Aanvallen op Armeens grondgebied en de deelname van de Nederlandse ambassadeur in Azerbeidzjan aan een door de Azerbeidzjaanse regering georganiseerd bezoek aan de stad Sushi in Nagorno Karabach |
|
Don Ceder (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten over Azerbeidzjaanse aanvallen op Armeens grondgebied afgelopen nacht?1
De geweldsuitbarstingen tussen beide landen zijn zeer zorgelijk. Ik verwelkom het staakt-het-vuren en het stoppen van het geweld. Er zijn aan beide kanten veel slachtoffers gevallen. Het is zaak dat beide landen terug naar de onderhandelingstafel gaan om tot een duurzaam vredesakkoord te komen, maar ook om praktische afspraken te maken over de uitruil van gevangen genomen soldaten.
Hecht u geloof aan de Azerbeidzjaanse bewering dat Armenië als eerste aanvallen zou hebben uitgevoerd? Zo ja, waarom acht u dit aannemelijk?
Beiden landen ontkennen de gevechten te zijn begonnen en beide partijen ontkennen het staakt-het-vuren als eerste te hebben geschonden. Er is sprake van veel desinformatie. Het kabinet heeft noch de capaciteit, noch de presentie ter plaatse, om vast te stellen wie de gevechten is begonnen, alsook wie het staakt-het-vuren als eerste schond. Wat we wel weten is dat er beschietingen over en weer zijn geweest waar zowel soldaten als, aan Armeense kant, ook burgers bij zijn omgekomen.
Veroordeelt u de aanvallen op Armenië en bent u bereid ook in Europees verband aan te dringen op een veroordeling van dit geweld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het geweld tussen beide partijen zeer zorgelijk en betreurt de gevallen slachtoffers. Het is zaak dat beide landen terugkeren naar de onderhandelingstafel. Namens de EU spelen de Voorzitter van de Europese Raad, de Hoge Vertegenwoordiger en de Speciaal Vertegenwoordiger voor de Zuidelijke Kaukasus een actieve bemiddelende rol tussen Armenië en Azerbeidzjan, en Nederland steunt hen daarin. In aanvulling daarop zijn de Nederlandse zorgen op hoog ambtelijk niveau overgebracht.
Deelt u de analyse dat Azerbeidzjan zich sterk waant nu Rusland verzwakt is door de oorlog in Oekraïne en de 2000 Russische militairen mogelijk niet tussenbeide wil of kan laten komen, en de Europese Unie bovendien recent overeenstemming heeft bereikt met Azerbeidzjan over levering van gas?
Gesteld kan worden dat de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne de positie van Rusland in de regio heeft verzwakt. Armenië is als lid van de Collectieve Veiligheidsverdragsorganisatie (CSTO) een militaire bondgenoot van Rusland. In de afgelopen maanden is de reactie van Rusland diffuus geweest. De CSTO heeft Armenië niet beschermd, ondanks de afspraken tussen CSTO-staten.
Het vertrouwen in de effectiviteit in de CSTO heeft hierdoor een deuk opgelopen. Welk effect dit zal hebben in de regio is niet te voorspellen, maar het kan de regionale veiligheid beïnvloeden. Rusland blijft voor Armenië een belangrijke speler, o.a. door afhankelijkheid van energieleveranciers, militaire en diplomatieke steun, als afzetmarkt en als bestemmingsland.
Met betrekking tot de leveranties van gas: de voorzitter van de Europese Commissie, Von der Leyen, was op 18 juli jl. in Azerbeidzjan. Tijdens dit bezoek werd een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend op het gebied van energiesamenwerking. Dit MoU behelst een intentie om de gastoevoer van Azerbeidzjan naar de Europese Unie te verdubbelen en samen te werken op het gebied van hernieuwbare energie en klimaat inclusief het verminderen van methaanemissies. Met het MoU zijn geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan. Volgens het energieministerie van Azerbeidzjan is in de eerste 8 maanden van dit jaar 7,3 miljard kubieke meter aardgas geleverd aan de EU (naar schatting 3% van de totale EU-gasconsumptie over deze periode). De EU blijft ook op andere terreinen met Azerbeidzjan in dialoog en brengt daarbij ook kritische boodschappen over. Zorgen met betrekking tot het conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië en over de mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan worden bijvoorbeeld, mede op instigatie van Nederland, consequent in de dialogen van de EU met Azerbeidzjan besproken, zo ook tijdens de EU Associatieraad met Azerbeidzjan op 19 juli jl. waar de Hoge Vertegenwoordiger de EU-delegatie leidde.
Op welke manier kunt u er toch voor zorgen dat de Europese Unie effectieve druk uitoefent op Azerbeidzjan om geen verdere aanvallen te plegen op Armeens grondgebied?
De EU is sinds enkele maanden actief betrokken bij de bemiddeling tussen de twee landen. De Voorzitter van de Europese Raad, Charles Michel, heeft vier keer een ontmoeting geleid tussen de twee leiders van de landen, President Aliyev van Azerbeidzjan en Premier Pashinyan van Armenië. De laatste ontmoeting vond plaats op 31 augustus jl. Er wordt langzaam voortgang geboekt in deze gesprekken. Zo is op 31 augustus onder meer afgesproken dat de twee Ministers van Buitenlandse Zaken in september bijeen zouden komen om een start te maken met vredesbesprekingen. Ook werd in de persverklaring Azerbeidzjan aangesproken op de Armeense gevangenen die nog in Azerbeidzjan zijn. Op 8 september jl. liet Azerbeidzjan vijf Armeense gevangenen vrij.
Mede gezien deze voortgang kwam de geweldsescalatie onverwacht. Op verzoek van Charles Michel is de Speciale Vertegenwoordiger van de EU voor de Zuidelijke Kaukasus, Toivo Klaar, meteen afgereisd naar de regio. Op 15 september bezocht hij Bakoe en de dag erna Jerevan. Zijn bezoek heeft bijgedragen aan het tot stand brengen van een staakt-het-vuren tussen de twee landen.
Klopt het dat de Nederlandse ambassadeur in Bakoe opnieuw deelgenomen heeft aan een door de Azerbeidzjaanse regering georganiseerde reis naar de stad Sushi in Nagorno Karabach, waar recent etnische zuivering heeft plaatsgevonden?
De Nederlandse ambassadeur in Bakoe heeft dit jaar deelgenomen aan een door de Azerbeidzjaanse regering georganiseerde reis naar de stad Shusha/Shushi. Deze stad ligt in de regio Nagorno-Karabach en hoort internationaalrechtelijk gezien tot het Azerbeidzjaanse grondgebied. Net als in het voorgaande jaar heeft de ambassadeur in goed gezelschap van gelijkgezinde landen en de EU deelgenomen. Het is gebruikelijk dat ambassadeurs in land van plaatsing zich breed laten informeren. Het bezoek is geenszins een goedkeuring van agressie, of erkenning dat het conflict volledig ten einde is. Nederland is zich bewust van het feit dat dit bezoek door de Azerbeidzjaanse autoriteiten is georganiseerd. Niettemin had het bezoek toegevoegde waarde omdat de situatie met eigen ogen kon worden bezien.
Wist u dat, evenals vorig jaar, de ambassadeurs van de landen die de co-chairs van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) Minsk-groep leveren, in dit geval van de Verenigde Staten (VS) en Frankrijk, deelname aan de reis geweigerd hebben, wegens het standpunt van de Azerbeidzjaanse regering dat de zaak van Nagorno Karabach dankzij inzet van Azerbeidzjaans geweld al is opgelost, terwijl beide landen juist gericht zijn op de snelst mogelijke start van het proces om tot een allesomvattende oplossing van de problemen te komen onder auspiciën van de OVSE Minsk-groep? Zo nee, kunt u zich door deze landen laten informeren over hun standpunt en dit betrekken bij het Nederlandse standpunt? Zo ja, waarom schaart Nederland zich niet achter de VS en Frankrijk?
Alle ambassadeurs die in Azerbeidzjan geaccrediteerd zijn, zijn door het Ministerie van Buitenlandse Zaken uitgenodigd om deel te nemen aan deze reis. Het staat alle landen vrij om hier al of niet op in te gaan. Enkele landen, waaronder VS en Frankrijk, hebben niet deelgenomen. Zij hebben geen uitleg gegeven waarom ze niet meegingen. Deze reis staat geheel los van de bemiddelingstrajecten.
Daarnaast blijkt uit contacten met de Minsk Group Co-Chairs VS en Frankrijk in Wenen dat zij momenteel geen rol (kunnen) spelen in het vredesproces. Azerbeidzjan heeft aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in dit bemiddelingsorgaan. Als gevolg van de oorlog in Oekraïne praten de Verenigde Staten en Frankrijk niet met hun mede-covoorzitter Rusland, en daarmee is het bemiddelingsproces moeizamer geworden.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, speelt de EU op dit moment een belangrijke rol bij de bemiddeling tussen Armenië en Azerbeidzjan. De EU delegatie nam ook deel aan deze reis.
Wat betekent voor Nederland het geven van prioriteit aan het onderhandelingsproces van de OVSE Minsk-groep2, als in het tweede jaar op rij de daarbij betrokken landen een signaal afgeven door niet deel te nemen aan een wat toch met reden een propagandareis genoemd kan worden, maar dit niet door Nederland wordt gesteund? Wordt niet ingezien dat Nederland daarmee juist het gewenste proces verzwakt?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het eens dat in dit geval een verklaring zoals die afgelopen jaar gegeven werd (zie voetnoot 2, antwoord 18), namelijk dat de beslissing van de betrokken Minsk-groep landen pas kort tevoren bekend werd, in dit, tweede, geval niet van toepassing kan zijn? Kunt u uw antwoord toelichten? Heeft Nederland in dit tweede geval zelf wel eerst geïnformeerd naar het standpunt van Minsk-groepco chairs hierover? Zo nee, waarom niet?
Net als in het voorgaande jaar heeft de ambassadeur in goed gezelschap van gelijkgezinde landen en de EU deelgenomen. Het feit dat enkele landen, waaronder de VS en Frankrijk, niet deelnamen was tevoren bekend.
Hoe kunt u beweren de Nederlandse ondersteuning van de Minsk-groep en deelname aan het bezoek los staan van elkaar – zoals Nederland eerder stelde – (voetnoot 2, bij antwoord 18), nu de landen die co-chairszijn van de Minsk-groep zelf andermaal zo nadrukkelijk afstand nemen van dit bezoek, en voor de tweede keer een duidelijk verband leggen tussen deelname daaraan en de afwijzing door Azerbeidzjan van onderhandelingen?
Ieder land maakt een eigenstandige afweging. Nederland heeft daarbij gekeken naar zowel de deelnemers aan de reis, waaronder de EU, als degene die niet deelnamen, zoals Frankrijk en de Verenigde Staten.
Hoe effectief kan het Nederlandse beleid zijn, als enerzijds verder aandringen op onderzoek naar de verantwoordelijkheid van Azerbeidzjan voor oorlogsmisdaden in de Nagorno Karabach oorlog van 2020 wordt afgewezen (wegens gebrek aan medewerking van Azerbeidzjan) met als reden volop ruimte te geven aan het onderhandelingsproces, dat categoraal wordt afgewezen door Azerbeidzjan, en anderzijds Nederland zelfs een kleine mogelijkheid om dit proces te steunen namelijk door zich aan te sluiten bij de co-chair landen, laat lopen, en ervoor kiest mee te gaan met een door het Azerbeidzjaanse regime georganiseerde reis? Wordt het volgens u, nu op beide fronten geen voortgang is, wellicht tijd om een andere keuze te maken, namelijk voor het in alle vergelijkbare gevallen doen van onderzoek in het kader van het vaststellen van de verantwoordelijkheid, waarbij het niet meewerken van een van de landen niet het doorslaggevende argument kan en mag zijn? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie Omtzigt/Van Helvert (21 501–02, nr. 2228) heeft Nederland in het verleden diverse malen gepleit voor het belang van accountability, en specifiek een internationaal onafhankelijk onderzoek. In de gesprekken met relevante gesprekspartners kwam naar voren dat zij dit niet steunen, waarbij werd benadrukt dat een dergelijk onderzoek en het uitvoeren daarvan zelfs contraproductief kan werken. Ik verwijs u ook graag naar de Kamerbrief d.d. 7 december 2020, de Kamerbrief d.d. 7 juli 2021 en de Kamerbrief d.d. 14 oktober 2021, waarin in meer detail wordt ingegaan op de uitvoering van deze motie.
Zoals eerder gesteld, steunt Nederland het EU-bemiddelingsproces, waarbij er op hoog niveau vanuit de Europese Unie, door de Voorzitter van de Europese Raad, de Hoge Vertegenwoordiger en de Speciaal Vertegenwoordiger voor de Zuidelijke Kaukasus met de leiders van Azerbeidzjan en Armenië wordt gepraat. De in Bakoe geaccrediteerde EU-delegatie nam ook deel aan de reis naar Shusa/Sushi. Frankrijk en de Verenigde Staten gaven geen reden voor het niet deelnemen aan de reis.
Welke politieke overwegingen spelen voor de Nederlandse regering een rol, om het regime ter wille te zijn en in tegenspraak met het eigen beleid te negeren dat in Azerbeidzjan nog steeds 100 Armeense krijgsgevangenen in vreselijke omstandigheden vastzitten, evenals Azerbeidzjaanse dissidenten en andere vele schendingen van het recht onverminderd doorgaan, zoals de vernietiging van Armeens cultureel erfgoed en verspreiding van haat tegen Armeniërs, waarover het Internationaal Gerechtshof in december 2021 duidelijke uitspraken heeft gedaan? Hebt u in dit kader kennisgenomen van de recente Committee on the Elimination of Racial Discrimination (CERD)-uitspraak?3
Zoals eerder gesteld, dient deelname aan de reis geenszins gezien te worden als ondersteuning van de positie van een van beide partijen. Daarnaast blijft Nederland Azerbeidzjan in bilateraal en EU-verband oproepen tot het vrijlaten van Armeense gevangenen en de uitvoering van rechtelijke uitspraken.
Kunt u aangeven in wiens belang het is als Nederland de propaganda van Azerbeidzjan ondersteunt door lijdzame deelname aan deze rondleidingen?
Deelname aan de reis dient geenszins gezien te worden als ondersteuning van de positie van een van de partijen. Het bezoek geeft een mogelijkheid om de situatie met eigen ogen te zien en een objectief oordeel te vestigen. Daarnaast geeft het een mogelijkheid om tijdens de reis gesprekken te voeren en boodschappen af te geven aan de Azerbeidzjaanse autoriteiten, hetgeen ook gebeurd is.
De internationale campagne om de klimaatcrisis naar het Internationale Gerechtshof (ICJ) te brengen |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de huidige internationale campagne, geleid door Vanuatu, om de klimaatcrisis naar het Internationale Gerechtshof (ICJ) te brengen middels een Advisory Opinion (ICJ-AO) van dit Hof?
Ja.
Heeft u reeds kennisgenomen van het feit dat deze campagne onlangs door Australië en Nieuw-Zeeland is ondersteund tijdens het 51e Pacific Island Forum in Fiji?
Ja.
In uw Kamerbrief benoemt u dat het koninkrijk speciaal aandacht wil vragen voor de bijzondere positie waarin kleine ontwikkelingseilandstaten (SIDS) op dit moment verkeren, in het voorjaar hebben de CARICOM lidstaten collectief hun steun geuit voor de Advisory Opinion campagne van Vanuatu, binnen CARICOM nemen de landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten deel namens ons koninkrijk als observeerder; gaat u ervoor zorgen dat er tijdens de 77e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) een grotere rol weggelegd gaat zijn voor Nederland en deze landen binnen ons koninkrijk wanneer het aankomt op klimaatthema’s die vooral hen (als SIDS) aangaan?
Het Koninkrijk zet zich in VN-verband o.a. in voor duurzame ontwikkeling, kansengelijkheid en klimaatadaptatie. Tijdens de AVVN High Level Week heeft het Koninkrijk aandacht gevraagd voor de bijzondere positie van kleine eilandstaten (SIDS) en daarmee voor de specifieke uitdagingen waarmee de Caribische Landen van het Koninkrijk worden geconfronteerd.
Tijdens afgelopen High Level Week hebben Aruba, Curaçao of Sint Maarten op basis van hun respectievelijke prioriteiten gezamenlijk bepaald aan welke bijeenkomsten waarvoor het Koninkrijk was uitgenodigd zij wilden deelnemen.
Overigens overwegen de Caribische Landen van het Koninkrijk om geassocieerd lid te worden van CARICOM, maar dit is nu nog niet het geval.
Welke concrete mogelijkheden voorziet u?
Het Koninkrijk heeft tijdens de AVVN High Level Week op verschillende manieren aandacht besteed aan klimaatthema’s die relevant zijn voor de Caribische Landen van het Koninkrijk. Zo heeft Premier Rutte tijdens zijn speech in de AVVN de kwetsbaarheid en uitdagingen van SIDS expliciet benoemd. Daarnaast werden onderwerpen als klimaat en water belicht en werd er bij verschillende evenementen aandacht gevraagd voor de specifieke klimaatuitdagingen en uitdagingen omtrent sociale en economische ontwikkeling van SIDS.
Ook hebben Aruba, Curaçao en Sint Maarten deelgenomen aan verschillende SIDS- en klimaat gerelateerde evenementen tijdens de AVVN High Level Week, waaronder een evenement waarin de link wordt gemaakt tussen financiering, het behalen van de SDGs en klimaatadaptatie. Dit is een belangrijk onderwerp voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, omdat toegang tot ontwikkelingsfondsen en alternatieve financieringsmogelijkheden voor hen niet eenvoudig is, onder meer doordat zij onderdeel uitmaken van het Koninkrijk.
Verder heeft het Koninkrijk zich tijdens de AVVN High Level Week aangesloten bij The Blue Leaders, een groep van meer dan 30 landen die ernaar streeft om 30% van de oceanen in hoge mate te beschermen (het zogenaamde 30x30 initiatief).
Voorts zal het Koninkrijk in 2023 de VN waterconferentie (co)organiseren. Tijdens de AVVN High Level Week zijn verkennende gesprekken gevoerd over de specifieke uitdagingen van de Caribische Landen van ons Koninkrijk op dit vlak. Op basis daarvan zal worden bepaald hoe Aruba, Curaçao en Sint Maarten een rol krijgen tijdens de conferentie.
Hoe staat het kabinet op dit moment tegenover een dergelijk advies over de klimaatcrisis van het Internationaal Gerechtshof, wetende dat deze adviezen geenszins bindend zijn voor lidstaten, maar wel juridisch en moreel zwaar wegen in het bestrijden van de klimaatcrisis?
Nederland is in afwachting van de formulering van de specifieke rechtsvraag alvorens stelling ingenomen kan worden. In beginsel steunt Nederland Adviesaanvragen aan het Internationaal Gerechtshof wanneer deze relevant zijn voor de bevordering van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde, mede gelet op artikel 90 van de Grondwet, en wanneer deze geen bilaterale geschillen betreffen of een in essentie politieke vraag.
Bent u bereid om, net als Australië en Nieuw-Zeeland, ook officieel steun te betuigen en voor een toekomstige VN-resolutie te stemmen die het mogelijk maakt om een advies aan het Internationaal Gerechtshof te vragen?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Scholen die gedwongen hun energiecontract opzegden zijn tot twaalf keer duurder uit’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u inzicht geven in de hoogte van de energierekeningen waarmee scholen geconfronteerd worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u inzicht geven in de mate waarin dit scholen uit de «lage SES» – oftewel: de scholen met een (meer) kwetsbare leerlingenpopulatie – betreft?1
Er is geen nationaal overzicht welke schoolbesturen welke energieleveranciers hebben of welke prijzen zij betalen. Instellingen kunnen immers zelf bepalen hoe ze de lumpsumbekostiging besteden. Maar er is geen relatie te verwachten tussen een energiecontract en de SES-scores die vaak gemeten worden met de indicatoren opleidingsniveau, inkomensniveau en beroepsniveau.
Kunt u aangeven hoeveel scholen in acute financiële problemen dreigen te raken door de oplopende/opgelopen energierekeningen?
In hoeverre schoolbesturen te maken krijgen met de prijsstijgingen verschilt flink. Daarnaast is de financiële positie van schoolbesturen divers, de een heeft meer reserves dan de ander. De bekostiging van onderwijsinstellingen wordt ieder jaar aangepast voor stijgende lonen en prijzen. Het zal per instelling verschillen in hoeverre dit toereikend is voor de op dit moment extreme stijging van de energieprijzen. Er is geen nationaal overzicht beschikbaar.
Bij de Algemene Politieke Beschouwingen is de motie Paternotte2 aangenomen die het kabinet verzoekt te kijken naar gerichte ondersteuning van scholen en culturele instellingen. Het kabinet spant zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan deze motie en de Kamer wordt hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Het Ministerie van OCW beschikt over een instrumentarium om onderwijsinstellingen in acute liquiditeitsproblemen te helpen. Mochten instellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Kunt u aangeven hoeveel scholen door de hoge energierekeningen gedwongen dreigen te worden om gebruik te maken van gelden uit het Nationaal Programma Onderwijs (NPO), de gelden die bedoeld zijn om leerachterstanden – ontstaan en/of verergerd gedurende de coronacrisis – in te lopen? Kunt u aangeven in welke mate dit scholen uit de «lage SES» betreft?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet de Minister eraan om te voorkomen dat scholen moeten interen op hun budget voor onderwijskwaliteit (waaronder leerkrachten), al dan niet uit het NPO-budget?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven wordt de bekostiging van onderwijsinstellingen ieder jaar aangepast voor stijgende lonen en prijzen. Het zal per instelling verschillen in hoeverre dit toereikend is voor de op dit moment extreme stijging van de energieprijzen. Het kabinet spant zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan de motie Paternotte3 en de Kamer wordt hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Mochten onderwijsinstellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Hoe monitort u de ontwikkeling van de financiële positie van scholen in het funderend onderwijs, tegen de achtergrond van de (verder oplopende) hoge gasrekeningen? Kunt u daarbij bovendien ingaan op de scholen die momenteel nog in de «midden-SES» vallen, maar door de hoge rekeningen dreigen te vervallen in de «lage-SES»?
Een schoolbestuur geeft inzicht in de kosten via een jaarrekening. Het bestuur levert jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar aan bij DUO. Er is dus geen sprake van een monitor gedurende het jaar, maar van een verantwoording en inzicht achteraf. Uw Kamer ontvangt voor de begrotingsbehandeling de brief Financiële posities schoolbesturen.
Overigens is er geen relatie tussen de financiële positie van schoolbesturen en SES-scores. Deze sociaaleconomische status wordt vaak gemeten met de indicatoren opleidingsniveau, inkomensniveau en beroepsniveau.
Deelt u de mening dat het belangrijk is om goed te monitoren dat de hoogte van de gasrekeningen niet mag betekenen dat scholen gedwongen zijn in te teren op hun onderwijskwaliteit? Hoe monitort u dit?
Er is geen mogelijkheid om in de loop van een jaar de kosten die scholen maken te monitoren. Wel vraag ik op dit moment de schoolbesturen in een steekproef naar informatie om een beter beeld te krijgen. In deze inventarisatie vraag ik onder meer naar de aard van hun energiecontract, de prijsontwikkeling en de invloed van de hogere energiekosten op het primair proces.
Waarom geeft u aan dat het te vroeg zou zijn om na te denken over compensatie voor scholen die financieel in de klem komen te zitten door de hoge energierekeningen? Wanneer acht u de situatiewelafdoende om tot compensatie over te gaan? Waarom zou compensatie afhankelijk moeten zijn van het antwoord op de vraag of de contracten met Gazprom al dan niet onder Europese sancties vallen? Graag een toelichting.
Voor de toepassing van de sanctie heeft de Minister voor Klimaat en Energie via een brief aan uw Kamer4 gemeld dat hij tot 1 januari ontheffing zal verlenen en in de tussentijd met de Europese Commissie en andere lidstaten in gesprek gaat over de toepassing van de sanctie op in het bijzonder SEFE (voorheen Gazprom). In de tussentijd is M.K&E in gesprek met overheden en scholen over de (financiële) gevolgen van de sanctie. M.K&E blijft bij het oordeel dat SEFE juridisch onder de sanctie valt, maar ziet ook de grote gevolgen die deze sanctie heeft op scholen in het bijzonder.
Daarnaast ziet M.K&E ook dat er een aantal contracten van nature zouden aflopen in komende jaren, waardoor er bij de hoge gasprijzen sowieso grote financiële gevolgen ontstaan. M.K&E is in gesprek met scholen hierover.
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven spant het kabinet zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan de motie Paternotte5 en wordt de Kamer hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Het Ministerie van OCW beschikt over een instrumentarium om onderwijsinstellingen in acute liquiditeitsproblemen te helpen. Mochten instellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Wat bent u bereid (extra) te doen voor scholen die financieel in een onevenredig negatieve positie zijn geraakt doordat zij de contracten met Gazprom op tijd opgezegd hebben, ten opzichte van scholen die niet op tijd overstapten? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Wat bent u bereid te doen voor scholen die geacht worden op 1 januari 2023 alsnog overgestapt dienen te zijn, en het contract met Gazprom opgezegd te hebben, en hierdoor in de financiële problemen dreigen te raken?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u met zekerheid zeggen dat de jaarlijkse prijsbijstelling voldoende gaat zijn voor scholen in het gehele funderend onderwijs? Zo ja, graag een toelichting. Zo nee, wat bent u bereid hierop aanvullend te doen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven wat de doelstelling is, en de voortgang, in het aardgasvrij bouwen en/of renoveren van schoolgebouwen?
De doelstelling voor het aardgasvrij bouwen van scholen is dat álle schoolgebouwen die nieuw worden gebouwd, aardgasvrij zijn. De doelstelling voor het aardgasvrij zijn van alle bestaande gebouwen is 2050.
Het advies voor gebouweigenaren is om rekening te houden met het aardgasvrij maken van gebouwen op het moment van renoveren van gebouwen. De planning voor het aardgasvrij maken van gebouwen verschilt per wijk. Gemeenten legden dit reeds vast in hun Transitievisies warmte en zullen dit verder concretiseren in de wijkuitvoeringsplannen.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat 12 sectoren met maatschappelijk vastgoed sectorale routekaarten opstellen, dit geldt ook voor het funderend onderwijs. De sectorale routekaart waarin de verduurzamingsopgave voor het funderend onderwijs is beschreven is in 2020 gepubliceerd namens de PO-raad, VO-raad en de VNG6. In oktober 2022 is de eerste evaluatie van de sectorale routekaarten gereed. De resultaten neemt het Ministerie van BZK op in de Klimaatmonitor 2022 en dit najaar pakken ze de eventuele verbeterpunten op.
Daarnaast werkt de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord (2019), aan een wettelijke eindnorm voor de energieprestatie van bestaande utiliteitsgebouwen in 2050 en zal hierover in oktober de Tweede Kamer informeren. Bovendien heeft de Europese Commissie verschillende voorstellen gedaan voor de verduurzaming van bestaande gebouwen. Een aantal voorstellen zijn specifiek gericht op maatschappelijk vastgoed waar ook scholen onder vallen. De Energy Performance of Buildings Directive (EPBD)7 en de Energy Efficiency Directive (EED) worden bijvoorbeeld herzien. Naar verwachting zullen de EPBD en de EED in 2023 worden vastgesteld, en vervolgens in nationale wetgeving vertaald.
Het bericht 'Studieschuld niet afbetaald? Dan geen paspoort. ‘Ik begrijp niet waarom Duo dit doet’' |
|
Tom van der Lee (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het krantenbericht «Studieschuld niet afbetaald? Dan geen paspoort. «Ik begrijp niet waarom Duo dit doet»»?1
Ja.
Hoe worden oud-studenten met een studieschuld gewezen op de verplichting om een adreswijziging door te geven aan DUO?
In algemene zin worden oud-studenten er op gewezen dat het van belang is dat hun gegevens op orde zijn. Dat geldt uiteraard niet alleen voor DUO, maar ook voor hun gegevens bij andere overheidsdiensten. In contacten met studenten wordt ook specifiek benoemd dat wanneer oud-studenten naar het buitenland verhuizen, zij dit zelf moeten doorgeven. Van deze studenten krijgt DUO in tegenstelling tot de in Nederland wonende oud-studenten namelijk geen adresmutaties door van de Basisregistratie personen. Ook op de website en in MijnDUO worden oud-studenten geattendeerd op de noodzaak van een recent adres en op eventuele ontbrekende gegevens. Op het moment dat van een oud-student geen adres bekend is, maar wel een e-mailadres, dan kan de correspondentie digitaal voortgezet worden. In deze digitale correspondentie wordt ook gewezen op het doorgeven van het nieuwe adres.
Hoe worden oud-studenten geïnformeerd over de mogelijkheid om een schuld op te schorten?
Oud-studenten worden jaarlijks geïnformeerd over hun studieschuld. In die brief wordt ook verwezen naar de mogelijkheden om niet of minder terug te betalen op het moment dat zij het termijnbedrag niet kunnen betalen. Daarnaast is er ook veel informatie te vinden op de website van DUO.
Welke mogelijkheden ziet u om oud-studenten beter te informeren over hun rechten en plichten als het gaat om hun studieschuld en eventuele betalingsregelingen?
Studenten worden reeds breed geïnformeerd over hun rechten en plichten en de mogelijkheden voor een betalingsregeling. Dat gebeurt zowel in persoonlijke communicatie met de student door DUO als via meer algemene communicatiemiddelen, zoals de website en sociale media.
Kunt u in gesprek gaan met DUO om de hardheden in de aanpak van betalingsregelingen weg te nemen?
Zoals u in het antwoord op vraag 8 kunt lezen gaat DUO in veel gevallen akkoord met een betalingsregeling. Daarnaast werkt DUO met het zogenoemde Persoonsgericht Innen (PGI). Daarmee wordt uitdrukkelijk naar de persoon gekeken en de mogelijkheden die hij heeft om terug te betalen. Waar mogelijk wordt ook proactief contact opgenomen met debiteuren, als er bijvoorbeeld een betaling is gemist.
Als we hardheden – of knellende wetgeving – constateren wordt daar in gezamenlijkheid tussen DUO en het Ministerie van OCW over gesproken. Ik hecht er echter aan om ook te benoemen dat er ruimte moet zijn voor een passende aanpak voor debiteuren die wel kunnen betalen, maar dat niet doen.
Hoe vaak wordt de hardheidsclausule van de Wet studiefinanciering 20002 gebruikt om een oplossing voor de oud-student te vinden?
DUO verleent regelmatig maatwerk aan studenten en oud-studenten. Dat kan op basis van de hardheidsclausule, maar DUO kan ook binnen de bestaande wet- en regelgeving tot een maatwerkoplossing komen. Het gaat dan bijvoorbeeld om een betalingsregeling op maat of het verlengen van de duur waarop een student recht heeft op studiefinanciering. DUO registreert niet hoe vaak een maatwerkoplossing getroffen wordt of de hardheidsclausule wordt toegepast.
Kunt u aangeven hoe vaak het voorkomt dat oud-studenten een betalingsachterstand hebben, omdat ze verzuimd hebben een inkomen op te geven, maar die waarschijnlijk niets hadden hoeven af te lossen vanwege een ontoereikend inkomen?
DUO is in het buitenland afhankelijk van de debiteur voor de verstrekking van actuele contact- en inkomensgegevens. Indien deze niet worden verstrekt is het voor DUO niet mogelijk om in contact te komen met deze debiteuren over hun veelal opgelopen betalingsachterstand. Ook is het dan niet mogelijk om vast te stellen of het inkomen van de debiteur (en eventuele partner) zodanig is dat de draagkracht lager is dan de wettelijke annuïtaire aflossingstermijn.
Indien het contact met de debiteur wordt hersteld met behulp van de paspoortsignalering gaat DUO met deze persoon in gesprek over een oplossing. Bij het oplossen van betalingsachterstanden kijkt DUO in eerste instantie vooral naar de toekomst; wat kunnen we nu doen om een betalingsachterstand op te lossen en wat is de huidige inkomens- en vermogenspositie van de debiteur en een eventuele partner? Op basis daarvan maakt DUO afspraken over een betalingsregeling.
Uiteraard worden debiteuren op het moment dat het contact is hersteld ook gewezen op de mogelijkheid om een draagkrachtberekening aan te vragen, maar bijvoorbeeld ook op de aflosvrije maanden die voor iedere debiteur beschikbaar zijn. Op die manier wordt voor de toekomst voorkomen dat zij een betalingsachterstand op lopen.
In hoeveel procent van de gevallen gaat DUO akkoord met het voorstel van de oud-student voor een betalingsregeling?
Indien de debiteur zelf een voorstel doet voor een regeling waarmee de betalingsachterstand binnen uiterlijk 24 maanden is ingelopen, gaat DUO vrijwel altijd akkoord. Indien het voorstel van de debiteur een regeling voor een langere termijn betekent, toetst DUO het voorstel aan de huidige financiële situatie van de debiteur. Als het voorstel in overeenstemming is met die financiële situatie, dan gaat DUO altijd akkoord. Indien dit niet het geval is en de debiteur dus sneller zou moeten kunnen aflossen, dan gaat DUO verder in gesprek met de debiteur. Dat kan ook leiden tot een aangepaste afspraak.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Nederlandse ambassades meewerken aan het laten blokkeren van de verlenging van een paspoortaanvraag door DUO?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) behandelt aanvragen voor paspoorten van Nederlanders die in het buitenland verblijven. BZ gaat bij iedere aanvraag voor een paspoort na of de aanvrager voorkomt in het register paspoortsignaleringen (RPS). Dit kan aan de orde zijn indien de aanvrager bij DUO een studieschuld heeft. Op grond van artikel 22 van de Paspoortwet kan DUO bij het Ministerie van BZK een verzoek tot opname in het RPS doen. Opname in het RPS kan weigering van een paspoort tot gevolg hebben. Een verzoek tot opname in het RPS kan worden ingediend door DUO als er sprake is van het niet nakomen van een betalingsverplichting en als daarbij ook het gegronde vermoeden bestaat dat de persoon zich door verblijf in het buitenland aan de betalingsverplichting zal onttrekken. Artikel 22 Paspoortwet biedt de rechtsbasis om op deze grond een paspoort te kunnen weigeren.
Wanneer een gesignaleerd persoon een nieuw paspoort aanvraagt wordt hij van de signalering op de hoogte gesteld. De gesignaleerde persoon krijgt dan de mogelijkheid om in gesprek te gaan met DUO. In veel gevallen maakt DUO betalingsafspraken met de paspoortaanvrager en kan een paspoort alsnog worden verstrekt (soms voor de duur van korter dan 10 jaar, de exacte duur wordt door DUO bepaald conform artikel 22 van de Paspoortwet). Wordt een paspoort toch geweigerd, dan kan de aanvrager bezwaar maken tegen deze beslissing. Voor de goede orde zij vermeld dat een Nederlandse Identiteitskaart niet geweigerd kan worden. Daarnaast kan BZ, indien urgentie en reisdoel is vastgesteld, zo nodig een laissez-passer verstrekken voor terugkeer naar Nederland.
Acht u dit wenselijk?
BZ volgt de vigerende wetgeving en voert het proces conform wetgeving uit. De wetgever heeft deze bepaling vastgesteld omdat invordering van de schulden in het buitenland problematischer is dan in het Koninkrijk.3
Inzake het doel en de achtergrond hiervan verwijs ik tevens naar mijn antwoord onder vraag 12.
Bent u zich bewust van de schrijnende situaties die dit op kan leveren?
Ik ben mij bewust dat het weigeren van een paspoort grote impact kan hebben. Dat is dan ook de reden dat DUO het instrument van paspoortsignalering hoofdzakelijk gebruikt om het contact te herstellen met de oud-student. Op het moment dat dat contact er is heeft DUO tot op heden nog nooit de uitgifte van een paspoort aangehouden.
Daarbij wil ik ook benadrukken dat DUO paspoortsignalering als laatste middel inzet en daar niet lichtzinnig mee omgaat. Naast dat er voorwaarden zijn waaraan moet zijn voldaan – zoals de termijn dat er geen contact is en de hoogte van de betalingsachterstand – zal DUO ook altijd eerst op allerlei andere manieren proberen om contact te krijgen met de debiteur.
Vindt u dat het wel of niet verkrijgen van een paspoortverlenging in principe een drukmiddel mag zijn als het gaat om het betalen van een (studie)schuld?
Het is wettelijk bepaald dat deze mogelijkheid bestaat. Deze mogelijkheid is opgenomen in de Paspoortwet om te voorkomen dat een persoon die zich wil onttrekken aan het wettelijke systeem van invordering van publiekrechtelijke schulden, dit kan doen. Het beschermen van de staatsfinanciën wanneer personen zich willen onttrekken aan het wettelijke systeem van invordering van publiekrechtelijke schulden wordt gezien als een wezenlijk staatsbelang. Wel zij hierbij opgemerkt dat onthouden van reisdocumenten op grond van artikel 22 Paspoortwet slechts als uiterste middel zal mogen dienen. Dit kan pas wanneer er geen andere mogelijkheden zijn om betrokkene tot nakoming van zijn verplichtingen te dwingen en deze zich door verblijf in het buitenland daaraan dreigt te onttrekken.
De Staatssecretaris van BZK zal niettemin nagaan in hoeverre het systeem van paspoortsignaleringen nog bij de huidige maatschappelijke context past en of dit eventueel aanpassing behoeft. Hierbij worden de verschillende signaleringsgronden en de hoogte van schulden geëvalueerd. Ook wordt gekeken naar de duur van de maatregel.
Zijn er naast DUO ook afspraken met andere overheidsorganisaties waarbij het hebben van een schuld een reden kan zijn om geen paspoort te verlengen in het buitenland?
Ja.
Zo ja, kunt u aangeven om welke organisaties dit precies gaat?
Artikel 22 Paspoortwet regelt de signalering van personen voor het weigeren of vervallen verklaren van een paspoort naar aanleiding van het niet nakomen van een publiekrechtelijke schuld (zoals belastingen, ten onrechte genoten uitkeringen of het terugbetalen van studiefinanciering) of het niet voldoen aan wettelijke onderhoudsverplichtingen of onderhoudsverplichtingen die door de rechter zijn opgelegd. Op grond van de Paspoortwet kan weigering of vervallenverklaring bij het niet nakomen van een betalingsverplichting gebeuren op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, het college van gedeputeerde staten of door het bestuurscollege dan wel een ander tot invordering bevoegd orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, dat het aangaat. In de praktijk betekent dit dat DUO, het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO), de Belastingdienst en (gemeentelijke) sociale diensten een verzoek tot weigering of inhouding van een paspoort kunnen doen als er sprake is van het niet nakomen van een betalingsverplichting en als daarbij ook het gegronde vermoeden bestaat dat de persoon zich door verblijf in het buitenland aan de betalingsverplichting zal onttrekken.
De documentaire ‘Taken - Kinderen van de Staat’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Hebt u de documentaire «Taken – Kinderen van de Staat» die onlangs is verschenen bekeken?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeverre de weergegeven casussen in deze documentaire volgens u exemplarisch zijn voor de werkwijze binnen de jeugdbeschermingsketen? Hoe reflecteert u op de verhalen van de geportretteerde ouders en kinderen? Kunt u hier uitgebreid op reageren?
De documentaire schetst een indringend beeld van de problemen van ouders en kinderen in de jeugdbescherming. Dat vind ik aangrijpend. De problemen waarover de ouders en kinderen in de documentaire spreken, komen ook aan de orde in recente kritische rapporten van onder andere de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en het rapport van de Universiteit van Leiden over de kinderbescherming2.
We werken er hard aan om deze problemen aan te pakken. De urgentie om de rechtsbescherming voor ouders en kinderen te versterken en het feitenonderzoek te verbeteren is groot. De problematiek van de Gecertificeerde Instellingen (GI) en het structureel verbeteren van het stelsel pakken we ook aan. In debat met uw Kamer op 15 september jongstleden heb ik, samen met de Staatssecretaris van VWS, aangekondigd het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming te versnellen en werk te maken van ongewenste marktwerking in de jeugdzorg, via de Hervormingsagenda. Wij zullen de Tweede Kamer bovendien op korte termijn per brief informeren over de uitwerking van de motie Ceder3.
Welke conclusies trekt u uit het feit dat sinds de decentralisatie van de jeugdzorg in 2015 de bestuurlijke- en uitvoeringsproblemen in de jeugdzorg aanzienlijk zijn toegenomen? Bent u voornemens om de decentralisatie terug te draaien? Zo nee, waarom niet? Hoe denkt u de jeugdzorg dan wel decentraal te kunnen laten functioneren? Welke hervormingen bent u voornemens op korte termijn door te voeren en op welke manier gaan deze hervormingen tot leiden tot minder (onterechte) uithuisplaatsingen?
Zoals nader uiteengezet in de brief «Hervormingen jeugdzorg» die wij uw Kamer in mei 2022 hebben gestuurd4, is de belofte van de decentralisatie – passende hulp, dichtbij huis, gezinsbreed, efficiënter en met minder kosten – onvoldoende waargemaakt. Er wordt meer geld dan ooit aan jeugdzorg besteed. Dat is voor de toekomst niet houdbaar, het moet anders en het moet beter. Alle betrokken partijen van de zogenoemde vijfhoek – gemeenten, aanbieders, professionals, jongeren zelf en het Rijk – zijn het erover eens dat flinke hervormingen in de jeugdzorg nodig zijn om te zorgen dat kinderen en gezinnen de juiste zorg op de juiste plek krijgen, het stelsel zorginhoudelijk en organisatorisch te verbeteren en duurzaam houdbaar te maken.
Om die reden werken we samen met partners van de vijfhoek aan de Hervormingsagenda Jeugd. In deze agenda maken we onder andere afspraken over het afbakenen van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht, waardoor er netto meer hulp beschikbaar komt voor kinderen die deze het hardste nodig hebben, waaronder de groep jeugdigen met een beschermingsmaatregel. Daarnaast maken we afspraken over het versterken van lokale teams. Stevige multidisciplinaire teams met voldoende kennis en expertise, die goed kijken wat nodig is en lichte hulp zoveel mogelijk zelf leveren, waarbij een goede verbinding met de specialistische hulp is. Streven is dat de Hervormingsagenda Jeugd dit najaar gereed is. Met al deze structuurverbeteringen is een stelselwijziging nu niet aan de orde.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Inspectie Gezonheidszorg en Jeugd (IGJ) (Kamerstuk 31 839, nr. 875) blijkt dat vele uithuisplaatsingen onterecht zijn en dat het feitenonderzoek waarop deze ingrijpende maatregel gebaseerd wordt ernstig tekort schiet?
Voor de zomer heeft de IGJ geconstateerd dat het feitenonderzoek niet altijd en niet op alle onderdelen zorgvuldig genoeg is. Dat is een stevige conclusie en de aanbevelingen vragen daarom om serieuze opvolging. Uit het rapport kan echter niet geconcludeerd worden dat er veel uithuisplaatsingen onterecht zijn.
In alle onderzochte zaken speelden meerdere problemen in het gezin, zoals verslaving, schulden, huiselijk geweld of opvoedproblemen. Geen enkel kind is vanwege een enkele aanleiding uit huis geplaatst. In de onderzochte casussen was terug te zien dat het belang van de jeugdige bij professionals leidend is bij de besluitvorming voor het aanvragen van een machtiging uithuisplaatsing. Een raadsonderzoeker of een jeugdbeschermer neemt een besluit verder nooit alleen, maar in multidisciplinair verband. Daarna toetst de kinderrechter of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is of niet. De kinderrechter heeft verschillende mogelijkheden als hij vragen heeft bij een dossier, zoals opdracht geven tot het laten verrichten van deskundigenonderzoek, de zaak aanhouden en de RvdK of de GI vragen het dossier aan te vullen of ter zitting eventuele onduidelijkheden te laten ophelderen.
Ik verwijs u verder naar de brief die ik op korte termijn aan uw Kamer stuur over de verbetering van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming, alsmede naar de beantwoording van het schriftelijk overleg die uw Kamer eveneens op korte termijn ontvangt.
Waarom is het doen van een onafhankelijk perspectiefonderzoek geen verplicht onderdeel van de indicatiestelling voor een kinderbeschermingsmaatregel, alvorens deze indicatie naar de Raad van de Kinderbescherming gaat?
Onderzoek naar het al dan niet ingrijpen in het ouderlijk gezag over een kind dient zorgvuldig en onafhankelijk te gebeuren. Deze taak is bij de RvdK belegd. De RvdK voert het onderzoek onafhankelijk en eigenstandig uit. Op basis van zijn onderzoek kan de RvdK de kinderrechter verzoeken een kinderbeschermingsmaatregel uit te spreken.
Een onafhankelijk onderzoek vóórdat een verzoek tot onderzoek bij de RvdK wordt ingediend heeft geen toegevoegde waarde. Dat is dubbelop en levert nog meer vertraging op in de keten. Inzake het perspectiefbesluit verwijs ik uw Kamer naar de brief ter verbetering van de rechtsbescherming, die uw Kamer op 17 november 2022 zal ontvangen.
Waarom wordt de motivering om een ondertoezichtstelling (OTS) of een uithuisplaatsing op te leggen niet onafhankelijk getoetst, bijvoorbeeld door een objectieve hulpverlener of organisatie, alvorens deze indicatie naar de Raad voor de Kinderbescherming wordt doorgezet? Of waarom voert de Raad voor de Kinderbescherming niet altijd een onafhankelijke toetsing van de noodzaak tot een dergelijke kinderbeschermingsmaatregel uit?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u voornemens om strengere kaders en criteria in te stellen waarbinnen het feitenonderzoek gedaan moet worden, zodat het zorgen voor sluitende, objectieve, waarheidsvinding en bewijslast verplicht geborgd is?
De aanbevelingen van het (onder vraag 2) genoemde IGJ-onderzoek laten ons zien dat ouders en kinderen meer en beter betrokken moeten worden bij belangrijke beslissingen zoals een uithuisplaatsing. Hun klacht is dat zij door jeugdprofessionals vaak niet goed gehoord worden, meer uitleg en onderbouwing nodig hebben over waarom een uithuisplaatsing nodig is en dat zij zelf deskundige bijstand missen. Het is voor kinderen en ouders lastig om te begrijpen wat hen overkomt, mede vanwege de wisselende gezichten, juridische procedures en omvangrijke, moeilijke rapporten. Op dit vlak zijn dus verbeteringen nodig, gericht op het beter informeren en bijstaan van kind en ouders bij een uithuisplaatsing. Deze inhoudelijke verbeteringen zijn noodzakelijk om het feitenonderzoek op voldoende kwalitatief niveau te brengen.
Daarnaast is het nodig dat de kwaliteit verbetert van de huidige instrumenten, methoden en richtlijnen die professionals gebruiken om feiten, meningen en oordelen systematischer in beeld te brengen en te wegen. Daaraan wordt ook gewerkt. Ook door middel van training en scholing. Want het werk is moeilijk en vraagt veel tijd, kennis, ervaring en competenties. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, werken de RvdK, Jeugdzorg Nederland en Veilig Thuis aan een vervolg op het vorig jaar afgeronde Actieplan verbetering feitenonderzoek. Ik zal hen daarin steunen.
We vinden het van belang om te benadrukken dat jeugdbeschermers ook voldoende tijd en ruimte moeten hebben om de kwaliteit van het werk te verhogen. Als gevolg van de hoge werkdruk kan dit onder druk komen te staan. Daarom is het zo belangrijk dat de werkdruk op korte termijn omlaag wordt gebracht. In de beantwoording van vraag 18 zullen wij nader ingaan op de stappen die worden gezet om de werkdruk te verlagen.
Is het mogelijk alle gesprekken die ouders hebben met betrokkenen binnen de jeugdbeschermingsketen te laten vastleggen, bij voorkeur middels audio en/of video, en op te nemen in het dossier, zodat er altijd bewijslast is en zowel kinderen, ouders als zorgmedewerkers hierdoor beschermd worden?
Een geluidsopname is toegestaan als degene die de geluidsopname opneemt ook zelf aan het gesprek deelneemt, de opname vooraf meldt en deze opname niet openbaar maakt of verstrekt aan derden zonder toestemming van de andere partij. Het spreekt vanzelf dat geluidsopnamen ook niet verspreid mogen worden met de bedoeling te beledigen, of om te gebruiken voor smaad en laster. Dit is strafbaar. Er kunnen overigens ook zwaarwegende redenen zijn om geen geluidsopnames te maken. Soms gaan gesprekken over zaken die kinderen kunnen schaden en die zij liever niet horen.
Voor het maken van beeldopnames ligt dit anders. Daarvoor is toestemming een vereiste, vanwege het portretrecht. Als dit niet gebeurt, dan is de beeldopname onrechtmatig.
Beeld- en geluidsopnamen kunnen onderdeel zijn van het dossier voor zover in overeenstemming met de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens op basis van wet- en regelgeving, de protocollen en richtlijnen van de betrokken organisaties.
In februari van dit jaar verscheen de «Wetenschappelijke Factsheet Uithuisplaatsingen», met daarin verscheidene aanbevelingen voor verbeteringen, hoe ver bent u met het implementeren van deze aanbevelingen? Kunt u deze voortgang concreet uiteenzetten?2
Voorafgaand aan de debatten over jeugdbescherming en jeugdzorg, die in november 2022 zijn gepland, zullen wij uw Kamer schriftelijk nader informeren over maatregelen om op de korte termijn de situatie in de jeugdbescherming te verbeteren en over het plan van aanpak om de rechtsbescherming in de jeugdbescherming te verbeteren. De aanbevelingen uit de factsheet van de Universiteit van Leiden neem ik daarin mee.
Kunt u reflecteren op het onlangs verschenen onderzoek van de Universiteit Leiden, de «Eindevaluatie herziening Wet kinderbeschermingsmaatregelen», waaruit blijkt dat deze wet door alle problemen in de jeudbeschermingsketen niet uitgevoerd kan worden (Kamerstuk 31 839, nr. 875)? Welke stappen gaat u ondernemen naar aanleiding van dit onderzoek?
De evaluatie van de herziene Kinderbeschermingswetgeving legt een dilemma bloot. Indien kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en beschermd moeten worden, is ingrijpen op dat moment legitiem. De inzet van een kinderbeschermingsmaatregel maakt dat er zicht is op de veiligheid van het kind, de Gecertificeerde Instelling is daar verantwoordelijk voor. De kern van het probleem is dat na het opleggen van de maatregel de uitvoering stokt, omdat er geen jeugdbeschermer of passende hulp beschikbaar is. Dat probleem moet worden aangepakt en daar zijn we druk mee bezig. Wij realiseren ons dat hier meerdere facetten een rol spelen. Ook het feitenonderzoek en de klachtenprocedures moeten beter en er zijn verbeteringen nodig rond de rechtsbescherming. De Universiteit van Leiden doet hiervoor een aantal concrete aanbevelingen en ook daar werken we aan. Ik stuur uw Kamer in november het plan van aanpak ter verbetering van de rechtsbescherming, voorafgaand aan de debatten met uw Kamer.
Niet zelden liggen er financiële overwegingen ten grondslag aan het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel, kunt u aangeven wat u gaat doen om deze perverse financiële prikkels in de jeugdbeschermingsketen tegen te gaan? En wat gaat u doen om de wildgroei aan commerciële aanbieders van zorg aan banden te leggen?
In het jeugdbeschermingsstelsel is sprake van een strikte scheiding tussen de instelling/instantie die de maatregel voor kinderbescherming aanvraagt (de Raad voor de Kinderbescherming en bij een verlenging de Gecertificeerde Instelling) en de instelling/instantie die daarover besluit (de rechtbank). Voor deze scheiding der functies is gekozen omdat een beslissing over het ingrijpen van de overheid in de rechten van het kind en de ouders altijd onafhankelijk, met waarborgen omkleed en zorgvuldig door de rechter genomen moeten worden. Ik deel uw constatering dat sprake zou zijn van financiële overwegingen of perverse financiële prikkels bij het opleggen van een maatregel dan ook niet.
Bent u het eens met de stelling dat het belangrijk is om meer harde, wettelijke eisen en criteria te stellen aan de uitvoerende zorgverlening binnen de jeugdbescherming, zodat minder makkelijk misbruik gemaakt kan worden van de kwetsbare situaties waarin kinderen, ouders en zorgverleners zich bevinden?
Ik ben er op voorhand niet van overtuigd dat het stellen van meer harde, wettelijke eisen aan de zorgverlening in de jeugdbescherming gaat bijdragen aan een betere uitvoering. Dat laat onverlet dat het nodig is te investeren in de kwaliteitsverbetering van de huidige instrumenten, methoden en richtlijnen die professionals gebruiken. In het kader van de werkzaamheden van de Hervormingsagenda wordt bijvoorbeeld gekeken naar de inzet en het gebruik van meer evidence based methoden.
Kunt u verklaren waarom er zo’n grote discrepantie bestaat tussen hoe zorgverleners en instanties de gegeven hulp beoordelen, ten opzichte van hoe de cliënten de ontvangen zorg ervaren? Waarom is het systeem zo weinig gericht op het faciliteren, informeren en ondersteunen van kinderen en ouders? Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat ouders meer inspraak krijgen en kunnen meebeslissen op basis van informed consent?
Bij de beantwoording van vraag 7 ben ik ingegaan op de wijze waarop ouders en kinderen meer en beter betrokken moeten worden.
Kunt u uitleggen waarom de kwaliteitskaders voor de jeugdzorg voornamelijk gericht zijn op de administratieve kant en nauwelijks op de uitvoerende kant van de zorg? Gaat u ervoor zorgen dat deze er wel zo snel mogelijk komen? Zo ja, hoe worden deze kwaliteitskaders opgesteld en door wie?
De bestaande regelgeving, zoals de vereisten uit de Jeugdwet en het Burgerlijk Wetboek zien zowel op de uitvoering van jeugdzorg en jeugdbescherming als op meer bedrijfsmatige kaders voor de inrichting van bijvoorbeeld een Gecertificeerde Instelling.
Wel bestaat aanvullende behoefte aan een kwaliteitskader voor de jeugdbescherming. Op dit moment wordt een kwaliteitskader en prestatiebeschrijvingen voor de jeugdbescherming ontwikkeld, wat tot doel heeft kwaliteit en prestaties te objectiveren en te normeren, zodat gemeenten en GI’s samen tot betere tarieven en sturingsafspraken zullen komen. Onder aansturing en in opdracht van JenV werken we op dit moment met gemeenten, GI’s, andere betrokken professionals aan de totstandkoming hiervan.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld er voor de jeugdzorg naar de gemeenten gaat en specificeren op welke manier dit wordt besteedt? Hoeveel geld blijft er binnen de gemeente zelf circuleren, bijvoorbeeld voor personeel in het sociaal domein en hoeveel geld gaat er naar de uitvoeringsorganisaties en komt dus direct ten goede aan daadwerkelijke zorg voor kinderen en jongeren?
Het budget voor jeugdhulp is onderdeel van de Algemene Uitkering van het gemeentefonds en valt daarmee onder de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten. Gemeenten hoeven hun uitgaven daarom niet te verantwoorden. Daardoor is niet precies bekend wat de uitgaven van gemeenten aan de jeugdzorg zijn. Wel dienen zij hun rekeningcijfers in het Iv3-systeem in te vullen. Voor het jaar 2020 zijn deze cijfers definitief. De uitgaven in dat jaar aan Jeugd bedragen € 4.858 miljoen. Daarnaast zijn er dat jaar ook nog uitgaven geregistreerd voor zowel Wmo als Jeugd ter hoogte van € 2.838 miljoen. Het is niet bekend welk deel daarvan is uitgegeven voor Jeugd.
Begin 2020 heeft KPMG in opdracht van VWS onderzoek gedaan bij 9 gemeenten en 13 aanbieders om meer inzicht te krijgen in de besteding van jeugdhulpmiddelen6. Dit niet-representatieve onderzoek laat zien dat dat van de totale uitgaven aan jeugd in 2018 er 70% terecht komt bij zorgprofessionals (lokale teams (10%), PGB (3%) en uitgaven zorgprofessionals (57%)) en bijna 30% gaat naar uitvoeringskosten7 bij aanbieders (25%)/overhead gemeenten (4%). Belangrijk te realiseren is dat er ook nog uitvoeringskosten zijn bij de individuele zorgprofessionals, maar de omvang daarvan in dit onderzoek niet bepaald is omdat dit bij de onderzochte aanbieders niet geregistreerd wordt.
Kunt u uitleggen waarom een gemeente er vaak voor kiest om de (basis)zorg zelf uit te voeren en hiervoor inadequaat geschoolde werknemers in te zetten, in plaats van te kiezen voor professionals met de juiste opleiding en achtergrond? Is deze overweging een financiële? Zo ja, bent u zich ervan bewust dat dit op de lange termijn vaak zal leiden tot hogere kosten, omdat een gebrekkig starttraject leidt tot grotere problemen bij kinderen en ouders in de toekomst?
In de Jeugdwet is bepaald dat verantwoorde jeugdhulp moet worden geleverd. De werkgever is verantwoordelijk voor het inzetten van de juiste mix van professionals. In het Besluit Jeugdwet (artikel 5.1.1) is bepaald dat jeugdhulp moet worden uitgevoerd door of onder de verantwoordelijkheid van geregistreerde professionals (BIG of SKJ) met de juiste opleiding. Tevens is bepaald dat naast de geregistreerde professionals ook niet geregistreerde professionals jeugdhulp kunnen bieden, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De praktische uitwerking van deze voorwaarden staat in het «Kwaliteitskader Jeugd; Norm voor verantwoorde werktoedeling». Het belangrijkste criterium voor het inzetten van een niet-geregistreerde professional is de situatie van de jeugdige. Als er bij de jeugdige sprake is van een voorspelbare, veilige situatie waarbij de risico’s zijn in te schatten dan mag een niet-geregistreerde professional worden ingezet. Deze wettelijke bepaling en praktische uitwerking geldt ook indien gemeenten ervoor kiezen om basiszorg zelf te leveren bijvoorbeeld via lokale teams. Dit zal altijd plaats moeten vinden conform het genoemde kwaliteitskader Jeugd.
Kunt u inzichtelijk maken in hoeverre de personeelstekorten in de jeugdzorg kunnen worden opgelost als gemeenten gaan korten op hun interne uitgaven, bijvoorbeeld op personeelskosten in het sociaal domein, zodat dit budget vrijkomt voor goed opgeleide hulpverleners bij zorgaanbieders en het uitvoeren van gedegen zorgtrajecten en maatregelen ter voorkoming van een uithuisplaatsing?
Gemeenten kunnen hun middelen vrij besteden en het is aan gemeenten om een afweging te maken tussen hun interne uitgaven en het budget voor bijvoorbeeld bepaalde vormen van zorg. Schaarste aan personeel in zorg en welzijn is helaas de dagelijkse realiteit. Meer geld lost niet de arbeidsmarkttekorten op. Het is de verantwoordelijkheid van alle partijen (werkgevers, gemeenten, brancheverenigingen en het Rijk) om te zorgen voor een aantrekkelijke sector voor potentiële jeugdzorgwerkers om in te werken, het aanpakken van arbeidsmarktknelpunten en te zorgen voor behoud van personeel.
In de brief die de Staatssecretaris van VWS en ik op 14 september jongstleden naar de Tweede Kamer hebben gestuurd8, hebben wij beschreven welke maatregelen wij nemen om de arbeidsmarktproblematiek aan te pakken. Dit omvat onder andere een stimuleringsregeling voor zijinstromers, waarvoor wij in totaal € 10 mln beschikbaar stellen.
Welke stappen gaat u zetten om de werkdruk van jeugdhulpverleners drastisch te verminderen?
Op 14 september jl. hebben wij de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de maatregelen die wij op dit moment nemen om de situatie in de jeugdbeschermingsketen te verbeteren, zodat jeugdbeschermers meer tijd en ruimte krijgen voor de hulp en begeleiding van kinderen en ouders.9
Het kabinet stelt hiervoor in de komende jaren in totaal € 80 mln beschikbaar. Hiervan wordt in totaal € 40 mln beschikbaar gesteld aan GI’s zodat zij op korte termijn meer medewerkers kunnen aantrekken en tot een caseloadverlaging kunnen komen. Het gaat om € 10 mln per jaar, tot en met 2025. En we verwachten dat gemeenten een vergelijkbare bijdrage doen.
Daarnaast stelt het Kabinet in 2023 en 2024 in totaal € 10 mln beschikbaar voor een zijinstroom regeling om meer jeugdbeschermers te werven en op te leiden.
Verder werken wij voor de korte termijn onder andere aan een landelijke norm voor een reële caseload, het verminderen van regeldruk bij GI’s, het beter mogelijk maken van functiedifferentiatie, het vergemakkelijken van de inzet van jeugdhulp, waarbij bij toekennen van hulp de uitspraak van een rechter zwaarwegend is en het verminderen van de instroom. De details kunt u teruglezen in bovengenoemde brief.
De bovengenoemde maatregelen zullen op korte en middellange termijn verlichting gaan bieden, maar de structurele oplossing zit in de nieuwe manier van werken conform het Toekomstscenario. Vroegtijdiger zicht op de problemen en vroegtijdiger inzet van passende hulp en steun voorkomt dat problematiek nodeloos verergert. Vanuit het grote gevoel van urgentie willen we deze nieuwe manier van werken versneld gaan toepassen. Voor deze versnelling stelt het Kabinet in totaall € 30 mln beschikbaar (jaarlijks € 1 mln in 2023, 2024 en 2025).
Gaat u in kaart brengen hoeveel onterecht uithuisgeplaatste kinderen er zijn in Nederland en wat ervoor nodig is om deze kinderen weer te herenigen met hun ouders?
Nee, dat ben ik niet van plan.
De stelling dat uithuisplaatsingen in Nederland vaak onterecht zijn, dan wel deze beslissingen onrechtmatig zijn onderschrijf ik niet. De rapporten van de IGJ en de Universiteit van Leiden laten ook zien dat een uithuisplaatsing vaak om goede gronden en in het belang van de veiligheid van een kind wordt genomen. De richtlijn voor uithuisplaatsing10 geeft de jeugdprofessional een kader voor het nemen van dergelijke ingrijpende besluiten. Deze richtlijn heeft hebben de insteek dat een uithuisplaatsing van een kind zoveel als mogelijk voorkomen moet worden. Een uithuisplaatsing is dus echt een laatste middel, als er geen andere oplossingen meer zijn voor een kind om thuis op te groeien.
Ondanks de goede intenties van de betrokken partijen en jeugdprofessionals realiseer ik mij dat in de praktijk van het uithuisplaatsen verbeterslagen nodig zijn. Bijvoorbeeld op het gebied van de bejegening van en samenwerking met ouders en kinderen gedurende het gehele traject van hulp en bescherming, de inzet van passende jeugdhulp en de tijd en ruimte die een jeugdprofessional nodig heeft om tot een zorgvuldig besluit te kunnen komen. Daar wil ik mij hard voor maken.
Als de rechter een uithuisplaatsing onterecht verklaart, duurt het vaak nog erg lang voor het betreffende kind teruggeplaatst wordt bij de ouders, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit proces in de toekomst sneller verloopt? Kunt u concreet aangeven welke stappen u gaat ondernemen om kinderen zo snel mogelijk terug te plaatsen bij hun ouders en hoe dat van invloed zal zijn op het verminderen van de wachtlijsten in de jeugdzorg, aangezien een afgesloten traject van het ene kind, sneller een nieuw hulptraject voor een ander kind zal betekenen?
Zie antwoord vraag 19.
Gaat u alle uithuisplaatsingen in Nederland opnieuw toetsen op rechtmatigheid? Zo nee, waarom niet?
Een kinderrechter kan een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing afwijzen of een machtiging op verzoek van de ouder voortijdig beëindigen. Dat het in deze situaties vervolgens lang duurt voordat een kind teruggeplaatst wordt bij ouders herken ik niet.
Wat gaat u concreet ondernemen om de rechtspositie van kinderen en ouders in de jeugdzorg zo snel mogelijk te verbeteren? Kunnen ouders en kinderen bijvoorbeeld altijd een, vrij gekozen, onafhankelijke vertrouwenspersoon krijgen die hen kan ondersteunen, bij kan staan in de procedurele afhandeling van hun zaak en toe kan zien op de rechtmatigheid en doelmatigheid van het proces?
In november ontvangt uw Kamer een plan van aanpak ter verbetering van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming. In dit plan van aanpak zal ik ook ingaan op de wijze waarop ik de juridische ondersteuning van kinderen en ouders bij procedures wil verbeteren. Overigens hebben jeugdigen en hun ouders die te maken hebben met jeugdhulp recht op een (gratis) onafhankelijke vertrouwenspersoon, van bijvoorbeeld het Advies en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ).
Gaat u de kinderen die onterecht uit huis zijn geplaatst en hun ouders compenseren voor de geleden schade? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Jeugdbeschermers zetten zich iedere dag in voor de veiligheid en de ontwikkeling van kinderen en zijn zich bewust van het ingrijpende karakter van een uithuisplaatsing. Voor een uithuisplaatsing is een machtiging van de rechter nodig, tegen welke beslissing hoger beroep openstaat. Er zijn geen regelingen op basis waarvan compensatie toegekend kan worden na uithuisplaatsingen.
Het bericht 'Opnieuw problemen bij Philips: sommige maskers gevaarlijk voor mensen met pacemakers' |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opnieuw problemen bij Philips: sommige maskers gevaarlijk voor mensen met pacemakers»?1
Ja.
Bent u bekend met de eerdere problemen met adem- en slaapapneuapparaten van Philips, waarbij het bedrijf vorige week 1.700 Bipap-beademingsapparaten heeft teruggeroepen, en vorig jaar een terugroepactie vanwege problemen bij slaapapneu-apparaten plaatsvond? Welke stappen zijn gezet sinds de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in mei jongstleden de druk heeft opgevoerd omtrent de terugroepactie van slaapapneu-apparaten?2
Ja, ik ben bekend met beide terugroepacties. De recente terugroepactie is van kleinere aard en omvang. Het betreft hier specifieke productieseries toestellen, in aantal 1.700 wereldwijd, waarvan er geen toestellen in Nederland zijn geleverd.
De IGJ heeft haar bevindingen en oordeel over de lopende terugroepactie met Philips doorgesproken. Hierbij heeft de IGJ verbetering gevraagd in met name de samenwerking, communicatie en transparantie over de terugroepacties richting onder andere patiënten, medisch behandelaars en distributeurs. Dit heeft recent geleid tot een plan van aanpak van Philips. De IGJ monitort op dit moment intensief de beoogde verbeteringen. Daarnaast heb ik in gesprek met Philips eerder dit jaar hen gewezen op het belang van vaart maken met de terugroepactie en het verbeteren van de communicatie en transparantie richting betrokken partijen.
Inmiddels heeft in augustus een stakeholderbijeenkomst plaatsgevonden met een vertegenwoordiging van patiënten, medische professionals en distributeurs. VWS en IGJ waren bij deze bijeenkomst aanwezig. Tijdens deze bijeenkomst is onder meer een update gegeven over de voortgang van lopende onderzoeken en de terugroepactie.
Kunt u aangeven of er Continuous Positive Airway Pressure (CPAP) or Bi-Level PAP-maskers uit het artikel van 7 september in Nederland geleverd zijn? Zo ja, kunt u aangeven of er in Nederland al meldingen zijn gedaan van problemen? Waarom wordt bij dit probleem gekozen voor eerst een waarschuwing en daarna het bericht dat patiënten de maskers niet meer mogen gebruiken? Wat is de reden dat er niet een terugroepactie is ingezet?
Ja, deze maskers worden ook door patiënten in Nederland gebruikt. Er zijn in Nederland geen meldingen van problemen bekend. De maskers kunnen alleen bij een kleine groep patiënten een mogelijk probleem vormen. Philips heeft daarom alleen deze groep patiënten de mogelijkheid geboden het masker te vervangen in plaats van een collectieve terugroepactie.
Welke inzet plegen verschillende landen waar op dit moment een terugroepactie plaatsvindt om deze actie zo spoedig mogelijk te laten verlopen? Heeft u een verklaring voor de vertraging van de terugroepactie in Nederland, waarbij nu 46.000 van de 110.000 kastjes zijn vervangen terwijl Philips streefde naar vervanging van alle kastjes binnen twaalf maanden? Welke mogelijkheden zijn er voor u als Minister om bij te dragen aan versnelling van deze vervangingsactie?
De inzet van de verschillende landen verschilt in de basis niet veel van elkaar. De betrokkenen EU-lidstaten werken namelijk intensief samen en beoordelen voortdurend of de fabrikant de juiste stappen zet, zodat de terugroepactie zo snel mogelijk wordt uitgevoerd. Daarbij wordt scherp gelet op de voortgang van het vervangings-/reparatieproces en wordt de fabrikant daar waar nodig aangezet tot verbeteringen.
Ik heb als Minister verder geen invloed op de bedrijfsvoering van Philips, en dus ook geen inzicht in de reden van vertraging in de terugroepactie. Zoals eerder aangegeven heb ik in gesprek met Philips wel mijn zorgen over de terugroepactie geuit en een oproep gedaan om meer snelheid hierin aan te brengen.
Deelt u de mening dat de opeenstapeling van veiligheidsproblemen bij Philips niet goed is voor het vertrouwen van patiënten in de medische technologie in het algemeen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om vertrouwen in de medische technologie te vergroten en welke bent u bereid in te zetten?
Het is begrijpelijk dat berichten als deze gevolgen hebben voor patiënten die vertrouwen op technologie voor hun gezondheid en kwaliteit van leven. Juist om die reden hebben fabrikanten in dit domein een grote verantwoordelijkheid om voortvarend en transparant te werk te gaan bij eventuele veiligheidsproblemen.
Dit laat onverlet dat de markt van medische technologie bestaat uit ongeveer 500.000 verschillende producten. Dit betreft producten die worden gebruikt bij de diagnose, behandeling en ondersteuning van ziekten en gebreken. Bij veel behandelingen wordt wel een vorm van medische technologie gebruikt. Volgens mij toont dit aan dat er veel vertrouwen is in de inzet van medische technologie in de zorg en ik verwacht dat het belang van deze inzet in de toekomst alleen maar zal toenemen.
Juist vanwege deze omvangrijke inzet van technologie is het helaas ook onvermijdelijk dat zich (mogelijke) veiligheidsproblemen voordoen. Uiteindelijk is namelijk geen enkel product of behandeling honderd procent veilig. Dit kan komen door het product zelf, maar nog vaker komt dit door de toepassing ervan. Onlangs is dit ook uit de Monitor Zorggerelateerde Schade 2019 van het Nivel gebleken3.
Desondanks moeten we met elkaar proberen de risico’s op problemen zo klein mogelijk te houden voor patiënt en zorgverlener. Hiervoor is er onder andere sinds 2016 het convenant «Veilige Toepassing van medische technologie in de medisch specialistische zorg» als belangrijke veldnorm. De IGJ gebruikt dit convenant actief in haar toezicht, samen met de leidraden hierover van de Federatie Medisch Specialisten. Er wordt momenteel gewerkt aan een nieuwe veldnorm.
Daarnaast is sinds 26 mei 2021 de Medical Device Regulation (MDR) van toepassing voor medische hulpmiddelen. Sinds 26 mei 2022 is de In vitro Diagnostic Medical Device Regulation (IVDR) voor diagnostische testen van toepassing. Beide Europese verordeningen hebben als doel om de veiligheid van het product te vergroten en daarmee de patiëntveiligheid. Er worden onder andere strengere eisen gesteld aan de markttoelating en de klinische bewijsvoering. Daarnaast worden problemen met medische hulpmiddelen via een (deels) openbare Europese database sneller inzichtelijk gemaakt (EUDAMED). Ik verwacht dat al deze maatregelen de veiligheid en toepassing van medische technologie verder verbeteren.
Het plotseling afsluiten van afloopsteigers voor de binnenvaart bij Hansweert |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onverwachtse besluit van Rijkswaterstaat om elf van de veertien afloopsteigers voor de binnenvaart bij sluizencomplex Hansweert af te sluiten vanwege achterstallig onderhoud?1, 2
Ja.
Kunt u meer inzicht geven in het tijdpad voor afsluiting en renovatie van de genoemde afloopsteigers?
Gedurende meerdere inspecties in de periode eind 2021/begin 2022 is gebleken dat voor 11 van de 14 beschikbare afloopvoorzieningen bij Hansweert een veilig gebruik niet meer kan worden gegarandeerd. Er is sprake van een door corrosie ernstig aangetaste constructie, waardoor er een grote kans op bezwijken bestaat. Om onveilige situaties voor gebruikers te voorkomen is in april 2022 besloten dat deze steigers moeten worden afgesloten. De voor de afsluiting noodzakelijk uit te voeren werkzaamheden hebben plaatsgevonden tussen 18 juli en 5 augustus 2022. De afsluiting duurt totdat noodzakelijk groot onderhoud aan deze voorzieningen is uitgevoerd. Om de overlast zo kort mogelijk te houden wordt een deel van de aan- en afloopvoorzieningen bij de sluizen Hansweert al in 2023 vernieuwd. Daarbij zijn in ieder geval inbegrepen de voorzieningen bij de kegelligplaatsen. Deze zijn bestemd voor schepen met gevaarlijke stoffen. De definitieve planning voor de werkzaamheden is nog niet bekend. De beschikbare budgetten zijn niet toereikend om alle aan- en afloopvoorzieningen gelijk aan te pakken. Naar verwachting worden de werkzaamheden tussen april en oktober 2023 uitgevoerd.
Ik realiseer me dat deze maatregel veel impact heeft op de schippers. Schippers kunnen wel aanmeren maar niet bij alle afloopvoorzieningen aan wal gaan. Dit betekent dat zij in die gevallen moeten uitwijken naar andere locaties om aan wal te komen. De dichtstbij zijnde locaties zijn de Krammersluizen en de Volkeraksluizen. Schippers moeten daarvoor al snel ca 35 tot 65 km (4 tot 7 uur) extra varen om een aanlegvoorziening te bereiken om aan wal te gaan. Uitwijken zal echter lang niet altijd mogelijk zijn waardoor aanmeren bij de sluizen Hansweert de enige optie is. Schepen zijn dan niet bereikbaar voor bijvoorbeeld hulpdiensten. Tevens is dit voor schepen zonder goede overnachtingsvoorzieningen extra problematisch.
Deelt u de mening dat, gelet op het tekort aan ligplaatsen, afsluiting van steigers zoveel mogelijk voorkomen moet worden?
Ja, ik deel die mening.
Ziet u mogelijkheden om door tijdelijke maatregelen zoveel mogelijk afloopsteigers alsnog open te kunnen stellen alvorens de afloopvoorzieningen gerenoveerd worden? Bent u bereid deze mogelijkheden te benutten?
Vanwege de slechte staat is het niet mogelijk om tijdelijke maatregelen te nemen om deze voorzieningen alsnog open te stellen. De constructies zijn daarvoor te zwaar aangetast door corrosie.
Was de slechte staat van de genoemde afloopsteigers pas laat in beeld, waardoor abrupte afsluiting nodig was?
Op basis van inspecties zijn in 2019 de aan- en afloopvoorzieningen bij Hansweert opgenomen in het project «Groot Onderhoud steigers en afmeervoorzieningen». Echter, bij de start van de eerste werkzaamheden (o.a. bij vluchthaven Tholen en Kreekrak) begin 2021, bleken de voorzieningen in een veel slechtere staat te verkeren dan waar bij de aanbesteding van uit was gegaan. De geplande uitvoeringskosten van het project zijn daardoor ruim hoger geworden dan het beschikbare budget. Bij de noodzakelijke herprioritering heeft RWS keuzes moeten maken. Hierbij is een aantal werkzaamheden uitgesteld die het minste impact hebben op de beschikbaarheid van de vaarweg, zoals o.a. de aan- en afloopvoorzieningen bij Sluizencomplex Hansweert. De voorzieningen die niet kunnen worden aangepakt zijn met inspecties in de gaten gehouden. Naar aanleiding van eind 2021/begin 2022 uitgevoerde inspecties is in april 2022 besloten dat 11 aan- en afloopvoorzieningen niet meer veilig kunnen worden gebruikt en moeten worden afgesloten. Deze zijn vervolgens tussen 18 juli en 5 augustus 2022 afgesloten.
Waarom zijn binnenvaart en provincie niet eerder geïnformeerd over de noodzakelijke afsluiting van de genoemde afloopsteigers?
In april 2022 werd duidelijk dat de aan- en afloopvoorzieningen op korte termijn moesten worden afgesloten. Vanaf eind mei zijn vervolgens de stakeholders (Koninklijke Binnenvaart Nederland en Algemeene Schippers Vereniging (ASV)) geïnformeerd en betrokken bij de plannen en het zoeken naar mogelijkheden om de hinder zoveel mogelijk te beperken. Ook de Provincie Zeeland is hierbij betrokken. Toen de datum van de afsluiting bekend was is de scheepvaart door middel van een Bericht aan de Scheepvaart (BAS) geïnformeerd.
Op welke wijze wordt de staat van onderhoud van steigers en afloopvoorzieningen gemonitord?
Rijkswaterstaat heeft hiervoor een inspectiestrategie. Jaarlijks voert de onderhoudsaannemer toestandsinspecties uit waarbij gedetailleerde informatie over de staat van het object wordt verzameld. Daarnaast worden iedere zes jaar programmeringsinspecties uitgevoerd door een onafhankelijk gespecialiseerd inspectiebureau. Deze laatste geeft ook advies voor toekomstig onderhoud.
Als er zorgen zijn over de staat van een object wordt de inspectiefrequentie opgevoerd zodat nauwlettender in de gaten kan worden gehouden of veiligheid nog gewaarborgd is. Dit is ook gebeurd bij de aan- en afloopvoorzieningen bij de sluizen Hansweert.
Wat is in het algemeen het beeld van de staat van onderhoud van steigers en afloopvoorzieningen in beheer bij Rijkswaterstaat? Zijn de komende tijd nieuwe afsluitingen te verwachten?
Het beeld is dat de voorzieningen die vanwege de slechte onderhoudsstaat zijn of moeten worden afgesloten, zich met name bevinden in de Zeeuwse regio en op een beperkt aantal andere locaties in het land. Aangezien de totale instandhoudingsopgave groter is dan de beschikbare budgetten zijn afsluitingen niet uit te sluiten.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de gevolgen van achterstallig onderhoud van steigers en afloopvoorzieningen voor het gebruik ervan vroegtijdig in beeld zijn en gecommuniceerd worden, zodat vroegtijdig actie ondernomen kan worden?
Zoals in antwoord op vraag 7 aangegeven hanteert Rijkswaterstaat een inspectiestrategie. Als er aanleiding voor is voert Rijkswaterstaat de inspectiefrequentie op. Bij noodzakelijke afsluitingen treedt Rijkswaterstaat gelijk in overleg met de regio en andere belanghebbenden.
Het nieuws dat Europese Commissie voorzitter Von der Leyen op eigen houtje met Pfizer onderhandeld heeft over de aanschaf van 1,8 miljard coronavaccins. |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Europese Commissie-voorzitter Von der Leyen op eigen houtje met BioNTech-Pfizer onderhandeld heeft over de aanschaf van 1,8 miljard coronavaccins?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken niet door de beugel kan?
In mijn antwoord maak ik graag onderscheid tussen een inhoudelijk en een procedureel perspectief. Inhoudelijk was het zo dat de lidstaten, de Commissie nadrukkelijk hebben gevraagd meer inzet te plegen om de beschikbaarheid van Covid-vaccins te vergroten. Daar is deze overeenkomst met BionTech/Pfizer uit voortgekomen. Deze overeenkomst is vervolgens door de lidstaten (ook door Nederland) bekrachtigd.
Hiernaast is er ook een procedureel perspectief. Artikel 287, lid 3, van het VWEU schrijft voor dat instellingen van de Unie, de Rekenkamer (ERK) op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toezenden die nodig zijn voor de vervulling van haar taak. In het speciaal verslag van de ERK is een van de observaties dat zij geen informatie heeft ontvangen van de Europese Commissie over de voorbereidende onderhandelingen van het derde Pfizer-contract in de periode maart 2021. Het speciaal verslag is, tezamen met de reactie van de Europese Commissie, gepubliceerd. Qua opvolging van deze bevindingen is het Europees Parlement primair aan zet. Het EP heeft namelijk op grond van artikel 14 VEU een controlerende taak ten aanzien van de activiteiten van de Europese Commissie en zodoende kunnen EP-leden de Commissie daarover vragen stellen. Daarnaast heeft het Europees Parlement een speciale commissie opgericht (COVI), die onderzoek doet naar de pandemie-aanpak van de Unie.
Het is dus aan het Europees Parlement om een oordeel te vellen over het handelen van de Europese Commissie of om de (voorzitter van de) Europese Commissie ter verantwoording te roepen. Wel dringt het kabinet in algemene zin aan op transparantie en het afleggen van rekenschap vanuit de EU-instellingen, waaronder de Europese Commissie.
Hoe beoordeelt u dit gedrag en gaat u voorzitter Von der Leyen aanspreken op dit nieuws?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat de Europese Rekenkamer geen antwoord heeft gekregen op vragen voor opheldering rond deze gang van zaken? Kan dus worden verwacht dat u Von der Leyen om opheldering gaat vragen?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat Von der Leyen weigerde inzage te geven in haar tekstberichten die ze naar de topman van BioNTech-Pfizer verstuurde, en dat de Europese Ombudsman dit als wanbestuur betitelde? Bent u het eens met deze beoordeling van de Europese Ombudsman? Hoe beoordeelt u deze weigering om transparantie te verschaffen en openheid van zaken te geven?3
Ik ben bekend met het onderzoek van de Europese Ombudsman. Het kabinet steunt de belangrijke onafhankelijke rol die de Europese Ombudsman speelt en onderschrijft het belang van de verschillende onderzoeken die zij publiceert ten aanzien van de EU-instellingen. Het is van belang dat instellingen rekenschap afleggen. Ook voor dit specifieke onderzoek geldt dat het Europees Parlement een rol vervult. Het EP controleert de Europese Commissie en EP-leden kunnen de Commissie vragen stellen. In algemene zin dringt het kabinet binnen de EU aan op het belang van transparantie en het afleggen van rekenschap vanuit de EU-instellingen.
Bent u bereid om – eventueel in Europees verband – te pleiten voor een onderzoek naar de aanbesteding van deze vaccins? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft herhaaldelijk in Europees verband, onder andere tijdens de Raad Algemene Zaken van 22 en 23 juli 2021, het belang van grondig en onafhankelijk onderzoek onderstreept in lijn met de motie Leijten die het kabinet oproept tot een evaluatie van het inkoopproces, waaronder de rol van de Commissie hierin4. Het kabinet heeft het belang van een dergelijk onderzoek omarmd5. Het kabinet zal het belang van transparantie en het afleggen van rekenschap blijven onderstrepen in de posities die zij uitdraagt.
Deelt u de mening dat de rol van Von der Leyen goed onderzocht moet worden omdat er uiteindelijk in mei 2021 een megacontract met BioNTech-Pfizer is getekend waar tientallen miljarden euro’s mee gemoeid zijn?
Het kabinet is blijvend van mening dat transparantie en het afleggen van rekenschap van essentieel belang is, ook in dit geval.
Een sneltest voor het detecteren van vogelgriep onder in het wild levende dieren |
|
Leonie Vestering (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Kuipers , van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dierenambulance ontdekt sneltest vogelgriep en redt daar talloze dieren mee: «Het begon als een grapje»»?1
Ja.
Klopt het dat de Dierenambulance De Ronde Venen gebruikmaakt van Sars-cov-2-sneltesten (corona) en influenza (A/B)-sneltesten om vogelgriep onder in het wild levende dieren op te sporen en op deze manier snel vast te stellen of een dier opgevangen moet worden of niet? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?
Medewerkers van de Dierenambulance De Ronde Venen hebben het Ministerie van LNV geïnformeerd over hun ervaringen met het gebruik van sneltests voor SARS-CoV-2 en influenza bedoeld om corona- respectievelijk griepinfecties aan te tonen bij mensen. Deze tests zijn niet gevalideerd voor gebruik bij dieren. Ik begrijp de wens van dierenhulporganisaties om dergelijke testen, die binnen enkele minuten uitslag kunnen geven of een dier besmet is met vogelgriep, te kunnen gebruiken. Ik zie ook wel kansen voor het gebruik van een sneltest, mits de uitkomsten daarvan betrouwbaar zijn. Het is belangrijk om ook de risico’s van het gebruik ervan te zien, zeker als de eigenschappen van de tests niet bekend zijn, zoals nu het geval is. In de omgang met van vogelgriep verdachte vogels is het advies altijd persoonlijke beschermingsmaatregelen te nemen en verdenkingen moeten altijd gemeld worden bij de NVWA. Het gebruik van een sneltest bij een verdachte vogel ontslaat een persoon niet van die plicht.
Kunt u aangeven hoe betrouwbaar de corona- en influenzasneltesten zijn voor het opsporen van vogelgriep en hoeveel mogelijk vals positieve uitslagen er zijn? Indien dit niet bekend is, bent u bereid om een pilot te financieren waarin onafhankelijke wetenschappers, virologen, dierenartsen en dierenambulances onderzoeken hoe effectief en betrouwbaar het gebruik van corona- en influenzasneltesten is bij het opsporen van de vogelgriep en wat de mogelijke voor- en nadelen zijn van deze methode? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
De influenzasneltesten zijn gevalideerd om A/B-influenzavirussen in mensen aan te tonen, die van corona voor het aantonen van infecties met SARS-CoV-2 bij mensen. Hoe betrouwbaar de testen zijn voor het opsporen van influenzavirussen in vogels of zoogdieren is niet bekend. De testen zijn daar niet voor gevalideerd. In het beste geval kunnen deze testen een influenzavirus aantonen, maar zij kunnen geen onderscheid maken tussen verschillende varianten van (vogel)griep of tussen hoogpathogene en laagpathogene virussen. Een sneltest zal ook fout-positieve en -negatieve uitslagen geven. Een PCR is op dit moment de geëigende test om met grote zekerheid vogelgriep aan te tonen of uit te sluiten.
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), het nationaal referentielaboratorium voor vogelgriep, gevraagd om in kaart te brengen welke sneltesten er op de markt zijn, en vervolgens de testkarakteristieken van een aantal ervan te onderzoeken. Dat kan bijdragen aan de beoordeling van de bruikbaarheid van deze testen bij vogels of zoogdieren.
Deelt u de mening dat een sneltest voor vogelgriep een maatschappelijke meerwaarde heeft, omdat het niet alleen helpt om meer dieren te redden, maar ook omdat het bijdraagt aan het beter en sneller in kaart brengen van de omvang en het gevaar van vogelgriep onder in het wild levende dieren voor mensen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de behoefte van de medewerkers van dierenambulances en wildopvang aan een test die snel en betrouwbaar kan aantonen of een dier vogelgriep heeft. Ook voor het in kaart brengen van de omvang, de impact en de risico’s van vogelgriep onder wilde vogels kan een betrouwbare sneltest mogelijk een nuttige aanvulling zijn. Een sneltest kan echter geen onderscheid maken tussen verschillende varianten virussen en tussen hoog- en laagpathogene virussen, wat bij vogelgriep relevant is. Bovendien kan in het laboratorium de genetische samenstelling van het virus bepaald worden, wat van belang is voor de monitoring op het ontstaan van mogelijk zoönotische varianten. Daarom zie ik een beperkte meerwaarde voor het gebruik van sneltests.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval vóór het commissiedebat Zoönosen en Dierziekten de datum 13 oktober 2022?
U ontvangt de antwoorden hierbij.
Bent u bekend met de uitzending van SBS6-programma Undercover in Nederland van 11 september 2022 waar blootgesteld wordt dat afvalcoaches zonder enige gewetenswroeging misbruik maken van (minderjarige) anorexiapatiënten?1
Ja.
Heeft u naar aanleiding van de uitzending van het programma de bereidheid te onderzoeken wat er zich afspeelt op platforms van de pro-ana-wereld, waar zelfbenoemde afvalcoaches zonder enige gewetenswroeging misbruik maken van (minderjarige) anorexiapatiënten? Kunt u een detailleerd antwoord geven?
Ik stel voorop dat het onacceptabel is dat personen die zich voordoen als coach, (seksueel) misbruik maken van kwetsbare minderjarige slachtoffers met psychische problematiek zoals een eetstoornis. De aanpak van deze problematiek heeft mijn prioriteit en vergt een brede inzet, zowel in het hulpverleningskader (onder andere gericht op preventie) als in het opsporings- en vervolgingskader. Op die drie sporen is het beleid van het kabinet ook steeds gericht, waarbij via het opsporingsspoor op verschillende manieren wordt ingezet op het verkrijgen van zicht op deze problematiek.
De politie is in het opsporingskader bekend met het bestaan van pro-ana-platforms en heeft ook zaken in onderzoek betreffende online seksueel misbruik van kwetsbare jongeren. Van de ontvangen gelden in het kader van de motie Hermans komt vanaf 2024 in tranches 4 miljoen euro beschikbaar onder meer voor de opsporing van online seksueel kindermisbruik door de Teams Bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme. Ik verwijs u ook naar mijn antwoorden op de Kamervragen van mevrouw Michon-Derkzen van 10 oktober jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 355). Online seksueel kindermisbruik is daarnaast onderdeel van de Veiligheidsagenda 2019–2022. Daarin wordt beschreven waar de focus in de aanpak en opsporing van online seksueel kindermisbruik ligt en zijn jaarlijkse resultaatafspraken voor de politie neergelegd. De nadruk daarbij ligt op het ontzetten van slachtoffers van acuut misbruik door het identificeren van deze slachtoffers maar ook misbruikers, vervaardigers en keyplayers binnen (online) netwerken. Zoals ik de Kamer eerder al berichtte zal online seksueel kindermisbruik wederom een van de thema’s zijn in de Veiligheidsagenda 2023–2026.2 Over de thema’s en afspraken in de nieuwe Veiligheidsagenda is uw Kamer per aparte brief geïnformeerd. Na de wijziging van de Wet Computercriminaliteit III, die per 1 maart 2019 in werking is getreden, is bovendien de inzet van een lokpuber in het opsporingskader mogelijk.
Op dit moment worden nog verschillende acties ondernomen voor het (verder) vergroten van het zicht op de problematiek van misbruik door (onder andere) pro-ana-coaches, dat vaak online aanvangt. Zo wordt door de politie een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden voor de opzet en uitrol van een online opsporingsstrategie gericht op seksuele misdrijven en mensenhandel in het bijzonder. Op 10 oktober jl. is bij uw Kamer bovendien het wetsvoorstel seksuele misdrijven ingediend. Als gevolg van dat wetsvoorstel krijgen slachtoffers meer mogelijkheden om aangifte te doen van een seksueel misdrijf. De professionals die slachtoffers ondersteunen en begeleiden, kunnen aan de hand van het nieuwe wettelijk kader aan slachtoffers beter duidelijk maken voor welke strafbare feiten een dader vervolgd en berecht kan worden. Het voorgaande kan bijdragen aan de verhoging van de aangiftebereidheid van slachtoffers.
Wat vindt u van het feit dat de adviezen van deze zogenaamde coaches letterlijk levensgevaarlijk zijn, vanwege het feit dat als de kinderen het dieetplan opvolgen, de dood erop zou kunnen volgen? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven waarbij u aangeeft hoe u anorexiapatiënten gaat helpen beschermen?
Het geven van levensgevaarlijke adviezen aan kwetsbare minderjarigen met een eetstoornis is heel kwalijk en dient effectief te worden aangepakt. Voorop in deze aanpak staat de bescherming van slachtoffers tegen dergelijke praktijken. Gevaarlijke adviezen worden in veel gevallen echter gegeven door personen die zelf ook ziek zijn vanwege een eetstoornis en de ernst van deze ziekte niet kunnen of willen inzien. Hulpverlening aan deze personen die zelf ziek zijn vanwege een eetstoornis is dan ook van groot belang. Zie in dat kader ook de beantwoording van Kamervragen van de leden Bikker (Christen Unie) en Westerveld (GroenLinks) over het bericht «Hoe pro-ana coaches kwetsbare meisjes misbruiken» en de uitvoering van de motie Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 197), die op 4 juli 2022 mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan uw Kamer is gezonden.
Op grond van verschillende bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht kan in voorkomende gevallen toch strafrechtelijk worden opgetreden tegen zogenaamde coaches die kwetsbare minderjarigen van levensgevaarlijke adviezen voorzien. Zo is in artikel 294 Sr het aanzetten tot zelfdoding strafbaar gesteld indien de zelfdoding ook daadwerkelijk volgt. Degene die een ander opzettelijk aanzet tot bijvoorbeeld extreem vermageren zou strafbaar kunnen zijn over de band van de strafbaarstelling van artikel 294 Sr indien de ingetreden zelfdoding het directe gevolg is van het aanzetten tot extreem vermageren. Zou bijvoorbeeld sprake zijn van (psychische) mishandeling kan daarvoor op grond van artikel 300 Sr vervolging worden ingesteld. Zie ook de Voortgangsbrief aanpak online seksueel kindermisbruik en zeden die ik op 6 juli 2022 aan uw Kamer zond (Kamerstuk 34 843, nr. 60). Door het openbaar ministerie wordt uiteraard per individuele zaak vastgesteld of, gelet op de specifieke omstandigheden die aan de orde zijn, sprake is van strafbare gedragingen.
Wat vindt u van het feit dat het daar niet bij blijft omdat sommige van deze afvalcoaches ook uit zijn op seks met de zieke, kwetsbare kinderen? Kunt u ook hier een gedetailleerd antwoord op geven hoe u deze kwetsbare kinderen gaat helpen beschermen?
Ik deel de zorgen over het seksueel misbruik van kwetsbare minderjarigen door mensen die zich voordoen als coach. Seksueel misbruik is in alle gevallen onacceptabel, zeker wanneer sprake is van minderjarige slachtoffers met een psychische aandoening. De verbetering van de veiligheid door de bescherming van potentiële slachtoffers (waaronder kwetsbare minderjarige slachtoffers) en het voorkomen en aanpakken van daderschap, is en blijft een van mijn prioriteiten. In dat kader is het beleid van het kabinet gericht op het doen van effectieve interventies, zowel in het hulpverleningskader (onder andere gericht op preventie) als in het opsporings- en vervolgingskader. Door de Minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt actief ingezet op het aanpakken van deze problematiek in het hulpverlenings- en preventiespoor. Zie voor een overzicht onder andere de uitgebreide beantwoording van Kamervragen van de leden Bikker (Christen Unie) en Westerveld (GroenLinks) over het bericht «Hoe pro-ana coaches kwetsbare meisjes misbruiken» en de uitvoering van de motie Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 197), die op 4 juli 2022 mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan uw Kamer is gezonden.
Door mijn ministerie wordt het online outreach-project gefinancierd, waarbij door het CKM een proef wordt uitgevoerd om online in contact te komen met kwetsbare groepen en (mogelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting die zich bevinden op het internet en sociale media, met het doel hen te signaleren en beschermen. Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving financiert de pilot, die specifiek is gericht op de pro-ana-problematiek. Slachtoffers van seksueel geweld kunnen zich ook melden bij een van de Centra Seksueel Geweld of contact opnemen met HelpWanted, een programma van het Expertisebureau Online Kindermisbruik («EOKM») en met het Landelijk expertise- en behandelcentrum Fier. Ook is in 2021 de wegwijzer «Seksualiteit Online» ontwikkeld, die scholen onder andere helpt bij incidenten, het ontwikkelen van beleid en de keuzes voor de beschikbare lesprogramma’s. De wegwijzer geeft een duidelijk overzicht van alle preventieve en curatieve programma’s en van betrokken experts uit de strafrechtketen, het onderwijs, de zorg en kenniscentra. Daarnaast wordt aan (potentiële) daders van seksueel kindermisbruik hulpverlening geboden via Stop it Now!, een programma van het EOKM dat als doel heeft om seksueel kindermisbruik te voorkomen. Het EOKM ontvangt een jaarlijkse subsidie van mijn ministerie voor de daar lopende programma’s.
Voor de acties die zijn en worden uitgevoerd voor het verbeteren van de opsporing oftewel verkrijgen van zicht op de problematiek van zelfbenoemde pro-ana-coaches verwijs ik naar de beantwoording van vraag 2. In het Wetboek van Strafrecht is in ieder geval voorzien in mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen verschillende vormen van seksueel misbruik, ook als dit is gepleegd door pro-ana-coaches.
Het wetsvoorstel seksuele misdrijven maakt bovendien een aantal bestaande strafbaarstellingen «online proof», stelt sexchatting met kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar expliciet strafbaar en verhoogt de strafmaxima voor sommige delicten die zien op seksueel misbruik van kinderen.
Welke strafmaatregelen wilt u gaan nemen om deze criminele zedendelinquenten zo zwaar als het kan te bestraffen? En hoe wilt u actief inzetten op het sneller in de kraag te vatten van deze levensgevaarlijke gekken? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Zie voor wat betreft de acties die zijn en worden genomen in het opsporingskader de beantwoording van vraag 2, en zie voor wat betreft de strafrechtelijke aanpak van misbruik door de zogeheten pro-ana-coaches de beantwoording van vraag 4. Het is uiteindelijk aan de officier van justitie om in een specifieke zaak te bepalen of vervolging wordt ingesteld en vervolgens aan de rechter om een voorliggende zaak te beoordelen en de eventuele strafmaat te bepalen op grond van de specifieke omstandigheden van die zaak.
Het bericht dat gedetineerden niet met verlof kunnen vanwege maandenlange wachttijden bij de verlofaanvraag |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat verloven van gedetineerden die zijn veroordeeld voor een ernstig gewelds- of zedendelict zijn ingetrokken omdat de wachttijden bij psychologen soms maanden bedragen? Herkent u deze problemen?1
Ja. Het beeld dat bepaalde categorieën gedetineerden moeten wachten op de afname van een risicotaxatie en delictanalyse voorafgaand aan hun verlof(fase) herken ik.
Klopt het dat deze ingetrokken verloven het gevolg zijn van de nieuwe werkwijze onder de Wet straffen en beschermen? Zo nee, waar ligt dit dan aan?
Het intrekken van verloven op deze grond is niet terug te voeren op de (deels) per 1 juli 2021 inwerking getreden Wet straffen en beschermen. De ingetrokken verloven zijn het gevolg van de wijziging van artikel 3 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) uit november 2021.2 Met de wijziging werd geregeld dat een risicotaxatie en delictanalyse verplicht worden betrokken bij het re-integratieverlof van gedetineerden die zijn veroordeeld voor een ernstig gewelds- en zedenmisdrijf en in verband met een specifieke zorg- of behandelingsbehoefte worden overgeplaatst naar een forensische zorginstelling. In de formulering van dit artikel is ten onrechte opgenomen dat dat voor iedere verlofsituatie dient te worden opgesteld. Hierdoor zijn de voorwaarden voor re-integratieverlof voor een te ruime doelgroep aangescherpt. Door de hierdoor toegenomen vraag om een risicotaxatie en delictanalyse uit te voeren, zijn er wachttijden ontstaan bij de inrichtingspsychologen die deze risicotaxatie en delictanalyse moeten afnemen. Dit heeft tot gevolg dat het langer duurt voordat op een verlofaanvraag kan worden beslist. Het kan hierdoor ook voorkomen dat nieuwe verloven nu niet worden toegekend aan gedetineerden die eerder wel met verlof mochten. Op dit moment wordt de huidige (te ruime) formulering in de Rtvi aangepast. Het streven is de gewijzigde regeling per 1 januari in werking te laten treden. Vooruitlopend op deze wijziging heb ik met DJI afgesproken dat zij vanaf 6 september 2022 niet meer bij alle verlofaanvragen van gedetineerden waarbij sprake is van een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf, standaard een risicotaxatie en delictanalyse verplicht wordt gesteld (zie ook antwoord op vraag 6).
Bent u het ermee eens dat verloven van wezenlijk belang zijn om recidive te verminderen en dat het dus niet goed is als verloven geen doorgang kunnen vinden?
Ja, re-integratieverlof is een wezenlijk onderdeel van het detentie- en re-integratietraject van gedetineerden en belangrijk om recidive te verminderen. Daarbij is het wel belangrijk dat risico’s voor de veiligheid van de samenleving, voorafgaand aan het re-integratieverlof, goed in beeld worden gebracht. Voor de verzoeken tot re-integratieverlof (extramurale arbeid, kortdurend- en langdurend re-integratieverlof) wordt daarom altijd de Risicoscreener Geweld afgenomen. Indien uit de Risicoscreener Geweld volgt dat sprake is van ernstige zorgen is afname van een verdiepende risicotaxatie aangewezen.
Is bij de inwerkingtreding van de nieuwe Wet straffen en beschermen voldoende geanticipeerd op het feit dat meer gedetineerden voor hun verlof aan een risicotaxatie of delictanalayse onderworpen dienen te worden? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
De verplichting om bij de doelgroep van veroordeelden voor een ernstig geweld- of zedendelict verplicht een risicotaxatie en delictanalyse uit te voeren voorafgaand aan een plaatsing vanuit detentie naar een forensische zorginstelling, vloeit voort uit de maatregelen die in 2019 zijn genomen naar aanleiding van de zaak Michael P. De ontstane situatie vloeit, zoals hierboven reeds is aangegeven, niet voort uit de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen. Deze verplichting is met de genoemde wijziging van de Rtvi in november 2021 ten onrechte te ruim aangescherpt naar alle aanvragen tot re-integratieverloven voor deze doelgroep.
Kunt u per gevangenis aangeven hoe lang de extra wachttijden gemiddeld zijn voor gedetineerden die een ernstig zeden- en/of geweldsdelict op hun kerfstok hebben, en om hoeveel gedetineerden het gaat die tegen vertragingen voor hun verlof aanlopen?
Op 31 augustus 2022 betrof het landelijk totaal aantal aanvragen om toekenning van re-integratieverlof van gedetineerden die zijn veroordeeld voor een ernstig geweld- of zedendelict en waarbij moest worden gewacht op een risicotaxatie en delictanalyse, ongeveer 100 zaken. Omdat dit per geval en per penitentiaire inrichting verschilt is het niet mogelijk om de gemiddelde wachttijd aan te geven die is gemoeid met het wachten op een risicotaxatie en delictanalyse.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat wachttijden om met verlof te mogen gaan zo spoedig mogelijk verleden tijd zijn? Bent u bereid om te kijken of de eis van een risicotaxatie/delictanalyse niet te breed is geformuleerd?
Zoals in het antwoord bij vraag 2 aangegeven wordt op dit moment de huidige (te ruime) formulering in de Rtvi aangepast. Het streven is de gewijzigde regeling per 1 januari in werking te laten treden. Vooruitlopend op deze wijziging heb ik met DJI afgesproken dat zij vanaf 6 september 2022 niet meer bij alle verlofaanvragen van gedetineerden waarbij sprake is van een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf, standaard een risicotaxatie en delictanalyse verplicht wordt gesteld. De risicotaxatie en delictanalyse zijn verplicht voor gedetineerden die zijn veroordeeld voor een ernstig geweld- of zedendelict en in verband met een specifieke zorg- of behandelingsbehoefte worden overgeplaatst naar een forensische zorginstelling. Voorafgaand aan alle verzoeken tot re-integratieverlof (extramurale arbeid, kortdurend- en langdurend re-integratieverlof) dient altijd in de penitentiaire inrichting de Risicoscreener Geweld te worden afgenomen. Indien uit de Risicoscreener Geweld volgt dat sprake is van ernstige zorgen is afname van een verdiepende risicotaxatie noodzakelijk, tenzij door de penitentiaire inrichting afdoende beargumenteerd kan worden waarom er gegronde redenen zijn om een verdiepende risicotaxatie niet af te nemen.
Het bericht dat advocatenkantoor Houthoff nog steeds zaken doet met Russische klanten |
|
Jasper van Dijk , Michiel van Nispen (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat advocatenkantoor Houthoff, in tegenstelling tot eerdere berichtgeving, nog steeds zaken doet met Russische klanten?1
Ja.
Klopt het dat de huidige Amsterdamse deken tevens ook partner is bij Nauta-Dutilh en dat Houthoff cliënt is bij Nauta-Dutilh? Zo ja, wat vindt u hiervan? Is onafhankelijk dekentoezicht op het kantoor Houthoff op deze manier wel voldoende gewaarborgd? Zo ja, kunt u dat nader onderbouwen?
Met ingang van 1 september 2022 heeft Amsterdamse orde van advocaten twee dekens, waarvan er een inderdaad partner is bij NautaDutilh.2 Ik heb begrepen dat zij vanuit NautaDutilh niet betrokken is bij enige zaak die voor of namens Houthoff wordt gevoerd. Overigens geldt dat alle lokale dekens met hun kantoor een professioneel statuut hebben getekend met als doel de randvoorwaarden voor het zorgvuldig en onafhankelijk functioneren van de deken vast te leggen en (de schijn van) belangenverstrengeling te voorkomen.3
In de voortgangsbrief aanpak georganiseerde criminaliteit tijdens detentie en berechting4 en in antwoord op eerdere Kamervragen5 heb ik aangegeven dat de lokaal deken nu veel verschillende taken en rollen heeft, dat die taken en rollen elkaar kunnen versterken, maar ook tegenstrijdig kunnen zijn met elkaar en dat ik de zorgen van uw Kamer over de schijn van belangenverstrengeling deel. Op 26 september jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de versterking van het toezicht op de advocatuur. Die versterking houdt onder meer in dat er een Landelijk toezichtautoriteit advocatuur (LTA) komt die verantwoordelijk wordt voor het toezicht op alle advocaten in Nederland, dat de rol van de lokaal deken bij het toezicht komt te vervallen en dat er een blik van buiten komt die kijkt hoe de LTA functioneert. Ik ben er van overtuigd dat er met de voorgestelde versterking van het toezicht op de advocatuur een robuust en toekomstbestendig toezichtstelsel voor de advocatuur ontstaat.
Kunt u meer duidelijkheid geven over de uitkomsten van onderzoek naar de werkzaamheden van Houthoff dat onder toezicht van de vorige deken van Amsterdam heeft plaatsgevonden, in het kader van een mogelijke overtreding van de sanctieregels? Kunt u ook aangeven welke specialist dat onderzoek precies heeft uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in antwoord op eerdere Kamervragen6 heb aangeven vindt, gelet op de bijzondere positie van de advocatuur in onze samenleving, het toezicht op advocaten onafhankelijk van de overheid plaats. Daarbij hoort dat ik in beginsel terughoudend ben met het reageren op individuele casus zo ook deze.
In antwoord op eerdere Kamervragen heb ik aangegeven dat ik uit een bericht van de website van de Amsterdamse orde van advocaten opmaak dat de toenmalig Amsterdamse deken na onderzoek heeft geconcludeerd dat er geen sprake was van de schending van sancties.7 De naam van de ingeschakelde specialist is mij niet bekend. Ik heb begrepen dat de Amsterdamse deken in het kader van toepassing van de sanctieregelgeving door advocaten diverse interne en externe specialisten raadpleegt en dat de precieze wijze waarop een onderzoek wordt uitgevoerd en de uitkomsten van dat onderzoek onder de van de advocaat afgeleide geheimhoudingsplicht van de deken valt (artikel 45a, tweede lid Advocatenwet).
Hoe weegt u de beslissing van de tuchtrechter dat het, ondanks de afgekondigde sancties mogelijk moet zijn voor rechtsbijstandsverleners om Russische cliënten bij te staan, op grond van artikel 18 van onze Grondwet? Mogen en moeten rechtsbijstandsverleners nu wel of niet juridische bijstand verlenen aan Russische cliënten?2
In Nederland geldt de toegang tot het recht voor iedereen. Dat betekent dat ook gesanctioneerde (rechts)personen zich tot een Nederlandse rechter moeten kunnen wenden of zich moeten kunnen verweren.
Artikel 13 van de Advocatenwet bepaalt dat de rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich kan wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. Een deken kan alleen wegens gegronde reden dit verzoek afwijzen en tegen de afwijzing staat beklag open bij het hof van discipline.9 In onderhavige zaak ging het om het instellen van een cassatieberoep namens de Russische Federatie. Voor het instellen van een cassatieberoep is een advocaat noodzakelijk. Het hof van discipline heeft het beklag tegen de weigering om in een specifieke zaak een cassatieadvocaat aan te wijzen gegrond verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2022:132) met als argument dat de weigering om in deze zaak een advocaat aan te wijzen ertoe leidt dat de toegang tot de rechter onmogelijk wordt gemaakt en dat is in strijd met het fundamentele beginsel van de Nederlandse rechtstaat dat een ieder toegang tot de rechter moet kunnen hebben. Als gevolg van de uitspraak moet de deken in het arrondissement Den Haag een advocaat aanwijzen, waarbij die advocaat op grond van artikel 13, vierde lid van de Advocatenwet verplicht is zijn diensten te verlenen.
Rechtsbijstandsverleners mogen zonder meer diensten verlenen aan Russische cliënten, zolang die Russische cliënten niet op enigerlei wijze op een sanctielijst voorkomen of verbonden zijn aan een (rechts)persoon die op een sanctielijst voorkomt. Voor rechtsbijstand aan gesanctioneerde (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen gelden aanvullende eisen (zie ook het antwoord op vraag 5 en 6).
Kunt u nauwgezet uiteenzetten in welke gevallen rechtsbijstand aan Russische cliënten uitgezonderd is van de sancties die op dit moment gelden, nu hier nog altijd onduidelijkheid over is?3
Op grond van artikel 2, tweede lid, van Verordening (EU) Nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen («de verordening») is het niet toegestaan economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking te stellen aan gesanctioneerde (Russische) (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen. Dit geldt in beginsel ook voor het verlenen van juridische diensten.
Het is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking die op grond van artikel 4 van bovengenoemde verordening toestemming kan verlenen voor het beschikbaar stellen van economische middelen aan gesanctioneerde (Russische) (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen. Eind juli 2022 heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een nadere uitleg gegeven over de invulling van voornoemde bevoegdheid voor zover het gaat om het verlenen van juridische diensten aan gesanctioneerde (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen. Die uitleg is gedeeld met vertegenwoordigers van de Nederlandse orde van advocaten.
Bij de uitleg van het verbod van artikel 2 van de verordening en de invulling van de bevoegdheid van artikel 4 van de verordening is een balans gezocht tussen een effectieve en juiste uitvoering van de EU-sancties enerzijds en het waarborgen van de fundamentele rechten binnen de EU en Nederland anderzijds. Zowel artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden borgt namelijk het fundamentele recht op verdediging in juridische procedures. Daarnaast refereert de Europese Commissie in door haar opgestelde richtsnoeren bij de verordening aan het borgen van het fundamentele recht op verdediging in juridische procedures, zoals neergelegd in het Handvest en het EVRM. Een ruime uitleg van het verbod van artikel 2 van de verordening zou daarmee op gespannen voet staan.
Op dit moment wordt de volgende lijn gehanteerd voor juridische dienstverlening aan gesanctioneerde (Russische) (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen.
Buiten de werking van het verbod van artikel 2, tweede lid, van de verordening valt de juridische dienstverlening die noodzakelijk is voor de verdediging of vertegenwoordiging van een gesanctioneerde (rechts)persoon of verbonden (rechts)persoon in het kader van of in verband met een rechtsgeding, daaronder begrepen de juridische dienstverlening die noodzakelijk is voor het bepalen van de rechtspositie of voor het instellen of vermijden van een rechtsgeding. Advisering ten behoeve van het verkrijgen van een ontheffing van EU-sancties valt hier ook onder.
Voor andere vormen van juridische dienstverlening aan gesanctioneerde (rechts)personen, bijvoorbeeld de advisering ten behoeve van de oprichting, een fusie of een overname van een bedrijf, is nog steeds toestemming vereist van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft deze lijn tevens voorgelegd aan de Europese Commissie en is nog in afwachting van een antwoord.
Voor de volledigheid merk ik op dat bovenstaande lijn alleen geldt voor juridische dienstverlening aan gesanctioneerde (Russische) (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen. Dat betekent dat het verlenen van juridische diensten aan Russische cliënten die niet op een sanctielijst staan en niet verbonden zijn aan een gesanctioneerde (rechts)persoon, nog steeds mogelijk is (zie ook het antwoord op vraag 4). Daarbij blijft uiteraard gelden dat juridische dienstverleners op grond van bestaande wet- en regelgeving alert moeten zijn op het risico dat de gevraagde dienstverlening niet wordt gebruikt voor onwettige activiteiten en zonodig de dienstverlening stoppen.
In het geval er uitzonderingen zijn op de sancties in het kader van het grondwettelijke recht op rechtsbijstand, zijn deze uitzonderingen dan definitief of zijn zij nog onderhevig aan een standpunt van de Europese Commissie of enige gerechtelijke instantie, Nederlands of Europees?
Zie antwoord vraag 5.
Nieuwe risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater |
|
Tjeerd de Groot (D66), Kiki Hagen (D66) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de nieuwe risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater zoals vastgesteld door het RIVM?1
Ja.
Klopt het dat de risicogrenzen voor PFOA en PFOS tussen de 90–160 keer lager liggen dan de nu geldende normen voor zoet en zout water?
Het RIVM heeft op verzoek van IenW nieuwe risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater afgeleid nadat eerder al risicogrenswaarden zijn vastgesteld voor zwemwater en vis2. De nu door het RIVM voorgestelde risicogrenzen voor oppervlaktewater zijn lager dan de huidige vastgestelde normen. Aanleiding voor de herbeoordeling is de EFSA-opinie uit 2019, waarin geconcludeerd is dat PFAS al bij lagere inname schadelijk is voor de gezondheid.
Klopt het dat de nieuwe PFOA-risicogrenzen voor het oppervlaktewater 0,3 ng/l bedragen?
Ja, dat is de risicogrens zoals deze in het rapport van het RIVM staat.
Wat betekenen deze nieuwe risicogrenzen voor de Nederlandse inzet in de Kaderrichtlijn Water?
De Europese lijst prioritaire stoffen van de Kaderrichtlijn water en de bijlage van de EU-grondwaterrichtlijn worden op dit moment herzien. Een voorstel voor een herziene richtlijn wordt op 26 oktober verwacht. Er zullen nieuwe stoffen worden voorgesteld die Europees-breed een probleem zijn (en de chemische toestand van de KRW bepalen). De meest recente wetenschappelijke inzichten zijn ook op Europees niveau de basis voor de hoogte van de Europese milieukwaliteitsnormen. Nederlandse experts zijn nauw betrokken bij het proces van de herziening. Nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen aanleiding zijn om bestaande normen van de huidige prioritaire stoffen aan te passen, zoals eerder in de herziening van de richtlijn prioritaire stoffen is gebeurd met de aanscherping van de normen van enkele PAK’s en lood.
Welke vervolgstappen gaat u zetten nu de risicogrenzen voor PFOA, PFOS en GenX zo sterk zijn aangescherpt?
Ik zal mede op basis van het advies van het RIVM een besluit nemen of de normen voor PFAS in oppervlaktewater aangepast moeten worden.
Klopt het dat bij het besluit om alsnog over te gaan tot ontpoldering van de Hedwigepolder onderzoeken naar de PFAS-concentratie in oppervlaktewater een rol hebben gespeeld?
In de Kamerbrieven van 5 oktober 2021 (Kamerstukken 30 862, nr. 114) en van 20 juni 2022 (35 334, nr. 188) is aangegeven dat het zwevend stof dat uiteindelijk zal bezinken de beste indicatie geeft voor de op termijn te verwachten PFAS-waarden op de waterbodem van de ontpolderde Hedwigepolder. De PFAS-gehalten in het (oppervlakte)water vormen daar geen goede indicatie voor.
De metingen van PFAS in het water van de Westerschelde hebben dan ook geen aanleiding gegeven om de plannen voor de Hedwigepolder aan te passen. De waarde van PFAS in de Westerschelde zijn desalniettemin hoog en de inzet is om samen met de Vlaamse autoriteiten de emissies en daarmee uiteindelijk de PFAS-gehalten in het oppervlaktewater naar beneden te krijgen.
De ontpoldering van de Hedwigepolder is overigens op dit moment onderwerp van een tweetal rechtszaken. Een daarvan betreft een verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4074) door de voormalig eigenaar van de Hedwigepolder. De Raad van State heeft dit verzoek op 19 oktober verworpen, nadat eerder al de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak een verzoek om voorlopige voorziening afgewezen had (ECLI:NL:RVS:2022:3003).
Een tweede procedure betreft een verzoek om handhaving door de gemeente Hulst. De uitspraak hierover van de rechtbank Zeeland West-Brabant wordt een dezer dagen verwacht.
Klopt het dat uit dit onderzoek van het oppervlaktewater van de Hedwigepolder bleek dat de concentratie PFOA 11 ng/l betrof?
In een onderzoek naar PFAS in grondwater, kwelwater en oppervlaktewater is inderdaad bij een enkele meting een waarde van 11 ng/l PFOA in het oppervlaktewater in de Hedwigepolder gevonden.3 De gemiddelde concentratie PFOA in de Westerschelde in 2021 en 2022 is 8 ng/l.4
Klopt het dat de gemeten PFAS-waardes in het oppervlaktewater uit de onderzoeken in de Hedwigpolder niet voldoen aan de nieuwe risicogrenzen zoals vastgesteld door het RIVM?
Inderdaad zijn zowel de enkele meting in de Hedwigepolder als de tweejaarsgemiddelden in de Westerschelde hoger dan de risicogrenzen die RIVM nu heeft berekend. Of deze grenzen ook omgezet worden in normen moet nog besloten worden. De actuele norm voor PFOA in oppervlaktewater is 48 ng/l.
Welke consequenties heeft dit voor de natuur en de veiligheid in en om de Westerschelde en de Hedwigepolder?
De Minister voor Natuur en Stikstof heeft uw Kamer op 20 juni 2022 laten weten wat de verschillende uitgevoerde onderzoeken betekenen voor de ontpoldering van de Hedwigepolder (35 334 nr. 188). In deze brief staat uitgelegd dat de gevonden PFAS-waarden de ontwikkeling van estuariene natuur niet in de weg staan. Ook levert de ontpoldering van de Hedwigepolder geen aanvullend risico op voor de volksgezondheid.
Bent u het eens met de stelling dat het doel van de ontpoldering van de Hedwigepolder is om kwalitatief hoogwaardige natuur te creëren? Staat de PFAS-concentratie (kijkende naar de nieuwe risicogrenzen) dit in de weg?
Het doel van de ontpoldering van de Hedwigepolder en de Prosperpolder in Vlaanderen is het creëren van een grensoverschrijdend intergetijdengebied om het oppervlak aan estuariene natuur te vergroten. Hiermee wordt invulling gegeven aan de uitbreidingsdoelstelling die geldt voor de habitattypen estuaria, zilte pionierbegroeiing en schorren en zilte graslanden. Zoals aangegeven in de brief van de Minister voor Natuur en Stikstof van 20 juni 2022 staan de gemeten PFAS-waarden het bereiken van dat doel niet in de weg.
Welke consequenties heeft dit voor uw besluit om alsnog over te gaan tot ontpoldering van de Hedwigepolder?
Zie antwoord vraag 10.
Diverse berichten over het disfunctioneren van het ISR en de negatieve gevolgen voor de sporters/sportsters |
|
Lisa Westerveld (GL), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de status van de uitvoering van de motie van der Laan cs.1 en Westerveld cs.2 voor zover de delen van het onderzoek die betrekking hebben tot het Instituut Sportrechtspraak (ISR)?
De motie Westerveld c.s.3 wordt meegenomen in het onafhankelijk onderzoek naar een veilige en integere sport waar ook een evaluatie van het sporttuchtrecht onderdeel van is. Het onderzoek is momenteel in volle gang. Op dit moment vinden de laatste interviews en bureau-onderzoek plaats. Er staat een enquête uit bij sportverenigingen en ondernemende sportaanbieders. Daarnaast wordt in het najaar een juridische analyse uitgevoerd alsmede een evaluatie van het Instituut Sportrechtspraak (ISR) en wordt het functioneren van het tuchtrechtstelsel bekeken door middel van profielreizen. Verder staat een vergelijkende juridische analyse op de planning zoals met het tuchtrecht in de jeugdzorg. De uitkomsten van het onderzoek worden begin 2023 verwacht. Ik zal u hierover nader informeren.
De uitvoering van motie Van der Laan4 krijgt opvolging door sportspecifieke onderzoeken naar grensoverschrijdend gedrag, zoals het onderzoek door Verinorm naar de cultuur, aard en omvang van ongewenst gedrag in de danssector. Ook dit onderzoek is in volle gang en de uitkomsten worden begin 2023 verwacht. Het is niet het doel van het onderzoek om specifiek naar het ISR te kijken, maar gezien de problematiek sluit ik niet uit dat dit wordt meegenomen.
Welke acties heeft u ondernomen na het lezen van de berichten «Oud-turnsters voelen zich oefenmateriaal voor het tuchtrecht»3, «Tuchtrecht in de sport wankelt: ministerie start onderzoek»4 en «Politiek steunt oud-turnsters: «Melders grensoverschrijdend gedrag worden opgevreten door het systeem»»5?
Het is ontzettend pijnlijk om wederom deze berichten te lezen. Ik voel mee met de oud-turnsters die ik ook persoonlijk over deze ervaringen heb gesproken. Het is mij inmiddels duidelijk dat de zaken van de oud-turnsters om verschillende redenen dermate complex en van een andere materie zijn dat dit om een zeer zorgvuldige behandeling vraagt. Ik begrijp de zorgen over of het ISR deze zaken voldoende aan kan. Ik heb het ISR aangesproken op de voorbereiding en voortgang van deze specifieke zaken. De vraag daarbij is of de huidige scope van het sporttuchtrecht wel toereikend is voor dit type zaken. Mede om die reden heb ik de evaluatie van het sporttuchtrecht geïnitieerd waarbij ook de uitvoering van het tuchtrecht door het ISR onafhankelijk onderzocht wordt.
Ik hecht veel waarde aan een onafhankelijk en kwalitatief tuchtrecht in de sport. Daarom heb ik onlangs meerdere malen met het ISR gesproken over haar functioneren, houding en gedrag, en de benodigde verbeteringen op korte termijn. Dit betreft onder andere het instellen van een Raad van Toezicht en vernieuwing en diversiteit in alle lagen van het ISR. Daarnaast wil ik inzetten op het verbeteren van de kwaliteit van onderzoek. Ik ben met het ISR in gesprek voor een extra impuls bovenop de huidige subsidie voor het verbeteren van de kwaliteit van onderzoek, zoals een extra onderzoeker voor complexe zaken en als «meelezer» op zaken. Ik ga de afspraken met het ISR bekrachtigen in aanvullende subsidievoorwaarden zodat ze hieraan gebonden zijn.
Mijn bevoegdheden in het sporttuchtrecht zijn echter beperkt. De sportsector is verantwoordelijk voor het sporttuchtrecht en kan zelf inhoudelijk het tuchtrecht via de tuchtreglementen aanpassen. Bovendien is het ISR een onafhankelijke organisatie. Binnen mijn mogelijkheden draag ik bij door in te zetten op een evaluatie van het tuchtrecht en door het ISR financieel te ondersteunen samen met NOC*NSF.
Klopt hetgeen in het artikel «Politiek steunt oud-turnsters: «Melders grensoverschrijdend gedrag worden opgevreten door het systeem»» geschreven staat, dat u onlangs in gesprek bent geweest met het ISR over een verdere professionaliseringslag, ook op de korte termijn? Welke acties zijn besproken en welke acties (op de lange en korte termijn) zullen worden uitgevoerd naar aanleiding van dit gesprek?6
Ja, zie ook antwoord 2. De acties op korte termijn die ik met het ISR heb besproken zijn: het verbeteren van de kwaliteit van onderzoek en een bestuursmodel waarbij er meer toezicht is. Evenals het verder professionaliseren en aandacht voor houding en gedrag. Daarnaast zal de evaluatie van het sporttuchtrecht, als onderdeel van het onderzoek veilige en integere sport, naar verwachting met concrete aanbevelingen voor het sporttuchtrecht komen. Ik ben voornemens om deze aanbevelingen waar mogelijk op te volgen.
Op welke wijze wordt de Kamer betrokken bij de invulling van de aanvullende subsidievoorwaarden? Wanneer zijn deze af en wanneer ontvangt de Kamer deze stukken (in concept)?
Ik ben bereid om de Kamer op hoofdlijnen te informeren over de invulling van de aanvullende subsidievoorwaarden zodra deze in de subsidieverlening aan de instelling zijn verzonden. Dit gaat volgens de termijnen die zijn vastgesteld in de Kaderwet VWS subsidies.9
Begrijpt u de geuite zorgen over «secundaire victimissatie» van de slachtoffers door het gebrek aan goede expertise en procedures?
Ja.
Vindt u dat «secundaire victimisatie» voorkomen zou moeten worden? Welke rol ziet u hierin voor uzelf? Welke acties wilt u ondernemen, anders dan het afwachten van de resultaten van het bredere onderzoek naar topsportcultuur?
Slachtoffers hebben niet gevraagd om slachtoffer te worden. Slachtofferschap heeft vaak een grote en soms ook een blijvende impact op hun leven. Secundaire victimisatie moet waar mogelijk worden voorkomen. In het coalitieakkoord staat dan ook opgenomen dat dit kabinet inzet op het borgen van de positie van slachtoffers. Deze afspraak krijgt vorm via de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2022–2025. Met deze agenda wordt ingezet op erkenning van slachtoffers via een stevige positie in het recht, en waar nodig bescherming en ondersteuning op weg naar herstel. Dit najaar zal de Minister voor Rechtsbescherming u informeren over de voortgang van deze meerjarenagenda.
Daarnaast is het belang van het voorkomen van secundaire victimisatie ook aan bod gekomen tijdens de verkenningssessies van het Nationaal Actieplan Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag waar ik mij ook voor inzet. De Kamer wordt eind dit jaar geïnformeerd over het actieplan. Bovendien faciliteer ik slachtofferhulp voor sporters via Slachtofferhulp Nederland. Sporters kunnen daar terecht voor hulp bij een tucht- of strafzaak.
Vindt u dat er in deze kwesties ook een rol is weggelegd voor het Openbaar Ministerie (OM)? Welke rol ziet de Minister voor het OM?
Het is van belang om het onderscheid tussen het ISR en het OM te benadrukken. Een melding doen bij het ISR staat los van het doen van een strafrechtelijke aangifte. Slachtoffers van zedenzaken of (kinder-)mishandeling of van andere strafbare feiten kunnen te allen tijde bij de politie daarvan aangifte doen. De zaken waar aangifte is gedaan van een (vermeend) strafbaar feit worden door het OM opgepakt. Er is sprake van een samenwerking tussen ISR en OM in die zin dat er contacten zijn tussen de politie en het bureau van het ISR, om te voorkomen dat ISR een zaak oppakt terwijl er een opsporingsonderzoek loopt bij politie/OM. Een opsporingsonderzoek gaat dan namelijk voor. Ik kan echter geen uitspraken doen over eventuele lopende onderzoeken bij het OM. Daarnaast is het OM betrokken bij een veilige en integere sport door dat zij zitting neemt in de begeleidingscommissie van het onderzoek veilige en integere sport, waarin ook de evaluatie van het tuchtrecht wordt meegenomen, zie ook antwoord 1 en 14.
Wat heeft het OM al uitgevoerd op dit terrein, is er bijvoorbeeld een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van de vele berichtgeving in de media? Kunnen de conclusies hiervan gedeeld worden met de Kamer voor het Wetgevingsoverleg Sport d.d. 28 november 2022?
Zie antwoord vraag 7.
Is het mogelijk om, in lijn met de wens van de oud-turnsters, de zaken bij een ander instituut opnieuw te behandelen? Zo nee, kunnen de zaken worden stilgelegd totdat het ISR voldoende geprofessionaliseerd is?
De alternatieven voor het tuchtrecht zijn een strafrechtelijke of een civielrechtelijke procedure. De tuchtzaken in de sport kunnen niet worden stilgelegd of worden afgebroken. Een melder kan zich terugtrekken, dan is hij/zij geen actief onderdeel meer van het proces. Het proces gaat echter wel door. Alleen een onafhankelijk aanklager kan besluiten om een zaak te seponeren.
Staat u nog achter de woorden van uw ambtsvoorganger, dat melders veilig zijn, hun melding vertrouwelijk wordt behandeld en er altijd sprake is van hoor en wederhoor? Zo ja, kunt u dit toelichten?7
Het ISR geeft aan dat zaken vertrouwelijk worden behandeld binnen de regels van de reglementen van het ISR. Hoor en wederhoor maakt essentieel onderdeel uit van de regels en derhalve van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van een tuchtrechtelijk onderzoek. Daarmee geven zij aan dat melders veilig zijn.
Ik realiseer mij echter dat veilig voelen iets heel anders is. En ik ben mij er zeer van bewust dat er melders zijn die zich niet veilig voelen; dit kwam nadrukkelijk naar voren in mijn gesprek met een aantal oud-turnsters.
Wat is er gebeurd met de extra financiële middelen van 1 miljoen die het ISR heeft gekregen om te professionaliseren? Kunt u een precies overzicht geven van de besteding van deze middelen?
Het ISR heeft onder andere haar capaciteit vergroot van 2,6 fte naar 6,6 fte waaronder een extra casemanager en juridisch secretaris. Er zijn procesmatige zaken aangepast, zoals: het opstellen van een klachtenregeling, het bijstellen van het onderzoeksprotocol en het aanpassen en opstellen van modellen voor onderzoeksgesprekken en aanklagers. Door de invoering van een casemanagement systeem is er beter inzicht in de zaken. Daarnaast wordt ingezet op extra opleiding en intervisiebijeenkomsten. Ik zal het ISR vragen te communiceren over haar voortgang met betrekking tot de professionaliseringsslag.
Kunt u verklaren waarom de professionalisering van het ISR zo lang duurt terwijl (oud-)turnsters zelf, sportorganisaties en koepels, de Kamer en andere betrokkenen al jaren aan de bel trekken en ook uit het rapport van Berenschot blijkt dat verbetering noodzakelijk is?
Ja. Om een dergelijke professionalisering aan te pakken is er bij de start een kwartiermaker aangesteld. Dit heeft een strategisch driejarenplan (2021–2023) opgeleverd dat momenteel in uitvoering is. Daarnaast vergt professionalisering van het ISR zorgvuldige afstemming met betrokken partijen, zoals: NOC*NSF, de sportorganisaties, politie en het OM. Tevens vragen sommige acties eerst een aanpassing van bestaande procedures en reglementen waardoor het meer tijd in beslag neemt.
Het ISR geeft aan dat de professionalisering en versterking van het ISR op schema ligt volgens het driejarenplan. Bovendien heeft het ISR een enorme groei doorgemaakt in het aantal zaken wat in behandeling is de afgelopen jaren. De behandeling van zaken heeft echter altijd voorrang gehad. Ik blijf in gesprek met het ISR om de professionalisering te bespoedigen.
Is er onderzocht hoeveel financiële middelen het ISR nodig zou hebben om goed te kunnen functioneren? Is dit in lijn met de financiële bijdrage die het ISR verkrijgt vanuit het ministerie?
In 2020 heeft Berenschot, in opdracht van NOC*NSF en het ISR, ingeschat dat de benodigde jaarlijkse financiering voor het ISR ligt tussen circa € 600.000 en € 1 miljoen.11 Inmiddels krijgt het ISR een instellingssubsidie van circa € 1,4 miljoen van VWS en daarnaast een financiële bijdrage van NOC*NSF. Het blijkt dat de groei in het aantal zaken lastig te voorspellen is. Ik blijf met het ISR in overleg over de benodigde financiële middelen.
Hoe staat het met het onderzoek naar een veilige en integere sport, waarbinnen ook het tuchtrecht geëvalueerd zou worden?8 en 9
Zie antwoord 1.
Het bericht ‘Bereikbaarheid Ameland op het spel: boot te vaak te laat’ |
|
Fahid Minhas (VVD), Harry Bevers (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bereikbaarheid Ameland op het spel: boot te vaak te laat»?1
Ja, wij zijn bekend met het bericht «Bereikbaarheid Ameland op het spel: boot te vaak te laat», waarmee gedoeld wordt op het bericht «burgemeester Leo Pieter Stoel van Ameland houdt zijn hart vast voor het naderende stormseizoen: «Veerboot is te vaak te laat»» in de Leeuwarder Courant van 9 september jl.
Klopt het dat de veerboot naar Ameland te vaak te laat aankomt en de betrouwbaarheid van het dienstrooster hiermee op de lange én korte termijn op het spel staat? Zo ja, kunt u aangeven hoe vaak er sprake is geweest van een vertraagde dienstregeling in de afgelopen zeven maanden na de stormen van januari en februari?
Het klopt dat de veerboot naar Ameland vaker vertraging heeft dan de veerboten naar de andere Friese Waddeneilanden en dat dit een negatieve impact heeft op de betrouwbaarheid van de dienstregeling. In het tweede kwartaal van 20222 vertrok de veerboot bij 40 procent van de afvaarten meer dan 10 minuten te laat.
Heeft u de exacte oorzaak in beeld voor de vertraagde dienstregeling van de veerdienst naar Ameland en in hoeverre speelt de diepte van de vaargeul en het type zand uit deze geul hier een rol in?
In 2019 zijn de vertragingen op Ameland onderzocht door het onafhankelijke onderzoeksbureau Lievense3. Dit bureau concludeerde dat vertragingen ontstonden door een combinatie van factoren. Als meest voorkomende vertragingsfactoren werden genoemd: vervolgvertraging, staat van de vaargeul, laden en lossen en de waterstand. Wat betreft de vertragingen in het tweede kwartaal 2022 heeft Rederij Wagenborg Passagiersdiensten (hierna: WPD) ons gemeld dat het merendeel van de vertraagde afvaarten te wijten was aan het dichtslibben van de vaargeul.
In hoeverre beseffen alle betrokken partijen dat inwoners en bezoekers van Ameland volledig afhankelijk zijn van deze veerdienst voor hun bereikbaarheid en verbinding met het vaste land en hoe uit zich dit?
Alle betrokken partijen zijn zich terdege bewust van de afhankelijkheid van bewoners en bezoekers van Ameland van de veerverbinding.
De bereikbaarheid van de Waddeneilanden en havens is vastgelegd in de Agenda voor het Waddengebied 20504. Het hoofddoel van de vervoerconcessie Waddenveren Oost, die is verleend aan WPD, is het personenvervoer tussen het vasteland en de Waddeneilanden in stand te houden op een zodanige wijze dat deze verbindingen voor het publiek en de eilandbevolking toereikend zijn.
In het Nationaal Waterprogramma zijn de afmetingen van de geulen opgenomen. Rijkswaterstaat garandeert als vaarwegbeheerder de bereikbaarheid van het eiland. Die opdracht wordt in afstemming met regionale partners uitgewerkt in onderhoudsmaatregelen voor veerhavens en vaargeulen.
Om de bereikbaarheid ook voor de langere termijn te kunnen garanderen voert Rijkswaterstaat in onze opdracht het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030 uit. Het onderzoek is een vervolg op de Lange termijn Oplossingsrichtingen Bereikbaarheid Ameland na 2030 (LTOA). De LTOA is in januari 2020 door de Minister aan de Tweede Kamer aangeboden5. Het doel van het Vervolgonderzoek is een betrouwbare en duurzame verbinding naar Ameland voor de periode na 2030. Rijkswaterstaat werkt in het onderzoek samen met de gemeente Ameland, gemeente Noardeast-Fryslân, provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân. Ook worden belangenorganisaties, experts en inwoners bij het Vervolgonderzoek betrokken, bijvoorbeeld via deelname aan adviesgroepen en informatiebijeenkomsten.
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn van de vertraagde dienstregeling van de veerdienst voor de bereikbaarheid van Ameland, haar inwoners, haar bezoekers en het naderende stormseizoen?
Ons ministerie is de afgelopen jaren nauw betrokken geweest bij het oplossen van de bereikbaarheidsproblematiek. Daardoor hebben wij een goed beeld kunnen ontwikkelen van de gevolgen van de vertragingen. Diverse onderzoeken (zoals de rapporten uit het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 20306 en het rapport Lievense7) en participatiegesprekken met burgers, toeristen, ondernemers en bestuurders hebben dat beeld verder aangescherpt. De veerboot naar Ameland heeft vaker vertraging dan de veerboten naar de andere Friese Waddeneilanden, met mogelijk negatieve gevolgen voor de reizigers.
Kunt u toelichten wanneer Rijkswaterstaat en de baggeraars op de hoogte waren van de problemen rondom het dienstrooster van de veerdienst en waarom er tot op heden geen orde op zaken is gesteld voor het beter bevaarbaar maken van de vaargeul?
Het Waddengebied is een dynamisch natuurgebied dat continu aan natuurlijke veranderingen onderhevig is en daarmee onderhoud behoeft. In februari 2020 waren er drie opeenvolgende stormen die leidden tot een kleinere diepte van de vaargeulen. Na deze stormen is direct begonnen met het weer bevaarbaar maken van de vaargeul. Bij het eerste gedeelte van het traject vanaf veerdam Holwerd bleek ongeveer 100.000 m3 zand de vaargeul ingestroomd. Dit zand bleek moeilijker te verwerken en is – anders dan slib – minder goed doorvaarbaar. Ook blijkt de aanzanding vanaf de platen naar de lager gelegen vaargeul sinds de stormen structureel hoger. Door extra inzet was eind maart het midden van de vaargeul weer op diepte, alleen niet overal op de volle breedte. Met name bij lage waterstanden zoals springtij gecombineerd met oostenwind konden daardoor de veerboten elkaar niet overal passeren. Vanaf medio mei voldoet de vaargeul, op het eerste deel bij de veerdam Holwerd na, weer aan de eisen. Ondanks de inzet van extra materieel (sleephopperzuigers, kraanschepen en ploegboot) blijft het lastig om daar de hogere aanzanding vóór te blijven.
In hoeverre zou een aanpassing van de dienstregeling – het plannen van afvaarten om de 75 minuten in plaats van om de 60 minuten – kunnen bijdragen aan de oplossing van dit probleem en wat is de haalbaarheid van deze aanpassing?
Het plannen van de afvaarten om de 75 minuten zou waarschijnlijk leiden tot minder vertraagde afvaarten, omdat een vertraagde aankomst dan minder doorwerkt op de punctualiteit van de volgende afvaart. Er kleven echter ook nadelen aan een dergelijke dienstregeling, bleek tijdens het Open Plan Proces vaarverbinding Ameland-Holwerd8, namelijk onder andere een stijging van de exploitatielasten van de rederij. Wij beschouwen het ontwerp van de dienstregeling primair als een taak van de huidige concessiehouder. Deze handhaaft in haar vervoerplan 2023 de uursdienstregeling.
Kunt u aangeven waarom de gesprekken tussen Rijkswaterstaat en de provincie, het waterschap en de gemeenten Ameland en Noardeast-Fryslân pas 2030 in het vizier hebben voor het realiseren van een structurele oplossing van dit probleem? Hoe verhoudt zich dit tot de huidige concessie voor de Waddenveerdiensten die tot 2029 loopt?
Het onderzoek richt zich op de periode na 2030 omdat in 2029 de concessie voor zowel de oostelijke Waddenveren (Ameland en Schiermonnikoog) als de westelijke Waddenveren (Terschelling en Vlieland) afloopt. Het jaar 2030 vormt daarmee een logisch moment voor het realiseren van een lange termijn oplossing. Gezien de breedte van de alternatieven is een zorgvuldige afweging van belang. Daarnaast kost het realiseren van de oplossing tijd. In de periode totdat een lange termijn oplossing is gerealiseerd, draagt Rijkswaterstaat zorg voor de instandhouding van de verbinding naar Ameland.
Kunt u toelichten waarom de uitkomst van het vervolgonderzoek van Rijkswaterstaat nog geen voorkeursalternatief zal bevatten en waarom het besluit over een definitieve oplossing van dit probleem pas in 2023 zal worden genomen?
In het Vervolgonderzoek bereikbaarheid Ameland 2030 worden de twee meest kansrijke oplossingen uit de LTOA verder onderzocht en uitgewerkt, namelijk:
Het optimaliseren van de bestaande verbinding of;
Het verplaatsen van de vertreklocatie en/of de aankomstlocatie (van Holwerd naar Ferwert / van Nes naar de Ballumerbocht of naar Hollum).
Het streven is, conform de oorspronkelijke planning9 het onderzoek in 2023 af te ronden. Op basis van de informatie uit het onderzoek neemt de Minister een besluit over een eventueel vervolg. Pas als er voldoende informatie is en de gewenste oplossing helder is, zal er afhankelijk van de gewenste oplossing een procedure gestart worden, gericht op realisatie.
Welke kansen ziet u om het beslissingsproces naar een definitieve oplossing te versnellen, aangezien er volgend jaar al grote investeringen moeten worden opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)?
Voor het starten van een verkenning binnen het MIRT is het noodzakelijk dat de volledige financiering beschikbaar is voor het realiseren van de meest voor de hand liggende oplossing. Dit wordt meegenomen in het besluit over een vervolg. Met de uitkomsten van het Vervolgonderzoek is het mogelijk een eventuele MIRT-verkenning versneld uit te voeren.
Hoe gaat u voorkomen dat de huidige vervoerder en de potentiële nieuwe vervoerder in de problemen komen, aangezien er na 2023 al bepaalde investeringen niet meer mogen worden gedaan in de concessie voor de Waddenveerdiensten tot 2029?
Er is goed overleg tussen Rijkswaterstaat, WPD en ons ministerie over investeringsbeslissingen voor schepen die nog onder de huidige concessie ingezet worden. Volgens de concessievoorwaarden dient de huidige vervoerder de voorgenomen aanschaf van een schip uiterlijk vijf jaren voor het aflopen van de concessie bij de concessieverlener te melden. Dit is dus tot april 2024.
Welk effect heeft het ontstaan van natuurlijke geulen op de bestaande vaarroutes in het Waddengebied en hoeveel natuurlijke geulen doen zich momenteel aan als alternatieve vaarroutes?
Het beleid is om de veerbootroutes zo goed mogelijk te laten aansluiten op de natuurlijke ontwikkeling van de geulen van de Waddenzee en daarmee zo min mogelijk baggerwerk te hoeven plegen. De geulen en zandplaten veranderen continu van ligging. Sommige geulen verzanden langzaam, nieuwe geulen ontstaan. Als de vaargeulen verzanden wordt baggerwerk uitgevoerd. Als zich een nieuwe natuurlijke geul ontwikkelt die zonder of met minder baggerwerk in stand gehouden kan worden, dan wordt de vaarroute naar die nieuwe geul verlegd, mits ook passend binnen de daar voorkomende natuurwaarden. Dat kan dus betekenen dat de veerboot soms een andere route moet nemen en dat de reis iets korter of langer gaat duren. Een voorbeeld van een natuurlijke vaargeul bevindt zich ten westen van de huidige vaargeul Holwerd – Ameland. Om deze geul te kunnen gebruiken als veilige vaarweg, moet de geul op de juiste onderhoudsdiepte en breedte worden gebracht. Deze geul sluit beter aan op de natuurlijke morfologische ontwikkelingen in de Waddenzee. De verwachting is dat, door mee te bewegen met het systeem en deze geul te gebruiken als vaarweg, er minder baggerwerkzaamheden nodig zijn. De beweging van de geulen wordt voortdurend gemonitord en er zijn momenteel twee tot drie gebieden waar potentieel nieuwe geulen aan het ontstaan zijn. Naar verwachting is dat echter niet op korte termijn.
Heeft u in beeld hoeveel vaarroutes in het Waddengebied momenteel te maken hebben met dichtslibbende vaargeulen of hiertoe risico lopen? Hoe gaat u voorkomen dat er meer vaargeulen in het Waddengebied dichtslibben en zo meer veerdiensten onder druk komen te staan?
Ja, dit is in beeld. Rijkswaterstaat doet veel metingen en laat onderzoek doen naar de ontwikkeling van de Waddenzee. Bijna alle vaarroutes hebben te maken met dichtslibbende of verzandende vaargeulen. In de meeste gevallen gaat het echter niet om gehele vaargeulen, maar om een aantal locaties in de routes. Om de eilanden en havens bereikbaar te houden, houdt Rijkswaterstaat de geulen met baggerwerk op diepte zoals vastgelegd in het Nationaal Waterprogramma. Rijkswaterstaat kan niet echter voorkomen dat vaargeulen dichtslibben.
Het artikel ‘Voor altijd een piep in je oor’ |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Voor altijd een piep in je oor»?1
Ja.
Deelt u onze grote zorgen over de grote toename van mensen met ernstige gehoorschade en het feit dat deze groep steeds jonger wordt? Zo ja, welke acties hebt u ondernomen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel uw zorgen. Het ministerie heeft samen met partijen uit de sector het Derde Convenant Preventie Gehoorschade gesloten waarbij onder andere poppodia, de evenementensector, sportscholen en de bioscopen zijn aangesloten. In het convenant zijn afspraken gemaakt met betrekking tot het maximale geluidsniveau en het laten uitvoeren van geluidsmetingen en ook wordt er met de I Love My Ears-campagne ingezet op voorlichting. Daarnaast wordt in het kader van het convenant kennis verzameld en onderzoek uitgevoerd.
Hoe kunnen we oortesten bij jongeren structureel inbedden in ons preventiebeleid en welke instanties hebben hier een rol in?
Momenteel wordt in Nederland het gehoor gescreend bij pasgeborenen en bij kinderen van 4 tot 6 jarige leeftijd door de Jeugdgezondheidszorg (JGZ).
Eerder dit jaar heeft VeiligheidNL een haalbaarheidsstudie uitgevoerd over de haalbaarheid en de praktische mogelijkheden van een uitbreiding op deze bestaande gehoorscreenings. Daarnaast heb ik de Gezondheidsraad gevraagd om een advies uit te brengen over optimalisatie van de gehoorscreening bij jongeren. Dit advies wordt in 2024 verwacht.
Welke stappen om te komen tot aanscherping van de decibelnorm heeft u gezet sinds het rapport Preventie gehoorschade?2
Ik heb de Gezondheidsraad om advies gevraagd over het maximaal geluidsniveau. Dit advies, waarbij wordt ingegaan op de laatste stand van de wetenschap, wordt in het najaar verwacht. Aan de hand van het advies zal ik mij beraden op de aanscherping van het maximaal geluidsniveau zoals we nu hebben afgesproken in het convenant.
Bent u bereid om wetgeving voor te bereiden nu er een Kamermeerderheid gloort voor een wettelijke verankerde afdwingbare decibelnorm, mede gezien de vrijblijvendheid van het huidige convenant? Zo ja, wanneer kunnen we dit verwachten? Zo nee, waarom niet?
Er is de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor wetgeving in Nederland. In 2020 heeft Berenschot in opdracht van het ministerie een verkenning ingesteld naar wetgeving op het gebied van maximumgeluidsnormen. De «Rapportage preventie gehoorschade» van 2021 behelsde een vervolgonderzoek van Berenschot waarbij gekeken werd naar een aantal concrete voorstellen voor een zorgplicht of alternatieve mogelijkheden. Het afgelopen jaar hebben we ons beraad op de voorgestelde mogelijkheden uit het rapport. Hierbij bleken niet alle richtingen even proportioneel te zijn. Het advies van de Gezondheidsraad zal ons handvatten geven om deze voorgestelde maatregelen in een breder kader te zien.
Bent u bereid om hierin de richtingen 2 en 4 uit het rapport van Berenschot te overwegen en te komen tot wetgeving waarin heldere handhaafbare normen staan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke mogelijkheden ziet u verder voor aanscherping van de wet en regelgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke termijn kunnen we maatregelen verwachten nu een Kamermeerderheid zich lijkt uit te spreken voor concrete stappen, waaronder ons voorstel om te komen tot wettelijke verankering van geluidsnormen?
Na het verschijnen van het advies van de Gezondheidsraad zal ik u informeren over mogelijk aanvullende maatregelen.
Het PFAS-schandaal |
|
Bouchallikh , Corinne Ellemeet (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Kuipers , Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het de uitzending van Zembla over het PFAS-schandaal1?
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat baby’s in de omgeving van de Chemours-fabriek in Dordrecht door het drinken van moedermelk gemiddeld tien keer meer PFAS binnenkrijgen dan wat veilig wordt geacht? Zo nee, waarom niet?
Voor de deelnemers die mee hebben gedaan aan het onderzoek van de Vrije Universiteit (VU) van Amsterdam moet het verontrustend zijn geweest om te horen dat hun borstvoeding PFAS bevat. Echter, er is ten onrechte geconcludeerd dat de borstvoeding van deze vrouwen meer dan tien keer meer PFAS bevat dan wat op basis van de gezondheidskundige grenswaarde als veilig wordt geacht. De VU heeft naar aanleiding van de berichtgeving door Zembla een verklaring naar buiten gebracht waarin zij afstand neemt van de conclusies die in de uitzending van Zembla van 9 september jl. worden getrokken.2
De gemiddelde hoeveelheid PFAS komt in het onderzoek uit op ongeveer 77 ng/L borstvoeding. Dit blijft ruim onder de concentratie van 133 ng/L PFAS in moedermelk die de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) als grenswaarde hanteert. Bij deze concentratie worden geen nadelige effecten van PFAS in moedermelk op het immuunsysteem van jonge kinderen verwacht. De gemeten PFAS-concentraties in de steekproef van de VU geven voor het RIVM ook geen aanleiding om te adviseren een kortere periode borstvoeding te geven of helemaal te stoppen met borstvoeding geven.
Is er zicht op de gevolgen van deze blootstelling voor de ontwikkeling van kinderen in deze regio? Zo nee, gaat u dit op korte termijn onderzoeken?
Bij de aangetroffen concentraties worden geen nadelige effecten van PFAS in moedermelk op het immuunsysteem van jonge kinderen verwacht. Er is om die reden geen specifiek onderzoek voorzien. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Geeft dit aanleiding om te adviseren om voor een kortere periode borstvoeding te geven of om daar helemaal mee te stoppen? Zo ja, hoe wordt dit gecommuniceerd en op welke termijn? Zo nee, kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Zoals toegelicht bij vraag 2 geven de gemeten PFAS-concentraties in de steekproef van de VU voor het RIVM geen aanleiding om het geldende borstvoedingsadvies aan te passen. De regionale GGD heeft samen met het RIVM een advies opgesteld voor ouders die vragen hebben over borstvoeding geven. Dat advies is ook gedeeld met verloskundigen, de jeugdgezondheidszorg en huisartsen, zodat ouders ook daar zo goed mogelijk geadviseerd kunnen worden.
Gaat u landelijk onderzoeken of de hoge concentraties PFAS in borstvoeding zich tot de omgeving Dordrecht beperken of ook in andere regio’s voorkomen? Gaat u metingen doen bij mensen die borstvoeding geven in andere delen van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt met het RIVM bekeken of nader onderzoek naar PFAS in borstvoeding nodig is. Dat PFAS in Nederland wordt aangetroffen in moedermelk is al enige jaren bekend.3 In geen enkele meting tot nu toe – inclusief de metingen uit de steekproef van de VU – wordt de gezondheidsnorm overschreden. Maar de zorgen hierover zijn begrijpelijk.
Moedermelk is niet de enige manier waarop men wordt blootgesteld aan PFAS. Daarom wordt in samenwerking met het RIVM en met de Ministeries van VWS en LNV gewerkt aan een programma waarin de verschillende blootstellingsroutes van PFAS in beeld worden gebracht en wordt onderzocht hoe de blootstelling aan PFAS teruggedrongen kan worden. Blootstelling aan PFAS via moedermelk is hier een expliciet onderdeel van. De Kamer wordt voorafgaand aan het Commissiedebat PFAS van 3 november nader geïnformeerd over dit programma.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de toezegging, gedaan aan het lid Bouchallikht tijdens het commissiedebat Externe veiligheid op 11 september 2021, dat er zou worden verkend wat de mogelijkheden zijn omtrent een publiekscampagne over blootstelling aan PFAS voor zwangere mensen?
Een afzonderlijke publiekscampagne voor zwangere mensen past niet goed bij de huidige risico’s. Op dit moment zijn zwangere mensen in Nederland geen specifieke groep met extra risico’s voor blootstelling aan PFAS. Er gelden ook geen specifieke adviezen voor zwangere mensen. Het RIVM heeft berekend dat iedereen in Nederland op dit moment wordt blootgesteld aan PFAS. Het beste advies dat daarvoor aan iedereen gegeven kan worden, is om gevarieerd te eten. Dat advies geldt ook voor zwangere mensen. Verder zijn er enkele gebieden waar voedselproducten extra vervuild kunnen zijn, in de omgeving van Dordrecht, Helmond en de Westerschelde. In die gebieden wordt aan de omwonenden geadviseerd om bijvoorbeeld geen of minder producten uit moestuinen, zelfgevangen vis en zelfgeraapte schelpdieren te eten. Gemeenten, provincie en GGD’en zorgen daar voor extra informatie. In antwoord op de toezegging is de conclusie dat er daarom geen meerwaarde van een speciale publiekscampagne voor zwangere mensen.
Deelt u de opvatting dat het zeer zorgelijk is dat PFOA nog steeds wordt aangetroffen in moedermelk ondanks het feit dat Chemours al in 2012 is gestopt met de productie van deze stof? Bevestigt dit voor u nogmaals hoe persistent deze stoffen zijn en de noodzaak om zo snel mogelijk te komen tot een volledig verbod op PFAS? Zo nee, waarom niet?
Het feit dat PFOA in moedermelk voorkomt en in feite iedereen al PFAS binnenkrijgt, onderstreept het belang van een breed Europees verbod op zoveel mogelijk PFAS. Nederland heeft hiertoe het voortouw genomen en werkt samen met Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden aan de zorgvuldige voorbereiding van dit voorstel.
Wist u dat Chemours PFAS-afval laat verwerken door het bedrijf Indaver in Antwerpen? Wist u dat dit bedrijf niet in staat is om dit afval goed te verwerken en grote hoeveelheden PFAS-stoffen, waaronder GenX loost? Is het bekend of deze stoffen afkomstig zijn van Chemours? Kan de Nederlandse overheid voorkomen dat Chemours afval laat «verwerken» door het bedrijf Indaver?
Ja, het is bekend dat Chemours PFAS-houdend afval laat verwerken door het bedrijven Indaver in Antwerpen. Hier is de Kamer al meermaals over geïnfomeerd4.
Voor het overbrengen van afvalstoffen naar een ander lidstaat moet een (openbare) kennisgevingsprocedure doorlopen worden onder de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). De ILT is samen met de autoriteit in het ontvangende land vergunningverlener, behandelt de aanvragen («kennisgevingen») en houdt toezicht op de voorwaarden die afgegeven EVOA-vergunningen stellen. Een afvaltransport naar het buitenland krijgt alleen een vergunning als er sprake is van een doelmatige afvalverwerking. Wanneer bijvoorbeeld het overschrijden van (lozings)normen uit vergunningen afvalverwerking in de weg staat, moet de ontvangende autoriteit negatief beslissen op een EVOA-kennisgeving en de verzendende autoriteit (ILT) daar over informeren. Hiervan was bij eerdere kennisgevingen geen sprake. Voor een aantal lopende aanvragen voor exportvergunningen heeft de ILT aanvullende informatie opgevraagd bij de kennisgevers en de Vlaamse autoriteiten.
Als voldaan wordt aan de voorwaarden van de EVOA-verordening, waaronder dus de doelmatige verwerking van afval, en alle andere in Nederland geldende wet- en regelgeving, kan de Nederlandse overheid niet verhinderen dat het afval door een specifiek bedrijf wordt verwerkt.
Hoe is het mogelijk dat Rijkswaterstaat een nieuwe vergunning heeft gepubliceerd waarin staat dat 2 kg PFOA en 5kg GenX-stoffen op de Beneden Merwede geloosd mogen worden2? Waarom geeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat toestemming hiervoor als de gevaren van PFAS alom bekend zijn?
Bij het verlenen van lozingsvergunningen volgt het bevoegd gezag, in dit geval RWS namens de Minister, de vigerende waterkwaliteitswetgeving. Op grond daarvan worden alleen vergunningen verleend als de beste beschikbare technieken worden toegepast om emissies te voorkomen of beperken en als geen normen in oppervlaktewater worden overschreden, waardoor de lozing geacht wordt geen onaanvaardbare gevolgen te veroorzaken voor mens en milieu. Voor Zeer Zorgwekkende Stoffen geldt daarnaast een minimalisatieverplichting.
Indien een stof aangemerkt is als Zeer Zorgwekkende Stof, hetgeen hier het geval is bij de directe lozing van de betreffende PFAS-verbindingen, betekent dit niet automatisch dat de lozing verboden kan worden. Zo oordeelde recent ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State6. Het betekent wel dat het bevoegd gezag strengere eisen kan opleggen in vergunningen zoals een minimalisatieplicht. Zodoende worden emissies steeds verder teruggedrongen. Het verbieden van het gebruik van een ZZS in een productieproces kan alleen via Europese wetgeving (REACH) geregeld worden. Hiertoe wordt een voorstel voorbereid, zie ook het antwoord op vraag 10.
Deelt u de opvatting dat, gezien de grote gevolgen voor milieu en gezondheid van PFAS en het feit dat de PFAS-afvalverwerking totaal ontoereikend is, een stop op de productie van PFAS door Chemours de enige oplossing is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer wordt dit gerealiseerd?
De meest effectieve manier om problemen met PFAS te voorkomen, is door ervoor te zorgen dat PFAS niet in het milieu terechtkomen. Daarom heeft Nederland ingezet op een breed Europees verbod op de productie en het gebruik van PFAS, zie ook het antwoord op vraag 6. Daarnaast hanteert Nederland een streng emissiebeleid voor ZZS, waar ook een aantal PFAS onder vallen. Voor deze emissies geldt een minimalisatieplicht. Dat houdt in dat emissies van deze stoffen zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Het bevoegd gezag ziet hierop toe. Zodoende zijn de emissies van de GenX-stoffen door het bedrijf Chemours al met 99% gereduceerd. De minimalisatieplicht blijft van kracht tot er geen ZZS-emissies naar het milieu meer plaatsvinden. Chemours zal zich aantoonbaar voor deze minimalisatieplicht moeten inspannen.
Op welke wijze voert u de motie van de leden Bouchallikht en Van Esch uit om in Europa zo snel mogelijk te komen tot een volledig verbod op PFAS (Kamerstuk 28 089, nr. 202)? Wanneer kunnen we het EU-restrictievoorstel verwachten? Draagt u er zorg voor dat dit voorstel in lijn is met de wens van de Kamer, namelijk een totaalverbod binnen de EU zónder uitzonderingen?
Verwezen wordt Kamerbrief van 9 maart jl.7 waarin aangegeven is hoe de Kamer is geïnformeerd over het voorstel voor een brede Europese restrictie op het gebruik van PFAS via de Europese stoffenverordening REACH. Nederland werkt met een aantal andere Europese lidstaten aan dit omvangrijke voorstel. De restrictie moet ertoe leiden dat het gebruik van PFAS in de EU zo ver mogelijk wordt ingeperkt. De planning is dat het voorstel voor de restrictie in januari 2023 wordt ingediend bij het EU-chemicaliënagentschap ECHA. Daarna volgt de gebruikelijke procedures voor restrictievoorstellen in het kader van de Europese REACH verordening, inclusief de formele consultatierondes. Politieke besluitvorming in Europa, op basis van een voorstel van de Europese Commissie, wordt voorzien in 2024. In lijn met de motie-Bouchallikh/Van Esch8 blijf ik mij op deze wijze inzetten op een zo volledig mogelijk Europees verbod op PFAS.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Energie uit water |
|
Chris Stoffer (SGP), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Wat gebeurt er in Nederland op het gebied van energie uit water?
Energie uit water is een verzamelnaam voor verschillende technieken: elektriciteit uit water (technologieën die het mogelijk maken om stroom uit water op te wekken) en aquathermie (het winnen van warmte of koude uit water). Gezien de aard van de vragen, ben ik ervan uitgegaan dat u doelt op het opwekken van elektriciteit uit water.
In Nederland wordt in beperkte mate elektriciteit opgewekt met elektriciteit uit water-technologieën. De geografische condities van Nederland maken dat het energetisch en economisch potentieel van elektriciteit uit water beperkt is (lage stroomsnelheden in rivieren en waterwerken, weinig hoogteverschillen, laag verval, lage golfhoogtes op de Noordzee).
Welke kansen biedt energie uit water voor de Nederlandse economie? Waarom is het voor Nederland voordelig om deze innovatie op Nederlandse bodem te laten plaatsvinden?
Vanwege de geografische condities in Nederland hebben elektriciteit uit water-technieken – nu en in de toekomst – te weinig potentieel om op een kostenefficiënte manier een substantiële bijdrage te leveren aan de verduurzaming van de nationale elektriciteitsvoorziening. Internationaal (in landen waar de geografische condities voor elektriciteit uit water beter zijn) is het energetisch potentieel groter en liggen er kansen voor deze sector. Deze kansen worden door de sector ook benut: Nederlandse partijen zijn betrokken bij verschillende Europese elektriciteit uit waterprojecten. Verschillende elektriciteit uit water-technieken worden in Nederland ontwikkeld en Nederland biedt een goede kennisinfrastructuur met kennis- en onderzoeksinstellingen zoals TU Delft, Deltares en TNO. De Nederlandse elektriciteit uit water sector biedt dan ook kansen voor verdienvermogen en exportpotentieel en hierin wil ik de sector, waar mogelijk, ondersteunen.
Hoe kan energie uit water bijdragen aan de energietransitie en wat doet het kabinet om te stimuleren dat deze kansen worden benut?
Zoals hierboven al benoemd is het potentieel van elektriciteit uit water in Nederland beperkt. Uit onderzoek van TNO (op 31 maart 2021 met de Kamer gedeeld in de Verkenning elektriciteit uit water, Kamerstuk 32 813, nummer 676) en daarop volgende gesprekken met de sector en onderzoeksinstellingen, is gebleken dat golfenergie en Dynamic Tidal Power (DTP) het meest kansrijk zijn om een substantiële bijdrage te kunnen leveren aan de energietransitie. Er zijn echter nog veel onzekerheden over het potentieel, de kosten en de haalbaarheid van beide technieken. Daarom laat ik hier vervolgonderzoek naar uitvoeren.
Hoe gaat Nederland bijdragen aan de Europese doelstellingen van 100MW voor energie uit water in 2025?
Aangezien uit onderzoek volgt dat Nederland geen kansrijke locatie is voor elektriciteit uit water, zullen wij geen commitment uitspreken voor een bijdrage aan deze doelstelling. Nederlandse bedrijven kunnen wel bijdragen aan het behalen van de Europese doelstellingen door elektriciteit uit water elders in Europa mogelijk te maken.
Zijn er vanuit Europa financieringsinstrumenten waar energie-uit-water-projecten aanspraak op kunnen maken? Zo ja welke? Wat doet het kabinet daarnaast zelf om ondernemers hierbij (financieel) te ondersteunen?
Er zijn verschillende Europese programma’s waarbinnen elektriciteit uit water-projecten aanspraak kunnen maken op financiering. Zo is er het ENCORE Interreg 2SEAS programma en zijn er in het werkprogramma van Horizon Europe verschillende calls opgenomen met betrekking tot elektriciteit uit water. Hier kunnen Nederlandse bedrijven op inschrijven. Indien gewenst, ondersteunen adviseurs van RVO Nederlandse ondernemers bij het doen van een aanvraag. Daarnaast kunnen Nederlandse elektriciteit uit water bedrijven gebruik maken van de DHI regeling. Via deze regeling kunnen bedrijven subsidie aanvragen voor demonstratieprojecten in het buitenland.
Wat doet het kabinet om innovatie op het gebied van energie uit water te stimuleren? Hoe worden demonstratieprojecten hierin meegenomen?
In Horizon Europe, het innovatieprogramma van de EU, komt elektriciteit uit water regelmatig terug in verschillende calls. Nederland onderschrijft het belang hiervan ook in EU-verband in het programma comité voor Klimaat, Energie en Mobiliteit. Daarnaast kunnen elektriciteit uit water bedrijven voor demonstratieprojecten gebruik maken van het algemene instrumentarium voor energie-innovatie, met name de Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+).
Hoe gaat Nederland om met meervoudig ruimtegebruik in windparken? Ziet u potentie om ook elektriciteit uit water te testen in offshore windparken? Zou dit bijvoorbeeld kunnen worden meegenomen in een tender?
Ieder windpark op zee wordt in principe opengesteld voor medegebruik. Nadat een ontwikkelaar de lay-out van het windpark bepaald heeft, wordt door het Rijk, in consultatie met de stakeholders, een gebiedspaspoort opgesteld. Medegebruikinitiatieven kunnen vervolgens in de aangewezen gebieden een (Waterwet)vergunning aanvragen en het medegebruik realiseren. Eén van de vormen van medegebruik is «andere vormen van hernieuwbare energie», waaronder zon op zee maar ook elektriciteit uit water.
Daarnaast kunnen in de vergelijkende toets van een wind-op-zee-tender in principe (maatschappelijk-relevante) thema’s als criterium worden meegenomen. De uitvraag dient echter bij te dragen aan een specifiek doel (zoals systeemintegratie en ecologie in de Hollandse Kust West-tender), waarbij elektriciteit uit water geen doel op zich is. De markt voor golfenergietechnologieën is nog niet zodanig ver ontwikkeld dat golfenergie als criterium kan worden opgenomen in de tenderprocedure voor wind op zee. Als onderdeel van Horizon 2020 is onlangs een onderzoeksproject gestart (EU-SCORES) dat onderzoek doet naar medegebruik op het gebied van zon op zee en golfenergie. Dutch Marine Energy Center (DMEC) leidt dit project. Hierbij worden de synergiën tussen winenergie, zon op zee en golfenergie onderzocht. Resultaten van dit onderzoek worden in 2025 verwacht.
De arrestatie van Steve Bannon |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de arrestatie van Steve Bannon in de VS?
Ja.
Erkent u dat Steve Bannon, met zijn achtergrond in de media en de politiek, een belangrijke rol vervult in het organiseren van democratische oppositie in de VS?
Het is niet aan het kabinet om de rol van dhr. Bannon te kwalificeren.
Is de arrestatie van een oppositieleider in aanloop naar de verkiezingen voor u een reden tot zorgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb vertrouwen in de Amerikaanse rechtstaat.
Ziet u een breder patroon van politieke rechtspleging in de Verenigde Staten, zoals de huiszoeking van President Trump in Mar-a-Lago op 8 augustus jl.? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb vertrouwen in de Amerikaanse rechtstaat.
Hoe beziet u het interview met de Amerikaanse president Joe Biden, dat dateert van vóór de vervolging van Steve Bannon, waarin hij stelt dat hij hoopt dat Bannon «strafrechtelijk wordt vervolgd»1? Vindt u dit in strijd met de trias politica en democratische basisprincipes? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb vertrouwen in de Amerikaanse rechtstaat.
Hoe beziet u deconference call van Kate Bedingfield, topadviseur van president Joe Biden, waarin zij tegen journalisten zegt dat het geen verrassing is dat «Bannon een fraudeur is»2, terwijl de rechter en jury hier nog helemaal geen uitspraak over hebben gedaan? Vindt u dit in strijd met de trias politica en democratische basisprincipes? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb vertrouwen in de Amerikaanse rechtstaat.
Hoe beziet u de toespraak van president Joe Biden van 1 september jl., waarin hij stelt dat Amerika «een baken is voor de rest van de wereld»3 omdat dit land «gelijkheid en democratie» zo hoog in het vaandel heeft, in relatie tot de arrestatie van Steve Bannon?
Ik bezie de toespraak van president Biden niet in relatie tot (de arrestatie van) Steve Bannon.
Bent u bereid de Amerikaanse autoriteiten om tekst en uitleg te vragen over de dubieuze timing – vlak voor demidterm-verkiezingen – van hun rechtsvervolging? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb vertrouwen in de Amerikaanse rechtstaat.
Is Nederland bereid politieke vluchtelingen uit de VS op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Iedere asielaanvraag die in Nederland wordt ingediend, wordt op individuele merites beoordeeld. De VS is aangemerkt als veilig land van herkomst. Het uitgangspunt is dat asielzoekers uit een veilig land geen risico lopen op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De oversterfterapportage en immuungecompromitteerde personen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in het Rapport Sterfte en Oversterfte 2020 en 2021 ca. 135.000 goed geïdentificeerde immuungecompromitteerde personen1 zijn weggelaten uit het onderzoek «Risico op overlijden kort na vaccinatie»2, in een periode dat meer dan 3.000 doden niet konden worden verklaard en de speculatie daarover in de media?
Het onderzoek dat door het CBS en het RIVM is uitgevoerd, gaat over de periode tot en met januari 2022. Zoals in het rapport is aangegeven, zijn immuungecompromitteerde patiënten die drie vaccinaties hebben ontvangen niet in de analyse over de boostervaccinatie meegenomen. Hun derde dosis maakte namelijk deel uit van de basisserie. De meeste immuungecompromitteerde patiënten hebben hun boosterdosis pas na de onderzoeksperiode ontvangen. De analyse naar het risico op overlijden na de eerste en tweede dosis van het vaccin is wel uitgevoerd voor deze groep. Hierin is geen verhoogde kans op overlijden aangetoond.
Kunt u verklaren waarom deze groep mensen niet is meegenomen in dit onderzoek? Vindt u niet dat deze groep er, mede gezien het monitoring-advies van de Gezondheidsraad en vanwege het verhoogde risico op (ernstige) bijwerkingen bij deze personen, niet mag ontbreken in een onderzoek naar het risico op sterfte direct na vaccinatie in een periode dat ruim 3.000 doden niet kunnen worden verklaard? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om te onderzoeken hoeveel mensen uit de groep immuungecompromitteerde personen die geregistreerd staat in het vaccinatieregister in de weken direct na vaccinatie zijn overleden? Wilt u het CBS en/of het RIVM vragen om dit specifieke onderzoek alsnog te verrichten, zodat meer inzicht kan worden verkregen in de onverklaarde sterfte? Zo nee, waarom niet?
Momenteel loopt een door ZonMw begeleid onderzoek naar oversterfte in traject 3 van het oversterfteonderzoek, dat in het laatste kwartaal van 2022 zal starten. De resultaten van het oversterfteonderzoek door het CBS en het RIVM geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek naar betreffende groep immuungecompromitteerde personen. Zoals ik in eerdere antwoorden op vragen van het lid Van Haga heb aangegeven3 is er brede wetenschappelijke consensus over de effectiviteit van de vaccins in het voorkomen van ernstige ziekte en sterfte door COVID-19 en de geringe kans op ernstige bijwerkingen na vaccinatie. Vermoedens van bijwerkingen, waaronder overlijden, worden zoals eerder aangegeven gemeld via Bijwerkingencentrum Lareb. Lareb is leidend bij de beoordeling van bijwerkingen en risico’s na vaccinatie. De cijfers van het Lareb en de wetenschappelijke inzichten op dit terrein geven op dit moment voor mij geen aanleiding voor een vervolgonderzoek.
Bent u op de hoogte dat sterfte door Covid-19 uit hoofdstuk zes van het onderzoek is weggelaten, omdat de vaccins volgens het onderzoek beschermen tegen Covid-19 sterfte? Zo ja, hoe reflecteert u dan op het feit dat de bescherming van vaccinatie pas na enige tijd optreedt en dat inmiddels is aangetoond dat in de directe periode na vaccinatie zelfs een verhoogde kwetsbaarheid kan optreden? Kunt u uitleggen waarom daar in dit onderzoek anders naar wordt gekeken?
In hoofdstuk 6 van het rapport wordt het risico op overlijden kort na vaccinatie op populatieniveau onderzocht, om te bepalen of vaccinatie kan hebben bijgedragen aan oversterfte als gevolg van eventuele bijwerkingen. Vanwege het bewezen beschermende effect van vaccinatie tegen overlijden aan COVID-19, is in deze analyse overlijden door COVID-19 niet meegenomen. Het onderzoek toont aan dat er in de eerste weken na vaccinatie geen verhoogde kans is op overlijden met een andere oorzaak dan COVID-19. De analyses zijn ter controle nogmaals uitgevoerd mét COVID-19 als doodsoorzaak. Ook deze analyse toont geen verhoogd risico aan voor overlijden na vaccinatie.
Het is niet zo dat na vaccinatie een verhoogde kwetsbaarheid optreedt. Wel is bekend dat bijwerkingen mogelijk hebben bijgedragen aan het verslechteren van een al kwetsbare gezondheidssituatie of sluimerende conditie al dan niet door hoge leeftijd. Het gaat om bekende bijwerkingen van de coronavaccins zoals koorts, misselijkheid en algemene malaise. Er is dus geen sprake van verhoogde kwetsbaarheid, maar van mensen die al erg kwetsbaar zijn.
Hoe verhoudt deze conclusie zich tot hoofdstuk vijf van dit onderzoek, waarin juist wel wordt uitgegaan van het feit dat er direct na vaccinatie nog geen bescherming tegen Covid-19 bestaat? Kunt u deze discrepantie uitgebreid verklaren?
De onderzoeksvraag in hoofdstuk 5 was een andere. Hierin is de vaccineffectiviteit tegen het overlijden aan COVID-19 onderzocht. Het lichaam heeft na de vaccinatie enige tijd nodig om voldoende antistoffen op te bouwen om een optimale bescherming te bieden tegen COVID-19. Daarom is gekeken naar zowel de categorie «basisserie deels», die ingaat vanaf de dag van de eerste toediening, als «basisserie volledig», die ingaat twee weken na de tweede dosis. In de periode januari 2021-januari 2022 was de kans op overlijden aan COVID-19 zoals geregistreerd in het doodsoorzakenregister veel kleiner voor gevaccineerde personen dan voor ongevaccineerde personen.
Wilt u het ontbreken van de informatie over verhoogde kwetsbaarheid en kans op sterfte direct na coronavaccinatie bij immuungecomprommiteerde personen bij het CBS en het RIVM adresseren en dit alsnog laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
De door het CBS gebruikte, gereviseerde Covid-19 data geeft twee tot bijna zes keer zoveel geregistreerde Covid-19 sterfte3 dan de cijfers die het RIVM (en de Wereldgezondheidsorganisatie en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC)4) hanteren, met name in de periode dat de booster en de herhaalprik werden verstrekt, kunt u, vanuit medisch perspectief, uitleggen waarom er zoveel door het CBS in revisie ontdekte Covid-19 sterfte tijdens de vaccinatieperiode onopgemerkt is gebleven en kunt u uitsluiten dat het CBS niet te voortvarend te werk is gegaan bij de revisie?
Zoals ik op 23 september jl. in de beantwoording6 van schriftelijke vragen van het lid Van Haga van 31 augustus jl. reeds heb aangegeven, wordt het verschil in de sterftecijfers van het RIVM en de oversterftecijfers van het CBS verklaard door het verschil in bronnen. Het RIVM baseert zich bij de cijfers op het aantal overleden COVID-19-patiënten dat gemeld is aan het RIVM. Het werkelijke aantal overleden COVID-19-patiënten is hoger dan het aantal overleden personen gemeld aan het RIVM, omdat er geen meldingsplicht geldt voor overlijden aan COVID-19. De cijfers van RIVM worden echter door WHO en ECDC overgenomen, mogelijk omdat de cijfers vanuit de doodsoorzakenstatistiek die het CBS publiceert (die gebaseerd zijn op de door artsen ingevulde doodsoorzaakverklaringen) veel later beschikbaar zijn dan sterftecijfers. Tijdens de technische briefing van 15 september jl. is hier door het CBS ook een uitvoerig antwoord op gegeven. Daarnaast verwijs ik u naar de uitlegpagina over de sterftecijfers in het dashboard op de rijksoverheid.nl7.
Kunt u met cijfers onderbouwd uitsluiten dat de opvallend hoge sterfte die het CBS na revisie van de doodsoorzaken tijdens de vaccinatieperiodes signaleert geen verhoogde kans op Covid-19 vlak na vaccinatie impliceert? Zo ja, kunt u deze data openbaar maken?
Zie de antwoorden op vraag 3 en vraag 7.
Kunt u garanderen dat een potentieel verhoogde kans op sterfte direct na coronavaccinatie door uitsluiting van Covid-19 sterfte vlak na vaccinatie niet onopgemerkt blijft? Zo ja, kunt dit uitgebreid toelichten?
Meldingen van bijwerkingen worden zorgvuldig geanalyseerd en gemonitord door onder andere Lareb, het Nederlandse College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). Hieronder vallen ook meldingen van overlijden na vaccinatie. Zoals ik onder andere in reactie op Kamervragen van het lid Van Haga van 29 augustus jl.8 heb aangegeven, wil een melding van een bijwerking niet altijd zeggen dat het ook daadwerkelijk om een bijwerking gaat. Tot op heden is er geen verband gevonden tussen overlijden en de door de EMA-goedgekeurde COVID-19-vaccins. Lareb blijft dit voortdurend monitoren. Er is brede wetenschappelijke consensus over het gegeven dat de voordelen van vaccinatie tegen COVID-19 opwegen tegen de geringe kans op (ernstige) bijwerkingen.