Woningbouwplannen in Hardinxveld-Giessendam die dreigen vast te lopen door provinciale regels |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hardinxveld-Giessendam in de knel door provinciale regels»?1
Ja
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de gemeente Hardinxveld-Giessendam aangeeft ruimte te zien voor circa 2.500 extra woningen, terwijl volgens de gemeente provinciale regelgeving verdere ontwikkeling van woningbouwlocatie ’t Oog na de eerste fase van 170 woningen belemmert?
Ik ben bekend met de situatie in Hardinxveld-Giessendam en heb contact gehad met betrokken partijen zoals deze gemeente, de provincie Zuid-Holland en de regionale versnellingstafel over de actuele ontwikkelingen.
De verdere ontwikkeling van de woningbouwlocatie ’t Oog is niet opgenomen op de «3 hectare lijst» van grotere buitenstedelijke locaties van de provincie Zuid-Holland.
In het project spelen diverse factoren een rol waaronder het beleid op buitenstedelijk bouwen, maar ook infrastructurele knelpunten zoals de spoorwegovergang over de Merwede Linge-lijn en de belasting van de op- en afritten van de A15. Ook zijn er uitdagingen op het gebied van water en bodem. De provincie en de gemeente zijn ambtelijk in gesprek over de verdere ontwikkeling van woningbouw in deze regio waaronder de locatie ’t Oog.
In deze regio is voldoende plancapaciteit om de regionale woningbouwopgave tot en met 2030 te realiseren.
Over de belemmeringen ten aanzien van buitenstedelijk bouwen in de provincie Zuid-Holland heb ik recent een brief2 gestuurd naar de Provincie Zuid-Holland. Daarover en ook over de aanvullende woningbouwopgave tot en met 2036 ben ik met de provincie in gesprek.
Deelt u de opvatting dat locaties die aantoonbaar bijdragen aan het terugdringen van de woningnood en waarvoor lokaal bestuurlijk draagvlak bestaat, niet onnodig door provinciale regels zouden moeten worden geblokkeerd? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit te bevorderen?
Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat woningbouw onnodig wordt geblokkeerd door beleid en regelgeving. Tegelijkertijd is de fysieke ruimte in Nederland beperkt en moeten keuzes worden gemaakt. Daarbij is ook de provincie aan zet. De lijn van de ontwerpNota Ruimte is dan ook dat meervoudig ruimte gebruik noodzakelijk is. Maar ook dat bedrijventerreinen en hoogwaardige landbouwgronden beschermd moeten worden. Woningbouw moet ook goed ontsloten kunnen worden.
Kortom, er zijn afspraken en regels nodig over hoe de ruimte wordt verdeeld. In de ontwerpNota Ruimte geeft het Rijk aan hoe we die verdeling zien. Provincies leggen in hun omgevingsvisie en verordeningen hun verdeling en regels vast. Het ruimtelijk beleid moet op elkaar afgestemd zijn. Daar hoort ook bij dat provincies zorgen dat er voldoende ruimte is voor woningbouwlocaties ten opzichte van de bestuurlijk afgesproken aantallen woningen: binnenstedelijk en buitenstedelijk. In het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting regel ik daarom ook dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet meer van toepassing is voor nieuwe woningbouwlocaties.
Waar er sprake is van belemmeringen zijn de regionale versnellingstafels bedoeld om belemmeringen naar voren te brengen en projecten weer vlot te trekken.
De focus ligt daarbij primair op het realiseren van de beschikbare locaties.
Als daar belemmeringen geconstateerd worden die komen door strijd met landelijke uitgangspunten kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Dat begint altijd bij bestuurlijk overleg.
Hoe verhoudt de bescherming van open ruimte en landschap zich volgens u tot de nationale woningbouwopgave, in het bijzonder in situaties waarin gemeenten onderbouwen dat een gebied feitelijk al mede wordt gebruikt door bestaande infrastructuur, bedrijvigheid en bebouwing?
Zie antwoord vraag 3.
Welke ruimte biedt de huidige wet- en regelgeving aan provincies om woningbouwlocaties te beperken die door gemeenten als logisch en noodzakelijk voor de woningbouwopgave worden beschouwd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoeveel woningbouwlocaties in Nederland momenteel worden vertraagd of beperkt als gevolg van provinciale ruimtelijke regels of beleidskeuzes? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Hier is geen totaaloverzicht van. Vertraging van woningbouwprojecten wordt immers vaak veroorzaakt door een combinatie van factoren, zoals problemen met netcongestie en complexiteit in procedures. Zoals in mijn antwoord op vraag 3, 4 en 5 beschreven, wordt aan de regionale versnellingstafels gezamenlijk gezocht naar oplossingen voor belemmeringen in woningbouwprojecten. Ook bespreek ik belemmeringen in de realisatie van de woningbouwopgave tijdens de bestuurlijke overleggen Woondeals. Ik ben bovendien op diverse manieren in gesprek met provincies over hun omgevingsbeleid in het kader van de NOVEX-tafels. Dit betreft ook de wederkerige afspraken die Rijk en Regio jaarlijks maken in het ruimtelijk arrangement.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Zuid-Holland over de gevolgen van het herziene omgevingsbeleid voor woningbouwlocaties zoals ’t Oog, en daarbij te bezien of maatwerk mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben momenteel in het kader van het herziene omgevingsbeleid dat onlangs in provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld, al in gesprek met de provincie. Daarbij zal ik specifiek aandacht besteden aan de uitvoering van diverse aangenomen amendementen en moties die gaan over meer ruimte voor woningbouw en aan mogelijke flexibiliteit in de uitvoering van het omgevingsbeleid.
In uw recente brief aan provinciale staten van Zuid-Holland heeft u aangegeven dat woningbouwlocaties die bijdragen aan de nationale woningbouwopgave niet onnodig moeten worden geblokkeerd door provinciale regels. Welke concrete resultaten verwacht u naar aanleiding van deze oproep?
Ik heb de genoemde brief aan de provinciale staten van Zuid-Holland gestuurd in de verwachting dat die voor de leden belangrijke input zou zijn in hun bespreking en stemmingen. Ik constateer dat er bij de behandeling onder meer een wijziging is aangenomen die als strekking heeft het beleid rond een straatje erbij te verruimen. Ik ben met de provincie in gesprek om te vernemen hoe men verder gaat met de buitenstedelijke locaties en met de uitvoering van het herziene beleid.
Deelt u de zorg dat gemeenten die bereid en in staat zijn om extra woningen te realiseren, ontmoedigd kunnen raken wanneer planologisch voorbereide locaties alsnog vastlopen in bestuurlijke procedures en beleidsmatige beperkingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Het vastlopen in bestuurlijke procedures dienen we te voorkomen. De wet Versterking regie volkshuisvesting is daar al een belangrijke stap in, onder meer door via aanpassingen in het stelsel duidelijkheid te creëren over de betaalbaarheidsverdeling en waar en voor wie we bouwen. Bij ruimtelijk beleid moeten – zoals hierboven al is beschreven – altijd meerdere belangen worden afgewogen.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid beter aansluit bij de ambitie om landelijk ten minste 100.000 woningen per jaar te realiseren, met name in provincies waar de woningdruk het hoogst is?
Zoals in mijn voorgaande antwoorden beschreven vind ik het belangrijk dat provincies voldoende ruimte bieden voor woningbouwlocaties en geen onnodige belemmeringen opwerpen. Ik houd daarbij de vinger aan de pols, mede door concepten van omgevingsvisies en verordeningen te bezien en daar waar nodig het gesprek over aan te gaan. Daarbij let ik erop dat de regelgeving en de uitvoering van regelgeving en beleid in lijn zijn met het Rijksbeleid en -regelgeving. Als dat niet het geval is, gebruik ik mijn instrumentarium om te interveniëren. Ik voer daarover dan allereerst een bestuurlijk gesprek.
Daarnaast maak ik in de actualisering van de Woondeals gericht afspraken om de ambitie van 100.000 woningen per jaar te realiseren.
Bent u bereid te onderzoeken of de Omgevingswet en de provinciale instructieregels voldoende ruimte bieden voor lokaal maatwerk bij woningbouwlocaties die aansluiten op bestaande infrastructuur en voorzieningen? Zo ja, wanneer kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zoals het tweede reflectierapport «Werk aan de winkel» van de Evaluatiecommissie Omgevingswet laat zien, geeft de Omgevingswet voldoende ruimte.
Ik heb u het rapport van de Evaluatiecommissie Omgevingswet op 10 maart 2026 gezonden en op 19 juni 2026 heb ik u de kabinetsreactie hierop gezonden3. Hierbij heb ik aangegeven dat de Omgevingswet alle bevoegde gezagen een wenkend perspectief biedt om te komen tot een balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Ik zie geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Herkent u het beeld dat provinciale beleidskeuzes in sommige gevallen leiden tot het schrappen of beperken van woningbouwlocaties die door gemeenten als kansrijk, uitvoerbaar en maatschappelijk gewenst worden beschouwd? Zo ja, welke mogelijkheden heeft het Rijk om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid de nationale woningbouwopgave ondersteunt in plaats van belemmert?
Ik werk samen met provincies en gemeenten aan het realiseren van voldoende woningen in Nederland. Daarbij ligt de focus op het realiseren van de locaties die al in beeld zijn. Als belemmeringen voor de woningbouw voortvloeien uit provinciale keuzes, dan ga ik eerst bestuurlijk in gesprek. Wanneer bestuurlijk overleg niet tot het gewenste resultaat leidt, kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Voor al die woningzoekenden die dringend behoefte hebben aan een thuis.
De Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de 'Analyses van additionele koopkracht instrumenten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de Kamerbrief van 20 mei 2026 een aantal voorwaarden worden gesteld die in overleg met de Pensioenakkoord-partijen zijn geformuleerd (transparantie, uitvoerbaarheid, draagvlak)? Deze zijn toch veelal niet in harde cijfers te kwantificeren? Hoe rijmt u dit met de analysemethode van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Reeds in de eerder met de kamer gedeelde brieven over dit thema2 worden een aantal randvoorwaarden gesteld waaraan additionele koopkrachtvarianten moeten voldoen. Een aantal van deze randvoorwaarden gaan over elementen die te kwantificeren zijn zoals ex-ante herverdeling en de effecten op koopkracht, andere zijn meer kwalitatief van aard zoals uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid. De DNB-analyse gaat over de kwantificeerbare elementen in de randvoorwaarden.
Klopt het dat in de Kamerbrief wordt gesteld dat; «Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd»? Bent u het eens dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen? Welke harde maatstaven en normen hanteert u voor de interpretatie dat een pensioenfonds genoeg heeft gedaan wanneer zij ernaar streeft het koopkrachtverlies of de koopkrachtwinst te verlagen of respectievelijk verhogen?
In de bijlage bij de brief wordt weergegeven dat eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen op verschillende manieren kan worden ingevuld. Zo kan een pensioenfonds ernaar streven om het koopkrachtniveau te behouden: de uitkeringen volgen dan zoveel mogelijk het patroon van de jaarlijkse gerealiseerde inflatie. Anderzijds kan het doel van een pensioenfonds ook zijn om de mate van koopkrachtverlies of koopkrachtwinst te verlagen respectievelijk verhogen. Dit draait om de kans en omvang van verlaging respectievelijk verhoging in reële uitkeringen in enig jaar te verbeteren.3
Ik ben het dus niet zonder meer eens met de interpretatie dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen. Er moet ook een afweging worden gemaakt tussen het jaar-op-jaar kunnen volgen van de inflatie tegenover op de lange termijn een hogere uitkering te kunnen bieden waarbij het patroon van de feitelijke inflatie minder goed wordt gevolgd dan de jaar-op-jaar-ontwikkeling. Elke doelstelling kent hierbij haar eigen afruilen. Zo zou bijvoorbeeld de doelstelling om het zo goed mogelijk jaar-op-jaar volgen van de inflatie-ontwikkeling in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat de initiële startuitkering voor gepensioneerden lager moet zijn.
Klopt het dat in de lijst met randvoorwaarden wordt gesteld dat «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkracht instrumentarium.»? Was dit eerder niet een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het onderzoek naar de alternatieve koopkrachtinstrumenten en kan u ons het verschil uitleggen tussen een randvoorwaarde en een doelstelling?
De doelstelling eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen is een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en heeft betrekking op de stijging van de pensioenuitkering. Eén van de randvoorwaarden om de additionele koopkrachtinstrumenten te beoordelen is: «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkrachtinstrumentarium.» Dit is dus additioneel op het koopkrachtinstrumentarium dat de Wtp al biedt, waarbij geldt dat de Wtp reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Waar blijkt uit dat «De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp middels de basisvariant reeds meer perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel»?
Uit de analyse blijkt dat de basisvarianten een geringer koopkrachtverlies kennen dan een zuivere DC-variant met een regeling zonder solidariteitsreserve. Dit resultaat doet daarmee niks af aan eerdere analyses van DNB over de transitie effecten bij de Wtp4 en van Netspar5 tijdens het wetstraject van de Wtp die lieten zien dat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Het klopt toch dat in de Kamerbief wordt gesteld «Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met anderen).»? Gaat dit ook op wanneer er afruil mogelijk wordt gemaakt met de solidariteitsreserve?
In de Kamerbrief wordt weergegeven dat er geen sprake is van een zogeheten «free lunch». Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met andere deelnemers binnen het collectief). Deze afruil blijft bestaan, ook als bijvoorbeeld meer herverdeling plaatsvindt via de solidariteitsreserve.
De varianten en analyse van de alternatieve koopkrachtinstrumenten zijn toch door DNB in overleg met de experts vastgesteld? Waren de experts het in alle gevallen eens met de gekozen modellen en aannames van DNB?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft DNB verzocht de koopkrachtinstrumenten kwantitatief door te rekenen, waarbij is afgesproken zoveel mogelijk aan te sluiten bij de modellering in eerdere transitieberekeningen.6 De opzet van de analyse, inclusief model en aannames, is vooraf afgestemd met experts. Gedurende het traject zijn aanvullende gesprekken met experts gevoerd, die hebben geleid tot nieuwe inzichten en aanvullende gevoeligheidsanalyses om de robuustheid van de uitkomsten te toetsen. Daarnaast is een klankbordgroep van externe experts betrokken, die ook bij eerdere doorrekeningen heeft geadviseerd. Dit draagt bij aan de vergelijkbaarheid en consistentie met eerdere analyses. Ook het Ministerie van SZW als opdrachtgever is gedurende het traject nauw betrokken geweest bij de verkenning.
Het klopt toch dat in basisvariant 1 van DNB is gekozen voor een scenario waarin er onder andere van wordt uitgegaan dat de onverwachte inflatie wordt gecompenseerd vanuit de solidariteitsreserve, terwijl geen enkel fonds hiervoor kiest op dit moment?
In de basisvariant wordt gekeken naar het koopkrachtinstrumentarium dat wettelijk mogelijk is. Deze variant betreft daarmee één van de keuzes binnen de solidaire premieregeling die binnen het huidige wettelijk kader mogelijk zijn, maar deze betreft niet per definitie een praktijkvoorbeeld. Door het in kaart brengen van een basisvariant kunnen de uitkomsten vergeleken worden met het wettelijke kader. Sociale partners en pensioenfondsen maken zelf een afweging in hoeverre zij gebruik willen maken van het instrumentarium. Er zijn pensioenfondsen die overwegen de solidariteitsreserve zo vorm te geven dat deze tot uitkeringen leidt wanneer de gerealiseerde inflatie hoger uitvalt dan de verwachte inflatie. Waar het hier om gaat is dat er geen wettelijke beperking is om gebruik te maken van de koopkrachtinstrumenten in de basisvariant.
Het klopt toch dat de solidariteitsreserve wordt gemaximeerd op 10%, terwijl de meeste fondsen dat nu op maximaal 5–7% hebben staan? Hierbij wordt toch uitgegaan van het feit dat fondsen kiezen voor dakpansgewijze spreiding, terwijl in de werkelijkheid fondsen juist kiezen voor asymptotische spreiding? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van de basisvariant 1 de alternatieven af te serveren?
Ik herken het beeld niet dat in de kwalitatieve en kwantitatieve analyse één van de koopkrachtvarianten niet gelijkwaardig in de overwegingen mee is genomen. In de analyse wordt elke variant op basis van dezelfde criteria gewogen ten opzichte van dezelfde basisvariant. Dit zorgt voor een gelijkwaardige weging van de verschillende varianten, wat leidt tot een betere vergelijkbaarheid van de verschillende instrumenten. Voor de basisvarianten geldt dat het de wettelijke kaders weergeeft waarbinnen sociale partners en pensioenfondsen reeds de ruimte hebben om beleid te voeren.
Het klopt toch dat in basisvariant 2, boven op de aannames van basisvariant 1, ook wordt uitgegaan van een projectierendement met een afslag van 2%? Er is toch geen enkel fonds dat kiest voor een vaste afslag? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van deze basisvariant de alternatieven af te serveren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid een nieuwe analyse van DNB te vragen waarin een basisvariant wordt gekozen met reële rekenvoorbeelden, zoals beschikbaar in het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» van drs. Henk Bets namens Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. en het Wetenschappelijk Bureau NSC? Indien nee, waarom niet?
Het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» heeft als input gediend voor de koopkrachtvariant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» en de auteur heeft ook meermaals commentaar gegeven op de uitkomsten van deze variant. Bovendien is de auteur als externe expert in diverse sessies betrokken. Daarmee is voldoende de kennis uit dit rapport meegenomen in de analyses van DNB. Momenteel kijkt de pensioensector naar de verschillende koopkrachtvarianten en zullen deze toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. Zij is ook beter in staat om de praktische uitwerking en de resultaten van deze varianten verder te onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Ik wacht de inzichten vanuit de praktijk af en zal daarna nagaan of verdere berekeningen benodigd zijn.
Klopt het dat u in de brief concludeert dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient? Kunt u aangeven welk gewicht u in uw afweging heeft toegekend aan het realiseren van de oorspronkelijke Wtp-doelstelling van een koopkrachtiger pensioen, en waarom de substantiële verbetering van koopkrachtbehoud in variant 5 niet tot een positieve beleidsmatige beoordeling heeft geleid?
Zoals ik heb aangegeven in de kamerbrief geldt bij het bieden van additionele koopkracht aan gepensioneerden dat er nooit sprake is van een free lunch. Dit betekent dat er kosten of risico’s tegenover kunnen staan zoals ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase. Gegeven deze afruil concludeer ik op basis van de analyses in de kamerbrief dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient.
Waarom wordt de herverdeling in variant 5 als een minpunt aangewezen, terwijl in de brief wordt gesteld dat «herverdeling niet per definitie slecht hoeft te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»?
In de brief wordt in de variant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» de feitelijke constatering gedaan dat in de bewuste variant sprake is vaneen afruil tussen koopkrachtbehoud enerzijds en geen koopkrachtwinst en forse ex-ante herverdeling van deelnemers boven de 45 jaar naar jongeren anderzijds. Daarmee is ex-ante herverdeling niet per definitie onwenselijk en hangt de beoordeling af van de onderliggende redenen, de omvang van de herverdeling en de mate waarin deze vooraf uitlegbaar is.
Waarom acht u het verantwoord om (onderzoek naar) aanpassingen pas bij de evaluatie van de Wtp in 2028 in gang te zetten, terwijl vrijwel alle pensioenfondsen vóór die tijd al zijn ingevaren en deelnemers dan niet kunnen profiteren van verbeteringen die nu bekend zijn en verder uitgewerkt kunnen worden voor implementatie, direct na het invaren?
Uitvoeringspartijen in de pensioensector zullen de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal de pensioensector hier verder vorm aan geven binnen de genoemde randvoorwaarden in de brief. Om dit op een degelijke manier te doen is voldoende tijd nodig. Eén van de randvoorwaarden voor de additionele koopkrachtinstrumenten genoemd in de brief is dat de varianten niet mogen leiden tot vertraging van de pensioentransitie. Om die reden zouden de koopkrachtvarianten pas na de transitie in werking kunnen treden en zullen de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van de initiatieven uit de pensioensector worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt voorgesteld «om de evaluatie en het aandragen van koopkrachtinstrumenten bij de sector neer te leggen omdat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie hiervoor het beste toegerust zijn»? Waarom wordt de bal bij deze organisaties neergelegd terwijl zij uitgesproken tegenstander zijn van alle aanpassingen van de Wtp? Is het niet beter deze evaluatie neer te leggen bij een meer onafhankelijke partij ofwel een groep bestaande uit de oorspronkelijke expertgroep die de varianten in deze evaluatie bedacht heeft?
Ten eerste ben ik van mening dat uitvoeringspartijen in de pensioensector het best gepositioneerd zijn om de varianten en diverse denkbare modaliteiten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk. Daarnaast herken ik het beeld niet dat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie tegenstanders zijn van aanpassingen van de Wtp in zijn algemeenheid. Aanpassingen aan de Wtp gedurende deze transitieperiode die de transitie ondersteunen kunnen juist op steun vanuit de pensioensector rekenen. De pensioensector geeft daarbij evenwel aan dat gegeven de enorme uitvoeringsopgave van de transitie een zo stabiel, voorspelbaar wettelijk kader de beheerste uitvoering van de transitie in de nog restende periode tot 1 januari 2028 ten goede komt. Het kabinet heeft daar oog voor en is daarom terughoudend met voorgenomen aanpassingen van de pensioenwetgeving die niet direct benodigd zijn voor de transitie. De genoemde verkenning ziet op eventuele aanpassingen van het wettelijke kader ná afronding van de pensioentransitie.
Waarom wordt in de Kamerbrief een expliciete taak neergelegd bij de Pensioenfederatie voor het vervolgtraject? De pensioenfederatie is toch geen uitvoerder? Kunt u inzicht geven in de precieze opdracht die aan de Pensioenfederatie is/wordt verstrekt? Het klopt toch dat de Pensioenfederatie heeft aangegeven geen waarde te hechten aan aanpassingen aan de Wtp?
De Pensioenfederatie zal een coördinerende rol hebben in het vervolgtraject waarbij uitvoeringspartijen in de pensioensector de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Binnen de Pensioenfederatie zal via de Commissie Actuariaat hiervoor een werkgroep worden gevormd. Inmiddels hebben vijf pensioenuitvoerders c.q. uitvoeringsorganisaties kenbaar gemaakt hierin te willen participeren.
Erkent u dat de huidige wettelijke definitie van de solidariteitsreserve verhindert dat pensioenfondsen kunnen experimenteren met of ervaring kunnen opdoen met een reële solidariteitsreserve? Zo ja, hoe kan de sector volgens u dan zelfstandig de meerwaarde van dit instrument aantonen en/of hier de leiding in nemen?
Zoals ook in kwalitatieve analyse is aangegeven dient wet- en regelgeving te worden aangepast om de verschillende koopkrachtvarianten te kunnen uitvoeren. Dat neemt niet weg dat de pensioensector goed in staat is de voor- en nadelen in kaart te brengen van een invulling van de solidariteitsreserve die buiten het huidige wettelijk kader valt.
Waarom lijkt in uw afweging een beperkte stijging van het risico op nominale kortingen zwaarder te wegen dan een aanzienlijke vermindering van het risico op langdurig koopkrachtverlies, terwijl juist koopkrachtbehoud centraal stond bij de hervorming van het pensioenstelsel? Graag een toelichting.
Zoals eerder aangegeven schetst de kamerbrief «Analyses van additionele koopkrachtinstrumenten» alleen de feitelijke afruilen tussen additionele koopkracht enerzijds en ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase anderzijds. In de brief worden door mij geen beleidsmatige afwegingen gemaakt. Dergelijke afwegingen zal ik met uw Kamer maken.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt gesteld: «In het licht van bovenstaande is het een open vraag of, en zo ja, hoe deze informatie ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat sprake is van een reële doelstelling.»? Wat is er tegen een reële doelstelling volgens u? De eerste doelstelling van de Wtp en het Pensioenakkoord waren toch sneller uitzicht op koopkrachtbehoud?
Een verplichte reële doelstelling kan ten onrechte de indruk wekken bij deelnemers dat zij een garantie hebben op een inflatiecorrectie. Dergelijk garanties zijn niet te geven in een kapitaalgedekt pensioenstelsel, mede gezien het ontbreken van voldoende activa (zoals inflatiegerelateerde obligaties) waarvan de rendementen meebewegen met de inflatie. Dergelijke garanties kunnen leiden tot nieuwe teleurstellingen in de toekomst. Dergelijke lessen hebben we uit het oude pensioenstelsel geleerd. Daarom gaat het nieuwe pensioenstelsel uit van premieregelingen, waarbij de pensioenpremie de daadwerkelijke toezegging is.
De extreem lage gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energietekort dreigt komende winter door extreem lage gasvoorraad: huishoudens staan voor hogere energierekening»?1
Ja
Hoe reageert u op de waarschuwingen van de Gasunie dat het vultempo van de gasvoorraden zorgelijk laag is om voor komende winter huishoudens en bedrijven genoeg buffer te bieden, dat het besluit over de aanleg van een strategische gasvoorraad te lang duurt en dat er, kortom, meer urgentie moet komen om energietekorten en nog hogere energierekeningen te voorkomen?
Ik zie de uitlatingen van Gasunie als een oprechte zorg. Ik deel de mening dat de leveringszekerheid van gas moet worden geborgd tegen redelijke kosten. Daar is mijn beleid, waarbij Gasunie een adviserende rol heeft, ook op gericht.
Bent u ervan op de hoogte dat de Gasunie al in maart jl. waarschuwde «dat Nederland onvoldoende is voorbereid op grote gastekorten» en opriep om een strategische gasvoorraad op te bouwen?2 Wat hebt u sindsdien gedaan om het vullen van de voorraden en het aanleggen van een strategische voorraad te versnellen?
De uitlatingen van Gasunie zijn mij bekend. Ik heb ervoor gezorgd dat EBN Capital B.V. (hierna: EBN) vanaf april is begonnen met het injecteren van gas. EBN ligt op schema om, indien nodig, 80 TWh gas op te slaan. Daarnaast treft EBN de voorbereidingen voor het aanleggen van een strategische opslag (noodvoorraad) van 5 TWh in de PGI Alkmaar. Zodoende kan EBN indien nodig omdat marktpartijen onvoldoende vullen driekwart van het vuldoel voor komende winter voor haar rekening nemen. Hiermee zorgen we voor voldoende gas deze winter. Daarnaast werk ik, samen met alle partijen, aan een brief over strategisch gasbeleid om ervoor te zorgen dat we structureel voldoende gas achter de hand hebben voor noodsituaties. Daarover voer ik ook gesprekken in Europa om te voorkomen dat de Nederlandse belastingbetaler alleen voor hoge kosten opdraait, terwijl de Europese Unie in de breedte van deze garantie zou kunnen profiteren.
Op welke vulgraad verwacht u, met het huidige te lage tempo, in oktober uit te komen, en wat zal dat doen met de leveringszekerheid en energieprijzen? Wat gaat u doen om op een vulgraad van minimaal 80% uit te komen?
Het EU-vuldoel voor Nederland dit jaar bedraagt 74%, oftewel ca. 107 TWh tussen 1 oktober en 1 december. Het nationale vuldoel voor Nederland op 1 november is 80%, oftewel 115 TWh. Beide zijn nog binnen bereik. Of deze doelen worden gehaald hangt ook samen met hoeveel marktpartijen, die het eerst aan zet zijn bij het vullen, deze zomer opslaan. De stappen die de overheid via EBN heeft gezet om de doelen te halen zijn toegelicht in antwoord 3.
Klopt het dat inkopers (commerciële bedrijven) weten dat Nederland vroeg of laat moet vullen en daarom zo lang mogelijk wachten zodat het Rijk hen met een bonus verleidt om de bergingen toch te vullen? Wat gaat u doen om deze opportunistische prikkel weg te nemen en ervoor te zorgen dat de voorraden alsnog tijdig en voldoende worden gevuld?
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door in te kopen via een handelsplaats, import van LNG, via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Hoe zij invulling geven aan die verplichtingen is aan hen. Als partijen ervoor kiezen om geen gas op slaan, ontslaat hen dat niet van hun leveringsverplichtingen. Mogelijk zullen zij wel tegen hoge(re) kosten moeten inkopen op dat moment. Het Rijk zal geen «bonussen» verstrekken aan marktpartijen om gasopslagen te vullen. Dat is overigens ook niet toegestaan vanwege staatssteunregels.
Hoe reflecteert u op uw uitspraak om «samen met EBN te zoeken naar de balans tussen leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring en kosten zo laag mogelijk houden»? Deelt u de conclusie dat dit, tot dusverre, niet is gelukt?
Die mening deel ik niet. Het zoeken naar een balans tussen deze drie is gegeven de huidige marktomstandigheden niet eenvoudig en vraagt continu monitoring en waar nodig bijsturen. Dat zal ik deze zomer blijven doen.
Hoe reageert u op het advies van hoogleraar Martien Visser om ondanks het prijsopdrukkende effect de voorraden te vullen, omdat «de prijsgevolgen van te lege bergingen aan het begin van de winter veel groter zijn»?
Ik herken dat de activiteiten van EBN prijs opdrukkende effecten kunnen hebben en dat het tegelijkertijd nodig is om EBN als vulagent een rol te geven bij het vullen van de bergingen indien marktpartijen onvoldoende vullen. Voor deze rol heb ik EBN ruimte gegeven om maximaal 80 TWh aan gas op te slaan in de seizoensopslagen en te starten met het aanleggen van een strategische opslag (tijdelijke noodvoorraad). Gasunie Transport Services (GTS) raamde eerder de gemiddelde jaarlijkse behoefte aan seizoensflexibiliteit, uitgaande van een gemiddeld temperatuurjaar, op 71 TWh.3
Wat gaat u doen om verdere stijging van de energieprijzen te voorkomen? Sterker nog, bent u bereid de btw op energie van 21% naar 9% én de energiebelasting te verlagen?
Het kabinet heeft dit voorjaar over een pakket aan maatregelen besloten om de gevolgen van de hogere energieprijzen te beperken. Het eerstvolgende moment om eventuele koopkrachtmaatregelen te presenteren is op Prinsjesdag, waarbij het kabinet altijd integraal weegt.
Georganiseerd seksueel geweld |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni 2026 heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
De Nederlandse opsporingsdiensten werken, onder andere in EPMACT2-verband en in de Virtual Global Taskforce,3 nauw samen met een groot aantal buitenlandse opsprongsdiensten. In deze gremia wordt kennis en informatie over seksueel geweld gedeeld en besproken, in het bijzonder wanneer er aanwijzingen zijn die wijzen op stelselmatigheid of een georganiseerd verband.
Daarnaast werkt de politie in de aanpak van (online) seksuele misdrijven intensief samen met ketenpartners binnen het strafrecht en de hulpverlening. Met name tussen de specialistische teams binnen de politie (Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme, Teams opsporing seksuele misdrijven en Teams Migratiecriminaliteit en Mensenhandel), en specifieke experts bij de ketenorganisaties vindt nauwe samenwerking en kennisdeling plaats. Ook hier geldt dat als er signalen zijn van stelselmatigheid, dit zal opvallen en aanleiding zal vormen voor nader onderzoek.
Zoals aangegeven in de beleidsbrief JenV, wil dit kabinet vanuit de envelop nationale veiligheid bestemd voor politie, een impuls geven aan de aanpak van online seksuele misdrijven.4 Ik zal uw Kamer in de JenV-ontwerpbegroting informeren over de nadere invulling van de middelen.
De politie is belast met de (digitale) opsporing. Het OM beoordeelt de uitkomsten daarvan aan de hand van het geldende juridisch kader. Bij het OM werken collega’s die gespecialiseerd zijn in seksuele misdrijven en collega’s die specifieke expertise hebben op gedigitaliseerde criminaliteit. Deze portefeuilles werken nauw met elkaar samen. De digitale ontwikkelingen en modus operandi op dit terrein gaan snel. Er wordt geïnvesteerd om deze dynamiek bij te benen.
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Ja, verschillende typen zaken vragen een andere benadering. Grootschalige zaken van seksueel geweld met een online component vragen bijvoorbeeld een andere manier van opsporen dan individuele zaken van fysiek seksueel geweld, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal (aanvankelijk) geen verdachten bekend zijn en er meerdere slachtoffers worden gemaakt. Omdat bewijsvergaring vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten.
Bij zowel individuele zedenzaken als grootschalige zedenzaken geldt dat het van groot belang is dat er sprake is van coördinatie en samenwerking met ketenpartners binnen het strafrecht, en met het zorg- en veiligheidsdomein (bijvoorbeeld Centrum Seksueel Geweld, Slachtofferhulp NL, reclassering), zodat de juiste hulp en ondersteuning kan worden geboden aan slachtoffers.
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Het kabinet is van mening dat online platforms en techbedrijven een belangrijke verantwoordelijkheid dragen bij het tegengaan van online seksueel misbruik.
De verantwoordelijkheid van tussenhandeldiensten, waaronder online platforms, is in de Europese Unie geharmoniseerd geregeld in de Digital Services Act (DSA). De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waaraan deze diensten moeten voldoen. Op grond van de DSA zijn tussenhandeldiensten in beginsel niet aansprakelijk voor de informatie die gebruikers via hun diensten verspreiden. Dat zijn de gebruikers zelf.
Echter, de DSA bepaalt ook dat hostingdiensten en online platforms het mogelijk moeten maken om illegale inhoud bij hen te melden. Wanneer ze een dergelijke melding ontvangen dan worden zij geacht om prompt actie te ondernemen en ingeval er sprake is van illegale inhoud om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen zij zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling. De DSA bevat verschillende andere zorgvuldigheidsverplichtingen die beogen illegale inhoud tegen te gaan, zoals de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen, te schorsen.
Mijn ministerie zet zich in om de bestaande mogelijkheden onder de DSA te benutten zodat slachtoffers zo goed mogelijk worden geholpen. Zo ondersteunt mijn ministerie stichting Offlimits en Meld Online Discriminatie, die door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op basis van de DSA zijn aangewezen als «betrouwbare flaggers». Hun meldingen moeten door hostingdiensten en online platforms met prioriteit worden behandeld.
De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Ja, ik ben bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk. De Online Safety Act 2023 verplicht alle bedrijven die onder de wet vallen, waaronder sociale-mediaplatforms, om snel en doeltreffend op te treden tegen strafbaar online misbruik. De wet legt alle technologieplatforms een wettelijke verplichting op om proactief de meest schadelijke illegale inhoud aan te pakken. Hieronder valt ook misbruik met intieme afbeeldingen.
Op grond van de wet moeten gebruikers- en zoekdiensten die onder de reikwijdte van de wet vallen de risico's van illegale inhoud op hun platforms beoordelen en passende systemen en processen invoeren om te voorkomen dat gebruikers met illegale inhoud worden geconfronteerd. Daarnaast moeten zij de tijd dat dergelijke inhoud online beschikbaar blijft tot een minimum beperken en deze snel verwijderen zodra zij hiervan op de hoogte zijn. Dit geldt ook voor misbruik met intieme afbeeldingen, dat binnen dit wettelijke kader is aangemerkt als een prioritaire vorm van «illegale schade».
«Ofcom», als onafhankelijke toezichthouder in het Verenigd Koninkrijk, heeft wettelijke gedragscodes (Codes of Practice) gepubliceerd waarin wordt uiteengezet welke maatregelen aanbieders kunnen nemen om aan deze verplichtingen te voldoen. Er bestaan handhavingsmechanismen om naleving af te dwingen. Wanneer bedrijven hun verplichtingen niet nakomen, beschikt Ofcom over handhavingsbevoegdheden, waaronder het opleggen van boetes tot 18 miljoen Britse pond of 10% van de in aanmerking komende wereldwijde omzet, afhankelijk van welk bedrag hoger is. In de ernstigste gevallen kan Ofcom de rechter verzoeken maatregelen te nemen om de toegang tot niet-conforme diensten in het Verenigd Koninkrijk te blokkeren. Onder bepaalde omstandigheden kan Ofcom bovendien strafrechtelijke vervolging instellen tegen leidinggevenden.
Daarnaast voert de regering van het Verenigd Koninkrijk via de Crime and Policing Act een nieuwe verplichting in voor technologieplatforms om intieme afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld zo snel mogelijk te verwijderen, en in ieder geval binnen 48 uur na een geldige melding van een gebruiker. Ook hierbij geldt dat bedrijven die niet aan deze verplichting voldoen, boetes kunnen krijgen tot 10% van hun wereldwijde omzet of, in de ernstigste gevallen, dat hun dienst in het Verenigd Koninkrijk kan worden geblokkeerd.
Het is van belang om de Britse ervaringen zorgvuldig te volgen en te evalueren. Binnen de Europese Unie geldt het kader van de Digital Services Act (DSA), dat grote online platforms eveneens verplicht om risico's op illegale content te beperken en daartegen op te treden. Nederland zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van deze regels.
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Nee, uit navraag bij collega’s van het Britse Ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap op zichzelf niet strafbaar is onder het Britse recht. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat op basis van concrete strafbare gedragingen die binnen zo'n digitale gemeenschap worden verricht, en niet door het enkele lidmaatschap of passieve deelname.
Zo is het zonder toestemming delen van intieme afbeeldingen, waaronder gemanipuleerde of deepfake afbeeldingen, strafbaar. Daarnaast bestaan – net als in Nederland – strafbepalingen die zien op het opzettelijk vervaardigen of laten vervaardigen van een intieme afbeelding van een ander zonder diens toestemming. Ook kan strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaan wanneer iemand strafbare activiteiten binnen dergelijke groepen faciliteert of bevordert, bijvoorbeeld door een actieve rol te spelen bij het mogelijk maken van het delen of verspreiden van illegale content. Dit kan zich voordoen wanneer beheerders of moderatoren, terwijl zij op de hoogte zijn van strafbare activiteiten, handelingen verrichten die deze activiteiten ondersteunen of stimuleren, of wanneer personen zelf deelnemen aan de verspreiding van dergelijk materiaal.
Daarnaast kunnen algemene strafrechtelijke bepalingen, zoals medeplichtigheid, deelneming aan een samenspanning of strafbare feiten met betrekking tot de verspreiding van illegale content, van toepassing zijn. Welke bepalingen gelden, hangt af van de rol, kennis en intentie van de betrokkene.
Tot slot heeft de Britse regering aangegeven de operationele aanpak van deze risico's verder te versterken. Daarbij wordt onder meer ingezet op gespecialiseerde undercoverteams die online opereren, beschikken over technische expertise om ernstige daders op te sporen en kunnen infiltreren in online omgevingen waar dergelijke strafbare feiten plaatsvinden.
Ook de Nederlandse politie werkt, onder meer in EMPACT-verband, mee aan internationale undercoveroperaties, met gekwalificeerde medewerkers. Op deze manier wordt kennis en expertise van de Nederlandse opsporing vergroot en levert de politie een waardevolle bijdrage in internationale opsporingsonderzoeken.
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden vind ik een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld niet nodig of wenselijk. Zo zijn in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting. Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr). Verder is het vervaardigen, openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van seksueel misbruik – zoals beeldmateriaal van een aanranding of verkrachting – afzonderlijk strafbaar gesteld (artikel 254ba, eerste lid, Sr). Tot slot is deelneming aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft om seksuele misdrijven te plegen, strafbaar op grond van artikel 140 Sr.
Het enkel passief deelnemen aan een online groep zal in de regel niet voldoende zijn voor strafbaarheid. Dat acht ik, hoe verwerpelijk het bestaan van deze groepen ook is, ook niet wenselijk. Voor strafbaarheid zal steeds enige actieve betrokkenheid bij een concreet strafbaar feit vereist zijn.
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Op dit moment wordt gewerkt aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie uit publiek toegankelijke bronnen voor het voorkomen of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, ook gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Een wetsvoorstel met die strekking ligt momenteel ter advisering voor bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Dat wetsvoorstel ziet op het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het streven is om dat wetsvoorstel, dat de politie de bevoegdheid geeft om in besloten groepen te kijken, in de tweede helft van 2026 in consultatie te geven.
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
Het wetsvoorstel ziet op informatievergaring ten behoeve van openbare-ordehandhaving. Om georganiseerd seksueel geweld te bestrijden is het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden passender dan de bevoegdheden gericht op het aanpakken van verstoringen van de openbare orde.
Wanneer sprake is van een concrete verdenking van een misdrijf (zoals een seksueel misdrijf), beschikken opsporingsinstanties reeds over verschillende bevoegdheden die digitale observatie in besloten digitale groepen mogelijk maken.
De politie beschikt op grond van artikel 3 Politiewet 2012 over de bevoegdheid voor kortdurende, niet-stelselmatige observaties. In geval van een concrete verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie.
Regelingen voor jonge mantelzorgers |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het signaal dat veel jonge mantelzorgers, zoals de 16-jarige Fynn die voor zijn ongeneeslijk zieke vader zorgt, ernstig belast raken?1
Ja, ik ben bekend met het signaal dat jonge mantelzorgers ernstig belast kunnen raken. Niet alleen door de zorgtaken die deze jongeren hebben, maar ook doordat ze zich zorgen maken over het gezinslid voor wie zij zorgen of omdat zij een zorgtekort in het gezin ervaren.
Bent u bekend met het gegeven dat inmiddels meer dan een kwart van alle jongeren mantelzorg verleent en dat het aantal jongeren dat hiermee ernstig belast is de afgelopen tien jaar is verdubbeld?
Ja, ik ben bekend met de recent verschenen publicatie van het SCP2 waaruit naar voren komt dat het aandeel jongeren (18–34-jarigen) dat ernstige belasting ervaart bij hun mantelzorgtaken tussen 2014 en 2024 toegenomen is van ongeveer 6% tot circa 12% van het totaal aantal mantelzorgers in deze leeftijdscategorie. Eerder onderzoek van het SCP3 liet daarnaast zien dat ongeveer een kwart van de 16–24-jarigen voor een naaste met gezondheidsproblemen zorgt.
Zijn er prognoses beschikbaar over de verdere groei van het aantal jongeren dat mantelzorg verleent en kunt u die delen?
Er zijn mij geen prognoses bekend specifiek gericht op het aantal jongeren dat mantelzorg verleent. Wel zijn er prognoses beschikbaar over de verhouding tussen het potentiële aantal mantelzorgvragers en het potentiële aantal mantelzorggevers in de tijd. Zo is in de deelstudie «Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015» van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 20154 een prognose over deze verhouding opgenomen en met uw Kamer gedeeld.
Bent u het er mee eens dat jongeren die mantelzorg verlenen te maken krijgen met specifieke uitdagingen en zorgen in het onderwijs, terwijl volwassenen vaak als maatstaf genomen worden bij beleid en beeldvorming rondom mantelzorg?
In de beeldvorming rondom mantelzorg zijn jonge mantelzorgers, en de specifieke uitdagingen waarmee zij bijvoorbeeld in het onderwijs te maken hebben, niet voor iedereen even zichtbaar. Juist daarom is in de Mantelzorgagenda 2023–20265 specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers om zo meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren.
Bent u het eens dat de huidige aandacht voor jonge mantelzorgers binnen onderwijsinstellingen vaak versnipperd is en afhangt van de individuele welwillendheid van een school of docent?
Ik herken dat het krijgen van ondersteuning of maatwerk af kan hangen van wie je als student in het vervolgonderwijs daarvoor treft. Onlangs heeft het Ministerie van OCW onderzoek laten uitvoeren naar hoe onderwijsinstellingen in het hbo en wo maatwerk verlenen aan studenten met een ondersteuningsvraag.6 Daarbij is ook gekeken naar mantelzorgers. Hoewel veel instellingen hier beleid op hebben geformuleerd en deze studenten tegemoet komen, blijkt uit het onderzoek ook dat er grote verschillen zijn in deze ondersteuning. Het onderzoeksbureau constateert dat deze lijken voort te komen uit de manier waarop instellingen organisatorisch zijn ingericht, en/of historisch gegroeid en/of cultureel bepaald. In de beleidsreactie op het onderzoek heeft de Minister van OCW aangekondigd dat ze grondig gaat kijken naar hoe het systeem nu is ingericht en samen met onderwijsinstellingen gaat bezien hoe deze verschillen verkleind kunnen worden.7 Hierbij zal afgewogen moeten worden hoe maatwerk en meer uniformiteit zich tot elkaar verhouden, wat instellingen zelf hieraan kunnen doen en welke wettelijke kaders hierbij passend zijn.
Voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de Minister van OCW via de Verbeteragenda passend onderwijs mbo (2020–2025) gewerkt aan het verbeteren van de ondersteuning en begeleiding van studenten met een ondersteuningsbehoefte. De komende periode zet de Minister van OCW zich in om de informatievoorziening over de op de onderwijsinstelling aangeboden ondersteuning te verbeteren. Zowel studenten als onderwijsmedewerkers moeten de ondersteuningsmogelijkheden kennen en de weg ernaar weten te vinden. Ook ga ik een aantal ongewenste verschillen in de (financiële) ondersteuning tussen instellingen verkleinen.
Zijn er regelingen om leerlingen en studenten in bijzondere omstandigheden te ondersteunen waarin mantelzorg ook expliciet als ondersteuningsgrond genoemd wordt?
Het mbo-studentenfonds en het Studentenondersteuningsfonds in het hbo en wo bieden financiële ondersteuning aan studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen8. Onder bijzondere omstandigheden worden onder andere bijzondere familieomstandigheden verstaan, waar mantelzorg ook onder kan vallen. Instellingen bepalen zelf de reikwijdte hiervan. Ook kunnen instellingen maatwerkvoorzieningen treffen: aanpassingen die een student met ondersteuningsvraag nodig heeft om succesvol de opleiding te kunnen afronden, zoals flexibilisering van het onderwijs. Tevens geldt dat bij het afgeven van een bindend studieadvies instellingen in het vervolgonderwijs verplicht zijn om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student.
Bent u bereid mantelzorg explicieter op te nemen in ondersteuningsregelingen zodat het voor onderwijsinstellingen duidelijk is wat zij voor deze groep jongeren kunnen doen?
In zowel het mbo als in het hbo en wo kan mantelzorg worden aangemerkt als een bijzondere familieomstandigheid, waarvoor instellingen maatwerkvoorzieningen dan wel financiële voorzieningen kunnen treffen. Over het algemeen zijn onderwijsinstellingen daar goed mee bekend. Wel ziet de Minister van OCW ruimte voor verbetering daar waar het gaat om de verschillen tussen instellingen in het verlenen van maatwerk en financiële ondersteuning voor verschillende groepen studenten, waaronder mantelzorgers. Zoals toegelicht in antwoord 5 wordt aankomende tijd daarom samen met onderwijsinstellingen verkend hoe de verschillen tussen instellingen in het hbo en wo in het voorzien in maatwerk verkleind kunnen worden en welke wettelijke kaders hierbij passend bij zijn.9 Dit heeft ook betrekking op studenten die mantelzorg verlenen in het onderwijs.
Bent u bereid in gesprek te gaan met jongeren die mantelzorg verlenen om te kijken waar zij in het onderwijs tegenaan lopen en hoe zij het best ondersteund kunnen worden?
Ja, ik vind het zeker belangrijk dat mijn ministerie met deze jongeren (en organisaties die zich hard voor hen maken) spreekt om te kijken waar beleid nog verder verbeterd kan worden. Ik heb onlangs een afspraak ingepland met MantelzorgNL om met studenten met mantelzorgtaken in gesprek te gaan. Naar aanleiding van de motie-Krul10 is eerder ook gesproken met MantelzorgNL over de ondersteuning van studenten met mantelzorgtaken in het onderwijs.11Ook worden ervaringen en signalen van studenten met mantelzorgtaken opgehaald en betrokken bij beleid door partijen gefinancierd door het Ministerie van OCW, zoals het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van de manieren waarop ze leerlingen en studenten die mantelzorg verlenen nu al kunnen ondersteunen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 7 bestaan er reeds (financiële) ondersteuningsmogelijkheden voor instellingen en zijn die ook bekend bij hen. In de praktijk bestaat dé mantelzorger echter niet en zit daar ook juist de uitdaging voor instellingen om per individueel geval gepast maatwerk te bieden. Met financiering van het Ministerie van OCW heeft ECIO, in samenwerking met Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger en MantelzorgNL, een model ontwikkeld om instellingen én mantelzorgers te informeren over ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers. Dit model biedt een raamwerk voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en studerende mantelzorgers, om als leidraad te dienen voor het bieden van de nodige ondersteuning. Ook het programma studentenwelzijn (STIJN) voorziet instellingen in het mbo, hbo en wo van praktische tools voor onderwijsprofessionals die behulpzaam zijn kunnen zijn bij de ondersteuning van studerende mantelzorgers.
Welke maatregelen kunt u verder nemen om ervoor te zorgen dat jonge mantelzorgers gelijke kansen houden op het succesvol afronden van onderwijs?
Naast de reeds bestaande ondersteuningsmogelijkheden voor studenten beschrijf ik in mijn antwoord op vraag 5 de stappen die ik aanvullend nog neem.
Bent u het ermee eens dat bezuinigingen op de zorg niet mogen leiden tot een nog hogere druk op (jonge) mantelzorgers? Zo ja, wat gaat u doen om dat te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben het met u eens dat we moeten voorkomen dat bezuinigingen in de zorg leiden tot overbelasting van jonge mantelzorgers. In de Mantelzorgagenda 2023–2026 is specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers en zijn verschillende maatregelen opgenomen om jonge mantelzorgers beter te ondersteunen. Om meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren, is in de communicatiecampagne «Zien dat zij er voor iemand Zijn», speciale aandacht voor deze doelgroep. Daarnaast faciliteren we de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg en Stichting JMZ Pro voor het uitvoeren van een programma dat zich richt op meer bekendheid en betere ondersteuning van jonge mantelzorgers, bijvoorbeeld met het project Jonge Mantelzorgvriendelijke School. Met het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg12 zet ik daarnaast in op het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers om zo overbelasting tegen te gaan.
Forum voor Democratie en Ongehoord Nederland |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Letschert , van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitingen die zijn gedaan in een PowNed documentaire waarin is gesteld dat een onbevoegd persoon beschikt over het volledige ledenbestand van Ongehoord Nederland?
Indien deze beschuldiging juist blijkt, kwalificeert dit dan als een meldingsplichtig datalek onder de Algemene verordening gegevensbescherming?
Bent u bekend met enige melding van een datalek door Ongehoord Nederland met betrekking tot ledengegevens?
Deelt u de opvatting dat leden van omroepverenigingen erop moeten kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens niet terechtkomen bij personen die geen functionele noodzaak hebben om daarover te beschikken?
Welke maatregelen worden genomen indien blijkt dat persoonsgegevens van circa 50.000 leden onbevoegd toegankelijk zijn geweest?
Kunt u uitsluiten dat persoonsgegevens die zijn verzameld voor een omroeplidmaatschap worden gebruikt voor partijpolitieke doeleinden, en zo nee, welke waarborgen bestaan hiertegen?
Het bericht ‘Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht «Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op»?1
De tekorten op de instandhoudingsopgave maken onderdeel uit van de grote financiële opgave op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds. Daarover is de Tweede Kamer op 16 maart jl. geïnformeerd. Zo kan Rijkswaterstaat op dit moment de benodigde vernieuwingsprojecten alleen nog starten door de uitvoering van andere noodzakelijke vernieuwingsprojecten te vertragen of uit te stellen. Ook is gemeld dat voor exploitatie en onderhoud Rijkswaterstaat nu al scherpe keuzes moet maken en werkzaamheden in tijd naar achteren moet schuiven om binnen de financiële kaders te blijven voor 2026–2030. Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is hier een concreet voorbeeld van. Eerder dit jaar heeft Rijkswaterstaat ook groot onderhoud op de A12 stopgezet en het werk naar achteren geschoven. Het gaat om niet acuut noodzakelijk onderhoud. De veiligheid is door het uitstellen van het onderhoud niet in het geding en er is daarom geen sprake van snelheidsverlagende maatregelen en afsluitingen. Daar waar de veiligheid wel in het geding is neemt Rijkswaterstaat altijd de noodzakelijke maatregelen. Dit jaar net als vorig jaar is en wordt er veel groot onderhoud gepleegd aan de wegen in Noord Nederland. De werkzaamheden die in uitvoering zijn gaan gewoon door.
Kunt u toelichten waarom juist deze wegen in Noord-Nederland zijn geschrapt van de lijst voor groot onderhoud?
Er is geen sprake van het definitief schrappen van groot onderhoud van deze wegen. Wel is gekozen voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding en het herprioriteren van de planning. Het betreft preventieve onderhoudswerkzaamheden die gepland stonden voor 2027 en 2028, waaronder werkzaamheden in:
Is het toeval dat dit uitstel van onderhoud terechtkomt bij wegen in één regio, of is Noord-Nederland om strategische redenen van de lijst gehaald?
De uitgestelde werkzaamheden worden meegenomen in het bredere afweegkader. Door te herprioriteren willen we de basis van onze infrastructuur weer op orde krijgen. Zo werken we aan een stevig fundament voor de bereikbaarheid en de economie van ons land, waar we daarna op verder kunnen bouwen. Dit is in lijn met het Coalitieakkoord en de lijn om de prioritaire inspanning te richten op de instandhouding van de infrastructuur.
Welke afwegingen zijn er gemaakt om het groot onderhoud in het Noorden uit te stellen?
Zie het antwoord bij de vragen 1 en 3.
Is bij deze keuze rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio? Is rekening gehouden met de verkeersveiligheid? En met alternatieve routes?
Bij de keuze voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is uiteraard rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio, de verkeersveiligheid en de beschikbaarheid van alternatieve routes. Zoals in antwoord 1 aangegeven gaat het om niet acuut noodzakelijk onderhoud. Daar waar de veiligheid en bereikbaarheid in het geding is neemt Rijkswaterstaat de noodzakelijke maatregelen.
Wat zijn de langetermijnmeerkosten van het uit- of afstellen van onderhoud aan wegen?
Het uitstellen van onderhoud kan leiden tot hogere kosten op de langere termijn. Naarmate de staat van de infrastructuur verder verslechtert, kunnen zwaardere en daarmee kostbaardere onderhouds- of vervangingsmaatregelen noodzakelijk worden. De omvang van deze eventuele meerkosten verschilt per project en is niet eenvoudig te kwantificeren. De omvang van het uitgesteld onderhoud is de afgelopen jaar gestegen naar € 2.525 mln (stand jaarverantwoording 2025) waarvan 1.133 mln voor het hoofdwegennet.
Tegelijkertijd maakt de huidige budgettaire situatie het noodzakelijk om onderhoudsmaatregelen zorgvuldig te prioriteren en te faseren. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt daarom aan een herprioritering van onderhouds- en vervangingsopgaven binnen de beschikbare financiële kaders.
Bij deze afweging wordt steeds gezocht naar een balans tussen de gevolgen op korte en lange termijn, de risico’s voor de infrastructuur en het borgen van een veilig, beschikbaar en betrouwbaar netwerk. De staat van de infrastructuur wordt daarbij continu gemonitord, zodat waar nodig tijdig aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voor het a.s. commissiedebat Strategische bereikbaarheid?
Ja.
De invloed van FVD op de publieke omroep ON |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in het televisiedocumentaire De duistere kant van Forum voor Democratie over beïnvloeding van de publieke omroep ON door de politieke partij FVD, mede in het licht van onafhankelijke journalistiek bij publieke omroepen in het algemeen en onafhankelijke nieuwsgaring en verslaglegging in het bijzonder?1
De documentaire gaat in op mogelijke beïnvloeding van ON! door Forum voor Democratie. Het is niet aan mij om te vast te stellen of daar daadwerkelijk sprake van is. Ik kan hier wel het volgende over zeggen. De publieke omroep heeft tot taak om op een redactioneel onafhankelijke manier media-aanbod te verzorgen. In dat media-aanbod mogen politieke en maatschappelijke standpunten aan de orde komen, maar politieke beïnvloeding van redactionele keuzes is in strijd met de wettelijke taakopdracht die de publieke omroepen hebben. De maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke visie van waaruit een omroepvereniging werkt, kan overeenkomsten hebben met standpunten van politieke partijen. Maar dat is iets anders dan wanneer een omroepvereniging een spreekbuis of het propagandakanaal van een politieke partij is of wordt. Dat staat de Mediawet logischerwijs niet toe. De redactionele onafhankelijkheid is vastgelegd in de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep en in de wettelijk verplichte redactiestatuten van de omroepen. Daarnaast geldt voor journalistiek media-aanbod de Code Journalistiek Handelen die de gezamenlijke landelijke omroepen hebben vastgesteld. Het is aan het Commissariaat voor de Media respectievelijk de ombudsman voor de publieke omroep om te beoordelen of er in strijd met de wet respectievelijk de code is gehandeld.
Klopt het beeld dat de omroep deals heeft gesloten met FVD die invloed hebben op welke gasten deze in zijn uitzendingen uitnodigt? Als dit waar is, is dit dan strijdig met de redactionele onafhankelijkheid van de omroep?
Ik heb geen informatie die duidt op het sluiten van deals. Maar als dat het geval zou zijn, dan geldt wat ik in mijn antwoord op vraag 1 heb gesteld. Een publieke omroep hoort zijn redactionele beslissingen onafhankelijk te maken en daar valt ook de keuze van gasten onder. Overigens heeft ON! in zijn eigen redactiestatuut opgenomen dat de redactie de haar opgedragen programmatische journalistieke taken uitoefent zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, en dat de redactie geen directe binding heeft met enige politieke of levensbeschouwelijke groepering of met belangengroepen, anders dan een lidmaatschap.
Klopt het dat het ledenbestand van ON is gestolen?
ON! laat desgevraagd weten op de hoogte te zijn geweest van een mogelijk datalek. Daarop heeft de omroep intern onderzoek laten doen en een melding van een mogelijk datalek gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik kan slechts constateren dat in de documentaire van PowNed wordt gesteld dat een onbevoegd persoon over het ledenbestand van ON! zou beschikken.
In algemene zin kan toegang tot persoonsgegevens door een onbevoegde als een inbreuk op de vertrouwelijkheid gelden. Op grond van het eerste lid van artikel 33 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dient een inbreuk in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalek) door de verwerkingsverantwoordelijke gemeld te worden, tenzij het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
Of heeft de omroep het ledenbestand gedeeld met FVD? Mag dit volgens de regelgeving?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteen zetten hoeveel sancties de omroep heeft opgelegd gekregen en welke overtredingen deze heeft begaan volgens de NPO, de NPO-ombudsman en het Commissariaat voor de Media?
In 2022 heeft de NPO aan ON! twee sancties opgelegd. De eerste sanctie betrof een inhouding van 2,5% op het budget van ON! en volgde op een rapport van de ombudsman van 7 juni 2022 inzake overtredingen van de Code Journalistiek Handelen. De NPO oordeelde dat ON! daarmee onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking binnen de publieke omroep. De tweede sanctie betrof een inhouding van 1,5% van het budget van ON! omdat naar de mening van de NPO ON! door zijn opstelling en gedrag samenwerking belemmert en daardoor onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking. In 2023 heeft de NPO aan ON! een derde sanctie opgelegd in de vorm van inhouding van 3,5% van het budget van ON!, naar aanleiding van een tweede rapport van de ombudsman van 30 november 2022 waarin deze concludeert dat de Code Journalistiek Handelen door ON! structureel wordt overtreden. Volgens de NPO bleek wederom dat ON! onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking. Overigens heeft de NPO in 2024 de eerste twee van de drie sancties om proceseconomische redenen herroepen.
In het jaarverslag van de ombudsman kan men vinden wat de ombudsman binnenkrijgt aan aantallen klachten over de diverse omroepen. Op de website van de ombudsman staan ook de publicaties van de ombudsman naar aanleiding van klachten en vragen van het publiek. Niet elke klacht leidt tot een onderzoek en niet elk onderzoek leidt tot een harde conclusie over het al dan niet schenden van de Code Journalistiek Handelen. In meerdere uitspraken naar aanleiding van klachten over ON! heeft de ombudsman adviezen voor verbetering aangedragen. In een viertal uitspraken heeft de ombudsman scherp geoordeeld dat sprake is van schendingen van de Code. Behalve de reeds genoemde twee onderzoeksrapporten betreft het de volgende twee uitspraken. In de uitspraak van 17 augustus 2023 over de eerste uitzending van het derde seizoen van Ongehoord Nieuws op 31 januari 2023 concludeert de ombudsman onder meer dat presentatoren niet doorvroegen naar onderbouwing van beweringen van sprekers, waardoor voor goed begrip belangrijke context ontbrak en aantoonbaar onjuiste informatie niet werd gecorrigeerd. In een uitspraak van 11 februari 2026 over de uitzending van Ongehoord Nieuws van 14 oktober 2025 concludeert de ombudsman dat op meerdere punten niet aan de Code Journalistiek Handelen is voldaan: feiten, meningen en beweringen liepen door elkaar en belangrijke uitspraken werden niet onderbouwd met controleerbare bronnen. Ik merk hierbij op dat de ombudsman geen bevoegdheden heeft om sancties op te leggen.
Het Commissariaat voor de Media heeft op 18 september 2025 een bestuurlijke boete opgelegd aan ON! van in totaal € 40.000 omdat ON! op twee manieren de Mediawet 2008 heeft overtreden. Allereerst doordat in twee gevallen (de schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan, namelijk doordat een bestuurder van ON! verantwoordelijk is geweest voor personeelsaangelegenheden van een familielid en doordat er vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker heeft plaatsgevonden. Ten tweede heeft het Commissariaat geconstateerd dat ON! haar eigen redactiestatuut niet heeft nageleefd omdat een lid van de redactie van ON! directe binding had met een politieke partij (verdergaand dan alleen een lidmaatschap). Verder heeft het Commissariaat nog een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting. Deze last is door ON! opgevolgd en de dwangsom is niet geïnd.
Klopt het dat u volgens de Mediawet als enige bevoegd bent om de licentie van een publieke omroep in te trekken?
Het klopt dat op grond van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 alleen de Minister bevoegd is om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken.
Hoeveel van zulke «gele kaarten» kan ON zich uws inziens nog permitteren, voordat u het gepast vindt de zendmachtiging in te trekken?
Intrekken van een (voorlopige) erkenning is een zeer ingrijpende beslissing waarvoor een zeer zware motiveringsplicht geldt. Een (voorlopige) erkenning kan dan ook alleen ingetrokken worden op in de wet vastgelegde limitatieve gronden (artikel 2.33 Mediawet 2008). De wet onderscheidt daarbij gevallen waarbij er geen afwegingsruimte voor de Minister is en een (voorlopige) erkenning moet worden ingetrokken (artikel 2.33, lid 1) en gevallen waarin een (voorlopige) erkenning kan worden ingetrokken en er dus afwegingsruimte voor de Minister is (artikel 2.33, lid 2 tot en met 4). In die laatste gevallen heeft de Minister een belangenafweging te maken, waarbij in elk geval het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) toepassing vindt. Dit betekent dat de Minister moet beoordelen of intrekking van de erkenning, gelet op het doel van de Mediawet 2008, een geschikt, noodzakelijk en proportioneel middel zou zijn. In 2023 heeft toenmalig Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onvoldoende juridische grond gezien om tegemoet te komen aan een verzoek van de raad van bestuur van de NPO om op grond van artikel 2.33, lid 4, Mediawet 2008 de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Bij de vraag of de opgelegde sancties van het Commissariaat inmiddels voldoende grondslag zijn om de voorlopige erkenning in te trekken, moeten de aard en ernst van de overtredingen en de overwegingen van het Commissariaat daarbij worden meegewogen. Ook de overwegingen en conclusies van de evaluatiecommissie NPO kunnen in de afwegingen worden betrokken. Naar aanleiding van het rapport van de evaluatiecommissie, hebben omroepen de NPO verzocht mij te vragen passende maatregelen te nemen. De NPO beraadt zich nu op dat verzoek.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over de landelijke publieke omroep van 24 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Taliban grijpen gewelddadig in bij protest voor vrouwenrechten Afghanistan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Taliban gewelddadig heeft ingegrepen bij een protest voor vrouwenrechten in Afghanistan?1
Het kabinet veroordeelt het gewelddadig ingrijpen door de Taliban bij een protest voor vrouwenrechten. Het gebruik van geweld tegen vreedzame demonstranten en de willekeurige arrestaties van vrouwen in Herat is niet te verdedigen. De Taliban dienen mensenrechten, die universeel, ondeelbaar en voor iedereen gelijk zijn, te respecteren.
Hoe bent u van plan deze gewelddadige acties te veroordelen en op te volgen?
Het kabinet veroordeelt deze acties van de de facto autoriteiten. Nederland heeft zich aangesloten bij de verklaring van de EU waarin het belang van internationale mensenrechtenverplichtingen wordt benadrukt en heeft de de facto autoriteiten opgeroepen het geweld tegen demonstranten te stoppen2. Nederland blijft zich uitspreken tegen mensenrechtenschendingen door de de facto autoriteiten in Afghanistan, zowel in EU- als in VN-verband. Ook in de minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten brengt Nederland de grote zorgen over de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan op.
Wat gaat Nederland extra doen om Afghaanse vrouwen te beschermen en te ondersteunen tegen geweld en onderdrukking vanuit de Taliban?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd aan het steunen van de Afghaanse bevolking, met name vrouwen en meisjes. Dat doet Nederland via onder andere humanitaire hulp, steun aan VN organisaties en steun aan lokale mensenrechteninitiatieven. Nederland werkt altijd vanuit de «voor vrouwen, door vrouwen»-benadering, waarbij er in alle programmering speciale aandacht voor vrouwen en meisjes is.
Ook heeft Nederland op 25 september 2024 – samen met Australië, Canada en Duitsland – Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Door Afghanistan aansprakelijk te stellen, zet Nederland zich samen met de bovengenoemde staten in om naleving van de internationale verplichtingen van Afghanistan onder het Vrouwenverdrag af te dwingen en toekomstige schendingen te voorkomen. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten hun rechten op grond van het Vrouwenverdrag kunnen uitoefenen. In het bijzonder moet het recht op onderwijs, gezondheidszorg en deelname aan het openbare leven voor Afghaanse vrouwen en meisjes worden gerespecteerd en gewaarborgd.
Bent u bereid om lokale vrouwenorganisaties extra te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Nederland ondersteunt verschillende lokale organisaties die zich richten op de bevordering van de rechten van vrouwen en meisjes in Afghanistan. Vanwege de toenemende restrictieve regels van de de facto autoriteiten blijf deze steun noodzakelijk.
Gaat u, danwel in samenspraak met hulporganisaties danwel in Europees of VN verband, ervoor zorgen dat bewijs wordt verzameld en veiliggesteld zodat misdaden tegen vrouwen worden gedocumenteerd en beschikbaar zijn voor vervolging van daders? Zo ja, welke stappen bent u bereid te nemen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich in 2025 in EU-verband in de VN-Mensenrechtenraad hard gemaakt voor accountability en het tegengaan van straffeloosheid van ernstige mensenrechtenschendingen door de Taliban en van internationale misdrijven in Afghanistan, wat heeft geresulteerd in de oprichting van een onafhankelijk onderzoeksmechanisme voor Afghanistan. Dit mechanisme zal op termijn bijdragen aan het verzamelen en analyseren van bewijsmateriaal van internationale misdrijven en ernstige schendingen van internationaal recht in Afghanistan, ten behoeve van (inter)nationale procedures.
Deelt u de oproep van The Human Rights Watch om onmiddellijke alle arrestanten vrij te laten en de gewonden medische zorg te bieden? Zo ja, hoe gaat u de druk op de Taliban opvoeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1 veroordeelt het kabinet de willekeurige arrestaties van vreedzame demonstranten. Nederland zal hier ook zijn zorgen over blijven uitspreken, zowel in EU- als in VN-verband.
Hoe hebben deze berichten invloed op mogelijke onderhandelingen met de Taliban over het al dan niet terugsturen van Afghaanse vrouwen die in Nederland verblijven? Deelt u de mening dat het terugsturen van Afghaanse vrouwen naar de Taliban niet kan?
Het kabinet steunt het initiatief van de Europese Commissie om op technisch niveau verkennende gesprekken te voeren met de de facto autoriteiten over terugkeer.
Het terugkeerbeleid is een nationale aangelegenheid en valt onder het Ministerie van Asiel en Migratie. De beginselen van non-refoulement en de verplichtingen onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bevat bindende vereisten die onder alle omstandigheden door Nederland zullen worden nageleefd. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen |
|
Jimmy Dijk (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen?1, 2
Bent u het ermee eens dat deze enorme gezondheidsachterstanden onacceptabel zijn?
Wat gaat u doen om de hoge babysterfte en de andere gemeten achterstanden in Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)-wijken tegen te gaan?
Erkent u dat de crisis in de kraamzorg en het daardoor veroorzaakte tekort in de kraamzorg extra risicovol zijn in deze wijken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is om de acute verloskundeafdeling in Heerlen te sluiten, terwijl baby’s die in Heerlen-Noord geboren worden zo’n 25 procent vaker een te laag geboortegewicht hebben en dus kwetsbaarder zijn?
Bent u bekend met het artikel «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: «Dit is niet uit te leggen»»?1
Deelt u de mening dat het belangrijk is zorginnovaties met overheidsbeleid te ondersteunen zodat de kwaliteit van zorg hoog blijft, wachtlijsten worden teruggedrongen en economische groei wordt aangewakkerd?
Ziet u mogelijkheden om doorlooptijden van regelgeving voor medische innovaties, zoals vergunningen, te verkorten? Zo ja, op welke manier?
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Martens-America over het verbeteren van deal terms voor intellectueel eigendom (Kamerstuk 32 637, nr. 744), welke verzoekt om deal terms te verbeteren, bijvoorbeeld door medische universiteiten bij deal terms aan te laten sluiten? Gaat u de deadline halen om uiterlijk einde van dit jaar over verbeteringen aan de Kamer te rapporteren?
Bent u bereid een meer coördinerende rol op zich te nemen voor investeringen in innovaties vanuit de markt in de zorg, zodat bijvoorbeeld zorgverzekeraars worden verleid samen te investeren in innovaties en verzekeraars hier niet van afzien uit angst dat andere verzekeraars op hun innovaties «meeliften», zoals in het aangehaalde artikel beschreven?
Ziet u een rol weggelegd voor de nieuwe Nationale Investeringsinstelling met betrekking tot het stimuleren van medische innovaties en zo ja, welke?
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Letschert , Berendsen , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Ja, het kabinet staat in contact met de aluminiumindustrie en is bekend met de signalen uit de sector over mogelijke indirecte import van Russisch aluminium.
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Ja, het klopt dat de EU met aanname van het zestiende sanctiepakket op 24 februari 2025 de import van ruw aluminium uit Rusland verboden heeft, terwijl de import van aluminiumproducten uit derde landen op basis van ruw aluminium met Russische oorsprong tot op heden niet verboden is. Met aanname van het twintigste sanctiepakket op 23 april jl. is het importverbod op ruw aluminium wel uitgebreid met diverse aluminiumproducten.
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Het verbeteren van de effectiviteit van de Ruslandsancties is voorwerp van voortdurende aandacht van het kabinet. Het kabinet neemt daarbij alle beschikbare signalen serieus en treedt op waar noodzakelijk.
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Het kabinet onderkent het risico dat Europese aluminiumproducenten hierdoor potentieel een concurrentienadeel kunnen ondervinden ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen afzetten. Dit zou kunnen leiden tot verstoringen van het gelijke speelveld. Het kabinet onderzoekt daarom voortdurend hoe de naleving van geldende sancties kan worden verbeterd en hoe, waar nodig, sancties verder kunnen worden aangescherpt om omzeiling te voorkomen. Het kabinet hecht daarbij grote waarde aan signalen als deze.
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Nee, het kabinet beschikt momenteel niet over gegevens op basis waarvan de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch aluminium is verwerkt, betrouwbaar kan worden vastgesteld. De oorsprong van het gebruikte aluminium wordt doorgaans niet geregistreerd in handels- of douanegegevens van derde landen. Hierdoor is het moeilijk vast te stellen of en in welke mate Russisch aluminium via verwerking in derde landen alsnog op de Europese markt komt.
Gezien het grensoverschrijdende karakter van deze handelsstromen ligt een dergelijke analyse primair op Europees niveau. Het kabinet is bereid zich in EU-verband in te zetten voor een beter inzicht in deze stromen en zal bezien welke mogelijkheden er zijn om de impact hiervan nader in kaart te brengen.
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Het kabinet heeft op dit moment geen specifieke landen op het oog waar een verhoogd risico vanuit gaat voor wat betreft import van producten of halffabricaten waarin Russisch aluminium in verwerkt is.
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Op moment van schrijven bevinden de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket zich in een vergevorderd stadium. Het kabinet is bereid in aanloop naar een volgend sanctiepakket te onderzoeken of en hoe het huidige sanctieregime aangescherpt kan worden om het verdienvermogen van de Russische aluminiumsector verder te ondermijnen.
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Het kabinet is bereid te onderzoeken hoe het huidige sanctieregime aangescherpt kan worden om de naleving te verbeteren. Bij het instellen van rapportageplichten is hierbij van belang dat de hiermee gepaard gaande administratieve lasten voor het bedrijfsleven proportioneel zijn in verhouding tot de mate waarin deze bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelen.
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Ja, het kabinet is bereid om in EU-verband te onderzoeken of registratie van de smelt- en gietoorsprong van aluminium kan bijdragen aan het tegengaan van sanctieontwijking via derde landen. Daarbij zal ook gekeken moeten worden naar internationale voorbeelden en bestaande systemen voor oorsprongsregistratie.
Het kabinet constateert dat ook de Europese aluminiumindustrie pleit voor meer transparantie over de smelt- en gietoorsprong van aluminium. Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat eventuele maatregelen uitvoerbaar zijn, effectief bijdragen aan het bereiken van de beleidsdoelen en niet leiden tot onnodige administratieve lasten voor bedrijven.
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Afhankelijk van de wijze waarop een potentieel importverbod op aluminiumproducten op basis van Russisch aluminium zou worden vormgegeven kunnen verschillende nationaal bevoegde autoriteiten een rol spelen bij toezicht en handhaving. Als het verbod gemodelleerd zou worden naar de huidige importverboden op ijzer- en staalproducten lijkt er in ieder geval een rol voor de Douane weggelegd ten aanzien van de handhaving aan de EU-buitengrens. Tegelijkertijd moedigt het kabinet aan dat de Europese Commissie een actieve rol speelt in het verbeteren van de naleving op Europees niveau, onder andere door middel van data-analyse en informatiedeling.
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Tijdens onderhandelingen over nieuwe sanctiemaatregelen weegt het kabinet steeds zorgvuldig de proportionaliteit van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven ten opzichte van het beoogde doel om het Russische verdienvermogen te raken.
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa. Aluminium is een essentiële grondstof voor uiteenlopende sectoren, waaronder defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw en de versterking van elektriciteitsnetten. Een concurrerende en weerbare Europese aluminiumketen draagt daarmee bij aan de strategische autonomie en economische veiligheid van de EU.
Daarnaast is aluminium opgenomen op de Europese lijst van strategische grondstoffen onder de Europese Critical Raw Materials Act (CRMA). Ook worden bij de productie van aluminium andere strategisch relevante materialen gewonnen, waaronder het kritieke grondstof gallium, dat van groot belang is voor halfgeleiders, defensietoepassingen en de energietransitie.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het kabinet is bereid te onderzoeken hoe de effectiviteit van de geldende sancties tegen Russisch aluminium verhoogd kan worden en of aanvullende maatregelen kunnen bijdragen aan het verder ondermijnen van het verdienvermogen van de Russische aluminiumsector. Voor eventuele aanvullende sanctiemaatregelen is een unaniem Raadsbesluit vereist. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in aanloop naar een volgend sanctiepakket te communiceren over de Nederlandse onderhandelingsinzet.
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Het wettelijk kader voor dierentuinen bestaat uit de Europese dierentuinrichtlijn (Richtlijn 1999/22/EG), die in Nederland is geïmplementeerd in paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). De Europese richtlijn heeft als doelstelling de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit. Iedere dierentuin in Nederland is vergunningplichtig. In artikel 4.10 van het Bhvd geldt als vergunningsvoorwaarde dat dierentuinen een bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van diersoorten onder andere door middel van het deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving. In Nederland zijn geen regels voor populatiemanagement. Dat ligt bij de dierentuinen zelf en dit gebeurt veelal in internationaal verband. Buiten de publiekrechtelijke voorschriften kunnen dierentuinen ook onderling afspraken maken, bijvoorbeeld via de Europese brancheorganisatie voor dierentuinen, EAZA.
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Ja. Dierentuinen moeten continue de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van een individueel dier en het belang van de populatie als geheel in het kader van soortbehoud. In de praktijk betekent dit dat dierentuinen soms moeilijke keuzes moeten maken. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) geeft aan dat in de praktijk het welzijn van individuele dieren en het welzijn en de levensvatbaarheid van de groep en populatie als geheel zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging per soort, per groep en per situatie.
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de diersoort en per situatie. Herplaatsing en aanpassing van groepssamenstellingen zijn hierbij twee van de mogelijkheden, maar zijn niet altijd mogelijk. Andere opties zijn tijdelijke of structurele scheiding, aanpassing van huisvesting, en het voorkomen of beperken van voortplanting via anticonceptie. Deze opties hebben ieder consequenties voor dierenwelzijn en diergezondheid. Samenwerking binnen de sector is belangrijk om de kansen op succesvolle herplaatsing te vergroten. Daarom is er ook veel sprake van internationale samenwerking.
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Binnen de Europese fok- en instandhoudingsprogramma's van EAZA, zogenoemde EEP's (EAZA Ex situ Programmes), houden dierentuinen rekening met beschikbare plekken voor nakomelingen in de toekomst. Elk EEP heeft een coördinator. Er wordt ook rekening gehouden met genetische diversiteit, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding en sociale groepsdynamiek van diersoorten. Toch is niet alles te plannen of te voorspellen. Vooraf weet je vaak niet hoeveel nakomelingen geboren zullen worden en ook weet je niet of de nakomelingen mannetjes of vrouwtjes zullen zijn, terwijl groepen vaak specifieke verhoudingen tussen mannen en vrouwen vereisen. Ook kan de groepsdynamiek veranderen waardoor het noodzakelijk kan zijn om dieren van elkaar te scheiden. Het is niet zomaar mogelijk om afgesplitste dieren te herplaatsen in bestaande groepen. Dit kan de dynamiek namelijk verstoren. Daarom is het onmogelijk om vooraf met zekerheid plekken voor alle dieren te regelen.
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Het behouden van een gezonde populatie kan een dierentuin niet alleen. Daarom is intensieve (internationale) samenwerking en het opdoen van meer kennis en innoveren belangrijk. Dierentuinen geven zelf aan dat onder andere data uitwisseling, verdere ontwikkeling van stamboeken en registratiesystemen, en meer kennis over de gevolgen van anticonceptie hierin een rol spelen.
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Dierentuinen vervullen een belangrijke rol in onze maatschappij en kunnen rekenen op een groot draagvlak. Uit onderzoek van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders (70%) positief tegenover dierentuinen staat. Slechts een klein deel (7%) heeft een afwijzende houding. Mensen vinden het fokken met bedreigde diersoorten en het (financieel) ondersteunen van programma’s die diersoorten beschermen en voorkomen dat diersoorten uitsterven de belangrijkste taken van een dierentuin.2
Mogelijke maatschappelijke kritiek speelt een rol in de terughoudendheid vanuit de sector om informatie rondom populatiebeheer te delen. Ik begrijp die zorgen. Toch is het belangrijk voor de toekomstbestendigheid van dierentuinen, dat ze zorgvuldige, transparante en navolgbare keuzes maken. Transparantie over de onderzochte alternatieven en context van het bredere doel kunnen hieraan bijdragen.
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen grotendeels voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen. Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Het doden van surplus dieren kan in sommige gevallen noodzakelijk zijn voor populatiemanagement, om vergrijzing binnen een populatie tegen te gaan en genetische variatie te behouden. De huidige kaders maken dit mogelijk.
Tegelijkertijd zie ik ook dat de huidige situatie maatschappelijk veel vragen en emoties oproept. Op dit moment werk ik maatregelen uit om uitvoering te geven aan de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). De Kamer wordt hierover vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector en een aantal stakeholders, zoals EAZA, de Europese dierentuinorganisatie die de instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen coördineert. Uit deze gesprekken zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die mee worden genomen in de uitvoering van de motie. Ook deze casus zal ik daarin meenemen.
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). Deze casus zal ik daarin meenemen.
Het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische uitlatingen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme was een onafhankelijk adviescollege dat voor vier jaar, op verzoek van de Tweede Kamer, is ingesteld. De staatscommissie had als opdracht wetenschappelijk onderzoek te doen en op basis daarvan advies te geven over beleid, wet- en regelgeving om discriminatie en racisme tegen te gaan. Deze adviezen richten zich zowel op de overheid alsook op het parlement en de samenleving. De Staatscommissie heeft om invulling te geven aan deze opdracht een werkprogramma opgesteld. Hierin stond de werkwijze en inhoudelijke lijnen beschreven waarlangs de staatscommissie gedurende vier jaar haar onderzoek vormgaf en uitvoerde.
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren» zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben. Politici moeten kritiek kunnen uitoefenen op het beleid en standpunten over de inrichting van de samenleving kunnen uitdragen. Kamerleden kunnen niet strafrechtelijk vervolgd worden voor wat zij in de vergaderingen van het parlement zeggen. Dit vind ik zelf ook belangrijk.
Aan de andere kant heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook gezegd dat politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.
Woorden doen er immers toe, in het bijzonder die van politici. Onze uitspraken kunnen een grote invloed hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen met elkaar omgaan. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid, als kabinet en parlement, om het goede voorbeeld te geven. Dit draag ik ook uit.
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de rechter en het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel te vellen over de vraag of er in een specifiek geval sprake is van discriminatie of racisme. Wel zie ik het als taak van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme om, als onafhankelijk adviescollege, met algemene aanbevelingen te komen voor het kabinet, alsook voor de samenleving als geheel. Uit het onderzoek van de staatscommissie blijkt dat uitlatingen van Kamerleden invloed hebben op uitingen in kranten en op sociale media en omgekeerd.
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden, Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers? Zo ja, waarom?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting op geven?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme noemt in haar eindrapport een aantal recente voorbeelden van uitingen en handelingen waarvan zij constateren dat die (direct of indirect) bijdragen aan structurele patronen van discriminatie en racisme in de Nederlandse samenleving. De staatscommissie beschrijft deze voorbeelden niet om individuele politici aan te spreken, maar om een breder patroon van politieke terughoudendheid te illustreren. Er worden daarbij voorbeelden van verschillende politici en politieke partijen aangehaald.
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Het is nog te vroeg om op specifieke aanbevelingen van de staatscommissie in te gaan. Dit vraagt om nadere bestudering, overleg en afstemming. Tijdens het Commissiedebat discriminatie, racisme en mensenrechten van 21 mei 2026 heb ik toegezegd met een kabinetsreactie te komen op het eindrapport van de staatscommissie en op enkele van de voortgangsrapportages. In deze kabinetsreactie zal ik ook ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. Goede beheersing van de Nederlandse taal blijft van belang voor de kwaliteit van dienstverlening en communicatie met burgers.
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Zoals meermaals is aangegeven in recente debatten en in antwoord op Kamervragen, gelden bij het Rijk geen streefcijfers of voorkeursbeleid bij werving en selectie. Het beleid binnen het Rijk ziet toe op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie, op basis van de functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie.
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme heeft op 8 juni 2026 haar eindrapport gepresenteerd. De staatscommissie was voor vier jaar ingesteld en de commissie is na het presenteren van haar eindrapport en het afronden van haar onderzoek opgeheven. Dit is ook zo opgenomen in het instellingsbesluit.
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals verankerd in de Nederlandse Grondwet, geldt voor iedereen in Nederland, ook in de asielopvang. Tegen bedreiging en intimidatie van asielzoekers vanwege hun (bekering tot het) (christelijke) geloof moet daarom krachtig worden opgetreden. Uitgangspunt is dat iedere asielzoeker, ongeacht geloofsovertuiging, zich (sociaal) veilig moeten weten op de COA-locatie.
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Het klopt dat er op het azc Vlissingen sprake was van spanningen tussen bewoners waarbij religie een rol speelde. Zonder op de individuele casus in te gaan, kan ik in zijn algemeenheid aangeven dat wanneer op een locatie sprake is van onderlinge spanningen of een incident, het COA een feitenonderzoek doet en in gesprek gaat met de betrokken bewoners.
Bij signalen van onveiligheid zoekt het COA met bewoners naar een passende oplossing. Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Jaarlijks publiceert het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum een overzicht van incidenten en verdachtenregistraties van misdrijven onder de COA-bewoners die betrokken zijn bij overlast of verdacht worden van een misdrijf. Op 2 juli jl. heeft het WODC de Incidentenmonitor over 2019–2025 gepubliceerd.3 Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. In hoeverre de incidenten religieus van aard zijn, wordt echter niet systematisch geregistreerd.
N.a.v. de aangenomen motie van de leden Ceder en Van Dijk4 werkt mijn ministerie op dit moment in samenspraak met de strafrechtketen uit hoe religieus gemotiveerd geweld op COA-locaties beter inzichtelijk kan worden gemaakt. Ik verwacht na de zomer uw Kamer te informeren hoe dit vorm krijgt.
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen. Als opvangorganisatie heeft COA de bevoegdheid om maatregelen conform het Maatregelenbeleid COA op te leggen wanneer sprake is van overlast of overtreding van de huisregels, zoals discriminatie, intimidatie of geweld.
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Op basis van de tot nu toe bekende signalen, die incidenteel van aard zijn, herkent het COA zich niet in het beeld dat op locaties sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie. Dat neemt niet weg dat op sommige locaties door incidenten die hebben plaatsgevonden, ook in relatie tot religie, het veiligheidsgevoel van bewoners onder druk kan staan. In aanvulling op de geldende kaders zoals toegelicht in antwoord 5, heeft COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. De signalen worden de komende tijd gerichter gemonitord om te bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Ja, wanneer een asielzoeker vanwege zijn geloofsovertuiging wordt lastiggevallen, is dat een onwenselijke aantasting van de godsdienstvrijheid. Dat sluit niet uit dat daarbij sprake is van een complexer spanningsveld.
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Mijn ministerie heeft recent een gesprek gevoerd met Stichting Gave om zo vanuit het maatschappelijk middenveld geïnformeerd te worden over signalen en aandachtspunten. Zoals benoemd in antwoord op vraag 6, heeft het COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. COA is alert op dergelijke signalen. De komende tijd wordt in samenspraak tussen departement en COA bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Elke bewoner van het COA wordt geïnformeerd over de huisregels. Daarin is onder meer opgenomen dat discriminatie, intimidatie en geweld niet is toegestaan. Uitgangspunt is dat het COA conform het maatregelenbeleid normerend optreedt jegens bewoners die zich niet aan de huisregels houden, waaronder discriminatie, intimidatie en geweld. Wanneer daarbij sprake is van een strafbaar feit, wordt melding of aangifte bij de politie gedaan door COA en/of worden bewoners gestimuleerd melding of aangifte te doen.
De normering vanuit het COA als opvang- en begeleidingsinstantie wordt in de praktijk soms bemoeilijkt, wanneer bijvoorbeeld medewerkers geen getuige zijn van een incident en betrokken bewoners naderhand een verschillend feitenrelaas aanvoeren. Bovendien kan negatief gedrag tegen kwetsbare doelgroepen in de opvang, waar ook christelijke asielzoekers toe behoren, soms heel subtiel plaatsvinden. Daarom blijft het doen van aangifte en/of melding door bewoners en COA van belang, om met de sterke arm ook langs de strafrechtelijke band gedrag te normeren.
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Uitgangspunt is dat een asielzoeker die wordt verdacht van een strafbaar feit, duidelijk moet merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Dit is in veel gevallen wel afhankelijk van het doen van aangifte. Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties.
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Het maatregelenbeleid bij het COA voor de HTL geeft thans al de ruimte om bij agressie en geweld tegen medewerkers, medebewoners en/ of derden met een (zeer) grote impact, zoals intimidatie op grond van iemands geloofsovertuiging, een HTL-maatregel op te leggen. Een dergelijke maatregel door het COA laat onverlet dat het bij dergelijke gedragingen primair van belang blijft dat strafrechtelijke opvolging plaatsvindt. Het COA gaat immers niet over vervolging en toepassing van het strafrecht. Ik zal voorts in samenspraak met COA bezien of de mogelijkheden die het staande kader dus reeds biedt, in de praktijk ook optimaal worden benut.
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
In eerdere berichtgeving5 is hierover reeds bekend gemaakt dat de politie in en rond de locatie meerdere meldingen van bedreiging en incidenten heeft onderzocht. Ik kan verder niet ingaan op dit individuele geval, maar hecht eraan nogmaals te benadrukken dat kwetsbare bewoners, minderjarigen in het bijzonder, recht hebben op een veilige opvang en dat het COA daarom bij signalen van intimidatie conform het Maatregelenbeleid optreedt.
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Het COA heeft een Klachtenregeling voor bewoners en derden. Bewoners van het COA worden hierover bij binnenkomst geïnformeerd. Iedere bewoner kan een klacht over zijn bejegening bij het COA indienen. Hiervoor zijn klachtenformulieren beschikbaar bij de infobalie op iedere locatie. Conform de Klachtenregeling wordt de klacht behandeld en beoordeeld door de locatiemanager, die zelf niet bij de klacht betrokken is. De afstand tot klager en beklaagde en de professionaliteit van de locatiemanager zorgen ervoor dat de klacht zorgvuldig en zonder vooringenomenheid behandeld wordt. Desgewenst kan de klacht ook door Juridische Zaken van het COA worden behandeld en beoordeeld. Na de beslissing op de klacht kan vervolgens de Nationale ombudsman om een oordeel worden verzocht.
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Ja, ik acht het onaanvaardbaar dat personen die gevlucht zijn uit vrees voor vervolging vanwege hun religieuze overtuiging, in Nederland opnieuw geïntimideerd of bedreigd worden. Inzet van dit kabinet is om daders sneller onder verscherpt toezicht te plaatsen en af te wijzen voor een verblijfsvergunning. In dat verband wordt nu met de vreemdelingenketen uitgewerkt hoe de vrijheidsbeperkende maatregel effectiever kan worden ingezet. Om ook verblijfsrechtelijke consequenties toe te passen, blijft COA in den brede het doen van aangifte stimuleren zodat daadwerkelijk strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Mijn departement staat reeds in contact met COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties. In de aanpak van overlast en criminaliteit door asielzoekers is bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare doelgroepen, waaronder bekeerlingen. Vanzelfsprekend zetten wij dit overleg voort.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
Ja, uw vragen geprobeerd zoveel als mogelijk aldus te beantwoorden.
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Het bericht 'Torenhoge salarissen omroepbazen stegen nóg verder, terwijl gewone medewerkers vrezen voor hun baan' |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat salarissen van omroepbestuurders sterker zijn gestegen dan die van het overige personeel terwijl tegelijkertijd sprake is van bezuinigingen en ontslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke loonontwikkeling waarbij bestuurders relatief sterker vooruitgaan dan medewerkers een onwenselijk signaal afgeeft in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd? Zo nee, waarom niet?
Voor de bezoldiging van bestuurders gelden heldere regels. De bezoldiging van bestuurders en toezichthouders in de publieke sector zijn gemaximeerd door de Wet Normering Topinkomens (WNT). De maximale bezoldiging van de WNT wordt ieder jaar geïndexeerd met het percentage van de ontwikkeling van de contractuele loonkosten voor de overheid.
Dit voorkomt dat de bezoldiging te hoog wordt of te sterk stijgt.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot het uitgangspunt dat publieke middelen sober, doelmatig en maatschappelijk verantwoord moeten worden besteed?
De loonontwikkeling van de bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris is gemaximeerd door de WNT. Die maximering is juist gebaseerd op het uitgangspunt van een sobere, doelmatige en maatschappelijk verantwoorde besteding van publieke middelen. Ik ben van mening dat organisaties die een publieke taak hebben en die bekostigd worden met publiek geld, hun bestuurders en toezichthouders ordentelijk behoren te betalen. Ordentelijk betekent: evenwichtig, maatschappelijk verantwoord en niet exorbitant.
Klopt het dat bestuurdersbeloningen veelal meestijgen met het maximum van de Wet normering topinkomens (WNT)? Acht u het wenselijk dat dit maximum in de praktijk als richtpunt fungeert in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd?
De WNT kent bewust alleen maxima, daarbinnen is het aan de bestuurder als topfunctionaris en de instelling als werkgever om tot afspraken over de bezoldiging en de overige arbeidsvoorwaarden te komen. Als partijen een bezoldiging op het maximum afspreken, is dat dus niet verboden door de WNT. Het is dan aan partijen zelf om ervoor te zorgen dat de bezoldiging niet boven dat maximum uitkomt, zo zal bijvoorbeeld bij verhoging van één component van de bezoldiging een of meer andere componenten dienovereenkomstig moeten worden verlaagd. Overigens geldt voor de bestuurders in de publieke mediasector dat er aparte, verlaagde, maxima zijn afgesproken die afhankelijk zijn van de bestuurlijke complexiteit van de instelling.
Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen uitgaven aan bestuur, toezicht en management enerzijds en het programmabudget anderzijds over de afgelopen vijf jaar?
De financiële verantwoording van de omroepen is niet ingericht op de termen bestuur, toezicht en management. Wel wordt bij de omroepen een onderscheid gemaakt tussen organisatiekosten en kosten voor media-aanbod. Bij de NPO-organisatie wordt een onderscheid gemaakt tussen bestuur en beheer, ondersteuning aan de ene kant en gemeenschappelijke activiteiten (o.a. kosten voor rechten en distributie) aan de andere kant. Op basis van dit onderscheid is het aandeel organisatiekosten in de totale kosten van het bestel circa 14%.
In de Mediabegrotingsbrief 2027 zal ik een meerjarenoverzicht van de afgelopen jaren opnemen.
In hoeverre acht u het verdedigbaar dat bij bezuinigingen primair wordt gesneden in programmering en redactionele capaciteit terwijl bestuurlijke lagen relatief worden ontzien?
De landelijke publiek omroep is onafhankelijk. Het is dan ook primair aan de NPO en de omroepen om te bepalen hoe de bezuinigingen worden ingevuld. Het uitgangspunt daarbij is wel om de programmering zoveel als mogelijk te ontzien. Om die reden wordt er bij de invulling van de bezuinigingen ook bespaard op de organisatiekosten van de NPO en de omroepen.
Deelt u de opvatting dat een publieke omroep bij bezuinigingen bij zichzelf dient te beginnen en dat dit impliceert dat ook de top van de organisatie naar rato bijdraagt aan besparingen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
In hoeverre verwacht u dat de hervormingen binnen de publieke omroep leiden tot lagere overhead en een beperking van bestuurlijke kosten?
De voorgenomen hervorming gaat leiden tot minder organisaties en minder bestuurlijke afstemming. Dat leidt ook tot een lagere totale overhead en minder bestuurlijke kosten.
Waarom is er voor gekozen om pas in het vierde kwartaal van 2026 een voorstel te doen voor een benchmark voor overheadkosten? Waarom is er niet gekozen voor versnelling, gelet op de actuele maatschappelijke en politieke discussie over bezuinigingen en bestedingen binnen de publieke omroep?2
De keuze voor het vierde kwartaal is gebaseerd op benodigde tijd voor afstemming, in een periode waarin er al veel tijd en aandacht nodig is om de voorgenomen hervorming en bezuinigingen goed vorm te geven en uit te werken.
Ook zonder benchmark bestaan er al afspraken en regelingen voor de hoogte en transparantie van de verschillende kosten. Omroepen rapporteren op basis van het handboek financiële verantwoording3 al jaarlijks over de hoogte van de organisatiekosten. De vergoeding voor organisatiekosten die omroepen ontvangen is genormeerd in de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO, waarmee de vergoeding voor organisatiekosten wordt bepaald, gerelateerd aan de hoogte van het programmabudget. De NPO rapporteert jaarlijks over de kosten van de eigen NPO-organisatie en maakt daarbij een onderscheid tussen kosten voor gemeenschappelijke activiteiten voor het gehele bestel (o.a. rechten en distributiekosten) en kosten voor bestuur en beheer en ondersteuning.
Kunt u uiteenzetten welke concrete definities en afbakeningen u hanteert voor «overhead» zodat inzichtelijk wordt welke kosten wel en niet onder deze toekomstige norm vallen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik een benchmark wil vormgeven en toepassen. Het uitgangspunt is om daarbij zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de al bestaande definities uit het handboek financiële verantwoording en het onderscheid dat daarin voor de financiële verantwoording voor omroepen al wordt gemaakt tussen kosten voor media-aanbod en organisatiekosten.
Hoe wordt gewaarborgd dat de voorgenomen benchmark daadwerkelijk vergelijkbaarheid en transparantie oplevert tussen omroepen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik de benchmark wil vormgeven en toepassen. Het borgen van vergelijkbaarheid en transparantie is daar onderdeel van. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door vastlegging van definities en van rapportageafspraken.
Waarom wilt u, gezien de aanzienlijke hoeveelheid publieke middelen, geen koppeling maken tussen bezuinigingen op het mediabudget en besparingen op bestuur en toezicht vanwege de onafhankelijkheid van de publieke omroep? Hoe voorkomt u in dat licht dat bezuinigingen in de praktijk onevenredig neerslaan bij programma’s en makers?
Een directe koppeling vanuit de overheid tussen de hoogte van het totale mediabudget en de hoogte van uitgaven aan een specifieke kostencategorie is onwenselijk. Dat geldt voor alle uitgaven, ook de uitgaven aan bestuur en toezicht. De publieke omroep moet daarin onafhankelijk keuzes kunnen maken, binnen de kaders en randvoorwaarden die de wet- en regelgeving, waaronder de WNT, daaraan stellen. Zoals ook gesteld bij het antwoord op vraag 6 wordt bij de invulling van de huidige bezuinigingen ook bespaard op organisatiekosten bij de NPO en de omroepen.
Welke andere instrumenten of prikkels ziet u om te bevorderen dat ook binnen bestuur, toezicht en management kritisch wordt gekeken naar kostenreductie?
De kaders en randvoorwaarden uit wet- en regelgeving vormen tezamen het instrumentarium en de prikkel om te bevorderen dat kritisch wordt gekeken naar kostenreductie. Daarbij gaat het onder andere om de WNT, om de wettelijke opdracht om middelen doelmatig te besteden en om de organisatie sober, doelmatig en evenwichtig in te richten en om de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO. Ook een transparante verantwoording en gebruik van een benchmark kan hieraan bijdragen.
In hoeverre acht u het voldoende dat bestuurdersbeloningen enkel worden begrensd via de WNT, gegeven het feit dat binnen dat kader alsnog sprake kan zijn van aanzienlijke salarisstijgingen?
Ik acht het voldoende dat de WNT alleen de maximale bezoldiging begrenst. Binnen die normen is het aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Tot hoe ver reikt de onafhankelijkheid van de NPO wanneer het gaat over de invulling van bezuinigingen? Waar zit de grens voor u om te besluiten in te grijpen bij disproportionele salarissen/beloningen van individuele medewerkers, bestuurders of toezichthouders?
De onafhankelijkheid van de NPO en de omroepen is een groot goed, die wat mij betreft ver reikt. Dat geldt ook voor de invulling van de bezuinigingen, zolang dat gebeurt binnen de kaders en randvoorwaarden van de wet- en regelgeving, waaronder de WNT.
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een koppeling tussen bezuinigingen en de bijdrage van de bestuurlijke top het risico vergroot dat het draagvlak voor de publieke omroep onder druk komt te staan?
Die opvatting deel ik niet. Ik vind het voor het draagvlak wel belangrijk dat de NPO en de omroepen transparant rapporteren over de manier waarop de beschikbare middelen worden ingezet en welke keuzes daarbij worden gemaakt. Het gebruik van een benchmark voor overhead kan daaraan bijdragen.
Hoe verhoudt uw standpunt dat de overheid geen partij is bij individuele beloningsafspraken zich tot de systeemverantwoordelijkheid voor doelmatige besteding van publieke middelen?
De systeemverantwoordelijkheid van de overheid voor doelmatige besteding van publieke middelen wordt onder andere ingevuld door de maximering van bezoldigingen van topfunctionarissen door de WNT. Dat verhoudt zich goed tot het standpunt dat het daarbinnen aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever is om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Kunt u toelichten hoe de Kamer tijdig wordt betrokken bij de uitwerking van de overheadnorm en de onderliggende keuzes?
Uw Kamer wordt geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking en de onderliggende keuzes in de Mediabegrotingsbrief 2027. Het is daarna ook aan uw Kamer zelf om te bepalen of en hoe uw Kamer zich daarin kan vinden en welke uitwerking en betrokkenheid gewenst is.
Bent u bereid om, vooruitlopend op de definitieve benchmark, tussentijds inzicht te geven in de huidige overheadpercentages en mogelijke bandbreedtes voor een norm?
Zie het antwoord op vraag 5.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni jl. heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). Als het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
De politie is in algemene zin bekend met dit fenomeen waarbij in digitale groepen kennis wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen om hen seksueel te misbruiken.
Eventuele meldingen of signalen over het drogeren van slachtoffers om hen seksueel te misbruiken en het filmen daarvan, worden door de politie en het Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld en, waar aangewezen, onderzocht. Zolang een strafrechtelijk onderzoek loopt kan de politie hierover geen mededelingen doen.
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Het onderzoek naar de in het artikel genoemde casus loopt, waarbij ook nadrukkelijk wordt onderzocht of verdachten gezamenlijk strafbare feiten hebben gepleegd. In het algemeen geldt dat wanneer de opsporingsdiensten een stelselmatigheid ontdekken of herkennen, dit altijd prioriteit krijgt bij de inzet van de opsporingscapaciteit. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat de opsporingscapaciteit wordt ingezet daar waar een zo groot mogelijk maatschappelijk effect kan worden bereikt.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Op grond van artikel 46 Sr zijn bepaalde handelingen strafbaar als deze worden gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Dit geldt ook in geval van ernstige seksuele misdrijven zoals (gekwalificeerde) opzetverkrachting (artikel 243 Sr). Strafbare voorbereidingshandelingen zijn onder meer het opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen of ruimten die zijn bestemd voor het begaan van een dergelijk misdrijf. In het geval van een drogeerverkrachting kan het aanschaffen van de middelen die worden gebruikt om het slachtoffer te drogeren bijvoorbeeld een strafbare voorbereidingshandeling zijn.
Daarbij is van belang dat er naast de genoemde strafbare voorbereiding meer strafbaarstellingen zijn op basis waarvan vroegtijdig strafrechtelijk kan worden ingegrepen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van seksuele misdrijven (artikel 140 Sr); in dat geval is voor strafbaarheid niet vereist dat al een aanvang is gemaakt met het plegen van die misdrijven. Ook de enkele poging een ander uit te lokken om een seksueel misdrijf te begaan is zelfstandig strafbaar (artikel 46a Sr).
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
De zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld vind ik niet nodig of wenselijk. In aanvulling op het antwoord op vraag 6 hierboven wijs ik erop dat in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven zijn opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting, en de voorbereiding van, poging tot en deelneming aan die misdrijven.
Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht, strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn – zoals hiervoor al aan de orde kwam – eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr).
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden meen ik dat het huidige strafrechtelijk instrumentarium volstaat om ook in een vroegtijdig stadium krachtig op te treden tegen strafbaar handelen dat is gericht op seksueel misbruik.
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In geval van een concrete verdenking van een misdrijf (waaronder een seksueel misdrijf), kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie, ook in besloten digitale groepen. Inzet van deze bevoegdheden vindt alleen plaats wanneer dat noodzakelijk en proportioneel is, onder gezag van het Openbaar Ministerie en met inachtneming van de wettelijke waarborgen en rechterlijke toetsing waar vereist.
Over de frequentie van de toepassing van deze bevoegdheden kunnen geen gedetailleerde cijfers worden gedeeld. Deze inzet wordt selectief toegepast en cijfers daarover worden niet afzonderlijk en centraal openbaar gemaakt, mede vanwege het opsporingsbelang.
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
De doelen van de DSA en de Online Safety Act zijn vergelijkbaar in het bevorderen van een veilige online omgeving door online aanbieders verplichtingen op te leggen die onder meer zien op effectieve moderatie en risicobeheersing. Verschillen zijn er ook, zoals in de benadering van de risicosturing en het toezichtsmodel.
De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze diensten aan moeten voldoen. Hostingdiensten en online platforms dienen illegale online content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten, en riskeren zij zelf aansprakelijkheid. Kennis kan onder meer ontstaan door de ontvangst van een melding van illegale online content. Daarnaast legt de DSA aan tussenhandeldiensten zorgvuldigheidsverplichtingen op, zoals het inrichten van kennisgevings- en actiemechanismen, zodat het melden van illegale online content voor iedereen eenvoudig en toegankelijk is. De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten.
Er kan sprake zijn van illegale online content in de zin van de DSA indien op het beeldmateriaal seksuele gedragingen van personen zichtbaar zijn die zelf geen toestemming hebben gegeven om die opnamen te maken dan wel te verspreiden (artikel 254ba Sr).
De Online Safety Act 2023 stelt een uitgebreid wettelijk kader vast voor online gebruikersdiensten (zoals sociale mediaplatforms en onlinefora) en zoekdiensten. Op grond van deze wet rusten op deze diensten duidelijke wettelijke verplichtingen om illegale content, waaronder het zonder toestemming verspreiden van intieme afbeeldingen, tegen te gaan.
Op basis van de wet moeten deze diensten proportionele systemen en processen inrichten om de risico's op illegale content, waaronder misbruik van intieme afbeeldingen zonder toestemming, te identificeren, te beperken en te beheersen. Dit omvat onder meer de verplichting om risicoanalyses uit te voeren, effectieve systemen voor contentmoderatie te implementeren en toegankelijke meld- en klachtenprocedures voor gebruikers in te richten. Platforms moeten daarnaast maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers met illegale content worden geconfronteerd en dergelijke content, zodra zij daarvan kennis hebben, snel verwijderen.
Deze verplichtingen gelden voor de volledige werking van een dienst. In de praktijk betekent dit onder meer dat effectieve moderatie- en meldsystemen aanwezig moeten zijn voor de verschillende functies, onderdelen en gebruikersgemeenschappen van een platform. De wet is nadrukkelijk gebaseerd op een stelsel van systemen en processen. Van aanbieders wordt verwacht dat zij risico's op een integrale en proportionele wijze aanpakken, en niet uitsluitend reageren door afzonderlijke uitingen van illegale content achteraf te verwijderen.
Voor zoekdiensten gelden vergelijkbare verplichtingen. Zij moeten proportionele maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers via zoekresultaten worden blootgesteld aan illegale content. Dit omvat onder meer het inrichten van systemen om dergelijke content in zoekindexen te identificeren en de kans te verkleinen dat gebruikers daarmee worden geconfronteerd, mede naar aanleiding van meldingen van gebruikers.
De Online Safety Act legt geen directe verplichtingen op aan hostingdiensten van derden of andere aanbieders van internetinfrastructuur. De wet kent de Britse toezichthouder «Ofcom» echter ruime handhavingsbevoegdheden toe wanneer gereguleerde platforms of zoekdiensten hun wettelijke verplichtingen niet nakomen. Zo kan Ofcom gebruikmaken van zogenoemde Business Disruption Measures door de rechter te verzoeken derden, zoals hostingdiensten, betalingsverwerkers of internetaanbieders, te verplichten hun dienstverlening aan een niet-conform platform te beëindigen of de toegang daartoe te beperken.
Samengevat legt de Online Safety Act 2023 de primaire verantwoordelijkheid bij gebruikersdiensten en zoekdiensten om de verspreiding van seksueel getinte afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld, te identificeren, te verwijderen en te beperken door middel van robuuste en proportionele systemen en processen. Hoewel hostingdiensten en andere aanbieders van internetinfrastructuur niet rechtstreeks aan deze verplichtingen zijn gebonden, kunnen zij via de handhavingsbevoegdheden van Ofcom indirect worden betrokken wanneer dat noodzakelijk is om naleving van de wet af te dwingen.
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Op dit moment kan aan aanbieders van tussenhandeldiensten gelet op artikel 8 DSA geen algemene verplichting worden opgelegd tot monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie, noch tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. De DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig en wenselijk zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Het kabinet acht het van groot belang dat aanbieders van diensten effectief optreden tegen de verspreiding van strafbaar materiaal. Nederland zet zich daarom in Europees verband in voor een juridisch kader waarmee aanbieders, binnen de grenzen van de grondrechten en met passende waarborgen, maatregelen treffen om de verspreiding van dit materiaal op hun diensten te voorkomen, op te sporen en te verwijderen.
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Op grond van artikel 254ba Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een visuele weergave van seksueel aard van een ander strafbaar. Hetzelfde geldt voor het beschikken over een dergelijke visuele weergave die zo is vervaardigd of het openbaar maken hiervan. In geval van een verkrachting mag worden verondersteld dat het slachtoffer niet instemt met het maken van het beeldmateriaal en dat dit materiaal daarom wederrechtelijk is. Als de betrokkene minderjarig is, is het maken en verspreiden van een visuele weergave van seksuele handelingen van diegene altijd strafbaar, zelfs als de minderjarige vrijwillig betrokken is bij seksuele handelingen (artikel 252 Sr).
In dit verband kan in sommige gevallen ook relevant zijn de strafbaarstelling van het openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van slachtoffers waarin het initiatiefvoorstel van de leden Straatman en Mutluer voorziet (Kamerstukken II 2022/23, 36 381, nr. 2). Ik volg de behandeling van dat wetsvoorstel door uw Kamer met interesse.
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Het kabinet neemt deze waarschuwingen serieus en werkt momenteel aan de geïntegreerde nationale aanpak datacentra die in het najaar verschijnt. Hoewel datacenters en AI belangrijk zijn voor ons toekomstig (economisch) verdienvermogen en onze digitale strategische autonomie, legt hun enorme elektriciteitsvraag druk op het Nederlandse energiesysteem. Bij nieuwe en uitbreidende datacenters bestaan nu al knelpunten bij netaansluitingen. Ook wordt door de opkomst van datacenters een forse en structurele groei in de elektriciteitsvraag verwacht, die sneller kan gaan dan de beschikbare uitbouw van hernieuwbare bronnen en het elektriciteitsnet.
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, hernieuwbare energie, fysieke ruimte en de transportcapaciteit op het elektriciteitsnet zijn schaars. Het feit dat een datacenter groene stroom inkoopt, maakt de faciliteit in de context van onze totale energietransitie niet automatisch volledig duurzaam.
Datacenters kenmerken zich door een continu elektriciteitsverbruik. Omdat de productie van hernieuwbare bronnen zoals wind en zon weersafhankelijk is, betekent dit dat er op de momenten dat er onvoldoende hernieuwbare stroom beschikbaar is, er conventionele centrales moeten bijspringen. Daarnaast kan er sprake zijn van een verdringingseffect. De verwachte groei in de elektriciteitsvraag van datacenters en AI is meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE). Deze actualisatie wordt met Prinsjesdag gepresenteerd.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat datacenters een belangrijke schakel vormen in onze digitale infrastructuur en ons dagelijks leven. Investeren in voldoende datacentercapaciteit voor de ontwikkeling is een randvoorwaarde voor de brede welvaart, ons innovatieklimaat en het veiligstellen van ons toekomstig verdienvermogen. Hoewel de verdere groei van datacenters hiermee niet volledig duurzaam is, zoekt het kabinet vanuit deze economische en strategische belangen nadrukkelijk naar manieren om deze faciliteiten wel mogelijk in ons systeem in te passen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent de zware belasting van het stroomnet en de grote uitdagingen in de klimaattransitie. Er is een uitdaging voor de inpassing van de inflexibele stroomvraag van AI-gigafabrieken en de beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet. Het aanpakken van de huidige netcongestieproblematiek heeft prioriteit voor dit kabinet. Tegelijkertijd ontwikkelt kunstmatige intelligentie (AI) zich in hoog tempo en vormt het een steeds belangrijkere motor voor innovatie, economische groei en het versterken van het Europese concurrentievermogen. Om zelfstandig AI-modellen te kunnen trainen en toepassen en zo de afhankelijkheden van derde landen te verminderen, is de realisatie van soevereine rekeninfrastructuur in Europa en Nederland noodzakelijk.
Grootschalige AI-rekenfaciliteiten vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. De daadwerkelijke impact van een AI-gigafabriek is sterk afhankelijk van onder meer het ontwerp, de schaal en de locatie.
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
De instructieregel voor hyperscale datacentra geldt voor alle datacentra die voldoen aan de criteria voor omvang (bebouwd oppervlak van meer dan 10 hectare) en vermogen (elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer).3 Er wordt momenteel gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, als onderdeel waarvan onder meer mogelijkheden voor een aanscherping van deze criteria worden verkend.4 Ik verwacht uw Kamer in het najaar te informeren over deze geïntegreerde aanpak.
De overheid ziet een rol voor zichzelf om binnen de geldende kaders de juiste randvoorwaarden te creëren voor het ontwikkelen van AI-infrastructuur, met oog voor de ruimtelijke en energetische inpasbaarheid. Het doel hiervan is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk van de grond te krijgen, wat van belang is voor het kunnen trainen en toepassen van AI-modellen.
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Zoals toegelicht onder het antwoord op vraag 6 verzoekt de motie-Grinwis tot een aanscherping van de huidige juridische criteria voor hyperscale datacenters. De uitwerking van deze motie wordt meegenomen in een bredere, nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, waarover uw Kamer in het najaar wordt geïnformeerd.
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet, zoals verwoord in de kamerbrief van 31 maart.6 Deze factoren zijn ook meegewogen in de instructieregel voor hyperscale datacentra, benoemd in de beantwoording van vraag 6. Voor AI-gigafabrieken en andere grootschalige datacenters die binnen de kaders van de instructieregel ontwikkeld mogen worden geldt dat vergunningverlening in beginsel aan relevante regionale autoriteiten is.
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich via diverse kaders actief in om de impact van datacenters op klimaat, water en ruimte te minimaliseren:
Het kabinet is niet voornemens om daarnaast een afzonderlijke, nationale m.e.r.-plicht specifiek voor datacenters te introduceren:
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Ja.
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
We zien niet alleen in de Amsterdamse binnenstad, maar ook in andere grote steden, een aanhoudend probleem van overlast en criminaliteit waar ook jonge asielzoekers bij betrokken zijn. Het gaat daarbij vaak om een mobiele groep overlastgevers, die overlast of criminaliteit pleegt in een andere gemeente dan waar zij zelf feitelijk verblijft.
Bureau Beke heeft eerder in opdracht van het WODC onderzocht welke factoren ten grondslag kunnen liggen aan verschillende vormen van overlast en crimineel gedrag door COA-bewoners. Dit onderzoeksrapport is eind vorig jaar gepubliceerd.
Bij brief van 22 mei jl. heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over deze kwalitatieve onderzoeksbevindingen en de daaraan gerelateerde inzet vanuit het Rijk.3
Op lokaal niveau worden in Amsterdam ten aanzien van overlast verschillende bestuurlijke maatregelen ingezet, zoals cameratoezicht en de instelling van overlastgebieden, waarin gebiedsverboden kunnen worden opgelegd na het begaan van wets- of APV-overtredingen. Voor de politie heeft de overlast in het centrumgebied hoge prioriteit; er is extra toezicht ingericht in de winkelstraten en er wordt nauw samengewerkt met partners aan nieuwe interventies. Hierbij wordt veelvuldig operationeel afgestemd, waarbij signalen van ondernemers en beveiligers direct worden vertaald naar een gerichte politie-inzet. Daarnaast monitort de politie, en dan specifiek de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de situatie nauwgezet om, in samenwerking met de IND en het COA, waar mogelijk direct maatregelen te treffen binnen de asielketen.
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
Zie antwoord vraag 3.
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Het kabinet geeft hoge prioriteit aan de terugkeer van vertrekplichtige vreemdelingen. Daartoe worden langs meerdere sporen stappen gezet om het aantal vertrekken te verhogen. Voor gedwongen terugkeer is het essentieel dat vreemdelingen in beeld zijn bij de Nederlandse autoriteiten. Daarbij wordt, als dit nodig is, gebruik gemaakt van vreemdelingenbewaring. In 2025 is het aantal plekken voor vreemdelingenbewaring uitgebreid.
Medewerking van derde landen is cruciaal, zoals voor het afgeven van vervangende reisdocumenten. De laatste jaren heeft Nederland sterk ingezet op het verbeteren van de migratiesamenwerking met derde landen. Als gevolg hiervan is de terugkeersamenwerking met verschillende landen, waaronder landen in Noord-Afrika, verbeterd. Zo is er nu sprake van «zicht op uitzetting» naar Marokko en Algerije. Dit heeft ook ertoe geleid dat Nederland de laatste jaren meer vertrekplichtige vreemdelingen naar deze landen heeft kunnen uitzetten.
De nieuwe Terugkeerverordening moet de terugkeerprocedure versimpelen, administratieve lasten verminderen en zorgen voor een eenvoudiger en efficiënter Europees terugkeerproces. Daarnaast creëert de nieuwe terugkeerverordening meer gronden voor vreemdelingenbewaring, mogelijkheden om langere inreisverboden op te leggen en creëert het tevens mogelijkheden voor innovatieve oplossingen, bijvoorbeeld terugkeer- en transithubs.
Daarnaast is het kabinet bezig om bepaalde onderdelen van het Nederlandse terugkeersysteem te wijzigen. Enkele van de voorgestelde wijzigingen zijn opgenomen in de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring, die onlangs is aangenomen in de Tweede Kamer. Zo wordt in deze wet de mogelijkheid voor ongewenstverklaring van vreemdelingen verruimd. Ook maakt de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring het meewerken aan vertrek verplicht.
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Voor een cijfermatig overzicht van het aantal verdachtenregistraties van COA-bewoners en de strafrechtelijke afdoeningen door het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak verwijs ik naar de zogeheten Incidentenmonitor van het WODC. Op 2 juli jl. is de rapportage over 2019–2025 door het WODC gepubliceerd.4
Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties. In 2025 werden 20 asielvergunningen ingetrokken en 110 asielaanvragen afgewezen op grond van de openbare orde.5
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Ja, ik ben het met de indieners eens dat asielzoekers die crimineel gedrag vertonen daarvan de consequenties moeten ondervinden. Een asielzoeker die een strafbaar feit pleegt, moet duidelijk merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Onder lik-op-stuk beleid wordt verstaan een snelle interventie na aanhouding van de verdachte tot en met de succesvolle tenuitvoerlegging van de straf. Dat zijn bij voorkeur de supersnelrechtzitting bij de politierechter, waarbij de verdachte binnen 72 uur na aanhouding vanuit de inverzekeringstelling wordt berecht en de snelrechtzitting bij de politierechter waarbij de verdachte binnen 17 dagen na aanhouding vanuit de bewaring wordt berecht. In beide situaties wordt een verdachte berecht vanuit de voorlopige hechtenis en kan de rechter bevelen dat de resterende straf direct aansluitend wordt uitgezeten.
Of de inzet van (super)snelrecht en directe tenuitvoerlegging van de sanctie (vaak een gevangenisstraf) mogelijk is, hangt af van de omstandigheden en is aan de officier van justitie.
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Deze categorisering wordt door het Openbaar Ministerie niet cijfermatig bijgehouden.
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
De opsporing en vervolging van strafbare feiten berusten primair bij de strafrechtketen en vallen niet onder de verantwoordelijkheid van het COA. Hoe vaak COA een maatregel oplegt die verband houdt met gedragingen van de bewoner buiten het AZC, wordt niet als categorie zodanig systematisch bijgehouden.
De IND beziet bij een onherroepelijke veroordeling altijd of verblijfsrechtelijke consequenties mogelijk zijn (bijvoorbeeld intrekking of weigering).
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Deze vraag kan niet kwantitatief worden beantwoord, omdat de politie-inzet niet op deze wijze wordt geregistreerd.
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Nee, dat klopt niet. Arbeidsmigranten en asielzoekers worden eveneens door SODA aangeschreven op het bij SODA bekende adres. SODA ziet echter op landelijk niveau dat de groep arbeidsmigranten en asielzoekers moeilijk aan te spreken zijn op de schade die zij veroorzaken, omdat verhuizing vaak voorkomt en post ongeopend retour komt. Doordat deze groep moeilijk vindbaar is, is de verhaalbaarheid van vorderingen erg laag.
Dagvaarden is voor SODA vervolgens geen aantrekkelijke optie, omdat dan moet worden geïnvesteerd in het verhalen van een vordering waarvan de debiteur moeilijk vindbaar is. Dit heeft als gevolg dat de meldingsbereidheid bij ondernemers daalt.
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
SODA werkt in de meeste gevallen voor ondernemers op basis van no cure no pay. In ongeveer 70% van de gevallen lukt het SODA de schade te verhalen. Tijdens de incassofase, de deurwaardersfase en gerechtelijke fase draagt SODA alle risico’s en kosten. Om deze werkzaamheden te mogen verrichten voldoet SODA aan de eisen van de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening. Bij deze werkzaamheden spant SODA zich in een zo hoog mogelijk percentage uit te keren aan ondernemers. Gemiddeld keert SODA, afhankelijk van de afspraken, 110 tot 130 euro uit aan de ondernemer.
De genoemde (circa) 80 euro raakt aan de gegarandeerde SODA-schadevergoeding voor ondernemers in Westerwolde.6 Mede naar aanleiding van de wens van ondernemers in Ter Apel voor één schadeloket, is voor ondernemers en bewoners in Ter Apel thans een separate schaderegeling opgezet.
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
De politie heeft laten weten de signalen over de toenemende agressie, intimidatie en het maken van foto’s van winkelpersoneel door winkeldieven, waaronder asielzoekers, in het kernwinkelgebied van Amsterdam in algemene zin te herkennen. Dit gedrag is volstrekt onacceptabel. Winkelpersoneel moet te allen tijde veilig zijn werk kunnen doen.
Deze categorieën van delicten worden door het Openbaar Ministerie niet apart cijfermatig bijgehouden.
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Ja, dat klopt voor wat betreft de eerste en tweede deelvraag. De procesbeschikbaarheidslocatie, zoals deze bestond tijdens de procesbeschikbaarheidsaanpak, was ingericht voor een specifieke doelgroep waarbij kwetsbaren, waaronder minderjarigen, zijn uitgesloten van. In maart 2025 hebben het COA en Nidos besloten tot een (tijdelijke) plaatsingsstop van amv op de htl. Dit naar aanleiding van diverse incidenten waar amv bij betrokken waren. Van deze incidenten is melding gedaan bij de betrokken Inspecties en zijn er evaluatieverslagen opgesteld. In de evaluaties werd geconstateerd dat een aantal verbeteringen moet worden doorgevoerd, voordat de plaatsingsstop van amv opgeheven kan worden. Zie in dit verband ook de toelichting aan uw Kamer bij brief van 22 mei jl.7 Het COA en Nidos werken hangende deze tijdelijke plaatsingsstop voor amv op de htl in gezamenlijkheid aan een duurzaam, goed en veilig werk-, woon-en begeleidingsklimaat voor amv.
Verder kan het COA, in samenspraak met Nidos, een amv die ernstige overlast veroorzaakt, plaatsen in de Perspectief Opvang Nidos (PON). In de PON ontvangen jongeren intensieve begeleiding, waarbij zij werken aan hun gedrag en toekomstperspectief, zowel binnen als buiten Nederland. Ik werk met het COA en Nidos op dit moment aan een afspraak uit het coalitieakkoord over verlengde opvang en aanvullende begeleiding van asielzoekers van 18–21 jaar.
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Waar het gaat om minderjarige vreemdelingen geldt dat het reguliere jeugdstrafrecht van toepassing is. Het toepasbaar instrumentarium uit het jeugdstrafrecht kent een pedagogisch uitgangspunt en zet daarmee ook in op verkleining van het risico op herhaling. Samen met de partners uit de vreemdelingenketen en de jeugdstrafrechtketen voert het Ministerie van Justitie en Veiligheid gesprekken over handvaten om dat toepasbaar instrumentarium ook zo goed mogelijk in te zetten voor deze doelgroep.
In de doorontwikkeling naar een landelijke tafel om mobiele overlastgevende en criminele vreemdelingen aan te pakken, wordt nadrukkelijk samengewerkt met de organisaties in de vreemdelingenketen en strafrechtketen om op die manier te borgen dat het beschikbare instrumentarium maximaal wordt ingezet. Zoals toegelicht in de brief van 2 juli jl.8 wordt thans de persoonsgerichte aanpak in Utrecht doorontwikkeld naar een landelijke tafel met het streven om zo spoedig mogelijk na het zomerreces operationeel te zijn.
Ondertussen blijft onverkort de werkafspraak van kracht dat de politie bij een strafbaar feit door een alleenstaande minderjarige vreemdeling voogdij-instelling Nidos informeert, zodat door de voogd van Nidos en de amv-mentor van het COA de begeleiding van de jeugdige waar nodig wordt aangescherpt. Zulke lokale interventies worden niet op centraal niveau geregistreerd.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Voor de aanvragen die voor 12 juni 2026 zijn ingediend, is in een daartoe opgesteld plan van aanpak een onderverdeling in categorieën gemaakt ten behoeve van specialisatie of standaardisering bij de IND en daarmee een snellere behandeling van de aanvragen. U bent hierover bij brief van 5 juni jl. geïnformeerd. Het plan van aanpak ziet uitsluitend op het afdoen van openstaande aanvragen en niet op het herbeoordelen van reeds verleende vergunningen.
Er zal gestart worden met de categorie van personen uit landen waarvoor het niet zeer waarschijnlijk is dat hun aanvraag wordt ingewilligd op basis van het landenbeleid. Hierin worden de Syrische aanvragen met prioriteit meegenomen. De IND zal in tijdscohorten van ongeveer drie maanden werken, waarbij steeds wisselende nationaliteiten worden opgepakt. Syriërs maken standaard onderdeel uit van die tijdscohorten binnen de aanpak openstaande asielaanvragen. Zoals in de brief aangegeven, blijft de aanpak van overlastgevende asielzoekers de hoogste prioriteit houden. Deze groep gaat, net als voorheen het geval was, met een geprioriteerde procedure door het proces en staat daarmee los van dit plan van aanpak.
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In dit verband wordt verwezen naar de recente brief over de uitwerking van de genoemde moties en voortgang van de maatregelen in de aanpak van overlast in het openbaar vervoer.9
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
De burgemeester is lokaal eindverantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en voert hierbij het operationele gezag over de politie.
Uitgangspunt is reeds dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de vreemdelingenketen, strafrechtketen en lokale driehoek. Het vraagt voortdurende inspanning van alle betrokken partners om zich te committeren aan het maximaal toepassen van het beschikbare instrumentarium.
Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk.
Daarbij geldt parallel dat de inzet van de vreemdelingenketen erop is gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een onherroepelijke veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.