De voorbereidingen in het funderend onderwijs op de komst van Oekraïense vluchtelingen. |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Op welke wijze bereidt u zich voor op de komst van Oekraïense vluchtelingenkinderen en jongvolwassenen in het funderend onderwijs en mbo, zodat alle leerplichtige kinderen en jongeren onderwijs krijgen?
Op verschillende locaties in het land zijn tijdelijke onderwijsvoorzieningen gestart voor kinderen uit Oekraïne. Na hun vlucht voor de oorlog krijgen enkele honderden leerlingen weer voor het eerst les in onder meer Arnhem en Ederveen.
Het is belangrijk dat Oekraïense vluchtelingenkinderen en jongvolwassenen snel een plek in het onderwijs krijgen. Voor minderjarige vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland wordt het noodzakelijke onderwijs primair in het gangbare nieuwkomersonderwijs aangeboden, in de vorm van nieuwkomersscholen (po) en internationale schakelklassen (vo). Scholen en gemeenten die vragen hebben over het onderwijs aan Oekraïense leerlingen kunnen voortaan terecht op de website www.onderwijsvooroekraine.nl. Daar kunnen zij veel informatie vinden over bijvoorbeeld het organiseren van lessen, het inzetten van leraren uit Oekraïne, en over lesmateriaal. Scholen kunnen daarnaast ondersteuning krijgen van LOWAN. LOWAN ondersteunt de scholen die het onderwijs aan nieuwkomers verzorgen in zowel het Primair Onderwijs als het Voortgezet Onderwijs. In regio’s waar de bestaande nieuwkomersvoorzieningen, ook in een opgeschaalde variant, onvoldoende zijn, zet het Ministerie van OCW in op het opzetten van extra, tijdelijke centrale onderwijsvoorzieningen. Het Ministerie van OCW werkt nu samen met verschillende betrokken partijen uit hoe op korte termijn grote aantallen Oekraïense kinderen en jongvolwassenen een veilige en goede plek in het onderwijs kan worden geboden.
Welke lessen zijn er geleerd uit de periode instroom van Syrische vluchtelingen naar aanleiding van de oorlog in Syrië, waardoor we nu beter kunnen inspelen op de huidige situatie?
De periode van de verhoogde instroom naar aanleiding van de oorlog in Syrië stelde het Nederlands onderwijs net als nu voor een grote uitdaging. Het is belangrijk om de gevolgen van de extra toename van vluchtelingen in goede banen te leiden. Onderwijs en het leren van de Nederlandse taal zijn belangrijk om zoveel mogelijk een normaal leven op te kunnen pakken in Nederland. Voor het primair en het voortgezet onderwijs zijn naar aanleiding van de situatie rondom de vorige periode van hoge instroom structureel bekostigingsregelingen ingesteld voor het onderwijs aan nieuwkomers. Deze hoeven nu niet opnieuw te worden opgezet, maar kunnen met een kleine wijziging ook direct voor deze groep worden ingezet. Daarnaast is de afgelopen jaren de beschikbare ondersteuning voor nieuwkomersonderwijs door LOWAN nader geprofessionaliseerd. Een voorbeeld hierbij zijn leerlijnen voor nieuwkomersleerlingen die met ondersteuning van OCW zijn doorontwikkeld.
Beschikt het LOWAN over voldoende capaciteit en middelen om scholen te ondersteunen die het eerste opvangonderwijs bieden?
OCW subsidieert de ondersteuningsorganisaties LOWAN-po (via de PO-Raad) en LOWAN-vo (zelfstandig). Omdat er grote aantallen Oekraïense kinderen worden verwacht, en LOWAN een kleine organisatie is, wordt LOWAN versterkt met extra middelen van OCW. Zo krijgt LOWAN de mogelijkheid om zich op korte termijn uit te breiden, om zo veel mogelijk scholen te kunnen ondersteunen die het eerste opvangonderwijs aanbieden. Er is hier een speciale helpdeskfunctie voor ingericht. Daarnaast kunnen scholen en gemeenten ook terecht op de website www.onderwijsvooroekraine.nl. Op de website kunnen zij veel informatie vinden over bijvoorbeeld het organiseren van lessen, het inzetten van leraren uit Oekraïne en over lesmateriaal.
Hoe worden de scholen en roc’s ondersteund in het ontvangen van Oekraïense vluchtelingenkinderen en jongeren? Kunnen deze scholen en roc’s naast onderwijs ook een vorm van traumaverwerking bieden in samenwerking met professionele jeugdhulpverleners?
Scholen die onderwijs bieden aan vluchtelingenkinderen kunnen hiervoor ondersteuning krijgen van LOWAN. Deze organisatie biedt handvatten aan scholen omtrent het lesgeven aan getraumatiseerde kinderen. In het mbo werkt OCW nauw samen met de MBO Raad en onderwijsinstellingen om de huidige capaciteit en de mogelijkheden om op te schalen in kaart te brengen. Mbo-scholen kunnen trauma’s signaleren en intensief samenwerken met professionele hulpverleners om deze vluchtelingen passende ondersteuning te bieden. Het uitgangspunt is om met deze ondersteuning vluchtelingen een goede en veilige plek in het onderwijs te geven.
Zijn er al schoolbesturen bezig met het voorbereiden van taalklassen en internationale schakelklassen?
Op verschillende plekken zijn gemeenten en scholen samen met andere partners bezig dit onderwijs te organiseren en op een aantal plekken gaan gevluchte Oekraïense kinderen al naar school. Deze gemeenten en schoolbesturen proberen zo goed mogelijk de huidige nieuwkomersvoorzieningen op te schalen.
Is al contact met Ingrado over de verwachte toename van minderjarige vluchtelingen?
Ja, OCW heeft contact met Ingrado over de rol van leerplichtambtenaren als gevolg van de Oekraïense vluchtelingenstroom. Deze kinderen zijn namelijk leerplichtig. Daarnaast maakt Ingrado deel uit van de klankbordgroep voor het funderend onderwijs aan Oekraïense kinderen die door OCW is ingesteld.
Tijdens de instroom van Syrische vluchtelingen is er een maatwerkbekostiging gekomen met een vast bedrag per nieuwkomer en extra peilmomenten op scholen voor leerlingaantallen, zodat scholen die te maken kregen met een flinke leerlingstijging adequate bekostiging ontvingen, overweegt u om dit opnieuw in te stellen voor aankomend jaar? Zo ja, hoe wilt u dit inrichten?
Ook voor Oekraïense kinderen ontvangen scholen nieuwkomersbekostiging via DUO. Voor leerlingen in het primair onderwijs moet hiervoor een aanvraag worden ingediend. OCW past de bekostigingsregeling aan om formeel vast te leggen dat ook Oekraïense kinderen binnen de doelgroep van de nieuwkomersbekostiging vallen. Naast deze bekostigingsregeling biedt OCW de mogelijkheid voor aanvullende maatwerkbekostiging onder bepaalde voorwaarden. De reguliere nieuwkomersbekostiging wordt vier keer per jaar uitgekeerd op basis van vier peildata. Omdat het aantal Oekraïense leerlingen op een school snel kan veranderen, kunnen scholen vanaf nu maandelijks bijhouden aan hoeveel nieuwkomers ze lesgeven. De bekostiging wordt daarop aangepast en is daarmee voor de scholen beter op maat.
Zijn de gegevens van het COA en DUO of BRON gekoppeld, zodat er een beeld is van het aantal leerplichtige kinderen en de daadwerkelijke onderwijsdeelname?
Scholen worden opgeroepen om de Oekraïense leerlingen in te schrijven. Deze gegevens komen in ROD (voorheen BRON), het systeem bij DUO, terecht. Er zit een vertraging in het proces van inschrijving en de beschikbare gegevens uit ROD. Om die reden is er nog geen volledig beeld van het aantal Oekraïense leerlingen in Nederland en op welke scholen zij precies zijn ingeschreven. Het precieze aantal leerplichtige leerlingen is nog niet beschikbaar, maar op basis van gegevens over de instroom en inschattingen van J&V over het percentage minderjarige (37%) wordt uitgegaan van ongeveer 6.000–7.000 leerlingen. De instroom wordt dagelijkse geüpdatet met een overzicht van de ontheemden per veiligheidsregio. De gegevens zullen ook op gemeentelijk niveau beschikbaar komen.
Het COA heeft een andere rol in de instroom van Oekraïense vluchtelingen, ten opzichte van andere vluchtelingenstromen. Oekraïners zijn Europeanen, zij kunnen met een biometrisch paspoort zonder visum vrij reizen naar de Europese Unie. Hierdoor is een asielaanvraag geen voorwaarde voor een legaal kortdurend verblijf in Nederland. Op dit moment is niet bekend hoeveel vluchtelingen er naar Nederland komen en dan een asielaanvraag zullen doen. Echter hebben alle kinderen in Nederland, ongeacht de verblijfsstatus, recht op onderwijs en zijn leerplichtig. De gemeenten hebben hier een belangrijke rol in. Vanuit de gemeentelijke opvanglocaties worden kinderen aangemeld op school. Daarnaast wordt het belang om kinderen aan te melden op school ook benadrukt in de communicatie richting gastgezinnen die Oekraïners opvangen.
Voor leerlingen in het primair onderwijs moet een aanvraag worden ingediend voor nieuwkomerbekostiging. Op die manier wordt per peildatum, waarbij de eerstvolgende 1 mei is in het po en 1 juli is in het vo, duidelijk hoeveel nieuwkomerskinderen deelnemen aan het onderwijs. Voor het voortgezet onderwijs gebruikt het Register Onderwijsdeelnemers (ROD, voorheen BRON) de gegevens van de Basis Registratie Personen (BRP) om de aanvullende bekostiging voor nieuwkomers te bepalen. DUO stelt op basis daarvan per peildatum ambtshalve vast voor hoeveel nieuwkomers in het onderwijs bekostiging wordt ontvangen. Verder kunnen personen met de Oekraïense nationaliteit worden ingeschreven in de BRP op aangifte van verblijf en adres bij de gemeente waar zij (tijdelijk) verblijven. Op basis daarvan kan meer inzicht worden verkregen in het aantal leerplichtige kinderen in Nederland.
Wapenleveringen aan Oekraïne |
|
Jasper van Dijk |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
Waarom hebt u besloten minder informatie te geven over het leveren van militaire goederen aan Oekraïne?1
De afgelopen periode is uw Kamer meermaals in detail geïnformeerd over de leveringen van militaire goederen door het Ministerie van Defensie aan Oekraïne. Het kabinet onderschrijft het belang van een open maatschappelijke discussie over dit onderwerp, maar moet transparantie afwegen tegen het waarborgen van de operationele veiligheid.
Eerder achtte het kabinet het van belang om te laten zien dat er militaire goederen ter zelfverdediging van Oekraïne beschikbaar werden gesteld als blijk van steun en solidariteit aan Oekraïne. De veiligheidssituatie was toen nog wezenlijk anders. Ook diverse internationale partners communiceerden in deze fase openlijk over hun materiële steun aan Oekraïne.
Na de Russische invasie van Oekraïne heeft het kabinet met het oog op de (operationele) veiligheid besloten om minder openlijk te communiceren over de militaire goederen die Defensie aan Oekraïne levert.
Zoals ook toegezegd tijdens het plenaire debat op 10 maart jl. laat dit onverlet dat het kabinet verantwoording wil afleggen en daarom de Kamer adequaat zal blijven informeren, via een vertrouwelijke bijlage.
Waarom maakte u eerdere wapenzendingen wel gedetailleerd openbaar? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het gebrek aan transparantie over wapenleveringen een open, maatschappelijke discussie in de weg staat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat voor voertuigen gaat Nederland aan Oekraïne leveren, zoals gesteld in de brief van 3 maart?2
In de brief van 10 maart jl. (kenmerk: 22 054, nr. 360) heeft het kabinet de Kamer vertrouwelijk geïnformeerd over de aard van de leveringen.2
Klopt het dat Nederland Patriot-raketten gaat leveren in het kader van de oorlog? Om hoeveel Patriots gaat het (met hoeveel raketten) en waar worden zij exact geplaatst?3
Op vrijdag 18 maart jl. is uw Kamer geïnformeerd over de inzet van een Nederlandse Patriot luchtverdedigingseenheid in Slowakije (Kamerstuk 2022D10685). De inzet in Slowakije draagt bij aan de versterking van de collectieve afschrikking- en verdedigingsfunctie van de NAVO en de geruststelling van onze bondgenoten in de regio.
De inzet vindt plaats in de omgeving van de luchtmachtbasis in Sliac, in centraal Slowakije, samen met onze partner Duitsland en onder aansturing van de NAVO. Ontplooiing van de Nederlandse Patriot-eenheden vergt de inzet van ongeveer 150 Nederlandse militairen, voor de duur van maximaal zes maanden.
Klopt het dat meer dan 20 landen wapens leveren aan Oekraïne?4 Om hoeveel landen gaat het precies?
Nederland heeft kennis genomen van meer dan twintig landen die publiekelijk hebben aangegeven Oekraïne te steunen door militaire goederen en wapens te leveren.
Heeft de NAVO dan wel de EU een coördinerende rol aangaande wapenleveranties aan Oekraïne? Op welke manier wordt deze coördinatie vormgegeven?5
Zoals vermeld in de Geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken Defensie, die op 11 maart jl. met uw Kamer is gedeeld (Kamerstuk 21 501-28, nr. 237), heeft de EU een coördinatieplatform ingericht (Clearing House Cell – CHC). Hier wordt informatie over de behoeften vanuit Oekraïne en de levering van militaire steun vanuit EU-lidstaten bijeen gebracht. Een aantal niet-EU landen is ook aangesloten bij deze cel. Dit platform fungeert als forum voor afstemming en synchronisatie tussen de lidstaten, bondgenoten en partners onderling en met Oekraïne.
De NAVO heeft geen coördinerende rol aangaande wapenleveranties. Op initiatief van de VS en het VK coördineert een aantal bondgenoten en partners onderling de vraag vanuit Oekraïne en het aanbod vanuit verschillende landen voor de bilaterale leveringen van militaire goederen aan Oekraïne.
Op welke wijze acht u deze wapenleveranties proportioneel? Is het ter beschikking stellen van straaljagers aan Oekraïne proportioneel?
De Nederlandse inzet is om (verdere) escalatie te voorkomen en om Oekraïne in staat te stellen zich beter te verdedigen tegen de Russische gewapende aanval. De wapenleveranties worden zorgvuldig getoetst aan de EU-wapenexportcriteria. Daarbij wordt meegewogen dat Nederland geen wapens wil leveren die het risico in zich dragen van grotere escalatie, de betrokkenheid van meer landen in het conflict en meer slachtoffers.
Deze afweging stelt meer bondgenoten en partnerlanden voor een lastig dilemma. Uiteindelijk neemt ieder land hier zelf een beslissing over.
Deelt u de opvatting dat Nederland met deze leveranties een keuze maakt met grote risico’s op militaire escalatie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Nieuw bewijs voor zware vervuiling van Nederlandse waterwegen met plastickorrels. |
|
Kiki Hagen (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider draagt nieuw bewijs aan voor zware vervuiling van Nederlandse waterwegen met plastickorrels»?1
Ja.
Herkent u de situatie die geschetst wordt in dit artikel, namelijk dat de Westerschelde zwaar vervuild blijkt te zijn met zogenaamde «nurdles» (kleine plastic korrels) afkomstig uit de plasticindustrie? Zo ja, kunt u toelichten wat u tot nu toe heeft ondernomen om deze vervuiling tegen te gaan?
Vervuiling door nurdles vind ik zorgelijk. Het is onvoldoende zeker waar de kleine plastic korrels (nurdles) in de Westerschelde precies vandaan komen. Wel weten we dat jaarlijks grote hoeveelheden nurdles door de industrie worden geproduceerd, getransporteerd en verwerkt. Ik vind het belangrijk dat de plasticindustrie er alles aan doet om milieuvervuiling door deze plastic korrels te voorkomen. Met het initiatief Operation Clean Sweep zet de plasticsindustrie belangrijke stappen naar het voorkomen van het verlies van nurdles, maar het initiatief heeft nog niet geleid tot het volledig oplossen van het probleem. Plastics Europe werkt aan de uitwerking van een certificeringssysteem. Ik vind het belangrijk dat zo veel mogelijk partijen zich laten certificeren en dat dit certificeringssysteem aansluit bij meetmethoden die worden ontwikkeld in de OSPAR-samenwerking, een regionaal verdrag voor de bescherming van het mariene milieu van de Noordoost-Atlantische Oceaan (zie ook antwoord 5).
Met het actieprogramma Schone Schelde 2022 werken bedrijven, overheden en NGO’s samen aan het terugdringen en voorkomen van zwerfafval. De bronaanpak van nurdles is een speerpunt in het actieprogramma. Rijkwaterstaat neemt actief deel aan deze Schone Schelde samenwerking. Over de voortgang en de aanpak zal Minister Harbers u in het najaar nader informeren.
Daarnaast is het belangrijk om te investeren in de kennisopbouw over (micro)plasticvervuiling uit Nurdles. Nurdles zijn een van de voornaamste bronnen van milieuvervuiling door microplastics. Het Ministerie van IenW investeert in de kennisopbouw over microplastics, er is bijvoorbeeld € 230.000 beschikbaar gesteld voor onderzoek naar methoden om microplastics in water te kunnen meten.
Bent u het met ons eens dat het onderzoek dat in het artikel wordt aangehaald opnieuw aantoont hoe noodzakelijk het is om de immense plasticvervuiling zo snel mogelijk wereldwijd aan te pakken? Zo ja, welke actie heeft u hierop tot nu toe ondernomen?
Plasticvervuiling is een probleem dat over landsgrenzen heen gaat. Een belangrijke stap om het plastic zwerfafval op het land, in het water en op oevers terug te dringen is de richtlijn van de Europese Commissie voor de reductie van wegwerpplastics (hierna: SUP-richtlijn). Sinds vorig jaar zijn eenmalige plastic rietjes, bordjes, bestek en wattenstaafjes verboden. Onlangs heb ik aanvullende regels in de Staatscourant gepubliceerd om het gebruik van kunststof drinkbekers en voedselverpakkingen voor eenmalig gebruik te verminderen en het hergebruiken van verpakkingen te stimuleren. Met deze nieuwe regels wordt ook de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) van kracht, waardoor producenten van sigarettenfilters, vochtige doekjes en andere plastic producten mee moeten betalen aan de kosten van het opruimen van zwerfafval. Over deze maatregelen ter implementatie van de SUP-richtlijn heb ik uw kamer eind maart jl. geïnformeerd.2
Daarnaast steun ik de verschillende initiatieven van de Europese Commissie om milieuvervuiling door microplastics te voorkomen uit zowel bewust toegevoegde als onbewust ontstane microplastics. Naast een voorstel ter voorkoming en beperking van bewuste toegevoegde microplastics werkt de Commissie ook aan een breder beleidspakket tegen de vervuiling van microplastics die onbewust in het milieu terechtkomen. De Commissie heeft aangegeven met dit beleidspakket ook microplasticvervuiling door nurdles te willen aanpakken. Ik ben voorstander van een ambitieuze Europese aanpak en zal de Commissie hiertoe blijven aansporen.
Ik vind het ook noodzakelijk om plasticvervuiling wereldwijd aan te pakken. Over de vele acties om de plastic vervuiling mondiaal aan te pakken heb ik uw kamer onlangs nog geïnformeerd in een reactie op twee brieven van de Plastic Soup Foundation.3 Ik ben blij dat – mede door de inspanningen van Nederland – tijdens de United Nations Environment Assembly (UNEA) 5.2 eind maart jongstleden, een internationaal onderhandelingscomité wordt ingesteld om te komen tot een juridisch bindende overeenkomst voor de aanpak van mondiale plastic vervuiling. In 2022 starten de onderhandelingen voor een mondiaal verdrag voor het tegengaan van vervuiling door plastics in het milieu.
Bent u het met ons eens dat het Nederlandse stelstel van vergunning, toezicht en handhaving (VTH-stelsel) heeft gefaald in het geval van de plasticvervuiling in de Westerschelde?
Bedrijven zijn allereerst zelf verantwoordelijk om te voorvoorkomen dat verontreinigende stoffen, zoals plastic korrels, in het milieu terechtkomen. Het is aan het bevoegd gezag om op basis van de water- en milieuregelgeving erop toe te zien dat aan de daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan. Zowel plastic producerende bedrijven als ook bedrijven in de logistieke keten worden door Rijkswaterstaat en de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland op regelmatige basis geïnspecteerd.
Bent u het eens met de oproep van de directeur van de Platic Soup Foundation dat er in Nederland in deze situatie handhavend opgetreden moet worden en dat er vanuit Nederland een oproep gedaan moet worden aan België en het Verenigd Koninkrijk om hetzelfde te doen?
Over de handhaving verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 4.
Net als Nederland maken België en het Verenigd Koninkrijk deel uit van internationale samenwerkingsverbanden om de milieuvervuiling door plastics te voorkomen en aan te pakken. Bijvoorbeeld zetten Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk zich binnen de Regionale Zeeconventie OSPAR actief in voor het verder terugdringen van zwerfvuil in de Noordoost-Atlantische Oceaan. Dit gebeurt onder andere door bij te dragen aan het OSPAR Regional Action Plan Marine Litter. Bij de OSPAR ministeriële conferentie is in oktober 2021 een aanbeveling aangenomen om de verliezen van nurdles te beperken. Ook wordt in OSPAR-verband gewerkt aan het ontwikkelen van gezamenlijke monitoringstechnieken voor het meten van microplastics in sediment, en zijn binnen OSPAR methoden ontwikkeld voor het meten van zwerfvuil op stranden en van plastic deeltjes in de magen van Noordse stormvogels en van zeeschildpadden. Ik vind het belangrijk dat alle landen zich houden aan de afspraken en zal in deze samenwerkingsverbanden aandringen op een voortvarende aanpak om de milieuvervuiling door plastics te voorkomen en aan te pakken.
Kunt u toelichten in hoeverre u gesprekken voert met uw Belgische en Britse collega’s over de vervuiling van Nederlandse waterwegen en of er in dit verband ook specifiek wordt gesproken over plastic korrels? Wat zijn hier tot nu toe de concrete vervolgstappen van?
Zoals ook toegelicht in antwoord 5 zijn er contacten met Belgische en Britse collega’s over het tegengaan van milieuvervuiling door plastic en plastic nurdles in OSPAR-verband. Plastic vervuiling is ook een onderwerp op de agenda van de Internationale Scheldecommissie (ISC) met België en Frankrijk. In de ISC wordt besproken op welke manier de aanwezigheid van verontreinigende stoffen, zoals plastics, in het gehele stroomgebied van de Schelde kan worden gereduceerd.
Wat betekent deze vervuiling voor de flora en fauna in de Hedwigepolder? En wat bent u voornemens te gaan doen?
De flora en fauna van de Hedwigepolder en het toekomstige intergetijdengebied is in principe niet anders dan de flora en fauna in de andere delen van het Westerscheldegebied. De mogelijke invloed van verontreiniging van het gebied met plastics op flora en fauna zal dan ook niet anders zijn dan de invloed die dergelijke verontreinigingen elders hebben. Dat neemt niet weg dat ik mij in de Hedwigpolder net zo zal blijven inspannen om milieuvervuiling te voorkomen en te beperken als in elk ander gebied.
Het uitsluitbeleid van Jehovah’s Getuigen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het uitsluitbeleid van Jehovah’s Getuigen in Nederland en de petitie «Bestraf het Sociaal Doodverklaren bij de Jehovah’s Getuigen» die op 8 maart 2022 is aangeboden aan de Tweede Kamer?
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving en ook met de petitie «Bestraf het Sociaal Doodverklaren bij de Jehovah’s Getuigen» die door uw vaste Kamercommissie is doorgestuurd.
Hoe beoordeelt u het uitsluitbeleid van de Jehovah’s Getuigen en de psychische schade die dit beleid kan veroorzaken?
Ik kan mij voorstellen dat de behandeling van mensen die uittreden uit de gemeenschap kwetsend en beschadigend is voor de mensen die dit overkomt en dat de slachtoffers ervan psychische schade ondervinden.
Is er onderzoek gedaan naar de consequenties van dit beleid op de levens van leden en ex-leden van de gemeenschap? Zo nee, bent u daartoe bereid?
Momenteel ben ik de mogelijkheden voor onderzoek aan het verkennen. Voor het CD Slachtofferbeleid van 1 juni a.s. stuur ik uw Kamer mijn reactie op de petitie «Bestraf het Sociaal Doodverklaren bij de Jehovah’s Getuigen» en de geschetste problematiek. In deze reactie zal ik ingaan op de gevolgen van «shunning» voor slachtoffers, de maatregelen die andere landen treffen tegen het uitsluitbeleid van Jehovah’s Getuigen en de mogelijkheden om slachtoffers te beschermen en op te vangen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met zowel leden als ex-leden van de Jehovah’s Getuigen over de gevolgen van het uitsluitbeleid dat binnen de gemeenschap wordt gehanteerd?
Medewerkers van mijn ministerie hebben reeds contact opgenomen met een mede-initiatiefnemer van het Dutch Committee Against JW’s Shunning: Now is the time. Er is afgesproken dat er nog een gesprek zal volgen met enkele leden van het Comité. In dit gesprek zal worden bezien waar de zorg- en hulpbehoeften van ex-leden van de Jehovah’s Getuigen liggen. Vervolgens zal ik bekijken of, door wie en op welke wijze deze groep verder kan worden geholpen. Over de voortgang van dit gesprek zal ik uw Kamer informeren.
Wat zijn de wettelijke mogelijkheden in Nederland waarmee dit uitsluitbeleid een halt toe te roepen is? Welke van deze maatregelen bent u bereid te nemen om het probleem aan te pakken?
Hoewel «shunning» kwetsend en beschadigend is voor de slachtoffers, is het fenomeen als zodanig niet strafbaar gesteld. Ik heb dit eerder aan uw Kamer bericht. Bepaalde schadelijke praktijken die kunnen samenhangen met «shunning» kunnen wel via het civiele recht of het strafrecht worden aangepakt. Psychisch geweld kan vallen binnen de reikwijdte van mishandeling in de zin van het opzettelijk benadelen van de gezondheid (artikel 300 Sr), dwang (artikel 284 Sr) of bedreiging (artikel 285 Sr). Onder omstandigheden kunnen ook de delicten smaad (artikel 261), laster (artikel 262 Sr), aanzetten tot haat of discriminatie (artikel 137d Sr) en opruiing (artikel 131 Sr) in beeld komen.
Het is aan de rechter om te beoordelen of de specifieke gedragingen waarvoor het OM vervolging heeft ingesteld onder het bereik van het tenlastegelegde delict vallen. Ik volg de berichtgeving omtrent de aangifte die is gedaan door het Dutch Committee Against JW’s Shunning: Now is the time daarom nauwgezet. Op uw verzoek stuur ik voor het CD Slachtofferbeleid van 1 juni a.s. een kabinetsreactie op de petitie «Bestraf het Sociaal Doodverklaren bij de Jehovah’s Getuigen» en de geschetste problematiek.1
Bent u bekend met de maatregelen die Frankrijk, België en Noorwegen tegen dit uitsluitbeleid hebben genomen? Is het mogelijk om deze maatregelen ook in Nederland toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke stappen heeft u tot op heden genomen om slachtoffers uit geloofsgemeenschappen te beschermen en op te vangen? Welke stappen zijn er daarnaast nog mogelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de uitkomst van het onderzoek naar het intrekken van belastingvoordelen voor Jehovah’s Getuigen dat de Minister voor Rechtsbescherming eerder heeft uitgevoerd? Bent u voornemens om deze maatregel te nemen om het probleem aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Mijn ambtsvoorganger heeft op verzoek van uw Kamer de juridische mogelijkheden verkend om de ANBI-status van de gemeenschap Jehovah’s Getuigen in te trekken. Daaruit is gebleken dat de Belastingdienst niet de wettelijke bevoegdheid heeft om organisaties extra te controleren of de ANBI-status in te trekken, enkel vanwege signalen dat deze zich mogelijk bezighouden met ongewenste praktijken.
Naar aanleiding van verschillende signalen dat ANBI’s in de ogen van het Kabinet niet altijd in het algemeen belang handelen, laat de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingen momenteel onderzoeken wat de juridische mogelijkheden zijn om in te grijpen bij die ANBI’s. In zijn brief van 3 december 2021 heeft hij aangegeven dat hij daartoe een commissie van deskundigen heeft ingesteld met expertise op het gebied van fiscaliteit, grondrechten en filantropie.2 De opdracht aan deze commissie is om vanuit verschillende visies en deskundigheden te beoordelen welke mogelijkheden er zijn, al dan niet door aanpassing van ANBI-regelgeving, om het algemeen nut karakter beter tot uitdrukking te laten komen. De bevindingen van de commissie worden binnenkort verwacht.
50.000 opvangplekken voor vluchtelingen uit Oekraïne |
|
Henk Nijboer (PvdA), Attje Kuiken (PvdA), Kati Piri (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Kuipers , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Hoe gaat het landelijk crisisbestuur van het kabinet gemeenten ondersteunen bij het vrijmaken en het langdurig beheren van ruim 50.000 opvangplekken voor vluchtelingen uit Oekraïne door het hele land?
Zoals omschreven in de Kamerbrief van 8 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2829) zijn de veiligheidsregio’s gevraagd de realisatie van opvangplekken te coördineren. Zij werken hiervoor samen met gemeenten en lokale partners. Om gemeenten zoveel mogelijk te helpen bij het opzetten en beheren van opvanglocaties is op 13 maart jl. een voorlopige Handreiking Gemeentelijke Opvang Oekraïners opgesteld en onder gemeenten verspreid. Zie voor meer informatie hierover de Kamerbrief van 17 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2830)
Klopt het dat aangezien vluchtelingen uit Oekraïne automatisch bescherming krijgen onder de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) niet verantwoordelijk zal zijn voor het beheer van deze opvangplekken? Zo ja, welke instantie gaat gemeenten dan wel ondersteunen?
Zie antwoord vraag 1.
Houdt u er, gezien het feit dat we te maken hebben met de snelst groeiende vluchtelingencrisis sinds de Tweede Wereldoorlog, rekening mee dat de circa 50.000 opvangplekken die komende periode beschikbaar komen al op korte termijn vervuld zullen zijn?
Ja, hier houd ik rekening mee. In de Kamerbrief van 17 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2830) heb ik uiteengezet dat de voorbereidingen worden getroffen voor een nationale opvangorganisatie, als onderdeel van een Nationaal Programma Oekraïense ontheemden, dat zich, samen met maatschappelijke partners, de private sector en andere partijen, zal inzetten om voor de langere termijn opvang voor deze groep te borgen.
Bent u daarom reeds begonnen met het treffen van voorbereidingen voor het vrijmaken van tientallen duizenden additionele opvangplekken? Zo ja, op welke termijn wilt u dit realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u daarnaast reeds begonnen met het treffen van voorbereidingen op het vlak van bijvoorbeeld onderwijs, de gezondheidszorg, de woningmarkt en werkgelegenheid?
Ja, om hier zo snel mogelijk mee aan de slag te kunnen is op 9 maart jl. een structuur voor nationale crisisbesluitvorming geactiveerd. Deze structuur, die wordt gecoördineerd vanuit de NCTV, draagt zorg voor coördinatie en besluitvorming over het geheel van maatregelen en voorzieningen die in samenwerking met de betrokken publieke en private partners – met het oog op een samenhangende aanpak – moeten worden getroffen. Voor de laatste stand van zaken over de voorzieningen waarvoor ontheemden uit Oekraïne in aanmerking komen, verwijs ik u naar de Kamerbrieven van 17 en 30 maart en 6 april jl. (Kamerstuk 19 637, nrs. 2830, 2834 en 2854)
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat vluchtelingen uit Oekraïne vanaf hun aankomst in Nederland taallessen kunnen volgen? Deelt u de mening dat het particuliere aanbod van taalbureaus deze vraag niet aankan en dat er landelijke maatregelen moeten worden genomen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat ontheemden uit Oekraïne die in ons land verblijven de mogelijkheid hebben om de Nederlandse taal te leren, zodat zij vanaf de eerste periode van hun verblijf in Nederland hun weg kunnen vinden in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Daarom zijn de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs voornemens samen te werken aan de realisatie van laagdrempelige voorzieningen waar volwassenen terecht kunnen voor taalonderwijs, gecombineerd met praktische lessen die hen de weg wijzen in onze samenleving. Op dit moment worden de mogelijkheden hiertoe verkend. De mogelijke inrichting van tijdelijke voorzieningen om dit passend aanbod te kunnen leveren, wordt in de uitwerking meegenomen. Gemeenten en maatschappelijke organisaties worden hier nauw bij betrokken. Zodra hier meer over bekend is, zal uw Kamer hier nader over worden geïnformeerd.
Bent u van plan om op korte termijn in gesprek te gaan met vakbonden en werkgeversorganisaties om een plan van aanpak te maken om vluchtelingen uit Oekraïne die kunnen werken naar werk te begeleiden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, hoe bent u anders van plan om vluchtelingen uit Oekraïne actief te gaan begeleiden bij het zoeken van werk?
Het kabinet vindt het belangrijk om de ontheemden de tijd en rust te gunnen na hun vlucht. Uiteraard is het van belang dat mensen aan de slag kunnen als en wanneer zij dat willen. Gelet hierop is op 1 april 2022 met terugwerkende kracht vanaf 4 maart 2022 een vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningsplicht in werking getreden, voor vreemdelingen die onder de richtlijn tijdelijke bescherming1 vallen en arbeid in loondienst willen verrichten. Verder wordt verkend hoe deze groep gefaciliteerd kan worden in hun zoektocht naar werk. Hierbij worden vakbonden, werkgeversorganisaties, gemeenten en andere publieke en private partijen betrokken.
Zijn scholen in het primair onderwijs/voortgezet onderwijs in staat kinderen uit Oekraïne direct op te nemen in klassen? Hoe worden scholen geholpen om deze kinderen een zo goed mogelijke start te geven? Welke concrete actie wordt er momenteel ondernomen om scholen voor te bereiden?
Het is belangrijk dat kinderen die uit Oekraïne zijn gevlucht zo snel mogelijk terecht kunnen op een plek waar vormen van onderwijs geboden wordt. Op verschillende plekken zijn gemeenten en scholen samen met andere partners bezig dit onderwijs te organiseren. Op plekken gaan uit Oekraïne gevluchte kinderen al naar school. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ondersteunt scholen waar dat nodig is. Zo krijgen scholen financiële ondersteuning van het Ministerie van OCW via de nieuwkomersbekostiging. Het Ministerie van OCW werkt samen met verschillende betrokken partijen aan een plan om grote aantallen Oekraïense kinderen een goede plek in het onderwijs te bieden. Daarbij is het kabinet ook bezig met het uitbreiden van de bestaande ondersteuning.
In de komende tijd zullen er nog meer minderjarige kinderen naar Nederland komen. Dit vraagt veel van het onderwijs. Indien er voldoende ruimte is, dan verdient het de voorkeur dat Oekraïense kinderen terecht kunnen in het bestaande nieuwkomersonderwijs. Daarbij gaat het in het primair onderwijs om nieuwkomersklassen en taalklassen en in het voortgezet onderwijs om internationale schakelklassen (ISK’s). Wanneer de aantallen gevluchte Oekraïense kinderen verder toenemen, zoals de verwachting is, dan is er niet overal voldoende ruimte in het bestaande nieuwkomersonderwijs. In regio’s waar de bestaande voorzieningen, ook in een opgeschaalde variant, onvoldoende zijn, zet het Ministerie van OCW daarbij in op het opzetten van extra, tijdelijke onderwijsvoorzieningen. Zie hierover de onderwijspassage in de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, mede namens onder andere de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, van 17 maart jl. Het Ministerie van OCW werkt deze opgave uit samen met betrokken organisaties en informeert uw Kamer zodra er meer duidelijkheid is over de mogelijkheden en de bijbehorende benodigde extra middelen.
Op welke manier worden instellingen in het mbo en hoger onderwijs voorbereid op de komst van jongeren uit Oekraïne? Wordt alles in gereedheid gebracht zodat deze jongeren zo spoedig mogelijk hun opleiding kunnen hervatten?
Voor jongeren en volwassenen uit Oekraïne die willen instromen in het mbo, hoger onderwijs of volwassenenonderwijs geldt dat het Ministerie van OCW momenteel ook in gesprek is met de onderwijskoepels en andere betrokken partijen om in beeld te brengen wat de noden en mogelijkheden zijn. Tot 18 jaar geldt daarbij een formeel recht op onderwijs op basis van internationale verdragen. Bovendien wordt gewerkt aan informatievoorziening richting diverse organisaties, waaronder onderwijsinstellingen.
Daarnaast geldt dat het kabinet heeft besloten om vooralsnog maximaal 2,5 miljoen euro uit te trekken voor noodsteun aan Oekraïense studenten die voor de oorlog uitbrak al in Nederland studeerden. Op dit moment geven diverse mbo-scholen, hogescholen en universiteiten noodsteun aan studenten die worden getroffen door de gevolgen van de oorlog. Omdat de instellingen niet over voldoende middelen beschikken om deze studenten tegemoet te komen, ondersteunt het kabinet deze onderwijsinstellingen.
Worden ouders en jongeren uit Oekraïne actief benaderd door gemeente of Rijk om te voorkomen dat zij zich niet aanmelden bij een school of instelling? Wordt er samengewerkt door scholen, organisaties en gemeenten op gebied van bijvoorbeeld lesmateriaal en taallessen? Welke rol ziet u hierin voor uzelf?
De gemeenten hebben een belangrijke rol bij de toeleiding van minderjarige kinderen en jongeren naar het onderwijs, zowel voor kinderen en jongeren uit gemeentelijke, als uit de particuliere opvang. Vanuit de gemeentelijke opvanglocaties worden kinderen en jongeren aangemeld op school. Het belang om kinderen aan te melden op school wordt ook benadrukt in de communicatie naar mensen die thuis Oekraïners opvangen. Het is nu belangrijk dat gemeenten, schoolbesturen en andere organisaties samenwerken om alle minderjarige kinderen en jongeren een plek in het onderwijs te kunnen bieden en hen daarnaar toe te geleiden. In veel regio’s gaat dit om een reeds bestaande samenwerking voor het bestaande onderwijs aan nieuwkomers en is het belangrijk deze samenwerking verder te inventariseren. Het Ministerie van OCW biedt po en vo scholen financiële ondersteuning en werkt uit op welke manier de bestaande inhoudelijke ondersteuning verder kan worden geïnventariseerd. Het ministerie werkt momenteel ook uit op welke wijze de verwachte grote aantallen Oekraïense kinderen en jongeren een goede plek in het onderwijs kan worden geboden, zoals benoemd in het antwoord op vraag 8. Het ministerie stemt tevens af met Ingrado met betrekking tot de rol van leerplichtambtenaren. Deze kinderen en jongeren hebben immers leer- en kwalificatieplicht, net als alle andere kinderen en jongeren die zich in Nederland bevinden. Daarnaast geldt dat deelname aan onderwijs door volwassenen op vrijwillige basis is. Gemeenten werken nauw samen met onderwijsinstellingen en andere organisaties om volwassenen die dat willen een passende plek te bieden. Daarnaast kunnen vluchtelingen zich ook direct wenden tot instellingen in het mbo en hoger onderwijs. Vanuit OCW wordt nauw samengewerkt met de onderwijskoepels en andere relevante organisaties om de behoeften en mogelijkheden, ook voor ondersteuning vanuit het Rijk, in kaart te brengen. Bij de verdere verkenning en uitwerking wordt uitgegaan van het belang om alle minderjarige ontheemden en volwassenen die dat willen in het onderwijs te laten landen.
Op welke manier worden leraren en docenten ondersteund om vluchtelingen uit Oekraïne zo goed mogelijk te kunnen ondersteunen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 werkt het kabinet ook aan het uitbreiden van de bestaande ondersteuning. Momenteel kunnen scholen al terecht bij de ondersteuningsorganisatie LOWAN die wordt gesubsidieerd door het Ministerie van OCW en veel kennis en expertise heeft met betrekking tot het nieuwkomersonderwijs.
Kunt u aangeven welke maatregelen op het vlak van de volkshuisvesting worden overwogen? Kunt u daarbij aangeven of en, zo ja, welke delen van het coalitieakkoord worden heroverwogen op dit gebied?
Het is duidelijk dat de komst van grote aantallen ontheemden uit Oekraïne ook aanzienlijke huisvestingsvraagstukken met zich meebrengt. De bestaande uitdagingen in de volkshuisvesting zijn daarmee echter niet weg. Er is daarom niet zozeer aanleiding om de doelen in het coalitieakkoord en de onderliggende beleidsprogramma’s2 te heroverwegen, als wel om een sterke additionele inzet: er zal nog sneller nog meer huisvesting gerealiseerd moeten worden. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, met nauwe betrokkenheid van het Nationaal programma Oekraïense ontheemden, werken hiervoor een aanpak uit, waarbij ook oog is voor de doelen en inhoud van de verschillende beleidsprogramma’s, zoals de huisvesting van aandachtsgroepen. Uw Kamer wordt hierover zo snel mogelijk geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het tegengaan van leegstand een deel van de oplossing kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid op korte termijn de bevoegdheden van gemeenten uit te breiden om bewoning van langdurig leegstaande woningen af te dwingen?
Alle leegstaande gebouwen zijn potentiële opvang- of huisvestingslocaties. De afgelopen weken is al gebleken dat met name de makkelijk tot opvang te verbouwen gebouwen een belangrijke rol spelen. Via het Rijksvastgoedbedrijf wil ook de rijksoverheid bijdragen met eigen leegstaand vastgoed. Het is echter lokaal en regionaal waar op dit moment de afweging gemaakt moet worden of leegstaand vastgoed nodig is en of het ook geschikt is. Op dit moment maken burgemeesters al gebruik van de mogelijkheden binnen hun gemeenten. Die mogelijkheden lijken vooralsnog voldoende om de benodigde opvangplekken te realiseren. Zolang dat het geval is, ziet de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening geen aanleiding voor het toekennen van zwaardere bevoegdheden.
Deelt u de mening dat het opzetten van tijdelijke flexwoningen een oplossing kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u gemeenten hierbij ondersteunen?
Ja. Tijdelijke flexwoningen kunnen een belangrijk deel van de oplossing zijn. Dat geldt ook voor prefabbouw, transformatie van bestaande gebouwen en het inzetten van leegstaand vastgoed. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, met nauwe betrokkenheid van het Nationaal programma Oekraïense ontheemden werken een aanpak uit voor de ondersteuning van alle betrokken partijen en verantwoordelijken (veiligheidsregio’s, gemeenten, provincies, corporaties, bouwers, etc.) voor de opvang en al dan niet tijdelijke huisvesting van ontheemden uit Oekraïne. Hierover wordt uw Kamer zo snel mogelijk geïnformeerd.
Welke financiële tegemoetkoming kunnen gemeenten verwachten van het Rijk wanneer zij hotels gebruiken voor de huisvesting van vluchtelingen op korte termijn?
Gemeenten krijgen een normbedrag vergoed voor opvang van 100 euro per dag per gerealiseerde opvangplek ongeacht het type opvangplek. Daar moeten onder meer de kosten van de uitvoering, verstrekkingen en de huur uit betaald worden. Mocht de norm ontoereikend zijn dan zal dat blijken uit het monitoronderzoek dat wordt uitgevoerd en zal het normbedrag opwaarts worden bijgesteld. Uitgangspunt daarbij is dat het kabinet van rijkswege de reële compensatie heeft toegezegd van de extra kosten die gemaakt zullen worden door gemeenten voor de opvang van ontheemden uit de Oekraïne en dat gemeenten er niet slechter voor komen te staan dan daarvoor.
Er komt een uitzonderingsbepaling met een mogelijkheid voor gemeenten die in de periode 1 maart tot en met 31 maart 2022 gestart zijn met de opvang. Daarin is de mogelijkheid om de werkelijke kosten van de huur van accommodaties op te voeren indien het normbedrag niet toereikend is. Bij gebruik van de uitzonderingsbepaling geldt een normbedrag van 50 euro voor de kosten die niet huur gerelateerd zijn.
Welke handvatten krijgen huisartsen aangeboden om vluchtelingen uit Oekraïne te helpen aan de juiste zorg?
Deze zaken worden op dit moment uitgewerkt. De eerste uitwerking hiervan vindt u in de brief van de Minister van VWS, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 april jl.3 en in de twee verzamelbrieven die ik u, mede namens de Minister van VWS, eerder heb gestuurd.
Hoe krijgen vluchtelingen uit Oekraïne toegang tot geboortezorg en geestelijke gezondheidszorg? Is het op dit laatste vlak haalbaar om deze zorg te bieden in het licht van de al bestaande wachttijden bij de GGZ (voor traumazorg 18 weken)?
Zie antwoord vraag 16.
Hoe worden zorgaanbieders (huisarts, GGZ, jeugdzorg en ziekenhuizen) vergoed voor de geleverde zorg aan vluchtelingen uit Oekraïne? Wordt er verwacht dat vluchtelingen dit uit eigen zak betalen of wordt dit opgevangen door de staat?
In de Kamerbrief van 17 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2830 heb ik toegelicht welke regelingen op korte termijn worden ingezet om o.a. de medische zorg aan ontheemden uit de Oekraïne te vergoeden.
De wijze waarop zorgaanbieders (huisarts, GGZ, jeugdzorg en ziekenhuizen) worden vergoed voor de geleverde zorg aan ontheemden uit Oekraïne is afhankelijk van de keuze van de ontheemde om wel of geen asiel aan te vragen.
Als de ontheemde geen asiel heeft aangevraagd dan kunnen zorgaanbieders de zorgkosten declareren bij het CAK ten laste van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. De ontheemde hoeft niets uit eigen zak te betalen. De administratieve lasten van deze regeling zijn verminderd door de aan te leveren gegevensset te minimaliseren en door het vervallen van de periode waarbinnen een melding moet worden gedaan aan het meldpunt onverzekerden.
De medische zorg aan ontheemden die asiel hebben aangevraagd komt ten laste van de Regeling Medische zorg Asielzoekers (RMA). Het gaat daarbij om medische zorg die in het basispakket zit. Ook dan hoeft de ontheemde niets uit eigen zak te betalen. Eventuele langdurige zorg, zoals opname in een instelling, wordt voor ontheemden uit Oekraïne ook vanuit de RMA vergoed. Dit geldt ook voor ontheemden die geen asiel hebben aangevraagd.
Als de ontheemde gaat werken, geldt de verplichting om een zorgverzekering af te sluiten. De ontheemde betaalt in dat geval zorgpremie en eventueel eigen risico en eigen betalingen. Ook heeft de ontheemde recht op zorgtoeslag afhankelijk van het inkomen.
Is het mogelijk voor vluchtelingen uit Oekraïne om zich in Nederland te laten vaccineren tegen COVID-19? Wordt hiermee rekening gehouden in de vaccinatiecapaciteit van de GGD?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de Stand van Zakenbrief COVID-19 van 15 maart jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 1819 van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Welke maatregelen gaat u concreet nemen om te voorkomen dat vluchtelingen uit andere landen niet de dupe worden van de hulp aan vluchtelingen uit Oekraïne?
Het is van belang dat ook voor de groep asielzoekers uit andere landen dan Oekraïne aandacht blijft. Dat is waarom ik de veiligheidsregio’s heb gevraagd om naast het realiseren van 50.000 plekken voor ontheemden uit Oekraïne ook de zoektocht naar opvanglocaties voor asielzoekers te coördineren. Daarnaast heb ik uw Kamer bij brief van 30 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2834) geïnformeerd over de inzet van Rijksvastgoed om tijdelijke opvangplekken te realiseren voor de opvang van zowel ontheemden uit Oekraïne als asielzoekers.
Het gebrek aan een planning rond afspraken over eergerelateerd geweld en zelfbeschikking uit het coalitieakkoord |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Kuipers , Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de planningsbrieven van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Justitie en Veiligheid die recent met de Tweede Kamer zijn gedeeld?1
Ja.
Deelt u de mening dat een belangrijke opdracht uit het coalitieakkoord niet of nauwelijks worden genoemd, namelijk die tegen eergerelateerd geweld en voor zelfbeschikking?
Nee, ik deel de mening niet dat de inzet op zelfbeschikking ontbreekt in de planningsbrieven. In de planningsbrief die ik uw Kamer heb toegestuurd, wordt aangegeven dat ik uw Kamer op zijn laatst na de zomer zal informeren over een preventieve aanpak waarbij – samen met onder meer zelforganisaties en ngo’s – gewerkt wordt aan «verandering van binnenuit» in gesloten gemeenschappen ter bevordering van het recht op zelfbeschikking, mede naar aanleiding van een aantal amendementen2.
Deze preventieve aanpak ter bevordering van zelfbeschikking werk ik uit in een meerjarig programma. Hierbij wil ik inzetten op het vergroten van bewustwording van mensen van het recht op zelfbeschikking en op het in gang brengen van een mentaliteitsverandering binnen gesloten gemeenschappen. Ik wil bijdragen aan de bewustwording van mensen dat iedereen zelf mag bepalen hoe zij het leven naar eigen inzichten invullen. Hier hoort ook het bieden van handelingsperspectief bij om eigen keuzes te kunnen maken over onder meer opleiding, werk en vrije partnerkeuze
Deze aanpak is onderdeel van een brede interdepartementale aanpak waarbij ik samenwerk met mijn collega’s van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor Rechtsbescherming, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Buitenlandse Zaken zoals vermeld in de Actieagenda Schadelijke Praktijken. Deze actieagenda is onder het vorige kabinet op 18 februari 2020 naar uw Kamer verstuurd. Zoals in deze actieagenda is aangegeven, willen we zorgen dat er minder (potentiële) slachtoffers komen van schadelijke praktijken, dat slachtoffers beter worden bereikt en geholpen, professionals en omstanders worden ondersteund en daders aangepakt. Uw Kamer wordt voor het einde van de zomer geïnformeerd over de inzet van het huidige kabinet voor de komende jaren.
Kunt u uiteenzetten welke voortgang het kabinet deze regeerperiode wil boeken op het terrein van culturele onderdrukking binnen gesloten gemeenschappen waaronder het tegengaan van huwelijksdwang, achterlating, huwelijkse gevangenschap, gedwongen leven in isolement (zoals de schrijnende situatie van honderden verborgen vrouwen) het verbeteren van de situatie van LHBTI-ers en eergerelateerd geweld en welke planning hierbij hoort?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien om medeplichtigen van eergerelateerd geweld zwaarder te gaan straffen?
In de zesde voortgangsrapportage Geweld hoort nergens thuis3 is uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop omgegaan wordt met medeplichtigen van eergerelateerd geweld. Uit het onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de motie van Van Wijngaarden en Peters blijkt dat medeplichtigen van eergerelateerd geweld op basis van de verschillende deelnemingsvormen al vervolgd kunnen worden. Indien het delict met voorbedachte rade is gepleegd en dit bewezen kan worden, leidt dit tot een zwaardere strafeis. De huidige juridische bepalingen bieden voldoende mogelijkheden voor vervolging van medeplichtigen. De Kamer zal om die reden geen voorstel ontvangen.
Kunt u uiteenzetten welke voortgang het kabinet deze regeerperiode wil boeken op het gebied van het tegengaan en voorkomen van genitale verminking en welke planning hierbij hoort?
Vrouwelijke genitale verminking (hierna: VGV) is een ernstige vorm van mishandeling en strafbaar in Nederland. Zoals per brief met uw Kamer gedeeld op 18 maart 2021, zijn er onder de actieagenda schadelijke praktijken verschillende maatregelen genomen om schadelijke praktijken, waaronder VGV, te voorkomen en tegen te gaan.4
Met een driejarige subsidie vanuit VWS aan Federatie van Somalische Associaties in Nederland (FSAN) worden nieuwe sleutelpersonen opgeleid en krijgen bestaande sleutelpersonen bijscholing over de verschillende vormen van schadelijke praktijken, waaronder VGV. Jaarlijks worden 150 huiskamergesprekken gevoerd door sleutelpersonen en hiermee worden minimaal 900 ouders die in deze potentiële doelgroep kunnen vallen geïnformeerd over schadelijke praktijken.
Er wordt een brede voorlichtingscampagne over de verschillende vormen van schadelijke praktijken ontwikkeld. Pharos ontvangt hiervoor subsidie en werkt hiermee samen met kennispartijen en kleine (zelf)organisaties die deel uitmaken van de relevante gemeenschappen. Daarnaast voert Pharos een aantal andere maatregelen uit. Het betreft het opzetten van e-learnings voor professionals in de zorg (zoals huisartsen, gynaecologen en verloskundigen) en justitie (zoals de politie en het OM) zodat signalen eerder en beter herkend kunnen worden.
Voor het tegengaan van VGV speelt Pharos ook een rol in de implementatie van de leidraad «Medische zorg voor vrouwen en meisjes met vrouwelijke genitale verminking (VGV)» en het verbreden van de registratiesystemen in de Jeugdgezondheidszorg voor het verbeteren van de signalering van VGV.
Het Ministerie van VWS heeft laten onderzoeken in hoeverre (dreigende of gerealiseerde) VGV wordt gesignaleerd door professionals, met als doel om de totale groep van (potentiële) slachtoffers beter door professionals in beeld te brengen. Dit onderzoek is met uw Kamer gedeeld op 18 juni 2021.5 Zo benadrukt het rapport dat het karakter van VGV als vorm van geweld éénmalig is met zeer ernstige gevolgen, wat – in het eenmalige karakter – verschilt van andere vormen van huiselijk geweld. In de periode voordat de besnijdenis plaatsvindt is de dreiging acuut, maar zijn de signalen moeilijk zichtbaar.
Er zijn hiermee belangrijke stappen gezet, op basis waarvan we ons de komende jaren blijven inzetten voor het voorkomen en tegengaan van VGV. Het kabinet zal uw Kamer voor het einde van de zomer informeren over de voorgestelde inzet op schadelijke praktijken, waaronder VGV, voor de komende jaren. De uitkomsten en aanbevelingen uit het rapport over VGV nemen we hierin mee.
Wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien om met preventieve gerechtelijke beschermingsbevelen te gaan werken om te voorkomen dat vrouwen worden meegenomen naar het buitenland?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de inzet op schadelijke praktijken, waaronder ook de inzet op preventieve gerechtelijke beschermingsbevelen.
Kunt u uiteenzetten welke voortgang het kabinet deze regeerperiode wil maken op het terrein van integratie, het tegengaan van parallelle samenlevingen en het tegengaan van radicalisering en welke planning hierbij hoort?
In het inburgeringsbeleid is zelfbeschikking één van de kernwaarden, waaraan aandacht wordt besteed tijdens de kennisoverdracht inzake de basiswaarden en fundamentele vrijheden van de Nederlandse samenleving. Dit komt aan de orde via de voorbereiding van het examenonderdeel Kennis Nederlandse Maatschappij en in het participatieverklaringstraject.
Zoals aan uw Kamer is aangegeven in mijn brief van 19 november jl6, heeft Femmes for Freedom voorlichtingsmateriaal ontwikkeld over zelfbeschikking voor onder meer vrouwen, LHBTI+-personen en nieuwkomersgroepen in het algemeen. Dit pakket is op 3 februari jl. gelanceerd. Het pakket bestaat onder meer uit een gids voor nieuwkomers en verschillende animaties over onderwerpen als huwelijksdwang, eergerelateerd geweld en eigen studie- en partnerkeuze. Het materiaal is in meerdere talen beschikbaar, zowel in geschreven als gesproken vorm. Ook heeft Femmes for Freedom voorlichtingslessen ontwikkeld die door docenten en andere professionals inburgering kunnen worden gegeven. De materialen worden verspreid naar gemeenten en AZC’s.
We willen dat iedereen in Nederland vrij kan zijn om eigen keuzes te maken binnen de grenzen van de rechtsstaat. Dit vraagt om een weerbare en veerkrachtige samenleving. Zoals aangegeven in de Kamerbrief over beleid preventie radicalisering van 19 november jl.7 werkt SZW op verschillende manieren aan het tegengaan van parallelle samenlevingen en radicalisering door voedingsbodems voor radicalisering weg te nemen. Hierbij zetten we in op het aanpakken van maatschappelijke spanningen en op het vergroten van de veerkracht en weerbaarheid van groepen en personen die extra ontvankelijk kunnen zijn voor spanningen en extremistische boodschappen. Zo verminderen en voorkomen we aantasting van de sociale stabiliteit.
In deze aanpak ondersteunt SZW gemeenten in hun lokale integrale aanpak door middel van adviesgesprekken, met de toolkit Evidence Based Werken en financiële ondersteuning via de Versterkingsgelden. SZW geeft ook training en advies aan professionals en gemeenschappen waarbij wordt ingezet op het vergroten van bewustwording, van kennis en handelingsperspectieven.
Uitgangspunt in deze lokale integrale aanpak zijn interventies die bewezen effect hebben op het voorkomen van radicalisering, zoals opvoedondersteuning, trainingen en coaching voor kwetsbare jongeren, theaterinterventies en jeugdwerk gericht op preventie radicalisering.
Wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien om een meldplicht voor medewerkers in de zorg en het onderwijs in te voeren bij eergerelateerd geweld, huwelijksdwang of vrouwelijke genitale verminking?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 ontvangt uw Kamer een brief met daarin een voorstel voor de inzet van het kabinet op schadelijke praktijken voor de komende jaren. Een plan van aanpak om signaleren en melden van eergerelateerd geweld, huwelijksdwang en vrouwelijke genitale verminking door professionals te vergroten, zal hierin worden meegenomen, met daarin een uiteenzetting van het voornemen om een meldplicht in te voeren voor medewerkers in de zorg en het onderwijs.
Welke voortgang wilt u, al dan niet in samenwerking met het Ministerie van Financiën, deze regeerperiode maken op het gebied van financiële zelfredzaamheid van vrouwen en welke planning hoort hierbij?
Het bevorderen van de financiële onafhankelijkheid van vrouwen is een belangrijke pijler binnen het emancipatiebeleid van dit kabinet. Het zorgt niet alleen voor meer gendergelijkheid over de hele linie, maar geeft vrouwen de vrijheid om hun eigen keuzes en hun talenten te ontplooien. De exacte maatregelen legt dit kabinet vast in de Emancipatienota, die uw Kamer rond het zomerreces ontvangt.
Daarnaast is het voor financiële zelfredzaamheid van vrouwen belangrijk dat zij zelf hun geldzaken begrijpen en kunnen beheren. Om goed mee te kunnen doen in onze samenleving, heb je taal- reken-, digitale en financiële vaardigheden nodig. Wie niet, of onvoldoende, over deze basisvaardigheden beschikt is vaak minder zelfredzaam, en heeft minder participatie- en ontwikkelingsmogelijkheden. In Nederland vinden we dat iedereen de kans moet krijgen om mee te doen, om te werken, een opleiding te volgen, te stemmen, en gezond door het leven te gaan. Daarom is het actieprogramma Tel mee met Taal van de Ministeries van OCW, BZK, SZW en VWS in het leven geroepen.
Voor mensen met geldvragen en geldzorgen zijn in veel gemeenten vrijwilligersorganisaties actief, zoals Schuldhulpmaatje en Humanitas. Verder hebben diverse gemeenten laagdrempelige loketten voor vragen, zoals de buurtteams die in veel gemeenten actief zijn, of specifieke loketten voor geldvragen.
Tot slot zal in het meerjarig programma gericht op zelfbeschikking dat ik – als onderdeel van de Actieagenda Schadelijke praktijken en in vervolg op de amendementen van lid Becker over dit onderwerp – naar uw kamer zal sturen specifieke aandacht uitgaan naar acties gericht op het verhogen van de financiële weerbaarheid van vrouwen die in afhankelijkheidsrelaties zitten in gesloten gemeenschappen.
Wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien om de bij afgelopen begrotingsbehandeling structureel gemaakte post van 300.000 euro uit het integratiebudet jaarlijks in te vullen voor ondersteuning en hulp rond genoemde thema’s?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de inzet op schadelijke praktijken waaronder ook over een meerjarig programma gericht op de bevordering van zelfbeschikking.
Deelt u de mening dat de genoemde onderwerpen heel belangrijk zijn en volop aandacht van de bewindspersonen moeten krijgen en voorkomen moet worden dat door versnippering en verdeling tussen ministeries deze zaken onvoldoende prioriteit krijgen?
Zoals is aangegeven in de voortgangsbrief van 18 maart 2021 over de Actieagenda Schadelijke Praktijken is er sprake van een heldere aansturing inzake de uitvoering van de Actieagenda schadelijke praktijken. Ons gezamenlijke doel is om schadelijke praktijken eerder en beter in beeld te krijgen, te stoppen en duurzaam op te lossen. Het kabinet vindt het onacceptabel dat praktijken als huwelijksdwang en eergerelateerd geweld nog in Nederland voorkomen. Daarom zetten wij via de maatregelen uit de Actieagenda stevig in op preventie, vroegsignalering, hulpverlening en repressie.
De verschillende departementen dragen elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid bij aan de aanpak van schadelijke praktijken. Gedurende de looptijd van de actieagenda is de Staatssecretaris van VWS de coördinerend bewindspersoon. Ik ben van mening dat de coördinatie tussen de departementen hiermee op een goede manier vorm krijgt.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaande aan het commissiedebat Inburgering en integratie van 30 maart aanstaande?
Ja.
Het toezicht op de naleving van sancties tegen Rusland op de Zuidas |
|
Jasper van Dijk , Michiel van Nispen |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Met hulp van advocatenkantoor Houthoff kon Poetin geopolitiek bedrijven vanaf de Zuidas»?1
Ik vind het van groot belang dat sancties door iedereen worden nageleefd, het toezicht adequaat is ingericht en dat bij overtreding wordt opgetreden. De Minister van Buitenlandse Zaken is in Nederland stelselverantwoordelijk voor sancties. Iedereen in Nederland valt onder de verplichtingen van de Sanctiewet 1977. Binnen het stelsel is voor financiële instellingen en trustkantoren voorzien in toezicht, voor advocaten is dat niet het geval. Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de Sanctieregelgeving door advocaten werkt de Minister van Buitenlandse Zaken in samenwerking met de Minister voor Rechtsbescherming aan een noodzakelijke wettelijke regeling. Hierbij worden de rechtstatelijke uitgangspunten zoals de wettelijke geheimhoudingsplicht en het onafhankelijk toezicht in acht genomen. Wel kan overtreding van de verplichtingen van de Sanctiewet 1977 binnen het strafrecht bestraft worden. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft laten weten geen uitlatingen te doen over de vraag of er strafrechtelijk onderzoek is verricht naar de casus uit 2019. Dit om niet onnodig een eventueel opsporingsbelang te frustreren.
Krijgt u na het lezen van het artikel ook de indruk dat het desbetreffende kantoor in 2019 de sancties die sinds 2014 golden tegen Rusland heeft overtreden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of er strafrechtelijk onderzoek is gedaan naar de desbetreffende casus uit 2019?
Zie antwoord vraag 1.
Welke instantie is er in Nederland eigenlijk belast het met toezicht op de naleving van sancties? Klopt het dat het een gedeelde taak is van de Autoriteit Financiële Markten, De Nederlandse Bank, de FIOD en het Openbaar Ministerie? Waarom is deze situatie zo ontstaan?
In het antwoord op deze vraag moet een onderscheid gemaakt worden tussen toezicht op de naleving enerzijds en opsporing en vervolging van overtredingen van de sanctieregelgeving anderzijds, zoals de Sanctiewet 1977 en Europese sanctiewetgeving.
De AFM en DNB houden toezicht op de naleving van de regels die gesteld zijn voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie en de interne controle van financiële instellingen en trustkantoren. De financiële instellingen, trustkantoren en cryptopartijen moeten er bij DNB en de AFM melding van doen indien een relatie op een sanctielijst voorkomt. De instelling meldt dan ook de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn genomen, waaronder de bevriezing van tegoeden. De toezichthouders melden deze informatie vervolgens bij het Ministerie van Financiën. Ik informeer uw Kamer periodiek over de stand van zaken. Bij overtreding van de sanctieregelgeving door financiële instellingen en trustkantoren kunnen AFM en DNB bestuursrechtelijk optreden.
Iedereen in Nederland moet zich houden aan de sanctieregelgeving. Dit geldt voor een financiële instelling, andere dienstverleners zoals advocaten, en ook voor bedrijven met gesanctioneerde eigenaren zelf. Iedereen die de beschikking heeft over of toegang tot activa, vermogen of tegoeden van gesanctioneerde partijen moet dit bevriezen. Die verplichting geldt dus niet alleen voor financiële instellingen en trustkantoren. Zij zijn wel de enige die volgend uit de Sanctiewet 1977 verplicht zijn om relaties met gesanctioneerde personen te melden bij DNB of AFM en daarbij aan te geven hoeveel zij hebben bevroren.
Niet bevriezen van vermogen is een economisch delict. Het OM kan dan besluiten tot opsporing en vervolging. De FIOD heeft de bevoegdheid om onder het gezag van het OM een opsporingsonderzoek op te starten. Na strafrechtelijk onderzoek kan het OM tot vervolging overgaan als sprake is van kwalificatie van een economisch delict conform de Wet op de economische delicten.
AFM, DNB, FIOD en OM acteren op basis van wettelijk verankerde bevoegdheden en gescheiden, andersoortige verantwoordelijkheden. Op 1 april 2022 heeft het kabinet de heer Stef Blok als Nationaal Coördinator Sanctienaleving en Handhaving benoemd op het Ministerie van Buitenlandse Zaken2. De nationaal coördinator zal leiding geven aan de Rijksbrede stuurgroep sancties, waarin alle betrokken departementen en uitvoeringsinstanties zijn vertegenwoordigd. Daarnaast zal de nationaal coördinator ook een interdepartementale taakgroep aansturen waaraan relevante departementen en uitvoeringsinstanties capaciteit beschikbaar stellen. Deze taakgroep heeft onder andere als doel de knelpunten in de naleving en handhaving van sancties op te lossen, bijvoorbeeld op het gebied van informatie-uitwisseling tussen instanties en de coördinatie tussen departementen en betrokken instellingen te stroomlijnen.
Deelt u de mening dat wanneer het toezicht bij vier verschillende instanties ligt, de kans groot is dat dit niet goed functioneert omdat niemand echt volledig verantwoordelijk is?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven in hoeverre deze vier instanties over voldoende capaciteit beschikken om toe te zien op de naleving van sancties?
In de Kamerbrief van 14 maart 2022 is aangegeven dat er zal worden geïnventariseerd hoeveel extra capaciteit er door AFM en DNB benodigd is voor het toezicht op de naleving van de regels die gesteld zijn voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie en de interne controle van financiële instellingen en trustkantoren3. Hierover ben ik met toezichthouders in gesprek. Het is immers van groot belang dat het toezicht naar behoren kan worden uitgevoerd. De Minister van Justitie en Veiligheid is met het OM in gesprek over de beschikbare capaciteit.
Klopt het dat er sinds 2015 wel veertien keer bestuursrechtelijke boetes zijn uitgedeeld, maar er geen enkele keer strafrechtelijk is opgetreden? Kunt u dit verklaren?
DNB kan bevestigen dat zij de afgelopen jaren verschillende boetes en lasten onder dwangsom heeft opgelegd wegens overtreding van de Sanctiewet. Sinds 2015 betreft dit 14 maatregelen. Dit zijn 12 boetes en 2 lasten onder dwangsom geweest.
Het OM heeft aangegeven dat strafrechtelijk is opgetreden tegen overtreding van sectorale sanctiemaatregelen aangaande de gesanctioneerde goederenstroom. Op 18 maart jl. heeft een strafrechtelijke interventie plaatsgevonden vanwege het mogelijk overtreden van de sanctieregelgeving op het terrein van financiële sanctiemaatregelen.4 Hierbij is beslag gelegd op 137 miljoen euro.
Deelt u de mening dat sancties alleen effectief zijn, wanneer deze ook worden nageleefd? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat het toezicht op de naleving van de nieuwe sancties tegen Rusland en Wit-Rusland door de kantoren op de Zuidas zal worden verbeterd en effectief zal zijn?
Die mening deel ik en op de naleving door de financiële sector wordt ook toezicht gehouden. Op 31 maart jl. en op 1 april jl. ontving uw Kamer een uitgebreid overzicht van de inspanningen t.a.v. sanctienaleving en handhaving. De uitvoering van het sanctiebeleid is essentieel om de Russische elite hard te raken in reactie op de Russische agressie in Oekraïne. Daarom zet het kabinet alles op alles om te zorgen dat we niks missen. Het kabinet wil dit voor de korte maar ook voor de lange termijn goed organiseren. In de uitvoering wordt de operationele samenwerking verbeterd onder leiding van de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving, Stef Blok. Het kabinet werkt aan actieve naleving en handhaving van sancties die tegen Rusland zijn ingesteld en de Russische personen en entiteiten die op de sanctielijst staan.
Medische zorg en vaccinatie t.b.v. vluchtelingen uit Oekraïne |
|
Judith Tielen (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Kuipers , Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u een overzicht geven van hoe de medische zorg voor vluchtelingen uit Oekraïne geregeld is in de opvangende landen in Europa, bijvoorbeeld in Polen, Duitsland, Denemarken en Frankrijk?
Alle EU-landen spannen zich sinds de Russische aanval in om Oekraïense vluchtelingen op te vangen en adequate voorzieningen te bieden. Medische zorg is daar een belangrijk onderdeel van. We zien dat de grootste vluchtelingenstromen nu naar de omringende landen als Polen, Slowakije, Hongarije, Roemenië en Moldavië gaan. Kleinere aantallen reizen door naar andere EU landen. Daarnaast is er sprake van gerichte opvang van vluchtelingen met een acute zorgvraag in andere EU landen. Diverse lidstaten, zoals Duitsland, Kroatië, Zweden, Italië, Ierland en België hebben ervoor gekozen om toegang tot (basis-)zorg te koppelen aan bestaande regelingen zoals deze gelden voor vluchtelingen of asielzoekers. Ook zijn er lidstaten die extra (wettelijke) regelingen in het leven roepen om noodzakelijke zorg te leveren, zoals Frankrijk, Denemarken, Tsjechië en Polen.
Kunt u aangeven of, en zo ja hoe het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zich, in samenwerking met bijvoorbeeld het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), op medische zorg voor vluchtelingen uit Oekraïne heeft voorbereid?
Het Ministerie van VWS heeft doorlopend contact met verschillende partijen die betrokken zijn bij (de ontvangst van) vluchtelingen. Hieronder valt onder andere het COA, maar ook GGD’en, GHOR, het RIVM, de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) en andere partijen. De situatie wordt continu gevolgd en met de betrokken partijen kijken we wat nodig is om goed voorbereid te zijn op verschillende scenario’s.
Welke vormen van medische zorg hebben vluchtelingen uit Oekraïne bij opvang in Nederland vooral nodig? In hoeverre is deze zorg beschikbaar?
Voor vluchtelingen uit Oekraïne geldt, net als bij vluchtelingen uit andere landen, dat er een breed scala aan medische zorg nodig kan zijn. GGD’en en GHOR dragen bij aan de opvang en de gezondheidszorg voor vluchtelingen die naar ons land komen. Ook bij de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne hebben zij een rol. Voor Oekraïense vluchtelingen concentreren de GGD’en zich op de volgende onderdelen: gezondheid vluchtelingen, coronabestrijding, jeugdgezondheidszorg, vaccinaties, psychosociale hulp en gezonde leefomgeving. De GHOR onderhoudt het netwerk met zorgorganisaties, coördineert de geneeskundige hulpverlening bij de opvang van vluchtelingen in nauwe samenwerking met de bevolkingszorg, gemeenten en veiligheidsregio’s. De GHOR is daarbij ook betrokken bij het beoordelen van de (fysieke en mentale) gezondheidskundige aspecten van grootschalige opvang.
Als het gaat om maatschappelijke ondersteuning van kwetsbare personen is het kabinet zich samen met gemeenten en aanbieders aan het voorbereiden wat deze toestroom gaat betekenen voor een beroep op de Jeugdwet en Wmo en voor de capaciteit bij aanbieders, de financiën en de uitvoering van de toegang en indicatiestelling. De ministeries van BZK, JenV, VWS en de VNG trekken nauw samen op.
In hoeverre wordt rekening gehouden met de vaccinatiegraad van Oekraïners die naar Nederland komen? Op welke wijze kunnen zij deelnemen aan de vaccinatie- en boostermogelijkheden tegen COVID-19? Welke initiatieven zijn er om de betrokken Oekraïners te informeren over nut en noodzaak van vaccinatie tegen COVID-19?
Graag verwijs ik u naar de Brief Stand van zaken COVID-191die ik op 15 maart jl. aan uw Kamer zond, waarin ik onder het kopje «Vaccineren van Oekraïners» verdere toelichting geef op bovenstaande vraag.
Bent u bekend met initiatieven zoals Host4ukraine, waar slaapplekken voor vluchtelingen uit Oekraïne worden aangeboden? Hoe wordt gezorgd dat bij deze initiatieven ook passende medische zorg kan worden geboden?
In Nederland zijn er verschillende initiatieven, zoals Host4ukraine, waar ontheemden uit Oekraïne worden opgevangen. Iedere persoon in Nederland die acute medische zorg nodig heeft kan zich melden bij de plaatselijke dokter, dus ook Oekraïners die via verschillende initiatieven op kleine schaal of bij particulieren thuis worden opgevangen.
Hoe kunnen Oekraïners die op eigen gelegenheid naar Nederland komen en niet via hulporganisaties, gebruikmaken van medische zorg en de vaccinatieprogramma’s?
Iedere persoon in Nederland die acute medische zorg nodig heeft kan zich melden bij de plaatselijke dokter, dus ook Oekraïners die op eigen gelegenheid naar Nederland komen. Daarnaast komt iedereen in Nederland in aanmerking voor COVID-19-vaccinaties. Men kan zich melden bij de GGD-COVID-vaccinatie-centra, hiervoor is het niet nodig om ingeschreven te staan.
Als een Oekraïense ontheemde gaat werken, dan moeten zij een Nederlandse zorgverzekering afsluiten. De kosten van medische zorg aan Oekraïense ontheemden die geen asiel aanvragen en niet werken, komen op dit moment ten laste van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV). Het gaat alleen om zorg in het basispakket.
De privacyrisico’s van de Intelligente Snelheidsassistent (ISA) |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de op handen zijnde invoering van de Intelligente Snelheidsbegrenzer per 1 juli 2022?1
Ja, met de toevoeging dat het niet gaat om een systeem dat de snelheid begrenst maar alleen de bestuurder waarschuwt wanneer deze de snelheidslimiet overschrijdt. Het is dus meer een snelheidsassistent.
Klopt het dat elke nieuw ontwikkelde auto dit waarschuwingssysteem moet hebben per 1 juli 2022 en elke nieuwe auto per 17 juli 2024?
Vanaf 6 juli 2022 moeten nieuw toegelaten typen auto’s dit systeem aan boord hebben. Vanaf 7 juli 2024 geldt dit voor alle nieuwe auto’s, dus ook als het om een bestaand type gaat.
Klopt het dat dit systeem er niet alleen is om de bestuurder te waarschuwen voor een snelheidsovertreding, maar ook een black box bevat met alle rijgegevens, die door de politie en het OM en andere overheidsinstanties opgevraagd kan worden?
Het gaat om meerdere systemen die verplicht worden. De snelheidsassistent vergelijkt de gereden snelheid met de snelheid en de lokaal geldende snelheidslimiet. Hierbij worden geen data vastgelegd.
De Event Data Recorder (EDR) en het Onboard Fuel Consumption Monitoring System (OFCMS), die ook verplicht worden, registreren wel data. In de EDR worden technische zaken zoals snelheid, remkracht, activering van de airbags en toestand van de veiligheidssystemen bij een botsing vastgelegd. Hierbij worden geen GPS-data of andere identificerende gegevens opgeslagen. De geanonimiseerde EDR-gegevens zullen worden gebruikt voor ongevallenonderzoek en -analyse.
Het OFCMS registreert het Voertuigidentificatienummer (VIN), brandstofverbruik en gereden kilometers. Deze gegevens moeten door fabrikanten of door erkende handelaren of reparateurs regelmatig worden uitgelezen en vervolgens aan de Europese Commissie worden geleverd. Deze informatie moet zodanig worden geaggregeerd dat deze niet te herleiden is naar een persoon. In alle gevallen kan de bestuurder altijd aangeven dat deze niet wil dat deze gegevens worden uitgelezen.
Klopt het dat dit kan leiden tot (hoge) boetes voor snelheidsovertredingen?
Nee. ISA helpt bestuurders om zich aan de snelheid te houden en dus om boetes te voorkomen. EDR-gegevens bevatten geen locatiegegevens en zijn daarmee niet te gebruiken voor het constateren van snelheidsovertredingen. EDR-gegevens mogen bovendien niet voor dit doel worden gebruikt.
Welke gevolgen kunnen er nog meer zijn als gevolg van de black box?
De EDR gaat bijdragen aan een vergroting van de verkeersveiligheid doordat er beter inzicht komt in de oorzaken van ongevallen en er betere analyses gemaakt kunnen worden van onveilige verkeerssituaties.
Welke (rij)gegevens bevat de black box precies?
De EDR bevat in totaal 41 dataelementen die kort voor, tijdens en na een ongeval worden geregistreerd. Dit zijn technische gegevens zoals snelheid, vertraging, stuurhoek, kracht op het stuur, kracht op het rempedaal, of iemand al dan niet een gordel droeg. Er zitten geen gegevens in waarmee het voertuig, de eigenaar of de bestuurder kunnen worden geïdentificeerd.
Welke andere overheidsinstanties en autoriteiten kunnen de black box opvragen?
De EDR-data zijn conform de Europese Verordening2 bedoeld voor statistische doeleinden, te weten: «om de verkeersveiligheid te analyseren en de doeltreffendheid van de genomen specifieke maatregelen te evalueren, zonder dat de eigenaar of bezitter van een welbepaald voertuig aan de hand van de opgeslagen gegevens kan worden geïdentificeerd». Daarnaast kan de EDR worden gebruikt voor het reconstrueren van ongevallen. Momenteel wordt op nationaal niveau uitgewerkt welke partijen bij die data mogen.
Kunt u een volledige lijst geven van gevallen waarin politie, OM en andere autoriteiten deze black box kunnen opvragen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke waarborgen zijn er ingebouwd tegen privacyschendingen en ander oneigenlijk gebruik door (medewerkers van de) overheid?
De EDR bevat geen dataelementen waarmee het voertuig of de eigenaar of bestuurder kunnen worden geïdentificeerd.
Kunt u uitsluiten dat er datalekken ontstaan, zoals begin 2021 bij de GGD?
Zie antwoord vraag 9.
Hoeveel mensen krijgen toegang tot deze gegevens?
Zie het antwoord op vragen 7 en 8.
Welke functies hebben deze mensen? Hoe is het toezicht op deze toegang geregeld?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat de ISA potentieel kan uitgroeien tot de grootste privacybedreiger van Nederland, samen met de zwarte lijst van de Belastingdienst, de Fraude Signalering Voorziening (FSV)? Zo nee, waarom meent u van niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 3.
Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) naar ISA gekeken? Wat was het oordeel van de AP?
Alle regelgeving in Europa moet voldoen aan de horizontale Algemene Verordening Gegevensbescherming, zo ook de regelgeving over de ISA en EDR. De Europese Commissie heeft hiervoor de European Data Protection Board geconsulteerd, de Europese moederpartij van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kunt u, nu de invoering van ISA ophanden is, de AP opnieuw vragen om een privacyassessment te maken? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet nodig, zie antwoord op de vraag 14.
Welke Minister heeft namens het kabinet-Rutte III ingestemd met de EU-verordening 2019/2144? Klopt het dat dit op 12 november 2019 was?
Uw Kamer is op 22 juni 2018 geïnformeerd middels het BNC-fiche over de voorgenomen verordening waarin de verplichting van onder andere de genoemde systemen geregeld is (Kamerstuk 22 112, nr. 2598). De inzet van de Nederlandse regering heeft op basis van dit fiche plaatsgevonden.
Op 25 maart 2019 is er op basis van de trilogen een voorlopig politiek akkoord bereikt tussen het Europese Parlement (EP), de Europese Raad en de Europese Commissie. Op 8 november 2019 is het voorstel formeel goedgekeurd door het EP en de Raad.
Op welke manier is de Tweede Kamer hier vooraf en achteraf over geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 16.
Klopt het dat het mogelijk is om deze big brother in auto per rit uit te schakelen? Waarom kan dit niet permanent uitgeschakeld worden?
Het ISA-systeem staat standaard aan maar is per rit uit te schakelen. De EDR en OFCMS zijn niet uit te schakelen. Wel kan de eigenaar van het voertuig aangeven dat deze de data uit het OFMS over het verbruik niet wil delen. Omdat ISA en de EDR bijdragen aan de verkeersveiligheid is het niet wenselijk dat deze permanent kunnen worden uitgeschakeld.
Wanneer en hoe gaat u het grote publiek informeren (of eigenlijk: waarschuwen) voor deze privacy-inbreuk, waar uw voorganger kennelijk mee heeft ingestemd?
Er is geen sprake van een privacyinbreuk. Zie ook het antwoord op de vragen 3, 9 en 10.
Deelt u de mening dat Nederland niet een surveillancestaat moet worden, zoals de Volksrepubliek China? Hoe gaat u dit waarborgen?
Dit is niet aan de orde, zie het antwoord op vraag 3, 9 en 10.
Plastickorrels in de Westerschelde |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Westerschelde: plastic nurdles; sources, transport, deposits»?1
Ja.
Hoe waardeert u de conclusie en de onderliggende analyse dat in het Westerscheldegebied sprake is van enorme, onderschatte vervuiling met plastic korrels?
Ik waardeer alle inzet om de kennis te ontwikkelen over de bronnen van (micro)plastics en de plaatsen waar ze in het milieu terechtkomen. Wel vind ik het daarbij van belang dat de data wetenschappelijk verantwoord en academisch geverifieerd zijn. Data uit burgerwetenschap kunnen een mooie aanvulling daarop zijn.
Hoewel ik de inzet van dit specifieke onderzoek waardeer, vind ik het te vroeg om me over de conclusies uit te spreken. Het is onvoldoende zeker waar de kleine plastic korrels (nurdles) precies vandaan komen. Wel zal ik in samenwerkingsverbanden met België en het Verenigd Koninkrijk blijven aandringen op een voortvarende aanpak om de milieuvervuiling door plastics te voorkomen en aan te pakken.
Met het actieprogramma Schone Schelde 2022 wil ik meer inzicht krijgen in de bronnen van deze vervuiling door nurdles. In het actieprogramma Schone Schelde 2022 werken bedrijven, overheden en NGO’s samen aan het terugdringen en voorkomen van zwerfafval. De bronaanpak van nurdles is een speerpunt in het actieprogramma. Rijkwaterstaat neemt actief deel aan deze Schone Schelde samenwerking. Over de voortgang en de aanpak zal ik u in het najaar nader informeren.
Daarnaast vind ik het van belang om te investeren in kennisopbouw over (micro)plastic vervuiling. Nurdles zijn een van de voornaamste bronnen van milieuvervuiling door microplastics. Het Ministerie van IenW investeert daarom in de kennisopbouw over microplastics; zo is bijvoorbeeld € 230.000 beschikbaar gesteld voor onderzoek naar methoden om microplastics in water te kunnen meten.
Bent u voornemens werk te maken van vervolgonderzoek, zoals in het rapport ook gesuggereerd wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat in de haven- en industriegebieden zo min mogelijk plastic in het milieu terechtkomt?
Bedrijven zijn allereerst zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen die voorkomen dat verontreinigende stoffen, zoals plastic korrels in het milieu terecht kunnen komen. Het is aan het bevoegd gezag om op basis van de waterregelgeving erop toe te zien dat aan de daarin gestelde voorwaarden voldaan wordt.
Kunt u aangeven wat de plasticvervuiling in het Natura2000-gebied Westerschelde betekent voor de natuurwaarden in het gebied, zoals voor beschermwaardige vogelsoorten?
Plasticvervuiling in een kwetsbaar natuurgebied als de Westerschelde vind ik zorgelijk. Het Ministerie van IenW neemt dan ook maatregelen om plasticvervuiling terug te dringen.2 Meer onderzoek is nodig naar de effecten op het milieu als gevolg van vervuiling door nurdles. Wel is bekend dat nurdles een van de voornaamste bronnen zijn van milieuvervuiling door microplastics. Het ministerie investeert daarom in de kennisopbouw over microplastics, zoals ook is toegelicht in antwoord 3.
Is de plasticvervuiling meegenomen in de milieueffectrapportage voor de ontpoldering van de Hedwigepolder? Zo ja, hoe worden de gevolgen ingeschat? Zo nee, waarom niet?
In de milieueffectrapportage (MER) voor de Hedwigepolder is niet specifiek aandacht besteed aan plasticvervuiling. Er wordt kort melding gemaakt van plastic en ander materiaal dat in de polder terecht kan komen. Voor plastic en ander zwerfvuil dat in het gebied terecht kan komen geldt hetzelfde als voor de kwaliteit van het sediment en de toekomstige waterbodem. De Hedwigepolder wordt na ontpoldering onderdeel van het grotere systeem van het getijdengebied van de Westerschelde. De mogelijke invloed van verontreiniging van het gebied met plastics zal dan ook niet anders zijn in de ontpolderde Hedwigepolder dan de invloed die dergelijke verontreinigingen elders in de Westerschelde hebben. Dit leidt niet tot een andere conclusie ten aanzien van de uitvoering van het Hedwigeproject. Dat neemt niet weg dat ik mij in de Hedwigpolder net zo zal blijven inspannen om milieuvervuiling te voorkomen en te beperken als in elk ander gebied.
Bent u voornemens in het overleg met Vlaanderen over de PFAS-problematiek ook het genoemde rapport te betrekken om ervoor te zorgen dat in het Antwerpse havengebied ook de plasticvervuiling aangepakt wordt?
Nederland zal onder andere in de Internationale Scheldecommissie (ISC) aandacht blijven vragen voor de vervuiling afkomstig van kleine plastickorrels in de Westerschelde.
Het bericht ‘Zuidaskantoren oefenden invloed uit op publicaties medewerkers belastingrecht’ |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht van universiteitsblad Folia «Zuidaskantoren oefenden invloed uit op publicaties medewerkers belastingrecht»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat vrijwel alle hoogleraren belastingrecht aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) een baan hebben bij een groot advocaten- of belastingadvieskantoor? Zijn er richtlijnen ten aanzien van nevenfuncties van het personeelsbestand aan kennisinstellingen?
Het staat hoogleraren vrij om nevenfuncties te hebben, met inachtneming van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit en de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden van de universiteiten. Hoeveel hoogleraren bij een afdeling een bepaalde nevenfunctie bekleden, is een verantwoordelijkheid van het bestuur van de universiteit. De decaan van de Faculteit Rechtsgeleerdheid heeft in de betreffende publicatie laten weten dat de balans bij de sectie Belastingrecht in de afgelopen twintig jaar, met betrekking tot het soort nevenfuncties, is scheefgegroeid.
Deelt u de mening dat het zeer kwalijk is en schadelijk voor het aanzien van ons hoger onderwijs als belangen van private partijen waarvoor hoogleraren werken, soms voorrang krijgen op wetenschappelijke onafhankelijkheid en integriteit?
Ja, die mening deel ik.
Wat vindt u van de constatering in het artikel dat er sprake is van zelfcensuur en dat sommige onderwerpen in de fiscale literatuur niet of onvoldoende aanbod komen, vermoedelijk omdat het vanuit commercieel perspectief handiger is om deze onderwerpen te laten rusten?
Beïnvloeding wordt ongewenst op het moment dat er door derden invloed wordt uitgeoefend op de uitkomsten van het onderzoek en de onafhankelijkheid van de wetenschap en de betrouwbaarheid van wetenschappelijke resultaten in het geding kunnen komen (zie ook Rathenau Instituut «Ontwikkeling derde geldstroom en beïnvloeding van wetenschappelijk onderzoek – Een data- en literatuuronderzoek ter beantwoording van de motie-Westerveld», 2020). Het niet onderzoeken of publiceren van bepaalde onderwerpen omdat deze maatschappelijk, politiek of vanuit commerciële redenen onwenselijk worden geacht, zelfcensuur, vind ik onwenselijk. De Universiteit van Amsterdam zal een onafhankelijke commissie laten onderzoeken of er bij de betreffende hoogleraren sprake was van zelfcensuur.
Deelt u de mening dat de bevindingen van het Folia-onderzoek laten zien dat het enkel terugvallen op zelfregulatie, zoals via de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, niet effectief genoeg is om te borgen dat commerciële belangen een voetafdruk nalaten op wetenschappelijke publicaties? Zo nee, hoe gaat dat samen met de Folia-bevindingen? Zo ja, wat zijn hiervan dan de implicaties?
Samenwerking tussen onderzoekers en het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties is belangrijk om onderzoek goed te laten aansluiten bij maatschappelijke uitdagingen en innovatie te stimuleren. Beïnvloeding van wetenschappelijk onderzoek door de derde geldstroom is daardoor niet per definitie negatief, maar kan juist wenselijk zijn voor de maatschappelijke relevantie en toepassing van wetenschappelijk onderzoek (Rathenau, 2020). Bij deze samenwerkingen bestaat echter ook het risico van ongewenste beïnvloeding, die bijvoorbeeld kan leiden tot zelfcensuur. In dit rapport van het Rathenau Instituut staat dat nu wetenschappelijke bronnen ontbreken om gegronde uitspraken te kunnen doen over de omvang van ongewenste beïnvloeding van wetenschappelijk onderzoek in Nederland. Het is van belang om een beeld te krijgen van de effectiviteit en naleving van de normen en zorgplichten die gaan over onafhankelijkheid en transparantie uit de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (NGWI, opvolger Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening) en de omvang van de schendingen hiervan. Daarom zal ik met de opstellers2 van de gedragscode in overleg treden om deze normen in de loop van dit jaar te laten evalueren door een onafhankelijke commissie. Verder zal dit voorjaar een werkgroep van UNL de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden3 evalueren. Aan de hand hiervan kan worden bezien of deze regeling en de gedragscode in de praktijk voldoende effectief zijn, de registratie van nevenfuncties naar behoren werkt en/of aanvullende maatregelen vereist zijn.
Deelt u de mening dat de bevindingen van Folia laten zien dat de problematiek niet per se hoeft te raken aan de individuele wetenschappelijke integriteit, omdat een belastingwetenschapper met commerciële nevenfunctie nog steeds de beste bedoelingen kan hebben, maar juist wel aan het probleem van onafhankelijkheid, omdat er blijkbaar informele druk is vanuit actoren waarvan de belastingwetenschapper financieel en carrièretechnisch afhankelijk is?
Ik deel die mening in de zin dat het borgen van wetenschappelijke integriteit een gedeelde verantwoordelijkheid van de wetenschapper en de werkgever is. Onafhankelijkheid kan onder druk komen te staan door een nevenfunctie van een wetenschapper. Op het moment dat er (de schijn van) belangenverstrengeling dreigt, is het aan de universiteit daarnaar te handelen en de toestemming voor de betreffende nevenfunctie zo nodig in te trekken (artikel 11 van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden). Uit het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam zal moeten blijken of nevenfuncties de onafhankelijkheid hebben beïnvloed.
Bent u bereid om te laten onderzoeken of onderwerpen in het belastingrecht onderbelicht raken door beïnvloeding vanuit derden? Bent u ook bereid om dit te laten onderzoeken voor andere vakgebieden?
De opstellers van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit zal ik verzoeken de gedragscode te laten evalueren door een onafhankelijke commissie om te kunnen beoordelen of de normen hieruit effectief zijn, waaronder de norm dat onderzoekers open en volledig moeten zijn over de rol van externe belanghebbenden, opdrachtgevers, financiers, mogelijke belangenconflicten en relevante nevenwerkzaamheden. In dit verband kan worden onderzocht in hoeverre beïnvloeding vanuit derden een factor van belang is. Een evaluatie van de gedragscode zal zich niet beperken tot belastingrecht.
Wat vindt u ervan dat uit diverse visitatierapporten blijkt dat de panelleden op de hoogte zijn van de nauwe banden met de beroepspraktijk (en deze positief waarderen), maar de problemen die dit met zich meebrengt onvoldoende worden opgemerkt? Deelt u de mening dat door de beperkte opleidingsaccreditatie dergelijke situaties nog minder snel opgemerkt worden?
Uit de publicatie in Folia leid ik niet af dat de kwaliteit van de betreffende opleidingen niet aan de maat zou zijn. Indien er in het programma van een universitaire opleiding geen aandacht is voor een diversiteit aan perspectieven en inzichten, mag men verwachten dat dit door een visitatiepanel wordt opgemerkt. Dit geldt evenzeer voor een beperkte als voor een uitgebreide opleidingsbeoordeling.
Hoe kunt u stimuleren dat universiteiten een betere balans hebben tussen hoogleraren met een nevenfunctie en hoogleraren zonder een nevenfunctie die werkzaam zijn bij specifieke afdelingen? Wat vraagt dit bijvoorbeeld van de financieringsstructuur van bepaalde afdelingen?
De diversiteit in nevenfuncties en aanstellingen binnen bepaalde afdelingen betreft in eerste instantie een personele aangelegenheid. De balans tussen hoogleraren met en zonder een nevenfunctie is een verantwoordelijkheid van het bestuur van de universiteit of de faculteit. De universiteiten zouden hierop kunnen sturen bij de werving en aanstelling van academisch personeel. Een belangrijke voorwaarde is dat hoogleraren en andere medewerkers transparantie betrachten over nevenfuncties. Ook de financieringsstructuur van afdelingen is een verantwoordelijkheid van de universiteit. Ik ga in gesprek met de instellingen om na te gaan welke mogelijkheden zij zelf zien.
Denkt u dat de jarenlange ontoereikende bekostiging van de universiteiten ertoe kan hebben geleid dat veel onderwijsgevend personeel ook elders werkzaam is?
Bij sommige disciplines en opleidingen is het gangbaar dat onderwijsgevend personeel ook elders werkzaam is. Dit geldt in het algemeen voor onderwijs dat praktijkgericht is of opleidt voor een specifiek beroepenveld. Docenten met nevenfuncties kunnen een belangrijke verbinding vormen tussen onderwijs en de beroepspraktijk. Ik wil niet speculeren over de motieven die medewerkers van universiteiten en hogescholen hebben als zij onderwijstaken combineren met werkzaamheden buiten de onderwijsinstelling.
Hoe kijkt u aan tegen aanvullende richtlijnen voor specifieke faculteiten, waarbij nevenfuncties de norm zijn?
Ik ben niet bekend met aanvullende richtlijnen die voor specifieke faculteiten gelden. Voor bepaalde vakgebieden vind ik het begrijpelijk dat van onderwijzend personeel verwacht wordt over praktijkervaring te beschikken.
Kunt u aangeven of dit probleem speelt bij andere universiteiten en hogescholen? Zo nee, bent u bereid dat in kaart te laten brengen door bijvoorbeeld de Inspectie van het Onderwijs of de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 5 wil ik de opstellers van de NGWI verzoeken deze gedragscode te evalueren. Deze evaluatie zal een breder beeld moeten geven over hoe universiteiten, hogescholen en instituten van NWO en KNAW omgaan met wetenschappelijke integriteit en nevenfuncties. Gelet hierop ligt het niet in de rede dat de NVAO of de Inspectie van het onderwijs een dergelijk onderzoek uitvoert, omdat toezicht op de wetenschappelijke integriteit niet direct tot hun taak behoort.
Hoe beziet u de uitspraak van de Universiteiten van Nederland inzake transparantie, dat «de afgelopen jaren [...] universiteiten flinke vooruitgang [hebben] geboekt met de registratie van nevenwerkzaamheden. Uit de meest recente inventarisatie (voorjaar 2019) blijkt dat van 97 procent van alle hoogleraren de nevenwerkzaamheden online staan», terwijl uit onderzoek van GroenLinks blijkt dat in het belastingrecht er in 17 procent van de gevallen geen transparantie is over de commerciële nevenfuctie op de website van een universiteit (een gemiddelde voor alle universiteiten in Nederland), en dat voor het overige academische personeel dit zelfs meer dan 60 procent is?2 3 Bent u bereid hierover met de Universiteiten van Nederland in gesprek te gaan?
De registratie van nevenwerkzaamheden valt onder de verantwoordelijkheid van universiteiten; zij zijn de werkgever. De sector zelf, en niet de overheid, heeft dit georganiseerd en gereguleerd. Ik zie in het onderzoek van GroenLinks, en in overige publicaties over nevenfuncties in het fiscale en economische domein die in de afgelopen tijd verschenen zijn, voldoende aanleiding om met UNL in gesprek te gaan over de wijze waarop instellingen invulling geven aan die verantwoordelijkheid.
Ziet u aanvullende mogelijkheden om ongewenste «dubbele petten» tegen te gaan en de onafhankelijkheid van onderzoekers op het gebied van belastingrecht te waarborgen?
Ik wil eerst het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam en een evaluatie van de gedragscode afwachten, voordat ik een uitspraak kan doen over of aanvullende instrumenten nodig zijn en zo ja hoe de situatie kan worden aangepakt.
Bent u voornemens hierover in gesprek te gaan met de onderwijsinstellingen, de Inspectie van het Onderwijs en de NVAO?
Wat betreft de NVAO en de inspectie zal ik met hen bespreken of zij signalen hebben gekregen over de kwaliteit van het onderwijs die te maken hebben met de mate van diversiteit in nevenfuncties bij het onderwijzend personeel.
Geactualiseerde berekeningen van de TU Delft en het UMCU naar de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het volgende tekstblok in uw stand van zakenbrief van 15 februari jl.: «De vaste Kamercommissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op initiatief van het lid Agema verzocht de geactualiseerde berekeningen van de TU Delft en het UMCU naar de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs te ontvangen, zoals genoemd in het 142e OMT-advies. Navraag bij het secretariaat van het OMT leert dat deze actualisering mondeling is toegelicht, en dat er geen stuk aan het OMT is gepresenteerd. Derhalve kan ik helaas niet aan het verzoek voldoen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat u zich met uw antwoord wel erg gemakkelijk van het door de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport gesteunde verzoek hebt afgedaan?
Ik heb de vraag van de commissie volledig beantwoord. De TU Delft en het UMCU hebben voor het berekenen van de effectiviteit van het ctb een tweetal modellen ontwikkeld. Deze modellen kunnen met nieuwe parameters en aan de hand van de meest recente epidemiologische ontwikkelingen worden herijkt. Dit is ook gebeurd voor de 142e bijeenkomst van het OMT en de uitkomsten zijn daar mondeling toegelicht. Dat is iets wezenlijk anders dan een nieuwe rapportage uitvoeren, inclusief zorgvuldige beschrijving van de nieuwe resultaten en uitgebreide verantwoording van de gekozen parameters.
Klopt het dat er een geactualiseerde berekening van de Technische Universiteit (TU) Delft en Universitair Medisch Centrum (UMC) Utrecht naar de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs bestaat?
Zie antwoord 2.
Zo ja, waarom bent u hier dan niet zelf achteraan gegaan?
Het staat het OMT in haar rol en verantwoordelijkheid vrij om zelf informatie in te winnen die behulpzaam is in haar advisering. In dat licht zijn deze berekeningen geactualiseerd, gedeeld met het OMT en meegewogen in de advisering.
Daarnaast zijn niet alleen de resultaten, maar ook de achterliggende mechanismen in het rapport van TU Delft en het UMCU goed omschreven. Op pagina 7 is bijvoorbeeld gevisualiseerd wanneer 2G /3G een relatief hoge en een relatief lage effectiviteit heeft. Ook zonder doorrekeningen kan aan de hand van de epidemiologische omstandigheden een inschatting gemaakt worden van de richting van de effectiviteit van het ctb.
Begrijpt u dat dit relevante informatie is die u moet willen hebben en met de Kamer moet willen delen, ook als de uitkomst u niet bevalt?
De geactualiseerde berekeningen onderschrijven de uitkomsten die eerder al door TU Delft en UMCU zijn opgeschreven en die met de Kamer zijn gedeeld. Bij de besluitvorming rondom de inzet van het ctb wordt altijd rekening gehouden met de epidemiologische omstandigheden. Daarom is eerder ook besloten om 3G per 25 februari niet meer in te zetten, en 1G per 23 maart te laten vervallen.
Bent u bereid de geactualiseerde berekening van de TU Delft en UMCU naar de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs bij hen op te vragen en met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het niet nodig om de onderzoekers te vragen naar de geactualiseerde berekeningen. Het kabinet heeft besloten om 3G per 25 februari niet meer in zetten, en 1G per 23 maart te laten vervallen. Bovendien was er in het OMT slechts sprake van een mondelinge toelichting, en vraagt een te publiceren rapportage veel meer werk van de onderzoekers.
Het bericht 'Demonstratie tegen 'verpretparking' Henschotermeer: 'Willen duidelijk signaal afgeven'' |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekent met het artikel «Demonstratie tegen «verpretparking» Henschotermeer: «Willen duidelijk signaal afgeven»»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het Henschotermeer een van de laatste ongerepte natuurlijke zwemplassen in Nederland is, met uniek boslandschap en dat het hele gebied rondom het meer natuurlijke en landschappelijke waarde heeft? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze en de volgende vragen heb ik inlichtingen ingewonnen bij de provincie Utrecht.
Het gebied herbergt zeker natuurwaarden en maakt deel uit van een boslandschap en een landgoed. Het Henschotermeer zelf en de zone daaromheen maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied daarbuiten wel (zie ook de beantwoording vraag 3 en het daarin opgenomen kaartje). Daarnaast is het Henschotermeer al vele tientallen jaren recreatief in gebruik. Recreatie is daarmee een onderdeel van het gebied. In de zomermaanden maken vele recreanten gebruik van het Henschotermeer en is er vaak sprake van grote drukte.
Hoe wordt momenteel dit hele gebied rondom het meer met zijn boslandschap en met zijn natuurlijke en landschappelijke waarde beschermd?
De plannenviewer van de provincie Utrecht, behorend bij de interim- Omgevingsverordening (IOV), geeft de situatie weer en de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland2. Het onderstaande kaartje is een uitsnede daarvan, waarbij het groene gebied behoort tot het Natuurnetwerk Nederland:
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 en blijkt uit bovenstaand kaartje, is slechts een deel van het gebied onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het Henschotermeer zelf ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en heeft geen natuurbestemming, maar een recreatiebestemming.
Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt dat gemeentelijke plannen bestemmingen en regels bevatten die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland.
Naast de ruimtelijke beschermingsregels van het Natuurnetwerk Nederland geldt overal, dus niet alleen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, dat voldaan moet worden aan de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij om de bescherming van soorten, houtopstanden en Natura 2000 (inclusief eventuele externe werking). Een bestemmingsplan moet uitvoerbaar zijn in kader van de wet. In de IOV zijn, naast regels ter bescherming van het Natuurnetwerk Nederland, ook activiteitenregels gericht op behoud van het bosareaal en soortenbescherming opgenomen.
Hoe past dit voorbeeld naar uw mening in de «salami-tactiek» die wordt beschreven in het artikel «De salami-tactiek in Nederland: steeds een stuk natuur erbij pikken»?2 Deelt u de mening dat zulke recreatieplannen een typisch voorbeeld zijn van steeds maar een klein stukje natuur omvormen, waarbij de lokale aantasting minder groot lijkt, tot er bijna geen natuur meer over is en de aantasting van de natuur significant is? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 3 is beschreven op welke wijze de natuurwaarden in het gebied zijn beschermd. Bij ontwikkelingen in dit gebied worden de natuurwaarden nadrukkelijk meegewogen. De aangekondigde toekomstige recreatieontwikkelingen naar aanleiding waarvan de vragen zijn gesteld, hebben geen betrekking op het gebied binnen het Natuurnetwerk Nederland.
Het Henschotermeer is een bovenlokaal recreatieterrein dat voorziet in de regionale behoefte om op warme dagen te kunnen zwemmen en recreëren. Voor een goede exploitatie (beheer en onderhoud) zijn andere voorzieningen nodig en hierover worden de gesprekken gevoerd. Vanwege het opheffen van een recreatieschap, dat voorheen de exploitatie van het Henschotermeer als zwemlocatie onderhield, is er een nieuwe exploitant gekomen die zoekt naar mogelijkheden voor de nieuwe vorm van exploitatie.
Aangezien deze ontwikkelingen niet (volledig) passen binnen het vigerend bestemmingsplan is er een herziening van het bestemmingsplan nodig. Een bestemmingplan (en buitenplanse omgevingsvergunning) moet voldoen aan de instructieregels die hiervoor zijn opgenomen in de interim- Omgevingsverordening (IOV).
Kunt u bevestigen dat het Henschotermeer, onderdeel van landgoed Den Treek Henschoten, voor een groot deel wordt omsloten door het gebied van Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebied) en ook voor een deel in het NNN-gebied ligt?
Het Henschotermeer wordt voor ongeveer de helft van het terrein omsloten door het Natuurnetwerk Nederland. Zie ook het antwoord op vraag 3 en het daarin opgenomen kaartje.
Hoeveel hectare van het landgoed ligt in het NNN en hoeveel hectare van het NNN zullen moeten worden omgevormd voor de recreatieplannen? Hoeveel hectare van het NNN-gebied omsluiten het gebied?
Er worden, zoals gemeld in het antwoord op vraag 3, als gevolg van deze recreatieontwikkelingen geen hectares binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland omgevormd naar recreatiegebied. Er zijn op dit moment nog geen initiatieven ingediend voor de ontwikkelingen rond het Henschotermeer die kunnen worden beoordeeld. Het Henschotermeer ligt op de Utrechtse Heuvelrug en wordt omgeven door vele hectaren bos en meerdere verblijfsrecreatieterreinen. Het landgoed Den Treek-Henschoten bestaat uit een uitgestrekt gebied met bossen, natuur, landbouw en heide en beslaat bijna 2.200 hectare. Het grenst aan vijf gemeenten: Amersfoort, Leusden, Woudenberg, Utrechtse Heuvelrug en Zeist.
Kunt u bevestigen dat dankzij de recreatieplannen het NNN-gebied kleiner zal worden? Hoe past dat bij de natuurbestemming van het gebied?
De recreatieplannen hebben geen betrekking op het gebied binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland; zie ook het antwoord op vraag 3. Het Natuurnetwerk Nederland zal dus ook niet kleiner worden als gevolg van deze ontwikkeling.
Kunt u bevestigen dat de recreatieplannen invloed zullen hebben op de natuurlijke beleving van het NNN-gebied dat het Henshotermeer nu omsluit? Hoe gaat u voorkomen dat dit gebeurt?
De recreatieplannen hebben geen betrekking op het gebied binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland; zie ook het antwoord op vraag 3. Uitgangspunt van het Ontwikkelkader voor het gebied is het in stand houden en versterken van de unieke landschappelijke beleving en de natuurwaarden van het gebied, passend bij een druk bezocht dagrecreatieterrein.
Op dit moment zijn er, zoals gemeld in antwoord op vraag 6, nog geen initiatieven ingediend bij de gemeente en provincie. De vraag naar eventuele effecten op de beleving in het Natuurnetwerk Nederland kan dus nog niet worden beantwoord.
Hoeveel hectare van het huidige totale gebied (NNN-gebied en niet-NNN-gebied) zal omgevormd worden voor (verblijfs)recreatie?
Er wordt, zoals gemeld in het antwoord op vraag 3, als gevolg van deze recreatieontwikkelingen geen gebied binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland omgevormd naar recreatiegebied. Hoeveel hectare buiten het Natuurnetwerk Nederland zal worden omgevormd, is nog niet bekend. Er zijn op dit moment nog geen initiatieven ingediend bij de gemeente of de provincie.
Kunt u bevestigen dat dankzij de recreatieplannen het hele gebied met zijn natuurlijke en landschappelijke waarde zal worden aangetast? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn er nog geen initiatieven ingediend bij de gemeente en provincie. De initiatiefnemer is hier nog mee bezig en daarom kan dit nog niet beoordeeld worden. Het Henschotermeer heeft sinds jaar en dag al een recreatieve bestemming en kent vele bezoekers. Zoals geantwoord op vraag 8, is het uitgangspunt van het Ontwikkelkader voor het gebied het in stand houden en versterken van de unieke landschappelijke beleving en de natuurwaarden van het gebied, passend bij een druk bezocht dagrecreatie terrein. Ook bevat de provinciale verordening waarborgen om aantasting te voorkomen.
Heeft u zicht op de hoeveelheid bomen die gekapt zouden moeten worden voor de aanleg van de geplande gebouwen, recreatiefaciliteiten en appartementen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven of een ontheffing of vergunning is aangevraagd of vergeven voor de bomenkap?
Op dit moment niet omdat de plannen nog niet concreet zijn uitgewerkt en nog niet aan de gemeente en provincie zijn voorgelegd.
Is onderzocht welke (beschermde) natuurwaarden in dit gebied te vinden zijn, zoals vleermuizen en vogels? Zo ja, door wie is dit onderzocht en wat waren de uitkomsten?
In opdracht van de beheerder van het terrein is december 2021 een natuuronderzoek opgeleverd. Dit betreft een onderzoek naar diverse beschermde flora en fauna. In dit rapport is tevens in de literatuurlijst verwezen naar onder andere een dassenonderzoek (Achterberg C. van, 2021a – Dassen Henschotermeer – Briefrapport d.d. 13 januari 2021).
Uit het onderzoek blijkt kort samengevat het volgende: Gebleken is dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van enkele beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming (broedvogels, bosmieren, vliegroute vleermuizen). Ook zijn er lokaal beschermde verblijfslocaties aanwezig in de vorm van holtebomen, een jaarrond beschermd nest en mierenhopen. Soorten uit de rode en oranje lijsten met de categorieën «bedreigd», «ernstig bedreigd» of «op het punt van verdwijnen» zijn niet aangetroffen.
Dit onderzoek ligt ter beoordeling bij de provincie Utrecht en hieruit kan voortvloeien dat er verhelderingen of aanpassingen nodig zijn.
Hoeveel hectare grond moet nog toegevoegd worden in de provincie Utrecht om het Natuurnetwerk Nederland te voltooien, zoals afgesproken in het Natuurpact? Lijkt het u verstandig, gegeven die achterstand, om nu bestaande natuur te kappen en vol te zetten met onder andere een activiteitenhal, een speelhal, bungalows, klimtoren, etc.?
Volgens de meest recente, zevende Voortgangsrapportage Natuur heeft de provincie Utrecht 1.001 ha verworven (peildatum 31 december 2020) en heeft volgens het natuurbeleid van de provincie Utrecht een resterende verwervingsdoelstelling van 569 hectare (Kamerstukken 33 576, nr. 253).
Zoals in eerdere antwoorden gemeld, wordt het Natuurnetwerk Nederland niet aangetast door de betreffende recreatieplannen.
Zal er natuur moeten worden gecompenseerd om de recreatieplannen mogelijk te maken? Zo ja, hoeveel hectare moet er worden gecompenseerd? Indien u dit niet weet, kun u aangeven hoe u de provincies controleert op de kwaliteit en staat van de natuur, gezien uw eindverantwoordelijkheid?
Op dit moment zijn de precieze plannen voor de ontwikkelingen rond het Henschotermeer nog niet bij de gemeente en provincie ingediend. De provincie zal toezien op de kwaliteit van het initiatief en daarmee ook mogelijke effecten op de natuur beoordelen met name op het gebied van de Wet natuurbescherming alsmede de interim- Omgevingsverordening, voornamelijk het onderdeel houtopstanden. Zoals in eerdere antwoorden gemeld, wordt het Natuurnetwerk Nederland niet aangetast door de betreffende recreatieplannen. Hierop hoeft dus niet getoetst te worden en dus is er ook geen sprake van compensatie. De betreffende toetsing op natuurwetgeving is in dezen een wettelijke bevoegdheid van de provincie. Ik heb daarbij geen rol.
Is het toegestaan dat natuurcompensatie wordt afgetrokken van de natuurontwikkelopgave van provincies? Zo ja, waar is dit vastgelegd? Zo nee, kunt u bevestigen dat dit niet heeft plaatsgevonden?
Dat is niet toegestaan en bovendien niet aan de orde hier. Wanneer provincies natuur binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland willen compenseren, dan mag deze niet worden verrekend met de ontwikkelopgave. Een van de uitgangspunten bij natuurcompensatie is immers dat het Natuurnetwerk Nederland in omvang minimaal gelijk blijft. Zie ook de brief aan uw Kamer van de Minister van LNV over natuurcompensatie (Kamerstuk 33 576, nr. 161).
Kunnen inpassingsplannen voor vakantie- en recreatieparken in natuurgebieden betaald worden uit natuursubsidies, zoals de subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap? Zo ja, vindt u dit wenselijk, gezien de natuur-ontwikkelopgave?
Nee, natuursubsidies kunnen alleen gebruikt worden voor de inrichting en het beheer van natuur conform de beheertypen zoals beschreven in de Index Natuur en Landschap.
Bent u bereid bij de gemeente Woudenberg en Utrechtse Heuvelrug erop aan te dringen de recreatieplannen niet te laten plaatsvinden vanwege de landschappelijke en natuurwaarden van het gehele gebied? Zo nee, waarom niet?
Nee. De provincie Utrecht heeft in 2016 een samenwerkingsovereenkomst ondertekend, met onder andere de gemeente Utrechtse Heuvelrug en de gemeente Woudenberg. Hierin is afgesproken om de bestaande recreatieve mogelijkheden te continueren met eventueel toevoegingen die passen binnen het Ontwikkelkader. De concrete plannen zullen door de provincie worden getoetst aan onder andere het natuurbeschermingsregime, zoals in eerdere antwoorden geschetst.
Bent u bereid om bij de provincie Utrecht erop aan te dringen dat de recreatieplannen geen doorgang zullen vinden, vanwege de aantasting van zowel het NNN-gebied als de landschappelijke en natuurwaarden? Zo nee, waarom niet?
Ik vertrouw erop de provincie scherp toeziet op het toepassen van het natuurbeschermingsregime. Zie verder het antwoord op vraag 17.
Het bericht ‘Slib storten in diepe plas zorgt niet altijd voor betere natuur’ |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Kent u het bericht «Slib storten in diepe plas zorgt niet altijd voor betere natuur»?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja.
Op 7 maart 2022 heb ik uw Kamer het onderzoek van VBNE toegestuurd. Zoals ik in de Kamerbrief2 heb aangegeven zal ik u mijn beleidsreactie op het ecologisch onderzoek – in samenhang met de uitkomsten van het beleidsonderzoek diepe plassen – voor de zomer doen toekomen.
Bevestigt u de conclusie van het onderzoek2 dat de ecologie van diepe uiterwaardplassen beter is dan gedacht en dat verondieping (van een grote diepe plas naar een grote ondiepe plas) weinig ecologische winst zal opleveren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u het verondiepen van plassen dan nu on hold zetten?
Het onderzoek naar de ecologische kwaliteit van de diepe uiterwaardplassen biedt nieuwe wetenschappelijke inzichten.
Ik vind het belangrijk om deze inzichten te betrekken bij de verdere ontwikkeling van het beleid en zal u, zoals aangegeven, voor de zomer mijn beleidsreactie geven op het onderzoek, in samenhang met de uitkomsten van het beleidsonderzoek diepe plassen.
Lopende verondiepingen die aan alle wettelijke eisen voldoen kunnen niet zomaar worden stopgezet. Wel zal ik de bevoegde gezagen (waterbeheerders) en de initiatiefnemers verzoeken om bij nieuwe initiatieven rekening te houden met de nieuwe inzichten uit het ecologisch onderzoek.
Deelt u de mening dat, aangezien verondieping weinig ecologische winst oplevert, er geen sprake is van een «win-win situatie» waarbij het verondiepen van een plas ervoor zou zorgen dat we én van ons slib af zijn én de natuur profiteert van ondieper water? Zo nee, waarom niet?
Uit het onderzoek volgt dat het geheel verondiepen van de onderzochte ondiepe plassen geen of nauwelijks ecologische meerwaarde lijkt te hebben ten opzichte van de huidige kwaliteit van diepe plassen. In het rapport is ook een voorbeeld genoemd waar dit wel het geval kan zijn, bijvoorbeeld bij het realiseren van kleine en soms tijdelijke plassen en moerasgebied.
Bevestigt u dat het beleid rondom verondieping aangepast dient te worden met als doel dat verondieping alleen mag geschieden wanneer het ecologische winst oplevert? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer zult u het beleid hierop aanpassen?
Op dit moment bevindt het beleidsonderzoek diepe plassen zich in een afrondende fase. Belangrijke nieuwe inzichten in de ecologische kwaliteit van diepe plassen betrek ik hierbij en voor de zomer stuur ik u mijn beleidsreactie naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken.
Wat is uw reactie op de conclusie uit het onderzoek dat het verondiepen van diepe plassen niet automatisch een nuttige toepassing is?
Uit het rapport volgt dat de ecologische kwaliteit van een diepe plas niet per definitie slechter is dan de kwaliteit van een verondiepte plas. De waterkwaliteit in diepe uiterwaardplassen kan ook beter zijn dan in een verondiepte plas. Uit het onderzoek blijkt dus dat een verondieping – afhankelijk van de gekozen inrichtingsvariant – niet altijd een ecologische meerwaarde heeft en daarmee uit ecologisch oogpunt niet automatisch nuttig is. Dit moet steeds lokaal worden beoordeeld en afgewogen.
Kunt u aangeven hoeveel meter een plas gemiddeld wordt verondiept en hoe de gevolgen van de verondieping op de natuur in kaart worden gebracht?
Het is mij niet bekend hoeveel meter een plas gemiddeld wordt verondiept. Naast de diepte en de inrichtingsvariant kunnen er ook nog andere aspecten zijn die een rol spelen bij de mogelijke ontwikkeling van de natuur, zoals bijvoorbeeld de oppervlakte, de grondwaterstroming en of de plas al dan niet in open verbinding staat met een rivier.
Een initiatiefnemer moet nu met een inrichtingsplan aantonen dat een verondieping nuttig en functioneel is. Wanneer de gewenste ontwikkeling natuur is, dan moet uit het inrichtingsplan blijken hoe hieraan invulling wordt gegeven. Daarnaast moet bijvoorbeeld ook rekening worden gehouden met een geldend bestemmingsplan en de Natuurbeschermingswet.
Kunt u aangeven hoeveel vergunningaanvragen er nu lopen voor het verondiepen van plassen? Welke gevolgen hebben de resultaten van het onderzoek voor de nu lopende vergunningaanvragen en voor vergunningverlening in de toekomst?
De algemene eisen voor het verondiepen van een diepe plas volgen uit het Besluit bodemkwaliteit en de circulaire en de handreiking voor het herinrichten van diepe plassen. Op dit moment kan met een melding een verondieping worden gestart (er geldt geen vergunningplicht), mits ook aan andere wettelijke eisen wordt voldaan die bijvoorbeeld volgen uit de Waterwet, de Natuurbeschermingswet en /of het bestemmingsplan. Met de Omgevingswet (2023) wordt dit anders, dan geldt er voor een verondieping een vergunning- en m.e.r.-beoordelingsplicht.
Voor nieuwe initiatieven adviseer ik de bevoegde gezagen (waterbeheerders) nadrukkelijk om – bij de boordeling van een melding – rekening te houden met de uitkomsten van het ecologisch onderzoek. Op dit moment is niet bekend voor hoeveel nieuwe initiatieven bij de waterbeheerders (bevoegd gezag) een melding is ingediend. De waterbeheerder, waterschap of Rijkswaterstaat, is verantwoordelijk voor de registratie.
Klopt het dat de vergunningen die inmiddels zijn afgegeven voor verondieping onder andere zijn gebaseerd op het idee dat verondieping altijd zorgt voor een verbetering van de natuur? Zo nee, hoe zit dit dan? Zo ja, welke gevolgen hebben de resultaten van het onderzoek voor de vergunningen die al zijn afgegeven?
Dit is afhankelijk van het doel van een verondieping. Een verondieping kan bijvoorbeeld bijdragen aan het realiseren van de KRW-doelstellingen of het bevorderen van natuurwaarden. Een diepe plas kan ook gedeeltelijk worden verondiept om de stabiliteit van de wanden te vergroten of omdat een verondieping in samenhang wordt uitgevoerd met een hoogwaterbeschermingsproject of met baggerwerkzaamheden voor een vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart.
Voor de vergunningverlening verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om voor de momenteel lopende vergunningaanvragen en voor vergunningverlening in de toekomst per plas te laten bekijken of verondieping zorgt voor een verbetering van de natuur? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven, betrek ik de nieuwe inzichten bij het beleidsonderzoek diepe plassen. Daarnaast zal ik de bevoegde gezagen verzoeken om bij de beoordeling van een nieuw initiatief rekening te houden met de uitkomsten van het onderzoek.
Bent u bereid om onderzoek te laten doen naar verschillende andere manieren om diepe plassen her in te richten, zoals bijvoorbeeld verondieping van de oeverzone of meerdere kleine ondiepe plassen in een moerasachtig systeem, zodat er wel een goede invulling kan worden gegeven aan verschillende natuurdoelen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen dat een voorgenomen verondieping ook meerwaarde heeft voor de natuur. Hiervoor moet door de initiatiefnemer het noodzakelijk onderzoek worden verricht en door het bevoegd gezag een lokale afweging gemaakt.
Bent u bereid een landelijke visie te ontwikkelen op de positie en toekomst van diepe uiterwaardplassen in het rivierengebied, zodat hierop beleid kan worden gemaakt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Ja, voor de zomer informeer ik u eerst over de uitkomsten van het beleidsonderzoek diepe plassen en het verdere proces. Dit zal vervolgens in beleid worden uitgewerkt en vastgelegd.
Kunt u een overzicht verschaffen van de verschillende soorten grond die mogen worden gebruikt voor het verondiepen van een plas en de mate waarin deze verschillende soorten grond beter of slechter zijn om te gebruiken voor een verondieping?
De grond die wordt toegepast bij verondiepingen moet altijd voldoen aan Besluit bodemkwaliteit. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat altijd wordt voldaan aan de geldende (chemische) kwaliteitseisen. Daarnaast moet worden voldaan aan het handelingskader Pfas
Voor het jaar 2018 is een inschatting gemaakt4 van de hoeveelheid grond en baggerspecie en de kwaliteit die is toegepast. Uit een berekening volgde destijds dat werd verwacht dat 8 miljoen m3 grond en baggerspecie zou worden toegepast, waarvan 60% zou bestaan uit klasse industrie grond/baggerklasse B, 25% uit klasse Wonen grond/baggerklasse A en 15% uit grond klasse achtergrondwaarde.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Leefomgeving op 7 april a.s.?
Ja.
De Nederlandse gasopslagen. |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat voor 1 april 2022 geregeld moet zijn wie de Nederlandse gasopslagen vult en onder welke voorwaarden?
In de brief van 14 maart jl. over gasleveringszekerheid komende winter en verder (kamerstuk 29 023, nr. 283) zijn de Staatssecretaris Mijnbouw en ik uitgebreid ingegaan op de maatregelen die er onder meer voor moeten zorgen dat de gasopslagen aan het begin van de winter adequaat zijn gevuld. Momenteel wordt daaraan de laatste hand gelegd waarbij de focus, zoals aangegeven in voornoemde brief, ligt op de gasopslag Bergermeer. Ik verwacht uw Kamer hierover op korte termijn te kunnen informeren.
Welke partijen voorziet u de gasopslagen te kunnen laten vullen? Wat zijn de voor- en nadelen per partij?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 wordt dit voor de gasopslag Bergermeer momenteel nader uitgewerkt. De gasopslagen Alkmaar, Norg en Grijpskerk worden door NAM en GasTerra gevuld op grond van de daarover in het Norg Akkoord met Shell en Exxon Mobil gemaakte afspraken.
Bent u bereid om dit voor de komende winter te beleggen in een crisisteam waarbij alle relevante partijen aansluiten en om parallel de beste structurele borging verder te onderzoeken?
De wijze waarop invulling zal worden gegeven aan de structurele borging zal voor een belangrijk deel worden bepaald door het voorstel van de Europese Commissie COM(2022)135 van 23 maart 2022: «Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council amending Regulation (EU) 2017/1938 of the European Parliament and of the Council concerning measures to safeguard the security of gas supply and Regulation (EC) 715/2009 of the European Parliament and of the Council on conditions for access to natural gas transmission networks». In dit wetgevende voorstel geeft de Commissie aan hoe naar haar mening tijdige en adequate vulling van de opslagen kan en moet worden geborgd. Het kabinet is dit voorstel thans aan het bestuderen en zal uw Kamer daarover op korte termijn informeren via een BNC-fiche.
Hoe hebben buurlanden de vulling van gasopslagen geregeld? Welke partij is daar verantwoordelijk voor het laten vullen en hoe is het risico afgedekt?
Het vullen van de opslagen is momenteel in elk land anders geregeld. In Duitsland (opslagvolume 230 TWh (ca. 25% van het binnenlands verbruik)) is het tot op heden volledig aan de markt om dit regelen. Per 1 mei treedt er echter naar verwachting wetgeving in werking die voorschrijft dat de opslagen per 1 december voor 90% moeten zijn gevuld.
In België (opslagcapaciteit 9 TWh (ca. 5% van het binnenlands verbruik)) wordt de enige opslag gevuld door gasinfrastructuurbedrijf Fluxys. Frankrijk (opslagcapaciteit 128 TWh (ca. 30% van het binnenlandse verbruik)) kent wetgeving die leveranciers aan beschermde afnemers verplicht voorafgaand aan de winter gas op te slaan.
In Nederland (opslagvolume 144 TWh (ca. 35% van het binnenlandse verbruik)) kennen we verschillende regimes zoals uiteengezet in voornoemde brief over gasleveringszekerheid en in het antwoord op vraag 2.
Overigens zal het in het antwoord op vraag 3 genoemde wetgevende voorstel van de Europese Commissie hier voor vergaande harmonisatie gaan zorgen.
Wat is de rol van de overheid in het eigenaarschap van de gasopslagen in onze buurlanden? Hoe ziet u dat in Nederland?
In Duitsland zijn alle opslagen in handen van private partijen. De Belgische opslag is in handen van Fluxys, een gasinfrastructuurbedrijf waarin ook de Belgische overheid een belang heeft. In Frankrijk is het merendeel van de opslagen in handen van Storengy, een dochteronderneming van Engie, een bedrijf waarin ook de Franse overheid een belang heeft.
In Nederland zijn de opslagen Bergermeer en Alkmaar eigendom van Taqa en Energie Beheer Nederland (EBN). De opslagen Norg en Grijpskerk zijn eigendom van NAM en EnergyStock is een dochteronderneming van Gasunie.
Hoe is de vulling van strategische oliereserves geregeld? Hoe is daar de vulling geregeld? Wie betalen mee? Welke partijen dragen het risico?
De Nederlandse voorraadplicht is gebaseerd op de netto import-methode, gehanteerd door het Internationaal Energie Agentschap en de EU, en de consumptiemethode gehanteerd door de EU. De netto import-methode is het verschil tussen olie-import (in Nederland zowel ruwe olie als olieproducten) en olie-export (in Nederland hoofdzakelijk doorgevoerde en geproduceerde olieproducten). De omvang van de nationale strategische olievoorraad wordt jaarlijks vastgesteld door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Dit gebeurt op basis van in de Wet voorraadvorming aardolieproducten vastgelegde rekenmethoden.
De stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA, een EZK-agentschap) is verantwoordelijk voor ongeveer 80% van de nationale voorraadplicht. De COVA-verplichting bestaat uit het verschil tussen de totaal berekende nationale plicht en die van het bedrijfsleven. De voorraadplicht van het bedrijfsleven is ongeveer 20% van de nationale voorraadplicht en wordt berekend aan de hand van hun binnenlandse verkopen.
COVA is een stichting zonder winstoogmerk. De staat is aansprakelijk voor schulden van COVA die overblijven na haar eventuele liquidatie als rechtspersoon. De exploitatiekosten van COVA worden gefinancierd door een voorraadheffing op olieproducten. Deze bedraagt € 8 per 1.000 liter zoals vastgelegd in Artikel 27 Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012.
COVA maakt als rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT) gebruik van schatkistbankieren bij de rijksoverheid, en heeft geen credit rating. De jaarrekening wordt ter goedkeuring aan de Minister van EZK voorgelegd.
In hoeverre is de methode van de strategische oliereserves toe te passen op de gasopslagen? Hoe voorkomen we hiermee (grote) financiële risico’s?
Bij het uitwerken van de maatregelen die op korte termijn zullen worden genomen om de gasopslag Bergermeer tijdig en adequaat te vullen, wordt dit aspect ook bezien. Tevens komt dit aan de orde in het voornoemde wetgevende voorstel van de Commissie.
Overigens is het kabinet geen voorstander van het verplicht aanleggen van een strategische gasreserve. Voor de korte termijn kan dit alleen door bestaande opslagcapaciteit aan de markt te onttrekken, hetgeen leidt tot schaarste. Voor de lange(re) termijn zou kunnen worden overwogen om hiervoor een nieuwe opslag aan te leggen, maar dat kan alleen tegen zeer hoge kosten vanwege onder meer het aan te schaffen kussengas (het gas dat de opslag op druk houdt), het aan te schaffen werkgas en de benodigde installaties, kosten die snel in de miljarden lopen. Daarnaast kent de aanleg van een nieuwe opslag een doorlooptijd van zeker vier jaar.
Welke andere modellen ziet u om financiële risico’s voor de staat verder te beperken?
Ook dit maakt onderdeel uit van het uitwerken van de maatregelen om de gasopslag Bergermeer te vullen en het wetgevende voorstel van de Commissie. Er zijn daarbij verschillende modellen voorhanden zoals ook blijkt uit de praktijk in andere landen. Gedacht kan worden aan een taak voor de netbeheerder(s) waarbij de kosten deels via de transporttarieven worden verhaald. Een ander model is het opleggen van een opslagverplichting aan leveranciers aan beschermde afnemers (voornamelijk de gebouwde omgeving) die hun kosten vervolgens doorberekenen aan hun afnemers.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het advies ‘keuzes voor de krijgsmacht’ van de Adviesraad Internationale Vraagstukken |
|
Peter Valstar (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het AIV-advies «keuzes voor de krijgsmacht»?1
Ja. Het kabinet dankt de AIV voor het advies, dat op een relevant moment komt.
Deelt u de analyse van de AIV dat, in het licht van de Russische invasie in Oekraïne en de verslechterende veiligheidssituatie, de Navo moet worden versterkt om de vrijheid en veiligheid van Europese burgers te beschermen?
Ja. Veiligheid en stabiliteit zijn basisvoorwaarden voor de vrede en welvaart waarin wij leven. De oorlog aan de oostflank van het NAVO-verdragsgebied laat zien dat bescherming van onze vrijheid noodzakelijk is.
De NAVO is de hoeksteen van onze collectieve veiligheid en zal de afschrikking en verdediging aan de oostflank verder versterken. Tegelijkertijd moeten Europese landen zelfredzamer worden en de eigen belangen beter kunnen beschermen en verdedigen; de huidige veiligheidssituatie is daarvoor het bewijs. Binnen de NAVO en EU moeten daarvoor in gezamenlijkheid de Europese capaciteiten worden versterkt om beter in onze veiligheid te kunnen voorzien.
Verschillende landen kondigden sinds de Russische invasie in Oekraïne aan versneld stappen te zetten om hun defensiebudget te verhogen. Onder meer de regeringen van Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Zweden en Polen hebben dit bekend gemaakt. Het kabinet onderzoekt conform de motie Sjoerdsma (36 045, nr. 4) wat op korte termijn nodig en mogelijk is om de al voorziene toename van het defensiebudget eerder te laten plaatsvinden, of er meer kan worden geïnvesteerd in de defensiesamenwerking met de NAVO en Europese partners en of er manieren zijn om nog in deze kabinetsperiode structureel extra te investeren in Defensie. Uw Kamer is op 20 mei geïnformeerd over de uitkomst van de voorjaarsbesluitvorming. Het kabinet investeert structureel 5 miljard euro extra in Defensie.
Deelt u de analyse van de AIV dat de Europese bijdrage aan deze collectieve verdediging moet worden vergroot en dat Nederland de defensie-uitgaven moet verhogen naar twee procent van het bruto binnenlands product om hierin een gepast aandeel te leveren?
Ja. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de veiligheidsdreiging urgent is en er geen goede redenen zijn om aan te nemen dat deze dreiging binnen afzienbare tijd weer substantieel zal dalen?
Ja. De veiligheidssituatie in en rondom Europa verslechtert. De ongekende agressie van Rusland tegen Oekraïne laat zien dat de dreigingen op het Europese continent en aan de oostgrens van het NAVO-verdragsgebied reëel en dichtbij zijn. Rusland vormt echter niet de enige dreiging. Er is wereldwijd in toenemende mate sprake van (geopolitieke) spanningen. In combinatie met de snelle verspreiding van wapens kan dit zorgen voor ontvlambare situaties. We moeten ons voorbereiden op een onzekere toekomst waarin uitdagingen en dreigingen divers en permanent van aard zijn. We hebben te maken met grootschalige cyberaanvallen, dreigingen tegen onze vitale infrastructuur en beïnvloeding door buitenlandse mogendheden. De weerslag van klimaatverandering kan zich vertalen in oplopende spanningen tussen bevolkingsgroepen, conflicten en migratiestromen.
Deelt u de analyse van de AIV dat de krijgsmacht nadrukkelijk ingericht moet worden op bondgenootschappelijke verdediging en dat het hiervoor noodzakelijk is zo snel mogelijk de inzetbaarheid te verbeteren en de door de Navo vastgestelde capaciteitstekorten weg te werken?
Defensie voert haar grondwettelijke taak uit langs de lijnen van de drie hoofdtaken:
Defensie moet in alle drie de hoofdtaken, die steeds nauwer met elkaar verbonden zijn, kunnen optreden. In de huidige situatie is Defensie vooral ingericht voor optreden in de tweede hoofdtaak. Het dreigingsbeeld en de Russische invasie van Oekraïne laten zien dat inzet in de eerste hoofdtaak net zo noodzakelijk is. Voor het optreden in de eerste hoofdtaak moet Defensie dus een been bijtrekken, net zoals voor optreden in de derde hoofdtaak. In de Defensienota worden de keuzes voor de inrichting, samenstelling en toerusting van de krijgsmacht die in alle drie de hoofdtaken moet kunnen optreden, toegelicht.
Deelt u de analyse van de AIV dat er een grote financiële inspanning nodig zal zijn om Nederland in staat te stellen naar verhouding bij te dragen aan initiatieven van de Navo en de EU, zoals de Nato Response Force en de EU Rapid Deployment Capacity?
Er zijn inderdaad grote financiële inspanningen nodig evenals het maken van keuzes voor de toekomst. Defensie moet de komende periode de gereedheid en inzetbaarheid verhogen, ook om te kunnen voldoen aan de reactietijden voor de Snel Inzetbare Capaciteiten van de NAVO en de EU. Hiervoor is het bijvoorbeeld nodig om de gevechtsondersteuning te versterken en het voorradenniveau te verhogen. Defensie plaatst versneld orders voor het ophogen van het voorraadniveau en anticipeert daarmee op de wereldwijd toegenomen vraag naar munitie en toegenomen krapte op de markt. Hiervoor heeft Defensie op 29 april jl. een incidentele suppletoire begroting ingediend (Kamerstuk 36 091 en 36 092)
Deelt u de mening dat er voor verdere specialisatie bij het wegwerken van tekorten in Europese capaciteiten forse investeringen nodig zijn van de landen die kopgroepen vormen?
Specialisatie is een verdergaande vorm van samenwerking met als doel meer gebruik te maken van de afzonderlijke sterke punten van partners en bondgenoten. Het is een gradueel traject, maar gezamenlijk hebben we meer impact en gezamenlijk leveren we een hogere effectiviteit van optreden. Specialisatie kan helpen om tekorten weg te werken en gezamenlijk meer effecten te bereiken.
De EU-leiders kwamen op 11 maart in Versailles overeen de Europese defensiecapaciteiten te versterken en onderstreepten daarbij het belang van samenwerking. Het kabinet ziet nut in meer gezamenlijke aanschaf van defensiecapaciteiten. Het Europees Defensieagentschap kan hierin een faciliterende en coördinerende rol spelen. Dit is ook onderdeel van het Strategisch Kompas waarmee de EU richting aan het Europese veiligheids- en defensiebeleid, o.a. door het stellen van duidelijke doelen en heldere prioriteiten voor capaciteitsontwikkeling.
Deelt u de analyse van de AIV dat het voor een stabiele defensieplanning wenselijk is als de planning en uitgaven voor een langere periode wettelijk worden vastgelegd, zoals dat ook in Scandinavische landen en de Klimaatwet het geval is?
Defensie is gebaat bij langjarig commitment en een structurele verhoging van het defensiebudget om de benodigde veranderingen te realiseren en versterkingen goed te richten en in te richten. Zoals is aangegeven in de Voorjaarsnota investeert het kabinet structureel 5 miljard euro extra in Defensie.
Deelt u de mening dat, gezien de dreigingssituatie, de bondgenootschappelijke verplichtingen en het toekomstbeeld uit de Defensievisie 2035, de uitgaven in een dergelijke wet niet lager zouden moeten zijn dan twee procent van het bruto binnenlands product?
De Russische agressie in Oekraïne laat duidelijk zien dat onze veiligheid en vrijheid niet vanzelfsprekend zijn en dat dit een groot goed is dat moet worden beschermd. Met de extra investeringen uit het coalitieakkoord en de Voorjaarsnota voldoet Nederland in 2024 en 2025 aan de 2% bbp-norm voor de NAVO.
Bent u bereid het advies van de AIV integraal op te volgen en de Kamer uiterlijk deze maand daarover te informeren?
Het advies van de AIV komt op een relevant moment en bevat goede aanknopingspunten. Het kabinet werkt op dit moment aan de Defensienota waarin de plannen worden uitgewerkt. De Defensienota wordt voor de zomer aan uw Kamer aangeboden. Daarna zal het kabinet ook komen met een reactie op het briefadvies van de AIV.
Het artikel 'Al 20 jaar geregeld tekort aan isotopen voor kankerbestraling: waarom het probleem maar niet wordt opgelost' |
|
Judith Tielen (VVD), Eelco Heinen (VVD), Pieter Grinwis (CU), Silvio Erkens (VVD) |
|
Kuipers , Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel van EenVandaag gepubliceerd op 4 februari 2022?1
Ja.
In Petten wordt gebouwd aan de nieuwe isotopenreactor PALLAS, kunt u een update geven van de status van de bouw? Wanneer wordt verwacht dat deze reactor klaar zal zijn en welke stappen moeten hier nog voor worden gezet?
Uw Kamer is op Prinsjesdag geïnformeerd over het kabinetsbesluit om middelen te reserveren voor een mogelijke investering in de bouw van de nieuwe PALLAS-reactor in Petten. Met dit voornemen zet het kabinet in op het borgen van de toekomstige voorzieningszekerheid voor de patiënt.
Het kabinet zal naar verwachting in het voorjaar van 2023 een definitief besluit nemen over de investering in het PALLAS-project. Daarbij moet worden voldaan aan enkele belangrijke voorwaarden, namelijk:
Het Ministerie van VWS reserveert € 1,29 miljard beschikbaar uit de opbrengst van de vitamine D maatregel2 (€ 129 miljoen euro per jaar tot en met 2032) en € 30 miljoen vanuit de eigen begroting voor een mogelijke investering in PALLAS. Van deze middelen wordt € 129 miljoen in 2023 beschikbaar gesteld op de begroting van het Ministerie van VWS om, zonder onomkeerbare stappen, het investeringstraject te starten zodat de voorbereidingen voor de bouw voortgezet kunnen worden en het project op tijd en binnen budget opgeleverd wordt. Hiermee wordt geborgd dat PALLAS op tijd de rol van de bestaande reactor kan overnemen.
Zoals door de toenmalige Minister voor Medische Zorg en Sport aangekondigd in haar Kamerbrief3, zijn in de tussentijd al een aantal voorbereidingen in gang gezet waarbij geen onomkeerbare stappen mogen worden gezet, zolang er nog geen positief besluit ligt van het kabinet. Stichting voorbereiding PALLAS-reactor (verder PALLAS) heeft in 2021 het basisontwerp van de PALLAS-reactor afgerond. Ook heeft PALLAS in juni 2022 een aanvraag voor het verkrijgen van de Kernenergiewetvergunning voor het oprichten (bouwen) van de reactor ingediend bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. Als het kabinet volgend jaar definitief besluit om het PALLAS-project voort te zetten, dan moeten de volgende stappen zijn doorlopen om met de bouw van de PALLAS-reactor te kunnen starten:
Na het afronden van de bouwfase zal een programma van testen doorlopen moet worden in het kader van het in bedrijf nemen van de reactor. Om te kunnen starten met dit programma dient PALLAS de volgende stappen succesvol te nemen:
Na het succesvol afronden van het programma van testen is de reactor gereed voor commercieel gebruik. Indien alle bovengenoemde stappen succesvol zijn doorlopen, is de verwachting dat PALLAS de productie van isotopen rond 2030 kan starten.
Vindt u ook dat de Nederlandse isotopenreactor een belangrijke bijdrage levert aan de gezondheidszorg in Nederland, maar ook wereldwijd? Deelt u de mening dat het voor Nederland goed is om een leidende positie na te streven op het gebied van innovatieve nucleaire geneeskunde en dat deze reactor daaraan bijdraagt?
Nederland heeft met de aanwezigheid van de huidige Hoge Flux Reactor (HFR) in Petten en partners zoals Curium en Urenco, een leidende positie op de wereldmarkt voor medische isotopen. Dagelijks zijn vele duizenden patiënten binnen en buiten Nederland voor hun diagnose of behandeling afhankelijk van medische isotopen die geproduceerd worden in Petten. Het gaat om patiënten met vaak ernstige aandoeningen, zoals verschillende vormen van kanker, hart- en vaatziekten en andere chronische aandoeningen.
Als gevolg van deze leidende positie, kunnen Nederlandse patiënten profiteren van de excellente nucleair geneeskundige zorg en het onderzoek dat in Nederland wordt gedaan naar nieuwe kankerbehandelingen, ook als het gaat om commercieel minder aantrekkelijke behandelingen.
Hoe apprecieert u dat verschillende projecten met een positieve business case en die bijdragen aan maatschappelijke transities, (in de beginfase) niet altijd private financiering kunnen aantrekken vanwege risico’s die niet door de markt kunnen worden beïnvloed? Denk bijvoorbeeld aan projecten, als PALLAS, met lange terugverdientijden of risico’s die afhangen van vergunningsverlening of wet- en regelgeving van de overheid. Wat doet u om deze projecten van de grond te laten komen?
Het PALLAS-project is een voorbeeld van een project dat maatschappelijke relevantie heeft maar vanwege de risico’s rondom dit project niet wordt opgepakt door de markt. Deze financiële risico’s bij grote nucleaire productiefaciliteiten voor medische isotopen worden ook geconstateerd in twee omvangrijke Europese studies die in 2021 zijn gepubliceerd en met uw Kamer zijn gedeeld4 , 5. Dit is de reden dat het kabinet substantiële middelen heeft gereserveerd voor een mogelijke investering in het PALLAS-project.
Wat vindt u van het verstrekken van voorfinanciering vanuit de overheid voor deze projecten? Welke andere mogelijkheden ziet u voor projecten die bijdragen aan maatschappelijke transities, een positieve business case hebben, maar geen private financiering kunnen aantrekken in de beginfase? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in bovengenoemde antwoorden beschreven en aangekondigd in de Kamerbrief over PALLAS die op Prinsjesdag naar de Kamer is gestuurd, heeft het kabinet besloten om middelen op de VWS begroting te reserveren voor een mogelijke investering in de bouw van de nieuwe PALLAS-reactor in Petten. In het voorjaar van 2023 zal worden besloten over de resterende dekkingsopgave van € 330 miljoen. Het kabinet kijkt hierbij ook naar de mogelijkheden in het kader van het Nationaal Groeifonds. Onder andere de Ministers van VWS en EZK trekken hierin nauw samen op.
Deelt u de mening van de indieners dat het voor projecten die zichzelf kunnen terugverdienen, logischer is om te kiezen voor voorfinanciering in plaats van subsidies? Kunt u uw mening toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Een first loss facility kan als instrument worden gebruikt om vanuit de overheid voorfinanciering te verstrekken voor rendabele, maar risicovolle activiteiten; welke mogelijkheden ziet u om een first loss facility te creëren voor de bovenstaande projecten?
Zie antwoord vraag 5.
De facility zou als doel hebben om projecten te financieren die bijdragen aan vraagstukken op het gebied van klimaat, duurzaamheid, gezondheidszorg etc; ziet u daarom mogelijkheid om een deel van de hiervoor gereserveerde middelen in te zetten voor het buffervermogen van de facility? Ziet u mogelijkheden voor Invest NL om hier een rol bij te spelen? Wat is er volgens u nodig om Invest NL deze rol te laten vervullen en kan u dit realiseren?
Zie antwoord vraag 5.
Negen ernstig zieke MS-patiënten die voor een stamceltransplantatie vast zitten in een kliniek in Moskou |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «MS-patient Peter vast in kliniek Rusland, geen uitweg om terug te komen»?1
Ja.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat deze negen ernstig zieke MS-patienten weer veilig thuiskomen?
Volgens het bericht waar u aan refereert heeft de betrokkene inmiddels zelfstandig via Turkije naar Nederland kunnen terugreizen. Personen die al in Rusland zijn en daar weg willen maar tegen problemen aanlopen om dat zelfstandig te organiseren kunnen zich richten tot de ambassade in Moskou met hun consulaire hulpvraag. Volgens mijn informatie zijn daar tot op heden daar geen hulpverzoeken van deze groep bekend.
Hoe kan het dat deze ernstig zieke MS-patienten voor deze stamceltherapie moeten uitwijken naar Rusland?
Gaat u bewerkstelligen dat deze stamceltherapie voortaan wordt vergoed vanuit het basispakket? Zo nee, waarom niet?
Ziet u nu in waar verkeerde zuinigheid toe leidt?
Het bericht ‘Ondernemers sneller in problemen door uitzondering in faillissementswet’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hawre Rahimi (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met bovenstaand bericht?1
Ja.
Hoe beoordeelt u tot nu toe de uitwerking in de praktijk van de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA)? Hoeveel akkoorden zijn er reeds gesloten op basis van de WHOA?
Op 1 januari 2021 is de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) in werking getreden. De WHOA helpt ondernemingen die in zwaar weer verkeren, een faillissement te voorkomen door een akkoord met hun schuldeisers tot stand te brengen waarbij de financiële problemen worden opgelost door bijvoorbeeld een uitstel van betaling of een (gedeeltelijke) kwijtschelding van schulden.2 Enerzijds kunnen ondernemingen die toekomstperspectief hebben op deze manier weer financieel gezond worden. Anderzijds kan de WHOA ook gebruikt worden om ondernemingen die geen overlevingskansen hebben, buiten faillissement af te wikkelen met een beter resultaat voor de schuldeisers dan in faillissement. De rechter kan een akkoord bevestigen (homologeren) als de besluitvorming over en de inhoud van het akkoord aan de in de WHOA-regeling gestelde eisen voldoen. Het akkoord geldt dan voor alle bij het akkoord betrokken schuldeisers en dus ook voor schuldeisers die niet vrijwillig met het akkoord hebben ingestemd. De WHOA heeft bovendien nadrukkelijk als doel de buitengerechtelijke totstandkoming van akkoorden te faciliteren. De verwachting is dat, doordat schuldeisers weten dat een rechter een redelijk akkoord verbindend kan verklaren, zij sneller geneigd zijn om aan een herstructureringstraject mee te werken. De WHOA-regeling fungeert dan als een stok achter de deur waarmee de totstandkoming van minnelijke akkoorden wordt gestimuleerd, waardoor een daadwerkelijke gang naar de rechter om een akkoord te laten homologeren, niet nodig is.3
Navraag bij de rechtspraak leert dat er in de periode tussen 1 januari 2021 en 1 maart 2022 rond de 200 verklaringen bij de griffie van de rechtbank zijn gedeponeerd, waarin ondernemingen kenbaar hebben gemaakt dat zij een traject zijn gestart om een akkoord tot stand te brengen. Ook zijn er in die periode rond de 65 beslissingen door de rechtbank genomen in het kader van verzoeken tot het treffen van voorzieningen om een lopend WHOA-traject te faciliteren. Verder zijn er in de genoemde periode 23 beslissingen door de rechtbank genomen over de homologatie van een akkoord, waarbij het homologatieverzoek in 17 gevallen is toegewezen en in 6 gevallen is afgewezen (bijvoorbeeld omdat de ondernemer zijn schuldeisers onvoldoende informatie had gegeven bij de aanbieding van het akkoord).4 Hoe vaak een WHOA-traject heeft geresulteerd in een akkoord nog voordat de rechter daarbij aan te pas kwam, is niet bekend omdat veruit de meeste van deze trajecten in beslotenheid plaatsvinden. Er is daarom nader onderzoek nodig om de effectiviteit van de WHOA-regeling goed te kunnen beoordelen. De WHOA voorziet in een evaluatiebepaling op basis waarvan uw Kamer uiterlijk eind 2023 door middel van een verslag geïnformeerd dient te worden over de doeltreffendheid en de effecten van de WHOA-regeling in de praktijk. Ik ben voornemens om eind dit jaar al een start te maken met de voorbereiding van het evaluatieonderzoek.
Wel valt nu al op dat veel van de beslissingen die tot nog toe door de rechtbank zijn genomen, betrekking hebben op ondernemingen behorend tot het mkb. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WHOA was juist de verwachting dat in eerste instantie vooral grotere bedrijven voor een WHOA-traject in aanmerking zouden komen, omdat de WHOA een vrij complexe regeling is.5 Om ook mkb-ondernemingen te informeren over het gebruik en de mogelijkheden van de WHOA-regeling als zij schulden hebben, heeft mijn voorganger, samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, zorg gedragen voor voorlichting (zie nader het antwoord op vraag 7).6 Het is goed om te merken dat de mkb-ondernemingen er nu al in slagen van de WHOA-regeling gebruik te maken.
Sluit het aantal akkoorden dat tot nu toe is bereikt aan bij het aantal akkoorden dat van tevoren werd verwacht in de rechtspraktijk?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen heeft dit arrest voor ondernemers die een doorstart proberen te maken?
De WHOA is bedoeld voor ondernemingen die vanwege een te zware schuldenlast insolvent dreigen te raken, maar na een herstructurering van de schulden weer financieel gezond kunnen worden of buiten faillissement afgewikkeld kunnen worden met een beter resultaat voor de schuldeisers dan in faillissement. Een akkoord hierover komt bij voorkeur buitengerechtelijk tot stand. Indien nodig kan de rechter een akkoord homologeren. Schuldeisers die niet met het akkoord hebben ingestemd, worden dan toch aan het akkoord gebonden. Bij de totstandkoming van de WHOA is er bewust voor gekozen om in deze wet een uitzondering te maken voor rechten van werknemers die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Werknemers kunnen niet tegen hun wil gebonden raken aan een akkoord waarbij zij bijvoorbeeld loon moeten inleveren. De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat pensioenpremies, die ten behoeve van de werknemer worden afgedragen, ook onder deze uitzondering vallen omdat dit een recht is dat voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW.7 Daarmee wordt verzekerd dat de pensioenopbouw van werknemers niet in gevaar komt als gevolg van een WHOA-akkoord. Ik heb vernomen dat in de praktijk de vrees bestaat dat de uitspraak van de Hoge Raad het moeilijker kan maken voor ondernemers om een akkoord te bereiken. Ik heb echter vooralsnog geen concrete signalen dat dit effect ook is opgetreden. De uitspraak biedt aan ondernemingen die gebruik willen maken van de WHOA-regeling in ieder geval duidelijkheid over het toepassingsbereik van de bestaande uitzonderingsregel betreffende de rechten van werknemers. Als ondernemers op grond van de WHOA-regeling een akkoord aan hun schuldeisers willen aanbieden, zullen zij over voldoende financiële middelen moeten beschikken om de achterstallige pensioenpremies ten behoeve van hun werknemers in te lopen. Dit is iets om rekening mee te houden bij de voorbereiding van een akkoord, door bijvoorbeeld dit traject tijdig te starten.
Bent u het eens met de stelling dat de WHOA het juist makkelijker moet maken voor ondernemers om een doorstart te maken? Zo ja, bent u het ook eens met de stelling dat het arrest van de Hoge Raad potentieel zeer zorgelijke gevolgen kan hebben voor een grote groep ondernemers, aangezien het arrest ertoe leidt dat de WHOA in de praktijk minder effectief kan worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kan in overleg met betrokken stakeholders een inschatting worden gemaakt hoeveel noodlijdende bedrijven tot nu toe zijn geraakt en zullen worden geraakt door deze uitspraak? Kunt u in dat kader een inschatting maken van het aantal ondernemingen dat faillissement heeft moeten aanvragen doordat de WHOA in het geheel niet van toepassing is op vorderingen van bedrijfstakpensioenfondsen voor achterstallige pensioenpremies?
Zoals ik eerder in het antwoord op vraag 5 heb opgemerkt, heb ik vooralsnog geen concrete signalen ontvangen dat trajecten om een akkoord tot stand te brengen, zijn stukgelopen naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad. Dit is overigens ook niet gebeurd in de zaak waarop de uitspraak van de Hoge Raad betrekking heeft. De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan naar aanleiding van een prejudiciële vraag die de rechtbank Amsterdam had gesteld in een zaak waarin zij verzocht was een akkoord te homologeren. In afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad hebben de betrokken partijen alvast een voorziening getroffen voor het geval uit de uitspraak van de Hoge Raad zou blijken dat de achterstallige pensioenpremies niet meegenomen konden worden in het akkoord. Hierdoor kon de rechtbank het akkoord toch homologeren ook al had de Hoge Raad nog geen beslissing genomen.8
In het kader van de evaluatie van de WHOA zal de effectiviteit van de WHOA-regeling worden onderzocht, waarbij expliciet aandacht zal worden besteed aan de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad.
Bent u het eens met de stelling dat voorkomen moet worden dat noodlijdende bedrijven die door corona al flinke klappen hebben gehad nu moeten overgaan tot het aanvragen van faillissement in plaats van het succesvol doorlopen van een WHOA-traject? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om dit te voorkomen en om noodlijdende ondernemers hier meer perspectief te bieden? Zo nee, waarom niet?
Sinds de uitbraak van het COVID-19 virus is het beleid van het kabinet er op gericht om zoveel mogelijk te voorkomen dat ondernemingen uitsluitend door de pandemie failliet gaan. De WHOA-regeling is daarbij onderkend als een behulpzaam instrument. Mijn voorganger heeft, samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, zorg gedragen voor flankerend beleid om ondernemingen te informeren over het gebruik en de mogelijkheden van de WHOA-regeling.9 De Kamer van Koophandel biedt in het kader van het «Programma Zwaar Weer» hulp in de vorm van informatie, advies en doorverwijzing aan ondernemingen in financiële moeilijkheden.10 Vanaf 2021 is deze dienstverlening van de Kamer van Koophandel uitgebreid met ondersteunende online content en tools over het gebruik en de mogelijkheden van de WHOA, zoals een WHOA-routekaart die ondernemers stapsgewijs informeert over hoe een akkoord voorbereid kan worden. Daarnaast is er een Time Out Arrangement (TOA)-krediet via Qredits beschikbaar gesteld om mkb-ondernemingen in staat te stellen een doorstart vanuit een WHOA-traject te maken.11 Het TOA-krediet kan door ondernemers bij uitvoerder Qredits worden aangevraagd van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2024.
Bent u bereid, vooruitlopend op de evaluatie van de WHOA, de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad voor de effectiviteit van de WHOA nader in kaart te brengen en de Kamer over de uitkomsten te informeren voor het zomerreces?
Per 15 maart 2022 is de consultatie afgerond over een document over het insolventierecht met als doel de praktijk te betrekken bij de toekomstige ontwikkelingen op dit terrein.12 Over de uitkomsten van deze consultatie ga ik voor de zomer in gesprek met vertegenwoordigers uit de faillissementspraktijk (waaronder INSOLAD13, RECOFA14, NEVOA15, JIRA16, NOvA17, NVB18) en van de vakbonden CNV en FNV, alsmede van werkgeversorganisatie VNO/NCW en MKB-Nederland. Deze vertegenwoordigers vormen samen een klankbord in het kader van het wetgevingsprogramma «herijking faillissementsrecht» (hierna: de klankbordgroep). In dit overleg zal ik, ter voorbereiding op de evaluatie van de WHOA, alvast de eerste ervaringen van de deelnemers aan de klankbordgroep met de WHOA-regeling bespreken. Daarbij zal ik de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad betrekken, in relatie tot de effectiviteit van de regeling. Ik ben voornemens om uw Kamer zo spoedig mogelijk in het najaar te informeren over de uitkomsten van de consultatie en de gesprekken met de klankbordgroep.
Het lerarentekort in Nederland |
|
René Peters (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Surinaamse leerkrachten kunnen ons lerarentekort opvangen, maar ze mogen niet komen»1 en de uitzending van het tv-programma Kassa d.d. 5 maart 2022?2
Ja.
Bent u bekend met het enorme lerarentekort in met name de grote steden en aandachtswijken?
Ja.
Deelt u de mening dat een tekort aan leraren, kinderen hindert in hun ontwikkeling en de kansenongelijkheid bevordert?
Voldoende bevoegde en bekwame leraren zijn essentieel voor de kwaliteit, kansengelijkheid en continuïteit van het onderwijs en daarmee voor een optimale ontwikkeling van kinderen. Een tekort aan leraren is een risico daarvoor.
Deelt u de mening dat om het lerarentekort op te lossen, creatief gedacht moet worden en grenzen van wet- en regelgeving moeten worden opgezocht?
We zien dat steeds meer scholen zoeken naar creatieve oplossingen om de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs te borgen, bijvoorbeeld door functiedifferentiatie en specialisatie. Ik vind het zeker wenselijk dat scholen, vanuit het belang van goed onderwijs voor leerlingen, verkennen welke mogelijkheden er zijn en daar waar nodig ook gebruik van maken.
Bent u bekend met het feit dat Nederlands sprekende geschikte, bekwame en beschikbare leraren uit Suriname niet in Nederland mogen werken, omdat ze niet uit de Europese Unie komen?
Ik ben ermee bekend dat leraren uit Suriname die een Surinaamse pabo hebben gevolgd, niet als leraar in Nederland aan de slag kunnen. Oorzaak hiervoor is tweeledig. In de eerste plaats zijn deze leraren meestal nog niet bevoegd: de Surinaamse pabo heeft lagere eindtermen dan de Nederlandse pabo. Dat betekent dat deze leraren hier pas als leraar kunnen werken als zij voldoen aan alle bekwaamheidseisen voor de lesbevoegdheid primair onderwijs. Bijscholing door een Nederlandse lerarenopleiding is dan nodig om een bevoegdheid te halen.
Ten tweede moet een leraar van buiten Europa, de EER en Zwitserland beschikken over een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: gvva) om in Nederland te kunnen werken. De werkgever vraagt deze gvva aan bij de IND, die op haar beurt als onderdeel van de procedure advies vraagt aan het UWV. Het UWV beoordeelt of de aanvraag past binnen de voorwaarden van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Er wordt bijvoorbeeld een arbeidsmarkttoets gedaan, waarbij onderzocht wordt of er voor de betreffende functie al arbeidsaanbod aanwezig is in Nederland, de EER en Zwitserland – het zogenaamde «prioriteitgenietend aanbod» – en of de werkgever voldoende inspanningen heeft gedaan om aanbod te werven. Verder wordt getoetst of de werkgever een passend salaris aanbiedt en of de vreemdeling over de juiste beroepskwalificaties beschikt.
Kunt u aangeven uit welk Europees land Nederlands sprekende geschikte en bekwame leraren kunnen komen?
Een voorbeeld van een land waar vaker leraren op Nederlandse scholen aan het werk gaan, is (Nederlandstalig) België. Ook vanuit de Duitstalige lidstaten komen er soms leraren over naar Nederland (dit kan ook zijn om het vak Duits te geven in het voortgezet onderwijs).
Kunt u aangeven welke beschikbare en geschikte Nederlandse ongediplomeerde doelgroep aangeboord kan worden, die met relatief weinig moeite een Pabo-diploma kan halen?
Elk jaar stromen er professionals vanuit andere beroepssectoren het onderwijs in. In 2021 is er voor 767 zij-instroomtrajecten in het beroep van leraar in het primair onderwijs subsidie toegekend aan de werkgever (een schoolbestuur) om een zij-instromer tot leraar te kunnen laten opleiden. Dit is slechts een klein deel van de volledige groep zij-instromers: naast deze groep zijn in 2021 meer dan 2.000 professionals met een vooropleiding in het hoger onderwijs, gestart met de (meestal deeltijd) pabo om een lesbevoegdheid te halen.
Daarnaast kan ook onderwijsondersteunend personeel, zoals onderwijsassistenten of leraar-ondersteuners, een verticale overstap maken naar het leraarschap. In 2021 is voor meer dan 350 onderwijsassistenten door de werkgever subsidie aangevraagd om de pabo te kunnen volgen.
Deelt u de mening dat maatwerk mogelijk zou moeten zijn voor een geschikte, bekwame en beschikbare doelgroep leraren?
Met de Kamer ben ik van mening dat maatwerk van belang voor geschikte, potentiële leraren. In het Regeerakkoord hebben we dan ook afgesproken om de lerarenopleidingen verder te verstreken en ook de opleiding voor zij-instromers te verbeteren en te flexibiliseren. Voor de zomer sturen mijn collega, Minister Dijkgraaf van OCW en ik u een brief over de aanpak van de tekorten, waar zij-instroom deel van uitmaakt.
Lerarenopleidingen kunnen maatwerk bieden en doen dit ook steeds vaker, bijvoorbeeld voor kandidaten die de capaciteit hebben om (versneld) een lerarenopleiding met succes te doorlopen, zoals zij-instromers. Lerarenopleidingen hebben in het aanbod van verkorte maatwerkopleidingen de afgelopen jaren ook al stappen in gezet: met het sluiten van het Bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen in oktober 2020 werken zij aan het (nog) beter aan te laten sluiten van het opleidingsaanbod op de behoeften van aankomende leraren.
Surinaamse leraren kunnen, als zij voldoende bekwaam en (in Nederland) bevoegd zijn, ook bijdragen aan de aanpak van het lerarentekort. Voorwaarde is dat voldaan wordt aan de voorwaarden van de Wav. Een werkgever (schoolbestuur) kan bij de IND een aanvraag indienen om een openstaande vacature op te vullen met mensen die afkomstig zijn uit landen van buiten Nederland, de EER of Zwitserland. Indien een werkgever kan aantonen dat er voldoende wervingsinspanningen zijn verricht, er een passend salaris wordt geboden, de kandidaat beschikt over door DUO erkende kwalificaties voor het beroep van leraar en er geen ander prioriteit genietend aanbod is, is aan de belangrijkste voorwaarden voor het verkrijgen van een gvva voldaan.
Wat gaat u doen om maatwerk mogelijk te maken, zodat het lerarentekort (een klein beetje) verkleind kan worden?
Zie antwoord vraag 8.