Kleinschalige zorg voor ouderen |
|
Fonda Sahla (D66) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over nieuwe ketens van kleinschalige zorg voor ouderen? Zo ja, in hoeverre klopt het beeld dat in de berichtgeving naar voren komt?1
Ja. Bij de verdere vragen zal ik ingaan op het beeld dat uit de berichtgeving naar voren komt.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gezond ouder worden in de eigen omgeving of in een kleinschalige setting zo goed mogelijk gefaciliteerd wordt en de problemen die worden beschreven in het NRC-artikel worden weggenomen?
Ik deel het beeld dat de voorwaarden om langer thuis of in een kleinschalige setting te kunnen blijven wonen niet altijd goed zijn en de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Nederlandse Zorg autoriteit (NZa) bevestigen dit in hun beleidssignalering medisch generalistische zorg (mgz) van 20 september 20222.
De zorgbehoefte en de zorgzwaarte van deze patiënten stellen additionele eisen aan de expertise. Ook de intensiviteit van de benodigde zorg speelt een rol. De huidige arbeidsmarktproblematiek brengt met zich mee dat de beschikbaarheid van zowel huisartsen als artsen verstandelijk gehandicapten (Artsen VG’s) of specialisten ouderengeneeskunde (SO’s) steeds meer onder druk staat. In mijn antwoord op vraag 5 ga ik verder in op de inspanningen om de organiseerbaarheid en toegankelijkheid van mgz te verbeteren via afspraken.
Deelt u het beeld dat de voorwaarden om langer thuis of in een kleinschalige setting te kunnen blijven wonen niet altijd goed zijn, waardoor er teveel druk bij de huisarts komt te liggen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het beeld dat een betere inzet van de specialist ouderengeneeskunde buiten het verpleeghuis kan helpen om deze druk te verlichten?
Ja, aandacht voor de inzet van de SO ten behoeve van (kwetsbare) ouderen is van groot belang. Uit de beleidssignalering MGZ van NZa en IGJ blijkt dat afspraken tussen huisartsen, artsen VG’s en SO’s over taakverdeling voor Wlz-cliënten nodig zijn. In mijn brief aan uw Kamer van 1 november 2022 ben ik hier ook op ingegaan.3
Welke complicaties in beleid of bekostiging zijn er nu om deze specialist ouderengeneeskunde goed te kunnen inzetten buiten het verpleeghuis?
Er zijn zowel in de Zvw als in de Wlz mogelijkheden voor de bekostiging van specialisten ouderengeneeskunde buiten het verpleeghuis. De NZa heeft deze mogelijkheden beschreven in haar onderzoeksrapport4 naar de toegankelijkheid, beschikbaarheid en organiseerbaarheid van de medisch-generalistische zorg uit 2020.
Daarnaast constateerde de NZa een gebrek aan afstemming, coördinatie en samenwerking tussen alle betrokkenen rondom MGZ. De NZa gaf aan een duidelijke opdracht te zien voor artsen om ervoor te zorgen dat de zorg op elkaar aansluit en dat ieders verantwoordelijkheid helder is. De NZa benoemde tenslotte dat er gezamenlijke afspraken van betrokken partijen nodig zijn om de juiste randvoorwaarden te organiseren. Die opdracht en het maken van gezamenlijke afspraken zijn nog steeds actueel. In de voornoemde beleidssignalering MGZ van NZa (met IGJ) wordt (opnieuw) benadrukt dat afspraken tussen huisartsen, artsen VG’s en SO’s over de taakverdeling nodig zijn.
Zoals ik in de Kamerbrief van 1 november jl. aangaf, ben ik verheugd dat in lijn met de afspraken in WoZo en IZA, de veldpartijen ActiZ, Ineen, LHV, NVAVG, Verenso en VGN, onder aanvoering van Zorgverzekeraars Nederland, het commitment hebben uitgesproken de organiseerbaarheid en toegankelijkheid van mgz te verbeteren via nadere afspraken. Deze afspraken moeten zodanig concreet en voldoende geborgd zijn, dat ze een niet vrijblijvend karakter hebben. Daarbij wordt gedacht aan het mogelijk inzetten van instrumenten als leidraden, richtlijnen en kwaliteitseisen. De genoemde partijen stellen hiertoe een projectplan en een nadere planning op. De nadruk ligt in het gezamenlijke project op de benodigde landelijke kaders voor, en borging (realisatie) van, de toegankelijkheid van mgz in de regio. Een belangrijk onderdeel van het gezamenlijke project betreft het vanuit de zorginhoud opstellen van de taakverdeling voor het leveren van mgz tussen huisarts, specialist ouderengeneeskunde en arts VG, aangevuld met andere behandelaren en zorgmedewerkers, waarbij de mgz wordt geleverd door de zorgverlener die daarvoor op zorginhoudelijke gronden het beste geëquipeerd is. Uw Kamer wordt begin 2023 geïnformeerd over de voortgang.
In hoeverre is bijvoorbeeld het Volledig Pakket Thuis (VPT) toereikend om gebruik te maken van de professionele hulp van een specialist ouderengeneeskunde wanneer dat nodig is?
Er zijn mogelijkheden om gebruik te maken van een specialist ouderengeneeskunde bij het volledig pakket thuis. De NZa heeft deze mogelijkheden beschreven in de eerdergenoemde onderzoeksrapportage uit 2020 (hoofdstuk 3). Ik heb onlangs de NZa een opdracht gegeven om voor de zomer van 2023 een bekostigingsadvies uit te brengen over de financiering van behandeling voor Wlz-cliënten die zorg ontvangen via de leveringsvorm volledig pakket thuis. Dat advies moet bijdragen aan adequate prikkels voor een transparante en doelmatige zorginkoop van behandeling (waaronder de zorg van een specialist ouderengeneeskunde) door zorgkantoren bij het vpt in de Wlz.
Herkent u het beeld van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) dat het onderscheid tussen «thuis» en «in een verpleeghuis wonen» niet goed te maken is of goed gemaakt wordt?2
Ik herken het beeld dat het onderscheid tussen «thuis» en «in een verpleeghuis wonen» niet altijd goed te maken is. Daarbij geldt dat de uitersten vaak wel duidelijk zijn, maar daar waar mensen bijvoorbeeld geclusterd wonen en zorg afnemen via VPT, MPT of pgb is dat vaak minder duidelijk. Ik heb de NZa gevraagd om in vervolg op hun verkenning naar het VPT6 advies uit te brengen hoe vanuit de bekostiging kan worden bijgedragen aan het bereiken van de uitgangspunten van het programma WOZO. Daarbij heb ik de NZa ook gevraagd om na te denken over de voor- en nadelen om (in de bekostiging) eventueel een onderscheid te maken tussen geclusterd VPT (waarbij meer mensen bij elkaar wonen) en ongeclusterd VPT (verspreid in de wijk).
Hoe kan het onderscheid tussen «thuis» en «in een verpleeghuis wonen» beter gemaakt worden en hoe wordt er voor gezorgd dat juist in het grijze gebied uit het artikel mensen niet tussen wal en schip vallen?
Voorop staat dat de kwetsbare oudere in elke variant van het palet van woonvormen van de toekomst de zorg krijgt, die passend is en dat elke woonvorm voelt als thuis.
Uit de beleidssignalering blijkt dat op dit moment niet duidelijk is wie verantwoordelijk en aanspreekbaar is op de basiszorg voor Wlz patiënten zonder behandeling. Daarmee houdt verband dat de taken van Huisarts / Specialist Ouderengeneeskunde / Arts Verstandelijk gehandicapten onvoldoende zijn bepaald.
Zoals ik bij vraag 5 al aangaf zullen veldpartijen in lijn met de afspraken in WoZo en IZA toegankelijkheid en organiseerbaarheid van mgz verbeteren. Vanuit zorginhoud zal een taakverdeling tussen huisarts, specialist ouderengeneeskunde en arts VG worden opgesteld.
Om het zorgaanbod binnen kleinschalige wooninitiatieven beter te laten aansluiten op de zorgvraag van cliënten is het niet nodig om extra bevoegdheden toe te kennen aan de IGJ en NZa. Wel is het belangrijk dat duidelijker wordt omschreven wie verantwoordelijk is voor de mgz aan deze groep cliënten.
Hiertoe roepen de IGJ en NZa ook op in hun gezamenlijke beleidssignalering «Toegankelijkheid van medisch generalistische zorg in de Wlz». In hun beleidssignalering vragen de IGJ en NZa aandacht voor de toegankelijkheid van de basiszorg aan Wlz-cliënten in kleinschalige wooninitiatieven.
In hoeverre speelt volgens u het beter laten aansluiten van zorgvraag en zorgaanbod voor bewoners van kleinschalige wooninitiatieven zonder behandeling daarin een rol?
Zie antwoord vraag 8.
Wat wordt er gedaan om dit beter op elkaar te laten aansluiten? Welke bevoegdheden hebben de NZa en de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) (extra) nodig om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 8.
Wanneer ontvangt de Kamer de uitwerking van de verkenning die u met de NZa uitvoert naar het VPT?
Ik heb uw Kamer op 7 juli 2022 de verkenning van de NZa naar het VPT7 aangeboden. In antwoord op vraag 7 heb ik aangegeven dat ik de NZa om aanvullend advies heb gevraagd. Het advies van de NZa is primair gericht op de bekostiging. Ik verwacht uw Kamer voor het begin van de zomer 2023 te kunnen informeren.
Wordt in die verkenning door u ook gekeken naar eventuele wetswijzigingen om via de zorginkoop beter te sturen op extramurale leveringsvormen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe kan de IGJ beter ingezet worden om toezicht te houden op de woonvormen zoals beschreven in het artikel, bijvoorbeeld bij het nemen van vrijheidbeperkende maatregelen, maar ook om de kwaliteit van zorg te borgen?
De IGJ ziet nu al toe op kleinschalige woonvormen zoals beschreven in het artikel. Daarbij toetst de inspectie of de zorg aansluit op de behoefte van cliënten, de ingezette zorgverleners voldoende deskundig zijn en of het bestuur stuurt op de kwaliteit en veiligheid van de geleverde zorg. Als hier aanleiding toe is betrekt de inspectie in haar toezicht ook de wijze waarop een aanbieder omgaat met gedwongen zorg. Voor de inspectie is het uitgangspunt dat de geleverde zorg aansluit op het zorgprofiel van de bewoners. De wijze waarop de zorg bekostigd wordt is daarbij niet relevant. De inspectie heeft aangegeven de ontwikkelingen op het gebied van kleinschalige zorg / woonvormen voor ouderen te blijven volgen. In dit kader constateert de inspectie een knelpunt als gaat om de basiszorg voor cliënten in kleinschalige woonvormen zonder behandeling. Zie ook mijn antwoord op vraag 10.
Wanneer wordt het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) ouderenzorg naar de Kamer gestuurd, waarin wordt ingegaan op een toekomstbestendige ouderenzorg?
Mijn verwachting is dat het rapport dit jaar wordt afgerond en dat het begin 2023 met een kabinetsreactie naar uw Kamer kan worden gestuurd.
Het uitgesteld betalen bij het online afrekenen van alcoholische dranken |
|
Anne Kuik (CDA), Mirjam Bikker (CU), Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van experts als het gaat om webshops die «uitgesteld betalen» aanbieden bij de online verkoop van alcohol?1
Ja, ik heb kennisgenomen van deze zorgen.
Deelt u de mening dat verkopers van verslavende producten zoals alcohol een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben om te helpen voorkomen dat mensen deze producten overmatig gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening. Alcohol is geen «normaal product» en de verkoop ervan brengt een verantwoordelijkheid met zich mee om overmatig en problematisch alcoholgebruik te voorkomen.
Deelt u de zorg dat de mogelijkheid van uitgesteld betalen overmatig alcoholgebruik aanmoedigt, onder andere doordat het uitstellen van de betaling aanmoedigt dat consumenten meer alcohol bestellen dan zij hadden bedacht? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen dat deze betaalmethode (kwetsbare) doelgroepen kan aanmoedigen om meer alcohol te bestellen en zo de kans op alcoholgebruik en alcohol gerelateerde schade kan vergroten. Dit geldt in het bijzonder voor Buy Now, Pay Later (BNPL) betaaldiensten, omdat deze bijzonder laagdrempelig in gebruik zijn.
Hoe kan het dat de Alcoholwet op het gebied van prijsacties en hoge kortingen allerlei beperkingen oplegt aan de verkoop van alcoholische dranken, maar dat online krediet daar tussendoor glipt?
Het is niet zo dat de Alcoholwet niet van toepassing is wanneer een consument kiest om achteraf te betalen. Ook dan geldt o.a. het verbod op bepaalde prijsacties en hoge kortingen. Consumenten kunnen hun online aankopen steeds vaker afrekenen via een BNPL-betaaldienst. Dit is een relatief nieuw, snelgroeiend fenomeen waarvan de risico’s steeds duidelijker zichtbaar worden.2 Recent zien we dat online slijterijen steeds vaker de consument de keuze geven om te betalen via een BNPL-betaaldienst. Bij het opstellen van de Alcoholwet is dit onderwerp niet als aandachtspunt naar voren gekomen.
Welke alternatieven hebben webshops volgens u om klanten de mogelijkheid te bieden om minimaal 50 procent van de rekening na ontvangst van het product te laten voldoen, als er geen gebruik zou kunnen worden gemaakt van zogenaamde «buy now pay later»-apps?
Consumenten hebben geen recht om minimaal 50 procent van de rekening na ontvangst van het product te betalen. Er bestaat dus niet zoiets als een recht op achteraf betalen. Wel is het zo dat bij een (online) aankoop de verkoper de consument tot vooruitbetaling van maximaal 50 procent van de koopprijs kan verplichten.3 De betaling moet in beginsel geschieden ten tijde en ter plaatse van de aflevering. Enkele (web)winkels met eigen vervoer van de gekochte artikelen bieden consumenten de mogelijkheid om te betalen op het moment van de bezorging aan huis. Achteraf betalen is een andere manier om invulling te geven aan het recht van consumenten om niet het hele bedrag vooruit te hoeven betalen, waar in de praktijk veel webshops voor kiezen. Alternatieven voor achteraf betalen via een BNPL-betaaldienst zijn: het bedrag zelf overmaken, betalen met een creditcard, betaling via een stichting derdengelden, de digitale eenmalige incassomachtiging en de digitale acceptgiro.
Bent u bereid om met online slijterijen in gesprek te gaan met als doel uitgesteld betalen bij de online verkoop van alcoholische dranken te stoppen? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer hierover informeren?
Van een aantal slijterijen heb ik al signalen gekregen dat ze gaan kijken naar andere mogelijkheden om binnen het wettelijke kader geen gebruik meer te maken van de BNPL-betaaldiensten. Ik ben bereid dit ook bij andere partijen onder de aandacht te brengen.
Bent u bereid met regelgeving te komen met als doel uitgesteld betalen bij de online verkoop van alcoholische dranken te verbieden? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer hierover informeren?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 schrijf, heb ik reeds signalen ontvangen dat een aantal slijterijen al overwegen te stoppen met BNPL-betaaldiensten. Als slijterijen niet stoppen, dan ben ik bereid om wettelijke maatregelen te onderzoeken en hierover in gesprek te gaan met mijn collega’s binnen het kabinet.
Kunt u zich inspannen deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat over leefstijlpreventie op 8 december a.s.?
Ja.
Het bericht ‘RIVM: coronaprik voorkwam minimaal 88.000 ziekenhuisopnames’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RIVM: coronaprik voorkwam minimaal 88.000 ziekenhuisopnames» van de NOS1?
Ja.
Kunt u gedetailleerd uitleggen hoe het RIVM tot het aantal van 88.000 voorkomen ziekenhuisopnames is gekomen? Op welke berekeningen is dit aantal gebaseerd en wat waren hiervoor de parameters?
De berichtgeving die in vraag 1 aangehaald wordt verwijst naar een nieuwsbericht op de website van het RIVM.2 Hierin wordt uiteengezet welke gegevens er gebruikt zijn en hoe deze zijn geanalyseerd. Daarbij wordt aangegeven dat meer resultaten, informatie en een gedetailleerde omschrijving van de analyses later dit jaar gepubliceerd zullen worden.
Kunt u uitleggen hoe het RIVM heeft bepaald dat specifiek de coronavaccinatie voorkomen heeft dat mensen in het ziekenhuis terechtkwamen? Waarop is deze conclusie gebaseerd? Kunt u uiteenzetten waarom het RIVM van mening is dat deze mensen zonder coronavaccinatie wel in het ziekenhuis hadden moeten worden opgenomen? Welke (medische) variabelen en factoren zijn hierbij meegenomen? Kunt u de risicoanalyse delen?
Het RIVM geeft in het artikel – waarnaar ik in mijn antwoord op vraag 1 heb verwezen – aan dat voor de berekeningen en conclusies gegevens gecombineerd en geanalyseerd zijn over het werkelijke aantal ziekenhuisopnames van stichting NICE, de geschatte vaccineffectiviteit per dag, en de vaccinatiegraad voor de basisserie, booster en eerste herhaalprik. Zo heeft het RIVM het aantal voorkomen ziekenhuisopnames geschat voor de leeftijdsgroepen 12–49, 50–59, 60–69, 70–79 en 80+.
De vraagstelling suggereert ten onrechte dat het gegeven dat coronavaccinatie ernstige ziekte en daarmee ziekenhuisopnames voorkomt een «mening» van het RIVM zou zijn. Deze suggestie is onjuist. Er is brede wetenschappelijke consensus, ook internationaal, over de effectiviteit en het belang van vaccinatie tegen COVID-19. De effectiviteit van de COVID-19-vaccins tegen ziekenhuisopname wordt wereldwijd gemonitord en onderzocht, waaronder door het RIVM3.
Waarop baseert het RIVM de bewering dat hierdoor de druk op de zorg verminderd is, aangezien bijvoorbeeld vele zorgmedewerkers naar aanleiding van de coronavaccinatie en de daarbij optredende (tijdelijke) bijwerkingen, zoals koorts en grieperigheid, uitvielen en er bovendien waarschijnlijk ook mensen door (tijdelijke) bijwerkingen juist in het ziekenhuis terechtkwamen?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Het is evident dat het voorkomen van een groot aantal ziekenhuisopnames door vaccinatie leidt tot het voorkomen van (nog hogere) druk op de zorg. De mogelijke uitval van zorgmedewerkers als gevolg van de veelal lichte bijwerkingen van de coronavaccinatie en het aantal mensen dat door bijwerkingen het ziekenhuis bezoekt wegen niet op tegen het aantal ziekenhuisopnames als gevolg van SARS-CoV-2 besmettingen.
Hoe verhoudt het aantal ziekenhuisopnames dat volgens het RIVM voorkomen is door coronavaccinatie zich tot het aantal ziekenhuisopnames dat juist (mede) door coronavaccinatie en de daarbij behorende (tijdelijke) bijwerkingen is veroorzaakt? Heeft het RIVM inzichtelijk hoe veel opnames er (vermoedelijk en onder andere) zijn veroorzaakt door reacties op/door vaccinatie en waren deze mensen zonder vaccinatie vermoedelijk ook in het ziekenhuis terechtgekomen? Zo nee, waarop wordt die analyse gebaseerd?
Tussen de start van de COVID-19 vaccinatiecampagne tot en met 7 december 2022 zijn er 2681 meldingen bij Lareb binnengekomen waarbij er sprake was van een behandeling in het ziekenhuis of een opname na vaccinatie. Het Lareb meldt hierbij dat klachten of aandoeningen ook na de vaccinatie ontstaan kunnen zijn door een andere oorzaak. Het is dus niet bekend of deze mensen zonder vaccinatie geen behandeling in het ziekenhuis nodig hadden gehad. Zo is onbekend of deze mensen al een kwetsbare gezondheid hadden.
Hoe verhoudt het aantal ziekenhuisopnames dat volgens het RIVM voorkomen is door coronavaccinatie zich tot het aantal mensen dat naar aanleiding van (onder andere) een coronavaccinatie (mogelijk) is overleden als gevolg van (onder andere) een bijwerking van de vaccinatie? Heeft het RIVM inzichtelijk hoe veel sterfgevallen mogelijk voorkomen hadden kunnen worden zonder coronavaccinatie en hoe veel patiënten voorafgaand daar aan mogelijk een ziekenhuisopname bespaard had kunnen blijven? Waarop is deze analyse gebaseerd?
Tot nu toe zijn er bij Lareb 731 meldingen gedaan van overlijden korte tijd na een COVID-19 vaccinatie. Overlijden na vaccinatie betekent niet dat een bijwerking van het vaccin de oorzaak is van het overlijden. In de meeste gevallen is een al bestaand gezondheidsprobleem de meest voor de hand liggende verklaring voor het overlijden.
Heeft het RIVM inzichtelijk hoe veel gevaccineerde mensen door (mogelijke) (tijdelijke) afname van hun afweer veroorzaakt door vaccinatie toch met/door Covid-19 in het ziekenhuis terechtkwam en kunt u analyseren hoe veel van deze mensen zonder vaccinatie geen ernstige Covid-19-infectie zou hebben opgelopen en hoe veel ziekenhuisopnames dat mogelijk bespaard zou hebben? Hoe verhoudt zich dat aantal tot het aantal ziekenhuisopnames dat volgens het RIVM door coronavaccinatie voorkomen is?
De suggestie dat na vaccinatie een verhoogde kwetsbaarheid optreedt, is onjuist. Dit heb ik reeds aangegeven in mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Van Haga van onder andere 12 september jl.4 en 16 november jl.5
Hoe verhoudt het aantal ziekenhuisopnames dat volgens het RIVM voorkomen is door coronavaccinatie zich tot het aantal ziekenhuisopnames dat veroorzaakt is door de coronamaatregelen en de vaccinatiedrang, bijvoorbeeld door uitgesteld huisartsenbezoek en psychologische gevolgen zoals depressies en suïcide?
Er zijn geen cijfers bekend over ziekenhuisopnamen door coronamaatregelen of de door de indiener gesuggereerde vaccinatiedrang.
Hoe reflecteert u op de aanhoudende oversterfte, met name onder ouderen en Wlz-gebruikers, in verhouding tot de volgens het RIVM voorkomen ziekenhuisopnames? Is het mogelijk dat deze mensen weliswaar niet in het ziekenhuis werden opgenomen, maar in plaats daarvan – door uiteenlopende factoren – wel kwamen te overlijden, wat een vertekend beeld zou kunnen geven van de daadwerkelijk voorkomen ziekenhuisopnames door vaccinatie?
Zoals eerder aangegeven in antwoorden op vragen die gesteld zijn door het lid Van Haga6, is er brede wetenschappelijke consensus over de effectiviteit van de vaccins in het voorkomen van ernstige ziekte en sterfte door COVID-19 en de geringe kans op ernstige bijwerkingen na vaccinatie. Dit is door het RIVM, samen met het CBS, onderzocht binnen het op dit moment nog lopende oversterfte-onderzoek. Traject 3 van het huidige oversterfte-onderzoek is, zoals eerder vermeld aan uw Kamer, in september jl. van start gegaan. Een speciaal hiervoor ingestelde begeleidingscommissie bij ZonMw heeft hiervoor een onderzoeksagenda opgesteld waarin verscheidene thema’s opgenomen zijn. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Aangezien coronavaccinatie geen transmissie voorkomt en de vaccin effectiviteit bovendien veel korter en minder toereikend is dan in eerste instantie werd aangenomen, waar is dan de bewering van het RIVM op gestoeld dat door voorkoming van transmissie door vaccinatie veel minder mensen ziek zijn geworden en in het ziekenhuis zijn beland? Kunt u deze analyse nader verklaren?
Het RIVM heeft in het verleden twee onderzoeken gepubliceerd over het effect van vaccineren op transmissie van het virus en besmetting. Deze laten zien dat er wel degelijk een reductie van transmissie en besmetting is. Het eerste onderzoek naar de invloed van vaccinatie op de alfavariant van 5 augustus 2021 jl.7 laat zien dat huisgenoten van mensen die volledig gevaccineerd zijn 71% minder vaak besmet raken dan huisgenoten van ongevaccineerde personen. Naast de reductie van transmissie laat het onderzoek ook een reductie van infectie zien: volledig gevaccineerde huisgenoten van besmette personen raakten 75% minder vaak besmet dan ongevaccineerde huisgenoten. Een soortgelijk onderzoek van het RIVM naar de deltavariant8 liet zien dat vaccinatie ook bij de deltavariant aanzienlijk werkte tegen transmissie. Uit het onderzoek bleek dat gevaccineerde mensen het virus 63% minder vaak overdragen naar ongevaccineerden dan mensen die ook positief getest maar niet gevaccineerd waren. Daarnaast heb ik eerder aangegeven in antwoorden op vragen van het lid Van Haga9 dat – ondanks een afname van bescherming over tijd – vaccinaties een goede bescherming bieden tegen ernstige ziekte.
Kunt u analyseren hoe veel ziekenhuisopnames als gevolg van neveneffecten van de overkoepelende coronamaatregelen voorkomen hadden kunnen worden, ten opzichte van de ziekenhuisopnames die volgens het RIVM zijn voorkomen door coronavaccinatie?
Nee, het RIVM beschikt niet over informatie over alle redenen voor ziekenhuisopnames anders dan door een SARS-CoV-2 infectie.
Kan het RIVM inzichtelijk maken hoe veel immuungecompromitteerde mensen na coronavaccinatie in het ziekenhuis terecht zijn gekomen? Hoe aannemelijk is het dat zij zonder vaccinatie in de onderzochte periode geen ziekenhuisopname nodig hadden gehad?
Zie mijn antwoord op vraag 7.
Kan het RIVM een schatting maken van de hoeveelheid gevaccineerde personen die geweigerd hebben hun vaccinatiestatus te laten registeren en na vaccinatie alsnog met/door Covid-19 in het ziekenhuis zijn beland?
Veel mensen laten hun vaccinatie registreren bij het RIVM. Voor personen die gevaccineerd zijn door de GGD weten we dat het percentage dat geen toestemming geeft om de vaccinatie te delen met het RIVM tussen de 1%-7% ligt. Dit percentage verschilt per vaccinatieronde; zo heeft slechts 1% van de mensen die een vaccinatie gehaald heeft in de najaarsronde aangegeven dit niet te willen delen met het RIVM. De kans dat een persoon die geen toestemming heeft gegeven ook nog door COVID-19 in het ziekenhuis belandt is daarmee relatief klein. Voor de overige uitvoerders, die een veel kleiner percentage van de bevolking hebben gevaccineerd, zijn deze percentages niet bekend.
Kunt uitleggen waarop de bewering dat coronavaccinatie sterk heeft bijgedragen aan het voorkomen van ziekenhuisopnames en sterfte door Covid-19 als er grote onduidelijkheid bestaat over de vraag wanneer personen zijn geclassificeerd als «volledig gevaccineerd»? Geldt iemand die vlak na coronavaccinatie alsnog met Covid-19 in het ziekenhuis terechtkomt in dit geval wel of niet als gevaccineerd en welke criteria hanteert het RIVM in dit geval?
Er bestaat geen onduidelijkheid over de classificatie. In de maandelijkse, publiekelijk toegankelijke updates en rapportages van het RIVM over COVID-19 ziekenhuis- en IC-opnames naar vaccinatiestatus wordt aangegeven welke aannames gedaan worden met betrekking tot vaccinatiestatus op het moment van geschatte eerste ziektedag. Er wordt in het recente onderzoek naar de voorkomen ziekenhuisopnames aangenomen dat twee weken na de basisserie en één week na de herhaalprik sprake is van een volledige immuunrespons. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat ziekenhuisopname gemiddeld één week na de eerste ziektedag plaatsvindt.
Het verbieden van deepfake pornografie |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ik schaamde me omdat het zo realistisch leek; Nochtli slachtoffer deepfake porno»?1
Ja, daarmee zijn wij bekend.
Deelt u de mening dat het misbruiken van iemands identiteit voor deepfake pornografie verwerpelijk is en grote gevolgen heeft voor de slachtoffers?
Die mening delen wij.
Welke maatregelen worden er op dit moment genomen om het misbruiken van iemands identiteit voor deepfake pornografie tegen te gaan?
Het kabinet heeft het WODC onderzoek laten uitvoeren naar de vraag of regulering van deepfakes voldoende is. Dit onderzoek heeft het kabinet 13 januari 2022 aan uw Kamer verzonden. Het kabinet komt nog voor het kerstreces met een beleidsreactie, waarin wordt ingegaan op de opvolging die aan het onderzoek zal worden gegeven.
In hoeverre is het misbruiken van iemands identiteit voor het maken en delen van deepfake pornografie op dit moment strafbaar?
De strafbaarstelling van artikel 139h Sr omvat onder meer het, zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van seksueel beeldmateriaal. Op grond van dit artikel is vorig jaar door de rechtbank Den Haag een veroordeling uitgesproken voor het maken van een seksuele deepfake (4 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1885). Ook het openbaar maken en het voorhanden hebben van dergelijke deepfakes kunnen vallen onder het bereik van artikel 139h Sr. In de kabinetsreactie op het rapport van het WODC over de regulering van deepfakes zal nader worden ingegaan op de strafbaarheid en strafrechtelijke aanpak van deepfake seksueel beeldmateriaal. Zoals gemeld in antwoord op vraag 3 krijgt u de beleidsreactie nog voor het kerstreces.
Valt het misbruiken van iemands identiteit voor het maken en delen van deepfake pornografie volgens u onder het bereik van artikel 139h Sr, waarmee misbruik van seksueel beeldmateriaal strafbaar wordt gesteld? Zo ja, bent u bereid dat duidelijker in de wet te expliciteren, bijvoorbeeld bij de behandeling van het Wetsvoorstel seksuele misdrijven? Zo nee, welke mogelijkheden zijn er om dit via andere wegen strafbaar te stellen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van de suggestie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) om «het produceren, aanbieden, gebruiken en in bezit hebben van deepfake-technologie te verbieden voor de consumentenmarkt», gegeven het feit dat nu alleen het gebruik daarvan voor specifieke doeleinden verboden is?2
Wij hebben met belangstelling kennisgenomen van de suggesties van het WODC. In de beleidsreactie zal hier nader op in worden gegaan.
Onderschrijft u de conclusie van het WODC dat het kernprobleem bij deepfakes de handhaving is? Tegen welke problemen loopt u daarbij op dit moment aan?
Het onderzoek signaleert inderdaad dat de handhaving van bestaande regels complex is. Technologie waarmee deepfakes kunnen worden gemaakt is vrijelijk beschikbaar op het internet, er zijn slechts beperkte technieken om deepfakes bij voorbaat te weren en gepubliceerde deepfakes kunnen eenvoudig worden gekopieerd en verder verspreid. Om de handhaving hierop te kunnen versterken, wordt gewerkt aan een inventarisatie van de mogelijkheden die er zijn om hier beter en sneller op in te spelen. De conclusies hierop zullen worden meegenomen in de beleidsreactie bij het WODC-rapport. Ook kan een klacht worden ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Bij het maken en verspreiden van deepfakes kunnen immers onrechtmatig persoonsgegevens zijn verwerkt
Deelt u de mening dat online platforms ook een verantwoordelijkheid hebben om dit soort content te identificeren en uit de lucht te halen? Zo ja, hoe ziet u daarop toe?
Ja. Hoewel strafbare content vanzelfsprekend wordt bestreden door middel van opsporing en vervolging – in het geval van deepfakes van diegenen die deze content vervaardigen, ter beschikking hebben of openbaar maken – is de aanpak daarnaast gericht op de snelle verwijdering van deze content door de internetsector.
In 2008 is tussen overheden, internetaanbieders, hostingbedrijven, en andere tussenpersonen een «Notice and Take Down» (NTD) gedragscode overeengekomen die ziet op vrijwillige verwijdering van illegaal (waaronder strafbaar) materiaal door de internetsector. Omdat de verplichtingen voor de sector en de overheid worden aangescherpt met de Digital Services Act (DSA), die in februari 2024 van toepassing wordt, zal de NTD-gedragscode de komende tijd nog eens tegen het licht worden gehouden vanuit een publiek-private samenwerking.
Aanvullend daarop faciliteert de overheid een aantal meldpunten om illegale (waaronder strafbare) content onder de aandacht te brengen van dienstverleners binnen de internetsector. Content die zij als «illegaal» betitelen wordt in dat kader in de meeste gevallen ook daadwerkelijk ontoegankelijk gemaakt. Het kabinet zet de komende jaren bovendien in op het verder optimaliseren van opvolging van meldingen van deze meldpunten en zal daarbij ook bezien voor welke andere vormen van illegale content een meldvoorziening dient te worden ingericht.
Daarnaast geldt dat content providers (providers die toezien op inhoud en moderatie van hun informatiedienst) zich ervan dienen te vergewissen of de personen die figureren op beelden die worden gedeeld via hun website, platform of anderszins, expliciet toestemming hebben gegeven voor het openbaar maken van die beelden. Doen zij dat niet, dan kunnen zij civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld en eventueel worden gehouden tot betaling van een schadevergoeding en/of het verwijderen of ontoegankelijk maken van de gewraakte content. Voor service providers (iedere natuurlijke of rechtspersoon die een dienst van de informatiemaatschappij levert) geldt het voorgaande niet gelet op de in de in artikel 6:196c van het Burgerlijk Wetboek opgenomen uitzondering op de aansprakelijkheid voor de via hun diensten doorgegeven informatie. In de rechtspraak is echter bepaald dat wanneer een serviceprovider zich toch op enige wijze bemoeit met de content die via zijn dienstenaanbod wordt gehost, hij zich ook niet kan beroepen op de uitzondering van aansprakelijkheid die voor serviceproviders geldt en in dat kader ook gehouden is zich ervan te vergewissen of sprake is van toestemming tot publicatie (16 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:557).
Vóór het eerstvolgende CD seksueel geweld en kindermisbruik van 15 december 2022 wordt uw Kamer nog per brief nader geïnformeerd over de vergewisplicht van internetproviders.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid 2023?
Ja.
De berichten dat het aantal tijdelijke contracten in het primair en voortgezet onderwijs ondanks de krappe arbeidsmarkt stijgt |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Jaarcontracten vo ondanks krappe arbeidsmarkt naar record»1 en «Aandeel tijdelijke contracten basisonderwijs bereikt piekt»?2
Ja.
Wat vindt u ervan dat een op de vijf docenten en ondersteuners in het voortgezet onderwijs geen vast contract heeft, terwijl er nog altijd sprake is van een enorm tekort aan onderwijspersoneel?
In eerdere antwoorden op Kamervragen3 heb ik aangegeven dat ik het onwenselijk vind als het aandeel tijdelijke contracten op scholen te ver oploopt. Volgens de meest recente cijfers (over 2021) ligt het aantal tijdelijke contracten voor docenten in het voortgezet onderwijs op 20%. Het uitgangspunt van het kabinet is dat structureel werk in principe wordt georganiseerd op basis van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd.
Gezien de huidige krapte op de arbeidsmarkt en het lerarentekort, is het zaak voor scholen om docenten te binden en te behouden. Een vast contract hoort daarbij. Als nieuw personeel met een jaarcontract begint, is het gewoonlijk met uitzicht op vast. Dit ligt vast in de cao’s po en vo. Ik vind het ook belangrijk dat nieuwe leraren snel uitzicht hebben op een vast contract. Daarom wil ik hier met de sociale partners graag nog verdergaande afspraken over maken, in lijn ook met de aangenomen motie van de leden EL Yassini en Paul4. Mijn ambitie is om hier zo snel mogelijk, liefst nog dit schooljaar concreet invulling aan te geven. Mocht dit onverhoopt niet het gewenste resultaat hebben, dan zal ik dit, conform de onlangs aangenomen motie Kwint5, invullen bij het wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid.
Hoe duidt u het stijgend aantal tijdelijke contracten in het primair onderwijs, terwijl er nog altijd veel geld op de plank ligt bij onderwijsbesturen?
Voor het primair onderwijs blijkt uit de cijfers van DUO dat het aandeel tijdelijke contracten in de afgelopen jaren schommelt rond de 10%. Voor het kerstreces ontvangt u van mij de trendrapportage met de meest actuele gegevens over onderwijspersoneel in de verschillende onderwijssectoren. Daarin zien we dat in het po het aandeel tijdelijke contracten is gestegen van 11% in 2020 naar 12% in 2021.
Zoals ik in eerdere antwoorden op Kamervragen6 heb genoemd, is het ingewikkeld om precies de vinger te leggen op de oorzaak van de schommelingen van tijdelijke contracten per sector. In algemene zin zijn de relatief hoge aantallen pensioneringen (van vast personeel) hierop van invloed. Verder begint nieuw personeel veelal met een tijdelijk contract (gewoonlijk met uitzicht op vast). Als gevolg van de extra financiële middelen zoals de werkdrukgelden en subsidies, die sinds 2020 zijn vrijgemaakt in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs (NPO), is veel nieuw personeel ingestroomd.
Deelt u de zorgen dat onderwijstalent verloren gaat door tijdelijke contracten, zoals ook Jelmer Evers stelt in het artikel «Jaarcontracten vo ondanks krappe arbeidsmarkt naar record»3? Kunt u uw antwoord toelichten?
Jelmer Evers stelt dat veel talent verloren gaat doordat de kans op uitval voor beginnende docenten met een tijdelijke aanstelling groter is dan voor docenten met een vast contract. Hoewel we niet zeker weten of een tijdelijk contract de reden is dat startende leraren vaker uitstromen dan leraren met een vast contract, onderstreept dit naar mijn idee wel het uitgangspunt van het kabinet dat structureel werk in principe georganiseerd moet worden op basis van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Uit analyses van personeelsgegevens blijkt dat leraren met een tijdelijk dienstverband vaker uitstromen dan docenten met een vast dienstverband. Daarnaast blijkt dat de helft van degenen, die als leraar uitstroomt, in de jaren daarna weer terugkomt. De uitstroom van docenten in het vo blijkt bij nadere bestudering van de cijfers dus minder zorgwekkend dan op het eerste gezicht lijkt. Desondanks ga ik mij, zoals eerder gezegd, de komende tijd graag hard maken voor een stijging van het aantal vaste contracten.
Hoe is de verhouding tussen tijdelijke en vaste contracten in het primair onderwijs en het voortgezet beroepsonderwijs? Hoe verklaart u eventuele verschillen?
In het po is het aandeel vaste contracten van leraren relatief hoog. Het percentage leraren met een vast contract schommelt de laatste jaren net onder de 90% (89% in 2020 en 88% in 2021). In het vo ligt het aandeel vaste contracten van leraren vrij constant iets boven de 80% (81% in 2020 en 80% in 2021).8
Hier is geen onderzoek naar gedaan, maar een verklaring voor deze verschillen zou kunnen zijn dat er verschillen in organisatie bestaan tussen po en vo. Dit kan gevolgen hebben voor de behoefte aan flexibiliteit (maatwerk) en het gebruik van tijdelijke contracten op een school. Leraren in het primair onderwijs zijn mogelijk flexibeler inzetbaar om elders binnen de school ingezet te worden dan leraren in het voortgezet onderwijs vanwege de vakkenstructuur in het vo. Verder kunnen mogelijk ook zaken als krimp, personeelstekorten en mobiliteit een rol spelen bij het meer of minder inzetten van tijdelijke en vaste contracten.
Bent u het ermee eens dat de inhuur van onderwijspersoneel via commerciële uitzendbureaus het bieden van vaste contracten tegenhoudt? En hoe staat het na vier jaar met de uitvoering van de gewijzigde motie Kwint/Westerveld over het beperken van het gebruik van uitzendbureaus in het onderwijs?4
Ons beeld is niet dat inhuur van personeel via uitzendbureaus in de weg staat aan het bieden van vaste contracten door schoolbesturen. Zoals in eerdere antwoorden op Kamervragen10 is opgemerkt, is de inhuur van personeel ook in deze tijden van arbeidskrapte soms nodig, bijvoorbeeld voor vervanging bij ziekte. Maar ik vind het daarbij van belang dat personele middelen doelmatig worden besteed. Met het oog hierop heeft OCW bij de sectororganisaties de suggestie overgebracht om in de volgende cao’s (vanaf mei 2023) bepalingen op te nemen over een maximumtarief voor inhuur van medewerkers. Daarnaast maak ik met sociale partners graag afspraken over hoe we regionaal vorm kunnen geven aan gezamenlijk werkgeverschap, bijvoorbeeld met regionale invalpools, zodat het gebruik van commerciële uitzendbureaus kan worden terug gedrongen. Dit is in lijn met de aangenomen motie van de leden Kwint en Westerveld.11
Hoe beoordeelt u de uitspraak van arbeidsmarkteconoom Frank Cörvers (Universiteit Maastricht), waarin hij stelt dat het lerarentekort door de Nationaal Programma Onderwijs (NPO)-gelden nog veel verder is opgeblazen5?
Cörvers stelt dat het lerarentekort door de NPO-gelden verder is opgeblazen omdat we geld proberen uit te geven aan extra mensen die er niet zijn. Zoals in de Tweede voortgangsrapportage NPO13 (p.26) beschreven staat, is het voor veel scholen een uitdaging om personeel te vinden voor de uitvoering van interventies van het NP Onderwijs. Toch slagen veel scholen er in om de werkgelegenheid die ontstaat door het NP Onderwijs in te vullen, blijkt ook uit gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). We zien in de periode tussen oktober 2020 en oktober 2021 een toename van personeel, zowel in het po als in het vo. Het gaat hier om zowel onderwijsgevend als onderwijsondersteunend personeel.14 Het zou mooi zijn als we een deel van de toename ook blijvend voor het onderwijs kunnen behouden. Het aannemen van onderwijsondersteunend personeel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de aanpak van de tekorten, doordat leraren ontlast kunnen worden en meer tijd aan het primaire proces kunnen besteden.
Hoe kijkt u naar de suggestie van Frank Cörvers om het percentage tijdelijke en flexibele contracten aan een maximum te binden?
Dit kabinet werkt een breed pakket maatregelen uit om het aandeel flexibele arbeid in alle sectoren, inclusief de onderwijssectoren, terug te dringen. Zie hiervoor de Hoofdlijnenbrief arbeidsmarkt van 5 juli 2022.15 Samen met de sociale partners in het onderwijs wil ik afspraken maken om het aandeel vaste contracten in het primair en voortgezet onderwijs te verhogen. In deze gesprekken betrek ik ook de aangenomen motie Westerveld over het opnemen van streefcijfers voor vaste contracten in de OCW-begroting 2024.16
Hoeveel scholen hebben er op dit moment (nog) te maken met krimp in de vorm van dalende leerlingenaantallen, uitgesplitst naar het primair en voortgezet onderwijs?
In het primair onderwijs heeft ongeveer 55% van de vestigingen momenteel te maken met dalende leerlingaantallen, in het vo is dat ongeveer 45%.17
Klopt het dat in het primair onderwijs de leerlingenaantallen weer gaan groeien vanaf 2025? En is dit ook het geval voor het voortgezet onderwijs? Bent u het er dan mee eens dat dit geen goede reden is voor scholen om leraren geen vast contract aan te bieden?
Voor het primair onderwijs wordt inderdaad verwacht dat de leerlingaantallen landelijk vanaf 2025 weer gaan groeien. Het voortgezet onderwijs krijgt door het doorstromen van de leerlingen vanuit het primair onderwijs de komende jaren met de daling te maken die het primair onderwijs al achter de rug heeft. Dus daar wordt een stijging van de leerlingaantallen pas tegen 2031 verwacht.
Een landelijke daling of stijging betekent echter niet dat dit voor alle scholen het geval is. Zoals uit de percentages van de vorige vraag kan worden geconstateerd, heeft ook een groot deel van de scholen een trend die tegen de landelijke in gaat. Een goed voorbeeld is dat de leerlingaantallen in het primair onderwijs de afgelopen jaren landelijk zijn gedaald, terwijl ze in de grote steden zijn gestegen. Dit heeft mede bijgedragen aan de grotere lerarentekorten aldaar.
Dus zeker in het voortgezet onderwijs, maar ook in een deel van het primair onderwijs, zullen veel vestigingen van scholen ook de komende jaren te maken hebben met dalende leerlingaantallen.
Scholen kunnen verschillende redenen hebben voor het aanbieden van tijdelijke contracten. Zoals eerder benoemd, worden tijdelijke contracten meestal aangeboden aan mensen die net beginnen in hun baan, waarbij doorgaans een vooruitzicht op een vaste aanstelling wordt geboden.
Welke effecten hebben de maatregelen, die het kabinet momenteel neemt om het aandeel tijdelijke contracten terug te dringen en om vaste contracten de norm te laten worden in het onderwijs?
Het beoogde effect van de maatregelen is uiteraard om het aandeel vaste contracten, ook in het onderwijs, zo hoog mogelijk te laten zijn. We blijven goed monitoren hoe het aandeel vaste contracten zich in de verschillende onderwijssectoren ontwikkelt. Dit wordt jaarlijks door DUO bijgehouden, op basis van de personeelsgegevens die scholen aanleveren, en jaarlijks zenden we die monitoring aan uw Kamer in de Trendrapportage Arbeidsmarkt Leraren po, vo en mbo. We kunnen nu nog geen effecten zien van de maatregelen die uiteen zijn gezet in de eerder genoemde Hoofdlijnenbrief arbeidsmarkt van 5 juli 2022, die het kabinet op dit moment uitwerkt.
Welke actie(s) onderneemt u om het hoge aandeel vacatures in het onderwijs voor een kleine arbeidsomvang terug te brengen?
Ik hecht grote waarde aan het stimuleren van meer uren werken en het aanbieden van grotere arbeidscontracten. Dit is een belangrijk onderwerp uit het coalitieakkoord en samen met sociale partners in het primair en voortgezet onderwijs heb ik daarover afspraken gemaakt in de werkagenda bij het onderwijsakkoord Samen voor beter onderwijs van 22 april 2022.18
Ik spreek werkgevers erop aan ernaar te streven zo aantrekkelijk mogelijke banen aan te bieden. Via de RAP-regeling faciliteer ik regionale samenwerking tussen schoolbesturen. Door regionale samenwerking zijn schoolbesturen beter in staat vervanging en mobiliteit gezamenlijk op te pakken. Dit draagt bij aan het terugdringen van vacatures met een kleine arbeidsomvang. In de laatste RAP-regeling heb ik voor schoolbesturen de verplichting opgenomen om gezamenlijk een strategisch personeelsplan in de regio op te stellen. Hierdoor krijgen schoolbesturen meer inzicht in de gezamenlijke toekomstige personeelsbehoefte en kunnen ze beter passende en grotere banen aanbieden.
Zou het verplicht aanbieden van een vast contract na één jaar een onorthodoxe maatregel van u kunnen zijn om het lerarentekort aan te pakken? Kunt u uw antwoord toelichten? En heeft u wellicht ook andere ideeën over onorthodoxe maatregelen om het aandeel vaste contracten in het onderwijs op korte termijn te laten stijgen?
Het aanbieden van een vast contract na een jaar is al gebruikelijk in het primair en voortgezet onderwijs. Dat is geregeld in de cao’s. Ik zie dat veel schoolbesturen hiernaar handelen. Slechts in zeer bijzondere situaties kan ook na het eerste tijdelijke jaarcontract nog een tweede tijdelijk contract worden aangegaan, voor ten hoogste een jaar. Samen met de PO-Raad en de VO-raad wil ik afspraken maken om het aandeel vaste contracten verder te verhogen, en meer startende leraren snel uitzicht te geven op een vast contract. Mijn ambitie is om hier zo snel mogelijk, liefst nog dit schooljaar concreet invulling aan te geven. Mocht dit onverhoopt niet het gewenste resultaat hebben, dan wil ik dit invullen bij het wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid. Zie verder ook de antwoorden op de vragen 2 en 8.
Het duurzaamheidsrisicobeheer van banken |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de resultaten van het ECB-onderzoek (European Central Bank) naar het duurzaamheidsrisicobeheer van Europese banken?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van de ECB dat het glas langzaam voller wordt, maar nog niet eens halfvol is? En bent u het met GroenLinks eens dat het zeer zorgelijk is dat 96% van de banken blinde vlekken heeft in het beheer van duurzaamheidsrisico’s?
De ECB heeft onderzoek gedaan naar de wijze waarop banken aan klimaat gerelateerde financiële risico’s en andere aan het milieu gerelateerde risico’s, zoals biodiversiteitsverlies, identificeren en beheersen. Uit dit onderzoek blijkt dat 85% van de banken in ieder geval een basis heeft gelegd voor de beheersing van aan klimaat gerelateerde financiële risico’s, door bijvoorbeeld het in kaart brengen van deze risico’s en het gebruik van risico-indicatoren. Echter blijkt ook dat vrijwel alle banken nog belangrijke stappen dienen te zetten in het gebruik van meer geavanceerde methodes, zoals vooruitkijkende analyses, voor goede identificatie en beheersing van deze risico’s. De ECB is daarnaast bezorgd over de uitvoering van het duurzaamheidsrisicobeleid bij banken. Hierdoor blijven banken, volgens de ECB, milieurisico’s onderschatten en heeft 96% van de banken blinde vlekken in de identificatie van risico’s voor bijvoorbeeld belangrijke sectoren of regio’s.
Zoals ik ook in mijn beleidsagenda duurzame financiering schrijf, is het van belang dat banken en andere financiële ondernemingen duurzaamheidsrisico’s op goede wijzen identificeren en beheersen. Een adequate beheersing van duurzaamheidsrisico’s door financiële instellingen is van belang voor de financiële stabiliteit en zorgt ervoor dat financiële instellingen hun maatschappelijke rol kunnen blijven vervullen en de transitie naar een duurzame economie kunnen blijven financieren. Ik vind het zorgelijk dat de ECB op basis van dit onderzoek concludeert dat veel banken dit nog onvoldoende doen. Ik verwelkom dan ook de aangekondigde vervolgacties van de ECB om de identificatie en beheersing van milieurisico’s op de bankbalans te verbeteren. De ECB verwacht dat aan het einde van 2024 alle banken aan haar verwachtingen ten aanzien van aan klimaat en milieu gerelateerde risico’s voldoen. Deze risico’s dienen volledig geïntegreerd te worden in het bedrijfsmodel, de bedrijfsvoering en de risicobeheersing van banken. Ik steun de ECB ook in haar aankondiging om dit waar nodig te handhaven via het proces voor beoordeling en evaluatie door de toezichthouder.
Daarnaast zie ik de resultaten van dit onderzoek als ondersteuning voor mijn inzet voor de betere integratie van duurzaamheidsrisico’s in de toezichtraamwerken voor financiële instellingen, bijvoorbeeld in het prudentiële raamwerk voor banken.
Klopt het dat dit onderzoek is uitgevoerd door de gezamenlijke toezichtteams van nationale centrale banken en de ECB? In hoeverre heeft De Nederlandsche Bank (DNB) op basis van dit onderzoek een beeld verkregen van de mate waarin Nederlandse banken duurzaamheidsrisico’s adequaat beheersen?
Het onderzoek is uitgevoerd door de ECB en 21 nationale toezichthouders. DNB was één van deze nationale toezichthouders. In het onderzoek zijn 186 banken bekeken. Van deze banken kwamen er 28 uit Nederland. Dit waren zeven zogeheten significante instellingen en 21 zogeheten minder significante instellingen. DNB heeft op basis van dit onderzoek een beter beeld gekregen van de mate waarin Nederlandse banken aan klimaat en milieu gerelateerde risico's adequaat beheersen.
In de rapportage wordt aangegeven dat de ECB de resultaten van het onderzoek heeft besproken met de desbetreffende banken en de gemeenschappelijke toezichtteams, waar DNB voor de Nederlandse banken ook onderdeel van uitmaakt. Deze gemeenschappelijke toezichtteams zullen waar nodig actie ondernemen.
In hoeverre geven deze onderzoeksresultaten aanvullend inzicht op de resultaten uit het DNB-onderzoek «Naar een duurzame balans»2? Zijn er ook nieuwe inzichten?
In haar rapportage «Op weg naar een duurzame balans» heeft DNB de integratie van duurzaamheidsrisico’s in de kernprocessen van de financiële sector onderzocht. Op basis van dit onderzoek concludeerde DNB eind 2021 dat financiële instellingen nog maar in beperkte mate duurzaamheidsrisico’s meenemen. De resultaten van dit ECB-onderzoek bevestigen voor mij het beeld dat banken nog belangrijke stappen dienen te zetten voor de integratie van aan duurzaamheid gerelateerde financiële risico’s. Ik vind het waardevol dat in het onderzoek specifieker geïdentificeerd wordt waarin deze stappen gezet dienen te worden, zoals bijvoorbeeld het gebruik van meer geavanceerde methodes voor goede identificatie en beheersing van deze risico’s.
Bent u van plan de resultaten van het onderzoek voor Nederlandse banken met DNB te bespreken? En wat zijn de mogelijkheden om op geaggregeerd, geanonimiseerd niveau, de onderzoeksresultaten voor Nederlandse banken te publiceren? Bent u daartoe bereid?
Het Ministerie van Financiën spreekt regelmatig met DNB over duurzaamheidrisico’s in de financiële sector. Het ligt hierin voor de hand dat het onderzoek van de ECB ook wordt besproken.
De onderzoeksresultaten zijn gebaseerd op toezichtvertrouwelijke informatie en daarover beschik ik niet. De eventuele publicatie van informatie is daarom een vraag voor de toezichthouders. DNB heeft aangegeven dat vanwege de vertrouwelijke aard, deze informatie niet kan worden gedeeld.
Op welke manier bent u van plan de onderzoeksresultaten mee te nemen in de monitoring van de voortgang van het klimaatakkoordcommitment van de financiële sector? Bent u dit van plan door bijvoorbeeld extra aandacht te geven aan tussendoelen, hetgeen waar het volgens de ECB-onderzoeksresultaten nog te vaak aan ontbreekt?
Het klimaatcommitment ziet primair op de bijdrage van de ondertekenaars aan de klimaattransitie, het meten van het CO2-gehalte van relevante financieringen en beleggingen en het opstellen van actieplannen om dit CO2-gehalte terug te brengen. De beheersing van aan klimaat gerelateerde financiële risico’s is dan ook niet het doel. Ik verwacht wel dat met name door de afspraak om klimaatactieplannen op te stellen de klimaatrisico’s waaraan de deelnemers aan het commitment zijn blootgesteld, beter beheerst zullen worden. In mijn beleidsagenda schrijf ik onder andere dat ik van financiële instellingen verwacht dat zij in hun actieplannen voldoende inzichtelijk maken op welke wijze hun maatregelen in de praktijk leiden tot het bereiken van de CO2-reductiedoelstellingen. In dat kader verwacht ik van financiële instellingen kwantitatieve reductiedoelstellingen voor 2050 en 2030 en tussentijdse doelstellingen om hier te komen. In de monitoring van het klimaatcommitment houd ik dus ook aandacht voor tussendoelstellingen.
Eind dit jaar en begin volgend jaar zullen twee voortgangsrapportages verschijnen in het kader van het klimaatcommitment. Op korte termijn zal ik aan uw Kamer een brief sturen met daarin mijn reactie op de eerste voortgangsrapportage over het meten en rapporteren over het CO2-gehalte van relevante financieringen en beleggingen over boekjaar 2021. Op basis van de inhoud van beide voortgangsrapportages zal ik, samen met de Minister voor Klimaat en Energie, de collectieve voortgang ten aanzien van het klimaatcommitment van een reactie voorzien. Bevindingen uit andere recente onderzoeken op dat gebied, zoals dat van het New Climate Institute, kunnen bij de weging die aan deze reactie voorafgaat een rol spelen.
Op welke manier heeft u het onderzoek van het NewClimate Institute van juli dit jaar3, die de kwaliteit van de klimaatplannen van acht grote Nederlandse financiële instellingen als laag of zeer laag beoordeelde, meegenomen in de monitoring van de voortgang van het commitment?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u op deze plek, ofwel in de beantwoording van de vragen die gesteld zijn tijdens het schriftelijk overleg over de strategie voor duurzame financiering, een inhoudelijke update geven over hoe het staat met de voortgang in het klimaatakkoordcommitment richting het einde van 2022, als de actieplannen met doelen voor 2030 gepresenteerd moeten worden?
De voortgang van het klimaatcommitment wordt gemonitord op basis van voortgangsrapportages die worden voorbereid door adviesbureau KPMG. Ik verwacht voor het kerstreces de voortgangsrapportage die zich met name richt op de afspraak uit het klimaatcommitment om de CO2-uitstoot van relevante financieringen en beleggingen met uw Kamer te kunnen delen. In het voorjaar zal deze opgevolgd worden door een voortgangsrapportage die betrekking heeft op de afspraak om uiterlijk in 2022 actieplannen met reductiedoelstellingen voor 2030 te presenteren. Ik wil daar niet op vooruit lopen.
Wat is uw reactie op de resultaten van het onderzoek van Milieudefensie naar de (indirecte) uitstoot van de Nederlandse financiële sector?
Milieudefensie kijkt in haar rapport «Gefinancierde uitstoot van de Nederlandse financiële sector» naar de gefinancierde uitstoot van zestien Nederlandse banken, verzekeraars en pensioenfondsen. De wereldwijde uitstoot van deze partijen schat Milieudefensie op 244 miljoen ton CO2.4 In haar onderzoek wordt dit per sector en per instelling uitgesplitst. Het onderzoek beveelt aan dat meer financiële instellingen over een groter deel van hun balans de CO2-intensiteit rapporteren. Dit zouden ze ook op een meer gestandaardiseerde wijze moeten doen. Hierdoor wordt het gemakkelijker om te volgen in hoeverre instellingen hun balans in lijn brengen met het 1,5 graden scenario van het Klimaatakkoord van Parijs.
Zoals ik noem in de beleidsagenda voor duurzame financiering, onderschrijf ik het belang van transparantie over de uitstoot van financiële instellingen en zet ik in op een ambitieuze invulling van Europese regelgeving betreffende het rapporteren van duurzaamheidsfactoren.5 Daarnaast vind ik het van belang dat financiële instellingen hun balans in lijn brengen met het Klimaatakkoord van Parijs. Dit onderzoek van Milieudefensie benadrukt dit nogmaals voor mij. De financiële sector speelt een grote rol in de financiering van de duurzame transitie. In de beleidsagenda heb ik aangegeven samen met de Minister voor Klimaat en Energie te verkennen of eventueel overheidsoptreden gepast en mogelijk is indien de voortgang binnen het klimaatcommitment onvoldoende blijkt.
Het WEF |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Uit de beantwoording van Kamervragen (kenmerk 2022Z12930) blijkt dat de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland te Genève «de tussenschakel voor de ministeries en het WEF» vormt: zijn er wellicht ook andere private buitenlandse stichtingen waarvoor de Permanente Vertegenwoordiging deze functie vervult?
De Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in Genève vertegenwoordigt Nederland bij de in Genève gevestigde internationale organisaties. Het World Economic Forum is in 1971 opgericht als stichting naar Zwitsers recht (artikel 80 en verder van het Zwitsers Burgerlijk Wetboek) en is een internationale organisatie voor publiek-private samenwerking met hoofdkantoor in Cologny, Genève. Naast het behartigen van de belangen van het Koninkrijk bij Geneefse internationale organisaties, is de Permanente Vertegenwoordiging ook eerste aanspreekpunt voor veel andere in Genève opererende actoren, zoals stichtingen, instituten en ngo’s. Voorbeelden daarvan zijn het Rode Kruis, Article 19, International Institute for Sustainable Development (IISD), CUTS International, DiploFoundation, de International Chamber of Commerce en het Geneva Graduate Institute.
Indien dit het geval is, kunt u misschien een paar voorbeelden noemen?
Zie antwoord vraag 1.
Kan de Kamer vanaf 1 januari 2020 alle communicatie ontvangen die via de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland te Genève is verlopen met betrekking tot het uitnodigen, coördineren en ondersteunen van bezoeken van Nederlandse bewindspersonen aan het World Economic Forum?
Er is in reactie op eerdere verzoeken al de nodige informatie met de Kamer gedeeld inzake recente deelname van Nederlandse bewindspersonen aan eerdere jaarlijkse vergaderingen van het World Economic Forum (Zie eerdere beantwoordingen – in het bijzonder: Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nrs. 1162, 1164, 1464, 2541, 2806, 3037, 3214, 3545, 3546 en 3554; en vergaderjaar 2022–2023 nummer 637). Dit omvat onder meer de volledige programma’s van bewindspersonen voor de jaarlijkse vergadering die plaatsvond in mei 2022. De eerstvolgende jaarlijkse vergadering zal plaatsvinden van 16 tot en met 20 januari 2023 in Davos. De uitnodigingen voor deze bijeenkomst gericht aan Nederlandse bewindspersonen zijn als bijlage toegevoegd.
Het bericht ‘Losser testbeleid in ziekenhuizen’ |
|
Judith Tielen (VVD), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Losser testbeleid in ziekenhuizen», waarin beschreven staat dat enkele ziekenhuizen hun personeel met coronaklachten laat doorwerken?1
Ja.
Klopt het dat de huidige richtlijnen luiden dat mensen bij covid-19-achtige klachten een zelftest doen en bij een positieve uitslag thuis blijven? Zo ja, wat vindt u ervan dat werkgevers afwijken van de richtlijnen? Heeft hierover overleg plaatsgevonden met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en/of het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?2
De huidige algemene landelijke richtlijn luidt dat mensen bij COVID-19-achtige klachten een zelftest doen en bij een positieve uitslag thuis in isolatie gaan.
Specifiek voor zorgpersoneel in ziekenhuizen verwijst het RIVM naar de leidraad «COVID-19 testbeleid en inzet zorgmedewerkers in het ziekenhuis».3 Ziekenhuizen zijn wettelijk verplicht om onder alle omstandigheden zorg te blijven verlenen en zich voor te bereiden om de continuïteit van zorgverlening te waarborgen. Om bestuurders rond COVID-19 te ondersteunen, heeft de Federatie Medisch Specialisten deze leidraad opgesteld. De FMS-leidraad biedt ziekenhuisbestuurders om, in geval van uitzonderlijke omstandigheden waarin geen andere oplossingen zijn om de continuïteit van zorg te waarborgen, medewerkers met milde klachten te laten doorwerken.
Naar aanleiding van het advies van Deskundigenberaad (DB) (d.d. 30 november 2022) is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overleg met de betrokken uitvoeringsorganisaties over de gevolgen van een aangepast testbeleid voor zorgmedewerkers voor de testinfrastructuur.
Het DB adviseert om voor alle zorgmedewerkers een wijziging door te voeren waarbij de inzet van mondneusmaskers bij luchtwegklachten niet langer beperkt is tot het voorkómen van transmissie van SARS-CoV-2, maar wordt verbreed, onafhankelijk van de mogelijke ziekteverwekker van de luchtwegklachten. Het DB adviseert vanwege de gunstige epidemiologische situatie, het preventief testen van zorgmedewerkers zonder klachten te laten vervallen, evenals het advies om altijd een PCR-test te gebruiken bij zorgmedewerkers. Een zelftest kan voor hen volstaan. Ook adviseert het DB om de inzet van positief geteste zorgmedewerkers die voldoende fit zijn, binnen het ziekenhuis op een verantwoordelijke manier mogelijk te maken. Deze aanpassing geldt ook voor de huisartsenzorg en overige gezondheidszorgorganisaties, waar het patiëntencontact van korte duur is, en het geen zorg voor kwetsbare patiënten betreft. Voor personeel in de langdurige zorg blijft voorlopig het standaardadvies om bij een positieve test tenminste 5 dagen in isolatie te gaan (zie het advies van het DB van 30 november jl. zoals aan uw Kamer gezonden).
Is bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend of het alternatieve beleid (doorwerken met lichte klachten) tot stand is gekomen met inspraak en zeggenschap van zorgprofessionals? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik ga er vanuit dat de afweging door de betreffende ziekenhuisbesturen is gemaakt op basis van de FMS-richtlijn. Daarin is opgenomen dat ook de afspraken met de OR van de zorginstellingen moeten worden meegenomen in de besluitvorming.
Is bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend wat de voornaamste redenen zijn dat in ziekenhuizen afgeweken wordt van het RIVM-advies en mensen met klachten wordt geadviseerd te werken met een medisch mondmasker? Welke redenen zijn dit? Hoe beoordeelt u dit alternatieve ziekenhuisbeleid?
De FMS-handreiking biedt ziekenhuisbestuurders de mogelijkheid om af te wijken van het RIVM-advies op het moment dat het leveren van adequate zorg onmogelijk wordt en er geen andere mogelijkheden zijn om de continuïteit van zorg te waarborgen. Daarbij is het van belang dat zorgmedewerkers worden betrokken bij de afweging over het al dan niet inzetten op het werk. Indien er signalen zijn dat werkgevers niet handelen conform de leidraad, dan kunnen zorgmedewerkers een melding doen bij de IGJ. De IGJ kan een raad van bestuur achteraf vragen uit te leggen welke afwegingen zijn gemaakt en welke maatregelen zijn getroffen indien medewerkers met klachten zijn ingezet.
De IGJ heeft naar aanleiding van de FMS-leidraad laten weten erop te vertrouwen dat ziekenhuisbestuurders de afweging tussen continuïteit van zorg en de risico’s van inzet van besmettelijke medewerkers op een verantwoorde manier maken. Dat vertrouwen heb ik ook.
Kunt u toelichten wat de huidige stand van de wetenschap is met betrekking tot zelftesten? Met andere woorden, hoe specifiek en selectief zijn de zelftesten op de nu circulerende covid-19-virusvarianten?
Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport laat regelmatig onderzoek doen naar de prestaties van antigeenzelftesten. Uit onderzoek blijkt dat drie ruim verkrijgbare zelftesten onder mensen met coronagerelateerde klachten ook bij de omikronvariant voldoende presteren. De sensitiviteit lag bij deze zelftesten tussen de 70% en 79%.4 Uit onderzoek naar de prestaties van zelftesten bij de omikronvariant onder mensen zonder klachten blijkt dat de sensitiviteit lager ligt met waarden tussen de 20% en 27%.5 Een enkele negatieve zelftest is in dat geval dus geen garantie dat je veilig en niet besmet bent, maar is als onderdeel van een breder pakket aan basisregels nog steeds nuttig.
Omdat zelftesten op lange termijn het uitgangspunt blijft, wordt regelmatig onderzoek uitgevoerd om de prestaties van zelftesten te monitoren. Daarnaast heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport nauw contact met instanties (zoals het RIVM) over mogelijke signalen van afgenomen sensitiviteit van antigeenzelftesten. Als er reden is voor zorg over de werkzaamheid van antigeenzelftesten bij bijvoorbeeld een nieuwe variant kan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport snel actie ondernemen. Er is op dit moment geen reden om aan te nemen dat zelftesten onvoldoende presteren op de nu circulerende CVID-19-virusvarianten.
Zijn specificiteit en selectiviteit van testen bij gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD)-locaties nauwkeuriger dan zelftesten? Zo ja, zijn deze GGD-testen voldoende toegankelijk voor werknemers in de zorg?
Op de GGD-locaties wordt met NAAT-testen, zoals PCR of TMA, getest. De NAAT-test heeft een hoge gevoeligheid. Dat betekent dat een test het virus ook oppikt bij iemand die nog weinig virus bij zich draagt. De sensitiviteit van NAAT-testen ligt dus hoger dan die van zelftesten. Bij een aantal doelgroepen zoals zorgmedewerkers die werken met mensen met een kwetsbare gezondheid zijn de risico’s van een vals negatieve testuitslag groter. Daarom blijft voor hen nog de mogelijkheid om de meest gevoelige NAAT-test, zoals PCR of TMA, bij de GGD te laten afnemen. Hiervoor kan 7 dagen per week online of telefonisch een afspraak worden ingepland.
Bent u van mening dat de veiligheid van kwetsbare patiënten gegarandeerd kan blijven wanneer personeel dat kampt met coronaklachten door blijft werken?
Het DB heeft een zorgvuldige afweging gemaakt, waarbij verantwoordelijkheden, risico’s en proportionaliteitsvraagstukken zijn meegewogen. De langdurige zorg sector wordt door het DB nog uitgezonderd van de versoepelingen ten aanzien van de inzet van zorgpersoneel, omdat daar wordt gewerkt met de meest kwetsbare patiënten en de omstandigheden onvoldoende kunnen worden gecontroleerd.
Op welke wijze bent u in contact met werkgevers in de zorg om te komen tot duidelijk en eenduidige richtlijnen voor de inzet van personeel in de zorg, gegeven de grote personeelstekorten, het hoge ziekteverzuim en het uitgangspunt in de langetermijnaanpak covid-19 om de zorg toegankelijk te houden voor iedereen? Hoe zorgt u ervoor dat wetenschappelijk tot stand gekomen richtlijnen uitvoerbaar zijn en blijven in de dagelijkse praktijk van het werken in de zorg?
Het RIVM heeft over de richtlijnen voor inzet van personeel in de zorg een Deskundigenberaad georganiseerd (10 en 18 november). In het DB is een groot aantal deskundigen vertegenwoordigd die zowel wetenschappelijke kennis hebben als kennis vanuit de dagelijkse praktijk.
Het DB voert na de jaarwisseling een gesprek over bredere aanpassing van het test- en isolatiebeleid en mogelijke bredere versoepelingen van bestaande adviezen.
De schotten tussen onderwijs en zorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er nog steeds veel kinderen zijn met een ondersteuningsbehoefte, die om financiële redenen niet het onderwijs krijgen dat bij hen past, zoals ook blijkt uit het artikel «Lennox (8) met downsyndroom is dupe van «bezuinigingsoperatie» gemeente»?1 Zo ja, hoe rijmt u dat met de ambities in het regeerakkoord waarin staat dat wordt gestreefd naar inclusief onderwijs?
Het verhaal van de betreffende leerling is bij ons bekend en vanuit OCW is ambtelijk contact gelegd met zijn moeder. Het is erg jammer en schrijnend dat het niet meer lijkt te lukken om afspraken te maken over wat nodig is om hem passende (zorg)begeleiding op school te bieden, waardoor hij mogelijk van de school af moet waar hij al langer zit en het naar zijn zin heeft. Daarom is nu een onderwijsconsulent ingeschakeld, zodat die samen met de ouder, school en gemeente kan kijken naar de situatie en kan zoeken naar een oplossing.
Het verhaal staat niet op zichzelf. Er zijn meer verhalen bekend waarbij het niet lukt om afspraken te maken over wat er nodig is om passende (zorg)begeleiding op school te bieden. Juist deze gevallen onderstrepen waarom het belangrijk is om toe te werken naar inclusief onderwijs. Zodat ieder kind mee kan doen, erbij hoort en dichtbij huis naar school kan, waar nodig met extra ondersteuning. Vanuit de maatschappij, ouders en het onderwijs is de roep om inclusief onderwijs en een minder strakke scheiding tussen regulier en speciaal onderwijs en tussen onderwijs en zorg, de afgelopen jaren alleen maar sterker geworden. En ook door Nederland geratificeerde internationale verdragen, zoals het VN-verdrag Handicap en het VN-kinderrechtenverdrag, zetten daartoe aan. Dat is de reden waarom het kabinet zich daar de komende periode voor wil inzetten. We informeren u begin 2023 nader over de stappen die het kabinet in dit kader de komende jaren wil zetten.
Vindt u dat deze ambitie om te gaan naar inclusief onderwijs in praktijk ook betekent dat gemeenten voldoende financiële middelen moeten hebben om (waar nodig) de juiste ondersteuning te regelen?
Om inclusief onderwijs te kunnen bieden, is samenwerking tussen alle bij het onderwijs betrokken partijen belangrijk. De gemeente is daarbij een belangrijke partij, gezien de verantwoordelijkheid om bepaalde vormen van ondersteuning te leveren. Het is daarbij belangrijk dat in elke regio het onderwijs samen met de partners nadenkt over hoe inclusief onderwijs vormgegeven kan worden en welke stappen en bijbehorende middelen daarvoor nodig zijn.
In het artikel stelt onderwijsmedewerker Gert de Graaf dat gemeenten vaker ondersteuningsuren drastisch verlagen. Wordt bijgehouden hoeveel kinderen gebruik maken van ondersteuningsuren om onderwijs te kunnen volgen? En om hoeveel uren dit gaat? Zo ja, bent u bereid de ontwikkeling sinds de invoering van passend onderwijs te delen met de Kamer?
Op landelijk niveau wordt niet bijgehouden hoeveel kinderen gebruik maken van ondersteuningsuren om onderwijs te volgen, of om hoeveel uren dit gaat. Binnen het regulier onderwijs kan een beroep gedaan worden op ondersteuning vanuit de budgetten voor passend onderwijs indien nodig aangevuld met ondersteuning vanuit de Jeugdwet. De toekenning van extra ondersteuning vanuit de wet passend onderwijs verloopt via het samenwerkingsverband, toekenning vanuit de Jeugdwet verloopt via de gemeente.
Wat is er sinds de Kamerbrief van 12 juli 20212 concreet gedaan om de discussie over wat onder zorg en wat onder onderwijs valt verder te brengen? Zijn er afgelopen jaar concrete acties in gang gezet die voor duidelijkheid zorgen voor alle betrokkenen? Zo ja, welke?
Ja, er zijn in het afgelopen jaar concrete acties in gang gezet om de discussie wat onder zorg en wat onder onderwijs valt verder te brengen. Zo zijn 50 zorgarrangeurs ingezet om scholen in het speciaal onderwijs te helpen bij het organiseren van de zorg in onderwijstijd. Daarnaast is er onderzoek uitgevoerd door DSP/Oberon en zijn twee pilots begeleid waar men de zorg collectief inzet in de klas.3
Nog dit jaar ontvangt u het eindrapport van DSP/Oberon gericht op de zorg in onderwijstijd. Op basis hiervan zullen wij aanvullende maatregelen nemen om de zorg in onderwijstijd te vereenvoudigen. Hierover wordt uw Kamer geïnformeerd in de beleidsreactie op dit rapport, welk u ontvangt zo spoedig mogelijk, uiterlijk in het voorjaar van 2023.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat kinderen minder ondersteuning ontvangen dan zij nodig hebben? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat ieder kind de benodigde ondersteuning ontvangt?
Elk kind verdient een passend aanbod en het is schrijnend wanneer kinderen niet de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. Zie ook het antwoord gegeven op vraag 1.
Het is aan gemeenten, scholen en samenwerkingsverbanden om hier samen afspraken over te maken, in overleg met ouders en jeugdigen zelf. Daar waar er discussie is over dit ondersteuningsaanbod kunnen ouders gebruik maken van een onderwijsconsulent en zo nodig een procedure starten bij de geschillencommissie passend onderwijs en/of bezwaar maken bij de gemeente. Maar het liefst zijn zulke procedures niet nodig.
Om er voor te zorgen dat kinderen de benodigde ondersteuning krijgen en gemeenten en samenwerkingsverbanden dit kunnen organiseren wordt gewerkt aan onder andere de verbeteraanpak passend onderwijs inclusief maatregelen op het gebied van onderwijs en zorg, het experiment onderwijszorgarrangementen en een plan van aanpak hoogbegaafdheid. In december van dit jaar ontvangt u de uitwerking van het plan van aanpak hoogbegaafdheid, in het voorjaar wordt u in de voortgangsrapportage passend onderwijs geïnformeerd over de verbeteraanpak.
Kunt u uitleggen dat, ondanks de aangenomen motie Westerveld/Kwint3, waarin de regering wordt opgeroepen om maatregelen te treffen, zodat beschikkingen om kinderen met een handicap naar het regulier onderwijs te laten gaan, voor een langere tijd afgegeven kunnen worden dan voor een half jaar, het nog steeds gebeurt dat ouders ieder half jaar moeten aantonen dat hun kind nog een blijvende handicap, zoals het syndroom van Down, heeft? Welke concrete maatregelen zijn tot nu toe genomen om uitvoering te geven aan de motie?
Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij de uitvoering van de jeugdwet en mogen zelf beslissen over de duur van beschikkingen. Binnen de Jeugdwet zijn geen juridische belemmeringen om langdurige beschikkingen af te geven. Gemeenten zijn hier op gewezen en hiertoe opgeroepen door voormalig Staatssecretaris Blokhuis in de brief die op 2 december 2021 naar alle wethouders Jeugd is verzonden.
In de motie Werner5 wordt eveneens opgeroepen om afspraken te maken met gemeenten en zorgverzekeraars zodat mensen met een handicap een langere beschikkingsduur krijgen. De afgelopen maanden zijn verkennende gesprekken met gemeenten gevoerd. Voor de Kerst wordt uw Kamer geïnformeerd over hoe samen met gemeenten de motie wordt uitgevoerd.
In het eerste kwartaal van 2023 wordt de Kamer geïnformeerd over het Actieplan voor de doelgroep jeugdigen met een levenslange en levensbrede beperking/aandoening (Triple L). In dit plan wordt ook het passend beschikken in duur, aard en omvang meegenomen.
Bij Kamerbrief van 22 januari 2021 is toegezegd dat KPMG een ondersteunend instrument voor gemeenten en cliënten zou ontwikkelen.4 In hoeverre heeft dit concreet bijgedragen aan het helpen van kinderen en jongeren met levenslange beperkingen?
Het is niet bekend of het KPMG rapport dat in februari 2021 in opdracht van VWS is uitgebracht7 concreet heeft bijgedragen aan het helpen van jeugd met een levenslange en levensbrede hulpvraag. Uit dit rapport volgen onder meer leidende principes, waarmee een wijkteam aan de slag kan gaan om de toegang tot zorg en ondersteuning te verbeteren en knelpunten in kaart te brengen. De wijkteams zijn in de afgelopen jaren vanuit het programma Zorg voor Jeugd praktisch ondersteund in het kader van het verbetertraject toegang hetgeen een vervolg krijgt in de Hervormingsagenda Jeugd. Zo organiseert Movisie op 28 november 2022 in samenwerking met o.a. de VNG en VWS vanuit het Verbetertraject Toegang een online kennisdeelbijeenkomst die zich richt op de toegang tot het sociaal domein voor mensen met een levenslange en levensbrede beperking.8
Bent u ook bekend met de crowdfundactie van Spirare, een van de organisaties die hoogbegaafde kinderen helpt, en zodanig in de financiële problemen zit dat het risico bestaat dat tientallen kinderen er straks niet meer terecht kunnen?5
Ja, we zijn bekend met de crowdfundactie van Spirare. Op 7 november j.l. heeft de Minister voor Primair en Voorgezet Onderwijs via een videoverbinding een gesprek gevoerd met de initiatiefnemers van Spirare, als onderdeel van een werkbezoek met ambtelijke vertegenwoordiging vanuit zowel VWS als OCW.
Vindt u dat ook hier weer dezelfde discussie speelt over de vraag wat gefinancierd moet worden door onderwijs en wat door zorg, en het onwenselijk is dat kinderen de dupe worden van een systeemdiscussie?
Spirare is een zorginstelling die geen onderwijs biedt. Daarmee lijkt hier geen sprake van een voorbeeld dat duidt op de voornoemde discussie. Deze instelling heeft op dit moment een liquiditeitsprobleem. In gesprek met Spirare is ambtelijk door VWS een aantal adviezen gegeven zoals advies te vragen aan de Jeugdautoriteit, te bekijken of zorg in natura in plaats van het werken met PGB’s mogelijk zou kunnen helpen en de optie van een expertisecentrum als onderdeel van Spirare om hun kennis en ervaring te delen.
De Minister voor primair en voortgezet onderwijs heeft tijdens voornoemde digitale ontmoeting met Spirare gesproken over onder andere het bieden van meer ruimte voor samenwerkingsverbanden bij de inzet van hun middelen, zoals binnen het experiment onderwijszorgarrangementen ook mogelijk wordt, en of dit initiatieven als Spirare ten goede zou kunnen komen.
Wat is de afgelopen jaren gedaan om initiatieven, die kinderen met een ondersteuningsvraag passende hulp bieden om schooluitval te voorkomen (of een alternatief te bieden), te ondersteunen? Wat zijn uw ideeën ten aanzien van deze initiatieven?
In algemene zin zijn dit soort initiatieven een wenselijke ontwikkeling, zeker daar waar combinaties van zorg en onderwijs worden georganiseerd. In de afgelopen twee jaar zijn dit soort initiatieven ondersteund in het kader van het project Proeftuinen onderwijszorgarrangementen (OZA). Dit project is inmiddels afgerond en de leerpunten zijn verwerkt in een eindevaluatie en een toolbox om de kennis die is opgedaan breed te delen. Ook is in het kader van het programma Met Andere Ogen in 2021 nader onderzoek gedaan naar financiering van OZA-initiatieven10 en volop informatie hierover gedeeld.
Om dergelijke initiatieven meer mogelijkheden tot maatwerk te bieden start per 1 januari het voornoemde experiment onderwijszorgarrangementen. Binnen dit experiment krijgen 80 initiatieven de mogelijkheid om onderwijs op een andere locatie dan de school te organiseren, af te wijken van wettelijke bepalingen met betrekking tot onderwijstijd en onderwijsinhoud en kunnen samenwerkingsverbanden een deel van hun budget flexibeler inzetten. Op basis van het experiment en hetgeen daarin geleerd wordt – zo heeft de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs toegezegd – zal na uiterlijk een jaar parallel gestart worden met een wetswijziging om dit breed mogelijk te maken.
Bent u het ermee eens, dat het niet uit te leggen is dat een groot deel van de 8,5 miljard euro, die in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs is uitgekeerd aan scholen, nu heeft geleid tot een stijging van de financiële reserves van scholen in het primair en voortgezet onderwijs, alsmede van samenwerkingsverbanden, terwijl tegelijkertijd kinderen met een ondersteuningsbehoefte vanwege financiële redenen niet naar school kunnen?
In algemene zin vinden wij het onwenselijk dat geld dat bedoeld is voor leerlingen wordt toegevoegd aan de reserves van scholen en samenwerkingsverbanden, als dit leidt tot bovenmatige eigen reserves. Dit geld is immers bedoeld voor het lesgeven aan kinderen en de ondersteuning die daarbij nodig is. Daarom werken we ook gericht aan het afbouwen van de reserves en aan een wetsvoorstel om in te kunnen grijpen wanneer er sprake is van bovenmatige eigen reserves.
De stijging van de financiële reserves door het Nationaal Programma Onderwijs wordt veroorzaakt doordat scholen de middelen die zij in 2021 hebben ontvangen nog niet in hetzelfde jaar hebben kunnen uitgeven. Dat betekent dat deze middelen weliswaar in het eigen vermogen zitten, maar wel op korte termijn zullen worden uitgegeven. Ik verwacht daarom ook dat de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs binnen de looptijd van het programma zullen worden uitgegeven aan de doelen van het NP Onderwijs en deze reserves zullen verdwijnen.
Uw Kamer wordt op korte termijn geïnformeerd over de financiële positie van het onderwijs over het kalenderjaar 2021. Daarnaast ontvangt u in het eerste kwartaal van 2023 nog een brief met een update van het ingezette beleid en extra te zetten stappen onder meer rondom de mogelijke (bovenmatige) reserves.
Bent u het ermee eens dat de problemen in de jeugdzorg ook het streven naar inclusief onderwijs aan kinderen met een handicap of een specifieke leerbehoefte raken? Zo ja, hoe rijmt u dit met de plannen die in het regeerakkoord staan over jeugdzorg, waaronder een toekomstige bezuiniging van 500 miljoen euro?
We delen op zichzelf de zorg dat de problemen in de jeugdzorg ook het streven naar inclusief onderwijs aan kinderen met een handicap en een specifieke leerbehoefte kunnen raken. Voor een aantal van deze kinderen zal naast extra ondersteuning vanuit het onderwijs ook aanvullende zorg nodig zijn om onderwijs te kunnen volgen. Om voor jeugdigen die dat nodig hebben blijvend hulp te kunnen bieden is een hervorming van de jeugdzorg nodig. Daarom werken we aan een Hervormingsagenda jeugd waarin we ook ingaan op de verbinding tussen onderwijs en zorg
Bent u bereid deze vragen ieder afzonderlijk en voor de behandeling van de begroting OCW te beantwoorden?
Ja.
Het onderzoeksrapport van Casual Academy over precaire werkomstandigheden in het hoger onderwijs |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Casualisation in Dutch Academia»?1
Ik heb het rapport Casualisation in Dutch Academia gelezen. Gebleken is dat tijdelijke contracten van invloed kunnen zijn op het welbevinden van werknemers. Negatieve effecten van tijdelijke contracten vind ik onwenselijk. Ik vind het belangrijk dat onderzoekers werken in een gezonde en sociaal veilige werkcultuur, waarin zij optimaal de kans krijgen zich te ontwikkelen.
Onderwijs- en onderzoeksinstellingen zijn vanuit hun rol als werkgever verantwoordelijk voor het personeelsbeleid. Door universiteiten en onderzoeksinstellingen is de laatste jaren gewerkt aan het verbeteren van de sociale veiligheid. Er zijn klachtenprocedures, vertrouwenspersonen en arbozorg. Universiteiten en vakbonden hebben het thema «verbetering carrièreperspectieven voor junior docenten en postdocs» gezamenlijk op de agenda gezet. Zij hebben afspraken gemaakt die inzetten op een verhoging van het aantal vaste contracten en hebben deze vastgelegd in de cao Nederlandse Universiteiten.
Het uitgangspunt van het kabinet is dat structureel werk in beginsel wordt georganiseerd op basis van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. In het coalitieakkoord staat dat ter bescherming van de werknemer tijdelijke arbeidscontracten beter gereguleerd zullen worden. De uitwerking van dit kabinetsvoornemen om regelgeving rond tijdelijke contracten aan te scherpen ligt bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De vormgeving van deze maatregelen zal generiek gelden.
Onderwijs- en onderzoeksinstellingen zijn vanuit hun rol als werkgever verantwoordelijk voor het personeelsbeleid. In mijn rol als stelselverantwoordelijke zet ik mij in voor meer rust en ruimte in het wetenschapssysteem. Ik verwijs in dit verband naar mijn beleidsbrief van 17 juni 2022 (Kamerstuk 31 288, nr. 964). Kwetsbare groepen, met name jonge onderzoekers en (tijdelijke) docenten, hebben hierin mijn specifieke aandacht. Om rust en ruimte in het stelsel te realiseren, investeer ik structureel € 200 miljoen per jaar in sectorplannen. In de sectorplannen wordt beschreven hoe de middelen gericht worden ingezet door de vaste capaciteit uit te breiden, zoals in het Kader voor sectorplannen is opgenomen. Bij de toekenning van de middelen toetst de Nationale Commissie Sectorplannen de sectorplannen aan dit kader. Bovendien investeer ik € 300 miljoen per jaar in de starters- en stimuleringsbeurzen. De doelen van de beurzen zijn het stimuleren van ongebonden onderzoek en het verlagen van de werk-, competitie- en aanvraagdruk. Omdat de beurzen voor onderzoekers met een vaste aanstelling bedoeld zijn, kan hier een stimulans van uitgaan voor universiteiten om meer mensen in vaste dienst aan te nemen. Tevens heb ik in het Bestuursakkoord 2022 hoger onderwijs en wetenschap met de universiteiten afgesproken het aandeel vaste en tijdelijke contracten in de wetenschap te monitoren. In het bestuursakkoord is als indicator opgenomen het percentage wetenschappelijk personeel met vaste en langdurige (>4 jaar) en tijdelijke dienstverbanden, uitgezonderd PhD’s en medewerkers in hun «proefperiode».2
Erkent u dat tijdelijke contracten een bron van angst en stress, de gezondheid en het welzijn van werknemers beïnvloeden?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat tijdelijke contracten in het hoger onderwijs verdwijnen? Deelt u de mening dat groei van het aantal tijdelijke contracten onwenselijk is? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat universiteitsbesturen opzettelijk werknemers ervan weerhouden om te voldoen aan de criteria voor een vast contract? Herkent u dit?
Ik herken dit niet, maar als het gebeurt, acht ik dat onwenselijk. De werkgever voert, binnen het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid gericht op voorkoming en, indien dat niet mogelijk is, beperking van psychosociale arbeidsbelasting.3In de organisatie moeten voldoende waarborgen zijn om werknemers te beschermen tegen verhindering om tot een vast contract te komen.
Erkent u dat flexcontracten kunnen leiden tot een gevoel van onzichtbaarheid van werknemers, hen kwetsbaar maakt voor misbruik en uitbuiting, academische vrijheid ondermijnt en een flinke impact hebben op de mentale en fysieke gezondheid van werknemers?
Ik onderken dat flexcontracten negatieve effecten kunnen hebben en die vind ik, zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 1, 2 en 3, onwenselijk.
Hoe gaat u ervoor zorg dragen dat medewerkers met flexcontracten zich geen zorgen meer hoeven te maken over uitbuiting en onveilige arbeidsomstandigheden?
De werkgever is primair verantwoordelijk om zorg te dragen dat medewerkers met flexcontracten zich geen zorgen hoeven te maken over uitbuiting en onveilige arbeidsomstandigheden. In aanvulling daarop zet ik mij er voor in om meer vaste contracten aan universiteiten te stimuleren.
Deelt u de mening dat tijdelijke contracten niet alleen de persoonlijke levens van werknemers op een negatieve manier beïnvloeden, maar ook de kwaliteit van het onderwijs? Kunt u dit toelichten?
De mate waarin een instelling bij het verzorgen van onderwijs gebruik maakt van docenten met een tijdelijk contract kan invloed hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Mede daarom wordt het personeelsbeleid van een instelling beoordeeld bij de instellingstoets kwaliteitszorg, of indien de instelling deze toets niet met succes heeft doorlopen, bij de uitgebreide opleidingsbeoordelingen ten behoeve van accreditatie.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat tijdelijke contacten enkel ingezet worden voor «piek en ziek» en structureel bij te houden wat de impact van tijdelijke contracten op werknemers en de kwaliteit van het onderwijs is? Zo nee, waarom niet?
«Piek en ziek» is niet de enige passende reden voor een tijdelijk contract aan de universiteit. Zo is het bijvoorbeeld voor promovendi en postdocs vaak passend om op basis van een tijdelijk contract te werken gezien de – meerjarig – projectmatige aard van de werkzaamheden.
Op dit moment acht ik het niet noodzakelijk structureel bij te houden wat de invloed van tijdelijke contracten is op de kwaliteit van het onderwijs. Het is bekend dat tijdelijke contracten van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van het onderwijs. Mede daarom wordt, zoals in mijn antwoord op vraag 7 is aangegeven, het personeelsbeleid van een instelling beoordeeld bij de instellingstoets kwaliteitszorg.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de afspraak in de cao Nederlandse Universiteiten dat «de flexibele schil van wetenschappelijk personeel [...] niet groter dient te zijn dan noodzakelijk en uitlegbaar is» wordt nageleefd?
Het is aan de cao-partijen om te zorgen dat deze afspraak wordt nageleefd. De universiteiten zijn als werkgever verantwoordelijk voor het navolgen van de gemaakte afspraken in de cao en het is de taak van de vakbonden om ervoor te zorgen dat de afspraken die zij met de werkgevers in de cao hebben gemaakt, worden nageleefd. De universiteiten en lokale vakbonden zijn hierover op dit moment met elkaar in gesprek.
Universiteiten en vakbonden zijn in september 2022 een gezamenlijke studie gestart om op basis van een analyse van gegevens vast te stellen hoe de contractuele positie van docenten in de volgende cao-periode kan worden verbeterd waarbij met name ook gekeken wordt naar de mogelijkheid om meer vaste contracten te creëren. Daarbij worden de mogelijkheden en beperkingen vanuit organisatieperspectief meegenomen. De uitkomsten van deze studie zijn input voor de onderhandelingen voor de volgende cao.
Bent u bereid structureel onderzoek te doen naar het aantal tijdelijke contracten op universiteiten en hogescholen en de gevolgen hiervan in kaart te brengen?
In mijn antwoord op vragen 1, 2 en 3 geef ik aan het aandeel vaste en tijdelijke contracten in de wetenschap te gaan monitoren. Tevens doen de Universiteiten van Nederland en de Vereniging Hogescholen reeds structureel onderzoek naar het aantal tijdelijke contracten op respectievelijk universiteiten en hogescholen. Zij publiceren hier jaarlijks cijfers over op hun website. Daarnaast houdt het Rathenau Instituut jaarlijks gegevens bij over tijdelijke contracten aan de universiteiten. Deze gegevens publiceert het Rathenau in een factsheet dat de cijfers in context plaatst en dieper ingaat op de verschillen tussen universiteiten en functiecategorieën.
Over de gevolgen van tijdelijke contracten is reeds een aantal rapporten gepubliceerd, waaronder het onderzoeksrapport van Casual Academy in oktober 2022. Ik heb in oktober 2022 een onderzoeksrapport over uitval van vrouwen in de wetenschap met uw Kamer gedeeld, waarin ook de invloed van tijdelijke contracten is onderzocht.4 Ook heeft de Arbeidsinspectie SZW5 zich verdiept in dit type vraagstukken naar aanleiding van een rapport van WOinActie6 over de werkdruk aan de universiteiten. In dat rapport worden tijdelijke contracten genoemd als een van de factoren die bijdragen aan de hoge werkdruk. Daarnaast doet het Rathenau Instituut elke vier jaar onderzoek naar wat wetenschappers motiveert in het zogeheten drijfverenonderzoek. Het drijfverenonderzoek geeft, naast andere inzichten, inzicht in de mate waarin onderzoekers en docenten aan universiteiten en hogescholen het niet kunnen krijgen van een vaste aanstelling ervaren als een belemmering bij het realiseren van hun ambities. De reeds beschikbare rapportages bieden inzicht in de gevolgen van tijdelijke contracten en ik zie op dit moment geen noodzaak hiernaar nog een extra onderzoek naar te laten uitvoeren.
Het IMG die wachttijd voor schadeafhandeling laat oplopen naar 21 maanden |
|
Faissal Boulakjar (D66), Sandra Beckerman (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Herkent u dat gedupeerden met mijnbouwschade die eerder 15 maanden moesten wachten op een beslissing op hun schademelding nu een brief krijgen dat ze nog zes maanden extra moeten wachten?
Ja, ik herken dit.
Deelt u de mening dat 21 maanden moeten wachten op een beslissing ontoelaatbaar lang is?
Ja. Ik deel uw mening dat een wachttijd van 21 maanden voor een besluit ontoelaatbaar lang is. Een lange wachttijd tot besluiten en bijbehorende onzekerheid maakt het proces voor gedupeerden te belastend. Het IMG streeft ernaar schademeldingen binnen een half jaar (26 weken) af te handelen. De gemiddelde gerealiseerde doorlooptijd (mediaan) voor fysieke schades van 2022 tot nu toe, ligt met 23 weken onder de streeftermijn (=26 weken). Het IMG geeft echter aan dat, als er sprake is van complexe dossiers, de beslistermijn kan oplopen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om midden- en kleinbedrijven of om monumenten met tot wel 400 schades. Helaas is het aantal langlopende dossiers van méér dan twee jaar oud het afgelopen jaar toegenomen. Zo lang moeten wachten op een besluit is ontoelaatbaar en kan redelijkerwijs niet van bewoners gevraagd worden.
Is het (nog verder) verlengen van de beslistermijn door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) overlegd met het ministerie?
Over het verlengen van de beslistermijn in individuele situaties, zoals meegedeeld in de door het IMG verstuurde brieven, wordt niet overlegd met het Ministerie van EZK. Sinds de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet Groningen is het IMG als zelfstandig bestuursorgaan een onafhankelijk instituut. Door de onafhankelijkheid waarmee het IMG zijn procedures vormgeeft, wordt met het Ministerie van EZK niet overlegd over de invulling van procedures. Zoals ook in het antwoord op vraag 2 aangegeven zijn wij het erover eens dat 21 maanden moeten wachten op een besluit redelijkerwijs niet van bewoners gevraagd kan worden. Juist in complexe situaties, is het belangrijk dat bewoners snel perspectief op een oplossing wordt geboden.
Hoeveel gedupeerden hebben de brief van het IMG ontvangen dat de beslistermijn verlengd is? Hoe vaak betrof het een materiële schademelding? Hoe vaak betrof het een immateriële schademelding?
Het IMG houdt niet separaat bij in hoeveel gevallen zij een brief met een verlenging van beslistermijnen hebben verstuurd. Het IMG houdt wel bij hoeveel schademeldingen er worden gedaan en hoe lang deze meldingen in behandeling zijn. Het aantal dossiers van meer dan één jaar oud is op peildatum 15 november 3.206. Het aantal dossiers van meer dan twee jaar oud is op peildatum 15 november 1.459. 45% van de reguliere schademeldingen wordt binnen een half jaar afgehandeld.
Herkent u dat het weer oprekken van de beslistermijn en het 21 maanden moeten wachten op een beslissing op een schademelding niet bijdraagt aan het herstel van vertrouwen?
Ja. Ik heb de afgelopen maanden met mensen in het aardbevingsgebied gesproken, en de lange wachttijden waren vaak een centraal thema waardoor gedupeerden zich gefrustreerd voelen. Het onderzoek «Gronings Perspectief» van Rijksuniversiteit Groningen concludeerde dat bewoners met langdurige en/of meervoudige schades meer stress ervaren dan bewoners waarvan het IMG de schades spoedig afhandelt. Daarnaast hebben deze gedupeerden minder vertrouwen in instanties zoals gemeenten, IMG/NCG of de overheid in het algemeen. Het zijn dus juist de complexe dossiers met een moeizaam verloop en lange doorlooptijd die niet bijdragen aan het herstel van vertrouwen. Om het vertrouwen onder bewoners te vergroten, is het dus van belang dat de behandeling van vastgelopen situaties meer prioriteit krijgt en hier spreekt EZK met IMG over.
Herkent u dat het lang moeten wachten op schadeloosstelling ook voor andere problemen zorgt bij eigenaren? Herkent u bijvoorbeeld de verhalen van gedupeerden die onnodig veel moeten stoken omdat ze verduurzaming uitstellen nu de schadeafhandeling niet geregeld is?
Zie het antwoord op vraag 5 voor problemen die bewoners ervaren bij langdurige procedures. Signalen over andere problemen als gevolg van het lang moeten wachten op schadeloosstelling zijn bij mij niet bekend. Het IMG geeft aan hier ook niet bekend mee te zijn.
Welke stappen gaat u zetten om te garanderen dat de beslistermijn op schademeldingen omlaag gaat?
Ik zal de ontwikkeling van het aantal langlopende dossiers blijven monitoren en zal, door middel van gesprekken met het bestuur van het IMG, aansturen op snellere behandeling van complexe en/of vastgelopen situaties.
Het blijkt moeilijk voor het IMG om bij complexe dossiers, waarbij schade en andere problematiek samenkomen, snelle resultaten te bieden: deze dossiers lost IMG nadrukkelijk samen met bewoners op. Het IMG heeft bijvoorbeeld een speciaal programma opgezet voor deze dossiers. Dit leidde ertoe dat het afgelopen jaar het aantal schademeldingen van tussen de 1 en 2 jaar oud vrijwel is gehalveerd, van circa 6.400 naar circa 3.200 aanvragen op dit moment (peildatum 15 november). Daarnaast is er een speciaal team dat zich bezighoudt met Impactvolle Dossiers. De voortgang hiervan wordt wekelijks door het bestuur besproken en waar nodig wordt de casus doorgeleid naar het interventieteam. Door eenvoudige schades af te handelen met een vaste vergoeding heeft het IMG extra capaciteit vrijgemaakt om complexe dossiers te behandelen. Het IMG zet dus al langer in op het voorkomen van lange doorlooptijden en geeft aan dit te prioriteren.
Herkent u dat de schadeafhandeling juist ook traag verloopt doordat er veel mechanismen zijn ingebouwd om gedupeerden te controleren (wantrouwen)?
Ten algemene geven bewoners aan zich zorgen te maken over de procedures en juridisering bij het IMG. Dit heeft mijn aandacht en ik laat daarom uitzoeken hoe een eventueel ander schademodel hierin kan helpen. Het IMG werkt ook mee aan dit onderzoek. Ik herken echter niet dat het IMG moedwillig meer controlerende stappen inbouwt in de procedures dan strikt noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn werkzaamheden. Voor verschillende regelingen zijn er werkwijzers ontwikkeld waarbij IMG vooraf zo ver mogelijk ingevulde formulieren klaar zet, met als doel de aanvraag voor bewoners te vergemakkelijken. Dit geldt bijvoorbeeld voor waardedaling en immateriële schade. Bij de regeling waarbij IMG, na aanvraag van een bewoner, een vaste vergoeding uitkeert bij een eerste melding van fysieke schade wordt de aanvrager gevraagd foto’s te uploaden of neemt een deskundige schade op. Als een aanvrager foto’s heeft geüpload, beoordeelt het IMG uiteraard wel of daarop schade is te zien. Dit soort mechanismen resulteren juist in een sneller verloop van de schadeafhandeling.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Groningen?
Ja.
Betalingen aan de heer Johan Vollenbroek (voorzitter van Mobilisation for the Environment) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wordt of werd Johan Vollenbroek, als persoon of via zijn milieuadviesbureau, betaald door het ministerie voor het geven van advies in het algemeen en voor zijn advies voor het inrichten van een «geitenpaadje» voor de bouw, geadviseerd door de heer Vollenbroek in een brief aan het ministerie ongeveer een half jaar geleden, in het bijzonder?1
Nee, de heer Vollenbroek heeft niet betaald gekregen voor zijn advies. De heer Vollenbroek heeft mij vanuit zijn rol als voorzitter van Mobilisation for the Environment (MOB) uit eigen beweging een brief gestuurd, zoals ik vaker brieven mag ontvangen.
In deze brief ben ik geadviseerd over het opstellen van een bouwvrijstelling voor enkel de woningbouw, bijvoorbeeld gestoeld op toepassing van een ADC-toets onder de Wet natuurbescherming.
Ik heb kennisgenomen van het advies. Op basis van een zorgvuldige overweging heb ik er afgelopen jaar voor gekozen om geen gebruik te maken van een ADC-toets als basis voor het toestaan van de woningbouw. Het is ondoenlijk om de precieze generieke compensatieopgave als onderdeel van een ADC-toets af te leiden en te realiseren voor woningbouw. Daarbij komt dat een voorstel om de ADC-toets toe te passen op grootschalige woningbouw waar dan ook in Nederland, naar verwachting niet veel kans maakt op een positief advies van de Europese Commissie. Een EC-advies is nodig als prioritaire habitats of soorten betrokken zijn, vanwege woningnood als «andere dwingende reden van groot openbaar belang». Werken met een negatief EC-advies is geen optie vanwege de rechtsonzekerheid die dat geeft. Het opstarten van de ADC-procedure kan in het uiterste geval wel soelaas bieden voor kleinschalige of regionale woningbouwprojecten.
Sinds de Porthosuitspraak heeft het kabinet een verdere aanpak met maatregelen in gang gezet, zoals deze ook in de Kamerbrief Voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos van 25 november 2022 zijn opgenomen. Om de administratieve lasten voor initiatiefnemers te verminderen zet het kabinet onder meer ook in op standaardisatie door middel van kengetallen of vuistregels. Het doel hiervan is om snel inzicht te verschaffen in de vraag of voor een activiteit geen vergunningplicht geldt. Om de administratieve lasten voor bouwprojecten met geringe stikstofemissies structureel te verminderen, wordt parallel aan de genoemde uitwerking van kengetallen of vuistregels, de mogelijkheden bezien om voor deze projecten een ondergrens toe te passen («generieke voortoets»), waaronder een project niet vergunningplichtig is. Juridische houdbaarheid is hierbij leidend.
Het bericht dat Bouwend Nederland waarschuwt dat er gaten in de weg komen door een dreigende asfaltcrisis. |
|
Erik Haverkort (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bouwend Nederland waarschuwt: Gaten in de weg door een dreigende asfaltcrisis»?1
Ja, ik ben bekend met het door u genoemde bericht.
Wat is uw reactie op dit bericht?
De aanname van Bouwend Nederland in het artikel dat de asfaltproductie komt stil te liggen, acht ik niet aannemelijk, omdat er asfaltbedrijven zijn die voldoen aan de normen en de asfaltcentrales maatregelen kunnen nemen om aan de normen te voldoen. In de kamerbrief van 7 juli 20222 staat ook aangegeven dat de omgevingsdiensten vooruitlopend op het schrappen van de erkende maatregel in gesprek zijn met de asfaltcentrales om hierop voor te sorteren.
De omgevingsdiensten en bevoegde gezagen hebben aangegeven dat de erkende maatregel (inname-certificaat met informatie over het teergehalte van het te recyclen materiaal) een beperking vormde voor het handhaven door het bevoegd gezag. Zo konden vergunningverleners bijvoorbeeld geen monitoringsverplichting opleggen voor PAK’s en kon evenmin worden gehandhaafd op overschrijdingen van de emissienorm. Om die reden is de erkende maatregel voor de PAK-emissies bij asfaltcentrales vervallen. De erkende maatregel blijkt namelijk niet te waarborgen dat aan de normstelling voor de PAK’s emissies wordt voldaan.
Zijn Rijkswaterstaat en Bouwend Nederland geconsulteerd voor het schrappen van de erkende maatregel voor de productie van asfalt? Zo ja, wat was de reactie van Rijkswaterstaat en Bouwend Nederland? Zo nee, bent u bereid om Rijkswaterstaat en Bouwend Nederland alsnog te consulteren?
Het schrappen van de erkende maatregel geeft invulling aan de toezegging aan de Tweede Kamer in de brief van 8 november 20213 dat de erkende maatregel geschrapt wordt, als deze niet voldoet. Met Bouwend Nederland en Rijkswaterstaat is gesproken over het schrappen van de erkende maatregel.
Het schrappen van de erkende maatregel maakt deel uit van de Verzamelregeling IenW uit de huidige Activiteitenregeling4. De verzamelwijziging bevat reparaties en technische wijzigingen in enkele bestaande regelingen (huidig recht), die samenhangen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze wijziging is op 4 november 2022 gepubliceerd en in werking getreden. In het kader van de invoering van de Omgevingswet vindt een formele consultatie plaats.
De bovengenoemde Activiteitenregeling vervalt namelijk bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de inhoud wordt opgenomen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving. Dit Verzamelbesluit Omgevingswet 2023 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, is ter consultatie voorgelegd: Overheid.nl | Consultatie Verzamelbesluit Omgevingswet 2023 (internetconsultatie.nl). Rijkswaterstaat is hierover geïnformeerd. Bouwend Nederland heeft aangegeven van deze mogelijkheid tot consultatie gebruik te willen maken.
Welk aandeel heeft het gebruik van circulair asfalt in de ambitie van Rijkswaterstaat om volledig circulair te werken in 2030? Wat zou het effect zijn op deze ambitie als de productie van circulair asfalt stil komt te liggen?
Nederland is koploper als het gaat om het hergebruik van asfalt, momenteel is 40 tot 50% van gebruikt asfalt afkomstig uit de asfaltcentrales. De ambitie is om dit hergebruik verder te optimaliseren. Dit zal komende jaren naar verwachting doorgroeien naar 70%.
Rijkswaterstaat is voor circulair asfalt deels afhankelijk van asfaltcentrales. In de brief aan de Kamer van 7 juli 20225 zijn de resultaten gepresenteerd van de inventarisatie van asfaltcentrales die aan de emissienormen voldoen. Hieruit blijkt dat er asfaltcentrales zijn, die aan de normen voor PAK’s kunnen voldoen6. Er is dan ook geen sprake van het geheel stil komen te liggen van de productie van circulair asfalt. Op 15 november 20227 heb ik uw Kamer een update verzonden waarbij ik ben ingegaan op de openstaande meetonderzoeken van het eerdere overzicht van 7 juli 2022.
Wat zou het effect zijn op onze ambitie voor de verkeersveiligheid van N-wegen, als we freesasfalt niet langer kunnen gebruiken voor de productie van circulair asfalt?
Freesasfalt heeft betrekking op het hergebruik van materialen. Uitgangspunt moet zijn dat het hergebruik van materialen niet leidt tot grotere risico’s voor de verkeersveiligheid.
Wat zou het effect zijn op onze ambitie voor het onderhoud van bestaande wegen en de bouw van nieuwe wegen voor nieuwe woonwijken, als de productie van circulair asfalt stil komt te liggen en we alleen nog nieuw asfalt kunnen gebruiken? Wat zou het effect zijn op de prijs van asfalt en op de begroting Infrastructuur en Waterstaat?
Aangezien er geen sprake is van het stil komen te liggen van asfaltcentrales is de verwachting dat de effecten daarvan voor aanleg en onderhoud van rijkswegen vooralsnog beperkt zijn. Op dit moment ondervindt Rijkswaterstaat geen knelpunten ten gevolge van verminderde productie voor aanleg en onderhoud van het Rijkswegennet. Het is niet goed in te schatten wat dit betekent voor de prijs van asfalt en de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De prijs van asfalt en andere materialen is van veel factoren afhankelijk. Verminderde beschikbaarheid van materialen zou kunnen leiden tot prijseffecten.
Wat zou het effect zijn op de ambities van provincies en gemeenten, als de productie van circulair asfalt stil komt te liggen en provincies en gemeenten alleen nog nieuw asfalt kunnen gebruiken?
De verwachting is dat de productie van circulair asfalt niet stil komt te liggen. Zoals aangegeven in het antwoord onder vraag 4 blijkt dat er asfaltcentrales zijn die kunnen voldoen aan de emissienormen van PAK’s.
Bent u bereid om de erkende maatregel voor de productie van asfalt nog niet te schrappen en om samen met Rijkswaterstaat en Bouwend Nederland de effecten van verschillende uitstootnormen eerst te onderzoeken en een uitstootnorm te laten ingaan die asfaltbergen voorkomt en de productie van circulair asfalt laat doorgaan?
Nee, de erkende maatregel is ingetrokken, zie antwoord onder vraag 4. Het intrekken van de erkende maatregel leidt niet tot een aanpassing van de normen. Ik vind het belangrijk dat er een niet-toxische leefomgeving is. Een mogelijke versoepeling van de emissienormen lijkt mij gelet op de gezondheidsrisico’s voor omwonenden niet wenselijk. Er zijn asfaltcentrales die aan de normen kunnen voldoen. Meer kennisuitwisseling tussen de centrales over mogelijke technische aanpassingen lijkt mij hier de gewenste route. Met Bouwend Nederland ben ik hierover in gesprek.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het notaoverleg MIRT van 28 november 2022?
Ja.
De ‘escalatie kanalen’ en het ‘desinformatieteam BZK’ naar aanleiding van een Wob-verzoek |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Is de Minister zich ervan bewust dat de Interdepartementale Werkgroep Desinformatie in een advies aan het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie te kennen heeft gegeven dat het BZK desinformatieteam toegang heeft «tot zogeheten «escalatie kanalen» van Facebook, Google en Twitter»?1
Ja. Het Ministerie van BZK heeft de status van «trusted flagger» bij Meta, Google, Twitter, TikTok en Snapchat. Trusted flaggers» meldingen worden door de genoemde sociale media platformen met prioriteit behandeld. Deze trusted flagger status kunnen deze online platformen ook geven aan andere overheidsorganisaties of NGO’s.2 Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen rondom verkiezingen: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan maken hierbij hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Het ministerie heeft via deze kanalen geen bevoegdheid bepaalde content te laten verwijderen.
Sinds wanneer zijn deze drie «escalatie kanalen» operationeel?
Het Ministerie van BZK is sinds mei 2019 trusted flagger binnen het Partner Support Portal bij Twitter. Dit account is aangevraagd in aanloop naar de provinciale staten verkiezing van 2019 en geactiveerd in mei 2019. Van dit account is tot 11 maart 2021 geen gebruik gemaakt.
Het Ministerie van BZK is sinds medio 2019 trusted flagger binnen het Election Security Escalation Channel van Facebook (nu Meta). Van dit account is tot 9 maart 2021 geen gebruik gemaakt.
Het Ministerie van BZK heeft bij Google, TikTok en Snapchat de status van «trusted flagger» gekregen in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezing van 2021.
Wie heeft waarom het initiatief genomen tot het oprichten van deze drie «escalatie kanalen»?
In 2019 boden Twitter en Facebook het ministerie de mogelijkheid een account aan te maken als trusted flagger zodat meldingen van het ministerie over des- of misinformatie, waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden, met prioriteit zouden worden behandeld. Het ministerie heeft gebruik gemaakt van dit aanbod maar de accounts pas in 2021 voor het eerst gebruikt.
In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezing van 2021 was er extra aandacht voor het tegengaan van desinformatie. In deze context is door meer online platformen de mogelijkheid tot het worden van «trusted flagger» opengesteld. Het ministerie heeft hier gebruik van gemaakt. Dit om voorbereid te zijn, mocht er veel desinformatie rondgaan over het verkiezingsproces.
Hoeveel verzoeken zijn er, sinds de oprichting van het «escalatie kanaal», door de overheid ingediend bij Facebook via het «escalatie kanaal»? Hoeveel van deze verzoeken zijn door Facebook ingewilligd en hoeveel niet?
Sinds het verkrijgen van de status «trusted flagger» medio 2019 heeft het Ministerie van BZK vier keer een casus voorgedragen bij Facebook/Meta gedaan.
De eerste melding bij Facebook/Meta werd gedaan op 9 maart 2021. Het betrof een video die rondging op Facebook, waarin werd gezegd dat je door te gaan stemmen gelijk toestemming zou geven voor een covid-19 vaccinatie. Deze informatie is op 8 maart 2021 ontkracht door onafhankelijke factcheckers.3 Het Ministerie van BZK heeft Facebook daarom op deze factcheck gewezen en gevraagd naar deze video te kijken. Facebook heeft daarop aangegeven dat de video voorzien is van een label vanwege de factcheck door onafhankelijke factcheckers.
De tweede melding werd gedaan op 17 maart 2021. Het betrof een bericht dat op Facebook en Twitter werd verspreid, waarin werd gezegd dat je deze verkiezingen twee vakjes rood mocht kleuren op het stembiljet. «Twijfel je nog steeds tussen de PVV en FvD? Vergeet niet, dit jaar mag je twee vakjes rood kleuren op het stembiljet», was te lezen in diverse berichten. Deze informatie is op 16 maart 2021 ontkracht door onafhankelijke factcheckers van DPA-factchecking. 4 Na deze factcheck werden dergelijke berichten al vaak van een label voorzien door Facebook, maar niet overal. Het Ministerie van BZK heeft daarom een melding gedaan van zeven berichten die nog niet van een dergelijk label waren voorzien.5 Ook heeft het Ministerie van BZK zelf een bericht op Twitter geplaatst in reactie op deze berichtgeving. Het inkleuren van twee vakjes leidt namelijk tot een ongeldige stem. Facebook heeft de zeven berichten daarna van een label voorzien.
De derde melding werd gedaan op 18 november 2021 namens een gemeente die een vraag had gesteld rondom de herindelingsverkiezingen voor de nieuwe gemeente Dijk en Waard, maar die zelf geen reactie kreeg van Meta. Het betrof een melding dat een link naar de lokale Stemwijzer werd geblokkeerd wanneer de gemeente deze op haar pagina wilde plaatsen kort voor de herindelingsverkiezingen. Het Ministerie van BZK vernam op 18 december 2021 van Facebook dat het probleem was opgelost.
De vierde en laatste melding bij Facebook/Meta werd gedaan op 9 maart 2022 namens een gemeente die een vraag had gesteld rondom de gemeenteraadsverkiezingen, maar die zelf geen reactie kreeg van Meta. Het betrof een melding van een raadslid uit de gemeente Beek dat zijn Instagram pagina en die van de lokale CDA-afdeling waren geblokkeerd, een paar dagen voor de gemeenteraadsverkiezingen. De gemeente kreeg zelf geen gehoor bij Meta, dus het Ministerie van BZK heeft het verzoek van de gemeente om te kijken wat er mis ging, overgebracht aan Meta. Meta liet het ministerie weten dat de accounts gedeblokkeerd waren, maar gaf geen reden voor de blokkade.
Hoeveel verzoeken zijn er, sinds de oprichting van het «escalatie kanaal», door de overheid ingediend bij Google via het «escalatie kanaal»? Hoeveel van deze verzoeken zijn door Google ingewilligd en hoeveel niet?
Sinds het verkrijgen van de status «trusted flagger» heeft het Ministerie van BZK geen enkele casus voorgedragen bij Google.
Hoeveel verzoeken zijn er, sinds de oprichting van het «escalatie kanaal», door de overheid ingediend bij Twitter via het «escalatie kanaal»? Hoeveel van deze verzoeken zijn door Twitter ingewilligd en hoeveel niet?
Sinds het verkrijgen van de status «trusted flagger» op 3 mei 2019 heeft het Ministerie van BZK tweemaal een casus voorgedragen bij Twitter.
De eerste melding werd gedaan op 11 maart 2021. Het betrof een mail van de gemeente Midden-Delfland dat haar Twitteraccount geblokkeerd was, en Twitter haar hier geen reden voor gaf. Het ministerie heeft bij Twitter navraag gedaan, waarbij Twitter reageerde er een probleem was met het verifiëren van een telefoonnummer dat aan het account gekoppeld was, maar dat het account inmiddels weer gedeblokkeerd was.
De tweede melding werd gedaan op 17 maart 2021. Het betrof een zelfde casus als beschreven onder vraag 4, de tweede melding bij Facebook. Het Ministerie van BZK heeft verder niet gevolgd wat Twitter met de gedane melding heeft gedaan.
Zijn verzoeken vanuit de staat via de «escalatie kanalen» altijd verzoeken om desinformatie te verwijderen of zijn er ook andere type verzoeken die via de «escalatie kanalen' kunnen worden doorgegeven?
Zoals ook opgemerkt in de beantwoording van vraag 1 kan het Ministerie van BZK de status van «trusted flagger» niet gebruiken om een verzoek tot verwijdering in te dienen. De status dient als middel om een melding te doen van berichten waarvan het ministerie vermoedt dat ze niet voldoen aan de gebruikersvoorwaarden van bedrijven. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan, maken hierbij nog altijd hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden, en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Het Ministerie van BZK zet de status van «trusted flagger» met grote terughoudendheid in: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van misleidende informatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. Of wanneer een gemeente rondom verkiezingen een vraag had voor Meta en zelf geen gehoor kreeg.
Kan de Minister de Kamer een afschrift toesturen van alle verzoeken die door het BZK desinformatieteam via deze drie «escalatie kanalen» zijn ingediend bij Facebook, Google en Twitter?
Ja, de afschriften zijn als bijlage toegevoegd bij deze brief.
Kan de Minister de Kamer een afschrift toesturen van de reacties van Facebook, Google en Twitter op alle verzoeken die door het BZK desinformatieteam via deze drie «escalatie kanalen» zijn ingediend bij Facebook, Google en Twitter?
Ja, de afschriften zijn als bijlage toegevoegd bij deze brief.
Hoe stelt het BZK desinformatieteam vast dat er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade toe te brengen?
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. Zoals aangegeven in eerdere Kamerbrieven is dit primair een taak van onafhankelijke factcheckers, media en wetenschappers. Wel heeft het Ministerie van BZK de taak om de integriteit van de verkiezingen te beschermen. Waar het gaat om misleidende of onjuiste informatie over het verkiezingsproces, zoals onjuiste informatie over de sluitingstijden van stemlokalen of de wijze van stemmen, kan het ministerie deze toetsen aan de geldende regels en procedures.
Betekent «doelbewust» dat het BZK desinformatieteam (om immers vast te kunnen stellen of er sprake is van «desinformatie» of niet) bij elk verzoek dat wordt ingediend via een «escalatie kanaal», eerst moet vaststellen wat de intentie van de verspreider van «desinformatie» is? Of betekent het iets anders? En betekent «doel om schade toe te brengen» dat deze intentie ook kwaadwillend moet zijn? Of betekent het iets anders?
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. De afdeling Democratie van BZK gebruikt de status van «trusted flagger» met grote terughoudendheid: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. Dit volgt uit de verantwoordelijkheid van BZK voor het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Het risico op belemmering van de integriteit van het verkiezingsproces staat daarbij centraal, niet de intentie van de verspreider.
Hoe slaagt het BZK desinformatieteam erin een onderscheid te maken tussen het bewust en het onbewust verspreiden van misleidende informatie? Welke methode, welke instrumenten, welke protocollen worden daarvoor gehanteerd? Kan de Minister een paar voorbeelden geven van het bewust versus het onbewust verspreiden van misleidende informatie?
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. Wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces belemmering zou kunnen ondervinden, kan het ministerie een melding doen bij een onder vraag 1 genoemde bedrijven... Voor het onderscheid tussen bewuste en onbewuste verspreiding van misleidende informatie kijken bedrijven bijvoorbeeld naar technieken die worden ingezet om berichten te verspreiden. Zo hadden internetdiensten Facebook, Twitter, Google, Microsoft, TikTok en Snapchat richting de Tweede Kamerverkiezing van 2021 maatregelen genomen om misinformatie en desinformatie tegen te gaan en hierop extra alert te zijn. Dit betekende onder meer dat door internetdiensten actief gezocht is naar gecoördineerd niet-authentiek gedrag die berichten kunstmatig populairder kunnen laten lijken.6
Staat er wellicht ergens op een ons nog onbekend «Ministerie van Waarheid» een apparaat waarmee men niet alleen met absolute zekerheid kan vaststellen of iets «waar» of «niet waar» (en dus wel of niet «misleidend») is, maar kan dit apparaat misschien gelijk ook feilloos de goedwillende dan wel kwaadwillende intentie van de verspreider van de misleidende informatie vaststellen?2 En als zo’n apparaat niet bestaat, hoe kan de Minister er dan zeker van zijn dat verzoeken ingediend door de staat bij Facebook, Google en Twitter via de «escalatie kanalen» om «desinformatie» te verwijderen niet onbedoeld resulteren in censuur van informatie die niet (doelbewust) misleidend is? Censuur die dus gelijk staat aan het onterecht en onnodig beknotten van de vrijheid van meningsuiting?
Nee, een dergelijk apparaat en het «Ministerie van Waarheid» bestaan allebei niet in Nederland.
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. Wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces belemmering zou kunnen ondervinden, kan het ministerie een melding doen bij een onder vraag 1 genoemde bedrijven. De betreffende bedrijven bij wie de melding wordt gedaan, maken altijd hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Hiervoor maken zij gebruik van de eigen gebruikersvoorwaarden.
Door gebruik te maken van diensten van online platformen – bijvoorbeeld door een account aan te maken, het online spelen van games, het plaatsen van eigen content of het lezen van content van overige gebruikers – stemmen gebruikers in met de gebruikersvoorwaarden van dat online platform. Hiermee gaan zij een civielrechtelijke overeenkomst met dat platform aan, waarbij het toepasselijke rechtsstelsel bij geschillen wordt bepaald door het betreffende platform. In het kader van de contractvrijheid staat het aanbieders van online platformen vrij om grenzen te stellen aan het soort content op hun platform en de manier waarop hun platform wordt gebruikt. Ook staat het hen vrij actie te ondernemen indien zij van mening zijn dat gebruikers hun gebruiksvoorwaarden overtreden. Dat behelst ook de mogelijkheid om content te verwijderen of een gebruikersaccount op te schorten. Het idee hierachter is, dat gebruikers zelf de vrijheid en mogelijkheid hebben om te bepalen of zij gebruik maken van een bepaald online platform – en daarmee instemmen met de gebruikersvoorwaarden – of niet. Voor meer informatie verwijs ik u graag door naar de Kamerbrief over contentmoderatie en vrijheid van meningsuiting op online platformen van 21 september 2021.8
Kan de Minister de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het innen van een schadevergoedingsmaatregel voor slachtoffers |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het verhaal van Cees, een zwakbegaafde autistische jongen, die is afgeperst op het internet, aan wie de schade nu niet vergoed wordt door de criminelen ondanks hun veroordeling daartoe?1
Ik kan niet ingaan op deze individuele zaak. In algemene zin vind ik het belangrijk dat slachtoffers van crimineel gedrag hun schade vergoed krijgen door de dader. Schadevergoeding kan slachtoffers namelijk ook een gevoel van erkenning geven.
Ik vind het daarom van belang dat het CJIB, dat is belast met de inning van schadevergoedingsmaatregelen, diverse instrumenten tot de beschikking heeft om de kans op betaling te optimaliseren.
Het CJIB bekijkt persoonsgericht welke mogelijkheden er bij de veroordeelde zijn om de schadevergoeding te innen. Het huidige instrumentarium stelt het CJIB in staat daders die willen betalen te helpen (o.a. met betalen in termijnen en de noodstopprocedure) en om daders die niet willen betalen daartoe te stimuleren of dwingen (inzet gerechtsdeurwaarder, beslag op banktegoeden en gijzeling). Dit werkt over het algemeen goed. Het merendeel van de daders betaalt (na verloop van tijd)de volledige opgelegde schadevergoeding: 70% na drie jaar, 80% na tien jaar. Tegelijkertijd is er dus ook een deel van de daders dat niet tot (volledige) betaling kan worden bewogen of betalingsonmachtig is.
Om te voorkomen dat slachtoffers lang op hun schadevergoeding door de daders moeten wachten of met schade blijven zitten, is de voorschotregeling in het leven geroepen. Op basis hiervan kan acht maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis een voorschot worden uitgekeerd voor de op dat moment nog niet betaalde schadevergoeding. Voor slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven is dit voorschot niet gemaximeerd. Voor overige misdrijven – waaronder dus ook internetfraude – wordt een voorschot van maximaal 5.000 euro uitgekeerd. Alhoewel dit niet voor alle slachtoffers de volledige schade zal vergoeden, wordt door de inspanningen van het CJIB en met deze voorschotregeling uiteindelijk ruim 90% van de slachtoffers volledig gecompenseerd. Dat betekent dat een kleine 10% van de slachtoffers helaas de schade niet volledig vergoed krijgt.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat kwetsbare mensen het slachtoffer worden van gewetenloze criminelen, en dat de politie in eerste instantie niet in staat was ook maar iets voor hen te doen vanwege gebrek aan opsporingscapaciteit?
Ja, ik deel de mening dat het schrijnend is als kwetsbare mensen het slachtoffer worden van een strafbaar feit en dat deze groep extra bescherming behoeft. In ons antwoord op vraag 4 en 5 gaan we in op de slachtofferrechten.
Politiecapaciteit is per definitie schaars, waardoor keuzes moeten worden gemaakt. Voor wat betreft de inzet van de politie geldt dat na overleg met het Openbaar Ministerie prioritering plaatsvindt. Bij deze afweging wordt naast de beschikbare capaciteit ook de opsporingsindicatie meegewogen.
Als vervolgens de daders door inzet van de familie van Cees in de val zijn gelokt en er wel een veroordeling ligt inclusief een forse schadevergoedingsmaatregel, hoe kan het dan dat er jaren later nog steeds geen cent is terugbetaald aan het slachtoffer?
Ik kan niet ingaan op deze individuele kwestie maar in z’n algemeenheid merk ik op dat het in bepaalde situaties lange tijd duurt voordat het slachtoffer zijn schade geheel vergoed krijgt. De inning bij de veroordeelde kan bijvoorbeeld moeilijk verlopen in de situatie dat het bedrag van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel hoog is, de veroordeelde weinig vermogen of een beperkt inkomen heeft of dat er geen betalingsbereidheid is bij de veroordeelde (bijvoorbeeld door het onvindbaar maken van vermogen). Indien mogelijk wordt in situaties beslag gelegd op bezittingen en/of woningen, waarbij dan de eventuele overwaarde kan worden ingezet. De mogelijkheden om tot betaling te komen raken evenwel in sommige gevallen toch uitgeput.
Het CJIB toetst periodiek de inkomsten en het eigen vermogen van veroordeelden. Het CJIB kan hierbij diverse bronnen raadplegen zoals het Kadaster of de RDW. Als blijkt dat er veranderingen zijn omtrent het eigen vermogen of inkomen van de veroordeelde, hervat het CJIB de inning.
Snapt u het gevoel van deze mensen dat zij hiermee voor de tweede keer in de steek gelaten worden door de overheid, omdat ze niet geholpen worden?
Ik begrijp dat het onbevredigend is voor slachtoffers als zij hun schade niet vergoed krijgen van de daders. De afgelopen tien jaar is er veel verbeterd voor slachtoffers en hun rechtspositie. Zo kunnen slachtoffers voor gratis hulp, advies en informatie terecht bij een aantal organisaties (zoals Slachtofferhulp Nederland), hebben slachtoffers spreekrecht gekregen en kunnen nabestaanden en naasten aanspraak maken op vergoeding van affectieschade.
Voorts zet de overheid zich maximaal in dat het slachtoffer zijn schade vergoed krijgt. Het strafproces is zo ingericht, dat slachtoffers zich als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen om een vergoeding voor hun geleden schade te vorderen. Deze voeging is laagdrempeliger dan de civiele procedure. Als de strafrechter een schadevergoedingsmaatregel oplegt, neemt het CJIB de inning en incasso voor het slachtoffer op zich. Dit neemt slachtoffers veel werk uit handen, kan stress helpen voorkomen en bespaart kosten. Dit is een voorbeeld van hoe de overheid oog heeft voor burgers die zich in een kwetsbare positie bevinden en hen in staat stelt aanspraak te maken op hun rechten. Beide zijn onmisbare elementen van een goede rechtsbescherming. Met deze inspanningen trachten wij het vertrouwen van burgers in de overheid te vergroten.
Erkent u ook dat onder andere hierdoor wantrouwen in de overheid ontstaat en versterkt wordt, omdat de overheid er niet voor je is als je die hard nodig hebt?
Zie antwoord vraag 4.
Snapt u ook het gevoel dat hier sprake is van klassenjustitie, omdat gewone mensen die een paar kilometer per uur te hard rijden prima gevonden kunnen worden door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), maar gewetenloze criminelen niet, omdat zij op slinkse wijze ervoor kunnen zorgen dat zij zelf en/of hun vermogen moeilijk te vinden zijn?
Het CJIB is namens de Minister voor Rechtsbescherming verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van verschillende soorten sancties. Er is geen sprake van klassenjustitie: het CJIB zet zich voor de inning van elke sanctie maximaal in. Voor de inning van verkeersboetes geldt dat deze in algemene zin makkelijker inbaar zijn dan bijvoorbeeld een schadevergoedingsmaatregel. Dit komt onder andere door de hoogte van het te vorderen bedrag; dat is bij verkeersboetes vaak (veel) lager, waardoor het bedrag sneller volledig geïnd is. Dit neemt overigens niet weg dat er ook burgers met verkeersboetes zijn die hun betalingsverplichting proberen te ontlopen.
Hoeveel meer mensen zitten in een soortgelijke situatie? Hoeveel schadevergoedingsmaatregelen kunnen niet worden geïnd, hoeveel personen (daders en slachtoffers) betreft dit en om hoeveel geld gaat het?
Het CJIB heeft mij bericht dat het exacte aantal slachtoffers dat zich in een soortgelijke situatie bevindt niet zonder intensief onderzoek uit de systemen kan worden gehaald.
Zijn de dwangmaatregelen om betaling af te dwingen voldoende, zoals het inzetten van deurwaarders of de mogelijkheid mensen opnieuw in hechtenis te nemen bij het uitblijven van betaling als zij wel kunnen maar niet willen betalen, en worden die ook consequent ingezet? Welke afweging vindt daar dan nog over plaats? Spelen in deze fase bijvoorbeeld ook overwegingen rondom inzet van capaciteit of de opportuniteit een rol?
Ruim 70% van de schadevergoedingsmaatregelen wordt binnen drie jaar door de dader volledig betaald. In de resterende zaken lopen dan in veel gevallen nog betalingsregelingen, waardoor dit percentage uiteindelijk oploopt naar ruim 80% na tien jaar.
Gelet op deze inningspercentages acht ik de middelen die het CJIB heeft om betaling van een schadevergoeding af te dwingen, voldoende. In de brief van 11 februari 20222 heeft de Minister voor Rechtsbescherming alle mogelijkheden uiteengezet. Deze zet het CJIB consequent in. Het CJIB beoordeelt persoonsgericht op welke wijze de inning van de schadevergoeding plaatsvindt. Bij de inning spelen overwegingen rondom inzet van capaciteit of opportuniteit geen rol. Als een veroordeelde wel kan maar niet wil betalen en betaling uitblijft kan de veroordeelde worden gegijzeld. De gedachte is dat de (dreiging van) toepassing van een dwangmiddel de dader prikkelt om zich maximaal in te spannen om de schadevergoeding snel en volledig te voldoen. Ook na een eventuele gijzeling blijft het CJIB tot aan het einde van de tenuitvoerleggingstermijn (artikel 76 Wetboek van strafrecht) de inning van de schadevergoeding vervolgen.
Waarom gebeurt er in deze zaak ogenschijnlijk zo weinig? Hoe kan het dat de familie er wel in slaagt via social media allerlei gegevens van de betalingsplichtigedaders te achterhalen maar de overheid niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft het toegezegde betere systeem van schadevergoedingen voor slachtoffers van misdrijven (naar aanleiding van de commissie Donner) vertraging opgelopen? Welke besluiten zijn hier al wel over genomen? Waar zit dit nu op vast?
De voorstellen uit het rapport van het adviescollege onder leiding van dhr. mr. J.P.H. Donner worden op dit moment binnen het «Programma Stelsel voor Compensatie Slachtoffers van een strafbaar feit» nader uitgewerkt. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de ketenpartners (OM, Schadefonds Geweldsmisdrijven, Rechtspraak, Slachtofferhulp Nederland, CJIB etc.). Het verder uitwerken van de voorstellen en het bezien van de consequenties ervan, ook voor wat betreft de kosten, is een omvangrijk en complex traject en kost meer tijd dan voorzien. Ik streef ernaar om de Tweede Kamer uiterlijk 1 juni 2023 een beleidsreactie op het rapport toe te zenden.
Welke maatregelen stelt u nu voor om de inning van schadevergoedingsmaatrelen zo spoedig mogelijk te verbeteren, om dit onrecht te bestrijden en in de toekomst te voorkomen?
Zoals is aangegeven in de beantwoording van vraag 8 bestaan er diverse instrumenten om een schadevergoedingsmaatregel te innen. Het CJIB spant zich zoals gezegd maximaal in op de inning van schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van slachtoffers. Dat laat onverlet dat blijvend zal worden gekeken op welke wijze de inning van schadevergoedingsmaatregelen kan worden verbeterd, en op welke wijze reeds bestaande instrumenten nog beter kunnen worden ingezet.
De beantwoording op de schriftelijke vragen over het bericht dat de vierbaans N18 waar 100 kilometer mag worden gereden blijft staan als piketpaal |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw beantwoording op de schriftelijke vragen over het bericht «Vierbaans N18 waar 100 kilometer mag worden gereden blijft staan als piketpaal»?1
Ja.
Klopt het dat in uw beantwoording een lage slachofferongevalsdichtheid, in combinatie met een hoog gemonetariseerd slachtofferongevalsrisico, betekent dat er relatief weinig ongevallen plaatsvinden, maar als er een ongeval plaatsvindt deze relatief ernstig is?
In de beantwoording is onderscheid gemaakt tussen de verschillende criteria die in de IMA in beeld zijn gebracht. Het betreft:
Een lage slachtofferongevalsdichtheid betekent dat er relatief weinig slachtofferongevallen plaatsvinden, in verhouding tot andere (vaak drukker bereden) rijkswegen die zijn onderzocht in de IMA. Een hoog slachtofferongevallenrisico betekent dat de kans op een slachtofferongeval (het aantal slachtofferongevallen afgezet tegen de hoeveelheid verkeer op de weg) relatief hoog is, in verhouding tot andere rijkswegen die zijn onderzocht in de IMA. Het gemonetariseerd slachtofferrisico vormt vervolgens een vertaling van de maatschappelijke kosten die hiermee samenhangen. In deze cijfers is geen rekening gehouden met niet-slachtofferongevallen (in de ongevallenregistratie bekend als UMS-ongevallen: uitsluitend materiële schade) en de verhouding tussen ongevallen waarbij wel of geen slachtoffers vallen (ernst). Over die verhoudingen kunnen op basis van de IMA dan ook geen uitspraken worden gedaan.
Hoe rijmt dit met uw beantwoording dat de kosten van de verkeersonveiligheid relatief laag zijn?
Zie ook de toelichting onder vraag 2 m.b.t. de in de IMA in beeld gebrachte criteria. De kosten van verkeersonveiligheid (uitgedrukt in miljoen euro per 10 km weglengte) betreffen een vertaling van de maatschappelijke kosten van het aantal slachtofferongevallen op een bepaalde weg. Het gemonetariseerd slachtofferrisico betreft een vertaling van de maatschappelijke kosten van het slachtofferongevallen risico op een bepaalde weg. Hierbij zijn de absolute aantallen slachtoffers afgezet tegen de totaal gereden kilometers op een weg. Een weg waar in absolute zin minder slachtoffers vallen (dus lagere kosten van verkeersonveiligheid) maar waar ook minder verkeer rijdt kan daarom tegelijkertijd hoger scoren op het gemonetariseerd slachtofferrisico.
Wat veroorzaakt specifiek de verkeersonveiligheid van de N18 en specifiek tussen Varsseveld en Groenlo?
De N18 tussen Varsseveld en Groenlo is een weg zonder rijbaanscheiding met een maximumsnelheid van 80 km/uur. Over het algemeen vinden op de doorgaande delen van de weg beperkt ongevallen plaats. Het zijn vooral de gelijkvloerse kruispunten waar ongevallen plaatsvinden. We onderscheiden daarin:
In de rij voor een verkeerslicht kunnen kop/staartongevallen plaatsvinden. Dit speelt in mindere mate bij kruispunten met verkeerslichten met zgn. dubbele opstelstroken.2 Twee kruispunten op de N18 hebben dat nog niet. Een daarvan vervalt medio volgend jaar omdat dit kruispunt (Zieuwentseweg) wordt opgeheven. Voor het andere kruispunt (Landstraat) is nog geen zicht op een oplossing.
Zoals op alle kruispunten met verkeerslichten vinden ook hier soms kop/staart ongevallen plaats vanwege stilstaand en/of optrekkend verkeer. Ook vinden flankongevallen plaats op het kruispunt zelf omdat bij kruisende bewegingen, ondanks verkeerslichten, het menselijk gedrag (bijv. door rood rijden of te hard rijden) nog steeds mede bepalend is.
Enkele kruispunten en oversteken zijn nu nog ongeregeld. De risico’s op kop/staart- en flankongevallen zijn op dit soort kruispunten groter dan bij kruispunten met verkeerslichten, maar voor deze locaties zijn maatregelen gepland.
In hoeverre verbeteren de door u aangekondige maatregelen voor de N18 de hiervoor genoemde verkeersveiligheid en specifiek tussen Varsseveld en Groenlo, zoals het voorzien van verkeerslichten op het laatste ongeregelde kruispunt en het treffen van bermmaatregelen?2
Met de maatregelen die al genomen zijn en die nog staan gepland verminderen we het aantal (ongeregelde) kruispunten op de N18.Minder (ongeregelde) kruispunten betekent in zijn algemeenheid een veiligere weg. Wanneer kruispunten ongeregeld zijn moeten gebruikers m.b.v. voorrangsborden en haaientanden zelf een inschatting maken. Met het plaatsen van verkeerslichten wordt deze menselijke inschattingsfactor (als men zich aan de regels houdt) zeer beperkt. Daarmee wordt de verkeersveiligheid aanzienlijk vergroot. Naast het verminderen van (ongeregelde kruispunten) is de weg voorzien van een markering die weggebruikers waarschuwt als ze per abuis naar de andere weghelft sturen door middel van een trilling en akoestisch signaal.
De volgende maatregelen staan nog gepland:
Verder concludeert de SWOV dat een belangrijke oorzaak voor dodelijke aanrijdingen op rijkswegen onoplettendheid of (bewust) risicogedrag van de weggebruiker is, maar dat de ernst van de afloop van het ongeval voor een belangrijk deel bepaald wordt door de inrichting van de berm. De belangrijkste infrastructurele maatregel ter voorkoming van een dodelijke afloop van ongevallen op rijkswegen is daarom ook een veilige inrichting van bermen. Met de € 200 miljoen die dit kabinet beschikbaar heeft gesteld voor verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen, wordt de komende jaren daarom ook diverse bermmaatregelen getroffen, waaronder op de N18.
In hoeverre zou u de MIRT-gelden kunnen gebruiken om het Rijk extra geld bij te laten dragen voor het verbeteren van de verkeersveiligheid van de N18 en specifiek tussen Varsseveld en Groenlo?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 zijn voor de komende jaren maatregelen voorzien om de verkeersveiligheid van de N18 te verbeteren. Hiervoor worden o.a. uit de € 200 miljoen die dit kabinet beschikbaar heeft gesteld voor verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen extra middelen in de N18 geïnvesteerd.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het MIRT-overleg van 28 november 2022?
Ja.
Het bericht 'Achterlijke situaties bij glastuinders, eerste bedrijven stoppen' |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Nieuwe Oogst «Achterlijke situaties bij glastuinders, eerste bedrijven stoppen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Het is bekend dat de gestegen energiekosten een grote impact hebben op de glastuinbouw. Dit heeft ook een effect op de keuzes die ondernemers maken, zoals extensivering, bedrijfsbeëindiging of elektriciteitslevering. Dit wordt ook beschreven in de tweede verkenning van WEcR van de mogelijke inkomenseffecten van de oorlog in Oekraïne voor bedrijven in de land- en tuinbouw die u op 9 november heeft ontvangen.2 Exacte cijfers zijn niet bekend, mede doordat er grote verschillen binnen de sector bestaan.
Meerdere ondernemers gaan stoppen met hun bedrijf of zijn genoodzaakt de productie aanzienlijk terug te schroeven, wat gaat dit volgens u betekenen voor het aanbod van groenten, zoals tomaten, paprika’s en komkommers?
Indien productie wordt verlaagd of beëindigd zal het aanbod van producten uit de glasgroententeelt afnemen. Mogelijk wordt het weggevallen aanbod vervangen door groenten uit het buitenland. In de eerder aangehaalde verkenning wordt uitgegaan van volumedalingen in 2022 van circa 10% voor komkommers en circa 15% voor tomaten. Voor paprika’s vermoed men dat de volumes ongewijzigd zijn ten opzichte van het vorige jaar. Hierbij wordt wel een voorbehoud gemaakt, namelijk dat de landelijke arealen van de diverse teelten ook van invloed zijn om bovengenoemde volumeontwikkelingen. Daarbij is de situatie divers en zijn er ook veel telers die het winterseizoen overslaan. Dat betekent dat het aanbod van Nederlandse groenten in de winter daalt, terwijl richting zomer veel aanbod gelijktijdig op de markt komt.
Wat zijn de gevolgen van het terugschroeven van de productiecapaciteit voor de prijzen van groenten?
In algemene zin zullen prijzen stijgen wanneer het aanbod daalt. De prijzen van groenten zijn echter ook sterk afhankelijk van opbrengsten in andere landen, gezien het om een internationale markt gaat en het de vraag is in hoeverre de daling in aanbod in Nederland door producten uit andere landen opgevuld zullen gaan worden. De verwachting is dat richting zomer het aanbod van Nederlandse groenten juist weer stijgt.
Het komende tekort aan groenten gaat waarschijnlijk gecompenseerd worden door import vanuit Marokko en Spanje. Dergelijke ontwikkelingen staan haaks op de duurzaamheidsambities. Wat is uw reflectie hierop?
Bij de beantwoording van deze vraag moeten twee voorbehouden worden gemaakt. Ten eerste is er niet genoeg data voorhanden om hier sluitende uitspraken over te doen. Ten tweede is het antwoord ook afhankelijk van of het duurzaamheidsperspectief smal (broeikasgasuitstoot) of breed (zoals effecten op biodiversiteit) is.
Voor tomaten uit Spanje en Marokko geldt dat deze veelal in de buitenlucht of onder plastic worden geteeld. In vergelijking met de Nederlandse glastuinbouw betekent dat dus een vermoedelijk minder energie-intensieve teeltwijze en dat er dus ook vermoedelijk minder koolstoflekkage optreedt. Dat moet opgewogen worden tegen het transport van de producten uit zuidelijke landen. Anderzijds scoort de Nederlandse glastuinbouw in algemene zin beter op watergebruik en wordt ook veel biologische plaagbestrijding ingezet.
Door de hoge gasprijzen en het ontbreken van financiële steun verplaatsen verschillende ondernemers hun research & developtment naar landen als India, wat zijn de gevolgen hiervan op onze concurrentiepositie?
Vanwege de uiteenlopende bedrijfssituaties en afhankelijkheden met de rest van de keten is het moeilijk om generieke uitspraken te doen over de specifieke gevolgen voor de concurrentiepositie. Enerzijds betekenen de hoge energieprijzen dat de glastuinbouw minder concurrerend wordt. Anderzijds zal, voor zover er concurrentie plaatsvindt met buitenlandse energie-intensieve glastuinbouw, dit effect ook gelden voor het buitenland.
In een ledenenquête van glastuinbouw Nederland geeft 8% van de ondernemers aan dit jaar faillissement aan te moeten vragen, wat zijn hiervan de gevolgen voor onze hoogwaardige tuinbouwcluster?2
Het is vanwege de uiteenlopende bedrijfssituaties en afhankelijkheden met de rest van de keten moeilijk om generieke uitspraken te doen over wat het effect is van faillissementen op de rest van het cluster. In algemene zin kan gesteld worden dat een disruptie zoals de energiecrisis negatief is voor het cluster, dit heeft immers ook effect op de keten van toeleveranciers en afnemers. Daarbij kunnen de hoge kosten leiden tot minder investeringsruimte. Door de diversiteit binnen de sector is het lastig in te schatten wanneer een dusdanig keteneffect optreedt dat het cluster als geheel wordt bedreigd.
Kunt u vertellen waarom de motie van de leden Grinwis en Erkens over een tijdelijke correctieregeling duurzame warmte in het leven roepen (Kamerstuk 29 023, nr. 322)?
Helaas lijkt er een deel van de vraag weggevallen. Ik ga er daarom vanuit dat de vraag ziet op de stand van zaken van de afhandeling van de motie. Ik verwacht uw Kamer op korte termijn over de uitvoering van de motie te kunnen informeren.
Vanwege de hoge energieprijzen en het uitblijven van afdoende financiële steun is er geen kapitaal om te investeren in verdere verduurzamingsmaatregelen, wat zijn de gevolgen hiervan op de energietransitie?
Het is vanwege de uiteenlopende situaties op bedrijfsniveau lastig te zeggen wat het effect is van de energiecrisis op de energietransitie. Wel worden via verschillende instrumenten middelen vrijgemaakt voor de energietransitie in de glastuinbouw, zo is het budget voor subsidie op energiebesparende maatregelen opgehoogd naar € 60 mln. om zoveel mogelijk aanvragen te kunnen honoreren. Tegelijk wordt met Glastuinbouw Nederland en Greenports Nederland gesproken over mogelijkheden om de energietransitie te versnellen. Voorts kan ik u melden dat eraan gewerkt wordt dat de Borgstelling MKB-Landbouwkredieten zo gauw als de staatssteun-goedkeuring verkregen wordt, tijdelijk een optie gaat bieden voor glastuinbouwbedrijven die vanwege de hoge energieprijzen over aanvullend werkkapitaal moeten kunnen beschikken om in bedrijf te kunnen blijven. De Kamer is daarover in een aparte brief van mijn collega’s van EZK en LNV (2022Z25539) uitgebreider geïnformeerd.
Kunt u elke vraag afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Het is vanwege de benodigde afstemming helaas niet gelukt om aan dit verzoek te voldoen.
Terugtreden aannemer bij sloop-nieuwbouw in het kader van de versterkingsoperatie in Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de eigenaar van een onveilige woning in het centrum van Loppersum na jaren wachten op de sloop-nieuwbouw van zijn woning nu te horen heeft gekregen dat de aannemer zich terugtrekt?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de aannemer dit doet omdat de overheidsinstelling Nationaal Coördinator Groningen (NCG) na al die jaren nog geen duidelijkheid geeft over budget en planning en slecht communiceert? Herkent u dat het voor aannemers die elders ook goede opdrachten kunnen krijgen zonder zekerheid erg moeilijk is om voor de NCG te werken?
Nee. De aannemer heeft aan de NCG aangegeven dat hij om andere redenen deze opdracht teruggeeft. Het uitgangspunt is dat aannemers, de NCG en bewoners goede afspraken met elkaar maken voordat de opdrachtverlening aan de aannemer plaatsvindt.
Herkent u dat de woningeigenaar al in 2018 heeft aangegeven dat zijn gezin onderdoor is gegaan aan het wonen in een kapot en onveilig huis en het moeten strijden om herstel?
Ja. Ik herken dat een moeizaam verlopend versterkingstraject negatieve invloed kan hebben op de mentale gesteldheid van bewoners. Daar wil ik iets aan doen. In mijn brief van 23 november jl. (kenmerk 2022D49408) heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn aanpak van het welzijn van bewoners in het aardbevingsgebied.
Herkent u dat de strijd, de boosheid en stress een negatieve invloed hebben gehad op het functioneren van de woningeigenaar als vader, als partner, als professional, op zijn humeur, zijn mentale gezondheid en de wijze waarop hij in het algemeen in het leven staat?
Zie antwoord vraag 3.
Is het u bekend dat juist om deze reden terecht is gekomen bij de Commissie Bijzondere Situaties?
De gemeente heeft, op het moment dat dit mogelijk was, dit adres bij NCG voorgedragen om met prioriteit op te pakken. Het adres is toegewezen aan het programma Versterking Bijzondere Situaties (VBS) van de NCG.
Herkent u dat de Commissie Bijzondere Situaties er is voor mensen die dringend hulp nodig hebben? Herkent u dat het doel is om samen een oplossing te vinden waarmee mensen weer verder kunnen?
Zie antwoord vraag 5.
Zo ja, hoe kan het dat er na tweeënhalf jaar onderdeel te zijn van deze regeling geen oplossing is, hij niet verder kan en er nu nieuwe vertraging optreedt door het terugtreden van de aannemer?
Met de aanmelding bij het programma Bijzondere Situaties is de versterking met prioriteit opgepakt door de NCG. Er ligt inmiddels een versterkingsadvies voor dit adres en het uitvoeringsontwerp ligt bij de gemeente voor de vergunningaanvraag. Het terugtrekken van de aannemer kan tot vertraging leiden. Er wordt echter zo snel als mogelijk een voorstel gedaan voor een vervangende aannemer.
Wat gaat u doen om te zorgen dat er wel een dringend nodige oplossing komt?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u zich voorstellen hoe groot de mentale klap is nu een commissie die moet zorgen dat mensen verder kunnen na mentale klappen van de overheid ook weer faalt in haar aanpak?
Ja. Zie mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
Herkent u dat deze woningeigenaar en andere gedupeerden vast komen te zitten en geen regie meer hebben door deze gang van zaken?
Het teruggeven van een opdracht door een aannemer in een dusdanig laat stadium is een uitzonderlijke situatie. Dit neemt niet weg dat ik ook zie en hoor over vele moeizaam verlopende versterkingstrajecten die en zware wissel trekken op het welzijn van bewoners.
Herkent u dat de situatie van deze woningeigenaar symbool staat voor problemen van veel meer gedupeerden in het mijnbouwgebied?
Het teruggeven van een opdracht door een aannemer in een dusdanig laat stadium is een uitzonderlijke situatie. Dit neemt niet weg dat ook ik zie en hoor over vele moeizaam verlopende versterkingstrajecten die een zware wissel trekken op het welzijn van bewoners.
Herkent u dat het wanhopig maakt dat zelfs in het centrum van Loppersum mensen ruim 10 jaar na de aardbeving bij Huizinge nog zo ver van een veilig huis zijn?
Ja. Ik herken dit onder meer uit mijn werkdagen in Groningen. Het blijft mijn hoogste prioriteit om bewoners zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden.
Is het u bekend dat dit niet de eerste keer is dat aannemers in Groningen besluiten opdrachten terug te geven omdat het werken in opdracht van de overheidsinstelling NCG voor veel problemen zorgt?
Ja. Het is mij bekend dat een beperkt aantal aannemers zich heeft teruggetrokken uit projecten. De NCG is met deze aannemers in gesprek om te achterhalen wat de redenen zijn voor de besluiten om opdrachten terug te geven. Het teruggeven van een opdracht door een aannemer in een dusdanig laat stadium, zoals het geval is in Loppersum, is gelukkig een uitzondering.
Herkent u dat de Kamer vorig jaar aan de bel trok toen bekend werd dat aannemers de versterkingsopdracht van 90 woningen terug gaven?1
Ja.
Hoe gaat het met deze groep bewoners die vorig jaar langer moesten wachten doordat aannemers de opdrachten teruggaven? Hoe ver zijn zij inmiddels in hun traject? Hoe waarderen deze bewoners het traject?
Na het opnemen en beoordelen bleek dat de betreffende 90 woningen in aanmerking kwamen voor sloop-nieuwbouw. In het programma Bouwimpuls heeft de NCG met de aannemers de afspraak gemaakt dat zij enkel de bouwkundige versterking realiseren van bestaande woningen. De adressen zijn daarom vanuit het programma Bouwimpuls verplaatst naar het reguliere versterkingstraject bij de NCG. De NCG en de gemeente pakken de uitvoering van deze adressen versneld op en in de communicatie met bewoners is hiervoor expliciet aandacht.
Hoe vaak hebben aannemers in de versterkingsoperatie opdrachten teruggegeven?
Zie mijn antwoord op vraag 13. Het exacte aantal wordt niet centraal geadministreerd.
Herkent u dat er veel signalen zijn waarbij aannemers een begroting maken die niet wordt goedgekeurd door de NCG?
Ik herken de signalen dat begrotingen worden afgekeurd. De NCG beoordeelt begrotingen op marktconformiteit. Bij excessieve afwijkingen wordt overlegd met de betreffende aannemer over de afwijkingen. Op basis hiervan vindt al dan niet een bijstelling plaats. Dit is maatwerk per aannemer.
Herkent u dat er signalen zijn dat de NCG ook tijdens versterking en sloop-nieuwbouw facturen van aannemers niet of vertraagd betaald?
Ja. De NCG betaalt in meer dan 95% de van de gevallen de facturen van aannemers binnen de termijn van 30 dagen. De NCG streeft ernaar dat alle aannemers op tijd worden betaald.
Herkent u dat het bewoners tot wanhoop drijft wanneer er vertraging optreedt in vaak al langslepende trajecten?
Ja. Zie mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
Herkent u voorts dat er ook in trajecten die zijn gestart om de versterkingsoperatie te versnellen alsmede in trajecten die zijn gestart om bewoners meer te ontzien en te steunen vertraging ontstaat vanwege gedoe om geld?
Ja. Om dergelijke complexe situaties te voorkomen heeft de NCG een knelpuntenpot om knelpunten op te lossen en lopende projecten verder te brengen.
Heeft u gesprekken gehad met aannemers over het werken voor de NCG? Zo nee, bent u bereid om met aannemers in gesprek te gaan om te horen welke problemen zij ervaren en welke kansen zij zien voor verbetering?
Ik ben bereid om hierover met aannemers in gesprek te gaan. In een van mijn werkdagen in Groningen begin 2023 zal ik hier invulling aan geven. De NCG voert daarnaast geregeld gesprekken met aannemers. Dit vindt op projectniveau plaats, en tijdens evenementen zoals de door de NCG georganiseerde bouwtafels.
Hoe gaat u zorgen dat vertraging door toedoen van de NCG wordt geminimaliseerd? Welke stappen heeft u daar reeds voor gezet? Welke stappen gaat u zetten?
De NCG heeft stappen gezet om vertraging in het versterkingsproces te minimaliseren. Zo werkt de NCG met het Meerjarenversterkingsplan (MJVP). Het MJVP creëert samenhang in de versterkingsoperatie, maakt de benodigde capaciteit voor de komende jaren inzichtelijk en biedt continuïteit richting aannemers. Dit heeft de NCG de afgelopen tijd gedaan door bijvoorbeeld te werken met een inkoopkalender en via het plan Vergroten Uitvoeringscapaciteit. Ik kijk momenteel met de NCG kritisch naar de processen om vertragende factoren te identificeren en op te lossen.
Kunt u deze vragen voor het wetgevingsoverleg Groningen beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘GGD trekt stekker uit digitaal jeugddossier ondanks investering van miljoenen’ |
|
Simone Richardson (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «GGD trekt stekker uit digitaal jeugddossier ondanks investering van miljoenen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte op basis van welke kwaliteits- en functionaliteitseisen het project is stopgezet? Zo nee, bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen? Zo ja, wat zijn deze kwaliteitseisen?
Het besluit om te stoppen met het GGiD is een besluit dat genomen is door de drie GGD (algemeen) besturen zelf. De afhandeling hiervan is eveneens een aangelegenheid van de besturen van de GGD’en. VWS is stelselverantwoordelijk voor de Wet publieke gezondheid (Wpg) waar de jeugdgezondheidszorg (JGZ) onder valt. Gemeenten dienen op grond van de Wpg ervoor zorg te dragen dat de JGZ wordt uitgevoerd, waarbij zij zelf kunnen kiezen wie dat gaat doen – bijvoorbeeld een GGD. Het stopzetten van de ontwikkeling van dit digitale jeugddossier heeft geen impact op de taakuitvoering van de JGZ in deze regio’s.
Bent u op de hoogte vanaf welk moment er werd getwijfeld aan de haalbaarheid van het project en hoe lang het heeft geduurd voordat er een knoop hieromtrent is doorgehakt? Zo nee, waarom niet? Waar worden de gemaakte kosten voor dit project belegd?
Omdat het sluiten van een overeenkomst met een softwareleverancier een aangelegenheid is van de GGD’en en hun bestuur ben ik hier niet van op de hoogte gebracht. De drie GGD’en hebben continu intensief overleg gehad met de leverancier om te komen tot een werkend GGiD. Gedurende het ontwikkeltraject zijn onder meer externe toetsingen gedaan op o.a. kwaliteit, functionaliteit, privacy en rechtmatigheid Daar waar nodig heeft bijsturing plaats gevonden. Met de leverancier is echter een blijvend verschil van inzicht ontstaan over de kwaliteit en functionaliteit van het GGiD. Daarmee is een impasse ontstaan. Er gaat door de betrokken GGD’en gestart worden met een onderzoek en evaluatie omtrent dit project in alle betrokken regio’s.
Voor wat betreft de kosten: volgens de Wpg (en de bijbehorende Regeling eisen software) zijn gemeenten er verantwoordelijk voor dat er in de JGZ gebruik wordt gemaakt van een digitaal dossier voor de jeugdgezondheidszorg. De financiering voor het laten uitvoeren van JGZ en het RVP door gemeenten, inclusief de digitale gegevensuitwisseling, gebeurt via het Gemeentefonds. Kortom: de financiële consequenties zijn in eerste instantie voor de GGD’en, en daarmee voor de desbetreffende gemeenten.
Is de leverancier die betrokken was bij de uitvoering van dit project betrokken bij andere digitaliseringsprojecten van de overheid? Zo ja, hebben u signalen bereikt dat er ook in andere casussen projecten met deze leverancier afgebroken dreigen te worden?
De leverancier die betrokken was bij de uitvoering van dit project heeft op dit moment geen directe digitaliseringsprojecten bij VWS. Daarnaast is het sluiten van een overeenkomst met een softwareleverancier een aangelegenheid van de GGD’en en hun bestuur.
Op welke manier neemt u de resultaten uit de evaluatie die nog uitgevoerd moet worden mee om ervoor te zorgen dat het in andere situaties niet misloopt? Worden deze resultaten bijvoorbeeld breed gedeeld onder alle gemeenten?
In elke betrokken GGD regio wordt een evaluatie uitgevoerd. De algemeen besturen van de GGD’en zijn opdrachtgever, of anderzijds zeer nauw betrokken, en bepalen hoe de evaluatie vormgegeven, besproken en verspreid gaat worden.
Daarnaast bespreken wij in de periodieke overleggen die wij voeren met GGD GHOR NL en andere veldpartijen het belang van een goede registratie en gegevensuitwisseling.
Welke stappen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst zo min mogelijk zal voorkomen?
Het is, gelet op de verantwoordelijkheidsverdeling, niet aan mij om met een reactie te komen. Zoals ook in de berichtgeving wordt vermeld, valt het besluit om te stoppen de drie besturen van de GGD’en zwaar juist ook vanwege de financiële consequenties voor de GGD en daarmee ook voor de gemeenten. Vandaar dat in alle betrokken regio’s het traject van het GGiD wordt geëvalueerd. Het is vervolgens aan de GGD’en om al dan niet opvolging te geven aan de conclusies en aanbevelingen uit de evaluatie.
Bent u bereid om deze vragen afzonderlijk te beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Jeugd en aanverwante zaken op 21 november? Zo nee, waarom niet?
Bij deze ontvangt u een reactie op de Kamervragen binnen de gestelde termijn.
Het bericht 'Zonder ingrijpen valt nieuwbouw terug naar 45.000 woningen per jaar' |
|
Peter de Groot (VVD), Fahid Minhas (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zonder ingrijpen valt nieuwbouw terug naar 45.000 woningen per jaar»?1
Ja.
Kunt u toelichten of u het eens bent met de conclusie in het artikel dat de jaarlijkse woningbouw kans maakt om terug te vallen tot 45.000 woningen als we door blijven gaan met de huidige aanpak?
Bij de realisatie van nieuwbouwwoningen spelen allerlei factoren een rol die belemmerend kunnen zijn. Deze belemmeringen worden geadresseerd in het programma Woningbouw met de daarin beschreven vier actielijnen. Juist nu de omstandigheden moeilijker zijn geworden, is het van groot belang dat de huidige aanpak met nog meer inzet uitgevoerd wordt. Alle betrokken partijen, overheden, marktpartijen zoals ontwikkelaars, bouwers en beleggers en ook de corporaties zijn daarbij onmisbaar en ik ben daarom met deze partijen continue in overleg over het wegnemen van belemmeringen. Ik hou nadrukkelijk vinger aan de pols nu de economische omstandigheden veranderd zijn.
Kunt u toelichten hoe u aankijkt tegen het beeld dat de start van bouwprojecten die reeds onherroepelijk zijn vergund wordt uitgesteld?
De woningbouw kan worden vertraagd door de processen en procedures bij onder meer vergunningenverlening. Met actielijn twee 2 van Programma Woningbouw en de Wet versterking regie op de Volkshuisvesting zet ik in op het generiek versnellen de woningbouw. Om de bouwproductie te verhogen is het cruciaal dat wordt gewerkt aan het sneller, slimmer en efficiënter inrichten van de processen en procedures bij woningbouwontwikkeling. van processen en procedures en op versterking van juridische instrumenten voor gemeenten, provincies en Rijk.
Daarom kom ik begin volgend jaar met een plan van aanpak om de woningbouw te versnellen.
Hoe kijkt u aan tegen het alleen verstrekken van subsidie en/of het investeren in woningbouwprojecten die ook daadwerkelijk van start gaan, anders dan de bestaande Woningbouwimpuls die meer op toekomstige plannen is gericht?
Met verschillende financiële middelen draagt het Rijk bij aan de bouw van woningbouwprojecten, zoals de Woningbouwimpuls. Een van de voorwaarden voor de Woningbouwimpuls is dat de woningen uiteindelijk ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. We bekijken of de huidige financiële regelingen afdoende zijn en of er aanleiding voor aanpassing of een andere financiële regeling. In het Wetgevingsoverleg Ruimte en Wonen van 14 november jl. heb ik toegezegd om het vervolg van de inzet van de middelen voor de Woningbouwimpuls zoveel mogelijk te laten toekomen aan het doel om juist de komende jaren door te bouwen en dat ik in het voorjaar op terugkom op welke wijze ik dat voor me zie.
Hoe gaat u de te verwachte uitval, van soms wel 40% zo blijkt uit onderzoek, bij binnenstedelijk bouwen ondervangen?
Zoals ook is aangegeven in de Kamerbrief van 8 november over de antwoorden op de Kamervragen van het lid de Groot (VVD) over het bericht «Straatje erbij in elk dorp oplossing woningcrisis» is het onderdeel van mijn bestuurlijke afspraken om voldoende zekerheid te krijgen voor wat betreft bouwlocaties, provincies en gemeenten zorgen voor een overmaat aan bouwlocaties in de plannen. Die afgesproken overmaat is 130% in de provincies met het hoogste woningtekort. Die overmaat moet ook op peil blijven, zodat er voldoende plannen beschikbaar blijven als plannen vertragen of vervallen. Ik wil dat in de woondeals ook marktpartijen en corporaties daar een bijdrage aan kunnen leveren door te signaleren wanneer plannen vertragen, of door reservelocaties aan te dragen, ingeval er locaties vertragen of afvallen.
Ook veranderende marktomstandigheden spelen een rol. We hebben op dit moment te maken met veel onzekerheid in de markt, bijvoorbeeld als het gaat om kosten van materialen. Daarom heb ik eerder dit jaar samen met de bouwsector de intentieverklaring «samen doorbouwen in onzekere tijden» opgesteld. Partijen spreken daarbij de intentie uit om samen door te bouwen en maken onderling afspraken over hoe ze omgaan met de risico’s. We liggen voor dit jaar op koers om de doelstelling van 80.000 woningen te realiseren. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 hou ik nadrukkelijk samen met de andere partijen vinger aan de pols ten aanzien van de veranderende economische omstandigheden en zetten we samen de schouders eronder om de belemmeringen van onder andere economische tegenwind op te vangen.
Bij hoeveel van de ruim 900.000 aangeboden woningen door de provincies is gebruik gemaakt van binnenstedelijke focus, of de ladder van binnenstedelijke verduurzaming?
Zoals ook is aangegeven in de Kamerbrief van 8 november over de antwoorden op de Kamervragen van het lid de Groot (VVD) over het bericht «Straatje erbij in elk dorp oplossing woningcrisis» beschik ik nu niet over een dergelijk overzicht. ABF raamt dat 35 à 40% van de huidige woningbouwplannen buiten bestaand bebouwd gebied ligt. Ik zet er bij de woondeals op in dat meer focus komt te liggen op kansrijke locaties, zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk.
Bent u het eens met een van de oorzaken die in het artikel wordt genoemd, dat het besluit van tien jaar geleden om te stoppen met het ontwikkelen van grote woningbouwlocaties, een verkeerde inschatting is geweest? Zo nee, waarom niet?
Momenteel zijn veel mensen op zoek naar een woning. Daarbij kunnen veel mensen geen woning vinden die past bij hun inkomen. De decentralisatie van het woningbouwbeleid heeft ertoe geleid dat er onvoldoende sprake is geweest van richtinggevende bouwdoelstellingen. Met de Nationale Woon- en bouwagenda, en in het bijzonder het Programma Woningbouw, herneemt de overheid de regie om zo snel het woningtekort in te lopen. Grootschalige woningbouwlocaties zijn daarbij van groot belang omdat alleen kleine en middelgrote locatie niet voldoende zijn om bij te dragen aan de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030.
Bent u bereid om te kijken naar de in het verleden succesvolle aanpak Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex) en de lessen van deze aanpak te betrekken in het nemen van meer landelijke regie bij het sturen op grootschalige woningbouwlocaties? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om te kijken naar de lessen uit de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra Vinex. Ik zie parallellen tussen de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra en de opgaven waarvoor we nu gesteld staan. De VINEX-periode leert ons bijvoorbeeld dat een hechte, langjarige samenwerking tussen gemeente en marktpartijen belangrijk is voor de gezamenlijke planvorming, procesaanpak en financiële inkadering van grootschalige gebiedsontwikkelingen. Ook is de koppeling tussen woningbouw en infrastructuur investeringen essentieel.
De lessen uit de VINEX pas ik nu toe op de aanpak in de 17 grootschalige NOVEX- woningbouwlocaties. Vooruitlopend op de brede gebiedsontwikkeling in de 17 grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties hebben we daarom in het najaar besluiten genomen over de € 7,5 miljard voor infrastructuurinvesteringen voor het ontsluiten en bereikbaar maken van de nieuwe woningen.
Kunt u toelichten in hoeverre het instrument nota ruimtelijke ordening kan helpen bij het ordenen waar de meest kansrijke bouw is in relatie tot het vervallen van de bouwvrijstelling?
Het instrument nota ruimtelijke ordening betrof voorheen een beleidsinstrument waarin voor de Ruimtelijke Ordening beleidsdoelen werden gesteld voor de ruimtelijke ordening in Nederland. Zo gaf de Vierde Nota over de ruimtelijke ordening extra (Vinex; Ministerie van VROM 1991) een ambitieus woningbouwprogramma waarbij een groot aantal woningbouwlocaties nabij steden door de nationale overheid op de kaart was aangeduid. Inmiddels is de Nationale Omgevingsvisie (vastgesteld op 11 september 2020) de Rijksvisie waarin het nationale beleid voor ruimtelijke ordening, en daarmee ook woningbouw, is opgenomen.
Zoals in het Coalitieakkoord is afgesproken ben ik een traject gestart om de Nationale Omgevingsvisie te actualiseren en aan te scherpen. Dit kan gezien worden als de volgende nota ruimte en kijkt dus meer naar de lange termijn. Op 12 december heb ik uw Kamer geïnformeerd over het ruimtelijk startpakket dat ik aan de provincies heb gestuurd. In het startpakket legt het Rijk de provincies de nationale opgaven voor uit nationale programma’s op het gebied van onze fysieke leefomgeving. De twaalf provincies wordt gevraagd om samen met gemeenten en waterschappen de opgaven voor de periode tot 2030 en met een doorkijk naar 2050 ruimtelijk te vertalen, in te passen en te combineren met de provinciale opgaven. Ik vraag de provincies in oktober 2023 met de ruimtelijke voorstellen te komen die zicht geven op wat ruimtelijk mogelijk en realiseerbaar is. Het voorstel is de opmaat naar twaalf ruimtelijke arrangementen waarin Rijk en provincie wederkerige afspraken maken over de uitvoering van de opgaven.
De afspraken vormen de basis voor een nieuwe nota ruimte in 2024, in de vorm van de Nationale Omgevingsvisie. In deze aangescherpte Nationale Omgevingsvisie en in de onderliggende beleidsstukken zal ik ook een doorkijk geven naar de toekomstige woningbouwlocaties. Hierbij neem ik ook mee in hoeverre deze locaties kansrijk zijn in verband met andere belangen als natuur.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.