speelt de EU op dit moment een belangrijke rol bij de bemiddeling tussen Armenië en Azerbeidzjan. De EU delegatie nam ook deel aan deze reis.
Wat betekent voor Nederland het geven van prioriteit aan het onderhandelingsproces van de OVSE Minsk-groep2, als in het tweede jaar op rij de daarbij betrokken landen een signaal afgeven door niet deel te nemen aan een wat toch met reden een propagandareis genoemd kan worden, maar dit niet door Nederland wordt gesteund? Wordt niet ingezien dat Nederland daarmee juist het gewenste proces verzwakt?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het eens dat in dit geval een verklaring zoals die afgelopen jaar gegeven werd (zie voetnoot 2, antwoord 18), namelijk dat de beslissing van de betrokken Minsk-groep landen pas kort tevoren bekend werd, in dit, tweede, geval niet van toepassing kan zijn? Kunt u uw antwoord toelichten? Heeft Nederland in dit tweede geval zelf wel eerst geïnformeerd naar het standpunt van Minsk-groepco chairs hierover? Zo nee, waarom niet?
Net als in het voorgaande jaar heeft de ambassadeur in goed gezelschap van gelijkgezinde landen en de EU deelgenomen. Het feit dat enkele landen, waaronder de VS en Frankrijk, niet deelnamen was tevoren bekend.
Hoe kunt u beweren de Nederlandse ondersteuning van de Minsk-groep en deelname aan het bezoek los staan van elkaar – zoals Nederland eerder stelde – (voetnoot 2, bij antwoord 18), nu de landen die co-chairszijn van de Minsk-groep zelf andermaal zo nadrukkelijk afstand nemen van dit bezoek, en voor de tweede keer een duidelijk verband leggen tussen deelname daaraan en de afwijzing door Azerbeidzjan van onderhandelingen?
Ieder land maakt een eigenstandige afweging. Nederland heeft daarbij gekeken naar zowel de deelnemers aan de reis, waaronder de EU, als degene die niet deelnamen, zoals Frankrijk en de Verenigde Staten.
Hoe effectief kan het Nederlandse beleid zijn, als enerzijds verder aandringen op onderzoek naar de verantwoordelijkheid van Azerbeidzjan voor oorlogsmisdaden in de Nagorno Karabach oorlog van 2020 wordt afgewezen (wegens gebrek aan medewerking van Azerbeidzjan) met als reden volop ruimte te geven aan het onderhandelingsproces, dat categoraal wordt afgewezen door Azerbeidzjan, en anderzijds Nederland zelfs een kleine mogelijkheid om dit proces te steunen namelijk door zich aan te sluiten bij de co-chair landen, laat lopen, en ervoor kiest mee te gaan met een door het Azerbeidzjaanse regime georganiseerde reis? Wordt het volgens u, nu op beide fronten geen voortgang is, wellicht tijd om een andere keuze te maken, namelijk voor het in alle vergelijkbare gevallen doen van onderzoek in het kader van het vaststellen van de verantwoordelijkheid, waarbij het niet meewerken van een van de landen niet het doorslaggevende argument kan en mag zijn? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie Omtzigt/Van Helvert (21 501–02, nr. 2228) heeft Nederland in het verleden diverse malen gepleit voor het belang van accountability, en specifiek een internationaal onafhankelijk onderzoek. In de gesprekken met relevante gesprekspartners kwam naar voren dat zij dit niet steunen, waarbij werd benadrukt dat een dergelijk onderzoek en het uitvoeren daarvan zelfs contraproductief kan werken. Ik verwijs u ook graag naar de Kamerbrief d.d. 7 december 2020, de Kamerbrief d.d. 7 juli 2021 en de Kamerbrief d.d. 14 oktober 2021, waarin in meer detail wordt ingegaan op de uitvoering van deze motie.
Zoals eerder gesteld, steunt Nederland het EU-bemiddelingsproces, waarbij er op hoog niveau vanuit de Europese Unie, door de Voorzitter van de Europese Raad, de Hoge Vertegenwoordiger en de Speciaal Vertegenwoordiger voor de Zuidelijke Kaukasus met de leiders van Azerbeidzjan en Armenië wordt gepraat. De in Bakoe geaccrediteerde EU-delegatie nam ook deel aan de reis naar Shusa/Sushi. Frankrijk en de Verenigde Staten gaven geen reden voor het niet deelnemen aan de reis.
Welke politieke overwegingen spelen voor de Nederlandse regering een rol, om het regime ter wille te zijn en in tegenspraak met het eigen beleid te negeren dat in Azerbeidzjan nog steeds 100 Armeense krijgsgevangenen in vreselijke omstandigheden vastzitten, evenals Azerbeidzjaanse dissidenten en andere vele schendingen van het recht onverminderd doorgaan, zoals de vernietiging van Armeens cultureel erfgoed en verspreiding van haat tegen Armeniërs, waarover het Internationaal Gerechtshof in december 2021 duidelijke uitspraken heeft gedaan? Hebt u in dit kader kennisgenomen van de recente Committee on the Elimination of Racial Discrimination (CERD)-uitspraak?3
Zoals eerder gesteld, dient deelname aan de reis geenszins gezien te worden als ondersteuning van de positie van een van beide partijen. Daarnaast blijft Nederland Azerbeidzjan in bilateraal en EU-verband oproepen tot het vrijlaten van Armeense gevangenen en de uitvoering van rechtelijke uitspraken.
Kunt u aangeven in wiens belang het is als Nederland de propaganda van Azerbeidzjan ondersteunt door lijdzame deelname aan deze rondleidingen?
Deelname aan de reis dient geenszins gezien te worden als ondersteuning van de positie van een van de partijen. Het bezoek geeft een mogelijkheid om de situatie met eigen ogen te zien en een objectief oordeel te vestigen. Daarnaast geeft het een mogelijkheid om tijdens de reis gesprekken te voeren en boodschappen af te geven aan de Azerbeidzjaanse autoriteiten, hetgeen ook gebeurd is.
Het bericht ‘Groot deel van de musea in de rode cijfers’. |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het krantenbericht «Groot deel van de musea in de rode cijfers»?1
Ja.
Klopt het dat er in 2021 minder mensen naar een museum gingen (11,8 miljoen bezoekers) dan in 2020 (13,2 miljoen)?
Ja, dit klopt. Deze cijfers zijn afkomstig uit Museumcijfers 2021, een publicatie van de Museumvereniging en de Stichting Museana.
Hoe verklaart u de terugloop van het aantal bezoekers, los van de gedwongen sluiting in het kader van de coronamaatregelen?
Het grootste deel van de terugloop in bezoekersaantallen in 2021 is te verklaren door de sluiting van musea gedurende 24 weken in 2021 tegen 19 weken in 2020. Daarnaast is het beeld dat de bezoekersaantallen bij bepaalde groepen achterblijven. Dit lijkt te komen door onder andere het wegblijven van buitenlandse toeristen, verminderd bezoek door museumkaarthouders, concurrentie op de vrijetijdsmarkt en omdat kwetsbaar publiek nog voorzichtig is of het museumbezoek ontwend is. Dit geldt niet alleen voor musea, maar ook voor andere delen van de culturele sector.
De Museumvereniging geeft aan dat het aantal museumbezoeken in het eerste halfjaar van 2022 met 8,6 miljoen bezoekers is gestegen ten opzichte van een jaar eerder. Om bezoek verder te stimuleren heb ik middelen beschikbaar gesteld voor een publiekscampagne. De Museumvereniging heeft hiervoor € 125.000,- ontvangen. De campagne is deze week van start gegaan.
Klopt het dat vooral gemeentelijke musea geen reserves meer hebben?
Op dit moment heb ik geen cijfers over 2021 tot mijn beschikking om deze vraag te beantwoorden. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het monitoren en ondersteunen van door hen gefinancierde instellingen.
Eind 2022 verschijnt de CBS museumstatistiek van 2021 over alle Nederlandse musea. Daarin zijn ook gegevens opgenomen over reserves. Deze informatie zal worden meegenomen in de evaluatie van het corona steunpakket cultuur die in het voorjaar van 2023 zal worden afgerond.
Welke gevolgen heeft het ontbreken van reserves voor de mogelijkheden om te investeren, bijvoorbeeld in nieuwe tentoonstellingen?
Het ontbreken van reserves kan het doen van investeringen in tentoonstellingen en publieksactiviteiten belemmeren.
Met mijn hoofdlijnenbrief cultuur 2022: Herstel, vernieuw en groei heb ik in verschillende leeninstrumenten geïnvesteerd via Cultuur + Ondernemen. Deze zijn ook beschikbaar voor de museale sector. Voorts zijn er verschillende regelingen beschikbaar bij het Mondriaanfonds voor bijzondere presentaties en kunnen andere overheden en private financiers hier een rol spelen.
In hoeverre zijn wegvallende publieksinkomsten voor musea gecompenseerd met noodsteun?
Tijdens de coronapandemie hebben musea gebruik kunnen maken van de generieke steunmaatregelen van de overheid. Daarnaast is de cultuursector ondersteund met specifieke steunmaatregelen. Rijksgesubsidieerde instellingen, waaronder musea, zijn zo ten dele gecompenseerd voor wegvallende publieksinkomsten. Voor gemeentelijke instellingen heeft het kabinet in verschillende coronasteunpakketten middelen vrijgemaakt. Deze zijn uitgekeerd via het gemeentefonds. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verdelen van deze middelen onder musea die door hen gefinancierd worden.
Op welke wijze hebben gemeenten de middelen van het Rijk voor het in stand houden van de culturele infrastructuur besteed?
Dat is op dit moment niet duidelijk. Ik heb het CBS gevraagd om uit te zoeken waar gemeenten deze middelen aan besteed hebben. Deze informatie wordt eind dit jaar openbaar gemaakt en wordt meegenomen in evaluatie Coronasteun.
Bij de uitkering van de middelen aan het gemeentefonds hebben zowel mijn ambtsvoorganger als ik alle gemeenten op de hoogte gesteld. Hierbij werd benadrukt om welk bedrag het ging en werd opgeroepen deze middelen ook aan de ondersteuning van de lokale culturele infrastructuur te besteden.
Welke effecten verwacht u van de stijgende energiekosten voor musea?
De impact van de stijgende energiekosten op musea zal naar verwachting zeer verschillend zijn, gezien uiteenlopende situaties met betrekking tot huisvesting en energiecontracten. Zie daarvoor ook de beantwoording van vraag 9.
Bent u bereid in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te onderzoeken op welke wijze musea gericht ondersteund kunnen worden?
Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen op donderdag 22 september is een motie aangenomen van leden Paternotte, Kuiken en Klaver. De motie verzoekt het kabinet om bij de zoektocht naar oplossingen voor energie-intensieve MKB ook te kijken naar gerichte ondersteuning van scholen en culturele instellingen en te kijken of gemeenten daarbij een rol kunnen spelen. Op dit moment wordt de impact van de stijgende energiekosten op de OCW-sectoren in beeld gebracht. Daarbij wordt ook gekeken naar de culturele sector. Over de uitvoering van de motie Paternotte, c.s. zal de Kamer uiteraard worden geïnformeerd.2
Daarnaast heb ik de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) gevraagd om samen met de museale sector te onderzoeken hoe ze energie kunnen besparen.
Bovendien is vanaf 3 oktober de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) beschikbaar bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Maatschappelijk vastgoed, waaronder musea en overheidsgebouwen, die aan de voorwaarden van deze regeling voldoen kunnen een beroep doen op deze regeling voor verduurzaming van hun gebouwen.
Het bericht 'Opnieuw problemen bij Philips: sommige maskers gevaarlijk voor mensen met pacemakers' |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opnieuw problemen bij Philips: sommige maskers gevaarlijk voor mensen met pacemakers»?1
Ja.
Bent u bekend met de eerdere problemen met adem- en slaapapneuapparaten van Philips, waarbij het bedrijf vorige week 1.700 Bipap-beademingsapparaten heeft teruggeroepen, en vorig jaar een terugroepactie vanwege problemen bij slaapapneu-apparaten plaatsvond? Welke stappen zijn gezet sinds de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in mei jongstleden de druk heeft opgevoerd omtrent de terugroepactie van slaapapneu-apparaten?2
Ja, ik ben bekend met beide terugroepacties. De recente terugroepactie is van kleinere aard en omvang. Het betreft hier specifieke productieseries toestellen, in aantal 1.700 wereldwijd, waarvan er geen toestellen in Nederland zijn geleverd.
De IGJ heeft haar bevindingen en oordeel over de lopende terugroepactie met Philips doorgesproken. Hierbij heeft de IGJ verbetering gevraagd in met name de samenwerking, communicatie en transparantie over de terugroepacties richting onder andere patiënten, medisch behandelaars en distributeurs. Dit heeft recent geleid tot een plan van aanpak van Philips. De IGJ monitort op dit moment intensief de beoogde verbeteringen. Daarnaast heb ik in gesprek met Philips eerder dit jaar hen gewezen op het belang van vaart maken met de terugroepactie en het verbeteren van de communicatie en transparantie richting betrokken partijen.
Inmiddels heeft in augustus een stakeholderbijeenkomst plaatsgevonden met een vertegenwoordiging van patiënten, medische professionals en distributeurs. VWS en IGJ waren bij deze bijeenkomst aanwezig. Tijdens deze bijeenkomst is onder meer een update gegeven over de voortgang van lopende onderzoeken en de terugroepactie.
Kunt u aangeven of er Continuous Positive Airway Pressure (CPAP) or Bi-Level PAP-maskers uit het artikel van 7 september in Nederland geleverd zijn? Zo ja, kunt u aangeven of er in Nederland al meldingen zijn gedaan van problemen? Waarom wordt bij dit probleem gekozen voor eerst een waarschuwing en daarna het bericht dat patiënten de maskers niet meer mogen gebruiken? Wat is de reden dat er niet een terugroepactie is ingezet?
Ja, deze maskers worden ook door patiënten in Nederland gebruikt. Er zijn in Nederland geen meldingen van problemen bekend. De maskers kunnen alleen bij een kleine groep patiënten een mogelijk probleem vormen. Philips heeft daarom alleen deze groep patiënten de mogelijkheid geboden het masker te vervangen in plaats van een collectieve terugroepactie.
Welke inzet plegen verschillende landen waar op dit moment een terugroepactie plaatsvindt om deze actie zo spoedig mogelijk te laten verlopen? Heeft u een verklaring voor de vertraging van de terugroepactie in Nederland, waarbij nu 46.000 van de 110.000 kastjes zijn vervangen terwijl Philips streefde naar vervanging van alle kastjes binnen twaalf maanden? Welke mogelijkheden zijn er voor u als Minister om bij te dragen aan versnelling van deze vervangingsactie?
De inzet van de verschillende landen verschilt in de basis niet veel van elkaar. De betrokkenen EU-lidstaten werken namelijk intensief samen en beoordelen voortdurend of de fabrikant de juiste stappen zet, zodat de terugroepactie zo snel mogelijk wordt uitgevoerd. Daarbij wordt scherp gelet op de voortgang van het vervangings-/reparatieproces en wordt de fabrikant daar waar nodig aangezet tot verbeteringen.
Ik heb als Minister verder geen invloed op de bedrijfsvoering van Philips, en dus ook geen inzicht in de reden van vertraging in de terugroepactie. Zoals eerder aangegeven heb ik in gesprek met Philips wel mijn zorgen over de terugroepactie geuit en een oproep gedaan om meer snelheid hierin aan te brengen.
Deelt u de mening dat de opeenstapeling van veiligheidsproblemen bij Philips niet goed is voor het vertrouwen van patiënten in de medische technologie in het algemeen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om vertrouwen in de medische technologie te vergroten en welke bent u bereid in te zetten?
Het is begrijpelijk dat berichten als deze gevolgen hebben voor patiënten die vertrouwen op technologie voor hun gezondheid en kwaliteit van leven. Juist om die reden hebben fabrikanten in dit domein een grote verantwoordelijkheid om voortvarend en transparant te werk te gaan bij eventuele veiligheidsproblemen.
Dit laat onverlet dat de markt van medische technologie bestaat uit ongeveer 500.000 verschillende producten. Dit betreft producten die worden gebruikt bij de diagnose, behandeling en ondersteuning van ziekten en gebreken. Bij veel behandelingen wordt wel een vorm van medische technologie gebruikt. Volgens mij toont dit aan dat er veel vertrouwen is in de inzet van medische technologie in de zorg en ik verwacht dat het belang van deze inzet in de toekomst alleen maar zal toenemen.
Juist vanwege deze omvangrijke inzet van technologie is het helaas ook onvermijdelijk dat zich (mogelijke) veiligheidsproblemen voordoen. Uiteindelijk is namelijk geen enkel product of behandeling honderd procent veilig. Dit kan komen door het product zelf, maar nog vaker komt dit door de toepassing ervan. Onlangs is dit ook uit de Monitor Zorggerelateerde Schade 2019 van het Nivel gebleken3.
Desondanks moeten we met elkaar proberen de risico’s op problemen zo klein mogelijk te houden voor patiënt en zorgverlener. Hiervoor is er onder andere sinds 2016 het convenant «Veilige Toepassing van medische technologie in de medisch specialistische zorg» als belangrijke veldnorm. De IGJ gebruikt dit convenant actief in haar toezicht, samen met de leidraden hierover van de Federatie Medisch Specialisten. Er wordt momenteel gewerkt aan een nieuwe veldnorm.
Daarnaast is sinds 26 mei 2021 de Medical Device Regulation (MDR) van toepassing voor medische hulpmiddelen. Sinds 26 mei 2022 is de In vitro Diagnostic Medical Device Regulation (IVDR) voor diagnostische testen van toepassing. Beide Europese verordeningen hebben als doel om de veiligheid van het product te vergroten en daarmee de patiëntveiligheid. Er worden onder andere strengere eisen gesteld aan de markttoelating en de klinische bewijsvoering. Daarnaast worden problemen met medische hulpmiddelen via een (deels) openbare Europese database sneller inzichtelijk gemaakt (EUDAMED). Ik verwacht dat al deze maatregelen de veiligheid en toepassing van medische technologie verder verbeteren.