Het artikel ‘Onveilige situaties voor 2 op de 5 jonge huurders door wooncrisis: 'Mijn huisbaas weet dat ik nergens anders heen kan'’ |
|
Faissal Boulakjar (D66), Sandra Beckerman (SP) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onveilige situaties voor 2 op de 5 jonge huurders door wooncrisis: «Mijn huisbaas weet dat ik nergens anders heen kan»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat verhuurders misbruik maken van de kwetsbare positie van jonge huurders? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Ja, die mening deel ik. Daarom vind ik het belangrijk dat huurders beter beschermd worden en heb ik het wetsvoorstel goed verhuurderschap bij uw Kamer ingediend. Hiermee introduceer ik een landelijke basisnorm waaraan verhuurders en verhuurbemiddelaars moeten voldoen. Aanvullend hierop kunnen gemeenten een verhuurvergunning instellen met aanvullende voorwaarden in gebieden waar de leefbaarheid onder druk staat. Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk voor gemeenten om harder tegen misstanden, zoals omschreven in het artikel, op te treden. Ik hoop dat dit wetsvoorstel spoedig door uw Kamer behandeld wordt.
Deelt u de mening dat, zolang de Wet goed verhuurderschap nog niet is ingevoerd, huurders die nu te maken hebben met onveilige situaties op een andere manier geholpen moeten worden? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
Huurders kunnen reeds verschillende misstanden melden bij diverse instanties, zoals de Huurcommissie (huurprijsbescherming en gebreken), de politie (intimidatie) en de gemeenten (o.a. naleving bouwbesluit). Tegelijkertijd ben ik mij bewust van de drempels die huurders ervaren om hun recht te halen. Daarom maak ik het met het wetsvoorstel goed verhuurderschap mogelijk dat gemeenten uit eigen beweging kunnen handhaven in dergelijke gevallen.
Zou er tot de Wet goed verhuurderschap is ingegaan een landelijk meldpunt opengesteld kunnen worden waar huurders, anoniem, melding kunnen maken van onveilige situaties? Zo nee, waarom niet?
Het wetsvoorstel goed verhuurderschap regelt dat gemeenten een meldpunt moeten instellen. Bij dit meldpunt kunnen huurders, maar ook omwonenden of andere betrokkenen (anoniem) melding maken van ongewenst verhuurgedrag. Het staat gemeenten vrij om ter voorbereiding op het wetsvoorstel goed verhuurderschap alvast een meldpunt in te richten. Een aantal gemeenten heeft al een meldpunt ingericht. Omdat ik ernaar streef het wetsvoorstel goed verhuurderschap op korte termijn in werking te laten treden, zie ik voor de tussenliggende periode geen meerwaarde in het oprichten van een landelijk meldpunt.
Kunt u er voor zorgen dat de meldingen die gedaan worden op een landelijk meldpunt dan ook opgevolgd worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toezeggen dat gemeenten nu al instrumenten krijgen om achter louche verhuurders aan te gaan, vooruitlopend op de Wet goed verhuurderschap? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten zijn reeds bevoegd om toezicht te houden en te handhaven op bouwkundige zaken zoals brandveiligheid van woningen. Daarnaast kunnen zij handhaven op zaken zoals overbewoning en verkamering via de huisvestingsverordening. Aanvullende instrumenten vereisen een wettelijke grondslag en zijn daarom opgenomen in het wetsvoorstel goed verhuurderschap.
Bent u bereid te onderzoeken welke uitbreiding van het takenpakket van de laagdrempelige Huurcommissie nodig is om de rechtspositie van jonge huurders beter te beschermen? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Ik ben van mening dat de rechtspositie van kwetsbare huurders fors versterkt wordt met het wetsvoorstel goed verhuurderschap. Daarnaast werk ik aan een voorstel voor het reguleren van de middenhuur. In het kader van deze regulering onderzoek ik hoe deze huurders ook voor andere geschillen, over bijvoorbeeld servicekosten, onderhoud of klachten over een gedraging van de verhuurder, toegang tot de Huurcommissie kunnen krijgen. Ook wordt momenteel de Wet verdere modernisering Huurcommissie en introductie verhuurderbijdrage geëvalueerd. De resultaten hieruit zullen gebruikt worden om het wettelijk kader van de Huurcommissie te verbeteren en daarmee huurders beter te beschermen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan uitbreiding van de mogelijkheid om hogere legeskosten op te leggen bij verhuurders die vaker in het ongelijk worden gesteld door de Huurcommissie. Ten slotte onderzoek ik hoe huurders verder ontzorgd kunnen worden, door het woningwaarderingsstelsel en de daaraan verbonden maximale huurprijzen dwingend te maken.
Bent u bereid te onderzoeken of het instellen van landelijke huurteams mogelijk is om (jonge) huurders beter te beschermen en beter te begeleiden? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Ik zie een grote toegevoegde waarde van lokale huurteams voor huurders, omdat deze huurteams laagdrempelig zijn en een goed inzicht hebben in de lokale situatie ten aanzien van de volkshuisvesting. Juist om deze reden zie ik geen noodzaak voor een landelijk huurteam.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het nieuws dat Europese Commissie voorzitter Von der Leyen op eigen houtje met Pfizer onderhandeld heeft over de aanschaf van 1,8 miljard coronavaccins. |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Europese Commissie-voorzitter Von der Leyen op eigen houtje met BioNTech-Pfizer onderhandeld heeft over de aanschaf van 1,8 miljard coronavaccins?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken niet door de beugel kan?
In mijn antwoord maak ik graag onderscheid tussen een inhoudelijk en een procedureel perspectief. Inhoudelijk was het zo dat de lidstaten, de Commissie nadrukkelijk hebben gevraagd meer inzet te plegen om de beschikbaarheid van Covid-vaccins te vergroten. Daar is deze overeenkomst met BionTech/Pfizer uit voortgekomen. Deze overeenkomst is vervolgens door de lidstaten (ook door Nederland) bekrachtigd.
Hiernaast is er ook een procedureel perspectief. Artikel 287, lid 3, van het VWEU schrijft voor dat instellingen van de Unie, de Rekenkamer (ERK) op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toezenden die nodig zijn voor de vervulling van haar taak. In het speciaal verslag van de ERK is een van de observaties dat zij geen informatie heeft ontvangen van de Europese Commissie over de voorbereidende onderhandelingen van het derde Pfizer-contract in de periode maart 2021. Het speciaal verslag is, tezamen met de reactie van de Europese Commissie, gepubliceerd. Qua opvolging van deze bevindingen is het Europees Parlement primair aan zet. Het EP heeft namelijk op grond van artikel 14 VEU een controlerende taak ten aanzien van de activiteiten van de Europese Commissie en zodoende kunnen EP-leden de Commissie daarover vragen stellen. Daarnaast heeft het Europees Parlement een speciale commissie opgericht (COVI), die onderzoek doet naar de pandemie-aanpak van de Unie.
Het is dus aan het Europees Parlement om een oordeel te vellen over het handelen van de Europese Commissie of om de (voorzitter van de) Europese Commissie ter verantwoording te roepen. Wel dringt het kabinet in algemene zin aan op transparantie en het afleggen van rekenschap vanuit de EU-instellingen, waaronder de Europese Commissie.
Hoe beoordeelt u dit gedrag en gaat u voorzitter Von der Leyen aanspreken op dit nieuws?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat de Europese Rekenkamer geen antwoord heeft gekregen op vragen voor opheldering rond deze gang van zaken? Kan dus worden verwacht dat u Von der Leyen om opheldering gaat vragen?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat Von der Leyen weigerde inzage te geven in haar tekstberichten die ze naar de topman van BioNTech-Pfizer verstuurde, en dat de Europese Ombudsman dit als wanbestuur betitelde? Bent u het eens met deze beoordeling van de Europese Ombudsman? Hoe beoordeelt u deze weigering om transparantie te verschaffen en openheid van zaken te geven?3
Ik ben bekend met het onderzoek van de Europese Ombudsman. Het kabinet steunt de belangrijke onafhankelijke rol die de Europese Ombudsman speelt en onderschrijft het belang van de verschillende onderzoeken die zij publiceert ten aanzien van de EU-instellingen. Het is van belang dat instellingen rekenschap afleggen. Ook voor dit specifieke onderzoek geldt dat het Europees Parlement een rol vervult. Het EP controleert de Europese Commissie en EP-leden kunnen de Commissie vragen stellen. In algemene zin dringt het kabinet binnen de EU aan op het belang van transparantie en het afleggen van rekenschap vanuit de EU-instellingen.
Bent u bereid om – eventueel in Europees verband – te pleiten voor een onderzoek naar de aanbesteding van deze vaccins? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft herhaaldelijk in Europees verband, onder andere tijdens de Raad Algemene Zaken van 22 en 23 juli 2021, het belang van grondig en onafhankelijk onderzoek onderstreept in lijn met de motie Leijten die het kabinet oproept tot een evaluatie van het inkoopproces, waaronder de rol van de Commissie hierin4. Het kabinet heeft het belang van een dergelijk onderzoek omarmd5. Het kabinet zal het belang van transparantie en het afleggen van rekenschap blijven onderstrepen in de posities die zij uitdraagt.
Deelt u de mening dat de rol van Von der Leyen goed onderzocht moet worden omdat er uiteindelijk in mei 2021 een megacontract met BioNTech-Pfizer is getekend waar tientallen miljarden euro’s mee gemoeid zijn?
Het kabinet is blijvend van mening dat transparantie en het afleggen van rekenschap van essentieel belang is, ook in dit geval.
Een sneltest voor het detecteren van vogelgriep onder in het wild levende dieren |
|
Leonie Vestering (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Kuipers |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dierenambulance ontdekt sneltest vogelgriep en redt daar talloze dieren mee: «Het begon als een grapje»»?1
Ja.
Klopt het dat de Dierenambulance De Ronde Venen gebruikmaakt van Sars-cov-2-sneltesten (corona) en influenza (A/B)-sneltesten om vogelgriep onder in het wild levende dieren op te sporen en op deze manier snel vast te stellen of een dier opgevangen moet worden of niet? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?
Medewerkers van de Dierenambulance De Ronde Venen hebben het Ministerie van LNV geïnformeerd over hun ervaringen met het gebruik van sneltests voor SARS-CoV-2 en influenza bedoeld om corona- respectievelijk griepinfecties aan te tonen bij mensen. Deze tests zijn niet gevalideerd voor gebruik bij dieren. Ik begrijp de wens van dierenhulporganisaties om dergelijke testen, die binnen enkele minuten uitslag kunnen geven of een dier besmet is met vogelgriep, te kunnen gebruiken. Ik zie ook wel kansen voor het gebruik van een sneltest, mits de uitkomsten daarvan betrouwbaar zijn. Het is belangrijk om ook de risico’s van het gebruik ervan te zien, zeker als de eigenschappen van de tests niet bekend zijn, zoals nu het geval is. In de omgang met van vogelgriep verdachte vogels is het advies altijd persoonlijke beschermingsmaatregelen te nemen en verdenkingen moeten altijd gemeld worden bij de NVWA. Het gebruik van een sneltest bij een verdachte vogel ontslaat een persoon niet van die plicht.
Kunt u aangeven hoe betrouwbaar de corona- en influenzasneltesten zijn voor het opsporen van vogelgriep en hoeveel mogelijk vals positieve uitslagen er zijn? Indien dit niet bekend is, bent u bereid om een pilot te financieren waarin onafhankelijke wetenschappers, virologen, dierenartsen en dierenambulances onderzoeken hoe effectief en betrouwbaar het gebruik van corona- en influenzasneltesten is bij het opsporen van de vogelgriep en wat de mogelijke voor- en nadelen zijn van deze methode? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
De influenzasneltesten zijn gevalideerd om A/B-influenzavirussen in mensen aan te tonen, die van corona voor het aantonen van infecties met SARS-CoV-2 bij mensen. Hoe betrouwbaar de testen zijn voor het opsporen van influenzavirussen in vogels of zoogdieren is niet bekend. De testen zijn daar niet voor gevalideerd. In het beste geval kunnen deze testen een influenzavirus aantonen, maar zij kunnen geen onderscheid maken tussen verschillende varianten van (vogel)griep of tussen hoogpathogene en laagpathogene virussen. Een sneltest zal ook fout-positieve en -negatieve uitslagen geven. Een PCR is op dit moment de geëigende test om met grote zekerheid vogelgriep aan te tonen of uit te sluiten.
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), het nationaal referentielaboratorium voor vogelgriep, gevraagd om in kaart te brengen welke sneltesten er op de markt zijn, en vervolgens de testkarakteristieken van een aantal ervan te onderzoeken. Dat kan bijdragen aan de beoordeling van de bruikbaarheid van deze testen bij vogels of zoogdieren.
Deelt u de mening dat een sneltest voor vogelgriep een maatschappelijke meerwaarde heeft, omdat het niet alleen helpt om meer dieren te redden, maar ook omdat het bijdraagt aan het beter en sneller in kaart brengen van de omvang en het gevaar van vogelgriep onder in het wild levende dieren voor mensen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de behoefte van de medewerkers van dierenambulances en wildopvang aan een test die snel en betrouwbaar kan aantonen of een dier vogelgriep heeft. Ook voor het in kaart brengen van de omvang, de impact en de risico’s van vogelgriep onder wilde vogels kan een betrouwbare sneltest mogelijk een nuttige aanvulling zijn. Een sneltest kan echter geen onderscheid maken tussen verschillende varianten virussen en tussen hoog- en laagpathogene virussen, wat bij vogelgriep relevant is. Bovendien kan in het laboratorium de genetische samenstelling van het virus bepaald worden, wat van belang is voor de monitoring op het ontstaan van mogelijk zoönotische varianten. Daarom zie ik een beperkte meerwaarde voor het gebruik van sneltests.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval vóór het commissiedebat Zoönosen en Dierziekten de datum 13 oktober 2022?
U ontvangt de antwoorden hierbij.
Het bericht ‘Scholen die gedwongen hun energiecontract opzegden zijn tot twaalf keer duurder uit’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u inzicht geven in de hoogte van de energierekeningen waarmee scholen geconfronteerd worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u inzicht geven in de mate waarin dit scholen uit de «lage SES» – oftewel: de scholen met een (meer) kwetsbare leerlingenpopulatie – betreft?1
Er is geen nationaal overzicht welke schoolbesturen welke energieleveranciers hebben of welke prijzen zij betalen. Instellingen kunnen immers zelf bepalen hoe ze de lumpsumbekostiging besteden. Maar er is geen relatie te verwachten tussen een energiecontract en de SES-scores die vaak gemeten worden met de indicatoren opleidingsniveau, inkomensniveau en beroepsniveau.
Kunt u aangeven hoeveel scholen in acute financiële problemen dreigen te raken door de oplopende/opgelopen energierekeningen?
In hoeverre schoolbesturen te maken krijgen met de prijsstijgingen verschilt flink. Daarnaast is de financiële positie van schoolbesturen divers, de een heeft meer reserves dan de ander. De bekostiging van onderwijsinstellingen wordt ieder jaar aangepast voor stijgende lonen en prijzen. Het zal per instelling verschillen in hoeverre dit toereikend is voor de op dit moment extreme stijging van de energieprijzen. Er is geen nationaal overzicht beschikbaar.
Bij de Algemene Politieke Beschouwingen is de motie Paternotte2 aangenomen die het kabinet verzoekt te kijken naar gerichte ondersteuning van scholen en culturele instellingen. Het kabinet spant zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan deze motie en de Kamer wordt hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Het Ministerie van OCW beschikt over een instrumentarium om onderwijsinstellingen in acute liquiditeitsproblemen te helpen. Mochten instellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Kunt u aangeven hoeveel scholen door de hoge energierekeningen gedwongen dreigen te worden om gebruik te maken van gelden uit het Nationaal Programma Onderwijs (NPO), de gelden die bedoeld zijn om leerachterstanden – ontstaan en/of verergerd gedurende de coronacrisis – in te lopen? Kunt u aangeven in welke mate dit scholen uit de «lage SES» betreft?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet de Minister eraan om te voorkomen dat scholen moeten interen op hun budget voor onderwijskwaliteit (waaronder leerkrachten), al dan niet uit het NPO-budget?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven wordt de bekostiging van onderwijsinstellingen ieder jaar aangepast voor stijgende lonen en prijzen. Het zal per instelling verschillen in hoeverre dit toereikend is voor de op dit moment extreme stijging van de energieprijzen. Het kabinet spant zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan de motie Paternotte3 en de Kamer wordt hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Mochten onderwijsinstellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Hoe monitort u de ontwikkeling van de financiële positie van scholen in het funderend onderwijs, tegen de achtergrond van de (verder oplopende) hoge gasrekeningen? Kunt u daarbij bovendien ingaan op de scholen die momenteel nog in de «midden-SES» vallen, maar door de hoge rekeningen dreigen te vervallen in de «lage-SES»?
Een schoolbestuur geeft inzicht in de kosten via een jaarrekening. Het bestuur levert jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar aan bij DUO. Er is dus geen sprake van een monitor gedurende het jaar, maar van een verantwoording en inzicht achteraf. Uw Kamer ontvangt voor de begrotingsbehandeling de brief Financiële posities schoolbesturen.
Overigens is er geen relatie tussen de financiële positie van schoolbesturen en SES-scores. Deze sociaaleconomische status wordt vaak gemeten met de indicatoren opleidingsniveau, inkomensniveau en beroepsniveau.
Deelt u de mening dat het belangrijk is om goed te monitoren dat de hoogte van de gasrekeningen niet mag betekenen dat scholen gedwongen zijn in te teren op hun onderwijskwaliteit? Hoe monitort u dit?
Er is geen mogelijkheid om in de loop van een jaar de kosten die scholen maken te monitoren. Wel vraag ik op dit moment de schoolbesturen in een steekproef naar informatie om een beter beeld te krijgen. In deze inventarisatie vraag ik onder meer naar de aard van hun energiecontract, de prijsontwikkeling en de invloed van de hogere energiekosten op het primair proces.
Waarom geeft u aan dat het te vroeg zou zijn om na te denken over compensatie voor scholen die financieel in de klem komen te zitten door de hoge energierekeningen? Wanneer acht u de situatiewelafdoende om tot compensatie over te gaan? Waarom zou compensatie afhankelijk moeten zijn van het antwoord op de vraag of de contracten met Gazprom al dan niet onder Europese sancties vallen? Graag een toelichting.
Voor de toepassing van de sanctie heeft de Minister voor Klimaat en Energie via een brief aan uw Kamer4 gemeld dat hij tot 1 januari ontheffing zal verlenen en in de tussentijd met de Europese Commissie en andere lidstaten in gesprek gaat over de toepassing van de sanctie op in het bijzonder SEFE (voorheen Gazprom). In de tussentijd is M.K&E in gesprek met overheden en scholen over de (financiële) gevolgen van de sanctie. M.K&E blijft bij het oordeel dat SEFE juridisch onder de sanctie valt, maar ziet ook de grote gevolgen die deze sanctie heeft op scholen in het bijzonder.
Daarnaast ziet M.K&E ook dat er een aantal contracten van nature zouden aflopen in komende jaren, waardoor er bij de hoge gasprijzen sowieso grote financiële gevolgen ontstaan. M.K&E is in gesprek met scholen hierover.
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven spant het kabinet zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan de motie Paternotte5 en wordt de Kamer hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Het Ministerie van OCW beschikt over een instrumentarium om onderwijsinstellingen in acute liquiditeitsproblemen te helpen. Mochten instellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Wat bent u bereid (extra) te doen voor scholen die financieel in een onevenredig negatieve positie zijn geraakt doordat zij de contracten met Gazprom op tijd opgezegd hebben, ten opzichte van scholen die niet op tijd overstapten? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Wat bent u bereid te doen voor scholen die geacht worden op 1 januari 2023 alsnog overgestapt dienen te zijn, en het contract met Gazprom opgezegd te hebben, en hierdoor in de financiële problemen dreigen te raken?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u met zekerheid zeggen dat de jaarlijkse prijsbijstelling voldoende gaat zijn voor scholen in het gehele funderend onderwijs? Zo ja, graag een toelichting. Zo nee, wat bent u bereid hierop aanvullend te doen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven wat de doelstelling is, en de voortgang, in het aardgasvrij bouwen en/of renoveren van schoolgebouwen?
De doelstelling voor het aardgasvrij bouwen van scholen is dat álle schoolgebouwen die nieuw worden gebouwd, aardgasvrij zijn. De doelstelling voor het aardgasvrij zijn van alle bestaande gebouwen is 2050.
Het advies voor gebouweigenaren is om rekening te houden met het aardgasvrij maken van gebouwen op het moment van renoveren van gebouwen. De planning voor het aardgasvrij maken van gebouwen verschilt per wijk. Gemeenten legden dit reeds vast in hun Transitievisies warmte en zullen dit verder concretiseren in de wijkuitvoeringsplannen.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat 12 sectoren met maatschappelijk vastgoed sectorale routekaarten opstellen, dit geldt ook voor het funderend onderwijs. De sectorale routekaart waarin de verduurzamingsopgave voor het funderend onderwijs is beschreven is in 2020 gepubliceerd namens de PO-raad, VO-raad en de VNG6. In oktober 2022 is de eerste evaluatie van de sectorale routekaarten gereed. De resultaten neemt het Ministerie van BZK op in de Klimaatmonitor 2022 en dit najaar pakken ze de eventuele verbeterpunten op.
Daarnaast werkt de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord (2019), aan een wettelijke eindnorm voor de energieprestatie van bestaande utiliteitsgebouwen in 2050 en zal hierover in oktober de Tweede Kamer informeren. Bovendien heeft de Europese Commissie verschillende voorstellen gedaan voor de verduurzaming van bestaande gebouwen. Een aantal voorstellen zijn specifiek gericht op maatschappelijk vastgoed waar ook scholen onder vallen. De Energy Performance of Buildings Directive (EPBD)7 en de Energy Efficiency Directive (EED) worden bijvoorbeeld herzien. Naar verwachting zullen de EPBD en de EED in 2023 worden vastgesteld, en vervolgens in nationale wetgeving vertaald.
De opgelaaide militaire agressie van Azerbeidzjan tegen Armenië |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een eerste reactie geven op de gevechten die zijn uitgebroken tussen Azerbeidzjan en Armenië, waarbij aan Armeense kant 49 doden zijn gevallen?1
De geweldsuitbarstingen tussen beide landen zijn zeer zorgelijk. Ik verwelkom het staakt-het-vuren en het stoppen van het geweld. Er zijn aan beide kanten veel slachtoffers gevallen. Het is zaak dat beide landen terug naar de onderhandelingstafel gaan om tot een duurzaam vredesakkoord te komen, maar ook om afspraken te maken over de uitruil van gevangen genomen soldaten.
Acht u het waarschijnlijk dat Azerbeidzjan wederom met deze militaire agressie is begonnen? Zo nee, waarom niet?
Beiden landen ontkennen de gevechten te zijn begonnen en beide partijen ontkennen het staakt-het-vuren als eerste te hebben geschonden. Er is sprake van desinformatie. Het kabinet heeft noch de capaciteit, noch de presentie ter plaatse, om vast te stellen wie de gevechten is begonnen, alsook wie het staakt-het-vuren als eerste schond. Belangrijkste is nu dat het staakt-het-vuren stand houdt en dat het conflict niet escaleert. Daartoe hebben NL, de EU en andere internationale partners, zoals de VS, opgeroepen.
Wordt het bestand dat in 2020 door beide landen is gesloten, nog steeds gemonitord door Russische troepen? Welke invloed heeft de oorlog in Oekraïne op de Russische rol in het conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië?
Op basis van het Trilaterale Akkoord (tussen Azerbeidzjan, Armenië en Rusland) vervult Rusland de rol van vredesmacht. Circa 1.900 Russische vredestroepen zijn sinds 2020 geplaatst rond de contactlijn in Nagorno-Karabach en langs de Lachin Corridor. Op dit moment heeft het kabinet geen informatie over terugtrekking van Russische troepen.
De Russische aanvalsoorlog op Oekraïne heeft de positie van Rusland in de regio verzwakt. Armenië is als lid van de Collectieve Veiligheidsverdragsorganisatie (CSTO) een militaire bondgenoot van Rusland. In de afgelopen maanden is de reactie van Rusland diffuus geweest. De CSTO heeft Armenië niet beschermd, ondanks de afspraken tussen CSTO-staten.
Het vertrouwen in de effectiviteit in de CSTO heeft hierdoor een deuk opgelopen. Welk effect dit zal hebben in de regio is niet te voorspellen, maar het kan de regionale veiligheid beïnvloeden. Rusland blijft voor Armenië een belangrijke speler, o.a. door afhankelijkheid van energieleveranciers, militaire en diplomatieke steun, afzetmarkt en bestemmingsland.
Heeft u contact gehad met uw ambtsgenoten in Armenië en Azerbeidzjan over het opgelaaide geweld? Zo ja, welke boodschap heeft u aan hen overgebracht?
Namens de EU spelen de Voorzitter van de Europese Raad Charles Michel, de Hoge Vertegenwoordiger Josep Borrel en de Speciaal Vertegenwoordiger voor de Zuidelijke Kaukasus Toivo Klaar een actieve bemiddelende rol tussen Armenië en Azerbeidzjan, en Nederland steunt hen daarin. De EU heeft zich meteen na het begin van de militaire escalatie in het grensgebied tussen Armenië en Azerbeidzjan ingezet om verdere escalatie te voorkomen en de vredesbesprekingen tussen beide landen te hervatten. Hiertoe reisde de speciale vertegenwoordiger op 13 september jl. naar Bakoe en Yerevan. Ook riep hij op om mogelijke mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden te onderzoeken en de daders te vervolgen. Daarnaast heeft de voorzitter van de Europese Raad over de oplaaiing van gewelddadigheden telefonisch contact met de Minister-President van Armenië en de president van Azerbeidzjan. Voorts belde de Hoge Vertegenwoordiger met de Ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen. Nederland steunt de EU in het bemiddelingsproces. In aanvulling daarop zijn de Nederlandse zorgen op hoog ambtelijk niveau overgebracht.
Zelf heb ik eerder telefonisch contact gehad met de Azerbeidzjaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens het gesprek is de situatie tussen Armenië-Azerbeidzjan ook aan de orde geweest. Ik heb destijds aan de Azerbeidzjaanse Minister van Buitenlandse Zaken Bayramov het belang van dialoog en vredesonderhandelingen benadrukt. Dezelfde boodschap heb ik uitgedragen in mijn telefoongesprek met de Armeense Minister van Buitenlandse Zaken, Mizoyan.
Deelt u de mening dat de agressie van Azerbeidzjan mede wordt gefaciliteerd door de terughoudende opstelling van Nederland en de Europese Unie (EU) richting dictator Aliyev?
Nee. De EU is niet terughoudend en gaat in de dialoog met Azerbeidzjan kritische boodschappen niet uit de weg. Zorgen met betrekking tot het conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië en over de mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan worden, mede op instigatie van Nederland, consequent in contacten van de EU met Azerbeidzjan besproken, zo ook tijdens de EU Associatieraad met Azerbeidzjan op 19 juli jl., waar de Hoge Vertegenwoordiger de EU-delegatie leidde.
Kunt u exact aangeven hoeveel financiële steun de EU-Commissievoorzitter Von der Leyen aan dictator en oorlogsmisdadiger Aliyev heeft toegezegd afgelopen zomer?2
De voorzitter van de Europese Commissie, Von der Leyen, was op 18 juli jl. in Azerbeidzjan. Tijdens dit bezoek werd een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend op het gebied van energiesamenwerking. Dit MoU behelst een intentie om de gastoevoer van Azerbeidzjan naar de Europese Unie te verdubbelen en samen te werken op het gebied van hernieuwbare energie en klimaat inclusief het verminderen van methaanemissies. Met het MoU zijn geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan.
Volgens het energieministerie van Azerbeidzjan is in de eerste 8 maanden van dit jaar 7,3 miljard kubieke meter aardgas geleverd aan de EU (naar schatting 3% van de totale EU-gasconsumptie over deze periode).
Waar wordt dit geld aan besteed, en deelt u de mening dat alle steunprogramma’s en investeringen voor Azerbeidzjan per direct stopgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
In het MoU dat de EU en Azerbeidzjan op 18 juli jl. tekenden zijn geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan.
In algemene zin geldt dat het kabinet bij de verstrekking van EU-steun aan nabuurschapslanden veel waarde hecht aan het principe van conditionaliteit. Landen die commitment tonen en voortgang boeken met noodzakelijke hervormingen verdienen meer financiële steun dan landen waar hervormingen uitblijven of zelfs sprake is van regressie (more for more, less for less). Conditionaliteit is een factor in het feit dat Azerbeidzjan momenteel aanzienlijk minder financiële steun ontvangt uit het EU Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) dan bijvoorbeeld Armenië.
De gevolgen van de stijgende gasprijzen voor de culturele en creatieve sector. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de stijgende gasprijzen en de impact op verschillende culturele instellingen, zoals bijvoorbeeld de musea?1
Ja.
Deelt u de zorgen over de potentiële gevolgen van de stijgende gasprijzen voor de sector?
Daar maak ik mij zeker zorgen over. De stijgende energieprijzen raken ons allemaal, van huishoudens tot bedrijven en instellingen. Culturele instellingen, waaronder musea zijn daarop geen uitzondering. Dit terwijl de cultuursector tegelijkertijd nog de gevolgen ondervindt van de coronacrisis, zoals de achterblijvende bezoekersaantallen.
Heeft u hier voldoende zicht op?
Ja, door veel gesprekken van mijzelf en mijn ambtenaren met partijen uit het veld en brieven en e-mails die mij worden toegezonden denk ik dat ik hier in het algemeen voldoende zicht op heb. Tegelijkertijd is de culturele en creatieve sector breed, veelvormig en divers en zijn de energiecontracten en de huisvestingsomstandigheden in deze sector dat natuurlijk ook. We werken daarom aan diverse sporen.
Op 4 oktober heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van het tijdelijk prijsplafond.2 Het prijsplafond zal niet alleen gaan gelden voor huishoudens, maar richt zich daarnaast ook op zzp’ers, kleine ondernemers en bijvoorbeeld verenigingen en kleine maatschappelijke organisaties. Hiermee heeft het prijsplafond ook betekenis voor de culturele sector.
Op 14 oktober jl. heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de aangekondigde compensatieregeling voor de energie-intensieve MKB: de Tegemoetkoming Energiekosten (TEK). Voor de vereisten die gaan gelden voor deze regeling verwijs ik graag naar bovengenoemde brief van de Minister van Economische zaken en Klimaat.3
Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen op donderdag 22 september is een motie aangenomen van leden Paternotte, Kuiken en Klaver. De motie verzoekt het kabinet om bij de zoektocht naar oplossingen voor energie-intensieve MKB ook te kijken naar gerichte ondersteuning van scholen en culturele instellingen en te kijken of gemeenten daarbij een rol kunnen spelen. 4 Op dit moment wordt de impact van de stijgende energiekosten op de OCW-sectoren, waaronder de culturele sector, verder in beeld gebracht. Tot nu toe is het beeld dat hoewel de gevolgen voor instellingen sterk kunnen verschillen, er wel sprake is van aanzienlijk hogere kosten die ten koste kunnen gaan van het primaire proces. Over de uitvoering van de motie Paternotte, c.s., waar dit onderdeel van uitmaakt, zal de Kamer uiteraard worden geïnformeerd.
Bent u bereid om in kaart te brengen waar de problemen precies zitten in de sector en die informatie met de Kamer te delen?
Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 3. De Kamer zal worden geïnformeerd over de uitvoering van de motie Paternotte c.s.
Kunt u daarbij ook specifiek oog houden voor zzp’ers in de sector?
Ja, daarbij zal ik zeker oog houden voor de zzp’ers. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 3 zullen zzp’ers ook onder het prijsplafond energie gaan vallen, zodat schommelingen in de energieprijzen deels voor hen opgevangen worden.
Welke stappen kunt u zo snel mogelijk zetten om de culturele en creatieve sector te helpen verduurzamen, zodat zij de gasrekening omlaag kunnen brengen?
Ik werk intensief samen met de Ministeries van BZK en VWS om de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed te bevorderen. Hieronder vallen – naast monumenten en musea – in den brede ook gebouwen met een culturele functie. Eigenaren van maatschappelijk vastgoed kunnen – als zij voldoen aan de voorwaarden – een beroep doen op de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) die op 3 oktober is opengesteld en wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).5 Voor deze subsidie is in de eerste tranche (2022–2023) is 150 miljoen euro beschikbaar. In 2024 zal de regeling opnieuw open gaan en wordt er een nieuw budget beschikbaar gesteld. Daarnaast kunnen kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren voor het verduurzamen van hun gebouwen terecht bij het ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed binnen hun provincie. Via dit programma wordt advies en ondersteuning op maat geboden voor verduurzaming. Culturele instellingen met of gelieerd aan een organisatie met een culturele ANBI status (met maximaal 10 gebouwen) vallen onder de doelgroep van het ontzorgingsprogramma van het Ministerie van BZK, dat wordt uitgevoerd door de provincies. Dit geldt ook voor het vastgoed van kleinere gemeenten (tot 50.000 inwoners). Op 3 oktober jl. is de tweede tranche van het programma van start gegaan.6
Daarnaast ontwikkelt de RCE een specifiek ontzorgingsprogramma voor monumenteigenaren. Dit zal naar verwachting in de eerste helft van 2023 operationeel zijn.
Bent u bezig met onderzoeken hoe makers, musea, theaters en podia beter geholpen kunnen worden met het omlaag brengen van hun energie- en gasrekeningen?
De RCE onderzoekt op dit moment in hoeverre museale instellingen (en monumentenorganisaties) energie kunnen besparen zonder dat dit ten koste gaat van de (wettelijke) collectiebeheertaak of de instandhouding van het monument. De Boekmanstichting voert momenteel samen met Bureau 8080 een onderzoek uit naar verduurzaming in de culturele sector. De resultaten van het (kwantitatieve) eerste deel van het onderzoek worden dit najaar verwacht en kunnen mogelijk inzichten bieden voor culturele instellingen om van elkaar te leren. Tot slot heeft ook de Raad voor Cultuur in zijn «Werkplan 2022–2023» aangekondigd een Verkenning Duurzaamheid uit te voeren met de betrekking tot de culturele en creatieve sector.7
Wat doet u nu al om de sector op korte termijn te helpen verduurzamen?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 6. De komende tijd wil ik breder met de culturele sector in overleg over de vraag hoe de sector verdere stappen kan zetten op het gebied van verduurzaming.
Kunt u toezeggen ook met gemeenten in gesprek te gaan om het verschralen van aanbod in gemeenten tegen te gaan?
Ik ben het met u eens dat we de gevolgen van de stijgende energieprijzen op de culturele (en museale) sector goed moeten volgen en bespreken in de bestaande overleggen met de VNG en de cultuurregio’s.
Kunt u toezeggen de gemeenten ook te ondersteunen op het gebied van verduurzaming in de culturele en creatieve sector?
De Ministeries van BZK, VWS en OCW hebben in samenwerking het Kennis- en innovatieplatform verduurzaming maatschappelijk vastgoed opgezet. Dit platform richt zich op het ontwikkelen en delen van kennis over de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. Verschillende doelgroepen, waaronder de monumenten – en museale sector én gemeenten worden hiermee ondersteund. Dit laatste is ook van belang in geval culturele instellingen een pand huren van een gemeente. Gemeenten kunnen ook een beroep doen op de DUMAVA-regeling voor verduurzaming van hun vastgoed.
Welke mogelijkheden ziet u om met uw collega’s op EZK, Binnenlandse Zaken en Financiën in gesprek te gaan om ook daar de verduurzamingsopgave van de culturele en creatieve sector te bespreken?
De samenwerking met andere departementen op dit onderwerp is zeer intensief. Ik ga deze samenwerkingen voortzetten en ik zal daarin ook nadrukkelijk de verduurzaming van de culturele en creatieve sector meenemen. Vanuit deze samenwerking zijn onder meer het ontzorgingsprogramma, de DUMAVA-regeling en het Kennis- en Innovatieplatform verduurzaming maatschappelijk vastgoed tot stand gekomen.
Kunnen musea en theaters bijvoorbeeld een beroep doen op de Minister voor Volkshuisvesting voor financiële ondersteuning bij het verduurzamen van hun gebouwen?
Ja. Musea en theaters kunnen aanspraak doen op een aantal regelingen van BZK zoals de DUMAVA-regeling. Hiermee kunnen culturele instellingen met een ANBI-status 30% van de kosten van duurzaamheidmaatregelen vergoed krijgen en 50% van de kosten voor het vergaren van energieadvies of een energielabel. De regeling wordt uitgevoerd door RVO.
Bent u bekend met het kennisplatform Duurzame Sportsector?2
Ja.
Ziet u mogelijkheden om een vergelijkbaar platform in te richten voor de culturele en creatieve sector?
Ik wil graag met de culturele sector in gesprek over hoe de sector verder kan verduurzamen. Ik ben bereid om daarbij te kijken of een dergelijk platform behulpzaam kan zijn voor de sector. Een andere optie is om het Kennis- en Innovatieplatform voor het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed uit te breiden met een kennisinstelling uit de culturele sector.
De eerder genoemde verkenning van de Raad voor Cultuur en het onderzoek van de Boekmanstichting en Bureau 8080 bieden naar verwachting ook belangrijke inzichten die ik kan betrekken bij de gesprekken met de culturele sector over verduurzaming.
Overweegt u om verduurzamingsafspraken op te nemen bij de financiering van het culturele sector?
Zoals gesteld bij de beantwoording van vraag 14 wil ik in gesprek met de sector om te kijken hoe ik hen kan ondersteunen in de verduurzamingsopgave. Ook de Boekmanstichting betrek ik daar graag bij. Hierbij zal ik ook de overweging meenemen om verduurzamingsafspraken op te nemen bij de financiering van de culturele sector. Maar ook de aanpak in de monumentensector kan nadrukkelijk als voorbeeld dienen. Deze sector heeft de «Routekaart verduurzaming monumenten» opgesteld en heeft zichzelf daarmee een doel gesteld dat onderdeel uitmaakt van het Klimaatakkoord. Er zijn inmiddels 12 sectorale routekaarten voor het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed, waaronder voor zorg, sport en onderwijs.
Samen met het Ministerie van BZK zal ik bezien hoe de culturele sector beter kan aansluiten bij de reeds in gang gezette initiatieven voor de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed zoals het Kennis- en Innovatieplatform.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het op grote schaal dumpen van plastic afval in landen als Vietnam en Indonesië door Nederland. |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Plastic Soup Foundation waaruit blijkt dat Nederland een belangrijke spil is in het exporteren van plastic afval naar niet-westerse landen die dit afval vaak niet kunnen verwerken?1.
Ja, ik ben bekend met dit rapport.
Wat is de verklaring voor het feit dat de plasticafvalstroom vanuit Nederland naar niet-westerse landen tussen 2020 en 2021 ruim verdubbeld is ondanks de aangescherpte regels die door het Verdrag van Bazel van kracht zijn geworden om kwetsbare landen te beschermen?
Dit zijn cijfers die ook bij het kabinet vragen oproepen en met interesse worden bekeken. Een mogelijke verklaring is dat in de afgelopen jaren, tijdens de coronacrisis, de vraag naar onder meer verpakkingsmateriaal aanzienlijk is toegenomen vanwege internetaankopen. Zo was eveneens sprake van een sterk gegroeide vraag naar papier en karton. Dit betekende dan ook een toename van kunststof- en kartonafval, die Nederlandse en Europese verwerkers niet aankunnen. Of deze trend doorzet is op dit moment nog niet bekend. Overigens is de Inspectie Leefomgeving en Transport in samenwerking met de douane streng blijven controleren op de kwaliteit en bestemming van de geëxporteerde partijen kunststof.
Acht u het verantwoord om plastic te blijven exporteren naar Indonesië, aangezien uit onderzoek blijkt dat het land een recycle capaciteit heeft van 730.000 ton, maar er 12,24 miljoen ton plastic afval in totaal is in Indonesië?2
Uit onze contacten met de Indonesische overheid en hun reactie aan de Europese Commissie over de wijze waarop zij de import van kunststof afval willen reguleren, kan worden vastgesteld dat, hoewel geen EVOA-kennisgeving vereist is, geen vrije import mogelijk is en controle door de Indonesische overheid plaatsvindt. Het schone, goed recyclebare kunststof afval uit de EU kan mogelijk niet eenvoudig worden vervangen door binnenlands kunststofafval. Ik zie daarom geen noodzaak de export – zolang deze aan de strenge eisen voldoet – tegen te gaan. Wel ben ik van mening dat de regels voor export uit de EU verder moeten worden aangescherpt, wat op dit moment ook gebeurt in de huidige herziening van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). Daarin beoogt de Europese Commissie dat de export van afval wordt beperkt en alleen wordt toegestaan als gericht wordt gestuurd op milieuverantwoordelijke verwerking. Importerende niet-OESO landen (zoals Indonesië) moeten zelf een verzoek indienen om aan te geven dat de afvalstroom welkom is én exporteurs moeten via onafhankelijke audits aantonen dat afval ook echt op vergelijkbare wijze als in de EU wordt verwerkt. Daarbij dienen zij jaarlijks, openbaar en elektronisch informatie beschikbaar te stellen over de wijze waarop zij aan deze verplichtingen voldoen. Lidstaten krijgen de taak hierop toe te zien.
Kunt u verklaren waarom de export naar landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) veel minder hard is gestegen, terwijl de capaciteit in deze landen voor het verwerken van plastic afval veel groter is?
Over de totale verwerkingscapaciteit van kunststof afval in de diverse landen heb ik geen informatie. Er zijn wel berichten dat verwerkers van kunststof afval in China hun activiteit hebben verplaatst naar andere landen, waaronder Vietnam en op deze wijze weer secundaire grondstoffen leveren aan de Chinese maakindustrie.
Wat is uw appreciatie van het feit dat een deel van het plastic dat Nederland exporteert, terecht komt in de voortuin van kinderen in Indonesië?
Uiteraard is dit niet de bedoeling. Het kabinet vindt het onacceptabel dat Nederlands kunststof in Indonesië in de natuur belandt of daar op onveilige wijze wordt verbrand. De regels schrijven nu al voor dat geëxporteerd kunststof daadwerkelijk gerecycled moet worden in het land van bestemming, maar het is nodig dat er nog meer sturingsmogelijkheden komen. De aanstaande herziening van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) beoogt een verdere aanscherping van de huidige regels die misstanden met betrekking tot de export van afval uit de EU moet helpen voorkomen. Export wordt in dergelijke gevallen alleen toegestaan als gericht en aantoonbaar wordt gestuurd op milieuverantwoordelijke verwerking.
Kunt u uitleggen hoe het komt dat het verschepen van afval in sommige gevallen goedkoper is voor bedrijven dan het in Nederland verwerken van dit afval? Hoe zouden we deze prikkel kunnen wegnemen?
Uit de douanegegevens volgt dat alle zendingen van kunststofafval een positieve financiële waarde hebben. Dat verwerking in Azië plaatsvindt kan een gevolg zijn van gebrek aan capaciteit in Nederland en de rest van de EU, doordat de verwerking in goedkopere arbeidslanden financieel aantrekkelijker is, of door een hogere prijs die in die landen wordt betaald voor de grondstof. Vanwege de hoge olieprijs is inzet van secundair materiaal aantrekkelijk in de Aziatische maakindustrie en de vraag naar hoogwaardig kunststof afval hoog.
De aanstaande herziening van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) beoogt een flinke aanscherping van de huidige regels die misstanden met betrekking tot de export van afval uit de EU moet helpen voorkomen. Export wordt in dergelijke gevallen alleen toegestaan als gericht wordt gestuurd op milieuverantwoordelijke verwerking.
Welke verantwoordelijkheid hebben we volgens u als Nederland om te voorkomen dat ons Nederlandse plasticafval gedumpt wordt in de natuur in landen als Vietnam en Indonesië?
Het is onacceptabel dat Nederlands plastic in Indonesië in de natuur belandt of daar op onveilige wijze wordt verbrand. We moeten als EU zelf in staat zijn om ons eigen afval op een hoogwaardige manier te verwerken. Dat betekent minder kunststof gebruiken, verpakkingen beter ontwerpen en hergebruiken en ons afval zelf recyclen. Hier zet het kabinet dan ook actief op in. Er is in de EU echter helaas nog niet voldoende capaciteit om al ons kunststof afval op een hoogwaardige manier te kunnen verwerken. Tot die tijd heeft export voor hoogwaardige verwerking buiten de EU de voorkeur boven laagwaardige verwerking binnen de EU. Daarbij is het dan wel van belang dat we kunnen sturen op daadwerkelijk verantwoorde verwerking buiten de EU. De regelgeving op dit vlak is in het Verdrag van Bazel al strenger geworden. In het geval van export naar landen die niet tot de OESO behoren, zoals Indonesië en Vietnam, mag alleen schoon en gesorteerd kunststofafval worden uitgevoerd dat geschikt is om direct gerecycled te worden. Daarbij hanteert Nederland voor deze afvalstroom al geruime tijd een streng regime van maximaal 2% toegestane vervuilingsgraad. Bovendien beoogt de huidige herziening van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) een verdere, flinke aanscherping van de huidige regels, die misstanden met betrekking tot de export van afval de EU uit moet helpen voorkomen. Export wordt in dergelijke gevallen alleen toegestaan als gericht wordt gestuurd op milieuverantwoordelijke verwerking.
Deelt u de conclusie van het rapport dat het voor het exporterende land niet altijd duidelijk is of het ook daadwerkelijk zo is dat het verscheepte afval daadwerkelijk gerecycled kan worden? Kunt u aangeven of in Nederland altijd alle kennis beschikbaar is over waar het plastic afval uiteindelijk terecht komt als we het exporteren?
Het gaat hierbij om 200 miljoen kilo kunststof afval. Het is duidelijk dat dat niet allemaal kan worden gecontroleerd, dit gebeurt steekproefsgewijs. Uit de controles die de ILT en de douane uitvoeren volgt dat de doorgelaten gecontroleerde transporten alleen uit waardevol schoon kunststof bestaan. Daarnaast vraagt de ILT sinds het van kracht worden van de striktere afvalcode voor kunststof afval op vrijwillige basis standaardinformatie op over de opgegeven bestemming in die landen om vast te stellen dat de bestemming werkelijk een recyclingbedrijf is. Wel heeft de ILT signalen ontvangen dat in sommige van de bestemmingslanden de lokale (kunststof-)afvalverwerking te wensen overlaat. Dit is echter niet iets waar de ILT als Nederlandse inspectiedienst op toe kan zien. De inzet is dit te ondervangen met de eerdergenoemde herziening van de EVOA.
Indien we niet altijd vooraf weten of ons geëxporteerde plasticafval terecht komt in de natuur, zou dat dan niet een reden moeten zijn om te stellen dat we als Nederland helemaal geen plastic afval meer moeten exporteren naar landen buiten de Europese Unie gezien de desastreuze gevolgen voor mens en milieu?
Verwerking binnen de Europese Unie heeft de voorkeur. Echter zolang de Europese verwerkingscapaciteit onvoldoende is, heeft hoogwaardige verwerking in derde landen de voorkeur boven laagwaardige verwerking in Nederland of nabijgelegen landen.
Hoe kijkt u aan tegen de uitspraak uit 2019 van toenmalig Staatssecretaris Van Veldhoven, dat wij ons eigen plasticafval zelf zouden moeten kunnen verwerken?3
Ik sta volledig achter de uitspraak van mijn voorganger: in Nederland, en in de EU als geheel, moeten we zelf in staat zijn om ons eigen afval op een hoogwaardige manier te verwerken. Daar zijn we hard mee bezig, maar zover is het nu nog niet.
Hoe past het exporteren van plastic afval naar niet-westerse landen binnen de ambitie die wordt gepresenteerd in de nota «Doen waar Nederland goed in is» dat het handelsinstrumentarium in grotere mate moet bijdragen aan duurzaamheid?
Het handelsinstrumentarium wordt ingezet om bedrijven te ondersteunen of te stimuleren om internationaal te ondernemen. Het overgrote deel van de Nederlandse export vindt op eigen kracht plaats, binnen de geldende wet- en regelgeving, zonder inzet van het handelsinstrumentarium.
De ambitie uit de BHOS-nota is er inderdaad op gericht om met het handelsinstrumentarium vergroening te stimuleren.
Daarnaast is het kabinet er voorstander van dat EU handelsakkoorden worden ingezet om hoge standaarden op het gebied van milieu te bevorderen, naast dat deze economische kansen scheppen en op regels gebaseerde handel promoten.
Waar het specifiek gaat om de export van plastic afval, is het kabinet voorstander van het behouden van een prikkel voor het verbeteren van de afvalverwerking in derde landen, in plaats van de afvalstromen volledig aan banden te leggen. Dit is in lijn met de recente herziening van het Verdrag van Bazel en de huidige herziening van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) die de exportregels nog verder zal aanscherpen.
Is het exporteren van plastic naar landen waaruit blijkt dat zij dit niet kunnen verwerken, niet volledig in strijd met uw ambitie?
Ik verwijs u graag naar het antwoord op vraag 11.
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie, als het gaat over herzien van deEU waste shipment regulation4, te pleiten voor een totaal verbod op het verschepen van plasticafval naar landen buiten de Europese Unie?
Zoals eerder aangegeven ondersteun ik het voorstel van de Europese Commissie om uitvoer alleen toe te staan naar landen die hun afvalbeheer op orde hebben en die zelf aangeven dit afval te willen verwerken in hun land. Tevens zouden op basis van het voorstel exporteurs voortaan worden verplicht om middels onafhankelijke audits aan te tonen dat hun afval buiten de EU op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze wordt verwerkt. De verwerking van dat afval wordt daarmee de facto gekoppeld aan Europese eisen voor een milieuverantwoorde verwerking en brengt op die wijze ook de standaarden in andere landen omhoog. Een totaal verbod is daarmee niet nodig.
Welke maatregelen denkt u op nationaal niveau te kunnen nemen in de tussentijd, totdat de aangepaste Europese regelgeving van kracht is om dit probleem op te lossen?
Op basis van de ILT-brede risicoanalyse (IBRA) krijgt toezicht op afvalstoffen al hoge prioriteit. In het kader van toezicht op de EVOA worden zendingen van kunststofafval naar onbekende bestemmingen geblokkeerd in samenwerking met de douane en alleen vrijgegeven als door de exporteur voldoende bewijs voor een hoogwaardige verwerking is verstrekt. Ook zal een groot percentage van zendingen gecontroleerd blijven worden op de kwaliteit van de afvalstoffen.
Het bericht dat de wapenstilstand tussen Armenië en Azerbeidzjan is mislukt |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er opnieuw gevechten zijn uitgebroken tussen Azerbeidzjan en Armenië?1
Ja
Deelt u de zorgen over de geweldsescalatie tussen Azerbeidzjan en Armenië?
De geweldsuitbarstingen tussen beide landen zijn zeer zorgelijk. Ik verwelkom het staakt-het-vuren en het stoppen van het geweld. Er zijn aan beide kanten veel slachtoffers gevallen. Het is zaak dat beide landen terug naar de onderhandelingstafel gaan om tot een duurzaam vredesakkoord te komen, maar ook om praktische afspraken te maken over o.a. de uitruil van gevangen genomen soldaten.
Klopt het dat er nu ook buiten Nagorno-Karabach gewelddadigheden plaatsvinden, zoals beschietingen in de Armeense steden Jermuk en Goris? Zo ja, deelt u de mening dat dit een zeer ernstige escalatie van het conflict betekent?
Eerder beperkte het conflict zich voornamelijk tot de regio Nagorno-Karabach, waar in 2020 een oorlog werd uitgevochten tussen Azerbeidzjan en Armenië. Het klopt dat er nu ook buiten Nagorno-Karabach gewelddadigheden plaatsvinden. Dit is inderdaad een verdere en onwenselijke escalatie van het conflict.
Deelt u de zorg dat Azerbeidzjan de huidige geopolitieke onrust en de status als belangrijke nieuwe gasleverancier voor de Europese Unie (EU) in zijn voordeel wil gebruiken in het conflict met Armenië?
Op dit moment heb ik daar geen aanwijzingen voor. Azerbeidzjan heeft zich in gesprekken met de EU gecommitteerd aan het vredesproces.
Volgens het energieministerie van Azerbeidzjan is in de eerste 8 maanden van dit jaar 7,3 miljard kubieke meter aardgas geleverd aan de EU. Dit is naar schatting slechts een klein deel, circa 3%, van de totale EU-gasconsumptie over deze periode. Met het door de EU-afgesloten Memorandum of Understanding (MoU) met Azerbeidzjan is de EU geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan.
Wat is de voortgang van de vredesbesprekingen tussen Azerbeidzjan en Armenië die in april van dit jaar werden aangekondigd? En zijn naar uw weten beide partijen nog gecommitteerd aan dit vredesproces?
De EU, o.l.v. voorzitter van de Europese Raad Charles Michel, leidt het bemiddelingsproces tussen Armenië en Azerbeidzjan. Op 31 augustus jl. vond de vierde ronde gesprekken plaats in Brussel, waar zowel de Azerbeidzjaanse President Aliyev als de Armeense premier Pasjinian aanwezig waren. Beide landen hebben zich daar gecommitteerd aan het vredesproces, en het is te betreuren dat er recentelijk alsnog gewelddadigheden hebben plaatsgevonden. Beide landen hebben publiekelijk aangegeven dat zij vrede ambiëren en dat zij zo spoedig mogelijk de vredesgesprekken willen herstarten.
Op welke wijze zetten Nederland en de Europese Unie zich in voor het onmiddellijk beëindigen van de militaire vijandelijkheden en voor een herstart van de vredesonderhandelingen tussen beide landen?
Meteen na het begin van de militaire escalatie in het grensgebied tussen Armenië en Azerbeidzjan heeft de EU zich ingezet om verdere escalatie te voorkomen en de vredesbesprekingen tussen beide landen te hervatten. Hiertoe reisde de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië, T. Klaar, op 13 september jl. naar Bakoe en Jerevan. Ook had de voorzitter van de Europese Raad, C. Michel, hierover telefonisch contact met de Minister-President van Armenië en de president van Azerbeidzjan. Voorts belde de Hoge Vertegenwoordiger J. Borrell met de Ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen. Nederland steunt de EU in het bemiddelingsproces. De enige oplossing voor het conflict is dat beide partijen zich committeren aan het staken van de gewelddadigheden en dat er een duurzaam vredesakkoord wordt getekend.
Heeft de voorzitter van de Europese Commissie tijdens haar bezoek aan Azerbeidzjaan op 18 juli jl. aandacht gevraagd voor het militaire conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië? Zo ja, hoe heeft Azerbeidzjan gereageerd op de zorgen die binnen de EU leven over het conflict?
De voorzitter van de Europese Commissie heeft tijdens haar bezoek in juli in algemene termen de zorgen overgebracht over de veiligheid in de regio. Ook worden deze zorgen op andere wijzen overgebracht, o.a. door de speciale vertegenwoordiger, de voorzitter van de Europese Raad en de Hoge Vertegenwoordiger. Nederland heeft op hoog ambtelijk niveau dezelfde zorgen overbracht. De Azerbeidzjaanse zijde is bekend met de Europese zorgen en heeft aangegeven gecommitteerd te zijn aan het vredesproces met Armenië.
Zijn er in het recent getekende Memorandum of Understanding (MoU) tussen de EU en Azerbeidzjan, waarin de basis wordt gelegd voor verdergaande samenwerking, ook voorwaarden opgenomen over gewelddadigheden tegen Armenië? Zo ja, welke zijn dit?
De voorzitter van de Europese Commissie, Von der Leyen, was op 18 juli jl. in Azerbeidzjan. Tijdens dit bezoek werd een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend op het gebied van energiesamenwerking. Dit MoU behelst een intentie om de gastoevoer van Azerbeidzjan naar de Europese Unie te verdubbelen en samen te werken op het gebied van hernieuwbare energie en klimaat inclusief het verminderen van methaanemissies. In algemene zin wordt in het MoU aandacht besteed aan het belang van respect voor territoriale integriteit, onschendbaarheid van internationale grenzen, soevereiniteit en goede nabuurschapsbetrekkingen. Met het MoU zijn geen bindende juridische en financiële verplichtingen aangegaan.
Kunt u zich binnen de Europese Unie, en in het bijzonder binnen de EU Associatieraad met Azerbeidzjan, inzetten voor een heldere boodschap richting Azerbeidzjan dat het de grenzen van Armenië dient te respecteren?
De zorgen over het conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië worden mede op instigatie van Nederland consequent in de dialogen van de EU met beide landen besproken, zo ook tijdens de EU Associatieraad met Azerbeidzjan op 19 juli jl. in Brussel.
De documentaire ‘Taken - Kinderen van de Staat’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Hebt u de documentaire «Taken – Kinderen van de Staat» die onlangs is verschenen bekeken?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeverre de weergegeven casussen in deze documentaire volgens u exemplarisch zijn voor de werkwijze binnen de jeugdbeschermingsketen? Hoe reflecteert u op de verhalen van de geportretteerde ouders en kinderen? Kunt u hier uitgebreid op reageren?
De documentaire schetst een indringend beeld van de problemen van ouders en kinderen in de jeugdbescherming. Dat vind ik aangrijpend. De problemen waarover de ouders en kinderen in de documentaire spreken, komen ook aan de orde in recente kritische rapporten van onder andere de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en het rapport van de Universiteit van Leiden over de kinderbescherming2.
We werken er hard aan om deze problemen aan te pakken. De urgentie om de rechtsbescherming voor ouders en kinderen te versterken en het feitenonderzoek te verbeteren is groot. De problematiek van de Gecertificeerde Instellingen (GI) en het structureel verbeteren van het stelsel pakken we ook aan. In debat met uw Kamer op 15 september jongstleden heb ik, samen met de Staatssecretaris van VWS, aangekondigd het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming te versnellen en werk te maken van ongewenste marktwerking in de jeugdzorg, via de Hervormingsagenda. Wij zullen de Tweede Kamer bovendien op korte termijn per brief informeren over de uitwerking van de motie Ceder3.
Welke conclusies trekt u uit het feit dat sinds de decentralisatie van de jeugdzorg in 2015 de bestuurlijke- en uitvoeringsproblemen in de jeugdzorg aanzienlijk zijn toegenomen? Bent u voornemens om de decentralisatie terug te draaien? Zo nee, waarom niet? Hoe denkt u de jeugdzorg dan wel decentraal te kunnen laten functioneren? Welke hervormingen bent u voornemens op korte termijn door te voeren en op welke manier gaan deze hervormingen tot leiden tot minder (onterechte) uithuisplaatsingen?
Zoals nader uiteengezet in de brief «Hervormingen jeugdzorg» die wij uw Kamer in mei 2022 hebben gestuurd4, is de belofte van de decentralisatie – passende hulp, dichtbij huis, gezinsbreed, efficiënter en met minder kosten – onvoldoende waargemaakt. Er wordt meer geld dan ooit aan jeugdzorg besteed. Dat is voor de toekomst niet houdbaar, het moet anders en het moet beter. Alle betrokken partijen van de zogenoemde vijfhoek – gemeenten, aanbieders, professionals, jongeren zelf en het Rijk – zijn het erover eens dat flinke hervormingen in de jeugdzorg nodig zijn om te zorgen dat kinderen en gezinnen de juiste zorg op de juiste plek krijgen, het stelsel zorginhoudelijk en organisatorisch te verbeteren en duurzaam houdbaar te maken.
Om die reden werken we samen met partners van de vijfhoek aan de Hervormingsagenda Jeugd. In deze agenda maken we onder andere afspraken over het afbakenen van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht, waardoor er netto meer hulp beschikbaar komt voor kinderen die deze het hardste nodig hebben, waaronder de groep jeugdigen met een beschermingsmaatregel. Daarnaast maken we afspraken over het versterken van lokale teams. Stevige multidisciplinaire teams met voldoende kennis en expertise, die goed kijken wat nodig is en lichte hulp zoveel mogelijk zelf leveren, waarbij een goede verbinding met de specialistische hulp is. Streven is dat de Hervormingsagenda Jeugd dit najaar gereed is. Met al deze structuurverbeteringen is een stelselwijziging nu niet aan de orde.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Inspectie Gezonheidszorg en Jeugd (IGJ) (Kamerstuk 31 839, nr. 875) blijkt dat vele uithuisplaatsingen onterecht zijn en dat het feitenonderzoek waarop deze ingrijpende maatregel gebaseerd wordt ernstig tekort schiet?
Voor de zomer heeft de IGJ geconstateerd dat het feitenonderzoek niet altijd en niet op alle onderdelen zorgvuldig genoeg is. Dat is een stevige conclusie en de aanbevelingen vragen daarom om serieuze opvolging. Uit het rapport kan echter niet geconcludeerd worden dat er veel uithuisplaatsingen onterecht zijn.
In alle onderzochte zaken speelden meerdere problemen in het gezin, zoals verslaving, schulden, huiselijk geweld of opvoedproblemen. Geen enkel kind is vanwege een enkele aanleiding uit huis geplaatst. In de onderzochte casussen was terug te zien dat het belang van de jeugdige bij professionals leidend is bij de besluitvorming voor het aanvragen van een machtiging uithuisplaatsing. Een raadsonderzoeker of een jeugdbeschermer neemt een besluit verder nooit alleen, maar in multidisciplinair verband. Daarna toetst de kinderrechter of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is of niet. De kinderrechter heeft verschillende mogelijkheden als hij vragen heeft bij een dossier, zoals opdracht geven tot het laten verrichten van deskundigenonderzoek, de zaak aanhouden en de RvdK of de GI vragen het dossier aan te vullen of ter zitting eventuele onduidelijkheden te laten ophelderen.
Ik verwijs u verder naar de brief die ik op korte termijn aan uw Kamer stuur over de verbetering van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming, alsmede naar de beantwoording van het schriftelijk overleg die uw Kamer eveneens op korte termijn ontvangt.
Waarom is het doen van een onafhankelijk perspectiefonderzoek geen verplicht onderdeel van de indicatiestelling voor een kinderbeschermingsmaatregel, alvorens deze indicatie naar de Raad van de Kinderbescherming gaat?
Onderzoek naar het al dan niet ingrijpen in het ouderlijk gezag over een kind dient zorgvuldig en onafhankelijk te gebeuren. Deze taak is bij de RvdK belegd. De RvdK voert het onderzoek onafhankelijk en eigenstandig uit. Op basis van zijn onderzoek kan de RvdK de kinderrechter verzoeken een kinderbeschermingsmaatregel uit te spreken.
Een onafhankelijk onderzoek vóórdat een verzoek tot onderzoek bij de RvdK wordt ingediend heeft geen toegevoegde waarde. Dat is dubbelop en levert nog meer vertraging op in de keten. Inzake het perspectiefbesluit verwijs ik uw Kamer naar de brief ter verbetering van de rechtsbescherming, die uw Kamer op 17 november 2022 zal ontvangen.
Waarom wordt de motivering om een ondertoezichtstelling (OTS) of een uithuisplaatsing op te leggen niet onafhankelijk getoetst, bijvoorbeeld door een objectieve hulpverlener of organisatie, alvorens deze indicatie naar de Raad voor de Kinderbescherming wordt doorgezet? Of waarom voert de Raad voor de Kinderbescherming niet altijd een onafhankelijke toetsing van de noodzaak tot een dergelijke kinderbeschermingsmaatregel uit?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u voornemens om strengere kaders en criteria in te stellen waarbinnen het feitenonderzoek gedaan moet worden, zodat het zorgen voor sluitende, objectieve, waarheidsvinding en bewijslast verplicht geborgd is?
De aanbevelingen van het (onder vraag 2) genoemde IGJ-onderzoek laten ons zien dat ouders en kinderen meer en beter betrokken moeten worden bij belangrijke beslissingen zoals een uithuisplaatsing. Hun klacht is dat zij door jeugdprofessionals vaak niet goed gehoord worden, meer uitleg en onderbouwing nodig hebben over waarom een uithuisplaatsing nodig is en dat zij zelf deskundige bijstand missen. Het is voor kinderen en ouders lastig om te begrijpen wat hen overkomt, mede vanwege de wisselende gezichten, juridische procedures en omvangrijke, moeilijke rapporten. Op dit vlak zijn dus verbeteringen nodig, gericht op het beter informeren en bijstaan van kind en ouders bij een uithuisplaatsing. Deze inhoudelijke verbeteringen zijn noodzakelijk om het feitenonderzoek op voldoende kwalitatief niveau te brengen.
Daarnaast is het nodig dat de kwaliteit verbetert van de huidige instrumenten, methoden en richtlijnen die professionals gebruiken om feiten, meningen en oordelen systematischer in beeld te brengen en te wegen. Daaraan wordt ook gewerkt. Ook door middel van training en scholing. Want het werk is moeilijk en vraagt veel tijd, kennis, ervaring en competenties. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, werken de RvdK, Jeugdzorg Nederland en Veilig Thuis aan een vervolg op het vorig jaar afgeronde Actieplan verbetering feitenonderzoek. Ik zal hen daarin steunen.
We vinden het van belang om te benadrukken dat jeugdbeschermers ook voldoende tijd en ruimte moeten hebben om de kwaliteit van het werk te verhogen. Als gevolg van de hoge werkdruk kan dit onder druk komen te staan. Daarom is het zo belangrijk dat de werkdruk op korte termijn omlaag wordt gebracht. In de beantwoording van vraag 18 zullen wij nader ingaan op de stappen die worden gezet om de werkdruk te verlagen.
Is het mogelijk alle gesprekken die ouders hebben met betrokkenen binnen de jeugdbeschermingsketen te laten vastleggen, bij voorkeur middels audio en/of video, en op te nemen in het dossier, zodat er altijd bewijslast is en zowel kinderen, ouders als zorgmedewerkers hierdoor beschermd worden?
Een geluidsopname is toegestaan als degene die de geluidsopname opneemt ook zelf aan het gesprek deelneemt, de opname vooraf meldt en deze opname niet openbaar maakt of verstrekt aan derden zonder toestemming van de andere partij. Het spreekt vanzelf dat geluidsopnamen ook niet verspreid mogen worden met de bedoeling te beledigen, of om te gebruiken voor smaad en laster. Dit is strafbaar. Er kunnen overigens ook zwaarwegende redenen zijn om geen geluidsopnames te maken. Soms gaan gesprekken over zaken die kinderen kunnen schaden en die zij liever niet horen.
Voor het maken van beeldopnames ligt dit anders. Daarvoor is toestemming een vereiste, vanwege het portretrecht. Als dit niet gebeurt, dan is de beeldopname onrechtmatig.
Beeld- en geluidsopnamen kunnen onderdeel zijn van het dossier voor zover in overeenstemming met de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens op basis van wet- en regelgeving, de protocollen en richtlijnen van de betrokken organisaties.
In februari van dit jaar verscheen de «Wetenschappelijke Factsheet Uithuisplaatsingen», met daarin verscheidene aanbevelingen voor verbeteringen, hoe ver bent u met het implementeren van deze aanbevelingen? Kunt u deze voortgang concreet uiteenzetten?2
Voorafgaand aan de debatten over jeugdbescherming en jeugdzorg, die in november 2022 zijn gepland, zullen wij uw Kamer schriftelijk nader informeren over maatregelen om op de korte termijn de situatie in de jeugdbescherming te verbeteren en over het plan van aanpak om de rechtsbescherming in de jeugdbescherming te verbeteren. De aanbevelingen uit de factsheet van de Universiteit van Leiden neem ik daarin mee.
Kunt u reflecteren op het onlangs verschenen onderzoek van de Universiteit Leiden, de «Eindevaluatie herziening Wet kinderbeschermingsmaatregelen», waaruit blijkt dat deze wet door alle problemen in de jeudbeschermingsketen niet uitgevoerd kan worden (Kamerstuk 31 839, nr. 875)? Welke stappen gaat u ondernemen naar aanleiding van dit onderzoek?
De evaluatie van de herziene Kinderbeschermingswetgeving legt een dilemma bloot. Indien kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en beschermd moeten worden, is ingrijpen op dat moment legitiem. De inzet van een kinderbeschermingsmaatregel maakt dat er zicht is op de veiligheid van het kind, de Gecertificeerde Instelling is daar verantwoordelijk voor. De kern van het probleem is dat na het opleggen van de maatregel de uitvoering stokt, omdat er geen jeugdbeschermer of passende hulp beschikbaar is. Dat probleem moet worden aangepakt en daar zijn we druk mee bezig. Wij realiseren ons dat hier meerdere facetten een rol spelen. Ook het feitenonderzoek en de klachtenprocedures moeten beter en er zijn verbeteringen nodig rond de rechtsbescherming. De Universiteit van Leiden doet hiervoor een aantal concrete aanbevelingen en ook daar werken we aan. Ik stuur uw Kamer in november het plan van aanpak ter verbetering van de rechtsbescherming, voorafgaand aan de debatten met uw Kamer.
Niet zelden liggen er financiële overwegingen ten grondslag aan het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel, kunt u aangeven wat u gaat doen om deze perverse financiële prikkels in de jeugdbeschermingsketen tegen te gaan? En wat gaat u doen om de wildgroei aan commerciële aanbieders van zorg aan banden te leggen?
In het jeugdbeschermingsstelsel is sprake van een strikte scheiding tussen de instelling/instantie die de maatregel voor kinderbescherming aanvraagt (de Raad voor de Kinderbescherming en bij een verlenging de Gecertificeerde Instelling) en de instelling/instantie die daarover besluit (de rechtbank). Voor deze scheiding der functies is gekozen omdat een beslissing over het ingrijpen van de overheid in de rechten van het kind en de ouders altijd onafhankelijk, met waarborgen omkleed en zorgvuldig door de rechter genomen moeten worden. Ik deel uw constatering dat sprake zou zijn van financiële overwegingen of perverse financiële prikkels bij het opleggen van een maatregel dan ook niet.
Bent u het eens met de stelling dat het belangrijk is om meer harde, wettelijke eisen en criteria te stellen aan de uitvoerende zorgverlening binnen de jeugdbescherming, zodat minder makkelijk misbruik gemaakt kan worden van de kwetsbare situaties waarin kinderen, ouders en zorgverleners zich bevinden?
Ik ben er op voorhand niet van overtuigd dat het stellen van meer harde, wettelijke eisen aan de zorgverlening in de jeugdbescherming gaat bijdragen aan een betere uitvoering. Dat laat onverlet dat het nodig is te investeren in de kwaliteitsverbetering van de huidige instrumenten, methoden en richtlijnen die professionals gebruiken. In het kader van de werkzaamheden van de Hervormingsagenda wordt bijvoorbeeld gekeken naar de inzet en het gebruik van meer evidence based methoden.
Kunt u verklaren waarom er zo’n grote discrepantie bestaat tussen hoe zorgverleners en instanties de gegeven hulp beoordelen, ten opzichte van hoe de cliënten de ontvangen zorg ervaren? Waarom is het systeem zo weinig gericht op het faciliteren, informeren en ondersteunen van kinderen en ouders? Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat ouders meer inspraak krijgen en kunnen meebeslissen op basis van informed consent?
Bij de beantwoording van vraag 7 ben ik ingegaan op de wijze waarop ouders en kinderen meer en beter betrokken moeten worden.
Kunt u uitleggen waarom de kwaliteitskaders voor de jeugdzorg voornamelijk gericht zijn op de administratieve kant en nauwelijks op de uitvoerende kant van de zorg? Gaat u ervoor zorgen dat deze er wel zo snel mogelijk komen? Zo ja, hoe worden deze kwaliteitskaders opgesteld en door wie?
De bestaande regelgeving, zoals de vereisten uit de Jeugdwet en het Burgerlijk Wetboek zien zowel op de uitvoering van jeugdzorg en jeugdbescherming als op meer bedrijfsmatige kaders voor de inrichting van bijvoorbeeld een Gecertificeerde Instelling.
Wel bestaat aanvullende behoefte aan een kwaliteitskader voor de jeugdbescherming. Op dit moment wordt een kwaliteitskader en prestatiebeschrijvingen voor de jeugdbescherming ontwikkeld, wat tot doel heeft kwaliteit en prestaties te objectiveren en te normeren, zodat gemeenten en GI’s samen tot betere tarieven en sturingsafspraken zullen komen. Onder aansturing en in opdracht van JenV werken we op dit moment met gemeenten, GI’s, andere betrokken professionals aan de totstandkoming hiervan.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld er voor de jeugdzorg naar de gemeenten gaat en specificeren op welke manier dit wordt besteedt? Hoeveel geld blijft er binnen de gemeente zelf circuleren, bijvoorbeeld voor personeel in het sociaal domein en hoeveel geld gaat er naar de uitvoeringsorganisaties en komt dus direct ten goede aan daadwerkelijke zorg voor kinderen en jongeren?
Het budget voor jeugdhulp is onderdeel van de Algemene Uitkering van het gemeentefonds en valt daarmee onder de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten. Gemeenten hoeven hun uitgaven daarom niet te verantwoorden. Daardoor is niet precies bekend wat de uitgaven van gemeenten aan de jeugdzorg zijn. Wel dienen zij hun rekeningcijfers in het Iv3-systeem in te vullen. Voor het jaar 2020 zijn deze cijfers definitief. De uitgaven in dat jaar aan Jeugd bedragen € 4.858 miljoen. Daarnaast zijn er dat jaar ook nog uitgaven geregistreerd voor zowel Wmo als Jeugd ter hoogte van € 2.838 miljoen. Het is niet bekend welk deel daarvan is uitgegeven voor Jeugd.
Begin 2020 heeft KPMG in opdracht van VWS onderzoek gedaan bij 9 gemeenten en 13 aanbieders om meer inzicht te krijgen in de besteding van jeugdhulpmiddelen6. Dit niet-representatieve onderzoek laat zien dat dat van de totale uitgaven aan jeugd in 2018 er 70% terecht komt bij zorgprofessionals (lokale teams (10%), PGB (3%) en uitgaven zorgprofessionals (57%)) en bijna 30% gaat naar uitvoeringskosten7 bij aanbieders (25%)/overhead gemeenten (4%). Belangrijk te realiseren is dat er ook nog uitvoeringskosten zijn bij de individuele zorgprofessionals, maar de omvang daarvan in dit onderzoek niet bepaald is omdat dit bij de onderzochte aanbieders niet geregistreerd wordt.
Kunt u uitleggen waarom een gemeente er vaak voor kiest om de (basis)zorg zelf uit te voeren en hiervoor inadequaat geschoolde werknemers in te zetten, in plaats van te kiezen voor professionals met de juiste opleiding en achtergrond? Is deze overweging een financiële? Zo ja, bent u zich ervan bewust dat dit op de lange termijn vaak zal leiden tot hogere kosten, omdat een gebrekkig starttraject leidt tot grotere problemen bij kinderen en ouders in de toekomst?
In de Jeugdwet is bepaald dat verantwoorde jeugdhulp moet worden geleverd. De werkgever is verantwoordelijk voor het inzetten van de juiste mix van professionals. In het Besluit Jeugdwet (artikel 5.1.1) is bepaald dat jeugdhulp moet worden uitgevoerd door of onder de verantwoordelijkheid van geregistreerde professionals (BIG of SKJ) met de juiste opleiding. Tevens is bepaald dat naast de geregistreerde professionals ook niet geregistreerde professionals jeugdhulp kunnen bieden, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De praktische uitwerking van deze voorwaarden staat in het «Kwaliteitskader Jeugd; Norm voor verantwoorde werktoedeling». Het belangrijkste criterium voor het inzetten van een niet-geregistreerde professional is de situatie van de jeugdige. Als er bij de jeugdige sprake is van een voorspelbare, veilige situatie waarbij de risico’s zijn in te schatten dan mag een niet-geregistreerde professional worden ingezet. Deze wettelijke bepaling en praktische uitwerking geldt ook indien gemeenten ervoor kiezen om basiszorg zelf te leveren bijvoorbeeld via lokale teams. Dit zal altijd plaats moeten vinden conform het genoemde kwaliteitskader Jeugd.
Kunt u inzichtelijk maken in hoeverre de personeelstekorten in de jeugdzorg kunnen worden opgelost als gemeenten gaan korten op hun interne uitgaven, bijvoorbeeld op personeelskosten in het sociaal domein, zodat dit budget vrijkomt voor goed opgeleide hulpverleners bij zorgaanbieders en het uitvoeren van gedegen zorgtrajecten en maatregelen ter voorkoming van een uithuisplaatsing?
Gemeenten kunnen hun middelen vrij besteden en het is aan gemeenten om een afweging te maken tussen hun interne uitgaven en het budget voor bijvoorbeeld bepaalde vormen van zorg. Schaarste aan personeel in zorg en welzijn is helaas de dagelijkse realiteit. Meer geld lost niet de arbeidsmarkttekorten op. Het is de verantwoordelijkheid van alle partijen (werkgevers, gemeenten, brancheverenigingen en het Rijk) om te zorgen voor een aantrekkelijke sector voor potentiële jeugdzorgwerkers om in te werken, het aanpakken van arbeidsmarktknelpunten en te zorgen voor behoud van personeel.
In de brief die de Staatssecretaris van VWS en ik op 14 september jongstleden naar de Tweede Kamer hebben gestuurd8, hebben wij beschreven welke maatregelen wij nemen om de arbeidsmarktproblematiek aan te pakken. Dit omvat onder andere een stimuleringsregeling voor zijinstromers, waarvoor wij in totaal € 10 mln beschikbaar stellen.
Welke stappen gaat u zetten om de werkdruk van jeugdhulpverleners drastisch te verminderen?
Op 14 september jl. hebben wij de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de maatregelen die wij op dit moment nemen om de situatie in de jeugdbeschermingsketen te verbeteren, zodat jeugdbeschermers meer tijd en ruimte krijgen voor de hulp en begeleiding van kinderen en ouders.9
Het kabinet stelt hiervoor in de komende jaren in totaal € 80 mln beschikbaar. Hiervan wordt in totaal € 40 mln beschikbaar gesteld aan GI’s zodat zij op korte termijn meer medewerkers kunnen aantrekken en tot een caseloadverlaging kunnen komen. Het gaat om € 10 mln per jaar, tot en met 2025. En we verwachten dat gemeenten een vergelijkbare bijdrage doen.
Daarnaast stelt het Kabinet in 2023 en 2024 in totaal € 10 mln beschikbaar voor een zijinstroom regeling om meer jeugdbeschermers te werven en op te leiden.
Verder werken wij voor de korte termijn onder andere aan een landelijke norm voor een reële caseload, het verminderen van regeldruk bij GI’s, het beter mogelijk maken van functiedifferentiatie, het vergemakkelijken van de inzet van jeugdhulp, waarbij bij toekennen van hulp de uitspraak van een rechter zwaarwegend is en het verminderen van de instroom. De details kunt u teruglezen in bovengenoemde brief.
De bovengenoemde maatregelen zullen op korte en middellange termijn verlichting gaan bieden, maar de structurele oplossing zit in de nieuwe manier van werken conform het Toekomstscenario. Vroegtijdiger zicht op de problemen en vroegtijdiger inzet van passende hulp en steun voorkomt dat problematiek nodeloos verergert. Vanuit het grote gevoel van urgentie willen we deze nieuwe manier van werken versneld gaan toepassen. Voor deze versnelling stelt het Kabinet in totaall € 30 mln beschikbaar (jaarlijks € 1 mln in 2023, 2024 en 2025).
Gaat u in kaart brengen hoeveel onterecht uithuisgeplaatste kinderen er zijn in Nederland en wat ervoor nodig is om deze kinderen weer te herenigen met hun ouders?
Nee, dat ben ik niet van plan.
De stelling dat uithuisplaatsingen in Nederland vaak onterecht zijn, dan wel deze beslissingen onrechtmatig zijn onderschrijf ik niet. De rapporten van de IGJ en de Universiteit van Leiden laten ook zien dat een uithuisplaatsing vaak om goede gronden en in het belang van de veiligheid van een kind wordt genomen. De richtlijn voor uithuisplaatsing10 geeft de jeugdprofessional een kader voor het nemen van dergelijke ingrijpende besluiten. Deze richtlijn heeft hebben de insteek dat een uithuisplaatsing van een kind zoveel als mogelijk voorkomen moet worden. Een uithuisplaatsing is dus echt een laatste middel, als er geen andere oplossingen meer zijn voor een kind om thuis op te groeien.
Ondanks de goede intenties van de betrokken partijen en jeugdprofessionals realiseer ik mij dat in de praktijk van het uithuisplaatsen verbeterslagen nodig zijn. Bijvoorbeeld op het gebied van de bejegening van en samenwerking met ouders en kinderen gedurende het gehele traject van hulp en bescherming, de inzet van passende jeugdhulp en de tijd en ruimte die een jeugdprofessional nodig heeft om tot een zorgvuldig besluit te kunnen komen. Daar wil ik mij hard voor maken.
Als de rechter een uithuisplaatsing onterecht verklaart, duurt het vaak nog erg lang voor het betreffende kind teruggeplaatst wordt bij de ouders, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit proces in de toekomst sneller verloopt? Kunt u concreet aangeven welke stappen u gaat ondernemen om kinderen zo snel mogelijk terug te plaatsen bij hun ouders en hoe dat van invloed zal zijn op het verminderen van de wachtlijsten in de jeugdzorg, aangezien een afgesloten traject van het ene kind, sneller een nieuw hulptraject voor een ander kind zal betekenen?
Zie antwoord vraag 19.
Gaat u alle uithuisplaatsingen in Nederland opnieuw toetsen op rechtmatigheid? Zo nee, waarom niet?
Een kinderrechter kan een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing afwijzen of een machtiging op verzoek van de ouder voortijdig beëindigen. Dat het in deze situaties vervolgens lang duurt voordat een kind teruggeplaatst wordt bij ouders herken ik niet.
Wat gaat u concreet ondernemen om de rechtspositie van kinderen en ouders in de jeugdzorg zo snel mogelijk te verbeteren? Kunnen ouders en kinderen bijvoorbeeld altijd een, vrij gekozen, onafhankelijke vertrouwenspersoon krijgen die hen kan ondersteunen, bij kan staan in de procedurele afhandeling van hun zaak en toe kan zien op de rechtmatigheid en doelmatigheid van het proces?
In november ontvangt uw Kamer een plan van aanpak ter verbetering van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming. In dit plan van aanpak zal ik ook ingaan op de wijze waarop ik de juridische ondersteuning van kinderen en ouders bij procedures wil verbeteren. Overigens hebben jeugdigen en hun ouders die te maken hebben met jeugdhulp recht op een (gratis) onafhankelijke vertrouwenspersoon, van bijvoorbeeld het Advies en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ).
Gaat u de kinderen die onterecht uit huis zijn geplaatst en hun ouders compenseren voor de geleden schade? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Jeugdbeschermers zetten zich iedere dag in voor de veiligheid en de ontwikkeling van kinderen en zijn zich bewust van het ingrijpende karakter van een uithuisplaatsing. Voor een uithuisplaatsing is een machtiging van de rechter nodig, tegen welke beslissing hoger beroep openstaat. Er zijn geen regelingen op basis waarvan compensatie toegekend kan worden na uithuisplaatsingen.
De rol van afvalenergiecentrales in Nederland en Europa. |
|
Erik Haverkort (VVD), Agnes Mulder (CDA), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van Royal Haskoning over de rol van afvalenergiecentrales in Europa en Nederland?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het rapport van Royal Haskoning.
Hoe beoordeelt u de conclusie van dit rapport dat de afvalimportheffing er weliswaar voor heeft gezorgd dat er minder afval werd geïmporteerd, maar dat er door deze heffing niet minder afval werd verbrand in de afvalenergiecentrales en de CO2-uitstoot zelfs licht toenam?
Het kabinet heeft in 2019 besloten de uitzondering in de afvalstoffenbelasting voor het verbranden en storten van buitenlands afval in Nederland te schrappen. Sinds 1 januari 2020 dient er dus over zowel binnenlands als over buitenlands afval dat gestort of verbrand wordt afvalstoffenbelasting te worden betaald. Strikt genomen is er dus geen sprake van een «importheffing». Recycling in Nederland, dus ook van geïmporteerd afval, blijft buiten de heffing.
Het is juist dat er sindsdien minder buitenlands afval in Nederland is verbrand. De conclusie dat de CO2-uitstoot licht toenam, deel ik niet. In tabel 7.8 van de NIR20222 staat dat de fossiele CO2-emissies van afvalverbranding in 2020 lager zijn dan in 2019. Dat er in 2020 geen sprake was van een significante daling van het afval dat in Nederland verbrand werd, heeft andere redenen. In 2019 viel een groot deel van de capaciteit van de afvalverbrandingsinstallatie (AVI) in Amsterdam weg. Omdat Nederlandse AVI’s vol zaten, is een deel van het Nederlands brandbaar afval opgeslagen. We zien sinds 2020 dat de hoeveelheid opgeslagen brandbaar afval in Nederland weer terugloopt en er door afvalbedrijven een inhaalslag wordt gemaakt. Aannemelijk is dat een deel van de vrijgevallen capaciteit gebruikt is voor het extra afval dat als gevolg van de coronapandemie moest worden verwerkt. Verder zien wij een afname in de hoeveelheid Nederlands brandbaar afval dat met ontheffing wordt gestort in Nederland. Een overzicht van de cijfers vindt u terug in de jaarlijkse rapportage van de werkgroep afvalregistratie van Rijkswaterstaat.3
Wordt uw conclusie uit de brief van 21 april 2022 (Kamerstuk 32 852, nr. 189) dat de afvalimportheffing tot een CO2-besparing van 0,381 Mton leidt onderschreven door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)? Is deze besparing alleen gebaseerd op de schoonsteenemissies of zijn daarbij ook de emissies in de keten meegenomen? Wilt u dit nogmaals navragen bij het PBL en het antwoord van het PBL in de beantwoording meenemen?
Uw Kamer heeft mijn voorganger gevraagd de berekeningen van het PBL met uw Kamer te delen. Dat heb ik op 21 april 2022 met betreffende Kamerbrief gedaan. In de met u gedeelde berekening komt het PBL tot een CO2-besparing in Nederland van 0,381 Mton in 2030 als gevolg van het onder de afvalstoffenbelasting brengen van het verbranden en storten van buitenlands afval. In deze berekening gaat het om schoorsteenemissies in Nederland en heeft het PBL-rekening gehouden met de substitutie door andere vormen van energie- en warmteopwekking op basis van de dan verwachte energiemix.
Deelt u de mening dat het om het gehele effect van deze maatregel te meten ook nodig is om de vermeden emissies door de energieproductie doorafvalenergiecentrales, (metaal)recycling en het voorkomen van het storten van afval in het buitenland mee te nemen in de berekening? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft, zoals bij alle klimaat- en Urgenda-maatregelen, gekeken naar de klimaateffecten in Nederland en laat deze monitoren door het PBL. In het effect van de maatregel is al rekening gehouden met de vermeden emissies door de energieproductie van AVI’s in Nederland. Ook kijkt het kabinet bij het nemen van klimaatmaatregelen naar mogelijke weglekeffecten. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat de Europese Unie lidstaten verplicht storten terug te dringen en zoveel mogelijk in te zetten op recycling. Ik deel de mening dat ook ketenemissies buiten Nederland een rol kunnen spelen in de formulering van nationaal beleid. Echter, ook het meenemen van de in het onderzoek genoemde factoren geeft een beperkt beeld. Zo wordt bijvoorbeeld de metaalrecycling uit bodemassen niet afgezet tegen de recycling zonder verbranding in een AVI, die met betere bron- en nascheiding zou gelden.
Overigens bestaan er effectievere wijzen om deze emissies te vermijden. Zoals betere bron- en nascheiding om vervolgens te recyclen. Immers, met verbranden in een AVI gaan veel waardevolle grondstoffen verloren en kunnen metalen en andere fracties in veel gevallen maar beperkt en vaak tegen hogere kosten achteraf worden herwonnen. Het is dus beter om verbranding te voorkomen en zoveel mogelijk aan de voorkant te scheiden en te recyclen.
Bent u bereid om het totale effect van de afvalimportheffing, inclusief vermeden emissies door de energieproductie door deafvalenergiecentrales, (metaal)recycling en het voorkomen van het storten van afval in het buitenland door het PBL te laten berekenen? Zo nee, waarom niet?
Het PBL heeft al gekeken naar de totale effecten van de maatregel op Nederlandse bodem en rekening gehouden met de vermeden emissies door de energieproductie van AVI’s in Nederland, zoals gebruikelijk voor alle klimaatvoorstellen.
Hoe ziet u de rol van de Nederlandse afvalenergiecentralesbinnen het klimaatneutrale energiesysteem van de toekomst?
In de basis is de huidige brandstof van AVI’s voornamelijk plastics, papier, karton en andere biogene reststromen. In een circulaire economie worden deze afvalstromen op een veel hoogwaardigere wijze ingezet dan het verbranden in AVI’s. Het beleid is er dan ook op gericht om weg te bewegen van storten en verbranden naar meer hoogwaardige vormen van verwerking. Verbranding als verwerkingsmethode zal waarschijnlijk alleen nog nodig zijn voor bepaalde afvalstromen, bijvoorbeeld medisch of gevaarlijk afval, maar zal niet meer in de huidige vorm en omvang plaatsvinden. Dat geldt dus ook voor energielevering uit afvalverbranding. Dit zou immers betekenen dat we potentiële waardevolle secundaire grondstoffen zouden moeten blijven verbranden vanuit het oogpunt van energievoorziening. Dat is vanuit het perspectief van de circulaire economie, noch vanuit de klimaatopgave wenselijk.
Deelt u de constatering dat afvalenergiecentrales ook in de toekomst nog een belangrijke rol kunnen spelen als bron van hernieuwbare warmte? Zo nee, waarom niet?
Zolang er behoefte aan afvalverbrandingscapaciteit bestaat in Nederland is het goed de warmte van deze installaties te benutten. Echter, met het verminderen van de hoeveelheid brandbaar afval in de toekomst zal ook de bijdrage van afvalverbranding aan de levering van warmte afnemen. Overigens wordt alleen de warmte van afvalverbranding afkomstig van het biogene deel van het afval tot hernieuwbare warmte gerekend, een substantieel deel van de brandstof van AVI’s (plastics) heeft een fossiele oorsprong en is dus niet hernieuwbaar.
Kunt u aangeven wat de huidige energieproductiecapaciteit van de afvalenergiecentrales is uitgedrukt in kubieke meters aardgas en welk deel daarvan bestempeld kan worden als duurzaam opgewekte energie?
Het aandeel hernieuwbare energie van AVI’s is op basis van gegevens over 2020 vastgesteld op 54%.4 Het is niet goed mogelijk om de geproduceerde energie (warmte en elektriciteit) terug te rekenen naar aardgas als brandstof. Dit zal in grote mate afhangen van de rendementen van de installaties waarin het gas wordt toegepast en het rendement van de AVI voor de verschillende energievormen. Om u een idee te geven: voor de elektriciteitsproductie geldt dat het rendement van een moderne grootschalige aardgascentrale ongeveer 60% is, van een steenkoolcentrale is dat ongeveer 46% en van een AVI is dat doorgaans een stuk lager, zo’n 35%.
Voor warmte gelden weer andere rendementen, zo is het rendement van een cv-ketel ongeveer 94%, van warmte uit aardgas als stoom maximaal 85% en van een AVI voor warmte doorgaans 80–85%. AVI’s leveren over het algemeen hoge temperatuur warmte en stoom. Deze is het meest efficiënt in te zetten voor industriële toepassingen, of via de gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte.
Hoe kijkt u naar het belang van afvalenergiecentrales als gedeeltelijke vervanging voor het wegvallen van houtige biomassa als bron van hernieuwbare warmte?
Het is voor het kabinet van belang dat we niet afhankelijk worden van afvalverbranding voor de levering van warmte. Zolang er afvalverbranding is in Nederland is het goed om gebruik te maken van de aftapwarmte die deze centrales produceren. Aftapwarmte uit AVI’s zal de komende jaren nog een belangrijk aandeel hebben in de warmtevoorziening, die echter geleidelijk zal worden afgebouwd. Het kabinet werkt aan het opschalen van CO2-vrije en hernieuwbare warmtebronnen die de rol van aftapwarmte en warmte uit houtige biomassa overnemen, tot uiteindelijk een volledig duurzame warmtebronnenmix is gerealiseerd. Een AVI als warmtebron ligt in de aanloop naar een volledig circulaire en klimaatneutrale economie steeds minder voor de hand.
Wat is uw visie op CO2-afvang bij afvalenergiecentrales? Welke mogelijkheden ziet u om door middel van CO2-afvang de CO2-uitstoot per ton verbrand afval te doen dalen en wellicht op termijn zelfs energie te produceren in de afvalenergiecentrales met een negatieve CO2-voetafdruk?
Voor het verminderen van de uitstoot van AVI’s zet het kabinet, door middel van hergebruik en recycling, met name in op het verminderen van de hoeveelheid afval die in Nederland wordt verbrand. Naast deze maatregelen levert CO2-afvang en opslag een bijdrage aan het behalen van de klimaatopgave in 2030. Onder het Klimaatakkoord hebben AVI’s een opgave van 1 Mton CO2-reductie in 2030. De installaties vallen ook onder de CO2-heffing. CO2-afvang wordt door het kabinet gezien als tussenstap voor industriële toepassingen waar emissie-loze alternatieven vooralsnog geen optie zijn. Voor de CO2-afvang bij afvalverbrandingsinstallaties kunnen momenteel subsidies worden aangevraagd. CO2kan permanent worden opgeslagen of worden geleverd aan bijvoorbeeld de glastuinbouw om zelfgeproduceerde CO2te vervangen. Daarbij verdient het de voorkeur om de CO2-behoefte in te vullen met niet-fossiele CO2om blijvende afhankelijkheid van fossiele CO2te voorkomen.
Met de opslag van CO2kunnen negatieve emissies worden behaald wanneer CO2uit biogene bronnen wordt opgeslagen. Over het al dan niet rekenkundig mogen toekennen van negatieve emissies aan het opslaan van CO2-stromen met zowel een fossiele als biogene component loopt op dit moment een Europees proces. Het kabinet streeft binnen Europa naar een snelle operationalisatie van mogelijkheden voor negatieve emissies. Hoe dan ook is er op weg naar een volledig circulaire economie steeds minder afvalverbranding nodig. Het Kabinet is altijd bereid om te praten over verduurzaming van de sector.
Wat is het potentieel voor CO2-afvang bij de Nederlandse afvalenergiecentrales uitgedrukt in Mton CO2? Wat is er voor nodig om dit potentieel te benutten en wat is daarbij uw inzet?
Volgens een rapport van Royal HaskoningDHV uit 20215 wordt momenteel jaarlijks circa 9 Mton CO2uitgestoten bij AVI’s en slibverbrandingsinstallaties, waarvan nu 62% van de uitstoot als biogeen geldt. Voor een mogelijke inschatting van het potentieel verwijs ik u naar ditzelfde rapport waar een aantal toekomstscenario’s voor het potentieel van CO2-afvang zijn opgenomen, waaronder bij AVI’s. Het potentieel voor CO2-afvang bij AVI’s is onder andere afhankelijk van de hoeveelheid afval die nog verbrand wordt de komende jaren. Voor de CO2-afvang, transport en opslag bij AVI’s kunnen momenteel subsidies worden aangevraagd, bijvoorbeeld via de SDE++ en de Topsector Energie (TSE)-regelingen. Het kabinet zal de komende tijd bezien hoe instrumenten zo kunnen worden ingezet dat zij zowel de transitie naar een klimaatneutrale economie als de transitie naar een circulaire economie ondersteunen.
Welke rol ziet u voor Nederlandse afvalenergiecentrales bij het realiseren van de roadmap chemische recycling? Deelt u de mening dat de afvalenergiecentrales hierbij een toegevoegde waarde kunnen hebben als zij middels plastic nascheiding op (geïmporteerd) restafval kunnen zorgen voor een voor chemische recycling geschikte plasticstroom?
Het kabinet ondersteunt het belang van de uitvoering van de roadmap chemische recycling. Binnen de industrie zijn een aantal concrete projecten in een vergevorderd stadium die op grote schaal plastics recyclen door middel van chemische recycling. Het kabinet ziet geen bezwaren in de aanvoer van brongescheiden plasticstromen uit het buitenland om in Nederland chemisch te recyclen. Recyclen van afval wordt ook niet belast onder de afvalstoffenbelasting. Het kabinet benadrukt echter dat het, met het oog op het klimaat- en circulaire economie beleid voor de langere termijn, onwenselijk is om restafval met een substantieel deel niet-recyclebaar afval uit het buitenland te halen om hier in Nederland na te scheiden en chemisch te recyclen en de rest hier te verbranden. Afvalverbranding levert ongeacht de herkomst van het afval immers lokale emissies en bodemassen op.
Herkent u de constatering uit het rapport van Royal Haskoning dat het feit dat er in de EU veel meer brandbaar afval dan verbrandingscapaciteit beschikbaar is, betekent dat bij het sluiten van verbrandingscapaciteit in Nederland er elders in de EU of in het VK meer afval gestort zal worden, met additionele CO2-emissies als gevolg? Hoe weegt u dit feit mee in uw visie op de toekomstige rol van de Nederlandse capaciteit aan afvalenergiecentrales?
De Europese Unie verplicht lidstaten storten terug te dringen en zoveel mogelijk in te zetten op recycling. De aanname dat alles wat niet in Nederland of elders verbrand wordt leidt tot stortemissies in het buitenland wordt niet gedeeld. Het merendeel van het in Nederland verbrande buitenlandse afval kwam in 2019 uit het Verenigd Koninkrijk. Ondanks dat het VK inmiddels geen deel meer uitmaakt van de Europese Unie, is ook daar sinds 2019 minder afval gestort.6
Hoe kijkt u aan tegen de vaststelling uit het rapport dat er in de Europese Unie in de periode tot 2035 zo’n 41 Mton capaciteit aan afvalenergiecentrales (vijf keer de Nederlandse capaciteit) bijgebouwd zal moeten worden om te voorkomen dat dit afval wordt gestort? Deelt u constatering dat dit betekent dat de huidige Nederlandse overcapaciteit, in ieder geval tot het moment dat deze capaciteit Europees gerealiseerd is, voorkomt dat er elders afval wordt gestort en daarmee ook methaan wordt uitgestoten?
Het kabinet ziet inzetten op meer en hoogwaardigere recycling als een effectiever pad dan verbrandingscapaciteit bijbouwen of bestaande capaciteit met belastingvoordelen te faciliteren in het verbranden van afval uit andere landen. Afvalverbranding levert ongeacht de herkomst van het afval immers lokale emissies en bodemassen op. Ten overvloede, investeringen in afvalverbranding worden bovendien binnen de EU ook niet meer gezien als investeringen in een economische activiteit die substantieel bijdraagt aan de transitie naar een circulaire economie.7
Het bericht dat bij vrouwen met borstimplantaten nieuwe vormen van kanker zijn gevonden. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek: nieuwe vormen van kanker bij vrouwen met borstimplantaten»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat Amerikaanse onderzoekers huidkanker en lymfeklierkanker hebben gevonden bij vrouwen met borstimplantaten?
De FDA heeft op 8 september 2022 veiligheidsinformatie gepubliceerd naar aanleiding van meerdere meldingen over het voorkomen van plaveiselcelcarcinoom en bepaalde vormen van lymfeklierkanker in het littekenweefsel rondom het implantaat. Plaveiselcelcarcinoom is een kanker van een bepaald type cellen dat op meerdere plaatsen in het lichaam voorkomt. Bepaalde huidkankers, maar bijvoorbeeld ook sommige vormen van longkanker bestaan uit dit type. De vormen van lymfeklierkanker die zijn gevonden, zijn andere vormen dan het bekende Breast Implant Associated Anaplastic Large-Cell Lymphoma (BIA-ALCL). Vanwege het lage aantal casussen is meer onderzoek nodig om precies te weten of er inderdaad een verband is met borstimplantaten. De IGJ heeft hierover al contact gelegd met Nederlandse onderzoekers die ook onderzoek doen naar BIA-ALCL. Ik blijf samen met de IGJ de situatie rondom borstimplantaten in de gaten houden en bij belangrijke ontwikkelingen uw Kamer hierover informeren.
Maakt u zich zorgen over Nederlandse vrouwen met borstimplantaten die mogelijk ook vormen van kanker hebben? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de veiligheidsinformatie van de FDA heeft de NVPC inmiddels een nieuwsbericht op haar website geplaatst en goede voorlichting opnieuw onder de aandacht gebracht2.
Op dit moment is nog niet bekend hoe vaak deze vormen van kanker voorkomen en wat de risicofactoren zijn dat zij optreden in het kapsel rond een borstimplantaat, of er een verband is met borstimplantaten, en hoe groot het risico op deze vormen van kanker is. Ik zie momenteel geen aanleiding tot extra voorlichting. Desondanks vind ik het belangrijk dat patiënten wel duidelijk geïnformeerd worden over de voor- en nadelen van borstimplantaten, voordat deze worden geplaatst. Hierdoor kunnen patiënten namelijk in samenspraak met hun arts een goede afweging maken over het al dan niet nemen van borstimplantaten. De Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) heeft om dit gesprek te ondersteunen een patiëntenfolder en chirurgische bijsluiter ontwikkeld,3, 4.
Daarnaast krijgen patiënten het advies om zich bij hun arts te melden bij (lokale) klachten als pijn en vormverandering van de borst, toename van de borstgrootte (kan wijzen op BIA-ALCL), indien zij iets voelen (een zwelling) dat zij niet vertrouwen (kan wijzen op BIA-ALCL of een borsttumor), of als er per toeval met een echo of MRI, verricht vanwege een andere reden, een kapotte prothese wordt vermoed.
Gaat u ervoor zorgen dat vrouwen worden voorgelicht over dit extra risico op kanker? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u overwegen om ook in Nederland vrouwen met borstimplantaten om de vier jaar een MRI-scan te laten ondergaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik verwijs u hiervoor naar het antwoord van mijn voorgangers Blokhuis5 en Van Ark6. Ik zie geen aanleiding om hierover een ander standpunt in te nemen.
Zijn siliconen borstimplantaten volgens u veilig?
Ik wil benadrukken dat geen enkel implantaat honderd procent veilig is. Hierdoor zal iedereen die borstimplantaten heeft of overweegt te nemen, in samenspraak met de arts, een afweging moeten maken tussen de risicos en de voordelen van een behandeling. Vandaar dat ik het belang van goede voorlichting van de voor- en nadelen van borstimplantaten benadruk.
Daarnaast wil ik aangeven dat bij markttoelating de fabrikant met toereikende klinische bewijsvoering moet aantonen dat het implantaat voldoende veilig en effectief is. Verder moeten fabrikanten bijwerkingen nauwlettend monitoren in de verplichte post-market surveillance, zodat hier vroegtijdig op kan worden geacteerd. Dit kan leiden tot bijvoorbeeld het maken van aanpassingen in het product of de ingreep, of het verbeteren van de gebruiksaanwijzing en/of patiëntinformatie etc. Zowel patiënten als zorgverleners roep ik op mogelijke bijwerkingen te melden bij het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) van het RIVM, zodat mogelijke problemen met een implantaat vroegtijdig gesignaleerd worden.
Zijn alternatieven zoals lipofilling niet beter aan te bevelen boven siliconen?
Momenteel bevindt autologe vettransplantatie (AFT), ook wel lipofilling genoemd, zich in een traject van Voorwaardelijke Toelating7. Het doel is om de effectiviteit van deze behandeling te bepalen bij patiënten die een borstverwijderingsoperatie hebben ondergaan ter behandeling van borstkanker. Bij een positief oordeel van het Zorginstituut Nederland (ZIN) zal de behandeling, zoals beschreven in de duiding, onderdeel worden van het basispakket. Het traject van Voorwaardelijke Toelating kent een looptijd tot 1 januari 2023. Uiterlijk dan stelt ZIN haar duiding ook vast.
Het bericht dat gedetineerden niet met verlof kunnen vanwege maandenlange wachttijden bij de verlofaanvraag |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat verloven van gedetineerden die zijn veroordeeld voor een ernstig gewelds- of zedendelict zijn ingetrokken omdat de wachttijden bij psychologen soms maanden bedragen? Herkent u deze problemen?1
Ja. Het beeld dat bepaalde categorieën gedetineerden moeten wachten op de afname van een risicotaxatie en delictanalyse voorafgaand aan hun verlof(fase) herken ik.
Klopt het dat deze ingetrokken verloven het gevolg zijn van de nieuwe werkwijze onder de Wet straffen en beschermen? Zo nee, waar ligt dit dan aan?
Het intrekken van verloven op deze grond is niet terug te voeren op de (deels) per 1 juli 2021 inwerking getreden Wet straffen en beschermen. De ingetrokken verloven zijn het gevolg van de wijziging van artikel 3 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) uit november 2021.2 Met de wijziging werd geregeld dat een risicotaxatie en delictanalyse verplicht worden betrokken bij het re-integratieverlof van gedetineerden die zijn veroordeeld voor een ernstig gewelds- en zedenmisdrijf en in verband met een specifieke zorg- of behandelingsbehoefte worden overgeplaatst naar een forensische zorginstelling. In de formulering van dit artikel is ten onrechte opgenomen dat dat voor iedere verlofsituatie dient te worden opgesteld. Hierdoor zijn de voorwaarden voor re-integratieverlof voor een te ruime doelgroep aangescherpt. Door de hierdoor toegenomen vraag om een risicotaxatie en delictanalyse uit te voeren, zijn er wachttijden ontstaan bij de inrichtingspsychologen die deze risicotaxatie en delictanalyse moeten afnemen. Dit heeft tot gevolg dat het langer duurt voordat op een verlofaanvraag kan worden beslist. Het kan hierdoor ook voorkomen dat nieuwe verloven nu niet worden toegekend aan gedetineerden die eerder wel met verlof mochten. Op dit moment wordt de huidige (te ruime) formulering in de Rtvi aangepast. Het streven is de gewijzigde regeling per 1 januari in werking te laten treden. Vooruitlopend op deze wijziging heb ik met DJI afgesproken dat zij vanaf 6 september 2022 niet meer bij alle verlofaanvragen van gedetineerden waarbij sprake is van een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf, standaard een risicotaxatie en delictanalyse verplicht wordt gesteld (zie ook antwoord op vraag 6).
Bent u het ermee eens dat verloven van wezenlijk belang zijn om recidive te verminderen en dat het dus niet goed is als verloven geen doorgang kunnen vinden?
Ja, re-integratieverlof is een wezenlijk onderdeel van het detentie- en re-integratietraject van gedetineerden en belangrijk om recidive te verminderen. Daarbij is het wel belangrijk dat risico’s voor de veiligheid van de samenleving, voorafgaand aan het re-integratieverlof, goed in beeld worden gebracht. Voor de verzoeken tot re-integratieverlof (extramurale arbeid, kortdurend- en langdurend re-integratieverlof) wordt daarom altijd de Risicoscreener Geweld afgenomen. Indien uit de Risicoscreener Geweld volgt dat sprake is van ernstige zorgen is afname van een verdiepende risicotaxatie aangewezen.
Is bij de inwerkingtreding van de nieuwe Wet straffen en beschermen voldoende geanticipeerd op het feit dat meer gedetineerden voor hun verlof aan een risicotaxatie of delictanalayse onderworpen dienen te worden? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
De verplichting om bij de doelgroep van veroordeelden voor een ernstig geweld- of zedendelict verplicht een risicotaxatie en delictanalyse uit te voeren voorafgaand aan een plaatsing vanuit detentie naar een forensische zorginstelling, vloeit voort uit de maatregelen die in 2019 zijn genomen naar aanleiding van de zaak Michael P. De ontstane situatie vloeit, zoals hierboven reeds is aangegeven, niet voort uit de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen. Deze verplichting is met de genoemde wijziging van de Rtvi in november 2021 ten onrechte te ruim aangescherpt naar alle aanvragen tot re-integratieverloven voor deze doelgroep.
Kunt u per gevangenis aangeven hoe lang de extra wachttijden gemiddeld zijn voor gedetineerden die een ernstig zeden- en/of geweldsdelict op hun kerfstok hebben, en om hoeveel gedetineerden het gaat die tegen vertragingen voor hun verlof aanlopen?
Op 31 augustus 2022 betrof het landelijk totaal aantal aanvragen om toekenning van re-integratieverlof van gedetineerden die zijn veroordeeld voor een ernstig geweld- of zedendelict en waarbij moest worden gewacht op een risicotaxatie en delictanalyse, ongeveer 100 zaken. Omdat dit per geval en per penitentiaire inrichting verschilt is het niet mogelijk om de gemiddelde wachttijd aan te geven die is gemoeid met het wachten op een risicotaxatie en delictanalyse.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat wachttijden om met verlof te mogen gaan zo spoedig mogelijk verleden tijd zijn? Bent u bereid om te kijken of de eis van een risicotaxatie/delictanalyse niet te breed is geformuleerd?
Zoals in het antwoord bij vraag 2 aangegeven wordt op dit moment de huidige (te ruime) formulering in de Rtvi aangepast. Het streven is de gewijzigde regeling per 1 januari in werking te laten treden. Vooruitlopend op deze wijziging heb ik met DJI afgesproken dat zij vanaf 6 september 2022 niet meer bij alle verlofaanvragen van gedetineerden waarbij sprake is van een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf, standaard een risicotaxatie en delictanalyse verplicht wordt gesteld. De risicotaxatie en delictanalyse zijn verplicht voor gedetineerden die zijn veroordeeld voor een ernstig geweld- of zedendelict en in verband met een specifieke zorg- of behandelingsbehoefte worden overgeplaatst naar een forensische zorginstelling. Voorafgaand aan alle verzoeken tot re-integratieverlof (extramurale arbeid, kortdurend- en langdurend re-integratieverlof) dient altijd in de penitentiaire inrichting de Risicoscreener Geweld te worden afgenomen. Indien uit de Risicoscreener Geweld volgt dat sprake is van ernstige zorgen is afname van een verdiepende risicotaxatie noodzakelijk, tenzij door de penitentiaire inrichting afdoende beargumenteerd kan worden waarom er gegronde redenen zijn om een verdiepende risicotaxatie niet af te nemen.
Nieuwe risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater |
|
Tjeerd de Groot (D66), Kiki Hagen (D66) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de nieuwe risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater zoals vastgesteld door het RIVM?1
Ja.
Klopt het dat de risicogrenzen voor PFOA en PFOS tussen de 90–160 keer lager liggen dan de nu geldende normen voor zoet en zout water?
Het RIVM heeft op verzoek van IenW nieuwe risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater afgeleid nadat eerder al risicogrenswaarden zijn vastgesteld voor zwemwater en vis2. De nu door het RIVM voorgestelde risicogrenzen voor oppervlaktewater zijn lager dan de huidige vastgestelde normen. Aanleiding voor de herbeoordeling is de EFSA-opinie uit 2019, waarin geconcludeerd is dat PFAS al bij lagere inname schadelijk is voor de gezondheid.
Klopt het dat de nieuwe PFOA-risicogrenzen voor het oppervlaktewater 0,3 ng/l bedragen?
Ja, dat is de risicogrens zoals deze in het rapport van het RIVM staat.
Wat betekenen deze nieuwe risicogrenzen voor de Nederlandse inzet in de Kaderrichtlijn Water?
De Europese lijst prioritaire stoffen van de Kaderrichtlijn water en de bijlage van de EU-grondwaterrichtlijn worden op dit moment herzien. Een voorstel voor een herziene richtlijn wordt op 26 oktober verwacht. Er zullen nieuwe stoffen worden voorgesteld die Europees-breed een probleem zijn (en de chemische toestand van de KRW bepalen). De meest recente wetenschappelijke inzichten zijn ook op Europees niveau de basis voor de hoogte van de Europese milieukwaliteitsnormen. Nederlandse experts zijn nauw betrokken bij het proces van de herziening. Nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen aanleiding zijn om bestaande normen van de huidige prioritaire stoffen aan te passen, zoals eerder in de herziening van de richtlijn prioritaire stoffen is gebeurd met de aanscherping van de normen van enkele PAK’s en lood.
Welke vervolgstappen gaat u zetten nu de risicogrenzen voor PFOA, PFOS en GenX zo sterk zijn aangescherpt?
Ik zal mede op basis van het advies van het RIVM een besluit nemen of de normen voor PFAS in oppervlaktewater aangepast moeten worden.
Klopt het dat bij het besluit om alsnog over te gaan tot ontpoldering van de Hedwigepolder onderzoeken naar de PFAS-concentratie in oppervlaktewater een rol hebben gespeeld?
In de Kamerbrieven van 5 oktober 2021 (Kamerstukken 30 862, nr. 114) en van 20 juni 2022 (35 334, nr. 188) is aangegeven dat het zwevend stof dat uiteindelijk zal bezinken de beste indicatie geeft voor de op termijn te verwachten PFAS-waarden op de waterbodem van de ontpolderde Hedwigepolder. De PFAS-gehalten in het (oppervlakte)water vormen daar geen goede indicatie voor.
De metingen van PFAS in het water van de Westerschelde hebben dan ook geen aanleiding gegeven om de plannen voor de Hedwigepolder aan te passen. De waarde van PFAS in de Westerschelde zijn desalniettemin hoog en de inzet is om samen met de Vlaamse autoriteiten de emissies en daarmee uiteindelijk de PFAS-gehalten in het oppervlaktewater naar beneden te krijgen.
De ontpoldering van de Hedwigepolder is overigens op dit moment onderwerp van een tweetal rechtszaken. Een daarvan betreft een verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4074) door de voormalig eigenaar van de Hedwigepolder. De Raad van State heeft dit verzoek op 19 oktober verworpen, nadat eerder al de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak een verzoek om voorlopige voorziening afgewezen had (ECLI:NL:RVS:2022:3003).
Een tweede procedure betreft een verzoek om handhaving door de gemeente Hulst. De uitspraak hierover van de rechtbank Zeeland West-Brabant wordt een dezer dagen verwacht.
Klopt het dat uit dit onderzoek van het oppervlaktewater van de Hedwigepolder bleek dat de concentratie PFOA 11 ng/l betrof?
In een onderzoek naar PFAS in grondwater, kwelwater en oppervlaktewater is inderdaad bij een enkele meting een waarde van 11 ng/l PFOA in het oppervlaktewater in de Hedwigepolder gevonden.3 De gemiddelde concentratie PFOA in de Westerschelde in 2021 en 2022 is 8 ng/l.4
Klopt het dat de gemeten PFAS-waardes in het oppervlaktewater uit de onderzoeken in de Hedwigpolder niet voldoen aan de nieuwe risicogrenzen zoals vastgesteld door het RIVM?
Inderdaad zijn zowel de enkele meting in de Hedwigepolder als de tweejaarsgemiddelden in de Westerschelde hoger dan de risicogrenzen die RIVM nu heeft berekend. Of deze grenzen ook omgezet worden in normen moet nog besloten worden. De actuele norm voor PFOA in oppervlaktewater is 48 ng/l.
Welke consequenties heeft dit voor de natuur en de veiligheid in en om de Westerschelde en de Hedwigepolder?
De Minister voor Natuur en Stikstof heeft uw Kamer op 20 juni 2022 laten weten wat de verschillende uitgevoerde onderzoeken betekenen voor de ontpoldering van de Hedwigepolder (35 334 nr. 188). In deze brief staat uitgelegd dat de gevonden PFAS-waarden de ontwikkeling van estuariene natuur niet in de weg staan. Ook levert de ontpoldering van de Hedwigepolder geen aanvullend risico op voor de volksgezondheid.
Bent u het eens met de stelling dat het doel van de ontpoldering van de Hedwigepolder is om kwalitatief hoogwaardige natuur te creëren? Staat de PFAS-concentratie (kijkende naar de nieuwe risicogrenzen) dit in de weg?
Het doel van de ontpoldering van de Hedwigepolder en de Prosperpolder in Vlaanderen is het creëren van een grensoverschrijdend intergetijdengebied om het oppervlak aan estuariene natuur te vergroten. Hiermee wordt invulling gegeven aan de uitbreidingsdoelstelling die geldt voor de habitattypen estuaria, zilte pionierbegroeiing en schorren en zilte graslanden. Zoals aangegeven in de brief van de Minister voor Natuur en Stikstof van 20 juni 2022 staan de gemeten PFAS-waarden het bereiken van dat doel niet in de weg.
Welke consequenties heeft dit voor uw besluit om alsnog over te gaan tot ontpoldering van de Hedwigepolder?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Bereikbaarheid Ameland op het spel: boot te vaak te laat’ |
|
Fahid Minhas (VVD), Harry Bevers (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bereikbaarheid Ameland op het spel: boot te vaak te laat»?1
Ja, wij zijn bekend met het bericht «Bereikbaarheid Ameland op het spel: boot te vaak te laat», waarmee gedoeld wordt op het bericht «burgemeester Leo Pieter Stoel van Ameland houdt zijn hart vast voor het naderende stormseizoen: «Veerboot is te vaak te laat»» in de Leeuwarder Courant van 9 september jl.
Klopt het dat de veerboot naar Ameland te vaak te laat aankomt en de betrouwbaarheid van het dienstrooster hiermee op de lange én korte termijn op het spel staat? Zo ja, kunt u aangeven hoe vaak er sprake is geweest van een vertraagde dienstregeling in de afgelopen zeven maanden na de stormen van januari en februari?
Het klopt dat de veerboot naar Ameland vaker vertraging heeft dan de veerboten naar de andere Friese Waddeneilanden en dat dit een negatieve impact heeft op de betrouwbaarheid van de dienstregeling. In het tweede kwartaal van 20222 vertrok de veerboot bij 40 procent van de afvaarten meer dan 10 minuten te laat.
Heeft u de exacte oorzaak in beeld voor de vertraagde dienstregeling van de veerdienst naar Ameland en in hoeverre speelt de diepte van de vaargeul en het type zand uit deze geul hier een rol in?
In 2019 zijn de vertragingen op Ameland onderzocht door het onafhankelijke onderzoeksbureau Lievense3. Dit bureau concludeerde dat vertragingen ontstonden door een combinatie van factoren. Als meest voorkomende vertragingsfactoren werden genoemd: vervolgvertraging, staat van de vaargeul, laden en lossen en de waterstand. Wat betreft de vertragingen in het tweede kwartaal 2022 heeft Rederij Wagenborg Passagiersdiensten (hierna: WPD) ons gemeld dat het merendeel van de vertraagde afvaarten te wijten was aan het dichtslibben van de vaargeul.
In hoeverre beseffen alle betrokken partijen dat inwoners en bezoekers van Ameland volledig afhankelijk zijn van deze veerdienst voor hun bereikbaarheid en verbinding met het vaste land en hoe uit zich dit?
Alle betrokken partijen zijn zich terdege bewust van de afhankelijkheid van bewoners en bezoekers van Ameland van de veerverbinding.
De bereikbaarheid van de Waddeneilanden en havens is vastgelegd in de Agenda voor het Waddengebied 20504. Het hoofddoel van de vervoerconcessie Waddenveren Oost, die is verleend aan WPD, is het personenvervoer tussen het vasteland en de Waddeneilanden in stand te houden op een zodanige wijze dat deze verbindingen voor het publiek en de eilandbevolking toereikend zijn.
In het Nationaal Waterprogramma zijn de afmetingen van de geulen opgenomen. Rijkswaterstaat garandeert als vaarwegbeheerder de bereikbaarheid van het eiland. Die opdracht wordt in afstemming met regionale partners uitgewerkt in onderhoudsmaatregelen voor veerhavens en vaargeulen.
Om de bereikbaarheid ook voor de langere termijn te kunnen garanderen voert Rijkswaterstaat in onze opdracht het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030 uit. Het onderzoek is een vervolg op de Lange termijn Oplossingsrichtingen Bereikbaarheid Ameland na 2030 (LTOA). De LTOA is in januari 2020 door de Minister aan de Tweede Kamer aangeboden5. Het doel van het Vervolgonderzoek is een betrouwbare en duurzame verbinding naar Ameland voor de periode na 2030. Rijkswaterstaat werkt in het onderzoek samen met de gemeente Ameland, gemeente Noardeast-Fryslân, provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân. Ook worden belangenorganisaties, experts en inwoners bij het Vervolgonderzoek betrokken, bijvoorbeeld via deelname aan adviesgroepen en informatiebijeenkomsten.
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn van de vertraagde dienstregeling van de veerdienst voor de bereikbaarheid van Ameland, haar inwoners, haar bezoekers en het naderende stormseizoen?
Ons ministerie is de afgelopen jaren nauw betrokken geweest bij het oplossen van de bereikbaarheidsproblematiek. Daardoor hebben wij een goed beeld kunnen ontwikkelen van de gevolgen van de vertragingen. Diverse onderzoeken (zoals de rapporten uit het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 20306 en het rapport Lievense7) en participatiegesprekken met burgers, toeristen, ondernemers en bestuurders hebben dat beeld verder aangescherpt. De veerboot naar Ameland heeft vaker vertraging dan de veerboten naar de andere Friese Waddeneilanden, met mogelijk negatieve gevolgen voor de reizigers.
Kunt u toelichten wanneer Rijkswaterstaat en de baggeraars op de hoogte waren van de problemen rondom het dienstrooster van de veerdienst en waarom er tot op heden geen orde op zaken is gesteld voor het beter bevaarbaar maken van de vaargeul?
Het Waddengebied is een dynamisch natuurgebied dat continu aan natuurlijke veranderingen onderhevig is en daarmee onderhoud behoeft. In februari 2020 waren er drie opeenvolgende stormen die leidden tot een kleinere diepte van de vaargeulen. Na deze stormen is direct begonnen met het weer bevaarbaar maken van de vaargeul. Bij het eerste gedeelte van het traject vanaf veerdam Holwerd bleek ongeveer 100.000 m3 zand de vaargeul ingestroomd. Dit zand bleek moeilijker te verwerken en is – anders dan slib – minder goed doorvaarbaar. Ook blijkt de aanzanding vanaf de platen naar de lager gelegen vaargeul sinds de stormen structureel hoger. Door extra inzet was eind maart het midden van de vaargeul weer op diepte, alleen niet overal op de volle breedte. Met name bij lage waterstanden zoals springtij gecombineerd met oostenwind konden daardoor de veerboten elkaar niet overal passeren. Vanaf medio mei voldoet de vaargeul, op het eerste deel bij de veerdam Holwerd na, weer aan de eisen. Ondanks de inzet van extra materieel (sleephopperzuigers, kraanschepen en ploegboot) blijft het lastig om daar de hogere aanzanding vóór te blijven.
In hoeverre zou een aanpassing van de dienstregeling – het plannen van afvaarten om de 75 minuten in plaats van om de 60 minuten – kunnen bijdragen aan de oplossing van dit probleem en wat is de haalbaarheid van deze aanpassing?
Het plannen van de afvaarten om de 75 minuten zou waarschijnlijk leiden tot minder vertraagde afvaarten, omdat een vertraagde aankomst dan minder doorwerkt op de punctualiteit van de volgende afvaart. Er kleven echter ook nadelen aan een dergelijke dienstregeling, bleek tijdens het Open Plan Proces vaarverbinding Ameland-Holwerd8, namelijk onder andere een stijging van de exploitatielasten van de rederij. Wij beschouwen het ontwerp van de dienstregeling primair als een taak van de huidige concessiehouder. Deze handhaaft in haar vervoerplan 2023 de uursdienstregeling.
Kunt u aangeven waarom de gesprekken tussen Rijkswaterstaat en de provincie, het waterschap en de gemeenten Ameland en Noardeast-Fryslân pas 2030 in het vizier hebben voor het realiseren van een structurele oplossing van dit probleem? Hoe verhoudt zich dit tot de huidige concessie voor de Waddenveerdiensten die tot 2029 loopt?
Het onderzoek richt zich op de periode na 2030 omdat in 2029 de concessie voor zowel de oostelijke Waddenveren (Ameland en Schiermonnikoog) als de westelijke Waddenveren (Terschelling en Vlieland) afloopt. Het jaar 2030 vormt daarmee een logisch moment voor het realiseren van een lange termijn oplossing. Gezien de breedte van de alternatieven is een zorgvuldige afweging van belang. Daarnaast kost het realiseren van de oplossing tijd. In de periode totdat een lange termijn oplossing is gerealiseerd, draagt Rijkswaterstaat zorg voor de instandhouding van de verbinding naar Ameland.
Kunt u toelichten waarom de uitkomst van het vervolgonderzoek van Rijkswaterstaat nog geen voorkeursalternatief zal bevatten en waarom het besluit over een definitieve oplossing van dit probleem pas in 2023 zal worden genomen?
In het Vervolgonderzoek bereikbaarheid Ameland 2030 worden de twee meest kansrijke oplossingen uit de LTOA verder onderzocht en uitgewerkt, namelijk:
Het optimaliseren van de bestaande verbinding of;
Het verplaatsen van de vertreklocatie en/of de aankomstlocatie (van Holwerd naar Ferwert / van Nes naar de Ballumerbocht of naar Hollum).
Het streven is, conform de oorspronkelijke planning9 het onderzoek in 2023 af te ronden. Op basis van de informatie uit het onderzoek neemt de Minister een besluit over een eventueel vervolg. Pas als er voldoende informatie is en de gewenste oplossing helder is, zal er afhankelijk van de gewenste oplossing een procedure gestart worden, gericht op realisatie.
Welke kansen ziet u om het beslissingsproces naar een definitieve oplossing te versnellen, aangezien er volgend jaar al grote investeringen moeten worden opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)?
Voor het starten van een verkenning binnen het MIRT is het noodzakelijk dat de volledige financiering beschikbaar is voor het realiseren van de meest voor de hand liggende oplossing. Dit wordt meegenomen in het besluit over een vervolg. Met de uitkomsten van het Vervolgonderzoek is het mogelijk een eventuele MIRT-verkenning versneld uit te voeren.
Hoe gaat u voorkomen dat de huidige vervoerder en de potentiële nieuwe vervoerder in de problemen komen, aangezien er na 2023 al bepaalde investeringen niet meer mogen worden gedaan in de concessie voor de Waddenveerdiensten tot 2029?
Er is goed overleg tussen Rijkswaterstaat, WPD en ons ministerie over investeringsbeslissingen voor schepen die nog onder de huidige concessie ingezet worden. Volgens de concessievoorwaarden dient de huidige vervoerder de voorgenomen aanschaf van een schip uiterlijk vijf jaren voor het aflopen van de concessie bij de concessieverlener te melden. Dit is dus tot april 2024.
Welk effect heeft het ontstaan van natuurlijke geulen op de bestaande vaarroutes in het Waddengebied en hoeveel natuurlijke geulen doen zich momenteel aan als alternatieve vaarroutes?
Het beleid is om de veerbootroutes zo goed mogelijk te laten aansluiten op de natuurlijke ontwikkeling van de geulen van de Waddenzee en daarmee zo min mogelijk baggerwerk te hoeven plegen. De geulen en zandplaten veranderen continu van ligging. Sommige geulen verzanden langzaam, nieuwe geulen ontstaan. Als de vaargeulen verzanden wordt baggerwerk uitgevoerd. Als zich een nieuwe natuurlijke geul ontwikkelt die zonder of met minder baggerwerk in stand gehouden kan worden, dan wordt de vaarroute naar die nieuwe geul verlegd, mits ook passend binnen de daar voorkomende natuurwaarden. Dat kan dus betekenen dat de veerboot soms een andere route moet nemen en dat de reis iets korter of langer gaat duren. Een voorbeeld van een natuurlijke vaargeul bevindt zich ten westen van de huidige vaargeul Holwerd – Ameland. Om deze geul te kunnen gebruiken als veilige vaarweg, moet de geul op de juiste onderhoudsdiepte en breedte worden gebracht. Deze geul sluit beter aan op de natuurlijke morfologische ontwikkelingen in de Waddenzee. De verwachting is dat, door mee te bewegen met het systeem en deze geul te gebruiken als vaarweg, er minder baggerwerkzaamheden nodig zijn. De beweging van de geulen wordt voortdurend gemonitord en er zijn momenteel twee tot drie gebieden waar potentieel nieuwe geulen aan het ontstaan zijn. Naar verwachting is dat echter niet op korte termijn.
Heeft u in beeld hoeveel vaarroutes in het Waddengebied momenteel te maken hebben met dichtslibbende vaargeulen of hiertoe risico lopen? Hoe gaat u voorkomen dat er meer vaargeulen in het Waddengebied dichtslibben en zo meer veerdiensten onder druk komen te staan?
Ja, dit is in beeld. Rijkswaterstaat doet veel metingen en laat onderzoek doen naar de ontwikkeling van de Waddenzee. Bijna alle vaarroutes hebben te maken met dichtslibbende of verzandende vaargeulen. In de meeste gevallen gaat het echter niet om gehele vaargeulen, maar om een aantal locaties in de routes. Om de eilanden en havens bereikbaar te houden, houdt Rijkswaterstaat de geulen met baggerwerk op diepte zoals vastgelegd in het Nationaal Waterprogramma. Rijkswaterstaat kan niet echter voorkomen dat vaargeulen dichtslibben.
Het bericht dat advocatenkantoor Houthoff nog steeds zaken doet met Russische klanten |
|
Jasper van Dijk (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat advocatenkantoor Houthoff, in tegenstelling tot eerdere berichtgeving, nog steeds zaken doet met Russische klanten?1
Ja.
Klopt het dat de huidige Amsterdamse deken tevens ook partner is bij Nauta-Dutilh en dat Houthoff cliënt is bij Nauta-Dutilh? Zo ja, wat vindt u hiervan? Is onafhankelijk dekentoezicht op het kantoor Houthoff op deze manier wel voldoende gewaarborgd? Zo ja, kunt u dat nader onderbouwen?
Met ingang van 1 september 2022 heeft Amsterdamse orde van advocaten twee dekens, waarvan er een inderdaad partner is bij NautaDutilh.2 Ik heb begrepen dat zij vanuit NautaDutilh niet betrokken is bij enige zaak die voor of namens Houthoff wordt gevoerd. Overigens geldt dat alle lokale dekens met hun kantoor een professioneel statuut hebben getekend met als doel de randvoorwaarden voor het zorgvuldig en onafhankelijk functioneren van de deken vast te leggen en (de schijn van) belangenverstrengeling te voorkomen.3
In de voortgangsbrief aanpak georganiseerde criminaliteit tijdens detentie en berechting4 en in antwoord op eerdere Kamervragen5 heb ik aangegeven dat de lokaal deken nu veel verschillende taken en rollen heeft, dat die taken en rollen elkaar kunnen versterken, maar ook tegenstrijdig kunnen zijn met elkaar en dat ik de zorgen van uw Kamer over de schijn van belangenverstrengeling deel. Op 26 september jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de versterking van het toezicht op de advocatuur. Die versterking houdt onder meer in dat er een Landelijk toezichtautoriteit advocatuur (LTA) komt die verantwoordelijk wordt voor het toezicht op alle advocaten in Nederland, dat de rol van de lokaal deken bij het toezicht komt te vervallen en dat er een blik van buiten komt die kijkt hoe de LTA functioneert. Ik ben er van overtuigd dat er met de voorgestelde versterking van het toezicht op de advocatuur een robuust en toekomstbestendig toezichtstelsel voor de advocatuur ontstaat.
Kunt u meer duidelijkheid geven over de uitkomsten van onderzoek naar de werkzaamheden van Houthoff dat onder toezicht van de vorige deken van Amsterdam heeft plaatsgevonden, in het kader van een mogelijke overtreding van de sanctieregels? Kunt u ook aangeven welke specialist dat onderzoek precies heeft uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in antwoord op eerdere Kamervragen6 heb aangeven vindt, gelet op de bijzondere positie van de advocatuur in onze samenleving, het toezicht op advocaten onafhankelijk van de overheid plaats. Daarbij hoort dat ik in beginsel terughoudend ben met het reageren op individuele casus zo ook deze.
In antwoord op eerdere Kamervragen heb ik aangegeven dat ik uit een bericht van de website van de Amsterdamse orde van advocaten opmaak dat de toenmalig Amsterdamse deken na onderzoek heeft geconcludeerd dat er geen sprake was van de schending van sancties.7 De naam van de ingeschakelde specialist is mij niet bekend. Ik heb begrepen dat de Amsterdamse deken in het kader van toepassing van de sanctieregelgeving door advocaten diverse interne en externe specialisten raadpleegt en dat de precieze wijze waarop een onderzoek wordt uitgevoerd en de uitkomsten van dat onderzoek onder de van de advocaat afgeleide geheimhoudingsplicht van de deken valt (artikel 45a, tweede lid Advocatenwet).
Hoe weegt u de beslissing van de tuchtrechter dat het, ondanks de afgekondigde sancties mogelijk moet zijn voor rechtsbijstandsverleners om Russische cliënten bij te staan, op grond van artikel 18 van onze Grondwet? Mogen en moeten rechtsbijstandsverleners nu wel of niet juridische bijstand verlenen aan Russische cliënten?2
In Nederland geldt de toegang tot het recht voor iedereen. Dat betekent dat ook gesanctioneerde (rechts)personen zich tot een Nederlandse rechter moeten kunnen wenden of zich moeten kunnen verweren.
Artikel 13 van de Advocatenwet bepaalt dat de rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich kan wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. Een deken kan alleen wegens gegronde reden dit verzoek afwijzen en tegen de afwijzing staat beklag open bij het hof van discipline.9 In onderhavige zaak ging het om het instellen van een cassatieberoep namens de Russische Federatie. Voor het instellen van een cassatieberoep is een advocaat noodzakelijk. Het hof van discipline heeft het beklag tegen de weigering om in een specifieke zaak een cassatieadvocaat aan te wijzen gegrond verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2022:132) met als argument dat de weigering om in deze zaak een advocaat aan te wijzen ertoe leidt dat de toegang tot de rechter onmogelijk wordt gemaakt en dat is in strijd met het fundamentele beginsel van de Nederlandse rechtstaat dat een ieder toegang tot de rechter moet kunnen hebben. Als gevolg van de uitspraak moet de deken in het arrondissement Den Haag een advocaat aanwijzen, waarbij die advocaat op grond van artikel 13, vierde lid van de Advocatenwet verplicht is zijn diensten te verlenen.
Rechtsbijstandsverleners mogen zonder meer diensten verlenen aan Russische cliënten, zolang die Russische cliënten niet op enigerlei wijze op een sanctielijst voorkomen of verbonden zijn aan een (rechts)persoon die op een sanctielijst voorkomt. Voor rechtsbijstand aan gesanctioneerde (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen gelden aanvullende eisen (zie ook het antwoord op vraag 5 en 6).
Kunt u nauwgezet uiteenzetten in welke gevallen rechtsbijstand aan Russische cliënten uitgezonderd is van de sancties die op dit moment gelden, nu hier nog altijd onduidelijkheid over is?3
Op grond van artikel 2, tweede lid, van Verordening (EU) Nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen («de verordening») is het niet toegestaan economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking te stellen aan gesanctioneerde (Russische) (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen. Dit geldt in beginsel ook voor het verlenen van juridische diensten.
Het is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking die op grond van artikel 4 van bovengenoemde verordening toestemming kan verlenen voor het beschikbaar stellen van economische middelen aan gesanctioneerde (Russische) (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen. Eind juli 2022 heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een nadere uitleg gegeven over de invulling van voornoemde bevoegdheid voor zover het gaat om het verlenen van juridische diensten aan gesanctioneerde (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen. Die uitleg is gedeeld met vertegenwoordigers van de Nederlandse orde van advocaten.
Bij de uitleg van het verbod van artikel 2 van de verordening en de invulling van de bevoegdheid van artikel 4 van de verordening is een balans gezocht tussen een effectieve en juiste uitvoering van de EU-sancties enerzijds en het waarborgen van de fundamentele rechten binnen de EU en Nederland anderzijds. Zowel artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden borgt namelijk het fundamentele recht op verdediging in juridische procedures. Daarnaast refereert de Europese Commissie in door haar opgestelde richtsnoeren bij de verordening aan het borgen van het fundamentele recht op verdediging in juridische procedures, zoals neergelegd in het Handvest en het EVRM. Een ruime uitleg van het verbod van artikel 2 van de verordening zou daarmee op gespannen voet staan.
Op dit moment wordt de volgende lijn gehanteerd voor juridische dienstverlening aan gesanctioneerde (Russische) (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen.
Buiten de werking van het verbod van artikel 2, tweede lid, van de verordening valt de juridische dienstverlening die noodzakelijk is voor de verdediging of vertegenwoordiging van een gesanctioneerde (rechts)persoon of verbonden (rechts)persoon in het kader van of in verband met een rechtsgeding, daaronder begrepen de juridische dienstverlening die noodzakelijk is voor het bepalen van de rechtspositie of voor het instellen of vermijden van een rechtsgeding. Advisering ten behoeve van het verkrijgen van een ontheffing van EU-sancties valt hier ook onder.
Voor andere vormen van juridische dienstverlening aan gesanctioneerde (rechts)personen, bijvoorbeeld de advisering ten behoeve van de oprichting, een fusie of een overname van een bedrijf, is nog steeds toestemming vereist van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft deze lijn tevens voorgelegd aan de Europese Commissie en is nog in afwachting van een antwoord.
Voor de volledigheid merk ik op dat bovenstaande lijn alleen geldt voor juridische dienstverlening aan gesanctioneerde (Russische) (rechts)personen en met hen verbonden (rechts)personen. Dat betekent dat het verlenen van juridische diensten aan Russische cliënten die niet op een sanctielijst staan en niet verbonden zijn aan een gesanctioneerde (rechts)persoon, nog steeds mogelijk is (zie ook het antwoord op vraag 4). Daarbij blijft uiteraard gelden dat juridische dienstverleners op grond van bestaande wet- en regelgeving alert moeten zijn op het risico dat de gevraagde dienstverlening niet wordt gebruikt voor onwettige activiteiten en zonodig de dienstverlening stoppen.
In het geval er uitzonderingen zijn op de sancties in het kader van het grondwettelijke recht op rechtsbijstand, zijn deze uitzonderingen dan definitief of zijn zij nog onderhevig aan een standpunt van de Europese Commissie of enige gerechtelijke instantie, Nederlands of Europees?
Zie antwoord vraag 5.
Diverse berichten over het disfunctioneren van het ISR en de negatieve gevolgen voor de sporters/sportsters |
|
Lisa Westerveld (GL), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de status van de uitvoering van de motie van der Laan cs.1 en Westerveld cs.2 voor zover de delen van het onderzoek die betrekking hebben tot het Instituut Sportrechtspraak (ISR)?
De motie Westerveld c.s.3 wordt meegenomen in het onafhankelijk onderzoek naar een veilige en integere sport waar ook een evaluatie van het sporttuchtrecht onderdeel van is. Het onderzoek is momenteel in volle gang. Op dit moment vinden de laatste interviews en bureau-onderzoek plaats. Er staat een enquête uit bij sportverenigingen en ondernemende sportaanbieders. Daarnaast wordt in het najaar een juridische analyse uitgevoerd alsmede een evaluatie van het Instituut Sportrechtspraak (ISR) en wordt het functioneren van het tuchtrechtstelsel bekeken door middel van profielreizen. Verder staat een vergelijkende juridische analyse op de planning zoals met het tuchtrecht in de jeugdzorg. De uitkomsten van het onderzoek worden begin 2023 verwacht. Ik zal u hierover nader informeren.
De uitvoering van motie Van der Laan4 krijgt opvolging door sportspecifieke onderzoeken naar grensoverschrijdend gedrag, zoals het onderzoek door Verinorm naar de cultuur, aard en omvang van ongewenst gedrag in de danssector. Ook dit onderzoek is in volle gang en de uitkomsten worden begin 2023 verwacht. Het is niet het doel van het onderzoek om specifiek naar het ISR te kijken, maar gezien de problematiek sluit ik niet uit dat dit wordt meegenomen.
Welke acties heeft u ondernomen na het lezen van de berichten «Oud-turnsters voelen zich oefenmateriaal voor het tuchtrecht»3, «Tuchtrecht in de sport wankelt: ministerie start onderzoek»4 en «Politiek steunt oud-turnsters: «Melders grensoverschrijdend gedrag worden opgevreten door het systeem»»5?
Het is ontzettend pijnlijk om wederom deze berichten te lezen. Ik voel mee met de oud-turnsters die ik ook persoonlijk over deze ervaringen heb gesproken. Het is mij inmiddels duidelijk dat de zaken van de oud-turnsters om verschillende redenen dermate complex en van een andere materie zijn dat dit om een zeer zorgvuldige behandeling vraagt. Ik begrijp de zorgen over of het ISR deze zaken voldoende aan kan. Ik heb het ISR aangesproken op de voorbereiding en voortgang van deze specifieke zaken. De vraag daarbij is of de huidige scope van het sporttuchtrecht wel toereikend is voor dit type zaken. Mede om die reden heb ik de evaluatie van het sporttuchtrecht geïnitieerd waarbij ook de uitvoering van het tuchtrecht door het ISR onafhankelijk onderzocht wordt.
Ik hecht veel waarde aan een onafhankelijk en kwalitatief tuchtrecht in de sport. Daarom heb ik onlangs meerdere malen met het ISR gesproken over haar functioneren, houding en gedrag, en de benodigde verbeteringen op korte termijn. Dit betreft onder andere het instellen van een Raad van Toezicht en vernieuwing en diversiteit in alle lagen van het ISR. Daarnaast wil ik inzetten op het verbeteren van de kwaliteit van onderzoek. Ik ben met het ISR in gesprek voor een extra impuls bovenop de huidige subsidie voor het verbeteren van de kwaliteit van onderzoek, zoals een extra onderzoeker voor complexe zaken en als «meelezer» op zaken. Ik ga de afspraken met het ISR bekrachtigen in aanvullende subsidievoorwaarden zodat ze hieraan gebonden zijn.
Mijn bevoegdheden in het sporttuchtrecht zijn echter beperkt. De sportsector is verantwoordelijk voor het sporttuchtrecht en kan zelf inhoudelijk het tuchtrecht via de tuchtreglementen aanpassen. Bovendien is het ISR een onafhankelijke organisatie. Binnen mijn mogelijkheden draag ik bij door in te zetten op een evaluatie van het tuchtrecht en door het ISR financieel te ondersteunen samen met NOC*NSF.
Klopt hetgeen in het artikel «Politiek steunt oud-turnsters: «Melders grensoverschrijdend gedrag worden opgevreten door het systeem»» geschreven staat, dat u onlangs in gesprek bent geweest met het ISR over een verdere professionaliseringslag, ook op de korte termijn? Welke acties zijn besproken en welke acties (op de lange en korte termijn) zullen worden uitgevoerd naar aanleiding van dit gesprek?6
Ja, zie ook antwoord 2. De acties op korte termijn die ik met het ISR heb besproken zijn: het verbeteren van de kwaliteit van onderzoek en een bestuursmodel waarbij er meer toezicht is. Evenals het verder professionaliseren en aandacht voor houding en gedrag. Daarnaast zal de evaluatie van het sporttuchtrecht, als onderdeel van het onderzoek veilige en integere sport, naar verwachting met concrete aanbevelingen voor het sporttuchtrecht komen. Ik ben voornemens om deze aanbevelingen waar mogelijk op te volgen.
Op welke wijze wordt de Kamer betrokken bij de invulling van de aanvullende subsidievoorwaarden? Wanneer zijn deze af en wanneer ontvangt de Kamer deze stukken (in concept)?
Ik ben bereid om de Kamer op hoofdlijnen te informeren over de invulling van de aanvullende subsidievoorwaarden zodra deze in de subsidieverlening aan de instelling zijn verzonden. Dit gaat volgens de termijnen die zijn vastgesteld in de Kaderwet VWS subsidies.9
Begrijpt u de geuite zorgen over «secundaire victimissatie» van de slachtoffers door het gebrek aan goede expertise en procedures?
Ja.
Vindt u dat «secundaire victimisatie» voorkomen zou moeten worden? Welke rol ziet u hierin voor uzelf? Welke acties wilt u ondernemen, anders dan het afwachten van de resultaten van het bredere onderzoek naar topsportcultuur?
Slachtoffers hebben niet gevraagd om slachtoffer te worden. Slachtofferschap heeft vaak een grote en soms ook een blijvende impact op hun leven. Secundaire victimisatie moet waar mogelijk worden voorkomen. In het coalitieakkoord staat dan ook opgenomen dat dit kabinet inzet op het borgen van de positie van slachtoffers. Deze afspraak krijgt vorm via de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2022–2025. Met deze agenda wordt ingezet op erkenning van slachtoffers via een stevige positie in het recht, en waar nodig bescherming en ondersteuning op weg naar herstel. Dit najaar zal de Minister voor Rechtsbescherming u informeren over de voortgang van deze meerjarenagenda.
Daarnaast is het belang van het voorkomen van secundaire victimisatie ook aan bod gekomen tijdens de verkenningssessies van het Nationaal Actieplan Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag waar ik mij ook voor inzet. De Kamer wordt eind dit jaar geïnformeerd over het actieplan. Bovendien faciliteer ik slachtofferhulp voor sporters via Slachtofferhulp Nederland. Sporters kunnen daar terecht voor hulp bij een tucht- of strafzaak.
Vindt u dat er in deze kwesties ook een rol is weggelegd voor het Openbaar Ministerie (OM)? Welke rol ziet de Minister voor het OM?
Het is van belang om het onderscheid tussen het ISR en het OM te benadrukken. Een melding doen bij het ISR staat los van het doen van een strafrechtelijke aangifte. Slachtoffers van zedenzaken of (kinder-)mishandeling of van andere strafbare feiten kunnen te allen tijde bij de politie daarvan aangifte doen. De zaken waar aangifte is gedaan van een (vermeend) strafbaar feit worden door het OM opgepakt. Er is sprake van een samenwerking tussen ISR en OM in die zin dat er contacten zijn tussen de politie en het bureau van het ISR, om te voorkomen dat ISR een zaak oppakt terwijl er een opsporingsonderzoek loopt bij politie/OM. Een opsporingsonderzoek gaat dan namelijk voor. Ik kan echter geen uitspraken doen over eventuele lopende onderzoeken bij het OM. Daarnaast is het OM betrokken bij een veilige en integere sport door dat zij zitting neemt in de begeleidingscommissie van het onderzoek veilige en integere sport, waarin ook de evaluatie van het tuchtrecht wordt meegenomen, zie ook antwoord 1 en 14.
Wat heeft het OM al uitgevoerd op dit terrein, is er bijvoorbeeld een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van de vele berichtgeving in de media? Kunnen de conclusies hiervan gedeeld worden met de Kamer voor het Wetgevingsoverleg Sport d.d. 28 november 2022?
Zie antwoord vraag 7.
Is het mogelijk om, in lijn met de wens van de oud-turnsters, de zaken bij een ander instituut opnieuw te behandelen? Zo nee, kunnen de zaken worden stilgelegd totdat het ISR voldoende geprofessionaliseerd is?
De alternatieven voor het tuchtrecht zijn een strafrechtelijke of een civielrechtelijke procedure. De tuchtzaken in de sport kunnen niet worden stilgelegd of worden afgebroken. Een melder kan zich terugtrekken, dan is hij/zij geen actief onderdeel meer van het proces. Het proces gaat echter wel door. Alleen een onafhankelijk aanklager kan besluiten om een zaak te seponeren.
Staat u nog achter de woorden van uw ambtsvoorganger, dat melders veilig zijn, hun melding vertrouwelijk wordt behandeld en er altijd sprake is van hoor en wederhoor? Zo ja, kunt u dit toelichten?7
Het ISR geeft aan dat zaken vertrouwelijk worden behandeld binnen de regels van de reglementen van het ISR. Hoor en wederhoor maakt essentieel onderdeel uit van de regels en derhalve van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van een tuchtrechtelijk onderzoek. Daarmee geven zij aan dat melders veilig zijn.
Ik realiseer mij echter dat veilig voelen iets heel anders is. En ik ben mij er zeer van bewust dat er melders zijn die zich niet veilig voelen; dit kwam nadrukkelijk naar voren in mijn gesprek met een aantal oud-turnsters.
Wat is er gebeurd met de extra financiële middelen van 1 miljoen die het ISR heeft gekregen om te professionaliseren? Kunt u een precies overzicht geven van de besteding van deze middelen?
Het ISR heeft onder andere haar capaciteit vergroot van 2,6 fte naar 6,6 fte waaronder een extra casemanager en juridisch secretaris. Er zijn procesmatige zaken aangepast, zoals: het opstellen van een klachtenregeling, het bijstellen van het onderzoeksprotocol en het aanpassen en opstellen van modellen voor onderzoeksgesprekken en aanklagers. Door de invoering van een casemanagement systeem is er beter inzicht in de zaken. Daarnaast wordt ingezet op extra opleiding en intervisiebijeenkomsten. Ik zal het ISR vragen te communiceren over haar voortgang met betrekking tot de professionaliseringsslag.
Kunt u verklaren waarom de professionalisering van het ISR zo lang duurt terwijl (oud-)turnsters zelf, sportorganisaties en koepels, de Kamer en andere betrokkenen al jaren aan de bel trekken en ook uit het rapport van Berenschot blijkt dat verbetering noodzakelijk is?
Ja. Om een dergelijke professionalisering aan te pakken is er bij de start een kwartiermaker aangesteld. Dit heeft een strategisch driejarenplan (2021–2023) opgeleverd dat momenteel in uitvoering is. Daarnaast vergt professionalisering van het ISR zorgvuldige afstemming met betrokken partijen, zoals: NOC*NSF, de sportorganisaties, politie en het OM. Tevens vragen sommige acties eerst een aanpassing van bestaande procedures en reglementen waardoor het meer tijd in beslag neemt.
Het ISR geeft aan dat de professionalisering en versterking van het ISR op schema ligt volgens het driejarenplan. Bovendien heeft het ISR een enorme groei doorgemaakt in het aantal zaken wat in behandeling is de afgelopen jaren. De behandeling van zaken heeft echter altijd voorrang gehad. Ik blijf in gesprek met het ISR om de professionalisering te bespoedigen.
Is er onderzocht hoeveel financiële middelen het ISR nodig zou hebben om goed te kunnen functioneren? Is dit in lijn met de financiële bijdrage die het ISR verkrijgt vanuit het ministerie?
In 2020 heeft Berenschot, in opdracht van NOC*NSF en het ISR, ingeschat dat de benodigde jaarlijkse financiering voor het ISR ligt tussen circa € 600.000 en € 1 miljoen.11 Inmiddels krijgt het ISR een instellingssubsidie van circa € 1,4 miljoen van VWS en daarnaast een financiële bijdrage van NOC*NSF. Het blijkt dat de groei in het aantal zaken lastig te voorspellen is. Ik blijf met het ISR in overleg over de benodigde financiële middelen.
Hoe staat het met het onderzoek naar een veilige en integere sport, waarbinnen ook het tuchtrecht geëvalueerd zou worden?8 en 9
Zie antwoord 1.
Wilt u concreet in beeld brengen wat de taken en verantwoordelijkheden zijn en worden van de Landelijke Eenheid opsporing en welke partners daarbij betrokken zijn?
Zoals ik heb toegelicht in mijn beleidsreactie op het eindadvies van de commissie Schneiders1, heb ik het advies om de huidige Landelijke Eenheid (hierna: LE) om te vormen naar twee landelijke eenheden overgenomen. De commissie Schneiders heeft contouren voor de twee nieuw te vormen landelijke eenheden aanbevolen, te weten: een eenheid voor landelijke opsporing en een eenheid voor landelijke operaties en expertise.
Op dit moment werkt de politie aan een transitieplan waarin onder andere (het proces om te komen tot) de omvorming van de LE naar twee nieuwe landelijke eenheden wordt uitgewerkt. In dit proces zal de precieze vormgeving van de landelijke eenheden worden uitgewerkt, alsook de wijze waarop wordt samengewerkt met partners. Ik heb uw Kamer op 6 oktober jl. geïnformeerd over de aanbieding van het transitieplan.2
Wilt u concreet in beeld brengen wat de taken en verantwoordelijkheden zijn (worden) van de Nationale Samenwerking Ondermijnende Criminaliteit (NSOC)?
Op 25 mei 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de taken en verantwoordelijkheden van NSOC. Het samenwerkingsverband is gericht op het ontvlechten van de (financiële) verwevenheid van onder- en bovenwereld door met gerichte interventies te belemmeren dat de maatschappelijke infrastructuur wordt misbruikt voor criminele doeleinden. Daarbinnen richt het zich op het bestrijden van misbruik van Nederland als handelsland voor criminele waarde verplaatsingen en het verstoren van criminele bedrijfsprocessen. Hierbij worden de informatieposities en bevoegdheden van de zes samenwerkingspartners (politie, Openbaar Ministerie, Fiscale Opsporings- en Inlichtingendienst, Belastingdienst, Douane en Koninklijke Marechaussee) gebruikt om tot gecoördineerde interventies te komen.
Wilt u in beeld brengen waar de overlap tussen de Landelijke Eenheid opsporing en de NSOC zit in het werk dat ze doen?
Ik ben het niet eens met de stelling dat er versnippering kan ontstaan door het vormen van de eenheid voor landelijke opsporing in relatie tot NSOC. Deze versnippering bestaat nu niet en zal ook niet ontstaan door de voorziene omvorming van de huidige Landelijke Eenheid naar twee separate landelijke eenheden door herordening van organieke delen. De taken, sturing en financiering veranderen niet door de omvorming.
De nieuw te vormen eenheid voor landelijke opsporing zal zich primair richten op de opsporing van zware vormen van georganiseerde criminaliteit met een ondermijnend en internationaal karakter, en terrorisme. De vorming van een nieuwe eenheid voor landelijke opsporing zorgt voor meer focus op opsporing en specialistische taken, en heeft onder meer tot doel de herkenbaarheid van de eenheid en de samenwerking met partners te verbeteren, onder andere met NSOC.
NSOC is een samenwerkingsverband met als doel het blootleggen en duurzaam verstoren van criminele structuren, bedrijfsprocessen en verdienmodellen die verweven zijn met of misbruik maken van legale structuren en de legale economie. NSOC is dan ook geen opsporingsdienst.
Nauwe samenwerking tussen de landelijke eenheden en NSOC vindt reeds plaats en blijft van belang, want door deling van informatie, kennis en expertise ontstaat er meer inzicht, coördinatie en overzicht. Op basis van de analyses van NSOC kan door de samenwerkende partijen gerichte inzet van capaciteit plaatsvinden en kan NSOC adviseren over welke interventies het meeste effect sorteren om die processen en structuren te verstoren of te doorbreken. NSOC is daardoor nadrukkelijk een innovatieve aanvulling op de bestaande aanpak en de diensten.
Wie staan er aan het roer bij beide eenheden?
De directeur van NSOC is Joost van Slobbe. Hij is per 26 september 2022 benoemd.
Sinds 1 februari 2022 is Oscar Dros aangesteld als politiechef van de LE. De politie is voornemens om voor de transitie twee kwartiermakers aan te stellen. Het is thans nog niet duidelijk wie de eenheid voor landelijke opsporing te zijner tijd zal gaan leiden.
Hoe verhoudt de NSOC zich tot de Landelijke Eenheid nieuwe stijl waarvan de nationale opsprongseenheid de Nederlandse variant van de FBI moet worden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat met de stelling dat door de Landelijke Eenheid opsporing naast de NSOC een versnippering kan ontstaan met eigen (a) doelen, (b) sturing en (c) middelen, wat het gezamenlijke doel van opsporing niet ten goede komt? Zo nee, wilt u dit per onderdeel toelichten? Zo ja, hoe wilt u dit tegengaan? Kunt u dit ook per onderdeel toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het met mij eens dat de integratie van deze twee diensten samen op termijn de opsporing ten goede komt, niet alleen vanwege de expertise die gedeeld kan worden maar tevens door betere sturing en samenvoeging van financiën? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit op termijn bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer kunnen wij het transitieplan en het plan van de NSOC verwachten?
Zoals ik uw Kamer heb gemeld in mijn brief van 6 oktober 2022, heeft de korpsleiding aan mij laten weten dat er enkele weken nodig zijn voor het maken van hernieuwde afwegingen om het beschikbare financiële kader en het transitieplan nader tot elkaar te brengen. Zodra ik het transitieplan heb ontvangen, zal ik de commissie Schneiders vragen hierover een advies uit te brengen. Na ontvangst van dit advies zal ik de Kamer verder informeren.
Op 25 mei 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de operationele aanscherping van NSOC. Deze aanscherping is uitgewerkt in een actieplan van NSOC voor de komende achttien maanden. In de najaarsbrief georganiseerde, ondermijnende criminaliteit heb ik uw Kamer geïnformeerd over de financiële consequenties hiervan.
De nieuwe landelijke eenheden zullen, net als de huidige LE, duurzame allianties en samenwerkingsverbanden binnen en buiten de politie vormen, waaronder met de NSOC. De samenwerking met partners vormt onderdeel van de transitie van de LE en krijgt invulling in de (uitvoering van) het transitieplan.
Hoe worden de twee plannen onderling afgestemd?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u tot slot aangeven hoeveel financiering er is uitgegeven aan NSOC sinds de oprichting en wat de operationele resultaten tot nu toe zijn? Kunt u deze vraag graag uitgebreid beantwoorden?
Voor het MIT was de afgelopen drie jaar in totaal 160 miljoen euro aan de moederorganisaties beschikbaar gesteld. Op 25 mei jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de koerswijziging ten aanzien van het MIT. De samenwerkende partners gaan met een nieuwe focus aan de slag als NSOC. De kosten voor NSOC zullen in 2022 lager uitvallen dan wat oorspronkelijk voor het MIT beoogd was. In de najaarsbrief georganiseerde, ondermijnende criminaliteit zal ik uw Kamer informeren over de toekomstige beschikbare middelen voor NSOC. Als onderdeel van de operationele versnelling zijn sinds de zomer zes field labs van start gegaan op de onderwerpen financiële facilitators, logistieke facilitators en andere onderwerpen die faciliterend zijn aan georganiseerde criminaliteit zoals ID-fraude en wapenhandel. Deze field labs lopen nog tot halverwege 2023. De field labs hebben een diversiteit aan resultaten opgeleverd. Zo zijn er diverse controleacties uitgevoerd waaronder de eerste grootschalige handhavingsactie uitgevoerd onder regie van het NSOC. De grootste actie op uitvoer van verdovende middelen ooit, heeft op 21 juni 2022 plaatsgevonden. Deze actie werd uitgevoerd in samenwerking met diverse overheidsdiensten, private partijen en de Britse autoriteiten. Naast controleacties is er geëxperimenteerd met nieuwe technieken en methoden om toezicht te verbeteren en zijn er diverse samenwerkingen aangegaan met niet alleen publiek – private partners, maar ook met de wetenschap.
Kunt u deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
De oversterfterapportage en immuungecompromitteerde personen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in het Rapport Sterfte en Oversterfte 2020 en 2021 ca. 135.000 goed geïdentificeerde immuungecompromitteerde personen1 zijn weggelaten uit het onderzoek «Risico op overlijden kort na vaccinatie»2, in een periode dat meer dan 3.000 doden niet konden worden verklaard en de speculatie daarover in de media?
Het onderzoek dat door het CBS en het RIVM is uitgevoerd, gaat over de periode tot en met januari 2022. Zoals in het rapport is aangegeven, zijn immuungecompromitteerde patiënten die drie vaccinaties hebben ontvangen niet in de analyse over de boostervaccinatie meegenomen. Hun derde dosis maakte namelijk deel uit van de basisserie. De meeste immuungecompromitteerde patiënten hebben hun boosterdosis pas na de onderzoeksperiode ontvangen. De analyse naar het risico op overlijden na de eerste en tweede dosis van het vaccin is wel uitgevoerd voor deze groep. Hierin is geen verhoogde kans op overlijden aangetoond.
Kunt u verklaren waarom deze groep mensen niet is meegenomen in dit onderzoek? Vindt u niet dat deze groep er, mede gezien het monitoring-advies van de Gezondheidsraad en vanwege het verhoogde risico op (ernstige) bijwerkingen bij deze personen, niet mag ontbreken in een onderzoek naar het risico op sterfte direct na vaccinatie in een periode dat ruim 3.000 doden niet kunnen worden verklaard? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om te onderzoeken hoeveel mensen uit de groep immuungecompromitteerde personen die geregistreerd staat in het vaccinatieregister in de weken direct na vaccinatie zijn overleden? Wilt u het CBS en/of het RIVM vragen om dit specifieke onderzoek alsnog te verrichten, zodat meer inzicht kan worden verkregen in de onverklaarde sterfte? Zo nee, waarom niet?
Momenteel loopt een door ZonMw begeleid onderzoek naar oversterfte in traject 3 van het oversterfteonderzoek, dat in het laatste kwartaal van 2022 zal starten. De resultaten van het oversterfteonderzoek door het CBS en het RIVM geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek naar betreffende groep immuungecompromitteerde personen. Zoals ik in eerdere antwoorden op vragen van het lid Van Haga heb aangegeven3 is er brede wetenschappelijke consensus over de effectiviteit van de vaccins in het voorkomen van ernstige ziekte en sterfte door COVID-19 en de geringe kans op ernstige bijwerkingen na vaccinatie. Vermoedens van bijwerkingen, waaronder overlijden, worden zoals eerder aangegeven gemeld via Bijwerkingencentrum Lareb. Lareb is leidend bij de beoordeling van bijwerkingen en risico’s na vaccinatie. De cijfers van het Lareb en de wetenschappelijke inzichten op dit terrein geven op dit moment voor mij geen aanleiding voor een vervolgonderzoek.
Bent u op de hoogte dat sterfte door Covid-19 uit hoofdstuk zes van het onderzoek is weggelaten, omdat de vaccins volgens het onderzoek beschermen tegen Covid-19 sterfte? Zo ja, hoe reflecteert u dan op het feit dat de bescherming van vaccinatie pas na enige tijd optreedt en dat inmiddels is aangetoond dat in de directe periode na vaccinatie zelfs een verhoogde kwetsbaarheid kan optreden? Kunt u uitleggen waarom daar in dit onderzoek anders naar wordt gekeken?
In hoofdstuk 6 van het rapport wordt het risico op overlijden kort na vaccinatie op populatieniveau onderzocht, om te bepalen of vaccinatie kan hebben bijgedragen aan oversterfte als gevolg van eventuele bijwerkingen. Vanwege het bewezen beschermende effect van vaccinatie tegen overlijden aan COVID-19, is in deze analyse overlijden door COVID-19 niet meegenomen. Het onderzoek toont aan dat er in de eerste weken na vaccinatie geen verhoogde kans is op overlijden met een andere oorzaak dan COVID-19. De analyses zijn ter controle nogmaals uitgevoerd mét COVID-19 als doodsoorzaak. Ook deze analyse toont geen verhoogd risico aan voor overlijden na vaccinatie.
Het is niet zo dat na vaccinatie een verhoogde kwetsbaarheid optreedt. Wel is bekend dat bijwerkingen mogelijk hebben bijgedragen aan het verslechteren van een al kwetsbare gezondheidssituatie of sluimerende conditie al dan niet door hoge leeftijd. Het gaat om bekende bijwerkingen van de coronavaccins zoals koorts, misselijkheid en algemene malaise. Er is dus geen sprake van verhoogde kwetsbaarheid, maar van mensen die al erg kwetsbaar zijn.
Hoe verhoudt deze conclusie zich tot hoofdstuk vijf van dit onderzoek, waarin juist wel wordt uitgegaan van het feit dat er direct na vaccinatie nog geen bescherming tegen Covid-19 bestaat? Kunt u deze discrepantie uitgebreid verklaren?
De onderzoeksvraag in hoofdstuk 5 was een andere. Hierin is de vaccineffectiviteit tegen het overlijden aan COVID-19 onderzocht. Het lichaam heeft na de vaccinatie enige tijd nodig om voldoende antistoffen op te bouwen om een optimale bescherming te bieden tegen COVID-19. Daarom is gekeken naar zowel de categorie «basisserie deels», die ingaat vanaf de dag van de eerste toediening, als «basisserie volledig», die ingaat twee weken na de tweede dosis. In de periode januari 2021-januari 2022 was de kans op overlijden aan COVID-19 zoals geregistreerd in het doodsoorzakenregister veel kleiner voor gevaccineerde personen dan voor ongevaccineerde personen.
Wilt u het ontbreken van de informatie over verhoogde kwetsbaarheid en kans op sterfte direct na coronavaccinatie bij immuungecomprommiteerde personen bij het CBS en het RIVM adresseren en dit alsnog laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
De door het CBS gebruikte, gereviseerde Covid-19 data geeft twee tot bijna zes keer zoveel geregistreerde Covid-19 sterfte3 dan de cijfers die het RIVM (en de Wereldgezondheidsorganisatie en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC)4) hanteren, met name in de periode dat de booster en de herhaalprik werden verstrekt, kunt u, vanuit medisch perspectief, uitleggen waarom er zoveel door het CBS in revisie ontdekte Covid-19 sterfte tijdens de vaccinatieperiode onopgemerkt is gebleven en kunt u uitsluiten dat het CBS niet te voortvarend te werk is gegaan bij de revisie?
Zoals ik op 23 september jl. in de beantwoording6 van schriftelijke vragen van het lid Van Haga van 31 augustus jl. reeds heb aangegeven, wordt het verschil in de sterftecijfers van het RIVM en de oversterftecijfers van het CBS verklaard door het verschil in bronnen. Het RIVM baseert zich bij de cijfers op het aantal overleden COVID-19-patiënten dat gemeld is aan het RIVM. Het werkelijke aantal overleden COVID-19-patiënten is hoger dan het aantal overleden personen gemeld aan het RIVM, omdat er geen meldingsplicht geldt voor overlijden aan COVID-19. De cijfers van RIVM worden echter door WHO en ECDC overgenomen, mogelijk omdat de cijfers vanuit de doodsoorzakenstatistiek die het CBS publiceert (die gebaseerd zijn op de door artsen ingevulde doodsoorzaakverklaringen) veel later beschikbaar zijn dan sterftecijfers. Tijdens de technische briefing van 15 september jl. is hier door het CBS ook een uitvoerig antwoord op gegeven. Daarnaast verwijs ik u naar de uitlegpagina over de sterftecijfers in het dashboard op de rijksoverheid.nl7.
Kunt u met cijfers onderbouwd uitsluiten dat de opvallend hoge sterfte die het CBS na revisie van de doodsoorzaken tijdens de vaccinatieperiodes signaleert geen verhoogde kans op Covid-19 vlak na vaccinatie impliceert? Zo ja, kunt u deze data openbaar maken?
Zie de antwoorden op vraag 3 en vraag 7.
Kunt u garanderen dat een potentieel verhoogde kans op sterfte direct na coronavaccinatie door uitsluiting van Covid-19 sterfte vlak na vaccinatie niet onopgemerkt blijft? Zo ja, kunt dit uitgebreid toelichten?
Meldingen van bijwerkingen worden zorgvuldig geanalyseerd en gemonitord door onder andere Lareb, het Nederlandse College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). Hieronder vallen ook meldingen van overlijden na vaccinatie. Zoals ik onder andere in reactie op Kamervragen van het lid Van Haga van 29 augustus jl.8 heb aangegeven, wil een melding van een bijwerking niet altijd zeggen dat het ook daadwerkelijk om een bijwerking gaat. Tot op heden is er geen verband gevonden tussen overlijden en de door de EMA-goedgekeurde COVID-19-vaccins. Lareb blijft dit voortdurend monitoren. Er is brede wetenschappelijke consensus over het gegeven dat de voordelen van vaccinatie tegen COVID-19 opwegen tegen de geringe kans op (ernstige) bijwerkingen.
Het bericht 'Grote zorgen Nederland over nieuwe Belgische bron PFAS-lozingen in Westerschelde' |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen Nederland over nieuwe Belgische bron PFAS-lozingen in Westerschelde» van Zembla en de bijbehorende uitzending1 en zou u willen reflecteren op de conclusies en bevindingen uit dit onderzoek?
Ja, In de afgelopen jaren is de kennis over de eigenschappen en toepassingen van PFAS sterk toegenomen. Veel PFAS zijn persistent, breken niet of nauwelijks af. Daarom treffen we nu ook nog steeds PFOS en PFOA aan in de Westerschelde; ondanks dat ze al zijn uitgefaseerd. Dat is een zorgelijke situatie. Daarom is een gezamenlijke aanpak met Zeeuwse partijen opgezet onder leiding van een coördinator van het Rijk en een coördinator vanuit de regio. De Kamer heeft eerder het gezamenlijke werkplan en de eerste voortgangsrapportage van de coördinatoren ontvangen.
Een groot deel van de PFAS die wordt aangetroffen, is al in de Schelde aanwezig voordat die Nederland in stroomt. Een gezamenlijke aanpak met de bovenstroomse landen is daarom noodzakelijk. Dit heb ik op 13 juli jl. besproken met Minister Demir van Vlaanderen. Zij heeft aan mij aangegeven dat emissies van PFAS hoog op de agenda staan, waaronder ook de emissies van Indaver waarover in het de uitzending van Zembla wordt gesproken. Ik constateer dat Vlaanderen zich sterk inzet om de emissies van PFAS verder te beperken door bijvoorbeeld vergunningen aan te scherpen en toe te zien op de voorwaarden. De uiteindelijke oplossing is echter het zo veel als mogelijk terugdringen van het gebruik van PFAS-stoffen. Daarom heeft Nederland samen met vier andere landen het initiatief genomen om een voorstel voor te bereiden voor een zo breed mogelijk verbod op PFAS in Europa.
Welke risico’s ziet u als gevolg van deze onvergunde lozingen van verschillende PFAS-stoffen voor milieu, gezondheid, voedselproductie en de samenleving? Welke acties koppelt u hieraan?
De waterkwaliteits- en maatschappelijke problemen die door hoge concentraties PFAS-verbindingen kunnen worden veroorzaakt komen aan de orde in de twee brieven die Rijkswaterstaat namens mij heeft verzonden aan het college van burgemeester en schepen en het Vlaams departement Omgeving en waarmee werd gereageerd op de aanvraag en op de bijgestelde aanvraag van Indaver voor een omgevingsvergunning. Deze brieven vormden ook de aanleiding om in overleg te gaan met Minister Demir. Mede n.a.v. dat gesprek zijn vervolgens afspraken gemaakt over de vervolgaanpak van de lozingen van Indaver en over het uitwisselen van kennis op het gebied van het beoordelen van emissies tussen Nederland en Vlaanderen.
Zou u bij de Vlaamse Minister willen nagaan welke jaren er sprake is geweest van onvergunde lozingen? Welke contacten zijn er met de Vlaamse overheid over deze lozingen? Welke stappen zijn er aanstaande?
Indaver heeft sinds 10 november 20112 een lozingsvergunning voor 6 soorten PFAS. Deze werden op aandringen van het bevoegd gezag door het bedrijf aangevraagd en opgenomen in de omgevingsvergunning. In de recente vergunning3 zijn de lozingsnormen voor PFAS aangescherpt en zijn meer soorten PFAS opgenomen, die eerder nog niet in de vergunning waren opgenomen.
Vlaanderen kan vanuit de vergunningsgeschiedenis niet eenduidig concluderen dat er illegale PFAS-lozingen hebben plaatsgevonden.
Minister Demir heeft aan mij aangegeven dat het aankomend jaar gebruikt zal worden om te bezien in welke mate emissies verder beperkt kunnen worden. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de emissie van een enkel bedrijf maar naar de aanwezigheid van PFAS in de Schelde als geheel.
Zoals in de eerste voortgangsrapportage van de PFAS-coördinatoren is vermeld, is dit reeds voor 27 vergunningen in Vlaanderen gebeurd. Vanuit Nederland zullen we dit nauwlettend volgen. Indien nodig zal ik opnieuw in gesprek gaan als geconstateerd wordt dat de urgentie om deze emissies aan te pakken afneemt.
Welke acties verbindt u aan het feit dat de waterkwaliteit in de Zeeuwse wateren volgens Rijkswaterstaat een verboden achteruitgang doormaakt, en onaanvaardbaar verder verslechtert?
Zie de beantwoording van vragen 1 en 3.
Hoe beziet u de conclusies van milieuchemicus Chiel Jonker dat Indaver een belangrijke bron is voor de PFAS-vervuiling in de Westerschelde? Welke acties koppelt u hieraan? Zou u uit willen zoeken hoelang Indaver al wist dat in deze lozingen giftige persistente stoffen zitten?
Naast het onderzoek dat de heer Jonker in opdracht van Rijkswaterstaat verrichte, is in het najaar van 2021 inzicht gegeven vanuit Vlaanderen in de vergunde PFAS-lozingen. Daaruit was duidelijk dat het om tientallen bronnen gaat, waarvan Indaver, naast 3M, een belangrijke is.
In januari 2022 is door RWS een advies opgesteld, op de aanvraag van Indaver voor aanpassing van de vergunning. Vervolgens is door RWS op verzoek van de Vlaamse overheid nogmaals geadviseerd op basis van de bijgestelde ontwerpvergunning. Aanpassing van de vergunning was gewenst doordat uit eigen metingen van het bedrijf en uit controles door de Vlaamse overheid was gebleken dat meer soorten PFAS werden geloosd dan in de vergunning waren opgenomen. Op 18 juni 2022 heeft dit Vlaamse vergunningenproces geleid tot een verscherpte vergunning, waarbij voor alle PFAS een lozingsnorm van 0,1 ug/l wordt gehanteerd. Dit betekent dat de toegestane jaarvracht van de PFAS-lozing met 97% wordt verlaagd. De vergunning is afgegeven voor een relatief korte termijn, waarbij de Vlaamse overheid richting Nederland heeft aangegeven deze termijn te benutten om het opleggen van nog strengere lozingsnormen te onderzoeken.
Hoe beziet u dat via Indaver afvalstoffen van Chemours, middels de achterdeur vanuit België weer Nederland binnenkomen? Welke contacten heeft u met Chemours hierover? Welke verantwoordelijkheid heeft Chemours in uw opvatting om inzicht te hebben in de details van de lozingen en de vraag hoe deze zich verhouden tot de vergunning?
In augustus is de Kamer geïnformeerd over het toezicht van de ILT en de omgevingsdienst DCMR op het afvalbeheer van Chemours4. De status van de contacten met Chemours is sinds het verzenden van deze brief niet gewijzigd. De ILT is vergunningverlener voor internationaal afvaltransport dat valt onder de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA), en houdt toezicht op de voorwaarden uit EVOA-vergunningen (kennisgevingen). Afvaltransport van Chemours naar Indaver of van andere Nederlandse afvalproducenten naar andere afvalverwerkers in België valt onder de EVOA. PFAS-verdacht afval is kennisgevingplichtig.
Vanuit de EVOA volgt dat het bevoegd gezag in zowel het verzendende land als het ontvangende land de aanvraag beoordelen en gezamenlijk moeten instemmen met het transport. In Nederland is de ILT hiervoor het bevoegd gezag. De ILT heeft in deze beoordelingsprocedures contact met de kennisgever. In veel gevallen is niet Chemours maar Indaver de kennisgever die, namens Chemours en andere partijen, de afvalketen vertegenwoordigt. De ILT vraagt bij de kennisgever de informatie op die nodig is voor de beoordelingsprocedure. De kennisgever verantwoordt daarin onder andere dat er sprake is van doelmatige afvalverwerking.
Daarnaast legt de ILT contact met het ontvangende bevoegd gezag. In het geval van Indaver is dit de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM). De ILT heeft voor een aantal lopende exportaanvragen voor afval van Chemours vragen gesteld aan de kennisgevers en de OVAM, onder andere om signalen van Zembla te verifiëren. De ILT heeft deze kennisgevingen nog in behandeling.
In het geval van Indaver houdt het Belgisch bevoegd gezag toezicht op het naleven van de vergunning. Wanneer bijvoorbeeld het overschrijden van (lozings)normen uit vergunningen) afvalverwerking in de weg staat, moet de autoriteit van het ontvangende land (de OVAM) negatief beslissen op de EVOA-kennisgeving en de autoriteit van het verzendende land (de ILT) daar over informeren. Voor verificatie op locatie is de ILT afhankelijk van de OVAM. Het toezicht van de ILT houdt op bij de grens.
Chemours heeft als bedrijf dat afvalstoffen afgeeft de verantwoordelijkheid om een verwerker te kiezen die, voor zover Chemours kan nagaan, een geschikte verwerkingsmethode kan toepassen. Daarbij moet Chemours de verwerker informatie verstrekken waar de verwerker om vraagt om te kunnen beoordelen of de verwerkingsmethode die hij toepast geschikt is. Als de verwerker aangeeft dat hij de afvalstof naar behoren kan verwerken (dus volgens de geldende regelgeving) en de hierboven beschreven beoordeling door het bevoegd gezag ook positief uitvalt, is Chemours verder niet verantwoordelijk voor de uitvoering van het verwerkingsproces, of de lozingen die bij de verwerking plaats vinden en of hiermee voldaan wordt aan de vergunning van de verwerker.
Hoe beziet u de zorgen bij het Vlaamse Agentschap Zorg over de beïnvloeding van de productie van drinkwater in Nederland? Welke acties verbindt u hieraan?
De zorg voor de drinkwaterproductie in Nederland is herkenbaar. De bron voor het drinkwater dat geleverd wordt in Zeeuws-Vlaanderen is de Maas. Via de spaarbekkens in de Biesbosch en de Braakman wordt dit geleverd. Dit drinkwater voldoet aan de huidige norm voor PFAS uit de Europese Drinkwaterrichtlijn.
Hoe beziet u het feit dat de Vlaamse milieu-inspectie nog niet heeft gehandhaafd op de opgelegde lozingsnorm? Welke mogelijkheden ziet u om deze inspectie hiertoe wel aan te zetten?
De Vlaamse omgevingsinspectie houdt, volgens opgave door de Vlaamse overheid, al geruime tijd toezicht op de naleving van de vergunning van Indaver. Sinds de recente scherping van de lozingsnormen op 18 juni 2022 heeft de omgevingsinspectie van het Departement Omgeving tweewekelijkse analyseresultaten beoordeeld en de situatie van nabij gevolgd. Analyse gebeurt volgens vastliggende kwaliteitsprocedures door een gecertificeerd laboratorium. In de loop van de maand september voerde de Vlaamse omgevingsinspectie ook zelf opnieuw monsternames uit bij Indaver, deze worden momenteel geanalyseerd door een gecertificeerd laboratorium. Vlaanderen heeft aangegeven dat indien daaruit blijkt dat stappen nodig zijn richting het bedrijf, de omgevingsinspectie die ook zal ondernemen.
Het PFAS-schandaal |
|
Bouchallikh , Corinne Ellemeet (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Kuipers , Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het de uitzending van Zembla over het PFAS-schandaal1?
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat baby’s in de omgeving van de Chemours-fabriek in Dordrecht door het drinken van moedermelk gemiddeld tien keer meer PFAS binnenkrijgen dan wat veilig wordt geacht? Zo nee, waarom niet?
Voor de deelnemers die mee hebben gedaan aan het onderzoek van de Vrije Universiteit (VU) van Amsterdam moet het verontrustend zijn geweest om te horen dat hun borstvoeding PFAS bevat. Echter, er is ten onrechte geconcludeerd dat de borstvoeding van deze vrouwen meer dan tien keer meer PFAS bevat dan wat op basis van de gezondheidskundige grenswaarde als veilig wordt geacht. De VU heeft naar aanleiding van de berichtgeving door Zembla een verklaring naar buiten gebracht waarin zij afstand neemt van de conclusies die in de uitzending van Zembla van 9 september jl. worden getrokken.2
De gemiddelde hoeveelheid PFAS komt in het onderzoek uit op ongeveer 77 ng/L borstvoeding. Dit blijft ruim onder de concentratie van 133 ng/L PFAS in moedermelk die de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) als grenswaarde hanteert. Bij deze concentratie worden geen nadelige effecten van PFAS in moedermelk op het immuunsysteem van jonge kinderen verwacht. De gemeten PFAS-concentraties in de steekproef van de VU geven voor het RIVM ook geen aanleiding om te adviseren een kortere periode borstvoeding te geven of helemaal te stoppen met borstvoeding geven.
Is er zicht op de gevolgen van deze blootstelling voor de ontwikkeling van kinderen in deze regio? Zo nee, gaat u dit op korte termijn onderzoeken?
Bij de aangetroffen concentraties worden geen nadelige effecten van PFAS in moedermelk op het immuunsysteem van jonge kinderen verwacht. Er is om die reden geen specifiek onderzoek voorzien. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Geeft dit aanleiding om te adviseren om voor een kortere periode borstvoeding te geven of om daar helemaal mee te stoppen? Zo ja, hoe wordt dit gecommuniceerd en op welke termijn? Zo nee, kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Zoals toegelicht bij vraag 2 geven de gemeten PFAS-concentraties in de steekproef van de VU voor het RIVM geen aanleiding om het geldende borstvoedingsadvies aan te passen. De regionale GGD heeft samen met het RIVM een advies opgesteld voor ouders die vragen hebben over borstvoeding geven. Dat advies is ook gedeeld met verloskundigen, de jeugdgezondheidszorg en huisartsen, zodat ouders ook daar zo goed mogelijk geadviseerd kunnen worden.
Gaat u landelijk onderzoeken of de hoge concentraties PFAS in borstvoeding zich tot de omgeving Dordrecht beperken of ook in andere regio’s voorkomen? Gaat u metingen doen bij mensen die borstvoeding geven in andere delen van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt met het RIVM bekeken of nader onderzoek naar PFAS in borstvoeding nodig is. Dat PFAS in Nederland wordt aangetroffen in moedermelk is al enige jaren bekend.3 In geen enkele meting tot nu toe – inclusief de metingen uit de steekproef van de VU – wordt de gezondheidsnorm overschreden. Maar de zorgen hierover zijn begrijpelijk.
Moedermelk is niet de enige manier waarop men wordt blootgesteld aan PFAS. Daarom wordt in samenwerking met het RIVM en met de Ministeries van VWS en LNV gewerkt aan een programma waarin de verschillende blootstellingsroutes van PFAS in beeld worden gebracht en wordt onderzocht hoe de blootstelling aan PFAS teruggedrongen kan worden. Blootstelling aan PFAS via moedermelk is hier een expliciet onderdeel van. De Kamer wordt voorafgaand aan het Commissiedebat PFAS van 3 november nader geïnformeerd over dit programma.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de toezegging, gedaan aan het lid Bouchallikht tijdens het commissiedebat Externe veiligheid op 11 september 2021, dat er zou worden verkend wat de mogelijkheden zijn omtrent een publiekscampagne over blootstelling aan PFAS voor zwangere mensen?
Een afzonderlijke publiekscampagne voor zwangere mensen past niet goed bij de huidige risico’s. Op dit moment zijn zwangere mensen in Nederland geen specifieke groep met extra risico’s voor blootstelling aan PFAS. Er gelden ook geen specifieke adviezen voor zwangere mensen. Het RIVM heeft berekend dat iedereen in Nederland op dit moment wordt blootgesteld aan PFAS. Het beste advies dat daarvoor aan iedereen gegeven kan worden, is om gevarieerd te eten. Dat advies geldt ook voor zwangere mensen. Verder zijn er enkele gebieden waar voedselproducten extra vervuild kunnen zijn, in de omgeving van Dordrecht, Helmond en de Westerschelde. In die gebieden wordt aan de omwonenden geadviseerd om bijvoorbeeld geen of minder producten uit moestuinen, zelfgevangen vis en zelfgeraapte schelpdieren te eten. Gemeenten, provincie en GGD’en zorgen daar voor extra informatie. In antwoord op de toezegging is de conclusie dat er daarom geen meerwaarde van een speciale publiekscampagne voor zwangere mensen.
Deelt u de opvatting dat het zeer zorgelijk is dat PFOA nog steeds wordt aangetroffen in moedermelk ondanks het feit dat Chemours al in 2012 is gestopt met de productie van deze stof? Bevestigt dit voor u nogmaals hoe persistent deze stoffen zijn en de noodzaak om zo snel mogelijk te komen tot een volledig verbod op PFAS? Zo nee, waarom niet?
Het feit dat PFOA in moedermelk voorkomt en in feite iedereen al PFAS binnenkrijgt, onderstreept het belang van een breed Europees verbod op zoveel mogelijk PFAS. Nederland heeft hiertoe het voortouw genomen en werkt samen met Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden aan de zorgvuldige voorbereiding van dit voorstel.
Wist u dat Chemours PFAS-afval laat verwerken door het bedrijf Indaver in Antwerpen? Wist u dat dit bedrijf niet in staat is om dit afval goed te verwerken en grote hoeveelheden PFAS-stoffen, waaronder GenX loost? Is het bekend of deze stoffen afkomstig zijn van Chemours? Kan de Nederlandse overheid voorkomen dat Chemours afval laat «verwerken» door het bedrijf Indaver?
Ja, het is bekend dat Chemours PFAS-houdend afval laat verwerken door het bedrijven Indaver in Antwerpen. Hier is de Kamer al meermaals over geïnfomeerd4.
Voor het overbrengen van afvalstoffen naar een ander lidstaat moet een (openbare) kennisgevingsprocedure doorlopen worden onder de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). De ILT is samen met de autoriteit in het ontvangende land vergunningverlener, behandelt de aanvragen («kennisgevingen») en houdt toezicht op de voorwaarden die afgegeven EVOA-vergunningen stellen. Een afvaltransport naar het buitenland krijgt alleen een vergunning als er sprake is van een doelmatige afvalverwerking. Wanneer bijvoorbeeld het overschrijden van (lozings)normen uit vergunningen afvalverwerking in de weg staat, moet de ontvangende autoriteit negatief beslissen op een EVOA-kennisgeving en de verzendende autoriteit (ILT) daar over informeren. Hiervan was bij eerdere kennisgevingen geen sprake. Voor een aantal lopende aanvragen voor exportvergunningen heeft de ILT aanvullende informatie opgevraagd bij de kennisgevers en de Vlaamse autoriteiten.
Als voldaan wordt aan de voorwaarden van de EVOA-verordening, waaronder dus de doelmatige verwerking van afval, en alle andere in Nederland geldende wet- en regelgeving, kan de Nederlandse overheid niet verhinderen dat het afval door een specifiek bedrijf wordt verwerkt.
Hoe is het mogelijk dat Rijkswaterstaat een nieuwe vergunning heeft gepubliceerd waarin staat dat 2 kg PFOA en 5kg GenX-stoffen op de Beneden Merwede geloosd mogen worden2? Waarom geeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat toestemming hiervoor als de gevaren van PFAS alom bekend zijn?
Bij het verlenen van lozingsvergunningen volgt het bevoegd gezag, in dit geval RWS namens de Minister, de vigerende waterkwaliteitswetgeving. Op grond daarvan worden alleen vergunningen verleend als de beste beschikbare technieken worden toegepast om emissies te voorkomen of beperken en als geen normen in oppervlaktewater worden overschreden, waardoor de lozing geacht wordt geen onaanvaardbare gevolgen te veroorzaken voor mens en milieu. Voor Zeer Zorgwekkende Stoffen geldt daarnaast een minimalisatieverplichting.
Indien een stof aangemerkt is als Zeer Zorgwekkende Stof, hetgeen hier het geval is bij de directe lozing van de betreffende PFAS-verbindingen, betekent dit niet automatisch dat de lozing verboden kan worden. Zo oordeelde recent ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State6. Het betekent wel dat het bevoegd gezag strengere eisen kan opleggen in vergunningen zoals een minimalisatieplicht. Zodoende worden emissies steeds verder teruggedrongen. Het verbieden van het gebruik van een ZZS in een productieproces kan alleen via Europese wetgeving (REACH) geregeld worden. Hiertoe wordt een voorstel voorbereid, zie ook het antwoord op vraag 10.
Deelt u de opvatting dat, gezien de grote gevolgen voor milieu en gezondheid van PFAS en het feit dat de PFAS-afvalverwerking totaal ontoereikend is, een stop op de productie van PFAS door Chemours de enige oplossing is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer wordt dit gerealiseerd?
De meest effectieve manier om problemen met PFAS te voorkomen, is door ervoor te zorgen dat PFAS niet in het milieu terechtkomen. Daarom heeft Nederland ingezet op een breed Europees verbod op de productie en het gebruik van PFAS, zie ook het antwoord op vraag 6. Daarnaast hanteert Nederland een streng emissiebeleid voor ZZS, waar ook een aantal PFAS onder vallen. Voor deze emissies geldt een minimalisatieplicht. Dat houdt in dat emissies van deze stoffen zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Het bevoegd gezag ziet hierop toe. Zodoende zijn de emissies van de GenX-stoffen door het bedrijf Chemours al met 99% gereduceerd. De minimalisatieplicht blijft van kracht tot er geen ZZS-emissies naar het milieu meer plaatsvinden. Chemours zal zich aantoonbaar voor deze minimalisatieplicht moeten inspannen.
Op welke wijze voert u de motie van de leden Bouchallikht en Van Esch uit om in Europa zo snel mogelijk te komen tot een volledig verbod op PFAS (Kamerstuk 28 089, nr. 202)? Wanneer kunnen we het EU-restrictievoorstel verwachten? Draagt u er zorg voor dat dit voorstel in lijn is met de wens van de Kamer, namelijk een totaalverbod binnen de EU zónder uitzonderingen?
Verwezen wordt Kamerbrief van 9 maart jl.7 waarin aangegeven is hoe de Kamer is geïnformeerd over het voorstel voor een brede Europese restrictie op het gebruik van PFAS via de Europese stoffenverordening REACH. Nederland werkt met een aantal andere Europese lidstaten aan dit omvangrijke voorstel. De restrictie moet ertoe leiden dat het gebruik van PFAS in de EU zo ver mogelijk wordt ingeperkt. De planning is dat het voorstel voor de restrictie in januari 2023 wordt ingediend bij het EU-chemicaliënagentschap ECHA. Daarna volgt de gebruikelijke procedures voor restrictievoorstellen in het kader van de Europese REACH verordening, inclusief de formele consultatierondes. Politieke besluitvorming in Europa, op basis van een voorstel van de Europese Commissie, wordt voorzien in 2024. In lijn met de motie-Bouchallikh/Van Esch8 blijf ik mij op deze wijze inzetten op een zo volledig mogelijk Europees verbod op PFAS.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.